Categorie archief: Rudolf Steiner

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-6-1)

.

In dit artikel ging het om

‘De mens als kosmisch wezen’

Daarin werd opgenomen uit GA 294, 2e voordracht Steiners uiteenzetting over de samenhang van de mens met de kosmos, met als uitgangspunt het ademen.

Op andere plaatsen spreekt hij daar ook over, vaak weer net iets anders. 

GA 192     blz. 77

Wir sehen hin auf unsere Atmung. Wir haben beim normalen Atmen 18 Atemzüge in der Minute. Das gibt in einem Tage bei 24 Stunden ungefähr 25.920 Atemzüge. So daβ wir in einem Tage rhythmisch hintereinander vollziehen das Einatmen und das Ausatmen ungefähr 25.920 mal. Das ist das kleinste Atmen das unser individueller Mensch entfaltet. Schon im Alten Testament hat man das Patriarchealter auf 70 Jahre ungefähr angenommen. Das sind ungefähr 25.920 Lebenstage.
Wenn Sie nun nehmen jenen groβen Atemzug, der mit uns gemacht wird, indem wir am Morgen untertauchen mit unserem Ich und Astralleib in unsern Ätherleib und physischen Leib, so daβ wir morgens einatmen unser Geistig-Seelisches und abends wieder ausatmen, wenn Sie das nehemen als einen Atemzug, der jeden Tag vollzogen wird, dann vollzieht unser Lebenstag, der ungefähr 71 Jahre umfaβt 25.920 Atemzüge.Das heiβt, jener groβe Geist, der da atmet, indem wir geboren werden und sterben, der atmet in seinem Lebenstag, der unser ganzes Menschenleben umfaβt, so oft ein und aus wie wir in 24 Stunden. So sind wir angepaβt mit unserem menschlichen Atmen jenem geistigen Atmen das der Geist vollzieht, für den das Ein-und Ausatmen ist, was für uns Geborenwerden und Sterben ist. Wir sind das Ergebnis seiner Atemzúge in unserem Wach-und Schlafesleben. Und die Sonne, von der Sie ja wenigstens ahnen können, daβ sie eine Beziehung zu unserem Erleben hat: der Mensch beobachtet wie ihr Aufgang vorrückt im Tierkreisbild um eine bestimmte Anzahl Grade jährlich, so daβ, wenn der Frühlingspunkt liegt an einer bestimmten Stelle eines bestimmten Tierkreisbildes, er das nächsdte Jahr weiter verschoben ist usw. So kreist der Aufgangpunkt der Sonne scheinbar um die ganze Ekliptik herum, in dem, was ein platonisches Weltenjahr genannt wird, und das umfaβt 25920 Jahre.

Laten we onze ademhaling nemen. Wanneer we normaal ademhalen, doen we dat 18 keer per minuut. Dat is op een dag van 24 uur ongeveer 25920 keer. Zodat we op een dag ongeveer 25920 keer ritmisch achter elkaar in- en uitademen. Dat is het kleinste ademhalingsritme dat wij als individuele mens hebben.
Al in het Oude Testament heeft men de leeftijd van de aartsvaders op ongeveer 70 jaar gesteld*. Dat zijn om en nabij 25920 levensdagen.
Wanneer we nu de grote ademhaling nemen die we ’s morgens ondergaan wanneer ons Ik en astraallijf bezit neemt van ons etherlijf en fysieke lichaam, zodat we ’s morgens ons geest-zielenwezen inademen en dat ’s avonds weer uitademen, beschouwen als een ademhaling die iedere dag plaatsvindt, dan voltrekt zich dat wat op één dag uit ons leven dat ongeveer 71 jaar duurt, in 25920 ademhalingen.
Dat betekent dat die grote geest die ademt wanneer we geboren worden en sterven, tijdens zijn levensdagen die ons hele mensenleven omvat, zo vaak in- en uitademt als wij doen in 24 uur.
Zo zijn we met ons ademen als mens aangepast aan het geestelijk ademen dat de geest voltrekt voor wie het in- en uitademen is, wat voor ons geboren worden en sterven betekent. Wij zijn het resultaat van zijn ademhaling in ons waak- en slaapleven.
En de zon waarvan je op z’n minst wel een gevoel kan hebben dat die iets met ons leven op aarde te maken heeft: de mens neemt waar dat het punt waar zij opkomt in het sterrenbeeld jaarlijks met een paar graden opschuift, zodat het lentepunt op een bepaalde plaats in een bepaald dierenriemteken ligt en dat dit jaarlijks wat verschoven is. Zo loopt het punt waar de zon opkomt schijnbaar door de hele ecliptica wat een platonisch wereldjaar wordt genoemd en dat ongeveer 25920 jaar duurt
Een dag in ons leven bevat 25920 ademhalingen, ons leven tussen geboorte en dood omvat 25920 levensdagen, een groot zonnejaar ongeveer 25920 levensjaren.
Zo voegen wij ons naar datgene wat ademen is in het zon-aardeproces door een platonisch wereldjaar. Hier zie je een wereldritme waarmee de mens deel uitmaakt van de kosmos.
GA 192/77

*Daar is vrij veel onderzoek naar gedaan. Men heeft wel iets gevonden dat bijv. de hoge leeftijd van Methusalem verklaart en als men dan een andere berekening hanteert is hij i.p.v. 969 jaar, 78 jaar. Maar dat had tot gevolg dat ermet deze berekening iemand is geweest die op 3-jarige leeftijd een kind heeft verwekt. Kortom: die leeftijden zijn raadselachtig en de aartsvaders zijn geen 70, zoals Steiner hier zegt, maar rond de 180 jaar. 

GA 201    blz. 57

Der Mensch hat in seinem Atmungsrhythmus-die 18 Atemzüge in der Minute-etwas, was in einer merkwürdigen Übereinstimmung steht mit anderem im Weltenall. Wir haben 18 Atemzüge, die ausgerechtnet für den Tag, 25920 tägliche Atemzüge ergeben. Das ist aber dieselbe Zahl, die man bekommt, wenn man ausrechnet wieviel Tage eine so normale Lebensdauer von etwas 72 Jahren hat. Auch das sind ungefähr 25920 Tage. So daβ in einem Tag irgend etwas ausatmet unseren astralischen Leib und unser Ich, und wiederum einatmet beim Aufwachen, aber nach demselben Zahlen-rhythmisch.Und wiederum, wenn wir die Zahl der Jahre nehmen, welche die Sonne braucht, wenn sie scheinbar oder wirklich, darauf kommt es jetzt nicht an, vorrückt in ihrem Frülingspunkte-immer schreitet sie um ein Stückchen vor jedes Jahr-so braucht sie 25920 Jahre, um einmal ihren Frühlingsausgangspunkt um den ganzen Himmel herumzuführen: ein platonisches Jahr.
Es ist eigentlich dieses menschliche Leben bis ins Kleinste, bis in den Atemzug und bis in seine irdische Begrenzung zwischen Geburt und Tod nachgebildet den Gesetzen des Weltenalls.

De mens heeft in zijn ademritme de 18 ademhalingen per minuut – iets wat op een bijzondere manier overeenkomt met iets anders in de wereldruimte. Wij hebben 18 ademhalingen, dat is per dag 25920 ademhalingen. Dat is echter hetzelfde getal dat je krijgt wanneer je uitrekent hoeveel dagen een normale leeftijd van 72 jaar heeft. Ook dat zijn ongeveer 25920 dagen. Net zo als we op één dag ons Ik en astraallijf uitademen en bij het wakker worden weer inademen, volgens dezelfde getallen, ritmisch.
En ook, wanneer we het getal van het aantal jaren nemen dat de zon nodig heeft, wannneer die, schijnbaar of in werkelijkheid, daar komt het niet op aan, verder gaat met het lentepunt – ze gaat steeds een stukje verder, ieder jaar – dan heeft ze 25920 jaar nodig om weer bij beginlentepunt te komen: een platonisch jaar. [ik meen gelezen te hebben, maar ik weet niet meer waar – dat ook dit punt iets verder ligt dan 25920 jaar geleden]. Eigenlijk is dit menselijk leven tot in het kleinste, tot in de ademteug en tot in zijn aardse begrenzing tussen gebooret en dood nagevormd naar de wetten van het wereldal.

blz. 58

Nehmen Sie die 18 Atemzüge in der Minute, das gibt in der Stunde 1080, in 24 Stunden 25920 Atemzüge. Das heiβt, wir muβten multiplizieren 18 mit 60 mal 24, um 25920 Atemzüge im Tage zu bekommen. Nehmen wir das aber als den Umlauf des Frühlingspunktes um den Himmel. Würden wir das nun dividieren durch 60 mal 24, so würden wir natürlich wiederum 18 bekommen. Wir würden 18 Jahre bekommen. 18 Jahre, was würde denn das eigentlich sein? Überlegen wir uns das einmal, was diese 18 Jahre bedeuten würden. Die 25920 Atemzüge entsprechen einen 24 stündigen Menschentag beziehungsweise sagen wir, dieser 24stündige Menschentag ist also der Tag des Mikrokosmos. 18 Atemzüge entsprechen der Einheit des Rhythmus. Nehmen wir jetzt einmal-scheuen wir uns dessen nicht-den ganzen Umlauf des Frühlingspunktes um den Himmel als einen groβen Himmelstag, nicht bloβ als das platonische Jahr, sondern als einen groβen Himmelstag. Nehmen wir ihn als Himmelstag oder Weltentag, wie sie wollen, als Tag des Makrokosmos. Wenn wir die Atemzüge aufsuchen würden im Makrokosmos die entsprechen würden den Atemzüge des Menschen in einer Minute, wie lange müβten die denn dauern? Es müβten diese Atemzüge 18 Jahre dauern. Ein 18jähriges Atmen, ausgeführt von demjenigen Wesen das dem makrokosmos entspricht.

Neem nu eens de 18 ademhalingen per minuut, dat zijn er in een uur 1080, in 24 uur 25920. Dat betekent dat we 18 moeten vermenigvuldigen met 60 keer 24 om aan 25920 ademhalingen per dag te komen. Dat nemen we nu als de omlooptijd van het lentepunt langs de hemel. Als we dat zouden delen door 60 keer 24, dan zouden we natuurlijk weer 18 krijgen. Wij zouden 18 jaar hebben. 18 jaar, wat is dat dan? Je moet goed nadenken over deze 18 jaar. De 25920 ademhalingen komen overeen met een dag van 24 uur bij de mens, we zeggen dus a.h.w. deze dag van 24 uur in een mensenleven is als de dag van de microkosmos. 18 ademhalingen komen overeen met de eenheid van het ritme. Maar nu nemen we – we hoeven er niet voor terug te schrikken – de hele omloop van het lentepunt langs de hemel als één grote hemeldag, niet alleen als het platonisch jaar, maar als een grote hemeldag. We beschouwen deze als hemeldag of werelddag, wat u wil, als dag van de macrokosmos.
Wanneer we de ademhalingen zouden zoeken in de macrokosmos die overeenkomen met de ademhalingen van de mens in een minuut, hoe lang zouden die dan moeten duren? Die zouden 18 jaar moeten duren. Een ademhalingsperiode van 18 jaar, uitgevoerd door het wezen dat met de macrokomos overeenkomt.
GA 201/57
Niet vertaald

blz. 63

Viele tausend Jahre vor unserer Zeitrechnung war es den Ägyptern bekannt, daβ nach 72 Jahren die Fixsterne in ihrer scheinbaren Bewegung der Sonne um einen Tag vorausgeeilt sind. Die Sonne dreht sich [scheinbar] wesentlich langsamer als die Fixsterne, und nach 72 Jahren sind die Fixsterne schon ein Stück vorausgeeilt.Deshalb verschiebt sich ja der Frühlingspunkt, weil die Fixsterne vorauseilen wenn der Frühlingspunkt weiter und weiter rückt, dann müssen sich ja die Fixsterne gegenüber dem Stand der Sonne verschoben haben. Nun, die Sache ist so, daβ nach 72 Jahren tatsächlich die Fixsterne der Sonne um einen Tag voraus sind. So findet man, daβ nach 72 Jahren die Sterne Ende des 30.Dezember an einem bestimmten Punkte ankommen, die Sonne kommt erst Ende des 31.Dezember an demselben Punkte an. Sie ist also langsamer gegangen um einen Tag. Nach 25920 Jahren bleibt sie so weit zurück, daβ der ganze Umkreis vollendet ist, daβ sie wiederum an den Punkt zurückkomt, den wir vorher notiert haben. Nach 72 Jahren ist die Sonne um einen Tag zurückgeblieben hinter den Fixsternen. Das ist aber eben ungefähr die normale Lebensdauer eines Menschen, das sind die 72 Jahre, die 25920 Tage sind. Und nehmen wir diese 72 Jahre 360 mal, dann haben wir eben wenn wir das Menschenleben als einen Tag betrachten und 360 Weltentage annehmen, in denen die Sonne einmal herumgeht, da haben wir dann das Menschenleben als einen Tag des Makrokosmos-der Mensch gleichsam ausgeatmet aus dem Makrokosmos-das Menschenleben als einen Tag im makrokosmischen Jahr.

Vier duizend jaar voor onze jaartelling was het bij de Egyptenaren bekend dat na 72 jaar de dierenriemtekens in hun schijnbare bewegingen een dag verder zijn dan de zon. De zon draait (schijnbaar) wezenlijk langzamer dan de direnriemtekens en na 72 jaar zijn deze al een stukje verder.  Het lentepunt verschuift omdat de dierenriemtekens vooruitgaan; wanneer het lentepunt steeds verder komt te liggen dan moeten de dierenriemtekens t.o.v. de stand van de zon verschoven zijn.
Nu, het zit zo dat na 72 jaar inderdaad de dierenriemtekens één dag uitgelopen zijn op de zon. Dan vind je dat na 72 jaar de sterren op het eind van 30 december op een bepaalde plaats aankomen en dat de zon op het eind van 31 december op hetzelfde punt aankomt. Zij is dus 1 dag langzamer gegaan. Na 25920 jaar is ze zover achter, dat de hele omloop voltooid is; dat ze opnieuw op het punt terug is, dat we van te voren genoteerd hebben. Na 72 jaar is de zon één dag achtergebleven op de dierenriemtekens. Dat is ongeveer ook de normale leeftijd van een mens, 72 jaar en dat zijn 25920 dagen.
En als we deze 72 jaar 360 keer nemen, dan hebben we ook wanneer we het mensenleven als een dag beschouwen en 360 werelddagen nemen waarin de zon één keer haar omloop voltrekt, het mensenleven als één dag van de macrokosmos – de mens a.h.w. uitgeademd vanuit de macrokosmos – het mensenleven als een dag in het macrokosmische jaar.
GA 201/63-64

GA 205     blz.  112

Wir atmen, nicht wahr, und ich habe Ihnen das letzte Mal die Atemzüge ausgerechnet für vierundzwanzig Stunden. Rechnen wir achtzehn Atemzüge auf die Minute, so haben wir in der Stunde sechzig mal acht­zehn, und in vierundzwanzig Stunden 25920 Atemzüge in Tag und Nacht. Wenn Sie nun einen andern Rhythmus im Menschen nehmen, so ist es der Rhythmus von Tag und Nacht selber. Am Morgen beim Aufwachen saugen Sie in Ihren physischen Leib und Ätherleib hinein den Astralleib und das Ich. Es ist auch ein Atmen. Sie atmen morgens herein, und Sie atmen am Abend beim Einschlafen den astralischen Leib und das Ich wieder aus, also ein Atemzug in vierundzwanzig Stunden, in einem Tag. Das sind dreihundertfünfundsechzig solche Atemzüge im Jahr. Und nehmen Sie das Durchschnittsalter eines Men­schen, zweiundsiebzig Jahre, so haben Sie ungefähr dieselbe Zahl; würde ich nicht zweiundsiebzig genommen haben, sondern etwas dar­unter, so würde ich dieselbe Zahl bekommen haben. Das heißt, wenn Sie das gesamte irdische Leben des Menschen nehmen und Sie sehen in einem Tag im Einschlafen und Aufwachen einen Atemzug, so haben Sie in einem Leben auch so viel solches Ein- und Ausatmen des astra­lischen Leibes und des Ich, wie Sie in vierundzwanzig Stunden Atemzüge haben. Sie machen während eines Lebens auch so viel solche Atemzüge, 205/113 die im Ausatmen und Einatmen des Ich und des astralischen Lei­bes bestehen. Diese Rhythmen entsprechen sich durchaus, und wir sehen, wie da der Mensch in die Welt eingefügt ist. Das Leben des Tages, Sonnenauf- und -untergang, also das einmalige Herumgehen entspricht einem inneren Sonnenauf- und -untergang, der von der Ge­burt bis zum Tode dauert.

We halen adem, niet waar en ik heb de vorige keer het aantal ademhalingen uitgerekend per 24 uur. Wanneer we 18 ademhalingen per minuut rekenen, dan hebben we er per uur 60 x 18 en in 24 uur 25920 ademhalingen dag en nacht. Wanneer we nu een ander ritme in de mens nemen, dan is het dat van dag en nacht zelf. ’s Morgens wanneer we wakker worden neemt u [letterlijk ‘zuigt’] uw Ik en astraallijf weer op in uw etherlijf en fysiek lichaam. Dat is ook een ademhalen.
U ademt ’s ochtends in en ’s avonds bij het inslapen ademt u het astraallijf en Ik weer uit, dus één ademhaling in 24 uur, op 1 dag. Dat zijn 365 van zulke ademhalingen in het jaar. En neem nu de gemiddelde leeftijd van de mens, 72 jaar, dan krijg je ongeveer hetzelfde getal; zou ik geen 72 genomen hebben, maar iets lager, dan zou ik toch hetzelfe getal hebben gekregen. D.w.z. wanneer je het totale aardse leven van de mens neemt en je ziet op 1 dag inslapen en wakker worden als een ademhaling, dan krijg je in zijn leven ook zoveel in- en uitadelingen van het astraallijf en het Ik, als je in 24 uur aan ademhalingen hebt. U maakt gedurende een leven zoveel van de in- en uitademingen die het Ik en het astraallijf maken. Die ritmen staan in verhouding tot elkaar en we zien hier hoe de mens deel uitmaakt van de wereld. Het leven van de dag, zonsopkomst en zonsondergang, dus de eenmalige zonsomloop staat in verhouding tot een innerlijke zonsopkomst en -ondergang, die van de geboorte tot de dood duurt.
GA 205/112-113
Niet vertaald

.

over: 25920 jaar

Algemene menskunde: voordracht 2alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1656-1552

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-6)

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 40 en 41
.

DE MENS ALS KOSMISCH WEZEN

Nadat Steiner a.h.w. op ‘micro’-niveau naar de mens heeft gekeken en zijn visie op de zenuwen heeft gegeven, richt hij de blik in tegengestelde richting: naar de kosmos.
Hij beperkt zich echter meteen tot één aspect: dat van sympathie en antipathie.
Dat ligt uiteraard voor de hand, want tot nog toe ging het over wat daarmee in de mens samenhangt wanneer hij op aarde is: voorstellen en willen, daartussen het gevoel, dat in wezen bestaat uit sympathie en antipathie. Die kunnen we echter niet los zien van de alom aanwezige sympathie en antipathie buiten ons in een ‘wereld’ waarin we verblijven vóór de geboorte en na de dood.

Deze ‘wereld’ is veel omvattender dan alleen sympathie en antipathie bevattend. Het is de wereld van ‘de geest’ en ‘de ziel’: de geestes- en zielenwereld.

Moeilijke begrippen waarmee we al te maken kregen in de 1e voordracht, toen het ging om bijv. de hiërarchische wereld.

Omdat deze wereld voor Steiner een concrete inhoud heeft, heeft hij er ook veel mededelingen over gedaan, vooral in de talrijke voordrachten.

Om er meer een paar te noemen:    (als er geen verwijzing is naar een vertaling zijn ze niet vertaald)
GA 67 Het eeuwige in de menselijke ziel. Onsterfelijkheid en vrijheid
Vertaald: 67 “Dromen, hallucinaties, visioenen 
GA 79 De werkelijkheid van de hogere werelden
GA 102 De invloed van geestelijke wezens op de mens
GA 110 Kosmische hiërarchieën
GA 119 Macrokosmos en microkosmos
GA 133 De aardse en de kosmische mens
GA 136 De geestelijke wezens in de hemellichamen en in de natuurrijken
GA 141 Het leven tussen dood en nieuwe geboorte in relatie tot kosmische feiten
GA 151 Het menselijk en het kosmisch denken
GA 178 Individuele geestwezens en hun werking in de ziel
GA 219 De verhouding van de sterrenwereld tot de mens en omgekeerd
GA 224 De menselijke ziel in samenhang met goddelijk-geestelijke individualiteiten.
GA 230 De mens als klankharmonie van het scheppende wereldwoord

De lijst is verre van compleet.

Het is vrijwel onmogelijk voor velen van ons, al deze inhoud te bestuderen en innerlijk eigen te maken.
Dat is m.i. ook niet nodig om vrijeschoolleerkracht te kunnen zijn.

Wél belangrijk is je te verdiepen in wat sympathie en antipathie zijn en hoe ze in het gevoel van de leerlingen aanwezig zijn en welke invloed je daarop uitoefent met je lesstof. En vooral ook: hoe komt je lesstof bij de leerlingen aan als je weet dat de ziel het instrument is waarmee we in eerste instantie de wereld in ons opnemen. Dat is dus met sympathie en/of antipathie. Maar niet alleen de wereld in ons opnemen: we manifesteren ons vanuit onze ziel in wat we doen; wat we in de wereld zetten en de manier waarop.

Een paar voorbeelden die direct met het klassenwerk hebben te maken (er zijn er meer)

Het spreken: de klanken in de vorm van klinkers en medeklinkers. De ‘sympathieke’ vocalen en de ‘antipathieke’ consonanten.
Hoe zou je ooit  ‘in geestelijke zin’ de letters aanleren die in onze culturele ontwikkeling vanuit het beeld tot letter zijn geworden, als je het verschil tussen klinker en medeklinker niet kent vanuit de optiek sympathie-antipathie!

Roept de leerstof meteen antipathie op door de manier waarop je het brengt of neem je de kinderen op een door hen gewilde manier mee omdat je bijv. fantasievol of kunstzinnig lesgeeft?

En wat we al tegenkwamen bij het geheugen, het ontstaan van voorstellingen die herinneringsbeeld kunnen worden (of met nog meer antipathie: begrippen):

Blz. 40  vert. 40

Nun merken Sie schon an dem, was ich jetzt hier entwickelt habe, daß eigentlich das Menschenwesen nur begriffen werden kann im Zusammenhange mit dem Kosmischen. Denn indem wir vorstellen, haben wir das Kosmische in uns. Wir waren im Kosmischen, ehe wir geboren wurden, und unser damaliges Erleben spiegelt sich jetzt in uns; und wir werden wieder im Kosmischen sein, wenn wir die Todespforte durchschritten haben werden, und unser künftiges Leben drückt sich keimhaf t aus in dem, was in unserem Willen waltet. Was in uns unbewußt waltet, das waltet sehr bewußt für das höhere Erkennen im Kosmos.

Nu merkt u al aan hetgeen ik hier ontwikkeld heb, dat het wezen van de mens eigenlijk alleen begrepen kan worden in samenhang met het kosmische. Want als we ons voorstellingen maken, hebben we het kosmische in ons. We waren in de kos­mos voordat we geboren werden en onze belevenissen van toen spiegelen zich nu in ons; en we zullen weer in de kosmos zijn wanneer wij door de poort van de dood zijn gegaan; ons toe­komstige leven wordt uitgedrukt in de kiem die werkt in onze wil. Wat in ons onbewust werkt, dat werkt – voor het hogere kennen zichtbaar – zeer bewust in de kosmos.

Blz. 41  vert. 41

Wir sind mit unserem Erleben in den Kosmos eingeschaltet. Ebenso wie wir Tätigkeiten entwickeln, die im Kosmos weiter zu verfolgen sind, so entwickelt wieder mit uns der Kosmos fortwährend Tätigkeiten, denn er entwickelt fortwährend die Tätigkeit von Antipathie und Sympathie. Wenn wir uns als Menschen betrachten, so sind wir wieder selbst ein Ergebnis von Sympathien und Antipathien des Kosmos. Wir entwickeln Antipathie von uns aus: der Kosmos entwickelt mit uns Antipathie; wir entwickeln Sympathie: der Kosmos entwickelt mit uns Sympathie.

Met ons beleven maken we deel uit van de kosmos. Zoals wij activiteiten ontwikkelen die in de kosmos verder gevolgd kun­nen worden, zo ontwikkelt omgekeerd de kosmos voortdurend activiteiten met ons, want de kosmos ontwikkelt voortdurend sympathie en antipathie. Wanneer wij mensen onszelf be­kijken, dan zijn wij weer een resultaat van de sympathie en antipathie van de kosmos. Wij ontwikkelen vanuit onszelf anti­pathie: de kosmos ontwikkelt met ons antipathie; wij ontwikke­len sympathie: de kosmos ontwikkelt met ons sympathie.
GA 293/41
Vertaald/41

Dit  ‘maken we deel uit van de kosmos’, behandelde Steiner in GA 294 in de tweede voordracht, d.w.z. in het tweede morgenuur, na de tweede voordracht van de ‘Algemene menskunde’ al door het spreken – het gebruik van klinker en medeklinker te zien als uitingen van sympathie en antipathie.
Je zou daarin een verdere karakterisering van ‘het ademhalen‘ kunnen zien die in de 1e voordracht aan de orde werd gesteld.

De uitgebreide uiteenzetting daarover uit GA 294 en andere voordrachten.

Steiner:

GA 294
Blz. 30  vert. 41

Auf diese Weise haben wir die Sprache erkannt als eine Beziehung des Menschen zum Kosmos. Denn der Mensch für sich würde bei Be­wunderung, Staunen stehenbleiben; erst seine Beziehungen zum Kos­mos rufen Bewunderung, Staunen zu demjenigen auf, was lautet.

Zo hebben we de taal leren kennen als een verbinding van de mens met de kosmos. Want de mens op zichzelf zou in bewondering, verwondering blijven steken; pas door zijn verbindingen met de kosmos ontstaan bewondering en verwondering voor dat wat er klinkt.0

ºbewondering en verwondering voor dat wat er klinkt: Deze wat cryptisch eindigende zin is misschien onvolledig gestenografeerd.
GA 294/30
Vertaald/41

Aan het eind van de 1e voordracht van de ‘Algemene menskunde’ wijst Steiner erop dat het er bij de leerkracht om moet gaan ‘hoe hij is’, niet zo zeer om wat hij doet. 
De essentie is: met welke gedachten loopt hij rond over het zich ontwikkelende kind, de wordende mens. 

Dan volgt een nieuw voorbeeld hoe de mens met de kosmos samenhangt, opnieuw vanuit het perspectief ‘ademen’.

Blz. 30  vert. 41

Nun ist der Mensch auf eine bestimmte Art in den Kosmos einge­bettet und man kann ja schon durch ganz äußerliche Erwägungen dieses Drinnenstehen des Menschen im Kosmos beobachten. Was ich jetzt sage, das sage ich aus dem Grunde, weil – wie Sie schon aus dem gestrigenVortrage gesehen haben – viel davon abhängt, wie wir gefühls­mäßig zu dem werdenden Menschenwesen stehen, wie wir in dein wer­denden Menschenwesen wirklich ein rätselvoll Offenbares des ganzen Kosmos verehren können. Daß wir dieses Gefühl als Erzieher und Unterrichter entwickeln können, davon hängt ungeheuer viel ab.

Nu is de mens op een heel bepaalde manier ingebed in de kos­mos, en we kunnen al op grond van heel uiterlijke overwegingen deze verbondenheid van de mens met de kosmos leren zien. Wat ik nu zeg, zeg ik omdat er veel van afhangt hoe wij gevoelsmatig tegenover het wezen van de opgroeiende mens staan, of wij in dat wezen werkelijk een raadselachtige manifestatie van de hele kos­mos kunnen vereren. Dit hebt u ook al uit de voordracht van giste­ren kunnen opmaken. Er hangt ongelooflijk veel van af of wij als opvoeder en leraar dit gevoel kunnen ontwikkelen.

Blz. 30/32:  vert. 41 e.v.

Nehmen wir die bedeutungsvolle Tatsache, daβ der Mensch etwa 18 Atemzüge in der Minute macht. Wieviel macht er in 4 Minuten. 18 mal 4 = 72 Atemzüge. Wieviel Atemzüge macht er am Tage? 18 mal 60 mal 24= 25920. Ich kann es aber auch so ausrechnen, daβ ich die Zahl der Atemzüge von 4 Minuten nehme, das sind 72. Ich hätte dann anstatt mit 24 mal 60, nur, nur mit 6 x 60, das heiβt mit 360 die Zahl der Atemzüge von 4 Minuten zu multiplizieren und bekäme dann ebenfalls 25920 Atemzüge am Tage, 360 mal 72=25920.
Man kann sagen: während 4 Minuten ist der Atmungsprozeβ-einatmen, ausatmen, einatmen-ausatmen-gewissermaβen ein kleiner Tagesprozeβ, und indem wir diese Zahl mit 360 multipliziert haben, ist die andere Summe von 25920 dem gegenüber ein Jahresprozeβ und der Tag von 24 Stunden ist ein Jahr für unser Atmen.

Neemt u nu eens, vanuit een iets ruimer gezichtspunt, het be­langrijke feit dat de mens ongeveer 18 keer ademhaalt in één mi­nuut. Hoeveel is dat in 4 minuten? 18 x 4 = 72 ademhalingen. Hoe­veel is dat op een dag? 18 x 60 x 24 = 25 920 ademhalingen op een 1 dag. Maar ik kan het ook zo uitrekenen: ik neem het aantal ademhalingen in 4 minuten, dat zijn er 72. Dan hoef ik niet 24 x 60, maar 6 x 60, dus 360, te vermenigvuldigen met het aantal adem­halingen per 4 minuten. Dan krijg ik ook 25920, want 360 x 72 = 25920. We kunnen dan zeggen: gedurende 4 minuten is het pro­ces van ademhalen – inademen, uitademen, inademen, uitademen als het ware een klein dagproces. Doordat we dit aantal met 360 vermenigvuldigd hebben, is het andere totaal van 25 920 ten op­zichte daarvan een jaarproces. De dag van 24 uur is een jaar voor onze ademhaling.

Jetzt nehmen Sie unseren gröβeren Atmungsprozeβ, der darin besteht, daβ wir tägllich wechseln zwischen Wachen und Schlafen. Was heiβt denn Wachen und Schlafen im Grunde genommen? Wachen und Schlafen bedeutet, daβ wir auch etwas ausatmen und einatmen. Wir atmen aus das Ich und den astralischen Leib beim Einschlafen, und wir atmen sie wieder ein beim Aufwachen. Das tun wir innerhalb von 24 Stunden. Wenn wir diesen Tag nehmen, so müssen wir ihn, um dazu den Jahreslauf zu haben mit 360 multiplizieren. Das heiβt im Laufe eines Jahres vollbringen wir in diesen Atmen etwas Ähnliches, wie in dem kleinen Atmungsprozeβ an einem Tage bei dem wir mit 360 das multiplizieren, was in 4 Minuten geschieht; multiplizieren wir mit 360 die Zeit zwischen Aufwachen und Einschlafen, was während eines Tages vor sich geht, so haben wir das, was in einem Jahr geschieht; und multiplizieren wir jetzt 1 Jahr mit unserem durchschnittlichen Lebensalter, also mit 72, so bekommen wir wieder 25920. Jetzt haben sie eigentlich schon einen zweifachen Atmungsprozeβ: unser Ein-und Ausatmen, das in 4 Minuten 72 mal geschieht und in einem Tag 25920 mal; unser aufwachen und Einschlafen das mit jedem Tage geschieht, das 360 mal in einem Jahr und 25920 mal im ganzen Leben geschieht. Dann haben Sie noch ein drittes Atmen, wenn sie die Sonne in ihrem Umlauf verfolgen. Sie wissen, daβ der Punkt, wo die Sonne im Frühling aufgeht, in jedem Jahr um ein Stück vorrückt scheinbar, und die Sonne geht auf diese Weise in 25920 Jahren um die ganze Ekliptik herum, rückweise; also hier wieder die Zahl 25920 im planetarischen Weltenjahr.

Maar neemt u nu ons grote ademhalingsproces: onze dagelijkse afwisseling van waken en slapen. Wat zijn waken en slapen eigen­lijk? Het is zo dat we bij het waken en slapen ook iets in- en uitade­men. Bij het inslapen ademen we het ik en het astrale lichaam uit en bij het ontwaken ademen we ze weer in. Dat doen we in 24 uur. Nemen we deze dag, dan moeten we deze met 360 vermenigvuldi­gen om een jaar te krijgen. Dat wil zeggen dat we in de loop van een jaar iets soortgelijks doen als in het kleine ademhalingsproces op een dag, waarbij we dat wat in 4 minuten gebeurt, vermenigvuldi­gen met 360. Vermenigvuldigen we de tijd van ontwaken en insla­pen, van wat op één dag gebeurt, met 360, dan hebben we wat er in een jaar gebeurt. En vermenigvuldigen we nu 1 jaar met de gemid­delde leeftijd die de mens bereikt, met 72 dus, dan krijgen we weer 25.920. Daarmee hebt u eigenlijk een tweevoudig ademproces: het in- en uitademen dat in 4 minuten 72 keer gebeurt en op een dag 25.920 keer, en het ontwaken en inslapen dat iedere dag gebeurt, 360 keer in een jaar en 25.920 keer in een mensenleven.
Maar dan is er nog een derde ademhaling: die vindt u wanneer u de loop van de zon volgt. U weet dat het punt waar de zon in het voorjaar opkomt ieder jaar schijnbaar een stukje opschuift. Op de­ze wijze gaat de zon in 25.920 jaar, steeds een stukje opschuivend, door de hele ecliptica. Ook hier in het planetaire wereldjaar vindt u weer het getal 25.920.

Blz. 32   vert. 42

Wie ist unser leben in die Welt hineingestellt? Wir leben 72 Jahre im Durchschnitt. Multiplizieren Sie diese Zahl mit 360, so bekommen Sie wiedeer 25920. Sie können sich also vorstellen, daβ das platonische Jahr, der Weltenlauf der Sonne, der sich in 25920 Jahren vollendet, als einen Tag unser menschliches Leben hat, so daβ wir, wie wir in unserem menschlichen Leben dastehen, als einen Atemzug ansehen können denjenigen Vorgang, der sich im ganzen Weltenall darstellt als ein Jahr, daβ wir unsere menschliche Lebensdauer verstehen können als ein Tag im groβen Weltenjahr, so daβ wieder den kleinsten vorgang als das Abbild des groβen kosmischen Vorganges verehren können. Sieht man es sich genauer an, dann bekommt man durch das platonische Jahr, daβ heiβt, was im platonischen Jahre geschieht, ein Abbild des gesamten Vorganges, der sich von der alten Saturnentwicklung über Sonnen-, Monden,-Erdentwicklung usw bis zum Vulkan hin abspielt. Aber alle Vorgänge, die sich in der angedeuteten Art abspielen, sind geordnet als Atmungsprozeβ nach der Zahl 25920. Und in dem, was sich abspielt für uns in der Zeit vom Aufwachen bis zum Einschlafen ist wieder Ausgedrückt, was sich abspielte während der Mondenentwicklung, sich abspielte während der Erdenentwicklung, sich abspielen wird während der Jupiterentwicklung. Da drückt sich aus, was uns zum Angehörigen des Auβerirdischen macht. Und was sich in unserem kleinsten Atemprozeβ der sich in 4 Minuten ausdrückt, abspielt, darin ist das wirksam, was uns zu irdischen Menschen macht.

Hoe is ons leven opgenomen in de kosmos? Wij leven gemid­deld 72 jaar. Vermenigvuldigt u dit getal met 360, dan krijgt u weer 25.920. U kunt zich dus voorstellen dat in het platonische jaar – de gang van de zon door de kosmos in 25.920 jaar – een mensenle­ven een dag betekent. Vanuit ons leven beschouwd kunnen we dus het proces dat in de kosmos een jaar is, beschouwen als een adem­haling, en we kunnen onze menselijke levensduur begrijpen als een dag in het grote wereldjaar. We kunnen dus ook hier weer het kleinste proces eren als een afspiegeling van het grote kosmische proces. Bekijken we dit nauwkeuriger, dan laat het platonische jaar, dat wil zeggen wat in een platonisch jaar gebeurt, ons een afspiegeling zien van het hele proces vanaf de oude saturnusontwikkeling, via de zon-, maan- en aardeontwikkeling enzovoort tot en met vulcanus.0 Maar alle processen die zich op deze manier afspelen, zijn als ademprocessen geordend naar het getal 25.920. En in het gebeuren dat zich bij ons afspeelt tussen ontwaken en inslapen, is weer uitgedrukt wat zich afspeelde tijdens de maanontwikkeling, zich afspeelt tijdens de aardeontwikkeling en zich zal afspelen tijdens de jupiterontwikkeling. Daarin wordt uitgedrukt wat ons tot deel­genoten van het buitenaardse maakt. En wat zich in ons kleinste ademproces van 4 minuten afspeelt, daarin is werkzaam wat ons tot aardse mensen maakt.

º Volgens Steiner maakt de aarde waarop de mensheid zich ontwikkelt, zelf ook een gefaseerde evo­lutie door. De voorafgaande planetaire verschijningsvormen van de aar­de noemt hij ‘(oude) saturnus’, ‘(oude) zon’ en ‘(oude) maan’, de toekom­stige verschijningsvormen resp. ‘jupiter’, ‘venus’ en ‘vulcanus’. Met de gelijknamige hemellichamen van ons zonnestelsel houden deze evolutiestadia slechts indirect verband. Zie o.m. GA 13  De wetenschap van de geheimen der ziel en GA 110  Kosmische hiërarchieën. De evolutie van aarde en mensheid.

Wir müssen also sagen: wir sind irdische Menschen durch unseren Atmungsprozeβ; wir sind durch unseren Wechsel von Aufwachen und Einschlafen Monden-, Erden-und Jupitermenschen; und wir sind dadurch, daβ wir mit unserem Lebenslauf eingegliedert sind in die Verhältnisse des Weltenjahres, kosmische Menschen.
Für das kosmische Leben, für das ganze Planetensystem, umfaβt ein Atemzug einen Tag unseres Daseins, und unsere 72 Lebensjahre sind ein Tag für jenes Wesen, dessen Organe das Planetensystem bilden.

Kommen Sie über die Illusion hinweg, daβ Sie ein begrenzter Mensch sind, fassen Sie das auf, was Sie sind, als Prozeβ, als Vorgang im Kosmos, was es in Wirklichkeit ist, dann können Sie sagen: Ich selber bin ein Atemzug des Kosmos.

We moeten dus zeggen: wij zijn aardse mensen door ons ademhalingsproces; wij zijn door onze afwisseling van waken en slapen maan-, aarde- en jupitermensen; en wij zijn kosmische mensen doordat we met onze levensloop zijn ingebed in de orde van het wereldjaar. In het kosmische leven, in het hele planetenstelsel omvat één ademhaling een dag van ons leven, en onze 72 levensjaren betekenen één dag voor het wezen waarvan de organen het planetenstelsel vormen. Schud de illusie van u af dat u een beperkt mens bent, zie uzelf als wat u bent: een proces in de kosmos, dat bent u in werkelijkheid. Dan kunt u zeggen: ikzelf ben een ademhaling van de kosmos.
GA 294/30-32
Vertaald/41-43

Dus:
Ein Jahreskreislauf im Kosmos entspricht dem Tageskreislauf des Menschen

Een jaaromloop van de aarde in de kosmos staat tot een dagomloop van de mens.

das Menschenleben als einen Tag im makrokosmischen Jahr.

Het mensenleven is als een dag in het macrokosmische jaar.

Ein Tag des Menschenlebens: ein Atemzug des Kosmos

Een dag uit een mensenleven: voor de kosmos is het één ademhaling.
.

Grootse gedachten die ik destijds (en nog) heel bijzonder vond.
Toch rezen er, wellicht in tegenspraak met deze universele visie, wat kleinschaliger vragen: die 18 ademhalingen en 4 polsslagen kloppen. Dat getal 72 ‘staat’. Maar hoe is het met de 360 dagen per jaar. Kosmisch gezien moet er steeds iets ‘gesmokkeld’ worden, want het is meer: ca. 365.
En de gemiddelde leeftijd van 72 jaar? 
Er bestaat een hardnekkig misverstand dat de gemiddelde leeftijd van bijv. een paar eeuwen veel lager lag. Dit blijkt niet zo te zijn
De gemiddelde leeftijd van vrouwen en mannen is in de loop van de tijd wel gestegen. Als die nu bijv. gesteld wordt op ca. 80 jaar, hoe verhoudt zich dat dan tot die 72 die zo mooi in de vermenigvuldiging passen om bij 25920 te komen. En hoe is dit t.a.v. de wereldbevolking.
Ik heb op die vragen nog geen antwoord gevonden.

Desalniettemin richt het de blik op de leerling als een ‘raadselachtige manifestatie van de hele kosmos’. Dat wezen zou je als leerkracht moeten kunnen vereren.

Tegelijkertijd maakt Steiner de opmerking dat wij als mens groots over onszelf mogen denken, weliswaar ‘slechts; een ademhaling van de kosmos, maar tegelijkertijd een deel van het grote geheel’. 

Kommen Sie über die Illusion hinweg, daβ Sie ein begrenzter Mensch sind, fassen Sie das auf, was Sie sind, als Prozeβ, als Vorgang im Kosmos, was es in Wirklichkeit ist, dann können Sie sagen: Ich selber bin ein Atemzug des Kosmos.

Schud de illusie van u af dat u een beperkt mens bent, zie uzelf als wat u bent: een proces in de kosmos, dat bent u in werkelijkheid. Dan kunt u zeggen: ikzelf ben een ademhaling van de kosmos.

Natuurlijk vinden we daarover in ander pedagogische voordrachten ook opmerkingen:

In deze tweede voordracht van de ‘Algemene menskunde” wanneer het zal gaan over het voorstellen en het willen:

Erst dann, wenn man den Zusammenhang des einzelnen Menschen mit dem ganzen Weltenall ins Auge fassen kann, ergibt sich ja eine Idee von der Wesenheit Mensch als solcher.

Pas wanneer men de samenhang van de individuele mens met de gehele kosmos kan inzien, kan men zich een idee vormen van het wezen van de mens als zodanig.
GA 293/32
Vertaald/31

Zoals in dit artikel aan de orde komt:

( dass ) das Menschenwesen nur begriffen werden kann im Zusammenhange mit dem Kosmischen.

Het wezen van de mens kan eigenlijk alleen begrepen worden in samenhang met het kosmische.
GA 293/40
Vertaald/40

In de derde voordracht:

Der gegenwärtige Lehrer müßte im Hintergrunde von allem, was er schulmäßig unternimmt, eine umfassende Anschauung über die Gesetze des Weltenalls haben.

Als achtergrond voor alles wat hij in de school doet, zou de leraar van tegenwoordig een grondig inzicht moeten hebben in de wetten van het heelal.
GA 293/46
Vertaald/46

Der Mensch ist nicht bloß ein Zuschauer der Welt, sondern er ist Schauplatz der Welt, auf dem sich die großen kosmischen Ereignisse immer wieder und wieder abspielen. 

De mens is niet alleen een toeschouwer in de wereld, maar ook het schouwtoneel van de wereld waarop de grote kosmische gebeurtenissen zich steeds weer afspelen.
GA 293/61
Vertaald/61

In de genoemde GA 294, tweede voordracht:

Es ist jetzt die Zeit, wo der Mensch das, was zur Erziehung gehört, herholen muß aus der Erkenntnis der Beziehung des Menschen zum Kosmos.

Het is nu de tijd dat de mens uit het inzicht in de samenhang van mens en kosmos moet putten wat voor de opvoeding nodig is.
GA 294/33
Vertaald/30

En verder:

Der Mensch ist ja eine kleine Welt, der Mensch ist ein Mikrokosmos.

De mens is een kleine wereld, de mens is een microkosmos
GA 301/253
Op deze blog vertaald/253

Ja, das ist dasjenige, was eine solche Menschenerkenntnis darstellen will, daß wir den Menschen wiederum hinstellen in das ganze Weltall nach Leib, Seele und Geist.

(   )  Deze mens­kunde wil dat we de mens naar lichaam, ziel en geest weer in de totale kosmos plaatsen.
GA 302/120
Menskunde en opvoeding/119
.

Het ligt voor de hand dat er ook in andere – ook niet pedagogische – voordrachten over het platonische jaar wordt gesproken.

Voorbeelden daarvan in [2-6-1

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven.

over 25920 jaar
.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1655-1551

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-5-2)

.

Enkele gedachten bij blz. 38-40 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

ZENUWEN

Wanneer Steiner bloed en zenuw als polariteiten beschrijft, komt hij ook tot de uitspraak dat er geen verschil is tussen motorische en sensitieve zenuwen.

Voor een leek zoals ik, is dat een onderwerp waarover ik – zonder gedegen studie en verdieping in allerhande literatuur – niet veel kan bijdragen.
Voorbeelden uit het eigen (dagelijks) ervaarbare leven zijn er niet.
En neuro-wetenschapstechnisch gebeuren er in deze tijd allerlei tot nog toe niet mogelijke ‘wonderen’ bij mensen die bijv. door de mogelijkheid elektrische impulsen, gestimuleerd door hun denken, naar een lichaamsdeel te zenden, dat door verlamming of andere beschadigingen tot dan toe niet meer functioneerde.
Dat gebeurt door de kennis van de zenuwen waarbij het onderscheid ‘motorisch-sensitief’ een grote rol speelt.

Steiner over sensitieve en motorische zenuwen:

Op blz. 39:
‘Om te spreken van motorische zenuwen – zoals gangbaar geworden is – is onzinnig, aangezien dat wat met ‘motorische zenuwen’ bedoeld wordt eigenlijk de bloedbanen zijn.’

In het schema vinden we de zenuw opzij van het rijtje waarbij ook het kennen staat; het bloed bij het rijtje waarbij het willen staat. In Steiners optiek behoren zowel de sensitieve als de motorische aan de kenniskant.

Op blz. 40 noemt hij het spreken over motorische en sensitieve zenuwen ‘een spel met woorden’. 

‘Er wordt van motorische zenu­wen gesproken, omdat het een feit is dat de mens niet kan lopen wanneer bepaalde zenuwen beschadigd zijn, bijvoorbeeld die welke naar de benen lopen. Men zegt dat de mens dan niet kan lopen omdat die zenuwen verlamd zijn die zijn benen in bewe­ging zetten; die zenuwen worden de ‘motorische’ genoemd. In werkelijkheid is het zo, dat men in zo’n geval niet kan lopen omdat men zijn eigen benen niet kan waarnemen.’

( ) die Naturwissenschaft ist nicht fähig, den Menschen in der richtigen Weise zu beurteilen. Sie sagt zum Beispiel den krassen Unsinn : Wenn Sie etwas fühlen, das Gefühl sei auch durch das Nervensystem vermittelt. Es ist der reine Unsinn. Das Gefühl ist direkt ebenso durch das Atmungssystem, das rhyth­mische System vermittelt, wie der Gedanke durch das Nerven­-Sinnessystem. Und der Wille ist durch den Stoffwechsel vermittelt, gar nicht durch das Nervensystem in elementarer Weise. Erst der Gedanke des Wollens ist durch das Nervensystem vermittelt. Nur indem Sie als Menschen ein deutliches Bewußtsein haben von dem Wollen, ist das Nervensystem beteiligt. Indem Sie Ihr Wollen mit­denken, ist das Nervensystem beteiligt. Weil man das nicht weiß, ist herausgekommen jenes furchtbar Beirrende der heutigen Physiologie und Anatomie, daß man sensitive Nerven und Bewegungsnerven unterscheidet. Es gibt gar keine krassere Unrichtigkeit als diese Unter­scheidung der sensitiven Nerven und Bewegungsnerven im mensch­lichen Leibe. Die Anatomen sind immer in Verlegenheit, wenn sie dieses Kapitel besprechen, aber sie kommen nicht darüber hinaus. Sie sind in furchtbarer Verlegenheit, weil sich anatomisch diese beiden Arten von Nerven nicht unterscheiden. Das ist reine Spekulation. Und alles das, was sich durch Untersuchungen der Tabes anschließt, das ist durchaus alles ohne Halt. Die Bewegungsnerven unterscheiden sich nicht von den sensitiven Nerven, weil die Bewegungsnerven nicht dazu da sind, die Muskeln in Bewegung zu setzen. Die Muskeln werden in Bewegung gesetzt durch den Stoffwechsel. Und während Sie mit den sogenannten sensitiven Nerven auf dem Umweg durch die Sinne die Außenwelt wahrnehmen, nehmen Sie mit den anderen Nerven ihre eigenen Bewegungen, die Muskelbewegungen wahr. Die heutige Physiologie nennt sie nur falscherweise Bewegungsnerven.

( ) de natuurwetenschap is niet in staat de mens op de juiste manier te beoordelen. Ze zegt bijv. deze krasse onzin: wanneer u iets voelt, wordt dit door het zenuwsysteem overgebracht. Dat is je reinste onzin. Het gevoel wordt direct net zo door het ademhalingssysteem, het ritmische systeem overgebracht, als de gedachte door het zenuw-zintuigsysteem. En de wil wordt door de stofwisseling overgebracht, helemaal niet door het zenuwsysteem op elementaire manier. Pas de gedachte aan de wil wordt door het zenuwsysteem overgebracht. Alleen als u als mens een duidelijk bewustzijn hebt van het willen, doet het zenuwsysteem mee. Als u meedenkt met uw wil, heeft het zenuwsysteem daar deel aan. Omdat men dat niet weet, is die vreselijke verwarring van de huidige fysiologie en anatomie ontstaan van het onderscheiden van sensitieve en motorische zenuwen in het mensenlichaam. De anatomen komen steeds in verlegenheid wanneer ze dit hoofdstuk bespreken, maar ze komen niet verder. Ze zitten vreselijk in verlegenheid omdat er anatomisch geen verschil bestaat tussen deze zenuwen. Dat is pure speculatie. En alles wat er nog bij komt door onderzoek naar de tabes is eigenlijk van weinig belang. Er is geen verschil tussen tussen sensitieve en motorische zenuwen, omdat de motorische zenuwen niet de functie hebben om de spieren in beweging te brengen. Die worden in beweging gebracht door de stofwisseling. En terwijl u met de zogenaamde sensitieve zenuwen via de omweg door de zintuigen de buitenwereld waarneemt, zo neemt u met de andere zenuwen uw eigen bewegingen, de spierbewegingen, waar. De huidige fysiologie noemt deze alleen abusievelijk bewegingszenuwen.
GA 192/ 51-52
Niet vertaald

En op blz. 153:

Der Unterschied zwischen sensitiven und motorischen Nerven ist ein Unding, weil die sogenannten motorischen Nerven zu nichts anderem da sind als zu dem, wozu die sensitiven Nerven auch da sind. Ein sensitiver Nerv, ein Sinnesnerv ist dazu da, daβ er Werkzeug ist, um das wahrzunehmen, was in unserer Sinnesorganisation vorgeht. Und ein sogenannter motorischer Nerv ist kein motorischer Nerv, sondern auch ein sensitiver Nerv; er ist nur dazu da, daβ ich meine eigene Handbewegung, die aus anderen Gründen heraus kommen als aus den motorischen Nerven, wahrnehmen kann. Motorische Nerven sind innere Sinnesnerven zur Wahrnehmung meiner eigenen Willensentschlüβe. Damit ich das Äuβere, was sich in meinem Sinnesapparat abspielt, wahrnehme, dazu sind die sensitiven Nerven da, und damit ich mir nicht ein unbekanntes Wesen bleibe, indem ich selber gehe, schlage oder greife, ohne daβ ich etwas davon weiβ, dazu sind die sogenannten motorischen Nerven da, also nicht zur Anspannung des Willens, sondern zur Wahrnehmung dessen, was der Wille in uns tut.
Es gibt kein anderer Unterschied als das die einen sensitiv sind für das, was drauβen ist, und die andern für das, was im eigenen Körper ist.

Het verschil tussen sensitieve en motorische zenuwen is een onding, omdat de zgn. motorische zenuwen er voor niets anders zijn dan waarvoor de sensitieve zenuwen er ook zijn. Een sensitieve zenuw, een zintuigzenuw is een instrument om waar te nemen wat er in onze zintuigorganisatie gebeurt. En een zgn. motorische zenuw is geen bewegingszenuw, maar ook een sensitieve zenuw; deze is er alleen maar om mijn eigen handbeweging die door een andere oorzaak ontstaat dan door de motorische zenuw, waar te nemen. Motorische zenuwen zijn inwendige zintuigzenuwen om mijn eigen wilsbesluiten waar te nemen. Om het uiterlijke, wat zich in mijn zintuigapparaat afspeelt, te kunnen waarnemen, heb ik sensitieve zenuwen en om geen onbekende voor mezelf te blijven, heb ik, wanneer ik zelf loop, sla, of grijp, de zgn. motorische zenuwen, dus niet om de wil in beweging te brengen, maar om waar te nemen wat de wil in ons doet.
GA 192/153-154
Niet vertaald

Op blz. 172:

Es gibt kein Unterschied zwischen sensitive und motorische Nerven: sie sind alle sensitiv.Die sogenannten motorischen Nerven sind nur dazu da, daβ wir innerlich unsere Bewegungen wahrnehmen, daβ wir sensitiv sind mit Bezug auf das, was wir selbst als Menschen tun. Geradeso wie der Mensch mit dem sensitiven Augennerv die Farbe sich vermittelt, so vermittelt er sich die eigene Beinbewegung durch die „motorischen“ Nerven, die nicht da sind, um das Bein in Bewegung zu setzen, sondern um wahrzunehmen, daβ die Bewegung des Beines ausgeführt wird.

