Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (71)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

tussen drie vuren

Een van begin tot eind spannende historische roman. 3 broers beleven ieder op zich gevaarlijke avonturen. Rond 1500 voor Chr. in de stad Gebal, Byblos, wonen ze met hun ouders en zusje Beth. Aleph is leerling-schrijver, Nun schipper en Zayin legeraanvoerder. We komen veel te weten over de leefomstandigheden in die tijd, hoe de mensen dachten. We komen aan het hof van koning Minos op Kreta in de ‘stierencultuur’ en een Chaldese wijze demonstreert aan Nun hoe je ’s nachts op de sterren kan varen, een ongelooflijke vernieuwing van de scheepvaart in die tijd. Hij is het die ook uit de sterren een toekomstige ramp kan voorspellen en die voltrekt zich dan ook op Kreta. Maar daar niet alleen: ook Gebal wordt zwaar getroffen. Een voor een komen de zonen dan toch weer thuis. Het gezin is weliswaar samen, maar met een onzekere toekomst voor zich.

Clive Kin
Ill. Richard Kennedy

Uitgeverij Lemniscaat

Boek

Leeftijd v.a. 12jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2741-2570

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-1/21)

.

SCHIP ARGO
.

In de bossen op de bergen van Pelikon groeide onder de hoede van de centaur Chiron een jongen op, die Jason heette, dat betekent ‘heelmaker’. Toen hij groot en sterk was, vertelde Chiron hem dat zijn echte naam Diomedes was en dat hij de zoon was van een koning en dat zijn halfbroer Pelias deze van zijn macht beroofd had. Toen was Jason niet meer te houden. Hij trok naar het hof van de koning om zijn erfdeel op te eisen. 
Toen hij daar was aangekomen zei de jongeling dapper tegen zijn oom dat hij aanspraak maakte op de troon van zijn vader. Pelias, door een orakel gewaarschuwd, kon hem die niet weigeren. Om van de ongewenste rivaal op een niet opvallende manier af te komen, eiste hij echter van Jason dat hij eerst zijn moed om te kunnen regeren, moest bewijzen door een grote heldendaad te verrichten.  Hij moest het Gulden Vlies uit Kolchis terughalen en daarmee het land van een vloek bevrijden. Jason hoorde nu het verhaal over de stier met het gouden vel (sterrenbeeld Stier). Het orakel van Delphi had verkondigd dat pas dan het land Jolkos tot welvaart zou komen, omdat met het Gulden Vlies ook de geest van Phrixos in zijn vaderland zou kunnen terugkeren.

Jason die de werkelijke bedoeling van zijn oom niet doorzag, stemde moedig in. In het hele land liet hij vrijwilligers voor zijn avontuur werven en gaf de opdracht om een schip voor 50 roeiers te bouwen. Nooit eerder was er in Griekenland zo’n groot schip gebouwd. Alleen met de inspirerende gedachten van de godinnen Hera en Athena die Jason welgezind waren, kon de bouwmeester Argos het wonderwerk tot stand brengen. Daarvoor nam hij een bijzondere houtsoort die ‘de leeuw’ werd genoemd, want water noch vuur had er enige grip op. In de boeg van het verbazingwekkende schip plaatste Athena zelf een orakelbalk die afkomstig was uit een eik die vader Zeus aan Dodona gewijd had, die het schip op belangrijke en gevaarlijke ogenblikken het vermogen gaf om te spreken.
Toen de bouw voltooid was, gingen de 50 grootste helden van Griekenland die Jason om zich verzameld had, aan boord. Ze werden de Argonauten genoemd. Hier worden alleen maar Castor en Polydeukes, Idas en Lynkeus (sterrenbeeld Tweelingen) genoemd en Herakles!
Toen ze allemaal ingescheept waren, begon de orakelbalk voor de eerste keer te spreken en zette hen aan uit te varen. Gedurende een lange tijd zou het schip Argo, dat ‘de snelle’ betekent het thuisland van de helden zijn. Ze moesten vele gevaarlijke avonturen doorstaan, voor ze hun doel bereikten. 
Op het eiland Kapidagi werden ze door reuzen met zes armen aangevallen, die de monding van de haven met rotsblokken blokkeerden om het schip vast te zetten.
Onder aanvoering van Herakles overwonnen ze de monsters en konden weer de vrije zee bereiken. Gieren met messcherpe veren vielen de zeelieden aan op Aia, het eiland van Ares, zodat ze zich onder hun schilden moesten verschuilen. Hiermee maakten ze zoveel lawaai, dat de vogels vluchtten.
Na dit soort avonturen en andere, bereikten de Argonauten uiteindelijk Kolchis, aan de oostelijke oever van de Zwarte Zee. Eerst probeerde Jason op vreedzame manier te bereiken dat koning Aietes het Gulden Vlies meegaf. De koning echter, weigerde en bedreigde hem en de andere Argonauten met de dood, wanneer ze niet onmiddellijk zijn land zouden verlaten. 
Maar het geluk was aan hun zijde, want Medea, de dochter van de koning was meteen verliefd geworden op de dappere held Jason. Met hulp van Medea’s toverkunsten was Jason bestand tegen alle beproevingen, maar ondanks dat weigerde de koning hem het Gulden Vlies en hij wilde de Argonauten in de komende nacht laten ombrengen. Maar Medea kwam dit te weten. Nadat Jason haar beloofd had, haar mee te nemen naar Griekenland en met haar te trouwen, bedacht ze een plan om het Gulden Vlies te stelen en hoe ze zouden kunnen vluchten. 
In een donkere nacht bracht Medea Jason naar de helling van de heilige berg Ares, waar het Gulden Vlies aan een hoge eik hing, bewaakt door een reusachtige draak die nooit sliep. Met liederen kon ze de draak slaperig maken en toen wreef ze zijn kop met een magische zalf in, waardoor hij langer zou slapen. 
Terwijl Medea dat deed, pakte Jason het Gulden Vlies en beiden haastten ze zich naar het strand waar de Argo al klaar lag om weg te varen. Gelukkig konden ze allemaal ontkomen, maar later werden ze door koning Aietes achtervolgd en Jason laadde nog meer schuld op zijn schouders, toen hij, door Medea opgehitst, voor hun eigen redding, haar broer doodde. Maar daardoor verloor hij de gunst van de goden. 
Pas na lange zwerftochten waarbij enkele van de Argonauten hun leven lieten, bereikten ze het thuisland. Jason bracht het Gulden Vlies naar Boiotië en hing het in de tempel van Zeus. Het schip Argo trok hij op het strand van Isthmos in Korinthië en wijdde het aan Poseidon.

Toen Jason op hoge leeftijd weer in Korinthië kwam, ging hij in de schaduw van de Argo zitten en herinnerde zich zijn roem van weleer. 
Toen viel het vermolmde schip uit elkaar en hij kwam onder het boegdeel terecht. De achtersteven die hieraan geen schuld had, zette Poseidon als gedenkteken aan de avontuurlijke vaart van de Argonauten als sterrenbeeld aan de hemel.

Zo                                                                   z                                                          zw
Febr.   1   24°°u                                    mrt.   1  22°°u                                apr.   1  21°°u*
15  23°°u                                             15  21°°u                                         15  20°°u*
*zomertijd

Van het schip Argo kunnen we in Midden-Europa aan de avondhemel die sterren zien die de achtersteven en een deel van het zeil vormen en deze slechts alleen van februari tot april. Je moet al heel ver naar het zuiden gaan om alle sterren te kunnen zien zoals op de bovenste afbeelding.

De namen van de sterren betekenen:
Canopus (Grieks) = afgeleid van Kanobos. Zo heet in de Griekse mythologie de stuurman van Memelaos op de terugweg uit Troje>
Markeb = (Arabisch) schip
Tureis = (Arabisch) schild

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2738-2567

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 13 (13-2)

.

RUDOLF STEINER

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald*

Enkele gezichtspunten bij bladzij 187-188 van de vertaling.

Ook het vervolg van [13-1] op blz. 187 vind ik niet eenvoudig. En ik heb in het verleden meerdere keren gedacht: moet je dit echt allemaal kunnen doorgronden om goed vrijeschoolonderwijs te kunnen geven? 
Maar aan het eind van van blz. 187 komen we wél iets tegen wat in deze tijd actueel is: het grote aantal kinderen dat te dik is! 
Dus, als we kunnen doorgronden wat daar gebeurt, kunnen we ook inzien welke pedagogisch-didactische maatregelen we moeten nemen om het nadelige van het ‘te dikke’ in het tegendeel te doen verkeren. Dat kan natuurlijk niet zonder een aanpassing van het eetpatroon – hier zie je nog eens de samenhang van voeding/op-voeding – maar dat is de verantwoording van de ouders. En daaruit volgt weer dat er steeds een nauw contact moet zijn tussen leerkracht en ouders, wat Steiner ook nadrukkelijk bepleit.

Und die Waldorfschule ist eine Schule, die ganz darauf aufgebaut ist, mit der Elternschaft in enger Verbindung zu stehen. In der Waldorfschule werden jeden Monat, zuweilen auch öfter, die Eltern der Kinder zu einer Elternver­sammlung gerufen. Da wird gesprochen über das, was eben notwendig ist im Zusammenwirken von Schule und Elternhaus. Und da ist sehr vieles notwendig.

En de vrijeschool is een school die er helemaal op gericht is in nauw contact te staan met de ouders. Op de vrijeschool wordt er iedere maand, dikwijls ook frequenter voor de ouders een ouderavond georganiseerd. Daar wordt er gesproken over wat er nodig is voor het samenwerken van school en ouders. En er is erg veel nodig.

Man regelt nun im Zusammenwirken mit den Eltern die Diät in bezug auf den Zuckerzusatz zu den Speisen. Man steht also als Erzieher auf der einen Seite auf dem Boden, daß man überall das Physische berücksichtigt, insofern es die Unterlage des Geistigen sein kann, und daß man auf der anderen Seite das Kind so erzieht, daß man den möglichst gesunden Körperzustand hervorbringt mit Hilfe des Geistigen.

In het samenwerken met de ouders wordt er wat het dieet betreft iets afgesproken over suiker in het voedsel. Want als leerkracht sta je er enerzijds zo in dat je naar het fysieke kijkt in zoverre dat de basis kan zijn voor het geestelijke, en dat je aan de andere kant het kind zo opvoedt dat je met behulp van de geest een zo gezond mogelijke lichamelijke toestand schept.
GA 304A/135 e.v.
Niet vertaald

Op blz. 185 gebruikt Steiner het woord ‘drukken’ en op blz. 186 het woord ‘zuigen’.  

Dit ‘drukkende’ en ‘zuigende’ zijn in wezen eigenschappen van wat we ook al als tegenstellingen hebben onderzocht: het fysieke en het etherische, bv. bij fysiek lichaam en levenskrachtenlichaam: etherlijf. We komen het in een wat andere tegenstelling weer tegen als ‘stof en geest’ of  ‘materie en geest.

Op blz. 185 en 186 legt hij er niet zo zwaar de nadruk, maar elders bv. wel weer:

Will man wirklich zum Verständnis der Welt kommen, dann muβ man bereits das schwer Materielle beim Äther aufhören lassen. Dann muβ man sich klar sein, daβ der Äther nicht mehr solche Materie ist wie diejenige, von der wir als den Raum erfüllend sprechen, so denken wir uns, wenn ich schematisch spreche, eben den Raum ausgefühlt mit Materie. Wenn wir aber von Äther sprechen, so dürfen wir uns nicht den Raum ausgefüllt denken von Materie, sondern wir müssen uns den Raum entleert denken von Materie. Wenn gewöhnliche Materie an etwas anstöβt, so drückt es dieses, schiebt es weiter. Wenn Äther sich diesem nähert, so saugt er das an sich und zieht es in sich herein. Es ist die gerade entgegengesetzte Wirkung, zu der gewöhnlichen Materie. Der Äther übt Saugwirkungen. Wenn der Äther nicht Saugwirkungen übte, dann schauten Sie hinten so aus, wie vorne, denn schon in dem, was die Verschiedenheit des Menschen macht, hinten und vorne ist ein Ergebnis auf der einen Seite der drückenden Wirkung der Schwere-Materie und der saugenden Wirkung der Äther-Materie oder des Äthers.

Ihre Nase wird herausgetrieben aus Ihrem Organismus durch die Schwere-Materie, Ihre Augenhöhle wird hineingesaugt durch die saugende Kraft des Äthers.

Und so, indem Sie hinten anders sind wie vorne, vorne anders sind wie hinten, wirkt in Ihnen drückende und saugende Substantialität.

Als je de wereld werkelijk wil begrijpen, dan moet je het zware stoffelijke laten ophouden bij de ether. Dan moet je helder voor ogen hebben, dat de ether niet meer die materie is zoals de materie waarvan we kunnen zeggen dat die een ruimte opvult. Schematisch zouden we kunnen denken dat de hele ruimte gevuld is met materie. Maar als we over ether spreken, dan moeten we niet denken dat de ruimte gevuld is, maar juist zonder materie, leeg. Wanneer de gewone materie tegen iets aanstoot, dan drukt dit ertegen, schuift het verder. Wanneer de ether dit nadert, dan zuigt het daaraan en trekt het in zich. Dat is de tegenovergestelde werking van de gewone materie. De ether oefent zuigwerking uit. Als dat niet zou gebeuren, zouden we er van achteren net zo uitzien als van voren; want het verschil bij de mens tussen voor en achter, is het resultaat van enerzijds de drukkende werking van de zwaarte-materie en anderzijds de zuigende werking van de ethermaterie of de ether.
Uw neus wordt naar buiten gedrukt door de zwaarte-materie, uw oogkassen worden naar binnen gezogen door de zuigende werking van de ether. En zo, wanneer we er van achter anders uitzien dan van voren, werkt in u de drukkende en zuigende kracht.
GA201/124
Niet vertaald

Dit ‘niet-stoffelijke’ wil a.h.w. het stoffelijke ‘opzuigen’. 
Dit ‘niet-stoffelijke’ noemt Steiner op blz. 186 ‘het geestelijke’, dat dus materie wil doen verdwijnen:

Blz. 185/186  vert. 186/187

Der Mensch steht der Außenwelt gegenüber. Das Geistig-Seelische strebt danach, ihn fortwährend aufzusaugen. Daher blättern wir außen fortwährend ab, schuppen ab. Und wenn der Geist nicht stark genug ist, müssen wir uns Stücke, wie zum Beispiel die Fingernägel, abschneiden, weil der Geist sie, von außen kommend, saugend zerstören will. Er zerstört alles,und der Leib hält diese Zerstörung des Geistes auf. 

De mens staat tegenover de buitenwereld. Het geestelijke streeft ernaar hem voortdurend op te zuigen. Daarom bladderen we aan de buitenkant voortdurend af, we schilferen af. En wanneer de geest daar niet sterk genoeg voor is, moeten wij stukken afknippen, zoals de vingernagels; want de geest wil ze van buitenaf opzuigen en vernietigen. De geest vernietigt alles en het lichaam houdt dat tegen.

Dat is a.h.w. een proces dat van nature verloopt. Maar dat wél beïnvloedbaar is. En beïnvloed moet worden wil de mens ‘gezond’ kunnen functioneren. En ‘gezond’ is ‘als het ene niet de overhand heeft over het andere’ – wat je ook invult voor ‘het ene’ of ‘het andere’.

Und es muß im Menschen ein Gleichgewicht geschaffen werden zwischen dem zerstörenden Geistig-Seelischen und dem fortwährenden Aufbauenden des Leibes. 

In de mens moet een evenwicht tot stand worden gebracht tussen de vernietiging door het geestelijke en de voortdurende opbouw door het lichaam.

In de tweede voordracht werd dit ook al vanuit een andere optiek geconcludeerd:

Die Aufgabe der Erziehung, im geistigen Sinn erfaßt, bedeutet das In-Einklang-Versetzen des Seelengeistes mit dem Körperleib oder dem Leibeskörper. Die müssen miteinander in Harmonie kommen, müssen aufeinander gestimmt werden, denn die passen gewissermaßen, indem das Kind hereingeboren wird in die physische Welt, noch nicht zusammen. Die Aufgabe des Erziehers und auch des Unterrichters ist das Zusammenstimmen dieser zwei Glieder.

De taak van de opvoeding in geestelijke  zin is nu om de zielengeest en het lichamelijk organisme of organisch lichaam met elkaar in overeenstemming te brengen. Die moeten met elkaar in harmonie komen, moeten op elkaar afgestemd worden, want die passen in zekere zin nog niet bij elkaar wanneer het kind geboren wordt. De taak van de opvoeder en ook van de leraar is om deze twee delen op elkaar af te stemmen.
GA 293/24  vert. 24**  

So werden wir uns bewußt werden müssen, wenn wir einem Kinde diesen oder jenen Lehrgegenstand beibringen, daß wir dann in der einen Richtung wirken auf das mehr in den physischen Leib Hineinbringen der Geistseele und in der anderen Richtung mehr auf das Hereinbringen der Körperleiblichkeit in die Geistseele.

We zullen ons bijvoorbeeld bewust moeten worden in welke richting we werken door een kind bepaalde leerstof bij te brengen: dat we met het ene onderwerp meer de geestziel laten doordringen in het fysieke lichaam en met een ander onderwerp meer het lichamelijk organisme in de geestziel brengen.
GA 293/27   vert. 27**

In [13-1-1] is e.e.a. al verder uitgewerkt.

We zagen in [13-1] al, dat de ‘stroming’ van geest-ziel in het hoofd een soort ‘dam’ ontmoet. Op blz. 187 blijkt er al een hindernis voor deze stroom te zijn opgeworpen door het borst-buikstelsel. Met name in de buik hebben we de plaats waar materie binnenkomt en verwerkt wordt. Voedsel is een belangrijke leverancier van materie. Dat moet worden afgebroken en weer opgebouwd ten dienste van de instandhouding van het leven:

Es ist eingeschoben in diese Strömung das Brust-Bauchsystem. Und das Brust-Bauchsystem ist dasjenige, welches sich entgegenwirft der Zerstörung des eindringenden Geistig-Seelischen und welches von sich aus den Menschen durchdringt mit Materiellem.

Midden in die stroming is het borst-buikstelsel geplaatst. En dit stelsel stelt zich te weer tegen de verwoesting door het binnendringende geestelijke en doordringt op zijn beurt de mens met materie.

In de 10e voordracht werd ons uitgelegd dat de ledematen in hoge mate geest-ziel zijn. Dan ligt het voor de hand dat zij het meest aan die materie zullen ‘zuigen’. En dat gebeurt uiteraard wanneer de ledematen doen, waarvoor ze er zijn: bewegen. 

De ledematen zijn het meest geestelijk:

Daraus aber ersehen Sie, daß die Gliedmaßen des Menschen, die hinausragen über das Brust-Bauchsystem, wirklich auch das Geistigste sind, denn da in den Gliedmaßen wird noch am wenigsten der Materie erzeugende Prozeß im Menschen vorgenommen. Nur dasjenige, was vom Bauch-Brustsystem hineingeschickt wird an Stoffwechselvorgängen in die Glieder, das macht, daß unsere Glieder materiell sind. Unsere Glieder sind in hohem Grade geistig, und sie sind es, welche an unserem Leib zehren, wenn sie sich bewegen.

Hieruit kunt u afleiden dat de ledematen, die uitsteken buiten het borst-buikstelsel, ook werkelijk het meest geestelijk zijn, want in de ledematen wordt het minst materie geproduceerd. Alleen de stofwisselingsprocessen die onder invloed van het buik-borststelsel zich in de ledematen afspelen, maken dat de ledematen materieel zijn. Onze ledematen zijn in hoge mate geestelijk en zij zijn het ook die ons lichaam afbreken wanneer ze bewegen.

En dan is er de zin die niet nader uitgewerkt wordt:

Und der Leib ist darauf angewiesen, in sich dasjenige zu entwickeln, wozu der Mensch eigentlich veranlagt ist von seiner Geburt an.

En het lichaam moet in zichzelf dat ontwikkelen waartoe de mens vanaf zijn geboorte is voorbestemd.

Je zou je kunnen afvragen: waartoe is dan de mens vanaf zijn geboorte voorbestemd. Wat bedoelt Steiner hier?
Het is niet zo moeilijk zelf antwoorden te geven vanuit alles wat er aan de orde is geweest: hij is bv. voorbestemd een denkend, voelen en willend wezen te worden; hij is in zekere zin onderworpen aan de ontwikkelingswetmatigheden: hij is voorbestemd die ontwikkelingsweg af te leggen. Ligt het ook besloten in de vraag die in het blad Vrije Opvoedkunst aan oud-vrijeschoolleerlingen wordt gesteld: ‘Ben je geworden wie je bent?’

En met het oog op de te dikke kinderen en volwassenen:

Dit is de oorzaak van het ‘vervetten’ en de gevolgen voor het leren: de weg naar het hoofd wordt bemoeilijkt!:

Bewegen sich die Glieder zuwenig, oder bewegen sie sich nicht entsprechend, dann zehren sie nicht genug am Leibe. Das Brust-Bauchsystem ist dann in der glücklichen Lage – in der für es glücklichen Lage -, daß ihm nicht genügend weggezehrt wird von den Gliedern. Das, was es so übrig behält, verwendet es dazu, um überschüssige Materialität im Menschen zu erzeugen. Diese überschüssige Materialität durchdringt dann dasjenige, was im Menschen veranlagt ist von seiner Geburt aus, was er also eigentlich haben sollte zu der Leiblichkeit, weil er als seelisch-geistiges Wesen geboren wird. Es durchdringt das, was er haben sollte, mit etwas, was er nicht haben sollte, was er nur als irdischer Mensch hat materiell, was nicht geistig-seelisch veranlagt ist im wahren Sinne des Wortes; es durchdringt ihn immer mehr und mehr mit Fett. Wenn aber dieses Fett in abnormer Weise eingelagert wird in den Menschen, dann stellt sich ja eigentlich dem geistig-Seelischen Prozeß, der als ein Saugprozeß, als ein verzehrender Prozeß eindringt, zuviel entgegen, und dann wird ihm sein Weg erschwert zum Kopfsystem hin.

Bewegen de ledematen te weinig – of niet adequaat – dan breken ze het lichaam niet genoeg af. Het borst-buikstelsel is dan in de gelukkige situatie — althans voor zichzelf gelukkig — dat de ledematen er niet genoeg aan knagen. Wat het buikstelsel overhoudt, gebruikt het om overtollige materie in de mens te produceren. Deze overtollige materie doordringt dan dat wat vanaf de geboorte als aanleg in de mens aanwezig is en wat hij eigenlijk zou moeten hebben naast zijn lichamelijkheid, omdat hij ook als zielen- en geesteswezen geboren wordt. Het buikstelsel doordringt dat wat de mens zou moeten hebben met dat wat hij niet zou moeten hebben, met dat wat er alleen is doordat de mens aards en dus materieel is, met dat waartoe hij niet in de ware zin van het woord naar geest en ziel is voorbestemd. Het doordringt de mens meer en meer met vet. Wanneer dit vet zich nu al te zeer ophoopt in de mens, dan is er te veel weerstand voor het geestelijke proces dat als een zuigingsproces, een verteringsproces binnendringt en dan wordt de weg naar het hoofd bemoeilijkt.

