Categorie archief: menskunde en pedagogie

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner in de vrijeschool – GA 298 (01-06-1924)

.

In de vertaling van GA 298 ‘Rudolf Steiner in der Waldorfschule‘- vertaald: ‘Beste ouders, lieve kinderen‘ zijn niet alle toespraken uit de Duitse uitgave opgenomen.

GA 298

Blz. 206

Vortrag, gehalten an der vierten Mitgliederversammlung des Vereins «Freie Waldorfschule»: «Der Verkehr des Lehrers mit dem Elternhause im Geiste der Waldorfschul-Pädagogik»

Voordracht, gehouden bij de vierde ledenvergadering van de Vereniging ‘Vrije School’ Stuttgart:

‘De omgang van de leerkracht met het ouderlijk huis in de geest van de vrijeschoolpedagogie’

Meine sehr verehrten Anwesenden! Von denjenigen Gesichtspunkten, von denen die Waldorfschule ausgeht, führt nicht nur ein, sondern es führen viele Wege wie von etwas heute der Menschheit und insbesondere dem sozialen Leben unnatürlich Aufgedrängtem zu etwas Natürlichem, zu etwas, was sozusagen von der Menschennatur in ihrem weitesten Umfange gefordert wird. Und ein solcher Weg soll gezeichnet werden in den Bemerkungen, die ich mir der heutigen Versammlung vorauszuschicken erlaube, der Weg von dem Lehrer zum Elternhaus. Man kann sagen, dieser Weg sei eigentlich ein selbstverständlicher. Und doch, meine sehr verehrten Anwesenden, der Weg, den die Lehrer und Erzieher brauchen zu dem Elternhaus, wurde nicht nur, wird nicht nur zuweilen recht schwer gefunden, sondern es gibt auch sehr, sehr bedeutsame pädagogische Anschauungen, in denen auf diesen Weg zum Elternhaus keine Rücksicht genommen wird.

Zeer geachte aanwezigen!

Van de gezichtspunten waar de vrijeschool vanuit gaat, leidt niet slechts één, maar leiden vele wegen -van zoiets als wat tegenwoordig de mensheid en in het bijzonder het sociale leven wordt opgedrongen – naar iets vanzelfsprekends, naar iets wat a.h.w. door de natuur van de mens in de breedst mogelijke zin, gevraagd wordt. En zo’n weg zal worden geschetst in de opmerkingen die ik mij veroorloof eerst te geven voor het begin van de vergadering van heden, de weg van de leerkracht naar het ouderlijk huis.
Je zou kunnen zeggen dat die weg eigenlijk een vanzelfsprekende weg is. En toch, beste aanwezigen, de weg die de leerkracht en opvoeder naar het ouderlijk huis nodig heeft, werd niet alleen, wordt niet alleen af en toe als heel moeilijk beleefd, maar er zijn ook heel, heel belangrijke pedagogische gezichtspunten waarbij met deze weg naar het ouderhuis geen rekening wordt gehouden.

Ich brauche da nur zu erinnern an etwas, was im Laufe der deutschen Geistesentwickelung erlbt worden ist als ein Größtes: das Auftreten Johann Gottlieb Fichtes auf jeglichem Gebiete. Aber wir wollen heute nur sprechen von seinem Auftreten auf pädagogischem Gebiete. Er hat ja in einer der schwierigsten Zeiten des deutschen Lebens seine «Reden an die deutsche Nation», diese eindringlichen Reden an die deutsche Nation gehalten, in denen er darauf aufmerksam machte, wie eine Gesundung, eine Wiederbelebung
des deutschen Daseins kommen müsse nach schwerer Erniedrigung 1806
durch die Erziehung. Und man kann sagen: über die Erziehung hat
Johann Gottlieb Fichte, einer der edelsten Deutschen, die allerschönsten
Worte und auch die allerbedeutsamsten Worte gefunden. Allein er
betrachtete es wie ein Grunderfordernis für die Durchführung seiner

Dan hoef ik alleen maar te herinneren aan wat er in de loop van de Duitse geestesontwikkeling gevoeld werd als iets heel groots: wat Johann Gottlieb Fichte op elk terrein liet zien. Maar nu willen we het alleen maar hebben over wat hij deed op pedagogisch gebied. Hij hield in een van Duitslands moeilijkste tijden zijn ‘Reden an de deutsche Nation’, die indringende toespraken aan de Duitse natie waarin hij de aandacht erop vestigde hoe er een gezondmaken, een opnieuw opleven van het Duitse bestaan moest komen na de heftige vernedering van 1806, door de opvoeding. En je kan zeggen: over opvoeding heeft Johann Gottlieb Fichte, een van de nobelste Duitsers, de mooiste en belangrijkste woorden gevonden. Hij beschouwde het slechts als een basiseis voor het doorvoeren van zijn

Blz. 207

pädagogischen Intentionen, daß die Kinder dem Elternhaus entnommen
werden, daß sie gewissermaßen zusammengepfercht werden in besondere Erziehungsanstalten, die von einem allseits geschlossenen Staat
allein nach starren Prinzipien geleitet werden. Aber wir haben ja auch
nachher die mannigfaltigsten Erziehungsexperimente erlebt, in denen
Kinder in besonderer Lage an besondere Orte gebracht werden sollen,
um eine sachgemäße Erziehung zu haben. Und wir haben insbesondere im Laufe der Entwicklung der Menschheit zahlreiche Beispiele, wo ein
solches Herausnehmen der Kinder aus dem Elternhause als notwendig
gefordert wird.
Obzwar die Waldorfschul-Pädagogik mit ihrem Geiste glaubt, mindestens ebenso eindringlich und ebenso aus den Tiefen der Menschenseele
heraus zu wirken wie die mit wenigen Strichen gekennzeichneten Erziehungsversuche, so schlug doch dieser Geist der Waldorfschul-Pädagogik
von Anfang an eine ganz andere Richtung ein. Dieser Geist der Waldorfschul-Pädagogik ging nicht von Äußerlichkeiten aus. Er sagte nicht, man
solle dieses oder jenes in sozialer Beziehung für die Kinder herbeiführen.

pedagogische bedoelingen, dat de kinderen uit huis geplaatst zouden worden, dat ze in gesloten internaten zouden worden ondergebracht, die door een volkomen ontoegankelijke staat alleen met starre principes geleid worden. Maar ook daarna hebben we de meest uiteenlopende opvoedingsexperimenten meegemaakt waarbij de kinderen in een bijzondere situatie in speciale plaatsen gebracht moeten worden om een adequate opvoeding te krijgen. En m.n. in de ontwikkeling van de mensheid kennen we talloze voorbeelden waarbij zo’n uithuisplaatsing van de kinderen als een noodzakelijke eis gold.
Hoewel de vrijeschoolpedagogie en wat deze voorstaat, gelooft minstens net zo intens en net zo vanuit de diepte van de mensenziel te werken als de met een paar streken geschetste opvoedingspogingen, dan sloeg wat we met de vrijeschool voorstaan deze vanaf het begin toch een andere richting in. De geestelijke instelling van de vrijeschoolpedagogie ging niet uit van uiterlijkheden. Er werd niet gezegd
voor de kinderen moet je dit of dat doen, met het oog op het sociale.

