VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-9)

.
Sprookje uit Servië
.

Michaël en de zoon van de rijke man

.
Er was eens een man, die landerijen, dorpen en wouden bezat, kortom, hij was bijna zo rijk als de tsaar.
Deze man had één zoon en die groeide op van kind tot jongeman.
Op een dag echter, werd hij onrustig en kon hij het thuis niet langer uithouden. Zijn vader zag dit. Zijn zoon kwam naar hem toe en vroeg vriendelijk toestemming hem de wijde wereld in te laten trekken.  Zijn vader vond het goed en gaf zijn zoon rijkelijk van de goudstukken en deze pakte zijn ransel en trok eropuit, de wijde wereld in. En zo liep hij lange tijd, gewoon zijn neus achterna, zonder een bepaald doel. Het werd middag, de avond begon te vallen, maar nog altijd wist de jongeman niet waarheen zijn weg hem zou brengen. Het was al bijna helemaal donker toen er plotseling een eerzame grijsaard voor hem stond:  ‘Ik groet u in Gods naam’, zei de oude. ‘Waar voert de weg u heen? ‘Ik trek de wijde wereld in,’ gaf de jongeman ten antwoord. ‘Maar waar moet je de nacht doorbrengen, het is immers al donker?’ vroeg de oude man. ‘Waar ik de nacht zal doorbrengen, dat weet ik niet, maar de zachte bosgrond als bed is goed genoeg en de sterren zullen mijn nachtlichtjes zijn,’ zei de jongeman, en hij liep verder naast de oude man. ‘Welnu, als dat zo is weet ik iets beters,’ antwoordde de grijsaard hem. ‘Loop het bos maar uit en als je weer in het open veld komt, zal je  iets van het pad af al snel een huis ontwaren. Ga daar heen en vraag onderdak voor de nacht.’
De jongeman wilde de oude man voor zijn goede raad bedanken, maar toen hij zich naar hem toekeerde, was deze verdwenen.

Hij liep door en kwam ook werkelijk van het bos in het open veld en weldra zag hij  het huis al dat hem was aangeduid. Hij volgde de raad van de grijsaard op en klopte aan de deur en vroeg onderdak voor de nacht. Hij werd heel vriendelijk verwelkomd en kreeg te eten en te drinken en er werd hem een plaatsje aangewezen om te slapen. In een hoek zag hij een bed waarin een zieke lag bij wie een kaars brandde.
Midden in de nacht verscheen daar plotseling dezelfde grijsaard die de jongeman het huis had gewezen. Hij liep op de zieke af, nam zijn ziel mee en verdween weer. Omdat alleen de jongeman het bed van de zieke kon zien, was er verder niemand die de grijsaard had opgemerkt.

’s Morgens stond de jongeman vroeg op, bedankte de mensen en nam afscheid en ging zijns weegs. Hij liep maar en hij liep, steeds opgewekt zijn neus achterna, over heuvels en door dalen.
Maar nauwelijks was het avond geworden of daar stond de grijsaard plotseling weer voor hem die hem zijn eerste nachtelijk onderkomen had gewezen.
De oude man groette de jongeman in Gods naam en vroeg: ‘Waar ben je op weg naartoe?’ ‘Ik trek de wijde wereld in,’ zei deze hem.

‘Maar waar moet je vannacht dan slapen, het al donker is geworden?’ vroeg de oude man. ‘Varens en mos zijn als slaapplaats goed genoeg voor en de wind in de bomen zal mij wel in slaap zingen,’ antwoordde de jongeman. ‘Dat is prachtig,’ zei de oude man toen, ‘maar toch geef ik je de raad om onderdak voor de nacht te zoeken in het huisje aan de overkant van dit dal.’
De jongeman wilde de oude man bedanken, draaide zich om, maar deze was al verdwenen.
De jongeman vervolgde zijn weg, doorkruiste het dal en zag daar ook werkelijk het huis staan. Hij klopte aan, vroeg onderdak voor de nacht, en de mensen lieten hem vriendelijk binnen.

Toen de rust was neergedaald, zag de jongeman ook hier vanuit zijn slaapplaats een bed met een doodzieke erin en een kaars daarbij. Midden in de nacht werd de zieke overvallen door de pijn van de dood en toen verscheen de grijsaard weer, nam de ziel mee en verdween. Er was niemand die de grijsaard had gezien, behalve de jongeman.

Nauwelijks was het ochtend of de jongeman bedankte de mensen, nam afscheid en ging verder. Weer liep en liep en liep hij door bossen en velden; het werd middag en de zon zakte weer langzaam naar de horizon. Toen wad het avond. Nu kwam hij de grijsaard voor de derde keer tegen. Weer groette hij de jongeman hartelijk in Gods naam en vroeg hem ook ditmaal waarheen hij wilde gaan.
‘Ik trek door de wijde wereld,’ antwoordde de jongeman hem, ‘en vannacht ga ik op het zachte gras van de weide slapen, en de beek daarbij zijn slaaplied zingen.’
‘Toch is het beter als je in het huisje achteraan deze wei overnacht,’ raadde de oude man hem aan en hij had dat nog niet gezegd of hij was ook al verdwenen.

De jongeman vond de goede raad van de grijsaard ter harte, ging naar het aangeduide huisje, klopte aan en werd ook hier vriendelijk binnen gelaten en onthaald.
Verbaasd ontwaarde de jongeman vanuit zijn slaapplaats weer een zieke en een kaars naast het bed. En voor de derde keer verscheen midden in de nacht de grijsaard, nam de ziel van de stervende mee en verdween.

De volgende ochtend bedankte de jongeman, nam afscheid van de vriendelijke mensen en ging verder.
Hij had nog niet lang gelopen toen de oude man weer naast hem verscheen, hem in Gods naam goedendag wenste en met hem meeliep. Een tijdlang liepen ze zo, toen wendde de jongeman zich tot de oude man en zei: ‘Wilt u mij zeggen, eerwaarde, u bent nu driemaal aan mij verschenen en u hebt mij telkens aan een slaapplaats geholpen. En driemaal vond ik in het huis een zieke en steeds kwam u midden in de nacht om de ziel van de zieke mee te nemen. Graag zou ik weten wie u bent.’

‘Ik ben de aartsengel Michaël, die de zielen meeneemt.’

‘En zal u ook eens mijn ziel meenemen?’ vroeg de jongeman. ‘Zoals ik de zielen van de zieken heb meegenomen, zo zal ik ook uw ziel meenemen,’ antwoordde Michaël hem. ‘Maar wanneer zal dat zijn?’ vroeg de jongeman daarop. ‘In de nacht nadat je getrouwd bent, dan neem ik uw ziel!’ zei de oude en toen  verdween hij.

Vol verbazing bleef de jongeman staan en dacht na over wat hij zojuist had gehoord. De wijde wereld bekoorde hem nu niet langer en hij besloot naar huis terug te keren. En’, zo dacht hij verder, ‘dan zal ik trouwen, ook als ik daarmee bewust de dood op mij neem — ja, als de heilige Michaël mijn ziel neemt ben ik daartoe bereid.

Hij sloeg de terugweg in en toen hij weer bij zijn ouders was aangekomen zei hij meteen tegen hen dat hij nu thuis wilde blijven en trouwen. Daar waren zijn ouders heel blij mee en ze vroegen hun zoon welk meisje zijn bruid zou worden. ‘Gaat u maar,’ zei hij tegen zijn moeder, ‘naar het kleine huisje aan het eind van het dorp. Daar woont een kruier en die heeft een dochter. Vraag haar hand, want ik houd van geen ander zo veel als van haar.’ Maar bij zichzelf dacht hij stilletjes: ‘Als ik nu toch na de bruiloft moet sterven, dan zijn dit meisje en haar ouders tenminste uit de zorgen.’

De ouders waren zeer verbaasd over zijn keus van hun jongen. Ze probeerden hem met veel praten op andere gedachten te brengen: de kruiersdochter immers was arm en kon nauwelijks iets anders haar eigendom noemen dan haar ziel, dat was toch geen huwelijk voor iemand van zijn stand?

Maar wat ze ook zeiden, de jongeman liet zich niet op andere gedachten brengen, hij herhaalde slechts dat hij dit meisje wilde en geen ander.

Nu was het zo dat de jongen het meisje eigenlijk niet eens kende, maar hij had zich voorgenomen iets voor haar te doen — na zijn dood zou ze haar geluk vinden.

Toen de ouders zagen dat hun zoon niet op andere gedachten was te brengen, stond zijn moeder uiteindelijk op, begaf zich naar het huis van de kruier en vroeg de hand van diens dochter voor haar zoon. De kruier en zijn vrouw waren meer dan verbaasd toen de moeder van de jongeman haar verzoek naar voren bracht en dachten in hun hart vermoedelijk dat het allemaal maar een grap was. Maar toen ze merkten dat de moeder het ernstig bedoelde vroegen ze aan hun dochter of deze wel met de rijke jongeman wilde trouwen. Van schrik en schaamte werd het meisje helemaal rood, ze kon geen woord uitbrengen en liep de deur uit. Haar ouders echter riepen haar achterna: ‘Wees gelukkig! Gods zegen zal op deze verbintenis rusten!’

In blijde stemming keerde de moeder van de jongen naar huis terug en vertelde dat ze alles  had geregeld zoals hij het wilde.

Zo werd de hand van het kruiersmeisje gevraagd en nadat ook het huwelijkspand aan haar was overhandigd, maakte de jongeman aanstalten om zijn voornemen in de daad om te zetten. Aan zijn vader vroeg hij driehonderd goudstukken en toen ging hij weg en kocht van het geld een huis voor zijn schoonouders en richtte het zo goed mogelijk in met al wat er nodig was. Toen alles tot zijn tevredenheid was geregeld, vroeg hij zijn vader nog eens driehonderd goudstukken om voor zijn bruid van een passende uitzet aan te schaffen. En hij kocht alles wat tot de uitzet behoorde, en ook nog sieraden voor bij haar jurken, halskettingen en linten, zijden kapjes en gouden smeedwerk, alsof hij een tsarina naar het altaar zou brengen.

Zo verstreek de tijd, en de dag van de bruiloft brak aan. Voor de jongen was het een schitterend huwelijksfeest en er kwamen heel veel gasten en allen  werden rijkelijk onthaald, zoals dat nu eenmaal gebeurt als er een rijke jongeling trouwt.

Toen werd het avond en bracht het jonge paar werd naar het bruidsvertrek geleid. Zodra echter de deuren achter hen waren gesloten, vroeg de jongeman zijn bruid te gaan slapen, hijzelf wilde nog opblijven en in de Heilige Schrift lezen. Ze ging in bed liggen en sliep in. De bruidegom echter bad tot God en las in de Bijbel.

Om middernacht ging de deur open en de aartsengel Michaël kwam in de gedaante van de grijsaard het bruidsvertrek binnen, groette hem in Gods naam en zei: ‘Jongeman, waar ben je?’ De bruidegom draaide zich om, groette eveneens in Gods naam en antwoordde  ‘Hier ben ik en ik weet dat u gekomen bent om mijn ziel mee te nemen. Weet dan dat ik gereed ben.’

Michaël antwoordde hem daarop: ‘Ik ben gekomen zoals ik had beloofd, maar hoor, de almachtige God heeft bevolen je nog veertig jaar in leven te laten, want je hebt een grote daad volbracht: bewust nam je de dood op je om zo het arme meisje en haar ouders gelukkig te maken!’

Zo sprak de heilige aartsengel Michaël en verdween. De jongeman echter legde zich gelukkig te slapen en in liefde leefde hij verder.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2825-2651

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-8)

.
Normandische sage (uit een schoolkrant, nadere gegevens onbekend)
.

De aartsengel Michaël en de duivel

.

De bouw van het slot
.

De aartsengel Michaël en de duivel waren ooit buren. Op een winteravond raakten ze aan het twisten: de duivel beweerde dat zijn macht oneindig groot was, Michaël echter zei dat God alleen almachtig was.
‘Nu goed dan!’ zei de duivel. ‘Roep jij Gods hulp in en bouw een slot, ik zal een ander bouwen en dan zullen we zien welk het mooiste is.’

Michaël nam de uitdaging aan. Meteen zond de duivel een leger dienaren uit om in de hele wereld grote blokken graniet te zoeken. Ze gingen terstond aan het werk en bouwden een reusachtig slot op een bergeiland in zee, te midden van loeiende stormen.

Satan was enthousiast. Maar de aartsengel bouwde op het strand een schitterend lichtpaleis van ijskristallen, dat stelde met zijn glans de sombere granieten berg in de schaduw. Ondanks zijn hoogmoed moest Satan toegeven dat hij was overwonnen. Groot was zijn schaamte. De vertwijfeling maakte hem jaloers, de kwellingen van de afgunst hielden hem uit de slaap. Ten slotte hield hij het niet meer uit, en hij vroeg de aartsengel of deze zijn paleis niet voor de granieten berg wilde ruilen; Michaël stemde daarmee in. Toen het zomer werd smolt het ijsslot van de duivel in de brandende zon; het slot van de aartsengel echter staat er nog altijd: het is de Mont Saint-Michel.

De weddenschap

Satan moest nu in een eenvoudige strooien hut op het strand wonen; maar hij bezat vruchtbare velden, goed bevloeide weiden en heuvelhellingen met hoge bomen begroeid, en daartussen groenende dalen. Michaël daarentegen had rondom zijn burcht slechts drijfzand, en had hij niet gebeden, dan zou hij meer dan eens zijn verhongerd. Na verscheidene jaren te hebben gevast had de heilige Michaël genoeg van dit leven. Hij zocht de duivel op en zei tegen hem: ‘Beste duivel, ik doe je een voorstel: vertrouw mij je land toe, ik zal het naar beste kunnen bebouwen en dan delen we de oogst. Akkoord?’ De duivel, die een grote luilak was, accepteerde het aanbod. Michaël vervolgde: ‘Daar ik niet wil dat je je over mij te beklagen hebt, mag jij kiezen wat je het liefste hebt: de oogst die onder de aarde is, of die erboven staat?’
De duivel riep uit: ‘Ik neem wat boven de aarde groeit!’ — ‘Akkoord!’ zei de heilige.

Zes maanden later zag je alom in het uitgestrekte land van de duivel slechts knollen, wortelen en uien. De duivel kreeg niets, klaagde hevig en wilde het contract ontbinden. Maar Michaël had plezier gekregen in de akkerbouw.
‘Om je schadeloos te stellen,’ zei hij tegen de duivel, ‘bied ik je dit jaar alles aan wat onder de aarde groeit.’ — ‘Akkoord!’ antwoordde de ander vol blijdschap.

Het volgende jaar groeide overal tarwe, haver, gerst en prachtige klaver. Satan kreeg weer niets en werd rood van woede. Toen hij zijn klauwen tegen Michaël ophief gaf deze hem een geweldige trap in zijn heup. Satan viel neer op de rots van Mortain, waar nog altijd de onuitwisbare sporen te zien zijn van de horens aan zijn voorhoofd en de nagels aan zijn tenen. Vernederd, hinkend en voor de rest van zijn leven verminkt stond hij weer op. Hij zag in de verte de fatale berg en begreep dat hij met een sterker iemand te maken had; daarom begaf hij zich naar vreemde landen en stond hij zijn velden, zijn weiden, zijn heuvelhellingen en zijn dalen af aan de aartsengel.

De zeis

In vroeger tijd sneden de mensen in Hédé hun gras met kleermakersscharen en dat was een heel werk. De duivel alleen, die van tijd tot tijd die streek bezocht om stenen te halen voor de bouw van Mont Saint-Michel, had een werktuig waarmee hij het gras in heel korte tijd kon maaien. Daarvan bediende hij zich echter alleen ‘s nachts en hij weigerde het uit te lenen. Op een dag beloofde Satan aan een van zijn vrienden, een gemeen sujet, dat hij de volgende nacht zijn gras zou maaien. De heilige Michaël hoorde daarvan en stak ijzeren eggetanden in de wei. Toen verstopte hij zich in een oude holle eik, alleen zijn hoofd stak tussen het gebladerte uit. Tegen middernacht zag hij hoe de duivel de snede van zijn werktuig met een hamertje haarde en het vervolgens aan het uiteinde van een lange stok bevestigde. Daarop wette hij het, en al gauw viel het gras in lange zwaden. Toen het werktuig op de eerste eggetand stuitte werd het schaardig. Satan vloekte als een echte duivel, maar ging door met maaien. Bij de tweede eggetand brak het, en de duivel zei bij zichzelf: ‘Zo, nu is me toch mijn zeis gebroken, ik moet ermee naar de smidse.’ En vloekend ging hij op weg naar het plaatsje Dingé.

De volgende morgen informeerde Michaël bij de smid naar het werktuig. ‘Ja,’ antwoordde de smid, ‘het was een werktuig zoals ik er nog nooit een had gezien.’ ‘Goed, voor mij moet je er net zo een maken, en dan zal ik je ook vertellen waar het voor dient.’ De smid smeedde dus voor hem net zo’n werktuig als hij bij de duivel had gezien, en Michaël legde hem vervolgens het gebruik van de zeis uit. Maar hij deed niet als de duivel, maar gaf de zeis door en bracht alle mensen het gebruik ervan bij.

Toen Satan dit tot zijn woede merkte, dacht hij meteen dat de heilige Michaël hem had bespied. Dus ging hij naar hem toe en daagde hem woedend uit tot een duel.
‘Mij best,’ antwoordde de engel, ‘maar ik wil nergens duelleren dan in een bakoven.’ ‘Waar je maar wilt.’ — En ze begaven zich naar het dichtstbijzijnde dorp. Onderweg vond Michaël een houten paaltje van het soort dat boerinnen gebruiken om hennep en vlas te braken voor ze die hekelen.

Bij de bakoven aangekomen pakte de duivel de schiet-schop en glipte de oven in, Michaël volgde hem. Terwijl de duivel nog aan de lange stang trok, timmerde Michaël hem uit alle macht op zijn hoofd. ‘Genade, genade!’ schreeuwde Satan, ‘je vermoordt me!’ ‘Ik zal je laten leven,’ antwoordde Michaël, ‘maar alleen als je het land verlaat en nooit meer terugkomt.’

Dat kwamen ze overeen, en sindsdien heeft men in de omgeving van Hédé de duivel nooit meer gezien.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

2824-2650

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-7)

.
Uit Ierland
.

Hoe de muis en de kat werden geschapen
.

Lang geleden, toen Lucifer en zijn scharen uit de hemel werden verdreven, werd Lucifer overmand door een grote haat tegen heel het mensengeslacht. Steeds weer trachtte hij de mensen te benadelen en hij had al allerlei ongedierte geschapen om de mensen te kwellen.

Op een dag dacht hij na over de kwellingen die hij al allemaal had verzonnen: slangen, muggen, wespen, vliegen, schorpioenen en veel ander ongedierte. In zijn kwaadaardigheid kwam Lucifer op de gedachte dat al die kwellingen wel het lichaam van de mens aantastten, maar niet wat hij het meest nodig heeft: voedsel en kleding. Nu wilde hij een dier scheppen dat die twee dingen zou vernielen. Het moest klein en vlug zijn, en daar de mens ’s nachts sliep, kon het dier het best zo worden gevormd dat het zijn taak in het duister kon verrichten. Maar voedsel en kleding bestonden voor een deel ook uit dingen met vaste bolsters en harde basten, of van huiden en taaie stoffen. Daarom, zo bedacht de Boze verder, moest het nieuwe dier wel scherpe tanden krijgen, die vlug ook door harde omhulsels heen konden knagen. En toen hij al die gedachten samenvoegde ontstonden in zijn hoofd de muis en de rat, en dadelijk gaf hij er vorm aan. Muizen en ratten nu vermenigvuldigen zich snel en al gauw klaagden de mensen dat ze de scharen niet meer de baas konden.

De aartsengel Michaël hoorde deze klacht en hij overpeinsde hoe hij de mensen hierin kon bijstaan. Lang dacht hij erover na en tenslotte zag hij als enige mogelijkheid, op zijn beurt een dier te scheppen dat voortaan de vijand zou zijn van muizen en ratten. Tegelijk echter moest het de mens vriend-

schappelijk gezind zijn. En, zo overdacht de heilige Michaël verder, het dier moest even soepel en vlug zijn als de muizen en ratten, daarbij sterk en taai, met klauwen die plotseling te voorschijn kwamen en even snel weer konden worden ingetrokken. Om te kunnen toebijten en vasthouden had het scherpe, spitse tanden nodig en het moest kunnen springen en klimmen. Daar nu de muizen en ratten vooral ’s nachts op pad waren, moest het dier dat Michaël wilde scheppen zowel overdag als ’s nachts kunnen zien.

Dit alles bedacht de heilige Michaël, en toen het beeld van het nieuwe dier hem helder voor ogen stond gaf hij er vorm aan, en zo ontstond de kat. Als een bliksemflits schoot ze onverhoeds in de schare muizen en ratten, waarvan er heel wat het loodje legden. De vlugste onder hen echter kropen gauw weg in donkere gaten en greppels, waar de kat ze niet kon vinden. En sindsdien durven de knagende muizen en ratten, om niet door de kat te worden gesnapt, slechts heel voorzichtig te voorschijn te komen.

De kat echter woont bij de mensen voor de warme kachel, geeft kopjes en spint als ze tevreden is, maar ze kan ook onverhoeds haar met klauwen bewapende poten bliksemsnel uitslaan als ze hardhandig wordt behandeld. Ze is aanhankelijk, maar niet trouw zoals de hond, en ’s nachts onderneemt ze haar strooptochten, vrij, trots en ongebonden.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

2823-2649

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-6)

.
Een Koptische legende uit het ‘Boek van de inzegening’ 14, 37)
.

Hoe Michaël in zijn ambt werd benoemd

.

In den beginne schiep de Vadergod door zijn kracht de hemel, het geweldige, oneindige firmament. Toen dat geschied was schiep hij de aeonen en vervolgens de engel die Saklithaboth werd genoemd, dat is ‘hij die de hemel en de aarde opschrikt’. En de Vader plaatste hem boven alle engelen en engel-heerscharen en zij allen gehoorzaamden hem. Als tweede engel werd Michaël geschapen, na hem Gabriël, Rafaël en alle andere engelen in grote scharen.

Zeven engelen werden aangewezen om Saklithaboth, de eerstgeschapene, als hun leider te dienen, en zij zongen hymnen ter ere van de heilige Triniteit.

Van het begin af aan had de Triniteit Saklithaboth met grote hoogmoed begiftigd en zo regeerde hij over de engel-scharen hoogmoedig en trots, maar zeer kundig.

Toen kwam het uur dat de Vadergod de mens schiep. Hij vormde hem naar zijn beeld en zette hem in het paradijs — in de tuin der engelen en der hemelse schepselen.

Toen de mens geschapen was, gaf de Vader aan de Zoon-god de blik vrij op de toekomstige ontwikkeling van het mensengeslacht. En de Zoon schouwde in grote kosmische beelden de daden van de mensen en hoe ze in de loop der tijden zonde na zonde op hun schouders laadden. Hij zag ook de bestraffing der zonden en hoe meer hij zag, des te groter werd zijn medelijden, tot hij tenslotte de Vader smeekte hem voor een daad van verlossing naar de toekomstige aarde te zenden zodra de tijd daarvoor gekomen zou zijn, opdat hij de mensen van hun zonden zou kunnen verlossen.

De Vader was zeer verheugd toen hij de wil om de mensen te verlossen bij de Zoon gewaar werd en hij beloofde hem dat hij zijn wens zou vervullen. Daarmee nam hij de toekomstbeelden voor de blik van de Zoon weg en het grote werk van de schepping kon worden voortgezet.

Aan de mens in het paradijs gaf God de naam Adam. Deze naam hadden de hoge aartsengelen Michaël, Gabriël, Rafaël en Uriël in de vier windstreken gevonden en gezamenlijk samengevoegd. Toen schiep de Vader een metgezellin voor de mens, en tezamen leefde het paar in de tuin van het paradijs en zelfs de engelen verheugden zich over hun schoonheid en roem.

Nu kwam de dag dat de Vader Adam bij zich riep en deze gaf antwoord, kwam en knielde neer, aanbad hem en smeekte om zijn zegen. Toen de mens zo in verering knielend de zegen van de Allerhoogste afsmeekte waren de engelen allen in een wijde kring om hem verzameld, en geen van hen ontbrak. En het koor der engelen bekrachtigde het gebed van de mens door een krachtig ‘Amen’.

De Vader riep nu de aartsengelen, engelen, cherubijnen en serafijnen, de vierentwintig oudsten en het gehele leger van de hemel op om Adam, die zijn gelijkenis en beeld was, te aanbidden. Vanuit de hemel daalde een zoete geur op het lichaam van Adam neer en de engelkoren riepen: ‘Gezegend zijn wij, want wij zijn waardig om u te zien, o beeld van onze koning — Amen!’

Alle engelen traden nu een voor een voor Adam en betuigden hem hun eerbied. Toen nu de engel die als eerste geschapen was aan de beurt kwam, weigerde hij Adam te aanbidden De Vader wendde zich tot hem en riep hem nogmaals op zijn schepping te aanbidden. Hoogmoedig weigerde Saklithaboth ten tweeden male. Verblind als hij was sprak hij tot de Vader: ‘Klein is de mens vergeleken bij mij, want ik werd vóór hem geschapen en ik ben groter dan alle engelen en de eerste onder hen.’

Ten derden male beval de Vader de hoogmoedige, Adam te aanbidden, en hij sprak tot hem, de eerstgeschapene: ‘Weet, Saklithaboth, dat je halsstarrigheid niet onbestraft kan blijven als je mijn gebod niet opvolgt. Je zult de kwade gevolgen van je daden ondervinden — je roept je eigen vernietiging over je af.’

Doch opnieuw weigerde de eerstgeschapene.

Toen zag de Vadergod dat het kwaad geschied was, want talrijke engelen werden door de weigering van Saklithaboth verleid en weigerden eveneens.

De Vader verkondigde toen voor alle engelen, dat Saklithaboth met deze weigering al zijn rechten verspeeld had — hij zou voortaan niet meer de eerstgeschapene heten, maar Saklam, de strijdzuchtige, of Mastema, de Boze. Daarop gaf hij een cherubijn opdracht, Saklam een vleugel af te slaan en hem op de aarde te werpen. Geen van de engelen was echter sterk genoeg om de Boze te bestrijden, behalve Michaël.

De engelen die samen met Saklam geweigerd hadden werden demonen, die uit de atmosfeer tevoorschijn breken en in de harten der mensen slechte gedachten opwekken.

Godvader echter zat op zijn troon en treurde en met hem weenden alle engelen.

Dit alles geschiedde op de 11e Athôr op het 11e uur van de dag, ten tijde van de zonsondergang.

Op de ochtend van de 12e Athór (8 november) verzamelden alle engelen zich rond de troon van de Vader. Nu werd Michaël, de als tweede geschapene, in plaats van de eerstgeschapene in zijn ambt benoemd. De gehele waardigheid en alle roem van Mastema werden hem gegeven. Zijn hoofd werd getooid met de diadeem van licht, zijn handen omvatten de staf van de waarheid en de oprechtheid en zijn voeten werden gestoken in de schoenen van de vrede. Zo werd op deze bijzondere dag Michaël de Vorst van het Licht.

En terwijl de serafijnen juichten en de cherubijnen zongen blies Michaël op de bazuin van het leven. Alle engelen kwamen en aanbaden de Lichtvorst, de eerste der engelen, de aartsengel Michaël die op de hoogste troon was gezet, terwijl de wierook van hun verering de licht-aeonen vulde. En niemand onttrok zich aan deze aanbidding.

Groot was de vreugde van de Vader, van de Zoon en van de Geest en alle hemelen verheugden zich en vierden feest.

Michaël, de goede engel, werd benoemd tot beschermer en helper van het komende geslacht van de mensen, van allen die na Adam zouden komen; Michaël werd diegene die te allen tijde de smeekbeden van de mensen voor Gods troon kon dragen. En de Vader verhief hem op de lichtwagen, opdat hij de toekomstige aarde, en op haar de tweeënzeventig landen waarover hij zal heersen, kan bezoeken. En het zal zijn taak zijn, de mensen orde en licht te brengen en hun gebeden voor God te brengen.

Zo werd Michaël, de Lichtvorst, de grote aartsengel en eerste onder de engelen in zijn ambt benoemd en hij stond aan Gods troon, steeds indachtig de geboden van de Hoogste. En de hemelen jubelden over zijn glans.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

2822-2648

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-16)

.

Verkorte weergave door Arie Boogert in Jonas nr. 2, 18-09-1987

.

Kalo Dant en de zevende wereld
.

Kalo Dant had in de twintig jaren van zijn leven met de zigeuners van zijn stam onnoemelijk veel landen bereisd. Zoveel, dat hij dacht dat ze bijna aan het einde van de wereld waren be­land en dat er nauwelijks meer landen te ontdekken waren. Toen hij hoorde dat God zeven werelden boven elkaar had geschapen, waarvan de onze er één is, was hij erg blij. ‘Dan hoef ik tenminste niet weer al die bekende plaatsen op te zoeken’, dacht hij. Aan iedereen vroeg hij de weg naar die hogere werelden. Maar hij werd uitgelachen; de ze­ven werelden zijn immers van elkaar gescheiden door solide hemelse gewelven. Daar kom je nooit doorheen! Tot hij eens, een grassprietje tussen de tanden, in het gras lag en naar de he­mel keek. Ja, de hemel is hoog. Maar dat zijn de bergen ook. Wie weet, of je op de toppen van de bergen niet met je hoofd in de wereld boven ons steekt? Een mooie gedachte. En zo begon Kalo Dants avontuur.

Hoog in de bergen komt Kalo Dant in de mist terecht en hij durft niet verder te gaan. Boven zich voelt hij niets van een hemelgewelf. Als de mist optrekt en hij een kaal berglandschap om zich heen ziet, loopt hij verder. Dan vindt hij een slanke, rechte boom, die almaar om­hoog groeit, zo ver dat de top niet te zien is. Hij begint omhoog te klimmen. Moe geworden, rust hij na een tijdje uit. Tussen de takken door omhoogkijkend, ziet hij daar boven een, ja – wat?, een oude pantoffel. Aan een bruine blote voet. Zo ontmoet Kalo Dant zijn bescher­mengel. Hij kan duidelijk zien dat het de beschermengel van een zigeuner is. Die hebben gevleugelde voeten. Kalo Dant mag de pantoffel lenen en schiet omhoog. Waar hij weer vas­te grond onder de voeten krijgt, wordt hij gastvrij ontvangen door een menigte zigeuners, maar hun taal verstaat hij niet. Hij wordt naar een oude man gebracht. Deze is negenenne­gentig jaar oud en kent negenennegentig talen, ook die van Kalo Dant. ‘Nieuwsgierigheid’, zegt de oude, ‘is de eerste stap op de ladder die wij kennis noemen.’ En zo blijft Kalo Dant een jaar bij hem om te leren. Hij leert er de taal van de bomen om te we­ten, welke hij als houthakker kan vellen en welke niet. Na een jaar wordt de oude man hon­derd jaar oud en leert hij zijn laatste taal: die van de vogels. Nu moet Kalo Dant hem verlaten en naar huis teruggaan. Maar nee, hij wilde toch alle werelden daarboven leren kennen, en hij is er nu toch al veel dichter bij?

Op aanraden van de oude man zoekt hij een eenzame weide op. Na drie dagen in de een­zaamheid ziet hij de Schepper zelf voor zich staan, die hem eerst duchtig de les leest, maar ten slotte helpt. Hij mag de andere werelden leren kennen. Maar verder moet hij het alleen opknappen. Terugkeren naar zijn eigen wereld moet hij op eigen kracht. Zo leert Kalo Dant de ene wereld na de andere kennen; en hoe hoger ze zijn, hoe minder be­volkt. In de zevende wereld treft hij alleen maar vogels aan, zwermen en zwermen vogels. Daar beschermt hij impulsief de jongen van de vogelkoning; die wil hem vervolgens bijstaan naar zijn eigen wereld terug te keren. Want Kalo Dant heeft genoeg van zijn omzwervingen en wil naar huis. De vogelkoning kan hem echter niet helpen, maar hij kan één van zijn on­derdanen, de gevleugelde draak Sjarkan, de opdracht geven.

In onze wereld had niemand ooit een draak, zo’n vuurspuwend en onsmakelijk, onvriendelijk monster gezien. Kalo Dant schrikt van hem, maar kan hem met een veer uit de staart van de koning van de vogels gezeglijk maken. De koning beveelt de draak, al zijn vee te slachten en het vlees te zouten. Dant helpt de draak en ze raken daarbij een beetje bevriend. Met Kalo Dant, vaten gepekeld vlees en water op zijn rug begint de draak zijn reis naar de werelden beneden. De tocht duurt eindeloos, de weg door de hemelse gewelven heen is niet altijd gemakkelijk te vinden. Als vlees en water opraken, wordt de draak onwillig en moet hij met de veer in toom worden gehouden. Eindelijk ontdekt Kalo Dant de plek waar hij zijn tocht begon. Hij is thuis! Maar hoe moet de draak nu terug? Kalo Dant wil bij zijn stam raad en hulp halen en laat de draak zolang in een grot achter. Deze belooft te wachten, maar de veer moest er wel aan te pas komen.