Steiner blijft nu bij het fysieke proces:

Daher ist es nicht richtig, wenn man den Kindern erlaubt, zuviel fetterzeugende Nahrung zu nehmen. Dadurch wird ihr Kopf abgegliedert vom GeistigSeelischen. Denn das Fett legt sich in den Weg des GeistigSeelischen, und der Kopf wird leer. Es handelt sich darum, daß man den Takt entwickelt, so zusammenzuwirken mit der gesamten sozialen Lage des Kindes, daß das Kind in der Tat nicht zu fett wird. Später im Leben hängt ja das Fettwerden von allerlei anderen Dingen ab, aber in der Kindheit hat man es bei nicht abnorm gebildeten, das heißt besonders schwach gebildeten Kindern, die, weil sie schwach sind, leicht fett werden, also bei normal gebildeten Kindern immerhin in der Hand, nachzuhelfen durch eine entsprechende Ernährung gegen das zu starke Fettwerden.Aber man wird diesen Dingen gegenüber nicht die rechte Verantwortlichkeit haben, wenn man nicht ihre ganz große Bedeutung ermißt; wenn man nicht ermißt, daß man in dem Fall, wo man dem Kinde erlaubt, zuviel Fett ansammeln zu lassen, dem Weltenprozeß, der etwas vorhat mit dem Menschen, was er zum Ausdruck bringt dadurch, daß er sein Geistig-Seelisches durchströmen läßt durch den Menschen, daß man da diesem Weltenprozeß ins Handwerk pfuscht. Man pfuscht tatsächlich dem Weltenprozeß ins Handwerk, wenn man das Kind zu fett werden läßt.

Daarom is het niet goed wanneer men kinderen toestaat te veel vetproducerend voedsel te eten. Daardoor komt het hoofd los te staan van geest en ziel. Want het vet staat het geestelijke in de weg en het hoofd wordt dan leeg. Men zal tactvol moeten inspelen op de gehele sociale situatie van het kind, opdat het kind inderdaad niet te dik wordt. In het latere leven wordt men ook dik door andere oorzaken, maar in de jeugd heeft men het bij normale kinderen – dat wil zeggen, niet bij kinderen die bijzonder zwak gebouwd zijn en daardoor snel dik worden — toch in de hand dat ze niet te dik worden, door ze met goede voeding te helpen. Maar een werkelijk verantwoordelijkheidsgevoel op dit gebied kan men alleen hebben wanneer men de grote betekenis ervan inziet, wanneer men beseft dat men de wereldontwikkeling tegenwerkt wanneer men een kind te dik laat worden. De wereldontwikkeling is namelijk iets van plan met de mens, wat tot uitdrukking komt in het geestelijke dat door de mens stroomt. Men dwarsboomt werkelijk de wereldontwikkeling wanneer men een kind te dik laat worden.

De wereldontwikkeling is iets van plan….Opnieuw een voor ons raadselachtige zin; misschien niet voor de toehoorders die Steiner al veel vaker hadden gehoord. Wat bedoelt hij daarmee.  Dat wil ik graag nog uitwerken (→ nog niet oproepbaar.)

**Vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde voordracht 13: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2737-2566

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (11-5-3)

.

In voordracht 11 spreekt Steiner op een bijzondere manier over de moedermelk.
(11-5).

Met zijn visie als uitgangspunt schreven ook anderen over moedermelk.
.

Dr Wolfgang Goebel, kinderarts, Weledaberichten 119, december 1979

OVER DE MOEDERMELK
.

Het luide geschreeuw en de onrust van een hongerige zuigeling dringt niet alleen door tot bij de buren, maar oefent ook dwang uit op de ouders. Wat een gelukkige oplossing als het mogelijk is dat het kind aan de moederborst tot rust komt! Alle opwinding verdwijnt door het drinken; de gebalde vuistjes gaan open om te tasten, lichaampje en beentjes worden slap. De blik van het kind zoekt de moeder. Ten slotte laat het los, het is voldaan.

Wat gebeurt hier? Wat is dat voor een substantie die, bijna onzichtbaar, van de moeder overgaat in het kind, met haar warmte en haar kracht dat kleine organisme in zijn tere gecompliceerdheid laat gedijen en die het ten slotte uit een beschermde onzelfstandigheid tot de zelfstandige beheersing van de ruimte leidt — een substantie, die uiterlijk bekeken, zo dunnetjes en bleek is?

Hoewel wij ons er terdege van bewust zijn dat via de gebruikelijke gedachtegangen een antwoord moeilijk te vinden is, willen wij dat toch proberen.

Wij kunnen, zoals dat tegenwoordig dikwijls wordt gedaan, het antwoord in de omgeving van de mens bij de dieren zoeken, die veel dingen zekerder schijnen te kunnen volbrengen dan dat ons, geciviliseerde mensen, lukt. Wij vinden daar interessante bijzonderheden, bijv. rijkdom aan eiwit in de melk van kleine zoogdieren, veel suiker en weinig minerale stoffen bij de merrie en de ezelin — bijna vergelijkbaar met moedermelk — en in tegenstelling daarmee een heel groot verschil met koeienmelk. Elke diersoort zegt a.h.w.: onze melk hoort bij ons.

Een ander uitgangspunt is, om een weg in te slaan die ertoe leidt, dat wij de natuur dienstbaar maken aan onze doelstellingen: melk kan in haar bestanddelen worden uiteengelegd. Men noemt dat analyse. In onze eeuw is deze weg zeer dikwijls ingeslagen. Als men die betreedt, komt men weliswaar niet tot een antwoord op onze vraag wat moedermelk is, maar er wordt een contrast zichtbaar.

Eertijds was er het grote verschil tussen de moederlijke en kinderlijke wereld in weeshuizen, tehuizen voor vondelingen en de eerste kinderziekenhuizen. Er moest een vervanging voor de moedermelk komen en daardoor ontstonden de eerste omvattende ervaringen op dit gebied. (Voedsters moesten worden betaald en werden steeds schaarser). Er ontstond iets als een ‘melk-weten-schap’. De namen van veel baanbrekende kinderartsen werden gekoppeld aan allerlei soorten vloeibaar en half-vloeibaar voedsel. Later, tijdens de 2e wereldoorlog, kwam de uitvinding van het melkpoeder erbij. Hoewel niemand dit lekker vond, bestond de techniek van de synthese er nu en zij maakte haar bestaan met luide stem via de reclame hoorbaar. De moeders hoorden die maar al te goed. Zij leerden alles omtrent calorieën, voedingswaarde en vitaminen kennen. Houdbaarheid en zuiverheid werden gangbare begrippen. Alles werd eenvoudig, zeker, praktisch en bovenal moeiteloos. De bereidheid van de moeders om het kind zelf te voeden verminderde ook om andere redenen snel. Graag en zonder kritiek maakten zij dankbaar gebruik van de mogelijkheid, het nauwe contact tijdens het voeden zo spoedig mogelijk te verbreken of in ’t geheel niet te laten ontstaan. De kunstmatige voeding begon haar zegetocht, die tot ver in de ontwikkelingslanden doordrong met alle ten dele catastrofale gevolgen van dien.

De kant en klare voeding, geproduceerd door de industrie, werd verder ontwikkeld. Een van de resultaten daarvan was de ‘adaptatie’. Gedurende een zekere tijd streefde men ernaar om de samenstelling van de moedermelk zoveel mogelijk te evenaren. De ontwikkeling was in alle opzichten een succes — voor een deel door middel van nieuwe procedés — en toch raakte intussen het voorbeeld van de moedermelk steeds meer uit het gezicht. Hoe nauwkeuriger door middel van de technieken van de analyse nu ook bijzondere vetzuren, enzymen en antistoffen in de moedermelk konden worden aangetoond, des te minder werd een synthese daarvan mogelijk. De moedermelk bevat namelijk zelf reeds een gedeelte van de kracht van de spijsvertering; zij bezit beschermende stoffen tegen bacteriën waartegen het kind pas later weerstand krijgt en bovendien is de samenstelling ervan in de loop van de periode van de borstvoeding voortdurend aangepast aan de behoeften van de zuigeling.

De fase waarin de kunstmatige melkvoeding steeds meer ging lijken op de moedermelk kwam tot een einde toen definities, door kinderartsen uitgewerkt, werden opgesteld. Daardoor werd bepaald, wat men volledig of ten dele geadapteerd mocht noemen. De ontwikkeling werd in zoverre nog voortgezet, dat er intussen steriele vloeibare voeding werd samengesteld, die alleen nog maar met warm water behoefde te worden verdund. Op ’t eerste gezicht is de lijst van de samenstelling, de sporenelementen en de vele vitaminen imposant. Minder bekend is, dat er allerlei andere stoffen nodig zijn om zo’n product verkoopbaar te maken. De WHO (World Health Organisation) staat hiervoor bepaalde stoffen toe, nl. substanties voor het indikken, emulgeren, buffersubstanties die het zuurgehalte op peil houden; voorts stoffen die verhinderen dat het vet ranzig wordt en ten slotte smaakstoffen. Houdbaarheid en verkoopbaarheid van bepaalde soorten voedsel zijn nu eenmaal eigenschappen die zonder dat de producten a.h.w. gebalsemd worden niet te bereiken zijn.

Maar wordt er dan bij de vervaardiging van voeding voor zuigelingen niet naar een optimale kwaliteit gestreefd? Als men de richtlijnen van de WHO leest, zou men denken van wel. Maar de ongewenst hoge concentratie van laurinezuur in bepaalde Amerikaanse melkpoeders bewijst, dat de goedkoopte van de basisproducten beslissend was bij de bereiding. In andere voedingsmiddelen voor zuigelingen werden onvoorstelbaar hoge concentraties van gedode bacteriën aangetoond, zodat vervuiling van de basismelk moet worden aangenomen. Slechts omdat daardoor veroorzaakte schade tot dusver niet kon worden aangetoond hadden de genoemde constateringen sinds vijf jaar geen gevolgen voor de producenten. Hier duiken moeilijke wetenschappelijke en economische vraagstukken op. Hoe eenvoudig daarentegen is de situatie bij de moedermelk: geen moeilijkheden wat houdbaarheid, transport, koelhouden betreft; geen bacteriologie en toch niet te evenaren versheid, warmte, geringe vatbaarheid voor bacteriën, groeikracht, een beschermende functie en niets overtolligs.

Het begon allemaal met de noodsituatie, de onoverbrugbare kloof tussen moeder en kind. In dat gebied ontwikkelde zich wetenschap, ten slotte economie en het gevolg daarvan was dat er over de hele wereld een nodeloze distantiëring van moeder en kind kon ontstaan. Ten slotte ontstond er nood door kunstmatig gefabriceerde melk in de ontwikkelingslanden. De industrie ontplooide een eigen leven.

Gedurende al die jaren, dat dit proces zich voltrok, zoogden moeders hun kinderen en, hoewel het er nog maar weinigen waren, deden zij dat zonder zich van de wijs te laten brengen. Zij gaven zich over aan hun zekere gevoel, dat borstvoeding iets heel belangrijks voor het kind is. Maar het lag hun niet om daarmee in de openbaarheid te treden. Nu echter verandert er iets: moeders geven hun ervaringen door, richten consultatiebureaus op, begeven zich in de publiciteit en dringen met hun argumenten ook door in de bolwerken van de kunstmatige zuigelingenvoeding: de grote kraamklinieken. ‘La Lêche League’ heet die vereniging van moeders. Dit schijnt door te dringen tot meer kritische groepen van de bevolking. Moge die ontwikkeling ook spoedig merkbaar worden in de andere lagen van de bevolking en uiteindelijk ook de derde wereld bereiken.

Maar dan moeten er ook consequenties getrokken worden: niet alleen het zogen, ook de substantie moedermelk moet worden gered. De insecticiden van onze voeding hopen zich op in het menselijke organisme en verlaten via de moedermelk in vermeerderde mate het lichaam. Er is eigenlijk niemand, die zich aan deze vervuiling van zijn organisme kan onttrekken. In de tropen met de daar bestaande ongeremde toepassing van insecticiden is dat nog in grotere mate het geval dan bij ons in Midden-Europa, waar inmiddels stringentere voorschriften gelden. De bevolking moet leren om naar voedingsmiddelen te vragen, die zonder insecticiden zijn verbouwd en de wetenschap en de techniek moeten mogelijkheden ter beschikking stellen om op vele plaatsen eenvoudige controles te verrichten omtrent de verontreiniging door pesticiden. De verantwoording kan niet meer op anonieme instanties zoals industrie, bonden en regeringen worden afgewenteld, leder afzonderlijk moet zich hiertoe aangespoord voelen.

Door de blik, die wij op de omringende wereld hebben geworpen, zien wij nu duidelijker wat moedermelk is: een substantie, die onzelfzuchtig is! Wij kunnen dit zo omschrijven: eerst moet de moeder de bereidheid hebben. Door de kracht van de overgave in de ziel kan in het moederlijke organisme diep onderbewust die wonderbaarlijke labiele substantie worden gevormd welke door het kind tot een omvattende opbouwende activiteit wordt gewekt en zomede voor zijn ziel en geest het instrument schept om zichzelf te verwezenlijken.

Laat ons dat zielsgebied van de moeder en die substantie beschermen!

.

Andere artikelen bij [11-5]

Rudolf Steiner: Algemene menskunde: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

.

2736-2565

.

.

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Spel (1-3-2)

.
Bewerking van opvattingen van Melly Uyldert
.

HET GANZENBORD
.

Toen men wellicht niet meer wist wat voor diepe inhoud dit spel  heeft, kondigde men een nieuwe uitgave aan als ’het nieuw vermakelijk ganzenspel’.
Toen men zich weer wat meer begon te bezinnen op oude waarden, heette het
’Oud-Hollands ganzenbord’.
Maar hoe ook aangediend, het ganzenbord is een spel van alle tijden.
Want we hebben te maken met de ontwikkelingsweg van de mensenziel en tegelijkertijd de gang van het menselijk leven. De eenvoudige mens herkent het laatste alleen – de beschouwende wordt getroffen door de juistheid van de zinnebeelden van wat er met de ziel gebeurt.
Hier ligt voor ons de spiraalvormige levensweg, met de kansen die men benutten kan, de verleidingen, waarvoor men vatbaar is: de kinderlijke mens, die zich graag onttrekken zou aan zijn persoonlijke verantwoordelijkheid, die zich in zijn onmondigheid laat beschermen door een Moederkerk, een vadertje Staat, moet toch eenmaal over de brug komen om deel te hebben aan het werkelijke leven en innerlijk te groeien. Wie lang aarzelt, raakt achter bij zijn lotgenoten. En het bruggengeld moet men betalen als tol voor het binnentreden van het nieuwe stadium: het paradijs van het zijn als een kind, gaat verloren.

De genieter van het materiële leven wordt naar  de herberg gelokt en zijn genotzucht kost hem geld of ook zijn gezondheid, terwijl hij later zijn weg vervolgt, zodat anderen hem voorbijschieten.

De gewetensvolle, moraliserende mens wacht een ander gevaar: de put van de wanhoop, van de melancholie, het ontroostbare zondebesef. Daaruit kan men zichzelf niet verlossen. De sombergestemde draait rond in zijn vicieuze cirkel, hij ziet nergens uitkomst en daardoor gaan inderdaad de kansen aan hem voorbij. Terwijl anderen slagen, zinkt hij dieper en dieper in zijn minderwaardigheidsgevoel, tot een helpende hand, een onbaatzuchtige liefde, hem uit zijn waan bevrijdt door zelfverloochening en plaatsvervangend lijden.

Dc rusteloze zoeker naar waarheid komt terecht in de doolhof van problemen, levensbeschouwingen en alleenzaligmakende stelsels, die hem van alle kanten aanroepen. Nu komt het erop aan, geleid door een innerlijk richtsnoer de juiste weg te kiezen en zodoende geen tijd en kracht te verspillen aan het onderzoeken van bedrieglijke zijpaden, die niet naar het middelpunt voeren. Tot men midden in de doolhof zichzelf aantreft in de spiegel om te ervaren dat zelfkennis het begin van alle wijsheid is.

De wetenschappelijk denkende mens vermijdt door zijn objectiviteit vele gevaren, maar hem dreigt de gevangenis, die hij zelf heeft opgebouwd uit logische gedachtereeksen: vooronderstellingen en systemen waarin geen plaats blijft voor God. Vernuftig gevonden en kunstig opgezet zijn deze wanen hem te dierbaar om ze op te geven en zijn ziel vindt geen uitweg, tot een ander hem verlost. Evenals bij de put blijkt ook hier hoe de mens is aangewezen op een leven in gemeenschap met de elkaar, de een de ander helpend en steunend waar hij hem in moeilijkheden aantreft, en zich zo nodig voor de ander opoffert.

De een streeft de ander voorbij en wordt later zelf weer voorbij gesneld. De ontwikkeling gaat niet bij ieder even snel: wat de een reeds weet, moet de ander nog met schade en schande leren. En terwijl de een de gelegenheid weet aan te grijpen, mist de ander zijn kansen.
Op de mystieke getallen vijf en negen, en afwisselend die, welke als som van de cijfers deze getallen opleveren (14, 18, 23, 27, 32, 36, 41, 45, 50, 54, verder 59 als 5 en 9) staat de gans, beurtelings heen en terug wijzend. Als heilbrenger voert hij ons naar een volgend stadium – maar het kan nodig zijn dat wij ons eerst een eindweegs terugtrekken, tot op het punt waar onze ontwikkeling zich werkelijk bevindt onder de uiterlijke schijn. Daar is nog noodzakelijke ervaring op te doen, die ieder voor zich zelf verzamelen moet. Vandaar de omkijkende gansjes.

Verrijkt met deze ervaringen zet men het leven voort en gaat wellicht door de dood om terug te keren met de verworvenheden, afkomstig uit de verwerking van de ervaringen. De oudere zielen komen dus ter wereld met talenten en gaven, die hen in staat stellen de eerste ontwikkelingsfasen van het leven snel achter zich te laten, immers deze betekenen voor hen slechts een herhaling, terwijl de jongere zielen ze nog moeizaam stap voor stap moeten doorworstelen. Wie vier en vijf (samen negen) gooit bij zijn eerste worp, heeft het geluk (doch een zelfverdiend geluk) dat hij meteen op nummer drie en vijftig mag gaan staan. Wie zes en drie (samen negen) werpt, komt op zes en twintig. De begaafden beginnen dus dichter bij het doel, de volmaking, dan de anderen. Het blijft echter de vraag, of zij dit doel ook eerder zullen bereiken. Want — kort daarvoor dreigt de dood. Het is slechts een bedreiging: de ene speler overwint het doodsgevaar en verovert het onvergankelijk geluk reeds in dit leven: een andere wordt door de dood verrast vóór hij het levensdoel heeft bereikt – en begint opnieuw. Hieruit spreekt duidelijk de innerlijke overtuiging van onze verre voorouders, dat het uiteindelijk geluk niet ligt in het hiernamaals waar het door ieder bereikt wordt door de poort van de dood, maar dat het hemels geluk een zielentoestand is, onafhankelijk van leven en dood.

Deze opvatting staat dus lijnrecht tegenover die, welke de aarde als een tranendal ziet, waar men maar zo spoedig mogelijk lijdzaam en braaf doorheen moet zien te komen, vervuld van een doorlopend heimwee, en de schatten van de aarde als die van een oord van ballingschap verachtend. En tegelijkertijd staat zij even lijnrecht tegenover de waardering van het aardse leven als een kans tot genieten en tot presteren, tot het spelen van een grote rol, die maar eenmaal komt – deze levenskijk die van het gehele leven een koortsachtige jacht maakt ter verkrijging van begeerde waarden, of een tomeloos genieten ‘omdat het leven maar zo kort en men maar ééns jong is!’ Het intuïtieve weten van de onsterfelijkheid van de ziel en de steeds weer nieuwe levens- en ervaringskansen op aarde, haar verleend, schonk de Ouden hun zielsrust en hun levensmoed, hun gelijkelijk thuis zijn in de gemeenschap van de levende zowel als in die van de gestorven leden van de stam. Een zielsrust en een levensmoed die wel scherp afsteken tegen de levensangst en de doodsangst van de huidige cultuurmens, die op zijn vermeende éne leven o zo zuinig moet zijn en daarom niets durft wagen en aan de grootheid van het leven voorbijgaat. Hij, wiens innerlijke blik de hemelladder heeft gezien, de spiraalgang, waarlangs de mensenziel in vele levens opklimt tot de vereniging met God, die heeft de tijd om het leven ten volle te beamen, zonder de richting naar het doel te verliezen, en zonder angst voor de dood, want op een nieuwe ronde zal hij kunnen verder gaan. Maar ook zal hij de dood niet zoeken, want daarachter lokt geen nabije hemel, maar een voortzetting van de ontwikkelingstaak op aarde, de opgave waaraan de ziel zich niet kan onttrekken.

Hoe dichter bij het einddoel, hoe moeilijker de weg wordt. Wie, begerig naar de prijs, te hoog gooien, moeten terug en komen misschien op de dood, zoals zij, die in kloosters het werkelijke leven met zijn ervaringskansen ontvluchten, om het heil eerder te grijpen dan de anderen, door versnellende oefeningen en methoden, en in hun verbeeldingen zichzelf bedriegen, terwijl hun eigenlijke ontwikkeling tot stilstand is gekomen. Maar wie, berustend in het besef dat hij ook deel is van een geestelijke wereld, zijn lot volgt, zijn tol betalend aan de ervaringen van het leven, komt schijnbaar arm, maar op de juiste tijd, aan het eindpunt van de reis. Hij wint — en wat hij gaf als levensinzet en als prijs voor verworven levenswijsheid, dat ontvangt hij daarbij terug. En door zijn beëindiging van het spel verlost hij allen, elk uit zijn eigen nood: de heilige, de heilbrenger, verlost de gemeenschap. Wat ligt er een diepe wijsheid in dit eenvoudig spel. Wat een rijkdom lag er in het onbewuste van de mens die het spel ‘bedacht’; wat een wijsheid aangaande de levensgang van de ziel door de bestaansgebieden van het heelal bezaten de zieners, die hem leidden.

Als een geheime boodschap komen de zinnebeelden uit die oertijd in runen en oeleborden, in het oude ganzenspel, tot ons. Opdat wij de boodschap zullen verstaan en haar zin herstellen in de eer die er aan toekomt. Het ganzenbord behoort tot ons volksbezit – laten wij het hoeden voor verbastering, er lering uit trekken en deze doorgeven aan het nieuwe geslacht. Opdat dit zal opgroeien in zielsrust en levensbeaming, zonder vrees voor de dood – vreugdevol de taak vervullend die door het hart gekend wordt!

Een soortgelijk artikel

Spel: alle artikelen

Meer symboliek in bijv. de sprookjes

.