Er sagte nicht, man solle die Kinder in diese oder jene Verhältnisse, herausgerissen aus ihren gewöhnlichen Verhältnissen, bringen; sondern
der Geist der Waldorfschul-Pädagogik war von Anfang an ein rein methodischer, ein rein pädagogisch-didaktischer. Die soziale Lage, die Verhältnisse des Lebens, so wie sie sind, so werden sie hingenommen.
Und alles, was erreicht werden soll durch die Waldorfschul-Pädagogik,
wird angestrebt aus inneren geistigen Gründen der Pädagogik selber. So daß man etwa sagen kann: Wenn irgendwo durch die soziale Lage, in der
sich das Kind befindet, oder durch andere Vorbedingungen, Schwierigkeiten der Erziehung da sind, so werden diese von dem Geiste der Waldorfschul-Pädagogik eben als ein Schicksal hingenommen, und es werden eingerichtet Methodik und Didaktik so, daß aus dem Geiste, aus der Handhabung von Erziehung und Unterricht heraus die Schwierigkeiten besiegt werden, und zwar in möglichst auf das einzelne Kind gehender, individualisierter Art.Dadurch steht aber eine solche Institution, wie die Waldorfschule, mitten darinnen im sozialen Leben, wie es ist. Und in diesem sozialen Leben ist es nun einmal so, daß wenn man es mit einer Schule zu tun hat, die im heutigen schulpflichtigen Alter das

Er werd niet gezegd dat je de kinderen in deze of die omstandigheden moet brengen, weggehaald uit hun normale omstandigheden; maar de geestelijke instelling van de vrijeschool was van meet af aan puur methodisch, zuiver pedagogisch-didactisch. De sociale positie, de levensomstandigheden werden genomen zoals ze zijn. En alles wat met de vrijeschoolpedagogie moet worden bereikt, wordt nagestreefd vanuit innerlijke geestelijke grondslagen van de pedagogie zelf. Zodat je ongeveer wel zeggen kan: wanneer op de een of andere manier door de sociale positie waarin het kind zich bevindt of door andere randvoorwaarden er zich opvoedingsproblemen voordoen, dan worden deze door wat de vrijeschool is, als lot geaccepteerd en de methodiek en didactiek wordt zo vormgegeven dat van de instelling, vanuit het toepassen van opvoeding en onderwijs die moeilijkheden worden overwonnen en wel op een manier die geïndividualiseerd elk kind betreft.
Daardoor staat een school zoals de vrijeschool midden in het sociale leven zoals dat is. En daarin is het nu eenmaal zo dat wanneer je met een school hebt te maken die in de leerplichtige leeftijd een kind van nu

Blz. 208

Kind aufnimmt, also mit sechs oder sieben Jahren, so empfängt man das
Kind aus dem Elternhause, und da wir kein Internat haben, so bleibt das
Kind für die Zeit, die außerhalb der Schulzeit liegt, dem Elternhause und
seiner Sorgfalt erhalten. Damit ist von vornherein die ganze Richtung, die Erziehung und Unterricht in der Waldorfschule nehmen müssen, hingeordnet auf ein Zusammenarbeiten mit dem Elternhause, das aber insbesondere, wie wir sehen werden, bestehen muß in einem Zusammenfühlen, Zusammenempfinden und Zusammendenken auch mit dem Elternhause. Es ist ja gewiß vor vielen von Ihnen dasjenige, was Lebensepochen
im Dasein des Kindes sind, öfters schon auseinandergesetzt worden.
Diese Lebensepochen im Dasein des Kindes, es sind ja ihrer insbesondere zwei, drei, welche unsere Pädagogik angehen. Die eine beginnt mit der Geburt und endet mit dem Zahnwechsel, die zweite beginnt mit dem Zahnwechsel und endet mit der Geschlechtsreife, die dritte geht darüber hinaus bis ungefähr zum einundzwanzigsten Lebensjahre. Jede dieser Lebensepochen des Kindes zeigt uns sozusagen, wenn wir nur unbefangene Sinne haben in bezug auf die Dinge, wie sie sind, das Kind in einer ganz anderen Seelenverfassung und auch in einer anderen körperlichen Verfassung. Aber wir wollen zunächst die Seelenverfassung ins Auge fassen

dus op zes of zeven jaar opneemt, je het kind  dan vanuit het ouderlijk huis krijgt en omdat wij geen internaat hebben, blijft het kind de tijd buiten de schooltijd aangewezen op de zorg van de ouders. Daarmee is van begin af aan de hele richting die de opvoeding en het onderwijs in de vrijeschool nemen moet, gericht op samenwerking met het ouderlijk huis, wat echter vooral, zoals we nog zullen zien, moet bestaan in een gevoel van samen, het samen ervaren en er samen over denken, juist met de ouders.
Er is zeker aan velen van u al vaker iets over de levensfasen van het kind uitgelegd.
In het leven van het kind zijn er eigenlijk twee of drie fasen waarmee we in onze pedagogie te maken hebben. De ene begint met de geboorte en eindigt met de tandenwisseling, de tweede begint met de tandenwisseling en eindigt met de geslachtsrijpheid, de derde gaat verder tot ongeveer het eenentwintigste jaar.
Ieder van deze fasen laat ons zien, als we onbevangen naar de dingen kunnen kijken zoals ze zijn, dat het kind een heel andere zielenconstellatie heeft en ook een andere lichamelijke constellatie. Maar eerst willen we eens naar de ziel kijken.

Das Kind bis zum Zahnwechsel ist durchaus darauf angewiesen, alles, was es sich erzieherisch aneignet, sich anzueignen durch Nachahmung.
Was man dem Kinde vormacht, das wirkt auf das Kind wie ein äußerer
Reiz, der unmittelbar die ganze körperliche Organisation – an der einen
Stelle mehr sichtbar, an der anderen Stelle weniger sichtbar – zum Nachahmen des Eindrucks aufruft. Wir brauchen ja, um das zu erhärten, nur die schwerwiegende Tatsache ins Auge zu fassen, daß die Muttersprache vom Kinde ganz und gar durch Nachahmung errungen wird. Da geht die Nachahmung tief in die menschliche physische und seelische Organisation hinein. Da muß berücksichtigt werden, daß irgendein Laut, der gesprochen wird, in seiner Vibration, in seiner Wellenbewegung von dem Kinde noch viel intensiver empfunden wird als das später im Leben der Fall ist. Und alle Einstellung des Kehlkopfes, alle innere Durchseelung der Organe beruht selbst in der Sprache, wenn die Mut-

Het kind is tot de tandenwisseling volkomen aangewezen, op alles wat het zich vanuit de opvoeding eigen maakt, dat door nabootsing te doen. Wat het kind wordt voorgedaan, werkt op het kind als een uiterlijke prikkel die meteen het hele lichamelijke organisme – op de ene plaats zichtbaarder dan op de andere – aanzet de indruk na te bootsen. We hoeven om dat te onderbouwen slechts naar het belangrijke feit te kijken dat de moedertaal door het kind uitsluitend door nabootsing wordt aangeleerd. Daarbij gaat de nabootsing diep in het menselijk fysieke en de psyche naar binnen.  Daarbij moet wel in ogenschouw genomen worden, dat een bepaalde klank die wordt uitgesproken, met de bijbehorende vibraties, golfbewegingen door het kind nog veel intenser ervaren wordt, dan dat dit later in het leven het geval is. Het instellen van het strottenhoofd, alles wat bezieling is van de organen, berust zelfs bij de spraak,

Blz. 209

tersprache in Betracht kommt, auf Nachahmung; und so alles im Leben
des Kindes bis zum Zahnwechsel.
Heute, wo durch ein Mißverständnis oder durch zahlreiche Mißverständnisse, in unserer sonst so bewundernswerten naturwissenschaftlichen Weltauffassung große Irrtümer hervorgerufen werden, heute redet man vielfach davon, daß diese oder jene Dinge, die das Kind sich erwirbt in der ersten Lebensepoche bis zum Zahnwechsel hin, auf Vererbung beruhen
In dieses Fach Vererbung wird ja heute so viel, so viel hineingeworfen. Dem Kinde gegenüber beruht dieses Sprechen von Vererbung nur darauf, daß diejenigen, die davon sprechen, keinen richtigen Beobachtungssinn haben. Sonst würden sie herausfinden, daß im Grunde genommen vieles von dem, was heute der dunklen mystischen Vererbung zugeschrieben wird, eigentlich gesucht werden muß in der klar überschaubaren Nachahmung, zu der das Kind hinorientiert ist.
Aber bedenken wir, wie eng gerade das seelische Leben, das sich
heraushebt aus diesem ganzen Nachahmungsleben, wie eng dieses seelische Leben dadurch, daß das Kind ein nachahmendes Wesen ist, mit dem
elterlichen Leben zusammenwächst.

wanneer het de moedertaal betreft, op nabootsing en eigenlijk alles in het leven van het kind tot de tandenwisseling.
Tegenwoordig worden er door talrijke misverstanden van de anders zo te bewonderen natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing, grote vergissingen begaan, want men heeft het er vaak over dat wat het kind zich als het een of ander eigen maakt in de eerste levensfase tot aan de tandenwisseling, op erfelijkheid berust.
In het vakje erfelijkheid wordt vandaag de dag zo veel gestopt. Spreken over erfelijkheid berust, wat het kind aangaat alleen op het feit dat degenen die het over erfelijkheid hebben, niet over een goed waarnemingsvermogen beschikken.
Maar laten we wel bedenken hoe nauw verbonden juist het gevoelsleven dat uit dit hele nabootsingsleven naar buiten komt, hoe dit gevoelsleven omdat het kind een nabootsend wezen is, zo nauw met het leven van de ouders verweven is.

