VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-2-2)

.

Enkele gedachten bij blz. 35-38 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

antipathie, geheugen en begrip

Op bladzijde 38 staat een schema dat Steiner destijds op het bord zette:

 

In [2-3-2]  ging het over de fantasie. Dat Steiner dit in het rijtje zet bij het willen en de sympathie is makkelijk te begrijpen. Ik merkte op: als je ergens warm voor loopt, er enthousiast voor bent, betekent dit, dat je er sympathie voor hebt, het graag wil. Je kan dit ook wel omkeren: je sympathie voor iets veroorzaakt warmtegevoelens in je ziel, je beleving, misschien mag je zelfs zeggen: de sympathie is de zielenwarmte. 
En na de uitleg dat ziel en geest zich ook fysiek manifesteren [2-5] neem je al in je overpeinzingen mee dat aan deze warmte van de ziel, ook de lichaamswarmte verwant is. De wil – vanuit een andere optiek gezien, verbonden aan de ledematen en de stofwisseling – heeft de warmte nodig om zich te kunnen manifesteren. Dat geldt voor de zielenwarmte, maar ook voor de fysieke warmte. Met steenkoude handen kun je vrijwel niets ten uitvoer brengen. Koude voeten houden je wakker. Het warme bloed vindt daar moeilijk toegang en remt de activiteit af. Dat is a.h.w. tegen de natuur. 
Een gezegde uit de volksmond luidt: ‘hoofd koel, voeten warm’. De taal is ook hier weer leermeester: heethoofdig moet iemand niet zijn; het bloed hoort daar niet zo; niet te veel warmte: geen verhitte koppen! En ‘met bloed doorlopen ogen’ heeft iets afschrikwekkends. 
Ook uit eigen ervaring weten we dat warmte/hitte niet bevorderlijk is voor een juiste studie-omgeving. Hoe vaak hebben we geen boeken meegenomen om in de zomervakantie nog wat te studeren en hoe weinig is daarvan gekomen. Warmte en wakkerheid gaan niet zo gemakkelijk samen; koude en slaap ook niet.
En we hebben ook vrijwel allemaal de ervaring dat we het van studeren, blokken, veel met het hoofd werken, lang achter de pc zitten, koud krijgen. Geen heet hoofd met rode wangen: integendeel: kouwelijk en bleek. De ‘kamergeleerde’ stellen we ons niet voor als een blozend iemand! “Theoreticus’, zegt het woordenboek, ‘weinig contact met het praktische leven’. Met het doen, zouden wij zeggen, dus met de wil.
We moeten ons wél steeds voor ogen houden dat het denken enerzijds de spiegelende activiteit is, van het na-denken, ik beschreef dat aan het begin van [2-3-2] en anderzijds het ‘vooruit’denken. 

Het is een open deur: wat we nog niet ‘vooruit’gedacht hebben, kunnen we ons niet ‘vooruit’herinneren. Je iets herinneren kan alleen wanneer dit iets heeft plaatsgevonden, er al geweest is. In het rijtje dat Steiner geeft, kan het herinneren niet weggelaten worden: wat we ooit hebben geleerd, geweten, hebben leren kennen is ons geestelijk eigendom en we kunnen er weer overbeschikken als we het ons herinneren, ‘voor de geest roepen’. 

Voor ons mensen zijn ‘geheugen, herinneren en herinnering’ moeilijk te doorgronden verschijnselen. Wat is het, hoe komt tot tot stand, als we iets vergeten, waar blijft het; waarom onthouden kleine kinderen bepaalde dingen zo goed (zodat je altijd verliest met memory), waarom vergeten we als ouderen steeds meer van het heden; kunnen we iets doen waardoor we minder snel vergeten; en voor ons als pedagogen; hoe leren we de kinderen iets, zodat ze het ook, goed en makkelijk, onthouden. Wat voor raadselachtigs geeft ons de taal op: ‘onder de knie krijgen’, ‘uit het hoofd leren – o.a. in het Engels en Frans: ‘leren met het hart’; ‘er niet óp kunnen komen, te binnen schieten‘, het ‘kwijt‘ zijn; ‘het ligt op mijn tong, maar komt niet over mijn lippen’; ‘ik kan het (net niet) pakken; je kan je geheugen opfrissen, pijnigen; je kan er iets inprenten, ingriffen; daar? kan het lang bljven: een geheugen als een ijzeren pot; of juist niet: als een zeef.

Mensen die zich iets moeten herinneren, maar niet kunnen, kijken vaak wat omhoog, ze fronsen hun wenkbrauwen, rimpels verschijnen op het voorhoofd en of ze maken met hun hand(en) wat korte, ronddraaiende bewegingen. Waarom? En dan is er nog het fenomeen dat door te gaan lopen, herinneringen soms weer makkelijker opkomen; en waarom doet geur wat met herinneringen. Kortom: vele vragen.