Zo kwam de draak in onze wereld. En hij bleef er. Want hij hield zich niet aan zijn belofte en begon het land onveilig te maken, vee en zelfs kinderen te roven. Toegegeven, Kalo Dant had zoveel te vertellen dat hij de draak wat lang aan zijn lot had overgelaten. Hij liet zich overhalen het dier niet terug te sturen; als het zich maar zou gedragen! En dat gebeurde na­tuurlijk niet. De draak weet hem zelfs nog over te halen, hem gezelschap te geven: dan is hij niet meer zo alleen en zal hij zich beter gedragen. Kalo Dant geeft de draak met behulp van de veer twee koppen erbij. Hij trouwt de koningsdochter maar raakt later de veer kwijt. Er zijn mensen die zeggen, dat de draak zelfs meer dan drie koppen heeft…

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

Dit verhaal wordt genoemd in Michaël 37

.

2821-2647

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-4)

.

Uit de verzameling van Nora von Baditz  ‘Aus Michaels Wirken’
opgenomen in vrijeschoolkrant Leiden, verdere gegeven onbekend.

.

Een Franse Michaëllegende
.

Aubert, de vrome en bij God geliefde bisschop van Avranches, verscheen een engel toen hij sliep en gaf hem opdracht op de berg Tumba een kerk te bouwen, die aan Michaël gewijd moest worden. Michaëls naam moest niet alleen geëerd worden op de berg Gargano, maar ook midden in zee!

De bisschop kende het woord van de apostel Johannes – “onder­zoek of de aan U verschenen geesten wel uit God zijn!” – en overwoog dit in zijn ziel. Toen juist verscheen de engel hem ten tweede male en beval hem te doen wat hij hem had opgedragen. Nog aarzelde de bisschop. Wie bouwt er nu een kerk op een rots in zee? Tenslotte wierp hij zich op de knieën en bad vurig tot onze Heer Jezus Christus en ook tot de heilige aartsengel Michaël zelf. Hij vroeg in zijn gebed of zij hem hun wil zouden willen openbaren.

Juist in die tijd steelt een man een stier en verstopt die op de berg. Hij wil hem verkopen, zodra de eigenaar berust in het verlies van het dier.

Onderwijl werd de eerwaarde bisschop voor de derde keer op zeer dringende wijze aangemaand om niet langer ongehoorzaam te zijn, maar dadelijk naar de aangeduide plaats te gaan en die niet meer te verlaten voordat het werk zou zijn voltooid. Op de vraag van de bisschop waar de meest geschikte plaats zou zijn om de kerk te bouwen antwoordde de engel: “Daar, waar je een gebonden stier zal vinden.” Op de vraag, hoe groot de plaats moest zijn, antwoordde de engel:  “Gebruik de bodem die door de stier is omgewoeld en geef het beest daarna aan zijn baas terug!”

Toen begaf de eerwaarde bisschop zich vol zekerheid en onder het spreken van heilige lofprijzing en het zingen van heilige gezangen naar de berg en begon aan het werk. Hij vond de vast­gebonden stier en liet die aan de eigenaar teruggeven. Een flinke schare boeren bracht hij bijeen. Die effenden de grond en maakten de plaats schoon. Maar, o wee, midden op de plaats bevond zich een reusachtig rotsblok, dat de sterkste, mannen ondanks hun verwoede pogingen niet van zijn plaats konden krijgen, lange tijd deden zij moeite, maar vergeefs. Niemand wist meer raad. Maar ziet! In de nacht daarop had een boer – hij heette Bain  – uit het naburige dorp Itius een droom. Hem werd het bevel gegeven zich bij de arbeiders te voegen. Met zijn twaalf zonen begaf hij zich op weg.
Zij kwamen bij de grote rots. Wat de mensen niet hadden gekund, volbracht deze man met Michaëls hulp: de rots scheen zeer licht te zijn, want Bain schoof de rots gemakkelijk terzijde. Allen prezen God en de aartsengel Michaël. Men toog met nieuwe moed aan het werk.

De bisschop aarzelde nog over de afmeting van de muren. Maar ziet! Evenals in het verhaal van Gideon viel er ’s nachts dauw op de top van de berg. De aarde bleef echter droog op de plaats waar de grondvesten gelegd moesten worden. De bisschop hoorde een stem die sprak: ‘Gaat heen en zet de stenen, zoals het U aangegeven is!’

Toen stond hij op, prees de almachtige God en ging vrolijk aan het werk, Michaëls zegen afsmekend.

Dat was het begin van de beroemde Michaëlskerk op de Mont-Saint-Michel.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.
2820-2646

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-2/2)

.

Dit is hetzelfde verhaal als van [10-2/1], alleen met iets andere woorden.

.
Naar een Poolse legende, in het Duits bewerkt door Herbert Hahn, nadere gegevens onbekend
.

Sint-Michaël op de maansikkel
.

Heb je wel eens op een heldere, verheven herfstnacht sterren aan de hemel uiteen zien spatten? Zij gaan op als de hoop in een mensenziel, als het be­sluit van een mensenhart gaan zij onder, krachtig stralend. De mensen noe­men het sterrenregen.
Wie echter zijn engel liefheeft en van kind af aan geen vrees in zijn hart binnenliet, weet wel heter. Hij ziet in de heldere herfstnachten daarboven de grote strijder, die Sint-Joris wordt genoemd op aarde en Sint-Michaël in de hemel. En hij ziet zijn aangezicht dat in een glans van gouden wijsheid stralend, zichzelve niet bewust, het hart van de godheid weerspiegelt. En hij ziet zijn arm schitteren in de wapenrusting die sterk is en rein, als gesmeed van hemelse gerechtigheid. En zijn rechterhand slaat St. -Michaël aan zijn zwaard, dat de sluipende, begerige, krioelende, verscheurende onreinheid treffen zal. En de sterren beven en diamanten vonken spatten als Michaël zijn hand aan zijn zwaard slaat .

Heb je wel eens in de donkere wintertijd de tere sikkel van de maan over de fijne witte wolken zien glijden? Het ruist om haar, als het fluisteren van de grasvelden van verre hemelse weiden, een verlangen om ver, ver weg te zijn grijpt het hart van de mensen aan, die opzien naar de maan aan de winterhemel. Wie echter zijn engel liefheeft en van kind af aan reinheid in zijn hart be­waarde, weet wel beter. Hij  ziet daarboven op de smalle sikkel van de maan de hemelse maagd Maria staan, en hij weet, dat zij koningin is. Zij  zendt haar glimlach naar de aarde, naar hen, die geplaagd worden door verlangen en ontbering. En zij laat uit haar tere handen hemelse graankorrels neerdalen, die zegenend op aarde vallen. Zij schenkt uit haar tot gebed gevouwen handen. Ze bidt voor de diepten, dat ze verzadigd mogen worden en goed gevuld met het wonder, dat de hoogten nog in zich bergen.

En eens zal het geschieden. In een herfst, wanneer de berkenboom zijn blade­ren niet meer zal betreuren; wanneer het berkenblad vrolijk ter aarde zal vallen. Dan zal op een goede dag een trap boven de maan verschijnen, waarvan de treden zullen zijn als van melkwitte steen. En langs deze witte treden zal Maria omhoog schrijden naar de gouden hemelse oogstdanktafel, met haar handen zegenend verlossing wenkend, als gingen haar voeten over gespreide dui­venvleugels.

Maar de maansikkel zal niet leeg achterblijven. Een lied zal van haar
weer­klinken, dat noch in de hemelen, noch op aarde ooit werd gehoord.
Sint-Mi­chaël zal dan op de maansikkel staan. Als hemelse smid heeft hij dan zijn zwaard tot lier omgesmeed en snaren erop gespannen van moedgedachten van de mensen. De overwinnaar van de draak zal spelen en zingen, en zijn ambt ver­vullen als hemelse luitspeler. Er is kracht in zijn lied. Van vertroosting zal hij zingen en van vervulling van een oude tijd en het nabije nederdalen van het hoogste licht waarin Maria’ s glimlach verdween.

En vreugde zal de berk tot in zijn diepste merg doorhuiveren als dit lied weerklinkt. En de herfst zal als voorjaar zijn.
Vele mensen zullen het niet zien, vele mensen zullen het niet horen. Wie
ech­ter zijn engel liefheeft en trouw in zijn hart draagt, die kent het goede en schaart zich met zijn wil erachter.
.

.

Michaël: alle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

2819-2645

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-2/1)

..

Dit is hetzelfde verhaal als van [10-2/2], alleen met iets andere woorden.

.

Rinke Visser, naar een Poolse legende, Jonas nr.2, 28-09-1977
.

Sint-Michaël op de maansikkel

Het Michaëlsfeest luidt de herfsttijd in. Uiterlijk wordt de strijd tussen licht en donker in het voordeel van de duisternis beslecht. Of het innerlijk licht in ons ontstoken kan worden is niet afhankelijk van het natuurgebeuren buiten ons; de wijze waarop wij met onze innerlijke ruimte omgaan is bepalend. Daaraan wil het Michaëls­feest ons herinneren.

Niet alleen in het jaarverloop, de op­eenvolging van de seizoenen, neemt de Michaëlstijd een plaats in. Men zou kunnen zeggen dat de Michaëlstijd zo­als we die in de herfst kennen, een tijd is die in verhevigde mate de signatuur van een veel groter tijdsbestek draagt: de periode waarin zich onze huidige cultuur afspeelt, waarin Michaël als tijdgeest de mensheid inspireert. Ook hier is sprake van strijd tussen licht en duisternis.

De draak die wij uit zovele verhalen kennen, wordt door Michaël verslagen. Voor ons, in de twintigste eeuw, wordt die slag opnieuw werkelijkheid. Maar wie kan strijden als hij niet weet waar het slagveld is of de kleuren van de vijand niet kent?
Onderstaand verhaal begint met de woorden ‘Zag je…?’
Als we dit prach­tige beeld in ons opgenomen hebben, waar zowel de jaarfeest-Michaëlstijd als de huidige mensheids-Michaëlstijd doorklinken, kunnen we om ons heen kijken en ons afvragen: ‘Zie je werke­lijk de tijdsfenomenen, ontdek je de camouflage van de vijand en versta je de gecodeerde boodschappen die rondgaan?’

En lees dan dit verhaal nog eens.

Zag je in heldere, hoge herfstnachten de sterrenvonken aan de hemel spatten? Als de hoop van een mensenziel gaan ze op: als het besluit van een mensen­hart duiken ze onder, lichtend in kracht.
De mensen noemen het vallende ster­ren.

Maar wie zijn engel liefheeft en van kind af aan geen angst in zijn hart bin­nenliet, weet het beter. Hij ziet in klare herfstnachten daarbo­ven in de sterren de grote strijd, Sint-Joris op aarde genoemd, Sint-Michaël in de hemel. En hij ziet zijn gelaat over­straald door gouden wijsheid, die, zichzelf niet wetend, het hart van de hoogste godheid weerspiegelt. En ziet zijn arm glanzend in het wapen, dat sterk en zuiver is, als uit hemelse ge­rechtigheid gehard.

En met de weerbare hand heft Michaël het zwaard op, dat de kruipende en begerende, wroetende en stukvretende onreinheid treffen zal. En de sterren beven en vonken als dia­manten, springen op, als Sint-Michaël zijn zwaard opheft.
Zag je in donkere wintertijd de tere maansikkel boven de fijne witte wolken wegglijden? Het ruist om haar heen als het fluisteren van grassen van verre, schone hemelweiden. Een ver­langen, verder, verder weg te zijn, grijpt de harten van de mensen aan, die opkijken naar de sikkel aan de winterhemel.

Maar wie zijn engel liefheeft en van kind af aan de reinheid in zijn hart be­waart, weet het beter. Hij ziet daar boven op de smalle zil­veren sikkel de hemelse jonkvrouw Maria staan. En hij weet, dat zij een koningin is. Want zij lacht naar bene­den tot diegenen, die op aarde vurig verlangen en gebrek lijden. En schenkt uit haar rozige handen hemelse tarwe­korrels, die zegenend op de aarde val­len. Zij schenkt uit biddende gebogen handen. Zij bidt voor de diepten, dat ze verzadigd mogen worden en goed en vervuld met het wonder, dat het hoge nog bergt.

En eenmaal zal het gebeuren. In een herfst, waar de berk niet schreit om haar bladeren; waar het berkenloof vrolijk ter aarde valt. Dan zal op een dag boven de maan een trap verschij­nen waarvan de treden zijn als melk­achtig steen. En op deze witte treden, met zegenende handen verlossing wenkend, zal Maria omhoog schreiden naar de gouden hemelse oogstdanktafel, alsof haar voet op een zich sprei­dende duivenvleugel treedt. De sikkel van de maan zal dan niet verlaten zijn. Daar zal dan een lied klinken, dat in de hemel en op de aarde nog niet werd gehoord. Sint-Michaël zal dan op de maansikkel staan. Als hemelse smid heeft hij zijn zwaard omgesmeed tot het raam van een lier en uit de mensengedachten van moed worden de snaren daarop gespannen. De draakoverwinnaar zal zingen en spelen en als hemelse luit­speler zijn ambt uitoefenen. Er is kracht in zijn lied. Van de vertroosting en vervulling van een oude tijd zal hij zingen en van het nabije neerstromen van het hoogste licht, waarin het la­chen van Maria verdween. En de berk zal tot in haar diepste wezen huiveren vol vreugde, als dit lied weerklinkt. En de herfst zal zijn als voorjaar.

Vele mensen zullen het niet zien, velen niet horen. Maar wie zijn engel
lief ­heeft en trouw in zijn hart draagt: die weet het goed en wil het beter.

.

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

2818-2644

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10)

.
De v.a.-jaren zijn een indicatie.
.

[10-1] Michaël in de Bijbel
De Bijbelpassages waarin sprake is van Michaël: de Apocalyps, het boek Daniël en het boek Judas.

[10-2/1] Michaël op de maansikkel
Rinke Visser
over: een Poolse legende, naverteld. Michaël hyeft ijn zwaard – sterrenregen -; de maansikkel aan de winterhemel – de hemelse jonkvrouw  Maria, schenkend; een toekomstvisie: zwaard omgesmeed tot lier; (dezelfde legende als 10-2/2)     v.a 9 jr.

[10-2/2] Michaël in de maansikkel
Herbert Hahn over: een Poolse legende, naverteld. (Dezelfde legende als 10-2/1)

[10-3] Michaël als redder van Izaak
Nora von Baditz: Hebreeuwse legende over: het verhaal in het O.T. van Abraham die zijn zoon moet offeren aan God, in deze legende met een kleine variant: Michaël moet Abraham ervan weerhouden.  V.a. 9 jr.

[10-4] Franse Michaëllegende
Nora von Baditz: Franse Michaëllegende over: Aubert, de bisschop van Avranches; krijgt opdracht tot bouwen van kerk; een rotsblok ligt in de weg; er gebeuren en paar wonderen; de kerk is nu de Michaëlskerk van de Mont Saint-Michel.      v.a. 6 jr.

[10-5] Het verhaal van een vlieger
D. Udo de Haes: een prachtige vlieger raakt los van het touw en zweeft hoger en hoger; hij ontmoet achtereenvolgens een kraai, een zaadpluisje, een wolk, de sterren, Michaël, maar die ontmoeting heeft gevolgen voor de jongen en zijn vlieger; de jongen wordt ridder van Michaël.  V.a. 6 jr.

[10-6] Hoe Michaël in zijn ambt werd benoemd
Koptische
legende: de engelen, ook Michaël, staan onder de heerschappij van Saklithaboth, de eerst geschapen engel; de Vader-god schept de Zoon die de ellende op de wereld voorziet en deze redden wil; schepping van Adam en Eva; Saklithaboth weigert God te gehoorzamen; Michaël werpt hem uit de hemel; het ontstaan van de demonen, Michaël wordt leider van het licht.  V.a. 9 jr

[10-7] Hoe de muis en de kat werden geschapen
Uit Ierland: Lucifer probeert de mensheid een hak te zetten en schept het ongedierte, waaronder rat en muis. Michaël probeert de mensheid te helpen en schept de kat.        V.a. 6 jr

[10-8] De aartsengel Michaël en de duivel
Normandische sage: Michaël en Satan dagen elkaar uit: ze bouwen een slot; dat van Michaël blijft: Mont Saint-Michel; Michaël is Satan nog een paar maal te slim af en verjaagt hem ten slotte.  V.a. 6 jr

[10-9Michaël en de zoon van de rijke man
Uit Servië: een rijk man heeft een zoon die de wereld in wil trekken; drie keer ontmoet hij een grijsaard die hem een slaapplaats wijst; de grijsaard neemt de zielen van de overledenen mee; ook de ziel van de zoon zal worden meegenomen als hij getrouwd is; hij trouwt een eenvoudig meisje om haar gelukkig te maken; de grijsaard, Michaël, laat hem leven in opdracht van God.  V.a. 6 jr

[10-10] Hoe de drakenboom ontstond
Hans Treichler: Boven een bewoond vulkanisch eiland verschijnt een vreselijke draak; hij moet worden gehoorzaamd; een wijze bidt tot de hemel en die zendt Michaël; die verslaat met vurig zwaard de draak; waar de draak was doodgegaan, begint een boom te groeien die de bewoner bedreigt; ook nu helpt Michaël. V.a. 7 jr.

[10-11] Michaëlslegende
Hans Treichler: oude, wijze man wandelt met engel; mag in de hemel, kijken; ziet Michaël; die weegt geschenken die twee groepen engelen hem brengen, het worden voor de aarde bijzondere gaven; een derde groep komt met lege handen en krijgt een bijzondere opdracht. V.a. 9 jr.

[10-12] Michaël en het kwaad
Uit Bulgarije:
Satanaël wil aan God gelijk worden; zijn naam wordt Satan, Miche wordt Michaël; Michaël verstoot Satan uit de hemel. V.a. 9 jr.

[10-13/1] De roof van de zon
Uit Servië
; (kan als vervolg worden gezien op de verhalen die over ‘de val van Satan naar de aarde’ gaan); bij die val had hij de zon meegenomen; Michaël moet deze terughalen; dat lukt hem op slinkse manier, maar kost hem wel een deel van zijn voet. V.a. 7 jr.

[10-13/2] Lucifer verwondt Michaël aan zijn voet
Uit Albanië: soortgelijk verhaal als hierboven; Michaël krijgt de zon met een (andere) list terug; de ‘hap uit de voet’ die wij nu ook nog hebben. V.a. 7 jr.

[10-14] De boer en de aartsengel Michaël
Uit Bulgarije: boer zoekt de verstandigste mens: Christus en Petrus zijn dat niet; een jongeling verschijnt; bij het zien van de levenskaarsen wil de boer de zijne ruilen tegen die van zijn kind; Michaël bestraft hem. V.a. 7 jr.

[10-15] Michaël en de twijfelende kluizenaar
Uit Duitsland: kluizenaar twijfelt aan de rechtvaardigheid van God en gaat op zoek naar die rechtvaardigheid; hij ontmoet een jonge man die in zijn ogen allerlei onrechtbaardige dingen doet; het is Michaël die laat zien dat ‘rechtvaardigheid’ er soms heel anders uitziet. V.a. 9 jr.

[10-16] Kalo Dant
Arie Boogerd naverteld : Kalo Dant had de hele wereld afgereisd en hoorde dat er nog zeven werelden waren; die wil hij bereizen en gaat op pad; hij leert onderweg van alles; vanuit de zevende kan hij alleen terug met een draak! hoe verdwijnt die weer uit de wereld….            v.a. 6 jr

[10-17] Michaël en de graalskelk
Lucifers verdrijving uit de hemel; hoe de Heilige Graal ontstaat; waar deze heenreist                                                         v.a. 9 jr

(Op andere sites):

Sint-Michaël en de draak
De legende over de aartsengel die de duivel uit de hemel joeg. Wanneer boze geesten een draak maken en daarmee naar de hemel gaan, lukt het Michaël de draak te verjagen en daarmee de boze geesten uit de hemel te weren. Vanaf dat moment is er één wereld boven in de hemel en één wereld in de diepte.
V.a. 8jr

Een (lang – 42 min) verhaal met een drakenmotief:

Het eiland tussen hemel en aarde
Frans Schobbe. V.a. 10 jr

.
Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

2817-2643

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (10-1)

.

Michaël in de Bijbel
.

Uit de Openbaring van Johannes

En er ontbrandde een strijd in de hemel: Michaël en zijn engelen moesten strijden tegen de draak. Ook de draak streed, en zijn engelen met hem, maar hij kon geen stand houden, en voor hen werd geen plaats meer gevonden in de hemel. En de grote draak werd op de aarde geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de Satan, die de gehele wereld verleidt. Hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem.

En ik hoorde een machtige stem in de hemel zeggen:

‘Nu is verschenen het heil en de kracht en het koningschap van onze God en de macht van zijn Gezalfde; want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God, is nedergeworpen. En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad, tot in de dood. Daarom, verheugt u, gij hemelen en wie daarin wonen. Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u nedergedaald in grote grimmigheid, wetende, dat hij weinig tijd heeft.’

(Openbaring 12 : 7-10) (bron onbekend)

De vertaling in ‘Het nieuwe Testament’ door H.Ogilvie:

En een strijd begon in de hemel:
Michaël en zijn engelen streden tegen de Draak en de Draak streed ook temidden van zijn engelen, maar hun kracht bezweek en hun plaats werd niet meer in de hemel gevonden. Uitgeworpen werd de grote Draak, de Slang van het oerbegin, die genoemd wordt Diabolos en Satanas, die de gehele wereld misleidt, hij werd neergeworpen in de aarde en zijn engelen werden met hem neergeworpen. Toen hoorde ik een machtige stem in de hemel zeggen:
Nu is geworden het heil en de kracht en het koningschap van onze God en de scheppermacht van zijn Christus; want verworpen is de aanklager van onze broeders, die hen aanklaagde voor onze God dag en nacht. Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis en hebben hun eigen ziel niet liefgehad tot de dood toe.
Verheugt u daarom, hemelsferen en gij die daarin woont! Wee over de aarde en de zee!
Tot u is de Diabolos neergedaald met laaiende woede, hij weet, dat hij weinig tijd en gelegenheid heeft. [1/1]

Hetzelfde uit ‘de Bijbel’, uitgegeven door de geïllustreerde pers, Amsterdam (1971)

7 Toen brak er in de hemel een oorlog uit. Michaël en zijn engelen moesten oorlogen tegen de Draak. Ook de Draak streed en zijn engelen.

8 Maar zij hielden geen stand en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden.

9 En de grote Draak werd neergeworpen, de oude Slang, die Duivel en Satan heet, die de hele wereld verleidt; neergeworpen werd hij op de aarde en zijn engelen met hem.

10 En ik hoorde een stem in de hemel roepen:
’Nu is gekomen het heil en de macht en het koningschap van onze God
en de heerschappij van zijn Gezalfde, want de aanklager van onze broeders is neergeworpen, die hen aanklaagde bij onze God, dag en nacht.

11 Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, want zij hebben hun leven geminacht ten dode toe.

12 Daarom juicht, hemelen, en gij die daar woont.
Wee u, aarde en zee: de Duivel is ziedend van woede bij u neergekomen, want hij weet dat zijn dagen geteld zijn.’ [2/1]

Uit de ‘Apokalyps van Beatus‘, ‘de strijd tegen de draak’ (verzen 7-9).

.
Bron: geïllustreerde pers ‘de Bijbel’:

Michaël

(Betekent ‘wie is als God)

De aartsengel Michaël wordt in het Oude Testament alleen in het boek Daniël genoemd (Dan. 10:13,20,21; 12:1). Daar wordt van hem verteld dat hij ten gunste van het uitverkoren volk strijdt met ’de vorst der Perzen’ en ’de vorst van Griekenland’.
.

10:13 Maar de vorst van het koninkrijk der Perzen stond eenentwintig dagen tegenover mij; doch zie, Michaël, een der voornaamste vorsten, kwam mij te hulp, zodat ik daar, bij de koningen der Perzen, de overhand hield.

10; 20: Toen zeide hij: Weet gij, waarom ik tot u gekomen ben? Terstond moet ik terugkeren om met de vorst der Perzen te strijden, en zodra ik uitgegaan ben, zie, dan zal de vorst van Griekenland komen -;

21: nochtans zal ik u mededelen wat geschreven staat in het boek der waarheid.-
En niet één staat mij vastberaden tegen hen terzijde, behalve de vorst Michaël. [2/2]

Uit ‘Liber Floridus’ van Lambertus, 15e eeuw, Musée Condé, Chantilly.
.

En in de brief van Judas lezen we dat Michaël met de duivel twistte over het lichaam van Mozes (Judas 9).

‘Doch de aartsengel Michaël – toen hij uit zijn onderscheidingskracht met de Duivel twistte om het lichaam van Mozes – waagde het niet over diens lasterlng het oordeel te vellen, maar hij zeide: de Heer moge u straffen. [1/2]

.

[1/1] Blz. 428: H.Ogilvie ‘Het nieuwe Testament’ boekerij van de Christengemeenschap 1975
[1/2] Blz. 406 idem
[2/1] Blz. 3016 De Bijbel, geïllustreerde pers, Amsterdam 1972
[2/2] Blz. 1816 idem

..

Michaël: alle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

2816-2643

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (5-5)

.
De agrarische sector in ons land bevindt zich in een grote crisis door de problemen met de stikstof.
Het artikel hieronder, uit 1991, zou over die problematiek kunnen gaan.

Hoewel dit artikel dus niet direct over ‘voedingsleer’ gaat, behandelt het wel het milieu waarin onze voedingsmiddelen groeien.
Omdat de milieuproblematiek in deze tijd groot is, ontkom je er niet aan daarover ook met je leerlingen te spreken.
De artikelen in deze reeks (voedingsleer ) kunnen daarbij helpen.

.
Weledaberichten nr. 155, december 1991
.

DE LANDBOUW MOET ZICH BEWUST WORDEN VAN HAAR PRODUCTIE-VOORWAARDEN
.

Een interview met Manfred Klett
.

Leiding geven aan de landbouwafdeling van de natuurwetenschappelijke sectie aan het “Goetheanum” (Dornach, Zwitserland) is [art. uit 1991] de belangrijkste taak van Manfred Klett. Tot zijn werkzaamheden behoort o.a. het organiseren van vakconferenties waarbij de onderzoeksresultaten omtrent vraagstukken van de biologisch-dynamische landbouw worden verzameld en een uitwisseling tussen de boeren onderling mogelijk is. Klett, zelf boer, woont thans in de omgeving van Frankfurt op de “Dottenfelder Hof”, die hij zelf mede heeft opgericht. Manfred Klett behoort tot de meest gevraagde sprekers over de onderwerpen “milieubescherming” en “landbouw”.
.

Vraag:
Ondanks steeds nieuwe milieurampen laat een snelle en doortastende beslissing tot milieuvriendelijk handelen bij de mensen op zich wachten. Hoe verklaart u dat?

Klett:
In de Verenigde Staten heet dat ”60 days memory”. Bedrijven rekenen erop dat de consument milieurampen op zijn laatst na zestig dagen is vergeten. De mens reageert weliswaar geschokt door het uit zijn evenwicht raken van de dagelijkse verhoudingen, maar wanneer de harmonie schijnbaar weer hersteld is, verdwijnt het schokeffect. In onze winkel in de “Dottenfelder Hof” gaat de omzet na elke ramp meteen omhoog, maar na veertien dagen is alles weer bij het oude.

Vraag:
Waar ligt dat aan?

Klett:
Er liggen hele werelden op de weg van inzien naar willen. De mens ziet de natuur vaak als een soort leefruimte, waar hij van wil profiteren. Dat is zuiver nuttigheidsdenken. Wat we in deze tijd nodig hebben is dat vanuit een sociale wil het inzicht in de natuur opnieuw wordt gewekt. En weliswaar niet aan de volgroeide natuur maar aan de hand van fenomenen die we zelf mede opbouwen. En daarmee zijn we bij het thema van de landbouw aangekomen. De biologisch-dynamische bedrijven hebben tegenwoordig steeds meer de opgave ook vormingsinstituut te zijn voor de gehele maatschappelijke omgeving en de mensen weer dichter bij de meest elementaire verschijnselen van het leven te brengen. Bijvoorbeeld dat melk niet in pakken van de koe komt!

Vraag:
Er zijn milieubeschermers die zeggen: ”de mens heeft de natuur nodig, maar de natuur heeft de mens niet nodig”. Hoe staat u tegenover deze uitspraak?

Klett:
Zonder de mens kan de natuur helemaal niet bestaan. Wanneer cultuurpessimisten zeggen dat de mens altijd al een vernietiger van de natuur is geweest, is de ontwikkeling van het Europese cultuurlandschap daarvan het beste tegenbewijs. Dat dit cultuurlandschap uit de landbouw is voortgekomen, weet bijna niemand. In meer dan duizend jaar cultuurontwikkeling van het Avondland heeft zich door de hand van de mens een cultuurbiotoop ontwikkeld. Daaraan kunnen we zien dat de mens iets aan de natuur kan geven wanneer hij dat wil.

Vraag:
Wanneer heeft in de landbouw de omslag plaatsgevonden die leidde van de opbouwende bijdrage van de landbouw tot belasting van het milieu?

Klett:
Die omslag vond plaats in de jaren zestig, met de doorbraak van de industrialisering van de landbouw. Deze werd pas mogelijk doordat men heer en meester werd over leven en dood in de dieren- en plantenwereld. Men beheerste het leven door groei opjagende bemesting en de dood door middel van pesticiden. Maar het was bovenal het gebruik van chemische onkruidbestrijdingsmiddelen (herbiciden) sinds het eind van de jaren vijftig, dat de weg baande voor de industrialisering en de oude landbouwcultuur de definitieve genadeslag toebracht. Daarmee was het gelukt om met zuiver mechanistische methoden het leven in dienst te stellen van het egoïsme.

Tegenwoordig moeten we gedachten denken en handelingen uitlokken die de natuur weer iets kunnen geven. Het gaat erom geestelijke gezichtspunten te vinden om te kunnen begrijpen wat ik eigenlijk doe. Ik moet nu begrijpen wat ik doe, ik kan niet handelen alsof ik droom. Ik moet glasheldere gedachten denken, zodat ik niet mijn egoïsme, maar de natuur voor ogen heb.

Vraag:
Wat betekent nu dit beleven van de natuur voor de organisch-biologische en – ter onderscheiding- voor de biologisch-dynamische boeren?

Klett:
Over het algemeen kan elke ecologische boer navoelen wat daarvoor nodig is: vruchtwisseling, eigen dierenfokkerij, een gezond organisme binnen het eigen bedrijf dat zichzelf voorziet, enz. Voor de ecologische boeren zal het echter moeilijk zijn ook de grote samenhangen te begrijpen. Om te begrijpen waarom een landbouwkundig organisme gesloten moet zijn, is een begrip van het wezen noodzakelijk. Zonder de geesteswetenschap, d.w.z. zonder een exact inzicht in de geestelijke samenhangen, is begrip van dit wezen nauwelijks mogelijk. Op deze manier beschouwd wordt de antroposofie een kennisweg voor de biologisch-dynamische landbouwmethode. Dat is ook voor biologisch-dynamisch werkende boeren geen eenvoudige zaak. Helaas wordt de biologisch-dynamische landbouwmethode door de buitenwereld vaak gekarakteriseerd als biologische landbouw plus astrologie volgens de kalender. Het gaat er veeleer om tot een begrijpen te komen door beschouwing van het leven. Daaruit ontstaat dan een beeld dat begrip van het wezen mogelijk maakt.

Een ander belangrijk aspect van de biologisch-dynamische landbouwmethode is het volgende: Rudolf Steiner, op wiens geesteswetenschappelijk onderzoek de biologisch-dynamische landbouwmethode is gebaseerd, heeft een mest ontwikkeld die uitstijgt boven de werkzaamheid van de plantaardige en dierlijke mest. Het gaat om de zgn. biologisch-dynamische preparaten. Deze worden in homeopathische dosering gebruikt en daardoor hebben zij niet de werking van een mest die voedingsstoffen levert, maar een dynamiserende invloed op de levensprocessen in de bodem en de plant.

Vraag:
Is de boer ook ondernemer?

Klett:
Dat is een volledig verkeerde interpretatie van de boer. De landbouw is juist geen bedrijf als ieder ander. Ze kan en mag dat ook helemaal niet zijn. Wat dan wel? In de landbouw vindt juist de schepping van de oerwaarde plaats. Hier ontstaat het “levens-middel”. Maar om leven te kunnen verwerven mag dit middel niet uit een onderneming komen die op winst uit is. Veeleer moeten er voorwaarden worden geschapen waardoor het leven d.m.v. zijn eigen wetmatigheden het “middel” “leven” geeft. In de industrie organiseert het kapitaal de menselijke arbeid; in de landbouw organiseert de natuur de menselijke arbeid: het kapitaal is de natuur. Het kapitaal in de industrie wordt afgeschreven gedurende het productieproces, zodat het weer ter beschikking staat wanneer de machine kapot gaat. In de landbouw is het precies omgekeerd: daar moet het productiemiddel, bijvoorbeeld tarwe, zichzelf voortbrengen. Ik kan de tarwe echter niet afschrijven. Kapitaal heeft er in deze samenhang niets te zoeken.