Gerade wenn man recht einsieht, wie stark die Neigung zum Nachahmen beim Kinde ist, so bekommt man im eminentesten Sinn die heiligste Scheu und die tiefste Schätzung für dasjenige, was der Zusammenhang des Kindes mit den Eltern ist.
Und sieht man gar im Sinne einer anthroposophischen Geisteswissenschaft auf das, was alldem in den geistigen Weltenzusammenhängen zugrunde liegt, dann sagt man sich erst recht: der Mensch kommt ja, da er, bevor er sein physisches Dasein antritt, ein geistiges Wesen ist, der Mensch kommt ja, trotzdem er ein freies Wesen ist, für die verschiedensten Gestaltungen des Lebens – ich sage nicht Verrichtungen, aber Gestaltungen – mit einem ganz bestimmten Schicksal in das Erdendasein hinein. Schaut man auf der einen Seite darauf, wie sich dieses Schicksal mit einer inneren Gesetzmäßigkeit aus den oft kleinsten Erlebnissen des Kindes herauszieht bis in das reife Alter, ja bis in das höchste Alter hinein, sieht man auf der anderen Seite, wie das Kind zusammenwächst
mit den Eltern dadurch, daß es ein nachahmendes Wesen ist, sieht man
dieses wirklich mit allen zugrunde liegenden geistigen Zusammenhängen
an, dann bekommt man Empfindungen, die einen, man darf schon sagen,

Want anders zouden ze wel ontdekken dat in de grond van de zaak veel van wat tegenwoordig aan de vage, mystieke erfelijkheid wordt toegeschreven, eigenlijk gezocht moet worden in de duidelijk te overziene nabootsing, waarop het kind gericht is. Juist wanneer je goed ziet hoe sterk bij het kind de hang naar nabootsen is, krijg je op een buitengewone manier de grootste eerbied en hoogste achting voor wat een innerlijke verbinding van het kind met zijn ouders is. En kijk je naar alles wat er ten grondslag ligt aan de geestelijke samenhang in de wereld vanuit de antroposofische geesteswetenschap, dan kun je pas met recht zeggen; de mens komt omdat hij vóór zijn aardeleven een geestelijk wezen is, hoewel hij een vrij wezen is, voor alle mogelijke levensvormen – ik zeg niet daden – maar vormen – met een heel bepaald lot op aarde. Kijk je aan de ene kant hoe dit lot zich met een innerlijke wetmatigheid uit de vaak kleinste belevingen van het kind tot op hoge leeftijd zichtbaar wordt, ja tot op zeer hoge leeftijd, dan zie je aan de andere kant hoe het kind een eenheid vormt met zijn ouders doordat hij een wezen is dat nabootst, je ziet dit werkelijk met heel de daaraan ten grondslag liggende geestelijke samenhang, en dan krijg je daardoor gevoelens die, je mag wel zeggen

Blz. 210

religiösen Charakter haben gegenüber dem, was man in dem Kinde gegeben hat, wenn man es als Lehrer oder Erzieher zur Erziehung, zum Unterrichte empfängt. Und man eignet sich gerade durch die fast religiösen Empfindungen eine starke Neigung dazu an, recht genau zu kennen: wie hängt das Kind, das uns im schulpflichtigen Alter übergeben wird, mit dem Elternhause zusammen?
Da darf man das Folgende sagen: Es sind wahrhaftig nicht theoretisch-pädagogische Erwägungen, es sind nicht abstrakte, prinzipielle Grundsätze, welche den Weg vorzeichnen sollen für den Geist der Waldorfschul-Pädagogik zu den Eltern der Kinder hin, sondern es ist etwas Lebendiges, wie alles in der Waldorfschule etwas Lebendiges sein soll.
Es ist etwas Lebendiges; es ist das lebendige Bedürfnis des Waldorfschullehrers, nicht nur das Kind im Geiste vor sich zu haben, sondern von jeder Seelenäußerung, die das Kind ihm entgegenbringt, von jeder
charakterologischen Triebfeder, von jeder in kindlicher Art wirksamen
Impulsivität, ja, von jeder Miene, von jeder Geste, von jeder Handbewegung den Weg zu finden vom Kinde zu den Eltern. 

een religieus karakter hebben, als je kijkt naar wat je met het kind gekregen hebt, wanneer je het als leerkracht of opvoeder als leerling of opvoedeling toevertrouwd wordt. En dan krijg je door die bijna religieuze ervaringen een sterke behoefte om precies te leren kennen: hoe hoort dit kind dat ons op de leeftijd dat het naar school moet en ons wordt toevertrouwd bij dit ouderlijk huis?
Dan mag je het volgende zeggen: dat zijn volstrekt geen theoretisch-pedagogische overwegingen; het zijn geen abstracte, principiële basispunten die de weg naar de ouders van de kinderen aan moeten geven als het om de vrijeschoolpedagogie gaat, maar het is iets levends zoals alles in de vrijeschool leven moet zijn.
Het is iets levends, het is het levende verlangen van de vrijeschoolleerkracht om niet alleen het kind geestelijk voor zich te zien, maar aan iedere gevoelsuiting die het kind hem toont, aan iedere drijfveer vanuit het karakter, aan iedere op kinderniveau werkende impulsiviteit, aan iedere gezichtstrek, aan ieder gebaar, iedere handbeweging, de weg te vinden van het kind naar de ouders. 

Man wird als Waldorfschullehrer befestigt in der Erkenntnis des Kindes, und die braucht man vor allen Dingen, wenn man das Kind so erziehen will, daß man die Impulse zu seiner Erziehung von seiner eigenen Natur abliest.
Man wird vor allen Dingen befestigt darinnen, das Kind in der richtigen
Weise anzuschauen, wenn man hinschauen kann auf die dahinterstehenden Eltern.
Und das ist nicht bloß dann so, wenn ein absolut harmonisches Verhältnis besteht zwischen dem Kinde und den Eltern. Im Leben zeigt sich ja das, was herauswächst aus dem Zusammenleben des Kindes mit den Eltern, in der allermannigfaltigsten Weise. Gewiß, wir sehen auf das Schicksal eines Kindes mit innerem Glücksgefühl, mit tiefer innerer Befriedigung hin, wenn das Kind die Möglichkeit hat, in einem völligharmonischen Verhältnisse mit musterhaft gearteten Eltern zu leben.
Aber darf man nicht auch eine Gegenfrage dem gegenüberstellen? Sieht nicht derjenige, der das Leben, das gegenwärtige Leben, das geschichtliche Leben unbefangen betrachtet, sieht nicht der, wie gerade die größten Geister, nicht nur die Genies des Verstandes, sondern auch die Genies der Tugend und des moralischen Handelns, oftmals hervorgegangen sind aus harten Disharmonien zwischen Kind und Eltern? Der Waldorfschul-

Je wordt als vrijeschoolleerkracht bevestigd in wat je van het kind weet en dat heb je in de eerste plaats nodig als je het kind zo wil opvoeden dat je de impulsen daarvoor afleest aan zijn eigen natuur.
Allereerst krijg je de bevestiging dat je het kind op een goede manier waarneemt, wanneer je de ouders achter hem kan zien.
En dat is niet alleen maar zo als er een absoluut harmonische relatie bestaat tussen het kind en zijn ouders. Het leven toont ons de meest uiteenlopende manieren wat er tevoorschijn komt uit het samenleven van ouders en kind. En ja, we kijken met een intiem gevoel van geluk, met een diepe innerlijke tevredenheid naar het lot van een kind wanneer dat de mogelijkheid krijgt in volledige harmonie met voorbeeldige ouders samen te leven.
Maar mag je nu ook een soort tegenvraag stellen? Ziet degene die het leven – het leven van nu en van toen – onbevangen waarneemt, ziet die, hoe juist de grootste geesten, niet alleen de verstandsgenieën, maar ook de groten van de deugd en van het morele handelen, dikwijls voortgekomen zijn uit sterke disharmonie tussen kind en ouders? De vrijeschool-