2735-2564

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie

.
Het drieledig mensbeeld dat o.a. een rol speelt bij het vrijeschoolonderwijs, wijst ons op ‘de stofwisseling’, in samenhang met ‘de ledematenmens’.
In dit artikel wordt ingegaan op een speciale kant van onze stofwisseling.


.
Dr. med. Otto Wolff, Weledaberichten nr.111, april 1977

STOFWISSELINGSPROCESSEN ALS GRONDSLAG VOOR HET LEVEN
.

De vraag ‘wat is leven?’ houdt vele onderzoekers op de wereld bezig en zou eigenlijk ieder mens moeten interesseren. Iedereen weet dat planten en dieren levend zijn en stenen dood, maar daarmee laat zich nog niet verklaren waaruit het leven dan bestaat. Men kent het leven door de groei van de plant en door de beweging van het dier, maar toch zijn groei en beweging niet voldoende als karakteristiek van het leven. Ook kristallen kunnen ‘groeien’ en elke auto, elke vlam vertoont beweging en reacties, maar die hebben zeker niets met leven te maken. Wij kennen veel verschijningsvormen van het leven, maar het wezen is daarmee niet te vatten. 

Voorwaarden voor het leven

Vraagt men echter verder, waarop de genoemde beweging of de groei berusten, dan kan men vaststellen, dat daarbij altijd stofwisseling een rol speelt, ja, dat het leven zich helemaal niet uiten kan als daar niet op een of andere manier stofwisseling bij plaats vindt.
Vanzelfsprekend is stofwisseling niet identiek met leven, want in elke motor en in elke vlam vinden enorme stofwisselingsprocessen plaats, zonder enige betrekking op leven.
Aan de andere kant zijn er ook levende substanties, die geen noemenswaardige stofwisseling vertonen. Aan het zaad van een plant bijv. kan men niet zonder meer zien of het nog leeft of niet meer. In het zaad zijn immers de omzettingen zó gering, dat men ze nauwelijks meer vast kan stellen. In het zaad is het leven in een rusttoestand, het uit zich niet en komt niet te voorschijn.
Het wordt echter direct weer werkzaam als het zaad in de aarde wordt gelegd, d.w.z. met water en warmte in aanraking komt; dan begint het te ontkiemen, dan vindt ontwikkeling van leven plaats.

Water en warmte zijn dus twee voorwaarden die het leven stelt om zich te kunnen ontwikkelen. Bij beide is het echter zó, dat ze het leven niet altijd bevorderen. Tot op zekere hoogte is de groei en de opbrengst van de oogst afhankelijk van regen, d.w.z. van water, maar bij een teveel wordt het leven benadeeld. Hetzelfde geldt voor de warmte. Hoe warmer het is, hoe gunstiger de omstandigheden voor het leven — tot een bepaalde graad. Met hogere temperaturen kan men al het leven vernietigen.
Zowel water als warmte hebben dus duidelijk een optimum.

En deze optima zijn voor verschillende levenssoorten verschillend. Er zijn waterplanten en daarnaast woestijnplanten, die met een minimum aan water genoegen nemen, maar ook planten en dieren, die in de tropen leven of aan de pool en waarvoor juist deze omstandigheden optimaal zijn.

Ook voor de mens zijn water en warmte voorwaarden voor de levensontwikkeling. Het lichaam van de mens bestaat voor ongeveer de helft uit water. Hoe jonger de mens, hoe meer water het lichaam bevat. Dit neemt in de loop van het leven af, in overeenstemming met de vitaliteit of de levensomstandigheden.

Nergens in het lichaam bevindt zich echter ‘zuiver’ water. Dat geldt principieel voor alle levende wezens. Alle levende, of uit levende organismen afkomstige vloeistoffen zoals plantensappen, bloed, afscheidingsproducten zijn nooit alleen maar water, maar bevatten in ieder geval zouten en andere substanties. Het leven doet zich voor als een eenheid, doch omvat een veelheid van stoffen. Zeker neemt het water als drager van het leven een bijzondere plaats in. Men moet daarbij echter niet aan het chemische begrip water denken, maar aan het ‘vloeibare’, waarin het leven zich kan ontwikkelen. Het dient als drager en alle substanties zijn eraan ondergeschikt. Zo kan men uit een levend wezen een ‘nog’ levende vloeistof halen, maar men kan nooit door samenvoeging van de bestanddelen, al zijn ze nog zo nauwkeurig bepaald, een overeenkomstige ‘levende’ vloeistof maken.

Onveranderd geldt nog de uitspraak van FRANCESCO REDI (1627-1697) ‘Omne vivum e vivo’ ofwel, al het levende kan slechts uit het levende ontstaan. Zoals een levend wezen slechts van een ander levend wezen kan afstammen, zo kan het leven slechts onderhouden worden door levende stoffen.

Weliswaar weet een ieder tegenwoordig dat mens en dier niet van stenen kunnen leven, maar men vraagt niet verder, wat dan werkelijk het leven in het organisme opwekt en onderhoudt. Men spreekt niet meer van levensmiddelen, maar van voedingsmiddelen. Niet alles wat in de voeding aanwezig is bevat echter leven. Een levensmiddel is een voedingsmiddel voor zo verre het leven bevat. Alle bepalingen van calorieën, vitaminen, sporenelementen enz. zijn onvolledige pogingen om ergens het leven te grijpen, te wegen of te meten. Dit is ook principieel niet mogelijk. Al de zo bepaalde waarden kunnen slechts een deel van het leven betreffen. Zo kan ook een geïsoleerde stof, een vitamine bijv. nooit het levende vervangen of vertegenwoordigen. Daarom kent men ook zoveel vitaminen en geen onderzoeker zal willen geloven, dat men alle vitaminen nu wel kent of ze in alle bijzonderheden zal kennen.

Wil men het leven in een plant begrijpen, dan moet men ook van deze uitgaan. De wijze van groeien, standplaats, soort e.d. geven uitsluitsel over de levensomstandigheden, die er in tot uiting komen. Bij een juiste bereiding van preparaten van de plant komt het er op aan om de levenskrachten te bewaren.

De rol van de lever in de stofwisseling

Levende stoffen kunnen niet direct in de bloedbaan opgenomen worden. Zou dit toch gebeuren dan kunnen ernstige ziekteverschijnselen het gevolg zijn. Daarom moet alles wat gegeten wordt, eerst grondig verteerd, d.w.z. omgezet worden. Dit proces, dat zich in het maagdarmkanaal afspeelt is eigenlijk een stofvernietiging. Om te zorgen dat weer nieuwe ‘levende’ stof kan ontstaan — die natuurlijk anders moet zijn dan de levende voedingsstof — is een orgaan nodig dat het ‘levend maken’ uitvoert. Dat is de opgave van de lever. Het is geen toeval dat de woorden leven en lever in alle Germaanse talen verwant of vrijwel gelijk zijn.

In de lever vinden zowel omzettingen plaats van eiwitten, vetten en koolhydraten, als de regeling van de zout- en waterhuishouding. Terecht kan men daarom de lever als het centrale orgaan van de stofwisseling beschouwen. De aard van de omzettingen in de lever is voornamelijk opbouwend, dus leven en groei veroorzakend. Is de lever ziek, dan heeft de mens te weinig levenskrachtige stoffen ter beschikking — hij voelt zich moe en zwak en krachteloos. Is echter de voeding onvoldoende van kwaliteit, dan kan deze de maag wel vullen en een gevoel van verzadiging geven, maar dat er de levenskrachten aan ontbreken dat bemerkt de mens niet direct. Eerst na maanden of jaren kunnen de tekorten op dit gebied duidelijk worden — zonder dat men dan de samenhang ziet. Helaas verkeren zeer vele van onze voedingsmiddelen in deze toestand. Dat kan zelfs de aangeboden — en gegeten — hoeveelheid niet goedmaken. In Amerika spreekt men van ‘malnutrition in the midst of plenty’ ofwel van ondervoeding te midden van overvloed.

Het is duidelijk dat daarbij niet alleen te hoge eisen aan de lever gesteld kunnen worden, maar dat deze ook beschadigd kan worden. Ten slotte moet de door de darmwand opgenomen voeding door de poortader de lever passeren. En het is een van de opgaven van de lever om alle vreemde bestanddelen hieruit af te zonderen en om vergiften te ontgiften, hetgeen natuurlijk een belasting voor de lever betekent. Wil men het proces ondersteunen en de lever — en daarmee het hele organisme — werkelijk helpen dan moet men niet alleen de negatieve zijde vermijden d.w.z. de gifstoffen in de voeding, maar vooral levenskrachten toevoeren, zoals die door het plantenrijk opgenomen worden. Het toedienen van enkelvoudige vitaminen in hoge doses ofwel combinaties van alle bekende vitaminen kunnen het leven net zo min vervangen als dat het leven voortgebracht kan worden door een nog zo nauwkeurige nabootsing van stoffen uit de natuur. Het leven zelf is een organisme en dat is meer dan de som van alle bestanddelen, zoals bekend verondersteld mag worden. Daarom is het juister en voor het menselijk organisme ook doeltreffender om van het levende en zijn wetten uit te gaan in plaats van uit de bestanddelen.

Zowel door een gezonde, d.w.z. levenskrachtige voeding, als door het geven van bijv. plantensappen, die leven in geconcentreerde vorm bevatten, is het mogelijk om de stofwisselingsprocessen en daarmee ook de leverfunctie zo aan te zetten dat het organisme van vormkrachten voorzien wordt, die nodig zijn voor de opbouw van een gezond mensenlichaam.

.

2732-2561

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsproblemen (2-5)

.

Johanna Behrens, Weledaberichten nr. 107 dec. 1975*
.

LEGASTHENIE — EEN ZIEKTE VAN DEZE TIJD?

Tot tien of vijftien jaar geleden* was het woord ‘legasthenie’ (woordblindheid) alleen aan de vakmensen bekend, de pedagogen en psychologen. Nu is het voor ouders en leraren een schrikbeeld geworden. Onderzoek over de gehele wereld heeft uitgewezen dat nu een op de vier à vijf kinderen in de basisschool woordblind is. Dit bemoeilijkt hun ontwikkeling in het leren en in het leven.

Wat is legasthenie? Men verstaat daaronder een duidelijke zwakte in het lezen en schrijven, een tekort aan herkennen van de lettertekens en van hun samenstelling tot een woord; anders gezegd, het vermogen om het verband tussen letterteken en klank te herkennen ontbreekt. Indien men bedenkt in welke mate heden ten dage de eisen, die het leerplan van de openbare scholen stelt, het leren lezen en schrijven vervroegen en het perfectioneren daarvan tot maatstaf wordt, dan kan men zich voorstellen, welk een lijdensweg dit voor het betrokken kind betekent. Communicatiestoringen kunnen daarvan het gevolg zijn. Vandaar dat legasthenie vaak onder ‘communicatiestoringen’ wordt gerangschikt, maar dat is het in oorsprong niet, het leidt alleen er toe. Het treedt pas in verschijning in de eerste schooljaren, in de tijd dat het kind een gevoel van eigenwaarde gaat ontwikkelen, zodat de ervaring van het niet-mee-kunnen gevoelig aankomt. Wanneer het dan om enkele kinderen uit de klas gaat is de onderwijzer, die immers aan onverbiddelijke prestatie-eisen is gebonden, in het belang van de gehele klas al spoedig niet meer in staat om op zulke individuele moeilijkheden in te gaan. Echter, het stempel ‘woordblinde’ wordt te spoedig aangebracht. In het beste geval geniet de kleine buitenstaander van zijn situatie om in het land der dromen te toeven. De ouders vrezen echter al spoedig dat voor hun kind elke mogelijkheid om zich te ontwikkelen, is afgesneden. Hoe kan men helpen? Het is zaak de oorzaken te kennen. Men moet allereerst weten, dat er slechts een zeer klein aantal echte woordblinden is. Orgaanbeschadigingen zijn dan de oorzaak, zoals o.a. een vroege encefalitis. In verreweg de meeste gevallen gaat het slechts om een schijn-woordblindheid en deze is te verhelpen, woordblindheid berust namelijk niet op een minder begaafd zijn, maar op een zwakte van het zintuig-organisme. En daar moet men dus aanknopen.

De term ‘woordblindheid’ duidt reeds op het zintuigelijke. Maar het zien zelf is bij het kind in kwestie niet beschadigd, het ziet en identificeert een boom, een hond, de automerken, kortom, het verbindt elke waarneming met de juiste voorstelling. Ook het herkennen van een weergave in tekening of foto is normaal ontwikkeld. Indien onze letters een beeldschrift waren, zoals tot op zekere hoogte de oud-Egyptische hiërogliefen, dan lazen ze vlot. Maar onze lettertekens zijn een abstracte aangelegenheid, en het kunnen abstraheren ontwikkelt zich vaak eerst veel later. Komt dus legasthenie alleen bij zich langzaam ontwikkelende kinderen voor? Maar ook deze veronderstelling raakt de kern niet. Zoals gezegd, het kind ziet het letterteken wel en tekent het na, maar brengt het niet in verbinding met de erbij behorende klank. Het samenvoegen van wat gezien en van wat gehoord wordt lukt niet. Doch daar komt nog als extra belasting bij een storing in het overbrengen van het gehoorde of geziene in de wilsuitoefening, hier in die van het schrijven, dus het aan het werk zetten van de eigen hand, de gave van de bewegingszin.

Storingen in de coördinatie van de afzonderlijke zintuigwerkingen zijn terug te voeren op de orale fase van het kind, de zuigelingentijd. Volgens de zintuigenleer van Rudolf Steiner is de werking van een zintuig het opnemen van de indrukken der omgeving, het waarnemen ervan of ook het vasthouden; doch deze werking is bij het kleine kind nog gespreid over het gehele lichaam en niet, zoals bij de volwassene, strikt gelokaliseerd. Het totale zintuig-organisme differentieert zich eerst langzamerhand, zoals bijvoorbeeld ook de takken van een boom. Deze differentiatie vindt zijn afsluiting rond het derde jaar; de vorming van de geïndividualiseerde zintuigen duurt dan nog verscheidene jaren. Rudolf Steiner onderscheidt twaalf zintuigen, niet slechts vijf, verstaat onder zintuig niet alleen het anatomisch omschrijfbare orgaan, maar het bereik van de functie, dat voor het opnemen en de verwerking van de indruk in aanmerking komt. Deze zintuig-organisatie is in die eerste tijd uiterst teer, d.w.z. staat in hoge mate open. De meeste communicatiestoringen nu, waarover vele boeken handelen, zijn terug te voeren op een storing in de ontwikkeling van dit zintuigorganisme in deze eerste tijd van het kleine kind. Deze samenhang is niet genoeg bekend.

De zintuigen die het eerst hun vorm krijgen zijn de tastzin en de warmtezin. Al wat de lippen, de tong, vingers, huid, tastend aanraakt, deelt zijn hoedanigheid: warm of koud, ruw of glad, week of hard, aan het gehele fysieke wezentje mee, en wekt behagen of onbehagen. Hoe milder of zachter de aanraking, des te vreugdevoller is de reactie en des te groter het vertrouwen in het leven op aarde. De zuigeling reageert reeds na enkele dagen op geluiden. Hij verstaat nog niet de zin van het gesprokene, wel registreert hij de warmte en de welluidendheid van het woord, het lied of de klank. Hij luistert gespannen en ‘antwoordt’ met bewegingen en iets later met z’n keuvelgeluidjes.

Hoe staat ’t met het zien? Op lichtindrukken reageert de zuigeling even gevoelig als op geluiden. Overprikkeling van het oog leidt bij volwassenen tot nerveuze storingen, bij het heel kleine kind echter tot zware beschadiging van deze functie, en daarmee gepaard een afweerhouding om zich tegen de wereld te beschermen. Wanneer men bedenkt, hoe onbarmhartig het lawaai van de stad op prille zintuigen van het kleine kind werkt, om nog maar te zwijgen over de ‘babysit’-tv, dan begrijpt men dat door de ouders alles gedaan moet worden om het kind behoedzaam in het aarde leven binnen te leiden. De zintuigelijke ervaringen van de vroegste tijd komen gemetamorfoseerd in zielenkwaliteiten te voorschijn in het tweede zevental jaren. Wat als positieve indrukken werd opgedaan leidt tot gezonde reacties, tot een normale coördinatie van de verschillende zintuigen onderling. Negatieve — agressieve — indrukken brengen vervormingen teweeg, en remmen de ontwikkeling, van het kind.

Bekijken wij nu nog de coördinatie van zintuig en de wil. Ook de wil moet op de goede manier in het lijfelijke zijn plaats krijgen. De wil wordt naar binnen gehaald door de warmte-zin en de bewegingszin. Iedereen kan tegenwoordig vaststellen hoe het aan de orde van de dag is dat baby’s met verkeerde of te weinig kleertjes worden gekleed. Zij hebben het koud, en dit betekent een voortdurend in zichzelf terugkruipen, terugschrikken en bang zijn, — toestanden die zich in het zieltje nestelen. Maar niet alleen het warmhouden van het lijfje bevredigt de warmtezin. De baby heeft ook nestwarmte nodig. Met warmte toespreken in een harmonische omgeving is ook nodig bij de verzorging van de warmtezin. Storingen op het gebied van de tastzin en van de warmtezin leiden tot een zich afkeren, tot onverschilligheid. Storingen in de ‘gezichtszin’ en de gehoorzin hebben nervositeit tot gevolg, gebrek aan concentratie en een verminderd waarnemingsvermogen. Hiermee hebben wij de kernpunten van de woordblindheid verzameld, en daarmee is aangetoond dat de schrijf- en leeszwakte een beschadiging is van de zintuigen en niet een tekortschieten van de intelligentie.

Wil men een echt genezingsproces voor deze schijn-woordblindheid (en het is vrijwel altijd een schijn-woordblindheid) toepassen, dan zou men er dus mee moeten beginnen de prille zintuig-ontwikkeling te verzorgen: maar men kan dat kostbare eerste zevental jaren niet nog eens herhalen. Tot het negende, tiende levensjaar laat zich dit fijne organisme nog wel vormen. De effecten van de verkeerde indrukken kunnen dan nog door oefeningen gecorrigeerd worden. Deze oefeningen zijn niet alleen op het intellect gericht, doch allereerst op de wil en de zintuigen. l

De vrijeschoolpedagogie, ook wel, naar de naam van de eerste school,
Waldorfpedagogie genoemd, werd in het begin van deze eeuw door Rudolf Steiner ontwikkeld als een geneesmiddel tegen alle civilisatie- en opvoedingsbeschadigingen die hij zag komen in de loop van deze eeuw en vooral naar het einde toe, beschadigingen, die het wezen ‘Mens’ in gevaar brengen. Het leerplan van de vrijescholen omvat dan ook voor de eerste schooljaren een bijzonder rijke en veelzijdige verzorging van zintuig- en wilsontwikkeling.

Wie het bovenstaande gevolgd heeft, zal begrijpen waarom er zoveel tijd aan wordt besteed om in het onderwijs alles concreet vorm te geven: door voorbeeld en beeldspraak, en te leren waarnemen door schilderen, boetseren, luisteren (muziek!) en spreken, handen en voeten in altijd nieuwe oefeningen te coördineren met het gesproken woord, enz. enz. De zin voor het schone wordt verzorgd, het gevoel daarvoor gewekt, de bewegingszin in de euritmie op een heel bijzondere wijze bevorderd. Het schrijven wordt uit beelden, uit tekeningen ontwikkeld, en wel eerst de duidelijke drukletters. Gelezen wordt eerst wat de kinderen zelf aldus hebben geschapen. Aan het eigen, steeds doelgerichte doen van allerlei aard vat een veelzijdig enthousiasme vlam en daarmee een individuele inzet om te willen. Het niet kunnen beginnen bijvoorbeeld verdwijnt in het gemeenschappelijke doen. Waarnemen, kunnen en willen worden één, en daarmee is aan een beschadiging als de woordblindheid de grondoorzaak weggenomen. Er zijn gevallen waarin eerst de ingrijpende veranderingen van de puberteit de laatste remmingen wegnemen. Maar de breuk in de persoonlijkheid is reeds veel eerder weggenomen. Hopelijk worden deze uiteenzettingen niet zo opgevat als zouden de vrijescholen er alleen voor de woordblinden zijn. Bedoeld is aan te tonen, hoe een van de kwalijkste euvels van onze tijd met de hulp van de door de antroposofie van Rudolf Steiner verdiepte mensenkennis genezen en verholpen kan worden.

.

Leerproblemen: alle artikelen

Zintuigen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2729-2558

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (68)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Wie de ‘Scheepsjongens van Bontekoe’ kent, zal in dit boek wel iets herkennen van het leven op een schip dat in opdracht van de V.O.C. naar Indië (Indonesië) vaart. De jongens Rook en Mees – ze worden vrienden – beleven allerlei avonturen; de scheurbuik bedreigt hun leven, maar ook de Portugezen zijn hun vijanden. Je krijgt als lezer een idee hoe men omging met de inheemse bevolking, hoe hun gewoontes waren. Mees wordt in dit deel gevangen genomen en zijn toekomst ziet er niet best uit. Als Rook eindelijk – na vier jaar – weer voet op vaste wal zet, moet hij de boodschap aan Mees’ moeder overbrengen. Het geheim van de blauwe steen blijft lang onbekend, waardoor ook lang de spanning blijft bestaan over wat er toch met die steen is.

C.Vermeer
Ill. Er wordt niet vermeld van wie de illustraties zijn.

Uitg. J.N.Voorhoeve, Den Haag

Op internet is over het boek geen informatie te vinden.
Er bestaat merkwaardigerwijs nóg een boek met dezelfde titel, geschreven door Reina Bakker.

Leeftijd v.a. 12 jr.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2718-2548

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 13 (13-1-1)

.

RUDOLF STEINER

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald*

Enkele gezichtspunten bij bladzij 185/186 van de vertaling.

In [13-1] kwam naar voren dat Steiner er veel belang aan hecht dat de leerkracht leert zien dat ‘het geestelijke als een stroom door de mens heengaat’:

Das ist eine außerordentlich wichtige Tatsache. Es ist deshalb so wichtig, weil wir dadurch sehen, wie es eigentlich mit dem Geistig-Seelischen im Menschen ist. Dieses Geistig- Seelische, das sehen Sie ja daraus, ist eine Strömung. Es geht eigentlich dieses Geistig-Seelische als Strömung durch den Menschen durch.

Dat is een buitengewoon belangrijk feit en wel omdat we daardoor kunnen zien hoe geest en ziel door de mens stromen. Want geest en ziel zijn een stroom. Het geestelijke, verbonden met de ziel, gaat eigenlijk als een stroom door de mens.

