VRIJESCHOOL – 7e klas – tekenen

.

Voor tekenen in klas 7 gaf Rudolf Steiner aan het tekenen van lichamen die elkaar doordringen: 

Zie voor meer voorbeelden: vrijeschool in beeld

7e klasalle beelden

Vrijeschool in beeldalle beelden

7e klas: alle artikelen op vrijeschoolpedagogie

.

2968-2785

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/11)

.

Russisch sprookje

.

Verteltijd ca. 7 min.

.

De tsaritsa als speelman
.

In een zeker land, in een zeker rijk leefden eens een tsaar en een tsaritsa.
Toen hij geruime tijd met haar geleefd had, besloot de tsaar naar het verre, vreemde land te trekken, waar de joden Christus hadden gekruisigd. Hij gaf zijn bevelen aan de ministers, nam afscheid van zijn vrouw en ging op weg.

Na lange of korte tijd kwam hij in het verre vreemde land, waar Christus door de joden was gekruisigd. Daar regeerde echter in die tijd een goddeloze koning. Toen deze de tsaar zag, liet hij hem grijpen en in de gevangenis werpen. In zijn kerkers bevonden zich gevangenen van allerlei slag; ’s nachts waren ze geketend, maar ’s morgens kregen ze op last van de goddeloze koning een haam om hun hals en moesten ze tot de avond de akkers ploegen.
In zulke kwellende omstandigheden bracht de tsaar volle drie jaren door, zonder te weten hoe hij zich moest bevrijden en hoe hij bericht aan de tsaritsa kon sturen. Maar door een toeval kon hij haar toch een briefje doen toekomen. ‘Verkoop ons gehele bezit,’ schreef hij, ‘en koop me los uit de gevangenschap.’

Toen de tsaritsa de brief had ontvangen en gelezen, brak ze in tranen uit: ‘Hoe kan ik de tsaar loskopen? Als ik er zelf heenga, zal de goddeloze koning me zien en me zogenaamd tot vrouw nemen. En de ministers eropaf zenden? Op die valt geen staat te maken.’ En wat bedacht ze erop? Ze knipte haar lange, bruine vlechten af, kleedde zich als een muzikant, nam een goesli, (een mandoline), en ging zonder tegen iemand iets te zeggen op weg naar het verre land.

Ze kwam bij het paleis van de goddeloze koning en speelde daar zo mooi op de goesli, dat je er wel eeuwig naar had kunnen luisteren. Toen de koning deze verrukkelijke muziek hoorde, liet hij de goesli-speler terstond binnenroepen. ‘Gegroet, speelman. Uit welk land en uit welk rijk kom je?’ vroeg de koning. De speelman antwoordde: ‘Al sinds mijn kinderjaren trek ik door de wijde wereld, maak de mensen blij en verdien er mijn brood bij.’ ‘Blijf bij mij een dag, en een tweede, en een derde. Ik zal je er rijkelijk voor belonen.’ De speelman bleef, speelde iedere dag voor de koning, en deze kreeg nooit genoeg van het luisteren. Wat was dat een verrukkelijke muziek! Alle somberheid en alle zwaarmoedigheid werden er terstond als met de hand door weggewist!

Drie dagen bracht de speelman bij de koning door, daarna kwam hij afscheid nemen. ‘Wat kan ik je voor je moeite geven?’ vroeg de koning. ‘Majesteit, geef mij een van uw gevangenen, u hebt er toch zoveel in uw kerkers. En ik heb een makker nodig voor onderweg: altijd trek ik door vreemde, verre landen en dikwijls heb ik dan geen mens om een woord mee te wisselen.’ ‘Alsjeblieft, zoek er maar een uit die je aanstaat,’ zei de koning, en bracht de speelman naar de kerker. Deze bekeek de gevangenen en zocht de gevangen tsaar uit. Samen vertrokken ze, en ten slotte kwamen ze in hun eigen rijk. Daar zei de tsaar ‘Laat me gaan, brave man, want ik ben geen gewone gevangene: ik ben een tsaar. Vraag zoveel losgeld van me als je wilt, ik zal niet zuinig zijn met geld of met boeren.’ ‘Ga met God,’ zei de speelman, ‘ik heb niets van je nodig.’ ‘Wees dan tenminste mijn gast.’ ‘Als het zo eens uitkomt, zal ik komen.’ Daarna namen ze afscheid van elkaar en ieder ging zijns weegs.

De tsaritsa sloeg vlug een kortere weg in en was nog voor haar man thuis; hier trok ze de speelmanskleren uit en kleedde zich weer zoals het behoorde.
Een uur later ontstond er in het paleis veel drukte en rumoer van heen en weer lopende hovelingen die schreeuwden: ‘De tsaar is gekomen!’ De tsaritsa snelde hem tegemoet, maar hij begroette iedereen en gunde haar geen blik. Bij de begroeting van zijn ministers zei hij: ‘Nu ziet u, mijne heren, hoe mijn vrouw is: hier vliegt ze me om de hals, maar toen ik in de gevangenis zat en haar schreef dat ze mijn gehele bezit moest verkopen, deed ze helemaal niets. Waar dacht ze wel aan, dat ze haar man vergat?’
De ministers berichtten: ‘Uwe majesteit, zodra de tsaritsa uw brief had ontvangen, verdween ze op dezelfde dag, en het is niet bekend waar ze zich verborgen heeft gehouden en wat ze al die tijd heeft gedaan. Pas vandaag heeft ze zich weer in het paleis laten zien.’

De tsaar werd zeer boos en beval: ‘Heren, oordeelt mijn ontrouwe vrouw volgens recht en waarheid. Waar mag ze in de wereld hebben rondgezworven? Waarom wilde ze me niet loskopen? U zoudt uw tsaar in der eeuwigheid niet meer hebben gezien als die jonge speelman er niet was geweest. Voor hem zal ik altijd tot God blijven bidden, en het zou me niet te veel zijn hem de helft van mijn rijk af te staan.’
Intussen had de tsaritsa zich weer in de kleren van de speelman kunnen steken; ze ging naar buiten het erf op en begon de goesli te bespelen. Toen de tsaar dit hoorde, snelde hij er heen, nam de muzikant bij de hand, bracht hem in het paleis en zei tegen zijn hovelingen: ‘Dit is de speelman die mij uit de gevangenis heeft bevrijd.’
De speelman wierp zijn bovenkleding af, en allen herkenden terstond de tsaritsa. Toen was de tsaar zeer verheugd; uit vreugde liet hij een feestmaal aanrichten en zette dat een hele week voort.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2967-2785

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf – GA 54

.

Uit de voordrachten GA 34  GA 52  GA 53  GA 54  GA 55  GA 56  GA 57  GA 58  GA 59  nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam.

Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58; GA 59  over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.


 In het onderstaande artikel gebeurt dit nu voor het astraallijf.


Steiner gebruikt steeds bepaalde gevoelswoorden waarvan het astraallijf ‘drager’ is.
Die woorden vind je hier verder uitgewerkt doordat er verschillende vertalingen van zijn gegeven.


GA 54


Die Welträtsel und die Anthroposophie
De wereldvragen en de antroposofie


Voordracht 5, Hamburg, 17 november 1906


Die Frauenfrage


Het vrouwenvraagstuk


Blz. 122


Im Sinne dieser Geisteswissenschaft sprechen wir deshalb von einem zweiten Glied der menschlichen Wesenheit. Es ist dasselbe, was wir in der christlichen Religion bei Paulus als geistigen Leib bezeichnet finden. Wir sprechen vom Äther- oder Lebensleib. Niemals würde sich eine gewisse Summe von chemischen und physikalischen Kräften zum Leben kristallisieren, wenn sie nicht vorzüglich geformt würde von dem, was jeden lebendigen Leib als Lebens- oder Ätherleib durchzieht. So bezeichnen wir dieses zweite Glied als Lebensleib oder Ätherleib. Es ist das, was der Mensch mit der gesamten Pflanzen- und Tierwelt gemeinschaftlich hat


Overeenkomstig met deze geesteswetenschap spreken wij daarom over een tweede deel van het mensenwezen. het is hetzelfde wat wij in de christelijke religie bij Paulus als het geestelijk lichaam benoemd vinden. (: I. Kor. 15, 44 ff.) Wij spreken over ether- of levenslijf. Nooit zal zich een bepaalde hoeveelheid chemische en fysische kracht tot leven kristalliseren wanneer deze niet bij uitstek gevormd zouden worden door wat ieder levend lichaam als levens-, of etherlijf doortrekt. Dus wij noemen dit tweede wezensdeel levenslijf of etherlijf. Dat heeft de mens met de totale planten- en dierenwereld gemeenschappelijk.


Aber eine Pflanze hat nicht dasjenige, was wir Triebe, Begierden und Leidenschaften nennen. Eine Pflanze empfindet keine Lust und kein Leid, denn von Empfindung kann man nicht sprechen, wenn man sieht, daß ein Wesen auf etwas bloß Äußeres reagiert. Man kann von Empfindung nur sprechen, wenn der äußere Reiz sich im Inneren


Maar een plant bezit niet wat wij driften, begeerten en passies noemen. Een plant ondervindt geen lust en geen leed, want je kan niet over gewaarwording spreken, wanneer je ziet dat een wezen op iets reageert dat alleen maar iets uiterlijks is. Je kan van gewaarworden alleen spreken, wanneer de uiterlijke prikkel zich in het innerlijk


Blz. 123


spiegelt, wenn er da ist als inneres Erlebnis. Dieser Teil der heutigen Physiologie, der von einem Empfindungsleib der Pflanze spricht, zeigt nur einen ungeheuren Dilettantismus in der Auffassung solcher Begriffe. Da nun, wo das tierische Leben beginnt, wo Lust und Leid, wo Triebe, Begierden und Leidenschaften beginnen, spricht man vom dritten Gliede der menschlichen Wesenheit, von dem astralischen Leib. Ihn hat der Mensch gemeinschaftlich mit der ganzen Tierwelt. 


spiegelt, wanneer die daar een innerlijke beleving wordt. Die tak van de huidige natuurkunde die over een gewaarwordingslichaam bij de plant spreekt, laat slechts een ongelooflijk amateurisme zien bij hoe dergelijke begrippen worden opgevat. Waar het dierlijke leven begint, waar lust en leed, waar drift, begeerte en hartstocht begint, spreek je over het derde wezensdeel van de mens, van het astrale lijf. Dat heeft de mens samen met de hele dierenwereld.
GA 54/122-123
Niet vertaald


Voordracht 9, Berlijn 7 december 1905


Innere Entwicklung


Blz. 216


Der physische Leib ist in hohem Maße dem Rhythmus unterworfen, dem die ganze äußere Natur unterworfen ist. Wie das Pflanzen- und Tierleben in seiner äußeren Form rhythmisch abläuft, so verläuft auch das Leben des physischen Körpers. Das Herz schlägt rhythmisch, die Lunge atmet rhythmisch und so weiter. Alles dies verläuft so rhythmisch, weil es geordnet ist von höheren Gewalten, von der Weisheit der Welt, von dem, was die Schriften den Heiligen Geist nennen.


Innerlijke ontwikkeling


Het fysieke lichaam is in hoge mate onderworpen aan het ritme waaraan de hele uiterlijke natuur onderworpen is. Zoals het planten- en dierenleven in zijn uiterlijke vorm ritmisch verlopen, zo verloopt ook het leven van het fysieke lichaam. Het hart klopt ritmisch, de longen ademen ritmisch enz. Alles verloopt ritmisch omdat het geordend is door hogere krachten, door wereldwijsheid, door wat de heilige geschriften de Heilige Geest noemen.


Die höheren Leiber, und namentlich der Astralleib, sind, ich möchte sagen, in gewisser Weise von diesen höheren geistigen Mächten verlassen und haben ihren Rhythmus verloren. Oder können Sie es leugnen, daß Ihre Betätigung in bezug auf Wünsche, Begierden und Leidenschaften unregelmäßig ist, daß sie gar keinen Vergleich aushält mit der Regelmäßigkeit, die im physischen Leibe waltet? Wer den Rhythmus lernt, der in der physischen Natur liegt, der findet darin immer mehr das Vorbild für die Geistigkeit. Wenn Sie das Herz betrachten, dieses wunderbare Organ mit dem regelmäßigen Schlag und seiner eingepflanzten Weisheit, und vergleichen es mit den Begierden und Leidenschaften des Astralleibes, die alle möglichen Aktionen gegen das Herz loslassen, dann werden Sie erkennen, wie nachteilig die Leidenschaft auf den regelmäßigen Gang desselben wirkt. Ebenso rhythmisch aber, wie die Verrichtungen des physischen Leibes sind, müssen die Funktionen des Astralleibes werden.


De hogere wezensdelen en met name het astraallijf, zijn op een bepaalde manier door deze hogere krachten verlaten en hebben hun ritme verloren. Of kan je ontkennen dat je activiteiten m.b.t. verlangens, begeerten en passies onregelmatig verlopen, dat deze helemaal geen vergelijking kan doorstaan met de regelmaat die in het fysieke lichaam heerst? Wie het ritme leert kennen dat in de fysieke natuur ligt, vindt daarin steeds meer het voorbeeld voor het geestelijke. Wanneer je naar het hart kijkt, naar dit wonderbaarlijke orgaan met de regelmatige hartslag en de wijsheid die daar in gelegd is en je vergelijkt dat met de begeerten en passies van het astraallijf die allerlei aanvallen op het hart plegen, zal je inzien hoe nadelig de hartstocht op de regelmaat van invloed is.  De functies van het astraallijf zouden net zo ritmisch moeten worden als die van het fysieke lichaam.
GA 54/216-217
Niet vertaald


Om het astraallijf meer in het ritme te krijgen, geeft Steiner aanwijzingen. In deze voordracht zegt hij iets over de werking van het vasten.


Voordracht 23, Berlijn 15 februari 1906


Wiederverkörperung und Karma


Reïncarnatie en karma


Blz. 295


Wenn wir mit geistigem Sinn den Menschen betrachten, so steht er nicht als dieser physische Körper vor uns, sondern wir wissen, daß dieser physische Körper nur ein Teil der großen Wesenheit ist, daß hinter ihm etwas ist, was Paulus den geistigen Leib und was der Geisteswissenschafter den Ätherleib nennt. Wie ein Abbild des physischen Leibes ist der Ätherleib, oder besser umgekehrt, der physische Leib ist ein Abbild des Ätherleibes. Das


Wanneer we met een gestemdheid de mens bekijken, staat hij niet voor ons als dut fysieke lichaam, maar weten we dat dit fysieke lichaam slechts een deel is van een groot wezen, dat er achter hem iets is wat Paulus het geestelijke lichaam noemt en wat de geesteswetenschap het etherlijf noemt. Het etherlijf is als een weerspiegeling van het fysieke lichaam of beter: omgedraaid: het fysieke lichaam is een weerspiegeling van het etherlijf.