Blz. 211

lehrer muß sich gewöhnen, nicht Kritik zu üben an dem Verhältnis zwischen Kind und Elternhaus, sondern es objektiv hinzunehmen, weil er gewissermaßen von der Bekanntschaft mit den Eltern ein Licht ausgehen sieht, das ihm die Eigentümlichkeiten des Kindes beleuchtet.
So ist es nicht ein Grundsatz, nicht irgendein pädagogisches Prinzip, das den Waldorfschullehrer auffordert, den Weg zu den Eltern zu finden, sondern das innerste Bedürfnis des Herzens, wie überhaupt die Waldorfschul-Pädagogik in ihrem innersten Wesen eine Herzenspädagogik ist.
Sehen wir nun auf etwas anderes hin. Sehen wir darauf hin, wie einen Teil desjenigen, was früher einzig und allein die Eltern besorgt haben, für das volksschulpflichtige Alter nun der Lehrer übernehmen muß.
Wenn das Kind in die Volksschule hereintritt, steht es im Zahnwechsel.
Etwas zu früh werden die Kinder heute in die Schule hereingebracht; das wirkliche Volksschulalter beginnt eigentlich erst mit dem Zahnwechsel,
aber darauf kommt es ja weniger an.

leerkracht moet de gewoonte ontwikkelen geen kritiek uit te oefenen op hoe de ouders met het kind omgaan, maar het als feit te nemen, omdat hij in zekere zin door zijn relatie met de ouders de bijzondere aard van de kinderen krijgt belicht.
Dus het is geen basisregel, niet een of ander pedagogisch principe dat van de vrijeschoolleerkracht vraagt de weg naar de ouders te vinden, maar een innerlijk verlangen dat vanuit het hart ontstaat, zoals eigenlijk de vrijeschoolpedagogie in diepste wezen een pedagogie van het hart is.
Laten we eens naar iets anders kijken. Bijv. naar iets wat de ouders vroeger vóór de kinderen leerplichtig werden, alleen helemaal zelf deden en wat de leerkracht nu moet overnemen.
Wanneer het kind nu in de basisschool komt [toen in Duitsland op z’n 6e, 7e jaar] is het tandenwisselen bezig. De kinderen worden tegenwoordig iets te vroeg naar school gebracht; de echte basisschoolleeftijd begint eigenlijk pas met de tandenwisseling, maar daar komt het toch minder op aan.

Wenn das Kind nun in die Schule hereingeschickt wird, dem Lehrer übergeben wird, so muß er einen Teil der Erziehung übernehmen, der aber dadurch seinen besonderen Charakter erhält, daß das ganze Seelenleben des Kindes, die ganze seelische und geistige Verfassung des Kindes auch mit dem Zahnwechsel sich
wandelt. Das Kind ist fortan kein nachahmendes Wesen mehr, obwohl
sich das Nachahmungsprinzip noch einige Jahre in die Volksschulzeit
fortsetzt. Aber im wesentlichen ist das Kind kein nachahmendes Wesen Aber im wesentlichen ist das Kind kein nachahmendes Wesenmehr, sondern es ist ein Wesen, das nun gereizt wird, sozusagen angeregt wird durch dasjenige, was ihm im Bilde, ich möchte sagen, in entsprechender künstlerischer Gestaltung desjenigen, was wir an das Kind heranbringen wollen, entgegenkommt. Das Kind ist jetzt nicht mehr geneigt, mit dem ganzen Organismus sich nachahmend hinzugeben an das, was ihm vorgelegt wird, sondern das Kind geht über zu dem selbstverständlichen Autoritätsprinzip. War es früher der Wille, der in der ganzen kindlichen Organisation dem Vorgelebten nachahmend folgte, so ist es jetzt das Gefühl, das Gefallen oder Mißfallen findet an dem, was der Lehrer im Bilde, aber auch im Bilde seiner ganzen Persönlichkeit, seines eigenen Handelns, in der Gestaltung seiner Sprache und so weiter vor das Kind hinstellt. Und nicht eine willkürlich

Wanneer het kind nu naar school gaat, aan de leerkracht overgedragen wordt, dan moet hij een deel van de opvoeding overnemen dat echter een bijzonder karakter krijgt omdat het hele zielenleven van het kind, hoe z’n hele ziel en geest is, ook verandert bij de tandenwisseling. Voortaan is het kind geen nabootsend wezen meer, hoewel het principe van de nabootsing nog een paar jaar in de basisschool doorwerkt. Maar in de kern is het kind geen wezen meer dat nabootst, maar iemand die aangezet wordt, zogezegd gestimuleerd wordt in te gaan op wat wij hem beeldend, in een passende kunstzinnige vorm willen meegeven. Het kind is nu (na het 7e jaar) niet meer geneigd zich met heel zijn wezen nabootsend over te geven aan wat hem voorgedaan wordt, maar het kind gaat over op het principe van de vanzelfsprekende autoriteit.
Was het eerder de wil die in het hele organisme van het kind nabootsend volgde wat er om hem heen voorgeleefd werd, nu is het het gevoel dat sympathie of antipathie voelt voor wat de leerkracht in beeld, maar ook als beeld van zijn hele persoon, zijn eigen doen en laten, in hoe hij spreekt enz, aan het kind vertoont. En geen willekeurige

Blz. 212

eingesetzte, sondern die selbstverständliche Autorität muß in der Schule walten zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife.
Wer das nicht zugibt, der kann eben nicht den Blick hinwenden auf die Entfaltung des ganzen menschlichen Lebens. Man sagt so leicht, alles müsse Anschauungsunterricht sein. Gewiß soll gar nichts gegen den Anschauungsunterricht eingewendet werden, aber der Anschauungsunterricht soll nicht ein Mittel sein, alles Erziehen und allen Unterricht zu trivialisieren.
Man kann nicht das Prinzip haben, alles herunterzudrücken auf das Niveau, auf dem das Kind schon steht. Es kann sich nur darum handeln, dasjenige, was es unmittelbar durch die Anschauung fordert, in anschauliche Vorstellung zu kleiden. Aber man nehme ein Verhältnis des religiösen, des sittlichen Lebens; wie soll man da einen Anschauungsunterricht machen? Aber abgesehen davon, das Kind fordert durch seine innere Seelenwesenheit, daß etwas deshalb für es wahr ist, weil der in selbstverständlicher Autorität sympathisch empfundene Erzieher es wahr heißt. Das Kind empfindet, daß etwas schön ist, weil die selbstverständliche Autorität es schön findet; das Kind findet, daß etwas gut ist, weil die Autorität es gut findet. In dieser Autorität ist verkörpert das Wahre, Schöne und Gute.

maar de vanzelfsprekende autoriteit moet in de school centraal staan tussen de tandenwisseling en de puberteit. Wie dat niet toegeeft, kan zijn blik niet richten op de ontwikkeling van het hele mensenleven. Er wordt makkelijk gezegd dat alles aanschouwelijkheidsonderwijs moet zijn, maar dit moet niet een middel zijn om de hele opvoeding en het onderwijs triviaal te maken.
Je kan niet het principe koesteren alles naar het niveau van het kind te brengen waar het kind nu is. Het kan er alleen om gaan dat wat de aanschouwelijkheid direct van ons vraagt, in een aanschouwelijke voorstelling te kleden. Maar wat het religieuze leven, het morele leven betreft: hoe moet je daar aanschouwelijkheidsonderwijs van maken? Maar nog afgezien daarvan, het kind eist door hoe het innerlijk als gevoelswezen is, dat iets waar is, omdat de vanzelfsprekende autoriteit voor wie het kind sympathie heeft, het waar noemt. Ook wat het kind mooi vindt, goed vindt, is mooi en goed omdat de autoriteit het mooi en goed vindt. In deze autoriteit is het ware, mooie en goede belichaamd.

