VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof (3-14/2)

.

Elisabeth von Thüringen

Koning Adreas en zijn gemalin Gertud van Hongarije moesten lang wachten tot er bij hen een dochtertje werd geboren.
Zij gaven haar de naam Elisabeth.

Zij was zo’n allerliefst blij meisje, dat haar ouders vaak dachten dat er een engeltje aan hun voeten zat te spelen en te praten.
Het liefst was ze in de slotkapel en ze verbaasde zich over de gekleurde ramen. Op een keer klom ze de kansel op, zong en juichte, zodat de geschrokken kinderjuffrouw het meisje naar buiten droeg. Maar vaak ging ze stilletjes alleen de kerk binnen. Dan pakte ze het gebedenboek van de priester. Ze hield het vaak ondersteboven vast, omdat ze nog niet kon lezen, maar ze bad en zong eruit, zoals de priester deed, alleen veel helderder en harder. De houten en stenen beelden van de ernstige apostelen zouden zeker een glimlach om de mond hebben gekregen als dat zou hebben gekund.

In deze tijd leefde een landgraaf die Hermann van Thüringen heette. Zijn zoon Lodewijk was een paar jaar ouder dan de kleine Elisabeth. De landgraaf dacht bij zichzelf: ‘De dochter van de machtige koning van Hongarije zou de juiste bruid zijn voor mijn zoon Lodewijk. Om er zeker van te zijn dat zij zijn bruid en latere vrouw wordt, zouden beide kinderen zich nu maar alvast moeten verloven.’

Hij stuurde dit voorstel met prachtige geschenken met vorstelijke huwelijksbemiddelaars naar koning Andreas van Hongarije. Hij kon het er mee eens zijn dat zijn dochtertje naar het prachtige slot Wartburg in het rijke land van Thüringen ging.
En zo groeiden de twee vorstenkinderen in vriendschap op, als waren ze broer en zus. Ze waren zeer op elkaar gesteld.

Toen Elisabeth zeven jaar was, stierf haar moeder. Maar vanaf dat ogenblik verscheen zij als beschermende engel vaak in haar dromen of wanneer ze in stil gebed verzonken was.

Niet lang daarna stierf ook de vader van Lodewijk, de graaf van de Wartburg. Nu stonden de kinderen alleen onder het gezag van de strenge moeder van Lodewijk, landgravin Sofie. Die zag niet graag dat Elisabeth tegen alle mensen, ja ook de meiden en knechten van het slot, aardig en vriendelijk deed.
Telkens als ze naar de kerk gingen, hing Sofie Elisabeth een gouden ketting om. Heel vaak drukte ze haar ook een gouden kroontje met edelstenen op haar hoofd. Elisabeth moest handschoenen dragen. Een bediende droeg fluwelen kussens de kerk in waarop de edelvrouwen en Elisabeth konden knielen. Maar zodra het meisje in de kerk kwam, trok ze haar handschoenen uit. Die deed ze met de ketting en de kroon in haar handtasje. Tijdens de dienst knielde ze naast het fluwelen kussen op de harde vloer. Daar ergerde de trotse vrouwe Sofie zich aan en ze verweet Elisabeth dat ze dit deed: ‘Je moet niet als een gewone meid knielen en waarom doe je die prachtige sieraden af?’
Elisabeth antwoordde: ‘Wees niet boos op mij, lieve moeder! Voor Christus zijn alle mensen gelijk.’
Toen wendde vrouwe Sofie zich tot haar zoon, de bruidegom van Elisabeth en zei: ‘Je moet haar verbieden zo alledaags te doen!’
Maar Lodewijk antwoordde: ‘Laat Elisabeth toch begaan! Ik ken geen beter hart dan dat van haar en ze is mooi en waardig zoals ze is, ook zonder goud en edelstenen.’
Toen kon moeder Sofie niets meer zeggen. Maar voor haar zoon had ze graag een andere bruid gezocht.

Op een keer roerde ze aan of Lodewijk nu echt Elisabeth als bruid wilde houden. Toen wees hij op een berg en zei: ‘Ook al was die berg van goud en men zou mij die aanbieden, dan zou ik Elisabeth daar niet voor geven.’