Waar het om gaat is, de tarwe zodanig te verbouwen dat hij goed zaad draagt en dat dat over honderd jaar nog zo is. Tegelijkertijd moet het een goed voedingsmiddel zijn voor de mens, nu en niet over tien of honderd jaar.

De landbouw moet zich bewust worden van haar eigen productievoorwaarden, d.w.z. dat elke boerderij een gesloten geheel moet worden, een organisme dat voor de productie uit zijn eigen bronnen kan putten. Dit principe moet erkend worden als een opgave voor de hele samenleving. Alleen op deze manier kan er een heilzame ontwikkeling op gang gebracht worden die een volledige ontvlechting van industrie en landbouw veronderstelt. Er wordt tegenwoordig veel gedacht. Het is de vraag of men deze gedachten op hun waarde kan schatten. Om dat te kunnen moeten we de gedachten tot leven brengen. En uit het tot leven brengen van de gedachten kan ook de aarde nieuw leven putten.

.

7e klas voedingsleer: alle artikelen 

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2815-2642

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (5-4)

.

Hoewel dit artikel niet direct over ‘voedingsleer’ gaat, behandelt het wel het milieu waarin onze voedingsmiddelen groeien.
Omdat de milieuproblematiek in deze tijd groot is, ontkom je er niet aan daarover ook met je leerlingen te spreken.
De artikelen in deze reeks (voedingsleer ) kunnen daarbij helpen.

.

Gerhardus Lang, arts Weledaberichten nr. 155, december 1991

.

VERNIETIGING VAN HET MILIEU: EEN SOCIALE ZIEKTE

Niemand twijfelt er meer aan dat de voortschrijdende vernietiging van het milieu niet alleen de kwaliteit van ons leven vermindert, maar in toenemende mate ook onze gezondheid in gevaar brengt en er schade aan toebrengt. Daar wordt veel over gesproken en geschreven, en het is niet nodig om feiten die genoegzaam bekend zijn, nogmaals te herhalen. In plaats daarvan onderzoekt Gerhardus Lang in het onderstaande artikel de minder bekende en juist daarom zo belangrijke sociale oorzaken van de milieuvernietiging en wijst op mogelijke geneesmiddelen voor deze “sociale ziekte.”

Wat brengt mensen er eigenlijk toe, ook wanneer zij van goede wil zijn, om steeds weer de gemakkelijkste weg te gaan en alleen maar onder druk van de wetgever milieubeschermende maatregelen te nemen? We stuiten hier op een fenomeen waar veel te weinig op gelet wordt. Geen mens op deze wereld kan zonder anderen, net zo min als de wezens in de natuur. We zijn allemaal op elkaar aangewezen; we leven dankzij de ander. Voor de natuurwezens brengt de natuur dit zelf met zich mee; ze leven met elkaar als een groot organisme waarin elk deel van de natuur de taak van een orgaan op zich neemt. Het bijzondere van de mens is, dat hij dit samenlevingsorganisme niet van de natuur mee krijgt. Hij moet dit organisme eerst scheppen. Voor hem geldt het begrip van het sociale organisme dat in zijn drieledigheid door bijvoorbeeld Rudolf Steiner wordt beschreven.

Dat de mens tegenwoordig hard werkt aan de vormgeving van dit sociale organisme, zien we aan de huidige [art. van 1991] politieke omwentelingen. De geschiedenis vertoont bij de ontwikkelingsloop van de sociale organen (wetgeving, parlementen, economische orde, cultureel leven enz.) interessante parallellen met de orgaanvorming bij de individuele mens. Zowel bij de een als de ander treden vergelijkbare fenomenen op, zijn er sprongsgewijze ontwikkelingen met een crisisachtig verloop, die vaak in de vorm van ziekte naar buiten treden. In dit opzicht kunnen we de huidige milieuproblemen als ziekten van het sociale organisme zien, die door ontwikkeling zijn bepaald.

Tegen ziekten bestaan er geneesmiddelen en tot het voorschrijven daarvan zijn gewoonlijk geneeskundigen bevoegd. Waar zijn nu de geneeskundigen die in staat zijn de geneesmiddelen voor het sociale organisme te vinden? Menigeen voelt zich op dit punt aangesproken: bijvoorbeeld politici van alle partijen, wereldverbeteraars, sociaal-economen enz. Er vinden elke dag discussies plaats over wat er moet gebeuren om het verdere verval van onze planeet tegen te gaan. Uit deze. discussies, voordrachten en publicaties komt zonder twijfel naar voren hoe serieus er gepoogd wordt om geneesmiddelen te vinden voor het sociale organisme.

Hoe moeilijk het is om voor een zieke geneesmiddelen te vinden, weet iedere arts. Alleen de voortdurende inspanning om de wetmatigheden van het organische leven te leren kennen, zal ons verder helpen werkelijke geneesmiddelen te vinden. Wat betreft kennis over al deze zaken bevinden wij ons pas in een beginstadium. Zowel de medische wetenschap als de sociale wetenschap moeten leren zich naar de wetten van de natuur te richten in plaats van. wetten te bedenken en die vervolgens aan het voortdurend veranderende leven op te dringen.

Aangezien we binnen de huidige wetgeving geen rekening houden met de wetmatigheden van het sociale organisme, zijn alle pogingen tot nu toe half werk. Het is vergelijkbaar met de poging de beroemde Augiasstal met de mestvork te willen uitmesten. Zoals bekend hielp toen alleen het omleiden van de rivier Alphaios (het begin!) om het probleem op te lossen. Waar bevindt zich tegenwoordig de Hercules die deze taak op zich neemt, die de zaak bij de wortels aanpakt in plaats van aan de symptomen te dokteren?

Zeker, een enkeling zal dit beslist niet kunnen. Want “een enkeling helpt niet, maar wel degene die zich op het juiste moment met velen verenigt”, zoals Goethe het in zijn “Sprookje” zegt. Dit moment ligt echter niet in een ver verschiet, maar is reeds aangebroken. Het is aan ons om dit waar te nemen, aan te grijpen en tot daden over te gaan.

Zoals reeds gezegd heeft Rudolf Steiner de natuur van het sociale organisme in zijn drieledigheid beschreven en een overeenkomstige geleding bij de mens ontdekt. Zenuw-zintuig systeem (hersenen, zenuwen), stofwisselingssysteem en ritmisch systeem (ademhaling, hart, bloedsomloop) hebben een equivalent, in de gebieden van het geestesleven, het economisch leven en het sociale rechtsleven. Elk mens leeft immers tegelijkertijd in alle drie de gebieden. Als denkend en vanuit zichzelf handelend wezen, bijvoorbeeld in het werk, staat hij in het geestesleven. In dit gebied moet hij vrij zijn in zijn besluiten, in datgene wat hij denkt, zegt, schrijft, leest, onderwijst. Hij moet vrij zijn om te kiezen hoe hij werkt en wat voor werk hij doet. Want het werk moet een uitvloeisel zijn van zijn vrije persoonlijkheid. Wanneer hij dan de resultaten van zijn werk en zijn denken met anderen uitwisselt, gaat hij het economisch leven binnen. Daar hoort de wet van de wederkerigheid te heersen. Iedereen geeft de ander waar hij behoefte aan heeft en krijgt daarvoor wat hijzelf nodig heeft. Deze uitwisseling dient te worden bepaald oor de waardering die een ieder heeft voor het resultaat van het werk van de handelspartner. Daarbij is, ter vervolmaking van de arbeidsdeling, een ruilmiddel dat een neutrale waarde heeft, onmisbaar. Het geld van tegenwoordig vervult dit doel slechts zeer ontoereikend. Het zou een “reële concurrent van de waar moeten zijn” (Rudolf Steiner), wat het volgens zijn huidige hoedanigheid niet is. Het geld kan door degene die in staat is om te sparen, worden achtergehouden en vraagt voor zijn verdere functie als ruilbemiddelaar een vergoeding: de rente. Door deze rente krijgt het geld een eigen dynamiek die niet door de menselijke arbeid wordt voortgebracht, en die leidt tot vervormingen van het wederkerigheidsprincipe. Deze zijn een wezenlijke oorzaak van de huidige sociale spanningen en de dwangmatigheid waarmee de economie steeds verder wil expanderen. En omdat in het expanderen van de economie een essentiële oorzaak ligt van de vernietiging van het milieu, is het dringend noodzakelijk om het probleem van het geld tot een oplossing te brengen. Anders is het niet mogelijk het wederkerigheidsprincipe in het economisch leven te realiseren.

In de relaties die de mensen door middel van overeenkomsten met elkaar aangaan, staan zij in een rechtsverhouding tot elkaar. De vorming en het opheffen van deze rechtsbetrekkingen vormen in hun totaliteit het rechtsleven. Dit bestaat uit specifieke overeenkomsten tussen individuele mensen en uit overeenkomsten in algemene zin zoals wetten. Voorwaarde voor het ongehinderd functioneren van het rechtsleven is het principe van de gelijkheid, zoals voor het economisch leven het principe van de wederkerigheid of de broederschap geldt en voor het gebied van het geestesleven het principe van de vrijheid. Geen van deze geledingen van het sociale organisme mag een ander gebied overheersen, maar elk moet zich conform zijn eigen wetmatigheden kunnen ontplooien. Daartoe is in het bijzonder de ontvlechting noodzakelijk van de tegenwoordig nog steeds bestaande eenheidsstaat met zijn vele beïnvloedingsmogelijkheden op het gebied van geestesleven en economisch leven. Verder is het noodzakelijk dat de staat zich volledig terugtrekt uit de gebieden die niets met het rechtsleven te maken hebben. Juist daardoor zal de staat de mogelijkheden krijgen wettelijke bepalingen door te zetten die het bedrijfsleven ervan weerhouden ons milieu in de toekomst nog verder te verstoren.

Door de tegenwoordige verstrengeling van de staat en de economische belangen, is eerstgenoemde niet eens bij machte de al bestaande wetten consequent door te voeren. Steeds scherpere verordeningen en verboden alleen hebben geen zin, omdat een staat die met alle levensgebieden verstrengeld is, deze niet kan doorzetten. Ten slotte moet nog worden opgemerkt dat ook de gezondheid van ieder van ons eronder lijdt wanneer het samenleven van de mensen niet overeenkomt met hun natuur.

Een deel van de sociale milieuvervuiling bestaat ook uit het feit dat wij elkaar als mensen ontmoeten op een manier die in vele opzichten ziekmakend is. Wanneer ik mij als persoonlijkheid niet als een vrij wezen kan voelen, maar aan alle mogelijke dwang onderworpen ben, ondergraaft dat mijn gezondheid. Hetzelfde geldt als ik voortdurend onrechtvaardig behandeld word of anderen zo moet behandelen omdat ik daartoe gedwongen word. Wanneer mij ten slotte in de wederzijdse uitwisseling in het economisch leven voortdurend een deel van mijn arbeidsopbrengst afhandig wordt gemaakt, zonder dat ik een passende tegenprestatie ontvang, dan werkt dat ook storend in op mijn ontplooiing. Conclusie: we kunnen het verval van het milieu pas de baas worden wanneer we de eigenlijk oorzaak zien in de gebrekkige sociale ordening. Er zijn reeds genezende middelen bedacht om deze ordening weer gezond te maken, maar ze moeten nog bereid worden, zodat ze hun werkzaamheid in het huidige maatschappelijk organisme kunnen ontplooien.

G. Lang, arts. Werd geboren in 1931 in Dornach, Zwitserland. Eindxamen in 1951 aan de Vrije School in Benefeld. Studie medicijnen te Freiburg im Breisgau en Parijs. Sinds 30 jaar arts, organisator van de Homeopathie-week in Bad Boll. Medewerker aan het “Seminar für freiheitliche Ordnung”, Boll en aan de “Sozialwissenschaftliche Gesellschaft” te Northeim.

Sociale driegeleding: alle artikelen

7e klas voedingsleer: alle artikelen 

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2814-2641

.

.

.

.

VRIJESCHOOL -Grohmann – ‘over de eerste dier- en plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner (2/1)

.

Gerbert Grohmann:

‘Over de eerste dier- en
plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner’

deel 2: 

PLANT – AARDE – MENSENZIEL

Uitwerkingen van de 9e werkbespreking
In GA 295 [1]

Grohmann blz. 87

De werkbesprekingen over het plantkundeonderwijs werden door Rudolf Steiner met de volgende woorden ingeleid:

Ik heb u gisteren gevraagd om erover na te denken hoe u in die lessen te werk wilt gaan waarin u met de kinderen de lagere en hogere planten wilt doornemen, althans voorbeelden daarvan. En wel vanuit dezelfde geest als men dat moet doen bij de dieren, zoals ik u heb laten zien bij de inktvis, de muis, het paard en de mens. Ik wil vooraf alleen zeggen dat in zinvol onderwijs de dieren eerst behandeld moeten worden, voor de behandeling van de natuurhistorische gegevens van de planten. Vandaag zal duidelijk worden waarom dat zo is, wanneer u zich zult inspannen om door middel van de een of andere plant het plantkundeonderwijs te karakteriseren.
[Op deze blog zijn de uitspraken van Steiner over het plantkundeonderwijs uit alle pedagogische voordrachten samen gebracht]

Allereerst moet duidelijk worden om welke leeftijd het hier gaat.
Aan het eind van de 8e werkbespreking waar Rudolf Steiner de vraag al stelt, zegt hij:

Het gaat dus niet om aanschouwelijk onderwijs, maar om het onderwijs na het negende jaar, waar de ‘natuurlijke historie’ begint.

Met ‘aanschouwelijk onderwijs’ zou wel de pure natuurbeschrijving bedoeld kunnen zijn, zoals die in de jaren daarvoor werd gegeven om het kind in de eerste plaats wakker te maken voor de eenvoudige waarneming en het onderscheiden van bomen, graansoorten en hier kan alleen het geven van namen al een belangrijk kenniselement hebben.
Maar nu, na het 9e jaar, gaat het meteen om een dieper begrip, een soort gedachteverwerking. In het woord [Duits] Naturunterricht – les over de natuur – wordt tegelijkertijd uitgesproken dat dit in de trant van sprookjes en legenden niet meer aan de orde is. We moeten [Duits] Naturkunde – biologie geven.
Vóór z’n 9e jaar maakt het kind nog geen onderscheid tussen zichzelf en zijn omgeving, zoals Rudolf Steiner in vele pedagogische voordrachten meegedeeld heeft, daarom moet in deze tijd ook alles, wat betrekking heeft op planten, in sprookjes, beelden, in legende-achtige stof worden gekleed. [2]
Pas na het 9e jaar wordt het kind zelfstandig. Het kan, ja wil de wereld waarvan het zich nu losgemaakt heeft, ook beschouwend gaan benaderen.

Blz. 88

Dit onderscheid moet je wel goed in de gaten hebben om het kind aan te kunnen spreken in zijn gevoel, waarin het nu aangesproken wil worden omdat die krachten om de wereld waar te nemen en te overdenken nu pas zo rijp zijn om ze gezond te kunnen gebruiken.
Wanneer er verhalen verteld worden, moeten het ‘echte’ verhalen zijn, d.w.z. ze kunnen bedacht zijn, ze moeten waar mogelijk fantasievol zijn, maar ze moeten wel over biologische voorwerpen en samenhangen gaan.

Wat het onderwijs vóór het 9e jaar betreft, bestaan er van Rudolf Steiner  zeer verhelderende opmerkingen uit 1917, dus twee jaar voor de oprichting van de vrijeschool in Stuttgart:

GA 177

Geistige Wesen und ihre Wirkungen

Blz. 202/203

Voordracht 11, Dornach 21 okt.1917 

Kindern beizubringen, was die Menschen vom Naturleben und an Naturgesetzen und an Gesetzen der abstrakten Naturwissenschaft
wissen müssen, das wird eine Absurdität in der nächsten Zeit werden. Dagegen wird wichtig werden – ich kann überall nur Beispiele anführen -, daß eine Art liebevoller Betrachtung gegeben wird über das Leben der Tiere, über besondere Lebensverhältnisse der Tiere, zum Beispiel recht bildlich zu schildern, wie sich die Ameisen benehmen in ihrem Zusammenhang, wie diese Ameisen zusammenleben und so weiter. Sie wissen ja, in solchen Werken wie in Brehms
«Tierleben» sind Ansätze zu diesen Dingen vorhanden, aber sie werden nicht ausgebaut. Sie müssen immer mehr und mehr ausgebaut werden, diese symbolisierten Erzählungen von Geschichten, die sich im Tierleben abspielen. Recht sinniges Erzählen von einzelnen individuellen Geschichten, das wird Platz greifen müssen, und das werden wir den Kindern beibringen müssen. Statt jener schauderhaften Art, wie elementare Zoologie an die Kinder verzapft wird, werden wir ihnen erzählen müssen von besonderen Taten des Löwen, des Fuchses, der Ameise, des Sonnenkäferchens und so weiter.
Ob die Dinge geschehen oder nicht, das ist im einzelnen ganz gleichgültig; daß sie sinnig sind, darauf kommt es an.

Kinderen bijbrengen wat de mensen over de natuur en aan natuurwetten en aan wetten van de abstracte natuurwetenschap moeten weten, zal in de komende tijd absurd gevonden worden. Daartegenover zal belangrijk worden – ik kan bij alles alleen maar voorbeelden geven – dat er een soort liefdevolle beschouwing gegeven wordt over het leven van de dieren; over hun bijzondere levensomstandigheden, bijv. echt beeldend te schetsen hoe de mieren samenleven, hoe ze samenwerken enz. U weet dat in zulk soort werk als dat van Brehms ‘Dierenleven’ een soort aanzetten voor deze zaken aanwezig zijn, maar ze worden niet uitgewerkt. Die gesymboliseerde verhalen over wat zich in het dierenleven afspeelt, moeten steeds verder uitgewerkt worden. Wat er moet gebeuren is een echt zinvol vertellen van individuele verhalen en dat moeten we de kinderen bijbrengen. In plaats van dat we die ten hemel schreiende elementaire dierkunde aan de kinderen slijten, moeten we hen vertellen over het bijzondere wat een leeuw doet, of een vos, de mieren, het lieveheersbeestje enz.
Of die dingen nu gebeuren of niet, dat is om het even; dat ze zinvol zijn (zouden kúnnen gebeuren) daar komt het op aan.

Blz. 87/88

Und was man heute den Kindern eintrichtert, was ja ein Extrakt ist aus der Naturwissenschaft, das soll erst in späteren Jahren kommen, wenn die Kinder sich erbaut haben an solchen Erzählungen, die von dem Individuellen im Tierleben handeln. Besonders wichtig wird es sein, daß man auch das Pflanzenleben in einer solchen Weise betrachtet, daß man viel zu erzählen weißüber das Verhältnis der Rose zum Veilchen, über das Verhältnis der Sträucher zu den Unkräutern, die um sie herum wachsen, daß man ganze lange Geschichten zu erzählen weiß über dasjenige, was da vorgeht in den springenden Geistern über die Blumen hin, wenn man über eine Wiese geht, und dergleichen. Das muß als Botanik den Kindern erzählt werden. Und erzählt werden muß den Kindern, wie da gewisse Kristalle mit grüner Farbe, die in der Erde wohnen, sich zu farblosen Kristallen verhalten, wie sich ein Kristall, der würfelförmig ist, zu einem verhält, der in Oktaedern kristallisiert. Statt einer abstrakten Kristallographie, wie man sie heute schon in sehr früher Jugend zum Unheil der Jugend verzapft, wird man haben müssen eine symbolistische Darstellung des Lebens der Kristalle im Innern der Erde. Man wird seine Anschauungen über dasjenige, was im Innern der Erde vorgeht, nur dann befruchten können, wenn

En wat men er bij de kinderen ingiet, wat een uittreksel is uit de natuurwetenschap, moet pas in de latere jaren aan bod komen, wanneer de kinderen door dergelijke verhalen die over het individuele dierenleven gaan, gesterkt zijn. En het gaat ook heel belangrijk worden dat we ook het leven van de planten op zo’n manier gaan beschouwen, dat we veel te vertellen weten over hoe de roos tegenover het viooltje staat, de struiken tegenover het onkruid die daaromheen groeien; dat je heel uitgebreide verhalen weet te vertellen over de [Duits heeft: springende Geistern] = elementairwezens? die over de bloemen springen wanneer je door een weiland loopt enz. Dat moet als plantkunde aan de kinderen worden verteld. En aan de kinderen moet ook verteld worden hoe er bepaalde kristallen bestaan met een groene kleur die in de aarde wonen en hoe die tegenover kristallen staan die kleurloos zijn, hoe een kristal dat een kubusvorm heeft, tegenover een kristal staat dat zijn kristallen in octaëders heeft. In plaats van een abstracte kristallografie, zoals die tegenwoordig al zeer vroeg aan de jeugd, tot nadeel van de jeugd verloopt, zouden we een symbolische beschrijving over het leven van de kristallen in het binnenste van de aarde moeten hebben. Je opvattingen over wat er in het binnenste van de aarde gebeurt, kun je alleen vruchtbaar maken, wanneer

GA 177/204

man sie eben befruchtet mit dem, was Sie in unseren Schriften finden
an Schilderungen über das Innere der Erde und so weiter. Das bloße
Aufzählen wird nicht genügen, sondern darauf kommt es an, daß
diese Dinge anregen, daß sie solche Vorstellungen geben, daß man
viel zu erzählen vermag über das gegenseitige Leben der Diamanten
und Saphire und so weiter. Sie werden, wenn Sie darüber nachdenken, verstehen, was ich eigentlich meine

je ze vruchtbaar laat worden met wat je in onze boeken e.d. vindt aan de schetsen over het binnenste van de aarde, enz. Alleen maar opsommen zal niet genoeg zijn, het komt erop aan dat we deze dingen stimuleren, dat er zulke voorstellingen ontstaan over het leven over en weer van diamanten en saffieren enz. U zal, wanneer u daarover nadenkt, begrijpen wat ik bedoel.
GA 177/202 e.v
Niet vertaald

Dus, zoals Rudolf Steiner hier spreekt, kan het alleen maar over het onderwijs vóór het 9e jaar gaan, wanneer de natuur op een vertellende manier aan het kind meegegeven wordt.
Wat een wonderlijke wereld duikt daar voor het geestesoog van de leerkracht op – en wat voor fantasie er van de leerkracht gevraagd wordt!  ‘Of die dingen nu gebeuren of niet, dat is om het even; dat ze zinvol zijn daar komt het op aan.’
Maar dat ze zouden kunnen gebeuren, d.w.z. ze moeten in overeenstemming zijn met het wezen van het betreffende natuurobject. Wanneer de fantasie door de studie van de geesteswetenschappelijke publicatie vruchtbaar wil kunnen worden, kan er bij gesymboliseerde verhalen onmogelijk sprake zijn van er wat speels op los fantaseren, alleen maar van echte, uit inzicht in objectieve samenhangen in de natuur ontspruitende beelden.
Of Rudolf Steiner later, toen hij zijn concrete aanwijzingen per leeftijdsgroep voor de vrijeschool uitwerkte, nog zo in het algemeen van ‘kinderen’ gesproken zou hebben, is op zijn minst een vraag, want later wordt de grens van 9 – 10 jaar duidelijk getrokken. Wanneer je bv. de in de 11e werkbespreking ontwikkelde plantentrap voor het 11-jarige kind uiteenzet, is daarin niets aan legende- of sprookjesachtigs meer te ontdekken en de toepaste vergelijkingen met de ontwikkeling van de menselijke ziel kunnen ook niet als gesymboliseerde verhalen aangemerkt worden. Dat is echt biologie. Het is

Blz. 90

noodzakelijk dit verschil goed bewust te zijn om telkens weer de juiste gedachtestemming in het onderwijs te vinden.

Op de inleidende woorden van Steiner volgden de uitwerkingen van de verschillende deelnemers aan de cursus. die hier niet onnodig uitvoerig worden geciteerd. Daarentegen zijn de antwoorden en de tussendoor gegeven opmerkingen van Steiner belangrijker. Een deelnemer merkte op dat het groeiproces steeds verborgen is. Het blad dat vanuit het inwendige van de plant groeit en zich aan het licht overgeeft, verliest daardoor het eigenlijke leven, het nadert het doodgaan. Daarop sprak Rudolf Steiner:

Bij de vingernagels van de mens is het precies zo. En als u iets anders neemt van de mens, de huid, het oppervlak van de hand en dieper gelegen delen, daar is het ook zo. Wat is dat eigenlijk: groei? Alle groei is het naar buiten schuiven van het levende vanuit het binnenste en een afsterven en geleidelijk afschilferen van de buitenkant. Daarom kan nooit iets aan de buitenkant aangroeien. De substantie moet altijd van binnen naar buiten bewegen en aan de oppervlakte afschilferen. Dat is de algemene wet van de groei, dat wil zeggen de samenhang van de groei met de materie.

Andere uitwerkingen van een deelnemer waren voor Rudolf Steiner aanleiding tot deze belangrijke tegenwerping:

U heeft heel wat goede dingen gezegd, maar het is toch ook nodig dat de leerling bij zo’n beschrijving ook de delen van een plant leert kennen. U moet die delen ook voortdurend noemen: blad, bloem enzovoort. Het zou goed zijn als de leerlingen die delen van de plant zouden leren kennen, volgens het principe dat u gekozen heeft en dat ook juist is: de plant te beschouwen aan de hand van zon en aarde. Daar moet wat leven komen in de plantbeschrijving en van daaruit moet dan de brug geslagen worden naar de mens. Het is u nog niet gelukt om die te slaan, want wat u gezegd heeft, heeft allemaal min of meer te maken met utiliteit, met het nut van planten voor de mens, of waren uiterlijke vergelijkingen. Wat uitgewerkt moet worden, opdat juist het kind heel veel heeft aan zo’n beschouwing, dat is het volgende. Men zal moeten proberen om, nadat men de relatie tussen mens en dier heeft uitgelegd, toch ook de relatie tussen plant en mens duidelijk te maken. Want als we met zoiets beginnen zijn de leerlingen toch meestal wel zo’n jaar of tien. En dan kan men gebruik maken van datgene wat het kind al heeft geleerd, of liever gezegd men kan gebruik maken van het feit dat het kind de dingen die het daar moet toepassen op de een of andere manier al heeft geleerd. Men moet niet vergeten om de plant zelf, haar vorm, onder de aandacht te brengen.

Blz. 91

In het antwoord zit al veel van wat later in de plantkunde ontwikkeld wordt, bv. de beschouwing van de plant samen met zon en aarde als basis voor een vormleer en het mede betrokken zijn op de mens. Rudolf Steiner keurde bepaalde ‘nuttigheidsverhalen’ af. Op een hoger niveau kan de plant ook voor alle mogelijke, goed bedoelde ethisch-morele opvattingen worden gebruikt, bv. zoals een deelnemer aangaf – dat de reine plant voor de mens een doel, een ideaal betekent, dat het blad zich in zekere zin opoffert, wanneer het zich overgeeft aan de zon; de bloem wanneer deze bevrucht is enz. Net zo min als er iets tegen is om af en toe dergelijke aanduidingen in het onderwijs mee te nemen, moet de plant toch de hoofdzaak blijven. We moeten niet over, maar vanuit de plant met het kind spreken. Het ontwikkelen van moraliteit moet in de methode van de pedagogie liggen, dat moet hier geen onderwijsstof op zichzelf worden – ondanks alle goede bedoelingen. Het kind wil op deze leeftijd een dosis gezonde zakelijkheid.

Hoe belangrijk het voor Rudolf Steiner in dit opzicht concreet, je zou zelfs kunnen zeggen, zakelijk te blijven, blijkt ook uit dat hij later aansluitend bij wat een andere cursusdeelnemer naar voren bracht, nog een keer op hetzelfde thema terugkwam en opmerkte, dat er weer veel werd gezegd, maar dat er nog steeds niet geprobeerd werd, de plant wat betreft de vorm aan het kind uit te leggen.
Zoals zo dadelijk blijkt, ligt in deze woorden geenszins de eis besloten, droge, uiterlijke beschrijvingen aan het begin van de plantkunde te geven. De planten te bekijken met de zon en de aarde, betekent namelijk bij Rudolf Steiner zoveel als de organen tot in de vorm in het verloop in de tijd te herleiden uit het leven van de uiterlijke elementen, water, lucht, licht enz. Dat is vormleer, op deze leeftijd door de kinderen te begrijpen. Hoe de brug naar de mens geslagen moet worden – wordt later door Rudolf Steiner zelf breedvoerig uiteengezet, zodat ook hier afgezien kan worden van eigen opvattingen.
Een deelnemer doet het voorstel om het proces van kiemen te bespreken, bv. uit te gaan van de boon. Rudolf Steiner wees dit voorstel principieel van de hand.

Blz. 92

Dat is iets wat eigenlijk pas rationeel gedaan kan worden met leerlingen die al ouder zijn dan veertien, vijftien. Als u dat zou doen, dan zou u ontdekken dat basisschoolkinderen het kiemproces nog niet werkelijk kunnen begrijpen. Dat zou dus te vroeg zijn: het kiemproces aan jongere kinderen te laten zien, dat met die boon enzovoort. Innerlijk is dat de kinderen heel vreemd.

Ondanks deze vastbesloten afwijzing, zou het aan de andere kant toch ook niet juist zijn om Rudolf Steiners woorden zo uit te leggen, alsof je kinderen het kiemproces helemaal niet mag laten zien. Zij kennen het allemaal al wel uit de tuin en moeten zich over het wonder verbazen. Maar het zou iets heel anders zijn, een poging te wagen, het wezenlijke van dit proces de kinderlijke ziel duidelijk te maken en daarmee samenhangend waar mogelijk systematisch de ontwikkelingsprocessen van de plant te bespreken.
Waarom is het kind er nog niet aan toe om dit kiemproces daadwerkelijk te begrijpen? De redenen zijn soortgelijk als bij het proces van de bevruchting, waarover Rudolf Steiner later eveneens zei, dat het basisschoolkind nog geen begripsvermogen heeft om het te bevatten: de opdracht van de plantkunde in de onderbouw is alleen maar de zich ontwikkelende vormveranderingen in het verloop van de groei van een plant duidelijk te maken. Dat gebeurt, zoals straks zal blijken, door te wijzen op de samenhang van de plant met de elementen van haar omgeving, licht, vocht, lucht warmte enz. Het kind kan deze samenhang overzien en aan zijn verlangen naar kennis is voldaan. Bij het kiemproces gaat het niet om een vormverandering, maar om een totaal nieuw ontstaan na de voorafgaande bevruchting. Kiemproces en bevruchtingproces kunnen hier niet gescheiden worden. ‘Beide zijn een ‘groeien over het individuele heen’ (Rudolf Steiner). Verklaringen vanuit omgevingsfactoren die het kind zou kunnen begrijpen, zijn nu voor het beantwoorden van de vragen naar het vanwaar en waarom niet meer toepasbaar, want deze vragen richten zich op heel andere oorzaken die nog buiten de beleving van het kind liggen. Vóór de puberteit kan het kind alleen het groeien begrijpen dat in het individu zelf besloten ligt, zoals het zichzelf helemaal alleen maar in zijn eigen groeien kan beleven. Pas met de mogelijkheid zich voort te planten ontwikkelt zich de lichamelijke basis voor een groeien dat verder gaat dan het individu en daarmee samenhangend ook de gevoelsmatige voorwaarden voor het begrijpen van de daarbij horende processen in de natuur buiten de mens. Daarvoor

Blz. 93

echter moet een proces zoals dat van het kiemen, voor de kinderziel noodzakelijkerwijs ‘innerlijk heel vreemd’ zijn.

Nu komen we bij het eerste grotere voorbeeld van Rudolf Steiner, dat van de paardenbloem. Rudolf Steiner ontwierp het nadat opnieuw een aantal deelnemers hadden gesproken. Achter zijn vrijlatende woorden ‘Hoe zou het zijn, als u bv. het volgende zou doen?’, ligt vanzelfsprekend toch de kennis die daar bovenuit gaat van de enig juiste methode. Al daarvoor had Rudolf Steiner het principiële van het kijken naar de plant op deze leeftijd weer met de volgende woorden geaccentueerd:

U moet de planten, zoals de heer T. heel juist heeft gezegd, beschrijven als deel van de hele natuur, in relatie tot de zon, de aarde enzovoort en u moet de plant als het ware in die samenhang laten. Dan krijgt u een benadering die, mits in de juiste vorm gegoten, ook al door een kind enigszins begrepen kan worden.