Und schlimm ist es für den Menschen, wenn er aus Prinzipien, aus abstrakten Geboten heraus, aus allerlei Verstandesgesetzmäßigkeiten heraus sich aneignen soll eine Empfindung für das Wahre, Gute, Schöne, bevor er es sich angeeignet hat im richtigen Kindesalter – und das ist das Alter zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife – dadurch, daß es ihm verkörpert in einem Menschen entgegengetreten ist. Wir sollen zuerst gelernt haben, etwas ist wahr, weil eine verehrte Persönlichkeit es wahr heißt, bevor wir die innere
abstrakte Gesetzmäßigkeit des Wahren einsehen, die eigentlich auf uns erst wirken kann, wenn wir über das Geschlechtsreifealter hinaus sind.
Sie werden mir nicht zumuten, daß derjenige, der vor mehr als dreißig Jahren seine «Philosophie der Freiheit» geschrieben hat, eine Lanze brechen möchte für das Autoritätsprinzip, wo es nicht hingehört. Aber das Autoritätsprinzip, wie es die kindliche Natur selber fordert, das gehört unbedingt in die Volksschule hinein. Da wird der Lehrer mit seinem Verstände, mit seinem Herzen, mit seinem Gefühl, mit seinem ganzen Menschentum Richtschnur für das Wahre, Gute, Schöne, wie das

En voor de mens is het verkeerd wanneer hij volgens principes, volgens abstracte geboden, volgens allerlei logica een gevoel moet krijgen voor wat waar, mooi en goed is, vóór het deze dingen op de geschikte leeftijd – en dat is de leeftijd tussen de tandenwisseling en de puberteit – belichaamd in een mens ontmoet heeft. We moeten allereerst geleerd hebben dat iets waar is, omdat een vereerde persoon het voor waar houdt, voordat we de inherente abstracte wetmatigheden van het ware inzien die eigenlijk pas op ons kunnen werken wanneer we de puberteit achter ons hebben gelaten.
U moet me niet voor de voeten werpen dat ik een lans breek voor het principe van de autoriteit – ik schreef meer dan dertig jaar geleden ‘De filosofie van de vrijheid’ al. Maar het autoriteitsprincipe dat de natuur van het kind eist, hoort zonder meer op de basisschool thuis. Daar wordt de leerkracht met zijn verstand, zijn hart, zijn gevoel, helemaal zoals hij als mens is, leidraad voor het ware, het mooie en het goede,

Blz. 213

Kind es annehmen soll; es entsteht ein menschliches Verhältnis bis in die Gestaltung des Wahren, Guten und Schönen. Das alles ist ja genauer ausgeführt in den verschiedenen pädagogischen Schriften, in denen man über die Waldorfschul-Pädagogik lesen kann. Aber nun bedenke man, in welcher Lage der Waldorfschullehrer dadurch ist, daß er dieses selbstverständliche Autoritätsprinzip anerkennt und in seiner ganzen Ausweitung üben will. Er ist darauf angewiesen, daß in keiner Weise diese selbstverständliche Autorität durchbrochen werde. Nun muß man bedenken, selbst in denjenigen Familien, in denen zwischen dem Kinde und den Eltern Disharmonie herrscht, ist dennoch gerade im Lebensalter, wo der Zahnwechsel auftritt, ein inniges Zusammengewachsensein des Kindes mit den Eltern vorhanden. Ein Zusammengewachsensein, das so stark ist, daß es im Grunde genommen überstrahlt alles übrige, was für die Wesenheit des Kindes in diesem Lebensalter in Betracht kommt. Damit ist aber auch dann, wenn das
Kind etwa durch die Verhältnisse, sagen wir selbst das schwerwiegende
Wort, mit Antipathien den Eltern gegenübersteht, in dem Unterbewußten ein zunächst ganz unerschütterliches Autoritätsverhältnis zu den Eltern vorhanden. Hier kann ich es nur anführen, aber die Sache kann in allen Einzelheiten bewiesen werden.

zoals het kind het op moet nemen; er ontstaat een menselijke relatie tot in de vorm van het ware, goede en mooie. Dit is verder uitgewerkt in de pedagogische boeken waarin je over de vrijeschoolpedagogie kan lezen.
Nu moeten we eraan denken in welke positie de vrijeschoolleerkracht zich bevindt door het principe van de vanzelfsprekende autoriteit te erkennen en in zijn volle omvang daarin bekwaam wil worden. Hij is erop aangewezen dat op geen enkele manier deze vanzelfsprekende autoriteit doorbroken wordt. En dan moet je denken dat er zelfs in de gezinnen waarin tussen het kind en zijn ouders geen harmonische sfeer heerst, toch juist in de leeftijd waarin de tandenwisseling plaatsvindt, het kind zich diep één voelt met zijn ouders. Een één voelen dat zo sterk is dat het in de aard van de zaak al het andere overstraalt wat voor het wezen van het kind op deze leeftijd van belang is. Maar ook dan, als het kind door de verstandhouding, laten we zelfs noemen het zwaarwegende woord antipathie voor de ouders voelt, is er toch die totale onaantastbare autoriteitsrelatie met de ouders aanwezig in het onderbewustzijn. Ik kan het hier slechts aanroeren, maar het kan in al zijn aspecten worden bewezen.

Eine richtige Psychologie, eine richtige Seelenkunde lehrt, daß selbst dann, wenn die Kinder im Lebensalter des Zahnwechsels und in den folgenden Jahren bewußt im Widerspruch zum Elternhaus sich entwickeln, sie in den feineren, aber unbewußten seelischen Adern ihres Wesens ganz und gar unter der Autorität der Eltern stehen. Wer wollte das anders wünschen? Das ist einfach das naturgegebene Verhältnis. Würde ich schildern, welchen Gang die Menschheitsentwicklung nehmen würde, wenn das nicht der Fall wäre, wir würden ein ganz greuliches Bild dieser Menschheitsentwicklung bekommen. Aber damit ist ja gesagt, daß der Lehrer auf dem ganz anderen Gebiet,
auf dem er wirken will, jetzt nicht als Vorbild, sondern als Vorsprecher,
als derjenige, der in seiner Autorität angibt, hinstellt dasjenige, was in
das Kind dringt, wie der Lehrer, ich möchte sagen mit einer feineren Art
der Wirksamkeit herankommen muß an dasjenige, was das Elternhaus
aus dem Kinde bis ins innerste Wesen hinein gemacht hat. Man kann gar

Een echte psychologie, een juist inzicht in de psyche leert dat zelfs dan, wanneer de kinderen op de leeftijd van het tandenwisselen en in de jaren daarna zich bewust anders ontwikkelen dan de ouders zouden willen, ze dan toch in de intiemere onbewuste aderen van hun wezen onder de autoriteit van de ouders staan. Wie zou dat anders willen? Dit is simpelweg de natuurlijke verhouding. Als ik zou schetsen hoe de ontwikkeling van de mensheid zou verlopen, wanneer dit niet het geval zou zijn, dan zouden we een echt afschuwelijk beeld van deze ontwikkeling krijgen.
Maar daarmee is gezegd dat de leerkracht op een heel ander gebied waar hij wil werken, nu niet als voorbeeld, maar als een hoger staand persoon die iets te zeggen heeft, als iemand die als autoriteit aangeeft, een plaats geeft wat in het kind naar buiten wil, hoe de leerkracht die met een fijnzinnigere manier van werken bij dat moet komen wat het ouderlijk huis tot in zijn diepste wezen van het kind heeft gemaakt. Als autoriteit

Blz. 214

nicht anders in seiner Autorität dastehen gegenüber der Kindesindividualität, als wenn man anknüpfen kann in vollbewußter Weise an das, was das Kind durch das Elternhaus geworden ist. Das ergibt wiederum instinktiv im Waldorfschullehrer den innersten Drang, mit den Eltern in Beziehung zu treten. Und dieser Drang wächst aus einem ganz bestimmten Grunde heraus.
Der Geist der Waldor schul-Pädagogik ist kein einseitiger; er umfaßt den Geist, die Seele und ebenso die Physis, das Körperliche. Es wäre ein vollständiges Verkennen des Geistes der Waldorf schul-Pädagogik, wenn man glauben wollte, daß das Physische dabei, und zwar in seinen gesunden und kranken Zuständen, irgendwie gegenüber dem Geistigen unterschätzt würde. Mit dem ganzen Menschen im Kinde rechnet der Geist der Waldorfschul-Pädagogik. Da er mit dem ganzen Menschen rechnet, aber nicht den ganzen Menschen hat, sondern das Kind nur hat in den Schulstunden und vielleicht in wenigem, was sich daranschließt, muß er das innere Bedürfnis haben, mit dem Elternhause, das das Kind in der anderen Zeit hat, in innigstem Kontakt zu stehen.