Bij hun bruiloft werden er drie dagen lang ridderspelen gehouden en er waren allerlei feestelijkheden. Lodewijk leidde Elisabeth naar het altaar. Vanaf die tijd woonde het jonge paar in innige liefde voor elkaar op de Wartburg. Uit liefde voor Elisabeth liet Lodewijk een rozentuin aanleggen.
Vaak reden ze samen door het land om het leven van de mensen daar te leren kennen. Waar Elisabeth nood en zorgen aantrof, bood ze hulp aan.
Ze kregen drie kinderen, een zoon en twee dochtertjes.

Op lange winteravonden spon de jonge gravin garen met de bediendes van het slot. Als er doeken van waren geweven, schonk ze die aan de arme mensen zodat die zich beter konden kleden.
Van een rondtrekkende geneesheer die een tijd aan het hof verbleef, leerde Elisabeth veel over de geneeskunst. Met de dienstmeisjes verzamelde ze geneeskrachtige kruiden, leerde wonden behandelen en koortsige ziekten verzachten. Voortaan ging ze ook met de meisjes naar de dorpen om de zieken te helpen. Geven en helpen waren haar grootste vreugde. Er ging geen dag voorbij of ze gaf voedsel aan wie honger had en ze lenigde vele noden.

Af en toe, wanneer moeder Sofie haar zoon Lodewijk zag, zeurde ze hem aan zijn hoofd: ‘Die Elisabeth verspilt je bezit! Wanneer dit zo doorgaat, kun je op zekere dag je slot verkopen!’
Maar Lodewijk liet zich niet gek maken. Hij hield Elisabeth alleen voor dat ze de ontvangers van haar gaven goed zou moeten kennen, want er zat ook bedelvolk bij dat te lui was om te werken.

Op een dak kwam Elisabeth van de berg naar beneden gelopen. In haar schort droeg ze broden mee die ze wilde uitdelen. Toen kwam haar gemaal te paard naar boven gereden. Hij vroeg: ‘Elisabeth, wat heb je daar in je schort? Zij antwoordde glimlachend: ‘Rozen voor de armen!’ en ze opende haar schort. Graaf Lodewijk knikte haar toe; want hij begreep de strekking van haar woorden.

Steeds vaker moest de landgraaf voor langere tijd op reis. Toen hij op een keer thuiskwam, liep zijn moeder Sofie hem tegemoet en klaagde: ‘Die Elisabeth heeft een vreemde kerel in haar woning genomen; van die houdt ze misschien wel meer dan van jou!’
Toen Lodewijk zijn gemalin begroette, vroeg hij haar naar de vreemdeling. Elisabeth liet hem daarop een melaatse man zien die zij op een bed had gelegd en wiens wonden al begonnen te genezen. De landgraaf sprak tot de zieke: ‘Een betere verpleging kun je niet krijgen. Wees welkom in mijn huis!’

Toen werd het land getroffen door een ernstige misoogst. De prijzen gingen omhoog en alle voedsel werd schaars. Graaf Lodewijk moest daarom een lange reis ondernemen naar ver weg gelegen streken. Daar hoopte hij graan te kunnen kopen voor zijn land.
Toen er iedere dag veel hongerlijders naar de Wartburg kwamen lopen, opende Elisabeth de voorraadkamers en opslagruimten. Dag voor dag ontvingen honderden mensen voedsel van haar. Omdat de voorraden niet groot genoeg waren, verkocht zij haar kostbare sieraden uit Hongarije en een groot aantal boerderijen met land en bijgebouwen.

Toen de landgraaf weer thuiskwam, beklaagde zijn moeder Sofie zich opnieuw over de verkwisterin die zoveel goederen verkocht had. Toen antwoordde Lodewijk: ‘Als ze maar niet de Wartburg verkoopt, zolang vind ik het goed.’

De jaren gingen voorbij. Toen besloot graaf Lodewijk met keizer Frederik ll een reis naar het heilige land te maken. Elisabeth wist van de gevaren van een kruistocht. Ze was bang voor wat er met haar en de kinderen zou gebeuren, als ze alleen achter zou blijven. Desondanks zei ze tegen Lodewijk: ‘Ga in Christus’ naam: ook ik zal mijn kruis dragen.’