Zoals ik in [13-1] al opmerkte, lijkt het erop dat de toehoorders hier al meer van weten en zij hebben er al op de eerste dag van de cursus mee kennis gemaakt.
Dat is opgetekend in de 1e voordracht van GA 294.
In deze 13e voordracht legt Steiner sterk de nadruk op ‘geest-ziel als stroom’, maar in GA 294 is er geen sprake van één stroom, maar minstens van twee: er beweegt ook iets van het hoofd naar de rest van het lichaam, wat we bijv. in sterke mate zien bij de ontwikkeling van het kleine kind. [10-1]

Meer dan één stroom

Maar in vele andere voordrachten komt dit ‘stromen door de mens’ in allerlei karakteriseringen voor. En telkens moet je erop verdacht zijn, vanuit welk standpunt Steiner kijkt.
Wanneer wij in deze voordracht lezen over ‘een stroom’ is dat veel te beperkt gezien voor wat er in werkelijkheid in ons plaatsvindt.
En de verschillende standpunten leveren uiteraard verschillende namen op voor deze stomen.
Nemen we de eenvoudigste, vanuit een fysiek standpunt: ademstroom, bloedstroom, luchtstroom, voedselstroom.
Karakteriseert Steiner vanuit het etherlijf gezien, dan is het menselijke fysieke lichaam een en al stromen die voortdurend heen en weer, of eigenlijk op en neer gaan.
Wij realiseren ons dit niet zo, omdat we ons lichaam vanaf de buitenkant als nogal statisch beschouwen, terwijl er van binnen van alles in beweging is, dag en nacht, onophoudelijk het hele leven door.
Van binnen zijn we ook niet zo fysiek als je je de vaste materie voorstelt: we bestaan – het is nog wat afhankelijk van wat je meetelt of niet, voor 80 à 90 procent uit vloeistof. Een ‘waterzuil’ of ‘waterkolom’ noemt Steiner de mens vanuit deze optiek vaak.

Die ‘stromen’ en ‘leren’

Waarom het zo belangrijk is voor de leerkracht om deze stromen te kennen, heeft alles te maken met wat ‘leren, leerstof eigen maken’, eigenlijk betekent.
En deze vraagstelling is nog steeds een unieke vrijeschoolpedagogisch – didactische vraagstelling: wat doet het aan of met een kind.

Hier ben ik ingegaan op verschillende karakteriseringen die Steiner voor deze stromen gebruikt. Hij geeft daar ook voorbeelden op welk gebied in het kind de leerstof werkt.

In GA 301 gebruikt hij ook een beeld voor ‘de stroom’:

 So wie wir beobachten die Fallkraft, die Schwerkraft an dem vom Berge herabstürzenden Wasser, wie wir die Schnelligkeit des Wassers beobachten an der Schwerkraft und ihren Widerständen, so lernen wir erkennen, wie sich das Leibliche von Woche zu Woche entwickelt gerade aus dem Geistig-Seelischen heraus, wenn wir erst beobachten lernen dieses Seelisch-Geistige in seinem Arbeiten im Leiblichen darinnen.

Op de manier waarop wij de kracht van het neerstorten, de zwaartekracht van het water dat van een berg naar beneden stort, waarnemen, hoe wij de snelheid van het water waarnemen aan de zwaartekracht en aan de weerstand, zo leren wij kennen hoe het lichamelijke zich van week tot week ontwikkelt vanuit geest en ziel, als we dan deze ziel en geest leren waarnemen in hun activiteit in het lichaam.
GA 301/23-24  
Op deze blog vertaald/23-24

In de 13e voordracht volgt nog ‘hoe het lichamelijke zich van week tot week ontwikkelt vanuit geest en ziel, als we dan deze ziel en geest leren waarnemen in hun activiteit in het lichaam’.

En om ons nog even te herinneren aan het belangrijke karakteriseren:

Ich habe gestern darauf hingewiesen, wie man zu wirklicher Menschenkenntnis den Menschen zu betrachten hat von den verschiedensten Gesichtspunkten aus, wie aber diese verschiedenen Ge­sichtspunkte gerade dazu führen, einheitlich zu überschauen das Kör­perlich-Physische und das Seelisch-Geistige.

Ik heb er gisteren op gewezen, hoe je bij echte menskunde de mens moet beschouwen vanuit de meest verschillende gezichtspunten, hoe deze echter er juist toe leiden, als een eenheid te zien het lichamelijk-fysieke en wat ziel en geest is.
GA 301/27
Op deze blog vertaald/27

In GA 302 volgt weer een iets andere benadering die mee kan helpen de tekst van de 13e voordracht beter te begrijpen:
Uiteraard staan ook hier weer dingen in die eigenlijk om een nadere beschouwing vragen. Maar ze aandachtig op je in laten werken, helpt in eerste instantie ook mee voor een beter begrip.

(Hier en daar heb ik zelf e.e.a. vet of cursief gemaakt)

Blz. 33    vert. 33

Dasjenige, was so ins Wirkliche hineingeht, das regt uns auch empfindungsgemäß an, und daher machen Sie sich mit einem Gedanken recht gut bekannt und versuchen Sie, ihn pädagogisch tief auszubilden. Das ist nämlich der: es ist eigentlich einerlei, ob man den Menschen in bezug auf sein Physisch-Körperliches betrachtet, wenn man ihn richtig betrachtet, oder in bezug auf sein Geistig-Seelisches. Wenn man das Geistig-Seelische in richtiger Weise betrachten lernt, so lernt man es als ein Schöpferisches kennen, das aus sich herausfließen läßt das Physisch-Körperliche. Man sieht es am Schaffen, das Geistig-Seelische.
Und wenn man das künstlerisch in der richtigen Weise betrachtet, dann ist es so, daß man allmählich die Materialität ganz verliert, und es wird ganz von selber ein Geistiges. Das Physisch-Körperliche verwandelt sich im richtigen Vorstellen in ein Geistiges.

Dit inzicht gaat vervolgens heel sterk in het gevoel over, want het betreft inzicht in realiteiten; daarentegen hebben de inzichten die door de tegenwoordige abstracte gedachtegangen geleverd worden – onverschillig of men daarmee die abstracties zelf bedoelt, of de beschrijving van de materie – in de grond van de zaak niets met de realiteit te maken. Vandaar dat die inzichten ons ook niet in ons gevoel kunnen inspireren. Wat werkelijk op realiteit stoelt, dat inspireert ons ook gevoelsmatig.
Daarom moet u één gedachte heel goed in u opnemen en proberen die pedagogische tot op de bodem uit te werken; en wel deze gedachte: het is eigenlijk eender of je de mens bekijkt in relatie tot zijn fysiek-lichamelijk aspect of in relatie tot zijn geestes-zielenaspect, als je het maar op de juiste manier doet. Als je leert op de juiste manier naar het geestes-zielenaspect te kijken, dan leer je het als een scheppende kracht kennen, die het fysiek-lichamelijke uit zich voort laat komen. Het geestelijk-ziele-element herken je aan de scheppende kracht. En als je het op de juiste manier, kunstzinnig bekijkt, dan raak je geleidelijk aan alle materialiteit kwijt en als vanzelf ontstaat het geestelijke. Het fysiek-lichamelijke vormt zich bij de juiste wijze van voorstellen om tot iets geestelijks.
GA 302/33
Vertaald/33

Blz. 56/57  vert. 56/57

Ich möchte Ihnen zunächst noch einmal die Betrachtung des sogenannten Zusammenhanges des Geistig-Seelischen und des Physisch-Leiblichen beim Menschen, insbesondere beim Kinde, auf die Seele legen. Es ist ja das Geistig-Seelische in der allgemeinen Bildung heute fast nur in intellektueller Form vorhanden. Wir haben in unserem Kulturleben ein eigentlich lebendiges Geistesleben nicht.
Es ist ja das Geistig-Seelische in der allgemeinen Bildung heute fast nur in intellektueller Form vorhanden. Wir haben in unserem Kulturleben ein eigentlich lebendiges Geistesleben nicht.
Wenn wir nun dasjenige treiben, was wir den Kindern auf den verschiedensten Gebieten beibringen müssen, also ich will sagen, was wir ihnen beibringen, während wir mit ihnen lesen oder ihnen das vermitteln, was zum Lesen führt, was wir ihnen beibringen als das Gedankliche im Rechnen, was wir ihnen beibringen auch in der Naturgeschichte oder Naturlehre – durch all das, was in Gedanken sich ausspricht, bringen wir eben Vorstellungen an sie heran. Und Vorstellungen an die Kinder heranbringen, das ist im Grunde eine ganz andere Betätigung gegenüber dem kindlichen Organismus, als diejenige ist, die sich ja allerdings in die anderen zum Teil hineinmischt, aber zum Teil selbständig getrieben wird. Nicht wahr, ganz selbständig wird das Körperlich-Leibliche getrieben bei Eurythmie, beim Musikunterricht, beim Turnunterricht, in einer gewissen Weise beim Instrumentalunterricht, nicht mehr aber beim Gesangunterricht. Natürlich ist alles nur relativ. Aber es ist durchaus polarisch verschieden, was wir in diesen Fächern an die Kinder heranbringen, auch was das Kind beim Lesen, beim Schreiben lernt, wo wir stark an die körperliche Tätigkeit appellieren, von den Fächern, wo dies viel weniger der Fall ist, etwa beim Rechnen, wo die körperliche Tätigkeit eine untergeordnete Rolle spielt; während gerade beim Schreiben die körperliche Betätigung eine sehr große Rolle spielt.

Allereerst zou ik u nog eens op het hart willen binden dat geest en ziel samenhangen met het fysiek-lichamelijke deel van de mens, speciaal bij het kind, Het geestes-zielenaspect is in de algemene huidige opvoeding vrijwel uitsluitend in intellectuele vorm aanwezig. We hebben in onze cultuur in feite geen echt levend geestesleven.
Nu leren we de kinderen dingen op de meest uiteenlopende gebieden; als we met ze lezen, of ze leren lezen, als we ze leren rekenen, ook als we ze dingen leren in de plant- en dierkundeles, dingen over de natuur,- door alles wat in gedachtevorm wordt uitgedrukt benaderen we ze met voorstellingen. En de kinderen benaderen met voorstellingen is een fundamenteel andere activiteit ten opzichte van het kinderlijke organisme dan dat wat deels zelfstandig bedreven wordt, maar wat zich hier wel ten dele mee vermengt. Geheel zelfstandig wordt het fysieke lichaam aangesproken bij euritmie, bij muziek, bij gymnastiek, en tot op zekere hoogte bij het instrumentale muziekonderwijs; maar niet meer bij het zingen. Natuurlijk is alles slechts relatief. Maar het is volstrekt tegenovergesteld: wat we in déze vakken met de kinderen doen, ook wat de kinderen leren bij het lezen en schrijven, waarbij we sterk appelleren aan de lichamelijke activiteit, staat in tegenstelling tot de vakken waarbij dat veel minder het geval is, bijvoorbeeld bij het rekenen, waarbij de lichamelijke activiteit een ondergeschikte rol speelt; terwijl bij het schrijven de lichamelijke activiteit juist een zeer grote rol speelt.

Blz. 59/60   vert.  60/61

Nun müssen wir uns klar sein, was da eigentlich im Menschen vorgeht, wenn Sie mit dem Kinde etwas lesen. Es ist das allerdings – im Bilde – aber doch eben eine zunächst geistige Betätigung. Die setzt sich  in die Körperlichkeit hinein fort. Und gerade bei denjenigen Dingen, die auf der gedanklichen, geistigen Tätigkeit beruhen, bei denen nimmt man feine Teile der menschlichen physischen Organisation ganz besonders in Anspruch. Sie können auch als Physiologe darauf kommen, wenn Sie sich ein Bild machen von dem tiefer gelegenen Teil des Gehirnes, von der weißen Masse. Diese ist eigentlich die vollkommener organisierte. Sie ist diejenige, die mehr auf das Funktionelle hingeht, während die oberflächliche graue Masse, die also beim Menschen ganz besonders ausgebildet ist, auf einer sehr zurückgebliebenen Stufe der Entwicklung steht; sie ist Nahrungsvermittlerin des Gehirns. Der Entwicklung nach ist nicht der Gehirnmantel das Vollkommenere, sondern die darunterliegenden Teile sind das Vollkommenere. Und wenn wir nun einem Kinde namentlich zu Beobachtendes beibringen, oder dasjenige, was es beim Lesen erlebt, so nehmen wir sehr stark seine Graugehirnmasse in Anspruch, und es findet ein feiner Stoffwechselprozeß im Menschen statt. Dieser feine Stoffwechselprozeß, der da im Menschen stattfindet, dehnt sich, wenn auch in einer sehr feinen Weise, auf den ganzen Organismus aus.   

Nu moet ons duidelijk voor ogen staan wat er eigenlijk gebeurt wanneer we met de kinderen iets lezen. Dat is immers in eerste instantie een – zij het met het beeld verbonden – geestelijke activiteit. Die zet zich vervolgens voort in de lichamelijkheid. En juist bij die dingen die op denkactiviteit, op geestelijke activiteit berusten, doet men heel speciaal een beroep op fijne onderdelen van de menselijke fysieke organisatie.
Ook als fysioloog zou u dat kunnen signaleren, als u zich een beeld vormt van het dieper gelegen deel van de hersenen, de zogeheten witte hersenmassa. Dat is in feite het meest volmaakt georganiseerde deel. Het is het deel dat meer met de diverse functies te maken heeft, terwijl de aan de oppervlakte gelegen grijze cellen, die overigens bij de mens heel speciaal ontwikkeld zijn, op een veel lagere trap van ontwikkeling staan; die vormen de voedingsbodem van de hersenen. Wat ontwikkeling betreft vormt niet de hersenschors het meest volmaakte deel, maar de daaronder gelegen delen.
En als we nu een kind iets leren waarbij de nadruk op het waarnemen valt, of op dat wat met de ervaring van het lezen verbonden is, dan doen wij een sterk appel op zijn grijze hersenmassa en vindt er in de mens een fijn stofwisselingsproces plaats. Dit fijne stofwisselingsproces dat zich in de mens afspeelt, breidt zich, zij het op een heel fijne manier, uit over het hele organisme.

Und gerade wenn wir meinen, das Kind am geistigsten zu beschäftigen, wirken wir eigentlich leiblich-physisch am allerstärksten auf dasselbe. Es ist ein Hineindrängen in den Stoffwechsel beim Beobachten, beim Lesen, beim Erzählenhören. Da ist das Kind außerordentlich stark in Anspruch genommen. Das ist dasjenige, was man nennen könnte: die Einprägung des Geistigen in die Leiblichkeit. Es ist eine Art Verkörperung desjenigen notwendig, was wir im Beobachten, im Erzählenhören entwickeln. Es muß sich etwas wie ein körperliches Phantom bilden, was sich in den ganzen Organismus eingliedert. Es ist im Organismus so, daß feine Salze abgesetzt werden. Man darf sich das nicht allzu grob vorstellen. Es wird dem ganzen Organismus ein Salzphantom eingegliedert, und es ist dann die Notwendigkeit vorhanden, daß das wiederum durch den Stoffwechsel aufgelöst wird.Das ist der Prozeß, den wir vollziehen beim Lesen oder beim Erzählenhören. Wir rufen schon, wenn wir glauben, Geistig~Seelisches in Anspruch zu nehmen, am meisten Stoffwechsel hervor im Unterricht. Und das ist eben im Unterricht durchaus zu berücksichtigen.

En juist als we denken in de meest geestelijke zin met de kinderen bezig te zijn, werken we eigenlijk het allermeest op hun lichamelijk-fysieke wezen. Waarnemen, lezen, luisteren naar verhalen betekenen een binnendringen in de stofwisseling. Daardoor wordt een buitengewoon appel op de kinderen gedaan. Het is wat je zou kunnen noemen: het inprenten van het geestelijke in de lichamelijkheid. Er is een soort belichaming nodig van wat we ontwikkelen in het waarnemen, in het opnemen van verhalen. Er moet zoiets als een lichamelijk fantoombeeld gevormd worden, dat zich in het organisme als geheel incorporeert. In het organisme zetten zich fijne zouten af. Je moet je dat niet al te grof voorstellen. In het gehele organisme wordt een soort zout-fantoombeeld afgezet, en dat moet vervolgens weer door de stofwisseling worden opgelost.
Dit is het proces dat we voltrekken bij het lezen of bij het luisteren naar verhalen. Terwijl we geest en ziel denken aan te spreken, roepen we juist het sterkst de stofwisseling op in het onderwijs. En daar dienen we bij ons onderwijs goed rekening mee te houden.

Blz. 61  vert. 61

Wir können daher nicht anders als dasjenige, was wir erzählen, oder was wir lesen lassen, so zu gestalten, daß es nach zwei Richtungen hin einwandfrei ist. Erstens einwandfrei dahingehend, daß wir das Erzählte und das Gelesene so gestalten, daß das Kind unbedingt ein gewisses Interesse daran hat, daß es alles mit einem gewissen Interesse verfolgt.
Wenn dieses Interesse wirkt, wenn das Interesse in der Seele ist, ist es eine Art feines Lustgefühl. Das muß immer da sein. Dieses feine Lustgefühl drückt sich physisch in einer feinen Drüsenabsonderung aus, und durch diese Drüsenabsonderung wird das, was durch das Lesen, durch das Erzählenhören an Salzablagerung stattfand, aufgesogen.
Wir müssen versuchen, die Kinder nicht zu langweilen, dem Kinde nicht etwas beizubringen, was es langweilt; denn es wird sonst kein Interessegefühl erweckt und dann wird das ungelöste Salz erzeugt und im Körper verteilt, und wir wirken eigentlich dahin, daß das Kind später allerlei Stoffwechselkrankheiten bekommt. Namentlich bei Mädchen ist besonders darauf Rücksicht zu nehmen. Die migräneartigen Zustände sind eine Folge davon, daß sie zu einseitig vollgepfropft werden mit allem möglichen, was sie lernen müssen, ohne daß es in eine solche Art von Erzählung gekleidet wird, an der sie eine Freude haben. Sie sind angefüllt mit kleinen Spießen, die sich nicht recht aufgelöst haben, mit der Tendenz zu solcher Spießbildung.
Es ist tatsächlich so, daß wir auf diese Dinge sehen müssen.

We kunnen daarom niet anders tewerk gaan dan dat we de vertelstof of de leesstof zó vormgeven dat ze in twee opzichten onberispelijk is. Ten eerste onberispelijk in die zin dat we die vertelstof en de leesstof zo vormgeven dat de kinderen er echt geïnteresseerd in zijn, dat ze alles met duidelijk aanwezige interesse volgen. Als deze interesse werkt, als de interesse in de ziel aanwezig is, dan is er een soort fijnzinnig gevoel van vreugde. Dat moet er altijd zijn. Dit fijne vreugde-gevoel komt fysiek tot uiting in een subtiele klierafscheiding. Door deze subtiele klierafscheiding wordt de zoutafzetting ten gevolge van het lezen, ten gevolge van het luisteren naar de verhalen, opgezogen. We moeten proberen ervoor te zorgen dat de kinderen zich niet vervelen, we mogen ze geen dingen aanbieden die hun verveling opwekken; want dan wordt het interessegevoel niet gewekt en wordt het geproduceerde zout niet opgelost, maar over het lichaam verspreid. Daarmee bewerkstelligen we in feite dat de kinderen later allerlei stofwisselingsziekten krijgen. Speciaal bij meisjes moeten we daar heel goed op letten. De migraine-achtige toestanden zijn het gevolg van het feit dat ze te eenzijdig volgepropt worden met alle mogelijke zaken die ze moeten leren, zonder dat het in een vorm gegoten wordt dat ze er vreugde aan beleven. Ze zijn met kleine naaldjes opgevuld, die niet goed zijn opgelost, of in elk geval met de tendens tot zulke naaldvorming. We moeten daadwerkelijk op dit soort zaken letten.

Und dann, sehen Sie, kommt die eigentliche Misere, die eben darin liegt, daß wir zu so vielen Dingen doch nicht genügend Zeit haben. Es müßte dafür gesorgt werden, daß die zahlreichen Lesestücke, die in den heute gebräuchlichen Lesebüchern sind – die zum auf die Wand hinaufkriechen sind -, von uns nicht verwendet werden. Ich habe doch schon in den Klassen so verschiedene Lesebücher mit einer Auswahl von Lesestücken verwendet gesehen, die also fürchterlich sind. Wir dürfen nicht vergessen, daß wir die Kinder physisch für das ganze spätere Lebensalter zubereiten. Wenn wir ihnen solch ein triviales Zeug, wie es zumeist in den gebräuchlichen Lesebüchern steht, beibringen, ist es doch so, daß wir ihre feineren Organe nach dieser Richtung hin formen; und das Kind wird ein Philister statt ein vollständiger Mensch. Wir müssen wissen, wie sehr wir durch das Lesen, durch das Lesenlernen an der

Over de kwaliteit van wat de kinderen lezen

En dan komt de eigenlijke misère, die veroorzaakt wordt door het feit dat we voor zo vele dingen nog onvoldoende tijd hebben. We moeten ervoor zorgen dat al die leesteksten die in de tegenwoordig gebruikte leesboekjes staan – daar loop je gillend van weg – door ons niet gebruikt worden. Ik heb in de klassen diverse leesboekjes gezien met teksten die werkelijk verschrikkelijk zijn. We mogen niet vergeten dat we de kinderen wat hun fysiek betreft uitrusten voor de rest van hun leven. Als we hen dergelijke banale rommel voorzetten, die meestal in de gebruikelijke leesboekjes staat, moeten we ons realiseren dat we in die stijl hun fijnere organen vormen; en de kinderen worden kleinburgerlijke mensjes in plaats van volwaardige mensen. Het is nodig dat we weten hoe sterk we door met de kinderen te lezen, door ze te leren lezen,

Blz. 62  vert. 62

ganzen Heranbildung des Kindes arbeiten. Es kommt später wieder heraus. Daher würde ich Sie schon bitten, daß Sie versuchen, womöglich aus den Klassikern oder sonstwoher die Lesestücke zusammenzusuchen und selber das Lesematerial zusammenzustellen, nichts aus den gebräuchlichen Lesebüchern zu nehmen, die fast durch die Bank greulich sind. Die sollten eigentlich eine möglichst geringe Rolle spielen. Es ist natürlich viel unbequemer, sich die Sachen zusammenzusuchen, aber schließlich ist das doch notwendig, daß wir auf diese Dinge besonders Rücksicht nehmen; denn darin besteht ja die Aufgabe in unserer Waldo`rfschule, daß wir diese eigentlich methodischen Dinge anders machen, als sie sonst gemacht werden. Es handelt sich darum, daß wir beim Lesen und beim Erzählenanhören, auch wenn wir sonst Naturgeschichtliches vorbringen, darauf Rücksicht nehmen, daß nach diesen zwei Richtungen hin nichts Schädliches getan wird.

werken aan hun hele ontwikkeling. Het komt er later allemaal weer uit. Vandaar dat ik u dringend wil vragen om te proberen de leesteksten waar mogelijk uit de klassieken of van elders te verzamelen, en zelf het leesmateriaal samen te stellen. Ontleent u de leesstof niet aan de gebruikelijke boekjes, die door de bank genomen afschuwelijk zijn. Die zouden eigenlijk een zo klein mogelijke rol moeten spelen. Het is natuurlijk veel lastiger om zelfde zaken bij elkaar te scharrelen, maar uiteindelijk is het toch nodig dat we met deze dingen zeer zorgvuldig omgaan. Want de opgave van de Vrije School bestaat immers erin dat we deze in feite methodische zaken anders aanpakken dan elders gebeurt. Het gaat erom dat we bij het lezen en bij het vertellen, ook wanneer het over de natuur gaat, erop letten dat er in deze twee richtingen geen schade wordt aangericht.