Hier de uiteenzetting van Rudolf Steiner over de paardenbloem:

U zou bijvoorbeeld vragen: ‘Heb je wel eens buiten een wandeling gemaakt aan het begin van de zomer? En heb je dan niet op de weilanden van die bloemen gezien, als je ertegen blaast, dan vliegen er stukjes weg. Ze hebben van die kleine pluisjes, en die vliegen dan weg. Je hebt die bloemen ook al wel vroeger in het jaar gezien, toen het nog niet bijna zomer was. Dan zien ze er zo uit: dan hebben ze bovenaan alleen gele blaadjes. En nog vroeger, meer in de lente, waren er alleen nog maar groene bladeren, die heel spitse insnijdingen hebben. Wat we hier zien, dat is steeds dezelfde plant, alleen op drie verschillende momenten! Eerst is de plant bijna alleen maar groen blad, dan is ze bijna alleen maar bloem en daarna is ze bijna alleen vrucht. Want dat zijn de vruchten die daar rondvliegen. Deze plant is de paardenbloem! Eerst krijgt hij blaadjes, groene blaadjes, dan gaat hij bloeien en dan krijgt hij zijn vruchten. Hoe kan dat nu gebeuren? Hoe komt het nu dat die paardenbloem, die jullie allemaal kennen, eerst alleen maar groene blaadjes heeft en dan bloemen en dan vruchten? Dat komt hierdoor. Als de groene blaadjes uit de aarde groeien, dan is het buiten nog niet zo warm. De warmte heeft nog niet zo veel kracht. Maar om die groene blaadjes heen, wat is daar? Dat weten jullie. Dat is iets wat je alleen maar merkt als de wind waait, maar het is wel altijd om je heen: de lucht. Je weet wat dat is, daar hebben we het al over gehad. Vooral door de lucht ontstaan de groene blaadjes. En als de lucht dan wat warmer is geworden,

Blz. 94

wanneer het buiten warmer wordt, dan blijven de blaadjes geen blaadjes meer, dan worden de bovenste blaadjes een bloem. Maar nu gaat de warmte niet alleen naar de plant toe, ze gaat ook naar de aarde toe en weer terug. Je hebt vast wel eens een stukje blik gevonden. Dan zul je wel gemerkt hebben dat blik de warmte eerst krijgt van de zon en dan de warmte weer uitstraalt. Dat doet ieder ding eigenlijk. En nu werkt de warmte zo: als de aarde nog niet zo heel warm is geworden, als de warmte nog naar beneden straalt, dan vormt ze de bloem. En als de warmte weer terugstraalt van de aarde omhoog naar de plant, dan vormt ze de vrucht. Daarom moet de vrucht wachten tot de herfst.’
Als u het zo doet, dan vertelt u over organen, maar zo dat ze tegelijkertijd in relatie staan tot dat wat lucht en warmte is. Dan kunt u zo’n beschouwing voortzetten, en u kunt op deze wijze proberen de vandaag voor het eerst aangeroerde gedachte om planten in relatie te brengen tot de elementen van de omgeving verder te ontwikkelen. Daardoor zult u ook het morfologische aspect, de vorm van de planten enigszins in verband kunnen brengen met de wereld om de planten heen. Probeert u dat eens te doen.

De pedagogie van Rudolf Steiner is geen ‘patentmethode’ om het kind in die positie te brengen dat het meer en sneller intellectueel begrijpt. Eerder zou je kunnen zeggen dat hier de lesstof een middel is met het doel om het gevoel te ontwikkelen dat horend bij het ritme van het leven nu juist naar buiten komt. Voor de leeftijd waarvan hier gesproken wordt, zijn dat de denkkrachten. De plankunde van de onderbouw is in feite een hulmiddel bij het denken, zoals Rudolf Steiner ook verschillende keren aangegeven heeft.
In ieder geval is dat ook zo wanneer we het niet goed doen, want we kunnen in het kind ook een minder geslaagd denkvermogen ontwikkelen.
Het kind in de basisschool denkt nog niet vanuit een eigen oordeelsvermogen. Omdat er met de vanzelfsprekende autoriteit een bepaalde verhouding bestaat, neemt het van deze bereidwillig de gedachten over. In eerste instantie neemt het niet eigen gedachtevormen op en vormt daarnaar, zoals bij een model, zijn eigen denkorganisme. Wanneer dan later het eigen denken geboren wordt (met de geslachtsrijpheid), dan volgt in de aard van de zaak niet anders dan – zoals Rudolf Steiner het eens noemde – het zelf oppakken, wat al je bezit is. Het is dus voor heel het verdere

Blz. 95

van het grootste belang hoe je als kind aangeleerd werd de vraag naar het waarom van een verschijnsel te stellen en te beantwoorden.
Ongeveer in het midden van zijn betoog over de paardenbloem stelde Rudolf Steiner de vraag aan de kinderen: ‘Hoe kan dat nu gebeuren?’ nl. dat de plant eerst alleen maar groene bladeren heeft, dan bloeit en op het laatst vruchten? Op de manier waarop Rudolf Steiner het antwoord introduceerde, wordt het verschijnsel begrijpelijk gemaakt als effect van iets veel groters dat er in het leven gebeurt, waarvan de omstandigheden eveneens voor de kinderen bekend zijn en in de realiteit waarneembaar zijn. ‘En daar komt het op aan‘. Licht, lucht en warmte moeten om pedagogische redenen, niet om natuurwetenschappelijke, als oorzakelijke factoren opgevoerd worden. De studie van het plantenrijk is zeer geschikt om een levend denken te ontwikkelen dat het verschijnsel dat op zich staat, zoekt te begrijpen als een zichtbaar worden van een grotere samenhang die daarboven uitgaat.
In twee van zijn grotere voordrachtenreeksen (Ilkley, GA 307, 9e voordracht 13 augustus 1923 en Torquay, GA 311, 3e voordracht 14  augustus 1924) legde Rudolf Steiner er nogal de nadruk op dat wij het kind door een adequate plantkunde gedurende de middenklassen van de basisschool, ‘verstandig en schrander’ maken. omdat we het ertoe brengen in overeenstemming met de natuur te denken. Het gevoel voor oorzaak en gevolg dat in deze jaren begint op te komen, wordt door goede plantkunde op een gezonde manier tevreden gesteld. Laat niemand de vergissing maken dat het schijnbaar wat ondergeschoven onderdeel plantkunde, zonder algemeen menselijke consequenties die verreikend zijn, zou blijven.
De slechtste verklaring is die vanuit de doelmatigheid, de nuttigheid. Laat niemand beweren dat dit vandaag de dag een overwonnen standpunt is! Dat is niet zo, want aan veel van onze opvattingen en denkgewoonten ligt zoiets ten grondslag, zij het dan wellicht wat verborgen. Hier een enkel voorbeeld:
Waarom bloeit een plant of draagt deze vrucht? Zij moet door kleur, geur en nectar insecten aantrekken, die ze voor de bestuiving nodig heeft. Dus verschijnt de bloem hier vanuit het doel waarvoor ze bestemd is. Ongeveer ook zo gaat het met de vruchten, waarvan het aanlokkelijke vruchtvlees dieren aanzet de zaden te verbreiden die erin zitten. Nog afgezien dat zo’n manier van beschouwen ieder gevoel voor kwaliteit in de kiem moet smoren om de vlinder te zien als de beweeglijke bloem die van de plant losgeraakt is, maar alleen nog als een bruikbaar ding, kleeft aan het geheel ook nog eens een bedenkelijke schoonheidsfout. De natuur zelf

Blz. 96

laat ons toch zien dat het zonder die kostbare inspanning die een plant voor een bloem of vrucht moet leveren, ook gaat. Zowel stuifmeel als zaad kan ook door de wind verspreid worden. Het is dus werkelijk niet mogelijk bloem en vrucht vanuit een doel te verklaren. In tegendeel, bloem en vrucht zijn dan, zo bekeken, geen rationele vormen van natuur. Het is een voorbeeld van hoe wij kinderen ook wat onlogisch is, kunnen aanleren.
Toen Rudolf Steiner in zijn voorbeeld van de paardenbloem op de oorzaken van de plantengroei wilde wijzen, vroeg hij niet aan de kinderen, waarom, maar waardoor gebeurt dat allemaal? Dat is iets heel anders, want daarmee nam hij voor de verklaring concrete, uiterlijke factoren en niet gedachtespeculaties.
De gewetensvolle mens van nu zal bij zo’n gelegenheid steeds bezorgd vragen of dan deze causale samenhang van de ontwikkeling van een plant en de omgevingsfactoren, zoals die hier door Rudolf Steiner worden weergegeven, ook werkelijk wetenschappelijk houdbaar zijn. Die vraag mag gesteld worden en er is ook antwoord op te geven. Rudolf Steiner heeft niet beweerd  dat de toegenomen warmte de enige factor is, die bij de bloei en zaadvorming van de paardenbloem meewerkte. Maar die speelt in ieder geval wel een wezenlijke en doorslaggevende rol. Het zou volledig tegen de geest van de pedagogie van Rudolf Steiner zijn, in het klassenlokaal de toevlucht te nemen tot iets onwaars, omdat het kind het dan beter zou begrijpen dan de waarheid. Het komt er alleen op aan die kant van de waarheid te kiezen en te gebruiken die past bij de zielensituatie van het zich ontwikkelende kind. Bij Rudolf Steiner betekent dit dat de manier die hij vraagt om ernaar te kijken ook bij het kind al op een bepaald begrip kan rekenen, het betekent niet dat je het ook zo tegen het kind moet zeggen.
We moeten dus bij de keuze van onze lesstof en methoden steeds eerst naar de waarde vragen van hoe dit de mens vormt, anderzijds is het toch ook niet overbodig een paar natuurwetenschappelijke grondbeginselen nader te bekijken. Rudolf Steiner laat in zijn voorbeeld de groene blaadjes van de paardenbloem uit het samenspel van water, licht en lucht ontstaan, zoals dat bij de gangbare opvatting hoort. Dan komt daar de warmte als vormende kracht bij. Die heeft volgens Rudolf Steiner een dubbele functie, de ene als directe warmtestraling (bloeiwarmte) en dan daarop volgend als deze door de aarde teruggestraald wordt. Deze warmte wordt met de vruchten in verband gebracht.

Blz. 97

De werking van de warmte in het gebied van de planten moeten we ons natuurlijk op een heel andere manier voorstellen dan de natuurkundige warmtewerking. Bij de planten worden de loofbladeren erdoor verfijnd tot bloemblaadjes en uiteindelijk tot de meeldraden, zij zorgen ervoor dat de planten bij het verstuiven en het verspreiden van geur zich tot in de omgeving uitbreiden en dat ze daar met de boodschappers van het kosmische licht en de kosmische warmte, de bijen, vlinders enz. in feite samensmelten. Nu is de vlinder geen voorwerp meer van een doel, het is een wezen, net zo als het wezen van de bloeiende plant. De plant wordt in feite toch ook zo ongeveer een vlinder wanneer ze bloeit. Zo’n verklaring bevat geen innerlijke tegenstrijdigheid meer, ze stelt zowel de behoefte aan kennis van het kind als mede het beleven van schoonheid tevreden.
Over de warmte die vanaf de grond terugstraalt (de vruchtwarmte) heeft Rudolf Steiner zich nader uitgesproken, bv. in de ‘Landbouwcursus’ (GA 327vertaald). Volgens deze natuurbeschouwing krijgt het zaad zijn volledige sterkte door bemiddeling van de stengels in verticale richting vanuit de aarde. (De vruchtjes van de paardenbloem zijn bijna alleen maar zaadjes.) Maar in werkelijkheid zijn het geen aardse, maar door de aarde opgeslagen en dan teruggestraalde kosmische krachten die daar werkzaam zijn.
Aan het einde van de tweede voordracht van de zgn. Stuttgarter artsenweek, [GA 314 – niet vertaald] zette Rudolf Steiner uiteen  hoe licht en warmte gedurende de zomer door de aarde worden opgenomen. Deze aarde-eigen geworden warmte wordt dan gedurende langere tijdsfasen (jaren) aan de vrucht- en zaadontwikkeling van de plant toegediend. Het door Rudolf Steiner gebruikte simpele voorbeeld van een stukje blik is dus alleen maar een beeld voor feitelijk aanwezige diepere levenssamenhangen.  
Wie botanisch bevlogen is, stoot zich er makkelijk aan dat het voorbeeld van Rudolf Steiner van de paardenbloem, toegepast op andere planten die erop lijken, zoals het klein hoefblad, niet meer opgaat. Het klein hoefblad bloeit al in maart. De gele bloemen zitten op stelen die alleen maar schubben hebben. De eigenlijke, groene loofblaadjes volgen pas veel later. Ze bereiken hun volle groei pas als de zaadjes al lang door de wind weggeblazen zijn.
Zoals zo vaak bij Rudolf Steiner, gaat het hier alleen maar om een schijnbare tegenstelling. Rudolf Steiner koos de paardenbloem alleen als voorbeeld waarbij de samenhang met de elementen en de ontwikkeling van de plant vooral eenvoudig en makkelijk te doorzien is. Maar dat sluit niet uit dat er planten kunnen zijn waarbij de ritmen wat ingewikkelder zijn. Wanneer je, zoals bij de paardenbloem, ook bij het klein hoefblad de volle ontwikkeling van het blad als het begin van de plant neemt, dan verschijnen de bloemen ook pas na de bladeren.

Blz. 98

Alleen, nog dezelfde de zomer gaat dat niet meer. Pas na de winterrust komen de bloemen tevoorschijn – als vroegbloeier. De allereerste lentewarmte is al genoeg om ze tevoorschijn te lokken, want ze zijn al in de herfst gevormd en hoeven zich alleen nog maar te strekken.

Na Rudolf Steiners uiteenzetting over de paardenbloem volgden de cursusdeelnemers weer met hun opvattingen over de gestelde vragen. Rudolf Steiner haalde er een punt van principieel belang uit om zijn standpunt daarover weer te geven. Het ging om het proces van bevruchting bij de plant. Rudolf Steiner zei:

Het is niet goed om het bevruchtingsproces bij planten te vroeg te behandelen, in ieder geval niet op de leeftijd dat men begint met botanica. De reden daarvoor is dat het kind nog geen werkelijk begrip kan hebben voor dit bevruchtingsproces. Men kan het wel beschrijven, maar innerlijk begrip vindt men daarvoor nog niet bij het kind. Dat hangt hiermee samen dat het bevruchtingsproces bij de plant helemaal niet zoiets in het oog lopends is als men in de huidige abstracte natuurwetenschappelijke tijd aanneemt.

Vervolgens wees Rudolf Steiner op de opstellen van Goethe uit de jaren twintig van de 19e eeuw waarin de metamorfose verdedigd wordt tegen het eigenlijke bevruchtingsproces. De bloeiende weiden als een voortdurend bruidsbed af te schilderen, stond Goethe zeer tegen. Hij vond de metamorfose belangrijker. Ook wanneer we nu door nieuwere inzichten Goethes opvatting niet meer kunnen delen – aldus Rudolf Steiner – en het bevruchtingsproces op de keper beschouwd toch belangrijk moeten vinden, dan blijft het toch niet juist om dit bij de plant zo naar voren te halen, zoals dat nu gebeurt:

Het moet meer op de achtergrond komen te staan. Het gaat bij planten in de eerste plaats om de betrekkingen tot de omgeving. Het is veel belangrijker om te beschrijven hoe lucht en warmte en licht en water op de plant inwerken dan dat abstracte bevruchtingsproces te beschrijven, dat tegenwoordig zo op de voorgrond staat. Dat wil ik met klem zeggen. En omdat dit zo’n cruciaal punt is en zo bijzonder belangrijk, zou ik graag zien dat u deze hindernis neemt en in deze richting verder graaft: zoekt u de juiste methodiek, de juiste benadering van de planten.

De bespreking van het bevruchtingsproces wordt hier dus niet vanwege morele tegenwerpingen afgewezen, maar simpelweg omdat een kind dat niet kan begrijpen. De redenen hebben wij al aangevoerd bij het kiemproces. Bovendien komt het

Blz. 99

bevruchtingsproces bij deze manier van naar de planten kijken, zoals deze bij de onderbouw hoort, helemaal niet aan de orde. Aan de andere kant kun je ook niet doen alsof dit niet bestaat, want veel kinderen weten natuurlijk dat er geen vruchten aan de bomen komen wanneer door het ongunstige slechte weer de bijen gedurende de bloeitijd niet kunnen vliegen.
De vrucht is iets wat bij de oerplant hoort en bij deze oorspronkelijke betekenis van het woord moet je aanknopen wanneer je op school dan toch over het bevruchtingsproces wil spreken – en je kan dat volgens Rudolf Steiners eigen woorden ook zeker schetsen. Wellicht op deze manier:

Jullie hebben toch allemaal wel een keer een appel gevonden die aan de ene kant nog vol en rond vruchtvlees had, maar aan de andere kant al aan het vergaan was. Maar dan heb je ook gezien dat aan deze kant het klokhuis met de pitten al aan het vergaan was. Dat komt omdat de bijen, wanneer die in het voorjaar de bloesems bestoven hebben maar aan één kant van de bloesem stuifmeel hebben achtergelaten, want wat de bijen daar doen als ze rond de bloesems zwermen en het stuifmeel van bloem tot bloem dragen, veroorzaakt dat later de prachtige vruchten kunnen groeien. Daarom noemen we dat de bevruchting.’

Wanneer je met de kinderen op een dergelijke manier over bevruchting spreekt, gaat het begrip over op bestuiving en alles wat de gedachten van het kosmische oerbeeld naar het lagere gebied kunnen afhouden, wordt voorkomen. [*]
Ook moet je principieel op school niet de woorden mannelijk en vrouwelijk voor een plant in de mond nemen. Ook niet van mannelijke of vrouwelijke bloeiwijzen, bv. bij wilgen en naaldbomen nooit. Veel doeltreffender is het in

[*] In de 12e werkbespreking kwam het gesprek op de lastige vraag over  de ‘seksuele voorlichting‘ van de kinderen. Rudolf Steiner zei daarbij dat het kind, wanneer je het groeiproces van de plant in samenhang met licht, lucht, water enz. adequaat weergeeft, begrippen in zich opneemt die het later voor hem mogelijk maken, zonder problemen stap voor stap naar het bevruchtingsproces, eerst bij de planten, dan ook bij de dieren en ten slotte ook bij de mens, over te gaan. Zo kunnen al heel vroeg vanuit moreel zuivere voorstellingen de elementen ontwikkeld worden die je nodig hebt om de veel gecompliceerdere bevruchtingsprocessen begrijpelijk te maken. Voorwaarde is wel, dat de samenhang van licht, lucht, water enz. bij de plant in het groot bekeken wordt. De kracht die bij de voortplanting een nieuw individu voortbrengt, is slechts een metamorfose van die vorm van kracht die ook de voortgaande omwerking van de organen bij de groei bewerkstelligt. Voortplanting is een groei boven het individu uit. Zo kan de methode van de plantkunde daar nog consequenties hebben, waar je ze niet zou verwachten.

Blz. 100

plaats daarvan de begrippen ‘stuifmeelbloesem’ en ‘vruchtbloesem’ te gebruiken (Duits: Staubblüte en Fruchtblüte). Vanzelfsprekend kan bij wezens die het samensmelten van de beide ‘geslachten’ aan andere wezens overlaten, aan de insecten, vogels en zelfs de wind, geen sprake zijn van seksuele begeerte of drift. Het begrip seksualiteit dat bovendien nog een astraallijf nodig heeft, is op planten niet van toepassing. Voor de planten is de hemel de vader en de aarde de moeder, zo bracht Rudolf Steiner volgens geesteswetenschappelijke kennis de feiten in hun ware verhouding.
Maar desondanks hebben wij met de schijnvorm mannelijk en vrouwelijk bij de stuifmeelvormen en de vruchtbeginsels in de bloem te maken. Deze organen moeten er toch voor iets – dat zou het kind kunnen vragen –  zijn.

Nu komen we in het tweede deel van deze negende werkbespreking die een stuk moeilijker is. Zoals al aangegeven was, moet de brug naar de mens worden gevonden. Je mag wel zeggen dat vermoedelijk niemand zonder Steiners hulp de weg gevonden zou hebben die hier wordt gewezen. Het is zo verrassend nieuw, zo origineel, ja bijna verbluffend, dat we veel los moeten laten aan meegebrachte eenzijdigheden en bekrompen vooroordelen om deze methode te leren begrijpen. En inderdaad, er wordt iets te veel van ons gevraagd! Rudolf Steiner kon er in dit geval niet meteen over spreken hoe de stof aan de kinderen overgebracht moet worden, hij moest wat hulp bieden hoe wij het zelf eerst zouden kunnen begrijpen, want het gevaar bestaat, dat je op het verkeerde been staat.

Ik wijs u erop dat u gemakkelijk kunt vragen wat de overeenkomsten zijn tussen dieren en mensen. U zult diverse gezichtspunten vinden. Maar de methode om uiterlijk dingen met elkaar te vergelijken schiet al heel snel te kort wanneer men overeenkomsten zoekt tussen plant en mens. Men kan zich echter ook afvragen: zoeken we misschien verkeerd wanneer we zulke vergelijkingen zoeken? 

Directe uiterlijke vergelijkingen van plant en mens zijn dus onvruchtbaar en leiden tot niets. Wat aan de mens met de plant vergeleken kan worden, ook in de uiterlijke gestalte, is – wat zo dadelijk volgt – uiteindelijk een zielenkwaliteit. Later heeft Rudolf Steiner het over de zintuigen, over temperamenten, over gedachten en gev0elens, zelfs affecties en emoties. Het zou dus een verkeerde vergelijking van vermenselijking zijn om bv. de takken van de bomen met de naar de hemel uitgestrekte armen, de bloemen met de ogen die open en dicht kunnen enz. te vergelijken.

101

Dit soort vergelijkingen komen we wel vaker in gedichten tegen: ‘Arm in arm en kroon bij kroon staat het eikenbos…’; ‘de bloempjes gingen slapen..’ en dat willen wij zeker niet afwijzen; waarom zou je zelfs niet het ene of andere mooie gedicht leren, maar dat is wat anders dan deze poëtische vergelijkingen als uitgangspunt voor het plantkundeonderwijs te nemen, want hier gelden heel andere gezichtspunten, hier gaat het om terug te grijpen op spirituele basiswaarheden over natuurfeiten.
Het woord vergelijking laat echter de deur op een kier voor een paar misverstanden. Tussen toevallige uiterlijke overeenkomsten en wat daar innerlijk wezenlijk bijhoort, is een groot verschil. Planten zijn beelden van zielentoestanden en-eigenschappen; maar als een echt beeld kan alleen gelden wat een zintuiglijk waarneembare uitdrukking is van wat een niet zintuiglijke realiteit is. Waar is, dat wij de natuur een ziel geven wanneer we een vergelijking maken, zoals Rudolf Steiner dat wilde, maar daarmee maken we ons niet schuldig aan een verkeerde vermenselijking, we fantaseren er niet op los en leggen in de natuur niet, wat er al in zit.
We activeren uiteindelijk ons innerlijk, dat het kwalitatief verwante van de menselijke ziel met de uiterlijke natuur wil zoeken en zo mogelijk bij de naam te noemen. Iedere poging zal ons met een zekere schaamte onze eigen afgestomptheid en onzekerheid doen beseffen.

Voor er andere beschouwingen over kunnen worden gegeven, is het noodzakelijk de woorden van Rudolf Steiner letterlijk weer te geven:

Goed, we kunnen de gestalte van de mens dus niet direct vergelijken met de plant, maar er zijn bepaalde overeenkomsten. Ik heb gisteren geprobeerd om de romp van de mens te tekenen als een soort onvolledige bol. [Algemene menskunde]  Wat daar nog bij hoort, wat men zou krijgen als men die bolvorm volledig zou maken, dat nu heeft een zekere gelijkenis met de plant in haar verhouding tot de mens. Ja, men zou nog een stap verder kunnen gaan en zeggen: als u de mens zou ‘opvullen’ met name wat zijn middelste zintuigen betreft, de warmtezin, het gezicht, de smaak en de reuk, dan zou u allerlei plantenvormen krijgen. Neem me de vergelijking niet kwalijk! U zult hem nog in een voor kinderen begrijpelijke vorm moeten omzetten. Eenvoudig doordat u een of ander zacht materiaal in de mens stopt, zou dat vanzelf vormen van planten aannemen. De plantenwereld is in zekere zin een soort negatief van de mens. Dat is die aanvulling.
Met andere woorden: als u inslaapt gaat uw eigenlijke ziel uit uw lichaam. Als u wakker

Blz. 102

wordt gaat uw ziel, uw ik en uw eigenlijke ziel, weer het lichaam binnen. Met dat lichaam, dat in bed blijft liggen, kunt u de plantenwereld niet goed vergelijken. Maar u kunt de plantenwereld wel vergelijken met de ziel zelf die in en uit het lichaam gaat. En als u door velden en weilanden loopt en de glanzende bloemen van de planten ziet, dan kunt u zich heel goed afvragen: wat is dat voor een temperament dat daar verschijnt? Dat is vurig! U kunt die overweldigende groeikrachten die in de bloemen aan u verschijnen vergelijken met eigenschappen van de ziel. Of u loopt door een bos en u ziet zwammen, paddenstoelen, en u denkt: wat is dat voor een temperament dat daar verschijnt? Waarom staat dat niet in de zon? Dat zijn de flegmatici, die paddenstoelen.
Dus als u de stap maakt naar de zielenwereld, dan vindt u overal vergelijkingsmogelijkheden met de plantenwereld. Probeert u die maar eens te ontwikkelen! Terwijl u de dierenwereld meer met het lichaam van de mens moet vergelijken, moet u de plantenwereld meer vergelijken met de ziel van de mens, met datgene wat de mens ‘opvult’ wanneer hij ’s morgens wakker wordt, de ziel namelijk. De plantenwereld is een aanvulling van de mens, zoals zijn ziel hem aanvult. Zouden we de vormen opvullen, dan zouden we vormen van planten krijgen. U zou ook zien, als het u zou lukken om de mens als een mummie te conserveren en dan alle bloedvaten en zenuwbanen leeg te laten en er een heel zachte stof in te gieten, dan zou u allerlei soorten vormen krijgen in de holten van de mens.

Hier hebben we dus het belangrijkste gezichtspunt waar we al op ingingen, nl. dat de vergelijking met de plant alleen op kan gaan voor de ziel van de mens; meerdere keren en op verschillende manieren herhaald, zodat er bijna geen misverstanden meer kunnen ontstaan. Maar daarnaast worden er wel allerlei raadsels opgegeven!
Wat moeten we ons voorstellen bij een onvolledige bol die aangevuld moet worden. Wat wordt er bedoeld met opvullen van de zintuigen. Hoe vermijden we het gevaar de vergelijkingen te veel op het zintuiglijk vlak te leggen zodat we uiteindelijk dan toch uitkomen bij wat er ’s nachts in bed blijft liggen?

Het beeld van de onvolledige bol gebruikte Rudolf Steiner in zijn voordrachten over ‘Algemene menskunde’ die op dezelfde dag werden gehouden als de werkbesprekingen. Daar werd namelijk een vergelijking gemaakt tussen het menselijke hoofd en de romp wat betreft het lichamelijke en de ziel. Het

103

hoofd, aldus Rudolf Steiner – is een volledige bol, omdat alles eraan lichaam is en vandaar zichtbaar geworden. In de borst daarentegen is alleen het achterwaartse deel van de bol zichtbaar. Vandaar dat je de borst ook kan tekenen als een naar voren geopende maansikkel. Het volmaken tot een volledige bol blijft onzichtbaar, want dat hoort bij wat van de borst ziel is.
Het is niet nodig hier verder op de grondbeginselen en consequenties in te gaan van wat Rudolf Steiner als beeld gebruikt, want uiteindelijk komt het er alleen op aan duidelijk te maken, dat het niet iets lichamelijks is dat bij de borst hoort om de bol af te maken, maar iets van de ziel die dat doet. Dit deel van de ziel laat volgens Rudolf Steiner een ‘bepaalde overeenstemming’ zien met de plant. Al vaker wees Rudolf Steiner op de innerlijke verwantschap van de borst van de mens met het wordingsproces van de plant. Dit proces moet ophouden en in het tegendeel gaan verkeren, wil de mens gezond blijven. Je kan al denken aan de omkering van de ademhaling van de plant in die van de mens. In ons geval gaat het nog om iets anders, nl. dat iets van de ziel van de mens hoort bij de plantenwereld buiten de mens. We mogen alleen niet denken dat bij dit  tegenbeeld horen, betekent dat de mens iets van zijn ziel naar buiten in de natuur zou projecteren, waar het dan een uiterlijke uitdrukking zou vinden. Rudolf Steiner heeft het alleen over een bepaalde overeenkomst. Het oerbeeld van de planten ligt niet in de menselijke ziel, maar in de sterren. Maar daar heeft ook de menselijke ziel een bron van kracht, zodat planten en zieleneigenschappen terug te voeren zijn naar een gemeenschappelijke kosmische oertoestand. Dit inzicht kan ons ervoor behoeden om op een al te bekrompen manier het ene op het andere betrekken.
Nu kunnen we ook beter begrijpen hoe de aanwijzing van Rudolf Steiner bij de ‘ausgestopfte’ = opgevulde zintuigen (geen zintuigorganen) bedoeld kan zijn. Ook hier gaat het er weer om dat iets wat puur ziel is – zintuigen zijn organen van de ziel – zintuiglijk waarneembare vorm aanneemt, d.w.z. het wordt als beeld gebracht, want alle vergelijkingen die Rudolf Steiner vraagt, stoelen uiteindelijk op het beeldkarakter van de plant. Wanneer Rudolf Steiner op het eind van dit citaat erover spreekt dat wanneer je alle bloed- en zenuwbanen zou kunnen uitgieten, er ‘alle mogelijke vormen’ – er staat niet ‘plantenvormen’ zouden kunnen ontstaan, wilde hij er wellicht op wijzen, dat er in het mensenlichaam zelfstandige vormen, misschien van plantaardig karakter, kunnen ontstaan overal waar de pure stoffelijkheid verdwijnt en holle ruimten achterlaat. Bij bloed- en

104

zenuwbanen staan deze holle ruimten bovendien nog heel bijzonder in relatie tot de ziel. Dat de plantenwereld volgens Rudolf Steiner een soort ‘negatief’, een completering voor de mens betekent, moet daarom wel overwegend in lichamelijk opzicht worden begrepen.

Rudolf Steiner gaat dan verder:

Zo is de relatie van de plantenwereld met de mens, en u moet proberen om de kinderen uit te leggen dat de wortels vooral verwant zijn aan de gedachten van de mens en de bloemen vooral aan de gevoelens van de mens, zelfs aan zijn affecten, zijn emoties.
Daardoor komt het ook dat de meest volmaakte planten, de hogere bloeiende planten, het minst dierlijk lijken. Het meest dierlijk zijn de paddenstoelen en de lagere planten, die men ook het minst kan vergelijken met de ziel van de mens. Werkt u er dus aan dat u deze gedachte – uitgaan van de ziel en naar het karakter van planten zoeken – uitbreidt tot de meest verschillende planten. U kunt de planten immers karakteriseren doordat bij sommige vooral het karakter van de vrucht ontwikkeld is, bij de paddenstoelen en dergelijke, en bij andere vooral het blad, bij de varens, de lagere planten; ook de palmen hebben van die machtige bladeren. Alleen zijn deze organen op heel verschillende manieren gevormd. Een cactus is een cactus doordat de bladeren woekeren in hun groei; bloem en vrucht zijn maar spaarzaam aanwezig tussen de woekerende bladeren. [*]
Probeert u dus om deze gedachte die ik u globaal heb aangegeven te ‘vertalen’ in kindertaal. Span uw fantasie in, zodat u de volgende keer heel levendig kunt vertellen over de plantenwereld die de aarde overdekt, als iets wat als de ziel van de aarde in het blad en in de bloei schiet, als de zichtbare, geopenbaarde ziel.
En brengt u dan de verschillende streken op aarde, de warme zone, de gematigde zone, de koude zone, in samenhang met de dominante plantenvormen in dat gebied, net zoals in de ziel van de mens de verschillende zintuiggebieden hun bijdrage leveren. Probeert u duidelijk te krijgen voor uzelf hoe men een hele vegetatie kan vergelijken met de wereld van klanken die de mens in zijn ziel opneemt. En hoe een andere vegetatie vergeleken kan worden met de lichtwereld, een andere met de wereld van de geur enzovoort.

[*] Bij de cactus zijn de woekerende bladeren zogezegd door de stengel opgezogen waardoor deze tot een bol opgestuwd kan zijn. Bij sommige soorten heeft de stengel ook de vorm van het blad aangenomen, omdat het blad daar nog inzit.