Opdat het land Thüringen tijdens de afwezigheid van de graaf niet zonder heer zou achterblijven, benoemde Lodewijk zijn jongere broer Hendrik als plaatsvervanger. Hij moest zweren Elisabeth, de kinderen en het land te beschermen. Voor het afscheid schoof Lodewijk een ring met een blauwe edelsteen aan de vinger van zijn echtgenote. Toen Elisabeth haar echtgenoot in de verte zag verdwijnen, kreeg ze een voorgevoel dat zij elkaar op aarde niet meer zouden terugzien. En dat was zo.

Een paar maanden na het afscheid van Lodewijk was er een teken. Toen Elisabeth bij het slapengaan haar handen vouwde om te bidden, merkte ze tot haar schrik dat de blauwe steen uit de ring was gevallen. Hoe er ook werd gezocht, die was nergens meer te vinden.
Toen kwam de droevige boodschap dat graaf Lodewijk aan een verraderlijke ziekte was gestorven. Het bleek dat hij op dezelfde dag was overleden waarop zij de steen was verloren. Elisabeths hart was diep bedroefd en leed.

Hendrik, de jongere broer van Lodewijk, luisterde naar slechte raad. Hij geloofde, nu zijn broer dood was, dat hij zich niet meer aan zijn belofte hoefde te houden. Elisabeth werd aangeklaagd dat ze de goederen van de graaf verkwanseld had. Midden in de winter werd ze gedwongen om de Wartburg met haar kinderen te verlaten. Het werd haar verboden ook maar in de buurt te komen. Dagenlang was Elisabeth met haar kinderen op de vlucht. Een poosje mocht ze bij mensen die medelijden met haar hadden, in de schuur blijven; met de kinderen sliep ze op een bed van stro. Nu was de armoede haar zuster geworden. Nu moest ze de laatste gouden ring die ze had, verkopen. Toen trok ze bedelend met haar kinderen van deur naar deur. Uiteindelijk nam een verwant van haar, de bisschop van Bamberg de verdrevene op en gaf haar een woonplaats in slot Bodenstein.

Een jaar later kwamen de ridders van Thüringen die met Lodewijk meegetrokken waren, van de kruistocht terug. Ze vernamen in wat voor ellende Elisabeth en de kinderen terecht waren gekomen door de eedbreuk van graaf Hendrik. Ze pakten hem streng aan. Hij moest het erfdeel van Elisabeth afstaan en haar haar rechten teruggeven. Elisabeth nam het aan zodat ze weer goed zou kunnen doen. In de stad Marburg liet ze een ziekenhuis bouwen. Als moeder van de zieken diende ze hier voortaan als een eenvoudige helpster.

Elisabeth had haar vader, de koning van Hongarije, niet op de hoogte gesteld dat ze was verdreven. Maar langs omwegen had hij toch gehoord van de dood van haar gemaal Lodewijk. Hij zond nu graaf Panyas uit om over de lotgevallen van zijn dochter te vernemen. De graaf vond haar in haar ziekenhuis gekleed als een dienster, terwijl ze wol zat te spinnen. Graaf Panyas zei tegen haar: ‘Nooit is er een koningsdochter gezien die in zulke armoedige kleren wol zat te spinnen. Dat zal uw vader verdriet doen.’
Elisabeth antwoordde: ‘Ik ben een eenvoudig mensenkind en zou graag een kind van God worden.’
De graaf probeerde haar over te halen: ‘Elisabeth, kom met uw kinderen naar Hongarije terug naar het huis van uw vader. ‘Zij antwoordde: ‘Hier, waar ik God en de mensen kan dienen, is mijn vaderhuis.’

En Elisabeth bleef bij de armen en zieken in Marburg. Maar de vlam van het leven had in haar zo krachtig en snel gebrand, dat zij jong, al met vierentwintig jaar, gestorven is. Haar lichaam werd op de vierde dag na haar dood nog helemaal fris en onaangedaan in Marburg in het graf gelegd. Op die plaats bouwde men ter herinnering de Elisabeth-kerk. Vanaf die tijd maakten de mensen een pelgrimstocht naar haar graf en nog altijd klinkt haar naam door in de harten van mensen.

.

Naar het verhaal van Jakob Streit*

Elisabeth en Lodewijk in het huwelijksbed
Op de Wartburg (2020)

Elisabeth van Thüringen op deze blog

Elisabeth von Thüringenmeer

*De legende werd heel mooi verteld door Jakob Streit: Ich will dein Bruder sein– niet vertaald.

2e klas vertelstofalle artikelen

Alle biografieën

.

2250

.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.