Blz. 296


ist das zweite Glied der menschlichen Wesenheit, der Ätherleib. Das dritte Glied ist der Astralleib, dasjenige, was der Mensch in sich trägt als Lust und Leid, Freude und Schmerz, Instinkte, Triebe, Leidenschaften und Begierden, alles, was vor uns steht, wenn ein Mensch vor uns steht, was wir aber nicht mit sinnlich-physischen Mitteln sehen, wahrnehmen können. Was sehen wir, wenn ein Mensch vor uns steht? Wir sehen die Haut, deren Farbe und so weiter. Der Anatom kann mit physischen Mitteln noch Knochen, Muskeln, Nerven und so weiter betrachten, aber Lust und Schmerz, Instinkte, Begierden und Leidenschaften, die auch in demselben Räume sind, sind nicht sinnlich wahrnehmbar. Das nennt man den Astralleib ( ). Den Astralleib hat schon das Tier. Es hat Lust, Freude und Schmerz ( )


Dat is het tweede deel van het wezen mens, het etherlijf. Het derde deel is het astraallijf, dat wat de mens in zich heeft als lust en leed, vreugde en verdriet., instinct, drift, hartstocht en begeerte, alles wat we voor ons hebben al er een mens voor ons staat, maar wat we niet met zintuiglijk-fysieke middelen kunnen zien, kunnen waarnemen. Wat zien we als er een mens voor ons staat?  We zien de huid, de kleur ervan enz. De anatoom kan met fysieke middelen nog botten, spieren, zenuwen enz. waarnemen, maar lust en smart, instincten, begeerten en hartstochten die ook binnen diezelfde ruimte aanwezig zijn, zijn niet zintuiglijk waarneembaar. Dat heet het astraallijf. Ook het dier heeft een astraallijf. Het kent ook lust, vreugde en pijn ( )
GA 54/295-296
Niet vertaald


Voordracht 13, Berlijn 22 februari 1906


                                                             Luzifer


                                                            Lucifer


Blz. 319


Zunächst haben wir den physischen Leib des Menschen, dann das Prinzip des Ätherleibes, das belebende, das formende, dann seine Triebe, Begierden und Leidenschaften, das Tierische in ihm;


Allereerst hebben we het fysieke lichaam van de mens, dan het principe van het etherlijf, het leven gevende, het vormende, dan zijn driften, begeerten en hartstochten, het dierlijke in hem.
GA 54/319
Niet vertaald


Voordracht 15, Berlijn 8 maart 1906


 Germanische und indische Geheimlehre


Germaanse en Indische verborgen leer


Blz. 362


Die erste Unterabteilung ist der sogenannte physische Leib, der Leib, den man mit den Augen sehen und mit den andern Sinnen wahrnehmen kann. Das zweite Glied ist der sogenannte Ätherleib. Das ist der Körper, in dem das Leben wohnt. Er ist ungefähr von derselben Gestalt wie der physische Leib, aber als Träger des Lebensprinzips ist er das, was dem physischen Körper zugrunde liegt.


Het eerste deelaspect is het zogenaamde fysieke lichaam, het lichaam dat je met je ogen kan zien en met de andere zintuigen kan waarnemen. Het tweede deel is het zogenaamde etherlijf. Dat is het lichaam waarin het leven woont. Het heeft ongeveer net zo’n vorm als het fysieke lichaam, maar als drager van het levensprincipe is het dat wat aan het fysieke lichaam ten grondslag ligt. 


Das dritte Glied ist der Träger der Gefühle von Lust und Leid, von den Instinkten und Leidenschaften. Wir nennen ihn den Astralleib, und zwar deshalb, weil die Kräfte, die in ihm wirksam sind, für denjenigen, der tiefer in die Welt hineinzuschauen vermag, sich als die Kräfte erweisen, die draußen im Sternenraum, im Astralen, leben und wesenhaft sind.


Het derde wezensdeel is de drager van de gevoelens van lust en leed, van de instincten en hartstochten. We noemen dat het astraallijf en wel omdat de krachten die daarin werken voor degene die intensiever in de wereld kan doordringen, zich als krachten vertonen die buiten in de sterrenruimte, in het astrale, leven en werkelijk zijn.


Blz. 363


Jedes Mineral hat einen physischen Leib. Die Pflanzen haben physischen Leib und Ätherleib, die Tiere haben physischen Leib, Ätherleib und Astralleib.


Ieder mineraal heeft een fysiek lichaam. De planten hebben fysiek lichaam en etherlijf, de dieren hebben een fysiek- ether- en astraallijf.
GA 54/362-363
Niet vertaald


.


Algemene menskunde: voordracht 1 –  over het astraallijf


Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen


Algemene menskundealle artikelen


Rudolf Steineralle artikelen op deze blog


Menskunde en pedagogiealle artikelen


.


2966-2784

.

.

.


 


 


 


 


 


 


 


 


.


                    .  

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (84)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

DE ROEMRUCHTE DADEN VAN robin hood

.

De avonturen van Robin Hood. De daden van de legendarische ‘vogelvrije’ Robin worden door Rosemary Sutcliff in prachtig beeldende taal verteld.
Een kenmerk van een goed verteld verhaal is, dat je allerlei sterk voor je ziet. Als Sutcliff de natuur beschrijft, ruik je bijna de geuren van het bos!
Het zijn spannende avonturen; er is vreugde, humor, maar ook angst en verdriet.
Maar vooral toch ook een soort rechtvaardigheid: Robin hevelde a.h.w. de over de hoofden van de armen verkregen rijkdom van de rijken weer over naar zij die wel wat meer welvaart konden gebruiken.
Dat werd hem door de geestelijkheid en de adel bijv. niet in dank afgenomen, maar onder de armen was hij geliefd en velen sloten zich dan ook bij hem aan.
En zo ontstonden er hechte vriendschappen en zien we wat ‘trouw’ kan betekenen.
Een kunstig geschreven boek, met sfeervolle zwart/wit illustraties.

Rosemary Sutcliff

Ill. Niet aangegeven van wie, behalve van deze omslag: C. Dematons

Uitg. Wolters Noordhoff in de serie ‘Gouden Lijsters’

Boek

Leeftijd rond 11 jr.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs.

.

2965-2783

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf – GA 53

.
Uit de voordrachten GA 34  GA 52  GA 53  GA 54  GA 55  GA 56  GA 57  GA 58  GA 59  nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam.

Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58; GA 59  over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.
.


In het onderstaande artikel gebeurt dit nu voor het astraallijf.


GA 53 


Ursprung und Ziel des Menschen; Grundbegriffe der Geisteswisschenschaft


Oorsprong en bestemming van de mens; basisbegrippen van de geesteswetenschap


Voordracht 2, Berlijn 13 oktober 1904                                          


 Die menschliche Wesenheit  


Het wezen van de mens


Blz. 51


Nun ist der Mensch aber subjektiv noch etwas Höheres, er ist auch eine Summe von Gefühlen, von Trieben, von Leidenschaften. Ebenso wie Sie verdauen, fühlen Sie, begehren Sie. Das sind auch Sie! Das nimmt ein Mensch unter gewöhnlichen Verhältnissen aber nicht objektiv wahr. Wenn er seinem Mitmenschen gegenübertritt, sieht er nicht äußerlich sein Gefühl, seineBegierde, seine Leidenschaft, seine Triebe. Wäre der Mensch blind, so würde er eine ganze Summe von physischen Tätigkeiten nicht sehen. Nur dadurch, daß er eine physische Sinnestätigkeit ausüben kann, ist das Physisch-Subjektive für ihn auch objektiv wahrnehmbar. Und weil er eine seelische Sinnestätigkeit zunächst nicht ausübt, ist das Seelisch-Subjektive, das Gefühl, sind die Triebe, die Leidenschaften, die Begierden zwar subjektiv in jedem Menschen vorhanden, wenn er aber seinen Mitmenschen gegenübertritt, kann er das nicht wahrnehmen. 


Nu is de mens, subjectief gezien, nog iets hogers; hij is ook een verzameling van gevoelens, van driften, van hartstochten. Net zoals je voedsel verteert, begeer je. Dat ben je ook! Onder gewone omstandigheden neemt een mens dit niet objectief waar. Wanneer je zijn medemens tegenkomt, ziet hij uiterlijk niet zijn gevoel, zijn begeerten, zijn hartstochten, zijn driften. Als de mens blind zou zijn, zou hij een heleboel fysieke activiteit niet zien. Omdat hij gebruik kan maken van fysieke zintuigactiviteit, is het fysiek-subjectieve voor hem ook objectief waarneembaar. En omdat hij vooralsnog geen activiteit met de zintuigen van de ziel uitoefent, is wat subjectief in de ziel leeft, het gevoel, de driften, de hartstochten, de begeerten, weliswaar subjectief in iedere mens aanwezig, maar wanneer hij zijn medemens tegenkomt, kan hij dat niet waarnemen.


Nun kann er, ebenso wie er ein Auge ausgebildet hat auf physischem Wege, um die Körpertätigkeit wahrzunehmen, sein seelisches Auge ausbilden und die Welt der Triebe, Begierden, Leidenschaften wahrnehmen, kurz, es dahin bringen, das Seelische auch objektiv als Wahrnehmung vor sich zu haben.Diese Welt, in der der Durchschnittsmensch von heute zwar lebt, ohne daß er sie wahrnimmt, die er aber wahrnehmen kann, wenn er durch die entsprechenden Methoden die geeigneten Kräfte bei sich ausbildet, diese Welt nennen wir mit einem theosophischen Ausdruck die astrale oder mit einem deutschen Wort die seelische Welt. Das, was unsere landläufige Psychologie als Seele beschreibt, ist nicht das, was die Theosophie unter seelischem Leben versteht, sondern nur der äußere Ausdruck davon.


Nu kan hij, net zoals hij het oog heeft gevormd langs fysieke weg om de activiteit van het lichaam waar te nemen, ook een oog voor de ziel ontwikkelen en de wereld van de driften, begeerten, hartstochten waarnemen, kortom: hij kan zo ver komen de ziel ook objectief als waarneming voor zich te hebben. Deze wereld, waarin de doorsneemens van nu weliswaar leeft zonder deze waar te nemen, kan hij echter waarnemen, wanneer hij door de daarvoor geschikte methoden de vereiste krachten bij zichzelf ontwikkelt. Deze wereld noemen wij met een antroposofische uitdrukking de astrale wereld of de zielenwereld Wat de alledaagse psychologie als het gevoelsleven beschrijft, is niet hetzelfde als bij de antroposofie, die daaronder slechts alleen de uiterlijke verschijning daarvan verstaat.
GA 53/51
Niet vertaald


Blz. 53


Wenn Sie ein Mineral betrachten, einen toten, leblosen Körper, und ihn mit der Pflanze vergleichen, dann werden Sie sich sagen — und das haben sich alle Menschen gesagt bis um die Wende des 18. zum 19. Jahrhundert, denn da ging der Streit wegen des Ätherkörpers los -, der Stein ist leblos, die Pflanze aber ist lebenerfüllt. Das, was also dazukommen muß, damit die Pflanze nicht Stein sei, das nennt die Theosophie Ätherkörper. Dieser Ätherkörper wird wohl besser mit der Zeit bloß Lebenskraft genannt werden, denn die Äther- oder Lebenskraft ist etwas, wovon die Naturwissenschaft bis ins 19. Jahrhundert hinein gesprochen hat. Die neuere Naturwissenschaft leugnet so etwas wie die Lebenskraft.


Wanneer je een mineraal bekijkt, een dood levenloos ding en dat vergelijkt met een plant, dan zal je zeggen – en dat zei iedereen tot aan de overgang van de 18e naar de 19e eeuw, want toen begon de strijd vanwege het etherlichaam – de steen is levenloos, de plant daarentegen zit vol leven. Dus, wat erbij moet komen, wil de plant geen steen zijn, dat noemt de antroposofie* etherlichaam. Langzamerhand is het wel beter om ‘etherlichaam’ gewoon levenskracht te noemen, want de ether- of levenskracht is iets waar de natuurwetenschap tot in de 19e eeuw over sprak. De natuurwetenschap van de laatste tijd, ontkent zoiets als levenskracht.


Blz. 54


Und je weiter die Naturwissenschaft vorrückt, desto mehr wird sie auch erkennen, daß die Pflanze schon einen solchen Ätherkörper hat, denn sonst könnte sie nicht leben. Auch das Tier und der Mensch haben einen solchen Ätherdoppelkörper. 


Hoe verder de natuurwetenschap zal komen, des te meer zal deze ook erkennen dat de plant al zo’n etherlichaam heeft, want anders zou ze niet kunnen leven. Ook dier en mens hebben zo’n etherdubbellichaam.


Blz. 55


Der physische Leib hat aber noch einen dritten Bestandteil. Den habe ich den Seelenleib genannt. Eine Vorstellung davon können Sie sich machen, wenn Sie sich denken, daß nicht jeder Körper, der lebt, auch empfinden kann. Ich kann mich nicht auf den Streit einlassen, ob die Pflanze auch empfinden kann, das steht auf einem anderen Blatt. Sie müssen das, was man im groben Sinne Empfinden nennt, ins Auge fassen. Was in dieser Art die Pflanze vom Tier unterscheidet, das wollen wir festhalten. Ebenso wie die Pflanze


Het fysieke lichaam bevat echter nog een derde bestanddeel. Dat heb ik het zielenlijf genoemd. Je kan je er een voorstelling van maken door te denken dat niet ieder lichaam dat leeft, ook kan voelen. Ik kan niet op het dispuut ingaan of de plant ook kan voelen, dat is een ander hoofdstuk. We moeten kijken naar wat we grofweg gewaarworden noemen. Wat hier de plant van het dier onderscheidt moeten we vasthouden. Net zoals de plant


Blz. 56


vom Stein unterschieden ist durch den Ätherdoppelkörper, so ist der Leib des Tieres als empfindender Leib wieder verschieden von dem bloßen Pflanzenkörper. Und dasjenige, was im Tierkörper ebenso hinausragt über das bloße Wachsen und Fortpflanzen, dasjenige, was die Empfindung möglich macht, das bezeichnen wir als den Seelenkörper. In dem physischen Leib, in dem Ätherleib und drittens in dem Seelenleib, dem Träger des Empfindungslebens, haben wir nur die äußerliche Seite des Menschen und des Tieres. Damit haben wir das beobachtet, was im Räume lebt. Nun kommt dasjenige, was im Inneren lebt, dasjenige, was wir als empfindendes Selbst bezeichnen. Das Auge hat eine Empfindung und führt sie dahin, wo die Seele die Empfindung wahrnehmen kann. Wir gewinnen hier den Übergang vom Körper in die Seele, wenn wir aufsteigen vom Seelenleib in die Seele, in das unterste Glied der Seele, das bezeichnet wird als Empfindungsseele. Empfindungsseele hat auch das Tier, denn es setzt das, was der Körper ihm zubereitet für die Empfindung, das, was die Seele ihm zubereitet, in inneres Leben, in Seelenleben, in Empfindungen um.


verschillend is van de steen door het etherdubbellichaam, net zo is het lichaam van het dier als gewaarwordend lichaam verschillend van het gewone plantenlichaam. En wat in het dierenlichaam net zo boven het gewone groeien en voortplanten uitgaat, dat wat het gewaarworden mogelijk maakt, bestempelen wij als het zielenlichaam. In het fysieke lijf, in het etherlijf en ten derde in het zielenlijf, de drager van het gewaarwordingsleven, hebben we alleen maar de uiterlijke kant van de mens en het dier. We hebben daarmee bekeken wat in de ruimte leeft. Nu komt, wat innerlijk leeft, dat wat we het gewaarwordende zelf noemen. Het oog wordt gewaar en leidt de gewaarwording naar daar waar de ziel die kan waarnemen . Hier komen we achter de overgang van lichaam naar – tot in – de ziel; we gaan van het zielenlijf naar de ziel, naar het onderste deel van de ziel, dat we gewaarwordingsziel noemen. Die heeft het dier ook, want dat zet, wat het door het lichaam krijgt als gewaarwording, door wat het van de ziel krijgt, in innerlijk leven, gevoelsleven, om.


In de Duitse tekst worden de begrippen ‘Körper’ en ‘Leib’ afgewisseld. ‘Körper’ meestal in de betekenis van ‘omhulling’ en ‘Leib’ meestal als het krachtencomplex. Maar niet altijd en daarom is het lastig vertalen.