Voor we op deze aanwijzingen apart zullen ingaan, moet de vraag gesteld worden waarom dit allemaal zo gegeven moet worden. Alleen om de kinderen het plantenrijk door alle mogelijke

Blz. 105

vrolijke en aardige analogieën beter te doen begrijpen en aantrekkelijk te maken, ontwikkelde Rudolf Steiner zijn methode zeker niet, maar ook alleen om de inhoud, hoe ernstig die ook genomen moet worden, vinden we nog geen genoegzame verklaring. Pas op het einde van de werkbespreking die hier behandeld is, gaf Rudolf Steiner een puur pedagogische aanwijzing, toen hij zei dat wij in het kind veel zinvols en gevoel voor het geestelijke wekken, wanneer we de samenhang van lichaam en ziel bij de mens vergelijken met de wisselwerking tussen de wereld van de mens en de plant. Het kind zou dan als volwassene een gezonde toegang tot de geestelijke levensfeiten kunnen vinden. Het zou bijv. niet kunnen geloven dat de mens, wat zijn zelf betreft, ’s avonds op zou houden te bestaan om ’s morgens weer te beginnen.
Veel omvattender heeft Rudolf Steiner dit in zijn methodisch-didactische voordrachten, die eveneens tegelijkertijd met de werkbesprekingen gehouden werden, uitgesproken. Uit deze voordrachten halen we de voor de plantkunde belangrijkste gedachten:
Eerst zei Rudolf Steiner ook hier dat de echte biologie pas na de Rubicon van het 9e, 10e jaar mag beginnen. Daarvoor kan onderwijs over de natuur alleen maar op een vertellende manier aan het kind gegeven worden. Hiervoor gaf Rudolf Steiner zelf al een voorbeeld in de werkbespreking van de vorige dag. Hij had het viooltje echt met liefde gekarakteriseerd om zo te laten zien hoe je een bekend gedicht van H. von Fallersleben kan voorbereiden.
Daarna ging Rudolf Steiner uitvoerig in op de innerlijke gesteldheid van de 9- tot 11-jarige. Hij zei dat we dier- en plantkunde juist in deze tijd geven, omdat de mens dan nog een zeker instinctief gevoel heeft voor de aanwezige samenhangen. We zouden moeten aansluiten bij deze ontwakende instincten van je zich verwant voelen met dieren en planten en omdat dit gevoel voor de dierenwereld eerder ontwaakt dan voor de plantenwereld, moet de dierkunde vóór de plankunde komen. Letterlijk zei Rudolf Steiner:

In deze middelste fase van het negende tot het elfde jaar bestaat er een mooi evenwicht tussen het instinct en het oordeelsvermogen. We kunnen overal op begrip rekenen van de kant van het kind, althans op een zeker instinctief begrip, als we niet al te aanschouwelijk worden – zeker niet bij biologie en plantkunde.
GA 294/190  
Vertaling/174

Blz. 106

Het kind – zo ging Rudolf Steiner verder – zoekt in overeenstemming met zijn aanleg op deze leeftijd niet naar uiterlijke analogieën, het zoekt niet de uiterlijke lichamelijke gestalte van een mens in deze of gene boom, het zoekt gevoelsrelaties en het zou een ernstige fout zijn om planten uiterlijk pijnlijk precies te beschrijven, want er moet nog veel voor de fantasie van de kinderen te doen blijven. Het kind moet nog veel, veel vanuit het gevoel over de gevoelsrelatie met de plant kunnen nadenken, anders beperken we ook het toekomstige denken en laten het verdorren.
Voor zover de weergave van de wezenlijke gedachten aangaande het plantkundeonderwijs uit de methodisch-didactische voordrachten. [Zie op deze blog Rudolf Steiner over plantkunde]
In de 10e werkbespreking maakt Rudolf Steiner de volgende opmerking die we hier doordat het hiermee samenhangt, nu al weergeven:

Maar ieder mens die in zijn jeugd planten leert kennen volgens wetenschappelijke principes, moet ze eigenlijk eerst leren kennen zoals wij ze beschrijven, in vergelijking met zieleneigenschappen van de mens. Niemand moet eigenlijk eerst op een wetenschappelijke manier de botanica leren kennen. Naderhand, later, kan hij zich dan bezighouden met het meer wetenschappelijke plantensysteem. Het maakt verschil of we eerst proberen de planten te beschrijven en ze daarna pas wetenschappelijk benaderen of omgekeerd. Men bederft heel veel bij de mens wanneer men hem dadelijk wetenschappelijke botanica bijbrengt, wanneer hij niet eerst die begrippen krijgt die wij nu proberen te geven.

Als we namelijk dit unieke ogenblik in een mensenleven verslapen, waarop dit zich één voelen met de dieren en planten nog beleefd wordt, maar waar ook al de oordeelskrachten beginnen te rijpen – met het eerstgenoemde nog mooi in  evenwicht – dan kunnen we later nog zulke begrijpelijke praktijken uitvinden, we zullen alleen maar een uiterlijk begrijpen bereiken, want de lesstof is niet met het kind meegegroeid.

Wat Rudolf Steiner van zijn leerkrachten wilde, namelijk de vergelijking van planten en zieleneigenschappen: ‘probeert u dus om deze gedachte die ik u globaal heb aangegeven te ‘vertalen’ in kindertaal en ‘levendig te vertellen‘ zijn ware kunstzinnige prestaties. Ze zijn zo sterk met de scheppende persoonlijkheid van de individuele leerkracht verbonden, dat er bijna een gevaar in schuilt om ook maar enige suggesties te geven. Gelukkig hebben we van Rudolf Steiner zelf een paar voorbeelden (zonnebloem, waterlelie en narcis), zodat we toch niet helemaal zonder voorbeelden zijn gebleven. De voorbeelden van zonnebloem en narcis staan in een tussenopmerking in de 10e werkbespreking waarbij inderdaad heel het zielenleven van de aarde mee betrokken werd in de vergelijkingen. De tussenopmerking luidt:

Blz. 107

De plantenwereld is de zichtbaar geworden zielenwereld van de aarde. De anjer is koket. De zonnebloem is zo’n echte boerenbloem. Zonnebloemen houden ervan zo boers te glimmen. Bijzonder grote bladeren van planten zouden in de zielenwereld betekenen: niets kunnen afmaken, veel tijd voor alles nodig hebben, onhandig zijn, vooral dingen niet af kunnen maken. 

We zien hoe precies de vergelijkingen uitgewerkt zijn. Dit zijn geen algemene en vage, min of meer willekeurige gevoelens: ja, het volgende citaat dat eveneens uit de 10e werkbespreking komt, laat ons zien dat de vergelijkingen die Rudolf Steiner noemt duidelijk overeenstemmen met bovenzintuiglijke realiteiten.

De mens neemt zijn gevoelens, hartstochten en affecten en dergelijke mee in de slaap, maar in de slaap zouden ze er uitzien als planten. Wat wij onzichtbaar in onze ziel hebben, de verborgen eigenschappen van de mens, koketterie bijvoorbeeld, dat wordt zichtbaar in de planten. Bij iemand die wakker is zien we dat niet, maar bij iemand die slaapt zou het helderziend waargenomen kunnen worden. Koketterie, ja, die ziet eruit als een anjer. Een kokette dame zou uit haar neus voortdurend anjers laten groeien. Bij een saai iemand zouden uit zijn hele lichaam reusachtige bladeren groeien, als u hem zou kunnen zien.

Er hoeft nauwelijks een bijzondere nadruk op worden gelegd  dat het verkeerd zou zijn, bij de kinderen de indruk te wekken alsof de individuele plant een ziel zou hebben. Die is onbezield en alleen met het zielenelement te vergelijken. Wat er in de plantengestalte tevoorschijn komt, is ‘De plantenwereld is de zichtbaar geworden zielenwereld van de aarde’, zoals er in de volgende werkbespreking staat. Wat hier zichtbaar geworden is kan echter ook met de menselijke ziel worden vergeleken. Dergelijke vergelijkingen wilde Rudolf Steiner zo ver doorgevoerd hebben dat hij de cursusdeelnemers de opdracht gaf een lijst aan te leggen waarop links de menselijke zieleneigenschappen moesten komen te staan, ‘uitgaande van de gedachten, afdalend via alle zielenroerselen, lust-, onlustgevoelens, actieve, heftige affecten, toorn, verdriet enzovoort, tot in de wil.’ Aan de rechterkant moeten dan de daarbij horende planten geschreven worden, zodat dus bovenaan de ‘gedachtenplanten’, onderaan de ‘wilsplanten’ zouden komen. Beslist geen makkelijke opdracht!
Helaas zijn de pogingen van de deelnemers niet bewaard en ook niet wat Rudolf Steiner erover heeft gezegd.
Iedere plantensoort heeft de tendens een bepaald deel op de voorgrond te schuiven en tot het belangrijkste te laten worden. Er worden door Rudolf Steiner een paar voorbeelden genoemd, andere te vinden levert geen problemen op.
Omdat volgens Rudolf Steiner de wortels meer met de gedachten verwant zijn,

Blz. 108

de bloei met de gevoelens, de affecties zelfs, meer met de emoties, zullen gedachtenplanten meer de planten zijn waarbij de wortel bijzonder naar voren komt of anderszins voor de plant een overheersende rol speelt (gentiaan).
Gevoelsplanten zullen dan hun bijzondere kracht vertonen in de grootte en veelvuldigheid van de bloeiwijzen (vele bolgewassen, orchideeën). Wanneer we een plant met een sterke wortel uit de grond trekken, houden we een zichtbaar geworden gedachte van de aarde in onze hand. Bij wortels kan het al van de uiterlijke vorm uitgaand, lukken op bepaalde gedachtevormen te komen. Al aan en voor zich is de plant met haar wortel ‘vindingrijk’. Die ontdekt de vochtigheid, de voedingsstoffen, enz. en groeit daar naartoe. Wee echter, wie een denken als een raap heeft, lomp, eenvormig en zwaar. Penwortels zoals bij de paardenbloem streven energiek op een doel af. Fijn verdeelde wortels kunnen met een gevoelig denken worden vergeleken. Wortels met reserveknollen doen het als iemand die ervaringen in het geheugen bewaart om die later volgens plan zinvol te gebruiken. Over de aardappel zei Rudolf Steiner eens dat deze als een plebejer door de aarde kruipt. Ook dit maakt een bepaalde vorm van gedachte zichtbaar.

Verhoudingsgewijs is het voor ons nog het gemakkelijkst de bloeiwijze van de plant als een beeld voor de ziel te begrijpen. Ze spreekt ons onmiddellijk aan door de kleur en geur, als ook door de vormen en daarmee onderscheidt ze zich van het neutrale groen van de bladeren. ‘Kleur is de ziel van de natuur en van de hele kosmos en wij hebben deel aan deze ziel, als we het kleurrijke meebeleven’. (Rudolf Steiner)

Ook in de symboliek van de planten spelen dergelijke eigenschappen vaak een rol, maar wij moeten ons niet al te zeer verliezen in de richting van het symbolische, omdat we anders gevaar lopen, afgeleid te worden van het biologische.
Over de ‘reine’ lelie te spreken, kan al verraderlijk zijn, want daardoor brengen we menselijke waardeoordelen naar de natuur, i.p.v. te karakteriseren. Later noemt Steiner de waterlelie (bedoeld is wellicht de gele lis) een wens van de aarde. Dat is wel een andere manier van spreken!
Bij het vergelijken van de menselijke gevoelens, affecties en emoties met bloeiwijzen is het inlevingsvermogen, zelfs de humor, een bijzonder ruim terrein toegewezen. Wij nemen hier genoegen met een paar aanwijzingen en kennen daarbij de lezer het recht toe deze te aanvaarden of te verwerpen.
Sommige bloemen, zoals bijv. het viooltje en het leeuwenbekje hebben ronduit een gezichtsuitdrukking die ondanks verschillende kleuren zijn karakteristiek behoudt. Kinderen begrijpen deze innige goedmoedigheid en houden er net zo van als dat ze voor andere bloemen een zekere terughoudendheid ervaren.

Blz. 109

Met de familie van de lipbloemigen zou je een hele rij kunnen opstellen, die  tussen tegenstellingen zoals de tere dovenetel en de weliswaar kleine, maar emotioneel indruk makende bloempjes van de rozemarijn van de een naar de ander gaat. De primula zal je bezwaarlijk aan de kant van het emotionele kunnen plaatsen. Eerder staat die voor het vredige en vrolijke. In het vergeet-me-nietje worden vriendelijkheid en trouw van hart tot eenvoud gespiegeld. Maar ook beelden van waardigheid, van trots kun je onder de bloemen vinden. Bij de emoties kan misschien ook wel een plant als de klimkers (woede) gedacht worden. Orchisplanten met felle kleuren, zo mogelijk wit, zouden als beeld voor deftige zelfgenoegzaamheid gedacht kunnen worden. Wanneer we bij onze voorbeelden ook in het bijzonder op het karakter van de bloeiwijze zijn ingegaan, mogen we toch niet vergeten dat Rudolf Steiner steeds de hele plant bedoelt, zodat wij bijv. de vorm van het blad, het karakter van de verandering van onder naar boven, de stand van de bladeren, de stengelvertakking enz. exact zo als de bloeiwijze moeten waarnemen. Het is natuurlijk niet mogelijk in het kader van deze uiteenzettingen meer dan aanduidingen te geven. Als ons de uitkomsten van bovengenoemde, door Rudolf Steiner gegeven opdracht, waren overgeleverd, dan hadden wij de grote hulp van een voorbeeld gehad en tegelijkertijd de noodzakelijke correctie. Een paar eigen pogingen vind de lezer in het leesboek voor de plantkunde.

In de klas is er op dit gebied tussen de leerkracht en het kind veel mogelijk, wat zo algemeen gesteld, er direct als een abstractie uitziet. Maken we onze vergelijkingen uit die geest van waaruit Rudolf Steiners aanwijzingen komen, dan zullen die toch vruchtbaar werken, ook al kunnen we het gevoel van onzekerheid niet helemaal overwinnen. Het kind schept plezier in onze vergelijkingen, maar niemand moet zich erin vergissen dat juist op deze leeftijd (11jr) ook een pittige gevoelskritiek aanwezig is, die zeer goed in staat is onderscheid te maken in wat humor is en wat kinderachtig. Het geheel mag natuurlijk niet uitmonden in bagatelliseren. Het is totaal onvermijdelijk dat aan onze pogingen in het begin een min of meer subjectief gevoel kleeft. Maar dat verandert niets aan de objectieve basiswetten van de verschijnselen waarbij wij om ze te ontdekken zo moeten oefenen zoals het Goethe door consequent te oefenen ten slotte lukte de objectieve wetmatigheden van de aanvankelijk subjectief lijkende werkingen van de kleuren te ontdekken.
In ons op blz. 101 gegeven citaat waarop we nu weer moeten terugkomen,

Blz. 110

spreekt Rudolf Steiner ook over de zintuigen van de mens, in het bijzonder over de middelste zintuigen, de warmtezin, de gezichtszin, de smaak- en reukzin.
[Zie op deze blog:
zintuigen: alle artikelen]
In het citaat op- blz. 104 wordt over zintuiggebieden gesproken, die in relatie moeten worden gebracht met de vegetatiezones van de aarde. Genoemd zijn alleen de wereld van de klanken, van licht en geur. De reeks moet echter niet begrensd zijn. De gezichtspunten van waaruit de beide citaten over de zintuigen en de zintuiggebieden komen, zijn totaal verschillend.

Kijken we eerst preciezer naar de woorden op blz. 101, dan zou het op het eerste gezicht kunnen lijken, alsof daarin een uitnodiging zit om ‘warmtezintuigplanten’, ‘gezichtszinsplanten’, ‘smaakzintuigplanten’ en ‘geurzintuigplanten’ in de natuur op te zoeken en zo mogelijk op school te behandelen. Maar de hele samenhang waarop we al op blz. 103 ingegaan zijn, pleit er eerder voor dat Rudolf Steiner hier de zintuigen alleen wil gebruiken om de verhouding van lichaam en ziel met het oog op de planten met een voorbeeld te verduidelijken. We zouden – aldus Rudolf Steiner – allerlei plantenvormen krijgen, mits we het voor elkaar zouden krijgen, de zintuigen ‘op te vullen’, d.w.z. hen een zichtbare gestalte te geven en we zouden zelfs kunnen proberen dit aan de kinderen uit te leggen, maar er wordt niet gevraagd om op school bepaalde planten met bepaalde zintuigen te vergelijken. Berusten de moeilijkheden om deze raadselachtige stelling uit te leggen misschien juist op het feit dat we er iets inleggen, wat er helemaal niet in zit?

Heel anders liggen de feiten wat betreft de op blz. 104 weergegeven woorden. Nu wordt door Rudolf Steiner heel direct de opgave gegeven, vegetatiegebieden (niet individuele plantensoorten) met zintuiggebieden te vergelijken. Helaas is ook nu de uitwerking niet in naschriften bewaard gebleven, zodat we opnieuw op eigen, tastende pogingen aangewezen zijn. Pas in de 11e werkbespreking staat een opmerking die heel duidelijk betrekking heeft op ons huidige probleem. Wat Rudolf Steiner daar zegt, is in zijn  formulering zo duidelijk en richtinggevend, dat we hier al die woorden moeten toevoegen.
Rudolf Steiner bracht allereerst een bezwaar naar voren tegen een uiteenzetting van een cursusdeelnemer die de eerdere opdracht volgend, een lijst met zielenstemmingen en de vermoedelijk daarbij horende planten gegeven heeft,  dat je niet zo uiterlijk moet zoeken, maar meer door moet dringen tot het innerlijke en de feitelijke relatie schetsen.

Blz. 111

Deze korte opmerking kunnen we ter harte nemen, want die laat ons weer een keer zien, hoe serieus het voor Rudolf Steiner was dat de vergelijkingen feitelijke relaties zijn, dus geen subjectieve gewaarwordingen tot uitdrukking moeten brengen.

Als u te veel alleen op de zintuigen let, verschuift het gezichtspunt enigszins. De zintuigen komen in zoverre in aanmerking als er van ieder zintuig uit iets in onze ziel leeft, iets wat door dit zintuig wordt waargenomen. Dankzij ons gezichtsvermogen bijvoorbeeld hebben wij een aantal zielenbelevenissen; aan andere zintuigen hebben we andere zielenbelevenissen te danken die van de zintuigen komen. We kunnen belevenissen in de ziel dan ook herleiden tot deze zintuigen. Daardoor komt het verband tot stand tussen een zintuig en de ziel. Maar zo direct geldt dat eigenlijk niet voor planten, dat ze de zintuigen van de aarde uitdrukken. Dat zijn ze niet.

Deze aanwijzing is voor het begrijpen van het citaat op blz. 104 verhelderend.
Over de zintuigen van de aarde zeg je dat ze niet door de planten tot uitdrukking worden gebracht, (d.w.z. als afbeeldingen). De zin: ‘de plantenwereld is de zichtbaar geworden zielenwereld van de aarde’, gaat niet op voor de zintuigen. In de vergelijking op blz. 104 spelen de zintuigen maar een indirecte rol. In werkelijkheid geldt de vergelijking slechts weer voor het zielenleven van de mens voor zover dit belevenissen bevat die op verschillende zintuigen ‘in de tijd teruggebracht’ kunnen worden. Er was sprake van ‘bijdragen’ die de verschillende zintuiggebieden van de mens in de ziel opleveren. Deze bijdragen moeten niet met individuele planten, maar met hele vegetatiegebieden op aarde vergeleken worden. We moeten ons dus allereerst afvragen wat het dan voor bijdragen zijn die uit de individuele zintuigen komen en waarnaar we dan terug kunnen wijzen.

Laten we de gezichtszin nemen. Dit geeft ons precies beschouwd als pure zintuigindruk alleen het licht-donker en het kleurige. Zielenbelevingen die op de gezichtszin teruggevoerd kunnen worden, ontstaan dan pas wanneer we gewaarwordingen zoals bijv. die van helderheid of het geordend zijn in de ruimte aan die zintuigindruk op zich, aan kunnen knopen.

De reukzin brengt ons bij de aardse stoffelijkheid. We nemen door de reukzin weliswaar de allerfijnste stoffelijkheid waar en toch hebben we daardoor deel aan de substantie.

De wereld van de klanken geeft ons zielenbelevenissen zoals bij de intervallen of bij de spraak. Er liggen wetmatigheden aan ten grondslag die weliswaar niet aards zijn, maar die het aardse toch ordenen.

Blz. 112

Om van zulke overwegingen uit te gaan die voorlopig alleen maar als aanduidingen moeten gelden om wegen te vinden om te vergelijken met vegetatiezones is geen eenvoudig, maar een hoogst gewaagde, ja gevaarlijke onderneming. Toch wordt er een poging gewaagd. Er wordt niet van ons gevraagd het aardoppervlak in zintuiggebieden in te delen en dan waar mogelijk een landkaart te tekenen. Veel meer komt het ook hier, ondanks de ‘feitelijke verhoudingen’ in eerste instantie op het zinvolle en bezielende aan.
Welke vegetatiezone van de aarde zou je bijv. kunnen vergelijken met de gevoelsgewaarwording die ons het gezichtszintuig geeft? Er zou bijv. aan arctische gebieden gedacht kunnen worden, want daar speel het zintuiggebied van het licht zondermeer de overheersende rol. De aarde zelf met haar atmosfeer glanst en licht op in alle regenboogkleuren. Het bloemenkleed van de arctische zomer dat als een teer waas aangebracht lijkt, nodigt uit een vergelijking te maken met het netvlies van het oog waar uiterlijk en innerlijk licht elkaar ontmoeten. De arctische planten zijn in zich samengetrokken, vaak dwergachtig klein en verhard, daarbij tot in detail wonderbaarlijk doorvormd. Deze plantenwereld met haar intensieve, kleurrijke stervormige bloemen kan daadwerkelijk als een soort tegenbeeld van die zielenbelevenissen ervaren worden die wij aan de gezichtszin te danken hebben, de belevingen van helderheid, orde, zelfs begrenzing. We mogen alleen niet vergeten, dat Rudolf Steiner het erover had, niet uiterlijk te zoeken, maar tot het innerlijk door te dringen.

Als we nu bij de reukzin komen, dan zou het niet juist zijn meteen te gaan vragen in welke gebieden bijzonder veel geurende of aromatische planten voorkomen. We kunnen er echter vanuit gaan dat onze reukzin voor ons de wereld van het aards-stoffelijke opent en ons gevoel vertrouwd maakt met de hele kwalitatieve rijkdom daarvan. Laten we daarom een overeenkomstige zone nemen zoals die van het tropische regenwoud, en dan hebben we daar, naast het voorkomen van geurende en aromatische gewassen de duidelijke en hoogst indrukwekkende uiting van een aards stoffelijke werking in een ongekende rijkdom en veelvoud. In de atmosfeer waar zich dagelijks onweer ontlaadt, vindt een bijna grenzeloze woekering plaats. Geuren, maar ook kleuren doorlopen een heel scala van zwoel zinnelijk tot het geurig tere, ja edele. Deze kwalitatieve volheid, maar eveneens de ongelooflijke rijkdom aan vormen zouden ondenkbaar zijn als hier niet de aardse substantiekracht, begunstigd door het tropische klimaat, wordt opgeroepen om bezit te nemen van de plantenwereld en zich in het vegetatieve uit te leven. Vanzelfsprekend kunnen geografische details van de plant in ons kader niet verder uitgewerkt worden.

Blz. 113

Uitvoerigere en aanschouwelijkere voorbeelden vindt de lezer in het werk van de schrijverDie Pflanze‘.

Uiteindelijk blijft van de drie zintuigen die Rudolf Steiner noemt nog de gehoorszin over. Hierbij moeten we nog meer dan bij de al eerder genoemde zintuiggebieden met weinig aanwijzingen genoegen nemen. 
De plantenwereld heeft geen uitingen die door ons uiterlijk oor waargenomen kunnen worden, maar we moeten ook helemaal niet zoeken naar vergelijkingen met uiterlijke zintuigindrukken, maar naar gevoelsbelevingen die slechts door het zintuig kan worden gegeven. De klank laat ons aan iets deelnemen, wat niet aards is en zich aan de andere kant toch alleen maar kan openbaren door de klank. (De klank van een klok, de roep van een dier).
Wie zijn gevoel ervoor heeft ontwikkeld, is echter in staat ook daar klank te beleven, waar nooit een uiterlijke klank hoorbaar wordt. 
Naaldbomen ‘klinken’ anders dan loofbomen, zelfs iedere boomsoort heeft zijn eigen klank, evenals ieder bos. Boomgroepen hebben hun eigen samenklank die met de ziel objectief waargenomen kunnen worden. 
Als we hele vegetatiegebieden nemen, moeten we ook de atmosfeer erbij betrekken. 
In steppengebieden met hun eindeloze grasvlakten (onze korenakkers zijn cultuursteppen), hoort degene die goed luistert dat fijnzinnige klinken tussen wind en halmen van deze grasgebieden, waarvan je niet kan zeggen of het een zintuigwaarneming of alleen een innerlijk beleven is. De knopen van de halmen van deze grasgebieden zijn ritmisch geordend, dat kan muzikaal genoemd worden. Ook de bouw en de verdeling van de aren en de pluimen die in de wind buigen, volgen onhoorbaar klinkende wetmatigheden, ook al mogen we niet verwachten, dat deze kosmische harmonieën dezelfde zijn als die van de muziek van de mens. 

Hiermee besluiten we onze uiteenzettingen over het moeilijke hoofdstuk van zintuiggebieden en planten. Niets staat verder van de auteur af dan met zijn tastende pogingen aanspraak te willen maken op het laatste woord hierover.
Bij onze poging in eerste instantie de ‘feitelijke verbanden’ te schetsen, komt nu nog de tweede, niet minder moeilijke uitdaging om wat je dan denkt te begrijpen “op het niveau van het kind te brengen en levendig te vertellen.’ Maar het moet toch aan de lezer overgelaten worden, daar eigen gedachten over te vormen en voor dit deel van de opdracht een oplossing te vinden.

De weinige vragen die in deze werkbespreking nog open blijven, kunnen beter in latere samenhang worden beantwoord.
Het slapen en wakker zijn van de aarde in de zomer en de winter is het grote thema in de volgende werkbesprekingen. 

Alleen op de aanwijzing van Rudolf Steiner dat alleen de meest volkomen planten met de menselijke 

Blz. 114

ziel vergeleken kunnen worden, zal nog kort worden ingegaan.
Zoals op blz. 104 staat, hebben de lagere planten ‘het meest van dieren’ en kunnen daarom niet met de mens worden vergeleken. Rudolf Steiner heeft inderdaad wel de vergelijking van het flegmatische temperament naar de paddenstoelen, zwammen uitgebreid, maar we moeten toch in overweging nemen of de temperamenten hier wel als ‘zieleneigenschappen’ beschouwd moeten worden.
In de opsomming op blz. 107 waarbij Rudolf Steiner de opdracht geeft een lijst aan te leggen, komen in ieder geval geen temperamenten voor. Dat onze lagere planten nog resten van dierlijke eigenschappen in de stofwisseling en voortplanting in zich hebben (zie Grohmann ‘Die Pflanze’, is te verklaren uit hun kosmisch verleden. 
Ons huidige dieren- en plantenrijk is voortgekomen uit een veel vroeger natuurrijk, een tussenrijk, dat de eigenschappen van ons huidige dieren- en plantenrijk in zich verenigde [Rudolf Steiner: [GA 13  De wetenschap van de geheimen der ziel] en de plant is pas daadwerkelijk plant geworden, toen zij de erfenis van het oude dierenplantenrijk uit zich zette. 
Alleen onze hoogste planten, de bloemenplanten zijn helemaal plant. Alleen deze behoren bij de de mens in zijn huidige ontwikkelingsfase, bij de aardemens, met de aanleg van het Ik. 
Vergelijkingen van de zieleneigenschappen van de mens met de lagere planten kunnen niet overeenkomen, omdat het niet mogelijk is, twee heel verschillende kosmische ontwikkelingsfasen parallel te laten lopen. 

.
Zur ersten Tier-und Pflanzenkunde in der Pädagogik Rudolf Steiners
Menschenkunde und Erziehung Band 3
Verlag Freies Geistesleben Stuttgart, 1979
ISBN 3 7725 0203 2

 

Inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Plantkunde

.

2813-2640

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304A – voordracht 6

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 304A

 ANTHROPOSOPHISCHE MENSCHENKUNDE UND PÄDAGOGIK

9 openbare voordrachten gehouden tussen 25 maart 1923 en 30 augustus 1924 in verschillende steden.

Vertaling

ANTROPOSOFISCHE MENSKUNDE EN PEDAGOGIEK

In de Gesamt-Ausgabe GA 304A is geen inhoudsopgave weergegeven.

voordracht 1: Pädagogik und Kunst – Stuttgart 25 maart 1923
is uitgegeven bij uitgevrij Pentagon, samen met
voordracht 2: Pädagogik und Moral – Stuttgart 26 maart 1923 – onder de titel: Pedagogie, kunst en moraliteit

Inleidende woorden bij een euritmieopvoering 27 maart 1923
Voordracht [3]  [4]  [5]  [7]  [8]  [9]

‘Pädagogik’ kan worden vertaald met pedagogie én pedagogiek. De laatste is de ‘leer’ en de eerste ‘de praktijk’ van de opvoeding. Wat Steiner met ‘Pädagogik’ bedoelt, is het samengaan van beide. Daarom is het m.i. niet nodig in vertalingen van zijn pedagogisch werk daarin een onderscheid te maken. Ik gebruikte beide opvattingen door elkaar. Vandaar ook in de titel (pedagogie(k)

Voordracht 6, Den Haag 14 november 1923

Blz. 105

Sehr verehrte Anwesende! Es wird in weitesten Kreisen heute empfun­den, daß gewisse Erziehungsfragen einer Antwort bedürfen, die bisher nicht gegeben worden ist. Die vielen Bestrebungen auf diesem Gebiete zeigen das mit voller Deutlichkeit. Was ich heute auf eine Aufforderung der hiesigen Anthroposophischen Gesellschaft hin über Erziehungsfra­gen vor Ihnen vorbringen werde, ist nicht etwas bloß aus der Theorie heraus  Geschöpftes.  Die Anwendungen geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis auf die Erziehungs- und Unterrichtsfragen sind ja, ausgehend von der anthroposophischen Bewegung, heute durchaus bis zu einem gewissen Grade in der Praxis bewährt.Im Jahre 1919 war es, daß in Stuttgart Emil Mok dazu geschritten ist, eine freie Schule zu gründen, mit deren Einrichtung und Organisation er mich beauftragte, und damit war es von selbst gegeben, daß diejenige geisteswissenschaftliche Menschen- und Welterkenntnis, die ich zu ver­treten habe, auf diese Schule angewendet werde. Diese Schule besteht nun seit dem Jahre 1919 und hat es bis heute zu zwölf Klassen gebracht. 

Zeer geachte aanwezigen! In de meest uiteenlopende kringen wordt vandaag de dag beleefd dat bepaalde opvoedingsvragen een antwoord moeten krijgen dat tot nog toe niet is gegeven. De vele pogingen op dit gebied laten dat overtuigend zien. Wat ik vandaag op uitnodiging van de Antroposofische Vereniging hier te lande voor u naar voren wil brengen, is niet iets dat zo maar vanuit de theorie gehaald is. De toepassingen van de geesteswetenschappelijke menskunde voor de opvoedings- en onderwijsvragen hebben, uitgaand van de antroposofische beweging tegenwoordig zich al tot op zekere hoogte in de praktijk bewezen.
Het was in 1919 dat in Stuttgart Emil Molt ertoe overgegaan is een vrijeschool op te richten, waarvan hij de inrichting en organisatie aan mij opdroeg en daardoor was het vanzelfsprekend dat die geesteswetenschappelijke mens- en wereldkennis die ik moet vertegenwoordigen, op deze school gebruikt wordt. Deze school bestaat dus sinds 1919 en tot nu toe zijn er 12 leerjaarklassen ontstaan.