In einem gewissen entgegengesetzten Sinn wirkt dann das Eurythmische, das Gesangliche; da findet ein ganz anderer organischer Prozeß statt. Bei all denjenigen Organen, die sich daran betätigen, sitzt nämlich das Geistige zunächst in den Organen drinnen. Wenn Sie das Kind eurythmisieren lassen, so kommt es in Bewegung und durch den Verlauf dieser Bewegung strömt das Geistige, das in den Gliedern ist, aus den Organen nach oben. Es ist eine Erlösung des Geistigen, wenn ich das Kind eurythmisieren oder singen lasse. Das Geistige, von dem die Glieder strotzen, wird herauserlöst. Das ist der reale Vorgang. Es ist also ein wirkliches Herausholen des Geistigen aus dem Kinde, was ich dabei vollbringe. Und das hat nun wiederum zur Folge, daß, wenn das Kind aufhört solche Übungen zu machen, das Geistige darauf wartet, um Verwendung zu finden. – Ich habe Ihnen dieses gestern in anderer Beziehung klargemacht. – Aber das Geistige wartet auch wiederum darauf, sich zu befestigen. Ich habe das Kind wirklich vergeistigt, indem ich es turnen, eurythmisieren oder singen lasse.
Das Kind ist ein ganz anderes Wesen geworden; es hat viel mehr Geistiges in sich. Das will sich aber befestigen; das will beim Kinde bleiben; das dürfen wir nicht ableiten. Und da gibt es das einfachste Mittel: Wir bringen das Kind kurze Zeit, nachdem es eurythmisiert, geturnt oder gesungen hat, ein wenig zur Ruhe. Wir lassen die ganze

In zekere mate daaraan tegengesteld werken euritmie en zingen; daarbij vindt een totaal ander organisch proces plaats. Bij alle organen die daarbij betrokken zijn, zit namelijk het geestelijke in de organen zelf. Wanneer u de kinderen euritmie laat doen komen ze in beweging, en door het verloop van die beweging stroomt het geestelijke dat in de ledematen zit, uit de organen omhoog. De kinderen euritmie laten doen, of laten zingen betekent een verlossing van het geestelijke. Het geestelijke, waarmee de ledematen boordevol zitten, wordt eruit bevrijd. Dat is een reëel proces. Wat ik dan doe is werkelijk het tevoorschijn halen van het geestelijke uit het kind. En dat heeft dan weer tot gevolg dat, wanneer het kind ophoudt met zulke oefeningen, het geestelijke erop wacht gebruikt te worden. Dit heb ik u gisteren in ander verband duidelijk gemaakt. Maar het geestelijke wacht er ook weer op, zich te kunnen verankeren. Doordat ik de kinderen gymnastiek of euritmie heb laten doen of heb laten zingen, heb ik ze werkelijk vergeestelijkt. Ze zijn andere wezens geworden, ze hebben veel meer geestelijks in zich. Maar dat geestelijke wil zich weer verankeren, wil bij de kinderen blijven; dat mogen we niet laten ontsnappen. Daarvoor is een allereenvoudigst middel: we brengen de kinderen na de euritmie, de gymnastiek of het zingen, korte tijd tot een zekere rust.  We laten de

Blz. 63  vert. 62

Gruppe nur ein wenig ausruhen und versuchen, diese Ruhe, wenn es auch nur ein paar Minuten sein sollten, aufrechtzuerhalten. Je älter die Kinder sind, desto mehr ist das notwendig. Das sollten wir auch berücksichtigen, sonst ist am nächsten Tag doch nicht dasjenige vorhanden, was wir eigentlich brauchen. Es ist nicht gerade das ganz richtig, wenn man die Kinder wieder fortjagt, sondern man soll sie ein wenig in Ruhe sein lassen.
Bei all diesem bildet man im Grunde genommen ein Weltprinzip ab.
Die Menschen machen ja alle möglichen Theorien über Materie und Geist. Aber beiden, Materie und Geist, liegt etwas Höheres zugrunde.
Und man kann eigentlich sagen: Wenn dieses Höhere zur Ruhe gebracht wird, dann ist es Materie; wenn dieses Höhere in Bewegung gebracht wird, dann ist es Geist. Das können wir, weil es ein sehr hohes Prinzip ist, durchaus auf den Menschen übertragen. Der Mensch erschafft für dasjenige, was in dem Geistigen erlöst wird, auf die Art, wie ich es erzählt habe, ein Schema in sich durch die Ruhe. Das setzt sich ab, und er kann es dann brauchen. Es ist schon gut, so etwas überhaupt zu wissen, weil man dann alles mögliche auch noch bei anderen Dingen findet, um sich in entsprechender Weise den Kindern gegenüber zu benehmen.

de hele groep een beetje uitrusten en proberen die rust te handhaven, ook al is het maar een paar minuten lang. Hoe ouder de kinderen zijn, des te noodzakelijker is dat. Daar moeten we goed op letten, anders is de volgende dag dat wat we eigenlijk nodig hebben, toch niet aanwezig. Het is niet goed de kinderen meteen weer naar het volgende te jagen; je moet ze een ogenblik tot rust laten komen.
Bij dit alles hanteert men in wezen een fundamenteel wereldprincipe. Tegenwoordig worden er allerlei theorieën over materie en geest opgesteld. Maar aan beide, materie en geest, ligt een hoger principe ten grondslag. En eigenlijk kun je zeggen: wanneer dit hogere tot rust gebracht wordt, dan is het materie; wanneer dit hogere in beweging gebracht wordt, dan is het geest. Omdat het een zeer hoog principe is, kunnen we het zeer zeker naar de mens toe vertalen. Door de rust schept de mens voor het geestelijke dat op de beschreven wijze vrij gemaakt is, in zichzelf een structuur. Dat zet zich in hem af, en dan kan hij het gebruiken. Het is goed om zoiets te weten, omdat je dan ook nog allerlei andere dingen kunt ontdekken om een juiste houding tegenover de kinderen aan te nemen.

Blz. 68  vert. 67

Es ist notwendig, daß das, was mit Recht auswendig gelernt wird, Gebete, Gedichte und so weiter in einer solchen Weise präpariert wird, daß der Gefühlsanteil, den das Kind nehmen muß, wenn es sich selber zuhört, da ist. Es muß geradezu das Kind beim Gebet das Gefühl haben: Du gehst jetzt über dich hinaus, du sagst etwas, wobei du über dich hinausgehst. – Und so muß es bei allem Anmutigen und Schönen sein.
Das hat aber seine durchaus körperlich-physische Bedeutung, denn jedesmal, wenn wir dem Kinde etwas beibringen, was einen tragischen oder erhabenen Charakter hat, wirken wir im Grunde genommen auf seinen Stoffwechsel. Jedesmal, wenn wir dem Kinde etwas beibringen, was einen niedlichen, anmutigen Charakter hat, jedesmal dann wirken wir auf seinen Kopf, auf sein Sinnes-Nervensystem. Und wir können in dieser Beziehung hygienisch vorgehen. Wenn wir zum Beispiel ein Kind haben, das, sagen wir, sehr leichtfertig ist, das also immerfort Sensationen haben will, dann versuchen wir, dieses Kind dadurch zu kurieren, daß wir in ihm die Stimmung erzeugen, die es beim Auswendiglernen haben muß bei Erhabenem, Tragischem. Schon auf diese Weise kommen wir dann dem Kinde bei. Und wir müssen auf solche Dinge im Unterricht durchaus Rücksicht nehmen. Das alles werden Sie dann erreichen, wenn Sie selber in der richtigen Weise zum Unterricht stehen, das heißt, wenn Sie sich doch       

Het is noodzakelijk dat de dingen die terecht van buiten geleerd worden, zoals gebeden, gedichten enzovoort, op zó’n manier voorbereid worden dat het gevoel van een kind belangstelling moet hebben wanneer het naar zichzelf luistert. Bij een gebed moeten de kinderen echt het gevoel hebben: nu stijg ik boven mezelf uit, nu zeg ik iets waarbij ik boven mezelf uitstijg. – En dat moet het geval zijn bij alles wat lieftallig en mooi is.
Dat heeft echter een grote betekenis voor het fysieke lichaam. Want telkens als we de kinderen iets leren wat een tragisch of een verheven karakter heeft, werken we in feite op hun stofwisseling. En telkens als we ze iets leren dat een lieftallig, bekoorlijk karakter heeft, werken we op hun hoofd, op hun zenuwzintuigstelsel. In dit opzicht kunnen we gezondmakend te werk gaan. Als we bijvoorbeeld met een kind te maken hebben dat, laten we zeggen, erg lichtzinnig is, dat steeds op sensatie uit is, dan proberen we het zo te behandelen dat we bij hem een stemming opwekken die het moet hebben bij het van buiten leren van iets verhevens, of iets tragisch. Op die manier kunnen we vat krijgen op zo’n kind. En met dat soort dingen moeten we in het onderwijs heel sterk rekening houden. Dat zult u allemaal voor elkaar krijgen als u zelfde juiste houding heeft

Blz. 69      vert. 69

immer wiederum vor die Aufgabe stellen, zu versuchen, ab und zu geradezu meditativ sich innerlich, wenn auch kurz die Frage zu beantworten: Was gibst du eigentlich dem Menschen dadurch, daß du ihm Geschichte, Geographie und so weiter beibringst? – Sich aufklären über dasjenige, was man eigentlich tut, das ist für den Lehrer ganz besonders notwendig. Wir haben ja in der mannigfaltigsten Weise über dasjenige gesprochen, was man durch Geschichte, Geographie und so weiter dem Kinde zu sagen hat. Mit solchen Dingen muß man nicht zufrieden sein, wenn man sie weiß, sondern man muß sie sich kurz meditierend vor die Seele rufen. Weiß zum Beispiel der Eurythmielehrer, daß er den Geist aus den Gliedern des Kindes erlöst, weiß derjenige, der Lesen lehrt, daß er das Geistige verleiblicht, verkörpert, und macht er sich das immer klar, sieht er gewissermaßen, wie, wenn er falsch liest oder Langweiliges dem Kinde beibringt, das Kind immer mehr und mehr zu einer Stoffwechselkrankheit hinneigt, fühlt er, daß er den späteren Diabetiker erzeugt dadurch, daß er das Kind Langweiliges herunterlesen läßt: dann fühlt er die richtige Verantwortung. Sie erzeugen Diabetiker, Zuckerkranke, wenn Sie das Kind fortwährend über das Maß hinaus mit langweiligem Lesen beschäftigen. Sie erzeugen Menschen, die sich im Leben verlieren, wenn Sie den erlösten Geist sich nicht wieder beruhigen lassen nach einer körperlichen oder gesanglichen Übung.

ten opzichte van het onderwijs, dat wil zeggen, als u zich telkens weer tot taak stelt te proberen af en toe, al is het maar kort, innerlijk-meditatief met de vraag om te gaan: wat geef je de mens eigenlijk door hem geschiedenis, aardrijkskunde en dergelijke te leren? – Helder krijgen waar je mee bezig bent, dat is voor leraren buitengewoon nodig. We hebben al op de meest uiteenlopende manieren gesproken over wat je een kind door middel van geschiedenis, door aardrijkskunde en dergelijke te zeggen hebt. Maar je moet niet tevreden zijn als je zulke dingen wéét; je moet ze kort in de ziel oproepen en mediteren. Weet de euritmieleraar bijvoorbeeld dat hij de geest uit de ledematen van de kinderen vrijmaakt; of weet degene die de kinderen leert lezen dat hij het geestelijke laat incorporeren, belichamen, en realiseert hij zich, neemt hij waar dat de kinderen, als hij op de verkeerde manier met ze leest of ze verveelt, steeds vatbaarder worden voor stofwisselingsziekten, voelt hij dat hij de kiem legt voor suikerziekte op latere leeftijd door het kind saaie dingen te laten lezen: dan heeft hij het juiste verantwoordelijkheidsgevoel. U kweekt diabetici, suikerzieken, als u de kinderen voortdurend bovenmatig bezighoudt met saai, vervelend lezen. U kweekt mensen die zich in het leven verliezen als u de vrijgemaakte geest niet weer tot rust laat komen na een lichamelijke oefening of een zangoefening.

Das sind die Dinge, die bei dem Lehrer ganz besonders notwendig sind: sich zuweilen zu überlegen, was er eigentlich tut. Und es ist das nun durchaus nicht ein niederdrückendes Gefühl; denn der Lehrer, der viel mit Lesen zu tun hat, wird dadurch zum Gefühl kommen, daß er eigentlich fortwährend etwas verkörpert, daß er an der menschlichen Körperlichkeit arbeitet und damit Menschen stark oder schwach auch in bezug auf die Physis in die Welt setzt. Der Handarbeits- oder Handfertigkeitslehrer wird sich sagen können, er arbeitet ganz besonders am Geiste. Wenn wir in der richtigen Weise mit dem Kinde stricken und Dinge machen, die Sinn haben, oder durch Handfertigkeitsunterricht Dinge machen, die Sinn haben, dann arbeiten wir wirklich oftmals mehr am Geiste, als wenn wir den Kindern das beibringen, was man für das Geistige hält.

Dat zijn dingen die voor de leraar heel noodzakelijk zijn: zich bij tijd en wijle af te vragen wat hij eigenlijk doet. En dat geeft echt geen deprimerend gevoel. Want de leraar die veel met lezen bezig is, zal hierdoor het gevoel krijgen dat hij eigenlijk voortdurend iets helpt incorporeren, dat hij aan de lichamelijkheid van de mens werkt, en daarmee mensen wat betreft het fysieke lichaam sterk, of ook wel zwak, in de wereld zet. De leraar handwerken of handenarbeid zal zich realiseren dat vooral hij aan de geest werkt. Als we met de kinderen op de juiste wijze breien en zinvolle dingen maken, of in de handenarbeid dingen maken die zin hebben, dan werken we echt vaak meer aan de geest dan als we ze dingen leren die men voor geestelijk houdt.
GA 302/57-63
Vertaald/57-63

.

Algemene menskunde voordracht 13: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2710-2540

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-1/32)

.

WATERMAN                                    en                                             ZUIDERVIS

De Waterman wordt als een van de oudste sterrenbeelden gezien. In de allereerste overleveringen was hij een god die aan de mens water schonk. Bij de Babyloniërs was het de godin Gula die uit twee kruiken water op de aarde goot. Daaruit zijn de Eufraat en de Tigris ontstaan, de twee stromen die het Tweestromenland leven geven. Bij de Egyptenaren was het de nijlgod, de gepersonifieerde god van hun grote rivier de Nijl, uit wiens beide kruiken de Witte en de Blauwe Nijl, de twee grote bronnen van de Nijl stroomden.
De Oude Grieken brachten zelfs hun mythe van de zondvloed in samenhang met dit sterrenbeeld en zagen in de Waterman Deukalion, de Griekse Noach die het nieuwe mensengeslacht stichtte. De legende daarvan vinden we o.a. bij Ovidius in zijn eerste boek van zijn ‘Metamorfosen’.

Godvader Zeus was ter ore gekomen dat het mensengeslacht verdorven was. Dat wilde hij niet geloven en in de gedaante van een mens trok hij door de wereld om zich er zelf van te overtuigen. Hij zag moord en misdaad en hij besloot het hele mensengeslacht te vernietigen. Hij wilde het doen verdrinken door al het water van de hemel in één keer op de aarde uit te gieten. Daarom sloot hij de noordenwind en de andere op, daar die een hekel hadden aan een dicht wolkendek en stuurde hij alleen de zuidenwind die met vochtige vleugels naar de aarde zweefde. Zijn afschrikwekkend gelaat was overtrokken met duisternis, zwart als pek. Zijn baard was zwaar van de wolken, uit zijn grijze haar stroomden de waterdruppels. Mistslierten omkransten zijn voorhoofd en zijn borst was drijfnat. En toen hij met zijn hand de zwaar neerhangende wolken uitkneep, stortten de regenmassa’s uit de hemel naar de aarde. Alle rivieren en zeeën traden buiten hun oevers, bomen en huizen werden door de kolkende watermassa’s meegesleurd en de mensen verdronken.
Alleen Deukalion, de zoon van Prometheus (sterrenbeeld Adelaar) en heerser over het land rond Pythia, was door zijn vader gewaarschuwd. Voor zijn vrouw en voor hemzelf had hij een ark gebouwd. Met alleen het allernoodzakelijkste stapten ze daar bij het begin van de regenvloed op. Negen dagen en nachten dreef hun ark op het water, tot de verschrikkelijke regen ophield en zij op de top van de Parnassus weer vaste grond voelden.
Daar stapten ze van de ark af en offerden, dankbaar voor hun redding, aan de grote Zeus. Zij waren de enige mensen die de zondvloed hadden overleefd. In hun grote eenzaamheid en ellende vroegen ze het orakel van de godin Themis die hun aanraadde het gebeente van hun moeder achter zich te werpen en de aarde weer te bevolken. Daar schrokken ze voor terug, tot Deukalion een ingeving kreeg die hem zei dat ons aller moeder, moeder aarde is en het gesteente zou als haar gebeente gezien kunnen worden.
Toen werpen ze met de blik eerbiedig afgewend, harde kiezelstenen achter zich. Toen ze omkeken waren uit de stenen die Deukalion gegooid had, mannen ontstaan en uit die van Pyrrha vrouwen: een nieuw mensengeslacht was geboren.
Toen de watermassa daalde, richtte Deukalion in de kloof  waarin het laatste water verdween, een tempel op ter ere van Hera en hij bad tot haar. Tweemaal per jaar haalde hij met zijn kruik water uit de zee en goot dat als een heilige handeling in de kloof die nog in historische tijden aan vreemdelingen werd getoond. Want de Grieken bewaarden deze plaats als een heilig oord dat later Hierapolis werd genoemd dat ‘heilige stad’ betekent en het gebruik hielden ze lang in stand.
Deukalion werd voor de Grieken echter de Waterman aan de hemel die gestaag water uit zijn kruik giet dat door de Zuidervis gedronken wordt, zoals het sterrenbeeld laat zien. De Zuidervis die ook ‘Grote Vis’ wordt genoemd zou de godin Derketo zijn die uit Babylon komt zoals we van Ovidius vernemen, maar ook uit een legende die in Syrië, ook wel in Palestina verteld werd. Uit schaamte door een misstap zou zij zich in een heilige vijver hebben geworpen en veranderd zijn in een grote vis die we aan de hemel zien staan. 
Een andere overlevering zegt dat Derketo, die ook Isis wordt genoemd, in de vijver van Bambyko zou zijn gevallen en door een grote vis zou zijn gered. Als dank werd deze met twee van zijn nakomelingen als sterren aan de hemel geplaatst, hij als de Grote Vis en zij als de twee vissen uit de dierenriem (sterrenbeeld Vissen).
Er werd door de Grieken nog een andere legende met het sterrenbeeld van de Waterman verbonden en wel die van de schone jongeling Ganymed. Ganymed, een zoon van koning Tros, aan wie Troje zijn naam dankt, zou in zijn tijd de mooiste van alle aardebewoners zijn geweest. De goden kozen hem tot hun opperschenker en het was Zeus zelf die hem in de gedaante van een adelaar van de aarde naar de Olympus droeg. Daar zou hij, zoals de Grieken aannemen, als lieveling van Zeus eeuwig jeugdig de goden nectar inschenken. 
De ontroostbare vader werd door Zeus op velerlei wijze schadeloos gesteld. Het beroemdste geschenk waren twee onvolprezen onsterfelijke paarden die als de wind over water en over rechtop staand graan konden lopen. Later kwamen ze in bezit van Laomedon en werden de aanleiding voor de eerste Trojaanse oorlog. 

Zo                                                                    z                                                         zw
sept.    1    1°°u*                                    okt.   1  22°°u                              nov.  1   20°°
          15   24°°u*                                           15 21°°u                                        15  19°°

Het sterrenbeeld Waterman gaat in juli/augustus tussen het oosten en het zuidoosten op, is vanaf september helemaal te zien boven de horizon, bereikt in oktober en november de hoogste positie boven de horizon (dit beeld) en daalt dan in november/december in het zuidwesten langzaam onder de horizon, dan aan de avondhemel om 21°°, 22°° zomertijd.
Het sterrenbeeld Zuidervis is alleen in oktober aan de avondhemel te vinden om 21°° (dit beeld) en alleen onder gunstige waarnemingsomstandigheden. De heldere ster Fomalhaut kun je bij gunstige omstandigheden tevens ook in september tussen het zuidoosten en het zuiden en in november tussen het zuiden en het zuidwesten dicht bij de horizon zien.  

De namen van de sterren betekenen:

Fomalhaut (Arabisch) = afgeleid van fam al-hut al-ganubi: bek van de Zuidervis
Sadalachbia (Arabisch) = afgeleid van sad al-ahbiya: geluksgesternte van de tenten
Sadalsud (Arabisch) = afgeleid van sad as-suud: het geluksgesternte van de geluksgesternten
Scheat (Arabisch) = afgeleid van Schienbein (van de Waterman)

Meer feiten Waterman      Zuidervis

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2707-2537

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – In het jaargetijde (3-1)

.
Dieuwke Hessels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’:
(januari 2022)
Hier gepubliceerd met toestemming van de schrijfster.

Ochtendspel

Wat is dat?

Een spel dat is aaneengeregen door liedjes, versjes en beweging, waarbij het beleven van individualiteit en samenzijn wordt aangesproken, waarbij in- en uitademing, lachen en ernstig/aandachtig zijn, vrij bewegen en geleide beweging [nabootsen van de doorleefde beweging van de volwassene] aan de orde komen.

Een spel passend bij het jaargetijde/jaarfeest. Een spel van juf bedoeld voor álle kleuters, bedoeld om veel ontwikkelgebieden in het kind/ de kinderen aan te spreken, voorwaarde is dat een kind zich veilig mag voelen en dat er duidelijke regels zijn waarbinnen een kind zich kan ontplooien.

Het spel wordt een aantal weken aaneen gespeeld: zo komen de kleuters van doen tot begrip, van liever aan de kant zitten kijken tot actief mee kunnen doen.