Nun kann man aber in der Wahrnehmung beim seelischen Schauen den Seelenleib und die Empfindungsseele nicht getrennt wahrnehmen. Diese stecken sozusagen ineinander und bilden ein Ganzes. Grob kann man vergleichen das, was hier ein Ganzes bildet – den Seelenleib als äußere Hülle und die darin steckende Empfindungsseele -, mit dem Schwert, das in der Scheide steckt. Das bildet für die seelische Anschauung ein Ganzes und wird von der Theosophie Kamarupa oder Astralleib genannt. Das höchste Glied des physischen Leibes und das niederste Glied der Seele bilden ein Ganzes und werden in der theosophischen Literatur Astralleib genannt.


Maar als je met de ziel waarneemt, kun je het zielenlijf en de gewaardingsziel niet gescheiden waarnemen. Die zitten a.h.w. ineen en vormen een geheel. Grofweg kan je wat hier een eenheid vormt  – het zielenlijf als omhulsel en de zich daarin bevindende gewaarwordingsziel – vergelijken met het zwaard dat in de schede zit. Voor de bovenzintuiglijke waarneming vormt dat een geheel en dit wordt in de theosofische literatuur kamarupa of astraallijf genoemd. Het hoogste deel van het fysieke lichaam en het laagste deel van de ziel vormen een eenheid en worden in de theosofische literatuur astraallijf genoemd. 


Blz. 57


Das zweite Glied der Seele ist dasjenige, was das Gedächtnis und den niederen Verstand umfaßt. Das höchste Glied ist dasjenige, was im eigentlichen Sinne das Bewußtsein enthält. Aus drei Gliedern besteht sowohl die Seele wie auch der Leib. Wie der Leib aus physischem Körper, Ätherdoppelkörper und Seelenleib oder Astralkörper besteht, so besteht die Seele aus Empfindungsseele, Verstandesseele und Bewußtseinsseele. Den richtigen Begriff davon kann nur derjenige bekommen, der durch die geisteswissenschaftlichen Methoden die Fähigkeiten ausbildet, die zum wirklichen Schauen führen. Was wir empfinden von den Dingen von außen, das haftet an der Empfindungsseele. Und was wir Gefühl nennen, Gefühl der Liebe, Gefühl des Hasses, Gefühl des Verlangens, also Sympathie und Antipathie, das haftet an dem zweiten Glied der Seele, an der Verstandesseele, an Kamamanas.


Het tweede deel van de ziel is het deel dat het geheugen en het primitievere verstand omvat. Het hoogste deel is het deel dat in de eigenlijke betekenis het bewustzijn omvat. Zowel de ziel als het levende lichaam bestaat uit drie delen. Zoals het levende lichaam bestaat uit fysiek lichaam, etherdubbellichaam en zielenlichaam of astraallichaam, zo bestaat de ziel uit gewaarwordingsziel, verstandsziel en bewustzijnsziel. Een juist begrip daarvan kan alleen degene krijgen die door de geesteswetenschappelijke methoden de vermogens ontwikkelen die tot een werkelijk waarnemen leiden. 
Wat we gewaarworden van de dingen buiten ons, bindt zich aan de gewaarwordingsziel. En wat we gevoel noemen, gevoelens van liefde, van haat, verlangens, dus sympathie en en antipathie, bindt zich aan het tweede deel van de ziel, aan de verstandsziel, aan kamamanas. 


De verstandsziel noemt Steiner vaker in één adem met de ‘gemoedsziel’.


Das dritte Glied, die Bewußtseinsseele, ist dasjenige, was der Mensch nur an einem einzigen Punkte beobachten kann. Das Kind hat in der Regel nur ein
Bewußtsein von den zwei ersten Seelengliedern. Es lebt nur in den zwei Gliedern der Seele, die ich genannt habe, in der Empfindungsseele und in der Verstandesseele, aber es lebt noch nicht in der Bewußtseinsseele. In dieser Bewußtseinsseele fängt der Mensch zu leben an im Verlaufe seines
Kindheitsalters, und dann wird diese Bewußtseinsseele zur selbstbewußten Seele.


Het derde deel, de bewustzijnsziel, is dat wat de mens maar op bepaald ogenblik kan waarnemen. Het kind heeft in de regel slechts bewustzijn van de twee eerste delen van de ziel. Het leeft alleen maar in die twee delen die ik heb genoemd, in de gewaarwordingsziel en in de verstandsziel, maar nog niet in de bewustzijnsziel. Daarin begint de mens pas gedurende zijn kinderleeftijd in te leven en dan wordt deze bewustzijnsziel tot een zelfstandige ziel.
.


Die Seelenwelt


De wereld van de ziel


Voordracht 6, 10 november 1904


Blz. 133


Über der gewöhnlichen Welt liegt eine seelische Welt, die für denjenigen, dessen geistiges Auge erschlossen ist, eine Wirklichkeit bedeutet. Diese seelische Welt wird in der theosophischen Literatur auch die astrale Welt genannt. Man hat viel eingewendet gegen den Ausdruck astrale Welt, weil man glaubte, ein mittelalterliches Vorurteil anzutreffen. Aber nicht umsonst ist diese Welt
astral genannt worden von denjenigen, welche ein Sehvermögen im Seelischen haben. Denn genau ebenso wie Farben und Töne den physischen Sinnen erscheinen, so erscheinen zunächst in dieser astralen Welt als wahre Wirklichkeiten alle diejenigen Tatsachen, die wir zusammenfassen mit den
Ausdrücken: Begierden, Instinkte, Leidenschaften, Triebe, Wünsche und Gefühle. Genau ebenso wie der Mensch verdaut, wie er sieht und hört, so wünscht er, so hat er Leidenschaften, so hat er Gefühle. Er lebt in der Welt der
Leidenschaften, der Triebe und Begierden, der Gefühle und Wünsche, so wie er in der physischen Welt lebt. Und wie das physische Auge, wenn es einem anderen Menschen gegenübertritt, seine physischen Eigenschaften sieht, so sieht das erschlossene geistige Auge das, was wir als seelische Eigenschaften zusammenfassen. Genau ebenso wie die physischen


Boven de gewone wereld bevindt zich de zielenwereld die voor degene bij wie het geestesoog ontsloten is, een realiteit betekent. Deze zielenwereld wordt in de antroposofische literatuur ook astrale wereld genoemd. Er is veel bezwaar gemaakt tegen de uitdrukking astrale wereld, omdat men dacht te maken te hebben met een middeleeuws vooroordeel. Maar door degenen die een vermogen hebben in de ziel waar te nemen, is deze wereld niet voor niets astraal genoemd. Want net zoals kleuren en tonen voor de fysieke zintuigen aanwezig zijn, zo zijn in deze astrale wereld als echte realiteiten al die feiten die wij samenvatten met de uitdrukkingen: begeerten, instincten, hartstochten, driften, wensen en gevoelens, aanwezig. Precies zo als de mens z’n voedsel verteert, hoe hij kijkt en luistert, heeft hij zijn verlangens, zijn passie, zijn gevoelens. Hij leeft in de wereld van de hartstochten, de aandriften en begeerten, van de gevoelens en verlangens, zoals hij in de fysieke wereld leeft. En zoals het fysieke oog, wanneer het een ander mens voor zich ziet, zijn fysieke eigenschappen ziet, zo ziet het geopende geestelijke oog dat wat wij als de zieleneigenschappen samennemen. Net zoals de fysieke


Blz. 132


Sinne die Elektrizität unterscheiden können von dem Licht oder das Licht von der Wärme, so kann das seelisch geöffnete Auge unterscheiden zwischen einem Trieb, einer Begierde, die in der Seele des anderen vorhanden sind, und
dem Gefühl der Liebe, der Hingabe, dem Gefühle des religiösen Frommseins. Wie Wärme und Licht verschieden sind, so sind Liebe und religiöses Frommsein in der Welt des Seelischen verschieden. Und weil für das seelisch geöffnete
Auge diese Eigenschaften aufglänzen wie Farbenerscheinungen, die durchtönt sind wie das Astrale, deshalb sind sie astral genannt worden.


zintuigen elektriciteit kunnen onderscheiden van licht of licht van warmte, zo kan het voor de ziel geopende oog onderscheiden tussen een drift, een begeerte die in de ziel van de ander aanwezig is en het gevoel van liefde, de toewijding, het religieus ernstige gevoel. Zoals warmte en licht verschillend zijn, zo zijn liefde en religieuze ernst dat in de zielenwereld. En omdat voor het oog dat openstaat voor de ziel deze eigenschappen oplichten als kleurverschijnselen waar klanken in doorklinken zoals in het astrale, worden ze astraal genoemd.


Wat dit ‘klinken’ betreft: er zijn voordrachten waarin Steiner beschrijft dat het astraallijf in de nacht in ‘de sterren = astraal’ is, in de sfeer van wat de ‘sferenharmonie’ genoemd wordt:


Wenn man bewuβt in dieser Welt lebt, dann hört man die Sphärenharmonien, dann hört man klingen die Kräfte und Verhältnisse der Sterne zueinander. (Goethe: Die Sonne tönt nach alter Weise)


Wanneer je bewust in de wereld leeft, dan hoor je de sferenharmonieën, dan hoor je de krachten en verhoudingen van de sterren onder elkaar klinken.
Daarover  dichtte Goethe: 



 




De zon wekt met fanfaretonen
het stemmenkoor van het heelal,
en kroont haar omloop door aeonen
met daverend klaroengeschal;
GA 100/37        
Niet vertaald


(Dat het niet om klanken gaat die de fysieke oren kunnen horen, legt Steiner uit in voordracht 12 van GA 53 waarin de astrale wereld vanuit kosmisch perspectief wordt bekeken. En in voordracht 1 van het 2e deel van GA 53)


Wanneer er sprake is van ‘Theosophie’, heeft dat te maken met het feit dat Steiner toen nog deel uitmaakte van de Theosofische Vereniging’. Toen hij zich daarvan had losgemaakt, noemde hij, wat hij voordien theosofie noemde, antroposofie.
De naam veranderde, de inhoud niet.


.


Algemene menskunde: voordracht 1 –  over het astraallijf


Antroposofie: een inspiratie: over het etherlijf [1]   [2]


Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen


Algemene menskundealle artikelen


Rudolf Steineralle artikelen op deze blog


Menskunde en pedagogiealle artikelen


.


2964-2782

.

.

.

.

 


 


 


 


 


 


 


 


 


.




 



 

VRIJESCHOOL – Handenarbeid klas 10 – koperslaan

.

koperslaan

.

Leerlingen van de 10e klas doen in het handenarbeidlokaal de eerst ervaringen met de bewerking van metalen, alsmede het plastisch omvormen daarvan.
Wanneer zij de vorm hebben getekend en uitgesneden hebben uit een plaat koper, hebben ze dus een plat stukje voor zich liggen dat ze door een gestaag hameren tot een bloemblad of bloeivorm moeten omvormen.
Langzaam wordt het metaal door de reeksslagen ‘gedreven’. Daarbij mag het en niet te dun worden en niet al te veel opgedrukt worden.
Het koperslaan schoolt het vormgevoel.
In vroegere klassen kan het ook tot een schaaltje of een beker worden omgevormd.

Foto: Rudolf Steinerschool Nürtingen – Duitsland.

Deze school heeft als praktische vakken:

boekbinden, scheikunde-practicum, tuinbouw, handwerken, handenarbeid, informatica, koperslaan, schilderen, boetseren, kleding maken, spinnen.

.

10e klas: alle artikelen

Handenarbeid: alle artikelen

.
Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle artikelen

.

2963-2781

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (90)

.
Blauwe tekst van mij. Zwart uit het interview.

.

Kijk naar het kind, en laat die toetsen zitten’

.

zegt ex-juf Nicole Hanegraaf in een interview in het Eindhovens Dagblad van 15-10-2022

‘Ongelukkige leraren, gestreste kinderen: scholen lopen tegen hun grenzen aan. Het moet anders.
Onze kinderen zijn niet stuk. Ons systeem is stuk.”

Tijdens haar werk experimenteerde ze met onderwijsvormen ‘die meer ruimte maken voor individuele behoeftes en talenten.’

‘Minder accent op toetsen en tabelletjes, maar meer aandacht voor mensen van vlees en bloed’.

Weer een toets

Ze richtte de ‘leef-leer-school van-Binnenuit’ op, waarover ze ook een boek schreef: Onderwijs van Binnenuit:
We moeten stoppen met onderwijsvernieuwingen van buitenaf. We moeten hervormen van binnenuit, kijken naar wat leerkrachten en leerlingen willen leren en nodig hebben.

‘Welke 9-jarige wil er nou uren op een dag stil aan een tafeltje zitten? En welke leerkracht wordt blij van wéér een toets?’

In verschillende scholen in het land wordt er druk aan gewerkt: Van-Binnenuit helpt scholen opnieuw te bepalen: wat hebben onze kinderen echt nodig en hoe bieden we dat? Dat kan op elk schooltype.”

‘Dat betekent soms: dat groepjes worden samengesteld op basis van gedeelde interesses in plaats van op leeftijd of maken lokalen met rijen tafels plaats voor ruimtes vol ‘hoekjes’, waar kinderen zelf de plek kiezen waar ze willen lezen of sommen maken. Dat kan ook op een schommel of in de tuin zijn. Of er zijn plekken waar leerlingen op ontdekkingstocht kunnen: keukens, ateliers, proefjestafels.’

Of dat niet tegen bestaande onderwijsvormen aanschuurt, vraagt degene die interviewt,zoals vrijescholen en montessorischolen?’
„Onderwijs van binnenuit is een verzamelnaam voor scholen die mensgericht zijn. Dat kan een montessori- of vrijeschool zijn, maar ook een reguliere school.

Het is mooi, vind ik, dat juf Hanegraaf de vrijeschool ziet als ‘mensgericht’.

Wat wij doen staat niet naast zulke onderwijstypes: het zit eronder.”

Dat is voor de vrijescholen wel iets te kort door de bocht: daar zit nog zoveel meer onder en/of achter.
Daar staat deze blog vol mee!
En we vinden elkaar natuurlijk door ‘de mens centraal

Burn-outklachten

De behoefte aan verandering is groot. Ruim een kwart van de leraren in het basisonderwijs kampt met burn-outklachten. Het aantal leerlingen in het speciaal basisonderwijs steeg de afgelopen jaren. „Als je ziet dat steeds meer mensen moeite hebben om te functioneren in het reguliere onderwijssysteem, is er volgens mij niks mis met die mensen. Dan is er iets mis met het systeem.”

‘Bij onderwijs van binnenuit is niet ‘het gemiddelde’ leidend, maar de individuele kinderen zijn dat. „Lesmethodes en toetsen gaan massaal uit van het idee dat je op een bepaald moment, op een bepaalde leeftijd, iets moet doen of kunnen. Ik vind dat raar. Wat maakt het nou uit welk niveau Jantje deze maand precies haalt, als-ie pas over drie jaar naar de middelbare school gaat?”

‘Laat toetssysteem los:  leerkrachten hebben geen grafiekjes en tabelletjes nodig om te weten wat een kind kan. Dat kunnen ze elke dag zien.”

„Het idee van onderwijs van binnenuit is niet dat je maar een beetje achter kinderen aanhobbelt: je loopt met ze mee, je neemt ze bij de hand. Dat kinderen stil zouden vallen in hun ontwikkeling als je ze ruimte geeft voor hun eigen tempo staat daar haaks op. Wij willen juist dat je kinderen de hele tijd blijft prikkelen en voeden, zodat ze elke dag nieuwe dingen leren. We zeggen alleen: accepteer dat ze niet allemaal op hetzelfde moment dezelfde stap zetten.”
Ook dit kennen we in de vrijescholen als iets wezenlijks: lesstof is ontwikkelingsstof!

En hier zien we iets van wat lang in de vrijescholen – op aanwijzing van Rudolf Steiner – in de praktijk werd gebracht: een klassenleerkracht gaat zes jaar met zijn klas mee, juist om de ontwikkeling optimaal te kunnen ondersteunen.