Daar is veel studie naar verricht, met ook vele uitkomsten, die elkaar enerzijds ondersteunen, anderzijds weer tegenspreken. [artikelen over het geheugen]

Wanneer we in deze tweede voordracht blijven en we realiseren ons dat ‘na’denken en daarmee voorstellingen vormen, een ‘oude’ activiteit is, waarbij er ‘gespiegeld’ wordt en dat voor dit spiegelen antipathie nodig is, is ook begrijpelijk dat voor een spiegeling die moeilijker tot stand komt, meer antipathie nodig is. 

Wanneer we naar iets kijken dat ons niet bevalt, trekken we ook vaak rimpels in ons voorhoofd, onze ogen beginnen wat meer te kieren en dit is een gevolg op dat gevoel van ‘het bevalt mij niet’, waarbij een toenemende antipathie te bespeuren valt.
Misschien is die fronsende blik – het bedenkelijk kijken – een kleine verhoging van de antipathiekracht in ons als we proberen een herinneringsbeeld te laten ontstaan. 

Steiner nog eens over de antipathie i.v.m. het voorstellen:

Wir entwickeln in uns die Gefühlswelt, die ein fortwährendes Wechselspiel – Systole, Diastole – zwischen Sympathie und Antipathie ist. Dieses Wechselspiel ist fortwährend in uns. Die Antipathie, die nach der einen Seite geht, verwandelt fortwährend unser Seelenleben in ein vorstellendes; die Sympathie, die nach der anderen Seite geht, verwandelt uns das Seelenleben in las, was wir als unseren Tatwillen kennen, in das Keirnhafthalen dessen, was nach dem Tode geistige Realität ist. Hier komnen Sie zum realen Verstehen des geistig-seelischen Lebens: wir schaffen den Keim des seelischen Lebens als einen Rhythmus von Sympathie und Antipathie.
Was strahlen Sie nun in der Antipathie zurück? Sie strahlen Das ganze Leben, das Sie durchlebt, die ganze Welt, die Sie vor der Geburt beziehungsweise vor der Empfängnis durchlebt haben, zurück. Das hat im wesentlichen einen erkennenden Charakter. Also Ihre Erkenntnis verdanken Sie eigentlich dem Hereinschauen, dem Hereinstrahlen Ihres vorgeburtliehen Lebens.
Und dieses Erkennen, das in weit höheren- Maße vorhanden ist, als Realität vorhanden ist vor der Geburt oder der Empfängnis, wird abgeschwächt zum Bilde durch die Antipathie. Daher können wir sagen: Dieses Erkennen begegnet der Antipathie und wird dadurch abgeschwächt zum Vorstellungsbild.

We ontwikkelen in ons de gevoelswereld, die een voortdurende wisselwerking is van sympathie en antipathie — systole en diastole. Deze wisselwerking is voortdurend in ons aanwezig. De antipathie, die de ene richting uitgaat, brengt ons ziele-leven voortdurend tot voorstellingen; de sympathie, die de andere richting uitgaat, verandert ons zielenleven in hetgeen we als wil kennen, en houdt in kiemvorm wat geestelijke realiteit is na de dood. Hiermee komt u tot een werkelijk inzicht in het leven van geest en ziel: we scheppen de kiem van het zielenleven als een ritme van sympathie en antipathie. Wat straalt u nu in de antipathie terug? U straalt uw hele leven van voor de geboorte respectievelijk de conceptie, de hele wereld die u toen meegemaakt heeft, terug. Dat heeft hoofdzakelijk het karakter van kennen. Uw kennis heeft u dus eigenlijk te danken aan het feit dat uw leven voor de geboorte doorstraalt, doorwerkt tot in uw leven nu. En deze kennis, die in veel grotere mate als realiteit bestaat voor de geboorte of conceptie, wordt door de antipathie afgezwakt tot een beeld. Derhalve kunnen we zeggen: deze kennis stuit op de antipathie en wordt daardoor afgezwakt tot een voorstellingsbeeld.

Als de antipathie sterker wordt:

Wenn die Antipathie nun genügend stark wird, dann tritt etwas ganz Besonderes ein. Denn wir könnten auch im gewöhnlichen Leben nach der Geburt nicht vorstellen, wenn wir es nicht doch auch mit derselben Kraft in gewissem Sinn täten, die uns geblieben ist aus der Zeit vor der Geburt. Wenn Sie heute als physische Menschen vorstellen, so stellen Sie nicht mit einer Kraft vor, die in Ihnen ist, sondern mit der Kraft aus der Zeit vor der Geburt, die noch in Ihnen naehwirkt. Man meint vielleicht, die habe aufgehört mit der Empfängnis, aber sie ist noch immer tätig, und wir stellen vor mit dieser Kraft, die noch immer in uns hereinstrahlt. Sie haben das Lebendige vom Vorgeburtlichen fortwährend in sich, nur haben Sie die Kraft in sich, es zurückzustrahlen. Die begegnet Ihrer Antipathie. Wenn Sie nun jetzt vorstellen, so begegnet jedes solche Vorstellen der Antipathie, und wird die Antipathie genügend stark, so entsteht das Erinnerungsbild, das Gedächtnis, so daß das Gedächtnis nichts anderes ist als ein Ergebnis der in uns waltenden Antipathie. Hier haben Sie den Zusammenhang zwischen dem rein Gefühlsmäßigen noch der Antipathie, die unbestimmt noch zurückstrahlt, und dem bestimmten Zurückstrahlen, dem Zurückstrahlen der jetzt noch bildhaft ausgeübten Wahrnehmungstätigkeit im Gedächtnis. Das Gedächtnis ist nur gesteigerte Antipathie. Sie könnten kein Gedächtnis haben, wenn Sie zu Ihren Vorstellungen so große Sympathie hätten, daß Sie sie «verschlucken» würden; Sie haben Gedächtnis nur dadurch, daß Sie eine Art Ekel haben vor den Vorstellungen, sie zurückwerfen – und dadurch sie präsent machen. Das ist ihre Realität.