kan je zelfs niet anders, als het om de individualiteit van het kind gaat, dan volbewust aansluiting zien te vinden bij wat het kind door het ouderlijk huis geworden is. Dat doet in de vrijeschoolleraar weer instinctief het diepste verlangen ontstaan, met de ouders een relatie op te bouwen. En dit verlangen ontstaat vanuit een heel bepaalde reden. Het wezen van de vrijeschoolpedagogie is niet eenzijdig; daar maken geest, ziel en ook het lichaam deel van uit. Het zou een volkomen miskennen van het wezen van de vrijeschoolpedagogie zijn, als je zou willen geloven dat het fysieke daarbij en dat in een gezonde of ziekelijke toestand, op de een of andere manier wat de geest betreft, onderschat zou worden.
De vrijeschoolpedagogie houdt wezenlijk rekening met de hele mens. Omdat het rekening houdt met de hele mens, maar niet over de hele mens beschikt, maar alleen het kind in de schooluren heeft en misschien nog iets wat daarbij aangesloten is, moet hij de innerlijke behoefte voelen met de ouders die het kind op de andere tijd hebben, een heel goed contact te krijgen.

Wahrhaftig, bei uns ist es so, daß das wahr ist, was ich oftmals gesagt habe, besonders im Kreise der Waldorfschule selber: vor Klassen mit einer großen Schülerzahl braucht sich der Pädagoge nicht zu fürchten. Aus pädagogischen Gründen kleine Klassen einzurichten, rechnet mit einer pädagogischen Schwäche. Darum handelt es sich nicht. Wenn es in der Waldorfschule wünschenswert sein könnte, kleinere Klassen anzustreben, ist das aus dem Grunde, damit der Lehrer die Möglichkeit hat, für alle seine Schüler den Weg zum Elternhaus zu finden. Und den muß er finden! Den muß er finden aus dem ganzen Geiste der Waldorfschule heraus!
Aber betrachten wir noch etwas anderes. Ich will nur einige Etappen
hervorheben. Derjenige, der das Kind im Leben beobachten kann, findet
so ungefähr zwischen dem neunten und zehnten Lebensjahr einen
außerordentlich wichtigen Lebenspunkt. Man sieht ihn herannahen.
Eine gewisse innere Krisis macht sich da geltend. Nicht als ob das Kind besonders verstandesmäßige Fragen stellte, aber die Krisis deutet sich dadurch an, daß sonst lebhafte Kinder kopfhängerisch werden, stille Kinder laut werden, daß die Kinder allerlei krankhafte Zustände zeigen

Echt, bij ons is het zo als ik al dikwijls heb gezegd, in het bijzonder in kringen van de vrijeschool zelf: de pedagoog hoeft niet bang te zijn voor grote klassen. Om pedagogische redenen kleinere klassen te maken, calculeert een bepaalde zwakte in. Daar gaat het niet om. Wanneer het in de vrijeschool wenselijk zou kunnen zijn om naar kleinere klassen te streven, dan is dat om de leerkracht de mogelijkheid te bieden voor al zijn leerlingen de weg naar het ouderlijk huis te vinden. En dat moet hij! Vanuit het volle wezen van de vrijeschool moet hij die vinden!
Maar laten we nog naar wat anders kijken. Ik wil nog een paar fasen belichten. Wie het kind in zijn leven kan waarnemen, vindt zo ongeveer tussen het negende en tiende jaar een buitengewoon belangrijk punt in het leven.
Dat zie je dichterbij komen. Er ontstaat een bepaalde innerlijke crisis. Niet dat het kind bijzondere intellectuele vragen gaat stellen, maar de crisis kondigt zich aan dat kinderen die anders levendig zijn, nu hun hoofd een beetje laten hangen, en stille kinderen druk worden, dat de kinderen allerlei [Duits heeft hier krankhaft, ziekelijk, maar dat is wel sterk aangezet, misschien is het meer disharmonie] disharmonische toestanden vertonen,

Blz. 215

und so weiter. Da handelt es sich darum, daß im Unterbewußtsein des
Kindes – unendlich viel ist ja in der Wesenheit des Kindes im Unterbewußten, nicht im Bewußtsein – eine Frage auftritt, die aber nicht verstandesmäßig formuliert wird, sondern nur im Empfinden lebt: Die selbstverständliche Autorität hat mir angegeben bisher, was wahr, was gut, was schön war; diese selbstverständliche Autorität ist die Verkörperung von Wahrheit, Güte, Schönheit; ist sie es auch wirklich? Der Zweifel braucht gar nicht ausgesprochen zu werden, aber er ist da. Da ist er und greift in der gekennzeichneten Weise in das Leben des Kindes ein.
Da handelt es sich darum, daß man gerade in diesem Lebenspunkte,
für den man eine gesunde, freie Beobachtungsgabe haben muß, nun auch
das richtige Wort, das richtige Verhalten findet. Mannigfaltiges ist
notwendig. Der Takt, der Instinkt, die Intuition müssen es geben. Dann
kann man in diesem Lebenspunkte des Kindes etwas tun, was für das
ganze folgende Erdenleben von einer ungeheuer weittragenden Bedeutung ist. Findet man die Bemerkungen, die Handlungen, das Verhältnis, wodurch man dem Kinde in seiner Art begreiflich macht: Ja, du hast recht, daß du in mir die selbstverständliche Autorität siehst, – dann ist man ein aus der innersten Seele heraus wirkender wahrer Wohltäter des Kindes geworden.

enzovoort. Nu gaat het erom dat in het onderbewuste van het kind – in het onderbewuste van het wezen van het kind bevindt zich heel veel – niet in het bewustzijn, een vraag opkomt die echter niet intellectueel geformuleerd wordt, maar alleen in het gevoel leeft: tot nog toe heeft de vanzelfsprekende autoriteit mij aangegeven wat waar, wat goed, wat mooi was; deze vanzelfsprekende autoriteit is de belichaming van waarheid, goedheid en schoonheid; maar is hij dat ook werkelijk? De twijfel hoeft helemaal niet uitgesproken te worden, maar die is er wel. Die is er en grijpt op de geschetste manier in het leven van het kind in.
Nu gaat het erom dat je, juist op dit punt in het leven waarvoor je een gezonde aanleg van vrij te kunnen waarnemen moet hebben, je ook het juiste woord, de juiste houding moet vinden. Verschillende dingen zijn noodzakelijk. Er moet  tact, instinct, intuïtie zijn. Dan kun je iets doen wat voor het hele volgende leven op aarde van een buitengewoon verreikende betekenis is. Vind je de opmerkingen, de handelingen, de houding waardoor je het kind op zijn manier duidelijk maakt: Ja, het is goed, dat je in mij de vanzelfsprekende autoriteit ziet – dan ben je vanuit je diepste ziel werkend een echte weldoener voor het kind geworden.