‘Om te zien of een kind zich goed blijft ontwikkelen, zouden scholen volgens van-Binnenuit moeten kijken hoe het zich ontplooit ten opzichte van zijn eigen startpunt in een schooljaar. Zit daar te weinig beweging in, dan weet je dat je in actie moet komen.’

‘Nu vergelijken we kinderen meestal vooral met anderen. Dat maakt het lastiger te zien wie ze zelf zijn’.

Juf Hanegraaf weet wel wat er nodig is in het onderwijs. Wij ook, maar we kunnen zeker van haar leren (vooral als ze hier – onbewust denk ik – op de vrijheid van inrichting wijst:

„Jij weet wat goed voelt, wat er nodig is om die kinderen te geven wat ze nodig hebben. Ga dat gewoon doen. En laat die toetsen lekker zitten.”

.

Opspattend grindalle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2962-2780

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf – GA 52

.

. Uit de voordrachten GA 34  GA 52  GA 53  GA 54  GA 55  GA 56  GA 57  GA 58  GA 59  nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam.

.

Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58; GA 59  over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.

.

In het onderstaande artikel gebeurt dit nu voor het astraallijf.

Steiner gebruikt steeds bepaalde gevoelswoorden waarvan het astraallijf ‘drager’ is.
Die woorden vind je hier verder uitgewerkt doordat er verschillende vertalingen van zijn gegeven.

GA 52 Voordracht 12, Berlijn 7 maart 1904                                        

Theosophie und Somnambulismus
Theosofie en somnambulisme

Blz. 254

Den physischen Körper mit allen seinen Organen, einschließlich des Nervensystems, des Gehirns und aller Sinnesorgane kann die Theosophie nach ihrer Beobachtung nur ansehen als eines der Glieder, aus dem der ganze, volle Mensch besteht. Dieser physische Körper enthält Stoffe und Kräfte, die der Mensch gemeinschaftlich hat mit der ganzen übrigen physischen Welt. Dasjenige, was sich in uns in chemischen und physikalischen Prozessen abspielt, ist nichts anderes, als was sich auch außerhalb unseres Körpers in der physischen Welt, in den chemischen Vorgängen abspielt. Aber wir müssen uns fragen: Warum spielen sich diese physikalischen und chemischen Prozesse innerhalb unseres Körpers so ab, daß sie vereinigt sind zu einem physischen Organismus? Darüber kann uns keine physische Wissenschaft einen Aufschluß geben. Die physische Naturwissenschaft kann uns nur über das belehren, was sich an physischen und chemischen Prozessen in uns abspielt, und es wäre gewiß nicht angemessen, wenn der Naturforscher den Menschen deshalb einen wandelnden Kadaver nennen würde, weil er als Anatom nur Physisches in dem menschlichen Körper entdecken kann. Es muß etwas da sein, was die chemischen

Het fysieke lichaam met al zijn organen waar het zenuwsysteem en de hersenen bij horen en alle zintuigorganen kan de theosofie zoals zij dat beoordeelt, alleen zien als een van de delen waaruit de volledige mens bestaat. Dit fysieke lichaam bevat stoffen en krachten die de mens gemeenschappelijk heeft met de hele overige fysieke wereld. Wat zich in ons aan chemische en fysische processen afspeelt, is niets anders dan wat zich ook buiten ons lichaam in de fysieke wereld, in de chemische processen afspeelt. Maar we moeten ons wel afvragen: waarom spelen deze fysische en chemische processen binnen ons lichaam zo af dat samen een fysiek organisme vormen. Daarover kan geen enkele natuurwetenschap een verklaring geven. De natuurwetenschap kan ons alleen maar informeren over wat er zich aan fysische en chemische processen in ons voltrekken en het klopt zeker niet wanneer de natuurwetenschapper de mens omdat hij als anatoom alleen iets fysieks in het menselijk lichaam ontdekken kan, daarom de mens een wandelend lijk zou noemen. Er moet iets zijn, wat de chemische

Blz. 255

und physikalisdien Prozesse zusammenhält, sie gleichsam gruppiert in der Form, wie sie sich innerhalb des menschlichen Körpers abspielen. Dieses nächste Glied der menschlichen Wesenheit nennen wir in der Theosophie den sogenannten Ätherdoppelkörper.

en fysische processen bij elkaar houdt, die a.h.w. groepeert in de vorm waarin ze zich binnen het menselijk lichaam voltrekken.  Het volgende wezensdeel van de mens noemen we in de theosofie het zgn.  etherdubbellichaam. Steiner noemt dit later meestal het ‘etherlijf‘.

Dieser Ätherdoppelkörper ist dasjenige, was die physischen Prozesse zusammenhält. Im Tode verläßt der Ätherdoppelkörper mit anderen höheren Gliedern, die wir kennenlernen werden, den physischen Körper, und daher wird der physische Körper der Erde übergeben und vollzieht nur noch physische Prozesse. Daß er das während des Lebens nicht tut, daran ist der Ätherdoppelkörper schuld.

Het etherlijf houdt de fysische processen bij elkaar. Met de dood verlaat het etherlijf met andere hogere wezensdelen die we nog zullen leren kennen, het fysieke lichaam en vandaar dat het fysieke lichaam aan de aarde overgedragen wordt en dan voltrekken zich alleen nog maar fysische processen. Dat dit tijdens het leven niet gebeurt, komt door het etherlijf.
Steiner legt in deze voordracht meer de nadruk op het astrale als ‘omhulsel’, als iets waarin wij leven, vandaar dat hij, denk ik, hier weer ‘Körper’ gebruikt, i.p.v. ‘Leib’. 

Innerhalb dieses Ätherdoppelkörpers, ja ihn sogar nach verschiedenen Seiten hin überragend, ist dann das dritte Glied der menschlichen Wesenheit, das ist der sogenannte astralische Körper. Dieser astralische Körper ist eine Art von Abbild unserer Triebe, unserer Begierden, unserer Leiden-

Binnen dit etherdubbellijf, ja zelfs daar buiten tredend naar verschillende kanten, bevindt zich het derde wezensdeel, dat is het zogenaamde astraallichaam. Dit is een soort weerspiegeling van onze driften, onze begeerten, onze harts-

Blz. 256

Schäften, unserer Gefühle. In diesem astralischen Körper lebt der Mensch wie in einer Wolke, und er ist für den Hellseher, dessen geistiges Auge für eine solche Erscheinung geöffnet ist, sehr wohl wahrnehmbar als eine leuchtende Wolke, innerhalb welcher sich der physische Körper und der Ätherdoppelkörper befindet. Dieser astralische Körper ist anders bei einem Menschen, der immer seinen animalischen Trieben, seinen sinnlichen Neigungen folgt; da zeigt er ganz andere Farben, ganz andere wolkenartige Bildungen als bei dem Menschen, welcher immer dem geistigen Leben gelebt hat; er ist anders bei dem Menschen, der dem Egoismus frönt, als bei dem Menschen, der in selbstloser Liebe sich seinen Mitmenschen widmet. Kurz, das Leben der Seele kommt in diesem astralischen Körper zum Ausdruck. Aber er ist auch der Vermittler der eigentlichen sinnlichen Wahrnehmungen. Sie können niemals die sinnlichen Wahrnehmungen in den Sinnesorganen selbst suchen.Was geschieht, wenn das Licht von einer Flamme mein Auge trifft?

tochten, onze gevoelens. In dit astrale lichaam leeft de men als in een wolk en hij is voor de helderziende, bij wie zijn geestelijk oog voor zijn verschijnsels geopend is, heel goed waar te nemen als een lichtende wolk, waarbinnen het fysieke lichaam en het etherdubbellichaam zich bevinden. Dit astrale lichaam is anders bij een mens die steeds zijn dierlijke driften, zijn zinnelijke neigingen volgt; dan zijn er heel andere kleuren, heel andere wolkenachtige vormen zichtbaar dan bij de mens die steeds een geestelijke leven heeft geleefd; het is anders bij de mens die toegeeft aan zijn egoïsme dan bij de mens die in altruïstische liefde toegewijd is aan zijn medemens. Kortom, het zielenleven komt in dit astrale lichaam tot uitdrukking. Maar het maakt ook de eigenlijke zintuiglijke waarnemingen mogelijk. Je kan nooit de zintuiglijke waarnemingen in de zintuigorganen zelf zoeken. Wat gebeurt er wanneer het licht van een vlam mijn oog ontmoet. 

Dieses Licht besteht ja im äußerlichen Räume darin: die sogenannten Ätherwellen bewegen sich von der Lichtquelle in mein Auge, sie dringen in mein Auge ein, sie bewirken gewisse chemische Vorgänge in der Hinterwand meines Augapfels, sie verwandeln den sogenannten Sehpurpur, und dann pflanzen sich diese chemischen Vorgänge in mein Gehirn fort. Mein Gehirn nimmt die Flamme wahr, es bekommt den Lichteindruck. Könnte ein anderer diejenigen Vorgänge, die sich in meinem Gehirn abspielen, sehen, was würde er wahrnehmen? Er würde nichts anderes wahrnehmen als physikalische Vorgänge; er würde etwas wahrnehmen, was sich in Raum und Zeit abspielt; nicht aber könnte er innerhalb der physikalischen Vorgänge in meinem Gehirn meinen Lichteindruck wahrnehmen. Dieser Lichteindruck ist etwas anderes als ein physikalischer

Dit licht bestaat in de uiterlijke ruimte hierin: de zogenaamde ethergolven bewegen zich van de lichtbron naar mijn oog, ze dringen mijn oog binnen, ze veroorzaken bepaalde chemische processen in de achterkant van mijn oogiris, ze veranderen het zogenaamde gezichtspurpur en dan planten deze chemische processen zich in mijn hersenen voort. Mijn hersenen nemen de vlam waar, ze krijgen de indruk van het licht. Zou een ander die processen die zich in mijn hersenen afspelen, zien, wat zou hij dan waarnemen? Hij zou niets anders waarnemen dan fysische activiteit hij zou iets waarnemen wat zich in de ruimte en de tijd afspeelt; maar hij zou binnen in de fysische processen in mijn hersenen mijn indruk van het licht kunnen zien. Deze indruk is iets anders dan een fysische

Blz. 257

Eindruck, der diesen Vorgängen zugrunde liegt. Der Lichteindruck, das Bild, das ich mir erst erschaffen muß, um die Flamme wahrnehmen zu können, ist ein Vorgang innerhalb meines astralischen Körpers. Derjenige, welcher ein Sehorgan hat, um einen solchen astralischen Vorgang wahrnehmen zu können, sieht ganz genau, wie sich die physikalischen Erscheinungen innerhalb des Gehirns in dem astralischen Körper umwandeln in das Bild der Flamme, das wir empfinden. 

indruk die aan deze processen ten grondslag ligt. De lichtindruk, het beeld dat ik eerst zelf moet scheppen om de vlam waar te kunnen nemen, is een proces binnen in mijn astraallichaam. Wie een orgaan heeft om dit te zien, om zo’n astraal proces te kunnen waarnemen, ziet heel precies hoe de fysische verschijnselen binnen de hersenen in het astraallichaam veranderen in het beeld van de vlam dat wij ervaren.
GA 52/256-257
Niet vertaald.

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het astraallijf

Antroposofie: een inspiratie:  over het astraallijf  [1]  [2]  [3]

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2961-2779

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

                    .

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/10)

.

Russisch sprookje

Verteltijd ca. 8 min.

.

Het verstandige meisje

.

Er waren eens twee broers onderweg; de een was arm, de ander welgesteld. Ze hadden allebei een paard, de arme een merrie, de welgestelde een ruin. Toen ze ergens samen overnachtten, kreeg de merrie van de arme in die nacht een veulen en dit gleed onder de kar van de rijke, ’s Morgens wekte deze de arme: ‘Sta op, broeder, mijn kar heeft vannacht een veulen geworpen.’ Zijn broer stond op en zei: ‘Hoe is het mogelijk dat een kar een veulen ter wereld brengt! Dat is natuurlijk mijn merrie geweest.’ De rijke zei: ‘Als jouw merrie het veulen geworpen had, zou het toch bij haar liggen.’ Ze bleven erover twisten en wendden zich tot de overheid. De welgestelde gaf de rechter geld, maar de arme pleitte met woorden voor zichzelf. Ten slotte werd de zaak aan de tsaar voorgelegd. Hij beval de beide broers te roepen en gaf hun vier raadsels op:
‘Wat is het sterkste en het snelste ter wereld, wat is het vetste, wat het zachtste en wat het dierbaarste ?’ En hij gaf hun drie dagen bedenktijd. ‘Op de vierde dag moeten jullie me antwoord komen geven.’

De rijke peinsde en peinsde, dacht opeens aan zijn peettante en ging haar om raad vragen. Zij liet hem aan tafel plaatsnemen, zette hem van allerlei voor en vroeg: ‘Waarom kijk je zo somber, peetzoon?’ ‘De tsaar heeft me vier raadsels opgegeven, en ik heb drie dagen bedenktijd gekregen.’ ‘Wat voor raadsels? Zeg me dat.’ ‘Luister dan, peettante, het eerste raadsel luidt: “Wat is het sterkste en snelste ter wereld?” ‘Hè, wat een raadsel is me dat nou! Mijn man heeft een bruine merrie en niets is sneller dan zij. Als je die de zweep laat voelen, haalt ze een haas in.’ ‘Het tweede raadsel luidt: “Wat is het vetste ter wereld?”’ ‘Wij mesten nu al het tweede jaar een gevlekte ever; die is zo vet geworden dat hij niet meer op zijn poten kan staan.’ ‘Het derde raadsel luidt zo: “Wat is het zachtste ter wereld?’” ‘Dat is toch bekend: een veren bed, iets zachters kun je niet bedenken. Het vierde raadsel: “Wat is het allerdierbaarste op de wereld?’ ‘Het allerdierbaarste en liefste is mijn kleinzoon Iwanoesjka! ’ ‘Dank je wel, peettante. Ik heb het van jou geleerd, en zal het nooit vergeten.’

Maar de arme boer ging bitter wenend naar huis; daar kwam zijn zevenjarig dochtertje hem tegemoet – zijn hele familie bestond uit deze enige dochter. ‘Waarom zucht je, vadertje, en waarom huil je?’ ‘Hoe kan ik anders dan treurig en in tranen zijn? De tsaar heeft me vier raadsels opgegeven die ik van zijn leven niet kan oplossen.’ ‘Zeg me wat die zijn.’ ‘Dit zijn ze: “Wat is het sterkste en snelste ter wereld, wat is het vetste, wat het zachtste en wat het dierbaarste?”
‘Ga naar de tsaar, vadertje, en zeg hem: “Het sterkste en het snelste is de wind, het vetste is de aarde – alles wat groeit en leeft wordt door haar gevoed. Het zachtste is de hand, want waar een mens ook gaat liggen, altijd legt hij zijn hand onder zijn hoofd; en iets dierbaarders en zoeters dan de slaap bestaat er niet.’”

Beide broers kwamen bij de tsaar, de rijke en de arme. De tsaar hoorde hen aan en vroeg de arme: ‘Heb je de raadsels zelf opgelost, of heeft iemand je dat geleerd?’ De arme antwoordde: ‘Uwe majesteit, ik heb een dochtertje van zeven jaar; zij heeft ze me geleerd.’
‘Als je dochter zo knap is, dan heb je hier een zijden draadje. Laat ze daarvan vóór de ochtend een gebloemde handdoek weven.’
De boer nam het zijden draadje aan en ging bedroefd en somber naar huis. Ach, wat zijn we ongelukkig,’ zei hij tegen zijn dochter. De tsaar heeft je bevolen uit dit draadje een handdoek te weven.’ ‘ Tob niet, vadertje,’ zei het zevenjarige meisje. Ze brak een takje uit de bezem, gaf het aan haar vader en zei: ‘Ga naar de tsaar en zeg hem dat hij een meester moet zoeken die uit dit takje een weefgetouw kan maken. Daarop zal ik dan de handdoek weven.’ De boer bracht dit aan de tsaar over. De tsaar gaf hem honderd vijftig eieren: ‘Geef ze aan je dochter,’ zei hij, ‘en laat ze er voor morgen honderdvijftig kuikens uit broeden.’