Er bestaat geen verschil tussen sensitieve en motorische zenuwen: ze zijn allebei sensitief. De zgn. motorische zenuwen zijn er alleen maar om inwendig onze bewegingen te kunnen waarnemen, dat we sensitief zijn voor wat we zelf als mens doen. Precies zoals de mens met zijn sensitieve oogzenuw kennis neemt van de kleur, zo neemt hij kennis van zijn eigen beenbeweging door de ‘motorische’ zenuwen, die er niet zijn om het been te laten bewegen, maar om waar te nemen dat de beweging van het been uitgevoerd wordt.
GA 192/172

En in GA 293 op blz. 41:
‘Met waarnemen en willen is het niet zo dat er iets van een sensitieve zenuw naar een motorische zenuw wordt omgeleid, maar er springt recht­streeks een stroom van de ene zenuw over op de andere en daardoor wordt in ons, in de hersenen en in het ruggenmerg, de zielenwereld aangeroerd.’

Dit is op zich ook alweer een raadselachtige opmerking. Het ‘overspringen van een stroom’ is echter iets dat tegenwoordig als realiteit onderkend wordt.

In GA 201 benadert Steiner dit zo:

Sehen sie, wenn heute der materialistisch gesinnte Physiologie von dem Willen spricht, der sich zB in einer menschlichen Gliedbewegung offenbart, so denkt er, da wird irgendein telegraphisch Zeichen vom Zentralorgan, vom Gehirn abgeschickt, geht durch den sogenannten motorischen Nerv und bewegt dann, sagen wir das rechte Bein. ( ) Das ist eine unrichtige Hypothese.Wenn das rechte Bein gehoben wird durch den Willen, so geschieht von der Ich-Wesenheit des Menschen, von der wirklichen Ich-Wesenheit ein unmittelbarer Einfluβ auf das Bein und das Bein wird unmittelbar durch die Ich-Wesenheit gehoben. Nur verläuft das alles so, wie die Tätigkeit des Schlafens. Das Bewuβtsein weiβ nichts davon. Daβ hier Nerven eingeschaltet sind, die dann zum Zentralorgan gehen, das unterrichtet uns bloβ davon, daβ wir ein Bein haben, das unterrichtet uns nur fortwährend von der Anwesenheit dieses Beines. Dieser Nerv hat als solcher nichts zu tun mit der Wirkung des Ich auf das Bein. Es ist eine unmittelbare Korrespondenz zwischen dem Bein und dem Willen, der beim Menschen verknüpt ist mit der Ich-Wesenheit, beim Tiere verknüpft ist mit dem astralischen Leib.

Kijk, wanneer tegenwoordig de materialistisch gezinde fysiologie over de wil spreekt, die bijv. tot uiting komt in een menselijke ledematenbeweging, dan denkt hij dat er een of ander telegrafisch sein van het centrale orgaan, vanuit de hersenen gestuurd wordt, dat door de zgn. motorische zenwu gaat en dat dat het, laten we zeggen, rechterbeen beweegt. ( ) Dat is een verkeerd uitgangspunt. Wanneer het rechterbeen opgetild wordt door de wil, dan gaat er van het Ik van de mens, van zijn daadwerkelijke Ik-wezen, een directe invloed uit naar het been en het been wordt direct door het Ik opgetild. Alleen verloopt dit allemaal net zoals het in de slaap gaat. Het bewustzijn weet er niets van. Dat hier zenuwen ingeschakeld zijn die dan naar het centrale orgaan gaan, leert ons alleen dat we een been hebben, dat zegt ons alleen maar voortdurend dat dit been er is. Deze zenuw als zodanig heeft niets te maken met de invloed van Ik op het been. Tussen het been en de wil bestaat een direct contact, dat verbonden is met het Ik; bij het dier met het astraallijf.
GA 201/134
Niet vertaald

In GA 205:
Erstens lernt man aufgeben das Vorurteil, als ob unser See­lisches nur beigeordnet wäre dem Nerven-Sinnesapparat. Nur die Vor­stellungswelt ist dem Nerven-Sinnesapparat beigeordnet, die Gefühls­welt schon nicht mehr. Die Gefühlswelt ist direkt dem rhythmischen Organismus beigeordnet, und die Willenswelt ist dem Stoffwechsel-­Gliedmaßenorganismus beigeordnet. Wenn ich etwas will, so muß in meinem Stoffwechsel-Gliedmaßenorganismus etwas vor sich gehen. Das Nervensystem ist nur dazu da, daß man Vorstellungen haben kann von dem, was im Willen eigentlich geschieht. Es gibt keine Willens-nerven, ich habe das oftmals ausgesprochen; die Einteilung der Nerven in sensitive und in Willensnerven ist ein Unsinn. Die Nerven sind einer­lei Art, und die sogenannten Willensnerven sind zu nichts anderem da, als die Vorgänge des Willens innerlich wahrzunehmen; sie sind auch sensitive Nerven.

Allereerst laat je het vooroordeel achter je [wanneer je dit geesteswetenschappelijk bekijkt] dat ons zielenleven slechts gekoppeld zou kunnen worden aan het zenuw-zintuigapparaat. Alleen de wereld van de voorstellingen is aan het zenuw-zintuigapparaat te koppelen; de gevoelswereld al niet meer. De gevoelswereld is direct verbonden met het ritmische organisme en de wil hoort bij het stofwisselings-ledematenstelsel. Wanneer ik iets wil, moet er in mijn stofwisselings-ledematenstelsel iets gebeuren. Het zenuwsysteem is er alleen maar om voorstellingen te kunnen hebben van hetgeen er in de wil in feite gebeurt. Wilszenuwen bestaan niet, ik heb dat al vaak gezegd; de indeling in motorische en sensitieve zenuwen is onzin. De zenuwen zijn hetzelfde en de zgn. wilszenuwen zijn er voor niets anders dan de processen van de wil inwendig waar te nemen; het zijn ook sensitieve zenuwen.
GA 205/100
Niet vertaald

Ook in verschillende pedagogische voordrachten behandelt Steiner de zenuwen vanuit deze optiek.

GA 301

blz. 30

Das Nervenleben hat nicht die Beziehung zum Wol­len, die man ihm gewöhnlich zuschreibt, sondern der Wille hat un­mittelbar eine Beziehung zum Stoffwechsel, und diese Beziehung zum Stoffwechsel nimmt der vorstellende Mensch erst wiederum wahr durch das Nervensystem. Das ist die wirkliche Beziehung. Das Nervensystem hat keine andere Aufgabe als vorzustellen. Ob vorgestellt wird irgend­ein äußerer Gegenstand, ob vorgestellt wird dasjenige, was durch den Willen im Zusammenhange mit dem Stoffwechsel geschieht, der Nerv hat immer die gleiche Aufgabe. Die heutige Wissenschaft unterscheidet sensitive Nerven, die da sein sollen, um von der Körperperipherie aus gewissermaßen die Eindrücke der Außenwelt zum Zentralorgan, wie man sagt, zu tragen; dann wiederum sollen motorische Nerven da sein, welche dasjenige, was vom Zentralsystem als Willensimpuls ausgehen

Het zenuwleven heeft niet die relatie tot het willen, die men er gewoonlijk aan toeschrijft, maar de wil heeft een onmiddellijke relatie tot de stofwisseling en deze relatie neemt de zich voorstellende mens pas weer waar door het zenuwsysteem. Dat is de werkelijke relatie. Het zenuwsysteem heeft geen andere opdracht dan het voorstellen. Of er nu een of ander voorwerp van buiten, of voorgesteld wordt wat via de wil samenhangt met de stofwisseling, de zenuw heeft steeds dezelfde opgave. De wetenschap van tegenwoordig onderscheidt sensitieve zenuwen die zouden bestaan om vanuit de lichaamsperiferie bepaalde indrukken uit de buitenwereld naar het centrale orgaan – zoals men zegt – te transporteren; en dan zouden er motorische zenuwen zijn, die dan wat vanuit het centrale zenuwstelsel als wilsimpuls uit moet gaan

blz. 31

soll, nach der Peripherie des Körpers zu tragen haben. Man hat, ich werde davon noch genauer reden, sehr geistreiche – geistreich sind sie ja, die Dinge -, sehr geistreiche Theorien ersonnen, um nachzuwei­sen, wie man durch Durchschneiden und so weiter von Nerven be­weisen könne, daß ein solcher Unterschied besteht zwischen sensitiven und motorischen Nerven. Aber in Wirklichkeit existiert er nicht. Und viel bedeutungsyoller als alle im Laufe der Zeit geistreich ersonnenen Theorien über den Unterschied von motorischen und sensitiven Nerven ist die andere Tatsache, daß man allerdings den sogenannten moto­rischen Nerv zerschneiden kann, sein Ende zusammenstückeln kann mit dem Ende eines ebenfalls durchschnittenen sensitiven Nervs, und daß dies dann wiederum einen Nerv von einer Nervenart gibt. Das ist viel mehr sprechend als alles übrige, was sonst ersonnen worden ist, daß ein Unterschied in der wirklichen Funktion zwischen motori­schen und sensitiven Nerven nicht gefunden werden kann. Er kann auch in anatomisch-physiologischer Beziehung nicht gefunden werden. Die sogenannten motorischen Nerven sind nicht dasjenige, was den Willensimpuls vom Zentralorgan zu der Peripherie des Menschen trägt, sondern diese motorischen Nerven sind in Wirklichkeit auch sensitive Nerven.

naar de periferie van het lichaam moeten brengen. Men heeft, ik zal daar nog preciezer over spreken, zeer geestrijke – geestrijk zijn ze, die dingen -, zeer geestrijke theorieën bedacht om na te gaan hoe je door het doorsnijden van zenuwen kan bewijzen, dat er tussen sensitieve en motorische zenuwen zo’n onderscheid bestaat. Maar in werkelijkheid bestaat dat niet. En veel belangrijker dan alle in de loop van de tijd geestrijk bedachte theorieën over het verschil in motorische en sensitieve zenuwen, is het andere feit dat je dus de zogenaamde motorische zenuw door kan snijden, het eind ervan aan het eind van een eveneens doorgesneden sensitieve zenuw kan koppelen en dat dit dan weer een zenuw van een van de soorten oplevert. Dat is veel sprekender dan al het andere, wat maar bedacht is, dat een onderscheid in de werkelijke functie tussen motorische en sensitieve zenuwen niet kan worden gevonden. Ook in anatomisch-fysiologisch verband kan dit niet worden gevonden. De zogenaamde motorische zenuwen zijn niet datgene wat de wilsimpuls van het centraalorgaan naar de periferie van de mens brengt, maar deze motorische zenuwen zijn in werkelijkheid ook sensitieve zenuwen.

Sie sind dazu da, sagen wir, wenn ich zum Beispiel einen Finger bewege, daß eine unmittelbare Beziehung zwischen dem Willensentschluß und dem Stoffwechsel des Fingers zustande kommt, daß der unmittelbare Einfluß, der vom Willen ausgeübt wird, den Stoffwechsel des Fingers ergreift. Diese Stoffwechseländerung, dieser Stoffwechselvorgang wird durch den sogenannten motorischen Nerv wahrgenommen. Und wenn ich den Stoffwechselvorgang nicht wahr-nehme, dann erfolgt auch kein Willensentschluß, weil der Mensch darauf angewiesen ist, dasjenige, was in ihm vorgeht, ebenso wahr­zunehmen, wenn er dadurch etwas wissen soll, sich beteiligen soll daran, wie irgend etwas in der äußeren Welt wahrzunehmen ist, wenn er daran beteiligt sein soll.
Es ist geradezu, ich möchte sagen, diese Unterscheidung von sen­sitiven Nerven und motorischen Nerven der bequemste Knecht des Materialismus, allerdings ein Knecht, der nur hat heraufziehen können in der materialistischen Wissenschaft dadurch, daß man einen billigen Vergleich gefunden hat in dieser neueren Zeit, nämlich den des Tele-graphen. Man telegraphiert von einer Station zur anderen hin, und dann telegraphiert man wiederum zurück. Nach diesem Bilde des Telegraphierens

Ze zijn er om, laten we zeggen, als ik bijv. een vinger beweeg, dat er een directe verbinding tussen het wilsbesluit en de stofwisseling van de vinger tot stand komt, dat de directe invloed die door de wil uitgevoerd wordt, in de stofwisseling van de vinger dringt. Deze stofwisselingsverandering, dit stofwisselingsproces wordt door de zogenaamde motorische zenuw waargenomen. En wanneer ik het stofwisselingsproces niet waarneem, dan volgt er geen wilsbesluit, omdat de mens erop aangewezen is wat er in hem gebeurt, net zo waar te nemen, als wanneer hij iets weten moet, er deel van uit moet maken, hoe iets in de buitenwereld waar te nemen is, wanneer hij daar deel van uit moet maken.
Met name – zou ik willen zeggen – is dit onderscheid van sensitieve en motorische zenuwen de hulpvaardigste knecht van het materialisme, zeker een knecht die in de materialistische wetenschap opgeklommen is door een goedkope vergelijking te vinden in deze moderne tijd, die van de telegraaf. Men telegrafeert van het ene station naar het andere en dan telegrafeert men weer terug. Met dit beeld van telegraferen

blz. 32

stellt man sich ungefähr heute die Vorgänge vor von der Peripherie nach dem Zentralorgan und wiederum zurück durch sensitive und motorische Nerven. Das ganze Bild ist natürlich nur möglich in einem Zeitalter, in dem eben gerade die Telegraphie eine solche Rolle zu spielen hat wie im 19. Jahrhundert. Wäre die Telegraphie nicht da, so hätte man ja auch dieses Bild nicht gefunden, und man wäre vielleicht zu einer naturgemäßeren Anschauung der entsprechenden Vorgänge gekommen.
Sehen Sie, es sieht aus, als wenn man, ich möchte sagen, aus einem gewissen Radikalismus heraus, aus Kritikasterei dasjenige in Grund und Boden treten wollte, mit dem sich so viele Menschen soviel ernst­liche Mühe gegeben haben. Aber glauben Sie nicht, daß das leicht ist. Glauben Sie nicht, daß einem das leicht wird. Ich habe mich als ganz junger Mann zu beschäftigen angefangen mit der Nervenlehre, und es war für mich etwas Erschütterndes, zu bemerken, wie gerade diese Nervenlehre der schlechte Knecht des Materialismus ist, weil dasjenige, was ein unmittelbarer seelischer Einfluß des Willens auf den Stoff­wechsel ist, dadurch vermaterialisiert wird, daß man sich vorstellt, der materielle Nervenstrang trage den Willensimpuls vom Zetitralorgan zu der Peripherie des Menschen, das heißt zum Muskel, zum Be­wegungsorgan. Man zeichnet so die materiellen Prozesse in den Or­ganismus hinein.

stelt men zich min of meer tegenwoordig het proces voor van de periferie naar het centraalorgaan en weer terug door de sensitieve en motorische zenuwen. Dit hele beeld is natuurlijk slechts mogelijk in een tijd waarin nu juist de telegrafie een grote rol moest spelen, zoals in de 19e eeuw. Wanneer de telegrafie er niet was geweest, dan zou men dit beeld ook niet hebben gevonden en was man wellicht op een meer natuurgetrouwe opvatting van de onderhavige procesen gekomen.*
Kijk, het lijkt erop dat men – zou ik zeggen – vanuit een zeker radicaliteit, vanuit criticasterij dat waarmee veel mensen ernstig bezig waren geweest, in de grond wilde boren. Maar geloof maar niet dat dit makkelijk is. Geloof maar niet dat dit iemand makkelijk afgaat. Ik ben als heel jong mens me al gaan bezighouden met de leer van de zenuwen en het was voor mij nogal schokkend te merken hoe met name deze leer de slechte bediende van het materialisme is, omdat hetgeen een directe gevoelsmatige invloed van de wil op de stofwisseling is, materialistisch gemaakt wordt door zich voor te stellen dat een stoffelijke zenuwbaan de wilsimpuls van het centraalorgaan naar de periferie van de mens transporteert, d.w.z. naar de spieren, naar het bewegingsorgaan. Op die manier stelt men zich de stoffelijke processen in het organisme voor.

In Wahrheit ist bei einem Willensakt zunächst durchaus ein un­mittelbarer Zusammenhang zwischen dem, was der seelische Willens­impuls ist, und irgendeinemProzeß desStoffwechsels.DerNerv ist eben nur dazu da, um die Wahrnehmung dieses Prozesses zu vermitteln. Ebenso ist der Nerv nur dazu da, um jene Wahrnehmung zu ver­mitteln, welche bestehen muß für den Menschen, wenn zwischen seinem Fühlen und irgendeinem solchen Vorgang, der sich ausdrückt in Zir­kulation, eine Beziehung entsteht. Das ist immer dann der Fall, wenn wir fühlen. Da liegt zunächst nicht zugrunde irgendein nervöser Pro­zeß, sondern es liegt zugrunde eine Modifikation unseres Zirkulations­wesens. Bei irgendeinem Gefühl liegt immer ein Vorgang im, jetzt nicht Stoffwechsel, sondern im rhythmischen Gange der Zirkulations­prozesse vor. Und das, was vorgeht, was im Blute, in der Lymph­bildung vorgeht, in dem Sauerstoffwechsel, was aber nicht ein wirk­licher Stoffwechsel ist – der Sauerstoffwechsel ist schon ein Stoffwechsel, insofern gehört er aber zu den Willensvermittlern -, aber insofern wir

In waarheid is er bij een wilsactivieit allereerst een directe samenhang tussen wat de wilsimpuls van de ziel is en een of ander stofwisselingsproces. De zenuw is er alleen maar voor om de waarneming van dit proces over te brengen. Net zo is de zenuw er om iedere waarneming over te brengen die er voor de mens moet zijn, wanneer er tussen zijn voelen en een dergelijk proces dat zich uitdrukt in de circulatie, een relatie ontstaat. Dat is steeds het geval wanneer we voelen. Daaraan ligt niet meteen een of ander zenuwproces ten grondslag, maar er aan ten grondslag ligt een modificatie van ons circulatiewezen. Bij een of ander gevoel is er altijd een proces in – nu niet de stofwisseling – maar in het ritmisch verloop van het circulatieproces. En wat er gebeurt, wat in het bloed, in de lymfevorming plaatsvindt, in de zuurstofuitwisseling, die geen echte stofwisseling is – zuurstofuitwisseling is wel stofwisseling, in zoverre die hoort bij het overbrengen van de wil -, maar in zover wij

blz. 33

es zu tun haben mit einem rhythmischen Prozesse der Atmung, gehört das zum Fühlen. Alles Fühlen ist direkt zugeordnet dem rhythmischen Prozesse. Und wiederum sind die Nerven nur dazu da, um dasjenige wahrzunehmen, was sich da unmittelbar abspielt zwischen dem see­lischen Fühlen und dem rhythmischen Prozesse im Organismus. Ner­ven sind also auch da wiederum nur Wahrnehmungsorgane. So daß wir, ich möchte sagen, in dieser geisteswissenschaftlichen Unter­suchung erst sehen, was es eigentlich bedeutet, wenn wir in Lehrbüchern der Physiologie oder auch der Psychologie immer wieder und wie­derum finden mußten: Ja, man muß aus der Theorie heraus hypothe­tisch annehmen, der Mensch habe sensitive und motorische Nerven; aber anatomisch unterscheiden sich die beiden höchstens ein wenig durch ihre Dicke, jedenfalls nicht durch irgend etwas anderes. Speku­lationen bei der Tabes und dergleichen, die man gemacht hat – auf die werde ich noch zurückkommen. Ich wollte heute nur eben andeuten zu­nächst, daß eine unbefangene Betrachtung des menschlichen Organis­mus diesen als einen dreigliedrigen uns zeigt: den Nerven-Sinnes-Or­ganismus, der zugeordnet ist dem vorstellenden Seelenleben, dann den Organismus, der in Rhythmen lebt, zugeordnet dem Gefühlsseelen­leben, den Organismus, der im Stoffwechsel lebt, im weitesten Sinne, zugeordnet unmittelbar dem Willensteil des Seelenlebens.

te maken hebben met een ritmisch proces van de adem, hoort die bij het voelen. Alle voelen hoort direct bij het ritmische proces. En ook hier zijn de zenuwen er alleen maar om waar te nemen wat zich daar direct afspeelt tussen het voelen van de ziel en het ritmische proces in het organisme. Zenuwen zijn ook daar weer slechts waarnemingsorganen. Zodat we, in dit geesteswetenschappelijk onderzoek pas zien, wat het uiteindelijk betekent, wanneer we in de studieboeken over fysiologie of ook over psychologie steeds opnieuw weer moeten aantreffen: Ja, men moet vanuit de theorie hypothetisch aannemen dat de mens sensitieve en motorische zenuwen heeft; echter, anatomisch verschillen die twee hoogstens wat de dikte betreft, in ieder geval niet door iets anders. Op speculaties die men gemaakt heeft bij de tabes e.d. kom ik nog terug. Ik wilde nu allereerst even aanduiden dat een onbevangen waarnemen van het menselijk organisme ons dit als drieledig verschijnt: het zenuw-zintuigorganisme, dat hoort bij de zich voorstellende ziel, dan het organisme dat in ritmen leeft, behorend tot het gevoelsleven van de ziel; het organisme dat in de stofwisseling leeft, in de ruimste zin van het woord, direct behorend bij het wilsdeel van het zielenleven.
GA 301/30-33
Vertaald op deze blog/30-33

GA 302A:

Sie wissen, die äußere Wissen­schaft unterscheidet heute am Menschen sogenannte Sinnesnerven, die von den Sinnen zum Gehirn beziehungsweise zu dem Zentralorgan ge­hen sollen und dort vermitteln sollen alles, was Wahrnehmen und Vor­stellen ist, und sie unterscheidet von diesen Sinnesnerven die sogenann­ten motorischen Nerven, die von dem Zentralorgan aus zu den Bewe­gungsorganen hingehen sollen und die Bewegungsorgane in Bewegung setzen sollen. Sie wissen, daß wir vom Gesichtspunkte der Initiations­wissenschaft aus diese Gliederung anfechten müssen. Es besteht absolut kein solcher Unterschied zwischen den sogenannten Sinnesnerven und den motorischen Nerven. Beide sind ein und desselben Wesens, und die motorischen Nerven dienen im wesentlichen zu nichts anderem als dazu, in dem Augenblick, wo wir uns bewegen sollen, das bewegende Organ und den Bewegungsvorgang selbst wahrzunehmen; sie haben nichts zu tun mit der Impulsierung des Willens als solchem.

Zoals u weet onderscheidt de uiterlijke wetenschap van tegenwoordig bij de mens zogenaamde sensibele zenuwen, die van de zintuigen naar de hersenen,       respectievelijk naar het centrale zenuwstelsel moeten gaan en alles wat bestaat uit waarnemen en voorstellen daarheen moeten overbrengen; die wetenschap onderscheidt van die sensibele zenuwen de zogenaamde motorische zenuwen,  die van het centrale zenuwstelsel naar de bewegingsorganen zouden lopen en de bewegingsorganen in beweging zouden moeten zetten. U weet dat we vanuit het gezichtspunt van de antroposofie deze onderverdeling moeten aanvechten. Zo’n verschil tussen de zogenaamde sensibele en de motorische zenuwen bestaat er absoluut niet. Beide zijn ze van één en hetzelfde wezen, en de motorische zenuwen dienen in wezen nergens anders toe  dan om op het ogenblik waarop we ons moeten bewegen, het bewegende orgaan en het bewegingsverloop zelf waar te nemen. Ze hebben niets te maken met de impulsering van de wil als zodanig.

Daher wer­den wir also sagen können: Wir haben Nerven, welche von unserer Peri­pherie mehr gegen das Zentrum hingehen, und dann haben wir Nerven, die vom Zentrum aus zu den Enden der Bewegungsorgane verlaufen. Aber das sind im Grunde genommen einheitliche Nervenstränge, und das Wesentliche ist nur, daß diese einheitlichen Nervenstränge unter­brochen sind, daß also gewissermaßen der innervierende seelische Strom, der zum Beispiel von einem Sinnesnerven nach dem Zentrum geht, im Zentrum unterbrochen wird und nun überspringen muß, wo­durch aber der innervierende Seelenstrom nichts anderes wird – wie etwa ein elektrischer Funke oder der elektrische Strom durch eine Um­schaltungsstelle überspringt, wo die Übertragung unterbrochen ist -, auf den sogenannten motorischen Nerv, der aber in jeder Beziehung dadurch zu nichts anderem wird, der vielmehr genau dasselbe ist wie dem Sinnesnerv. Er ist nur dazu veranlagt, den Bewegungsvorgang und das bewegende Organ selbst wahrzunehmen. Aber es gibt etwas, das uns besonders intim hineinschauen läßt in diesen ganzen organischen Vorgang, in dem ineinanderwirken die seelischen Strömungen und die leiblichen Vorgänge.

Daarom kunnen we dus zeggen: we hebben zenuwen die vanuit de periferie meer naar het centrum lopen, en voorts hebben we zenuwen die vanuit het centrum naar de uiteinden van de bewegingsorganen lopen. Maar dat zijn in feite dezelfde soort zenuwstrengen en het wezenlijke is alleen dat die zelfde zenuwstrengen onderbroken zijn, dat de innerverende psychische stroom, die bijvoorbeeld van een sensibe­le zenuw naar het centrum gaat, in het centrum onderbroken wordt en nu moet overspringen, waardoor echter de innerverende psychische stroom niet iets anders wordt – ongeveer zoals een elektrische vonk of een elektrische stroom overspringt door een transformatorhuis, waar de overdracht onderbroken is -, op de zogenaamde motorische zenuw, die echter in ieder opzicht daardoor niet tot iets anders wordt, die integendeel precies hetzelfde is als de sensibele zenuw. Alleen is die zogenaamde motorische zenuw zo aangelegd dat die het bewegingsverloop en het bewegende orgaan zelf kan waarnemen.
GA 302A/42-43
vertaald/44-45

GA 303:

blz. 206

Sehen Sie, heute hat sich ja alles, möchte ich sagen, was der Mensch über den Menschen denkt, nach dem Kopfe hin geschlagen, und ob­wohl uns der Kopf selber fortwährend in das Materielle hineindrängt, eigentlich uns jeden Tag totschlagen will, wendet sich alle Menschenbetrachtung heute im Grunde genommen dem Kopfe zu. Das ist das Ungesunde der heutigen Menschenbetrachtung. Sie geht eigentlich von der Wissenschaft aus, diese Menschenbetrachtung, denn man denkt sich: im Kopfe ist das Gehirn, alles wird vom Gehirn aus dirigiert. Nun weiß ich nicht, wie man es gemacht hätte, wenn man diese Theo­rie in einem Zeitalter ausgebildet hätte, wo es noch keine Telegraphen gegeben hat, wo man also nicht von Telegraphenleitungen die Analogie hat hernehmen können. Aber das braucht uns ja auch nicht weiter zu interessieren. Die Theorie von dem Nervensystem ist ja ausgebildet worden, nachdem man die Telegraphenleitungen als einen Anhalts­punkt hatte, um eine Analogie zu bilden. Und so hat man denn das Gehirn als eine Art Zentralstation, sagen wir, London. (Es wird ge­zeichnet.) Dann hat man, wenn das das Zentrum ist, dann hat man vielleicht da Oxford, da Dover. Und nun, indem man London als das Zentrum betrachtet, sagt man sich: es geht eine Leitung von Oxford nach London; da wird umgeschaltet, und das geht dann weiter nach Dover. Man kann sich das ja unter gewissen Fällen so vorstellen.
Nun, so stellt man sich das Gehirn vor. Der Nerv geht zu dem Sinnesorgan hin, die Sensation tritt auf, wird bis zum Gehirn geleitet;

blz. 233 vert.

Ziet u, tegenwoordig is immers alles, laat ik zeggen, wat de mens over de mens denkt, naar het hoofd gestegen, en hoewel het hoofd zelf ons voortdurend het materiële doet binnen­dringen, ons eigenlijk iedere dag wil ‘doodslaan’, wendt tegenwoordig eigenlijk iedere beschouwing van de mens zich tot het hoofd. Dat is het ongezonde in de huidige beschou­wing van de mens. Die gaat eigenlijk uit van de wetenschap, deze beschouwing van de mens, want men denkt: in het hoofd zitten de hersenen, alles wordt vanuit de hersenen gestuurd. Nu weet ik niet hoe men het gedaan zou hebben als men deze theorie in een tijdperk ontwikkeld zou hebben toen de tele­graaf nog niet bestond, waar men dus niet aan de telegraafleidingen de analogie had kunnen ontlenen.* Maar dat hoeft ons verder niet te interesseren. De theorie van het zenuwstelsel is immers ontwikkeld nadat men de telegraafleidingen als een aangrijpingspunt had om een analogie te vormen. En zo heeft men dan de hersenen als een soort centraal station, laten we zeggen, Londen [het wordt getekend; bordtekening 8, zie blz. 197]. Als dit het centrum is, dan heeft men misschien daar Oxford, daar Dover. En nu, omdat men Londen als het cen­trum beschouwt, zegt men: er loopt een leiding van Oxford naar Londen; daar wordt omgeschakeld en dat gaat dan ver­der naar Dover. Men kan zich dat immers in bepaalde geval­len zo voorstellen. Welnu, zo stelt men zich de hersenen voor. De zenuw loopt naar het zintuigorgaan, de sensatie treedt op, wordt naar de hersenen geleid;

blz. 207

da im Gehirn ist die Zentralstation, das menschliche London. Dann geht der motorische Nerv vom Gehirn zu den Bewegungsorganen hin und treibt in Gemäßheit der Gedanken, die da irgendwie dazwischen sitzen, das Wollen, die Bewegung hervor.
Man kann, wenn man eine solche Theorie ausgesonnen hat, sogar die Tatsachen so registrieren, daß sie diese Theorie zu bestätigen schei­nen. Sie können ja heute jedes Physiologiebuch in die Hand nehmen und Sie werden, wenn Sie nicht sehr vorurteilsvoll sind – denn die Dinge schauen alle sehr plausibel aus -, da einfach sehen, wie die Expe­rimente mit dem Nervenzerschneiden gemacht werden, wie die Kon­klusionen gezogen werden aus der Reaktion und so weiter, und alles stimmt wunderbar. Es stimmt nur nicht vor einer eindringlichen Men­schenerkenntnis. Da ist es schließlich nicht so.
Ich will ganz absehen davon, daß ja schließlich die sensitiven von den motorischen Nerven anatomisch fast gar nicht zu unterscheiden sind; die einen sind höchstens etwas dicker als die anderen; aber in bezug auf die Struktur ist wirklich ein wesentlicher Unterschied nicht vorhanden. 

daar in de hersenen bevindt zich het centrale station, het ‘menselijke Londen’. Dan loopt de motorische zenuw van de hersenen naar de bewegingsorganen en brengt in overeenstemming met de gedachten die er op een of andere manier tussen zitten, het willen, de beweging op gang. Men kan, als men zo’n theorie bedacht heeft, de feiten zo registreren dat het lijkt alsof ze deze theorie bevestigen. U kunt immers tegenwoordig ieder fysiologieboek ter hand nemen en u zult, als u niet met al te veel vooroordelen behept bent – want de dingen zien er allemaal heel plausibel uit, daar eenvoudig zien hoe de experimenten met het doorsnij­den van zenuwen uitgevoerd worden, hoe de conclusies uit de reacties getrokken worden enzovoort, en alles klopt prachtig. Alleen, voor een dieper menskundig inzicht is het niet waar. Daar klopt het uiteindelijk niet.
Ik wil er nu helemaal van afzien dat uiteindelijk anato­misch de sensorische zenuwen bijna niet te onderscheiden zijn van de motorische zenuwen. De ene zijn hoogstens iets dikker dan de andere; maar wat de structuur betreft: is er echt geen wezenlijk onderscheid aanwezig.

Was anthroposophische Forschung in dieser Beziehung lehrt – ich kann das nur andeuten, nur Ergebnisse mitteilen, ich müßte sonst anthroposophische Physiologie vortragen -, das ist dieses, daß die Nerven durchaus einheitliche Organe sind, daß es ein Unding ist, von zweierlei Nerven, von sensitiven und motorischen Nerven zu sprechen. Da im Seelischen das Willensmäßige und Empfindungsmäßige überall durchgebildet ist, stelle ich es jedem frei, motorisch oder sensitiv zu sagen, aber er muß einheitlich werten, denn sie sind absolut einheit­lich, es gibt keinen Unterschied. Der Unterschied liegt nämlich nur in der Richtung der Funktion. Wenn der sensitive Nerv nach dem Auge hingeht, so öffnet er sich den Eindrücken des Lichtes, und es wirkt wiederum dasjenige, was an der Peripherie des Menschen liegt, auf einen anderen Nerv, den die heutige Physiologie als einen motorischen Nerv anspricht. Wenn er nun vom Gehirn ausgeht nach dem übrigen Organismus, so ist dieser Nerv dazu da, daß er dasjenige wahrnimmt, was bei einer Bewegung vorgeht. Eine richtige Behandlung der Tabes gibt schon auch durchaus Bestätigung dieses Resultates.
Der Nerv also, der motorischer Nerv genannt ist, der ist dazu da,

blz. 234 vert.

Wat het antroposo­fisch onderzoek in dit verband leert – ik kan dat alleen aan­duiden, alleen resultaten meedelen, anders zou ik voordrach­ten over antroposofische fysiologie2 moeten houden —, is het volgende: de zenuwen zijn organen die absoluut één geheel vormen. Het is een onmogelijkheid om over twee verschil­lende soorten zenuwen, over sensorische en motorische zenu­wen te spreken. Omdat in het psychische het wilsmatige en gevoelsmatige overal goed ontwikkeld is, staat het wat mij betreft iedereen vrij motorisch of sensorisch te zeggen, maar hij moet ze uniform beoordelen, want ze zijn absoluut het­zelfde, er is geen verschil tussen. Het verschil zit hem eigenlijk alleen in de richting van de functie. De sensorische zenuw loopt naar het oog, zij opent zich voor de lichtindrukken, en datgene wat aan de periferie van de mens ligt werkt anderzijds op een andere zenuw, die de hedendaagse fysiologie een moto­rische zenuw noemt. Als die nu van de hersenen naar de rest van het organisme uitgaat, dan is deze zenuw daar aanwezig om waar te nemen wat er bij een beweging plaatsvindt. Een juiste behandeling van tabes dorsalis3 geeft eveneens een vol­ledige bevestiging van dit resultaat. De zenuw dus die motorische zenuw genoemd wordt, is er om

  1. voordrachten over antroposofische fysiologie: In 1911 hield Steiner de voordrachtenreeks Spirituele fysiologie, (Okkulte Physiologie) GA 128. Uitgeverij Pentagon, Amsterdam 2014.
  2. Tabes dorsalis: ook wel syfilitische myelopathie, een langzame degeneratie (specifiek demyelinatie) van de zenuwen voorna­melijk in de dorsale kolommen (posterior kolommen) van het ruggenmerg (het deel het dichtst bij de achterkant van het lichaam).

blz. 208

um die Bewegungsimpulse, das, was da während der Bewegung vor­geht, wahrzunehmen, nicht um der Bewegung den Impuls zu geben. Nerven sind überall die Vermittlungsorgane für die Wahrnehmungen, die sensitiven Nerven für die Wahrnehmungen nach außen, die so­genannten motorischen Nerven, die auch sensitive Nerven sind, für die Wahrnehmungen nach innen. Es gibt nur einen Nerv. Und nur eine materialistischewissenschaftsgesinnung hat dieseTelegraphengeschichte als Analogon erfunden.
Diese materialistische Wissenschaftsgesinnung glaubt nämlich, eben­so wie sie für die Sensation, für die Empfindung, für die Wahrneh­mung der Vermittelung der Nerven bedarf, bedürfe sie auch der Ver­mittelung des Nervs für die Willensimpulse. Das ist aber nicht der Fall. Der Willensimpuls geht von dem Geistig-Seelischen aus. Da beginnt er, und er wirkt im Leibe, unmittelbar, nicht auf dem Umweg des Nervs, unmittelbar auf das Gliedmaßen-Stoffwechselsystem. Und der Nerv, der in das Gliedmaßen-Stoffwechselsystem hineingeht, vermit­telt nur die Wahrnehmung desjenigen, was das Geistig-Seelische an dem ganzen Menschen in bezug auf sein Gliedmaßen-Stoffwechselsystem tut. Wir nehmen dasjenige wahr, was eine Folge ist seelisch-geistiger Willensprozesse in der Blutzirkulation, im übrigen Stoffwechsel und auch in der mechanischen Bewegung der Glieder; wir nehmen das wahr.

blz. 235 vert.

de bewegingsimpulsen, dus wat er tijdens de beweging gebeurt, waar te nemen, niet om de beweging de impuls te geven. Zenuwen zijn overal de bemiddelingsorganen voor de waarnemingen, de sensorische zenuwen voor de waarnemin­gen naar buiten, de zogenaamde motorische zenuwen, die ook sensorische zenuwen zijn, voor de waarnemingen naar binnen. Er bestaat slechts één soort zenuw. En alleen een materialistische wetenschappelijke gezindheid heeft dit tele- graafverhaal als analogie verzonnen.
Deze materialistische wetenschappelijke gezindheid ge­looft namelijk dat net zoals ze voor de gewaarwording, voor het gevoel, voor de waarneming de bemiddeling van de zenu­wen nodig heeft, zij ook voor de wilsimpulsen de bemidde­ling van de zenuw nodig heeft. Dat is echter niet het geval. De wilsimpuls gaat van het geestelijk-psychische uit. Daar begint hij en hij werkt in het lichaam, direct, niet via de omweg van de zenuw. En de zenuw die in het ledematen-stofwisselings- systeem binnenkomt, brengt alleen de waarneming tot stand van datgene wat het psychisch-geestelijke aan de hele mens doet met betrekking tot het ledematen-stofwisselingssysteem. We nemen datgene waar wat het gevolg is van psychisch-gees­telijke wilsprocessen in de bloedsomloop, in de overige stof­wisseling en in de mechanische beweging van de ledematen. We nemen dat waar.

Die sogenannten motorischen Nerven sind keine motorischen Nerven, die sind bloß dasjenige, was die Außerungen, den Impuls des Willens wahrnimmt. Ehe man diesen Zusammenhang nicht einsehen wird, eher wird man nicht zu einer durchsichtigen Menschenerkenntnis kommen. Wenn Sie aber diesen Zusammenhang voll einsehen, dann werden Sie es auch begreiflich finden, daß ich nun eben ein Paradoxon, eine Ket­zerei vor Sie hinstellen muß: denn dann wirkt das Geistig-Seelische ja eben auf den ganzen übrigen Menschen.
Beim Kinde also bis gegen das zwölfte Jahr hin äußern sich die Wir­kungen nach Maßgabe des eben Geschilderten in den Muskelkräften, die ein intimes Verhältnis zur Atmung und zum Zirkulationssystem haben. Beim Kinde vom zwölften Jahre an bis zur Geschlechtsreife nach denjenigen Kräften hin, die gegen das Skelett gehen. So daß wir also vor dem zwölften Jahre mehr dasjenige, was noch in unseren Mus­keln

De zogenaamde motorische zenuwen zijn geen motorische zenuwen. Die zijn slechts dat wat de uitingen, de impuls van de wil waarneemt. Zolang men deze samenhang niet duidelijk inziet kan men niet tot een transpa­rant menskundig inzicht komen. Maar als u deze samenhang duidelijk inziet, zult u het ook begrijpelijk vinden dat ik u nu een paradox, een ketterij moet voorschotelen: want dan werkt het geestelijk-psychische immers op de totale overige mens. Bij het kind uiten de werkingen volgens wat zojuist be­schreven is zich dus tegen het twaalfde levensjaar in de spier­krachten, die een intieme verhouding hebben tot de ademha­ling en de bloedsomloop. Bij het kind vanaf het twaalfde jaar tot aan de geslachtsrijpheid in die krachten die naar het skelet gaan. Zodat we dus voor het twaalfde jaar meer datgene wat nog in onze spieren

blz. 209

liegt, mit dem sogenannten motorischen Nerv wahrnehmen, nach dem zwölften Jahre nehmen wir mit diesem sogenannten motorischen Nerv mehr dasjenige wahr, was in unseren Muskeln und Knochen vor­geht. Nun, wenn Sie bedenken, daß in allem Denken etwas Willens-mäßiges liegt – es ist ja Wille, was da wirkt, wenn ich Vorstellungen synthetisch zusammenfasse oder analytisch trenne, es ist überall Wille darinnen-, so müssen Sie diesen Willen auch im Organismus aufsuchen. Und gerade dieser Wille in der seelischen Funktion des Denkens ist in dieser Art angeschlossen, wie ich es jetzt geschildert habe. Indem wir ins zwölfte Jahr eintreten, lernen wir ein solches Denken, das nach der Willensnatur seine Vorgänge in den Knochen, in der Skelettdynamik hat. Wir machen da den wichtigen Übergang vom weichen System des Menschen zum ganz harten System, das sich, ich möchte sagen, wie ein objektives Hebelsystem in die Welt hineinstellt.

blz. 236 vert.

ligt, met de zogenaamde motorische zenuwen waarnemen; na het twaalfde jaar nemen we met deze zogenaamde motorische zenuwen waar wat in onze spieren en botten gebeurt. Welnu, als u bedenkt dat in al het denken iets wilsmatigs aanwezig is – het is immers wil wat er werkt wanneer ik voor­stellingen synthetisch samenvat of analytisch scheidt, daarin is overal wil aanwezig -, dan moet u deze wil ook in het orga­nisme opzoeken. En juist deze wil in de psychische functie van het denken is toegevoegd op de wijze waarop ik dat nu beschreven heb. Als we aan het twaalfde levensjaar beginnen, leren we een dergelijk denken dat volgens de aard van de wil zijn activiteiten in de botten, in de dynamiek van het skelet heeft. We maken dan de belangrijke overgang van het weke systeem van de mens naar het zeer harde systeem, dat zich, laat ik zeggen, als een objectief hefboomsysteem in de wereld plaatst.
GA 303/206-209
Vertaald/233-236

In [2-7-1] komen de sensitieve en motorische zenuwen opnieuw ter sprake, nu i.v.m. de 3 plaatsen waar antipathie en sympathie elkaar fysiek ontmoeten: hier in het hoofd, met uiteenzettingen over de synaps(spleet) en of er daarvóór en erachter nu sensitieve, dan wel motorische zenuwen liggen.

*Toen ik zelf met dit onderwerp in aanraking kwam, was de telegraaf in zekere zin al ‘ouderwets’ en in de voorbeelden vervangen door de telefoon, de telefooncentrale. Na het populair worden van de computer is er veelvuldig sprake van ‘bedrading’, ‘harde schijf’ enz.

Stefan Leber heeft in zijn boek ‘Kommentar zu Steiners Allgemeine Menschenkunde’ ruim aandacht besteed aan dit onderwerp, waarbij hij ook andere bronnen dan Steiner betrekt.

Een vertaling daarvan zal volgen.

Van antroposofische zijde heeft Wolfgang Schad dit probleem belicht en in Nederland de arts Leen Mees  Hoe beweegt de mens zich; gezond denken over beweging

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] 
GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1644-1541

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-5-1)

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 39  vert. 38

BLOED – ZENUW

Steiner karakteriseert de mens vanuit vele gezichtspunten: je kan eigenlijk niet spreken van ‘het’ antroposofische mensbeeld, het gaat steeds om andere aspecten, ander invalshoeken.
In dit schema dat hij in de 2e voordracht geeft, zou je een drieledigheid kunnen zien,
een soort combinatie van ‘denken – voelen – willen’  met ‘geest – ziel – lichaam’:

Het kennen, het voorstellen, het denken t.o. het willen; de ziel als de polariteiten antipathie en sympathie; de lichamelijke component in zenuw en bloed.

Zenuw en bloed in deze samenhang gezien, is dan een bijna vanzelfsprekende tegenstelling, die we – zonder ze in dit geheel te zien – niet zo snel als tegengesteld zouden omschrijven.

Wat Steiner over zenuwen en bloed zegt, is niet alleen voor mij, moeilijk te begrijpen.
Dat we om te kunnen denken, begrippen te kunnen vormen, onze hersenen, dus zenuwen, nodig hebben, gaat nog wel.
Dat de zielenwereld van vóór de geboorte via antipathie, geheugen en begrip doorwerkt in het menselijk lichaam, is met behulp van de vorige artikelen ook nog wel in te leven, maar dat deze zielenwereld de zenuwen creëert is een mededeling die wij niet zo maar kunnen inzien.
Daarbij kan de inhoud van dit artikel bij helpen.

Dat geldt ook voor wat hij over het bloed zegt. Dit zou voortdurend ‘geest’ willen worden. Dat zou het pas echt worden, wanneer het vrij van ons lichaam zou komen. Dan zou het als ‘geest verdampen’.
In ons lichaam mag het ook niet verdampen en dat zou de reden zijn waarom het bloed – telkens op weg om geest te worden – in ons lichaam vernietigd wordt – afgebroken en weer gevormd.

Blut ist schon als Physisches etwas, was Sie überhaupt nicht seiner Totalität nach physisch untersuchen können, weil es, wenn Sie es sehen können, gar nicht mehr das Blut ist, das im Körper rinnt, was es war. Es kann gar nicht physisch geschaut werden, denn in dem Augenblick, wo es bloβgelegt wird, wenn es dahin kommt, daβ es untersucht werden kann durch irgendwelche der Röntgen-methode ähnliche Methoden, dann untersucht man gar nicht mehr das Blut, sondern etwas, was der äuβere Abglanz des Blutes auf dem physischen Felde ist. 

Lichamelijk bekeken is het bloed iets wat je in zijn totaliteit niet lichamelijk kan onderzoeken, omdat het, als je het zou kunnen zien, het bloed niet meer is, dat door het lichaam stroomt, zoals het was. Het kan lichamelijk helemaal niet waargenomen worden, want op het ogenblik dat het buiten het lichaam komt, het ogenblijk waarop het onderzocht kan worden door een of andere of daarop lijkende röntgenmethode, onderzoek je helemaal niet het bloed meer, maar iets wat de uiterlijke afspiegeling van het bloed op lichamelijk niveau is.
GA 107/103
Niet vertaald    

Dit ‘afbreken en weer vormen’ is wel iets wat bij het bloed hoort: ‘Per mm3 bevat het bloed van een gezonde man ca. 5.400.000 (5,4 miljoen) rode bloedcellen; gezonde vrouwen hebben er iets minder: circa 4.800.000. Iedere seconde worden er door het beenmerg tegelijkertijd 2,4 miljoen afgebroken en evenzovele nieuw aangemaakt.’ [bron]

Het ‘vergaan en weer opkomen’ is zeker ook verwant aan ‘fantasie’. Immers bij de laatste komen allerlei beelden op die ook weer verdwijnen, die weer worden afgewisseld door nieuwe. Zelden worden ze realiteit, dus ook het ‘kiemkarakter’ is wel mee te voelen. 

Mensen maken dagelijks ongeveer 700 nieuwe hersencellen aan in hun hippocampus. En iedere dag verdwijnen er ook ongeveer evenveel neuronen. De hippocampus is een hersendeel dat belangrijk is bij het verwerken van informatie en de opslag in het geheugen. Ongeveer een derde van de hippocampus doet aan die vernieuwing mee. Het betekent dat jaarlijks 1,75 procent van de zenuwcellen in dat gebied worden vervangen.’ [bron]

Hiermee vertoont het zenuwweefsel dat wel een vermogen heeft tot herstel bij beschadiging, maar in een veel geringere mate dan wat er in het bloed gebeurt, een grote tegenstelling.

Misschien mag je zeggen dat deze tegenstelling ook zichtbaar wordt in de vorm van de bloed- en zenuwsubstantie.

De bloedcellen zijn over het algemeen rond, tot rondachtig:

de hersencellen vertonen zich a.h.w. in de lengte:

Er zijn gevallen bekend waarin mensen die een deel van de hersenen missen, toch kunnen functioneren. [Zie A.Bos Mijn brein denkt niet, ik wel]
Met een gedeelte van je bloed leven, is niet mogelijk.

De warmte die zo nauw verbonden is met het bloed en de stofwisseling, met het leven dus, heeft veel minder verbinding met het hoofd. Een ‘verhitte kop’ verhindert meestal het redelijke denken. Een warmtestuwing in het hoofd kan funest aflopen.
Warmte en beweging horen niet zo bij het hoofd. Koelte en rust: dan kan het als orgaan voor waarnemen en denken functioneren. Wij zouden bijna niet tot denken kunnen komen, wanneer we voortdurend ons hoofd zouden moeten bewegen, zoals o.a. duiven doen. Je kan ‘te veel aan je hoofd hebben’.

Over deze polariteit van zenuwen en bloed heeft Steiner ook in ander verband gesproken.

Op blz. 39 zegt hij daarover:

Wir haben einen polarischen Prozeß in uns. Wir haben diejenigen Prozesse in uns, die längs des Blutes, der Blutbahnen laufen, die fortwährend die Tendenz haben, unser Dasein ins Geistige hinauszuleiten.
Von motorischen Nerven so zu reden, wie dies üblich geworden ist, ist ein Unsinn, weil die motorischen Nerven eigentlich die Blutbahnen wären. Im Gegensatz zum Blut sind alle Nerven so veranlagt, daß sie
fortwährend im Absterben, im Materiellwerden begriffen sind. Was längs der Nervenbahnen liegt, das ist eigentlich ausgeschiedene Materie; der Nerv ist eigentlich abgesonderte Materie. Das Blut will immer geistiger werden, der Nerv immer materieller; darin besteht der polarische Gegensatz

Er speelt zich een polair proces in ons af. We hebben processen in ons bloed die via het bloed, via de bloedbanen verlopen en die voortdurend de tendens hebben ons bestaan te vergeestelijken. ( )*. In tegenstelling tot het bloed hebben alle zenuwen de eigenschap dat ze zich voortdurend in een sterfteproces, in een materialisatieproces bevinden. Wat langs de zenuwbanen ligt, is eigenlijk afgescheiden materie; de zenuw is eigenlijk afgezonderde materie. Het bloed wil steeds geestelijker worden, de zenuw steeds materiëler; daaruit bestaat de polariteit.
GA 293/39
Vertaald/38

*Steiner zegt hier dat er geen ‘ motorische’ zenuwen bestaan. Daarover zal het in een ander artikel gaan (nog niet oproepbaar).

Voor de pedagogie, didactiek en methodiek heeft dit gevolgen.
Werk je bij de kinderen veel op het hoofd: opletten, stilzitten, in je opnemen, onthouden, dan werk je met de zenuwen (soms wellicht op de zenuwen!).
Je bevindt je aan de kant van het afsterven.
Werk je bij de kinderen met de ledematen: lopen, klappen, springen, schilderen, tekenen, euritmie, gymnastiek enz. dan werk je op de bloedskrachten.
Bleke wangen t.o. blozende.

Dat is voor in de klas hier nader uitgewerkt.

Een persoonlijke ervaring

Meer voorbeelden

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

 

.

1636-1533

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 192 – 3 voordrachten over volkspedagogie- inhoudsopgave

.

Enige maanden voor de opening van de eerste vrijeschool ter wereld, in Stuttgart, september 1919, hield Steiner verschillende voordrachten over pedagogie(k), vaak in samenhang met vrijheid van het geestesleven als een van de autonome gebieden van zijn sociale driegeledingsgedachte.

Onder de titel ‘Geesteswetenschappelijke beschouwingen over sociaal-pedagogische vraagstukken’ , GA 192 [1] zijn de 17 voordrachten gebundeld die hij van 21 april t/m 28 september hield in Stuttgart.

3 daarvan zijn bekend onder naam:

Drie voordrachten over volkspedagogie

de voordrachten 4, 5 en 6 van resp. 11, 18 mei en 1 juni.

Het gaat in deze drie voordrachten veel meer om de sociale omgeving waarin het gangbare onderwijs zich bevindt, dan om vrijeschoolpedagogie.
Door veel in te gaan op de omstandigheden van de tijd rond de 1e Wereldoorlog en daarvoor, is veel van de inhoud gedateerd, maar Steiner maakt steeds wel weer een opmerking die bv. als wegwijzer zou kunnen dienen en die zich daarmee onttrekt aan de actualiteit van die tijd en erboven uitgaat. 