Die Schüler, die die zwölfte Klasse in diesem Sommer betreten haben, werden im nächsten Jahre ihre Abschlußprüfung machen, um dann zur Universität, zum technischen Studium und dergleichen überzugehen. Die Schule umfaßt zunächst alles, was zur Erziehung und zum Unter­richt gehört für die Kinder vom schulpflichtigen Alter, also ungefähr vom sechsten, siebenten Lebensjahre an, bis zu dem Zeitpunkte, wo dann die Jungen und Mädchen in das Hochschulstudium übertreten.
Nun ist das, was von seiten einer geisteswissenschaftlichen Weltan­schauung in diese Schule hineingetragen worden ist, durchaus nicht etwas, was etwa irgendwelche verdienstvollen Errungenschaften auf dem Gebiete der praktischen Erziehungskunst und des praktischen Unter­richtswesens in radikaler Weise umstürzen wollte. Es handelt sich für uns nicht darum, irgendwelche besonders radikale Methode zu ersinnen, wie sie zum Beispiel in Landerziehungsheimen und dergleichen versucht worden sind, wo man die Jugend in ganz besondere Verhältnisse bringen

De leerlingen die deze zomer naar de 12e klas zijn gegaan, zullen het volgend jaar hun eindexamen doen om dan naar de universiteit, naar een technische studie o.i.d. te gaan. De school omvat zowat alles wat tot de opvoeding en tot het onderwijs behoort voor de kinderen in de leerplichtige leeftijd, dus ongeveer vanaf het zesde, zevende jaar tot aan het tijdstip waarop de jongens en meisjes naar het vervolgonderwijs overstappen.
Nu is hetgeen wat vanuit een geesteswetenschappelijke wereldbeschouwing in deze school opgenomen is, zeer zeker niet iets wat, welke van de verdienstelijke resultaten op het gebied van praktische opvoedkunst en het onderwijs in de praktijk dan ook, op een radicale manier overhoop zou willen gooien. Het gaat er voor ons niet om een of andere radicale methode uit te denken zoals dat bijv. in bepaalde internaten e.d. geprobeerd is, waarbij men gelooft dat men voor de jeugd heel bepaalde omstandigheden moet scheppen,

Blz. 106

zu müssen glaubte, damit man sie ordentlich erziehen könne. Sondern es handelt sich bei uns darum, daß man unter voller Anerkennung dessen, was im Beginne des 20. Jahrhunderts von zahlreichen und erleuchteten Geistern auf dem Gebiete der Pädagogik geleistet worden ist, weiter-schreite auf der Grundlage einer wirklichen Erkenntnis nicht nur des Menschen in seinem Dasein in einem bestimmten Lebensalter, sondern aus einer Menschenerkenntnis heraus, die es mit dem ganzen Menschen zu tun hat – mit dem zeitlichen Menschenleben zwischen der Geburt und dem Tode und mit dem, was sich innerhalb des physischen Erdenle­bens im Menschen als das Ewig-Göttliche auslebt und verwirklicht. Es handelt sich also darum, zu den bewährten Praktikern der Erziehungs-und Unterrichtskunst dasjenige hinzuzufügen, was von einem solchen Gesichtspunkte aus gegeben werden kann. Und es handelt sich weiter darum, nicht irgendeine Erziehungsutopie in die Welt hineinzustellen -dies ist in der Regel viel leichter, als irgend etwas aus der vollen Wirklichkeit heraus zu schaffen-, sondern darum, innerhalb der gegebe­nen Verhältnisse das Möglichste zu leisten.

zodat deze dan behoorlijk opgevoed kan worden. Maar bij ons gaat het erom dat we, onder de volle erkenning van wat in het begin van de 20e eeuw door briljante geesten op het gebied van de pedagogie gebracht is, verder gaan op basis van een echte kennis over de mens, niet alleen van de mens zoals hij in een bepaalde leeftijdsfase leeft, maar vanuit een menskunde waarbij het om de hele mens moet gaan – om het mensenleven in de tijd tussen geboorte en dood en om wat zich binnen het fysieke aardeleven in de mens als het eeuwig-goddelijke manifesteert en verwezenlijkt. Het gaat er dus om t.o.v. de bewezen practici van de opvoed- en onderwijskunst datgene toe te voegen wat vanuit dergelijke gezichtspunten gegeven kan worden. En het gaat er verder om niet een of andere opvoedingsutopie aan de wereld toe te voegen – dat is in de regel veel makkelijker dan iets in het leven te roepen vanuit de volle werkelijkheid – maar het gaat erom binnen de gegeven omstandigheden al het mogelijke voor elkaar te krijgen.

Hat man es also zu tun mit denjenigen sozialen Verhältnissen, die aus irgendeiner Stadtbevölke­rung oder aus der Landbevölkerung hervorgehen, so müssen diese wirklichkeitsgemäß gegebenen Verhältnisse zunachst zur Grundlage dienen können für das, was eine wirkliche, eine echte und wahre Erziehungskunst aus dem Menschen so machen kann, daß er sich in die immer komplizierter werdenden sozialen Berufs- und sonstigen Da­seinsverhältnisse der Gegenwart und namentlich der nächsten Zukunft hineinfinden kann. Daher ist das, was die Waldorfschul-Pädagogik geben kann, eigentlich etwas im strengsten Sinne Methodisches, Metho­disches in der Art, daß im Grunde genommen in jede Schule, wenn dazu die äußeren Bedingungen geschaffen werden können, dasjenige hineingetragen werden kann, was diese Waldorfschul-Pädagogik vorschlägt. Es hat sich ja immerhin gezeigt, daß wir auf diesem Wege schon weiterge­kommen sind.
Wir haben die Schule angefangen aus leicht bezwingbaren Verhältnis­sen heraus. Der Fabrikant Emil Molt hat diese Schule zunächst begrün­det für die Kinder seiner Fabrikarbeiter. Die waren natürlich leicht zu haben. Dazu kamen auch einzelne Kinder von solchen Eltern, die der

Wanneer je dus te maken hebt met die sociale omstandigheden die ontstaan bij een willekeurige stads- of plattelandsbevolking, dan moeten deze in met de werkelijkheid overeenstemmende omstandigheden, allereerst als basis kunnen dienen voor wat een reële, echte en ware opvoedkunst van een mens kan maken, zodat die in de steeds complexer wordende sociale beroepsomstandigheden en die van het overige bestaan in deze tijd en met name in de nabije toekomst mee kan doen. Vandaar dat wat de vrijeschoolpedagogie kan bieden heel strikt genomen, eigenlijk alleen iets methodisch is, methode in die zin dat in de grond van de zaak in iedere school, als daar de uiterlijke omstandigheden voor gecreëerd kunnen worden, dat opgenomen kan worden wat deze vrijeschoolpedagogie voorstaat. Het is al wel gebleken dat we op deze weg verder zijn gekomen. We zijn de school begonnen onder omstandigheden die nog wel aardig te beheersen waren. De ondernemer Emil Molt richtte de school aanvankelijk op voor de kinderen van zijn werknemers. Die kwamen natuurlijk vrij makkelijk. Daar kwamen ook een paar kinderen bij van ouders die

Blz. 107

anthroposophischen Weltanschauung nahestanden. Aber immerhin begannen wir nur mit hundertdreißig Kindern. Heute, nach vier Jahren, nachdem die Schule, die damals acht Klassen hatte, auf zwölf Klassen erweitert worden ist, haben wir nahezu achthundert Kinder bei einer Lehrerzahl von über vierzig. Hier in Holland ist man eben darangegan­gen – es wird nachher darüber noch einiges mitgeteilt werden -, eine kleine solche Schule zu begründen, und es steht zu hoffen, daß die Methodik, von der jetzt gesprochen worden ist, auch hier durch die Praxis ihre Bewährung zu zeigen in der Lage sein wird. In der Schweiz schickt man sich an, eine solche Schule zu gründen, und in England hat sich ein Komitee gebildet, das sich die Aufgabe setzte, eine Schule nach dem Muster der Waldorfschule zu gründen.
Nun möchte ich heute nach diesen einleitenden Worten nur davon sprechen, welches der Sinn dieser Waldorfschul-Pädagogik ist. Sie beruht ja auf einer durchdringenden Menschenerkenntnis, darauf, daß in der Tat der Lehrer – und die Erziehungsfrage wird in dieser Hinsicht zunächst als eine Lehrerbildungsfrage zu betrachten sein – durch seine besondere Vorbildung imstande sein soll, das Kind tatsächlich von Woche zu Woche, von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr in seiner werdenden, sich entfaltenden Wesenheit zu durchschauen. 

veel op hebben met de antroposofische wereldbeschouwing. Maar uiteindelijk begonnen we maar met honderddertig kinderen. Maar nu, na vier jaar, nadat de school die toen acht klassen had, uitgebreid werd naar twaalf klassen, hebben we rond de achthonderd kinderen bij een lerarenaantal van over de veertig.
Hier in Nederland is men begonnen – later zal daar nog iets over gezegd worden – zo’n kleine school op te richten en het is te hopen dat de methode waarover net gesproken is, ook hier door de praktijk in staat zal zijn zich te bewijzen. In Zwitserland probeert men zo’n school op te richten en in Engeland heeft zich een groep gevormd die zich ten doel heeft gesteld een school op te richten naar het model van de vrijeschool.
Nu zou ik na deze inleidende woorden alleen nog willen spreken over wat de zin van de vrijeschoolpedagogie is. Die berust op een indringende menskunde, berust erop dat de leraar daadwerkelijk – en de opvoedingsvraag moet in dit opzicht allereerst als een vraagstuk van de lerarenopleiding worden beschouwd – door een bijzonder soort vooropleiding in staat moet zijn, het kind daadwerkelijk van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar als wordend, zich ontplooiend wezen te doorgronden.

Ich werde Ihnen skizzenhaft das, was die Grundlage einer solchen Menschener­kenntnis bilden kann, ich möchte sagen, in abstrakter Form, auseinan­derzusetzen suchen. Aber diese abstrakte Form ist eben nur eine Schilde­rung. Worauf es ankommt, das ist, daß dies, was da gesagt werden muß, in seelisches – wenn ich mich paradox ausdrücken darf – «Fleisch und Blut» der Lehrerschaft übergehen muß, und daß tatsächlich aus einer selbstverständlichen Praxis heraus – nicht aus einer Theorie – diese Menschenerkenntnis, diese tätige Menschenerkenntnis in einer Schule verwirklicht werde.
Wenn wir den werdenden Menschen betrachten, nehmen wir sehr häufig darauf keine Rücksicht, wie sich dieser Mensch in drei aufeinan­derfolgenden Jugendlebensaltern verändert. Wir sehen auf einzelne Ver­änderungen dieser Menschenwesenheit hin, aber wir fassen sie gewöhn­lich nicht gründlich genug auf. Wir können in der menschlichen Entwik­kelung drei Epochen annehmen bis etwa zum zwanzigsten Lebensjahre

Ik zal proberen dat wat de basis voor zo’n menskunde kan vormen, schematisch, wat abstract, uiteen te zetten. Maar die abstracte vorm is maar een schets.
Waar het op aan komt is, dat wat moet worden gezegd, in de ziel van de leraren – als ik me paradoxaal mag uitdrukken – ‘vlees en bloed’ moet worden en dat er daadwerkelijk vanuit een vanzelfsprekende praktijk – niet vanuit een theorie – deze menskunde, deze actieve menskunde op school werkelijkheid kan worden.
Wanneer we naar de wordende mens kijken, letten we er heel vaak niet op, hoe deze mens in drie elkaar volgende jeugdlevensfasen verandert. We kijken naar een paar veranderingen van dit mensenwezen, maar we nemen die gewoonlijk niet sterk genoeg in ons op. We kunnen in de ontwikkeling van de mens uitgaan van drie fasen tot zo ongeveer het twintigste jaar,

Blz. 108

hin, wo ja die Erziehung entweder aufhört oder besondere Formen annimmt. Die erste Epoche ist das erste Lebensalter des Menschen, das einen einheitlichen Charakter trägt, das mit der Geburt beginnt und mit dem Zahnwechsel um das siebente Jahr herum schließt; die zweite Epoche ist die, die mit dem Zahnwechsel beginnt und mit der Geschlechtsreife endet; die dritte Epoche ist dann jene, wo man es schon mit der reifen Jugend zu tun hat, die sich ja heute als viel «reifer» hält, als man sie halten darf, wenn man ordentlich erziehen will; es ist die Epoche bis etwa zum zwanzigsten Jahre. Sehen wir uns das erste Lebensalter des Kindes an. In diesem Alter ist das Kind für eine unbefangene Beobachtung ein bis in die innersten Fasern seines geistigen, seelischen und körperlichen Lebens hinein nach­ahmendes Wesen, und zwar ein Willenswesen. Man ist zunächst darauf aufmerksam, wie das Kind, wenn es sich entfaltet, nach und nach für diese oder jene Eindrücke der Außenwelt zugänglich wird, wie es immer aufmerksamer und aufmerksamer auf dieses oder jenes wird. Aber wir lassen uns oftmals dadurch blenden, daß wir diese Aufmerksamkeit dem Vorstellungsleben des Kindes zuschreiben. Sie liegt aber beim Kinde gar nicht im Vorstellungsleben.

waarop of de opvoeding ophoudt of een bijzondere vorm krijgt.
De eerste fase is de eerste tijd van het leven van de mens dat het karakter van een geheel heeft, dat met de geboorte begint en met de tandenwisseling rond het zevende jaar afgesloten wordt; de tweede fase begint dan met de tandenwisseling en eindigt met de geslachtsrijpheid; de derde is die waarbij je al met de rijpere jeugd te maken hebt die zich tegenwoordig als veel ‘rijper’ beschouwt, als waarvoor je die houden mag, als je goed wil opvoeden; dat is de fase tot aan het twintigste jaar.
Laten we eens kijken naar de eerste levensfase van het kind. Op deze leeftijd is het kind voor een onbevangen waarneming een nabootsend wezen en wel tot in de diepste vezels van zijn geestelijk leven, zijn gevoelsleven en zijn lichamelijk wezen; het is een wilswezen. Allereerst ben je je dan bewust hoe het kind, wanneer het zich ontwikkelt, geleidelijk voor deze of gene indrukken uit de buitenwereld open komt te staan, hoe het steeds meer naar dit of dat gaat kijken. Maar wij laten ons dikwijls verblinden door zijn waarnemen aan het voorstellingsleven toe te schrijven. Maar dat ligt bij een kind helemaal niet aan zijn voorstellingsleven.

Man findet eigentlich im menschlichen Leben kein Zeitalter, in welchem der Mensch durch innerlichen Instinkt, durch Trieb in bezug auf sein Vorstellungsleben unabhängiger, freier sein möchte, als gerade als Kind in der Zeit bis zum Zahnwechsel. Das Kind möchte eigentlich in dieser Zeit in bezug auf das Vorstellungsleben alles wegschieben und ganz nur seinem Inneren folgen. Dagegen ist der Wille des Kindes bis zu dem Punkt, wo er sich körperlich äußert, daraufhin veranlagt, ganz in der Umgebung aufzugehen. Und wir finden nichts selbstverständlicher, als wenn irgendwelche in körperlichen Bewegungen oder körperlichen Attitüden sich ausdrückende Gewohn­heiten der Erwachsenen, die in der Umgebung des Kindes sind, von diesem ganz genau nachgeahmt werden in der Bewegung der Gliedma­ßen und so weiter, denn das Kind hat mit allem, was sich in ihm regen will, bis in das Zappeln hinein, das Bestreben, in seinen eigenen Willens-äußerungen dasjenige fortzusetzen, was es in seiner Umgebung um sich hat. Das Kind ist in diesem Sinne ganz und gar ein Willenswesen; das geht aber bis in die Sinneswahrnehmung hinein. Und man kann – und

Eigenlijk vind je bij de mens geen levensfase, waarin hij door een innerlijk instinct, door drang wat zijn voorstellingsleven betreft, onafhankelijker, vrijer zou willen zijn dan juist het kind is, in de tijd tot de tandenwisseling. Het kind zou eigenlijk in deze tijd wat betreft zijn voorstellingsleven alles ter zijde willen schuiven en helemaal zijn innerlijk volgen. De wil van het kind daarentegen, is tot aan het punt waarop deze lichamelijk tot uiting komt, erop gericht, helemaal in de omgeving op te gaan. En we vinden niets dat vanzelfsprekender is dan wanneer zich een of andere lichaamsbeweging of lichaamshouding waarin een gewoonte van de volwassenen die in de omgeving van het kind leven, tot uiting komt, door dit kind heel precies nagebootst wordt in de beweging van de ledematen enz., want het kind heeft met alles wat zich in hem wil bewegen, tot aan het trappelen aan toe, de drang in zijn eigen wilsuitingen voort te zetten wat het in zijn omgeving om zich heen heeft. Het kind is in dit opzicht helemaal een wilswezen; dat gaat tot in de zintuigwaarneming door. En je kan – en

Blz. 109

das muß man ja, wenn man sachgemäß gerade auf die Erziehungskunst eingehen will – man kann sogar in Beziehung auf die Sinne sehen, wie dieses Kind ein Willenswesen ist. Gestatten Sie, daß ich da eine Einzel­heit anführe.
Unter unseren verschiedenen Wahrnehmungen sind die Farbenwahr­nehmungen. Die wenigsten Menschen beachten, daß in einer Farben-wahrnehmung dreierlei lebt. Man spricht in der Regel von «gelb» oder «blau» als einer Farbenwahrnehmung; daß darin dreierlei lebt, beachtet man gewöhnlich nicht. Erstens lebt in unserem Verhältnis zur Farbe der menschliche Wille. Bleiben wir bei dem Beispiel mit Gelb und Blau. Wenn wir genügend psychologische Unbefangenheit haben, sehen wir bald, daß das Gelb nicht nur als Wahrnehmung im engeren Sinne auf den Menschen wirkt, sondern daß es auf den Willen wirkt. Es wirkt so, daß es den Willen anregt, sich nach außen hin zu betätigen. In dieser Richtung könnten die interessantesten experimental-psychologischen Beobachtungen gemacht werden. Man würde dabei sehen, wie der Wille des Menschen durch eine gelbe Grundstimmung, in einem Saale zum Beispiel innerlich angeregt würde, sich nach außen zu äußern, besonders wenn das Gelb noch etwas nach dem Rötlichen hin schimmert.

dat moet dan wanneer je adequaat met opvoedkunst bezig wil zijn –  juist wat de zintuigen betreft, zien hoe dit kind een wilswezen is.
Onder onze waarnemingen zijn de waarnemingen van kleuren. Maar heel weinig mensen beseffen dat er in een kleurwaarneming drie dingen zitten. In de regel wordt er over ‘geel’ of ‘blauw’ gesproken als kleurwaarneming; dat daar drie aspecten in zitten, beseft men doorgaans niet. Ten eerste zit in onze relatie met kleur de menselijke wil. Houden we even het voorbeeld met geel en blauw vast. Wanneer we genoeg psychologische onbevangenheid hebben, zien we al gauw dat het geel niet alleen maar als een waarneming in beperkte zin op de mens werkt, maar dat die op de wil werkt. Zodanig dat die de wil prikkelt om naar buiten toe actief te worden. In deze richting zouden de meest interessante experimenteel-psychologische waarnemingen gedaan kunnen worden. Daarbij zou je zien hoe de wil van de mens door een gele grondstemming, in een zaal bv. innerlijk gestimuleerd wordt, zich naar buiten toe uiten, in het bijzonder wanneer het geel nog iets naar rood neigt.

Wenn wir aber eine blaue Grundstimmung haben, werden wir finden, daß der Wille nach innen angeregt wird, daß er sich ausleben will in einem wohlig-behaglichen oder auch demütigen Gefühle, so daß er als Gefühl nach innen tendiert. Auch da können interessante Beobachtungen festge­stellt werden. Man würde zum Beispiel finden, daß der Blau-Eindruck etwas zu tun hat mit besonderen Drüsenabsonderungen; so daß also in diesem Falle der Wille ein Impuls ist, der durch das Blau erregt wird, der nach dem Inneren hingeht. – In zweiter Linie haben wir an dem Farbeneindruck das Gefühl selbst zu beobachten. Eine gelbe oder gelb-rötliche Farbe macht auf uns den Eindruck des Warmen; wir haben das Gefühl des Warmen. Eine blaue oder blau-violette Farbe übt auf uns den Eindruck des Kalten aus. In dem selben Maße, als das Blau rötlicher wird, wirkt es auch wärmer. Da haben wir also den Gefühlseindruck. -Das dritte ist erst die Vorstellung, die wir als die Wahrnehmungsqualität «gelb» oder «blau» benennen. Aber in diesem letzten Vorstellungsele­ment lebt das Willens- und das Gefühlselement drinnen.

Wanneer we echter een blauwe grondstemming hebben, zullen we zien dat de wil naar binnen actief wordt, dat die zich wil uitleven in een aangenaam-behaaglijk of een deemoedig gevoel, zodat hij tot een gevoel naar binnen neigt. Ook hierbij kunnen interessante waarnemingen worden gedaan. Je zou bv. zien dat de blauwindruk iets te maken heeft met een speciale klierafscheiding zodat in dit geval de wil een impuls is die door blauw opgeroepen wordt, die naar binnengaat.
In de tweede plaats moeten we bij de kleurindruk naar het gevoel zelf kijken. Een gele of geel-rode kleur maakt op ons de indruk van warmte; we hebben het gevoel van warmte. Een blauwe of blauw-violette kleur oefent op ons de indruk van kou uit. In dezelfde mate waarin het blauw roodachtiger wordt, maakt het ook een warmere indruk. Dat is dus de gevoelsindruk.
Het derde is dan pas de voorstelling die we als waarnemingskwaliteit ‘geel’ of ‘blauw’ noemen. Dus in dit laatste voorstellingsaspect leeft het wils- en gevoelselement.

Geht man nun mit unbefangener Menschenerkenntnis an die Erzie­hung des Kindes heran, so findet man: an den Farben entwickelt sich beim Kinde zuerst der Willensimpuls. Das Kind richtet seine Bewegun­gen so ein, wie die nach außen erregende Geibheit oder die nach innen gehende Blauheit ist. Das ist ein Grundzug, der bis zum Zahnwechsel geht. Natürlich ist immer auch Gefühl und Wahrnehmung dabei vorhan­den; aber vorherrschend ist im ersten menschlichen Lebensalter der Willensausdruck gegenüber der Farbe.
Im zweiten Lebensalter, vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife, gliedert sich zu dem Willensimpuls hinzu das innerliche Erleben des Gefühls gegenüber der Farbe. Und wir werden sehen: Während mit dem Zahnwechsel im Menschen etwas Beruhigung eintritt gegenüber dem Erregenden der Farbe, ich möchte sagen, gegenüber dem Tastenwollen der Farbe, sehen wir nun, daß für das Wärmende und Erkältende der Farbe ein ganz besonderes Gefühlsverständnis sich herausbildet in der Zeit zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife. Und, ich möchte sagen, das nüchtern-prosaische Verhältnis zur Vorstellung «gelb» oder «blau», das beginnt im Grunde genommen erst mit der Geschlechtsreife.

Begin je nu met een onbevangen menskunde aan de opvoeding van een kind, dan zal je vinden: aan de kleuren ontwikkelt het kind vooreerst zijn wilsimpulsen. Het kind richt zijn bewegingen zo, als het geel dat naar buiten actief wordt of als het blauw dat naar binnengaat. Dat is een grondtrek die tot aan de tandenwisseling aanwezig is. Natuurlijk is er ook steeds het gevoel en de waarneming, maar dominant is in de eerste menselijke levensfase de uitdrukking van de wil t.o.v. de kleur.
In de tweede leeftijdsfase, vanaf de tandenwisseling tot aan de geslachtsrijpheid, komt bij de wilsimpuls het innerlijk beleven van het gevoel ten aanzien van de kleur. En we zullen zien: terwijl er bij de tandenwisseling in de mens iets van rust z’n intrede doet wat betreft het opwindende van de kleur, a.h.w. een willen aanraken van de kleur, zien we nu dat voor het verwarmende en het koeler wordende van de kleuren een heel bijzondere gevoelsrelatie ontwikkeld wordt in de tijd tussen de tandenwisseling en de puberteit.
En – zou ik willen zeggen – de nuchter-prozaïsche relatie tot de voorstelling ‘geel’ of ‘blauw’ ontstaat pas basaal gesproken met de puberteit.

Was sich so im einzelnen zeigt, das ist beim ganzen Menschen vorhanden. Man könnte sagen: der Mensch hat als Naturwesen bis zum Zahnwechsel zu seiner Umgebung eine Art naturhaft-religiöses Verhält­nis, das religiöse Verhältnis der Hingebung. Der Mensch läßt in sich das leben, was in seiner Umgebung lebt. Wir kommen daher für diese Zeit mit der Erziehungs- und Unterrichtskunst – soweit von einer solchen für diese Jahre gesprochen werden kann – am weitesten, wenn wir bis zum Zahnwechsel alle Erziehung aufbauen auf Nachahmung, das heißt auf das, was der Wille innerlich aus der Umgebung heraus miterleben kann. Das geht aber bis in die unwägbarsten Impulse des Menschenlebens hinein. Wenn wir zum Beispiel in der Umgebung des Kindes den jähzornigen Vater haben, der unter dem Einfluß des Jähzorns allerlei ausführt, so ist dies, was er so ausführt, in seiner äußerlichen Gestaltung für das Kind, das in der Umgebung eines solchen Vaters aufwächst, von einer ganz besonderen Bedeutung. Nicht der Jähzorn selbst ist von Bedeutung, denn von dem versteht das Kind eigentlich nichts,

Wat je zo in detail ziet, zit in de hele mens. Je zou kunnen zeggen: de mens heeft als natuurwezen tot aan de tandenwisseling tot zijn omgeving een soort natuur-religieuze relatie, de religieuze toewijding. De mens laat het leven in zich toe, wat in zijn omgeving leeft. Vandaar dat we in deze tijd met een opvoeding- en onderwijskunst – voor zover we daar in deze jaren van kunnen spreken – het verst komen wanneer we tot de tandenwisseling de hele opvoeding opbouwen op de nabootsing, d.w.z. op wat de wil innerlijk vanuit de omgeving meebeleven kan. Dat gaat echter tot de meest verborgen impulsen van het mensenleven naar binnen. Wanneer we bv. in de omgeving van een kind een opvliegende vader hebben, die onder invloed van zijn opvliegendheid allerlei doet, dan is dat wat hij doet in de uiterlijke vorm voor het kind dat in de nabijheid van zo’n vader opgroeit, heel belangrijk. Niet de opvliegendheid zelf, daar begrijpt het kind eigenlijk niets van, maar

Blz. 111

die Taten, selbst die Bewegungen eines solchen Vaters sind von Bedeu­tung. Denn der ganze Körper des Kindes benimmt sich in dieser Zeit als ein Willens-Sinnesorgan; er lebt in seinen Bewegungen und Willensäußerungen rein aus, was sich in den Taten und Bewegungen eines Jähzor­nigen ausdrückt. Und alles in dem noch plastisch-bildungsfähigen Kör­per eines Kindes entfaltet sich unter dem Eindruck solcher Erlebnisse. Blutzirkulation, Nervenorganisation, die wiederum dem Seelischen zugrunde liegen und von ihm beeinflußt werden, richten sich danach, bekommen innere Gewohnheiten, und der Mensch trägt das, was er unter einem solchen Nachahmungsprinzip sich angeeignet hat, durch das ganze spätere Leben mit sich als eine konstitutionelle Beschaffenheit. Unser Blut zirkuliert später so, wie diese äußeren sinnlich wahrnehmba­ren, aber sich in Willen umsetzenden Eindrücke im zartesten Kindesalter waren. Wir müssen dies leiblich-physisch und seelisch auffassen.
Ich muß dabei immer wieder ein solches Beispiel anführen wie das von einem Knaben, der im vierten, fünften Lebensjahre das getan hatte, was man bei Erwachsenen «stehlen» nennt: er hatte Geld aus einer Schublade seiner Mutter genommen. Er hatte mit dem Geld gar nicht einmal Schlimmes angefangen,

wat hij doet, zelfs de bewegingen van zo’n vader zijn van belang. Want heel het lichaam van het kind gedraagt zich in deze tijd als een wils-zintuigorgaan; het leeft zich puur uit in zijn bewegingen en wilsuitingen. En alles in het nog plastisch te vormen lichaam van een kind ontwikkelt zich onder invloed van dit soort ervaringen. Bloedsomloop, zenuworganisatie, die op hun beurt ten grondslag liggen aan de ziel en daardoor worden beïnvloed, richten zich daarop, worden tot gewoonte en de mens draagt wat hij door zo’n nabootsingsprincipe zich eigen maakt, zijn hele verdere leven met zich mee als een constitutionele aanleg. Ons bloed circuleert later zo, als deze uiterlijk waarneembare indrukken die op die prilste leeftijd in wil veranderden.
We moeten dit levend-lichamelijk en psychisch opvatten.
Ik moet steeds weer zo’n voorbeeld geven van een jongetje dat op zijn vierde, vijfde jaar iets gedaan had, wat de volwassenen ‘stelen’ noemen; hij had uit de la van zijn moeder geld gepakt. Hij had met dit geld helemaal niets ergs gedaan,

sondern Bonbons gekauft und sie unter seine Kameraden verteilt. Der Vater des Knaben sagte: Was soll ich nun mit meinem Jungen machen? Er hat gestohlen! – Ich erwiderte: Selbstver­ständlich muß man so etwas beachten; aber er hat nicht gestohlen, denn er hat in diesem Lebensalter überhaupt noch gar keine Auffassung für das, was später den Namen «Stehlen» trägt. Der Knabe hatte nämlich immer gesehen, wie die Mutter aus diesem Orte das Geld herausnimmt; das macht er nach, und das ist ein ganz gewöhnlicher Nachahmungsversuch. Der Begriff des Stehlens spielt für dieses Alter noch gar keine Rolle.
Es handelt sich also darum, daß man achtgibt, daß man in der Umgebung des Kindes nichts vollbringe, was das Kind nicht tatsächlich nachahmen darf, aber daß man auch mit dieser Nachahmung rechnet; daß man also, wenn man will, daß das Kind etwas Besonderes macht, ihm dies so vormache, daß es etwas Selbstverständliches ist. Man sollte daher nicht, wie es in den Kindergärten sehr häufig geschieht, die Kinder ganz besonders ausgedachte Arbeiten machen lassen, und wenn man sie schon solche machen läßt, sollte man sie auch selber machen. Und was

maar er bonbons voor gekocht en die onder zijn vriendjes uitgedeeld. De vader van het kind zei: ‘Wat moet ik nu met mijn jongen doen? Hij heeft gestolen!’ ‘Ik gaf als antwoord: ‘Vanzelfsprekend moeten we dit eerst eens bekijken.’ Hij had echter niet gestolen, want hij had op deze leeftijd nog helemaal geen notie van wat later ‘stelen’ heet. De jongen heeft namelijk steeds gezien hoe zijn moeder van deze plaats geld pakt; dat doet hij na en dat is een heel gewone nabootsingspoging. Het begrip stelen speelt op deze leeftijd nog helemaal geen rol.
Waar het dus om gaat is, dat je erop let dat je in de omgeving van een kind niets doet, wat het kind daadwerkelijk niet mag nabootsen, maar dat je met deze nabootsing rekening houdt, dat je dus, wanneer je wil dat het kind iets bijzonders doet, het hem zo voordoet dat het iets vanzelfsprekends is. Vandaar dat je dus niet, zoals dat in de kleuterklassen veelvuldig voorkomt, de kinderen bijzonder uitgedachte werkjes laat maken en als je die al laat maken, moet je ze ook zelf maken. En voor wat je

Blz. 112

man selber macht, dafür sollte man das Interesse des Kindes erregen, daß es das nachmache.
Das ist das Prinzip, das bis zum Zahnwechsel das Prinzip einer gesunden Erziehung sein muß. Da muß alles den Willen anregen; denn der ist noch ganz im Körperlichen drinnensteckend und hat eine gera­dezu physische, religiöse Hingabe an die Umgebung. Die kommt überall zum Ausdruck.
Das wird mit dem Zahnwechsel in eine ästhetische, in eine kindlich-künstlerische Hingabe verwandelt. Ich möchte sagen: Der naturhaft-religiöse Impuls, den wir gegenüber unseren Nebenmenschen und gegenüber dem, was wir da schon von der Natur verstehen, als Kind haben, wandelt sich um in etwas Künstlerisches. Und dem Künstleri­schen muß mit der Phantasie und dem Gefühl entgegengekommen werden. Daher gibt es für das zweite Lebensalter des Menschen nichts anderes, als an dasselbe künstlerisch heranzukommen. Der Lehrer, der Erzieher, der gerade im volksschulmäßigen Alter mit den Kindern zu tun hat, muß seine ganz besondere Sorgfalt darauf verwenden, daß alles, was zwischen ihm und den Kindern vorgeht, in der Handhabung einen künstlerischen Charakter trägt.

zelf doet, moet je de belangstelling van het kind wekken, zodat het het nadoet.
Dat is het principe dat tot de tandenwisseling het principe van een gezonde opvoeding moet zijn. Alles moet de wil aansporen; want die zit nog helemaal in het lichamelijke en heeft juist een fysieke, religieuze toewijding aan de omgeving. Die komt overal tot uitdrukking. Met de tandenwisseling wordt dat omgevormd in een esthetische, in een kinderlijk-kunstzinnige toewijding. De natuur-religieuze impuls die wij als kind hebben voor onze naaste en voor wat we dan al van de natuur begrijpen, metamorfoseert zich in iets kunstzinnigs. Ik zou willen zeggen: de natuurlijk-religieuze impuls die wij t.o.v. onze medemens en t.o.v. wat we al van de natuur begrijpen, als kind in ons hebben, verandert in iets kunstzinnigs. Het kunstzinnige moet met fantasie en gevoel beantwoord  worden. Daarom is er voor de tweede leeftijdsfase niets anders dan dit kunstzinnig te benaderen. De leerkracht, de opvoeder die m.n. in de basisschoolleeftijd met de kinderen moet werken, moet heel zorgvuldig zijn bij alles wat tussen hem en de kinderen gebeurt, dat die omgang een kunstzinnig karakter heeft.