De boer kwam nog bedroefder, nog somberder thuis. ‘Ach, dochtertje, pas heb je het ene ongeluk achter de rug of er komt een ander op je af.’ ‘Tob niet, vadertje,’ zei het meisje. Ze kookte de eieren en zette ze opzij voor het middag- en het avondeten. Maar haar vader zond ze naar de tsaar: ‘Zeg hem dat de kuikens als voer eendaagse gierst nodig hebben. Op dezelfde dag moet het veld geploegd en de gierst gezaaid, geoogst en gemalen worden. Andere gierst willen onze kuikens niet eten.’ De tsaar hoorde het aan en zei: ‘Als je dochter zo verstandig is, laat ze zich dan morgenvroeg aan mij komen vertonen – niet te voet en niet te paard, niet naakt en niet gekleed, niet met een geschenk en niet zonder een gift.’

Nu, dacht de boer, een zo listig raadsel zal zelfs mijn dochter niet kunnen oplossen. Het is nu afgelopen met ons. ‘Tob niet, vadertje,’ zei zijn zevenjarig dochtertje. ‘Ga naar de jagers en koop voor mij een levende haas en een levende kwartel.’ De vader ging er heen en kocht de haas en de kwartel.

De volgende dag deed het kleine meisje ’s morgens al haar kleren uit, trok een net over zich heen, nam de kwartel in de hand en ging op de haas zitten. En zo reed ze naar het paleis. De tsaar kwam haar bij de poort tegemoet en zij boog voor hem.

‘Hier heb ik een gift voor u, heer tsaar,’ zei ze en gaf hem de kwartel. De tsaar wilde er zijn hand naar uitsteken, maar de kwartel vloog weg. ‘Goed,’ zei de tsaar, ‘het is gedaan zoals ik het had bevolen. Zeg me nu dit: je vader is immers arm. Waarvan leven jullie dan?’ ‘Mijn vader vangt vissen op de droge oever, hij zet geen fuiken uit in het water. Ik draag die vissen naar huis in de punt van mijn rok en kook er een vissoep van.’ ‘Ach wat! Dom kind, sinds wanneer zwemmen er vissen op de droge oever? Dat doen ze immers in het water.’ ‘Bent u dan soms verstandig? Wanneer is het ooit gezien dat een boerenkar een veulen ter wereld bracht? Het was niet de kar, maar de merrie.’ De tsaar besliste dat het veulen aan de arme boer moest worden gegeven, maar diens dochter nam hij in huis. En toen het zevenjarige meisje volwassen was geworden, trouwde hij met haar en werd ze tsaritsa.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2960-2778

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf – GA 34

.

Uit de voordrachten GA 34  GA 52  GA 53  GA 54  GA 55  GA 56  GA 57  GA 58  GA 59  nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam.

Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58; GA 59  over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.

In het onderstaande artikel gebeurt dit nu voor het astraallijf.

Steiner gebruikt steeds bepaalde gevoelswoorden waarvan het astraallijf ‘drager’ is.
Die woorden vind je hier verder uitgewerkt doordat er verschillende vertalingen van zijn gegeven.

GA 34

Lucifer-Gnosis

Lucifer-Gnosis

Von der Aura des Menschen 

Over de aura van de mens

Blz. 126/127 

Als physischer Körper ist der Mensch aus den Stoffen zusammengesetzt, die sich auch in der mineralischen Welt finden. Und es sind in ihm die Kräfte tätig, die auch in dieser Welt tätig sind. Der Sauerstoff, wel­chen der Mensch durch den Atmungsprozeß sich aneignet, ist derselbe, der sich in der Luft, der sich in den flüssigen und festen Bestandteilen der Erde findet. Und so ist es auch mit den Stoffen, die der Mensch in seinen Nahrungsmitteln aufnimmt. Man kann diese Stoffe und ihre Kräfte im Menschen studieren, wie man sie an anderen Naturkörpern studiert. Wenn man den Menschen so betrachtet, erkennt man ihn als ein Glied der mineralischen Welt.

Ferner kann man den Menschen betrachten, insofern er ein Lebewesen ist. Er zeigt da, wie sich die Stoffe und Kräfte der mineralischen Welt zu einem Organismus aufbauen, der sich in Gliedern gestaltet, der wächst und sich fortpflanzt, dessen Teile zu gemeinsamer Tätigkeit zusammenwirken. Diese Art des Daseins hat der Mensch mit all dem gemein, was lebt. Wer sich solcher Betrachtung hingibt, an den tritt die Frage heran: wodurch lebt ein Wesen?

Als fysiek lichaam is de mens uit de stoffen opgebouwd die zich ook in de minerale wereld bevinden. En in dit lichaam zijn de krachten werkzaam die ook in deze wereld werkzaam zijn. De zuurstof die de mens door zijn ademhaling in zich opneemt, is dezelfde die zich in de lucht, in de vloeibare en vaste bestanddelen van de aarde bevindt. En zo is het ook met de stoffen die de mens in zijn voedingsmiddelen tot zich neemt. Deze stoffen en krachten kun je aan de mens bestuderen, net zoals dat kan aan andere natuurlichamen. Wanneer we de mens zo bekijken, zien we hem als een deel van de minerale wereld.

Verder kan je naar de mens kijken voor zover hij een levend wezen is. Dan zie je hoe de stoffen en krachten van de minerale wereld tot een organisme opgebouwd worden, dat in verbinding van lichaamsdelen gestalte krijgt, dat groeit en zich voortplant, die delen werken samen. Deze manier van bestaan heeft de mens gemeenschappelijk met alles wat leeft. Wie met dit soort dingen bezig is, ziet zich voor de vraag gesteld: waardoor leeft een wezen?

Eine gewisse Richtung der neueren Naturwissenschaft macht sich die Antwort leicht auf diese Frage. Sie sagt einfach: das Wirken der mineralischen Stoffe und Kräfte im lebendigen Organismus ist von genau derselben Art wie in der unorganischen Natur, nur viel komplizierter. Im Sinne dieser Richtung hat man einen Organismus begriffen, wenn man die komplizierten physischen und chemischen Vorgänge begriffen hat, die sich innerhalb desselben abspielen. Diese Anschauung bestreitet, daß es besondere Ursachen gebe, welche die mineralischen Stoffe und Kräfte im Organismus zu Lebensvorgängen umgestalten. Ein lebhafter Kampf hat sich im neunzehnten Jahrhundert gegen die Vertreter einer besonderen Lebenskraft herausgebildet. Klares Denken hätte diesen Kampf verhindern sollen. Denn ebensowenig jemand bestreiten sollte, daß man eine Uhr verstehe, wenn man den Mechanismus ihrer Teile begriffen hat, ebensowenig könnte ein klar denkender Vertreter der Lebenskraft etwas dagegen haben, wenn man behauptet, man versteht in diesem Sinne naturwissenschaftlich den Organismus, wenn man die Wirksamkeit seiner Stoffe und Kräfte kennt. Aber kann deshalb jemand bestreiten, daß die mechanisch ganz begreifliche Uhr ohne den Uhrmacher nicht zustande kommen könne? Wer wirklich unterscheiden kann zwischen der Begreiflichkeit eines Or-

Een bepaalde richting van de moderne [geschreven 1904]natuurwetenschap maakt zich van die vraag met een makkelijk antwoord af. Er wordt simpelweg gezegd: de werking van minerale stoffen en krachten in het levende organisme is dezelfde als die in de anorganische natuur, alleen veel gecompliceerder. Volgens deze richting heb je een organisme begrepen, wanneer je de gecompliceerde fysische en chemische processen hebt begrepen die daarin werkzaam zijn. Deze opvatting bestrijdt dat er bijzondere oorzaken zijn die de minerale stoffen en krachten in het organisme omvormen tot levensprocessen. In de negentiende eeuw is er een krachtige strijd ontstaan tegen de vertegenwoordigers van een bijzonder soort levenskracht. Een helder denken zou deze strijd hebben moeten voorkomen. Want net zo min als iemand zou moeten bestrijden dat je een horloge begrijpt wanneer je het mechanisme van de onderdelen begrijpt, net zo min kan een helder denkende vertegenwoordiger van de levenskracht er iets tegen hebben als je beweert dat je op deze manier natuurwetenschappelijk het organisme begrijpt wanneer je de werking van zijn stoffen en krachten kent. Maar kan daarom iemand bestrijden dat het mechanisch heel goed te begrijpen horloge zonder horlogemaker er niet zou kunnen zijn? Wie echt onderscheid kan maken tussen het begrijpelijke van een 

Blz. 128

ganismus als einer physischen Tatsache und den Bedingungen seiner Entstehung, der kann nicht darüber unklar sein, daß mit obiger Begreiflichkeit das Dasein von besonderen Ursachen des Lebens ebensowenig berührt wird, wie das Dasein des Uhrmachers durch die mechanische Begreiflichkeit der Uhr. Und so wenig uns der Mechaniker, der die Uhr verständlich machen will, den Uhrmacher zu beschreiben braucht, so wenig braucht der rein physische Forscher die besonderen Ursachen des Lebens zu berücksichtigen. Derjenige aber, der tiefer in das Wesen der Erscheinungen eindringt, dem wird
es verständlich, daß zum Zustandekommen des physischen Organismus die Wesenheiten nicht ausreichen, die ihn physisch begreiflich erscheinen lassen. Deshalb sprechen die Einsichtigen von besonderen Ursachen des Lebens. Das Leben ist etwas, was im Organismus zu der physischen Wirkung hinzukommt und was sich den sinnlichen Augen und dem
Verstande, der sich nur an die sinnlichen Tatsachen hält, entzieht.

organisme als een fysiek feit en de voorwaarden voor het ontstaan ervan, die kan er niet over in het duister tasten dat met de hierboven aangegeven manier van begrijpen het bestaan van bijzondere oorzaken van het leven net zo min aangeduid wordt als het bestaan van de horlogemaker door het mechanisch begrijpen van het horloge. En net zo min als de technicus die het horloge uit wil leggen de horlogemaker hoeft te beschrijven, net zo min hoeft de puur natuurkundige onderzoeker rekening te houden met de bijzondere oorzaken van het leven. 
Maar voor wie dieper tot het wezenlijke van de verschijnselen doordringt, wordt het begrijpelijk dat voor het tot stand komen van het fysieke organisme 
het wezenlijke wat hem het fysieke doet begrijpen, niet voldoende is. Daarom spreken de mensen met inzicht over bijzondere oorzaken van het leven. Het leven is iets wat er in het organisme bij de fysieke activiteit bij komt en wat zich aan de zintuiglijke ogen en het verstand dat zich alleen aan de zintuiglijke feiten houdt, onttrekt.

Das Leben ist der Gegenstand einer besonderen Wahrnehmung, wie der Uhrmacher Gegenstand einer besonderen Wahrnehmung ist. Man muß mit den «Augen des Geistes » den Organismus betrachten, dann enthüllen sich die
besonderen Ursachen des Lebens, die sich der Sinnenbeobachtung entziehen. Als «Prana» (Kraft des Lebens) haben deshalb diejenigen, die mit den «Augen des Geistes» beobachten, den natürlichen Erbauer der Organismen bezeichnet. Für sie kann die «Lebenskraft» keinem Streite unterliegen, denn für sie ist
sie eine Wahrnehmung. Und alles, was gegen diese Verteidiger einer Lebenskraft vorgebracht wird, ist nur ein Kampf gegen Windmühlen. Es wird auch nur so lange vorgebracht, als man mißversteht, was sie meinen. In ihrem Sinne soll hier dem Menschen, insofern er ein Organismus ist, Prana oder die Lebenskraft, als das zweite Glied seiner Wesenheit neben dem physisch-mineralischen Körper, zugeschrieben werden.

Het leven is onderwerp van een bijzondere waarneming, zoals de horlogemaker onderdeel uitmaakt van een bijzondere waarneming. Je moet met het ‘geestesoog’ naar het organisme kijken, dan worden de bijzondere oorzaken van het leven onthuld die zich aan de zintuigwaarneming onttrekken. Als ‘prana’ (kracht van het leven) hebben daarom zij die met het ‘geestesoog’ kunnen waarnemen, de natuurlijke bouwer van de organismen bestempeld. Voor hen kan de ‘levenskracht’ geen onderwerp van discussie zijn, want voor hen is het een waarneming. En alles wat tegen de verdedigers van een levenskracht naar voren wordt gebracht, is alleen maar een strijd tegen windmolens. Dat wordt ook maar zo lang naar voren gebracht als het verkeerd begrijpen van wat ze bedoelen. Naar hun opvatting wordt hier aan de mens, voor zover hij een organisme is, prana of levenskracht als tweede wezensdeel naast het fysiek-minerale lichaam toegeschreven.. 
GA 34/126-127-128
Niet vertaald

Nadat Steiner hierboven wat langer stilstond bij wat ‘leven’ is, weidt hij in dit artikel ook meer uit over ‘het astrale’ .

Blz. 128/129

In der Empfindung hat man etwas gegeben, was über das bloße Leben hinausgeht. Durch das Leben baut sich ein Wesen seinen Organismus auf. Durch die Empfindung erschließt sich ihm die Außenwelt. Es ist ein anderes, wenn ich sage: ich lebe, und ein anderes, wenn ich sage: ich empfinde die Farbenwelt um mich her. Um zum empfindenden Wesen zu werden, muß der Organismus seinen Organen Eigenschaften geben, die über ihre Fähigkeit hinausgehen, ihm das Leben zu erhalten und durch ihn Leben fortzupflanzen. Was den lebenden zum empfindenden Organismus macht, nennt der Forscher, der mit« Geistesaugen » sieht, den Empfindungsleib, oder, wie es unter Theosophen üblich geworden ist, den Astralleib. Dieser Name «astral», der «sternenglänzend» bedeutet, rührt davon her, daß das übersinnlich sichtbare Abbild desselben in der Aura erscheint, deren Leuchtkraft mit derjenigen der Sterne verglichen worden ist. Hier soll dieser Teil des Menschen der Empfindungsleib, als das dritte Glied der menschlichen Wesenheit, genannt werden. Innerhalb dieses Empfindungsleibes erscheint nun das Eigenleben eines Menschen.

Bij de gewaarwording heb je iets dat meer is dan alleen maar leven. Door het leven vormt een wezen een organisme. Door de gewaarwording wordt de buitenwereld voor hem ontsloten. Het is wat anders of ik zeg: ik leef of dat ik zeg: ik word de wereld van de kleuren om mij heen gewaar. Om tot een wezen te worden dat gewaarwordt, moet het organisme aan zijn organen eigenschappen geven die boven hun vermogen uitgaan om het leven ervan in stand te houden en dat voort te planten.
Wat een levend organisme tot een organisme maakt dat gewaar kan worden, noemt de onderzoeker die ‘met geestesogen’ waarneemt, het gewaarwordingslijf of, zoals het onder theosofen de gewoonte is, het ‘astraallijf’. Deze naam ‘astraal’ dat ‘stralend als sterren’ betekent, komt van het feit dat de lichtkrachtige  weerspiegeling daarvan die bovenzintuiglijk waar te nemen, in de aura verschijnt, vergeleken is met dat van de sterren. Hier zal dit wezensdeel van de mens het gewaarwordingslijf worden genoemd, als het derde deel van zijn wezen.