Hier volgt een kleine inhoudsopgave van elk van de drie voordrachten. Bij de voordracht zelf wordt naar de bladzij verwezen waar deze kernwoorden op slaan. (nu nog niet klaar)

Inhoudsopgave: voordracht 4, 11 mei 1919

Beispiele für die Unzulänglichkeit der naturwissenschaftlichen Weltorientierung gegenüber den sozialen Problemen der Gegenwart.
Zu zwei Aufsätzen von Jakob von Uexküll und Friedrich Niebergall.
Mangelnde Denkaktivität und die Tendenz zur Rückkehr in die katholische Kirche.
Das Verderbliche des Zusammenstoßens von technischer Kultur und Privatkapitalismus.
Die Notwendigkeit einer Erneuerung der Volkspädagogik und der Volksschule
auf der Grundlage einer Erkenntnis der menschlichen Natur und ihrer Entwicklungsgesetze.
Die notwendige Umgestaltung der Lehramtsprüfungen.
Die Ausbildung des Denkens, des Gemüts- und Gedächtnislebens und des
Willens im zweiten Lebensjahrsiebt.
Die Einführung in das heutige Leben während des dritten Jahrsiebts.
Die Nutzlosigkeit des Studiums von Latein und Griechisch für unsere Zeit und die Unzulänglichkeit der Übersetzungen von griechischen Dramen durch Wilamowitz.
Gleiche Grundbildung für die Menschen aller Klassen.
Die Bedeutung der Ökonomie im Unterricht, dargestellt am Beispiel der Geometrie.

Voorbeelden van het tekort schieten van de natuurwetenschappelijke wereldoriëntatie m.b.t. de sociale problemen van de huidige tijd.
N.a.v. twee opstellen van Jakob von Uexküll en Friedrich Niebergall.
Tekort schietende denkactiviteit en de tendens terug te keren naar de katholieke kerk.
Het verderfelijke van het samengaan van technische cultuur en privaatkapitaal.
De noodzakelijkheid van vernieuwing van de volkspedagogie en het onderwijs op basis van de menselijke natuur en de ontwikkelingwetmatigheden daarvan.
De noodzakelijke veranderingen van de onderwijzers- en lerarenexamens
De ontwikkeling van denken, voelen en geheugen en van de wil in de tweede zevenjaarsfase.
Het bekend maken met het moderne leven in de derde zevenjaarsfase.
Het nutteloze van een studie Latijn of Grieks voor onze tijd en het tekort schieten van vertalingen van Griekse drama’s door Wilamowitz.
Dezelfde basisontwikkeling voor de mensen van alle klassen.
De betekenis van economisch lesgeven aan de hand van wiskunde.

Inhoudsopgave: voordracht 5, 18 mei 1919 

Die Zukunftsaufgabe der Lehrerausbildung: Gewinnung eines unmittelbaren
Zusammenhanges mit dem Leben.
Die Einführung der Experimentalpsychologie 
in die Schule als Symptom für die Lebensfremdheit unserer Zeit.
Die Notwendigkeit anthropologischer Menschenerkenntnis zur Überwindung
dreier Zwangsimpulse: maskierter Priesterzwang, politischer Zwang und
wirtschaftlicher Zwang.
Die Notwendigkeit für den Pädagogen, die großen 
Entwicklungslinien der Menschheitsgeschichte zu erkennen: zum Beispiel den
Übergang vom natürlichen Recht zum historischen Recht oder das Einmünden
des neueren Geisteslebens in ein Parasitentum.
Die Hilflosigkeit heutiger 
Politiker wie Helfferich, Kapp und Bethmann Hollweg gegenüber den Erfordernissen unserer Zeit.
Ein Ziel der Schule: Das Hinführen zum Lernenkönnen 
vom Leben.
Im Westen: Wirtschaftsstreben ohne Brüderlichkeit; im Osten:

Brüderlichkeit ohne Wirtschaftsleben; in Mitteleuropa die Möglichkeit zur
Zusammenfassung der beiden.
Das notwendige Herauskommen aus dem 
Kleinlichen des Fachspezialistentums.

De toekomstopgave van de lerarenopleiding: een directe verbinding met het leven zien te krijgen.
De invoering van de experimentenpsychologie in de school als symptoom voor de de vervreemding van het leven in onze tijd.
De noodzakelijkheid van antropologische menskunde om drie dwangimpulsen te overwinnen: gemaskeerde dwang priester te worden; politieke dwang, economische dwang.
De noodzaak voor de pedagoog de grote ontwikkelingsimpulsen in de mensheidsgeschiedenis te kennen, bijv. de overgang van het natuurrecht in het historische recht; of het uitmonden van het modernere geestesleven in parasitisme.
De hulpeloosheid van huidige politici zoals Helfferich, Kapp und Bethmann Hollweg wat de eisen van onze tijd betreft.
Een doel van de school: zo ver brengen dat van het leven geleerd kan worden.
In het Westen: economisch streven zonder broederlijkheid; in het Oosten broederlijkheid zonder economie; in Midden-Europa de mogelijkheid tot een samengaan van beide.
De noodzaak om weg te komen van het kleinschalige van vakspecialisatie

Inhoudsopgave: voordracht 6, 1 juni 1919

Die Lebensfremdheit heutiger Erziehungsmethoden.
Der Epochen-Unterricht und seine Bedeutung für die Ausbildung eines gesunden Denkens.
Notwendigkeit einer philosophischen Propadeutik in den höheren Schulen und
der Einführung in die Probleme von Ackerbau, Gewerbe und Handel.
Erziehung zu wirklichkeitsgemäßem Beurteilen der Weltlage.
Die notwendige Verbindung von Kunst und Leben, von Kunst und Erziehung. Die Tendenz des Ostens nach wirklichkeitsfremder Mystik, des Westens nach Überbordung des materiellen Lebens, und das Abwehren dieser Schädigungen durch die Dreigliederung des sozialen Organismus.
Die Unmöglichkeit, diese Dreigliederung in privaten Gruppen zu realisieren.

De vervreemding van het leven van huidige opvoedingsmethoden.
Het periode-onderwijs en de betekenis ervan voor de ontwikkeling van een gezond denken.
De noodzaak van een filosofische propedeuse in de universiteiten en de inleiding tot de problemen van akkerbouw, industrie en handel.
Opvoeding en het beoordelen van de toestand in de wereld door een in de realiteit wortelend denken.
De noodzakelijke verbinding tussen kunst en leven, tussen kunst en opvoeding.
De hang van het Oosten naar wereldvreemde mystiek, van het Westen naar een overwaardering van het materiële leven en het afhouden van deze schadelijke invloeden door de driegeleding van het sociale organisme.
De onmogelijkheid om deze driegeleding  groepen ‘onder ons’ te realiseren.

.

[1] GA 192 voordracht 456  (Duits)

Rudolf Steiner over pedagogie(k): alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1634-1531

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 192 – voordracht 6

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

Van 21 april t/m 28 september 1919 hield Rudolf Steiner in Stuttgart een aantal voordrachten die opgetekend zijn in GA 192 ‘Geesteswetenschappelijke behandeling van sociale en pedagogogische vraagstukken’ [1]

Op 11 en 18 mei en op 1 juni gaan de voordrachten over pedagogie: het zijn de zgn. ‘Drie voordrachten over volkspedagogie’.

De hele voordrachtenreeks gaat vooral over de idee van de sociale driegeleding.
Nu deze geen ingang vond in het cultuurleven van die tijd, was Steiners enige hoop dat er iets van gered zou kunnen worden door de oprichting van de vrijeschool. 
Na 100 jaar vrijeschool weten we dat ook dat niet gelukt is.

GA 192 voordracht 6, 1 juni 1919 [2]

Een aantal trefwoorden heb ik bijgevoegd

blz. 127 e.v.: De vervreemding van het leven van huidige opvoedingsmethoden.
blz. 128 e.v.: Het periode-onderwijs en de betekenis ervan voor de ontwikkeling van een gezond denken.
blz. 129 e.v.: onderwijsinspectie
blz. 133 e.v.: zeer nodig een algemene culturele ontwikkeling
blz. 136 e.v.: sociologie, een onzinnig vak
blz. 137 e.v.: De noodzaak van een filosofische propedeuse in de universiteiten en de inleiding tot de problemen van akkerbouw, industrie en handel. [dit ook voor de leeftijd v.a. 14/15 jr.]
blz. 137: kunstzinnig inrichten klassenlokaal
Opvoeding en het beoordelen van de toestand in de wereld door een in de realiteit wortelend denken.
blz. 138: De noodzakelijke verbinding tussen kunst en leven, tussen kunst en opvoeding.
blz. 140: de noodzaak van kunstzinnig onderwijs voor de wilsopvoeding
blz. 141: de noodzaak dat handwerk en intellectueel werk samengaan
blz. 142 e.v.:De hang van het Oosten naar wereldvreemde mystiek, van het Westen naar een overwaardering van het materiële leven en het afhouden van deze schadelijke invloeden door de driegeleding van het sociale organisme.
blz. 143 e.v.:De onmogelijkheid om deze driegeleding in groepen ‘onder ons’ te realiseren.
blz. 144: over de waarheid

blz. 127

Heute kommt außerordentlich viel darauf an, daß die tieferen Zu­sammenhänge innerhalb der Gesellschaftsordnung der Menschheit wirklich gesehen werden. Die Zeiten haben es mit sich gebracht, daß in vieler Beziehung die Menschen sich zufrieden gaben mit dem, was ich nennen möchte Oberflächenanschauung, Anschauungen, die an der Oberfläche des Daseins gewonnen worden sind und die dann dazu geführt haben, daß man das eine für richtig hält, oder besser gesagt, daß der eine etwas für richtig hält, der andere für falsch, daß aber dann mit diesen Ansichten von Richtig und Falsch nichts anzufangen ist. Es ist mit ihnen nichts anzufangen aus dem Grunde, weil man sich zwar Gedanken bilden kann, die an der Oberfläche liegen, doch kann niemals irgend etwas Vernünftiges geschehen, wenn man solche Ge­danken in die Wirklichkeit umsetzt. Die Wirklichkeit läßt sich Ober­flächenansichten nicht so leicht gefallen, wie die Dinge im menschlichen Kopfe. Da aber liegt ein Krebsschaden der heutigen Zeit. Und ein weiterer Krebsschaden ist der, daß die Menschen nicht wollen jene Selbstbesinnung aufbringen, die ihnen im rechten Moment sagen würde: Diese Dinge sind alle aus unserem persönlichsten Interesse heraus, die dürfen wir nicht etwa im sozialen Sinne auffrisieren; wir dürfen nicht sagen, wenn wir etwas in unserem persönlichen Interesse tun wollen, daß dies ein Zweig sei irgendeiner sozialen Wirksamkeit. In dieser Beziehung erlebt man ja so manches. Es hat sich mancherlei vergrößert heute von dem, was ja seit Jahren vorhanden ist: daß immer wiederum dasjenige, was hier von dieser Stelle aus gewollt wird, um­gesetzt wird in das persönliche Interesse einzelner Kreise, und dann gesagt wird, das sei irgendeine Konsequenz, eine Folge desjenigen, was von hier aus gewollt wird. Ich sage das aus dem Grunde, um auf­merksam zu machen, daß heute der gute Wille vorhanden sein müßte, in die Dinge tiefer hineinzuschauen, über Oberflächenanschauungen hinwegzukommen.
Nirgends mehr als auf pädagogischem Gebiete ist dieses Hinwegkommen

Het is van groot belang, dat tegenwoordig de diepere samenhang in het maatschappelijke gebeuren doorzien wordt. Het lag in vele opzichten in de aard van de tijd, dat de mensen zich tevredenstelden met een meer oppervlakkige kennis, die verworven werd door een uiterlijke beschouwing van de dingen, en dit was dan dikwijls een aanleiding voor de een om iets als juist te beschouwen, voor de ander als onjuist, maar wel zo, dat met beide meningen over juist en onjuist in de praktijk eigenlijk niets te beginnen was, omdat men zich voorstellingen vormde, die slechts aan de oppervlakte liggen, waarmee echter nooit iets rationeels kan gebeuren, wanneer men dergelijke gedachten wil verwezenlijken. De werkelijkheid verdraagt die oppervlakkige ideeën niet zo makkelijk als het abstracte, menselijke denken. En dit is voor onze tijd even schadelijk, als een woekergezwel in een levend organisme. En tevens is het iets schadelijks, dat de mensen niet die activiteit voor een diepere zelfbezinning willen ontplooien die hen op het juiste ogenblik zou kunnen doen zeggen: in deze dingen zijn we slechts persoonlijk geïnteresseerd, die mogen we dus niet tot iets, wat van sociaal belang schijnt, opblazen en we mogen niet zeggen als we iets, dat alleen het persoonlijk belang dient, willen doen, dat dit allemaal een tak van een of andere sociale werkzaamheid is. Wat dat betreft, maak je wat mee! Veel op dit gebied wat reeds jaren bestaat, vertoont zich tegenwoordig op grotere schaal: steeds wordt iets van wat we hier willen, veranderd in de persoonlijke belangstelling van bepaalde groepen en dan wordt er gezegd, dat dit de consequentie, het gevolg is, van wat we hier willen. Ik zeg dat hier om erop te wijzen, dat tegenwoordig de goede wil er moet zijn, om in de dingen intensiever, dieper door te dringen, om over een oppervlakkige beschouwing heen te komen. Nergens meer dan op pedagogisch gebied is dit overwinnen van oppervlakkigheid

blz. 128

über Oberflächenanschauungen notwendig, und nirgends mehr fehlt der gute Wille dazu, als gerade auf diesem pädagogischen Gebiet. Denn auf diesem pädagogischen Gebiet ist es notwendig, wenn wirklich sozial gedacht werden soll, ich möchte sagen, bis in die elementarsten Dinge hinein seine Aufmerksamkeit zu wenden. Das haben Sie vielleicht schon gesehen aus den beiden vorigen an Päd­agogisches anknüpfenden Vorträgen; das aber möchte ich insbesondere heute als etwas gewahrt wissen, das durch das ganze Anhören meines Vortrages durchgehen soll. Was wird heute schon von den untersten Schulstufen ab von Men­schen, von kleinen Kindern, erlebt. Wenn das kleine Kind in die Schule geführt wird, dann ist für dasjenige, was da geschieht, fast alles andere maßgebend, nur nicht die Bedürfnisse, die Impulse des sich ent­wickelnden Menschen. Und mit dem Aufrücken von Schulklasse zu Schulklasse wird das immer schlimmer und schlimmer. Bereits in einem Alter, das solche Dinge nicht im geringsten verträgt, tritt zum Beispiel folgendes ein: Der junge Mensch geht in die Schule zur ersten Schulstunde des Morgens. In dieser ersten Schulstunde ist vielleicht angesetzt aus den Bequemlichkeiten des Lehrerkollegiums heraus, sagen wir, Mathematik, Rechnen.

noodzakelijk . . . en nergens meer dan juist op dit gebied zien we een gebrek aan goede wil. En toch is het daar noodzakelijk, als men werkelijk sociaal wil denken, om, ik zou willen zeggen, tot in de kleinste, elementairste dingen dat in de gaten te hebben. Dit hebt u misschien al in de vorige voordrachten gezien. Vandaag in ’t bijzonder zie ik dat als iets, dat bij al onze verdere besprekingen in aanmerking genomen moet worden. Wat beleven de mensen, de kleine kinderen vandaag  vanaf de laagste schoolklassen? Als het kleine kind naar school gebracht wordt,  gaat men bij wat men doet van bijna alles uit wat belangrijk is, maar niet van de impulsen van de zich ontwikkelende mens zelf en wat deze nodig heeft. En met het doorlópen van de ene klas naar de andere wordt dit steeds erger. Al op een leeftijd, die dit onmogelijk verdraagt, gebeurt bijv. het volgende: De jonge mens is op school; het is het eerste uur in de morgen. Op dit eerste uur is misschien voor het gemak van de leerkrachten, laten we zeggen wiskunde, rekenen

Dann folgt vielleicht Latein, dann folgt vielleicht eine weitere Stunde religiösen Unterrichts. Und dann folgt vielleicht Musik oder Gesang, oder vielleicht nicht einmal das, sondern es folgt vielleicht Geographie darauf. Man kann das mensch­liche Gemüt von Grund auf nicht stärker ruinieren, als wenn man in dieser Weise bei dem jungen Menschen dafür sorgt, daß seine Kon­zentrationskraft auf das allergründlichste zerstört wird. Dasjenige, wo angefangen werden müßte, auf dem Gebiete des Unterrichts zu sozia­lisieren, das ist vor allen Dingen der Stundenplan, diese Mördergrube für alles dasjenige, was wahrhafte Pädagogik ist. Der Stundenplan, der dann seine Fortsetzung findet durch alle Schulstufen, das ist dasjenige, was heute zuallererst bekämpft werden muß.
Notwendig ist, daß gesorgt werde, wenn überhaupt an eine Ge­sundung unseres Unterrichtswesens gedacht wird, daß in der Zukunft der heranwachsende Mensch so lange bei einer Sache bleiben kann, als das konzentrierte Verweilen auf einer Sache durch die Entwickelungszustände

ingeroosterd, dan volgt Latijn, dan misschien een uur godsdienstonderwijs, dan muziek of zang, of misschien dat nog niet eens, maar bijv. aardrijkskunde. Je kan het gemoed van het kind niet grondiger ruïneren, dan wanneer je op zo’n manier ervoor zorgt het concentratievermogen van het kind totaal te verpesten. Waarmee we moeten beginnen om op onderwijsgebied te „socialiseren’, dat is in de eerste plaats de verdeling van de activiteiten, de lesrooster, die zo dodend kan zijn voor alle werkelijke pedagogie. De gebruikelijke manier van volgens een lesrooster te werken door alle schoolklassen heen, moet in de eerste plaats bestreden worden. Het is noodzakelijk, dat gezorgd wordt als we willen beginnen om ons onderwijs gezond te maken, dat in de toekomst de jeugd zolang bij een onderwerp kan blijven als het geconcentreerd zijn op dat onderwerp voor haar ontwikkeling wenselijk is.

blz. 129

des Menschen notwendig ist. So daß zum Beispiel, sagen wir, sorgfältig herausgefunden werden müßte: für ein bestimmtes Lebens­alter ist notwendig, dem heranwachsenden Menschen, sagen wir mathematische, physikalische Begriffe beizubringen. Dann müßte dazu nicht der schlechteste Weg gewählt werden, daß eine oder drei oder fünf wöchentliche Schulstunden dafür angesetzt werden, sondern es müßte dieses Sichaneignen eine Epoche werden beim heranwachsen­den Menschen, das heißt, er müßte immerzu, ohne durch anderes fort­während gestört zu werden, eine gewisse Zeit seines Lebens hindurch sich auf eines konzentrieren. Das heißt, man müßte aus wirklicher pädagogisch-psychologischer Anthropologie heraus zum Beispiel sich klar sein darüber, in welchem Lebensalter dem Menschen beizubringen ist irgend etwas Arithmetisches. In diesem Lebensalter müßte die Hauptsache auf Arithmetik gelegt werden; in diesem Lebensalter müßte der ganze Tag dazu verwendet werden, um auf Arithmetik die Hauptaufmerksamkeit zu lenken. Das meine ich natürlich nicht so, daß nun der junge Mensch von morgens bis abends nur Mathematik trei­ben müßte, aber ich meine es so, wie ich genötigt war, es einmal zu machen, als ich ein psychopathisches Kind von elf Jahren zu erziehen bekam.

Zodat we dus bijv. zorgvuldig moeten nagaan: voor een bepaalde leeftijd is het noodzakelijk de opgroeiende mens, laten we zeggen, begrippen uit de wiskunde of de natuurkunde bij te brengen. Dan moeten we daarbij niet de slechtste weg kiezen, en eenvoudig wekelijks een of drie of vijf uur daarvoor op de rooster plaatsen, maar het zich eigen maken van die begrippen moet een periode in het leven van de zich ontwikkelende mens innemen, d.w.z. hij moet, zonder voortdurend door iets anders gestoord te worden, een bepaalde tijd van zijn leven zich op een onderwerp concentreren. Dat betekent dat we vanuit een werkelijk pedagogisch—psychologische antropologie weten op welke leeftijd we met iets bijv. uit het rekenen kunnen beginnen, Op zo’n leeftijd moet dan hoofdzakelijk de aandacht gevestigd worden op rekenen; op deze leeftijd moet de hele dag benut worden om de grootste aandacht te schenken aan het rekenen. Natuurlijk is daarmee niet bedoeld, dat we de leerling nu maar bijv. van ’s morgens vroeg tot s’ avonds laat wiskunde laten studeren. Ik bedoel dit zo, toen ik zelf eens genoodzaakt was zo te handelen, toen ik een psycho-pathologisch kind van elf jaar moest opvoeden,

Da versuchte ich, auf ökonomische Weise vorzugehen: da reservierte ich mir von allen Persönlichkeiten, die für die Erziehung des Kindes verantwortlich waren, daß ich selber in der Zeit, wo ich die Seele besonders konzentrieren wollte auf eine bestimmte Sache, nun den ganzen Plan zu entwerfen hatte für das, was sonst mit dem Kinde getrieben wurde: also soundsoviel durfte Klavier gespielt, so­undsoviel durfte gesungen werden und so weiter. Es handelt sich nicht darum, nun etwa wiederum die Seele zu erfüllen mit irgend­einem Lehrstoff, sondern darum, die ganze Entwickelung so einzu­richten, daß die Seele von selbst sich in einer bestimmten Lebensepoche auf eines konzentrieren kann, und daß man, bevor man zu etwas anderem übergeht, es wirklich dahin bringt, daß ein gewisser Abschluß erreicht ist in einem einzelnen Zweige der Menschenbildung. Sagen wir also: Es ist nachzudenken darüber, wieviel man in einer bestimmten Lebensepoche von Arithmetik einem Menschen beizubringen hat, dann muß diese Lebensepoche damit abschließen,

probeerde ik op een economische manier te werk te gaan en ik trof de regeling met de andere personen, die voor de opvoeding van het kind mede verantwoordelijk waren, dat ikzelf in de tijd waarop ik de aandacht van het kind op iets bepaalds wilde concentreren ook het hele plan zou ontwerpen voor wat er nog meer met hem gedaan zou worden, dus zólang pianospelen, zólang zingen enz. Het gaat er nu niet om, de ziel te voeden met met wat voor leerstof dan ook, maar het hele verloop zo in te richten, dat de ziel uit zichzelf in een bepaalde leeftijdsfase zich op iets kan concentreren, en dat er iets afgerond wordt op een bepaald gebied van de menselijke ontwikkeling voordat men aan iets anders begint. Laten we dus zeggen: men moét erover nadenken, hoeveel rekenen men een kind, in een bepaalde periode van zijn leven moet aanleren; — dan moet deze periode daarmee eindigen,

blz. 130

daß das junge sich entwickelnde Kind das Gefühl haben kann: Jetzt habe ich in dieser Sache etwas erreicht. – Dann darf erst zu einem an­deren sogenannten Gegenstand übergegangen werden.
Sie sehen also: Dasjenige, was jetzt die Grundlage unseres Unter­richtens bis in die höchsten Hochschulstufen ausmacht, das trägt zu­gleich die aliergründlichsten Schäden unseres Unterrichtswesens an sich. Es kann kaum etwas Widersinnigeres geben, als wenn der Hoch-schüler zur Hochschule geht, so wie ich es zum Beispiel in meiner Zeit erfahren habe, und etwa hört:

Von 7-8 Uhr morgens praktische Philosophie, 
von 8-9 Uhr morgens Geschichtswissenschaft, 
von 9-10 Uhr morgens Literaturgeschichte, 
von 10-11 Uhr morgens Staatsrecht und so weiter.

dat het zich ontwikkelende kind het gevoel kan hebben: „nu heb ik in dit vak iets bereikt,” en dan pas mogen we ons weer met een ander vak bezighouden.
U ziet dus: wat vandaag praktisch voor ons onderwijs geldt, — tot op het hoogste niveau van het hogeschoolonderwijs, — dat heeft allemaal iets bijzonder schadelijks in zich. Er kan bijv. nauwelijks iets onzinnigers gedacht worden dan wanneer iemand naar de hogeschool gaat, en, zoals ik dit in mijn tijd meemaakte, ongeveer het volgende hoort:

van 7—8 uur ’s morgens praktische filosofie,
van 8—9 „ „ geschiedenis,
van 9-10 „ „ literatuurgeschiedenis,
van 10 -11 „ „ staatsrecht, enz.

Nun liegt alledem nicht die Absicht zugrunde, die aber zugrunde liegen müßte: keinen Kuddelmuddel anzurichten in dem sich ent­wickelnden Menschen, sondern es liegt lediglich die Absicht zu­grunde, allen Bequemlichkeiten der äußeren Schuleinrichtung zu dienen. Das ist ganz vorurteilslos anzuschauen.
Da liegt heute eine eminenteste Aufgabe vor. Das ist eine Aufgabe, von der man aber kaum glauben kann, daß in weitesten Kreisen nach den heutigen Denkgewohnheiten eine Neigung besteht, sich ernsthaft damit zu befassen. Das ist es auch, was man meint, wenn man immer wiederum sagt: Heute ist die Zeit nicht der kleinen, sondern der großen Abrechnungen. Die Leute glauben vielfach, es werde der Zeit der großen Abrechnungen gedient, wenn man große Worte spricht. Ihr wird aber nur gedient, wenn man sich mit innerem Mut heranmacht an große Wandlungen, und wenn man nicht den Mut verliert, entgegenzutreten allem, was sich solchen großen Wandlungen entgegenstellt. Ein anderes ist dasjenige, was heute für fast unerläßlich gehalten wird in den weitesten Kreisen, was insbesondere eine große Bedeutung für die unteren Schulstufen hat: das ist die sogenannte staatliche Schul­aufsicht. Es kann nichts Ruinöseres geben für eine wirklich sach­gemäße Entwickelung des Geisteslebens als eine solche amtliche oder

Nu heeft men bij dit alles niet de bedoeling om in de zich ontwikkelende mens een grote verwarring teweeg te brengen; men wil er enkel ’t gemak van een uiterlijke regeling van de lessen mee dienen. Daar moet je zonder vooroordelen naar kijken. We hebben in deze tijd een grootse taak te volbrengen. De taak, waarvan men echter nauwelijks kan geloven dat de neiging bestaat er zich serieus mee bezig te houden: gegeven de huidige denkgewoonten in brede maatschappijlijke kringen. Dit bedoelen we ook, wanneer we steeds weer zeggen: nu is het de tijd om niet in kleinigheden, maar in het groot met het verleden af te rekenen. De mensen geloven vaak, dat men dit het beste doet wanneer men grote woorden spreekt. Men dient de toekomst echter het beste, wanneer men met innerlijke moed zich werkelijk inzet voor grote veranderingen en niet de moed verliest om alles onder ogen te zien en te weerstaan wat zulke grote veranderingen in de weg staat. Iets anders is wat tegenwoordig vaak in brede kringen als beslist noodzakelijk wordt gezien— wat vooral voor het basisonderwijs van groot belang is, is de z.g. onderwijsinspectie. Er kan bijna niets desastreuzer zijn voor een echte adequate ontwikkeling van het geestesleven dan die ambtelijke of halfambtelijke onderwijsinspectie.

blz. 131

halbamtliche Schulaufsicht. Dasjenige, was Bedürfnis des Geistes­lebens im Schulwesen ist – und derjenige, der in die Dinge innerlich hineinschaut, der könnte das wissen -, was zu einer wirklich gedeih­lichen Fortentwickelung notwendig ist, das erfordert eine Rücksicht­nahme auf alle einzelnen Augenblicke, die sich ergeben aus dem leben­digen Unterricht selber. Das kann und darf niemals beurteilt werden durch irgendeine außenstehende Schulaufsicht. Einem Menschen, dem man einmal in der Selbstverwaltung des Geisteslebens durch alle die Vorsichten, die dazu notwendig sind, das Vertrauen geschenkt hat, daß er auf irgendeiner Stelle Menschen erzieht oder unterrichtet, dem darf, solange er auf seinem Posten steht, niemand in seine Methodik oder dergleichen hineinreden. Das ist etwas, was viele Leute heute noch nicht verstehen; aber mit diesem Nichtverstehen verstehen sie zugleich nicht eine der Grundbedingungen alles wirklich heranreifenden Geisteslebens. Sie sehen daraus, in welch radikaler Weise Hand angelegt werden muß an all dasjenige, was heute die Leute als etwas Selbstverständliches hinnehmen, ja, dessen Erstarkung sie sogar noch fordern.

Datgene, wat het geestesleven in de praktijk voor het opvoeden nodig heeft — wie het doorziet weet dit — wat voor een vruchtbare ontwikkeling noodzakelijk is, dat eist een vrij onder ogen zien van ieder ogenblik, van iedere bijzondere situatie, die uit een levend onderwijs geboren wordt. Dit kan en mag nooit beoordeeld worden door een inspectie, die uiteraard der zaak buiten dit alles staat. Met iemand, die men eenmaal vanuit een zichzelf organiserend geestesleven, met in achtneming van alle voorzichtigheid, die daarvoor noodzakelijk is, het vertrouwen heeft geschonken, ergens andere mensen op te voeden of te onderwijzen, — met zo iemand mag, zolang hij zijn beroep goed uitoefent, niemand zich met zijn methodiek of iets dergelijks bemoeien. Dat begrijpen veel mensen tegeuwoordlg niet, maar daarmee begrijpen ze tegelijk niet, wat een van de eerste voorwaarden is voor een werkelijk groeiend geestesleven. Daar zie je aan, op wat voor radicale manier alles moet veranderen wat men tegenwoordig iets vanzelfsprekends vindt, waarvan men zelfs eist, dat het nog beter wordt.

Denn es gibt doch kaum irgendein, sagen wir, auch nur soziales Programm, das aus Parteidenken hervorgeht und nicht irgend­welche Punkte über amtliche oder halbamtliche Schulaufsicht hat. Da­mit ist nicht irgend jemand ein Vorwurf gemacht, auch nicht einer Partei ein Vorwurf gemacht, sondern einfach hingewiesen auf das­jenige, was sich ergeben hat gerade aus dem verkehrten Geistesleben, das allmählich heraufgekommen ist. Man kann ja diese Verkehrtheiten des Geisteslebens besonders stu­dieren, wenn man an die hohen Schulstufen herangeht. Wie hat sich denn eigentlich unser Hochschulwesen entwickelt? Das konnte man sogar noch in der zweiten Hälfte des neunzehnten Jahrhunderts gut beobachten. Schließlich sind all diejenigen Menschen, die gerade inner­halb des deutschen Geisteslebens es irgendwie gebracht haben zu dem, was eine gewisse Weltbedeutung hat, noch herangewachsen, als das neuere System nicht zerstört hatte die Grundlage einer wirklich gei­stigen Entwickelung. Goethe hat schon genügend geschimpft über die Hindernisse, die ihm während seiner Schulausbildung gelegt worden sind. Man sollte sich erst einmal Rechenschaft darüber ablegen, wie

Want we vinden immers nauwelijks een of ander program, al was ’t alleen maar een programma door een of andere politieke partij opgesteld, dat niet een of ander punt over ambtelijk of halfambtelijk schooltoezicht bevat. Hiermee willen we niemand, ook geen partij, iets verwijten, maar er slechts op wijzen, wat uit de verschillende dingen die er mis zijn in ons geestesleven, langzaam maar zeker is voortgekomen. Je kan in ’t bijzonder deze misstanden van ons geestesleven bestuderen, wanneer je ons hogeschoolwezen beschouwt. Hoe heeft zich dit ontwikkeld? Je kon dat nog zelfs in de tweede helft van de 19e eeuw goed waarnemen. Tenslotte zijn al de mensen, die het in het Midden-Europese geestesleven tot iets hebben gebracht, wat een zekere betekenis voor de wereld heeft, opgegroeid in tijden, waarin het nieuwere systeem nog niet de bodem voor een werkelijk geestesleven onvruchtbaar heeft gemaakt. Goethe heeft zich echter al krachtig uitgelaten over de belemmeringen, die door het schoolwezen van zijn tijd op zijn weg kwamen. Je zou eens moeten nagaan, hoe anders

blz. 132

anders dasjenige, was in Goethes «Dichtung und Wahrheit» über Professor Ludwig und andere steht, sich ausnehmen würde, wenn Goethe hineingezwängt worden wäre mit achtzehn, neunzehn oder zwanzig Jahren in einen heutigen Hochschulzwang. Diese Dinge müssen heute durchaus angeschaut werden.
Was ist denn eigentlich ausgemerzt worden, nach und nach aus­gemerzt worden? Sehen Sie, als das Gymnasium, das heute ja ein Schreckgespenst ist gegenüber den Forderungen der Zeit, die einzige Vorbereitungsstätte für das höhere Bildungswesen war, als es noch den Typus des alten Klostergymnasiums hatte, das natürlich für seine Zeit gar nicht so schlecht war, da hatte es noch einen letzten Rest von dem, was man etwa so charakterisieren könnte: Der Mensch nimmt etwas in sich auf, was ihn auf den Standpunkt einer allgemeinen Welt­anschauung bringt. Es figurierte im Studienplan der Gymnasien die sogenannte philosophische Propädeutik. Sie wurde allerdings nur in den beiden letzten Jahrgängen gepflegt. Es wurde zumeist zwar das gemacht, daß, was in den zweiten Jahrgang gehörte, in den ersten ge­nommen wurde, und was in den ersten gehörte, in den zweiten ge­nommen wurde.

alles eruit gezien zou hebben wat Goethe in „Dichtung und Wahrheit” over professor Ludwig en anderen zegt, als Goethe op 18-, 19- of 20-jarige leeftijd de dwang van het tegenwoordige hogeschoolonderwijs had moeten ondergaan. Zulke dingen zou men eens onder ogen moeten zien. Wat heeft men dan eigenlijk langzamerhand in dit onderwijs laten verdwijnen. Toen het gymnasium, dat tegenwoordig iets onmogelijks is geworden ten opzichte van de eisen van de tijd, de enige voorbereidingsschool voor het universitair onderwijs was, toen het nog het typische vertoonde van het oude kloostergymnasium, dat voor zijn tijd helemaal niet zo slecht was, bezat het nog een laatste rest van wat men als volgt kan karakteriseren: de mens neemt daar iets in zich op, wat hem op het niveau van een algemene wereldbeschouwing brengt. In het studieplan van het gymnasium nu, is een filosofische voorbereiding opgenomen. In ieder geval in de laatste twee jaren. Het werd zo gedaan dat wat in het tweede jaar hoort, in het eerste opgenomen werd en wat in het eerste zat, kwam in het tweede.

Nun aber, es war wenigstens etwas da: es war ein stehengebliebener Rest von dem, wofür in den älteren Hochschulen gesorgt wurde, daß die ersten Jahre, die der Mensch an der Hoch­schule zubringt, jedem die Möglichkeit gaben, etwas von allgemeiner Weltanschauung in sich aufzunehmen, etwas von dem in sich auf­zunehmen, was ihm überhaupt erst die Berechtigung geben kann, sich in ein besonderes Berufsstudium hineinzubegeben. Denn niemand kann in Wirklichkeit in einem besonderen Berufs studium etwas taugen, der nicht durch einen propädeutischen, einen vorbereitenden Unter­richt die Möglichkeit gewonnen hat, über allgemein menschliche An­gelegenheiten sich ein verständig empfindendes Urteil zu bilden. Man hält es heute für überflüssig, dem Menschen in einer wahren Gestalt etwas logische, etwas psychologische Begriffe beizubringen. Niemand kann vorteilhaft überhaupt irgendeinen Zweig des höheren Geistes­lebens studieren, der nicht den Durchgang durch solche logischen und psychologischen Vorstellungen genommen hat, der sich nicht dadurch gewissermaßen erst die innere Berechtigung dazu erworben hat. 

Er was tenminste daarmee nog iets: een laatste rest van waarvoor in de vroegere universiteiten werd gezorgd en waardoor in de eerste jaren, die men aan de universiteit doorbracht, ieder de mogelijkheid kreeg om iets van algemene wereldbeschouwing in zich op te nemen, iets op te nemen van alles wat eigenlijk pas het recht en de mogelijkheid kan geven om zich met zijn bijzondere beroepsstudie bezig te houden. Want niemand kan daarvoor eigenlijk in werkelijkheid deugen, die niet door een dergelijk voorbereidend onderwijs zich de mogelijkheid heeft verworven, om over algemeen menselijke aangelegenheden te kunnen oordelen. Men houdt het tegenwoordig vaak voor iets overbodigs om de mens werkelijke logische of psychologische begrippen bij te brengen. Niemand kan echter met succes eigenlijk een of andere tak van het hogere geestesleven bestuderen, die niet die logische en psychologische gedachtegangen is nagegaan, die daardoor in zekere zin innerlijk niet gerechtvaardigd is zich met zijn studie bezig te houden.

blz. 133

All diese Dinge hat das neuere Kulturgeistesleben absolut ausgemerzt. Dieses will gar nicht mehr auf den Menschen überhaupt sehen; dieses neuere Kulturgeistesleben will aus dem Geistesleben ganz fremden Impulsen heraus dieses Geistesleben dressieren.Das hat aber dazu geführt, daß, was in unserem allgemeinen Geistesbetrieb drinnen steckt, eben gar nicht mehr irgendwie das Gepräge einer einheitlichen Kultur trägt. Es hat uns zersplittert, und es hat bis jetzt nicht bewältigen können, was wir bewältigen werden müssen. Wer Erfahrung hat in diesem Gebiet, der weiß, in wie unzähligen Lob-reden gepriesen worden ist das sogenannte Spezialistentum der neueren Zeit. Man hat betont, unser Kulturleben habe eine solche Ausbreitung erfahren, daß der Mensch fruchtbar nur einen einzelnen speziellen Zweig beherrschen kann. Man hat damit auf etwas hingewiesen, was von der einen Seite her, ich möchte sagen, selbstverständlich ist. Aber man hat sich aus innerer Bequemlichkeit zugleich dieser Selbstver­ständlichkeit mit wahrer Wollust hingegeben. Denn man braucht ja jetzt nichts anderes, als sich einzukapseln in irgendeine Spezialität, und gerade durch das Einkapseln in irgendeine Spezialität wurde man ein für die heutige Zeit besonders berechtigter Kulturmensch.

Al zulke dingen nu zijn in onze cultuur uit het geestesleven verdwenen. Dit geestesleven wil eigenlijk helemaal niet meer naar de mens als zodanig kijken; onze nieuwere cultuur wil uit impulsen, die het eigenlijke geestesleven vreemd zijn, dat geestesleven dresseren. Dat heeft er echter toe geleid dat alles wat ons algemene geestesleven inhoudt, helemaal niet meer de kwaliteit heeft van een gezamenlijke cultuur en het heeft tot nog toe niet voor elkaar gekregen wat wij hadden moeten bereiken.
Wie op dit gebied enige ervaring heeft, weet hoe vaak al het specialistendom van de nieuwere tijd is geprezen. Men heeft er de aandacht op gevestigd, dat ons cultuurleven zich zodanig heeft ontwikkeld, zo rijk en gedifferentieerd geworden is, dat de mens slechts met succes een deel van dit cultuurleven beheersen kan. Men laat met dit alles zien, wat vanuit een bepaalde optiek beschouwd vanzelfsprekend is. Met een zekere innerlijke gemakzucht heeft men zich echter verder rustig bij dit alles neergelegd. Want men behoeft immers nu niets anders te doen, dan op een of ander gebied specialist te zijn; en verder behoeft men zich niet met het geestesleven te bemoeien en op zo’n manier wordt men zelfs juist voor onze tijd een bijzonder waardevol cultuurmens.

Natürlich kann derjenige, dem die Kultur am Herzen liegt, nicht hoffen, und er kann es auch nicht wollen, daß das Spezialistentum sich umwandeln soll in einen allbeherrschenden Dilettantismus; aber was angestrebt werden muß, ist, daß die ganze Erziehung, das ganze Schulwesen für den Menschen so eingerichtet werde, daß er, ich möchte sagen, in einer unteren Schichte seines Bewußtseins immer die Möglichkeit hat, von seiner Spezialität aus verständnisvolle Fäden zu ziehen zur ge­samten Kultur. Das kann nicht anders geschehen, als wenn man jeder Hochschule einen Unterbau gibt von allgemeiner Menschenbildung. Diejenigen, die heute zu den Zöpfen gehören, die werden einwenden:Ja, was tun wir denn dann mit der Fachbildung? – Man sollte nur wirk­lich einmal prüfen, wie ökonomisch man dann, wenn die Spezialitäten beginnen, mit der Fachbildung vorgehen könnte, wenn man auf all­gemein gebildete Menschen wirken kann, auf Menschen wirken kann, die wirklich etwas Menschliches in sich haben. Heute sind wir ja nun durch unsere perversen Kulturverhäitnisse leider so weit, daß man in

Natuurlijk kan hij, die de cultuur ter harte gaat, niet hopen en ook niet willen dat het specialistendom overgaat in een dilettantisme, dat op alle gebieden „thuis” is; maar we moeten er wel naar streven, dat de gehele opvoeding, het gehele schoolwezen, zodanig wordt ingericht, dat het tot gevolg heeft, dat het voor de mens, — ik zou willen zeggen in een onderlaagje van zijn bewustzijn, toch steeds mogelijk is om, vanuit zijn specialisme, begripsvolle verbindingen te leggen met de volle cultuur. Dit kan niet anders gebeuren, dan wanneer men aan iedere universiteit de basis geeft van een algemeen menselijke vorming. Diegenen, die tegenwoordig de oude pruiken dragen, zullen de tegenwerping maken: „Ja, maar wat doen we dan met de vakopleiding.” Men zou echter werkelijk eens moeten onderzoeken, hoe men zo’n vakopleiding pas dan economisch kan inrichten, wanneer men met algemeen ontwikkelde mensen kan werken, wanneer men mensen kan opleiden, die werkelijk iets menselijks in zich hebben. Tegenwoordig zijn we door onze perverse cultuurverhoudingen helaas zover, dat men het op

blz. 134

seiner Spezialität der höchstentwickelte Mensch sein kann und blitz-dumm sein kann in bezug auf alle großen Menschheitsfragen, nichts verstehen kann von diesen. Wir haben heute einmal die sonderbare Erscheinung vor uns, daß derjenige, der nur eine Volksschule, oder vielleicht diese nicht einmal ordentlich durchgemacht hat, aber durch das Leben gezerrt worden ist, über allgemein menschliche Verhält­nisse Besseres zu sagen hat, als derjenige, der durch Hochschulbildung durchgegangen ist und ein exzellenter Mensch auf seinem Gebiet ge­worden ist. Gegen diese Erscheinung hat man heute zu kämpfen, wenn man überhaupt nur daran denkt, in die Tiefe hinein diejenigen Impulse zu senden, die allein zu einer Besserung führen können, die nicht bloß dahin führen, an der Oberfläche allein Maßnahmen zu treffen, wie es die Leute wollen; die nicht dahin gehen, wohin zu gehen die Wirklich­keit fordert, wenn tatsächlich etwas geschehen soll. Natürlich haben wir heute das Übel schon so weit getrieben, daß wir ja für den Unter-bau der Hochschule gar nicht mehr die geeigneten Persönlichkeiten haben, daß wir in der furchtbaren Lage sind, überhaupt keine Lehrer mehr zu haben für eine allgemeine Menschenbildung. Denn wir haben es ja dazu gebracht, daß gerade unsere Hochschulen verschlafen haben, ich möchte sagen, die alleräußersten Ranken der Kultur.

zijn speciaal gebied bijzonder ver kan hebben gebracht, op het gebied van grote mensheidsvragen echter grenzenloos stupide kan zijn. En we kunnen daarnaast tegenwoordig het vreemde verschijnsel waarnemen, dat degene, die een basisschool, of deze nog niet eens, doorlopen heeft, door het leven zelf echter ruw is aangepakt, over algemeen menselijke verhoudingen dikwijls meer reëels weet te zeggen, dan degene, die onze universiteit heeft doorlopen en op zijn gebied een geleerd man is geworden.
Tegen zulke dingen heeft men tegenwoordig te strijden, wanneer men er werkelijk aan wil denken, om in diepere gebieden van ons cultuurleven zodanige impulsen te wekken, die werkelijk tot verbetering kunnen leiden, en die er niet enkel toe leiden dat we alleen oppervlakkige maatregelen te treffen, zoals zij willen, die geen rekening willen houden met alles wat de werkelijkheid van ons vraagt, wil er inderdaad iets positiefs gebeuren. We zitten tegenwoordig natuurlijk al zo diep in het schip, dat we voor zo’n basis op de universiteit moeilijk meer de geschikte mensen vinden, zodat we in de verschrikkelijke toestand zitten, geen leraren meer te hebben voor zo’n algemeen menselijke opvoeding. Want zover is het gekomen dat juist onze universiteiten verslapen hebben, wat zich zelfs in het alleruiterlijkste in ons cultuurleven heeft voltrokken.

Man kann es erleben, daß an unseren Hochschulen irgendeine Wissenschaft in der Stunde, in der sie angesetzt ist, aus dem Kollegienheft von irgend­einem Professor vorgelesen wird, daß der Student sich die Sache an­hört, daß er sich dann irgendwelche Nachschriften kauft, um sich schriftlich für das Examen einzudressieren. Es ist das sogar ein ziem­lich gewöhnlicher Vorgang. Was heißt das aber in Wirklichkeit? Das heißt in Wirklichkeit: der junge Mann hat völlig versessen die Zeit, die er da zugehört hat; denn dasjenige, was wirklich geschehen ist, das ist ja nur das, daß er die Nachschriften sich eindressiert hat. Wenn er bloß das gemacht hätte, so hätte er wirklich alles das getan, was eine Wirklichkeit in der Sache ist. Das heißt: daß der Professor sich herauf-stellt aufs Podium, sein Kollegheft abliest, ist eine völlig unnötige Sache, ist absolut überflüssig.
Nun wird leicht gesagt werden können: Da haben wir also einen

Men kan meemaken, dat op onze universiteiten een of andere wetenschap op het daarvoor aangewezen uur uit het collegeschrift van een of andere professor wordt voorgelezen, terwijl de student daarnaar luistert, dat die dan op een of andere manier een dictaat van dit college koopt, om zodoende in staat te zijn zich voor het examen klaar te stomen. Zoiets is zelfs tamelijk gebruikelijk. Wat betekent dit werkelijk? Dat zo’n jong mens zijn tijd op het college totaal heeft verspild met luisteren, want wat er werkelijk is gebeurd, is alleen, dat hij de dictaten erin heeft gestampt. Als hij alleen dit laatste had gedaan, had hij inderdaad gedaan, wat bij dit hele gebeuren de werkelijkheid is. D.w.z. dat het een totaal onnodige zaak, absoluut overbodig is, dat de professor op het podium is gaan staan, zijn college heeft voorgelezen. Nu zal men makkelijk zeggen: „daar heb je

solchen Botokuden vor uns, der die Abschaffung der Kollegien ver­langt! Nein, das ist nicht der Fall. Ich verlange ganz gewiß nicht die Abschaffung der Kollegien, ich mache nur darauf aufmerksam, daß die Kollegien heute gelesen werden mit Nichtberücksichtigung der kulturgeschichtlichen Tatsache, daß einmal die Buchdruckerkunst er­funden worden ist, daß dasjenige, was man bloß vorliest, wirklich besser in den Hirnkasten hineindringt, wenn es in einem ordentlich geschriebenen Buch gelesen wird. Aber ich mache auch darauf auf­merksam, daß das beste, was man durch ein gut geschriebenes Buch bekommen kann, kaum ein Zehntel von dem sein kann, was wirklich aus der unmittelbaren Persönlichkeit des Unterrichtenden so hervor­geht, daß eine seelische Verbindung entsteht zwischen dem Unter­richtenden und demjenigen, der unterrichtet wird. Das kann aber nur in einem auf sich selbst gestellten, sich selbst verwaltenden Geistes­leben geschehen, wo die Individualität sich voll entfalten kann, wo nicht Traditionen, wie es bei den Universitäten oder anderen Hoch­schulen ist, jahrhundertelang herrschen, sondern wo der Einzelne die Möglichkeit hat, bis ins einzelnste hinein er selbst zu sein. Dann wird gerade von dem mündlichen Unterricht das ausgehen, wovon man sagen kann: 

waarachtig een dwaas, die afschaffing van de colleges verlangt”. Nee, dat is niet het geval. Ik wil zeer zeker niet de colleges afschaffen. Ik wijs er alleen maar op, dat tegenwoordig colleges worden voorgelezen, zonder rekening te houden met het feit, dat al lang de boekdrukkunst is uitgevonden en dat wat men alleen maar voorleest, werkelijk beter in de hersenen doordringt, wanneer men het eenvoudig in een behoorlijk geschreven boek kan lezen. Ik leg er echter tevens de nadruk op, dat het beste, wat men door een goed geschreven boek kan opnemen, nauwelijks het tiende deel van datgene kan zijn, wat onmiddellijk door de persoon van de leraar wordt gegeven, wanneer er een innerlijk verband is tussen hem en zijn toehoorders. Zoiets kan echter alleen maar in een zelfstandig zich organiserend geestesleven, waarin de individualiteit zich ten volle kan ontplooien, waar geen tradities overheersen, zoals door de eeuwen heen op de universiteiten of andere hogescholen, maar waar de individualiteit de mogelijkheid wordt geboden, om in de kleinste kleinigheden zichzelf te zijn. Dan echter zal juist van dit mondelinge onderwijs iets uitgaan, waarvan je kan zeggen:

Wir haben abgestoßen alles das, was auch durch die Buch­druckerkunst in die Menschheit kommen will, durch die Illustrations­kunst und so weiter. Aber wir haben gerade dadurch, daß wir das ab­gestoßen haben, die Möglichkeit bekommen, ganz neue Lehrfählg­keiten zu entwickeln, die heute noch in der Menschheit schlafen. Diese Dinge gehören auch, und sie gehören sogar in allererster Linie zu den sozialen Fragen der Gegenwart. Denn erst, wenn man Herz und Sinn haben wird für diese Dinge, wird man auch eindringen können in das­jenige, was sonst vonnöten ist heute. Sehen wir uns einmal an, was aus der verkehrten höheren Bildung für die allgemeine soziale Lage herauskommt. Ich habe gestern sogar im öffentlichen Vortrag darauf aufmerksam machen müssen, daß wir im Grunde genommen gar keine Spiegelung der wirklichen sozialen Zustände, weder in der Nationalökonomie des Bürgertums noch in der Nationalökonomie des Proletariertums haben, weil wir einfach nicht die Kraft hatten, zu einer wirklichen sozialen Wissenschaft zu

we hebben ons bevrijd van alles, wat ook door de boekdrukkunst in de mensheid wil komen, door de illustratiekunst enz. Maar juist omdat we ons daarvan bevrijd hebben, hebben wij echter de mogelijkheid gekregen om heel nieuwe vermogens om les te geven, te ontwikkelen, vermogens, die tegenwoordig nog in de mensheid sluimeren. Al deze dingen behoren ook, ze horen zelfs in eerste instantie tot de sociale vragen van onze tijd. Want pas als men hart en begrip voor deze dingen heeft, zal men ook kunnen doordringen tot alles, wat op andere gebieden nodig is.
Laten we eens een blik werpen op een en ander, wat ten gevolge van een verkeerde universitaire opleiding voor de algemene, sociale toestand ontstaat. Ik heb gisteren zelfs in een voordracht er opmerkzaam op moeten maken, dat we in de grond van de zaak eigenlijk helemaal niet in het tegenwoordige wetenschappelijke bewustzijn de werkelijke sociale toestanden gespiegeld vinden, noch in de staathuishoudkunde van de bourgeoisie, noch in die van het proletariaat, omdat wij eenvoudig niet de geestelijke capaciteit hadden, om tot een werkelijke sociale wetenschap te

blz. 136

kommen. Was ist unter dem Bürgertum statt der sozialen Wissenschaft entstanden? Etwas, auf das man sehr stolz ist, das man nicht müde wird, immer wieder und wieder zu preisen: das ist die moderne Sozio­logie. Nun, diese moderne Soziologie ist das unsinnigste Kultur­produkt, das überhaupt hat entstehen können. Denn diese Soziologie sündigt wider alle elementarsten Notwendigkeiten, die eine soziale Wissenschaft haben müßte. Diese Soziologie sucht ihre Größe darin, daß sie absieht von allem, was zum sozialen Wollen, zum sozialen Im­puls führen könnte, daß sie bloß historisch und statistisch verzeichnet die sogenannten soziologischen Tatsachen, damit sie den Beweis scheinbar liefert, daß der Mensch eine Art soziales Tier ist, daß der Mensch in der Gesellschaft drinnen lebt. Diesen Beweis, den hat sie, allerdings unbewußt, recht stark geliefert, diese Soziologie; sie hat ihn dadurch geliefert, daß sie nichts anderes zutage förderte, als die platte­sten soziologischen Urteile, das heißt diejenigen, welche allgemein, welche Gemeingut sind, Trivialitäten. Nirgends aber ist der Wille vor­handen, die Erkenntnisse der Gesellschaftsgesetze so zu finden, wie sie einlaufen müssen in das menschliche soziale Wollen. 

komen. Wat is onder de bourgeoisie in plaats van een sociale wetenschap ontstaan? Waarop men zeer trots is, zodat men er geen genoeg van krijgt het voortdurend te prijzen: dat is de moderne sociologie. Wel dit is het meest onzinnige cultuurproduct dat heeft kunnen ontstaan. Want deze sociologie zondigt tegen de meest elementaire eisen die aan een sociale wetenschap gesteld moesten worden. Deze sociologie zoekt haar grootheid, daarin dat ze ervan afziet om in alles door te dringen, wat mensen tot sociaal willen, tot sociale impulsen brengen kan. Ze zoekt groot te zijn, daarin dat ze enkel historische en statistische z.g. sociologische feiten registreert, opdat ze schijnbaar het bewijs levert, dat de mens een soort sociaal dier is, dat de mens in het maatschappelijk leven als zodanig geheel opgaat. Dat bewijs heeft ze zeer zeker onbewust zeer sterk geleverd, door niets anders te vragen dan de meest triviale sociologische oordelen, d.w.z. algemeenheden, wat gemeengoed is, trivialiteiten. Nergens echter bespeur je de wil, de wetten van de samenleving zo te leren kennen dat  ze uitmonden in de sociale wil van de mens.