Iedere dag heeft het spel een begin en een eind, lijkt heel logisch, maar samen met het feit dat het spel een aantal weken wordt gespeeld is het zo dat de kleuter hieraan zich vormt; ze weten wat er komt, wat ervan ze gevraagd wordt en duidelijk wordt het voor de kinderen wanneer er naar een volgend onderdeel van de dag wordt overgegaan. Ze leren er het proces van dat alles wat een begin heeft ook een einde heeft, [net als opruimen bij spelen hoort of: voor je een boek leest, moet je er eerst eentje ophalen en na het “lezen” het boek weer terugbrengen]

Er kunnen een heleboel elementen een rol krijgen in dit geleide spel:
In – en uitademing in de beweging [actie en rust] sterkte van het zingen [bijv.] herhaling en ritme.
Taal -reken-bewegen [fijn en grof] en sociale en muzikale vorming. [Klanken, geluidssterkte]. * kijk ook naar je leerlingvolgsysteem.
Beweging is wel het belangrijkst, aangezien het kind zich ten eerste oriënteert aan zijn eigen lijf en van daaruit zich oriënteert in de wereld om zich heen [ruimtelijke oriëntatie]. [Denk ook aan: van egocentrisme naar in de wereld
durven staan naast/met een ander]
Bij het zingen worden pentatonische liedjes gebruikt, maar ook liedjes met een grondtoon en eigengemaakte liedjes:
veel zingen geeft harmonie. * in de kleuterklas is er een liedje voor alle dingen die gangbaar gebeuren in de groep….
Tegenstellingen als: warm-koud, snel-langzaam, hoog-laag, hard-zacht, vrolijk-boos, uitbundig-ingetogen, samen-alleen.
Aarde-elementen als: aarde, water, lucht en vuur.
Oerbeelden: o.a. de bal, de poort, het huis en de weg. Met onze menswording hebben we kosmische beelden meegekregen die we [on] bewust herkennen op aarde. De beelden zijn wezenlijk voor het vertrouwen van het kind in het aardse leven, ze werken op het gevoel van veiligheid en vertrouwen.
De oerbeelden staan in relatie tot de onderste vier zintuigen: de tast-, levens-, bewegings- en evenwichtszin. Deze zintuigen informeren de ziel over het eigen lichaam.

Tastzin: Geborgenheid (ik heb mijn lichaam)
Levenszin: Welbehagen (ik ben mijn lichaam)
Bewegingszin: Gevoel van vrijheid (lichamelijk geen belemmeringen)
Evenwichtszin: Uniciteit (ik ben een IK)
Het oefenen van de zintuigen levert zowel een vaardigheid op als een nieuw vermogen. Van kunnen naar [her]kennen, de ziel zal het fysieke beter kunnen aanvoelen.

De belangrijkste vier oerbeelden zijn:

De bal:
is beeld voor het geheel, de kosmos, het ronde, het eindeloze. De bal is het beeld voor vertrouwen en hangt samen met het tasten. Het maken van ballen van zand, vilt of bijenwas heeft een therapeutische werking. Zo ook het doorgeven van ballen in een kring. De kring staat voor eenheidsgevoel, ook het kleine kringetje op schoot, eigenlijk een horizontale bal.

De poort:

beeld voor de ene werkelijkheid naar de andere(doorgang). Iedere nieuwe situatie is een ‘poortbeleving’. Hoe is het kind door de geboortepoort gekomen? Als dit te snel was kan er sprake zijn van onbestemde heimweegevoelens.
Dan is het kind vaak verdrietig zonder aanwijsbare reden. Was dit te langzaam dan heeft het kind moeite met verbinden. De poort hangt samen met de ontwikkeling van de levenszin. Alle poortspelletjes stimuleren de levenszin
Het huis: beeld voor omhulling, veiligheid en geborgenheid. Zorg dat er in de speelhuisjes een kleed ligt. Dit geeft letterlijk bodem en dus het gevoel voor veiligheid en welkom voelen: hier is plaats voor mij. Helpend zijn alle
huishoudelijke bezigheden, spel met de poppenkinderen en alle lichaamsversjes.

De weg:

is het beeld voor het volgen van je levenspad op aarde. Het op weg gaan. Hoe verloopt je levensweg? Welke ontmoetingen heb je? Een echte weg maken in de klas geeft veel vreugde. Welke arbeid ontmoeten we op de weg?
Boer, visser, houthakker, kleermaker, molenaar, machinist. Soms is de weg moeilijk en moeten we een brug maken.
Of springen we van de ene steen op de andere steen.
Opgetekend naar Mieke de Roodt

Hieronder heb ik een ochtendspel over wortelkindjes:
ook eigenlijk een oerbeeld als geheel.

Het is donker
Moeder aarde maakt wakker,
Geeft nieuwe dingen aan,
Zorgt dat vaardigheden uitgevoerd worden
Kinderen gaan samen met anderen op weg
Het wordt licht
Individueel gaat ieder door de poort tussen onder en boven
Neemt eigen plaats in de ruimte in
Er zijn medekinderen om te ontmoeten en mee te “spelen”
Je krijgt kou en warmte over je heen
Tijd om te rusten….



Het sneeuwklokje

Een verhaaltje aan het eind van de winter.

Het was nog winter. Op de bevroren grond lag een dun laagje sneeuw en daaronder, in de aarde, woonde een sneeuwklokje. Veilig geborgen lag het in zijn
bollenhuisje, maar het sliep niet meer. Het had zich lang genoeg in het donker verborgen. Nu was het nieuwsgierig geworden en wilde het graag zien of er al andere plantjes en bloemetjes boven de aarde tevoorschijn waren gekomen.
Rond de bol begon de aarde warm te worden, zodat de sneeuw uiteindelijk boven het sneeuwklokje een klein stukje aarde vrij maakte.
Zodra het sneeuwklokje het heldere voorjaarslicht zag, zond het de eerste blaadjes omhoog en strekte het zich uit naar het licht. Het opende langzaam zijn bloemkelkje en ontdekte dat het nog helemaal alleen op de koude aarde
was en dat er van zijn bloemenvriendinnen nog niets te zien was.
Bedroefd liet het zijn hoofdje hangen tot er een fris windje kwam aanwaaien: “Weken en maanden ben ik nu al onderweg zonder ook maar één bloemetje te zien. Wees gegroet, jij kleine lentebode!” riep het vrolijk. En het speelde met het klokje zodat dit een heel teer en zacht geklingel liet horen.
Door dit geluid werden langzaamaan ook de andere voorjaarsbloemen wakker. Toen het sneeuwklokje hier en daar madeliefjes, sleutelbloemen en viooltjes hun kopje boven de aarde zag steken, was het blij.
Het bedankte de wind, die geholpen had zijn bloemenvriendinnen wakker te luiden.


Uit: ‘Leven met het jaar’ Verhalen, recepten, liedjes, knutsels en spelletjes door het jaar heen. Christiane Kutik, Ineke Verschuren e.a. bovendien een sneeuwklokje van zijdevloei Voor de seizoenstafel.

Materiaal:
pijpenrager of dun bloemistenijzerdraad
wit en groen zijdevloeipapier
een stukje bruine bijenwas
lijm en schaar

• Omwikkel de pijpenrager of het ijzerdraad met een
reepje groen zijdevloeipapier en plak het uiteinde vast.
• Knip van wit zijdevloeipapier drie bloemblaadjes
volgens het voorbeeld en eveneens van wit
zijdevloeipapier drie kleinere bloemblaadjes (ongeveer
1/3 van de grootte van de eerder geknipte blaadjes).
• Plak deze laatste als eerste om de bovenkant van de
pijpenrager, en plak vervolgens de drie grotere
eromheen.
• Neem nog een klein reepje groen en rol dit een paar keer om het punt waar de bloemblaadjes vastgeplakt
zitten aan de pijpenrager of het ijzerdraad.
• Buig het sneeuwklokje even, zodat het klokje hangt.
• Knip twee blaadjes en plak die onderaan de steel vast.
• Steek het steeltje in het stukje bijenwas, nadat u dit tot een plat bolletje hebt gekneed.

Met het wakker worden van de aarde, worden niet alleen wortelkindjes wakker, ook andere wezentjes in en vlak boven de aarde, de grond waarop wij leven: de elementarwezens.
“Wat is een natuurwezen?”
Wat moeten we nu onder een natuurwezen verstaan?
Een wezen dat leeft in de natuur op, in of boven de aarde. Het heeft met ons mensen gemeen dat het Aardegebonden is.
Het leeft in een bepaalde omgeving, liever gezegd sfeeromgeving die aan bepaalde eisen moet voldoen:
Er moet begroeiing zijn voor bepaalde wezens.
Er moet energetische voeding zijn vanuit bijvoorbeeld een breuk, een waterader, de bodem, de kosmos, of een bepaald menselijk handelen.
Aan- of afwezigheid van mensen. Soms kan de natuurlijke omgeving voor deze wezens kloppen maar door intensief bezoek en gebruik van mensen, stoot het hen af. Een voorbeeld is Challice Garden in Glastonbury. Daar tref je vrijwel
geen natuurwezens op horizontaal vlak aan, wel erboven en eronder.
Je kunt de wezens ook ordenen, zoals in de School van Chartres gebeurde, naar de elementen.
Bijvoorbeeld aardewezens: kabouter, trol; waterwezens: neptunus, zeemeermin; luchtwezens: Jan de wind; vuurwezens: vuursalamander. En tussenwezens zoals de groene man.
Ze hebben hun eigen wegen om zich te verplaatsen: bovengronds, ondergronds of over het aardoppervlak. Daarvoor kunnen ze bepaalde energetische lijnen gebruiken. Zo verplaatsen lichtwezens als elfen zich over bepaalde
lichtlijnen.
Natuurwezens hebben een vorm die voor ons mensen niet direct zichtbaar is, doch wel subtiel ervaarbaar is als een gevoel, aanwezigheid, geluid
Ze hebben een specifieke taak in het grote geheel, die ook door de mens worden gerespecteerd.
Natuurwezens kunnen mensen heel makkelijk beïnvloeden door gedachteoverdracht en andere overdrachtsmechanismen, zoals beelden, motorische stimulatie e.d.” Op deze site
 vind je beschrijvingen, ervaringen e.d. over deze prachtige wezens…

Natuurwezens
Verdiepingscursus voor opvoeders
De cursus pedagogie voor het jonge kind organiseert modules die afzonderlijk gevolgd kunnen worden. In deze modules worden lessen met pedagogisch en theoretische inhoud gecombineerd met
kunstzinnige lessen.
Natuurwezens: Carmencita de Ruijter neemt ons mee in de wereld van de natuurwezens, de elementenwezens en
de engel hiërarchieën. Wat doen deze wezens die voor de meeste van ons onzichtbaar zijn?
Antroposofie: Hoe zijn de aarde en de mensheid ontstaan? Is er sprake van een zinvolle, doelgerichte ontwikkeling?
In de antroposofielessen bespreken we hoe de mensheid zich gedurende verschillende cultuurperioden heeft ontwikkeld en hoe de natuurwezens daarin een rol spelen.
Schilderen: In de schilderlessen verdiepen we het gevoel voor de natuurwezens die in de natuur om ons heen werkzaam zijn.



.
Meer artikelen van Dieuwke Hessels:

Advent, Kerstmis, Driekoningen, Maria-Lichtmis
Peuter/kleuterklas: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2706-2536

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 3 (3-7-1)

.

Een van de mensbeelden die Rudolf Steiner gebruikt om meer over het wezen mens te kunnen meedelen, is het drieledige mensbeeld.

Deze visie is voor velen aanleiding geweest er op hun eigen werkterrein mee te zoeken naar antwoorden op vragen en/of het opstellen en uitwerken van gezichtspunten.

In onderstaand artikel gaat de arts Dr.O.Wolff in op wat het kan betekenen voor de medische wetenschap:

De drieledige mens als grondslag voor een verruiming van de medische wetenschap

.

Er verstrijkt geen jaar, waarin niet een overvloed van resultaten van wetenschappelijk onderzoek en nieuwe medicijnen wordt aangeboden. Daarom is de vraag gerechtvaardigd: wat is nu werkelijk nieuw?

Men spreekt tegenwoordig [art. uit 1971] over een crisis in de medische wetenschap. En daarbij is men er zich ten volle van bewust, dat het om principes gaat, niet om een of andere verbetering, al zou die nog zo indrukwekkend zijn. De grondslag van onze huidige medische wetenschap is echter de wijze van denken van de natuurwetenschap, zoals deze zich sedert het begin van de nieuwe tijd ontwikkeld en vanzelfsprekend ook geperfectioneerd heeft. Hier wordt de mens dus eenzijdig, d.w.z. ook natuurwetenschappelijk gezien. Het is de taak en de dwingende noodzaak van onze tijd, dit te erkennen en — zonder van de verworven inzichten afstand te doen — de mens in zijn totaliteit van lichaam, ziel en geest te realiseren en dit samenspel concreet tot in alle onderdelen na te gaan, zodat men kan doorzien, welke substantie de stoffelijke drager van bepaalde processen van psychische of geestelijke aard is.

De grondslag van zo’n inzicht, dat de gehele mens omvat is de drieledigheid van het menselijke organisme, zoals Rudolf Steiner deze uiteengezet heeft na een moeitevol onderzoek van tientallen jaren. Een korte samenvatting op enkele bladzijden zoals de hier volgende, kan vanzelfsprekend slechts enkele grondprincipes ter sprake brengen.

Het onderzoek van organen levert belangrijke gezichtspunten op voor de functies daarvan. Wanneer men echter hun betekenis voor de gehele mens wil onderkennen, dan moet men onderzoeken, wat zich uitdrukt in de speciale functies daarvan. Men moet van het orgaan komen tot de dynamiek, die daarin werkzaam is. Op die manier kan men tot het inzicht komen, dat verschillende organen door hun functie in zichzelf een eenheid vormen. Wanneer men bv. de zintuigen bekijkt, dan kan men gemakkelijk inzien, dat die alle iets met elkaar gemeen hebben; ze geven de menselijke ziel de indrukken door van de wereld die haar omgeeft (bv. oog en oor), of wel van zijn eigen lichaam (bv. evenwicht, warmte, tastwaarneming). Bovendien zal men kunnen vaststellen, dat alle zintuigen een duidelijke verbinding hebben met, of wel relatie tot de zenuwen en daarmede tot de hersenen. Het is dan ook geen toeval, dat de belangrijkste zintuigen in het hoofd geconcentreerd zijn (oog, oor, neus, tong, halfcirkelvormige kanalen in het oor als evenwichtsorgaan). Ook bevindt zich in het hoofd de grootste hoeveelheid van de zenuwen, nl. de hersenen.
Vanuit dit gezichtspunt kan men deze twee groepen van organen tot een functionele eenheid, het zenuw-zintuigstelsel, samenvatten.

Wanneer men dan ook de dynamiek, de tendenties van de richtingen en krachtsverhoudingen zoals die in het zenuw-zintuigstelsel voorkomen vervolgt, dan moet men zeggen, dat het zeker geen toeval is, dat in het gebied van het hoofd de waarnemingsorganen liggen, waarvan de richting waarin ze werken zich van buiten naar binnen uitstrekt. Het licht, de toon en ten slotte het voedsel stromen door de daarvoor geschapen poorten in het inwendige van het organisme binnen. Inderdaad vervullen de zintuigen de taak van poorten: ze moeten iets zoveel mogelijk onveranderd doorlaten, bv. het oog het licht, het oor de toon enz. Hoe minder ze de indrukken veranderen, des te beter functioneren ze. Maar een dwingende eis om zo te kunnen functioneren is: rust. Daarom is het hoofd ook dat deel van het lichaam, dat bij bewegingen het meest in rust gelaten wordt. Er zijn zelfs vele functies, die schokken en bewegingen teniet doen en opvangen, zoals de elasticiteit van de wervelkolom, van het kraakbeen, het hersenvocht enz. Geen orgaan is dan ook zo gevoelig voor schokken als de hersenen.
Van de karakteristieke relatie van het zenuw-zintuigstelsel tot bepaalde krachten willen we nog noemen: de verhouding tot warmte en kou. Iedereen zal kunnen beleven, dat het hoofd, d.w.z. het zenuwstelsel voor zijn gezond functioneren een bepaalde mate van warmte niet moet overschrijden. Men moet „het hoofd koel houden” om bv. goed te kunnen denken. In tegenstelling daarmee heeft een te sterke aandrang van bloed zoals die bij een stijging van de warmte bv. bij koorts optreedt, een duidelijke nadelige invloed op de functie van de zintuigen. Voor het ongestoord functioneren van het zenuw-zintuigstelsel is dus niet alleen rust, maar een matige warmte d.w.z. een bepaalde graad van koude karakteristiek.

Wanneer men daarbij nog in aanmerking neemt, dat in het zenuw-zintuigstelsel niet alleen „rust en koude” overheersen, maar dat juist daardoor niets gebeurt, d.w.z. dat er nauwelijks stofomzettingen te vinden zijn, dan wordt begrijpelijk, dat de zenuwcellen — en ook de zintuigcellen — het minste leven vertonen. Een zenuwcel verliest praktisch onmiddellijk na de geboorte het vermogen tot deling. Een eigenlijke groei, als uitdrukking van het leven, is in dit gebied nauwelijks aanwezig. Het grootste deel van het oog, alsook de witte hersensubstantie vertonen bijna in het geheel geen leven meer. Wanneer men deze gedachtegang verder vervolgt — wat hier natuurlijk slechts aangeduid kan worden — dan moet men zeggen, dat in het zenuw-zintuigstelsel juist het tegendeel van leven is, nl. de dood. Reeds gedurende het leven zijn ten minste delen van deze organen zo goed als afgestorven en kunnen daardoor alleen hun functie uitoefenen. Bv. vindt men in de lens en in het glasachtig lichaam van het oog geen bloed en nauwelijks stofwisselingsprocessen. Hetzelfde geldt voor de witte hersensubstantie.
Men kan zich gemakkelijk voorstellen, dat de mens door middel van dergelijke organen niet zou kunnen leven en dat dus het leven zelf met andere organen verbonden moet zijn. De hierboven beschreven dynamiek met de tendentie „rust, koude en dood” is zo duidelijk eenzijdig en op één gebied gcconcentreerd, dat er in het organisme ergens het tegendeel aanwezig en actief moet zijn.

Inderdaad kan men organen vinden, waarin een volkomen tegengestelde tendentie heerst. Er is nauwelijks een orgaan te vinden, waarvoor de beweging zo karakteristiek is als voor de spier. Het is algemeen bekend, en de sportman weet dit dan ook en handelt ernaar, dat warmte voorwaarde is voor een ongestoord functioneren van de spier. Anderzijds wordt door warmte ieder proces versneld en daarmee juist de rust opgeheven. Beweging en warmte horen evenzeer bij elkaar als rust en koude.

Men mag onder beweging niet alleen uiterlijk te herkennen voortbewegen verstaan: ook stofomzettingen vallen hieronder. Warmte ontstaat immers door verbranding, oxidatie, dus een zeer intensieve omvorming van de stof.
Er zijn organen, waarvan de voornaamste taak uit omzetting en verandering van stoffen bestaat. De lever is daarbij het hoofdorgaan. Daarin vinden voortdurend stofwisselingsprocessen uit het gehele lichaam plaats. Daarom behoort het ook tot het wezen van deze orgaanfunctie, dat men in de lever steeds een iets hogere temperatuur vindt, dan in het overige organisme.
Dergelijke omzettingen, d.w.z. intensieve stofwisselingsprocessen, komen niet alleen voor in de spieren en de lever, maar ook in de darmen en de nieren en eveneens in het bloed. In deze organen kan men het zwaartepunt van de stofomzettingen zien en het totaal van deze processen en deze organen als stofwisselings-ledematenstelsel samenvatten. Inderdaad vertonen deze organen een duidelijke relatie tot het leven. De woorden „lever” en „leven” staan met elkaar in verband. Wanneer men de leverfuncties tot in hun uitwerkingen nagaat, dan blijkt dat de lever werkelijk een zeer voornaam levensorgaan is. Het leven zelf is in zijn verschijningsvorm aan stofomzettingen gebonden en uit zich daarin.

Bekijkt men nu deze beide systemen, het zenuw-zintuigstelsel en het stofwisselingsstelsel als tegenspelers, dan blijkt, dat niet alleen hun voornaamste organen ruimtelijk van elkander gescheiden liggen, maar dat de geschilderde tendenties en alle verschijnselen aan elkaar tegengesteld zijn.

In het zenuw-zintuigstelsel is de voornaamste tendentie, om door de waarnemingsorganen de buitenwereld in het organisme te laten binnendringen. In het gebied van het stofwisselings-ledematenstelsel daarentegen ligt het zwaartepunt op de uitscheidingen. In plaats van opname en passiviteit vindt men hier uitscheiding, activiteit en een zich inprenten in de omgeving.

Wanneer nu alleen deze twee tegengestelde systemen bestonden, dan zouden deze voortdurend met elkaar in botsing komen en hun wederzijdse functies uitwissen, zoals ook koude en warmte — wanneer ze gemengd voorkomen — in een lauw evenwicht overgaan of plus en min elkaar in een kortsluiting opheffen. In de mens wordt dit gevaar opgeheven door de vorming van een derde systeem, dat bemiddelend tussen de beide instaat. Pas door deze bemiddeling kan de spanning van de tegenstellingen verhoogd worden. Het gaat daarbij om een verheviging van de polariteit. Als we de bovenstaande gedachtegangen verder doorvoeren, zullen we dit systeem ruimtelijk in het midden moeten zoeken.

Het evenwicht tussen de beide systemen bestaat niet alleen tussen boven en onder, maar vooral ook in een wisseling in de tijd. En deze nu veroorzaakt het ritme. Alle ritmische processen in het organisme zijn bij die wisseling van de tijd betrokken en kunnen dus samengevat worden als ritmisch systeem. In werkelijkheid zijn de beide beschreven tegengestelde systemen niet tegelijkertijd in functie, maar ze wisselen elkaar voortdurend af. Overdag is de mens wakker en „leeft” van de krachten van het zenuw-zintuigstelsel; in de nacht, gedurende de slaap, ontplooien zich de eigenlijke levensprocessen. Er treedt dan een algemene doorstroming met warmte, regeneratie, stimulering van stofwisselingsprocessen op. Daarmee is noodzakelijkerwijs een uitschakeling van het zenuw-zintuigproces verbonden: de mens slaapt.

De werkzaamheid van het ritmische systeem wordt dus bemerkbaar in de tijd. Wanneer men dit nader onderzoekt, dan begrijpt men, dat het genoemde ritme van waken en slapen een uitdrukking is van het overwegen van telkens een van de twee polaire systemen, d.w.z. de zenuw-zintuigfunctie of de stofwisse-lingsfunctie.

Deze afwisseling, of dit ritme ziet men a.h.w. als een oerbeeld uitgedrukt in het hart en de longen. Hun ritmische functie is zó opvallend, dat men deze twee organen kan zien als vertegenwoordigers van het ritmische systeem. Het hart wisselt onophoudelijk tussen samentrekken en uitbreiden en men kan in het samentrekken en spannen het tegendeel zien van het uitbreiden en verslappen. De beschreven dynamiek is hier zonder meer zichtbaar. Met de longen, met hun voortdurende wisseling van in- en uitademen, is dit ook het geval. Hierbij komt het minder aan op dat, wat over het algemeen als hoofdzaak voor deze beide orgaansystemen gezien wordt: de bloed- resp. luchtbeweging. Vanzelfsprekend zijn die van groot belang, maar met de funkte van het ritmische systeem is meer de zuivere functie van de organen, hun dynamiek, bedoeld, nl. dat ze tussen twee polen zijn ingeschakeld en daartussen bemiddelen. In de samentrekking leeft de dynamiek van het zenuwstelsel, in de uitbreiding die van het stofwisselingssysteem.