Es drückt sich aus in Lust und Unlust, Freude und Schmerz, in Neigungen und Abneigungen usw. Mit einem gewissen Recht bezeichnet man alles, was dazu gehört, als Innenleben eines Wesens. Der gestirnte Himmel ist draußen im Räume, mein lebendiger Organismus gehört demselben Räume an. Dieser Organismus schließt sich in seinen empfindenden Organen dem Sternenhimmel auf. Die Freude und das Gefühl der Bewunderung über den Sternenhimmel erlebe ich in mir selbst. Ich trage diese in mir, wenn meinem empfindenden Auge längst der Sternenhimmel sich entzogen hat.
Was ich da als mich selbst der Außenwelt gegenüberstelle, was ein Leben in sich führt, ist die Seele. Und insofern diese Seele die Empfindungen sich aneignet, insofern sie Vorgänge, die ihr von außen gegeben werden, sich aneignet und sie
zum Eigenleben umgestaltet, sei sie Empfindungsseele genannt.
Diese Empfindungsseele füllt gleichsam den Empfindungsleib aus; alles, was er von außen aufnimmt, verwandelt sie in ein inneres Erlebnis. So bildet sie mit dem Empfindungsleib ein Ganzes. Sie wird deshalb mit diesem zusammen, in theosophischen Schriften, als Astralleib bezeichnet. Eine gründ-

Binnen dit gewaarwordingslijf verschijnt nu het eigen leven van een mens.
Dit drukt zich uit door lust en onlust, vreugde en verdriet, voorkeur en afkeur enz. Met een bepaald recht duidt men alles wat daarbij hoort aan als het innerlijk leven van een wezen. De sterrenhemel bevindt zich buiten in de ruimte, mijn levend organisme behoort tot dezelfde ruimte. Dit organisme staat met zijn organen die gewaar kunnen worden voor de sterrenhemel, open. De opgetogenheid en het gevoel van bewondering voor de sterrenhemel beleef ik in mij zelf. Wanneer mijn gewaarwordend oog langs de sterrenhemel zich daarvan losmaakt, draag ik deze in mij mee.
Wat ik daar als mijzelf tegenover de buitenwereld plaats, wat activiteit in zich meedraagt, is de ziel. En voor zover deze ziel de gewaarwordingen zich eigen maakt en ze omvormt tot een eigen leven, wordt deze gewaarwordingsziel genoemd. Deze gewaarwordingsziel vult in feite het gewaarwordingslijf op; alles wat die van buiten opneemt, vormt deze om in een innerlijke beleving. Op die manier vormt ze met het gewaarwordingslijf één geheel. Daarom wordt die met deze samen in theosofische literatuur benoemd als astraallijf. Een grondig

Blz. 130

liche Erkenntnis wird allerdings beide unterscheiden müssen. In der Aura sind auch beide insofern zu unterscheiden, als jeder Farbenton des Astralkörpers unter zwei Einflüssen steht. Der eine wird davon abhängen, wie die Organe des Menschen gestaltet sind, der andere davon, wie seine Seele, nach ihrer
inneren Natur, auf äußere Eindrücke antwortet. Ein Mensch kann ein gutes oder schlechtes Auge haben. Darnach richtet sich das Bild, das er von einem äußeren Gegenstande empfängt; er kann seelisch feiner oder gröber veranlagt sein, darnach bestimmt sich das Gefühl, das er durch dieses Bild in seinem Innern erlebt.
Bei den Eindrücken, die der Mensch von außen empfängt, und bei den Gefühlen, die er durch diese Eindrücke erlebt, bleibt er nicht stehen. Er verbindet diese Eindrücke. Dadurch bilden sich in seiner Seele Gesamtbilder dessen, was er wahrnimmt. Der Mensch sieht einen Stein fallen; nachher sieht er, daß an der Stelle, wo der Stein aufgefallen ist, sich eine Höhlung in der Erde gebildet hat. Beide Eindrücke verbindet er.

inzicht zal echter die twee moeten onderscheiden. In de aura zijn ze van elkaar te onderscheiden voor zover iedere kleurnuance van het astraallijf door twee dingen beïnvloed wordt. Het ene zal ervan afhangen hoe de organen van de mens gevormd zijn, het andere hoe zijn ziel volgens haar innerlijke natuur op andere indrukken reageert. Een mens kan goede of slechte ogen hebben. Het beeld dat hij van een uiterlijk voorwerp krijgt, is daarvan afhankelijk; hij kan in aanleg een ziel hebben die verfijnder of grover is, en daarvan is het gevoel afhankelijk dat hij door dit beeld in zijn innerlijk beleeft.
Bij de indrukken die de mens van buitenaf krijgt en bij de gevoelens die hij door deze indrukken beleeft, blijft de mens niet stilstaan. Hij verbindt die indrukken. Daardoor vormt hij in zijn ziel totaalbeelden van wat hij waarneemt. De mens ziet een steen vallen, later ziet hij dat op de plaats waar de steen gevallen is, een
kuil is ontstaan. Beide indrukken verbindt hij met elkaar.

Er sagt: der Stein hat die Erde ausgehöhlt. In dieser Verbindung äußert sich das Denken. Innerhalb der Empfindungsseele lebt die denkende, die Verstandesseek auf. Nur durch sie entsteht aus dem, was die Seele durch Einflüsse von außen erlebt, ein durch sie selbst geregeltes Abbild dieser Außenwelt. Fortwährend vollzieht die Seele diese Regelung ihrer äußeren Eindrücke. Und das, was sie so erzeugt, ist eine durch ihre Natur bestimmte Beschreibung dessen, was sie wahrnimmt. Daß es durch ihre Natur bestimmt ist, ergibt sich, wenn man eine solche Beschreibung mit dem vergleicht, was beschrieben wird. Zwei Menschen können denselben Gegenstand vor sich haben; ihre Beschreibungen sind verschieden nach den inneren Beschaffenheiten ihrer Seelen. Sie kombinieren ihre Eindrücke in verschiedener Weise. Durch das beschreibende Denken wird aber der Mensch auch über das bloße Eigenleben hinausgeführt. Er erwirbt sich etwas, das über seine Seele hinausreicht. Es ist für ihn eine selbstverständliche Überzeugung, daß seine Beschrei-  

Hij zegt: de steen heeft een kuil in de aarde gemaakt. In deze verbinding komt het denken tot uitdrukking. Binnen de gewaarwordingsziel komt de denkende, de verstandsziel tot leven. Alleen door deze ontstaat uit wat de ziel beleeft door invloed van buitenaf, een door haar zelf georganiseerd beeld van deze buitenwereld. Voortdurend voltrekt de ziel dit organiseren van haar uiterlijke indrukken. En wat deze dan creëert is een door haar natuur bepaalde beschrijving van wat zij waarneemt. Dat dit door haar natuur bepaald wordt, blijkt wanneer je een dergelijke beschrijving vergelijkt met wat er beschreven wordt. Twee mensen kunnen hetzelfde voorwerp voor zich hebben; de beschrijvingen ervan zijn verschillend door de verschillende aard van hun ziel. Zij combineren hun indrukken op een verschillende manier. Door het beschrijvende denken, wordt de mens echter boven het alleen maar ervaren opgetild. Hij verwerft zich iets wat boven zijn ziel uitstijgt. Voor hem is het een vanzelfsprekende overtuiging dat zijn beschrijvingen

Blz. 131

bungen der Dinge mit diesen selbst in einem Verhältnisse stehen. Er orientiert sich in der Welt dadurch, daß er über sie denkt. Er erlebt dadurch eine gewisse Übereinstimmung seines Eigenlebens mit der Ordnung der Welttatsachen. Die
Verstandesseele schafft dadurch Einklang zwischen Seele und Welt. In seiner Seele sucht der Mensch nach Wahrheit; und durch diese Wahrheit spricht sich nicht allein die Seele aus, sondern die Dinge der Welt. Was durch das Denken als Wahrheit erkannt wird, hat eine selbständige Bedeutung, nicht bloß eine solche für die menschliche Seele. Mit meinem Entzücken über den Sternenhimmel lebe ich allein in mir; die Gedanken, die ich mir über die Bahnen der Himmelskörper bilde, haben für das Denken jedes anderen dieselbe Bedeutung wie für das meinige. Es wäre sinnlos, von meinem Entzücken zu sprechen, wenn ich nicht vorhanden wäre; aber es ist nicht in derselben Weise sinnlos, von meinen Gedanken auch ohne Beziehung auf mich zu sprechen. Denn die Wahrheit, die ich heute denke, war auch gestern wahr, und wird auch morgen wahr sein, obwohl ich mich nur heute mit ihr beschäftige.

van de dingen een verbinding hebben met deze zelf. Hij oriënteert zich in de wereld doordat hij over haar denkt. Hij beleeft daardoor een bepaalde overeenstemming van zijn eigen leven met de ordening van de feiten in de wereld. De verstandsziel scherpt daardoor overeenstemming tussen ziel en wereld. In zijn ziel zoekt de mens naar waarheid; en door deze waarheid spreekt niet alleen de ziel zich uit, maar ook de dingen van de wereld. Wat door het denken als waarheid wordt gezien, heeft een zelfstandige betekenis, niet alleen een voor de menselijke ziel. Met mijn verwondering over de sterrenhemel, leef ik alleen in mezelf; de gedachten die ik mij over de banen van de hemellichamen vorm, hebben voor het denken van ieder ander mens dezelfde betekenis als voor de mijne. Het zou zinloos zijn over mijn verwondering te spreken, wanneer ik er niet zou zijn; maar het is niet op dezelfde manier zinloos over mijn gedachten te spreken, ook zonder die op mijzelf te betrekken.
Want de waarheid die ik vandaag denk, was ook gisteren waar en zal ook morgen waar zijn, hoewel ik mij alleen vandaag met haar bezighoud.

Macht eine Erkenntnis mir Freude, so ist diese Freude nur so lange von Bedeutung, als ich sie erlebe; die Wahrheit dieser Erkenntnis hat ihre Bedeutung ganz unabhängig von dieser Freude. In der Verbindung mit der Wahrheit ergreift die Seele etwas, das seinen Wert in sich trägt. Und dieser Wert verschwindet nicht mit dem eigenen Seelenerlebnis; ebensowenig ist er mit diesem entstanden. leib, so in der Seele die Empfindungsseele, Verstandesseele und Bewußtseinsseele.
Es ist ein wesentlicher Unterschied zwischen den Beschreibungen, bei denen die Verstandesseele lediglich sich bei ihren Kombinationen überläßt, und den Gedanken, bei denen sie sich den Gesetzen der Wahrheit unterwirft. Ein Gedanke, der dadurch eine über das Innenleben hinausgehende Bedeutung
erhält, daß er von diesen Gesetzen der Wahrheit durchdrungen ist, darf erst als Wissen angesehen werden. Indem die Wahrheit in die Verstandesseele hereinleuchtet, wird diese zur Bewußtseinsseele. Wie im Leibe drei Glieder zu unterscheiden sind: der physische Leib, das Leben und der Empfindungsseele.

Wanneer een inzicht mij vreugde bereidt, dan is die vreugde slechts zolang van betekenis, als ik die beleef; de waarheid van dit inzicht heeft haar betekenis geheel onafhankelijk van deze vreugde. In de verbinding met de waarheid pakt de ziel iets wat zijn waarde in zich heeft. En deze waarde verdwijnt niet met de eigen zielenbeleving; net zo min is deze met haar is ontstaan.
Er is een wezenlijk verschil tussen de beschrijvingen waarbij de verstandsziel alleen maar bij haar combinaties stil blijft staan en de gedachten waarbij zij zich aan de wetten van de waarheid onderwerpt. Een gedachte die een betekenis krijgt die uitgaat boven het innerlijk leven doordat deze doordrongen wordt door de wetten van de waarheid, kan pas als inzicht worden aangezien. Als de waarheid in de verstandsziel licht werpt, wordt deze tot bewustzijnsziel.
Zoals in het lichaam drie wezensdelen zijn te onderscheiden: fysiek lichaam, etherlijf en gewaarwordingslijf, zo zijn dat in de ziel de gewaarwordingsziel, verstandsziel en bewustzijnsziel.
GA 34/129-131 
Niet vertaald

Lucifer-Gnosis

Lucifer-Gnosis

Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft

De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie

Blz. 315   vert. 16

Diesen Äther- oder Lebensleib hat der Mensch mit Pflanzen und Tieren gemeinsam. Er bewirkt, daß die Stoffe und Kräfte des physischen Leibes sich zu den Erscheinungen des Wachstums, der Fortpflanzung, der inneren Bewegung der Säfte usw. gestalten. Er ist also der Erbauer und Bildner des physischen
Leibes, dessen Bewohner und Architekt. Man kann daher auch den physischen Leib ein Abbild oder einen Ausdruck dieses Lebensleibes nennen. In bezug auf Form und Größe sind beide beim Menschen annähernd, doch keineswegs ganz gleich. Beiden Tieren und noch mehr bei den Pflanzen unterscheidet sich aber der Ätherleib in bezug auf die Gestalt und Ausdehnung erheblich von dem physischen Leibe.

Dit ether- of levenslichaam heeft de mens met planten en dieren gemeen. Het bewerkstelligt, dat de stoffen en krachten van het fysieke lichaam zo tot een organisch geheel gevormd worden, dat de verschijnselen van groei, voortplanting, inwendige vloeistofbeweging enzovoort optreden. Het etherlichaam bouwt dus het fysieke lichaam op en geeft het zijn plastische vorm, het is zijn bewoner en tevens zijn architect. Daarom kan men ook zeggen, dat het levenslichaam zichzelf in het fysieke lichaam uitdrukt als in een beeltenis. Beide zijn bij de mens, wat betreft hun vorm en grootte, ongeveer, geenszins geheel en al, gelijk. Bij dieren en sterker nog bij planten verschillen vorm en afmeting van het etherlichaam aanmerkelijk van die van het fysieke lichaam.

Das dritte Glied der menschlichen Wesenheit ist der sogenannte Empfindungs- oder Astralleib. Er ist der Träger von Schmerz und Lust, von Trieb, Begierde und Leidenschaft usw.
Alles dies hat ein Wesen nicht, welches bloß aus physischem Leib und Ätherleib besteht. Man kann alles das Genannte zusammenfassen unter dem Ausdrucke: Empfindung. Die Pflanze hat nicht Empfindung. Wenn in unserer Zeit mancher Gelehrte aus der Tatsache, daß manche Pflanzen auf Reize mit Bewegungen oder in anderer Art antworten, schließt: die Pflanzen haben ein gewisses Empfindungsvermögen, so zeigt er damit bloß, daß er das Wesen der Empfindung nicht kennt. Es kommt dabei nämlich nicht darauf an, daß das betreffende Wesen eine Antwort gibt auf einen äußeren Reiz, sondern vielmehr darauf, daß der Reiz sich durch einen inneren Vorgang, wie Lust, oder Schmerz, Trieb, Begierde usw. abspiegelt.
Hielte man dies nicht fest, so wäre man auch berechtigt, zu sagen, daß blaues Lakmuspapier eine Empfindung habe von gewissen Substanzen, weil es sich beim Berühren mit denselben rötete.
Den Empfindungsleib hat der Mensch nur noch mit der Tierwelt gemeinsam. Er ist also der Träger des Empfindungslebens.