Denn wohl dem Menschen, der, über diesen Lebenspunkt hinausgehend, um das neunte, zehnte Lebensjahr herum, zu einer selbstverständlichen Autorität verehrend hinaufblickt! Kein Mensch kann in seinem
Leben zu einem freien Wesen werden, der nicht zuerst vor seinem
geschlechtsreifen Alter sein Leben hat einrichten gelernt, wie ein hochgeschätzter Mensch sich verhält. Sich unterstellen in dieser Weise aus innerer instinktiver Freiheit, sich so gegenüberstellen einem solchen Menschen, sich sagen: Das ist das Rechte, zu tun, was er tut – das macht eigentlich erst etwas aus den Anlagen zur Freiheit, die der Mensch in sich birgt.
Kurz, wir müssen als Waldorfschullehrer in jeder Beziehung in der intimsten Weise die selbstverständliche Autorität aufrechterhalten. Wie können wir sie aufrechterhalten? Wenn wir durch einen solchen Verkehr mit dem Elternhaus in den Eltern das Gefühl hervorrufen: Wir dürfen auf unsere Kinder so einwirken, daß sie die selbstverständliche Autorität in dem Lehrer, in dem Erzieher sehen. Es kann trivial klingen, aber es ist

Want wat is het een weldaad voor de mens die uitstijgend boven dit punt in het leven rond het negende, tiende jaar, vererend op kan kijken tegen een vanzelfsprekende autoriteit! Niemand kan in zijn leven een vrij wezen worden die niet eerst voor zijn puberteit geleerd heeft zijn leven zo in te stellen naar de houding van een hoog gewaardeerd mens. Dit op deze manier, vanuit een innerlijke, instinctieve vrijheid, dit aannemen, zich zo naar zo’n mens op te stellen, en te zeggen: het is het beste om te doen wat hij doet – pas dat vormt eigenlijk iets uit de aanleg tot vrijheid die de mens in zich omdraagt.
Kortom, we moeten als vrijeschoolleerkracht in elk opzicht op de meest fijnzinnige manier de autoriteit waar maken. En hoe kunnen we dat? Wanneer we door de relatie met de ouders bij de ouders het gevoel oproepen: wij mogen zo op de kinderen werken dat zij in de leerkracht, in de opvoeder de vanzelfsprekende autoriteit zien. Het mag gewoontjes klinken, maar het is

Blz. 216

so: Der Waldorfschullehrer darf es nicht verschmähen, sich den Eltern des Kindes zu zeigen in seiner Wesenheit, das kann man ja manchmal in fünf Minuten, so daß die Eltern wissen, mit wem sie es zu tun haben. Und in dem Ton ihrer Stimme, in der Färbung eines jedes Satzes, der über die Schule gesprochen wird, soll hingewiesen werden nach der selbstverständlichen Autorität in der Schule. Es kann gar nicht innig genug das Band zwischen Schule und Elternhaus geknüpft werden.
Und ein drittes. Hat man ein, zwei, drei, vier Lehrpläne, Schulverordnungen, alles fein klug ausgedacht, vor sich, weiß man ja, was man zu tun hat. Man hat den Lehrplan, hat die Schulverordnung, muß das tun.
Aber so steht die Waldorfschule nicht da. Im Geiste der Waldorfschule ist es so richtig, zu denken, daß manches anders sein muß als in der öffentlichen Erziehung. Das können ja heute viele Menschen nicht einsehen. Und in unserem Zeitalter ist ja soviel Gescheitheit verbreitet.

zo: de vrijeschoolleerkracht mag er niet te gering over denken om het kind in zijn wezen aan de ouders te laten zien; dat kan soms in vijf minuten, zodat de ouders weten om wie het gaat. En in de klank van hun stem, in de kleur van iedere zin die over de school wordt gesproken, moet gewezen worden op de vanzelfsprekende autoriteit in de school. School en ouderlijk huis kunnen niet innig genoeg verbonden zijn.
En een derde iets. Als je een, twee, drie, vier leerplannen, schoolregels voor je hebt, alles fijn verstandig uitgedokterd, weet je wat je moet doen. Je hebt het leerplan, de schoolvoorschriften, dat moet je doen.
Maar dat is niet het gevoel op de vrijeschool. In de geest van de vrijeschool is het juist goed om te denken dat sommige dingen anders moeten dan in de gangbare opvoeding. Dat kunnen vele mensen vandaag de dag niet inzien. En in onze tijd is er overal heel veel knaps te vinden.

Man kann gar nicht stark genug betonen, wie in unserem Zeitalter gegenüber anderen Zeitaltern die Menschen gescheit sind. Nur, diese verstandesmäßige Gescheitheit – ich meine das ganz ernst, ich ironisiere nicht -, diese Gescheitheit von heute macht just die größten Dummheiten. Aber trotzdem, die Menschen sind gescheit. Das drückt sich in der verschiedensten Weise aus. Es können sich heute dreißig Menschen zusammensetzen, die können eine Schulreform ausmachen. Das kann so gescheit sein, unanfechtbar sein. Der laienhaft denkt, kann dann sagen: Das ist aber genial, bessere Schulen kann man gar nicht schaffen, als die mit dem 1., 2., 3., 4. – Aber man versuche nur weiterzugehen und sich die Schulen anzusehen, die man mit dem 1., 2., 3., 4. da schafft. Die Grundsätze, Paragraphen sind sehr gescheit; aber mit denen kann man im Leben nichts anfangen. Nur der kann etwas anfangen, der das Leben selber pulsieren fühlt und aus dem pulsierenden Leben heraus schaffen kann.
So steht der Waldorfschullehrer da: er hat keine Paragraphen, sondern
Ratschläge; Ratschläge, die er nach seiner eigenen Individualität gestalten muß. Jeder ist doch ein anderer Mensch. Und wenn man vorschreibt, was der Lehrer in der Schule zu tun hat, in strikter Weise, dann soll jeder so sein wie der andere. Bedenken Sie nur, zu welcher Konsequenz das führt. Wenn das ernst genommen würde, daß die Paragraphen streng durchgeführt würden, die bestgemeinten pädagogischen abstrakten

Je kan niet sterk genoeg benadrukken hoe knap de mensen in onze tijd zijn in vergelijking met andere tijden. Maar, deze verstandsknapheid – ik bedoel dit heel ernstig, ik spot niet – deze schranderheid van nu maakt juist de grootste fouten. Maar ondanks dat, de mensen zijn knap. Dat komt op de meest verschillende manieren tot uitdrukking. Als er nu dertig mensen bij elkaar gaan zitten, kunnen ze een onderwijsvernieuwing afspreken. Die kan zo slim in elkaar zitten, dat die niet aan te vechten is. De leek denkt en zegt dan: maar dat is geniaal, betere scholen dan met de punten 1, 2, 3, 4, kun je gewoon niet maken. Maar probeer nu eens verder te gaan en naar die scholen te kijken die men ten eerste, tweede, derde, vierde zo inricht. De uitgangspunten, paragrafen zijn heel knap; maar in het leven kan je er niets mee beginnen.  Alleen degene die het leven zelf voelt pulseren en hieruit kan scheppen, die kan iets beginnen. En dat is de plaats van de vrijeschoolleerkracht: hij heeft geen paragrafen, maar adviezen; adviezen die hij met zijn eigen individualiteit vorm moet geven. Iedereen is toch anders. En wanneer je voorschrijft wat de leerkracht op school moet doen in strikte zin, dan is ieder niet zo als de ander. Denk je eens in tot welke slotsom dat leidt. Wanneer serieus zou worden genomen dat de paragrafen streng doorgevoerd moeten worden, de bestbedoelde pedagogische abstracte

Blz. 217

Grundsätze durchgeführt würden, wonach die Leute der Ansicht sind, daß es nur einerlei gibt^wie man zu erziehen und zu unterrichten hat, dann könnte man den einen Lehrer nicht mehr von dem anderen unterscheiden. Dann würde man dem einen Lehrer begegnen und würde sagen, es sei der andere, weil er ganz nach denselben abstrakten Prinzipien erzieht und unterrichtet. Aber der Lehrer ist ein Mensch. Der Lehrer ist eine Individualität. Und er kann nur wirken, wenn er sich als Mensch einsetzen kann mit der vollen Selbständigkeit seines Wesens.
Nur dann kann er wirklich wirken. Dann aber muß er das Leben kennen. Man kann im Leben nur wirken, wenn man das Leben auf sich wirken läßt. Aber was hat man in der Schule für ein Leben? Die Fortsetzung des elterlichen Lebens im Kinde. Von den Paragraphen, Grundsätzen wird der Lehrer verwiesen auf alles dajenige, was unmittelbares Leben des Kindes ist. Das muß einfließen in Methodik, in die Handhabung des ganzen Unterrichtens und Erziehens. Daher, meine sehr verehrten Anwesenden, wenn Sie ein Mäuschen wären und manchmal zuhören würden bei unseren Lehrerkonferenzen, so würden Sie hören, wie da tatsächlich mit allen Einzelheiten Abrechnung getrieben wird, und wie intim zuweilen dasjenige besprochen wird, was aus dem Elternhaus herein auf das Kind hinleuchtet.