Ich meine, in dieser Beziehung wird einiges an neuen methodischen Impulsen für die Erziehung schon not­wendig sein, welche methodischen Impulse aber doch sehr stark ins Praktisch-Lebendige übergehen. Ich glaube ja nicht, daß ich etwas sage, was mir übelgenommen wird, weil es so viele Leute sagen; ich habe es viel öfter gehört, als ich es gesagt habe: daß der Beruf des Lehrenden, des Erziehenden «pedantisch» mache. Nun ist aber gerade für das Alter zwischen dem siebenten und vierzehnten Jahre in der Erziehungskunst nichts giftiger als die Pedanterie; dagegen ist nichts förderlicher als der von selbstverständlichem innerem Enthusiasmus getragene künstlerische Sinn; wenn jede Handhabung, die man dem Kinde entgegenträgt, jedes Wort, das man zu ihm spricht, nicht von Pedanterie, nicht von theoreti­schem Nachdenken, sondern von künstlerischem Enthusiasmus getragen ist, den das Kind in seiner Entwickelung sieht, und dem gegenüber es die innere Freude und Befriedigung dafür hat, wie da aus dem Zentrum des menschlichen Lebens heraus eine göttlich-geistig naturhafte Plastik das Kind allmählich bildet. Wenn der Mensch aus einer solchen Stimmung

In dit opzicht zal iets aan nieuwe methodische impulsen voor de opvoeding wel nodig zijn, impulsen die toch krachtig in de praktijk van het leven moeten doorwerken. Ik geloof niet dat ik iets zeg wat mij  kwalijk genomen wordt, omdat zo veel mensen het zeggen; ik heb het veel vaker gehoord dan ik het gezegd heb: dat het beroep van leerkracht, van opvoeder je pedant maakt. Nu is echter voor de leeftijd tussen het zevende en het veertiende jaar in de opvoedkunst niets giftigers dan pedanterie; daarentegen is niets bev0rderender dan de vanzelfsprekend met enthousiasme gedragen kunstzinnige houding; bij alles wat je met het kind doet, ieder woord dat je tot hem spreekt, niet vanuit pedant-zijn, niet vanuit theoretisch nadenken, maar vanuit wat kunstzinnig gedragen wordt, dat het kind in zijn ontwikkeling ziet en waarbij het de innerlijke vreugde heeft en het gelukzalige gevoel voor wat uit de kern van het mensenleven een goddelijk-geestelijke natuurlijke plasticiteit het kind steeds verder vormt. Wanneer de mens vanuit die stemming

Blz. 113

heraus in der Schule mit seinen Kindern weiterzukommen versteht, dann ist das die einzig mögliche lebendige Methodik. Und das, was ich hier nur skizzieren kann, muß einfließen in diesen Enthusiasmus.
Es ist eine Art von Aneignung, die zum Teil zum Verständnis, zum Fleiß, aber zum Hauptteil zur ganzen Veranlagung des Lehrenden oder Erziehenden spricht. Was da an Menschenerkenntnis in den Erziehen­den hineingehen soll, ist etwas, was geradeso in ihn übergehen muß, wie Handhabung der Farben und des Pinsels für den Maler oder des Spach­tels für den Bildhauer und dergleichen. Nur muß das viel seriöser, viel gewissenhafter, religiöser genommen werden als beim Künstler, denn wir haben es in der Erziehung mit dem größten Kunstwerke zu tun, das uns im Leben entgegentreten kann, demgegenüber es eigentlich schon Frevel wäre, nur von einem Kunstwerk zu sprechen, an dessen Formung man mitarbeiten kann. Auf diese Stimmung dem Kinde gegenüber kommt es im wesentlichen an. Dann wird man finden, wie man das Verhältnis des Erziehungskünstlers zum Kinde immer lebendiger und lebendiger gestalten kann.

op school met zijn kinderen verder weet te komen, is dat de enig mogelijke levende methode. En wat ik hier slechts kan schetsen, moet uitmonden in dit enthousiasme.
Het is een vorm van je eigen maken die voor een deel tot het verstand, de inzet, maar voornamelijk tot de hele aanleg van de leerkracht of de opvoeder spreekt.
Wat er aan menskunde door de opvoeder geleerd moet worden, is iets wat bij hem net zo innerlijk moet worden als het omgaan met kleur en penseel bij de schilder of met de spatels bij de beeldhouwer e.d. Alleen, dit moet nog veel serieuzer genomen worden, veel gewetensvoller, religieuzer dan bij de kunstenaar, want we hebben bij de opvoeding met het grootste kunstwerk te maken dat we in het leven kunnen tegenkomen, waarbij het eigenlijk al mis is om alleen maar over een kunstwerk te spreken waar je aan meehelpt om het te vormen. Wezenlijk komt het op deze houding tegenover het kind aan. Dan ga je ontdekken hoe de relatie tussen de opvoedkunstenaar en het kind steeds maar levendiger kan worden.

Denken Sie doch einmal, daß das Kind in etwas hineinwachsen muß, was ihm zunächst fremd ist. Nehmen wir zum Beispiel unsere Schrift, die aus wirklich von uns nicht mehr in ihrer vollen Ästhetik empfunde­nen «Buchstaben» zusammengesetzt ist, wo wir den einen Buchstaben an den anderen reihen, um Worte und Sätze zustande zu bringen. Die heutige Schrift hat sich ja aus etwas anderem entwickelt: aus der Bilder-schrift. Aber die Bilderschrift älterer Zeiten hatte noch ein lebendiges Verhältnis zu dem, was sie ausdrückte, wie einen lebendigen Bezug auch das Dargestellte hatte zu dem, was es bedeutete. Heute müssen wir schon gelehrte Studien machen, wenn wir den besonders kleinen Kobold, den wir als a bezeichnen, zurückführen wollen auf den Moment, wo das, was durch den Buchstaben a an dieser oder jener Stelle eines Wortes ausgedrückt werden soll, empfunden werden soll. Und dennoch: nichts anderes ist da der Fall, als daß dasjenige, was da ausgedrückt werden soll, etwas ist wie perplex machende Verwunde­rung. Jeder einzelne Buchstabe entspringt aus einem elementaren Gefühlsmäßigen, was aber jetzt alles abgestreift worden ist. Der Buch­stabe ist heute abstrakt.

Denkt u zich eens in dat het kind in iets thuis moet raken wat hem in eerste instantie vreemd is. Laten we als voorbeeld ons schrift eens nemen, dat wordt samengesteld uit letters waarvan  de volle glans echt niet meer door ons wordt ervaren wanneer we de ene letter aan de andere vastmaken om woorden of zinnen te maken. Het huidige schrift heeft zich ergens anders uit ontwikkeld: uit het beeldschrift. Maar het beeldschrift uit vroeger tijden stond nog in een levendige relatie tot dat wat het tot uitdrukking bracht,  hetgeen dat werd gebruikt was levendig verbonden met de betekenis. Tegenwoordig moeten we al geleerde studies maken wanneer we de kleine kabouter die we ‘a’ noemen terug willen voeren tot het ogenblik waarop je zou ervaren wat door de letter ‘a’ op deze of gene plaats in een woord uitgedrukt werd. En toch: hier is niets anders aan de hand dan dat, wat daar tot uitdrukking moet komen, iets is van een verwondering die iemand met stomheid slaat. Iedere aparte letter komt uit een elementair gevoel, dat is echter nu allemaal losgelaten. De letter is nu abstract.

Blz. 114

Wer unbefangen in das kindliche Gemüt hineinzusehen vermag, der weiß: Es ist ja dem Kinde so furchtbar fremd, was es da im zarten Alter als etwas lernen soll, das einstmals mit den Dingen zusammenhing, das aber heute von den Erwachsenen geübt wird – und nicht mehr mit den Dingen zusammenhängt
Das ist der Grund, warum wir in der Waldorfschule versucht haben, das Schreibenlernen – mit dem wir eigentlich beginnen, dann erst kommt für uns das Lesen – aus dem Malen und malenden Zeichnen herauszuho­len. Wir lassen das Kind gar nicht zunächst an die «Buchstaben» herankommen. Wir versuchen zum Beispiel, dem Kinde die Möglichkeit beizubringen, daß es etwa einen Fisch mit irgendwelchen Farben primi­tiv aufs Papier hinmalt. Nun hat es den Fisch gemalt. Dann wird es angehalten, mit Deutlichkeit sich klarzumachen, daß das, was da auf dem Papier gemalt ist, wenn man es spricht, «Fisch» klingt. Und nun werden Sie finden: mit Leichtigkeit kann man die Fischform in ein F verwan­deln, und wenn man den Anlaut «F» des Wortes Fisch nimmt, so ist da das F drinnen. Es ist das für das F zugleich historisch auch die Entste­hung.

Wie onbevangen de kinderziel kan waarnemen, weet: het is voor het kind ontzettend vreemd wat het daar in een gevoelige leeftijdsfase moet leren; dat eens als zodanig met de dingen samenhing, dat echter tegenwoordig door de volwassenen gebruikt wordt – en niet meer met de dingen samenhangt. Dat is de reden waarom wij op de vrijeschool proberen de schrijflessen – waarmee we eigenlijk eerst beginnen, dan komt voor ons pas het lezen – uit het schilderen en het schilderende tekenen halen. We laten het kind nog helemaal niet in het begin bij de ‘letters’ uitkomen. We proberen bijv. bij het kind de mogelijkheid te ontwikkelen dat het zoiets als een vogel+ met wat kleur op het papier schildert. Nu heeft het de vogel geschilderd. Dan moet het daarbij stil blijven staan en zich duidelijk maken dat dat, wat daar op papier geschilderd is, wanneer je het uitspreekt, als ‘vogel’ klinkt. En nu zul je het zien: je kunt de vogel met gemak in een V veranderen en wanneer je dan de beginletter =V= van het woord vogel neemt, zit de V daarin. Dat is voor de (V) F+  historisch ook het ontstaan ervan.

Aber darauf kommt es nicht an, sondern darauf, daß wir aus einer gemalten Bildform den Buchstaben herausholen. Das ist etwas, was selbstverständlich mit dem Menschen zusammenhängt, so daß wir dadurch das Kind dazu bringen, den Buchstaben herauszugestalten aus etwas, was auch wirklichkeitsgemäß empfunden werden kann. Das erfordert schon künstlerischen Sinn, und es erfordert auch die Überwin­dung einer gewissen Unbequemlichkeit. Denn wenn Sie in der Waldorf-schule sehen würden, wie die Kinder dort mit ihren Pinseln herum­schmieren, so ist das zuweilen recht unbequem; man muß immer wieder sauber machen, und das erfordert eine gewisse Hingabe. Aber viel schneller, als man denkt, überwindet sich das. Es ist merkwürdig, was an Künstlerischem auch die kleinen Kinder daran gewinnen: sie lernen sehr bald den Unterschied zwischen einer «aufgetragenen» Farbe, die so aufgetragen ist, wie wenn man einen Stoff über das Papier schmiert, und einer «leuchtenden» Farbe, die der Maler braucht, um das zu erreichen, was er erreichen will. Dieser Unerschied, der heute für viele Erwachsene sogar außerordentlich «okkult» ist, wird dem Kinde sehr bald klar, und etwas, was befruchtend auf das Kindesgemüt wirkt, ergibt sich im Laufe

Maar daar komt het niet op aan, het komt erop aan dat we uit een geschilderde beeldvorm de letter halen. Dit is iets wat vanzelfsprekend met de mens samenhangt, zodat we daardoor het kind ertoe brengen de letters uit iets tevoorschijn te halen, wat ook als realiteit ervaren kan worden. Dat vraagt wel wat kunstzin en het vraagt ook het overwinnen van een zeker ongemak. Want als je eens op de vrijeschool zou kijken hoe de kinderen daar met hun penselen vlekken maken, dan is dat af en toe wel lastig; je moet het steeds weer schoon maken en dat eist een zekere zorg. Maar veel sneller dan je denkt, gaat zoiets beter.
Het is merkwaardig wat ook de kleine kinderen aan kunstzin kunnen verwerven: ze leren al gauw het verschil tussen een kleur die ‘opgebracht’ is, die zo op het papier gebracht wordt, als je een bepaalde stof over het papier uitsmeert en een ‘lichtende’ kleur, die de schilder nodig heeft om te bereiken wat hij bereiken wil. Dit verschil dat tegenwoordig voor veel volwassenen zelfs buitengewoon ‘occult’ is, kent het kind al heel gauw en is iets wat stimulerend op het kindergemoed werkt, het blijkt in het verloop

Blz. 115

eines solchen Schreibenlernens; nur daß die Kinder etwas später schrei-ben lernen, weil sie das Schreibenlernen aus dem Malen heraus entwik-keIn lernen. Aber das ist gerade günstig. Wir leiden ja alle unter dem Umstande, daß wir zu früh zu der abstrakten Schreibkunst angeleitet worden sind. Kein größeres Glück für die Gesamtheit des Menschen, als wenn er erst im neunten, zehnten Jahre den Übergang zu den abstrakten Schriftzeichen findet, und vorher alles aus dem Lebendig-Malerischen herausgeholt wird.
Dieses Schreibenlernen hat etwas, was den ganzen Menschen beschäf­tigt. Der Mensch muß seine Arme anstrengen, aber er fühlt zugleich das, was seine Arme tun, an den ganzen Menschen gebunden. Daher ist es ein schöner Übergang von dem Lebensalter, wo das Kind mehr im Willen lebt, zu jenem Gefühlselement, das im zweiten Lebensalter besonders hervorragend ist – ein schöner Übergang ist es, daß wir das Schreibenler­nen in jenes Gefühlsmäßige herübernehmen. Wenn der Mensch liest, strengt er eigentlich nur noch das an, was dann Formen wahrnimmt, nicht mehr den ganzen Menschen. Daher wird von uns versucht, die Lesekunst aus der Schreibkunst hervorgehen zu lassen. Und das wird dann ausgedehnt auf alles, was dem Kinde beigebracht werden soll.

van deze manier van leren schrijven, omdat ze dit uit het schilderen leren ontwikkelen. Deze manier van leren schrijven heeft iets wat de totale mens bezig laat zijn. Hij moet zijn armen gebruiken, en dan voelt hij tegelijk dat wat zijn armen doen, gebonden is aan heel de mens. Vandaar dat het een mooie overgang is van de leeftijd waarop het kind meer in de wil leeft, naar het gevoelsleven dat in de 2e leeftijdsfase overheerst – een mooie overgang is het, waarbij het het leren schrijven in die gevoelssfeer meeneemt. Wanneer de mens leest, spant hij zich eigenlijk alleen nog in om vormen waar te nemen; niet meer de hele mens. Vandaar dat we proberen de kunst van het lezen uit de kunst van het schrijven tevoorschijn te laten komen. En dat breiden we dan uit over alles wat het kind moet worden aangeleerd.

Es handelt sich also darum: aus der Natur des Kindes selbst abzulesen, was unterrichtend mit dem Kinde geschehen soll. Damit ist das gesagt, um was es sich bei der Waldorfschul-Pädagogik handelt: daß der Lehrer das Lesenlernen aus der ganzen kindlichen Wesenheit heraus gestaltet. Es hilft nichts, zu sagen: dies oder jenes soll so oder so gemacht werden; sondern darauf kommt es an, daß man das, was aus dem Kinde heraus will, auch wirklich bemerkt. Und das, was der Mensch später braucht, will immer einmal aus dem jugendlichen Kinde heraus.
So sich hineinzufühlen in das, was der Mensch von innen heraus will, und dies mitzufühlen, das ist es, was den Menschen später ins Leben hineinstellen kann. Und da ist es von ganz besonderer Wichtigkeit, daß man in der Zeit zwischen dem siebenten und vierzehnten und fünfzehnten Jahre die beweglichen Begriffe im Menschen entwickelt. Diese Begriffe, diese gefühlsmäßig erfaßten Begriffe entwickeln sich nicht, wenn man zu stark darauf sieht, das Kind nur dasjenige in sich entwik­keln zu lassen, was es schon versteht. Es ist allerdings – scheinbar – so

Het gaat dus hierom: uit de natuur van het kind zelf aflezen wat methodisch-didactisch met het kind moet gebeuren. Hiermee is gezegd waar het bij de vrijeschoolpedagogie om gaat: dat de leerkracht het aanleren van het lezen uit heel het wezen van het kind haalt. Het helpt niet om te zeggen dat dit of dat zus of zo gedaan moet worden, maar het komt erop aan dat je werkelijk waarneemt wat er uit het kind wil komen. En wat de mens later nodig heeft, wil altijd een keer uit het jeugdige kind naar buitenkomen. Op deze manier meevoelen met wat de mens van binnenuit wil en dit meevoelen zelf, is wat de mens later in het leven zijn plaats kan geven. En dan is het heel belangrijk dat je in de tijd tussen het zevende en het veertiende jaar in de mens levende begrippen ontwikkelt. Deze begrippen, deze gevoelsmatig begrepen begrippen ontwikkelen zich niet, wanneer je te sterk erop let dat je het kind alleen maar laat ontwikkelen, wat het al begrijpt. Nu is het prachtig – schijnbaar is het wel zo –

Blz. 116

schön, wenn man die Forderung aufstellt: man solle nichts an das Kind heranbringen, was es nicht versteht. Es klingt so plausibel. Man könnte allerdings in Verzweifelung geraten gegenüber den methodischen Anlei­tungsbüchern, die zum Ausdruck bringen, was man im Anschauungsun­terricht an das Kind heranbringen soll, damit nur dasjenige an das Kind herangebracht wird, was es schon versteht! Was da zum Anschauungsunterricht gemacht wird, ist oft die Trivialität und Banalität selbst, abgesehen davon, daß ja in diesem Alter dem Kinde auch diejenigen Dinge in der Seele aufgehen, die nicht äußerlich anschaubar werden, zum Beispiel moralische und andere Impulse im Leben. Wer immer nur von Anschauungsunterricht spricht, der beachtet nicht, daß man nicht nur auf der Grundlage dessen zu erziehen hat, was man am Kinde bemerkt, sondern daß man erziehen muß auf der Grundlage desjenigen, was aus dem kindlichen Lebensalter in das gesamte menschliche Leben übergeht. Und da ist es so: Wenn man im achten, neunten Lebensjahre in einer selbstverständlichen, gefühlsmäßigen Verehrung – das hat jetzt nichts mit der Nachahmung zu tun, die für das Lebensalter bis zum Zahnwechsel in Betracht kommt –

wanneer je de eis stelt: je moet het kind niets geven wat het nog niet begrijpt. Dat klinkt zo plausibel. Je zou zeker aan het twijfelen kunnen worden gebracht bij het inkijken van de methodische instructieboeken die ons laten zien wat je als aanschouwelijkheidsonderwijs aan het kind mee zou moeten geven, zodat het kind alleen krijgt wat het al begrijpt! Wat daar tot aanschouwelijkheidsonderwijs gemaakt wordt, is vaak de trivialiteit en de banaliteit zelf, afgezien van het feit dat op deze leeftijd in de ziel van het kind ook dingen opkomen die uiterlijk niet waarneembaar worden, bijv. morele en andere impulsen in het leven. Wie altijd maar over aanschouwelijkheidsonderwijs spreekt, heeft niet in de gaten dat je niet alleen op de basis opvoeden kan van wat je aan het kind opmerkt, maar dat je moet opvoeden op basis van wat uit de leeftijd van het kind over gaat naar de hele leeftijd. En daarbij is het zo: wanneer je op het achtste, negende jaar met een vanzelfsprekende, gevoelsmatige verering – dat heeft nu niets met de nabootsing van doen die geldt voor de leeftijdsfase tot aan de tandenwisseling –

zu dem Erziehenden steht und ihn sozusagen so ansieht, daß er das Tor ist, durch das die Welt an uns herankommt, natürlich alles in der instinktmäßigen Weise, wie es beim Kinde der Fall sein muß, dann rankt sich unser eigenes sich entwickelndes Kindesleben empor, jetzt nicht an dem, was der Lehrer uns vormacht, sondern an dem, was er in seinem eigenen Leben uns vorlebt, und das wandelt sich auch in innere Lebenskräfte um. Und es ist nichts bedeutungsvoller, als wenn in diesem Lebensalter etwas wahr ist für das Kind, weil es für den Lehrer wahr ist; denn solch einen selbstverständlichen autoritativen Eindruck macht das, daß das Kind dasjenige für wahr hält, was auch der Lehrer für wahr hält. Auf dem Umweg durch den Lehrer muß die Wahrheit an das Kind herankommen. Ebenso muß auf diesem Wege die Schönheit und auch die Güte an das Kind herankommen.
Die Welt muß in diesem Alter in einer selbstverständlichen Autorität an das Kind herankommen. Sie werden wohl nicht annehmen, daß ich der ich vor dreißig Jahren die «Philosophie der Freiheit» geschrieben habe, gegen die Freiheit des Menschen etwas sagen will; aber es will gerade der freieste Mensch, daß er im kindlichen Lebensalter dieses

in relatie staat tot de opvoeder en hem a.h.w. ziet als de poort waardoor de wereld bij ons binnenkomt, natuurlijk allemaal op de instinctieve manier zoals dat bij een kind het geval moet zijn, dan trekken we ons eigen zich ontwikkelend kinderleven daaraan op, niet aan wat de leraar ons voordoet, maar wat hij in zijn eigen leven ons voorleeft en dat vormt zich in innerlijke levenskrachten om. En niets is belangrijker dan dat op deze leeftijd iets waar is voor het kind, omdat het voor de leraar waar is; want zo’n vanzelfsprekende indruk die een autoriteit maakt, heeft tot gevolg dat het kind voor waar houdt, wat ook de leraar voor waar houdt. Via de leraar moet de waarheid tot het kind komen. Alsmede ook de schoonheid en de goedheid. Het kind moet op deze leeftijd de wereld ontmoeten bij een vanzelfsprekende autoriteit. U zal wel niet aannemen dat ik, toen ik dertig jaar geleden de ‘Filosofie van de vrijheid’ schreef, iets te berde wilde brengen tegen de menselijke vrijheid; het gaat juist om de meest vrije mens die in zijn kindertijd

Blz. 117

unendlich Wohltuende durchgemacht hat: hinschauen zu können auf eine selbstverständliche Autorität in dem Erziehenden, fühlen zu kön­nen in dieser selbstverständlichen Autorität das Tor, durch das Wahr­heit, Schönheit und Güte aus der Welt an den Menschen herankommen können. Das alles verfolgt man von Woche zu Woche, von Monat zu Monat. Das Kind selbst wird das Buch, aus dem man abliest, was man mit ihm machen soll. Man entwickelt dadurch einen wichtigen Sinn für das, was mit dem Kinde geschehen soll, zum Beispiel für einen bestimm­ten Moment. Ein solcher ist der, der zwischen dem neunten und zehnten Lebensjahre des Kindes liegt. Wer in dem angedeuteten Sinne die kindliche Entwickelung beobachtet und für das Kind so eine selbstver­ständliche Autorität geworden ist, wird immer finden: Es tritt dann zwischen dem neunten und zehnten Jahre etwas an den jungen Men­schen heran; es kann sich ganz verschieden äußern. Das Kind braucht da für sein Inneres etwas ganz Besonderes. Es lebt durchaus nicht in einer bewußten Klarheit in bezug auf das, was sich da abspielt. Aber was sich da abspielt, ist dies: es hat bis dahin aus einem tief unbewußten Instinkt die Autorität des Lehrenden und Erziehenden gefühlt; nun will es mehr haben, nun will es sie auch anerkennen können.Es will, daß sich der Lehrende für ein gereiftes Anschauen als die erziehende Autorität bewährt. 

meegemaakt heeft wat zo bijzonder weldadig is: op te kunnen kijken tegen een vanzelfsprekende autoriteit als opvoeder, aan deze vanzelfsprekende autoriteit de poort te ervaren waardoorheen de waarheid, de schoonheid en het goede van de wereld bij de mens kunnen komen. Dat volg je van week tot week, van maand tot maand. Het kind zelf wordt het boek waaruit je afleest wat je met hem moet doen. Daardoor ontwikkel je een belangrijk zintuig voor wat er met het kind moet gebeuren, bijv. op een zeker ogenblik. Zo’n belangrijk ogenblik ligt bij het kind tussen het negende en het tiende jaar. Wie op de aangegeven manier naar de kinderlijke ontwikkeling kijkt en voor het kind zo’n vanzelfsprekende autoriteit is geworden, zal steeds ervaren: er gebeurt iets met de jonge mens tussen het negende en het tiende jaar: het kan op verschillende manieren naar buiten komen. Het kind heeft voor zijn innerlijk leven iets heel bijzonders nodig. Het is voor hem helemaal nog niet zo duidelijk wat er zich in hem afspeelt. Dit speelt zich af: tot dan toe heeft het vanuit een diep onbewust instinct de autoriteit van de leerkracht en opvoeder gevoeld: nu wil het meer hebben, nu wil het dit alles bewuster weten. Het wil dat de leerkracht zich voor een rijpere blik als opvoedende autoriteit waar maakt.

Und bringen wir es auf diese Weise dahin, selbstverständliche Autorität für das Kind zu sein, dann treten für den Menschen – zum Beispiel für etwas, was man mit acht oder neun Jahren auf die Autorität des geliebten Lehrers oder der Lehrerin hin aufgenommen hat – im späteren Leben, vielleicht im fünfundvierzigsten oder fünfzigsten Jahre diejenigen Augenblicke ein, wo dann aus einem gereiften Leben heraus das wieder auftaucht, was man damals in der Jugend aufgenommen hatte. Es hat durch Jahrzehnte unten in der Seele geschlummert, jetzt taucht es wieder herauf, und man tritt ihm mit der gereiften Erfahrung gegenüber. Und das bedeutet dann etwas ungeheuer Fruchtendes: es ist die Erregung von inneren Lebenskräften.
Was ist denn das Geheimnis des Jungbleibens im menschlichen Gemüt? Daß man allerlei triste Gebärden macht, wenn man sich an seine Jugend erinnert, daß es früher «so schön» war, jetzt aber nicht mehr ist, das ist es nicht, wodurch man sich jung erhält. Daß man sich jung erhält,

Als het ons lukt om op deze manier voor het kind een vanzelfsprekende autoriteit te zijn, dan komt voor de mens – bijv. iets wat je op je achtste, negende jaar aangenomen hebt op gezag van de geliefde leraar of lerares – in het latere leven, misschien rond het vijfenveertigste of vijftigste jaar – het ogenblik waarop dan vanuit het rijper geworden leven dat weer omhoog komt wat men toen in de jeugd opgenomen had. Tientallen jaren sluimerde het onder in de ziel, nu duikt het weer op en je beleeft het met de rijper geworden ervaringen. En dat betekent dan iets buitengewoon vruchtbaars: het is de stimulans voor innerlijke levenskracht. Wat is het geheim dat je in je ziel jong blijft? Niet dat je wanneer je je je jeugd herinnert, het gebaar maakt van ‘vroeger was alles zo mooi, maar nu niet meer. houdt je jong. Dat je jong blijft

Blz. 118

zugleich aber wertvoll für seine Mitmenschen, so daß sich das, was man in der Jugend sich angeeignet hat, im Alter in einer ganz neuen Form aus dem Gemüt ergeben kann, es verwandelt sich das früher Aufgenom­mene, wird zu einem anderen, das ist die Frucht dessen, was in jenem Lebensalter in das kindliche Gemüt eingepflanzt worden ist. In merk­würdiger Weise verwandeln sich die Impulse, die sich mit dem menschli­chen Leben und dem menschlichen Leibe vereinigen. Nur ein Beispiel möchte ich dafür anführen. Es gibt Menschen, die, wenn sie recht alt geworden sind, in irgendeinem Kreise sein können; sie brauchen gar nicht viel zu sagen, sie sind durch ihre bloße Gegenwart wohltuend, man hat sie gern unter sich. Sie haben etwas Segnendes für die Umgebung. Woher kann dieses Segnende kommen? Wenn man gewöhnlich Pädago­gik treibt, studiert man in der Regel nur das kindliche Alter; da bleibt die Pädagogik dann ein äußerliches Studium. Ihr eigentliches Studium muß sich aber auf das ganze menschliche Leben, auf das Leben von der Geburt bis zum Tode, ausdehnen. Wenn wir im Sinne einer derartigen Pädagogik uns einen solchen Menschen ansehen, wie ich ihn jetzt beschrieben habe, dann kommen wir darauf zurück, daß jenes Segnende herrührt von dem, was im kindlichen Gemüt eingerichtet worden ist durch eine selbstverständliche Verehrung gegenüber dem Erziehenden

en tegelijkertijd waardevol bent voor je medemens, zodat wat je je in je jeugd eigen hebt gemaakt, op latere leeftijd in een heel nieuwe vorm vanuit je ziel tevoorschijn kan komen, dat wat je vroeger in je hebt opgenomen iets anders is geworden, is de vrucht van wat op die leeftijd in je kinderlijke ziel is gezaaid. De impulsen die met het menselijke leven en het menselijke lichaam samengaan, worden op een merkwaardige manier anders. Ik wil nog een voorbeeld geven. Er zijn mensen die, wanneer ze behoorlijk oud geworden zijn, ergens in een bepaald gezelschap kunnen zijn waar ze helemaal niet veel hoeven te zeggen; alleen al door hun aanwezigheid gaat er een weldadige werking van hen uit; de mensen hebben hen er graag bij. Er gaat iets zegenends van hen uit voor de omgeving. Waar kan dat vandaan komen? Wanneer je in de regel met pedagogiek bezig bent, maak je studie van de kinderleeftijd; zo blijft de pedagogiek een uiterlijke studie. De eigenlijke studie zou echter over het hele leven moeten gaan, over het leven van geboorte tot de dood. Wanneer we vanuit zo’n pedagogiek naar zo’n mens zouden kijken die ik net beschreven heb, dan zien we dat dit kunnen zegenen zijn oorsprong vindt in wat er met de kinderziel is gebeurd door de vanzelfsprekende verering voor de opvoeder.

Und ich möchte sagen, noch weiter kann man gehen: Niemand kann im hohen Alter die Arme in Verehrung und Anbetung ausbreiten, der nicht gelernt hat, die Hände als Kind in Verehrung und Anbetung zu falten. Das innerliche Erlebnis der Verehrung wandelt sich durch das menschli­che Leben hindurch um in Segnung für jenes Lebensalter, wo diese Segnung wohltätig wirken kann. So müssen wir sagen: Nur der übt eine wirklich lebendige Erziehung und Unterrichtskunst, der das ganze menschliche Leben beobachten kann. Aber dann wird er nicht darauf bedacht sein, dem Kinde festum­rissene Vorstellungen beizubringen. Wenn wir das Kind in seinem fünften Lebensjahr in eine Kleidung einschnüren würden, die dauerhaft wäre und sich nicht ausdehnte – eine solche gibt es ja nicht, es ist das nur eine Hypothese -, so würde das für das physische Leben des Kindes etwas Schreckliches bedeuten. Aber dasselbe machen wir für das seeli­sche Leben des Kindes, wenn wir ihm Definitionen beibringen, die so

En je zou nog verder kunnen gaan: niemand kan op oudere leeftijd de armen in verering en aanbidding uitstrekken als die niet geleerd heeft als kind de handen in eerbied en aanbidding te vouwen. De innerlijke beleving van vereren metamorfoseert door het menselijk leven heen in het kunnen zegenen op latere leeftijd, waar dit zegenen weldadig kan werken.
Dus moeten we zeggen: alleen wie het hele menselijke leven kan overzien beoefent een werkelijk levende opvoed- en onderwijskunst. Maar dan zal hij er niet aan denken om het kind vastomlijnde voorstellingen bij te brengen. Wanneer we kind als het vijf jaar is nauwsluitende kleren aan zouden trekken die eeuwig mee zouden gaan en niet mee zouden rekken – die zijn er natuurlijk niet, het is maar een veronderstelling – dan zou dat voor het fysieke leven van het kind iets vreselijks betekenen. Maar dit doen we wél met het zielenleven van een kind wanneer we het definities bijbrengen die zo

Blz. 119

bleiben sollen, wie sie sind, und die das Kind gedächtnismäßig so mit sich weitertragen soll. Es kommt für die Erziehung darauf an, daß wir lauter bewegliche Vorstellungen und Empfindungen dem Kinde beibrin­gen, die selber wachsen mit dem Wachsen des Kindes im Leibe, in der Seele, im Geiste. Also nicht darum handelt es sich, dem Kinde festkon­turierte Vorstellungen zu geben, sondern bewegliche Begriffe, die sich wandeln können. Wir sollten gar nicht den Ehrgeiz haben wollen, dem Kinde etwas beizubringen, was es so für das ganze Leben behalten soll, sondern etwas Bewegliches sollten wir ihm vermitteln. Wer die Erzie­hungskunst ganz ernst nehmen kann, wird das verstehen.
Sie werden es mir nicht übelnehmen, wenn ich sage: Nicht jeder Erzieher wird ein Genie sein. Aber jeder kann in die Lage kommen, daß einmal unter den Knaben und Mädchen vor ihm einer oder eine sitzt, die später einmal gescheiter werden als er selbst. Der wirkliche Erziehungs-künstler darf nicht denken, daß die, welche da vor ihm sitzen, nur ebenso gescheit sein müßten als er.
Das aber muß Grundlage einer wirklichen Erziehungskunst sein, daß wir das, was von der Kunst selber kommen kann, fruchtbar machen für die Erziehung. Künstlerisches wird ja schon entwickelt, wenn wir das Schreiben aus dem Malen herausholen.

moeten blijven als ze zijn en die het kind in zijn geheugen mee moet dragen. Voor de opvoeding komt het erop aan dat we louter beweeglijke voorstellingen en gewaarwordingen bijbrengen die meegroeien met de lichamelijke groei van het kind en die van zijn ziel en geest. Dus het gaat er niet om het kind vastomlijnde voorstellingen te geven, maar beweeglijke begrippen die kunnen veranderen. We moeten helemaal niet de ambitie willen hebben het kind iets bij te brengen wat voor z’n hele leven zo moet blijven, maar iets beweeglijks moeten we het geven. Wie de opvoedkunst heel serieus kan nemen, zal dat begrijpen.
U zal het mij wel niet kwalijk nemen, wanneer ik zeg: niet iedere opvoeder kan een genie zijn. Maar iedereen kan in de omstandigheid komen dat er onder de jongens en de meisjes iemand is, die later knapper wordt dan hij. De echte opvoedkunstenaar moet niet denken dat wie daar zo voor hem zitten, alleen maar net zo knap hoeven zijn als hij.
Voor een echte opvoedkunst moet het zo zijn dat wij dat wat uit de kunst kan komen, vruchtbaar maken voor de opvoeding.
Kunstzinnigheid wordt al ontwikkeld, wanneer we het schrijven uit het schilderen laten komen.