Het derde complex van werkingen, dat van de twee voorafgaande ‘lichamen’ onderscheiden moet worden, is het zogenaamde gewaarwordings-of astrale lichaam. Het is de drager van pijn en welbehagen, van driften, begeerte, hartstochten enzovoort. Dit alles ontbreekt bij een wezen, dat slechts uit een fysiek en een etherisch lichaam bestaat. Men kan alles wat hier genoemd wordt als behorend tot het astrale complex samenvatten met het woord: gewaarwording.* De plant heeft geen gewaarwording. Wanneer tegenwoordig vele geleerden op grond van het feit, dat sommige planten met bewegingen of anderszins op prikkels reageren, tot de gevolgtrekking komen, dat planten een zeker gewaarwordingsvermogen bezitten, bewijzen zij daarmee slechts de werkelijke aard van de gewaarwording niet te kennen. Het komt er in zulke gevallen namelijk niet zozeer op aan, of er een reactie volgt op een prikkel van buitenaf, dan wel of de prikkel zich in het betreffende wezen afspiegelt door een innerlijk proces zoals lust, pijn, drift, begeerte enzovoort. Zou men dit niet in het oog houden, dan zou men met hetzelfde recht kunnen zeggen, dat blauw lakmoespapier een gewaarwording heeft van bepaalde stoffen, omdat het bij de aanraking daarvan reageert met een rode verkleuring.*
Dit gewaarwordingslichaam heeft de mens alleen met de dierenwereld gemeen. Het is dus de drager van het gewaarwordingsleven.

* In het Duits staat: Empfindung, hetgeen gewaarwording én het daarbij aansluitende gevoel betekent (vert.)

**Met moet bijzondere nadruk leggen op hetgeen hier gezegd is, omdat juist in onze tijd op dit punt een grote verwarring heerst. Velen verdoezelen tegenwoordig het verschil tussen planten en gewaarwordende wezens, omdat zij omtrent het eigenlijke karakter van de gewaarwording geen helder inzicht hebben. Als een wezen (of ding) op de een of andere manier reageert op een indruk, die er van buitenaf op gemaakt wordt, dan heeft men nog niet het recht te zeggen, dat het deze indruk gewaarwordt. Dat kan men alleen zeggen, wanneer het die indruk innerlijk beleeft en er dus een soort innerlijke spiegeling van de uiterlijke prikkel plaats vindt. De grote vooruitgang van onze natuurwetenschap, die de geesteswetenschappelijke onderzoeker zeer zeker in hoge mate bewondert, heeft ten aanzien van principiële begrippen verwarring gebracht. Zekere biologen weten niet wat gewaarwording is, daarom schrijven zij deze ook toe aan wezens, die dit vermogen missen. Wat zij – deze biologen – onder gewaarwording verstaan, dat mogen ze ook aan dergelijke wezens toeschrijven. Maar wat de geesteswetenschap daaronder moet verstaan, is iets totaal anders.

Blz. 316  vert. 18

Man darf nicht in den Fehler gewisser theosophischer Kreise verfallen, und sich den Äther- und Empfindungsleib einfach aus feineren Stoffen bestehend denken, als sie im physischen Leib vorhanden sind. Das hieße diese höheren Glieder der menschlichen Natur vermaterialisieren. Der Ätherleib ist eine
Kraftgestalt; er besteht aus wirkenden Kräften, nicht aber aus Stoff; und der Astral- oder Empfindungsleib ist eine Gestalt aus in sich beweglichen, farbigen, leuchtenden Bildern.
.Der Empfindungsleib ist in Form und Größe von dem physischen Leibe abweichend. Er zeigt beim Menschen die Gestalt eines länglichen Eies, in dem der physische und der Ätherleib eingebettet sind. Er ragt an allen Seiten über die beiden als eine Lichtbildgestalt hervor.

Men mag niet in de fout van bepaalde theosofische kringen vervallen door te menen, dat het ether- en astrale lichaam eenvoudigweg uit ijlere substanties bestaan dan die, welke in het fysieke lichaam voorkomen. Zodoende zou men deze hogere delen van de menselijke natuur vermaterialiseren. Het etherlichaam is een gesloten complex van krachten, het bestaat niet uit materie, maar uit krachtwerkingen; en het astrale- of gewaarwordingslichaam is een gesloten vorm van stromende kleurige licht uitstralende beelden.* Het gewaarwordingslichaam wijkt in zijn vorm en grootte van het fysieke lichaam af. Bij de mens heeft het de vorm van een langwerpig ei, dat het fysieke en het etherische lichaam omsluit. Het breidt zich aan alle zijden om deze beide uit als een weefsel van lichtgevende beelden.

*Men moet een onderscheid maken tussen het innerlijke beleven van het  gewaarwordingslichaam zelf en het waarnemen daarvan door de geschoolde geestesblik. Hier is bedoeld, wat waarneembaar is voor de bovenzinnelijke organen van de geesteswetenschappelijke onderzoeker.
GA 34/315-316    
De opvoeding van het kind‘/18-19

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het astraallijf

Antroposofie: een inspiratie:

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2959-2777

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – (Kring)spelen (7)

.

VINGER IN DE ROET

In het midden staat een kandelaar met een brandende kaars.
(Uiteraard is voorzichtigheid geboden: een emmer water en een paar natte doeken in de buurt.)

Op een veilige afstand van de kaars vormen de kinderen een kringetje met de handen vast en ze zingen het liedje ‘Vinger in de roet’.

Vinger in de roet, wie er mee doet!
Vanavond, met een kaarsje,
met een lichtje aan de deur
-hoezee!

Daarbij lopen zij op een holletje rond. Bij ‘hoezee’ laten zij los, waarbij ze zich mogen laten vallen. 
Dan begint het weer opnieuw. De uitdaging kan zijn dat de kinderen de kring a.h.w. naar buiten toe oprekken, spannen, maar zonder dat die ‘breekt’.

Vroeger was  dit spelletje bekend als een Driekoningenspel. ’s Avonds 6 januari werd het door kleine kinderen gespeeld. Zij hadden zich verkleed als de drie koningen: Caspar, Melchior en Balthazar, waarvan een. De ’zwarte Melckert’ had zijn gezicht met roet zwart gemaakt.
Bij de voordeur van het huis waar werd aangebeld, zetten ze een brandend kaarsje op de grond gezet en daar sprongen ze overheen (wat doet denken aan het St.-Jansfeest of de midzomervuren).
Daarna dansten ze er nog omheen en lieten zich omrollen.

Volgens Mellie Uyldert zou de vorm van het spel kunnen duiden op, dat dit een heel oud, voorchristelijk spel is, dat rond midwinter gespeeld werd als een welkom aan de levensgeest!
Dat is het kaarsje, het stelt zijn kracht voor, waaraan met deel wil hebben, en waardoor men zo in vervoering raakt, dat men ervan omvalt.

De zwarte figuur is dan Nöth, die door zijn vader op de schimmel gebracht en die als voorloper van Zwarte Piet met de levengevende roede bij de mensen komt!

Muziek en een variatie op het spel

.

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

2958-2776

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het etherlijf (GA 59)

. Zie eerst de inleiding tot dit onderwerp. In deze artikelen ging heover het fysiek lichaamDe opmerkingen van Rudolf Steiner daarover in zijn verschillende voordrachten. Als een soort definitie isoleerde ik daarin de opmerkingen van de context. Daardoor werd wel duidelijk hoe Steiner karakteriseert en dat wij deze omschrijvingen goed kunnen gebruiken wanneer we het mensbeeld waarmee we werken, willen uitleggen. Anderzijds kan, wat ik daar doe, helemaal niet. Want om iets duidelijk te maken, raadt Steiner ons aan, bijv. vooral in ‘tegenstellingen’ te denken. Zo zegt hij vaak dat we ‘het leven moeten leren kennen’ en daarbij moeten we niet uit het oog verliezen: Das Leben entwickelt sich in Gegensätzen. Het leven ontwikkelt zich in tegenstellingen. GA 297149 Op deze blog vertaald/149 Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe. Door feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen. GA293/113 Vertaald/116 Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige. Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven. GA 293/148 Vertaald/150 Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen. De werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld zien GA 293/124 Vertaald/126 Vooral ‘het ene op het andere betrekken’ en naar de tegenstellingen kijken, geeft ons meer inzicht in de samenhang van de wezensdelen. De opmerkingen over het fysieke lichaam zullen nu in relatie worden gebracht met die over het etherlijf. GA 59

Metamorphosen des Seelenlebens Pfade der Seelenerlebnisse

Metamorfose van de ziel Ervaringen van de ziel

Voordracht 10, Berlijn 10 januari 1910

Die Geisteswissenschaft und die Sprache

Geesteswetenschap en spraak

Blz. 13 Für die Geisteswissenschaft ist der Mensch im Grunde genommen ein sehr kompliziertes Wesen. So wie er vor uns steht, hat er zunächst seinen physischen Leib, der in sich dieselben Gesetze und Substantialitäten hat, die wir auch in der mineralischen Welt finden. Dann hat der Mensch für die Geisteswissenschaft als ein zweites, höheres Glied seiner Wesenheit den Ätherleib oder Lebensleib. Voor de geesteswetenschap is de mens in de grond van de zaak een zeer gecompliceerd wezen. Zoals hij voor ons staat, heeft hij in eerste instantie zijn  fysieke lichaam dat in zich dezelfde wetten en substanties heeft, die we ook in de minerale wereld vinden. Dan heeft de mens voor de geesteswetenschap nog een tweede, hoger wezensdeel: het etherlijf of levenslijf. GA 59/13 Niet vertaald Blz. 21 Was wir in uns das Gefäß- oder Drüsensystem nennen, ist beim Menschen und auch beim Tier der äußere physische Ausdruck des Äther- oder Lebensleibes, das heißt, der Atherleib ist der Architekt oder Bildner von.dem, was wir das Drüsen- oder Gefäßsystem nennen. Wat wij in ons het vaten- of kliersysteem noemen, is bij de mens en ook bij het dier de uiterlijke uitdrukking van het ether- of levenslijf, d.w.z. het etherlijf is de architect of de bouwer van wat wij het klier- of vatensysteem noemen. GA 59/21 Niet vertaald Voordracht 11, Berlijn, 3. februari 1910

Lachen und Weinen

Lachen en huilen

Blz. 44 Wir haben gesehen, wie sich der Mensch uns darstellt, wenn wir ihn in seiner vollständigen Wesenheit betrachten, bestehend aus seinem physischen Leib, den er gemeinschaftlich hat mit der ganzen mineralischen Natur, aus seinem Äther- oder Lebensleib, den er gemeinschaftlich hat mit der ganzen pflanzlichen Natur We hebben gezien hoe de mens zich aan ons vertoont, wanneer wij hem als volledig wezen bekijken, bestaand uit zijn fysieke lichaam, dat hij gemeenschappelijk heeft met de hele minerale wereld., uit een etherlijf- of levenslijf dat hij gemeenschappelijk heeft met de hele plantaardige natuur. GA 59/44 Niet vertaald Voordracht 14, Berlijn, 3 maart 1910 

Krankheit und Heilung

  Ziekte en genezing

Blz. 136 Die(se) Gesamtnatur (des Menschen) haben wir schon öfter hier so dargestellt, daß sie sich zusammensetzt aus den realen vier Gliedern des menschlichen Wesens: erstens aus dem physischen Leib, den der Mensch gemeinschaftlich hat mit allen mineralischen Wesen seiner Umgebung, welche ihre Formen von den ihnen innewohnenden physischen und chemischen Kräften und Gesetzen haben. Das zweite Glied der menschlichen Wesenheit nannten wir immer den Äther- oder Lebensleib und konnten sagen, daß ihn der Mensch in der Art, wie wir von ihm sprechen, gemeinschaftlich hat mit allem Lebendigen, also mit den pflanzlichen und tierischen Wesenheiten seiner Umgebung. De mens als totaliteit hebben we hier al vaker zo ten tonele gevoerd, dat die totaliteit bestaat uit vier werkelijke delen: ten eerste: het fysieke lichaam dat de mens gemeenschappelijk heeft met al het minerale uit zijn omgeving dat zijn vorm krijgt door de daarin werkende fysieke en chemische krachten en wetten. Het tweede wezensdeel noemen we steeds het ether- of levenslijf en we konden zeggen dat de mens zoals wij over hem spreken die gemeenschappelijk heeft met alles wat leeft, dus met de plantaardige en dierlijke wezens uit zijn omgeving. GA 59/136 Niet vertaald Voordracht 16 Berlijn, 28 april 1910 

Irrtum und Irresein

Van het pad af en de weg kwijt

Blz. 214 Wir unterscheiden an dem äußeren Menschen zunächst dasjenige Glied, das wir mit physischen Augen sehen, mit Händen greifen können: den physischen Leib. Dann aber kennen wir ein anderes Glied, das wir den Ätherleib genannt haben, eine Art von Kraftgestalt, die der eigentliche Aufbauer und Bildner des physischen Leibes ist. We onderscheiden aan de uiterlijke mens in eerste instantie dat wezensdeel dat wij met fysieke ogen zien, met handen kunnen beetpakken: het fysieke lichaam. Maar, dan kennen we nog een ander wezensdeel dat we etherlijf hebben genoemd, een soort krachtgestalte die de eigenlijke opbouwer en vormgever van het fysieke lichaam is. [Bildner = ook beeldhouwer]. GA 59/214 Niet vertaald Algemene menskunde: voordracht 1 –over het etherlijf Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen Algemene menskundealle artikelen Rudolf Steineralle artikelen op deze blog Menskunde en pedagogiealle artikelen Vrijeschool in beeld: alle beelden .
2957-2775
. . .

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (83)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

HET GROTE HUIS

Nu in deze tijd (2023) ernstig wordt nagedacht over ons slavernijverleden, komen er ook gebeurtenissen aan het licht die we nu vanuit een ander bewustzijn anders beoordelen. Het is goed steeds het verleden onder ogen te zien en ons af te vragen ‘waar we staan’. Het verleden kan ons veel richting geven voor de toekomst. Een betere toekomst; een menswaardiger toekomst.

Het ‘grote huis’ is het huis van een koloniale Hollandse planter met zijn gezin. Er worden ook slaven gehouden.
En dus zou het geen boek meer hoeven te zijn om nog eens te lezen hoe het ook al weer zat met ‘de V.O.C.-mentaliteit’.
De schrijver woonde zelf een tijd in Indonesië. Hij schreef het boek in 1938.
Het lijkt erop dat hij heel goed inziet dat ‘slaven’ niet kunnen en hij stuurt in zijn verhaal aan op niet alleen een menswaardige omgang, ze krijgen ook hun vrijheid terug en sterker nog: ze gaan belangrijke functies op de plantage bekleden.
Het verhaal gaat om de avonturen die de zoon – Rein – van de planter en Johannes, de zoon van de slaaf-werkman Lucas, beleven.
De schrijver weet een mooie sfeer te scheppen van het landschap – de geheimzinnige plantage – en het leven van de mensen die er wonen en werken.
Mooi vind ik dat het de kinderen zijn die geen onderscheid beleven en dus niet maken! in hun mens-zijn door verschil in kleur of status. Het wezenlijke van het gelijkwaardige wordt a.h.w. nog eens onderstreept door het huwelijk van Rein met de zuster van Lucas, Mirjam.

S.Franke

Ill. F. van Bemmel

Uitg. De Arbeiderspers

Boek

Leeftijd rond 12 jr.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs.

.

2956-2774

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Lezen: het kan anders!

.

In het NRC van 29-12-2022 zegt (niet-vrijeschool)juf Anne Steenhoff:

Het leesniveau van kinderen daalt en dat ligt aan ons

.

Ze heeft in haar groep(en) 8 geëxperimenteerd en komt tot de conclusie:

Wie wil dat kinderen beter lezen moet eerst kijken naar het aanbod. Met begrijpend lezen en populaire maar laagwaardige kinderboeken komen we er niet.

Volgens de onderwijsinspectie ‘haalt aan het eind van het basison­derwijs slechts de helft van de kinderen niveau 2F, de minimale vaar­digheid om mee te kunnen komen in de maatschappij’

Hoe komt het toch dat meer kinderen dan vroeger – schijnt het – niet graag lezen.