Het wezenlijke van de hier slechts kort geschetste drieledigheid van het menselijke organisme is, dat men daarin de sleutel voor gezondheid en ziekte heeft. Wanneer nl. bv. het bovenste, d.w.z. het zenuw-zintuigsysteem overheerst — wat tegenwoordig bij vele mensen het geval is — dan geeft dit aanleiding tot zeer bepaalde ziekten. Wanneer de neiging tot samentrekken, tot koude en rust, d.w.z. het doodsproces, overweegt, leidt dit tot verharding, neerslag, verstijving, dus tot een te vroeg ouderdomsproces. Dat leidt tot bepaalde ziekten, zoals sclerose, jicht, reumatische ziekten, artrose of ook tot verlammingen, verminderde vitaliteit enz. Bij deze ziekten ontbreekt de regenererende oplossende en met warmte doorstromende impuls van het stofwisselings-organisme. Anderzijds kan ook de stofwisseling overheersen. Dan hebben we te maken met een te grote neiging tot warmtevorming, vermeerdering van stofomzettingen, dus een overmaat aan leven. Dit leidt tot de verschillende ontstekingsziekten, die meestal gepaard gaan met koorts. Hun kenmerk is de te sterke oplossing en doorstroming met warmte.

Ook hierbij is het zo, dat op bepaalde tijden de ene of de andere tendentie de overhand heeft. Het is wel duidelijk, dat de eerste tendentie in de ouderdom overheerst, terwijl ontstekingen en koorts, d.w.z. overmaat aan leven, kenmerken zijn van de jeugd. Het is daarom voor de arts niet alleen beslissend om te onderkennen welke neiging in een organisme de overhand heeft, maar hoe die zich ten opzichte van de leeftijd, d.w.z. van de tijd, gedraagt.

Daaruit volgt reeds een beslissende conclusie van grote betekenis, nl. wanneer de beschreven tendenties polair zijn en elkaar wederzijds kunnen opheffen, dan zijn ze ook in staat elkaar wederzijds te genezen. Dat wil zeggen dat een neiging tot neerslag en verharding door de tegenpool, de warmte — die het organisme in sommige gevallen als ontsteking produceert — opgeheven kan worden. Iedere lijder aan reumatiek of jicht kan dan ook beleven, dat warmte hem goed doet en dat een juiste warmtebehandeling de genezing op gang brengt.

Het is dus een beslissend inzicht, dat er twee nieuwe groepen van ziekten bestaan, die uit de beschreven tendenties ontstaan. Deze kunnen elkaar zelfs wederzijds opheffen. Zogezien kan dus een „nieuwe ziekte” zelfs een poging van het organisme zijn om de „oude ziekte” te overwinnen. In de medische wetenschap zijn zulke samenhangen weliswaar bekend, maar er wordt tegenwoordig nauwelijks aandacht aan besteed en ze worden zeker niet op hun juiste betekenis gewaardeerd, omdat de grondslag voor het begrijpen van dit fenomeen nl. de beschreven dynamisch-polaire zienswijze en het verder voeren daarvan naar de drieledigheid van het menselijk organisme heden ten dage nog niet voldoende wordt onderkend.

Door deze zienswijze rijst vanzelf de vraag op naar de gezondheid. Deze ligt noodzakelijkerwijs in het midden tussen de beschreven ziekte-tendenties. De mens is dus gezond wanneer hij deze tendenties op de juiste manier beheerst — en dat kan hij, wanneer hij op de juiste wijze een verbinding heeft met het proces van het ritme. Het ritmische systeem is volgens Rudolf Steiner het oerbeeld van de gezondheid.

Zo beschouwd heeft de fundamentele idee van de drieledigheid, die hier slechts kort geschetst kon worden als basis voor een omvattende medische wetenschap, een vergaande betekenis, niet alleen voor het inzicht in genezing en ziekte, maar vooral ook voor de therapie, zoals die sedert tientallen jaren vruchtbaar is gebleken.

.

Algemene menskunde: voordracht 3 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2690-2520

.

.

.

.

VRIJESCHOOL Opspattend grind (86)

.

‘Met kniebuigingen komt de rekenles tot leven’

Dat is de kop van een berichtje in Trouw van 21 november 1921.

De jeugd is motorisch minder vaardig. Daar spelen basisscholen op in. ‘Geen kind zou langer dan 45 minuten moeten stilzitten. luidt de subtitel.

Waarom word ik enerzijds blij van deze berichten, maar anderzijds zo droevig. Blij, omdat er eindelijk weer iemand inziet dat beweging zo ongelooflijk belangrijk is voor het opgroeiende kind. En dat kinderen de kans krijgen om te bewegen.

Maar droevig, omdat zoiets als ‘nieuw inzicht’ wordt gebracht, terwijl er een pedagogie bestaat die tot in detail het belang van beweging tot in concrete lessituaties beschrijft. 

De kinderen van groep 6 springen op en neer in het klaslokaal, terwijl hun armen fanatiek door de lucht zwaaien. Even later doen ze kniebuigingen. Dit is een rekenles op basisschool De Waterhof in Delft. Op het digibord verschijnt het getal 8732. Wat is de acht waard? Wie aan een tiental denkt, moet knieheffen. De leerlingen kiezen massaal voor de zijwaartse stap die bij een duizendtal hoort.

Zelf zie ik dan de kinderen voor me die op de vrijescholen in vrijwel iedere rekenles bewegen – niet als ‘beweegtussendoortjes‘, maar vanuit een menskundig pedagogisch-didactisch principe.

Het is eigenlijk ten hemel schreiend dat er een Week van de Motoriek moet  bestaan om het belang van beweging te onderstrepen. En dat dit georganiseerd wordt – nee, niet door het onderwijs – maar door een instelling die buiten het onderwijs actief is: Kenniscentrum Sport & Bewegen. Help de jeugd meer en beter te bewegen, luidt de boodschap. De motorische vaardigheden hollen achteruit en van de kinderen tussen vier en elf jaar komt nog maar 61 procent aan voldoende beweging volgens de richtlijnen van de Gezondheidsraad.

En de ‘beweegambassadeur'(sic) zegt:
Een bal vangen? Dat vinden kinderen steeds moeilijker; hun oog-handcoördinatie is de afgelopen tien jaar sterk verminderd. Geen kind zou langer dan drie kwartier achter elkaar stil moeten zitten.”

Er is hoop:

Op steeds meer basisscholen wordt het bewegingsonderwijs gegeven door een vakleerkracht. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van het Mulier Instituut dat vandaag gepresenteerd wordt. “De motorische vaardigheden van kinderen gaan al jaren achteruit. De urgentie lijkt nu doorgedrongen”, verklaart onderzoekster Jorien Slot-Heijs. “Er is de afgelopen tijd veel ingezet op de kwaliteit van bewegingsonderwijs.”

In het schooljaar 2020-2021 liet 44 procent van de basisscholen de gymlessen voor groep 1-2 niet meer alleen over aan de groepsleerkrachten. In groep 3 tot en met 8 was dat 77 procent. Dat betekent een toename van respectievelijk 23 en 59 procent ten opzichte van vier jaar geleden. Ruim twee op de vijf scholen (44 procent) bieden extra ondersteuning aan kinderen met een motorische achterstand, vooral door een geschoolde gymleraar. Dit is een ruime verdubbeling ten opzichte van 2016-2017 (20 procent).

Dat is mooi! Maar mooier is, wanneer ‘bewegen’ niet los wordt gezien van de ontwikkeling van de mens. Niet los wordt gezien van wat de opvoeding van de wil is.
Van de wil? Ja, van de wil. Maar om dat te kunnen meedenken, moet je een mensbeeld hebben, dat concreet over de wil kan spreken.
Dat mensbeeld is de basis van de vrijeschoolpedagogie.

Binnen het vrijeschoolonderwijs zijn er scholen die hun klassen allemaal ‘de bewegende klas‘ noemen.

Geen ‘bewegingstussendoortjes’, maar structureel:

De bewegende klas

Rudolf Steiner over de wil 

Meer

Al met al: hoe zou het toch komen dat een ‘honderdjarige’ zoveel levendiger en beweeglijker blijkt te zijn dan wat elders nog tot ontwikkeling moet komen.

.

Zie Opspattend grind:  [19]  [60]  [102]

Bewegen in de vrijeschool

Opspattend grind: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldde bewegende klas

2684-2514

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Advent (18)

.
Dieuwke Hessels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’:
(november 2021) In november breidde ze haar artikel uit met nieuw materiaal, dat in onderstaand artikel is opgenomen.

.

ADVENT

Stil nu, stil nu maak nu geen gerucht,
Stil nu, stil nu ’t ruist al door de lucht,
Het wonder komt er zachtjes aan
’t Kerstkind wil naar binnen gaan.
Stil nu, stil nu maak nu geen gerucht.

Dit mooie lied, dat met name bij de peuters en kleuters op de vrijescholen gezongen wordt in de adventstijd, geeft voor mij de kern van advent zo goed weer: stil worden, zodat je het wonder van kerst kunt aanschouwen. Daarin spreekt ook dat advent de tijd van de verwachting is. Alles wordt klaar gemaakt voor de ontmoeting met het wonder. Dat gebeurt van binnen innerlijk; we kunnen even stil staan bij de verwondering en stil worden in onszelf. Uiterlijk zetten we het lege kerststalletje klaar en branden we kaarsjes. In het dagelijks leven zijn de nachten lang, staat de zon laag en de dagen zijn koud en kort, waardoor we veel en graag binnen in het warme huis zijn; we trekken ons terug naar binnen. In de Christelijke kerk is advent de benaming voor de aanloopperiode naar kerst. De naam advent komt van het Latijnse woord adventus, dat komst betekent. In de adventsperiode bereiden christenen zich voor op het kerstfeest, wordt de aankondiging van de geboorte van Jezus herdacht en worden verhalen verteld over de reis van Jozef en Maria naar Nazareth. Elke adventszondag wordt er een nieuwe kaars aan gestoken totdat op de laatste zondag voor kerst alle kaarsen op de adventskrans of adventsstandaard branden.
Sommige kerken maken dan gebruik van de liturgische kleur paars, de kleur van boete en inkeer als extra voorbereiding op Kerstmis.

De Germanen zagen deze tijd als een nieuw begin. Al het oude werd opgeruimd, zelfs de vuren werden even gedoofd. Ook hadden zij net als de Kelten, Grieken en Romeinen een traditie om groene takken en bomen te gebruiken in hun riten rond de midwintervieringen. Deze planten en bomen werden magische eigenschappen toegedicht, omdat zij groen bleven en niet afstierven in de winter. Tegenwoordig begint ons nieuw begin een paar dagen later dan het oude midwinterfeest en wel bij Nieuwjaar. Een nieuw begin dus vroeger en nu.
Wij kunnen hier ook in ons eigen leven mee aan de slag; het huis opruimen, spullen uitzoeken en wegdoen, zodat er ruimte ontstaat voor de advents- en kerstspullen. Maar misschien ook opruimen van binnen, zodat er ruimte ontstaat om het wonder en het licht van het Christuskind te ontvangen.

Advent wordt op school op verschillende manieren en tijdstippen gevierd. Op Widar (Delft) begint de adventsmarkt op de vrijdag ervoor. Er worden door ouders kransen gemaakt, er zijn kraampjes met mooie spullen en er is lekkers te koop, maar ook komen de kinderen kijken en zingen; sfeervol en heerlijk! Zodra het dennengroen gebracht is, ruiken de scholen naar advent en kerst. Dan worden er ook voor de ramen blauwe gordijntjes gehangen. Op Vrijwel alle vrijescholen is er een adventstuintje voor de kleuters, worden er stalletjes gemaakt, zijn er adventsverhalen en is er ergens in de school hele mooie (live) muziek te horen. Het adventstuintje is een spiraal van dennengroen waar kleuters op de eerste adventsmaandag in lopen en hun kaarsje aan steken aan de grote kaars in het midden. Ze lopen de spiraal uit en zetten hun kaarsje ergens tussen het groen. De weg naar buiten wordt letterlijk verlicht. Elke maandag worden er verhalen met diepere betekenis in de klassen verteld en wordt een nieuwe kaars (erbij) aangestoken totdat er met kerst vier op de adventskrans staan. Vanwege brandvoorschriften zijn sommige kaarsjes helaas vervangen door neplichtjes, maar licht blijft het.

Op de seizoenstafel staat een leeg stalletje met wat stenen op de bruine aarde, erachter het donker blauwe van de hemel en soms een engelenladder. Daarna komen de planten en mosjes, de dieren en ten slotte de mensen (herders, Maria en Jozef) op de seizoenstafel. Dat is niet zomaar. We doen de schepping na omdat advent ook iets te maken heeft met het oerbegin en het leven (Denk ook aan het 1e kerstspel Het Paradijsspel en de vier lichamen die we hebben waar elke week er eentje centraal staat). Maria en Jozef komen elke week een stukje dichterbij het stalletje en de engel daalt elke dag een stukje neer. Kleine kinderen kun je bij dit laatste of bij een adventskalender goed betrekken. Zij mogen het kindje of de engel dagelijks iets verplaatsen. Daarnaast is voor het innerlijk beleven van advent bij kinderen belangrijk dat wij ze rust en mate (denk hierbij aan sintcadeautjes, Sint op TV en kerstversiering) aanbieden. De donkere avonden lenen zich goed om voor te lezen. Denk aan mooie boeken als: Maria’s kleine ezel van G. Sehlin, Vrolijk kerstfeest lief kerstkind van S. Heuck, De gebroeders Leeuwenhart van A. Lindgren en advents- en Sinterklaasverhalen uit Een ster over de grens van I. Verschuren.
Advent is net als Sint-Maarten en Sint-Lucia een lichtfeest, met als het hoogtepunt Kerstmis. Ons innerlijk lichtje moeten wij brandend houden, om het wonder te aanschouwen. Dat dat wonder moeilijk is om in onszelf levend en werkzaam te laten worden, heb ik al eerder verteld. We hebben daar hulp en aandacht voor nodig. De kaarsen en lampjes in de buitenwereld helpen ons door de donkere tijd van de winter heen. Zo is ook Sint-Lucia daar een symbool voor: zij draagt op 13 december een krans van kaarsjes op haar hoofd, zodat zij goed kan zien. Vroeger was dit kaarslicht hard nodig, want maar enkele straten waren verlicht met gaslampen. Tegenwoordig is er zoveel licht, schittering en schreeuwerige herrie, dat we soms te verblind zijn om het wonder te zien. Ook omdat het Sinterklaasfeest in de eerste week van advent valt. Dit kinderfeest van verlangen, verwachting, geven en ontvangen, raakt tegenwoordig overschreeuwd door alle media-aandacht. Het lijkt wel of we niet meer stil en vol van verwondering mogen zijn! Vreemd, want dat hebben onze kinderen nodig om intens te kunnen genieten van de geschenken die Sinterklaas geeft. De herrie en het uiterlijk vertoon van Sinterklaas op de TV, schept angstige en hyperactieve kinderen. De geboorte van Christus is niet zomaar een verhaal, maar wij kunnen de geboorte van Christus zien als de geboorte van ons Hogere Ik en/of als licht- en liefdekracht in ons hart ervaren. In deze donkere tijden van oorlog, leed en egoïsme zijn deze hogere krachten zo belangrijk. Wees daarom in de adventstijd regelmatig even stil, wees matig met uiterlijk vertoon en vermijd de Sint op TV. In deze tijd ligt er voor ons als ouders en leerkrachten een belangrijke taak: voor onszelf en voor onze kinderen stilte en verwachting helpen creëren: stil nu, het ruist al door de lucht! Laat het wonder geboren worden. De wereld en mensheid hebben zoveel licht en liefde nodig!
Marion Vreugdenhil

“VREDE op aarde voor de mensen van goeden wille”.
.
Van het Zonnejaar door Alice Woutersen

Advent : voorbereiding en verwachting? Voorbereiding van wat?
Voor kinderen is het duidelijk: wij vieren de geboorte van Jezus, die voor de mensen het Licht op de aarde bracht, in feite [voor hun] vieren we de geboorte van ieder kind!!!!
Met Advent bereiden we langzaam maar zeker dit feest voor.
Op de seizoentafel wordt het naar de aarde gaan van het Kind duidelijk gemaakt en mogelijk wel als volgende :
Een Engel (of engelen) brengt iedere dag het Kerstkind een beetje dichter bij de aarde. Trede voor trede daalt zij af om in de Kerstnacht het kind in de armen van Maria te leggen.
Op de seizoentafel onder een adventsladder vormt zich door de vier adventsweken heen de aarde met alles wat erbij hoort.
Eerst dragen wij zand, stenen en water aan.
De tweede week komen de planten erbij (aangevuld met zelfgemaakte bloemen en bladeren).
De derde week volgt het dierenrijk en vormen onze handen uit klei of bijenwasfiguren die op dieren lijken. Ook [wollen] figuren kunnen ontstaan, zoals de schapen en de os en ezel.
De vierde week zijn wij aangekomen bij het rijk van de mensen. Uit klei, wol en/of lapjes ontstaan herders en ook Jozef en Maria.
Jozef en Maria verplaatsen zich samen met de ezel in de richting van de stal, die ondertussen ook al verschenen is. Elke dag een stukje verder, tot ze op Adam-en-Eva-dag (24 december) in de stal aankomen. Dit is de dag waar iedereen naar uitziet.
Vandaag wordt gezamenlijk de kerstboom opgetuigd, het huis versierd en met vereende krachten het kerstbrood gebakken. De kleintjes gaan naar bed, de groten naar een kerstnachtdienst of maken in het donker een mooie wandeling.
’s Avonds laat worden de kleintjes gewekt. Het hele huis is dan met kaarsen verlicht, en zingend gaan we naar beneden om in het stalletje te gaan kijken waar Maria, verlicht door een kaarsje, gelukzalig haar kindje wiegt. De kaarsjes in de boom branden nu ook en het warme kerstbrood staat te geuren.
Dan wordt het geboorteverhaal gelezen uit ‘Maria’s kleine ezel’, nog wat gezongen, en daarna wordt het kerstbrood aangesneden.

Zo is door de jaren heen dit bij ons de traditie geworden, die natuurlijk
van gezin tot gezin verschilt.
Maar wat verwacht ik nu zelf, wordt het voor mij innerlijk ook feest of ga ik ten onder aan alle drukte en familiespanningen van dingen die niet te combineren zijn?
Wat wil ik verwachtingvol beleven of in mijzelf wakker roepen c.q. geboren laten worden? Waar wil ik zelf bij stil staan (als het al mogelijk is om in deze tijd ergens de rust te vinden om stil te staan, vooral vlak voor kerst)? Het kost moed en kracht je hiervan bewust te worden en dan bedoel ik werkelijk innerlijk in jezelf te voelen wat je wilt en niet wat je met je hoofd bedenken kan.
Ik wil in die tijd mijzelf als mens beleven en mijn innerlijk goddelijke kern voelen. Ik wil bewust leren voelen dat ik de christuskracht, die Christus sinds het mysterie van Golgotha in ieder mens gelegd heeft, in mij draag en proberen deze vonk tot een mooie vlam te ontwikkelen. Wanneer ik dat werkelijk wil dan kost dat voorbereiding. Dit Licht in mijzelf kan alleen stralen en anderen tot heil zijn
als ik zelf stevig in mijn schoenen kan staan.

Daarop moet ik dus in eerst instantie mijn aandacht richten, niet egoïstisch, maar om daardoor de ander de ruimte te kunnen bieden zichzelf te kunnen zijn. Met Michaël neem je de moed op om deze weg te gaan. De weg naar het geestelijke in jezelf, de weg naar het geestelijke in de ander, de weg naar het geestelijke in de wereld, de weg naar alle geestelijke wezens die ons zorgend en wevend omringen.

Hoe doen we dat? Als je in de Michaëlstijd (dus oktober-november) om je heen kijkt in de natuur wordt het je duidelijk. Alle bomen doen het ons namelijk voor: “leg sierlijk en met vreugde je oude omhullingen (verdedigingsmuren enz.) af en behoud de gouden essentie van je zijn”.
Iedere boom laat in de herfst met gratie en tot vreugde van vele levende wezens zijn vruchten en bladeren vallen. Hij verschijnt dan in zijn naakte zijn, zijn wezenlijke gestalte en draagt een groot geheim bij zich.
Welk geheim? Hij lijkt wel kaal en naakt, maar in zijn knoppen ligt de gouden essentie van zijn zijn. In wezen is hij nu het meest zichzelf, stevig rechtop staand trotseert hij iedere storm. Die stevigheid moeten wij ook zoeken. Wij moeten dan zelf op zoek gaan naar de gouden essentie van ons eigen zijn.
De antroposofie kan je daarbij helpen. Het is en blijft een persoonlijke zoektocht. En als je deze gouden essentie gaat naderen, dan voel je je warm van binnen worden, je voelt dat de vonk in jezelf gaat opvlammen. Het gaat echter niet alleen om jezelf. Deze vonk wordt pas echt een vlam als hij in het sociale kan opvlammen.
Daar sta je dan als een boom, kaal maar eigenlijk het meest jezelf en overal in je knoppen draag je de gouden essentie van je eigen zijn. Nu komt de eerst proef: het feest van Sint-Maarten. Ben je in staat te delen? Dit is de eerste stap in de grote adventstijd die op 11 november begint en 43 dagen duurt.
Men spreekt ook wel over de grote kersttijd die zich uitstrekt van Sint-Maarten tot en met Maria Lichtmis (2 februari, 40 dagen na Kerst).
Het sociale oefenen is begonnen. Kun je werkelijk delen op alle denkbare gebieden ? Sint-Maarten deelde zijn mantel in tweeën en gaf zijn halve mantel weg. De andere helft van zijn mantel behield hij.
Dit laatste moeten wij goed tot ons door laten dringen. Een mens kan namelijk niet meer goed functioneren als hij innerlijk alles weggeeft. Ieder mens moet een deel behouden en zal dan merken dat deze halve mantel steeds weer heel, zo niet groter, wordt. Hierdoor kan men steeds weer en steeds meer schenken.
Dit delen en schenken is een hoge kunst, een kunst die je pas goed kan leren hanteren als je inzicht hebt gekregen in jezelf dus in je eigen gouden essentie.