Damit ist aber auf diesem Gebiet die Kraft des Geisteslebens überhaupt gelähmt. Wir haben in allen nicht proletarischen Schichten heute, das muß ruhig zugestanden werden, überhaupt kein soziales Wollen. Das soziale Wollen fehlt vollständig, weil gerade da, wo es hätte gepflegt werden sollen, im Hochschulunterricht, Soziologie an die Stelle von Sozial­wissenschaft getreten ist; ohnmächtige Soziologie an die Stelle von den Willen durchpulsender, den Menschen anregender Sozialwissen­schaft. Bis in die Tiefen des Kulturlebens hinein gehen diese Dinge. Da müssen sie aufgesucht werden, sonst kommt man ihnen überhaupt nie­mals bei. Man denke sich nur einmal, wie anders die Menschen im Leben drinnen stehen würden, wenn erfüllt würde, was in einer vorigen Betrachtung hier ausgesprochen worden ist. Statt daß die Men­schen den Blick abgewendet bekommen zu urältesten Kulturepochen, die unter ganz anderen Gesellschaftsverhältnissen ihre Struktur emp­fangen haben, müßte gerade in dem Lebensalter, wo die Empfindungs-seele fein vibrierend zum Dasein kommt, vom vierzehnten, fünfzehnten

Door dit alles is zodoende op dit gebied de reële kracht van het geestesleven lam geslagen. We hebben in alle niet proletarische lagen van de bevolking tegenwoordig helemaal geen sociaal willen: dit moet men gewoon toegeven. Sociaal willen ontbreekt daar volkomen, omdat juist op de plaatsen, waar dit willen zijn wetenschappelijke loutering en bewustwording moest vinden, n.l. op de universiteiten, sociologie de plaats van de sociale wetenschap inneemt; krachteloze sociologie i.p.v. een sociale wetenschap die de wil van de mens impulseert, die de mens stimuleert. Tot in de diepten van ons cultuurleven gaan deze dingen en daar moeten ze worden opgezocht, anders begrijpt men nooit hoe deze dingen in het sociale leven werken. Bedenk eens, hoe heel anders de mensen in het leven zouden staan, als werkelijkheid zou worden, wat bij andere uiteenzettingen hier werd uitgesproken. In plaats dat de mensen leren wegkijken van de oudste cultuurperioden die onder heel andere maatschappelijke verhoudingen hun structuur kregen, moet juist in de tijd waarin de gewaarwordingsziel op een fijnzinnige manier tot uitdrukking komt, vanaf het veertiende, vijftiende

blz. 137

Jahre aufwärts, der Mensch unmittelbar eingeführt werden in das aller-, allernächstliegende gegenwärtige Leben. Er müßte kennen­lernen, was auf dem Acker vor sich geht, er müßte kennenlernen, was im Gewerbe vor sich geht, er müßte die verschiedenen Handelsverbin­dungen kennenlernen. Das alles müßte der Mensch aufnehmen. Und man denke sich, wie er dann ganz anders ins Leben hinaustreten würde, wie er ein selbständiger Mensch wäre, und wie er nicht sich aufdrängen lassen würde dasjenige, was heute oftmals gerade als die höchste Er­rungenschaft der Kultur gepriesen wird, was aber nichts anderes ist als die wüsteste Dekadenzerscheinung. Nur auf dem Boden eines sich selbst verwaltenden Geisteslebens kann zum Beispiel auch wirkliche Kunst gedeihen. Und wirkliche Kunst ist Volkssache; wirkliche Kunst ist im eminentesten Sinne etwas Soziales. Derjenige, der den griechischen, den romanischen, den goti­schen Baustil studiert in dem Sinne, wie das heute oftmals geschieht, der weiß über das, was in Betracht kommt, im Grunde genommen noch recht wenig. Erst derjenige kennt, was im griechischen, im ro­manischen, im gotischen Baustil liegt, welcher weiß, wie die ganze soziale Struktur der Zeit, als diese Stile herrschten, in Formen, in Linienführung, in Abbildlichkeit innerhalb dieser Stile zu sehen war, wie die Kunst fortschwang in den menschlichen Seelen. 

levensjaar af, de mens zonder omwegen in aanraking moet komen met het actuele leven van tegenwoordig. Hij moet weten wat er in de landbouw gebeurt, wat in de handel, hij moet de verschillende handelsverbindingen leren kennen. Dat moet hij allemaal in zich opnemen. En bedenk dan hoe hij dan heel anders het leven in zou gaan, hoe zelfstandig hij dan als mens zou zijn en hoe hij zich niet zou laten opdringen wat tegenwoordig vaak als het hoogste resultaat van de cultuur geprezen wordt, wat in feite toch niets anders is dan de grofste verschijnselen van decadentie. Ook alleen maar op basis van een geestesleven dat zichzelf organiseert, kan bijv. de echte kunst gedijen. Werkelijke kunst is een zaak van het volk, is iets eminent sociaals. Wie de Griekse, de Romaanse, de Gotische bouwstijl bijv. op de manier bestudeert, die men tegenwoordig dikwijls gewend is, komt van wat daarin van betekenis is, eigenlijk maar zeer weinig te weten. Pas diegene weet echt iets van wat in de Griekse, Romaanse, Gotische bouwstijl leefde, die weet, hoe de hele sociale structuur van die tijd, toen deze bouwstijlen overheersten, in de vormen, in het bewegen van de lijnen, in de plasticiteit van deze bouwstijlen te zien was, die weet, hoe de kunst dan verder doorklonk in het menselijke zielenleven.

Was der Mensch im Alltag tat, bis in die Fingerbewegung hinein, war ein Fort-schwingen desjenigen, was er sah, wenn er diese Dinge betrachtete, die ihm die Möglichkeit boten, die wirklich reale Wesenheit, sagen wir, eines Baustiles in sich aufzunehmen. Man bedarf heute der Ein­setzung der Ehe zwischen Kunst und Leben, die aber nur auf dem Boden eines freien Geisteslebens gedeihen kann. Oh, welcher Jammer, meine lieben Freunde, daß unsere Kinder in Schulstuben geführt wer­den, die wahrhaftig barbarische Umgebungen für die jungen Gemüter sind! Man denke sich jede Schulstube – nicht in der dekorativen Weise künstlerisch ausgestaltet, wie man sich das heute oftmals denkt, aber man denke sie sich von einem Künstler so ausgestaltet, daß dieser Künstler die einzelnen Formen in Einklang gebracht hat mit dem, worauf das Auge fallen soll, während es das Einmaleins lernt.
Die Gedanken, die sozial wirken sollen, können nicht sozial wirken,

Al wat de mens in het dagelijks leven deed, tot in de beweging van zijn vingers was als een verder bewegen en leven van alles, wat hij zag, als hij naar deze dingen keek; deze gaven hem de mogelijkheid, het werkelijk sociaal reële, dat in deze kunstwerken leefde, in zich op te nemen. We hebben tegenwoordig zo’n  huwelijk tussen kunst en leven op onze manier weer nodig; dit kan echter enkel op de bodem van een vrij geestesleven gedijen. <1>Wat jammer beste vrienden, dat onze kinderen in schoollokalen worden gebracht, die werkelijk een barbaarse omgeving voor het jeugdige gemoedsleven zijn! Denk je eens in dat ieder
schoollokaal — niet op decoratieve manier versierd, zoals men zich dit tegenwoordig dikwijls voorstelt— maar door een kunstenaar zo gevormd, dat deze kunstenaar de verschillende daar aanwezige vormen in harmonie heeft gebracht met datgene waarop het oog moet rusten, terwijl het kind de tafels van vermenigvuldiging leert. De voorstellingen, die sociaal moeten werken, kunnen dat niet,

blz. 138

wenn nicht, während diese Gedanken sich formen, in einer Neben­strömung des geistigen Lebens in die Seele dasjenige einzieht, was aus einer wirklich lebensgemäßen Umgebung herkommt. Dazu aber be­darf es auch, sagen wir, für das Künstlertum eines ganz anderen Le­bensganges, als ihm heute gegönnt ist während des Heranwachsens. Es wird ja heute gerade derjenige, der den künstlerischen Trieb in sich fühlt, gar nicht die Möglichkeit haben, dem Leben nahezukommen. Fühlt er in sich, sagen wir, den Trieb, Maler zu werden, dann drängt ihn das Leben dazu, möglichst früh irgendwelche Schinken anzustrel­chen, denn er meint, es käme darauf an, irgend etwas zu schaffen, was innere Befriedigung gibt. Selbstverständlich kommt es darauf an; aber es handelt sich darum, ob zuerst der Impuls für diese innere Be­friedigung den Weg hinaus ins Leben gefunden hat, so daß man die größte innere Befriedigung dann empfindet, wenn man das Leben zu­erst frägt: was ist zu schaffen? und wenn man auch immer die Ver­pflichtung, die gewissenhafte Verpflichtung fühlt, daß man dem Leben nichts entnimmt, was man ihm nicht wieder zurückgibt. Dadurch daß heute, sagen wir, die Maler Landschaften liefern für diejenigen Leute, die doch nicht viel verstehen davon, dadurch wird nicht Kunst ge­fördert, sondern Kunst in den Abgrund hineingeworfen. 

als niet, terwijl deze gedachten zich vormen, als in een nevenstroom een geestesleven de zielen doortrekt, dat zijn omgeving een vorm heeft gegeven die in overeenstemming met het werkelijke leven is. Daarvoor is echter eveneens een heel andere levensgang voor de kunstenaar nodig, dan hem tegenwoordig is gegund. <1> Tegenwoordig wordt immers juist degene, die een kunstenaarsdrang in zich voelt, helemaal niet de mogelijkheid gegeven, het leven nader te leren kennen. Voelt de wordende kunstenaar de drang in zich om, laten we zeggen, schilder te worden, dan dwingt het leven hem, zo vroeg mogelijk iets te schilderen, wat bevalt, want men meent, dat het er vooral op aankomt, iets te scheppen, wat innerlijke bevrediging geeft. Natuurlijk komt het daarop aan; maar het gaat er vooral om, of de impulsen, die tot zo’n innerlijke bevrediging leiden, eerst de weg in en door het leven hebben gevonden, zodat men de grootste innerlijke bevrediging dan pas geniet, als men eerst het leven heeft gevraagd: „wat leeft er in de werkelijkheid, dat mij aanleiding tot scheppende arbeid geeft?” en dan de verplichting voelt, dat men aan het leven niets ontleent, wat men dit leven niet op zijn beurt teruggeeft. Omdat tegenwoordig de schilder, laten we zeggen, landschappen levert voor mensen, die daarvan toch niet veel begrijpen, wordt ware kunst niet gediend, daardoor wordt kunst enkel in de afgrond geworpen.

Wir haben so eine unnötige Luxuskunst neben einer barbarischen Gestaltung un­serer Lebensumgebung. Denken wir uns nur einmal, daß der Zustand eintritt, den herbeizuführen bestrebt ist mein Buch über die soziale Frage, wo aus dem einfachen Grunde, daß jedes Produktionsmittel nur so lange etwas kosten kann, bis es fertig ist, es nach Fertigstellung frei in den Gesellschaftsbau übergeht. Denken wir uns, wie da wegfallen würde jedes individuelle egoistische Interesse, wie ganz von selbst, instinktiv, intuitiv auf keimen würde in jedem, der schafft, die Ten­denz, für die ganze Menschheit zu schaffen, und wie er suchen würde diese Möglichkeit, für die ganze Menschheit zu schaffen, statt dessen, was heute bei vielen vorliegt, daß sie für die Kapitalisten schaffen, nach deren Unbedürfnissen. Das ist ja vor allen Dingen die Aufgabe:
so zu sozialisieren, daß unter der Sozialisierung nicht alles Geistesleben unter die Räder kommt.
In diesem Punkte haben ja unsere leitenden, führenden Kreise überhaupt

Zo’n onnodige kunst hebben we echter, die enkel de luxe dient en daarnaast zijn we in ons dagelijks leven door barbaarse vormen omgeven.
Denken we ons nu eens in, dat een toekomst gaat dagen, waarin gestreefd wordt om na het tot stand brengen van de productiemiddelen deze vrij beschikbaar kunnen komen voor het maatschappelijke leven om de eenvoudige reden, dat ieder productiemiddel slechts in de periode van zijn totstandkoming een waar kan zijn, iets kan „kosten.”. Ik heb dit alles in mijn boek „De Kernpunten van het Sociale Vraagstuk” [3] nader uiteengezet. Denken we ons in hoe dan geheel „van zelf” instinctief, intuïtief in iedere productieve individualiteit de drang zou ontstaan, om voor de samenleving te werken, in plaats van, zoals tegenwoordig, voor de „kapitalist” te scheppen, naar diens behoeften, die meest zeer triviaal genoemd kunnen worden. Dat is vooral nodig voor ons, om zo te socialiseren, dat ook het geestesleven gesocialiseerd wordt, en niet onder de voet gelopen wordt. Op dit punt hebben onze leidende kringen überhaupt

blz. 139

noch nicht einmal den allerersten Impuls, auf das Richtige zu sehen. Diese Kreise skandalisieren sich heute über Spartakisten, Bol­schewisten und so weiter. Ja, die Spartakisten, die Bolschewisten haben sich nicht selber gemacht. Wer hat sie gemacht? Unsere leiten­den, führenden Kreise! Denn die haben keinen Impuls in sich gefühlt, eine wirkliche Volkskultur zu begründen.Es gäbe keinen Bolschewis­mus und keinen Spartakismus, wenn die leitenden, führenden Kreise ihre Pflicht getan hätten. Abgesehen davon, daß auch Spartakismus und Bolschewismus nicht so sind, wie die Leute in den führenden Kreisen heute sie sich ausmalen, um Schauerstückchen vor die Welt hinzustellen und ihre Kanonen zu rechtfertigen. Das nur nebenbei.
Heute wäre insbesondere in den leitenden, führenden Kreisen not­wendig ein klares und ungefärbtes In-sich-Einkehren. 

nog niet eens de allereerste impuls het juiste te zien. Deze kringen vinden tegenwoordig de spartakisten, de bolsjewieken enz. schandalig. Maar die hebben zichzelf niet gemaakt. Wie dan wel? Onze leidinggevende kringen! Want die hebben in zichzelf geen impuls gevoeld tot het in het leven roepen van een werkelijke volkscultuur. Er zou geen bolsjewisme of spartakisme bestaan wanneer de leidinggevende kringen hun plicht gedaan zouden hebben. Afgezien daarvan dat het bolsjewisme en spartakisme niet zo zijn als de mensen in die leidende kringen ze tegenwoordig afschilderen om de wereld schrikbeelden te geven en hun kanonnen te rechtvaardigen. Maar dat terzijde.
Voor die leidende kringen is het nu heel nodig om bij zichzelf te rade te gaan, zuiver en niet gekleurd.

Dazu ist wenig, wenig Neigung vorhanden. Sehen Sie, das Zeug zu einer Besserung der Seele, das hat wahrhaftig die Menschheitsentwickelung noch nicht aus dieser Seele herausge­rissen, das wäre noch immer da; das wäre selbst, und sogar in beson­derem Maße, im deutschen Volke da. Aber dieses deutsche Volk, das hat seit langer, langer Zeit stets abgesehen davon, die Keimkräfte der eigenen Gedanken, der eigenen Empfindungen, der eigenen Impulse in sich zu entwickeln.
Und in die unterste Schulstufe sind die Impulse eingeimpft worden, die den so großartig angelegten deutschen Men­schen zu einer Obrigkeitsmaschine machen; zu einer Maschine, die blind der Obrigkeit folgt. Es ist ein Zusammenhang zwischen all dem, was heute so furchtbar uns vor Augen tritt, und dieser falschen Er­ziehung, dieser Erziehung, die den Menschen nicht frei und selbstän­dig macht, weil sie selbst nicht frei und selbständig ist.

Daar heeft men heel weinig zin in.
Ziet u, voor een verbetering van de ziel heeft de mensheidsontwikkeling echt nog niet de rommel uit deze ziel weggehaald, die zit er nog steeds; die zit zelfs en dat nog op een bijzondere manier in het Duitse volk. Maar dit Duitse volk heeft sinds heel lang afgezien de kiemkracht van de eigen gedachten, de eigen gevoelens, de eigen impulsen in zich te ontwikkelen.
En in de laagste schoolklassen zijn de impulsen ingepeperd die van de zo rijk begaafde Duitser een overheidsmachine maken; een machine die blind de overheid volgt. Er bestaat een samenhang tussen wat ons nu zo vreselijk duidelijk wordt en deze verkeerde opvoeding, een opvoeding die de mens niet vrij en zelfstandig maakt, omdat deze opvoeding zelf niet vrij en zelfstandig is.

Diese Erzie­hung, die sich um so wohler fühlt, je mehr sie in den Staat eingeschnürt sein kann, damit sie sich dann weiter wohl fühlen kann, wenn in un­zähligen Versammlungen der Beschluß gefaßt werden kann: Wir ste­hen voll Vertrauen zu der Regierung, die in Versailles jetzt das Nötige dazu beiträgt, uns den Kragen abzuschneiden. In unzähligen Versamm­lungen werden die Beschlüsse gefaßt: Wir stehen fest hinter dieser Re­gierung. Während in Wahrheit in dieser Regierung kaum ein Mensch sitzt, der hineingehört, während die ersten Anforderungen wären,

Deze opvoeding die zich des te beter voelt naar mate zij meer in de staat ingebed kan zijn, zodat ze zich dan verder ook goed kan voelen, wanneer er in talloze vergaderingen het besluit genomen kan worden: we hebben het volste vertrouwen in de regering die in Versailles nu het nodige bijdraagt om ons te benadelen. In talloze vergaderingen worden besluiten genomen: wij staan pal achter deze regering. Terwijl er in werkelijkheid in deze regering nauwelijks iemand aanwezig is die daar hoort, terwijl toch de eerste vereisten zijn,

blz. 140

offen und frei zu gestehen: Alles dasjenige, was da geschieht, ist nur die Fortsetzung jenes Unheils, das sich in deutschen Gauen vollzogen hat im Unglücksjahr 1914. In diese Dinge hinein ergießen sich die Fehler unseres Erziehungswesens. Und diese Fehler unseres Erzie­hungswesens, sie haben dem Menschen alle Möglichkeit benommen, Augenmaß zu haben für die Ereignisse des Lebens. Wie ich Ihnen heute geschildert habe, daß auf der einen Seite ver­nünftiges Schulwesen, das auf Konzentration sieht, nicht auf den ver­ruchten Stundenplan, hineinbringen würde in den Menschen selb­ständige Verstandeskraft und Vernünftigkeit, so würde wahres Durch­dringen unserer Gesellschaft schon von der Erziehung aus mit sozialer Kunst eine richtige Willenskultur zustande bringen. Denn niemand kann wollen, der nicht den Willen anerzogen hat durch echte künst­lerische Erziehung. Dieses Geheimnis vom Zusammenhang der Kunst mit dem Leben und namentlich mit dem Willenselement des Menschen, dieses zu erkennen, das ist eine der allerersten Anforderungen künfti­ger psychologischer Pädagogik, und alle zukünftige Pädagogik muß psychologisch sein.

open en vrij toe te geven: alles wat er gebeurt, is alleen maar de voortzetting van het onheil dat zich ook in het Duitse volk voltrokken heeft in het rampjaar 1914. En daarbij komen dan nog de fouten van ons opvoedingssyteem. En die hebben de mensen alle mogelijkheden ontnomen, adequaat onder ogen te zien wat er in het leven gebeurt.
<2>Zoals ik u heb laten zien dat enerzijds het zinvolle van het onderwijs om in de mens de kracht om zelfstandig en ook samenhangend te kunnen denken tot ontwikkeling te brengen, waarbij het om concentratie gaat, niet om dat vermaledijde urenrooster, zo zou een werkelijk doordríngen van onze maatschappij met sociale kunst, beginnend in de opvoeding, een juiste wilscultuur tot stand brengen. Want niemand kan zijn wil ontplooien wanneer zijn wil niet ontwikkeld is door een echte kunstzinnige opvoeding.<2>. Dit geheim van de samenhang van de kunst met het leven, vooral met het wilselement van de mens, dit te erkennen is een van de allereerste eisen aan een toekomstige psychologische pedagogiek en de totale pedagogiek van de toekomst moet psychologisch zijn. 

Die Erbauer dieser Psychologie werden sogar kaum, so wie die Dinge jetzt stehen, wo alle Psychologie den Leuten ausgetrieben ist, andere Menschen sein können als die Künstler, die noch ein wenig Psychologie in ihren Adern haben, während Psycho­logie sonst aus unserer Bildung verschwunden ist. In der wissenschaft­lichen Bildung ist auch nicht ein Atömchen davon mehr vorhanden. Eine solche Hineinstellung ins Leben, die wäre möglich, wenn wirk­lich einer für alle und alle für einen arbeiten würden, weil dann die Produktionskräfte so angewendet würden, daß die Zeit vorhanden wäre zu solcher Erziehung. Denn viel Humbug, der heute geredet wird, brauchte gar nicht geredet zu werden, wenn man ernst und offen reden wollte, wenn erfüllt würde, was dem Geistesleben auch nur nützen könnte, daß ineinander arbeitet Handarbeit und Geistesarbeit, was in der Zukunft doch angestrebt werden müßte. Dann würde auf der gan­zen Erde, wenn jeder – nun, der Jeder wird es nicht sein können, aber eine gewisse Annäherung an das Ideal kann stattfinden – seinen Teil Handarbeit verrichten würde, kein Mensch mehr als höchstens drei bis vier Stunden am Tage handzuarbeiten brauchen. Eine wenigstens­

De samenstellers van deze psychologie zullen nauwelijks, zoals het er nu uitziet, nu alle psychologie zowat verbannen is, andere mensen kunnen zijn dan de kunstenaars die nog een beetje psychologisch gevoel in hun aderen hebben, terwijl de psychologie uit ons vormingswezen is verdwenen. In de wetenschappelijke vorming is daar geen greintje meer van over. Zo in het leven staan zou mogelijk zijn wanneer daadwerkelijk die ene voor iedereen en iedereen voor die ene zou werken, omdat dan de productiekrachten zo gebruikt zouden worden dat er tijd zou zijn voor een dergelijke opvoeding. Want de vele onzin die er tegenwoordig uitgekraamd wordt, zou helemaal niet gezegd worden wanneer men ernstig en open zou willen spreken, wanneer in vervulling zou gaan wat ook het geestesleven ten goede zou komen, dat het handwerk en het intellectuele werk samengaan, waarnaar in de toekomst toch gestreefd moet worden. Dan zou over de hele wereld, wanneer iedereen – nu ja, het ideale iedereen zal niet gaan, maar een zekere benadering van het ideaal kan plaatsvinden – zijn deel handwerk zou verrichten, geen mens dat meer dan ten hoogste drie tot vier uur per dag zou hoeven te doen.

blz. 141

approxirnative Rechnung ergibt dieses. Was über drei bis vier Stunden hinaus handgearbeitet wird, das bewirken nicht die in der Mensch­heitsentwickelung liegenden Notwendigkeiten, das bewirken – das kann man ohne Emotion, ohne alle Aufregung heute sagen als voll­ständig objektive Tatsache -, das bewirken die unzählig unter uns wandelnden Faulenzer und Rentengenießer. Aber diesen Dingen muß eben ganz notwendig ehrlich und aufrichtig ins Auge geschaut wer­den. Denn die Korrektur dieser Verhältnisse hängt nicht allein davon ab, daß im kleinen da oder dort etwas geändert wird, sondern sie hängt davon ab, daß wir unsere Erziehung, unsere Volkspädagogik so ein­richten, daß die Menschen durch die Erziehung, durch das Schul­wesen, Augenmaß für das Leben bekommen. Heute liegt die Sache so, daß unser Erziehungswesen Menschenpflanzen an die Oberfläche treibt, die nicht das geringste Augenmaß haben für die Dinge, die um uns herum vorgehen. Daher sind alle die Nachrichten, die zum Beispiel von Versailles kommen, so unsinnig, weil niemand ein Urteil darüber hat, welches Gewicht das eine oder das andere hat, aus welchen Motiven heraus das eine oder andere Volk urteilt, was bei dem einen oder anderen Volk aus seiner menschlichen Wesensgrundlage eine Notwendigkeit ist.

Dat blijkt tenminste bij benadering uit een berekening. Wat er meer dan drie à vier uur aan handwerk verricht moet worden, komt niet door wat in de mensheidsontwikkeling noodzakelijk is, dat komt – dat kun je zonder emotie, zonder alle opwinding tegenwoordig zeggen als een volledig objectief feit –  door de luilakken die onder ons zijn. Maar deze dingen moeten toch nodig eerlijk en oprecht onder ogen worden gezien. Want het verbeteren van deze omstandigheden hangt er niet alleen van af of we onze opvoeding, onze volkspedagogie zo vormgeven dat de mens door zijn opvoeding, door de school, geleerd heeft op adequate manier in het leven te handelen.
Tegenwoordig zit het zo dat ons opvoedingswezen menselijke planten kweekt die niet de geringste opmerkingsgave hebben voor de dingen die om ons heen gebeuren. Daarom zijn alle berichten die bijv. uit Versailles komen, zo onzinnig, omdat niemand een oordeel heeft over met welk belang voor het een of het ander, met welke motieven het ene of het andere volk een oordeel velt, wat bij het ene of het andere volk vanuit zijn menselijke wezensgrond een noodzakelijkheid is.

Daher wird man auch nicht verstanden, wenn man über solche Dinge redet. Würde auch nur ein Fünkchen von dem Wesen des dreigliedrigen sozialen Organismus in das menschliche Verständnis einziehen können, so würde man sehen, wie dasjenige, was uns vom Westen droht, die Überflutung alles poli­tischen und Geisteslebens mit dem Wirtschaftsleben ist; wie dasjenige, was vom Osten zu uns dringt, auch aus Rußland heraus, der Aufschrei der Menschheit ist nach Herausrettung des Geisteslebens aus dem Wirtschaftsleben. Zwei Pole stehen sich entgegen, der Westen und der Osten, und wir in der Mitte haben die Aufgabe, auf den Westen hin­zusehen und seine Schäden nicht bei uns aufkommen zu lassen; auf den Osten hinzusehen und dasjenige aus uns selbst zu pflegen, was er uns sonst nicht nach Jahrhunderten, sondern nach Jahrzehnten auf­erlegen muß, weil der Menschheit das auferlegt werden muß, was sie sich nicht selber auferlegt. Wir haben die Aufgabe, hier in der Mitte Europas dasjenige zu pflegen, was nur aus den drei Gliedern des sozialen

Vandaar dat ze je ook niet begrijpen, wanneer je over deze dingen spreekt. Al zou ook maar een sprankje van wat sociale driegeleding is op menselijk begrip kunnen rekenen, dan zou men zien wat ons vanuit het Westen bedreigt, het overspoelen van het gehele politieke en geestelijke leven met het economische; en wat vanuit het Oosten tot ons komt, ook vanuit Rusland, een schreeuw van de mensheid naar de redding van het geestesleven uit het economische.
Twee polen staan tegenover elkaar, het Westen en het Oosten en wij in het midden, hebben de opdracht naar het Westen te kijken en het schadelijke bij ons geen kans te geven; naar het Oosten te kijken en bij onszelf te verzorgen wat het Oosten ons ook niet na eeuwen, maar na decennia moet opleggen, omdat de mensheid opgelegd moet krijgen, wat het zichzelf niet oplegt. Wij hebben de opdracht, hier in het midden van Europa te verzorgen, wat alleen maar uit de drie gebieden van het sociale

blz. 142

Organismus heraus gepflegt werden kann. Würde heute eine Über­macht der Kultur des Ostens entstehen, dann würde die Erde über­schwemmt werden mit nebuloser Mystik, die Erde würde über­schwemmt werden mit wirklichkeitsfremder Theosophie. Würde die Übermacht im Westen entstehen, dann würde die Erde überschwemmt werden, tyrannisiert werden durch das bloße materielle Leben. Diese Aufgabe hätten wir: zwei furchtbare Schädigungen der Menschheit abzuhalten durch eine vernünftige Dreigliederung des sozialen Orga­nismus, dadurch, daß wir das Wirtschaftsleben, das Geistesleben ver­selbständigen und dem Staate die Möglichkeit benehmen, diese Dinge so weit zu treiben, bis von Westen und Osten, über uns zusammen-brechend, unser Untergang kommt.
Ein objektiver Blick nach dem Westen hin ergibt das heute vor allen Dingen, wie sehr man aufmerksam sein müßte auf alles dasjenige, was ausgeht von den romanischen Völkern. 

organisme verzorgd kan worden. Wanneer er nu een overmacht aan Oosterse cultuur ontstaat, dan zou de wereld overspoeld worden met schimmige mystiek, de aarde zou overspoeld worden met een wezensvreemde theosofie. Zou die overmacht in het Westen ontstaan, dan zou de wereld overspoeld worden, getiranniseerd door alleen maar het materiële leven. Deze opdracht hebben wij: twee vreselijk schadelijke stromingen in de mensheid tegen te houden door een verstandige driegeleding van het sociale organisme, door het economische en geestesleven op zichzelf te stellen en de staat de mogelijkheid te ontnemen, deze dingen zo ver te laten komen dat vanuit het Westen en het Oosten over ons losbarstend, onze ondergang komt.
Een objectieve blik naar het Westen leert ons nu vooral hoe zeer je moet letten op alles wat er van de Romaanse volkeren uitgaat.

Denn nichts Gefährlicheres könnte für uns sein, als wenn wir uns Illusionen hingeben würden darüber, daß aus sehr tiefen, tiefen Grundlagen heraus vor allen Din­gen Frankreich an unserem Untergang arbeitet. Wenn wir Frankreich daran verhindern, dann kommen wir über dasjenige, was uns von eng­lischer Seite droht, leicht hinweg. Aber dazu gehört Unterscheidungs­vermögen, ein Augenmaß für die Dinge. Dazu ist vor allen Dingen notwendig die Einsicht, daß, vielleicht mit wenig Ausnahmen, alle diejenigen, die von Deutschland aus – ich weiß nicht, wie man sagen soll, damit man niemand kränkt – heute in Versailles über das Schick­sal Deutschlands verhandeln, nicht weiter als Instrumente verwendet werden für diese Verhandlungen. Das sind Dinge, die eben heute ge­sehen werden müßten ungeschminkt, die heute so gesehen werden müssen, meine lieben Freunde, daß man gar keine Konzessionen auch in seinem inneren Urteil macht. Sieht man das aber heute ein, dann mmmt man durch ein solches Sehen den ersten Impuls auf, den man insbesondere für Volkspädagogik braucht; man sieht, was die bis­herige Volkspädagogik an die Oberfläche getrieben hat an Menschen, die heute Menschenschicksal machen.
Es ist natürlich bequemer, die allertrivialsten Urteile an dasjenige anzugliedern, was hier eigentlich gemeint ist, als ausgehend von den

Want niets kan gevaarlijker voor ons zijn dan wanneer we er ons illusies over maken dat met name Frankrijk vanuit diepe, zeer diepe gronden aan onze ondergang werkt. Wanneer we Frankrijk dit beletten, dan ontsnappen we makkelijker aan wat ons van Engelse zijde bedreigt. Maar daar heb je onderscheidingsvermogen voor nodig, een vermogen om die dingen goed te zien. Daarvoor is vooral het inzicht noodzakelijk dat, misschien met een paar uitzonderingen, dat ieder die namens Duitsland – ik weet niet hoe ik dat moet zeggen, zonder te beledigen – nu in Versailles over het lot van Duitsland onderhandelt – niet meer dan als werktuig gebruikt wordt voor deze onderhandelingen.
Dat zijn de dingen die nu gezien moeten worden, zonder opsmuk, die nu, beste vrienden, zo gezien moeten worden dat men helemaal geen concessies doet, ook niet in zijn eigen diepe oordeel. Als men dat nu maar inziet, dan neemt men daardoor de eerste impuls op die men in het bijzonder nodig heeft voor de volkspedagogie; je ziet wat de volkspedagogie tot nog toe als gevolg heeft bij mensen die tegenwoordig het lot van de mensheid bepalen.
Het is natuurlijk makkelijker de meest triviale oordelen te verbinden aan wat hier eigenlijk wordt bedoeld, uitgaand van de 

blz. 143

Anregungen, die gegeben werden, auf die verschiedenen Menschen­felder zu sehen, damit auf diesen verschiedenen Menschenfeldern das Richtige getroffen werden kann. Als ich vor längerer Zeit in unserem Bau in Dornach gesprochen habe von der Dreigliederung des sozialen Organismus, da verging einige Zeit, und es tauchte nachher auf ein ganz sonderbarer Plan. Als ein groteskes Beispiel, wie die Menschen heute erzogen sind, darf ich vielleicht diesen Plan anführen. Da ist der Bau, an dem Bau beschäftigt einige Menschen, damit verbunden an­dere, die nichts zu tun haben, und die in der Umgebung leben. Über die Dreigliederung des sozialen Organismus wurde gesprochen. Nun entstand in einigen Köpfen, die heute, möchte ich sagen, selbstver­ständliche Idee, man müsse doch irgendwo anfangen. Und man wollte nun irgendwo zu sozialisieren anfangen, indem man in der wüstesten Weise sektiererisch ein kleines Gebiet ins Auge faßt und in diesem kleinen Gebiet die wüstesten Pflanzen der Selbstsucht aufsprießen läßt, und dann sagt, man hat doch irgendwo mit dem Sozialisieren an-gefangen. Also sollte zunächst das, was an Menschentum um den Bau herum gruppiert war, sozialisieren, den dreigliedrigen sozialen Orga­nismus in Szene setzen.

stimulans die gegeven wordt om op de verschillende menselijke terreinen te kijken, zodat daarop dan het juiste gedaan kan worden. Toen ik al een poos geleden in ons gebouw in Dornach over de driegeleding van het sociale organisme had gesproken, verstreek er een bepaalde tijd en toen dook er later een wonderlijk plan op. Als een grotesk voorbeeld van hoe de mens vandaag de dag opgevoed wordt, mag ik dit plan wellicht belichten. 
We hebben het gebouw*, bij het gebouw werkzaam een paar mensen, een paar andere eraan verbonden die niets hebben te doen en die in de omgeving wonen. Er werd over de driegeleding gesproken. Nu ontstond in een paar hoofden het in deze tijd vanzelfsprekende idee dat je toch ergens moet beginnen. En men wilde nu met socialiseren beginnen door op de meest vreselijke manier sektarisch een klein gebied te nemen om het meest vreselijke egoïsme te laten opbloeien om dan te zeggen dat men toch ergens met socialiseren begonnen is. Dus dan zou alles wat aan menselijkheid rondom ons gebouw allereerst moeten socialiseren door het drieledige sociale organisme in scène te zetten. 

Pläne wurden entworfen, wie die Dornacher den dreigliedrigen sozialen Organismus in Szene setzen. Man konnte nichts anderes tun, als den Leuten sagen: Was soll denn das eigentlich heißen? Nehmt einmal an, ihr macht Ernst mit der Sache: Dann käme als erstes die Selbständigkeit des Wirtschaftslebens. Ja, dann müßtet ihr euch natürlich vor allen Dingen Kühe anschaffen und melken und alles dasjenige tun, was scheinbar eine Wirtschaftsoase herbeiführen kann. Und dann könnten, weil mit dieser Wirtschaftsoase nach außen hin in Verbindung stehen müssen andere Menschen, die schönsten Parasiten der Wirtschaft werden, denn jede solche sektiererische Ab­schließung ist nichts anderes als ein Wirtschaftsparasitismus. Man kann in einem geschlossenen Wirtschaftsgebiet drinnen ja nur sozial egoisieren; wenn man etwas ausschließt, so lebt man auf Kosten an­derer. Es ist erst recht der wüsteste Kapitalismus. Und das Rechts-leben: nun, ich möchte sehen, falls ihr ein Gericht einsetzt, wenn einer etwas ausfrißt, und ihm das Urteil sprecht, ich wollte sehen, was dann der schweizerische Staat sagen würde, wenn ihr diese Dreigliederung

Er werden plannen gemaakt hoe de Dornachers de sociale driegeleding in scène zouden zetten. Je kon niets anders doen dan tegen de mensen zeggen: wat betekent dit dan? Neem eens aan dat je de zaak serieus neemt: dan komt als eerste de autonomie van het economische leven. Ja, maar dan zou je natuurlijk ook eerst maar eens koeien moeten kopen en melken en alles doen wat klaarblijkelijk een economische oase dichterbij kan brengen.
En dan zouden, omdat met deze economische oase naar buiten toe andere mensen moeten zijn verbonden, de meest uitgelezen parasieten van de economie ontstaan, want iedere dergelijke sektarische afzondering is niets anders dan een economisch parasitisme. Je kan in een gesloten economisch gebied alleen maar sociaal egoïstisch worden; als je iets buitensluit, leef je ten koste van anderen. Dat is pas het zuivere kapitalisme. En het rechtsleven: nu, ik zou weleens willen zien, voor het geval het gerecht wordt ingezet wanneer iemand iets uitgevreten heeft, dat hem dan veroordeelt; wat de staat Zwitserland dan zegt, als je deze driegeleding

blz. 144

hättet! Und das Geistesleben: seit wrr eine anthroposophische Be­wegung haben, ist gerade für das Geistesleben dasjenige angestrebt worden gegen alle Widerstände, was Unabhängigkeit ist nach allen Seiten hin. Das haben wir getan, solange wir existieren, und ihr seht gar nicht einmal, daß dies gleich in Angriff genommen worden ist. So wenig Verständnis dafür ist da, daß gemeint wird, auch das noch solle eingerichtet werden.Darauf kommt es nicht an, daß heute irgend jemand sagt: Ja, an irgendeinem Punkte muß man doch anfangen. – Mit diesem Anfangen ist zumeist nur ein wüstes kapitalistisches Individualisieren gemeint, und dieses muß ja damit beginnen, daß man zunächst kapitalistisch eine solche Kolonie begründet. Damit ist man ganz ferne von dem, was mit den wirklich sozialen Gedanken gemeint sein kann. Aber damit soll nicht eine Kritik über den Einzelnen ausgeübt werden; denn ich bin der letzte, der verkennt, welche Schwierigkeiten der Ein­zelne hat, wenn er sich heute hineinversetzen soll in die großen Auf­gaben der Zeit. Aber etwas anderes möchte ich damit an Ihr Herz legen: sich nicht in Illusionen zu wiegen, sondern wenn Sie eben kapi­talistisch individualisieren wollen, so gestehen Sie es sich ein. Sie sind aus den heutigen Verhältnissen heraus genötigt, noch kapitalistisch zu individualisieren zu Ihrer Wohlfahrt. 

zou hebben! En het geestesleven: sinds we een antroposofische beweging hebben, is er voor het geestesleven juist naar gestreefd tegen alle weerstand in, naar wat in elke richting onafhankelijkheid is. Dat hebben we gedaan, zolang we bestaan en jullie zien niet eens dat dit meteen aangevallen werd. Er is zo weinig begrip voor dat men denkt dat dit nog gedaan moet worden. Maar het komt er niet op aan dat nu iemand zegt: maar ergens moeten we toch beginnen. Met dit begin is meestal een zuiver kapitalistisch individualiseren bedoeld en dat moet er wel mee beginnen dat men eerst kapitalistisch zo’n kolonie sticht. Daarmee staat men heel ver van alles wat met werkelijk sociale gedachten bedoeld kan zijn. Maar hiermee wordt geen kritiek gegeven op een enkeling, want ik ben de laatste die miskent welke moeilijkheden de enkeling heeft, wanneer hij zich nu in de grote opgaven van de tijd moet verplaatsen. Maar nog iets anders zou ik u hiermee aan het hart willen leggen: niet mee te wiegen op illusies, maar wanneer u zelf kapitalistisch zou willen individualiseren, geef eraan toe. Door de huidige omstandheden bent u gedwongen om voor uw welvaart nog kapitalistisch te  individualiseren.

Gestehen Sie sich bitte die Wahr­heit, denn Wahrheit wird dasjenige sein, von dem auch wirklich alles soziale Leben wird ausgehen müssen. Wahrheit sollte nicht einmal in den Sätzen verleugnet werden. Man sollte vor die Menschheit auch nicht einmal in der Formulierung von Sätzen hintreten mit einer Un­wahrheit.Es geht ja heute durch die Lande der Ruf: Unentgeltlichkeit des Schulwesens. – Ja, was soll denn das überhaupt heißen? Es könnte doch nur der Ruf durch die Lande gehen: Wie sozialisiert man, damit ein jeder die Möglichkeit hat, seinen gerechten Beitrag zum Schulwesen zu schaffen? Unentgeltlichkeit des Schulwesens ist ja nichts weiter als eine soziale Lüge, denn entweder verbirgt man dahinter auf der einen Seite, daß man erst einer kleinen Clique den Mehrwert in die Tasche liefern muß, damit die ihr Schulwesen gründet, durch das sie die Men­schen beherrscht, oder man streut allen Sand in die Augen, damit sie

Geef a.u.b. de waarheid toe, want waarheid zal datgene zijn van waaruit daadwerkelijk heel het sociale leven uit moet gaan. De waarheid zou in uitspraken geen enkele keer verloochend moeten worden. Men zou voor de mensheid geen enkele keer moeten verschijnen met onware formuleringen.
Tegenwoordig klinkt door het land de roep: het onderwijs moet kosteloos zijn. Maar wat betekent dat dan? Door het land kan toch alleen maar de roep klinken: hoe moet je socialiseren zodat iedereen de mogelijkheid heeft zijn wettelijke bijdrage aan het onderwijs op te brengen. Kosteloos onderwijs is niets meer dan een sociale leugen, want of daarachter verbergt men enerzijds dat men eerst de meerwaarde van dat geld naar een kleine groep toeschuift zodat die de scholen kan stichten waardoor die groep de mensen overheerst of men strooit iedereen zand in de ogen zodat zij

blz. 145

nur ja nicht wissen, daß unter den Pfennigen, die sie aus dem Porte­monnaie nehmen, auch diejenigen sein müssen, von denen die Schulen unterhalten werden. In der Formulierung unserer Sätze müssen wir schon so gewissenhaft sein, daß wir nach Wahrheit streben.
Die Aufgabe ist groß, aber die Größe der Aufgabe sollte sich jeder vor Augen halten. Dasjenige, was in der Anthroposophie als Ideal hingestellt worden ist innerhalb einer kleinen Bewegung seit Jahr-zehnten, das, meine lieben Freunde, kann ja natürlich nicht jeder er­füllen: der eine hat Rücksicht zu nehmen auf sein Amt, der andere auf seine Frau, die andere auf ihren Mann, der andere hat Rücksicht zu nehmen auf die Erziehung seiner Kinder. Das müßte rücksichtslos jeder sich gestehen, damit er einen Überblick darüber erhält, wie wenig er dem nachkommt, um was es sich handelt.

dus niet weten dat er van de munten die ze uit hun portemonnee nemen er ook bij zitten die de scholen moeten onderhouden. In het formuleren van onze uitspraken moeten we al zo gewetensvol zijn, dat we naar de waarheid streven.
De opdracht is groot, maar de omvang moet ieder voor ogen staan. Wat in de antroposofie  sinds decennia als ideaal gesteld wordt binnen een kleine beweging, dat, beste vrienden, kan natuurlijk niet iedereen voor elkaar krijgen: de een moet rekening houden met zijn beroep, de andere met zijn vrouw, of met haar man, de andere weer met de opvoeding van de kinderen. Dat moet iedereen zonder pardon toegeven, zodat hij kan overzien hoe weinig hij na kan komen van waarom het gaat.

Denn das anthroposo­phische Ideal ist ja ein solches, daß es die Einsetzung des ganzen Men­schen notwendig macht. Das können ja heute viele nicht. Aber sie sollen sich nicht die Illusion, den Nebel vormachen, daß sie nun schon genug getan haben, sondern sie sollen sich die Wahrheit über sich selbst gestehen. Aber auf der anderen Seite sollen sie durchdrungen sein davon, daß es heute ums Stehen oder Fallen geht, gerade bei der Pflege eines wirklich kulturgemäßen Geisteslebens. Und niemand kann über dasjenige, was dem Geistesleben und damit dem sozialen Leben notwendig ist, zu richtigen Anschauungen kommen, der es nicht wagt, mutig sich zu gestehen: Der Radikalismus muß bis in die Abänderung des verruchten Stundenplanes, bis in manche Kleinigkeiten hinein gehen; denn aus diesen Kleinigkeiten heraus entwickeln sich jene Schneebälle, welche dann zu Lawinen anwachsen, die heute als die großen Kulturschäden da sind.
Das bitte ich zu bedenken. Davon wollen wir dann ein nächstes Mal weiter sprechen.

Want het antroposofische ideaal is zo, dat het de inzet van de hele mens noodzakelijk maakt. Dat kunnen velen vandaag niet. Ze moeten echter niet de illusie koesteren, zich in nevelen hullen, dat ze nu al genoeg gedaan hebben, maar ze moeten de waarheid over zichzelf toelaten. Aan de andere kant echter moeten ze ervan doordrongen zijn dat het nu gaat om vallen en opstaan, met name bij het verzorgen van een werkelijk cultuurgericht geestesleven. En niemand kan over wat voor het geestesleven en daarmee voor het sociale leven nodig is, tot goede opvattingen komen, die niet moedig durft te zijn de waarheid onder ogen te komen: een radicale houding is nodig tot aan de verandering van dat onmogelijke urenrooster aan toe, tot in vele kleinigheden aan toe; want uit deze kleinigheden hebben de sneeuwballen zich ontwikkeld, die zijn aangegroeid tot lawines, waarvan we nu de schadelijke werking zien.
Ik vraag u dat eens te overdenken. Een volgende keer zullen we er nog verder over spreken.
.
*(Duits: Der Bau), bedoeld wordt het Goetheanum
.

[1] GA 192
[2] GA 192 voordracht 6 (Duits)
[3] De kernpunten

.

Rudolf Steiner over pedagogie(k)alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1633-1531

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over aardrijkskunde (GA 302)

.

RUDOLF STEINER OVER AARDRIJKSKUNDE

GA 302

voordracht 3

blz. 52

Wenn wir den Menschen, der schließt, den Menschen, der also sich betätigt, sehen, wie er drinnensteht in der ganzen Welt, nicht sich herauslöst durch den Kopf aus der Welt, wenn wir diesen Menschen uns vergegenwärtigen, so ist er eigentlich ohne den Raum gar nicht denkbar. Der Raum gehört zu diesem Menschen dazu. Er ist ein Glied in der räumlichen Welt, insofern er ein Beine und Füßemensch ist.
Und wenn wir das räumlich betrachten, dann ist es in gewisser Weise für unseren astralischen Leib ein Sich auf die Beine Stellen, wenn wir Geographie mit dem Kinde treiben. Es wird tatsächlich der astralische Leib unten mächtiger und dichter. Wir treiben das Räumliche, und wir verdichten daher das Geistig-Seelische des Menschen nach dem Boden hin. Mit anderen Worten: Wir bringen den Menschen zu einer gewissen Festigung in sich gerade dadurch, daß wir recht anschaulich das Geographische betreiben, aber diese Geographie so betreiben, daß wir immer das Bewußtsein hervorrufen, daß der Niagara nicht an der Elbe liegt, sondern daß wir immer das Bewußtsein hervorrufen: wieviel Raum liegt zwischen Elbe und Niagara.Wenn wir das wirklich anschaulich betreiben, dann stellen wir den Menschen in den Raum hinein, wir bilden insbesondere dasjenige in ihm aus, was ihm ein Weltinteresse beibringt, und das wird sich in der verschiedensten Weise in der Wirkung zeigen. Ein Mensch, mit dem wir verständig Geographie treiben, steht liebevoller seinem Nebenmenschen gegenüber als ein solcher, der nicht das Daneben-im-Raum erlernt. Er lernt das Danebenstehen neben den anderen Menschen; er berücksichtigt die anderen. Diese Dinge gehen stark in die moralische Bildung hinüber, und das Zurückdrängen der Geographie bedeutet nichts anderes als eine Aversion gegen die Nächstenliebe, die sich in unserem Zeitalter immer mehr und mehr zurückdrängen lassen mußte.
Man merkt solche Zusammenhänge nicht, aber sie sind vorhanden. Denn es wirkt immer eine gewisse unterbewußte Vernunft oder Unvernunft in den Erscheinungen des Zivilisationslebens.

Als we de mens die conclusies trekt, die dus actief is, zien zoals hij in de wereld staat, en niet zoals hij zich door zijn hoofd van de wereld losmaakt, als we ons die mens voor de geest halen, dan is die eigenlijk helemaal niet denkbaar zonder de ruimte. De ruimte hóórt bij die mens. Hij is een deel van de ruimtelijke wereld voor zover hij benen- en voetenmens is. En als we het ruimtelijk bekijken, dan is het voor ons astrale lichaam in zekere zin een met-de-voeten-op-de-grond-gaan-staan wanneer we met de kinderen aardrijkskunde doen. Het astrale lichaam wordt inderdaad van onderen steviger en dichter. We gaan om met het ruimtelijke en daardoor verdichten we het geestelijk-psychische van de mens naar de grond toe.
Met andere woorden: we brengen de mens tot een zekere verste­viging in zichzelf doordat we op aanschouwelijke wijze aardrijks­kunde geven; aardrijkskunde wel zó dat we steeds het bewustzijn wekken dat de Niagarawatervallen niet in de Elbe liggen, maar dat we altijd een bewustzijn wekken voor de hoeveelheid ruimte die er tussen de Elbe en de Niagara ligt.
Als we dat echt aanschouwelijk doen, dan plaatsen we de mens in de ruimte, dan ontwikkelen we bij hem vooral dat wat zijn interesse voor de wereld opwekt; en dat zal op de meest uiteenlo­pende manieren tot uiting komen. Een mens die we met verstand van zaken aardrijkskunde bijbrengen, staat liefdevoller ten opzichte van zijn medemens dan iemand die het naast-elkaar-in-de-ruimte niet leert kennen. Hij leert naast de andere mensen te staan, hij houdt rekening met de anderen. Deze dingen raken sterk de morele ontwikkeling; het verdringen van de aardrijkskunde* betekent niets anders dan afkeer van de naastenliefde, die zich in onze tijd steeds meer heeft moeten laten verdringen. Men merkt dergelijke samen­hangen niet, maar ze zijn er wel degelijk. Want in de verschijnselen van onze cultuur werkt steeds een bepaald onderbewust verstand of onverstand door.
GA 302/52
vertaald/51-52

*Even tevoren heeft Steiner een opmerking gemaakt over hoe men in die tijd (1921) en daarvoor, over aardrijkskunde dacht:

Sehen Sie, da wirken manchmal merkwürdige Dinge; sie werden nicht beobachtet und sie gehören doch zu den kulturgeschichtlich aller- wichtigsten Dingen. Wir haben eine Zeit gehabt, so im letzten Drittel des 19. Jahrhunderts, da ist der Geographieunterricht gegenüber dem Geschichtsunterricht eigentlich in den Lehrplänen etwas zurückgedrängt worden. Man hat ja auch immer die Geographie bei den Lehrbefähigungsprüfungen an irgend etwas angehängt. Sie ist weniger berücksichtigt worden. Entweder der Geschichtslehrer bekam sie ange hängt, oder in gewissen Gegenden wurde sie an den Naturgeschichtsunterricht angehängt. Die Geographie ist tatsächlich eine Zeitlang zurückgedrängt worden. 

Weet u, er zijn soms merkwaardige dingen in het spel; ze worden niet opgemerkt en toch behoren ze cultuurhistorisch tot de allerbe­langrijkste dingen. Er is een tijd geweest, rond het laatste derde deel van de 19e eeuw, waarin het aardrijkskundeonderwijs in het leer­plan enigszins is teruggedrongen ten opzichte van het geschie­denisonderwijs. Men heeft immers ook de aardrijkskunde bij de bevoegdheidsexamens voor het onderwijs altijd ergens aan ge­koppeld. Het vak werd minder voor vol aangezien. Ofwel de geschiedenisleraar kreeg het als aanhangwagen, ofwel – in bepaalde streken – viel het onder de natuurlijke historie. Aardrijkskunde is werkelijk een tijd lang teruggedrongen.
GA 302/51
vertaald/51

.

Rudolf Steiner over aardrijkskundealle artikelen

Aardrijkskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

1632-1530

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-2-2)

.