Ook juf Steenhoff ziet datiedereen direct wijst naar de schermen, leestijd zou ingeruild zijn voor tijd op de iPad en achter de tele­visie.
Zij ziet dat ook wel, maar ze gaat veel verder en trekt een m.i. verrassende en enigszins schokkende conclusie: 
het ligt aan ons!

Juf Steenhoff:

‘Al vier jaar doe ik, als leerkracht van groep acht in het basisonderwijs, onderzoek naar deze vraag. Ik heb van de schooldirectie de vrijheid ge­kregen te experimenteren. Het duur­de niet heel lang om drie belangrijke oorzaken te achterhalen;
= niet elk kind heeft een gelijke start,
= we on­derschatten de kracht van kinderlite­ratuur in plaats van begrijpend lezen = de kwaliteit van de boeken die we aanbieden is de afgelopen tien jaar drastisch gedaald.’

‘In een gemiddelde klas besteedt een leerkracht vijftien minuten aan het lezen van kinderliteratuur, ter­wijl juist deze boeken cruciaal zijn voor de leesontwikkeling. Kinderen leren niet alleen lezen, maar ook de ontwikkeling van empathie en sociale vaardigheden zijn direct te linken aan het lezen van kinderliteratuur. Zaken die in de teksten bij begrijpend lezen veel minder aan bod komen. Aan begrijpend lezen wordt in het schoolprogramma aanzienlijk meer tijd besteed maar de vraag is of dat goed is. De teksten zijn vaak gort­droog, saai en zorgen er meer dan eens voor dat kinderen lezen gaan haten. Zelfs mijn échte boekenlief­hebbers slaken bij begrijpend lezen een diepe zucht.’

Deze woorden zijn mij – oud-vrijeschoolleerkracht – uit het hart gegrepen.
Het ‘begrijpend lezen’ heb ik altijd beschouwd als een vrucht van het intellectuele onderwijs. Sterk een beroep doend op de krachten van ‘het spiegelen’, dus van de antipathie – wie deze vrijeschoolvaktaal beter wil leren kennen, zal Steiners ‘Algemene menskunde‘ moeten bestuderen, m.n. voordracht 2  – hier met uitleg.
(Uiteraard is dit geen pleidooi tegen de noodzaak dat kinderen leren begrijpen – het gaat erom HOE en WANNEER dat gebeurt.)

Wat zij over de kinderliteratuur zegt, heeft eveneens mijn volledige instemming.
Ik heb hier een poging gedaan iets van literatuur voor een 2e klas aan te dragen.

Wat de inhoud van de boekenkast betreft:

‘Het niveau van de gemiddelde boekenkast op school en thuis is de afgelopen tien jaar drastisch is ge­daald. Van ongeveer 1960 tot 2010 groeiden kinderen op met werken van dezelfde populaire auteurs, Annie M.G. Schmidt, Tonke Dragt en Astrid Lindgren bijvoorbeeld. Alle­maal kwalitatief hoogwaardige au­teurs, met substantiële boeken en taalgebruik waar kinderen iets van opsteken. Kijk naar de huidige kin­derboeken top tien en het valt al snel op dat de boeken van die auteurs zijn vervangen door series Amerikaanse strips, zoals Het leven van een loser of Dogman. Dit zijn vertaalde stripboe­ken, er is weinig tekst en ze zijn in de meeste gevallen taalkundig van een zeer lage kwaliteit. We hebben onze kinderen wat betreft lezen op een fastfood dieet gezet en vragen ons nu af waarom ze dik en ongezond aan het worden zijn.’

Als je de oorzaak weet is het niet moeilijk je beleid erop aan te passen. Ik ging met een grote vuilniszak door de boekenkast op school, en verving alles wat niet aan mijn eisen voldeed door oude en nieuwe boeken van ho­gere letterkundige kwaliteit. Ik ver­lengde de leestijd van vijftien naar minimaal dertig minuten per dag en maakte begrijpend lezen in mijn klas eerder uitzondering dan regel. Het resultaat? Het gemiddelde leesni­veau in mijn klas ligt na een half jaar op 3F, het niveau dat leerlingen na af­ronding van havo of mbo 4 bereikt moeten hebben.

En wij wisten al: opvoeding is zelfopvoeding.* 
Volgens mij geldt dat hier ook: 

Waarom doen we dit in onder­wijsland dan niet massaal, hoor ik u denken. Omdat het van de leerkracht vraagt dat zij of hij weet wat hoogwaardige kinderli­teratuur is en dus zelf aan het lezen moet slaan. Ik heb elk boek dat ik mijn leerlingen aanbied eerst zelf gelezen.

Ik adviseer ze boeken waarvan ik weet dat de onderwerpen aansluiten bij het individu en dat het leesniveau hen persoonlijk uitdaagt. „Juf heb je dit zelf gelezen, waar gaat het over?”, is een veelgestelde vraag in mijn klas, ze kijken voor het verder ontwikkelen van hun eigen leesvaardigheid logi­scherwijs naar mij. Dus de volgende keer dat iemand stelt dat het leesni­veau van kinderen en jongeren zo slecht is vanwege alle schermtijd, vraag hen dan: wanneer las jij voor het laatst een goed kinderboek?

*Iedere opvoeding is in wezen zelfopvoeding. 

Jede Erziehung ist im Grunde genommen Selbsterziehung des Menschen.
GA306/131
Op deze blog vertaald/131           Wegwijzer

.

Schrijven en lezenalle artikelen

Hier staan veel kinderboeken die het niveau van ‘literatuur’ halen.

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2955-2773

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het etherlijf (GA 58)

.

Zie eerst de inleiding tot dit onderwerp.

In deze artikelen ging heover het fysiek lichaamDe opmerkingen van Rudolf Steiner daarover in zijn verschillende voordrachten.

Als een soort definitie isoleerde ik daarin de opmerkingen van de context. Daardoor werd wel duidelijk hoe Steiner karakteriseert en dat wij deze omschrijvingen goed kunnen gebruiken wanneer we het mensbeeld waarmee we werken, willen uitleggen.

Anderzijds kan, wat ik daar doe, helemaal niet. Want om iets duidelijk te maken, raadt Steiner ons aan, bijv. vooral in ‘tegenstellingen’ te denken. Zo zegt hij vaak dat we ‘het leven moeten leren kennen’ en daarbij moeten we niet uit het oog verliezen:

Das Leben entwickelt sich in Gegensätzen.

Het leven ontwikkelt zich in tegenstellingen.
GA 297/ 149
Op deze blog vertaald/149

Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.

Door feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen. GA293/119
vertaald/116

Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige.

Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven.
GA 293/153
vertaald/150

Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

De werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld zien.
GA 293/129
vertaald/126

Vooral ‘het ene op het andere betrekken’ en naar de tegenstellingen kijken, geeft ons meer inzicht in de samenhang van de wezensdelen.

De opmerkingen over het fysieke lichaam zullen nu in relatie worden gebracht met die over het etherlijf.

GA 58

Metamorphosen des Seelenlebens Pfade der Seelenerlebnisse

Metamorfose van de ziel Ervaringen van de ziel

Voordracht 2, München 5 december 1909

Die Mission des Zornes «Der gefesselte Prometheus»

De missie van de toorn De gekluisterde Prometheus

Blz. 47/48    vert. 16

So wie wir den Menschen ansehen, so stellt er sich dar als eine viel kompliziertere Wesenheit, als ihn die äußere Wissenschaft nimmt. Dasjenige, was die äußere physische Beobachtung vom Menschen kennt, ist für die Geisteswissenschaft nur ein Teil der menschlichen Wesenheit: der äußere physische Leib, den der Mensch gemeinschaftlich hat mit allem Mineralischen unserer Umgebung. Da drinnen herrschen dieselben Gesetze, wirken dieselben Substanzen wie in der äußeren, mineralisch-physischen Welt. Aber über das hinausgehend, anerkennen wir in der Geisteswissenschaft nicht bloß durch logisches Schließen, sondern durch Beobachtungen ein zweites Glied der menschlichen Wesenheit: dasjenige, was wir nennen den Ätherleib oder Lebensleib.

Zoals wij de mens bezien, verschijnt hij als een wezen dat veel ingewikkelder in elkaar zit dan de gewone wetenschap hem opvat. Wat het gewone fysieke onderzoek van de mens kent, is voor de geesteswetenschap maar een deel van het menselijk wezen: namelijk het uiterlijke fysieke lichaam, dat de mens gemeen heeft met alles wat om ons heen mineraal is. Daarin heersen dezelfde wetten en zijn dezelfde substanties werkzaam als in de minerale, fysieke wereld buiten ons. Maar, daarboven uitgaand, kennen we in de geesteswetenschap niet alleen door logische gevolgtrekkingen, maar ook door waarnemingen, een tweede wezensdeel van de mens: wat wij noemen het etherlijf of levenslijf.

Blz. 48

Den Ätherleib oder Lebensleib nun hat der Mensch nicht gemeinschaftlich mit demjenigen in seiner Umgebung, was physisch-mineralisch ist, sondern mit alledem, was lebt. Ich sagte, daß derjenige, der ein Geistesforscher geworden ist, der die Seele zu einem Instrument gemacht hat, um hineinzuschauen in die geistigen Welten, diesen Äther- oder Lebensleib kennt aus unmittelbarer Beobachtung. Aber auch der unbefangene Wahrheitssinn kann, wenn er nicht durch die heutigen Vorurteile getrübt ist, diesen Äther- oder Lebensleib anerkennen. Denn nehmen wir den physischen Leib: er hat in sich dieselben physischen, chemischen Gesetze wie die äußere physisch-mineralische Welt. Wann zeigen sich uns diese physischen Gesetze? Dann zeigen sie sich uns, wenn der Mensch uns entgegentritt ohne das Leben. Wo der Mensch durch die Pforte des Todes gegangen ist, da sehen wir, welches die dem physischen Leib eingeborenen Gesetze sind. Es sind diejenigen Gesetze, die den Leib auflösen, die den Leib in ganz anderer Weise beherrschen, als er beherrscht wird zwischen Geburt und Tod. Dieselben Gesetze sind auch immer im physischen Menschenleibe. Daß er ihnen nicht folgt, das kommt daher, weil innerhalb dieses physischen Menschenleibes zwischen Geburt und Tod ein Kämpfer ist gegen den Zerfall des physischen Leibes, eben der Äther- oder Lebensleib.

Nu heeft de mens dit etherlichaam of levenslichaam niet gemeen met wat in zijn omgeving fysiek-mineraal is, maar met alles wat leeft. Ik heb gezegd dat degene die een onderzoeker van de geest is geworden, die zijn ziel tot een instrument heeft gemaakt waarmee hij in de geestelijke werelden kan zien, dit ether- of le-venslichaam kent uit eigen waarneming. Maar ook een onbevangen gevoel voor waarheid, dat nog niet door hedendaagse vooroordelen vertroebeld is, kan het bestaan van dit ether- of levenslichaam inzien. Laten we maar eens naar het fysieke lichaam kijken: daarin werken dezelfde natuurkundige en chemische wetten als in de fysieke, minerale wereld om ons heen. Wanneer manifesteren zich die wetten van de fysieke wereld? Ze manifesteren zich wanneer we te maken hebben met een mens in wie geen leven is. Zodra de mens door de poort van de dood is gegaan, zien wij wat de wetten zijn die inherent zijn aan het fysieke lichaam. Het zijn de wetten die het lichaam doen ontbinden, die het lichaam op een heel andere wijze beheersen dan het geval is tussen geboorte en dood. Deze zelfde wetten zijn altijd in het fysieke lichaam van de mens aanwezig. Dat het lichaam er niet aan gehoorzaamt, komt doordat daarin tussen geboorte en dood een kracht aanwezig is die strijdt tegen het uiteenvallen van het fysieke lichaam, namelijk het ether- of levenslichaam.
GA 58/48
Vertaald/16

Voordracht 3, Berlijn 22 oktober,1909

Die Mission der Wahrheit (Goethes «Pandora» in geisteswissenschaftlicher Beleuchtung)

De missie van de waarheid

Blz. 77   vert. 39

Seinen physischen Leib hat der Mensch gemeinsam mit den Mineralien, Pflanzen und Tieren, den Ätherleib nur mit den Pflanzen und Tieren ( ) 

Zijn fysieke lichaam heeft de mens immers gemeen met mineralen, planten en dieren, zijn etherlichaam alleen met planten en dieren ( )
GA 58/77
Vertaald/39

Voordracht 5, München,14 maart 1910 (i.p.v. Berlijn 29 okt. 1909

Der menschliche Charakter

Het karakter van de mens

Blz. 147  vert. 93

Alles das am Menschen, was uns gegenüber der äußeren Sinneswelt zutage tritt, was wir mit Augen sehen können, mit Händen greifen können, was die äußere Wissenschaft allein betrachten kann, das nennt Geisteswissenschaft den physischen Leib des Menschen. Das aber, was diesen physischen Leib des Menschen durchzieht und durchwebt, das, was diesen physischen Leib zwischen Geburt und Tod verhindert, ein Leichnam zu sein, seinen eigenen physischen und chemischen Kräften zu folgen, das nennen wir in der Geisteswissenschaft den Äther- oder Lebensleib. Im Grunde setzt sich der äußere Mensch aus dem physischen und Ätherleibe zusammen

Alles wat van de mens in de uiterlijke, materiële wereld aan de dag treedt, wat wij met onze ogen kunnen zien en met onze handen kunnen aanraken, alles wat het object is van de gewone wetenschap, dat wordt in de geesteswetenschap het fysieke lichaam van de mens genoemd. Maar wat dit fysieke lichaam doortrekt en doorgolft, wat in het leven tussen geboorte en dood verhindert dat dit lichaam zijn eigen fysische en chemische krachten gehoorzaamt en een lijk wordt, dat noemen wij in de geesteswetenschap het etherlichaam of levenslichaam. In feite bestaat de mens als uiterlijke verschijning uit fysiek lichaam en etherlichaam.
GA 58/147-148
Vertaald/93

Voordracht 6,  Berlijn, 11 november 1909 

Die Askese und die Krankheit

Ascese en ziekte

Blz. 183

Es ist ja schon im Verlaufe dieser Vorträge darauf aufmerksam gemacht worden, daß im Sinne der Geisteswissenschaft dasjenige, was sozusagen am Menschen mit Augen zu sehen, mit Händen zu greifen ist, der physische Leib, nur eines der Glieder der menschlichen Wesenheit ist. Als ein zweites  Glied dieser Menschennatur haben wir dann zu betrachten den sogenannten Äther- oder Lebensleib.

In de opvatting van de geesteswetenschap is dat wat we van de mens met onze ogen kunnen zien, met onze handen aanraken, het fysieke lichaam en dat is maar een van de delen van het wezen mens. Als een tweede wezensdeel van de mens moeten we dan kijken naar het zogenaamde ether- of levenslijf.
GA 58/183
Niet vertaald

Voordracht 7, Berlijn 25 november 1909

Das Wesen des Egoismus

Blz. 224

Im geisteswissenschaftlichen Sinne betrachten wir den Menschen nicht bloß als einen physischen Leib, den ja der Mensch gemeinschaftlich hat mit der ganzen mineralischen Natur, sondern wir sprechen davon, daß der Mensch in sich trägt als ein höheres Glied seiner Wesenheit zunächst den Ätherleib oder Lebensleib, den er mit allem Lebenden gemeinschaftlich hat; 

In de geesteswetenschap zien wij de mens niet alleen als een wezen met een fysiek lichaam, dat hij immers gemeen heeft met de hele minerale natuur, maar zeggen wij dat de mens ook hogere wezensdelen in zich draagt. Allereerst is daar het etherlichaam of levens-lichaam, dat hij gemeen heeft met alles wat leeft.
GA 58/224
Vertaald/93
.

Algemene menskunde: voordracht 1 –over het etherlijf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2954-2772

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

                        .   .