De volgende proef is het Sinterklaasfeest, het feest van creatief en sociaal bezig zijn.
Voor dit feest moet je je werkelijk verdiepen in de andere mens, je probeert van haar of hem een levend beeld te maken. Door de andere mens zo zuiver mogelijk te proberen te zien kun je hem datgene geven wat die ander juist nodig heeft. Met humor en creativiteit kun je de ander een handje helpen op zijn levensweg. HUMOR is daarbij onontbeerlijk. Vrolijkheid, lachen, zingen, creativiteit en
humor zijn een soort smeerolie in het leven. Het is overigens niet alleen je inleven in de ander, want de ander houdt jou ook een spiegel voor. Dit kan je weer helpen beter inzicht te verwerven over jezelf en hoe je overkomt bij anderen.
Je verzamelt dus eerst de moed om je gouden essentie te gaan zoeken (en zodoende jezelf te leren kennen), dan om te leren werkelijk te delen met anderen en vervolgens om te proberen levende beelden te ontwikkelen van je medemensen en hen met liefde en humor tegemoet te treden en tevens leer je ook in je eigen spiegel te kijken om zo een eerlijk beeld over jezelf te vormen.
Door deze ontwikkeling te gaan kun je een open en onbevangen houding ten opzichte van je medemensen krijgen waarbij je niet overheerst noch dominant voelt en waar de ander zich ook veilig en gezien kan voelen. Ontmoeten wordt dan ook echt ont-moeten, dus je moet niet meer en mag jezelf zijn. Wanneer mensen elkaar zo ontmoeten, dan geeft dat nieuwe energie (“waar twee of meer
in mijn naam verenigd zijn ben Ik (Christus) in hun midden”).
Wij worden weer enthousiast (zijn in God en-thou-siast).
Op deze wijze zou ik het kerstfeest willen naderen: rustend in mijzelf en open voor de ander. En als het je lukt niet alleen je eigen vlammetje te laten opvlammen, maar ook dat van de anderen, dan voel je de jubel: het lukt (ook al is het soms kortstondig)! Er kan dan een intense vrede ontstaan, een
vrede waarin iedereen zichzelf kan zijn in zijn diepste wezen.

Advent

Een tijd waarin het zonlicht steeds korter bij ons is op de dag, de natuur (in ons deel van de aardbol) verstilt, kan ons helpen om dichter bij ons zelf te komen en bij wat er werkelijk toe doet. Om het ‘nieuwe licht’ dat geboren wil worden straks goed te kunnen ontvangen.
De school wordt schoongemaakt; alle herfstspullen worden opgeruimd en er wordt ruimte gemaakt voor een adventskrans die symbool staat voor de 4 weken voor kerst waarin de dagen korter worden en wij het innerlijke licht meer en meer laten schijnen en in de kleuterklassen worden er blauwe gordijnen opgehangen, alle seizoentafels krijgen blauwe kleden, daarop kunnen er de 1e adventsweek ‘stenen’ gelegd worden als symbool voor het aarde element.
De andere 3 weken zal daar telkens een element bij komen: plant, dier en mens.
De ramen worden beplakt met gele vloeipapieren sterren en blauw van de hemel.
In de gangen verschijnen adventpotjes  [blauwvloeipapier geplakt om lege glazen potjes], deze worden door de kinderen gemaakt.
Op de adventsmaandagen zal er bij binnenkomst een speciale entree zijn: muziek [in de hal].
En gaan kinderen elke maandag het licht van de adventskrans in de zaal halen om daarmee een eigen licht in de klas aan te steken. De stemming zal dus veranderen.
En speciaal is, ook weer dit jaar, dat we midden in de adventstijd Sint-Nicolaas verwelkomen. Ook Sint-Nicolaas kan maken dat ons hart vol verwachting klopt en daarmee worden niet alleen de cadeautjes bedoeld!


Seizoentafel advent:

Blauwe kleuren als ondergrond en achtergrond, Jozef en Maria gaan op weg om op de dag van de kerstviering aan te komen in het stalletje; de grote engel daalt iedere week een stapje naar beneden, de berg met gouden noten [er zit voor ieder kind een klein geschenkje in] als adventkalender, het stalletje en kribje staan klaar en er liggen wat mooie mineralen.


Op de foto niet afgebeeld: 4 lichtjes: 1e week de 1e, 2e week de 2e enz.

De symboliek van de adventstuin

Bijzondere dagen, zo vlak voor advent. Alles buitelt over elkaar heen: regen en hagel, pietjes, Jan de Wind, de duisternis, maar ook de kinderen – vol van verwachting. Sint-Nicolaas is onderweg, en vlak na zijn verjaardag vieren we de geboorte van het kerstkind.
December is de tijd van wachten en verwachten, maar ook van bergen prikkels.

Het ritueel

4 zondagen voor Kerstmis is de 1e zondag de 1e advent: Dan begint de Stille Tijd: het duurt dan nog precies vier weken tot kerstavond. Op deze dag op veel vrijescholen jonge kinderen het adventstuintje: het moment alleen al is speciaal: op maandagochtend; als het nog schemert komen kleuters en een van hun ouders bij elkaar in de klas, waar een spiraal van schelpenzand met
goudsterren erin [vroeger dennengroen] ligt. In het midden staat één grote kaars. De ruimte wordt slechts verlicht door kleine adventpotjes, verdeeld in de ruimte.. Daar word je vanzelf al stil van. Elk kind krijgt een appel met gouden ster aangereikt, waarin een kaarsje is gestoken; de engel is een leerling uit de hoogste klas van de school. Er zijn meerdere engelen: sommige geven de kaarsjes aan en begeleiden een kleuter in het tuintje en andere grote kinderen maken begeleidende of ondersteunende muziek. Er is dus muziek en zang. Kleuters gaan een voor een de spiraal in naar het middelpunt toe. Daar ontsteken ze hun eigen lichtje aan de grote kaars en dan cirkelen ze weer terug.
Onderweg zetten ze op een gouden ster van de spiraal hun lichtje neer.

De gedachte

November is onstuimig en ruilt oud in voor nieuw. Voordat de winter komt, ploegen de boeren hun land en spitten wij onze tuinen om, zodat alles straks optimaal kan wortelen en groeien.
Ook het kosmische kan dan diep in de aarde doordringen.
In de adventstijd zaait de hemel nieuw leven met sterrenkracht. En ook
al is het buiten donker, diep in het binnenste van de aarde ontkiemt alweer licht.
De bloemen die komend jaar zullen bloeien, zijn er nu al: diep verborgen in het binnenste van de aarde.
Kijken we naar onszelf omdat we een innerlijke weg willen gaan, dan zullen we
moeten beginnen met het maken van diepe verbindingen.
De donkere dagen voor Kerstmis werpen ons terug op onszelf. Wanneer je minder wordt afgeleid door wat er zich buiten je afspeelt, lukt het beter om af te stemmen op jezelf. Als het donker en stil wordt, voelen we ook intenser. Door onze aandacht te vestigen op ons innerlijk, kan daar zich iets ontwikkelen.

Waarom een appel?

Een peuterjuf zei me ooit: “We doen hier niets voor niets: alles heeft een reden of
een betekenis.” Dat geldt ook voor het lichtje dat de kinderen dragen. Hun kaarsje is gestoken in een gouden ster, in een appel. Die ster verwijst naar de ster die de herders en de drie koningen de weg wees naar de stal. De sterrenkracht die in de aarde huist, ook al zien we het niet, kunnen we opvatten als een teken van hoop en houvast. De appel verwijst naar de boom van kennis van goed en kwaad – in het hart van het Paradijs – waar ook de zondeval begon.
Dit lichtje herinnert ons dus ook aan het gegeven dat we nu leven op aarde, waar we onze eigen keuzes moeten maken en dragen.
De lichtjes van de kinderen langs de spiraal maken de ruimte steeds lichter. Zij zijn nog niet vertrouwd met alle symboliek en toch voelen ze de plechtige stemming haarfijn aan: de ingetogenheid en ieders aandacht. Klein en groot, iedereen beleeft dit ritueel op zijn eigen manier. Kijk ook eens naar hoe
kinderen het adventstuintje lopen. Ieder kind loopt anders, want elk kind gaat zijn eigen levensweg.
Die eenheid in verscheidenheid samen beleven en zien hoe vele kleine vlammetjes het donker doen oplossen, wekt vertrouwen. In elk van ons vonkt een beetje sterrenkracht!


[ naar “inspiratie voor ouders”]

Adventstuintje

In de kleuterklassen wordt een adventtuin gelegd van zilverzand met in het midden een grote kaars.
Daar omheen worden stoeltjes klaargezet voor kinderen en tafels voor ouders om op te zitten.
Ook is er ruimte nodig voor de muzikanten uit de hogere klassen en een tafel staat apart voor appelkaarsjes.
Bij het adventtuintje mag per kind één ouder aanwezig zijn

over het ontstaan van het adventtuintje

Zie hier:

Daniël Udo de Haes heeft ooit een verhaal geschreven om het Sinterklaasfeest en het kerstfeest met elkaar te verbinden.
Hierin het beeld van Maria die kinderen onder haar warme mantel meeneemt naar de aarde en die de mensenkinderen die terug willen keren naar de geestelijke wereld, onder haar kleed mee terugneemt:
“Eens reed Sint-Nicolaas over de wolken van Spanje naar Holland. Daarboven in de hemel ontmoette hij Maria, die het Kerstkind in haar armen droeg. Zij vertelde aan Sint-Nicolaas dat zij het Kind juist weer voor een poosje naar de aarde wilde brengen. Daar mocht het dan weer met de kinderen spelen.
Toen kwamen dadelijk van alle kanten de sterren naderbij en vroegen of ze mee mochten gaan.
Dat mag, zei Maria, als de Maan jullie de weg wil wijzen want jullie passen niet allemaal onder mijn warme mantel.
Dat hoorde Sint-Nicolaas en hij reed op zijn paard snel naar de maan: ‘Goedenavond Maan!’
‘Goedenavond Sint-Nicolaas’, zei de Maan. ‘Maan, wil je de sterrenkinderen die met Maria mee naar de aarde willen de weg wijzen’? ‘Natuurlijk’, zei de Maan, ‘als de Zon dan overdag wil helpen…’
Sint-Nicolaas reed naar de Zon. ‘Zon, wilt u Maria helpen om de sterrenkinderen de weg naar de aarde te wijzen, de Maan helpt in de nacht, kunt u overdag helpen?’
‘Wat willen de sterrenkinderen op de aarde doen, Sint-Nicolaas?’ ‘De sterrenkinderen willen spelen met het Kerstkind en de aardekinderen.’ ‘Ik help graag mee’, zei de Zon.
Toen kwam de Zon naast Maria staan en de Maan aan de andere kant. Maria nam vele sterrenkinderen onder haar mantel en de sterrenkinderen zagen de glans van het Kerstkind dat Maria op haar arm droeg. De Zon liet zijn stralen lichten op het pad dat Maria ging…
Sint-Nicolaas reed ondertussen op zijn paard met rasse schreden vooruit over de wolken en kwam als eerste op de aarde aan. Daar aangekomen vertelde hij aan een ieder die het maar wilde horen dat het Kerstkind weldra op aarde zou komen. Sint-Nicolaas gaf de kinderen speelgoed zodat zij straks met het
Kerstkind konden spelen. Toen Maria met het Kind op aarde aankwam, sprongen vele sterrenkinderen van haar schoot en waren mensenkinderen geworden. Ze speelden samen.
Na een poosje keerde Maria terug naar de Hemel en vele mensenkinderen mochten met haar mee om daar dicht bij de Zon, Maan en Sterren te zijn…”

Kaarsjes “trekken”… in de adventtijd

Activiteit:
getekende ster op goudpapier opvullen met verschillende
materialen [in dit geval glazen schijfjes]

Vloeipapieren sterren vouwen
Zie hier.

Origami lampje vouwen
Zie hier  (link onduidelijk)

In deze weken kerststalletje knutselen


[vanuit het Oberufer Kerstspel] aanzegging:
Engel: Wees gegroet gij begenadigde!
God den heer is met u!
Gij zijt gezegend onder de vrouwen,
want gij zult bevrucht worden
en enen zoon baren
en zult zijnen naam heten Jezus.
En hij zal over zijn volk koning zijn in der eeuwigeid.
Maria: Hoe zal dat wezen,
dewijl ik genen man en bekenne?
Engel: Ziet, ik ben den engel Gabriël
zo ‘t u verkondigt:
de kracht des allerhoogsten zal u overschaduwen.
Daarom ook dit heilige dat uit u geboren wordt
zal Gods zone genaamd worden.
En ziet, Elisabeth uw nichte
is ook zelve bevrucht mit enen zone in haren ouderdom
en deze maand is haar,
die onvruchtbaar genaamd was, de zesde.
Want geen ding en zal bij God onmogelijk zijn.
Maria: Ziet de dienstmaagd des heren,
mij geschiede naar uw woord

Een verhaaltje:

Een oude man die het einde van zijn leven voelde naderen riep zijn drie zoons bij zich en zei: “Ik kan mijn bezit niet door drieën delen, want wat ik nalaat is niet te verdelen. Daarom heb ik besloten alles wat ik heb na te laten aan degene die het meest intelligent is en het helderste inzicht bezit, anders gezegd: aan mijn beste zoon.
Op tafel ligt voor ieder van jullie een muntstuk. Pak dat. Wie er iets van koopt waarmee deze hut waarin we wonen geheel gevuld kan worden zal alles krijgen.”
Ze vertrokken.
De eerste zoon kocht stro, maar dat reikte slechts tot halverwege.
De tweede zoon kocht zakken met veren, maar ook hem lukte het niet de hut te vullen.
De derde zoon, die de erfenis uiteindelijk zou krijgen, kocht maar iets heel kleins.
Het was een kaars.
Hij wachtte tot het donker was, stak de kaars aan en vulde de hele hut met licht.


Het Luciafeest is een typisch Zweeds lichtfeest dat op 13 december, de
naamdag van Sint-Lucia, wordt gevierd. De traditie is ontstaan in de
middeleeuwen en heeft zich in de 20e eeuw van Västergötland naar de rest
van Zweden en naburige landen verspreid. In Zweden markeert het Luciafeest
nu het begin van de kerstperiode. De traditie heeft elementen van het
voorchristelijke midwinterlichtfestival overgenomen. In vroegere tijden kwam
de dertiende december overeen met de midwinternacht. Door
kalenderwijzigingen in de loop van de eeuwen is het moment van de kortste
dag op de kalender verschoven, hoewel het feest op 13 december bleef staan.
De traditie in Zweden is dat er vroeg in de morgen meisjes in witte kleding
met een rode sjerp en met kaarsjes op hun hoofd het gezin en ouderen
wekken en eten brengen. Daar worden dan ook speciale Lucialiedjes bij
gezongen. Ook is het traditie dat elk dorp jaarlijks een eigen ‘Lucia’ kiest.
Tijdens het Luciafeest worden er vaak lussekatter (gele safraanbroodjes)
gegeten. (uit wikipedia)

In met name Zweden is het Luciafccst een populair familiefeest, waarbij de oudste dochter des huizes de ‘Lussebrud’ (= Luciabruid) vertolkt; gekleed in een witte jurk en rode ceintuur en een groene krans met brandende kaarsen op haar hoofd. Zij deelt aan haar familie (saffraan)broodjes uit. Volgens overlevering brachten de Vikingen, Noormannen, die Zuid-Italië inde 11e eeuw veroverden, van Sicilië de legende mee dat in tijd van hongersnood in Syracuse op de gebeden van de mensen die de heilige Lucia aanriepen twee schepen met graan (vandaar de saffraanbroodjes) aankwamen met Lucia aan het roer van een van de schepen, gekleed in het wit en met een stralenkrans van kaarsen op haar hoofd. De Zweden kenden aan dit Lucia brood, een soort duivekater (= feestbrood), magische krachten toe. Op 13 december riepen zij Sinte Lucia op om weer vruchtbaarheid, wasdom en het langer worden van de dagen te bevorderen.


Donker wordt de aarde,
Duister overal.
Maar ons hart bewaarde
Licht, dat blijven zal.

Dat het helder brande,
Lichten mag heel ver,
Dan zal eens de aarde
Worden tot een ster!

Lena Struik

Advent verse

In the first candle of Advent shines
The light of crystals in the mine.
The rocks. the jewels and the stones.
The seashells and our bones.
Now the stones are on the earth.
Waiting for the Christ Child’s birth.

In the second candle of Advent shine
The plants and the berries on the vine,
The green grass and the lovely tree.
And all the flowers that we see.
Now the plants are on the earth.
Waiting for the Christ Child’s birth.

In the third candle of Advent shine
The wondrous beasts of every kind,
Beasts who tread upon the earth
And give their stable for the birth.
Now the beasts are on the earth.
Waiting for the Christ Child’s birth.

In the fourth candle of Advent shine
Our open hearts, both yours and mine.
We can now flll our hearts with love
And shinine light fforn heaven above.
Now we are on the earth,
Waiting for the Christ Child’s birth.
.

Zie blogspot

Uit de weekspreukkalender:

24-30 november:

Vol geheimenis het bewaarde oude
met het nieuw ontstane eigenzijn
innerlijk tot leven voelen komen:
Opwekkend moet het wereldkrachten
in mijn uiterlijke levenswerk laten stromen
en een afdruk van mij maken in het bestaan.

01-07 december:

Kan ik het zijn zodanig kennen,
dat het zichzelf hervindt
in de scheppingsdrang van de ziel?
Ik beleef dat mij de macht gegeven is
om het eigen zelf bescheiden
als deel van het wereldzelf te laten leven

08-14 december:

In de diepten van mijn wezen spreekt,
tot openbaring voerend,
vol geheimenis het wereldwoord:
Vervul het doel van je werken
met het licht van mijn geest,
om zo jezelf door mij te offeren.

15-21 december:

Het geesteslicht te dragen
in de winternacht der wereld,
mijn hartendrang streeft het gelukzalig na,
opdat zielenkiemen lichtend
in wereldgronden wortelen,
En Gods woord in het duister van de zinnen
openbarend al het zijn doorklinkt.

Kerststemming:

Ik voel, als ware het onttoverd,
het geesteskind in de schoot der ziel:
In de helderheid van het hart
heeft het heilige wereldwoord
de hemelse vrucht van de hoop verwekt,
die jubelend groeit naar wereldverten
vanuit de godsgrond van mijn wezen.

Advent: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: advent  – jaartafel

.

2665-2496

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over plantkunde – GA 298

.

Op verschillende plaatsen onderstreepte Steiner het belang onderscheid te maken tussen het kind vóór het negende jaar en erna, m.n. wat betreft het geven van de zaakvakken.
Wat dit verschil is en hoe je daar methodisch-didactisch naar handelt, komt vooral naar voren in zijn opmerkingen over ‘vertellen‘.
In dit artikel komt het eveneens aan bod

ga 298

Die pädagogische Grundlage der Waldorfschule

Blz. 14

Bedeutungsvoll für die Gemütsbildung ist, daß das Kind vor Vollendung des neunten Lebensjahres die Beziehung zur Welt so entwickelt,
wie der Mensch geneigt ist, sie in phantasievoller Art auszugestalten.
Wenn der Erziehende selbst nicht Phantast ist, so macht er auch das
Kind nicht zum Phantasten, indem er in märchen-fabelartiger und
ähnlicher Darstellung die Pflanzen- und Tier-, die Luft- und Sternenwelt
in dem Gemüte des Kindes leben läßt.

<<Voor de vorming van het gevoel is het belangrijk dat het kind voordat het negende jaar voorbij is, zijn verbondenheid met de wereld zo ontwikkelt als de mens geneigd is te doen in een fantasievol weergeven, Wanneer de opvoeder zelf geen fantast is, dan maakt hij ook het kind niet tot een fantast wanneer hij in sprookjes- en/of fabelvorm de wereld van planten en dieren, van lucht en sterren in de ziel van het kind laat leven.>>

Blz. 15

Wenn man mit Naturbeschreibungen aus der Tier- und Pflanzenwelt
nach dem vollendeten neunten Lebensjahre beginnt und dieselben so
hält, daß aus den Formen und Lebensvorgängen der außermenschlichen
Welt die menschliche Form und die Lebenserscheinungen des Menschen verständlich werden, so kann man diejenigen Kräfte im Zögling wecken,
die in diesem Lebensabschnitt nach ihrem Entbundenwerden aus den
Tiefen des Menschenwesens streben. Dem Charakter, den das Ich-Gefühl in dieser Lebensepoche annimmt, entspricht es, das Tier- und
Pflanzenreich so anzusehen, daß, was in ihnen an Eigenschaften und
Verrichtungen auf viele Wesensarten verteilt ist, in dem Menschenwesen
als dem Gipfel der Lebewelt wie in einer harmonischen Einheit sich
offenbart.

Wanneer je met het beschrijven van de natuur begint, over de dieren- en plantenwereld, wanneer het negende levensjaar voorbij is, en dat zo doet dat uit de vormen en levensprocessen van de wereld om de mens heen de menselijke vorm en hoe de mens in het leven verschijnt begrijpelijk wordt, dan kan je in de opvoedeling die krachten wekken die in deze levensfase vanuit de diepte van het mensenwezen naar het vrij worden streven. Bij het karakter dat het Ik-gevoel in deze fase krijgt, hoort om zo naar het rijk van de planten en dieren te kijken, dat wat bij hen aan eigenschappen en activiteit over vele soorten verdeeld is, bij de mens als het hoogtepunt van de levende wereld, zich in een harmonieuze eenheid vertoont.
GA 298/14
Gedeelten van dit artikel zijn vertaald
Het artikel staat in GA 24/83
Een vrije vertaling vind je hier

Ansprache mit Aussprache am Elternabend

Stuttgart, 13 januari 1921

Blz. 76/77   vert. 19

Bis zu diesem neunten bis zehnten Jahr muß man versuchen, das Kind möglichst mit solchem Unterrichtsstoff zu beschäftigen, der es nicht dazu zwingt, viel über sich nachzudenken, sondern über die Dinge, die draußen im Leben sind. Und zwischen dem neunten und zehnten Jahr muß man anfangen, ihm Begriffe, Vorstellungen beizubringen von Pflanzen und Tieren so, daß es von einem solchen Nachdenken über die Welt den Übergang findet zu einem Nachdenken über sich selber. Daraufhin muß aller Unterricht gestaltet werden, daß man richtig in den betreffenden Zeitpunkten, in denen gewissermaßen die innere Natur des Kindes es fordert, mit einer Sache einsetzt.

<<Tot aan dit negende, tiende jaar moeten we proberen het kind zoveel mogelijk bezig te houden met onderwijsstof die hem er niet toe dwingt veel na te denken over zichzelf, maar over de dingen buiten hem in het leven.>> En tussen het negende en tiende jaar moeten we beginnen hem begrippen en voorstellingen van planten en dieren bij te brengen zodat hij vanuit zo’n nadenken over de wereld de overgang vindt naar een nadenken over zichzelf. Alle onderwijs moet vormgegeven worden vanuit het principe dat je juist op die tijdstippen waar in zekere zin de innerlijke natuur van het kind het vereist, met een onderwerp daarop inspeelt.
GA 298/76-77
Vertaald/18 

Rudolf Steiner over plantkunde 

Plantkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

.

2659-2490

.

.

.

.