Enkele gedachten bij blz. 35-38 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

antipathie, geheugen en begrip

Op bladzijde 38 staat een schema dat Steiner destijds op het bord zette:

In [2-3-2]  ging het over de fantasie. Dat Steiner dit in het rijtje zet bij het willen en de sympathie is makkelijk te begrijpen. Ik merkte op: als je ergens warm voor loopt, er enthousiast voor bent, betekent dit, dat je er sympathie voor hebt, het graag wil. Je kan dit ook wel omkeren: je sympathie voor iets veroorzaakt warmtegevoelens in je ziel, je beleving, misschien mag je zelfs zeggen: de sympathie is de zielenwarmte. 
En na de uitleg dat ziel en geest zich ook fysiek manifesteren [2-5] neem je al in je overpeinzingen mee dat aan deze warmte van de ziel, ook de lichaamswarmte verwant is. De wil – vanuit een andere optiek gezien, verbonden aan de ledematen en de stofwisseling – heeft de warmte nodig om zich te kunnen manifesteren. Dat geldt voor de zielenwarmte, maar ook voor de fysieke warmte. Met steenkoude handen kun je vrijwel niets ten uitvoer brengen. Koude voeten houden je wakker. Het warme bloed vindt daar moeilijk toegang en remt de activiteit af. Dat is a.h.w. tegen de natuur. 
Een gezegde uit de volksmond luidt: ‘hoofd koel, voeten warm’. De taal is ook hier weer leermeester: heethoofdig moet iemand niet zijn; het bloed hoort daar niet zo; niet te veel warmte: geen verhitte koppen! En ‘met bloed doorlopen ogen’ heeft iets afschrikwekkends. 
Ook uit eigen ervaring weten we dat warmte/hitte niet bevorderlijk is voor een juiste studie-omgeving. Hoe vaak hebben we geen boeken meegenomen om in de zomervakantie nog wat te studeren en hoe weinig is daarvan gekomen. Warmte en wakkerheid gaan niet zo gemakkelijk samen; koude en slaap ook niet.
En we hebben ook vrijwel allemaal de ervaring dat we het van studeren, blokken, veel met het hoofd werken, lang achter de pc zitten, koud krijgen. Geen heet hoofd met rode wangen: integendeel: kouwelijk en bleek. De ‘kamergeleerde’ stellen we ons niet voor als een blozend iemand! “Theoreticus’, zegt het woordenboek, ‘weinig contact met het praktische leven’. Met het doen, zouden wij zeggen, dus met de wil.
We moeten ons wél steeds voor ogen houden dat het denken enerzijds de spiegelende activiteit is, van het na-denken, ik beschreef dat aan het begin van [2-3-2] en anderzijds het ‘vooruit’denken. 

Het is een open deur: wat we nog niet ‘vooruit’gedacht hebben, kunnen we ons niet ‘vooruit’herinneren. Je iets herinneren kan alleen wanneer dit iets heeft plaatsgevonden, er al geweest is. In het rijtje dat Steiner geeft, kan het herinneren niet weggelaten worden: wat we ooit hebben geleerd, geweten, hebben leren kennen is ons geestelijk eigendom en we kunnen er weer overbeschikken als we het ons herinneren, ‘voor de geest roepen’. 

Voor ons mensen zijn ‘geheugen, herinneren en herinnering’ moeilijk te doorgronden verschijnselen. Wat is het, hoe komt tot tot stand, als we iets vergeten, waar blijft het; waarom onthouden kleine kinderen bepaalde dingen zo goed (zodat je altijd verliest met memory), waarom vergeten we als ouderen steeds meer van het heden; kunnen we iets doen waardoor we minder snel vergeten; en voor ons als pedagogen; hoe leren we de kinderen iets, zodat ze het ook, goed en makkelijk, onthouden. Wat voor raadselachtigs geeft ons de taal op: ‘onder de knie krijgen’, ‘uit het hoofd leren – o.a. in het Engels en Frans: ‘leren met het hart’; ‘er niet óp kunnen komen, te binnen schieten‘, het ‘kwijt‘ zijn; ‘het ligt op mijn tong, maar komt niet over mijn lippen’; ‘ik kan het (net niet) pakken; je kan je geheugen opfrissen, pijnigen; je kan er iets inprenten, ingriffen; daar? kan het lang bljven: een geheugen als een ijzeren pot; of juist niet: als een zeef.

Mensen die zich iets moeten herinneren, maar niet kunnen, kijken vaak wat omhoog, ze fronsen hun wenkbrauwen, rimpels verschijnen op het voorhoofd en of ze maken met hun hand(en) wat korte, ronddraaiende bewegingen. Waarom? En dan is er nog het fenomeen dat door te gaan lopen, herinneringen soms weer makkelijker opkomen; en waarom doet geur wat met herinneringen. Kortom: vele vragen.

Daar is veel studie naar verricht, met ook vele uitkomsten, die elkaar enerzijds ondersteunen, anderzijds weer tegenspreken. [artikelen over het geheugen]

Wanneer we in deze tweede voordracht blijven en we realiseren ons dat ‘na’denken en daarmee voorstellingen vormen, een ‘oude’ activiteit is, waarbij er ‘gespiegeld’ wordt en dat voor dit spiegelen antipathie nodig is, is ook begrijpelijk dat voor een spiegeling die moeilijker tot stand komt, meer antipathie nodig is. 

Wanneer we naar iets kijken dat ons niet bevalt, trekken we ook vaak rimpels in ons voorhoofd, onze ogen beginnen wat meer te kieren en dit is een gevolg op dat gevoel van ‘het bevalt mij niet’, waarbij een toenemende antipathie te bespeuren valt.
Misschien is die fronsende blik – het bedenkelijk kijken – een kleine verhoging van de antipathiekracht in ons als we proberen een herinneringsbeeld te laten ontstaan. 

Steiner nog eens over de antipathie i.v.m. het voorstellen:

Wir entwickeln in uns die Gefühlswelt, die ein fortwährendes Wechselspiel – Systole, Diastole – zwischen Sympathie und Antipathie ist. Dieses Wechselspiel ist fortwährend in uns. Die Antipathie, die nach der einen Seite geht, verwandelt fortwährend unser Seelenleben in ein vorstellendes; die Sympathie, die nach der anderen Seite geht, verwandelt uns das Seelenleben in las, was wir als unseren Tatwillen kennen, in das Keirnhafthalen dessen, was nach dem Tode geistige Realität ist. Hier komnen Sie zum realen Verstehen des geistig-seelischen Lebens: wir schaffen den Keim des seelischen Lebens als einen Rhythmus von Sympathie und Antipathie.
Was strahlen Sie nun in der Antipathie zurück? Sie strahlen Das ganze Leben, das Sie durchlebt, die ganze Welt, die Sie vor der Geburt beziehungsweise vor der Empfängnis durchlebt haben, zurück. Das hat im wesentlichen einen erkennenden Charakter. Also Ihre Erkenntnis verdanken Sie eigentlich dem Hereinschauen, dem Hereinstrahlen Ihres vorgeburtliehen Lebens.
Und dieses Erkennen, das in weit höheren- Maße vorhanden ist, als Realität vorhanden ist vor der Geburt oder der Empfängnis, wird abgeschwächt zum Bilde durch die Antipathie. Daher können wir sagen: Dieses Erkennen begegnet der Antipathie und wird dadurch abgeschwächt zum Vorstellungsbild.

<1> We ontwikkelen in ons de gevoelswereld, die een voortdurende wisselwerking is van sympathie en antipathie — systole en diastole. Deze wisselwerking is voortdurend in ons aanwezig. De antipathie, die de ene richting uitgaat, brengt ons ziele-leven voortdurend tot voorstellingen; de sympathie, die de andere richting uitgaat, verandert ons zielenleven in hetgeen we als wil kennen, en houdt in kiemvorm wat geestelijke realiteit is na de dood. Hiermee komt u tot een werkelijk inzicht in het leven van geest en ziel: we scheppen de kiem van het zielenleven als een ritme van sympathie en antipathie. Wat straalt u nu in de antipathie terug? U straalt uw hele leven van voor de geboorte respectievelijk de conceptie, de hele wereld die u toen meegemaakt heeft, terug. Dat heeft hoofdzakelijk het karakter van kennen. Uw kennis heeft u dus eigenlijk te danken aan het feit dat uw leven voor de geboorte doorstraalt, doorwerkt tot in uw leven nu. En deze kennis, die in veel grotere mate als realiteit bestaat voor de geboorte of conceptie, wordt door de antipathie afgezwakt tot een beeld. Derhalve kunnen we zeggen: deze kennis stuit op de antipathie en wordt daardoor afgezwakt tot een voorstellingsbeeld.

Als de antipathie sterker wordt:

Wenn die Antipathie nun genügend stark wird, dann tritt etwas ganz Besonderes ein. Denn wir könnten auch im gewöhnlichen Leben nach der Geburt nicht vorstellen, wenn wir es nicht doch auch mit derselben Kraft in gewissem Sinn täten, die uns geblieben ist aus der Zeit vor der Geburt. Wenn Sie heute als physische Menschen vorstellen, so stellen Sie nicht mit einer Kraft vor, die in Ihnen ist, sondern mit der Kraft aus der Zeit vor der Geburt, die noch in Ihnen naehwirkt. Man meint vielleicht, die habe aufgehört mit der Empfängnis, aber sie ist noch immer tätig, und wir stellen vor mit dieser Kraft, die noch immer in uns hereinstrahlt. Sie haben das Lebendige vom Vorgeburtlichen fortwährend in sich, nur haben Sie die Kraft in sich, es zurückzustrahlen. Die begegnet Ihrer Antipathie. Wenn Sie nun jetzt vorstellen, so begegnet jedes solche Vorstellen der Antipathie, und wird die Antipathie genügend stark, so entsteht das Erinnerungsbild, das Gedächtnis, so daß das Gedächtnis nichts anderes ist als ein Ergebnis der in uns waltenden Antipathie. Hier haben Sie den Zusammenhang zwischen dem rein Gefühlsmäßigen noch der Antipathie, die unbestimmt noch zurückstrahlt, und dem bestimmten Zurückstrahlen, dem Zurückstrahlen der jetzt noch bildhaft ausgeübten Wahrnehmungstätigkeit im Gedächtnis. Das Gedächtnis ist nur gesteigerte Antipathie. Sie könnten kein Gedächtnis haben, wenn Sie zu Ihren Vorstellungen so große Sympathie hätten, daß Sie sie «verschlucken» würden; Sie haben Gedächtnis nur dadurch, daß Sie eine Art Ekel haben vor den Vorstellungen, sie zurückwerfen – und dadurch sie präsent machen. Das ist ihre Realität.

Wanneer de antipathie nu sterk genoeg wordt doet zich iets heel bijzonders voor. Wij zouden ons namelijk ook in het ge­wone leven na de geboorte geen voorstellingen kunnen vormen, wanneer we dat niet in zekere zin toch ook met dezelfde kracht zouden doen die we hebben overgehouden uit de tijd voor de geboorte. Wanneer u zich als fysiek mens voorstellingen maakt, dan doet u dat niet met een kracht die in u is, maar met de kracht uit de tijd voor de geboorte die nog in u nawerkt. Men meent wellicht dat die kracht zijn werking verliest bij de con­ceptie, maar die is nog steeds werkzaam; ons voorstellen ge­beurt met die kracht die nog steeds in ons doorstraalt. U heeft het leven van voor de geboorte voortdurend in u, maar u heeft ook de kracht in u om het terug te stralen. Die kracht ontmoet uw antipathie. Wanneer u zich nu voorstellingen maakt dan ontmoet dit proces iedere keer de antipathie, en wordt de anti­pathie sterk genoeg dan ontstaat het herinneringsbeeld, het geheugen, zodat het geheugen niets anders is dan het resultaat van de in ons werkende antipathie. Hier heeft u het verband tussen het nog louter gevoelsmatige van de antipathie — die nog niet gericht terugkaatst – en het gerichte terugkaatsen, het terugstralen van de waarnemingsactiviteit die nu nog met beeldkarakter in het geheugen ontplooid wordt. Het geheugen is slechts geïntensiveerde antipathie. U zou geen geheugen kunnen hebben, wanneer u zo grote sympathie zou koesteren voor uw voorstellingen dat u ze zou ‘opslokken’; u heeft alleen een geheugen doordat u een soort afkeer heeft van de voorstel­lingen, ze terugkaatst – en ze daardoor aanwezig doet zijn. Dat is hun realiteit.
GA 293/35-36
Vertaling/36-37 <1>

Hierboven zei ik dat het niet mogelijk is herinneringen te hebben aan iets wat nog moet komen. Maar ook wanneer we iets beleven, hebben we daar op dat ogenblik nog geen herinneringen aan. Vooral nog niet als we helemaal op gaan in deze beleving. Pas als we er afstand van kunnen nemen, kunnen de herinneringen, de herinneringsbeelden ontstaan. In het water zwemmend  hebben we al snel geen bewustzijn, geen weet meer van de temperatuur die – toen we er in sprongen, voor ons gevoel best laag was; uit het water, op de kant, voelen we hoe ‘lekker’ het water eigenlijk aanvoelde. Bijna letterlijk tegenover het water staand, herinneren we ons hoe het was.

Op een bepaalde manier komt Steiner nu ook bij ‘begrip’ uit:

Wenn Sie diese ganze Prozedur durchgemacht haben, wenn Sie bildhaft vorgestellt haben, dies zurückgeworfen haben im Gedächtnis und das Bildhafte festhalten, dann entsteht der Begriff. Auf diese Weise haben Sie die eine Seite der Seelentätigkeit, die Antipathie, die zusammenhängt mit unserem vorgeburtlichen Leben.

Wanneer u deze hele procedure doorlopen heeft, wanneer u in een beeld een voorstelling heeft gevormd, deze heeft terug­gekaatst in het geheugen en het beeld van de voorstelling vast­houdt, dan ontstaat het begrip. Op deze wijze functioneert de ene kant van de ziele-activiteit, de antipathie, die verband houdt met ons leven voor de geboorte.

Wie der Begriff aus dem Gedächtnis, so geht aus der Phantasie die Imagination hervor, welche die sinnlichen Anschauungen liefert. Die gehen aus dem Willen hervor.

Precies zoals uit de antipathie het geheugen ontstaat, ont­staat uit de sympathie de fantasie.
GA 293/35-36
Vertaling/36-37

Op vele plaatsen heeft Steiner – uiteraard vanuit vele invalshoeken – gesproken over herinnering en geheugen.

In een apart artikel zullen zijn opmerkingen daarover worden weergegeven.

Zie als praktische uitwerking:

[18-6] De kracht van de fantasie en de herinnering in de opvoeding
Signe Roll Wickberg over: fantasie i.t.t. geheugen; de ontwikkeling van beide in de verschillende leeftijdsfasen; praktische toepassing om ze te oefenen; de verschillen bij individuele kinderen
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1]  GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven


.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1630-1528

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over aardrijkskunde (GA 301)

.

RUDOLF STEINER OVER AARDRIJKSKUNDE

GA 301

voordracht 12 
blz. 196

Dieses Geo­graphische sollte sich aufbauen können auf allerlei in erzählender Form gehaltene Schilderungen von Gegenden, wobei auch ferne Gegenden, zum Beispiel amerikanische oder afrikanische Gegenden, geschildert werden können. Dadurch, wie auch durch die vorausgegangene Natur­geschichte, in der der Zusammenhang des Pflanzenreichs mit der ganzen

Deze aardrijkskunde moet kunnen bouwen op allerlei schilderingen in vertelvorm van gebieden, waarbij bijv. ook veraf gelegen streken zoals bijoorbeeld Amerikaanse of Afrikaanse streken geschetst kunnen worden. Daardoor, zoals ook door de voorafgaande biologie waarin de samenhang van het plantenrijk

blz. 197
Erde dargestellt wurde, ist das Kind vorbereitet, um gegen das 12. Jahr hin Verständnis zu haben für das eigentlich Geographische. Bei dieser Geographie kommt es jetzt darauf an, zu zeigen, wie von der Erde aus, von dem Klimatischen, von alledem, was die Erde an gesetzmäßiger Gestaltung und Struktur an ihren verschiedenen Orten hervorbringt, wie von dem das abhängt, was man in der Geschichte gerade entwickelt. Nachdem man einen Begriff gegeben hat vom Zu­sammenhang von Meer und Land, von dem Klimatischen im alten Griechenland, kann man nun zurückleiten auf dasjenige, was man rein als Symptom für den inneren Werdegang der Menschheit in bezug auf den Charakter des Griechentums entwickelt hat. Ein inniger Zusam­menhang kann dann gefunden werden zwischen dem geographischen Bild, das man von der Erde gibt, und dem geschichtlichen Werden. Eigentlich sollten immer ineinandergreifen die Schilderungen der Erdengegenden und die Schilderungen, die man vom geschichtlichen Werden gibt. In der Geographie sollte im Grunde genommen Amerika nicht behandelt werden, bevor man in der Geschichte die Entdeckung Ame­rikas behandelt hat. 

met de hele aarde geschetst werd, is het kind voorbereid om tegen het 12e jaar begrip te krijgen voor de eigenlijke aardrijkskunde. Bij deze aardrijkskunde komt het er nu op aan, te laten zien hoe van de aarde uit, van de klimaten, van alles wat de aarde aan wetmatige vorm en structuur op de verschillende plaatsen laat zien, hoe, wat je met geschiedenis ontwikkelt, daarvan afhankelijk is. Nadat je begrip ontwikkeld hebt voor de samenhang van zee en land, van het klimaat in het Oude Griekenland, kun je dat terugleiden naar hetgeen wat je puur als symptoom voor de innerlijke weg van de wordende mensheid m.b.t. het karakter van het Griekendom ontwikkeld hebt. Een diepe samenhang kan dan gevonden worden tussen het aardrijkskundige beeld dat je van de aarde geeft en de historische wording. Eigenlijk zouden steeds de schilderingen van de aardestreken en de schilderingen die je van de historische wording geeft, in elkaar moeten grijpen. Bij aardrijkskunde zou in de aard der zaak Amerika niet behandeld moeten worden, voor je in de geschiedenis de ontdekking van Amerika behandeld hebt.

Es ist notwendig, daß man in einer gewissen Weise berücksichtigt, daß der Horizont des Menschen im Laufe der Entwicke­lung sich ausgedehnt hat, und daß man nicht zu stark, ich möchte sagen, das Menschengemüt zu einem Absoluten hinbringen soll. So ist es auch in der sogenannten mathematischen Geographie nicht gut, wenn man von vorneherein dogmatisch von einer Zeichnung des kopernikanischen oder keplerischen Weltsystems ausgeht, sondern es ist angebracht, die Art und Weise, wie die Menschen zu solchem ge­kommen sind, für die Kinder auch wenigstens andeutend zu entwickeln. Dadurch bekommen die Kinder nicht Begriffe, die ihnen mehr sind, als sie ihnen nach dem, was sie in der Menschheitsentwicklung sind, sein sollten. Natürlich würde ein Mensch in dem Zeitalter der ptolemäischen Weltanschauung den Kindern die starren Begriffe des ptolemäischen Systems beigebracht haben; jetzt bringt er ihnen die des kopernika­nischen Weltsystems bei. Es ist aber durchaus notwendig, daß man den Kindern wenigstens einen Begriff davon gibt, wie man sich auf irgend­eine Weise von den Orten der Sterne am Himmel versichert und aus der Zusammenfassung der Orte einen Schluß bildet, der eigentlich erst das Weltsystem ist, damit sie nicht etwa glauben, solch ein Weltsystem sei dadurch errungen, daß sich irgend jemand auf einen Stuhl gesetzt hat außerhalb dieser Welt und sich dieses Weltsystem angeschaut habe.

Het is noodzakelijk dat je er op een bepaalde manier rekening mee houdt, dat de horizon van de mens in de loop van de aardeontwikkeling zich verruimd heeft en dat je niet te sterk het gemoed van de mens tot iets absoluuts wil brengen.
Zo is het ook in de zogenaamde wiskundige aardrijksunde niet goed, wanneer je vooraf dogmatisch van een schets van het wereldsysteem van Copernicus of Kepler uitgaat, maar het is zinvol de manier waarop de mens op zoiets gekomen is, voor de kinderen op z’n minst aanstippend te ontwikkelen. Daardoor krijgen de kinderen geen begrippen die voor hen meer zijn, dan ze voor hen zouden moeten zijn, naar wat ze in de ontwikkeling van de mensheid zijn. Natuurlijk zou iemand in de tijd van de Ptolemeïsche wereldbeschouwing de kinderen de starre begrippen van het Ptolemeïsche systeem bijgebracht hebben; nu brengt hij het het Copernicaanse wereldsysteem bij. Het is echter beslist noodzakelijk dat men de kinderen er tenminste een begrip van geeft hoe men op de een of andere manier zeker is van de plaatsbepaling van de sterren aan de hemel en uit het overzicht een gevolgtrekking maakt die dan pas dat wereldsysteem vormt, zodat ze niet geloven dat zo’n wereldsysteem er zonder inspanning gekomen is of dat een of ander iemand buiten deze wereld op een stoel is gaan zitten en dit wereldsysteem bekeken heeft.

blz. 198

Wie soll sich denn eigentlich ein Kind, wenn man ihm auf die Tafel das kopernikanische System wie eine Tatsache zeichnet, vorstellen, wie man dazu gekommen ist in der Menschheit? Das Kind muß eine leben­dige Vorstellung haben davon, wie solche Dinge gebildet werden, sonst geht es durch sein ganzes Leben mit konfusen Begriffen, die es aber als etwas außerordentlich Sicheres ansieht. Dadurch wird der falsche Auto­ritätsglaube erzeugt – nicht aber dadurch, daß man auf das richtige Autoritätsgefühl beim Kinde vom 7. bis 14. oder 15. Jahre rechnet.

Hoe zou een kind eigenlijk, wanneer je op het bord voor hem het Copernicaanse systeem als een feit tekent, zich voorstellen, hoe men daarop in de mensheid gekomen is. Het kind moet een levendige voorstelling hebben van hoe zulke dingen gevormd worden, anders loopt het zijn hele leven lang rond met verwarde begrippen die het echter als buitengewoon vaststaand ziet. Daardoor wordt het verkeerde geloof in een autoriteit opgeroepen – niet doordat men op het juiste autoriteitsgevoel bij het kind van 7 tot 14 of 15 jaar rekent.
GA 301/196-198
Vertaald

.

Rudolf Steiner over aardrijkskunde: alle artikelen

Aardrijkskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen.

.

1624-1523

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-3-2)

.

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 35 – 38

 

SYMPATHIE EN FANTASIE

Telkens zal Steiner, wanneer hij iets uit wil leggen, van wat hij uit wil leggen, ook het tegenovergestelde benoemen. Het is een bepaalde manier van behandelen die hij in de 8e voordracht zo omschrijft:

Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

Dat is vertaald in: De werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld zien.
Ik voel hier meer voor ‘tegenstellingen’, omdat dit m.i. beter past bij wat Steiner doet: bepaalde fenomenen – hier dus voorstellen en willen  – als tegenstellingen karakteriseren.
GA 293/124   
Vertaald/126     ziewegwijzers‘  15; 17; 20; 24; 87; 121; 124

We konden dus tot het inzicht komen dat ‘denken’ enerzijds in hoge mate ‘het zich voorstellen’ is van wat ooit een grotere realiteit had: het voorbeeld van de taart die eens heerlijk geurend voor ons stond en waarvan we nu nog een (af)beeld(ing) hebben in de vorm van o.a. een foto en die we ons nog ‘voor de geest’ kunnen stellen, m.a.w. we kunnen de taart nog als – niet meer realiteit zijnde – in ons als herinneringsbeeld oproepen. Op dezelfde manier kunnen we gedachten van een ander nog eens overdénken, we denken er nog eens over na. De oorspronkelijke gedachte is niet van ons, maar van degene die ze wellicht voor het eerst ‘be’dacht en op een bepaalde manier toevertrouwde ‘aan de wereld’.
Zo is het bestuderen van filosofieën in wezen niets anders dan ‘na’denken, dus in tweede instantie – wat vóór ons de bekend geworden filosoof in zijn theorieën heeft verwoord.
‘Leren’ is meestal je ‘eigen’ maken wat van een ander is of was en wat je dan – met het examen als hoogtepunt – kan spiegelen – je weet het, je hebt de kennis opgedaan: je slaagt!

Ooit waren de gedachten van degene die daar later ‘filosoof’ om is gaan heten, nog oorspronkelijk. Ze waren in zekere zin de oorsprong van iets nieuws.

Maar in ieders leven vindt wel iets dergelijks plaats. Dat hoeft helemaal niet met ‘grootse’ gedachten te maken te hebben, wel met iets eigens. Jij bent de bron, de origine, jij bent origineel. Dat kan op allerlei terreinen van het leven. 

Ik neem hier het alledaagse voorbeeld van ‘je wil zelf je keuken verbouwen’. Wat je in je huidige keuken aantreft, waarneemt, bevalt je niet (meer), kortom er is antipathie. Je wil iets anders. ‘Wil’, is vrijwel altijd met ‘toekomst’ verbonden, m.a.w. die nieuwe keuken is nog geen realiteit, moet dat nog worden. Wanneer je je keuken zo bekijkt, zie je wellicht voor je hoe die eruit zou kunnen gaan zien. In gedachten zijn de bahama-beige tegeltjes nu wit en de donker gebeitste eiken kastjes worden vervangen door….Zo kun je geruime tijd bezig zijn, terwijl er met de materiële keuken nog niets gebeurt.
Dit ‘bezig’ zijn met allerlei voorstellingen noemt Steiner nadrukkelijk ‘denken’.  Dat kan dus met ‘oude’ voorstellingen, de gedachten van anderen, maar ook met ‘nieuwe’, de oorspronkelijke. Jouw gedachten, dus. Hier ben je in het denken, voorstellend, scheppend bezig, creatief. Hier overweegt niet het oude, maar het nieuwe – dat wat nog komen moet.
In dit voorbeeld dus de nieuwe keuken. Hoe die eruit gaat zien, kan je zelf ontwerpen. Natuurlijk kun je ook weer terugvallen op iets ouds: het voorbeeld van een keukenontwerp in een keukenboek. Maar nu weten we het wel: het plaatje van die keuken is niet meer de realiteit: die keuken kan in de showroom al wel weer afgebroken zijn.

fantaseren

Dat nog niet – letterlijk – uit-gedachte ontwerp, je bent er nog niet mee klaar, dat ontwerp dat in wezen nog aan het ontstaan is, waarvan je soms – in gedachten – weer iets afbreekt, nieuw laat ontstaan, moet wel je sympathie hebben: anders was je er niet aan begonnen. Je merkt hieraan dat sympathie en wil met elkaar te maken hebben; maar dan ook met dit ontwerpen, dat laten ontstaan, dit scheppende denken. Dat is in zekere zin wat we fantaseren noemen.
In dit voorbeeld heeft fantasie iets te maken met ‘wat er komen gaat’. Niet, met wat in de volksmond fantasie óók is: iets wat buiten de realiteit staat. Vanuit onze optiek is dat ook nog waar: het moet nog realiteit worden. Waar het om gaat is, dat het realiteit moet kúnnen worden, anders neigt het naar het onmogelijke, wellicht zelfs het dwaze: de fantasterij.

Steiner bedoelt met de fantasie geen fantasterij.

Blz. 37 – ik maak een paar zinstukjes los van de context:

-het willen, wat kiem in ons is
-het willen leeft in ons omdat we er sympathie voor hebben, sympathie voor de kiem
-het willen berust op sympathie
-wordt de sympathie sterk genoeg, dan ontstaat daaruit de fantasie

Nu kan de fantasie nóg sterker worden en gebeurt dat, dan:

Wird nun die Sympathie genügend stark – wie es bei der Vorstellung war, die durch Antipathie zum Gedächtnis wird , dann entsteht aus Sympathie die Phantasie. Genau ebenso wie aus der Antipathie das Gedächtnis entsteht, so entsteht aus Sympathie die Phantasie. Und bekommen Sie die Phantasie genügend stark, was beim gewöhnlichen Leben nur unbewußt geschieht, wird sie so stark, daß sie wieder Ihren ganzen Menschen durchdringt bis in die Sinne, dann bekommen Sie die gewöhnlichen Imaginationen, durch die Sie die äußeren Dinge vorstellen. Wie der Begriff aus dem Gedächtnis, so geht aus der Phantasie die Imagination hervor, welche die sinnlichen Anschauungen liefert. Die gehen aus dem Willen hervor.

Wordt de sympathie nu sterk genoeg dan ontstaat – zoals de voorstelling door antipathie tot geheugen wordt — uit sympathie de fanta­sie. Precies zoals uit de antipathie het geheugen ontstaat, ont­staat uit de sympathie de fantasie. En wordt de fantasie sterk genoeg – wat in het gewone leven slechts onbewust gebeurt — zo sterk dat ze weer uw hele zijn doordringt tot in de zintuigen, dan krijgt u de gewone imaginaties0 waardoor u zich de uiterlij­ke dingen kunt voorstellen. Zoals het begrip uit het geheugen ontstaat, zo ontstaat uit de fantasie de imaginatie die de zin­tuiglijke waarnemingsbeelden oproept. Deze komen voort uit de wil.

0imaginaties: gewone imaginaties – Steiner duidt hier niet op het hogere kenvermogen, maar op het concrete ‘waarnemingsbeeld’ dat wij ons van de dingen vormen.

In de 6e voordracht wordt er meer over de imaginatie gezegd, daarom laat ik het hier bij bovengenoemde opmerking.

Zoals de wil met de toekomst samenhangt, zo ook de fantasie: het zich voorstellen, denken met toekomstkarakter. Het plannen maken die nog ontvouwd moeten worden. Die plannen liggen a.h.w. nog ineen gevouwen, opgevouwen en komen bij het ont-vouwen naar buiten.
Je begint er niet aan als je er niet voldoende sympathie voor hebt, er te weinig voor voelt; maar als je er warm voor loopt, ga je ervoor. Fysiek bekeken kom je, als je het over warmte wil hebben, uit bij het bloed.

Het rijtje ‘willen, sympathie, fantasie, imaginatie heeft fysiek naast zich het bloed.
Daarover meer: zie [2-7]

Zie voor de praktische uitwerking:
.
[18-6] De kracht van de fantasie en de herinnering in de opvoeding
Signe Roll Wickberg over: fantasie i.t.t. geheugen; de ontwikkeling van beide in de verschillende leeftijdsfasen; praktische toepassing om ze te oefenen; de verschillen bij individuele kinderen.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1623-1522

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over aardrijkskunde (GA 300C)

.

RUDOLF STEINER OVER AARDRIJKSKUNDE

GA 300C 

Rudolf Steiner in vergadering met de leerkrachten van de 1e vrijeschool in Stuttgart.

Vergadering van 25-04-1923

Rudolf Steiner opende de vergadering met een aantal opmerkingen over de 12e klas en het verplichte examen.

Hij betreurt het dat er veel van het eigen leerplan ingeleverd moet worden ten koste van de examenstof. (Dat is in 100 jaar niet anders geworden – sterker nog: verergerd)

Es würde ja wünschenswert sem, daß gerade in diesem Lebensalter -es sind etwa Achtzehnjährige – die Schüler ein abschließendes Ver­ständnis gewinnen würden für das Historisch-Künstlerische und schon aufnehmen würden das Spirituelle, ohne ihnen anthro­posophische Dogmatik beizubringen, in Literatur, Kunstgeschichte und Geschichte. Wir müßten also eben den Versuch machen, in Lite­ratur, Kunstgeschichte und Geschichte das Spirituelle nicht nur inhaltlich, sondern auch in der Art der Behandlung hineinzubringen; müßten also zum Beispiel wenigstens für diese Schüler das erreichen, was ich selbst bei meinen Arbeitern in Dornach angestrebt habe, denen ich schon klarmachen konnte, daß ja eigentlich, sagen wir, solch eine Insel, wie zum Beispiel die britische Insel, im Meere schwimmt und festgehalten wird von außen durch Sternenkräfte. Man hat es zu tun mit einer Insel, die sitzt nicht auf Grund auf, sie schwimmt, sie wird von außen festgehalten. Im ganzen, im Prinzip wird die kontinentale Gestaltung und Inselgestaltung von außen durch den Kosmos bewirkt. Das ist bei der Konfiguration der Fest­länder überhaupt der Fall. Das sind Wirkungen des Kosmos, Wir­kungen der Sternenwelt. Die Erde ist durchaus ein Spiegelbild des Kosmos, nicht etwas, was von innen bewirkt wird. Solche Dinge müssen wir nun doch vermeiden. Wir können sie aus dem Grunde nicht bringen, weil die Schüler veranlaßt würden, das im Examen ihren Professoren beizubringen, und dann würden wir in einen schrecklichen Ruf kommen. Das müßte aber eigentlich in der Geo­graphie erreicht werden.

Het zou wenselijk zijn dat juist op deze leeftijd – het gaat om ongeveer achttienjarigen – de leerlingen een afsluitend begrip ontwikkeld zouden hebben voor het historisch-kunstzinnige en al begrip zouden kunnen opbrengen voor het spirituele zonder hen antroposofische dogma’s bij te brengen, in literatuur, kunstgeschiedenis en geschiedenis. We zouden dus een poging moeten doen in de literatuur, kunstgeschiedenis en geschiedenis het spirituele, niet alleen naar de inhoud, maar ook in de manier van lesgeven; we zouden dus bijv. op z’n minst bij deze leerlingen moeten bereiken, wat ik zelf bij mijn arbeiders in Dornach nagestreefde die ik wel duidelijk kon maken dat, ja laten we zeggen, zo’n eiland als bijv. Brittannië, in zee drijft en vastgehouden wordt van buitenaf door sterrenkracht. Je hebt te maken met een eiland dat niet op een vaste ondergrond rust, maar gedragen wordt; het wordt van buitenaf verankerd. In het algemeen, in principe wordt de continentale vormgeving en eilandvorming van buitenaf door de kosmos veroorzaakt. Dat is bij de vorming van het vaste land überhaupt het geval. Het is de werking van de kosmos, niet iets wat van binnenuit veroorzaakt wordt. Die dingen moeten we tóch vermijden. We kunnen ze niet zo brengen, omdat de leerlingen dan genoodzaakt zouden zijn dat op het examen hun examinatorren bij te brengen en dan zouden we een vreselijke naam krijgen. Maar dit zou met aardrijkskunde moeten worden bereikt.
GA 300C/34-35

blz. 42

Es wird noch einmal nach dem Schwimmen der Kontinente gefragt.

Dr. Steiner: In der Regel denkt man doch nicht darüber nach, wie es ausschaut, wenn man dem Mittelpunkt der Erde zukommt. Man kommt sehr bald in Schichten, wo es flüssig ist, gleich ob Wasser oder etwas anderes. Also schon nach dem, was man immerhin annimmt,

Er wordt nog een keer naar het drijven van de continenten gevraagd.

Dr.Steiner: In de regel denk je er toch niet over na, hoe het eruitziet wanneer je naar het middelpunt van de aarde gaat. Je komt al heel gauw in lagen waar het vochtig is, aan water gelijk of wat anders. Dus al volgens dat wat men echt aanneemt

blz. 43

schwimmen die Kontinente. Nun fragt es sich, warum sie nicht durcheinander purzeln, warum es nicht hin und her geht, warum sie immer gleich weit voneinander entfernt sind, da doch die Erde allen möglichen Einflüssen ausgesetzt ist. Warum stoßen sie sich nun nicht; warum ist der Kanal zum Beispiel immer gleich breit? Da gibt es aus dem Inneren der Erde keine Erklärung dafür. Das kommt von außen. Es schwimmt ja alles Festland, das ist von den Sternen fest­gehalten. Es würde zerbrechen. Die Grundform des Meeres tendiert nach dem Sphärischen.

drijven de continenten. Nu zou je je kunnen afvragen waarom ze niet door elkaar raken, waarom ze niet heen en weer gaan, waarom ze steeds even ver van elkaar verwijderd zijn, daar de aarde toch blootgesteld is aan allerlei invloeden. Waarom botsen ze niet tegen elkaar op; waarom is het Kanaal bijv. steeds even breed? Dat komt van buitenaf. Al het vaste land drijft, maar wordt door de sterren op zijn plaats gehouden. Het zou breken. De grondvorm van de zee heeft de tendens naar het sferische te gaan.

Es wird noch eine Frage gestellt nach näheren Einzelheiten. Dr. Steiner nimmt das Heft eines Lehrers, zeichnet die nachstehende Skizze hinein und gibt dabei Erklärungen:

Er wordt nog een vraag gesteld naar bijzonderheden. Dr.Steiner neemt het schrift van een leraar, tekent onderstaande schets en geeft de volgende verklaringen:

Dr. Steiner: Es ist interessant, der Gegensatz. Die Kontinente schwimmen, sie sitzen nicht auf. Die Kontinente auf der Erde wer­den von außen festgehalten durch Fixsternkonstellationen. Wenn die sich ändern, ändern sich auch die Kontinente. Auf alten Tellurien und Atlanten sind auch noch die Tierkreisbilder richtig eingezeich­net, mit diesen Beziehungen zwischen Fixsternkonstellation und Konfiguration der Erdoberfläche. Die Kontinente sind von der Peripherie herein gehalten; die große Sphäre hält die Erdteile. Der Mond dagegen wird dynamisch von der Erde gehalten, wie auf einem Zapfen. Der Mond geht so mit, wie wenn er einen richtigen Zapfen hätte.

Dr. Steiner: Hij is interessant, die tegenstelling. De continenten drijven, ze steunen niet. De continenten op aarde worden van buitenaf vastgehouden door sterrenbeeldconstellaties. Wanneer die veranderen, veranderen ook de continenten. Op oude telluria en atlanten staan ook nog de dierenriemtekens juist ingetekend, in dit verband met de verhouding tussen sterrenbeeldconstellatie en de toestand van het aardoppervlak. De continenten zijn vanuit de periferie bepaald; de hemelsfeer houdt de werelddelen vast. De maan wordt door de aarde dynamisch gehouden, alsof deze op een drijfas zit. De maan gaat zo mee, alsof hij een goede drijfas zou hebben.
GA 300C/42-44

.

Zie voor ditzelfde onderwerp GA 300A
.

Rudolf Steiner over aardrijkskundealle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1616-1515

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297 – voordracht 4

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie apenstaartje gmail punt com

RUDOLF STEINER

BASISGEDACHTEN EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL

9 voordrachten, een bespreking en vragenbeantwoording tussen 24 augustus 1919 en 29 december 1920 in verschillende plaatsen [1]

GA 297: vertaling
Inhoudsopgave   voordracht   [1]  [2]  [3]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]
vragenbeantwoording bij de 5e vdr.;  vragenbeantwoording bij de 6e vdr.;
bespreking van pedagogisch-psychologische vragen; vragenbeantwoording bij de 9e vdr.

Inhoudsopgave 4e voordracht 24 sept. 1919,[2]

bovenzinnelijke kennis en sociaal pedagogische levenskracht

De onwerkzaamheid van ‘de goede wil’ en de ‘mooie gedachte’ voor het omvormen van de huidige sociale verhoudingen (blz. 89)
Impuls van de geesteswetenschap: gevoels- en wilscultuur, omvorming van het oude instinctieve naar volbewust beleven (blz. 90)
De oprichting van de vrijeschool: aansluiten bij de industrie (blz. 90)
De natuurwetenschappelijke manier van denken als enige bron voor de vorming in deze tijd (blz. 91/92)
De weg van de geesteswetenschap: het ontwikkelen van tot in de twintiger jaren onbewuste werkende krachten: imaginatie, inspiratie, intuïtie (blz. 92)
De omvorming van de actieve krachten in de derde zevenjaarsfase in imaginatie, die van de tweede fase in inspiratie, van de eerste in intuïtie (blz. 92/96
Het tegenwoordige sociale denken naar het model van de natuurwetenschappelijke ‘objectiviteit’ (blz. 97/98)
Het enthousiasmeren van wils- en gevoelskrachten door geesteswetenschappelijke kennis (blz. 99/100)
De sociaal-pedagogische terreinen van onderwijs aan jeugdigen en de ‘leer van het leven’: i.p.v. abstract-dode en levendige, concrete pedagogiek: beschouwing over de mens die wordend is (blz. 100/103)
Eisen aan de lerarenopleiding (blz. 103)
Vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school (blz. 104/105)
Over de banaliteit van het aanschouwelijkheidsonderwijs (blz. 105/106)
(Een nieuwe manier van denken is nodig (blz. 107)
Het negende levensjaar (blz. 108)
Over het schrijf- en leesonderwijs (blz. 109)
Over het zgn. vrouwenvraagstuk (blz.110)
De invloed van de geesteswetenschap op de vrouw en de man (blz.110)
De drang tot en de dodelijke tendens aan het voorbeeld van Rusland (Lenin) (blz. 111)
De spraak als sociaal instrument (blz. 111/112)
De school van het leven (blz. 113 t/m….
De huidige abstract uiterlijke en de toekomstig innerlijk psychisch-mentale organisaties
Het levensvreemde van de zgn. ‘practici’
De noodzaak van een echte i.p.v.een  metafysische, wereldvreemde geest voor het huidige leven    …..115)
‘Zoek het werkelijk praktische materiële leven” (blz.116/117)

blz. 89

Übersinnliche erkenntnis und sozial-pädagogische lebenskraft

Wenn man in der gegenwärtigen ernsten Zeit hinblickt auf das, was die Menschen angesichts des Ernstes dieser Zeit für notwendig halten, was sie sich vorstellen an notwendigen Neueinrichtungen, an notwendigen Umwandlungen der unhaltbaren Verhältnisse, dann bemerkt man, daß ja gewiß in mancher Hinsicht viel guter Wille bei den Menschen vorhanden ist, sich nach der einen oder anderen Richtung hin einer Neueinrichtung zu widmen und mitzuarbeiten an der Umwandlung dessen, was der Umwandlung bedürftig erscheint. Allein, man wird nicht umhin können – gerade wenn man von diesen zunächst so sehr ins Auge fallenden Umstän­den der gegenwärtigen Zeitkultur sich Rechenschaft gibt -, sich zu sagen: So viel guter Wille ist da, und auch in diesem guten Willen waltende, manchmal ganz schöne Gedanken [sind da. Aber] sogleich, nachdem sie entstanden sind, verpuffen sie, kommen je­denfalls nicht zu dem heute so notwendigen intensiven Ausleben.

Bovenzintuiglijke kennis en sociaal-pedagogische levenskracht

Wanneer je naar de tegenwoordige, ernstige tijd kijkt naar wat de mensen met het oog op de ernst van deze tijd noodzakelijk vinden, wat ze zich voorstellen aan noodzakelijke nieuwe instellingen, noodzakelijke veranderingen van onhoudbare toestanden, merk je dat er zeker in velerlei opzicht veel goede wil aanwezig is bij de mensen om in de een of andere richting zich te wijden aan zo’n nieuwe instelling en mee te werken aan de verandering van wat noodzakelijkerwijs schijnt te moeten veranderen. Alleen – je kan er niet omheen te zeggen– juist wanneer je je van deze aanvankelijk zo zeer in het oog springende omstandigheden van de huidige cultuur rekenschap geeft: er is zoveel goede wil, gepaard gaand met heel mooie gedachten – alleen, zo gauw nadat ze ontstaan zijn, verdampen ze, komen in ieder geval niet tot het nu zo nodige intensieve leven.

Geisteswissenschaft, wie sie hier gemeint ist, jene Geisteswissen­schaft, welche in anthroposophischer Art sucht, den Weg für die gegenwärtige Menschheit zu übersinnlichen Erkenntnissen zu bah­nen, sie möchte seit Jahrzehnten gerade da in die gegenwärtige Kul­Lur eingreifen, wo der Mangel dieser Kultur zu bemerken ist: an dem erlahmenden guten Willen und an den erlahmenden, ganz schönen Gedanken, die in diesem guten Willen leben. Denn die hier von mir seit Jahren vertretene anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft möchte gerade auf das hinweisen, was der Ge­genwart so notwendig ist und was zu gleicher Zeit Menschen dieser Gegenwart mit so großer Sympathie erfassen oder aber mit großer Antipathie eben einfach zurückweisen. Sie möchte hinweisen auf das, was auf der einen Seite Rechnung trägt dem, was Naturwissen­schaft so groß gemacht hat, und auf der anderen Seite Rechnung trägt dem, wofür Naturwissenschaft, wie wir gerade heute besprechen

Geesteswetenschap, zoals ze hier bedoeld is, die geesteswetenschap die op een antroposofische manier zoekt de weg vrij te maken voor de mensheid van nu voor bovenzintuiglijke kennis, wil al tientallen jaren juist daar in de huidige cultuur ingrijpen waar het gebrek van deze cultuur merkbaar is: aan de verlammende goede wil en aan de verlammende heel mooie gedachten die in deze goede wil aanwezig zijn. Want de hier al sinds jaren door mij vertegenwoordigde antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap zou er juist op willen wijzen wat voor de huidige tijd zo nodig is en wat tegelijkertijd mensen van nu met zo’n grote sympathie aanvaarden of ook met grote antipathie net zo eenvoudig afwijzen. Zij zou willen wijzen op wat enerzijds rekening houdt met wat de natuurwetenschap zo groot heeft gemaakt en aan de andere kant rekening houdt met waarvoor natuurwetenschap zoals wij dit nu willen bespreken

blz. 90

wollen, kein Mittel hat, also auf das, was menschliche Willenskultur, menschliche Gemütskultur ist.
Wir leben ja in einer Zeit, in welcher sich der Mensch keines­wegs mehr in der alten Weise, also instinktiv, den Impulsen seines Willens hingeben kann. Man mag noch so viele Vorurteile ins Feld führen, wenn es sich darum handelt, heute zuzugestehen, daß ge­rade unsere Zeitkultur dadurch zu charakterisieren ist, daß das alte, instinktive Leben in vollbewußtes Leben immer mehr und mehr sich überführen muß. Es ist dies eine geschichtliche, es ist dies die bedeutendste geschichtliche Tatsache, die in der Gegenwart gerade­zu zur Krisis geführt hat: daß sich alte instinktive Antriebe in der menschlichen Natur immer mehr und mehr umwandeln müssen in bewußte Antriebe,
Viel ist in dieser Richtung hin in den letzten drei bis vier Jahrhunderten bewirkt worden durch das, was in die allgemeine Zeitkultur und Zeitrichtung fließt aus dem, was Naturwissenschaft groß gemacht hat. 

geen middelen heeft, dus op wat de menselijke wilscultuur en gemoedscultuur is.
We leven in een tijd waarin de mens geenszins meer op de oude manier, dus instinctief, zich verlaten kan op de impulsen van zijn wil. Men zou nog graag zoveel vooroordelen willen opvoeren wanneer het erom gaat tegenwoordig toe te geven dat met name onze tijd te karakteriseren is dat het oude instinctieve leven steeds meer naar een volbewust leven over moet gaan. Dit is het belangrijkste geschiedkundige feit dat in deze tijd geleid heeft tot de crisis; dat de oude instinctieve impulsen in de menselijke natuur steeds meer moeten veranderen in bewuste impulsen.
In de laatste drie tot vier eeuwen is er in deze richting veel tot stand gekomen door wat de natuurwetenschap groot gemaakt heeft, door wat van daaruit in de algemene cultuur en in de loop van de tijd terecht is gekomen.

Allein, gerade wer heute in die Lage kommt, über Einrichtungen zu sinnen, die herausgewachsen sind aus den wichtigsten Bedürfnissen der Zeit, der muß dazu kommen, das Un­genügende jener Zeitbildung zu empfinden, die nur aus naturwis­senschaftlicher Denkrichtung und Denkungsart kommt. Indem versucht wird, gerade in dieser Zeit, in dieser Stadt, in einem gewis­sen begrenzten Sinn ein soziales Problem zu lösen, ein soziales Problem, das von größerer Wichtigkeit ist, als man vielleicht zunächst glauben möchte, darf einmal am heutigen Abend gerade auf die Schwierigkeiten, die der Lösung eines solchen sozialen Problems entgegenstehen, hingedeutet werden.
Es ist ja gelungen, durch jene wirklich einsichtvolle Art, welcher unser Freund, Herr Molt, durch Jahre hindurch gegenüber der an­throposophisch orientierten Geisteswissenschaft bewiesen hat, nunmehr bis dahin zu kommen, aus dem sozialen Denken für unsere Zeit heraus die sogenannte Waldorfschule zu begründen, jene Schule, welche zunächst für die Kinder der in der Firma Waldorf-Astoria Arbeitenden bestimmt ist und für einige andere Kinder, die sich zunächst angliedern. Diese Schule zeigt ja schon in

Alleen, juist wie tegenwoordig in de positie verkeert over instellingen na te denken die beantwoorden aan de belangrijkste eisen van de tijd, moet wel de conclusie trekken hoe ontoereikend het is wat in deze tijd ontstaan is alleen uit het natuurwetenschappelijk denken en uit de manier van denken. Wanneer er wordt geprobeerd, nu, in deze tijd, in deze stad, in zekere zin nog een te overzien sociaal probleem op te lossen, een sociaal probleem dat wel belangrijker is dan dat je wellicht op het eerste gezicht zou denken, mag vanavond weleens gewezen worden op de moeilijkheden waarmee je te maken krijgt, wanneer je zo’n sociaal probleem op wil lossen.
Het is gelukt, op de werkelijk inzichtsvolle manier die onze vriend, mijnheer Molt jarenlang wat de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap betreft, aan de dag heeft gelegd, er nu toe te komen vanuit het sociale denken voor onze tijd de zgn. vrijeschool op te richten, die school die allereerst bestemd is voor de kinderen van de werknemers van de firma Waldorf-Astoria en voor enkele andere kinderen die zich er nu ook naartoe gaan. Deze school

blz. 91

dem Äußeren ihres Entstehens das ganz moderne Gepräge: Angegliedert an eine industrielle Unternehmung, muß sie in eminen­testem Sinne auf die allerpraktischsten Bedürfnisse der Menschen, die ihre Kinder dieser Schule anvertrauen, Rücksicht nehmen. Und man möchte sagen: Es ist symbolisch, daß diese Schule entsteht in Anknüpfung, in lokaler Anknüpfung an den Industrialismus, der gerade die wichtigsten sozialen Probleme in unsere Zeit hinein­geworfen hat.
Bei der Begründung dieser Schule kamen für die Lehrerschaft, für die ich den einleitenden seminaristischen Kursus durch Wochen zu leiten hatte, sozial-pädagogische Aufgaben im Sinne der gegen­wärtigen Zeitkultur in Betracht. Unsere Zeitbildung fußt ja mehr, als man denkt, ganz und gar auf dem, was sich als Vorstellungsart- ich deutete es schon an – für die Erkenntnis der äußeren Natur ausgelebt hat. Wiederholt habe ich, ich darf schon sagen durch Jahrzehnte hindurch, hier betont, daß der Wert und die Bedeutung naturwissenschaftlicher Denkungsweise jedenfalls von der hier ge­meinten Geisteswissenschaft voll gewürdigt werden. Dennoch aber muß immer wieder betont werden: 

draagt uiterlijk bij het ontstaan al het zeer moderne stempel: behorend bij een industriële onderneming moet zij in buitengewoon opzicht rekening houden met wat de mensen, die hun kinderen aan deze school toevertrouwen, in de meest praktische zin nodig hebben. En dan kun je wel zeggen: het is symbolisch dat deze school ontstaat door lokaal samen te gaan met de industrie die nu juist de belangrijkste sociale problemen van onze tijd veroorzaakt heeft.
Bij de oprichting van deze school kwamen de leraren voor wie ik een paar weken de beginnersopleidingscursus moest leiden, in aanraking met de sociaal-pedagogische opdracht voor de moderne cultuur. De hedendaagse culturele vorming stoelt veel meer dan men denkt volledig op een manier van denken – ik wees er al op – die voor de kennis van de uiterlijke natuur gestalte heeft gekregen. Ik heb herhaaldelijk, ik mag wel zeggen, al jaren lang, hier benadrukt dat de waarde en de betekenis van de natuurwetenschappelijke manier van denken door de hier bedoelde geesteswetenschap volledig gerespecteerd wordt. Toch moet steeds weer benadrukt worden:

Gerade weil diese anthropo­sophisch orientierte Geisteswissenschaft mehr als die Naturwissen­schaft selbst das würdigt, was in der Naturwissenschaft lebt, des­halb muß diese anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft gerade wegen dieser naturwissenschaftlichen Gesinnung über das Naturwissenschaftliche hinausgehen. Und wiederholt habe ich es ja hier betont, auf welchem anderen Wege die Geisteswissenschaft zu ihren Erkenntnissen kommt als die gegenwärtige Naturwissen­schaft. Wiederholt habe ich darauf hingewiesen, wie durch den Weg dieser Geisteswissenschaft wirklich in die übersinnliche Welt hineingegangen werden kann. Ich habe immer wieder angedeutet -das soll heute nur mit ein paar Worten berührt werden -, wie durch die Entwicklung innerer menschlicher Kräfte, die sonst in der Menschennatur schlummern, ein Weg gebahnt wird, so daß der Mensch – geradeso, wie er durch seine Sinne die physische Umwelt erkennt, wie er durch seinen Verstand, durch Kombination die Naturgesetze in der physischen Umwelt finden kann – durch andere

Juist omdat deze antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap, meer dan de natuurwetenschap zelf, naar waarde schat wat in de natuurwetenschap leeft, moet deze geesteswetenschap juist door die natuurwetenschappelijke overtuiging, verder gaan dan deze. En herhaaldelijk heb ik ook hier gezegd langs welke andere weg de geesteswetenschap tot haar kennis komt dan de huidige natuurwetenschap. Herhaaldelijk heb ik erop gewezen hoe door deze weg van de geesteswetenschap daadwerkelijk toegang gevonden kan worden in de bovenzintuiglijke wereld. Ik heb er steeds weer op gewezen – nu zal ik er maar een paar woorden aan wijden – hoe door de ontwikkeling van innerlijke krachten die anders in de mens sluimerend aanwezig zijn, een weg bewandeld kan worden, zodat de mens – net zoals hij met zijn zintuigen de uiterlijke wereld leert kennen, zoals hij door zijn verstand, door het combineren de natuurwetten in de fysieke wereld kan vinden – door andere

blz. 92

Kräfte, die entwickelt werden können, hinschauen kann auf die geistige Welt, in der wir leben, die immer um uns ist und die nur deshalb eine unbekannte ist, weil dem Menschen im gewöhnlichen Leben die Empfangsorgane fehlen, die geistigen Sinne nicht auf­geschlossen sind.
Ich möchte nun heute einmal die Frage erörtern: Welche Kräfte gebraucht denn eigentlich diese anthroposophisch orientierte Gei­steswissenschaft, um in die übersinnliche Welt hineinzuschauen? 0, sie gebraucht sehr gesunde, durchaus normale Kräfte der Men­schennatur. Wer tiefere Einblicke wirklich tun will in die Art und Weise, wie diese anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft vorgeht, dem wird es vergehen, davon zu sprechen, daß sie irgend­wie auf ungesunde Kräfte baut, wie ihr von verleumderischer Seite immer wiederum vorgeworfen wird. Man kann nämlich in sehr einfacher Art auf die Quellen dieser anthroposophisch orientierten Geisteswissenschaft und ihren Weg in die übersinnliche Welt hin­weisen.

krachten die ontwikkeld kunnen worden, inzicht kan krijgen in de geestelijke wereld waarin wij leven die steeds om ons heen is en die alleen daarom onbekend is omdat de mens daar in het dagelijks leven geen organen heeft, de geestelijke zintuigen daarvoor niet actief zijn.
Ik wil nu de vraag stellen: welke krachten gebruikt deze antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap nu eigenlijk om in de geestelijke wereld te kunnen waarnemen? O, dat zijn zeer gezonde, en echt wel normale krachten van de menselijke natuur. Wie daadwerkelijk meer inzicht wil krijgen in de manier waarop deze geesteswetenschap te werk gaat, laat wel achterwege te zeggen dat deze opgebouwd is op bepaalde ongezonde krachten, zoals steeds weer het verwijt is van de kwaadsprekers. Je kan namelijk heel gemakkelijk wijzen naar de bronnen van deze antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap en de weg in de bovenzintuiglijke wereld.