Wanneer de antipathie nu sterk genoeg wordt doet zich iets heel bijzonders voor. Wij zouden ons namelijk ook in het ge­wone leven na de geboorte geen voorstellingen kunnen vormen, wanneer we dat niet in zekere zin toch ook met dezelfde kracht zouden doen die we hebben overgehouden uit de tijd voor de geboorte. Wanneer u zich als fysiek mens voorstellingen maakt, dan doet u dat niet met een kracht die in u is, maar met de kracht uit de tijd voor de geboorte die nog in u nawerkt. Men meent wellicht dat die kracht zijn werking verliest bij de con­ceptie, maar die is nog steeds werkzaam; ons voorstellen ge­beurt met die kracht die nog steeds in ons doorstraalt. U heeft het leven van voor de geboorte voortdurend in u, maar u heeft ook de kracht in u om het terug te stralen. Die kracht ontmoet uw antipathie. Wanneer u zich nu voorstellingen maakt dan ontmoet dit proces iedere keer de antipathie, en wordt de anti­pathie sterk genoeg dan ontstaat het herinneringsbeeld, het geheugen, zodat het geheugen niets anders is dan het resultaat van de in ons werkende antipathie. Hier heeft u het verband tussen het nog louter gevoelsmatige van de antipathie — die nog niet gericht terugkaatst – en het gerichte terugkaatsen, het terugstralen van de waarnemingsactiviteit die nu nog met beeldkarakter in het geheugen ontplooid wordt. Het geheugen is slechts geïntensiveerde antipathie. U zou geen geheugen kunnen hebben, wanneer u zo grote sympathie zou koesteren voor uw voorstellingen dat u ze zou ‘opslokken’; u heeft alleen een geheugen doordat u een soort afkeer heeft van de voorstel­lingen, ze terugkaatst – en ze daardoor aanwezig doet zijn. Dat is hun realiteit.
GA 293/35-36
Vertaling/36-37

Hierboven zei ik dat het niet mogelijk is herinneringen te hebben aan iets wat nog moet komen. Maar ook wanneer we iets beleven, hebben we daar op dat ogenblik nog geen herinneringen aan. Vooral nog niet als we helemaal op gaan in deze beleving. Pas als we er afstand van kunnen nemen, kunnen de herinneringen, de herinneringsbeelden ontstaan. In het water zwemmend  hebben we al snel geen bewustzijn, geen weet meer van de temperatuur die – toen we er in sprongen, voor ons gevoel best laag was; uit het water, op de kant, voelen we hoe ‘lekker’ het water eigenlijk aanvoelde. Bijna letterlijk tegenover het water staand, herinneren we ons hoe het was.

Op een bepaalde manier komt Steiner nu ook bij ‘begrip’ uit:

Wenn Sie diese ganze Prozedur durchgemacht haben, wenn Sie bildhaft vorgestellt haben, dies zurückgeworfen haben im Gedächtnis und das Bildhafte festhalten, dann entsteht der Begriff. Auf diese Weise haben Sie die eine Seite der Seelentätigkeit, die Antipathie, die zusammenhängt mit unserem vorgeburtlichen Leben.

Wanneer u deze hele procedure doorlopen heeft, wanneer u in een beeld een voorstelling heeft gevormd, deze heeft terug­gekaatst in het geheugen en het beeld van de voorstelling vast­houdt, dan ontstaat het begrip. Op deze wijze functioneert de ene kant van de ziele-activiteit, de antipathie, die verband houdt met ons leven voor de geboorte.

Wie der Begriff aus dem Gedächtnis, so geht aus der Phantasie die Imagination hervor, welche die sinnlichen Anschauungen liefert. Die gehen aus dem Willen hervor.

Precies zoals uit de antipathie het geheugen ontstaat, ont­staat uit de sympathie de fantasie.
GA 293/35-36
Vertaling/36-37

Op vele plaatsen heeft Steiner – uiteraard vanuit vele invalshoeken – gesproken over herinnering en geheugen.

In een apart artikel zullen zijn opmerkingen daarover worden weergegeven.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1553

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.