Aber wir sollten uns darüber klar sein, welches ungeheuer bedeutungsvolle Moment gerade für die Wil­lensbildung zum Beispiel in dem Musikalischen liegt. Dieses Musikali­sche lernt man ja erst schätzen, wenn man die Erziehung auf eine wirkliche, wahre Menschenerkenntnis stellt. Dann aber kommt man auf etwas anderes noch. Man kommt zu der Eurythmie. Die Eurythmie ist eine Kunstform, die sozusagen aus geisteswissenschaftlicher Forschung hervorgeholt worden ist als ein Erfordernis für unser Zeitalter. Aus einer für die Menschenerkenntnis fundamentalen Tatsachenreihe kennt ja die heutige Wissenschaft nur ein kleines Detail. Es ist dies, daß man weiß:
bei Rechtshändern, also bei den meisten Menschen, liegt das Sprachzen­trum in der linken dritten Stirnwindung des Gehirns, dagegen haben es die Linkshänder auf der rechten Seite. Das ist ein kleines Detail. Die Geisteswissenschaft zeigt uns für die Pädagogik, daß alles Sprechen ausgeht von demjenigen, was im weitesten Umfange Bewegung der Gliedmaßen im kindlichen Alter ist. Natürlich handelt es sich dabei

Maar voor ons moet het duidelijk zijn, wat voor ongekend belangrijke mogelijkheid, m.n. voor de wilsvorming bijv. er ligt in het muzikale. Dit muzikale leer je pas waarderen wanneer de opvoeding rust op een echte, ware menskunde. Dan kom je nog bij iets anders. Bij de euritmie. Euritmie is een kunstvorm die om het zo te zeggen uit geesteswetenschappelijk onderzoek ontstaan is als een eis voor onze tijd. Van een reeks feiten die voor menskunde zo belangrijk zijn, kent de huidige wetenschap maar een detail. En wel dit: men weet dat bij rechtshandige mensen, dus bij de meeste, het spraakcentrum in de linker derde hersenwinding ligt, daarentegen hebben de linkshandigen dat aan de rechter kant. Dat is een detail. De geesteswetenschap laat voor de pedagogie zien dat alle spreken uitgaat van wat in de ruimste zin van het woord de beweging van de ledematen is in de leeftijd van het kind. Natuurlijk gaat het daarbij

Blz. 120

mehr um die Art, wie der Mensch veranlagt ist, als es die mehr oder weniger zufällige Wirklichkeit gibt. Wenn jemand sich in jugendlichem Alter den Fuß verletzt, so übt das keinen großen Einfluß aus in bezug auf das, was ich jetzt im Auge habe. Aber wenn wir darauf eingehen, um was es sich bei der Sprache eigentlich handelt, so kommen wir darauf, daß, wenn wir uns Impulse aneignen, die namentlich in dem Gliedma­ßenrhythmus unseres Sprechens liegen, wir dabei ausgehen von dem Schritt des Menschen, von jeder Gebärde, die mit Beinen und Füßen ausgeführt wird. Was in der Gliederbewegung liegt, was zum Beispiel in den Füßen selber liegt, das geht auf eine geheimnisvolle Weise durch eine innere organische Metamorphose als Impuls in die vordersten Sprachwerkzeuge über. Namentlich in der Konsonantenbildung lebt das. Ebenso lebt das auch in den Sprachformen, was das Kind in der Bewegung seiner Hände ausführt. Die Sprache ist nur umgesetzte Gebärde. Und wer die Sprache kennt, wie sie aus Konsonanten und Vokalen hervorgeht, der sieht darin die umgesetzten Bewegungen von irgendwelchen Gliedmaßen des Menschen. Es ist ja das, was wir ausspre­chen, eine Art Luftgebärde… [Lücke]

om de manier hoe de aanleg is bij de mens zoals die min of meer toevallig in de werkelijkheid voorkomt. Wanneer iemand op jeugdige leeftijd zijn voet verwondt, oefent dat geen grote invloed uit op wat ik nu voor ogen heb. Maar als we nu kijken waarbij het om de spraak eigenlijk gaat, dan komen we erop dat wanneer wij ons impulsen eigen maken die in het ledematenritme van ons spreken liggen, wij daarbij moeten uitgaan van hoe de mens stapt, van ieder gebaar dat met de benen en de voeten gemaakt wordt. Wat in de ledematenbeweging ligt, wat bijv. in de voeten zelf ligt, gaat op een verborgen manier door een innerlijke organische metamorfose als impuls naar de voorste spraakinstrumenten. M.n. bij de vorming van de medeklinkers. Net zo zit het in de vorm van spreken, wat het kind aan beweging met zijn handen uitvoert. Spraak is alleen maar veranderd gebaar. En  wie het spreken kent, hoe dat uit consonanten en vocalen tevoorschijn komt, ziet daarin de omgevormde  bewegingen van een of andere ledemaat van de mens. Wat we uitspreken is een soort luchtgebaar [verdere tekst ontbreekt]

So kann tatsächlich auf dem Wege einer künstlerisch-pädagogischen Methode dasjenige in die Erziehung hineinkommen, was aus einer wirklichen Menschenerkenntnis fließen kann. Und damit wird der, welcher im Sinne dieser pädagogischen Kunst eben erziehen und unter­richten wird, zum Erziehungskünstler gemacht werden. Nicht irgend etwas Revolutionäres liegt also dem zugrunde, was hier gemeint ist, sondern etwas Impulsierendes, das in jedes Erziehungssystem aufge­nommen werden kann, weil es gerade aus dem Intimsten der menschli­chen Entwickelungsmöglichkeit hervorgegangen ist. Das macht natür­lich dann notwendig, daß man mancherlei in den Unterricht und in die Erziehung einführt, was heute nöch ungewohnt ist. Ich will nur eines erwähnen: Wenn man auf diese Weise Erziehungskunst ausüben will, hat man nötig, das Leben des Kindes konzentriert zu haben. Daher kann man nicht, wie es heute gebräuchlich ist, beim Unterrichte von acht bis neun Uhr Rechnen treiben, von neun bis zehn Geschichte, von zehn bis elf wieder etwas anderes, und so alles mögliche durcheinander. Sondern in der Waldorfschul-Pädagogik haben wir die Einrichtung getroffen, daß

Zo kan er daadwerkelijk langs de weg van de kunstzinnig-pedagogische methode in de opvoeding komen wat uit een echte menskunde voortvloeien kan. En daarmee kan degene die in de zin van deze pedagogische kunst wil opvoeden en lesgeven, een opvoedkunstenaar worden. Aan wat hier bedoeld wordt, ligt niets revolutionairs ten grondslag, maar iets wat impulsen geeft, wat in ieder opvoedingssysteem opgenomen kan worden, omdat het juist uit het meest fijnzinnige van de menselijke ontwikkelingsmogelijkheid ontstaan is. Dat maakt het natuurlijk noodzakelijk dat je veel in het onderwijs en de opvoeding inbrengt, wat nu nog ongebruikelijk is. Ik wil iets noemen: wanneer je op deze manier opvoedkunst in de praktijk wil brengen, heb je nodig dat je je concentreert op het leven van het kind. Dan kan je niet, zoals dat nu de gewoonte is van acht tot negen uur rekenen geven, van negen tot tien geschiedenis, van tien tot elf weer wat anders en dat alles door elkaar. In de vrijeschoolpedagogie hebben we georganiseerd dat

Blz. 121

durch drei bis vier Wochen hindurch derselbe Gegenstand täglich von acht bis zehn Uhr an das Kind herangebracht wird, so daß es konzen­triert dabei bleibt. Daß das Aufgenommene später wieder vergessen wird, ist kein Einwand gegen diese Methode. Aber es wird damit gerade erreicht, daß das Seelische des Kindes in einer ganz besonderen Weise gefördert wird. Es sollte dies alles nur ein Beispiel dafür sein, wie aus einer geisteswis­senschaftlich orientierten Menschenerkenntnis heraus eine Erziehungs-kunst hervorgehen kann, die nun wieder möglich machen wird, daß wir nicht durch äußerliche Mittel – durch eine Experimentalpädagogik oder Experimentalpsychologie – an den Menschen heranzukommen versu­chen, sondern daß wir mit dem Innersten unseres eigenen Wesens uns hineinleben in das innerste Wesen des Kindes. Dann kann eine solche Gesinnung ihre Probe dadurch erfahren, daß man in die Schule das hineinbringt, was aus einer geisteswissenschaftlichen Menschenerkennt­nis fließen kann.
Daß der Mensch, wenn er in das Erdenleben hineinkommt, nicht nur das annimmt, was ihm von Vater und Mutter entgegengebracht wird, sondern daß er als geistiges Wesen aus einer geistigen Welt heruntersteigt in diese irdische Welt, das kann bei einer lebensvollen Menschenerkennt­nis in der Erziehungskunst praktisch werden.

om aan de kinderen drie of vier weken lang hetzelfde vak dagelijks van acht tot tien te geven, zodat ze er geconcentreerd bij blijven. Dat dat wat er behandeld is, later weer vergeten wordt, is geen bezwaar tegen deze methode. Er wordt juist mee bereikt dat de ziel van het kind op een heel bijzondere manier ondersteund wordt.
Dit is alleen maar als voorbeeld bedoeld van hoe uit een geesteswetenschappelijk georiënteerde menskunde een opvoedkunst voortvloeien kan die het weer mogelijk zal maken, dat wij niet door uiterlijke middelen – door een experimenteerpedagogie of experimenteerpsychologie – de mens proberen te benaderen, maar dat we met het meest verfijnde van ons eigen wezen ons inleven in het meest verfijnde wezen van het kind. Dan kan zo’n houding op de proef worden gesteld doordat je de school binnenbrengt wat uit een geesteswetenschappelijke menskunde voortvloeien kan. Dat de mens, wanneer hij het aardeleven betreedt, niet alleen dat aanneemt wat vader en moeder hem meegeven, maar dat hij als geestelijk wezen uit een geestelijke wereld naar de aarde komt, kan bij een levensvolle menskunde in de opvoedkunst tot praktijk worden.

Denn es gibt im Grunde genommen keine wunderbareren Eindrücke, als wenn man das ganz kleine Kind in seinem Werden beobachtet, an seiner Entfaltung teil­nimmt und den Eindruck bekommt, wie das zuerst innerlich Ver­schwommene, das aus der geistigen Welt zum irdischen Dasein herun­tergestiegen ist, sich allmählich formt und gestaltet. Und man gewinnt die Erkenntnis, daß man es darin mit einem Übersinnlich-Geistigen zu tun hat, das sich hier in der Sinneswelt verkörpert und entfaltet. Da fühlt man sich dann verantwortlich gegenüber der eigenen Erziehungskunst; und fühlt man dazu die nötige Gewissenhaftigkeit, dann wird die Erziehungskunst gewissermaßen die Ausübung eines religiösen Dien­stes. Man fühlt in der Praxis: Die Götter haben den Menschen heruntergeschickt in dieses irdische Dasein, haben ihn uns als Erzieher anver­traut. Was die Götter uns mit dem Kinde übergeben, das sind Rätsel, die den schönsten Gottesdienst ergeben. sich hier in der Sinneswelt verkörpert und entfaltet. Da fühlt man sich dann verantwortlich gegenüber der eigenen Erziehungskunst; und fühlt man dazu die nötige Gewissenhaftigkeit, dann wird die Erziehungskunst gewissermaßen die Ausübung eines religiösen Dien­stes. Man fühlt in der Praxis: Die Götter haben den Menschen heruntergeschickt in dieses irdische Dasein, haben ihn uns als Erzieher anver­traut. Was die Götter uns mit dem Kinde übergeben, das sind Rätsel, die den schönsten Gottesdienst ergeben.

Want in de grond van de zaak zijn er geen wonderbaarlijker indrukken dan dat je een heel klein kind waarneemt in zijn ontwikkeling, aan zijn ontplooiing deelneemt en de indruk krijgt hoe eerst wat innerlijk zo vaag lijkt, wat uit de geestelijke wereld naar het aardse bestaan gekomen is, zich langzamerhand vormt. En je begint te beseffen dat je hier te maken hebt met iets bovenzintuiglijk-geestelijks, dat zich hier in de zintuigwereld belichaamt en ontplooit. Dan voel je je verantwoordelijk voor je eigen opvoedkunst; en als je daarbij de nodige gewetensgevoelens hebt, dan zal de opvoedkunst op een bepaalde manier het uitoefenen van een religieuze handeling krijgen. Dan voel je in de praktijk: de goden hebben de mens naar de aarde gestuurd, hebben hem aan ons als opvoeder toevertrouwd. Wat de goden ons met het kind geven, zijn raadsels die de mooiste religie opleveren.

Blz. 122

Was aber auf diese Weise in die Erziehungs- und Unterrichtskunst übergeht, was ihr zugrunde gelegt werden soll, das ist das, was vor allen Dingen ausgeht vom Lehrer. Heute sagt man oft, wenn man über Erziehungsfragen spricht, es solle nicht nur der Intellekt des Kindes gebildet werden, sondern man müsse auch die religiösen Anlagen und so weiter bilden. So spricht man viel von dem, was im Kinde gebildet werden soll. Bei der Waldorfschul-Pädagogik aber spricht man mehr von dem, was im Lehrer vorhanden sein muß, so daß für sie die Erziehungs-frage in erster Linie eine Lehrerfrage ist.
Und ist dann das Kind geschlechtsreif geworden, dann soll es fühlen:
Jetzt bist du, nachdem auf dein Gefühl und deinen Willen gewirkt worden ist, jetzt bist du so weit, daß auf dein Vorstellungsleben gewirkt werden kann, jetzt wirst du reif, ins Leben hinaus entlassen zu werden.
So ist das, was da an uns herankommt, wie die innerste Forderung, die von dem Menschen selbst ausgeht, wenn wir ihn verstehen lernen. Und so will die anthroposophische Menschenerkenntnis nicht Theorie blei­ben für mystische oder müßige Gemüter, sondern sie will übergeführt werden ins Leben.

Wat echter op deze manier in de opvoed- en onderwijskunst overgaat, wat daaraan ten grondslag gelegd moet worden, is vooral wat er van de leerkracht uitgaat. Tegenwoordig zegt men vaak, wanneer er over opvoedingsvragen gesproken wordt, dat niet alleen het intellect van de kinderen ontplooid moet  worden, maar dat je  ook de religieuze aanleg e.d. moet vormen. Zo wordt er veel over gesproken wat er in het kind ontwikkeld moet worden. In de vrijschoolpedagogie echter, heeft men het er meer over waarover de leerkracht moet beschikken, zodat voor hem de opvoedingsvraag in eerste instantie een lerarenvraag wordt. En wanneer het kind dan in de puberteit gekomen is, dan moet het het gevoel hebben: nu ben je, nadat er aan je gevoel en aan je wil gewerkt is, zo ver dat er op je voorstellingsvermogen gewerkt kan worden, nu ben je pas rijp om je het leven in te laten gaan.
Wanneer we de mens leren begrijpen, krijgen we het eerst te maken met de meest innerlijke eis die van de mens zelf uitgaat. En de antroposofische menskunde wil geen theorie blijven voor mystieke of inactieve zielen, maar die wil in het leven staan.

Sie ist dadurch diejenige Praxis, ist derjenige Teil des Wirklichkeitslebens, der dem Menschen ganz besonders nahe ist und ihm an seiner Seele liegen muß: es ist das, was unmittelbar in seiner Aufgabe für den werdenden Menschen liegt. Lernen wir so aus der Menschennatur heraus erziehen und unterrichten, dann legt sich auf unser Gemüt die beruhigende Vorstellung: Wir tragen etwas in die Zukunft hinüber, was diese Zukunft braucht! Unser Leben, das Kultur­leben, das heute den Menschen soviel Elend, soviel Komplikationen auferlegt, macht uns darauf aufmerksam, wie solche Aufgaben in der Menschheitsentwickelung gerade heute vorhanden sind. Es wird oft­mals, bis zum Überdruß, gesagt: die soziale Frage ist vor allem eine Frage des geistigen Lebens. Wenn man das sagt, sollte man sich vor allem dessen bewußt sein, daß man dasjenige, was das heutige Leben so schwierig gestaltet, innerlich schwierig gestaltet, überwinden muß. Oh, der Mensch geht heute am Menschen vorüber – ohne Verständnis und ohne Liebe, und ohne intim hineinzuschauen in das, was der Mensch, der an uns vorübergeht, sein kann. Damit aber dieses intime Hinein­schauen im Leben Platz greifen kann, damit wieder Menschengemüt an

Zij is daardoor die levenspraktijk, dat deel van het werkelijke leven dat dicht bij de mens staat en dat hem ter harte zou moeten gaan: in haar ligt zonder omwegen de opgave voor de wordende mens. Wanneer we zo vanuit de natuur van de mens leren opvoeden en lesgeven, dan daalt de geruststellende voorstelling in je ziel: we brengen iets naar de toekomst, wat deze toekomst nodig heeft! Ons leven, het cultuurleven dat tegenwoordig de mens zoveel ellende, zoveel problemen oplegt, doet ons beseffen hoe dergelijke opgaven in de ontwikkeling van de mensheid vooral nu voor het grijpen liggen. Er wordt dikwijls, tot vervelens toe gezegd: de sociale vraag is vooral een vraag van het geestelijke leven. Wanneer dat gezegd wordt, zou men zich vooral bewust moeten zijn, dat men datgene wat het leven van nu zo moeilijk maakt, innerlijk zwaar maakt, moet overwinnen. Let wel, de mens loopt tegenwoordig aan de andere mens voorbij – zonder begrip en zonder liefde en zonder genuanceerd te doorgronden wat er met de mens die langs ons heen loopt, kan zijn. Opdat echter dit genuanceerde doorgronden in het leven kan plaats vinden, zodat de mensenzielen

Blz. 123

Menschengemüt herankommt, damit die sozialen Ideale nicht als theore­tische Forderungen auftreten, sondern aus Menschenliebe heraus gebo­ren werden – denn nur Menschenliebe kann das lösen, was in der sozialen Frage zur Lösung da ist -, dazu ist aber als das Wichtigste notwendig, daß wir jenes soziale Verhältnis in der richtigen Weise zu gestalten wissen, das von dem erziehenden Menschen zu dem Kinde geht. Denn in dem, was sich so als das soziale Verhältnis zwischen Lehrer und Kind in der Schule entwickelt, ist der schönste Keim gelegt zur Lösung der sozialen Frage. Und vieles wird gerade aus einer solchen Erziehungskunst heraus dem Erziehenden so erscheinen, wie wenn er den Keim pflegen würde, und durch seine, nicht utopistische, sondern ganz reale Zukunftsphantasie ersteht die Blüte desjenigen, was er in den Menschen hineinlegt.
Wie wir in der wahren Erziehungskunst das ganze Menschenleben vor uns haben sollen, so sollten wir auch aus dieser Gesinnung heraus, aus der wir eine Erziehungskunst üben, das ganze Leben in seinem weitesten Kreise vor Augen haben

elkaar weer zien, opdat de sociale idealen niet als theoretische eisen gesteld worden, maar uit de liefde voor de mens geboren worden – want alleen de liefde voor de mens kan tot een oplossing brengen wat voor de sociale vraag de oplossing is – daarvoor is echter als het belangrijkste nodig dat wij die sociale omgang op de juiste manier vorm weten te geven, en dat dit van de mens die opvoedt op het kind overgaat. Want in wat op die manier als de sociale relatie in de school zich tussen leerkracht en kind ontwikkelt, ligt de mooiste kiem voor de oplossing van het sociale vraagstuk. En veel zal juist vanuit zo’n opvoedkunst er voor de opvoeder zo uitzien, alsof hij de kiem zou verzorgen die door zijn, niet utopische, maar heel realistische toekomstfantasie tot bloei komt in wat hij de mens meegeeft. Zoals wij in de echte opvoedkunst het hele mensenleven voor ons moeten hebben staan, zo moeten we ook uit deze stemming van waaruit we deze opvoedkunst uitoefenen, het leven in in de ruimste zin voor ogen hebben.

Als Erzieher wirken, heißt: Nicht für die Gegenwart, sondern für die Zukunft wirken! Aber wie der Mensch, wenn er Kind ist, die Zukunft in sich trägt, so wird gerade derjenige von der schönsten pädagogischen Gesinnung getragen sein, der sich in jedem Augenblicke sagen kann: Was du zu bilden hast, das ist dir von den Göttern heruntergeschickt; du sollst es in der richtigen, würdigen Weise in das Leben hineinführen. Und mit dem Kinde den Weg von der göttlichen Weltordnung in die irdische Weltordnung in lebendiger Weise zu wirken, ist das, was als ein Gefühlsimpuls, als ein Willensimpuls unsere pädagogische Kunst durchdringen muß, wenn sie die für das Menschenleben so wichtigen Forderungen, die heute auftreten, befriedi­gen will.
Das möchte die Waldorfschul-Pädagogik Und was wir in den weni­gen Jahren bisher erreicht haben, kann doch vielleicht zu der Überzeu­gung berechtigen, daß die aus der Geisteswissenschaft stammende leben­dige Menschenerkenntnis auch für das menschliche Dasein sich frucht­bar erweisen kann, damit aber auch für das Gebiet der Erziehungs- und Unterrichtskunst, das heißt aber: für den wichtigsten Zweig des prakti­schen Lebens.

Als opvoeder werken betekent: Niet voor het heden, maar voor de toekomst werken! Maar zoals de mens, als hij een kind is, deze toekomst in zich draagt, zo zal juist degene door de mooiste pedagogische geestesgesteldheid gedragen zijn die op ieder ogenblik kan zeggen: wat je moet vormen, is je door de goden gezonden; je moet het op een juiste, waardige manier in het leven binnenleiden. En met het kind op weg van de goddelijke wereldordening naar die van de fysieke op een levendige manier te werken, is wat als een impuls van het gevoel, van de wil onze pedagogische kunst moet doordringen, wil ze voor de zo belangrijke eisen voor een mensenleven die thans gevraagd worden, voldoende wil doen. Dat zou de vrijeschoolpedagogie graag willen. En wat we in de weinige jaren die achter ons liggen, bereikt hebben, kan toch misschien wel de overtuiging rechtvaardigen dat die levende menskunde die uit de geesteswetenschap komt, ook voor het menselijk bestaan vruchtbaar kan blijken te zijn, daarmee ook voor het gebied van de opvoed- en onderwijskunst, d.w.z. voor de belangrijkste tak van het praktische leven.

.

Rudolf Steinerpedagogische voordrachten

Rudolf Steineralle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2812-2639

.

.

.

VRIJESCHOOL – Beweging en leren – een onderzoek

.

In de vrijeschooldidactiek is voor ‘beweging’ een belangrijke plaats ingeruimd.
De inzichten in de wordende mens vormen voor deze didactiek en de vrijeschoolpedagogiek de menskundige basis.

100 jaar geleden (en langer terug) toonde Rudolf Steiner al aan dat ‘bewegen’ – d.i. ‘de wil’ een werking heeft op de ontwikkeling van de hersenen.
Van zo’n gezichtspunt kijken we nu niet meer op.

Voor vrijeschoolleerkrachten is absoluut niet nieuw dat ‘bewegen’ het leren bevordert.

Voor onderzoekers – dat geldt internationaal – is het een belangrijk studie-object geworden en zo verschijnen er nu met grote regelmaat artikelen waarin beweerd wordt voor welk ‘leerdoel’ beweging nu weer goed is.

Zo verscheen er in de digitale nieuwsbrief van ‘Step up to learn‘ van 28 juni 2022 een artikel van een studie met de titel:

.

leren met het hele lichaam kan de herkenbaarheid van de letterklank – de eerste stap om te kunnen lezen – een grote impuls geven.

.

Uit dit artikel:
.
Beweging.
Kinderen die bewegen als ze de klanken van de letters leren, gaan beduidend vooruit in hun vaardigheid om losse letterklanken te herkennen.

Dit is de conclusie van een nieuwe studie o.l.v. de Universiteit van Kopenhagen, afd. voeding, training en sport en het Deens Nationaal Centrum voor lezen, i.s.m. 10 schoolklassen in Kopenhagen.
.
Kinderen worden twee keer zo goed bij moeilijke letterklanken
.

Een team van onderzoekers van de Universiteit van Kopenhagen en het Deens nationaal Centrum voor lezen richtte zich erop of ‘leren met het hele lichaam’, bij het lesgeven bekend als ‘embodied learning’, een positief effect heeft op het vermogen van de kinderen om letterklanken te leren.

Ons onderzoek liet zien: kinderen die hun hele lichaam gebruikten om de klank van letters te vormen, werden bij letterklanken die moeilijker te leren zijn daar twee keer zo goed in, vergeleken met kinderen die dat traditioneel moesten leren‘, zegt student Linn Damsgaard van die universiteitsafdeling.

Wat de moeilijke letterklanken betreft, vervolgt ze: ‘In het Deens zitten veel moeilijke letterklanken en deze in het bijzonder zijn belangrijk, omdat als de kinderen er goed in zijn geworden, dat is al gebleken, gaan ze beter lezen.

Aan het project deden 149 kinderen van 5 à 6 jaar mee die net op school zaten.
Ze werden in drie groepen verdeeld: een groep ging staan en gebruikte het hele lichaam om de letterklanken te vormen; een groep bleef zitten en maakte de letterklanken met de armen en handen; en een controlegroep die zittend  traditionele onderwijsinstructie kreeg, waarbij ze de letters met de hand schreven.

De studie toonde ook aan dat leerlingen die moeilijke letterklanken met handbewegingen maakten terwijl ze bleven zitten, er beter in werden dan de controlegroep.

Om de beginnende lezer een zo goed mogelijke start te geven

Profedsor Jacob Wienecke van de afdeling leidde de studie en legt de achtergronden van het project uit:

Het overkoepelende doel is meer te weten te komen over welke methode er gebruikt kan worden om beginnende lezers een goede start te geven. De idee is dat als we door spel en beweging de kinderen op hun niveau kunnen bereiken en waar hun kracht werkelijk ligt – en we kunnen een vorm van lesgeven ontwikkelen dat lezen met spel verbindt – is dat echt positief.’

Eerder toonden de onderzoekers aan dat kinderen gemotiveerder raken als ze lesmethoden krijgen waar lichamelijke beweging bij hoort. Prof. Wienecke hoopt dat dit een mogelijkheid zal gaan geven dat leerkrachten beweging in de vakken hoog in het vaandel gaan dragen.

De studie onderzocht ook of er een direct effect van dit lichamelijke leren gevonden kon worden tijdens door de kinderen gelezen losse woorden. Dit was niet mogelijk, waarschijnlijk door, naast andere dingen, het feit dat de kinderen zich nog in zo’n vroeg stadium van hun leesontwikkeling bevonden dat zij hun kennis van de klankletters nog niet konden overbrengen op leeswoorden. Of, zoals Linn Damsgaard het beschrijft: ‘Als je de noten en het geluid van een fluit leert, dan ben je nog geen meesterfluitist.’

De studie is de eerste ter wereld die het effect onderzoekt van het samengaan van het hele lichaam met het leren van letters en hun klank.
Het is gepubliceerd in Educational Psychology Review onder de titel:

Effects of Eight Weeks with Embodied Learning on 5-6 Years Old Danish Children’s Pre-reading Skills and Word Reading Skills: The PLAYMORE Project, DK

In de studie zelf staat deze illustratie:

Bij het rechterplaatje moest ik onmiddellijk denken aan die keren dat ik mijn leerlingen de klinkers aanleerde, waarbij deze uitbeelding bij de A hoorde. We maakten het gebaar alsof we iets prachtigs meemaakten waarbij de Aaaa’s a.h.w. niet van de lucht waren. Vervolgens zetten we deze A op de grond, dus de gespreide armen met handen naar onze voeten, vergelijkbaar met hier de blauwe benen. Het dwarsstreepje was heel gemakkelijk de zoom van een jurkje. Dus klank en vorm met elkaar verweven.

Wat de R betreft, waren we Reuzen die met hun dikke buik en grote laarzen voortdurend a.h.w. de R uitbeeldden, waarbij we het grappige vers van Hermien IJzerman spraken:

‘Komt een reus, groot en dom,
Met een rug, o zo krom
Met een buik vol en dik,
Staat dan stil
Wat een schrik.

En we hadden nog ‘Roestkop, de reuzenkoning’.

Toen we de S (s- NIET es) leerden, ging dat bijv. met een spraakoefeningetje: ‘sissende slangen sluipen vlug voort’, waarbij de S met een S(langen)-beweging scherp werd uitgesproken.

M.a.w. dit idee van klank en lettervorm tegelijk aanleren is al zo’n 100 jaar als methode in de vrijescholen bekend – maar dat even terzijde.

Ik was natuurlijk heel benieuwd welke bewegingen de kinderen in dit onderzoek hadden gemaakt.
Maar niet verbaasd: het rapport zegt:

de beweging gekoppeld aan de klank S, werd geassocieerd met een slang.’ 
Staccato letterklanken werden uitgebeeld als vlugge en krachtige bewegingen., bijv. “K,” “T,” “P”).

Wie de spraakoefeningen hierop naslaat, ziet dat in de vrijeschool al tijden dit de opvatting is voor deze klanken.
Nu heb ik het nog niet eens over de euritmie waarin de klanken een speciale beweging hebben.

Wat kunnen we daar als vrijescholen nog van leren?:

Die ruim 100-jarige inzichten en praktische ervaring te koesteren, te verzorgen, te verinnerlijken door deAlgemene menskundeen vooral de kinderen de tijd te gunnen op deze manier vertrouwd(er) te raken met klank en lettervorm.
Gelukkig heeft Steiner ons een schat aan gedachten nagelaten:
bijv. voor het leren schrijven en lezen.

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Zintuigen: bewegingszin

Bewegen in de klas

Vrijeschool in beeld: letterbeelden
bewegen in de klas

.

N.a.v. dit bericht reageerde Joep Eikenboom op vrijeschool Facebookgroep:

Een leuk onderzoek, dat weer eens onderstreept wat we al (zouden kunnen) weten.
Er schuilt een gevaar in dat leerkrachten gaan denken dat ze vooral en veel moeten bewegen. Maar het gaat vooral om de afwisseling tussen stilzitten, luisteren, opletten en activiteiten, tussen met je hoofd bezig zijn en bewegen. Onder dat laatste valt ook het werken aan je schrift, aan een kunstzinnige opgave, een knutseltje enz.
Het merkwaardige is, dat stilzitten en denkactiviteiten juist meer lichamelijker maken (incarneren), terwijl bewegen de ziel losmaakt uit het lichaam (excarnerend werkt).
Een ingeslopen gewoonte is het lange bewegen in de ochtend, ooit bedacht als korte opmaat, maar het werkt daarom niet wekkend. De ochtend is voor het hoofdonderwijs, wanneer ‘leer’-stof de hoofdmoot moet vormen. Na de ochtendpauze is de tijd voor de kunstzinnige vakken, voor de vreemde talen en de oefenuren. Na de lunch is voor het bewegingsonderwijs.
In een normaal lesrooster is dat nauwelijks zo in te passen, maar het kan wel een richting geven.
De ochtend te beginnen met een half uur touwtjespringen, hardlopen of juist met het andere uiterste wat je ook veel tegenkost: een half uur stillezen, het vraagt allemaal om nadere beschouwing en brononderzoek.
3e en 4e voordracht van Menskunde en Opvoeding (Ergänzungskurs – GA 302)
.
2811-2638

.

.

.

.