Wenn Sie mein Buch «Wie erlangt man Erkenntnisse der höhe­ren Welten?» in die Hand nehmen, dann werden Sie dort die Stufen der übersinnlichen Erkenntnis beschrieben finden, zu denen sich der Mensch erheben kann durch die Entwicklung gewisser, in ihm schlummernder Kräfte: Erstens die imaginative Erkenntnisstufe, zweitens die Erkenntnisstufe der Inspiration, drittens die Erkennt­nisstufe der wahren Intuition. Nun, woher nimmt Geisteswis­senschaft die Kräfte, die funktionieren in so etwas wie Imagination, Inspiration, Intuition? – Wir können darauf hinweisen, daß in der kindlichen Entwicklung des Menschen Kräfte walten, welche der menschlichen Organisation zugrunde liegen. Diese Kräfte, sie lie­gen im späteren Lebensalter, wenn der Mensch eine normale Größe erlangt hat, wenn er sein Wachstum vollendet hat, gewissermaßen brach. Ich habe in diesem Frühling hier schon darauf hingewiesen, welches die Epochen menschlicher Entwicklung sind. Ich habe dar­auf hingewiesen, wie in einem ersten Zeitraum des Lebens der Mensch vorzugsweise ein nachahmendes Wesen ist, wie er instink­tiv hineinwächst in alles, was die Menschen in seiner Umgebung

Wanneer u mijn boek: ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’ ter hand neemt, vind je daar de trappen van de bovenzintuiglijke kennis beschreven, die de mens kan doorlopen door het ontwikkelen van bepaalde krachten die sluimerend in hem aanwezig zijn: ten eerste de trap van de imaginatieve kennis, ten tweede de trap van de inspiratieve kennis en ten derde de fase van de echte intuïtieve kennis. Waar haalt de geesteswetenschap nu de krachten vandaan die in zoiets als imaginatie, inspiratie en intuïtie werken? – We kunnen wijzen op de krachten die actief zijn in de ontwikkeling van een kind en die ten grondslag liggen aan de menselijke organisatie. Die krachten liggen op latere leeftijd, als de mens een normale grootte bereikt heeft, wanneer zijn groei voorbij is, braak. Ik heb er hier in de lente al op gewezen wat de fasen van de menselijke ontwikkeling zijn. Ik zei hoe in de eerste fase van het leven de mens voornamelijk een nabootsend wezen is, hoe hij instinctief meegroeit met alles wat de mens in zijn omgeving

blz. 93

machen, und es in seinen Bewegungen, in seinen Lauten, in seiner Sprache, ja selbst in seinen Gedanken nachmacht. Diese nach­ahmende Bewegung, die reicht ungefähr bis zum Zahnwechsel, bis zum siebenten Lebensjahr ungefähr. Dann beginnt für den, der die menschliche Natur genauer beobachten kann, etwas ganz anderes tätig zu sein: Das Bedürfnis der menschlichen Natur, vom sechsten, siebenten Lebensjahr bis zur Geschlechtsreife sich anzulehnen an die Menschen, die schon Erfahrung haben, an Erwachsene, die in ihrer Umgebung sind, an die das Kind hingebungsvoll glauben kann; dann beginnt in dem Kinde das Bedürfnis, unter dem Einfluß verehrter Autoritäten zu handeln. Gegenüber dem früheren Nach­ahmungstrieb tritt jetzt diese Sehnsucht hervor, unter dem Einfluß verehrter Autoritäten zu handeln. – Jene Selbständigkeit dem Leben gegenüber, die auf eigene Urteilskraft aufgebaut ist, jene Selbständigkeit, die darauf beruht, in alle Dinge lebensvoll unterzu­tauchen, sie entwickelt sich im Grunde genommen erst mit der Geschlechtsreife im vierzehnten Lebensjahr bis zum zwanzigsten, einundzwanzigsten Jahr hin.

doet en hem in zijn bewegingen, in zijn klanken, in zijn spreken, ja zelfs in zijn gedachten nabootst. Deze nabootsende beweging duurt ongeveer tot aan de tandenwisseling, tot ongeveer het zevende jaar. Dan begint voor degene die de mensennatuur intiemer waar kan nemen iets heel anders actief te worden: de behoefte van de menselijke natuur, vanaf het zesde, zevende jaar tot aan de puberteit zich te richten op de mensen die al ervaring hebben, op volwassenen die in hun omgeving zijn, in wie het kind vol overgave kan geloven; dan ontstaat in het kind de behoefte actief te zijn in de invloedssfeer van een geliefde autoriteit. Tegenovergesteld aan de nabootsingsdrang die hiervóór aanwezig was, ontstaat nu de behoefte in de invloedssfeer van een geliefde autoriteit te handelen. – Die zelfstandigheid voor het leven die op het eigen oordeel berust, die erop berust levendig in te gaan op de dingen, komt in de aard der zaak pas tot ontwikkeling met de puberteit in het veertiende tot het twintigste, eenentwintigste jaar.

Das sind drei deutlich voneinander geschiedene Lebensepochen der menschlichen Jugend. Nur wer sein gesundes Urteil verlegt durch allerlei Vorurteile, kann übersehen, wie jene Kräfte, welche bis zum siebenten Jahr als Formkräfte wirken – denn bis dahin ist die Formung des Leibes ungefähr abgeschlossen, die Formen wer­den dann noch größer, aber das Plastische ist ausgebildet bis zum siebenten Jahr -, dann mehr innerlich wirken, indem sie als Le­benskräfte wirken, den Menschen erstarken machen, aber insbe­sondere als innere Wachstumskräfte wirken bis zum vierzehnten Jahre hin. Und sie wirken so, daß sie vom vierzehnten bis zum zwanzigsten Jahr innerlich die Organe kräftigen, welche auf das Verständnis der Umwelt gerichtet sind beim Kinde, also jene Or­gane, welche fähig sind, sich in die Umwelt zu vertiefen. Es arbeitet das Geistig-Seelische am Physisch-Körperlichen des Menschen in verschiedener Art bis zum siebenten Jahr, bis zum vierzehnten Jahr, bis zum einund zwanzigsten Jahr. Kräfte, die ganz deutlich für den Unbefangenen geistig-seelische Kräfte sind, arbeiten sich heraus,

Dit zijn drie duidelijk van elkaar te onderscheiden fasen in de tijd van de menselijke jeugd. Alleen wie zijn gezond oordeelsvermogen laat prevaleren boven allerlei vooroordelen, kan overzien hoe de krachten die tot het zevende jaar als vormkrachten werken – want tegen die tijd is de bouw van het lichaam ongeveer klaar, de vorm wordt nog wel groter, maar het plastische is tot het zevende jaar gevormd – dan meer in het innerlijk werken, wanneer ze als levenskrachten werken, de mens sterker laten worden, maar vooral ook als innerlijke groeikrachten werken tot aan het veertiende jaar. En de werkzaamheid is zo dat ze van het veertiende tot het twintigste jaar inwendig de organen sterker maken die bij het kind gericht zijn op het begrijpen van de wereld, dus die organen die in staat zijn zich in de wereld te verdiepen. Wat geest-ziel is werkt op een verschillende manier aan het fysiek-levende van de mens tot aan het zevende, tot aan het veertiende, tot aan het eenentwintigste. Krachten die voor degene die onbevangen waarneemt, geest-zielenkrachten zijn, komen tot ontwikkeling

blz. 94

um die Organe des Menschen zu beherrschen und sie in der Entwicklung weiterzubringen.
Diese Kräfte sind also da, diese Kräfte, die gewissermaßen bis zum siebenten Jahr hin jenen bedeutungsvollen Abschluß hervor­bringen in der menschlichen Organisation, die herauskristallisieren aus der menschlichen Natur die zweiten Zähne! Und dasjenige Ge­heimnisvolle in der menschlichen Organisation, was bis zum vier­zehnten Jahr hin wirkt und zusammenhängt mit dem Wachstum, der Entfaltung, das ist doch da, das wirkt! Nun fragen wir: Wenn wir in den Zwanzigerjahren die Organisation abgeschlossen haben – wo ist denn das, was bis dahin vom Geistig-Seelischen heraus in unsere physisch-leibliche Organisation hineingewirkt hat? Das ist da, das bleibt auch da! Aber geradeso, wie die Kräfte, die wir vom Aufwachen bis zum Einschlafen zu unserer Tagesarbeit und Tages-beobachtung verwenden, vom Einschlafen bis zum Aufwachen in uns schlafen und schlummern, so schlummern vom Beginn der Zwanzigerjahre ab in der menschlichen Natur die Kräfte, die in den Kinder- und Jugendjahren die Organisation durchfeuert haben, die Organisation durchglüht haben, so daß aus dem Kinde ein Erwach­sener geworden ist, mit alledem, was dazu gehört.

om de organen van de mens te beheersen en deze verder te ontwikkelen.
Die krachten zijn er dus, die in zekere zin tot aan het zevende jaar tot een belangrijke afsluiting komen in de menselijke organisatie; zij veroorzaken dat in de menselijke natuur de blijvende tanden verschijnen (Steiner gebruikt hier ‘kristalliseren’. En ook dat geheimzinnige proces in de menselijke organisatie dat tot aan het veertiende jaar zich afspeelt en samenhangt met groei, ontplooiing, dat is er en het is actief! Nu vragen we ons af: wanneer we, als we zo twintig zijn en die organisatie afgesloten hebben – waar is dan wat tot dan toe vanuit het geest-zielenelement in ons fysiek-levende organisatie gewerkt heeft? Dat zit daar en dat blijft daar ook! Maar net zoals we de kracht die wij van wakker worden tot inslapen gebruiken om overdag te werken en waar te nemen, die van inslapen tot wakker worden slapend en sluimerend in ons aanwezig zijn, net zo sluimeren vanaf het begin van het twintigste jaar af in de menselijke natuur de krachten die in de kinder- en jeugdjaren in de organisatie ‘gevlamd’ hebben, zodat uit een kind een volwassene is geworden met alles wat daarbij behoort.

Wer den ganzen Menschen ins Auge faßt, der weiß: In dem Augenblick, wo die Organisation diesen Punkt erreicht, da treten gleichsam zurück in das Innere der Menschennatur die Kräfte, die im Kinde, im Jüng­ling, in der Jungfrau gewirkt haben. Diese Kräfte schlummern dann. Sie können erweckt werden, jene Kräfte, welche vom vier­zehnten Jahr bis zum zwanzigsten, einundzwanzigsten Jahr in uns gewöhnlich die beobachteten Vorgänge hervorgebracht haben, durch die wir allmählich Verständnis gewinnen für unsere Umge­bung und durch die die Organe in uns ausgebildet werden, die erst nach dem Auftreten der Geschlechtsreife ausgebildet werden kön­nen; Organe, die nicht nur einseitig auf die Geschlechtsliebe gehen, sondern darauf, daß wir uns liebevoll in die ganze Menschheit, in die ganze Welt vertiefen können. Dieses liebevolle Vertiefen erst gibt uns das wirkliche Verständnis der Welt. Was wir bis zum ein­undzwanzigsten Jahr noch zum Wachstum, zum Aufbau von inneren

Wie naar de hele mens kijkt, weet: op het ogenblik dat de organisatie dit punt heeft bereikt, doen de krachten in het innerlijk van de mens die in het kind, de jongen en het meisje werkzaam zijn geweest, a.h.w. een stapje terug. Die krachten sluimeren dan. We kuunen die krachten wekken die vanaf het veertiende tot het 20e, 21e jaar gewoonlijk in ons de processen teweeg brengen die we hebben waargenomen, waardoor we langzamerhand begrip hebben gekregen voor onze omgeving en waardoor onze organen ontwikkeld werden die pas na de geslachtsrijpheid tot ontwikkeling gebracht konden worden; organen die niet alleen maar met de geslachtsrijpheid te maken hebben, maar ook met de kracht waarmee we ons liefdevol in de hele mensheid, in de hele wereld kunnen verdiepen. Pas dit liefdevol verdiepen geeft ons een echt begrip van de wereld. Wat wij tot het eenentwintigste jaar nog voor de groei, voor de opbouw van innerlijke

blz. 95

Organen verwenden, das wird, möchte man sagen, nüchtern, wird bloß urteilsmäßig, verstandesmäßig im Beginn der Zwanzi­gerjahre. Da hört eine gewisse geistig-seelische Kraft auf, zu orga­nisieren. Da wird sie bloß imaginäre, innere Kraft, seelische Kraft. Da ist sie nicht mehr so stark wie früher, als sie eingreifen mußte in die Organisation. Findet man sie, diese in der Menschennatur schlummernde Kraft, die vorher eine bildende Kraft war und es jetzt nach dem zwanzigsten Jahr nicht mehr ist, und bildet man sie aus, so daß sie vorhanden ist nach dem erreichten zwanzigsten Jahr wie früher, da sie am Leibe wirkte, dann wird sie zur imaginativen Kraft. Dann erlangt der Mensch die Fähigkeit, nicht nur in abstrak­ten Begriffen die Welt zu sehen, sondern in Bildern, die so lebendig sind, wie die Träume sind, und die Wirklichkeit bedeuten wie sonst unsere abstrakten Begriffe. Das, was uns befähigt, die Welt in sol­chen Bildern zu sehen, das, was uns befähigt, die erste Stufe der übersinnlichen Erkenntnis zu erreichen, das ist dieselbe Kraft, die vorher im gesund sich entwickelnden Menschen für die Liebeskraft wirke, die aus der menschlichen Natur hervorgeholt werden kann und die tiefer hineinführt in die Umgebung des Menschen als der gewöhnliche Verstand und die gewöhnlichen Sinne.

organen gebruiken, wordt om zo te zeggen, nuchter, alleen maar oordeelsmatig, verstandsmatig wanneer je twintiger wordt. Dan houdt een bepaalde geest-zielenkracht op te vormen. Die wordt enkel en alleen imaginaire, innerlijke kracht, zielenkracht. Dan is die niet meer zo sterk als vroeger toen die nog moest ingrijpen in de organisatie. Als je die kracht vindt die in de menselijke natuur sluimert, die daarvóór een vormende kracht was en dat nu, na het twintigste jaar niet meer is, en als je deze ontwikkelt zodat die na het bereiken van het twintigste jaar voorhanden is zoals vroeger toen ze aan het lichaam vormde, dan wordt deze een imaginatieve kracht. Dan krijgt de mens het vermogen niet alleen maar in abstracte begrippen naar de wereld te kijken, maar in beelden die zo levendig zijn als de droombeelden en die een realiteit zijn zoals anders onze abstracte gedachten. Wat ons de mogelijkheid geeft de wereld in zulke beelden te zien, wat ons mogelijk maakt de eerste trap van bovenzintuiglijke kennis te bereiken, is dezelfde kracht die daarvóór in een zich gezond ontwikkelend mens aan de kracht van de liefde werkte die uit de mensennatuur gehaald kan worden en die dieper inwerkt op de omgeving van de mens dan het alledaagse verstand en de gewone zintuigen.

Und dann kann man weitergehen, denn auch diejenigen Kräfte sind schlummernd im späteren Menschen, welche ungefähr vom siebenten Jahr ab, also vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife, die wesentlichen Vorgänge im menschlichen Organismus bewir­ken. Diese Kräfte schlummern tiefer unter der Oberfläche des gewöhnlichen Seelenlebens als jene Kräfte, die ich eben als die ima­ginativen bezeichnet habe. Wenn diese Kräfte hervorgeholt wer­den, die gewissermaßen im späteren Menschen unbeschäftigte geworden sind gegenüber der leiblichen Organisation, wenn diese geistig-seelischen Kräfte heraufgeholt werden aus ihrem Schlum­mer-, ihrem Schlafzustand, dann sind sie die Kräfte der Inspiration. Und dann sind sie diejenigen Kräfte, die uns vermitteln, daß die Bilder, von denen ich gerade sprach bei der imaginativen Erkennt­nis, sich mit geistigem Gehalt erfüllen, daß wirklich diese Bilder -die auftreten wie Traumbilder, aber nicht Traumbilder sind – eine

En dan kan je verdergaan, want ook die krachten liggen sluimerend in de latere mens die ongeveer van het zevende jaar af, dus van de tandenwisseling tot aan de puberteit de wezenlijke processen in het menselijke organisme verzorgen. Die krachten sluimeren dieper onder de oppervlakte van het gewone zielenleven dan de krachten die ik net de imaginatieve heb genoemd. Wanneer deze krachten ontwikkeld worden die in zekere zin in de latere mens niet meer aangesproken worden voor de lichamelijke organisatie, wanneer deze geest-zielenkrachten gewekt worden uit hun sluimer- , hun slaaptoestand, dan zijn dat de krachten van de inspiratie. En dan zijn dat de krachten die het ons mogelijk maken dat de beelden waarover ik net sprak bij de imaginatieve kennis, een geestelijke inhoud kunnen krijgen, dat deze beelden – die kunnen ontstaan alks droombeelden, maar dat niet zijn – een

blz. 96

geistige Wirklichkeit wiedergeben, die außer uns in unserer Um­gebung ist.
Und wenn wir gar die noch tiefer in der menschlichen Natur schlummernden Kräfte heraufholen, die Kräfte, die in der ersten Kindheit die organisierenden sind, die von der Geburt bis zum Zahnwechsel als die stärksten gegenüber der menschlichen Organi­sation gewirkt haben, dann aber auch am tiefsten sich zurückgezo­gen haben vom äußeren leiblich-physischen Leben, wenn wir diese Kräfte für die späteren Lebenszeiten heraufholen und mit ihnen durchsetzen, was Imagination, Inspiration ist, dann bekommen wir die intuitiven Kräfte der übersinnlichen Erkenntnis: Kräfte, durch die der Mensch fähig wird, in die Wirklichkeit der geistigen Welt unterzutauchen, wie er durch die Sinne und den gewöhnlichen, an den Leib gebundenen Willen in die physische Welt untertaucht.
In drei Stufen, durch Imagination, durch Inspiration und durch [ntuition gelangt der Mensch in die übersinnliche Welt hinein. Das, was er anwendet als solche Kräfte, sind keine abnormen Kräfte, sondern sind gerade die allernormalsten. 

geestelijke realiteit laten zien die buiten ons in onze omgeving aanwezig is. En wanneer we de krachten ontwikkelen die dan nog dieper in de menselijke natuur sluimeren, krachten die in onze eerste kindertijd de vormende krachten zijn die van geboorte tot tandenwisseling als de sterkste krachten ingrijpend gewerkt hebben in de menselijke organisatie, dan zich echter ook het diepst teruggetrokken hebben uit het uiterlijk levend-lichamelijke leven en wanneer we deze krachten voor de latere tijd in het leven naar boven halen en daarmee doordríngen wat imaginatie, inspiratie is, ontstaat in ons de intuïtieve kracht van de bovenzintuiglijke kennis: krachten waardoor de mens het vermogen krijgt op de werkelijkheid van de geestelijke wereld in te gaan, zoals hij door de zintuigen en de alledaagse aan het lichaam gebonden wil in kan gaan op de fysieke wereld.

Es sind diejenigen Kräfte, durch die der Mensch in gesunder Weise von seiner Geburt bis in die Zwanzigerjahre hinein sich erst entwickelt und die dann brach liegen gelassen werden, die aber hervorgeholt werden können und dann, wenn sie nicht beschäftigt sind, uns zu organisieren, an­gewendet werden können, um uns die geistige Welt zu offenbaren. zu erschließen.
Damit habe ich Sie auf die Quelle derjenigen Kräfte hinge­wiesen, welche den Weg in die übersinnliche Welt hinein bahnen wollen. Wer diesen Weg ernst zu nehmen vermag, der wird zu unterscheiden wissen, was dieser richtig geben kann gegenüber dem, was bloße Naturwissenschaft, bloße naturwissenschaftliche Erkenntnis zu geben vermag.
Und warum betone ich denn eigentlich immerfort diese naturwissenschaftliche Erkenntnis? Man hätte heute nicht so oft die Notwendigkeit, die naturwissenschaftliche Erkenntnis und die Gesinnung, die aus ihr fließt, zu betonen, wenn das, was heute namentlich öffentliches Denken ist und was auch eingreift in das

Het zijn de krachten waardoor de mens op een gezonde manier vanaf zijn geboorte tot in de jaren dat hij twintig is zich dus ontwikkelt en die dan als onbenutte krachten blijven liggen; ze kunnen echter wel ontwikkeld worden en als ze niet gebruikt worden om aan ons te werken, kunnen ze gebruikt worden om ons de geestelijke wereld te openbaren, ons de toegang daartoe te verschaffen.

Hiermee heb ik u op de bron gewezen van de krachten die de weg willen banen naar de bovenzintuiglijke wereld. Wie deze weg in ernst wil gaan, zal weten te onderscheiden wat deze echt kan schenken t.o.v. wat de natuurwetenschap, de natuurwetenschappelijke kennis slechts kan geven.
En waarom leg ik toch eigenlijk steeds de nadruk op deze natuurwetenschappelijke kennis? Men voelt tegenwoordig niet zo vaak de behoefte op de natuurwetenschappelijke kennis en de gezindheid die ze meebrengt, de nadruk te leggen wanneer dat wat tegenwoordig dan de officiële manier van denken is en wat ook ingrijpt in het

blz. 97

Soziale und in die Sozialpolitik, nicht ganz nachgebildet wäre der naturwissenschaftlichen Vorstellungsart. Gewiß, hier liegt etwas vor, worauf sehr viele Menschen noch gar nicht achten, was aber beachtet werden muß, wenn man wirklich etwas zur Gesundung unserer krank gewordenen sozialen Zeitkultur finden will. Man muß sich darüber klar werden: Alles menschliche Denken ist so sehr durchsetzt mit dem, was durch das naturwissenschaftliche Vorstellen heraufgezogen ist, daß, wenn heute der Mensch anfängt, über etwas anderes zu denken, er die naturwissenschaftliche Denkungsweise und Gesinnung hineinträgt.
Was ist denn schließlich das sozial-politische Denken in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts und bis ins 20. Jahrhundert hinein, bis heute? Und was ist es im Grunde genommen heute noch, was uns als sozialistische Theorie überall entgegentritt? Es ist ein soziales Denken nach dem Muster des naturwissenschaftlichen Denkens. Warum erscheint uns denn dieses soziale Denken, wie ich es in diesen Vorträgen hier oftmals charakterisieren mußte, so unfruchtbar?

sociale en in de sociale politiek, er niet net zo uitgezien zouden hebben als de manier van voorstellen van de natuurwetenschap. Zeker hebben we hier iets waar erg veel mensen nog helemaal niet op letten, maar waar je wel aandacht aan moet schenken als je werkelijk iets wil vinden om de ziek geworden sociale tijd gezond te maken. Het moet duidelijk worden: al het menselijk denken is zo doortrokken met wat door het natuurwetenschappelijk voorstellen aan invloed heeft gewonnen dat wanneer de mens nu begint te denken over iets anders, hij de manier van natuurwetenschappelijk denken en de gezindheid daarvan erin meeneemt. Wat is uiteindelijk het sociaal-politieke denken in de tweede helft van de 19e eeuw tot in de 20e aan toe, tot nu? En wat is in de aard der zaak genomen, nu nog steeds wat ons als socialistische theorie overal tegemoetkomt? Het is een sociaal denken naar voorbeeld van het natuurwetenschappelijk denken. Waarom treedt toch dat sociale denken zoals ik dat in deze voordrachten al vaak moest karakteriseren, als zo onvruchtbaar aan het licht?

Weil dieses soziale Denken – nehmen Sie zum Bei­spiel das marxistisch-englisch-sozialistische Denken – ganz und gar durchseucht ist von nur naturwissenschaftlicher Gesinnung, und weil die naturwissenschaftliche Gesinnung auf ein Gebiet angewen­det wird, wo diese naturwissenschaftliche Gesinnung eben nichts ausrichten kann.
Denn beachten Sie doch einmal, was das wichtigste Kennzeichen dessen ist, was ich Ihnen heute angegeben habe als übersinnliche Erkenntnisse im Sinne der anthroposophisch orientierten Geistes­wissenschaft. Da ist das wichtigste Kennzeichen, daß sich diese übersinnliche Erkenntnis solcher Kräfte bedient, die eng zusam­menhängen mit dem, was der Mensch ist. Wie könnte man sich denn überhaupt mehr mit der menschlichen Natur zusammenhän­gender Kräfte bedienen – für irgendein Ideal, für irgend etwas, was zu verwirklichen ist -, als wenn man die Kräfte dazu verwendet, die der menschlichen Organisation selbst zugrunde liegen, dem zu­grunde liegen, was wir als Mensch hier sind, und die wir aus ihrem Versteck in dem Moment herausholen, da sie der Mensch zu seiner

Omdat dit sociale denken – neem bijv. het socialistische denken van Marx en Engels – volledig doorspekt is met de natuurwetenschappelijke overtuiging en omdat deze op een gebied toegepast wordt, waarop die niets kan uitrichten.
Want kijk nu eens naar wat het belangrijkste kenmerk is van wat ik u vandaag verteld heb over de bovenzintuiglijke kennis in de zin van de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap. Het belangrijkste daarbij is dat deze bovenzintuiglijke kennis krachten gebruikt die samenhangen met wat de mens is. Hoe zou je dan überhaupt nog van meer dan de met de menselijke natuur samenhangende krachten gebruik maken – om een of ander ideaal, om iets, wat dan ook te verwezenlijken – dan wanneer je de krachten gebruikt die aan de menselijke organisatie zelf ten grondslag liggen, aan wat wij hier als mens zijn om die op het ogenblik dat de mens die voor zijn organisatie niet meer gebruikt, uit het verborgene tevoorschijn te halen

blz. 98

Organisation nicht mehr braucht, und die wir dann anwenden zur Erkenntnis.
Demgegenüber ist das, was die gewöhnliche naturwissenschaft­liche Vors tellungsart und das heutige sozial-politische Denken sind, ein Leben in Begriffen, die abstrakt sind, die nur – so könnte man sagen – mit der Organisation des menschlichen Kopfes erfaßt werden, von den Kräften, die der Mensch noch übrig behält, wenn er in den Zwanzigerjahren seine volle Organisation erreicht hat und die Kräfte schlafen oder schlummern läßt, die viel realer sind, weil sie an seiner Organisation selbst arbeiten.
Das, was wir gewinnen in den Begriffen, von denen uns die Naturwissenschaft erzählt und die wir heute so gerne auch auf die soziale Wissenschaft, ja auch auf das sozial-pädagogische Wirken anwenden möchten, diese Begriffe und Ideen – überhaupt alles das, was wir auf solche Weise für unseren Seeleninhalt gewinnen -, das nimmt sich gegenüber dem, was ich Ihnen heute charakterisiert habe als den Inhalt der übersinnlichen Erkenntnis, nur wie die Spiegelbilder einer Wirklichkeit aus. Und in der Tat:

om die dan te gebruiken voor onze kennis. Dat is tegenovergesteld aan wat de alledaagse natuurwetenschappelijke manier van voorstellen en het huidige sociaal-politieke denken is, een leven in begrippen die abstract zijn, die alleen – kun je zeggen – met de organisatie van het menselijk hoofd begrepen kunnen worden, en tegenovergesteld aan de krachten die de mens nog over heeft wanneer hij in zijn twintiger jaren volgroeid is en de krachten laat slapen of sluimeren, die veel werkelijker zijn omdat ze aan zijn organisatie zelf werken.
Wat we winnen door de begrippen die de natuurwetenschap ons levert en die wij vandaag zo graag ook op de sociale wetenschap, ja zelfs op het sociaal-pedagogische werk willen toepassen, deze begrippen en ideeën – maar alles wat wij op deze manier voor de inhoud van onze ziel winnen – is tegenover wat ik u vandaag gekarakteriseerd heb als de inhoud van de bovenzintuiglijke kennis, slechts zoiets als een spiegelbeeld van de werkelijkheid. En inderdaad:

Alles, was wir an Begriffen gewinnen, wenn unser Verstand kombiniert über die Sinnesempfindungen und Sinneswahrnehmungen, und auch alles das, was wir wissen von unseren Willensimpulsen, alles das ist eigentlich nur wie ein Schatten, ein Spiegelbild gegenüber dem, was so eng verwoben ist mit menschlichem Werden und Weben und Wesen wie die uns selbst organisierenden Kräfte. Daher der ab­strakte Charakter, der vom Menschen losgelöste Charakter dessen, was durch naturwissenschaftliche Denkweise zustande kommt. Und man ist ja stolz darauf, solche naturwissenschaftlichen Er­kenntnisse zu gewinnen, bei denen der Mensch mit seinem Willen nichts zu tun hat, die, wie man sagt, «ganz objektiv» sind. Geistes­wissenschaft strebt danach, nicht den Menschen herauszuwerfen aus der Welt, wenn es sich um Erkenntnisse handelt, sondern ihn gerade hereinzuziehen, indem sie durch diejenigen Kräfte zu ihren Erkenntnissen kommen will, die die Organisationskräfte des Men­schen selbst sind. Daher kommt es, daß wir überall wahrnehmen können: Naturwissenschaftliches Vorstellen und auch was nach

Alles wat we aan begrippen winnen, wanneer ons verstand zintuiggewaarwordingen en zintuigwaarnemingen combineert en ook alles wat we weten van onze wilsimpulsen, is eigenlijk maar een schaduw, een afspiegeling in vergelijking met wat zo intens verbonden is met alles wat menselijke ontwikkeling is zoals de krachten die ons vormen. Vandaar het abstracte karakter, het van de mens losgeraakte karakter van wat door de natuurwetenschappelijke manier van denken tot stand komt. En men is er trots op als men dergelijke natuurwetenschappelijke kennis verkrijgt waarbij de mens met zijn wil niets hoeft te doen, die, zoals men zegt, ‘geheel objectief’ is. Geesteswetenschap streeft ernaar om niet de mens uit de wereld te verwijderen, wanneer het om kennis gaat, maar om hem er juist meer mee te verbinden, wanneer zij door die krachten tot haar kennis wil komen die de vormende krachten van de mensen zelf zijn. Daar komt het door dat wij overal kunnen waarnemen: natuurwetenschappelijk voorstellen en ook wat volgens

blz. 99

diesem Muster heute sozial-politisches Vorstellen ist, befriedigt die menschliche Wißbegierde, befriedigt die Anforderungen des Ver­standes, aber – das ist deutlich – diese Vorstellungen haben keine Kraft, den Willen des Menschen zu moussieren, zu durchsetzen, zu durchfeuern. Und würde diese naturwissenschaftliche Bildung in ihrer Einseitigkeit immer größer und größer, immer mehr allein­herrschend werden, so würde schließlich die menschliche Willens­kraft vollständig erlahmen müssen. In unserer Zeit muß beachtet werden, daß die unter dem Einfluß naturwissenschaftlicher Gesin­nung schon erlahmenden Willenskräfte angefeuert werden durch etwas, was in die Willenskräfte hinein befeuernd fließen kann, weil es aus der menschlichen Organisation herausgeholt worden ist als geisteswissenschaftliche Erkenntnis vom Menschen selbst.
Sehen Sie, das ist dasjenige, was Geisteswissenschaft will und was Geisteswissenschaft, wie sie hier gemeint ist, auch vollbringen kann: eine Erkenntnis bewirken, die nicht bloß für den Verstand da ist, sondern die in Gemüt und Wille übergeht.

dit patroon tegenwoordig sociaal-politiek voorstellen is, bevredigt de menselijke behoefte aan kennis, bevredigt de dringende vragen van het verstand, maar – dat is duidelijk – deze voorstellingen hebben geen kracht de wil van de mens te prikkelen, aan te zetten, te doorgloeien. En zou deze natuurwetenschappelijke vorming in haar eenzijdigheid steeds groter worden, steeds overheersender, dan zou uiteindelijk de menselijke wilskracht volledig moeten verlammen. In onze tijd moet gezien worden dat onder invloed van de natuurwetenschappelijke overtuiging al lamgeslagen wilskracht ge-enthousiasmeerd wordt door iets wat stimulerend op de wilskracht werken kan, omdat het vanuit de menselijke organisatie gehaald is als geesteswetenschappelijke kennis van de mens zelf.
Kijk, dat wil geesteswetenschap en wat die zoals ze hier wordt bedoeld, voor elkaar kan krijgen: inzicht geven, niet alleen voor het verstand is, maar dat dit ook deel wordt van gevoel en wil.

Gewiß, man verlangt heute ja immer wieder und wieder, beson­ders auf pädagogischem Gebiet, es solle nicht bloß erzogen und unterrichtet werden für den Erwerb von Wissen, sondern es solle zum Können, zum Arbeiten erzogen werden, es solle der Wille gebildet werden. Hier haben wir einen der Punkte, wo man sagen kann: Unter unseren Zeitgenossen ist viel guter Wille vorhanden. Gewiß, es ist viel guter Wille vorhanden, wenn heute die Menschen sagen, man solle nicht Erkenntnisschulen, sondern Schulen der Arbeitsfähigkeit, Schulen des Könnens begründen. Aber der gute Wille genügt nicht; es muß die Kraft vorhanden sein, diesen guten Willen zu durchhellen, zu durchleuchten mit wirklicher Einsicht. Und diese Einsicht ist an sich nicht damit befriedigt, daß man ein­fach sagt, man solle Schulen nicht des Kennens, sondern des Kön­nens errichten, sondern bei dieser Einsicht geht es darum, daß es in unserem Zeitalter, das immer mehr und mehr vom Instinktiven zum Bewußten übergeht, notwendig ist, nicht nur instinktiv auf den Willen zu wirken, vom Lehrer auf den Zögling instinktiv zu wirken, sondern Begriffe, Ideen, Vorstellungen von dem Lehrer auf

Zeker, men verlangt tegenwoordig steeds opnieuw, vooral op het gebied van de pedagogie, dat er niet alleen maar opgevoed en lesgegeven wordt om kennis te vergaren, maar er moet opgevoed worden zodat iemand iets kan, kan werken, de wil moet gevormd worden. Hier hebben we een van de punten waarvan je kan zeggen: onder onze tijdgenoten is veel goede wil aanwezig. Echt, er is veel goede wil aanwezig, wanneer vandaag de mensen zeggen dat je geen scholen moet oprichten voor kennis, maar scholen die je geschikt maken om te werken, scholen die het ‘kunnen’ aanleggen. Maar goede wil is niet genoeg; de kracht moet aanwezig zijn om deze goede wil bewuster te maken, om er licht op te werpen met werkelijk inzicht. En dit inzicht heeft er op zich niet genoeg aan dat men simpelweg zegt dat je scholen moet oprichten, niet voor het kennen, maar voor het kunnen, maar bij dit inzicht gaat het erom dat het in onze tijd steeds meer van instinctief-zijn, naar bewust-zijn overgaat; noodzakelijk is niet alleen maar instinctief op de wil te werken, van leraar naar leerling instinctief te werken, maar begrippen, ideeën, voorstellingen van de leraar op

blz. 100

das Kind übergehen zu lassen; aber solche Vorstellungen, die nicht bloß Vorstellungen sind, die gedacht werden, sondern solche Vor­stellungen, die den Willen befeuern, die den ganzen Menschen er­füllen. Nicht darum handelt es sich, daß man einseitig betont, nur der Wille oder nur das Gemüt sollen gebildet werden. Nein, es handelt sich darum, daß wir die Möglichkeit gewinnen, auf eine solche Einsicht, auf solche Vorstellungen, auf solche Begriffe hin­zuwirken, die in sich die Kraft haben, in den Willen überzugehen, für den Willen das innere Feuer zu bilden. Dies braucht man heute zum Heile unserer in vieler Beziehung kranken Gegenwart, um es in der richtigen Art anzuwenden auf dem zweiten sozial-pädagogi­schen Gebiet.
Das erste dieser sozial-pädagogischen Gebiete ist dasjenige, dem unsere eben gegründete Waldorfschule dienen soll: das Gebiet, das den Jugendunterricht umfaßt, jenen Unterricht und jene Erzie­hung, durch den die Menschen hineingestellt werden sollen in das, was heute und für die nächste Zukunft durch ein wirklich soziales Denken von diesen Menschen gefordert wird. Wir werden sehen, wie sehr dies eine Frage der Geisteswissenschaft ist, wie sehr dies eine Frage des Weges in die übersinnlichen Welten hinein ist.

het kind over laat gaan; maar dan zulke voorstellingen die niet alleen voorstellingen zijn die gedacht worden, maar die de wil aansporen, die de hele mens vervullen. Het gaat er niet om dat je eenzijdig benadrukt dat alleen de wil of het gevoel gevormd moet worden. Nee, het gaat erom dat wij de mogelijkheid krijgen naar zo’n inzicht, naar die voorstellingen, naar die begrippen toe te werken die kracht hebben die in de wil kan komen, voor de wil het innerlijke vuur vormen. Dit heeft men tegenwoordig voor het heil van onze in veel opzichten zieke tijd nodig om die op de juiste manier toe te passen op het tweede sociaal-pedagogische gebied.
Het eerste sociaal-pedagogische gebied is het terrein waarop onze pas opgerichte vrijeschool dienstbaar wil zijn: het gebied dat het onderwijs aan jeugdigen betreft, dat onderwijs en die opvoeding waardoor de mensen hun plaats moeten innemen in wat nu en voor de naaste toekomst door een daadwerkelijk sociaal denken door deze mensen ge-eist wordt. We zullen zien hoe zeer dit een vraag van de geesteswetenschap is, hoe zeer dit een vraag is naar de weg die naar de bovenzintuiglijke wereld is.

Das andere Gebiet, das sozial-pädagogisch in Betracht kommt, ist das, von dem ich sagen möchte, es soll vermitteln die «Lehre des Lebens». Wir stehen schlecht im Leben, wenn wir diesem Leben steif und fremd gegenüberstehen. Wir stehen nur dann recht im Leben drinnen, wenn jeder Augenblick, jeder Tag, jede Woche, jedes Jahr für uns eine Quelle ist, für unsere Weiterentwicklung zu lernen. Wir werden unsere Schule – gleichgültig, wie weit wir in ihr gekommen sind – am besten durchgemacht haben, wenn wir durch diese Schule gelernt haben, vom Leben zu lernen. Finden wir die rechte Art, uns jedem Menschen, der uns begegnet, gegenüberzustellen, dann wird er für uns eine Quelle der Weiterentwicklung in allem, was er uns bewußt oder namentlich unbewußt gibt und ist. In allem, was wir tun, Stunde für Stunde, Tag für Tag, Woche für Woche, erleben wir uns selber so, daß wir durch das, was wir mit uns durch die Umwelt erleben, in uns eine Quelle der stetigen

Het andere gebied dat sociaal-pedagogisch in aanmerking komt is dat waarvan ik zou willen zeggen dat het de ‘leer van het leven’ overdraagt. We staan slecht in het leven, wanneer we er star en vreemd tegenover staan. We staan pas goed in het leven, wanneer ieder ogenblik, iedere dag, iedere week, elk jaar een bron is voor ons om te leren ons verder te ontwikkelen. We zullen onze school – om het even hoe ver we zijn gekomen – het beste zijn doorlopen, wanneer we door de school geleerd hebben, van het leven te leren. Vinden we de juiste manier om ieder mens die we ontmoeten tegemoet te treden, dan wordt deze voor ons een bron voor onze verdere ontwikkeling met alles wat hij ons bewust of ook onbewust geeft en hoe hij is. Bij alles wat we doen, uur na uur, dag voor dag, week voor week beleven we onszelf zo dat wij door wat we samen met de omgeving beleven, een bron in ons van voortdurende

blz. 101

Fortentwicklung öffnen. Das Leben ist eine Schule für jeden gesun­den Menschen.
Beide aber, das sozial-pädagogische Gebiet des Jugendunter­richts und das sozial-pädagogische Gebiet des Vom-Leben-Ler­nens, können nicht mehr der Kultur der Gegenwart und der näch­sten Zukunft gewachsen sein, wenn sie nicht durchkraftet werden von dem, was von anthroposophisch orientierter Geisteswissen­schaft ausgehen kann.
Man hält heute dafür, daß «individuell» erzogen werden muß. Auch andere Grundsätze findet man in der modernen Pädagogik. Ich möchte auf die Einzelheiten der modernen Pädagogik nicht eingehen, nur auf eines möchte ich eingehen, und das ist, daß diese moderne Pädagogik gewisse Normen enthält, die dem, der unter­richten soll, der Lehrer werden soll, beigebracht werden. Nach die­sen Normen soll er unterrichten und erziehen. In diesen Normen lebt auch wieder viel guter Wille. Außerordentlich viel gutgemeinte Geisteskraft ist auf diese Pädagogik verwendet worden. Aber was für die Gegenwart und die nächste Zukunft auf diesem Gebiet not­wendig ist, das ist, daß an die Stelle einer abstrakten Pädagogik, welche Normen aufstellt, nach denen unterrichtet werden soll, die lebendige Pädagogik trete, welche von übersinnlicher Menschen­erkenntnis kommt. 

doorontwikkeling aanboren. Het leven is een school voor ieder gezond mens.
Beide echter, het sociaal-pedagogische veld van het onderwijs aan de jeugd en dat van het gebied van het leren van het leven, kunnen niet meer opgewassen zijn tegen de cultuur van nu en van de toekomst, wanneer zij niet sterker gemaakt worden door wat van de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap uit kan gaan.
Men houdt het er tegenwoordig op dat er ‘individueel’ opgevoed moet worden. Ook andere basisprincipes vind je in de moderne pedagogiek. Ik ga op de details niet in, alleen één ding en dat is dat deze moderne pedagogiek bepaalde normen hanteert die bijgebracht moeten worden aan degene die onderwijs moet gaan geven, aan wie leraar wil worden. Volgens deze normen moet hij onderwijzen en opvoeden. In deze normen zit ook weer veel goede wil. Buitengewoon veel goedbedoelde geestkracht is er gebruikt voor deze pedagogiek. Maar wat er op dit gebied voor nu en voor de naaste toekomst nodig is, dat er in plaats van een abstracte pedagogiek die normen opstelt waarnaar onderwezen moet worden, de levende pedagogiek komt te staan die uit bovenzintuiglijke menskunde komt.

Diese übersinnliche Menschenerkenntnis ver­nachlässigt durchaus nicht, was sinnliche Menschenerkenntnis ist:
sie nimmt sie voll auf. Aber während diese sinnliche Menschener­kenntnis mit alledem, was sie als Anatomie und Physiologie ent­hält, den Menschen als Abstraktum behandelt, nimmt das über­sinnliche Erkennen die sinnliche Erkenntnis voll auf, fügt aber dazu das Geistig-Seelische des Menschen. Sie betrachtet den ganzen Menschen, vor allen Dingen den ganzen Menschen in seinem Wer-den. Sie kann daher den Blick richten auf diesen ganzen werdenden Menschen, wie er von den Eltern gegen das siebente Jahr hin der Volksschule anvertraut wird, in dieser lebenumgestaltenden Epo­che, in der aus der Nachahmung heraus das entsteht, was sich auf Autorität stützen will, und manches andere. Und nur dann sieht man, was da eigentlich im Menschen lebt, wenn man auf so etwas,

Deze bovenzintuiglijke menskunde verwaarloost zeer zeker niet wat zintuiglijke menskunde is:
die neemt ze heel serieus. Maar terwijl deze zintuiglijke menskunde met alles wat ze heeft aan anatomie en fysiologie, de mens als een abstractie behandelt, neem de bovenzintuiglijke kennis de zintuiglijke volledig mee, voegt er echter geest en ziel van de mens aan toe. Ze kijkt naar de totale mens, vooral naar de mens in zijn wording. Zij kan dus de blik richten op deze volledige mens die zich ontwikkelt, die door zijn ouders tegen het zevende jaar toevertrouwd wordt aan de basisschool, in een periode waarin uit de nabootsing ontstaat wat een steun wil vinden in een autoriteit, en nog veel meer. En alleen dan zie je, wat er eigenlijk in de mens leeft, wanneer je op zoiets,

blz. 102

wie ich es jetzt angedeutet habe, den Blick werfen kann, wenn man in der Lage ist, den Menschen so anzusehen, daß einem, indem man auf einen solchen Umschwung sieht, alles das, was im Men­schen aufsprießt, vor das geistige Auge tritt. Wenn man in der richtigen Weise dies empfindend wahrnimmt, was da im sechsten, siebenten Jahr aus dem Menschen heraus will, dann erwacht, wenn man nicht Pädagoge geworden ist, sondern wenn man Pädagoge ist, innerlich, durch die innerste Lebenskraft, die Fähigkeit, ohne pädagogische Normen richtend einzugreifen in das, was dieses wunderbarste Weltenrätsel, der werdende Mensch, fortwährend vor unser Seelenauge hinstellt.
Und hier liegt nun etwas [vor], was für eine wirklich sozial-pädagogische Neugestaltung, wie sie einer heutigen Einheitsvolks­schule zugrunde liegen muß, ins Auge gefaßt werden muß. Hier ist es so, daß man sagen muß: Im Grunde genommen ist es für den werdenden Lehrer gleichgültig, ob man ihm dasjenige beigebracht hat, was heute oftmals als Pädagogik, als spezielle Methodik beige­bracht wird. Wichtig ist für den zukünftigen Lehrer, daß er durch seine seminaristische Bildung fähig geworden ist, hineinzuschauen in den werdenden Menschen;

zoals ik het nu aangegeven heb, de blik kan werpen, wanneer je in staat bent zo naar de mens te kijken dat bij iemand als je op zo’n verandering let, alles wat in de mens opbloeit, voor het geestesoog treedt, Wanneer je dit op een juiste manier meevoelend waarneemt wat er op het zesde, zevende jaar zich wil uiten, ontstaat, niet wanneer je pedagoog geworden bent, maar wanneer je pedagoog bent, innerlijk door die diepaanwezige levenskracht het vermogen, zonder pedagogische normen, richting gevend te sturen in wat dit meest wonderbaarlijke wereldraadsel, de wordende mens, ons voortdurend voor het zielenoog laat zien.
En hier hebben we iets waarmee voor een echte nieuwe vorm van sociale pedagogiek hoe die aan de huidige basisschool ten grondslag moet liggen, rekening moet houden. Hier is het zo dat je moet zeggen: in de aard van de zaak is het voor de aankomende leraar om het even of je hem datgene bijgebracht hebt, wat tegenwoordig dikwijls als pedagogiek, als speciale methodiek bijgebracht wordt. Voor de toekomstige leraar is het belangrijk dat hij door zijn opleiding in staat gesteld wordt, de wordende mens te doorgronden;

daß er sich dasjenige angeeignet hat, was man sich durch eine umfassende, wirkliche Menschenerkennt­nis aneignen kann; daß er fähig geworden ist, sich seine Pädagogik jedem Kinde gegenüber und in jedem Augenblicke seiner Erzie­hungs- und Unterrichtstätigkeit neu zu formen.
Für den wirklichen Lehrer muß heute Pädagogik als etwas Lebendiges in jedem Augenblick neu erstehen. Und alles, was er gedächtnismäßig als Pädagoge in der Seele trägt, das ist etwas, was ihn seiner Ursprünglichkeit beraubt. An die Stelle von pädagogi­schen Normal-Grundsätzen oder Normgrundsätzen müssen Ein­sichten in die Natur des werdenden Menschen treten, die eben die Pädagogik fortwährend in dem Menschen, der erziehen und unter­richten soll, neu erstehen und lebendig werden lassen. Man möchte sagen: Die Pädagogik ist die beste – etwas radikal gesprochen -, die vom Lehrer immerzu vergessen wird und immerzu neu angefeuert wird, wenn der Lehrer dem Kinde, dem Zögling gegenübersteht

dat hij zich eigen gemaakt heeft wat je door een omvattende werkelijke menskunde je eigen maken kan; dat hij in staat is zijn pedagogiek voor het kind op ieder ogenblik in zijn pedagogisch en onderwijzend werk nieuw kan vormen.
Voor de echter leraar moet vandaag pedagogiek als iets levens op ieder ogenblik nieuw ontstaan. En alles wat hij vanuit zijn geheugen in zijn ziel meedraagt, is iets wat hem van zijn originaliteit berooft. In de plaats van de normale pedagogische basisregels of basisuitgangspunten moeten inzichten komen in de natuur van de wordende mens die zelfs de pedagogiek voortdurend in de mens die moet opvoeden en lesgeven, nieuw laten ontstaan en levend laten worden. Je zou willen zeggen: die pedagogiek is de beste – iets radicaal uitgedrukt – die door de leerkracht steeds wordt vergeten en die steeds weer gestimuleerd wordt als de leraar tegenover het kind, de opvoedeling, staat.

und die in ihm lebenden Kräfte der werdenden Menschennatur vor seine Seele gestellt sieht. Wenn dann zu solcher Gesinnung auch noch ein großes Interesse, ein umfassendes Interesse für die Geheimnisse der Welt, für Weltenrätsel, für Weltanschauungen hinzutritt, so wird dasjenige im Lehrer leben, was ihn wirklich befähigt, von seinem Wesen in das kindliche Wesen übergehen zu lassen, was übergehen soll.
Aber wodurch kann die innere Natur des Lehrers so lebendig werden, wie ich es jetzt charakterisiert habe? Nimmermehr durch Vorstellungen der Art, wie sie von naturwissenschaftlicher Er­kenntnis genommen sind, sondern allein dadurch, daß der Wille des Lehrers erkennend angefeuert wird durch eine Wissenschaft, die mit Kräften errungen ist, die mit der menschlichen Organi­sation so zusammenhängen, wie ich es heute charakterisiert habe. Der Lehrer, der in sich das aufgenommen hat, was Geisteswissen­schaft auch über die übersinnliche Natur des Menschen kennt, der dies in sich belebt hat, der eine Wissenschaft lebendig in sich trägt, die aufgebaut ist aus den Kräften, nach denen das Kind, das er erzieht und unterrichtet, heranwächst, der wird diese Erkenntnis als lebendiges Feuer im Erziehen und Unterrichten geltend machen können. 

en de in hem levende krachten van de wordende mensennatuur hem voor de geest komen. Wanneer dan bij zo’n stemming ook nog een groot interesse, een omvattende belangstelling voor de wereldgeheimen, voor de wereldraadsels, voor wereldbeschouwing optreedt, dan leeft dat in de leraar, wat hem daadwerkelijk mogelijk maak vanuit zijn wezen naar dat van het kind te laten gaan, wat ernaar over móet gaan.
Maar waardoor kan de innerlijke natuur van de leraar zo levendig worden, zoals ik het nu gekarakteriseerd heb? Nooit door voorstellingen van dien aard zoals ze door de natuurwetenschappelijk kennis gemaakt zijn, maar alleen doordat de wil van de leraar aangewakkerd wordt door een wetenschap die met grote krachtsinspanning is verkregen, die met de menselijke organisatie zo samenhangen zoals ik vandaag heb gekarakteriseerd. De leraar die in zich opgenomen heeft wat geesteswetenschap ook weet te zeggen van de bovenzintuiglijke natuur van de mens, die dit in zichzelf levend heeft gemaakt, die een wetenschap levend in zich meedraagt die opgebouwd is uit de krachten waarmee het kind dat hij opvoedt en lesgeeft, groeit, die zal deze kennis als een levend vuur in opvoeding en onderwijs kenbaar kunnen maken.

Denn seine pädagogische Kunst rührt aus übersinnlicher Erkenntnis, das heißt von denselben Kräften her, die von Tag zu Tag, von Woche zu Woche, von Jahr zu Jahr das Heranwachsen und die innere Organisation des Kindes bewirken.
Bedenken Sie einmal, wie nahe die pädagogische Kunst in ihren Quellen dem kommt, was im Kinde aufwächst, wenn übersinnliche Erkenntnisse dasjenige beherrschen, dasjenige orientieren, was als pädagogische Kunst von dem Lehrer an das Kind herangebracht wird! Nicht so sehr neue Abstraktionen, nicht spitzfindige neue pädagogische Grundsätze in dem, was hier sozial-pädagogisches Wirken genannt wird, sollen gesucht werden! Was gesucht werden soll, ist, das Lebendige an die Stelle des Toten, das Konkrete an die Stelle des Abstrakten zu setzen.
Diese Dinge zu fordern, ist heute viel notwendiger, als sich die Welt oftmals noch träumen läßt. Und es ist merkwürdig, wie man

Want zijn pedagogische kunst komt van bovenzintuiglijke kennis, dat betekent van dezelfde krachten, die van dag tot dag, van week tot week, van jaar tot jaar de groei en de innerlijke organisatie van het kleine kind bewerkstelligen. Denk eens, hoe dicht de pedagogische kunst bij de bronnen komt van wat er in het kind opgroeit, wanneer bovenzintuiglijke kennis heerst en richting geeft voor wat van de leerkracht aan het kind aangeboden wordt! Niet zozeer nieuwe abstracties, geen spitsvondige nieuwe pedagogische regels moeten gezocht worden bij wat hier sociaal-pedagogisch werk wordt genoemd! Wat gezocht moet worden, is dat het levendige de plaats inneemt van het dode, het concrete de plaats van het abstracte. Deze dingen te vragen is tegenwoordig veel noodzakelijker dan waarvan de wereld dikwijls nog maar droomt. En het is merkwaardig

blz. 104

sich gar nicht denken kann, daß es ein übersinnliches Wissen gibt, das auf dem Gebiet des sinnlichen Wissens und auch des Lebens, des Unterrichts und der Erziehung, zur Geschicklichkeit, zum Können wird. Schon beginnt man das, was der Nerv der Waldorf-schule ist, zu verkennen und deshalb das, was mit der Waldorf-schule gewollt wird, zu verleumden, wenn auch unbewußt. Man glaubt, weil diejenigen, die an ihrer Wiege stehen, von der Geistes-wissenschaft ausgehen, diese Waldorfschule sei eine «Weltanschau­ungsschule», eine Schule, in der den Kindern Anthroposophie bei­gebracht wird. Man ahnt gar nicht, wie sehr man, indem man das voraussetzt – sei es nun anhängerisch oder gegnerisch -, noch in alten Vorstellungen drinnensteht. Wir haben es gar nicht nötig, Anthroposophie dadurch zur Geltung zu bringen, daß wir sie als Weltanschauung zur Geltung bringen, daß wir einzelne anthropo­sophische Begriffe entfalten und darauf sehen, daß die Kinder diese aufnehmen, wie sie früher religiöse Vorstellungen aufgenommen haben. Nein, das betrachten wir nicht als unsere Aufgabe. 

zich helemaal niet kan indenken dat er een bovenzintuiglijk weten bestaat, dat op het gebied van het zintuiglijke weten en ook van het leven, van het onderwijs en van de opvoeding tot vaardigheid, tot kunnen wordt. Men begint de kern van het vrijeschoolonderwijs al te miskennen en wat met de vrijeschool nagestreefd wordt, af te kraken, ook al is het onbewust. Men gelooft omdat degenen die aan haar wieg staan uitgaan van de geesteswetenschap, dat deze vrijeschool een ‘wereldbeschouwelijke’ school,  een school waarin de kinderen antroposofie bijgebracht wordt. Men heeft er geen flauw idee van, hoezeer men, wanneer men dit veronderstelt – of het nu aanhangers of tegenstanders zijn – nog met een oude voorstelling van zaken leeft. 
Wij hebben het helemaal niet nodig om de antroposofie tot zijn recht te laten komen, om deze als wereldbeschouwing te doen gelden, dat wij afzonderlijke antroposofische begrippen ten toon spreiden en erop toezien dat de kinderen deze aannemen, zoals ze voorheen godsdienstige voorstellingen aangenomen hebben. Neen, dat beschouwen wij niet als onze opdracht.

Wir werden ehrlich einhalten, was wir veranschlagt haben: daß der pro­testantische, der evangelische, der katholische Religionslehrer die evangelische, die katholische Religion zu lehren haben, und wir werden dem Willen, diesen Religionsunterricht zu erteilen, keine Hindernisse irgendwie entgegensetzen. Wir werden diejenigen sein, die halten, was wir diesbezüglich versprochen haben. Wir suchen nicht, irgendeine neue Weltanschauung in dieser Form in die Schu­le hineinzutragen. Wir wollen etwas anderes. Wir sehen darauf hin, wie unsere anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft, weil sie herstammt von menschlichen Organisationskräften, übergeht in menschliche Geschicklichkeit, in menschliches Können, wie sie unmittelbar ausfließt in den menschlichen Willen. Wie wir pädago­gisch tätig sind, wie wir in der Schule handeln, wie wir uns den Unterrichtsstoff einteilen, wie wir den Lehrplan, die Lehrziele ge­stalten, also alles das, was methodische Handhabe des Unterrichts ist, was vom bloßem Wissen, von der bloßen Weltanschauung hin-überfließt in die Geschicklichkeit, in das Können des Erziehers, das ist dasjenige, was wir für unsere Aufgabe halten. Und deshalb wird

Wij zullen ons eerlijk houden aan wat we op gerekend hebben: dat de protestantse, evangelische, katholieke godsdienstleraren de evangelische, de katholieke religie moeten aanleren en wij zullen de wil dit godsdienstonderwijs te verkondigen, geen hinderpalen in de weg leggen. Wij zullen degene zijn die zich houden aan wat we met betrekking hiermee afgesproken hebben. Wij proberen niet een of andere nieuwe wereldbeschouwing in deze vorm de school binnen te brengen. Wij willen iets anders.
Wij zien erop toe dat onze antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap, omdat deze stamt uit heel de  menselijke  wezenskracht, overgaat in menselijke vaardigheid, in dat waartoe een mens in staat is, hoe deze direct uitstroomt in de menselijke wil.
Hoe wij opvoedkundig actief zijn, wat wij in de school doen, hoe we de lesstof indelen, hoe we het leerplan, de leerdoelen vormgeven, alles dus wat de methodische basis is van het onderwijs, wat van het alleen maar weten, van alleen maar wereldbeschouwing, overgaat in de vaardigheid, in het kunnen van de opvoeder, dat zien wij als onze opdracht. En daarom zal

blz. 105

sich mancherlei korrigieren, was – wiederum aus gutem Willen heraus, aber durchaus nicht aus der nötigen zugrundeliegenden Einsicht – als Ziel und Inhalt gegenwärtigen pädagogischen Wir­kens betrachtet wird.
Wie sehr betont man heute zum Beispiel, daß Anschauungs­unterricht herrschen soll. Ja gewiß, innerhalb gewisser Grenzen ist es sehr gut, wenn man Anschauungsunterricht pflegt, das heißt, dem Kinde dasjenige beibringt, was man ihm unmittelbar auch vor Augen führen kann. Aber dieser Anschauungsunterricht darf nicht dazu verführen, daß man ins Banale, ins Triviale verfällt, indem man anknüpft an das Allernächststehende. Man will immer nur heruntersteigen zum Anschauungsvermögen des Kindes, und dann kommen alle jene Banalitäten heraus, die man heute findet, wenn man mancherlei Anleitungen zum Anschauungsunterricht liest. Man mußte sich mit diesen Dingen gerade bei der Einrichtung der Waldorfschule beschäftigen. Da konnte man sehen, wie banal, wie trivial der sogenannte Anschauungsunterricht, der ganz und gar herausgewachsen ist aus materialistischer Zeitgesinnung, oftmals getrieben wird und wie es in radikaler Weise getrieben wird, daß man sagt, der Lehrer solle heruntersteigen zur Auffassung des Schülers, er soll nichts beibringen dem Schüler als das, was dieser auch verstehen kann.

er nog wel veel goedkomen, wat – opnieuw door goede wil, maar beslist niet uit het noodzakelijke inzicht waarop het gebaseerd zou moeten zijn – als doel en inhoud gezien wordt van het huidige pedagogische werk.
En hoe men bijv. vandaag benadrukt dat het aanschouwelijkheidsonderwijs de boventoon moet voeren. Zeker, binnen bepaalde grenzen is het erg goed, wanneer je het onderwijs aanschouwelijk geeft, d.w.z. het kind bijbrengen wat je het meteen kan laten zien. Maar dit onderwijs mag er niet toe leiden dat je vervalt in banaliteiten en trivialiteiten, als je aanknoopt bij wat het meest voor de hand ligt. Men wil steeds maar afdalen naar hoe een kind kan waarnemen en dan ontstaat al die banaliteit die je vandaag aantreft, wanneer je van alles leest over wat aanleiding kan zijn voor aanschouwelijkheidsonderwijs.
Bij de oprichting van de vrijeschool moesten we ons met deze dingen bezighouden. Toen zagen we hoe banaal, hoe triviaal het zgn. aanschouwelijkheidsonderwijs dat helemaal ontstaan is vanuit de materlialsitsche levenssfeer, dikwijls uitgevoerd werd en op die rigoreuze manier, dat men zegt dat leraar af moet dalen naar het begripsvermogen van de leerling; hij zou deze niets anders moeten bijbrengen dan wat hij begrijpen kan.

Nun, wenn man nur dasjenige an den Schüler heranbringt, was er verstehen kann, dann versündigt man sich gegen etwas, was als Schönstes im menschlichen Leben drinnenstehen kann. Wer nur immer zu dem heruntersteigen will, was der Zögling schon ver­steht, der weiß nicht, was es heißt, wenn man später in reiferen Jahren, vielleicht erst im dreißigsten, im fünfunddreißigsten Jahr, sich zurückerinnert an etwas, was wieder aufsteigt, was man wäh­rend seiner Schulzeit durch den Lehrer übermittelt erhalten hat und was man dazumal, weil man noch nicht reif war, nicht zum vollen Verständnis erheben konnte. Jetzt taucht es wieder auf. Jetzt merkt man, daß man reifer geworden ist, indem man es jetzt ver­steht. Solches Wiedererleben dessen, was man während der Schul­zeit aufgenommen hat, das macht den ersprießlichen Zusammenhang

Maar wanneer je een leerling alleen bijbrengt wat deze kan begrijpen, zondig je tegen iets wat het mooiste kan zijn in een mensenleven. Wie alleen maar wil afdalen naar wat de leerling al begrijpt, weet niet, wat het betekent wanneer je later als je volwassener geworden bent, misschien pas op je dertigste, vijfendertigste jaar, je je herinnert aan iets wat weer bij je opkomt, wat je toen je op school zat, van je leraar hebt meegekregen en wat je toen, omdat je nog niet volwassen was, nog niet volledig kon begrijpen. Nu komt het weer bij je op. Nu merk je, omdat je het nu begrijpt, dat je volwassener geworden bent. Weer opnieuw beleven wat je tijdens je schooltijd in je hebt opgenomen, vormt pas echt de vruchtbare samenhang

blz. 106

zwischen dem ganzen Leben und der Schulzeit eigentlich erst aus. Es ist ungeheuer wertvoll, daß man vieles in der Schule so bekommt, daß man später im Wiedererleben zurückblickt zu dem Bekommenen wie zu etwas, was einem erst jetzt, nach Jahrzehnten, dem vollen Werte nach aufgegangen ist. Dessen beraubt man den Zögling, wenn man nur zu seinem momentanen Verständnis her­untersteigt in einem banalen Anschauungsunterricht. Was muß aber der Lehrer für eine Aufgabe erfüllen, der dem Kinde etwas beibringen will, das es in sich aufnimmt, obwohl ihm dessen Verständnis vielleicht erst nach Jahrzehnten aufgeht? Da muß der Lehrer in sich die nötige Lebenskraft haben, damit er einfach durch seine Persönlichkeit auch dasjenige, was er in seinen Unterricht hineinlegt, auf das Kind überträgt, was es noch nicht voll verstehen kann. Es gibt ein Verhältnis zwischen Lehrer und Zögling, durch das auf den Zögling Dinge übergehen, übergehen durch die Art, wie sie im Lehrer leben, weil das Erlebnisfeuer, mit dem er durchglüht ist, was in ihm lebt, von dem Schüler mitemp-funden wird. Deshalb nimmt der Schüler es auf. 

tussen het volle leven en schooltijd. Het is buitengewoon waardevol dat je op school veel krijgt waarop je dan later wanneer je het weer opnieuw beleeft, terugkijkt naar iets wat je nu,  na tientallen in zijn pas in volle betekenis beseft. Dat onthoud je de leerling wanneer je alleen maar afgaat op wat hij op dat moment kan begrijpen in het banale aanschouwelijkheidsonderwijs.
Wat voor opgave moet de leerkracht echter vervullen wanneer hij een kind iets wil bijbrengen dat het in zich opneemt, hoewel dat misschien pas na tientallen jaren betekenis voor hem krijgt? Dan moet de leraar over de nodige levenskracht beschikken zodat hij eenvoudigweg door zijn persoonlijkheid, ook wat hij in zijn onderwijs legt, op het kind overbrengt, wat dat nog niet volledig kan begrijpen. Er bestaat een verbinding tussen de leerkracht en de opvoedeling, waardoor op de laatste dingen overgebracht worden door de manier waarop ze in de leerkracht leven, omdat het enthousiasme van die beleving waarvan hij doorgloeid is, wat in hem leeft, door de leerling meebeleefd wordt. Daarom neemt de leerling het in zich op.

Und es ist etwas ungeheuer Bedeutungsvolles, wenn in dieser Weise der Lehrer zum Führer wird, daß er durch das Feuer, das in ihm lebt, zum Lebens-quell wird für das, was der Schüler als sein eigenes Leben weiter pflegt, während das mit der Schulzeit verglimmt, was man durch den gewöhnlichen banalen Anschauungsunterricht dem Schüler beibringt. So könnte vieles zum Beweis dafür angeführt werden, daß, was Pädagogik ist, ein Lebendiges sein muß, das im Lehrer dadurch angefacht werden soll, daß er eine Wissenschaft vom Menschen bekommt, die so gewonnen ist, wie ich es heute charak­terisiert habe: durch Kräfte der menschlichen Organisation selbst. Mehr als für irgend jemand anderen ist für den Lehrer und Erzie­her eine solche Menschenerkenntnis notwendig, die auf über­sinnlicher Anschauung des Menschen gebaut ist. Und unmittel­bar könnte man – wenn man nur wollte – sehen, wie in der Unterrichtspraxis alles Abstrakte verschwinden und nur die Hand­habung des Notwendigen, des Praktischen selbst hervortreten würde, wenn auf diese Unterrichtspraxis dasjenige angelegt wird,

En het is buitengewoon belangrijk, wanneer de leerkracht op zo’n manier een gids wordt, dat door het elan dat in hem leeft, een levensbron wordt voor wat de leerling als zijn eigen leven verder intwikkelt, terwijl met de schooltijd langzaam verdwijnt wat door het gewone alledaagse aanschouwelijkheidsonderwijs de leerling aangeboden wordt. Zo zou je veel als bewijs kunnen aandragen dat opvoedkunde iets levends moet zijn; dat in de leerkracht ge-enthousiasmeerd moet worden doordat hij een wetenschap over de mens aangereikt krijgt die zo tot stand is gekomen als ik vandaag gekarkteriseerd heb: door de kracht van het mensenwezen zelf. Meer dan voor iemand anders is zo’n menskunde nodig voor de leerkracht en de opvoeder die stolet op een bovenzintuiglijk waarnemen van de mens. Je zou – als je zou willen – onmiddellijk kunnen zien, hoe in de praktijk van het onderwijs al het abstracte zou verdwijnen en tevoorschijn zou komen bij het werk wat nodig is, wat praktisch is, wanneer de praktijk van het lesgeven je doel is

blz. 107

was für sie aus übersinnlicher Weltanschauung und Menschenerkenntnis erfließen kann.
Statt sich aber Einsicht zu verschaffen in das, was für Unterricht und Erziehung durch eine solche Anwendung übersinnlicher Er­kenntnisse auf die Sozial-pädagogik geleistet werden könnte, kom­men heute die Menschen, die da glauben, im praktischen Leben zu stehen und die durch ihre Praxis, die doch bloß «Routine» ist, jenes furchtbare Elend und Unglück herbeigeführt haben, das sich im Kriege auslebte und in dem wir heute noch drinnen stecken, die[se Menschen] kommen und sagen, Übersinnliches habe nichts zu tun mit der Praxis des Lebens. Weil sie das immer gesagt haben, weil sie in sträflichem Leichtsinn das, was wirklicher übersinnlicher Le­bensinhalt ist, aus der Lebenspraxis herausgeworfen haben, deshalb haben sie gerade diese Zeit heraufbeschworen. Und indem sie jetzt diese unsinnige Praxis im Zu-Tode-Treten jeder wirklich ernsten Besserungsbestrebung fortsetzen wollen, setzen sie etwas fort, wo­von wir nur eine Weile eine Atempause erleben. Würden aber jene, die nicht sehen wollen, was für die Gegenwart notwendig ist, heute wiederum siegen – in kurzer Zeit hätten wir wieder dasselbe Elend, das 1914 begonnen hat. 

en wat daarvoor in een bovenzintuigelijke wereldbeschouwing en menskunde zijn bron heeft.
In plaats van zich inzicht te verwerven in datgene wat voor het onderwijs en de opvoeding door zo’n toepassing van bovenzintuiglijke kennis op het gebied van de sociale pedagogiek gepresteerd kan worden, komen de mensen van nu die geloven dat ze in de praktijk van het leven staan en die door wat ze doen, wat toch alleen maar ‘routine’ is, die vreselijke ellende en tegenspoed te weeg hebben gebracht die in de oorlog woedden en waar we nog middenin zitten, deze mensen komen naar je toe en zeggen, het bovenzintuiglijke heeft niets van doen met de praktijk van het leven. Omdat ze dat steeds maar gezegd hebben, omdat ze in onverantwoorde lichtzinnigheid uit de praktijk van het leven weggegooid hebben wat reële bovenzintuiglijke levenskwaliteiten zijn, hebben ze een zware last op deze tijd gelegd. En wanneer ze deze onzinnige praktijk van ten grave dragen van elke werkelijk ernstig te nemen pogingen om tot verbeteringen te komen, continueren ze iets waarbij we nu even een adempauze hebben. Zouden echter degenen die niet willen inzien wat er voor deze tijd noodzakelijk is, opnieuw zegevieren – we zouden op korte termijn weer dezelefde ellende hebben die 1914 begon.

Denn die Menschen, die heute das von ihnen Verleumdete in allem Übersinnlichen bei einer Unterneh­mung, die wirklich praktisch ist, tottreten wollen, die sind es auch, die die Menschen ins Unglück hineingeführt haben. Das ist das, was heute klar eingesehen werden muß.
Ich würde diese ernsten Worte hier nicht gesprochen haben, wenn sich nicht diese furchtbaren Unkenrufe schon wieder geltend machen würden da, wo doch etwas ganz modern Praktisches hier geschaffen werden soll wie diese Waldorfschule. Solche Dinge ge­ziemt es sich heute von dem Gesichtspunkte aus anzuschauen, daß die furchtbaren Ereignisse der letzten vier bis fünf Jahre doch et­was gelehrt haben sollten und man weiterkommen muß. Diejeni­gen, die nicht weitergekommen sein sollen, die heute da wieder anfangen wollen, wo sie 1914 aufgehört haben, die müssen scharf ins Auge gefaßt werden. Daß sie uns scharf ins Auge fassen, dafür brauchen wir nicht zu sorgen, das tun sie von selber. Aber sie

Want de mensen die nu al het bovenzintuiglijke loochenen bij wat wij nu ondernemen en werkelijk praktisch is, die dat willen vertrappen, zijn ook de mensen die de anderen in het ongeluk hebben gestort.
Dat moet vandaag de dag wel helder worden gezien.
Ik zou deze ernstige woorden hier niet hebben gesproken, ware het niet dat deze vreselijke zwartkijkers al weer van zich zouden willen laten horen bij zoiets heel modern praktisch wat hier in het leven geroepen moet worden: deze vrijeschool.
Zulke dingen vragen erom nu vanuit het gezichtspunt te bekijken dat de vreselijke gebeurtenissen van de laatste vier, vijf jaar ons toch wat geleerd moeten hebben en dat we verder moeten komen. Degenen die dan niet verder zullen komen, die nu weer willen beginnen waar ze in 1914 opgehouden zijn, moeten scherp in de gaten worden gehouden. Dat ze ons scherp in de gaten houden, daarvoor hoeven wij niet te zorgen, dat doen ze wel uit zichzelf. Maar ze

blz. 108

müssen scharf ins Auge gefaßt werden. Und all diejenigen müßten sich vereinigen, die einen Sinn dafür haben, daß heute etwas ge­schehen muß, was auf der einen Seite aus dem wirklichen Geiste stammt und was auf der anderen Seite fähig ist, in die ernste, wirkliche Lebenspraxis hineinzuwirken.
Aus solchen wirklich praktischen Untergründen heraus ist es notwendig, daß das, was oftmals als Phrase gebraucht wird – gera­de mit Beziehung auf das Pädagogische -, endlich einmal aus sach­lichem Ernste gehandhabt würde. Notwendig haben wir zum Beispiel, zu berücksichtigen – und auf solche Dinge wurde im se­minaristischen Kursus für die Waldorfschul-Lehrerschaft beson­ders gesehen -, daß um das neunte Lebensjahr herum der Mensch wiederum etwas Wichtiges abschließt und etwas Neues beginnt. Bis zum neunten Lebensjahr ist der Mensch noch ganz verwachsen mit seiner Umgebung. Das Prinzip der Nachahmung ragt noch in das Prinzip der Autorität hinein. Erst im neunten Jahr beginnt die Möglichkeit, das Ichgefühl so zu entwickeln, daß zum Beispiel na­turgeschichtliche Tatsachen, Naturbeschreibungen der Pflanzen-und Tierwelt an das Kind herantreten können. 

De tekens <1> zijn ankers van elders geplaatste link(s)

moeten scherp in de gaten worden gehouden. En iedereen die inziet dat er vandaag iets moet gebeuren wat enerzijds uit de reële geest stamt en anderzijds in staat is werkzaam te zijnin de serieuze, werkelijke praktijk van het leven, zou zich aaneen moeten sluiten.
Op basis van dergelijke werkelijk praktische grondslagen is het noodzakelijk dat wat dikwijls als frase gebezigd wordt – juist wat de pedagogiek betreft – nu eindelijk eens met een zakelijke ernst toegepast wordt.
<1> Het is bijv. noodzakelijk rekening te houden – en met deze dingen werd in de praktische cursus voor de vrijeschoolleerkrachten in het bijzonder rekeknig gehouden -, dat er rond het negende jaar van de mens weer een belangrijke afsluiting plaatsvindt en iets nieuws begint. Tot aan zijn negende jaar is de mens nog helemaal vergroeid met zijn omgeving. Het nabootsingsprincipe loopt nog wat door in het navolgingsprincipe. Pas met het negende jaar ontstaat de mogelijkheid het Ik-gevoel te ontwikkelen zodanig dat bijv. feiten uit de biologie, beschrijvingen van planten en dieren door het kind begrepen worden. <1>

blz. 109

Aber zu gleicher Zeit ist zwischen dem siebenten und neunten Lebensjahr der Ab­schnitt so gestaltet, daß wir gut tun, dem Kinde nichts beizubrin­gen, was nicht elementar und selbstverständlich aus der mensch­lichen Natur herausfließt, sondern nur durch Konvention zustande gekommen ist. – Wir müssen den Menschen allmählich zum Schreiben und Lesen hinführen. Denn wer sähe nicht, daß die Buchstaben, wie wir sie heute haben, etwas Konventionelles sind? Bei der ägyptischen Bilderschrift war das noch anders. Das bedingt aber, daß wir den Schreibunterricht so erteilen, daß wir ihn vom Zeichenunterricht ausgehen lassen, daß wir zunachst nicht auf Buchstaben Rücksicht nehmen, sondern Formen zeichnen lassen; daß wir überhaupt das elementare Zeichnen und Malen – neben Musik – schon in den untersten Schulstufen beginnen, daß wir den ganzen Unterricht und die Erziehung aus dem Kindlich-Künstleri­schen herausarbeiten. Denn das Kindlich-Künstlerische ergreift den ganzen Menschen, Wille und Gemüt, und durch Wille und

Maar tegelijkertijd is het zo met die fase tussen het zevende en het negende jaar, dat wij er goed aan doen het kind niets te leren wat  niet allereerst en vanzelfsprekend uit de menselijke natuur zelf komt, maar wat alleen maar door conventie tot stand is gekomen. – We moeten de mens langzamerhand leren schrijven en lezen. Wie ziet niet dat de letters die we nu hebben, iets conventioneels zijn? In het Egyptische beeldenschrift was dat nog anders. Dat vraagt echter dat wij het schrijfonderwijs zo geven dat wij dit van het tekenonderwijs uit laten gaan, dat we niet alleeeerst naar de letters kijken, maar de vormen laten tekenen; dat we natuurlijk ook met het eerste tekenen en schilderen – naast muziek – beginnen, al in de laagste klassen, dat we heel het onderwijs en de opvoeding laten ontstaan uit het kinderlijk-kunstzinnige. Want dat spreekt de hele mens aan, wil en gevoel en door wil en

Gemüt erst den Intellekt. Und dann gehen wir, indem wir Zeich­nen und Malen pflegen, indem wir den Willen durch künstlerischen Unterricht angeregt haben, zum Schreiben über, indem wir die Schriftformen sich aus den Zeichenformen heraus entwickeln las­sen. Und dann kommt erst das Lesen, das noch intellektualistischer ist als das Schreiben; dann wird das Lesen aus dem Schreiben ent­wickelt. Ich führe die Einzelheiten an, damit Sie sehen, daß anthro­posophisch orientierte Geisteswissenschaft nicht herumredet im Wolkenkuckucksheim, sondern daß sie in die Praxis des Unter­richtens bis in alle Einzelheiten hineinführt. Bis dahin, wie man Mathematik, wie man Schreibunterricht, wie man Sprachenunter­richt erteilt, führt jene lebendige Menschenerkenntnis, die anstelle der abstrakten Pädagogik treten muß. Soviel zum speziellen Gebiet der Unterrichts-Pädagogik.
Aber das Sozial-Pädagogische umfaßt auch die ganze «Lebens-lehre». Sind wir der Schule entwachsen, dann treten wir ja hinaus ins Leben, und unsere naturwissenschaftliche Bildung richtet eine Kluft auf zwischen uns und dem Leben. 

gevoel pas het intellect. En dan gaan we, als we tekenen en schilderen cultiveren, als we de wil door het kubnstzinnig onderwijs aangewakkerd hebben, over tot het schrijven, dus de schrijfvormen zich laten vormen vanuit de tekenvormen. En dan komt pas het lezen dat nog intellectualistischer is dan schrijven; dan wordt het lezen vanuit het schrijven ontwikkeld. Ik geef de details aan, zodat u kan zien dat de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap niet maar wat kletst in een ivoren toren, maar dat ze tot in de praktijk van het onderwijs in  details treedt. Die levende menskunde brengt je bij hoe je rekenen, schrijven, taal moet geven, die in de plaats moet komen van de abstracte pedagogie. Tot zover dit speciale terrein van de onderwijspedagogie.
Maar de sociaalpedagogie behelst ook alles wat met de ‘leer voor het leven’ heeft te maken. Wanneer we te oud worden voor school, stappen we het leven in en onze natuurwetenschappelijke vorming veroorzaakt een kloof tussen ons en het leven.

blz. 110

Deshalb sehen wir, daß für alle Fragen, welche heute die Menschheit beschäftigen, etwas Instinktives vorwaltet, wodurch diese Fragen zwar Lebensfor­derungen einschließen, aber keine Einsicht für die Lösung solcher Fragen da ist.
Ich möchte auf eine Frage aufmerksam machen, die seit langer Zeit die moderne zivilisierte Menschheit beschäftigt: die sogenann­te Frauenfrage, dasjenige, was die Kluft bildet zwischen Mann und Frau. Mit Recht will man diese Kluft hinwegschaffen, aber man wird sie nicht hinwegschaffen können, wenn man nicht dasjenige wirklich begründet, was gemeinsame Wesenheit in Mann und Frau ist. Sieht man nur auf das, was der Mensch in der physischen Welt und aus der naturwissenschaftlichen Denkweise heraus sich aneig­nen kann, dann bleibt der Unterschied zwischen Mann und Frau ein radikaler. Der Abgrund zwischen Mann und Frau wird erst überbrückt, wenn die Verschiedenheit, die zwischen ihnen besteht im Aufnehmen der Welt, in dem Wirken in der Welt, ausgeglichen wird durch dasjenige, was den Menschen kommen kann durch

Daarom zien we dat bij alle vragen die de mensheid tegenwoordig bezighouden iets instictiefs de boventoon voert, waardoor deze vragen weliswaar gaan over wat het leven allemaal eist, maar voor de oplossing ervan bestaat er geen inzicht.
Ik wil op een vraag wijzen die de moderne beschaafde mensheid al langere tijd bezighoudt: het zgn. vrouwensvraagstuk, die de kloof vormt tussen man en vrouw. Terecht dat men deze kloof wil overbruggen, maar dat gaat niet lukken wanneer men niet in staat is te verankeren wat in het wezen van de man en de vrouw het gemeenschappelijke is. Als je alleen maar kijkt naar wat de mens is in de fysieke wereld en vanuit de natuurwetenschappelijke manier van denken zich eigen kan maken, blijft er een radicaal verschil tussen man en vrouw. De kloof tussen man en vrouw wordt pas overbrugd, wanneer het verschil waarmee ze de wereld tegemoet treden, waarmee ze werkzaam zijn in de wereld opgeheven wordt door inzicht te krijgen in die ontwikkeling van denken, voelen en willen die ontstaan uit de krachten die aan het menselijk organisme ten grondslag liggen.

jenes Wissen, jene Willens- und Gemütsbildung, die hervorgehen aus den Kräften, die der menschlichen Organisation selbst zugrun­de liegen. Denn was im Manne nicht enthalten ist, aber in der Frau, das gibt dem Manne diese Geistesbildung. Und was in der Frau nicht enthalten ist, aber im Manne, das gibt der Frau diese Geistes-bildung. Der Frau gibt, während sie körperlich-physisch Frau ist, diese Geistesbildung geistig-seelisch das Männliche, und dem Manne, während er physisch Mann ist, geistig-seelisch das Weib­liche. Würde sich ausbreiten über unsere Zeitbildung, was ihr aus anthroposophisch orientierter Geistesbildung heraus erfließen kann, dann würde erst der Boden geschaffen werden für so etwas wie die Frauenfrage.
Und so könnte Unzähliges angeführt werden. Ich will aber nur noch auf eines aufmerksam machen: Die Menschen schreien nach Organisation. Und es ist selbstverständlich, daß sie danach schrei­en, denn die Kompliziertheit der Verhältnisse im heutigen sozialen Leben, sie bedingt Organisation. Nun, über die Natur solcher Organisation ist hier in den Vorträgen auch schon viel gesprochen worden.  

Want wat de man niet heeft, de vrouw wel, bepaalt de geestelijke vorming van de man. En omgekeerd. Terwijl de vrouw lichamelijk-psychisch vrouw is, geeft de geestelijke ontwikkeling haar mentaal-psychisch iets mannelijksen de man, terwijl hij fysiek man is, mentaal-psychisch het vrouwelijke. Als wat uit de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap komen kan, zich zou kunnen verspreiden in het vormingswezen van onze tijd, dan zou er echt een fundament gelegd kunnen worden voor zoiets als het vrouwenvraagstuk.
En zo zou er oneindig veel aangedragen kunnen worden. Nu wil ik echter op nog iets de aandacht vestigen: de mensen schreeuwen om organisatie. En dat is vanzelfsprekend, want de gecompliceerdheid van de huidige sociale verhoudingen heeft organisatie nodig. Wel, over de aard van dergelijke organisaties is hier in de voordragen al vaak gesproken.

Allein man denkt sich, daß nur organisiert werden soll nach den Grundsätzen, die die Menschheit heute hat ohne Geisteswissenschaft, die die Menschheit hat aus bloß naturwissen­schaftlicher Bildung, aus heutiger sozial-politischer Bildung heraus. Lenin und Trotzki organisieren, Lunatscharski organisiert nach diesen Grundsätzen. In ein maschinenartiges Getriebe spannen sie das Wirtschaftsleben ein, und sie wollen auch das Geistesleben ein­spannen. Es geht für mich nicht darum, mich zu stützen auf allerlei Erzählungen von B. und ähnlichen Leuten, die aufgrund eigener Eindrücke urteilen, auch nicht auf das, was Journalisten und andere Leute erzählen, die heute in Rußland gewesen sind. Auf was man sich stützen kann, das sind Lenins Schriften, und die beweisen dem, der Einsicht haben kann, was von dieser Seite gewollt wird, und das ist: Das organisatorische Abtöten all desjenigen, was wahr­haftiger Menschheitsquell ist, desjenigen, was in der individuellen menschlichen Wesenheit und Natur liegt. Es gibt keinen stärkeren Feind des menschlichen Fortschrittes als das, was heute im Osten

Maar men denkt dat er alleen georganiseerd moet worden volgens de beginselen die de mensheid nu heeft zonder geesteswetenschap, die de mensheid allen heeft door de natuurwetenschappelijke vorming, door de huidige sociaeel-politieke vorming. Lenin en Trotzki organiseren, Lunatscharski organiseert volgens deze principes. In een soort automatisch bedrijf passen ze het economisch leven in en daar willen ze ook het geestesleven onderdeel van maken. Het gaat mij er niet om mij te baseren op allerlei praatjes van Jan en alleman die op grond van eigen indrukken oordelen, ook niet om wat journalisten of ander mensen vertellen die pas in Rusland zijn geweest. Waar je vanuit kan gaan zijn de geschriften van Lenin en die bewijzen aan wie inzicht heeft, wat er van deze kant gewild wordt en dat is: het georganiseerd vermoorden van alles wat een echte levensbron voor de mensheid is: wat in zijn individuele wezen en in zijn natuur zit. Er is geen sterkere vijand van de menselijke vooruitgang dan wat er vandaag in het Oosten

blz. 111

geschieht. Warum ist das so? Weil ganz und gar nicht das zu­grundeliegt, was nur aus der Geistesbildung, der anthroposophisch orientierten Geistesbildung heraus kommen kann, und das ist:
wirkliche sozial-pädagogische Lebenskraft. Wir müssen organi­sieren, aber wir mussen uns bewußt sein: Wenn wir organisieren wollen, so müssen in dieser Organisation Menschen leben, die innerhalb dieser Organisation Gelegenheit haben, dasjenige zu leh­ren, was innerster Quell der Menschennatur ist, was sich verbirgt, wenn der Mensch erwachsen geworden ist, was aber wieder heraufgeholt werden kann aus den schlummernden Kräften seiner Orga­nisation. Es brauchen nicht alle Menschen Hellseher zu werden und in sich zu erleben, was man durch die aufgeweckten Kräfte der menschlichen Organisation erleben kann, wenn man das zwanzig­ste Jahr überschritten hat, aber es können alle Menschen sich inter­essieren für dasjenige, was durch diese lebendige Organisations­kraft des Menschen erreicht werden kann.

gebeurt. Waarom is dat zo? Omdat er totaal niet aan ten grondslag ligt wat alleen maar uit de ontwikkeling van de geest, de antroposofisch georiënteerde ontwikkeling van de geest kan komen en dat is:
daadwerkekelijke sociaal-pedagogische levenskracht. Wij moeten organiseren, maar wij moeten ons ervan bewust zijn: wanneer we willen organiseren, moeten in deze organisaties mensen leven die binnen deze organisaties de gelegenheid hebben om te leren wat de diepste bron van de menselijke natuur is, die verborgen is waneer de mens volwassen is geworden, maar wat opgeroepen kan worden uit deze sluimerende krachten van zijn organisme. Niet iedereen hoeft helderziend te worden en innerlijk te ervaren wat je door de opgeroepen krachten van het menselijke organisme beleven kan, nadat je de twintig gepasseerd bent, maar wel kunnen alle mensen interesse tonen voor wat door deze levendige krqchten bereikt kan worden.

Wenn die Menschen sich dafür interessieren, dann erwacht in den Menschen eine neue Fähigkeit, eine Fähigkeit, die man heute am besten charakterisieren kann, wenn man an etwas anknüpft, wofür den Menschen auch schon etwas die Empfindung verloren gegangen ist, anknüpft an dasjenige, was einer zusammengehörigen Menschenrasse mit gleicher Sprache diese Sprache ist. Diejenigen, die eine Sprache sprechen, sie müssen – auch wenn sie die Sprache schon sprechen – ja erst die Sprache mit ihrem Genius, mit ihrem wunderbaren künstlerischen Bau kennenlernen, um zu entdecken, welcher Geist in der Sprache lebt, welcher Geist von der Sprache aus die Menschen durchdringt, die diese Sprache zu einem Ganzen vereinigt. Indem wir sprechen lernen, nehmen wir nicht bewußt, sondern instinktiv und unterbewußt, mit jedem Wort, aber na­mentlich mit jeder Wortwendung etwas auf, was der Genius der Sprache uns lehrend geheimnisvoll offenbart. Soziales Leben ist etwas, was vielfach in Instinkten lebt. Die Sprache ist ein soziales Instrument wunderbarster Art immer gewesen. Nur in der neueren Zeit ist die Sprache, je weiter man von Osten nach Westen geht, um so mehr auch abstrakter geworden. Die Menschen fühlen immer 

Wanneer de mensen zich daarvoor interesseren, ontstaat in hen een nieuw vermogen, dat je tegenwoordig het beste kan karakteriseren door bij iets aan te sluiten waarvoor de mens ook al een beetje het gevoel verloren heeft, aansluit bij wat voor een groep mensen die bij elkaar horen met dezelfde taal, deze taal betekent. Wie een taal spreekt – ook als je de taal al spreekt – wel die taal met haar taalgeest, met haar wonderbaarlijk kunstzinnige opbouw, leren kennen om te ontdekken wat voor geest er in de taal leeft, welke geest vanuit de taal de mens doordringt die deze taal tot eenheid maakt. Als we leren praten nemen we niet bewust, maar instinctief en onderbewust, met elk woord, met elke woordnuance iets op van wat de taalgeest ons leert, wat geheimzinnig aan de oppervlakte komt. Sociaal leven is veelal iets wat in het instinct zit. De taal is altijd een sociaal element van de prachtigste soort geweest. Nu is alleen in de nieuwere tijd, wanneer je van het Oosten naar het Westen gaat, wel veel abstrater geworden. De mensen voelen steeds

blz. 112

weniger, was in den Lauten der Sprache zum Herzen, zum Kopfe und namentlich in den Zusammenhängen, die die Sprache bildet, zu diesen Herzen, zu diesen Köpfen spricht, wie auf geheimnisvolle Weise in den Menschen hineingeht, was der Genius der Sprache ihm mitzuteilen hat.
Manches andere, was auf eine ähnliche Art auf den Menschen wirken soll wie das, was immerzu durch den Genius der Sprache gewirkt hat, wird wirken, wenn allgemeine Menschheitsbildung schon durch die Tätigkeit der niedersten Schule – die nicht als Weltanschauungsschule, sondern durch rationell betriebenen Un­terricht wirken will – verbreitet wird. Dann wird der eine Mensch dem anderen Menschen so gegenüberstehen, daß er wie untertau­chen wird in den anderen Menschen, indem der zu ihm spricht. Jedes Gespräch, jedes Verhältnis zu einem anderen Menschen wird eine Quelle für die Weiterentwicklung der eigenen Seele sein. Und was wir in die Welt hineinstellen, wodurch wir auf die anderen Menschen wirken, das wird eine Quelle unserer Fortentwicklung sein.

minder van wat er in de taalklanken tot het hart spreekt, tot het hoofd en met name van wat in de samenhang die de taal vormt tot deze harten, tot deze hoofden spreekt, hoe op een raadselachtige manier tot een mens komt, wat de spraakgenius hem heeft te zeggen.
Vele andere dingen die op eenzelfde manier op de mens moeten werken zoals de spraakgeest steeds gedaan heeft, zullen ook hun invloed hebben, wanneer alleen al door de school waarop het kind jong begint – die niet als een wereldbeschouwelijke school wil werken, maar door een rationeel uitgevoerd onderwijs – een algemeen menselijke vorming wordt gegeven. Dan zal de ene mens zo ten opzichte van de andere staan, dat hij geheel opgaat in de andere, wanneer deze tot hem spreekt. Ieder gesprek, iedere relatie met een ander mens zal een bron zijn voor de verdere ontwikkeling van de eigen ziel. En wat wij in de wereld doen waarbij we de andere mens beïnvloeden, zal voor ons een bron zijn om ons verder te ontwikkelen.

Wir werden erst dann die Imponderabilien, die wirken kön­nen von Menschennatur zu Menschennatur, recht entwickeln, wenn wir in die Lage kommen, mit den Empfindungen dem ande­ren Menschen entgegenzutreten, die in uns angeregt werden, wenn wir nicht abstrakte Naturwissenschaft treiben, sondern jenes leben­dige Feuer in uns aufnehmen, das von einer Wissenschaft uns zu­kommen kann, die mit der menschlichen Natur selber zusammen­hängt, das heißt auf die Kräfte, die den Menschen bis zum zwanzigsten Lebensjahr gedeihen machen und von da ab zur Pfle­ge einer übersinnlichen Erkenntnis führen können. Und in sozial-pädagogischer Beziehung kann sich anschließen an die Jugendschu­le die Schule des Lebens, wenn in uns diejenigen Kräfte angeregt sind, die uns zu Lernenden machen in dieser Schule des Lebens. Wir werden dann auch mit Menschen in staatlichen oder wirt­schaftlichen Organisationen, also abstrakten Organisationen, zu­sammenkommen. Wir werden dann einen verwandten Zug in ihnen fühlen und werden uns sagen: Es verbindet uns etwas miteinander, mehr als mit jedem anderen. Und neben den aus äußeren Umständen

We zullen pas dan het onzichtbare dat tussen de mensen werkzaam kan zijn, goed ontwikkelen, wanneer we de gelegenheid krijgen de andere mens tegemoet te treden met die gevoelens die in ons ontstaan zijn door geen abstracte natuurwetenschap te beoefenen, maar door dat inspirerende in ons op te nemen dat van een wetenschap uitgaat die met de menselijke natuur zelf van doen heeft, d.w.z. met de krachten die de mens tot z’n twintigste doen gedijen en vanaf die tijd tot het verzorgen van een bovenzintuiglijke kennis kunnen leiden. En in sociaal-pedagogisch opzicht kan dan de school van de jongeren aansluiten bij de school van het leven, als in ons die krachten aangewakkerd zijn die ons tot leerling maken in deze school van het leven. We zullen dan ook met mensen in  politieke of het economische organisaties, dus abstracte organisaties samenkomen. We zullen bij hen dan iets verwants voelen en zeggen: iets verbindt ons, meer dan met anderen. En naast de

blz. 113

entstandenen Organisationen werden in der Zukunft intime, geheimnisvolle Organisationen entstehen können, die sich von Seele zu Seele bilden, wenn in den menschlichen Seelen das Erleb­nis wahrhaftiger Geisterkenntnis lebt. Dann wird der Mensch die Erfahrung machen: Du hast in früheren Erdenleben mit dem oder dem dieses oder jenes erlebt, und jetzt tritt er dir wieder entgegen.
– Durch diese innere Verbindung, die geheimnisvoll in den Tiefen der Seelen ruht, wird etwas Geistig-Seelisches in die sonst kalten, nüchternen Organisationen hineingetragen. Und wenn ich hier auch seit dem Frühling die drei Organisatio­nen geschildert habe – das geistige Gebiet, das rechtlich-politische Gebiet und das wirtschaftliche Gebiet des sozialen Organismus -, so muß doch betont werden: Das sind drei äußere Organisationen! Innerhalb desjenigen, was diese drei äußeren Organisationen dem Menschen sein werden, werden jene intimen, inneren Organisa­tionen leben, die dadurch von Menschenseele zu Menschenseele geschmiedet werden, daß die Menschen sich genauer erkennen werden, als sie sich heute erkennen. 

de organisaties die ontstaan zijn, zullen er in de toekomst niet zo maar te verklaren organisaties komen waarin men met elkaar vertrouwd is, wanneer er in de ziel van de mensen de waarachtige kennis van de geest leeft. Dan kan een mens ervaren: In eerdere levens heb je met deze of gene dit of dat doorgemaakt en nu ontmoet je hem weer.
Door deze innerlijke verbinding die zich raadselachtig in de diepte van de ziel doet voelen, komt er iets van geest en ziel in die anders maar kille, nuchtere organisaties.
En ook al heb ik hier sinds het voorjaar de drie organisaties geschetst – het geestelijke gebied, het gebied van het recht en de politiek en het economische gebied van het sociale organisme -, dan moet toch benadrukt worden: dat zijn drie uiterlijke organisaties! Binnen wat deze drie uiterlijke organisaties voor de mens moeten betekenen, moeten er die organisaties zijn waarin dat vertrouwde leeft, die steunen op wat van ziel tot ziel aanwezig is, zodat de mensen zichzelf beter leren kennen dan nu.

Wenn an die Stelle der anti-sozialen Triebe jene sozialen Triebe gesetzt werden – wodurch erst das wahre soziale Leben begründet wird -, dann erst wird die na­turwissenschaftliche Denkweise für die Menschen voll nützlich werden können. Durch diese naturwissenschaftliche Denkweise werden sie die äußere leblose Natur, die als Technik, als andere Verrichtungen in unser Leben hereintritt, richtig beherrschen kön­nen. Dasjenige aber, was für den Menschen als Nutzen, als Effekt aus diesen Einrichtungen technischer oder sonstiger Art kommt, das werden die Kräfte besorgen, die als ethische, sittliche Kräfte angefacht werden durch die geistige Willenskultur und von der Geisteswissenschaft her kommen können. In die äußeren Organi­sationen wird eine innere Organisation kommen, die die Menschen trägt und das Menschenleben gestaltet. Ohne diese innere Orga­nisation kommen wir auch nicht zu einer fruchtbaren äußeren Organisation.
Das ist dasjenige, was ich heute ein wenig andeuten wollte: daß Geisteswissenschaft, so wie sie hier gedacht ist, nichts irgendwie

Wanneer er i.p.v. de anti-sociale driften er sociale voor in de plaats kunnen worden gebracht – waardoor pas het ware sociale leven kan ontstaan – dan pas zal de natuurwetenschappelijke manier van denken voor de mens van groot nut kunnen worden. Door deze manier van denken zal het mogelijk zijn om de uiterlijke, levenloze natuur die als techniek, als andere activiteiten ons leven binnenkomt, op de juiste manier te kunnen beheersen. Wat voor de mens als nut, als gevolg uit deze technische of andere activiteit komt, zal die krachten geven die als ethischem, morele kracht aangewakkerd zullen worden door de geestelijke cultuur van de wil en vanuit de geesteswetenschap kunnen komen. In de uiterlijke organisaties zal een innerlijke organisatie komen die de mensen draagt en het leven van de mens vormgeeft. Zonder deze innerlijke organisatie bereiken wij geen vruchtbare uiterlijke organisatie.
Dit wilde ik vandaag min of meer aangeven: dat geesteswetenschap zoals die hier gedacht wordt, niets

blz. 114

Abstraktes, nichts im Wolkenkuckucksheim schwebendes Meta­physisches ist – wie man sie verleumden will -, sondern daß sie etwas ist, was unmittelbar in den menschlichen Willen hinein-strömt und hineinwirkt und ihn für das Leben geschickt und eigentlich erst lebensfähig macht. Das ist es, was diejenigen verken­nen, die heute die Notwendigkeit unserer Geisteswissenschaft nicht einsehen wollen. Sie werden dann auch nicht einsehen, wie -nicht aus irgendeiner Willkür, sondern aus wahrer Lebenspraxis heraus – so etwas entsteht wie die Waldorfschule. Aber kann man denn heute gerade von den tonangebenden Leuten viel erwarten? Ich habe im Frühling und im Sommer wiederholt davon gespro­chen, das heißt, in meine sozialen Vorträge den Satz einfließen las­sen – ich will das nur als für manches in der Geistesverfassung der gegenwärtigen Zeit Charakteristische anführen -, daß die Arbeits­kraft in der Zukunft nicht Ware sein darf. Und auch in einer Nach­barstadt dieser Stadt hier sprach ich diesen Satz aus: Daß die menschliche Arbeitskraft befreit werden müsse von dem Waren-charakter. – Ich glaube, man braucht heute nur ein kleines bißchen gesunden Menschenverstand zu haben, und man wird das breit ge­sprochene a in dem Wort «Warencharakter» verstehen.

abstracts is, niets heeft van een metafysisch luchtkasteel – zoals kwaadsprekers wel beweren – maar dat het iets is wat direct overgaat in de menselijke wil en dóórwerkt en de mens voor het leven geschikt maakt, eigenlijk pas in stasat stelt om te leven. En dat ontkennen degenen die tegenwoordig de noodzaak van onze geesteswetenschap niet willen inzien. Die zullen dan ook niet kunnen inzien hoe – niet vanuit een of andere willekeur, maar vanuit een echte levenspraktijk – zoiets als de vrijeschool ontstaat. Maar kunnen we dan tegenwoordig, met name  van de leidinggevende figuren zoveel verwachten? In het voorjaar en van de zomer heb ik er herhaaldelijk over gesproken, d.w.z. in mijn sociale voordrachten heb ik de zinsnede ingelast – ik wil dit alleen maar als karakteristiek aanvoeren voor veel van de geestesgesteldheid van nu -, dat de kracht van de arbeid in de toekomst geen koopwaar mag zijn. In ook in een naburige stad zei ik: dat de menselijke arbeidskracht bevrijd moet worden van zijn koopwaarkarakter. Ik geloof dat je tewegenwoordig maar een klein beetje gezond verstand hoeft te hebben om de lang uitgesproken ‘a’ in (Duits heeft Warencharakter) in dat woord te begrijpen.

Doch ich bekam heute früh eine Zeitung, die in dieser Nachbarstadt heraus­kommt; der Leitartikel schließt mit dem Satz: «Ganz ratlos sehe ich mich dem Satz gegenüber, es müsse die Arbeitskraft befreit werden vom wahren Charakter»! Das ist heute möglich. Es ist heute mög­lich, daß Menschen urteilen über dasjenige, was sich, nicht in vager Weise, sondern aus Erkenntnisuntergründen heraus in die Gegen­wartskultur hineinstellen will, und die nicht einmal soweit sind mit ihrer Zeitbildung, daß sie von selber verstehen etwas wie den Wa­rencharakter. Es muß doch ein solcher Mensch in seinem ganzen Leben niemals etwas von dem «Warencharakter der menschlichen Arbeitskraft» gehört haben! Wie leben solche Menschen in der Ge­genwart? Ist es da ein Wunder, daß wir nicht zurechtkommen mit dem Kulturleben der Gegenwart, wenn überhaupt solches Aus-der-Zeit-heraus-sich-Versetzen möglich ist? Solches ist aber nicht nur möglich bei Leuten wie dem Schreiber dieses Zeitungsartikels,

Maar vanmorgen vroeg kreeg ik een krant die in die naburige stad verschijnt; het hoofdartikel wordt beëindigd met de zin: ‘Ik ben geheel radeloos als ik naar de zin kijk dat de arbeidskracht bevrijd zou moeten worden van haar ware karakter (dit is alleen vanuit het Duits te begrijpen: de lange ‘a’ -zie boven in Warenkrachter en het woord voor ‘echt’ = ‘wahr’). Dan moet zo iemand toch zijn leven lang nooit iets hebben vernomen van het ‘warenkarakter (koopwaar) van de menselijke arbeidskracht’! Hoe leven die mensen dan nu? Is het dan een wonder dat we er niet uitkomen wat het huidige cultuurleven betrreft, wanneer het überhaupt mogelijk is je zo buiten de tijd te plaatsen? Maar dat is niet alleen mogelijk bij lieden zoals de schrijver van dit krantenartikel,

blz. 115

dieses Leitartikels, sondern es ist auch möglich bei Leuten, die glauben, die Lebenspraxis gepachtet zu haben, die bei jeder Gele­genheit auf dasjenige herabsehen, was ihnen idealistisch erscheint, die nicht anders über das wirkliche Leben reden als derjenige, der ein hufeisenförmiges Eisen sieht und dem jemand sagt, das sei ein Magnet: «Nein», antwortet er, «mit einem Hufeisen beschlägt man doch Pferde.» So kommen einem die Menschen vor, die heute übersinnliche Erkenntnisse von dem praktischen Leben ausschlie­ßen wollen: wie der Mann, der mit einem Magneteisen als Huf­eisen sein Pferd beschlägt, würden sie das, was ihnen nicht un­mittelbar entgegentritt für ihr Auffassungsvermögen, nicht für wirklich halten.
Es sind heute viel mehr Menschen, als man denkt, die den sozia­len Fortschritt verhindern; Menschen, die durchaus nicht verstehen wollen, daß an den Satz, daß «die letzten vier bis fünf Jahre der Menschheit Europas etwas Furchtbareres gebracht haben, als je­mals da war in dem Zeitraum, den man gewöhnlich als geschicht­lichen bezeichnet», nun auch angeschlossen werden muß der Satz: «daß nun auch Dinge geschehen müssen aus Gedankentiefen her­aus, zu denen man noch nicht vorgedrungen ist im Verlaufe des­jenigen, was man Geschichte nennt».

dit hoofdartikel, maar het komt ook voor bij mensen die geloven het leven in pacht te hebben, die bij iedere gelegenheid neerkijken op wat hen idealistisch lijkt, die niet anders over het werkelijke leven praten als degenen die een stuk ijzer zien dat op een hoefijzer lijkt, waarvan iemand zegt dat het een magneet is. ‘Nee’, antwoordt hij, met een hoefijzer worden toch de paarden beslagen.’ En zo zien je de mensen die tegenwoordig bovenzinnelijke kennis buiten  het praktische leven willen houden: als de man die met een hoefijzermagneet zijn paard beslaat, zij kunnen niet als realiteit nemen wat voor hen niet meteen te begrijpen is.
Er zijn tegenwoordig veel meer mensen dan je wel denkt die de sociale vooruitgang remmen; mensen die beslist niet willen begrijpen dat aan de zin dat ‘de laatste vier tot vijf jaar de mensheid van Europa iets vreselijks gebracht hebben als er tevoren in de tijd plaatsvond die men gewoonlijk geschiedenis noemt’, daarbij nu de zin aangsloten moet worden: ‘dat er nu ook dingen moeten gebeuren vanuit diepere gedachten waar men nog niet op gekomen is in het verloop van wat men nu geschiedenis noemt.’

Wir sind in einer Zeitepoche angekommen, in welcher die Menschheit ganz und gar abstrakt denkt; am meisten abstrakt aber sind die Parteimeinungen und Parteiprogramme, die am Beginn des 20. Jahrhunderts da waren, herausgewachsen aus dem, was naturwissenschaftliche Erziehung war. Die Leute wollen nicht begreifen, wie abstrakt, wie mensch­heitsfremd dasjenige ist, womit sie heute das Leben beherrschen wollen. Die Menschen glauben praktisch zu sein. Nur ein Beispiel: Die Leute sehen heute, wie ihnen das deutsche Geld dem Weltver­kehr gegenüber unter den Fingern zerrinnt, wie die deutsche Valu­ta mit jedem Tag mehr und mehr zerrinnt. Und in Deutschland macht man jeden Tag mehr und mehr die Dinge, unter denen die Valuta selbstverständlich fallen muß. Das heißt: die Praktiker sind wieder stark am Ruder. Und solange man nicht einsehen wird, wie wirkliche Lebenspraxis nicht da liegt, wo man sie bis 1914 gesucht

Wij in een tijdsfase aangekomen waarin de mensheid bijzonder abstract denkt; het abstractst zijn de partij-opvattingen en partijprogramma’s die aan het begin van de 20e eeuw gangbaar waren, ontstaan vanuit een natuurwetenschappelijke opvoeding. De mensen willen niet begrijpen hoe abstract, hoe wezensvreemd hegeen is waarmee ze tegenwoordig het leven willen beheersen. De mensen geloven dat ze praktisch zijn. Alleen als voorbeeld: De mensen zien nu hoe de waarde van het Duitse geld in het wereldverkeer in hun handen verdampt, hoe de Duitse valuta met de dag steeds minder wordt. En in Duitsland doet men iedere dag steeds meer dingen waaronder de valuta vanzelfsprekend moet vallen. Dat betekent: de practici staan weer krachtig aan het roer. En zolang men niet wil inzien dat de werkelijke praktijk van het leven niet daar ligt waar men die tot 1914 zocht,

blz. 116

hat, sondern in den beherrschenden Ideen des Lebens, solange wird kein Heil werden. Daß die Leute nicht bescheiden genug sind, sich zu gestehen, es müsse eine Vertiefung kommen, die Vertiefung der Einsicht, der gute Wille allein tue es nicht – das ist der Krebs-schaden unserer Zeit.
Es wird notwendig sein, daß man immer mehr und mehr ein-sieht, worauf wirkliche Geisterkenntnis beruht und daß Geist-erkenntnis, weil sie auf der Entwicklung derselben Kräfte, die in gesunder Art den Menschen organisieren, beruht, ihn deshalb auch in gesunder Art sozial-pädagogisch in das Leben hineinstellen kann. Das ist das, was wir heute brauchen: Geist – aber Geist nicht weltfremd, nicht im Wolkenkuckucksheim; nicht metaphysischen Geist, sondern wirklichen Geist, der in die Praxis des Lebens ein­greift, der die Materie beherrschen kann. Und wir brauchen auch praktische Einsicht in das Leben, Stehen im Leben, aber so, daß wir das Leben selber so anschauen, daß wir den Geist in dieses Leben einführen wollen.
Eine Devise muß aus geisteswissenschaftlicher Gesinnung die Menschen ergreifen, sonst wird kein Fortschritt in unserer heil­losen Zeit möglich sein. Und diese Devise muß sein:

maar in de ideeën die het leven kunnen beheersen, zolang zal er niet iets gezonds uitkomen. Dat de mensen niet bescheiden genoeg zijn in te zien dat er verdieping moet komen, verdieping van het inzicht dat de goede wil alleen niet gnoeg is – dat is de kanker van deze tijd.
Het zal noodzaklijk blijken te zijn dat men steeds meer gaat inzien wat de basis is van een waarachtige geesteswetenschap en dat kennis van de geest, omdat die berust op dezelfde krachten die op een gezonde manier de mens vormt, hem daarom ook op een gezonde sociaal-pedagogische manier een plaats kan geven in het leven. Wat we nu nodig hebben is: geest – maar geen wereldvreemde geest, niet als luchtkasteel; geen metafysische geest, maar een werkelijke geest die in de praktijk van het leven doeltreffend werkt, die de materie kan beheersen. En we hebben ook praktisch inzicht in het leven nodig. In het leven staan – maar zo dat we het leven zelf zo waarnemen dat we de geest in dit leven een plaats willen geven.
Vanuit een geesteswetenschaapelijke gezindheid moet een kerngedachte de mens het enthousiasme geven.

En deze kerngedachte moet zijn:

Suchet das wirklich praktische materielle Leben, 
Aber suchet es so, daß es euch nicht betäubt
über den Geist, der in ihm wirksam ist. 
Suchet den Geist,
Aber suchet ihn nicht in übersinnlicher Wollust, 
    aus übersinnlichem Egoismus,
Sondern suchet ihn,
Weil ihr ihn selbstlos im praktischen Leben, 
    in der materiellen Welt anwenden wollt.
Wendet an den alten Grundsatz:
«Geist ist niemals ohne Materie, Materie niemals 
    ohne Geist» in der Art, daß ihr sagt:
Wir wollen alles Materielle im Lichte des Geistes tun.

Zoek het werkelijk praktische, materiële leven,
maar zoek het zo, dat het je niet verdoofd
voor de geest die in de materie werkt.
Zoek de geest,
maar doe dat niet in bovenzinnelijk genot,
uit bovenzinnelijk egoïsme,
maar zoek de geest
omdat je hem onzelfzuchtig, in het praktische leven,
in de materiële wereld wilt doen werken.
Ga uit van de oude grondgedachte:
“Geest is nooit zonder materie en materie is nooit
zonder geest”, en wel zo dat je kunt zeggen:
Wij willen ons werken met de materie in het licht van de geest stellen,

blz. 117

Und wir wollen das Licht des Geistes so suchen,
Daß es uns Wärme entwickele für unser praktisches Tun.

Der Geist, der von uns in die Materie geführt wird,
Die Materie, die von uns bearbeitet wird bis zu ihrer Offenbarung,
Durch die sie den Geist aus sich selber heraustreibt;
Die Materie, die von uns den Geist offenbart erhält,
Der Geist, der von uns an die Materie herangetrieben wird,
Die bilden dasjenige lebendige Sein,
Welches die Menschheit zum wirklichen Fortschritt bringen kann,
Zu demjenigen Fortschritt, der von den Besten 
    in den tiefsten Untergründen der
Gegenwartsseelen nur ersehnt werden kann.

en wij willen het licht van de geest zo nastreven,
dat het geestdrift in ons wekt voor ons praktisch handelen.

De geest die door ons tot de materie geleid wordt,
de materie die door ons wordt bewerkt, zodat zij zich als de uitdrukking van de geest kan openbaren;
De materie die door ons de geest als openbaring ontvangt,
de geest die door ons met de materie verbonden wordt,
zij vormen de levende substantie
die de mensheid tot werkelijke vooruitgang kan brengen,
tot die vooruitgang die door de edelste verlangens
in de diepste diepten van de mensenzielen
in deze tijd slechts kan worden verbeid. [*]

[*] Deze kerngedachte wordt ook hier gebruikt

.
[1] GA 297

[]2] Voordracht 4
,

Rudolf Steineralle artikelen

.

1613-1512

.

.

Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-5)

 

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 38

GEEST EN ZIEL VERTONEN ZICH LICHAMELIJK
.

Ich habe Ihnen den seelischen Menschen geschildert. Der ist verbunden auf dem physischen Plan mit dem leiblichen Menschen. Alles
Seelische drückt sich aus, offenbart sich im Leiblichen, ( )

Ik heb u de ziel van de mens beschreven. Deze is op het fysieke plan verbonden met het lichaam van de mens. Alle zielenroerselen drukken zich uit, openbaren zich in het lichaam (  ).

 

Vele malen heeft Steiner erop gewezen dat – niet alleen de ziel, zoals hierboven staat, zich uitdrukt in het lichaam, maar ook de geest.
Op blz. 38 neemt hij de zielenkwaliteit ‘antipathie’ en brengt deze in verband met de stoffelijkheid, hier de zenuwen. Je zou dus in zekere zin kunnen zeggen: antipathie en zenuwen zijn één; ze krijgen alleen een andere naam door het standpunt dat je inneemt bij je beschrijving. Dat geldt ook voor de sympathie en het bloed. Vanuit deze optiek kun je bijv. ‘denken en hersenen’, ‘hart, longen en gevoel’ en ‘stofwisseling en wil’ als behorend bij elkaar zien, het ene een uitdrukking, een manifestie in de stof van het andere, onstoffelijke aspect.

Wat dat voor het bloed en de zenuw betekent: [2-5-1]

Een paar algemene uitspraken van Steiner hierover die te vinden zijn in de pedagogische voordrachten:

Alles Seelische drückt sich aus, offenbart sich im Leiblichen, (   ) Sie müssen den ganzen Menschen verstehen lernen: geistig, seelisch und leiblich.

Alle zielenroerselen drukken zich uit, openbaren zich in het lichaam. (  ) U moet de gehele mens leren begrijpen: naar geest, ziel en lichaam.
GA 293/37 -38
Vertaald/37

Das Leibliche kann nur gefaßt werden, wenn es als eine Offenbarung des Geistigen und auch des Seelischen aufgefaßt wird.

Het lichamelijke kan slechts begrepen worden wanneer men het beschouwt als een openbaring van de geest en ook van de ziel.
GA 293/91   
Vertaald/90

Sie können nämlich überall die äußeren Formen als Offenbarungen des Inneren ansehen. Sie verstehen  nur dann die äußeren Formen, wenn Sie sie als Offenbarungen des Inneren ansehen.

U kunt overal de uiterlijke verschijningsvormen beschouwen als openbaringen van het innerlijk. En u begrijpt de uiterlijke vormen slechts, wanneer u ze ook als openbaringen van het innerlijk ziet.
GA 293/154
Vertaald/145

Was so äußer­liche Vorgänge sind, das ist immer eigentlich der äußere Ausdruck für Innerliches, so sonderbar es für die äußere Weltenbetrachtung aus­sieht.

Al de uiterlijke processen zijn eigenlijk altijd een uiterlijke manifestatie van innerlijke processen, hoe vreemd dit ook moge klinken voor een slechts op het uiterlijk gerichte wereldbeschouwing.
GA 294/35
Vertaald/45-46

Je mehr wir der Zukunft entgegenwachsen, desto mehr müssen wir alles dasjenige, was sinnlich um uns herum ist, lernen geistig aufzufassen.

Naarmate wij de toekomst in groeien, moeten wij leren al hetgeen in het zintuiglijke rondom ons is, geestelijk op te vatten.

Steiner noemt de pedagogie hier zelfs fysionomisch:

Und angefangen muß das werden mit der pädagogischen Betätigung des Lehrers gegenüber dem heranwachsenden Kinde. Physiognomische Pädagogik: Wille, dieses größte Rätsel Mensch in jedem einzelnen Exemplar Mensch durch die Erziehung zu lösen!

En dat moet beginnen met de pedagogische inzet van de leraar ten opzichte van het opgroeiende kind. Fysionomische* pedagogie: de wil om dit grootse raadsel mens in iedere afzonderlijke mens door de opvoeding op te lossen!

*Fysionomie: de kunst om de mens te leren kennen uit het gelaat of het fysieke gestel. 
Waarbij ik aanteken dat dit slechts een van de vele benaderingen kan zijn om de mens wellicht beter te leren kennen.
GA 296/82
Vertaald/94

Wie soll man denn überhaupt den Men­schen behandeln, wenn man nicht in der Lage ist, einzusehen, was er physisch ist, indem er sich ja Stück für Stück aus dem Geistig-Seelischen heraus aufbaut, so daß nichts physisch ist, was nicht eine Offenbarung des Geistig-Seelischen ist.

Hoe zou je dan met de mens willen omgaan, als je niet in staat bent in te zien wat hij fysiek is wanneer hij zich stukje voor beetje vanuit de geest-zielenwereld opbouwt zo, dat niets fysiek is wat niet een zichtbaar worden is van geest en ziel.
GA 301/56
Op deze blog vertaald/56

Man sieht nicht, wie alles Physische aus dem Geistigen heraus plastiziert wird, und wie alles Geistige im Grunde ge­nommen in diesem physischen Leben gleichzeitig sich offenbart nach der anderen Seite als ein Physisches.

Men ziet niet in hoe al het stoffelijke vanuit de geest gevormd wordt en hoe al het geestelijke eigenlijk zich gelijktijdig manifesteert als iets fysieks.
GA 301/238
Op deze blog vertaald/238

Gerade dadurch, daß wir zeigen, wie das Geistig-Seelische sich im Leiblichen auslebt, gerade dadurch bringen wir die Menschen dahin, daß sie sich vorstellen: die ganze materielle Welt lebt eigentlich aus dem Geistig-Seelischen.

Juist doordat we laten zien hoe geest en ziel zich in het lichamelijke manifesteren, brengen we de mensen tot de voorstel­ling: de hele materiële wereld leeft in feite vanuit een geestes-zielenelement.
GA 302/22
Menskunde en opvoeding/23

Alles Stoffliche ist zugleich Geistiges.

Al het stoffelijke is tegelijkertijd geestelijk.
GA 302/24
Menskunde en opvoeding/23

Das Physisch-Leibliche ist der reine Ausdruck des Geistigen.

Het fysiek-lichamelijke is de zuivere uitdrukking van de geest.
GA 302/50
Menskunde en opvoeding/51

Alle Entwicklung des Men­schen besteht darin, daß nach und nach das erst bloß geistig existie­rende Übersinnliche sich ins Sinnliche herunterbewegt.

Alle ontwikkeling van de mens bestaat erin dat het bovenzin­nelijke dat aanvankelijk zuiver geestelijk bestaat, zich geleide­lijk aan naar beneden toe in het zintuiglijke begeeft.
GA 302A/49
Gedeeltelijk vertaald
menskundige aanwijzingen voor het leraarschap/51

In aller Körperlichkeit, in aller Leiblichkeit ist das Zugrundeliegende geistig.

Aan heel het fysiek-etherische ligt de geest ten grondslag.
GA 304a/79
Op deze blog vertaald/79

Man muß vom Geiste aus un­terzutauchen verstehen in die Physis, und beobachten konnen, wie der Geist fortwährend wellt und webt im Physischen.

Men moet zich vanuit de geest weten te verdiepen in het fysieke en kunnen waarnemen, hoe de geest voortdurend in het fysieke golft en beweegt.
GA 305/70
Vertaald/76

Denn in allem Körperlichen wirkt eben der Geist.

In het hele lichaam is de geest werkzaam.
GA 306/150
Vertaald

Dieses Durchschauen des Ineinanderwirkens von Geist, Seele und Leib, das ist es, was fortwährend, ohne daß man es nun immer auf den Lippen führt, in intensiver Anschauung die Handlungen des Leh­renden und Erziehenden durchsetzen muß.

Het begrijpen van hoe geest, ziel en lichaam op elkaar inwerken is iets  ( )  wat door intensieve waarneming voortdurend onderwerp moet zijn bij wat leraren en opvoeders doen.
GA 306/156
Op deze blog vertaald/156

Und so kann man, wenn man dieses ganze Ineinanderwirken von Leib, Seele und Geist kennt, ungeheuer günstig nach den drei Rich­tungen hin im Menschen wirken.

Wanneer je weet hoe lichaam, ziel en geest op elkaar inwerken, kun je met een buitengewoon resultaat in drie richtingen aan de mens werken.
GA 306/158
Op deze blog vertaald/158

(  ) das Körperliche ist die Offenbarung eines Geistigen, und das Geistige will überall schöpferisch in das Körperliche übergehen (  )

( ) het lichamelijke is de openbaring van iets geestelijks, en het geestelijke wil overal scheppend in het lichamelijke overgaan ( )
GA 307/231
Opvoeding en moderne cultuur/298

Man suche einmal die Grundlage bewußt, daß ein Seelisch-Geistiges überall zugrunde liegt dern körperlichen Wirken.

Men zou bewust de basis moeten zoeken van wat ziel en geest is, die overal ten grondslag liggen aan het fysieke functioneren.
GA 309/18
Op deze blog vertaald/18

Es offenbaren sich Seele und Geist durchaus in dem, was äußerlich stofflich zutage tritt.

Ziel en geest uiten zich nu eenmaal in wat uiterlijk stoffelijk zichtbaar wordt.
GA 309/19
Op deze blog/vertaald/19

Im Kinde drinnen wirkt der Gott im Men­schen, wirkt durch das Leiblich-Physische hindurch.

Binnen in het kind echter werkt de god in de mens, en die werkt door het lichamelijk-fysieke heen.
GA310/22
Menskunde, pedagogie en cultuur/22

Wir müssen also begreifen, wie in dem irdischen Leben das Überirdische arbeitet. Denn das ist ja zwischen Geburt und Tod doch auch vorhanden; es arbeitet nur verborgen in dem Leiblichen drinnen, und man versteht das Leibliche nicht, wenn man nicht das im Leiblichen wirkende Geistige versteht.

We moeten dus begrij­pen hoe het bovenaardse leven in het aardse werkzaam is. Dat is immers ook aanwezig tussen geboorte en dood. Alleen werkt het verborgen in het lichamelijke. En je kunt het lichamelijke niet begrijpen als je het geestelijke dat in het lichamelijke werkt, niet begrijpt.
GA310/24
Menskunde, pedagogie en cultuur/25
.

Bovenstaande uitspraken zijn op deze blog ook verschenen als ‘wegwijzers‘.

Dit ‘tot uitdrukking komen’ zien we bv. terug in de typologie van Sigaud
Maar ook in wat je wellicht een antroposofische typologie kan noemen:

=de temperamenten, met het bekende ‘uitdrukkingstekeningentje in GA 295:
=groot- en kleinhoofdig kind

=’ijzer- en zwavelkind’

=fantasiearme en fantasierijke kind  

=kosmische en aardse kinderen  

=te diep en niet diep genoeg geïncarneerde kinderen

=te zwaar en te licht in hun bewegingssysteem levende kinderen

Over de temperamenten is op deze blog gepubliceerd [menskunde [15] , over de overige onderwerpen (nog) niet

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1612-1511

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-2-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 31-33 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Rudolf Steiner noemt de voorstelling o.a. ‘niet meer werkelijk‘ (unter-real). De werkelijkheid lag in de geestelijke wereld vóór onze geboorte – en zoals Steiner er vaak aan toevoegt: vóór onze conceptie.
Maar wat daar werkelijkheid was, is met onze geboorte niet opgehouden te bestaan: vanuit deze geestelijke wereld ‘stromen’ nog altijd krachten in ons die het ons mogelijk maken dat we ons kunnen voorstellen.
En zoals we dagelijks door onze voeding bijv. verbonden zijn met de aarde, ook als we niet eten of drinken, zo lijkt het alsof we ook – maar nu natuurlijk helemaal onstoffelijk – verbonden zijn met een wereld van ‘de gedachtevoeding’.

Iedere vergelijking met iets aards gaat eigenlijk mank: de wereld van de geest is een totaal andere wereld.

Toch probeert Steiner deze voor ons te beschrijven.

In GA 9, theosofie, doet hij dat zo:

Bevor nun der Geist auf seiner weiteren Wanderung betrachtet werden kann, muß das Gebiet selbst erst beobachtet werden, das er betritt. Es ist die «Welt des Geistes». Diese Welt ist der physischen so unähnlich, daß alles das, was über sie gesagt wird, demjenigen wie Phantastik Vorkommen muß, der nur seinen physischen Sinnen Vertrauen will. Und in noch höherem Maße gilt hier, was schon bei der Betrachtung der «Welt der Seele» gesagt worden ist: man muß sich der Gleichnisse bedienen, um zu schildern. Denn unsere Sprache, die zumeist nur der sinnlichen Wirklichkeit dient, ist mit Ausdrücken, die sich für das «Geisterland» unmittelbar anwenden lassen, nicht gerade reich gesegnet. Besonders hier muß daher gebeten werden, manches, was gesagt wird, nur als Andeutung zu verstehen. Es ist alles, was hier beschrieben wird, der physischen Welt so unähnlich, daß es nur in dieser Weise geschildert werden kann. Der Schreiber dieser Darstellung ist sich immer bewußt, wie wenig seine Angaben wegen der Unvollkommenheit unserer für die physische Welt berechneten sprachlichen Ausdrucksmittel wirklich der Erfahrung auf diesem Gebiete gleichen können.
Vor allen Dingen muß betont werden, daß diese Welt aus dem Stoffe (auch das Wort «Stoff» ist natürlich hier in einem sehr uneigentlichen Sinne gebraucht) gewoben ist, aus dem der menschliche Gedanke besteht. Aber so wie der Gedanke im Menschen lebt, ist er nur ein Schattenbild, ein Schemen seiner wirklichen Wesenheit. 

Voordat we de geest op zijn verdere weg kunnen volgen, moeten we eerst het gebied leren kennen waar hij nu in terechtkomt. Dat is de ‘wereld van de geest’. Deze wereld lijkt zo weinig op de fysieke wereld dat iemand die alleen zijn fysieke zintuigen wil vertrouwen alle uitspraken over die wereld wel als pure fantasie moet beschouwen. En in nog sterkere mate geldt hier wat ook al bij de ‘wereld van de ziel’ is opgemerkt: je moet gebruik maken van vergelijkingen om die wereld te kunnen beschrijven. Want onze taal, die hoofdzakelijk in dienst van de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid staat, is arm aan uitdrukkingen die direct op het ‘geestenrijk’ kunnen worden toegepast. Daarom moet met name bij de volgende beschrijvingen de lezer worden verzocht veel slechts als aanduiding op te vatten. Alles wat hier beschreven wordt lijkt zo weinig op de fysieke wereld, dat het alleen maar aanduidingsgewijs, met behulp van vergelijkingen, kan worden geschetst. De schrijver is er zich voortdurend van bewust hoe weinig zijn beschrijving — wegens de onvolmaakte uitdrukkingsmiddelen van onze taal die op de fysieke wereld is toegesneden — kan weergeven wat op dit gebied in werkelijkheid wordt ervaren.

Allereerst moet er de nadruk op worden gelegd dat deze wereld geweven is uit de stof (ook het woord ‘stof’ is hier natuurlijk in zeer oneigenlijke zin gebruikt) waaruit de menselijke gedachte bestaat. Maar zoals de gedachte in de mens leeft is ze slechts een schaduwbeeld, een schim van haar werkelijke wezen.

In voordracht 2 heb ik dit tekeningetje gemaakt:

De muur is hier ‘de spiegel’; voor het denken de spiegelende functie van het aan de fysieke hersenen gebonden denken.

Wie der Schatten eines Gegenstandes an einer Wand sich zum wirklichen Gegenstand verhält, der diesen Schatten wirft, so verhält sich der Gedanke, der durch den menschlichen Kopf erscheint, zu der Wesenheit im «Geisterland», die diesem Gedanken entspricht.
Wenn nun der geistige Sinn des Menschen erweckt ist, dann nimmt er diese Gedankenwesenheit wirklich wahr, wie das sinnliche Auge einen Tisch oder einen Stuhl wahrnimmt. Er wandelt in einer Umgebung von Gedankenwesen. Das sinnliche Auge nimmt den Löwen wahr und das auf Sinnliches gerichtete Denken bloß den Gedanken des Löwen als ein Schemen, als ein schattenhaftes Bild. Das geistige Auge sieht im «Geisterland» den Gedanken des Löwen so wirklich wie das sinnliche den physischen Löwen. Wieder kann hier auf das schon bezüglich des «Seelenlandes» gebrauchte Gleichnis verwiesen werden. Wie dem operierten Blindgeborenen auf einmal seine Umgebung mit den neuen Eigenschaften der Farben und Lichter erscheint, so erscheint demjenigen, der sein geistiges Auge gebrauchen lernt, die Umgebung mit einer neuen Welt erfüllt, mit der Welt lebendiger Gedanken oder Geistwesen. – In dieser Welt sind nun zunächst die geistigen Urbilder aller Dinge und Wesen zu sehen, die in der physischen und in der seelischen Welt vorhanden sind. Man denke sich das Bild eines Malers im Geiste vorhanden, bevor es gemalt ist. Dann hat man ein Gleichnis dessen, was mit dem Ausdruck Urbild gemeint ist. Es kommt hier nicht darauf an, daß der Maler ein solches Urbild vielleicht nicht im Kopfe hat, bevor er malt; daß es erst während der praktischen Arbeit nach und nach vollständig entsteht. In der wirklichen «Welt des Geistes» sind solche Urbilder für alle Dinge vorhanden, und die physischen Dinge und Wesenheiten sind Nachbilder dieser Urbilder. – Wenn derjenige, welcher nur seinen äußeren Sinnen vertraut, diese urbildliche Welt leugnet und behauptet, die Urbilder seien nur Abstraktionen, die der vergleichende Verstand von den sinnlichen Dingen gewinnt, so ist das begreiflich; denn ein solcher kann eben in dieser höheren Welt nicht wahrnehmen; er kennt die Gedankenwelt nur in ihrer schemenhaften Abstraktheit. Er weiß nicht, daß der geistig Schauende mit den Geisteswesen so vertraut ist wie er selbst mit seinem Hunde oder seiner Katze und daß die Urbilderwelt eine weitaus intensivere Wirklichkeit hat als die sinnlich-physische.

Zoals de schaduw van een voorwerp op een muur zich verhoudt tot dat voorwerp zelf dat de schaduw werpt, zo verhoudt de gedachte die via het hoofd van de mens tot verschijning komt [de oudere vertaling had ‘opkomt’]* zich tot het wezen in het ‘geestenrijk’ waarmee deze gedachte overeenkomt. Als nu het geestelijke zintuig van de mens is geopend, dan neemt hij dit gedachtewezen werkelijk waar, net zoals hij met het fysieke oog een tafel of een stoel waarneemt. Hij begeeft zich in een wereld van gedachtewezens. Het fysieke oog neemt de leeuw waar en het op de zintuiglijk waargenomen wereld gerichte denken ervaart de gedachte van ‘de leeuw’ als een schim, als een schaduwachtig beeld. Met het geestelijke oog zie je in het ‘geestenrijk’ de gedachte van ‘de leeuw’ zo werkelijk als het fysieke oog de fysieke leeuw ziet.* Hier is opnieuw de vergelijking van toepassing die ook al met betrekking tot het ‘zielenrijk’ werd gebruikt. Zoals de blindgeborene zijn omgeving na de operatie plotseling verrijkt ziet met nieuwe kleur- en lichteigenschappen, zo ziet iemand die zijn geestesoog leert gebruiken zijn omgeving vervuld van een nieuwe wereld, de wereld van levende gedachten of geestelijke wezens. — In deze wereld zijn in de eerste plaats de geestelijke oerbeelden te vinden van alle wezens en verschijnselen die in de fysieke wereld en in de zielenwereld voorkomen. Denk aan het beeld dat in de geest van een schilder aanwezig is voordat hij het schildert. Dat beeld is vergelijkbaar met wat hier aangeduid wordt als oerbeeld. Het is daarbij onwezenlijk dat de schilder zo’n oerbeeld misschien niet in zijn hoofd heeft als hij begint te schilderen; dat het pas tijdens het daadwerkelijke schilderen geleidelijk helemaal te voorschijn komt. In de echte ‘wereld van de geest’ zijn nu dergelijke oerbeelden voor alle verschijnselen aanwezig; en de fysieke wezens en verschijnselen zijn afbeeldingen van deze oerbeelden. — Als iemand die alleen zijn uiterlijke zintuigen vertrouwt het bestaan van deze ‘oerbeeldenwereld’ ontkent en beweert dat de oerbeelden slechts abstracties zijn die het vergelijkende verstand uit de zintuiglijk waargenomen verschijnselen haalt, dan is dat begrijpelijk; want zo iemand kan die hogere wereld nu eenmaal niet waarnemen; hij kent de ‘gedachtewereld’ alleen in haar schimmige abstractheid. Hij weet niet dat wie geestelijk waarneemt met de geestelijke wezens net zo vertrouwd is als hij zelf met zijn hond of zijn kat, en dat de oerbeeldenwereld een veel intensievere werkelijkheid is dan de zintuiglijk-fysieke wereld.

*102 Met het geestelijke oog… de fysieke leeuw ziet: Vgl. ook wat Steiner in zijn artikel ‘Filosofie en antroposofie’ daarover zegt: Waarheid en wetenschap – Filosofie en antroposofie (1892 en 1918)

Allerdings ist der erste Einblick in dieses «Geisterland» noch verwirrender als derjenige in die seelische Welt. Denn die Urbilder in ihrer wahren Gestalt sind ihren sinnlichen Nachbildern sehr unähnlich. Ebenso unähnlich sind sie aber auch ihren Schatten, den abstrakten Gedanken. – In der geistigen Welt ist alles in fortwährender beweglicher Tätigkeit, in unaufhörlichem Schaffen. Eine Ruhe, ein Verweilen an einem Orte, wie sie in der physischen Welt vorhanden sind, gibt es dort nicht. Denn die Urbilder sind schaffende Wesenheiten. Sie sind die Werkmeister alles dessen, was in der physischen und seelischen Welt entsteht. Ihre Formen sind rasch wechselnd; und in jedem Urbild liegt die Möglichkeit, unzählige besondere Gestalten anzunehmen. Sie lassen gleichsam die besonderen Gestalten aus sich hervorsprießen; und kaum ist die eine erzeugt, so schickt sich das Urbild an, eine nächste aus sich hervorquellen zu lassen. Und die Urbilder stehen miteinander in mehr oder weniger verwandtschaftlicher Beziehung. Sie wirken nicht vereinzelt. Das eine bedarf der Hilfe des andern zu seinem Schaffen. Unzählige Urbilder wirken oft zusammen, damit diese oder jene Wesenheit in der seelischen oder physischen Welt entstehe.

Natuurlijk is de eerste blik in dit ‘geestenrijk’ nog verwarrender dan die in de zielenwereld. Want de oerbeelden lijken in hun ware gedaante heel weinig op hun zintuiglijk waarneembare afbeeldingen. Ze lijken echter eveneens heel weinig op hun schaduwen, de abstracte gedachten. – In de geestelijke wereld is alles voortdurend in actieve beweging, is alles onophoudelijk creatief werkzaam. Rust, het vertoeven op één plaats, zoals dat in de fysieke wereld voorkomt, bestaat daar niet. Want de oerbeelden zijn scheppende wezens. Ze zijn de werkmeesters van alles wat in de fysieke wereld en in de zielenwereld ontstaat. Hun vormen wisselen snel; en ieder oerbeeld heeft de mogelijkheid talloze bijzondere gestalten aan te nemen. Ze laten als het ware de afzonderlijke gestalten uit zichzelf voortkomen; en nauwelijks is de ene gestalte voortgebracht of het oerbeeld is al doende uit zichzelf een andere te voorschijn te laten komen. En tussen de oerbeelden bestaan min of meer verwantschapsbetrekkingen. Ze werken niet onafhankelijk van elkaar. Het ene oerbeeld heeft bij zijn scheppende werkzaamheid de hulp van het andere nodig. Vaak werken talloze oerbeelden samen om een bepaald wezen in de fysieke wereld of in de zielewereld te laten ontstaan.
GA 9/120-122
Theosofie/101-103

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

*Een deel van deze oudere vertaling staat hier

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1599-1498

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-3-1)

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 35 – 38

OVER SYMPATHIE

In zekere zin vormt dit artikel één geheel met dit: over antipathie en sympathie. In het laatstgenoemde ging het ten slotte over de antipathie; dit artikel volgt Steiners opmerkingen over de sympathie.

Het voelen, de ziel, staat tussen denken, voorstellen en willen, handelen in. Vormt in zekere zin het midden:
over wat we voelen kunnen we gaan nadenken en komen daarmee in de sfeer van het voorstellen; vanuit onze belevingen kunnen we ook gaan doen, gaan handelen en komen daarmee in de sfeer van het willen.

Dus: het voelen tussen voorstelling en wil.

Nun haben Sie in einer gewissen Weise das menschliche Seelenleben in zwei Gebiete zerteilt: in das bildhafte Vorstellen und in den keimhaften Willen; und zwischen Bild und Keim liegt eine Grenze. Diese Grenze ist das ganze Ausleben des physischen Menschen selbst, der das Vorgeburtliche zurück- wirft, dadurch die Bilder der Vorstellung erzeugt, und der den Willen nicht sieh ausleben läßt und dadurch ihn fortwährend als Keim erhält, bloß Keim sein läßt. Durch welche Kräfte, so müssen wir fragen, geschieht denn das eigentlich?

Daarmee is het zielenleven van de mens in zekere zin in twee gebieden verdeeld: in het voorstellen — als beeld — en het willen – als kiem – en tussen beeld en kiem ligt een grens. Deze grens is de gehele werkzaamheid van de fysieke mens zelf, de mens die enerzijds het leven voor de geboorte terugkaatst en daar­door de beelden van de voorstelling doet ontstaan, en die an­derzijds de ontplooiing van de wil verhindert en deze daardoor voortdurend in de kiem houdt, alleen maar kiem laat zijn. We moeten ons nu afvragen door welke krachten dat eigenlijk ge­beurt.
GA 293/34
Vertaald/34

‘de gehele werkzaamheid van de fysieke mens’ – het Duits heeft hier ‘Ausleben’ het zelfstandig naamwoord dat bij het werkwoord ‘ausleben’ hoort en de betekenisstrekking daarvan is: tot ontplooiing brengen, reageren, maar ook: af-reageren, ongeremd reageren;
we zouden dat dus op moeten vatten als ‘hoe wij hier en nu: ‘gewoon’ leven; ons leven leven; ons dagelijkse leven hier op aarde.

De zielenkrachten die hij uit deze wereld meebrengt, zijn de krachten van antipathie en sympathie, die in de zielenwereld na de dood sterk overheersend aanwezig zijn: 

Dort herrscht unverhüllt Sympathie und Antipathie.

Daar heersen sympathie en antipathie in hun zuivere gedaante.
GA 293/37
Vertaald/37

Ze zitten in ons, die krachten en ze bepalen voor een deel ons zielenleven: steeds ontstaan er in ons antipathie en sympathie voor wat er uit de wereld naar ons toe komt. We wijzen dingen terug, we omarmen dingen, we gaan erop in.

De omschrijving van de ziel als een vermogen om de buitenwereld tot eigen wereld te maken en van onze binnenwereld uit weer iets in de wereld te zetten, wint met de omschrijving van de ziel als ‘gradaties van antipathie en sympathie’ nog meer aan zeggingskracht. 

Hier maakte ik een opmerking over ‘menskunde’ en ‘mensenkennis’. 
Voor ‘ziel’ of ‘gedrag’ blijkt ook hier dat menskunde op een bepaalde manier synoniem is aan mensenkennis.
In het dagelijks leven doen zich – uiteraard: zie Steiners opmerking hierboven over ‘de gehele werkzaamheid van de fysieke mens‘ – telkens situaties voor die ons iets zeggen over wat er in het gevoel leeft: van onszelf en bij de ander, hoewel dit laatste altijd omgeven blijft door een bepaald ‘niet weten wat er in hem omgaat.’

Wanneer je daar in het dagelijks leven op gaat letten, zul je veel meer gaan zien.

Je staat voor de klas en wil met de kinderen buiten op het plein iets gaan doen. Als je in je onervarenheid zegt: ‘Kinderen, we gaan naar buiten’, heb je de kans dat een grote groep al opstaat en bijna weg is. 
Dat is heel begrijpelijk: in de meeste kinderen sprankelt de levenskracht die sterk met beweging, dus met het willen, verbonden is. ‘Naar het plein’ is nog toekomst, maar die ‘wordt gewild’ en daarmee is de sympathie verbonden. Dat wordt weerspiegeld in het ‘graag’ en de kinderen zijn al weg.
Wanneer je dus eerst nog instructies had willen geven die de kinderen moeten onthouden, gaat het om ‘voorstellen’. Je laat de instructies door een aantal kinderen herhalen en hier zie je het ‘reflecteren’. Je kan ook aan de kinderen merken dat ze dat allemaal niet zo interessant vinden – soms voel je zelfs de weerstand – en daarmee kun je de antipathie ervaren. Zo ervaar je dus ook de sympathie voor het naar buiten gaan.

Wanneer je bijv. als volwassenen onder elkaar iets bespreekt en de ander reageert op je voorstel met; ‘Jaa, laten we dat gaan doen!’, weet je dat hier de sympathie overheerst en het woord ‘doen’ wijst al op ‘de wil’. Het ‘we’ onderstreept een bepaalde eenheid, verbondenheid.
Zegt de ander: ‘Daar zal ik over denken’ of ‘dat neem ik (nemen we mee)’, weet je dat hier de antipathie overheerst: er moet eerst over nagedacht worden – opnieuw gereflecteerd: niet de ledematen komen in actie, maar het hoofd. De ‘meenemer’ gaat als individu; jij blijft als individu achter.

Zo zit het leven vol met situaties waarin zichtbaar wordt ‘hoeveel’ antipathie of sympathie aanwezig is.

Tot zover is het niet zo ingewikkeld.
Moeilijker wordt het weer wanneer Steiner in zijn beschrijving van de sympathie voorbij de grens van het leven gaat: nu na de dood. 

Wir müssen uns klar sein, daß im Menschen gewisse Kräfte vorhanden sein müssen, durch welche die Zurückwerfung der vorgeburtlichen Realität und das Im-Keime-Behalten der nachtodlichen Realität bewirkt wird; und hier kommen wir auf die wichtigsten psychologischen Begriffe von den Tatsachen, die Spiegelung desjenigen sind, was Sie aus dem Buche «Theosophie> schon kennen: Spiegelungen von Antipathie und Sympathie. Wir werden – und jetzt knüpfen wir an das im ersten Vortrage Gesagte an -, weil wir nicht mehr in der geistigen Welt bleiben können, herunterversetzt in die physische Welt. Wir entwickeln, indem wir in diese herunterversetzt werden, gegen alles, was geistig ist, Antipathie, so daß wir die geistige vorgeburtliche Realität zurückstrahlen in einer uns unbewußten Antipathie. Wir tragen die Kraft der Antipathie in uns und verwandeln durch sie das vorgeburtliche Element in ein bloßes Vorstellungsbild. Und mit demjenigen, was als Willensrealität nach dem Tode hinausstrahlt zu unserem Dasein, verbinden wir uns in Sympathie. Dieser zwei, der Sympathie und der Antipathie, werden wir uns nicht unmittelbar bewußt, aber sie leben in uns unbewußt und sie bedeuten unser Fühlen, das fortwährend aus einem Rhythmus, aus einem Wechselspiel zwischen Sympathie und Antipathie sich zusammensetzt.
Wir entwickeln in uns die Gefühlswelt, die ein fortwährendes Wechselspiel – Systole, Diastole – zwischen Sympathie und Antipathie ist. Dieses Wechselspiel ist fortwährend in uns. Die Antipathie, die nach der einen Seite geht, verwandelt fortwährend unser Seelenleben in ein vorstellendes; die Sympathie, die nach der anderen Seite geht, verwandelt uns das Seelenleben in las, was wir als unseren Tatwillen kennen, in das Keimhafthalen dessen, was nach dem Tode geistige Realität ist. Hier komnen Sie zum realen Verstehen des geistig-seelischen Lebens: wir schaffen den Keim des seelischen Lebens als einen Rhythmus von Sympathie und Antipathie.

Het moet ons duidelijk zijn, dat er in de mens bepaalde krachten moeten bestaan die bewerkstelligen dat de realiteit van voor de geboorte teruggekaatst wordt en de realiteit van na de dood in de kiem bewaard blijft. En hier komen we bij de belangrijkste psychologische begrippen van de feiten, die een spiegeling zijn van dat wat u uit Theosofie[4] al kent: spiegelingen van antipathie en sympathie. We worden – en hiermee sluiten we aan bij de eerste voordracht – geboren in de fysieke wereld, omdat we niet meer in de geestelijke wereld kunnen blijven. Wanneer we in de fysieke wereld komen, ontwikkelen we tegen alles wat geestelijk is antipathie, zodat we de geestelijke realiteit van voor de geboorte weerkaatsen met een ons onbewuste anti­pathie. We dragen de antipathiekracht in ons en veranderen daardoor het element van voor de geboorte tot een louter voorstellingsbeeld. En door sympathie verbinden we ons met wat als realiteit van de wil na de dood uitstraalt naar ons verdere bestaan. Van deze twee dingen, sympathie en antipathie, wor­den we ons niet direct bewust, maar ze leven onbewust in ons als ons voelen; ons voelen bestaat uit een ritme, een voortdu­rende wisselwerking van sympathie en antipathie.
GA 293/34-35
Vertaald/34

 

Jetzt nehmen wir die andere Seite, die des Wollens, was Keimhaftes, Nachtodliches in uns ist. Das Wollen lebt in uns, weil wir mit ihm Sympathie haben, weil wir mit diesem Keim, der nach dem Tode sich erst entwickelt, Sympathie haben. Ebenso wie das Vorstellen auf Antipathie beruht, so beruht das Wollen auf Sympathie.

Nu nemen we de andere kant, die van het willen – wat kiem in ons is, wat het leven na de dood in ons is. Het willen leeft in ons omdat wij er sympathie voor koesteren, sympathie voor die kiem die zich pas na de dood ontwikkelt. Berustte het voorstel­len op antipathie, het willen berust op sympathie.
GA 293/37
Vertaald/37

Damit habe ich Ihnen das Seelische geschildert. Sie können unmöglich das Menschenwesen erfassen, wenn Sie nicht den Unterschied ergreifen zwischen dem sympathischen und antipethischen Element im Menschen. Diese, das sympathische und das antipathische Element, kommen zum Ausdruck an sich – wie ich es geschildert habe – in der Seelenwelt nach dem Tode. Dort herrscht unverhüllt Sympathie und Antipathie.

Daarmee heb ik u de ziel beschreven. U kunt onmogelijk het wezen van de mens doorgronden, wanneer u niet het verschil inziet tussen de elementen sympathie en antipathie in de mens. Deze twee, sympathie en antipathie, komen in hun zuivere vorm — zoals ik beschreven heb — tot uitdrukking in de ziele- wereld na de dood. Daar heersen sympathie en antipathie in hun zuivere gedaante.
GA 293/38
Vertaald/37

In de tweede voordrachtenreeks. GA 294, roept Steiner op dezelfde dag de aanwezigen – dat zijn de toekomstige eerste leerkrachten – op om niet te ‘klein’ te denken over de mens; misschien zou je kunnen zeggen: niet te bekrompen, niet te beperkt, niet te begrensd. En dit laatste niet alleen in overdrachtelijke zijn, maar letterlijk: niet tussen de grenzen van leven en sterven, maar daarbuiten: het voorgeboortelijke en het nadodelijke!

Kommen Sie über die Illusion hinweg, daß Sie ein begrenzter Mensch sind, fassen Sie das auf, was Sie sind, als Prozeß, als Vorgang im Kosmos, was es in Wirk­lichkeit ist ( )

Bevrijdt u zich zelf van de illusie dat u een beperkt mens bent, zie u zelf als wat u bent: een proces, een proces in de kosmos, dát bent u in werkelijkheid. ( )
GA 294/32
Vertaald/30     zie Rudolf Steiner: wegwijzers4; 6; 8; 9; 35; 100; 108

Steiner verbindt dit inzicht hier ook met ‘wel of geen ontwikkeling in de cultuur’, zelfs met ‘de ondergang van de cultuur’, omdat zonder dit inzicht de mens gereduceerd wordt tot een ‘mechanisme’.

Is dat l’homme machine’ – tot ‘een hoger dier (hoe vaak horen of lezen we tegenwoordig niet over ‘de mens en de andere dieren’), tot ‘een brein’ en welke omschrijving dan ook die kan ontstaan omdat de mens niet gezien wordt als een geestelijk wezen – als een Ik, een individualiteit die ‘per definitie’ tot de geestwereld moet behoren. Ontkennen of milder, voorbijgaan aan de realiteit van de geest, betekent dan automatisch het Ik als geestelijke realiteit (moeten) ontkennen.

Der Mensch ist so organisiert, daß er mit richtig orientiertem Gefühl sich selber Richt­kräfte gibt aus diesen Gefühlen. Wenn Sie dies nicht gewinnen, was jeden Menschen als ein kosmisches Rätsel ansehen läßt, so werden Sie dann nur das Gefühl sich erringen können, daß Sie jeden Menschen als einen Mechanismus ansehen, und in der Ausbildung dieses Gefühls, daß der Mensch nur ein Mechanismus sein, würde eben der Untergang der Erdenkultur liegen. Der Aufgang der Erdenkultur dagegen kann nur gesucht werden in der Durchdringung unseres Erziehungsimpulses mit der Empfindung von der kosmischen Bedeutung des ganzen Men­schen. Dieses kosmische Gefühl ergibt sich uns aber, wie Sie sehen, nur dadurch, daß wir einmal dasjenige, was im menschlichen Fühlen liegt, als der Zeit angehörig betrachten, die zwischen Geburt und Tod ein­geschlossen ist; was im menschlichen Vorstellen liegt, weist uns hinaus nach der einen Seite auf das Vorgeburtliche, und was im menschlichen Willen liegt, weist uns nach der andern Seite auf das Nachtodliche, auf das keimhaft Zukünftige. Indem wir den dreifachen Menschen vor uns haben, haben wir schon vor uns zuerst das Vorgeburtliche, dann das, was zwischen Geburt und Tod liegt, und drittens das Nachtodliche, nur daß das Vorgeburtliche bildhaft in unser Dasein hereinragt, wäh­rend das Nachtodliche keimhaft schon in uns vorhanden ist vor dem Tode.

De mens zit zo in elkaar dat hij zichzelf richtkrachten geeft door zijn gevoel, als dit gevoel juist georiënteerd is. Leert u niet ieder mens te zien als een kosmisch raadsel, dan zult u enkel en alleen tot het gevoel kunnen komen dat ieder mens een mechanisme is. En de ontplooiing van dit gevoel, dat de mens slechts een mechanisme is, zou de onder­gang van de aardse cultuur betekenen. Alleen wanneer onze opvoedingsimpulsen doordrongen zijn van het gevoel van de kosmi­sche betekenis van de hele mens, kan de cultuur op aarde weer in een opwaartse beweging komen. Dit kosmische gevoel ontstaat, zoals u ziet, alleen doordat we om te beginnen het voelen van de mens verbinden met de tijd tussen geboorte en dood; het voorstel­len van de mens wijst ons op wat daaraan voorafgaat, op het voor­geboortelijke, en het willen van de mens wijst ons aan de andere kant op het ‘nadodelijke’, op de kiemen van de toekomst. In de drieledige mens staat inderdaad voor ons: ten eerste het voorge­boortelijke, ten tweede wat er tussen geboorte en dood ligt en ten derde het nadodelijke, waarbij het voorgeboortelijke alleen als beeld in ons leven doorwerkt, terwijl het nadodelijke al als kiem in ons aanwezig is vóór de dood.
GA 294/33
Vertaald/44

Al die krachten in, van de ziel samengevat in antipathie en sympathie geeft, zoals gezegd, de mogelijkheid tot mensenkennis. Het zal daarom niet verbazen dat we in alles waarvoor we sympathie voelen ‘welwillend’ meegaan; dat we er warmte voor kunnen voelen, liefde dus ook. Dat hoort allemaal bij de wil! 

Als wij bij de kinderen die ons toevertrouwd zijn de wil willen verzorgen, ontwikkelen, ligt het voor de hand dat dat alleen kan in of met sympathie, begeleid met gevoelens van (diepe) sympathie:

Man bedenke nur, wie Sym­pathie, so richtig im irdischen Sinne entwickelt, alles Wollen durch­setzt; also das, was als Zukunftskeim, als nachtodlicher Keim durch den Willen in uns liegt, wird von Liebe, von Sympathie durchsetzt. Dadurch wird gleichsam – aber nicht eigentlich gleichsam, sondern wirklich – alles, was mit dem Wollen zusammenhängt, damit es in der rechten Weise gehemmt oder gepflegt werden kann, auch in der Erzie­hung mit ganz besonderer Liebe verfolgt werden müssen. Wir werden der Sympathie, die schon im Menschen ist, zu Hilfe kommen müssen, indem wir uns an sein Wollen wenden. Was wird denn daher der eigentliche Impuls für die Willenserziehung sein müssen? Es kann kein anderer sein, als daß wir selber Sympathie mit dem Zögling entwickeln. Je bessere Sympathien wir mit ihm entwickeln, desto bessere Methoden werden wir in der Erziehung haben.

Bedenkt u alleen maar dat sympathie, zoals we die hier op aarde ontplooien, al het willen doordringt. Dat wat als toekomstkiem, als ‘nadodelijke’ kiem in onze wil leeft, is dus vervuld van liefde, in sympathie. Daardoor zal als het ware – nee, niet als het ware, – maar werkelijk – alles wat met de wil samenhangt ook in de opvoeding met bijzondere liefde behandeld moeten worden, zodat het op de juiste wijze geremd of gestimuleerd kan worden. We zullen de sympathie die al in een mens leeft te hulp moeten komen door is tot zijn wil te richten. Wat zal daarom de eigenlijke impuls van de wilsopvoeding moeten zijn? Niets anders dan dat wijzelf sympathie voor het kind ontwikkelen.0 Hoe beter de sympathieën die wij voor het kind ontwikkelen, des te beter zullen de methodes zijn die we in de opvoeding hebben.
GA 294/33-34
Vertaald/44-45

Ook dat komt terug in uitspraken uit andere voordrachten:

Aber sie (die anthroposophische Weltanschauung) ist sich klar darüber, daß Seele nur von Seele mit Wärme erfüllt werden kann. Deshalb meint sie, daß vor allem die Pädagogik selbst und dadurch die ganze pädagogische Tätigkeit der Erziehenden beseelt wer­den müsse.

De antroposofische wereldbeschouwing zegt duidelijk dat een ziel alleen maar met warmte vervuld kan worden door een andere ziel. Daarom is zij van mening dat boven alles alle pedagogische activiteit van de opvoeder met bezieling verricht zou moeten worden.
GA 304/217
Op deze blog vertaald/217

Denn dasjenige, was am meisten in der Erziehung in Betracht kommt, sind die Gefühle über das Wesen des Menschen, mit denen wir neben dem Menschen stehen.

Want het belang­rijkste bij de opvoeding zijn de gevoelens over het wezen van de mens, de gevoelens waarmee we naast die mens staan.
GA 303/125
Vertaald/136

0 sympathie voor het kind ontwikkelen: Steiners woordkeus in deze en de volgende zin is ‘Sympathie(n) entwicklen mit’ in plaats van ‘zu’. Daarin klinkt de oorspronkelijke betekenis van ‘sympathie’ – meevoelen – sterker mee

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] GA 9 Theosophie
Vertaald
Voetnoot in de vertaling: 
Rudolf Steiner, Theosofie. Essentie van het mens-zijn. Dit boek, dat tot
de basiswerken van de antroposofie behoort, beschrijft op systematische
wijze het wezen van de mens, reïncarnatie en karma, het leven na de
dood en de weg tot inwijding. Onder het kopje ‘De zielenwereld’ schetst
Steiner hoe in de zielenwereld de verschillende ‘zielsvormen’ elkaar aantrekken of afstoten; deze wereld wordt beheerst door de twee fundamentele krachten sympathie en antipathie

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1589-1488

.

.