uitgangspunten uitgevoerd zouden worden, volgens welke de mensen van mening zijn dat er maar een manier is hoe je moet opvoeden en onderwijzen, dan zou je de ene leerkracht niet meer van de andere kunnen onderscheiden. Dan zou je de ene leerkracht tegenkomen en je zou zeggen dat het de andere is, omdat hij geheel volgens dezelfde abstracte principes opvoedt en lesgeeft. Maar de leraar is een mens. De leraar is een individualiteit. En hij kan alleen werken als hij zich als mens kan inzetten met de volle zelfstandigheid van zijn wezen. Dan kan de leraar pas echt werken. Maar dan moet hij het leven kennen. Je kan in het leven alleen maar werken als je het leven op je laat inwerken. Maar wat voor leven heb je op school? Op school heb je de voortzetting van het leven van de ouders. I.p.v. naar paragrafen, principes, wordt de leerkracht verwezen naar alles wat zonder omwegen het leven van het kind is. Dat moet de methodiek binnenstromen, in de uitvoering van het hele onderwijs en de opvoeding.
Vandaar, zeer geachte aanwezigen, als u een muisje zou zijn en soms eens zou luisteren in onze lerarenvergaderingen, dan zou u horen hoe er daadwerkelijk rekening wordt gehouden met alle details en fijngevoelig besproken wordt wat vanuit het ouderlijk huis op het kind overstraalt.

Und weiter würden Sie erfahren, wenn Sie ein solches Mäuschen wären und zuhören würden, wie diese Lehrerkonferenzen ein fortwährendes Lernen sind, ein fortwährendes Entwickeln der Pädagogik zu immer höherer und intimerer Wirkung hinauf. Es kann gar nicht anders sein, wenn die Schule ein lebendiger Organismus und nicht ein toter Organismus sein soll. Und so ist gerade die Waldorfschule, weil sie eine freie Schule sich nennt, eine solche Institution, die durch ihr innerstes Wesen den Weg zum Elternhause weist in Bezug auf die ganze Wesenheit des Kindes.Man lernt ein Kind kennen. Es hat, sagen wir, mangelhafte intellektuelle Fähigkeiten. Das kommt ja vor. Ja, mangelhafte intellektuelle Fähigkeiten können auf die mannigfaltigste Weise verbessert werden, entwikkelt werden zum Besseren. Aber man muß Anhaltspunkte haben. Sagen wir, man lernt den Vater oder die Mutter kennen; die sind sehr gescheit. Es kommt ja auch vor, daß intellektuell unbegabte Kinder sehr gescheite Eltern haben. Es kann auch das Gegenteil der Fall sein, daß intellektuell

En verder zou je merken als je zo’n muisje was en zou luisteren hoe deze lerarenvergaderingen een voortdurend leren betekenen, een voortdurend ontwikkelen van de pedagogie die steeds beter en fijnzinniger werkt. Het kan niet anders wil de school een levend organisme en niet een dood organisme zijn.
En zo is met name de vrijeschool, omdat ze zich een vrije school noemt, die instelling die door haar diepste kern de weg naar het ouderlijk huis wijst in relatie tot het hele wezen van het kind. Je leert een kind kennen. Het heeft, laten we zeggen, gebrekkige intellectuele vaardigheden. Dat komt nu eenmaal voor. Maar gebrekkige intellectuele vaardigheden kunnen op de meest uiteenlopende manieren verbeterd worden, ontwikkeld worden. Maar je moet aangrijpingspunten hebben. Laten we zeggen dat je vader en moeder leert kennen en die zijn heel knap. Het komt voor dat intellectueel onbegaafde kinderen zeer slimme ouders hebben. Het omgekeerde kan ook,

Blz. 218

unbegabte Eltern sehr intellektuell begabte Kinder haben. Aber in jedem Fall wird man ungeheuer viel lernen für die Behebung von Mängeln an intellektuellen Fähigkeiten, wenn man auf die Eltern hinschaut, die das Kind bis zum Zahnwechsel nachgeahmt hat. Dadurch wird man nicht nur eine theoretische Erklärung finden, sondern man wird eine Anleitung finden zur Handhabung dessen, was man zu tun hat. – Und das Gefühlsleben, das noch ins moralische Leben herüberspielt, das das Gute nur aus der Sympathie mit dem Guten im Lehrer erhält, das Gefühlsleben, das gerade im schulpflichtigen Lebensalter die bedeutsamste Rolle spielt, dieses Gefühlsleben, wie klärt es sich auf, wenn wir durch das Fühlen des Kindes hindurchschauen auf die besondere Art des Gefühlslebens der Eltern! Ebenso ist es mit dem Willensleben.
Wer aus seiner Gescheitheit heraus weiß, der Mensch muß so und so sein, weil das die richtige durchschnittliche Menschennatur ist, der braucht ja nicht auf die Eltern hinzuschauen. Wer aber weiß, daß die Dinge aus ihrem Ursprung und die Wesen aus ihrem Ursprung hervorgehen, wer nicht auf ein Abstraktes hinschaut, sondern auf den Ursprung hinschaut, der muß auf das Elternhaus hinschauen.

dat niet-begaafde ouders intellectueel zeer begaafde kinderen hebben. Maar in ieder geval zal je ongelooflijk veel leren om het gebrek aan intellectuele vaardigheden te herstellen, als je rekening houdt met de ouders die het kind tot aan de tandenwisseling nabootste. Daardoor zal je niet alleen een theoretische verklaring vinden, maar je zal er een aanleiding in vinden om te doen wat je moet doen. En het gevoelsleven dat nog tot in het morele leven doorwerkt, dat het goede alleen maar uit sympathie voor het goede in de leerkracht ontvangt, het gevoelsleven dat juist in de basisschooltijd de belangrijkste rol speelt, hoe je dit gevoelsleven leert kennen wanneer we door dit voelen van het kind heen kijken naar het bijzondere gevoelsleven van de ouders! En zo is het ook met het wilsleven. Wie door zijn schranderheid weet dat de mens zus of zo moet zijn, omdat dit de doorsnee mensennatuur is, hoeft niet naar de ouders te kijken. Wie echter weet dat de dingen uit hun oorsprong en het wezen uit hun oorsprong, wie niet naar iets abstracts kijkt, maar naar de oorsprong, die moet naar het ouderlijk huis kijken.

Weil die Waldorfschul-Pädagogik den Geist der Wirklichkeit, den Geist des Naturgemäßen, den Geist des Seelengemäßen atmen will, deshalb führt sie auf den Weg der Wirklichkeit. Und dieser Weg derWirklichkeit weist zurück aus der Schule ins Elternhaus. Daher geschieht ja auch alles, was das Interesse der Lehrer an den Eltern, der Eltern für den Lehrer der Schule erwecken kann. Die Elternabende, die von der Waldorfschule abgehalten werden, sind dazu da, um ein Band zu knüpfen zwischen der Schule und dem Elternhaus. Und das, was auf diesen Elternabenden getrieben wird, soll dazu geeignet sein, die Eltern
anschauen zu lassen, namentlich welcher Gesinnung, welcher Seelenverfassung die Lehrerschaft ist.
Das, meine sehr verehrten Anwesenden, ist die praktische Durchführung desjenigen, was ja schließlich als oberstes, ich kann nicht sagen, Prinzip, sondern als oberste Anschauung beim Geist der WaldorfschulPädagogik vorhanden ist. Aus tiefstem innerem Seelenleben heraus muß sich aus diesem Geiste der Waldorfschul-Pädagogik der Lehrer sagen: Die Eltern übergeben der Schule das Teuerste, was sie haben, in ihrem

Omdat de vrijeschoolpedagogie de geest van werkelijkheid wil ademen, de geest van wat in overeenstemming is met de natuur, de geest van wat in harmonie is met de ziel, leidt zij daarom naar de weg van de werkelijkheid. En deze weg leidt van school naar de ouders. Daarom gebeurt ook alles wat de belangstelling van de leerkrachten voor de ouders, van de ouders voor de leerkrachten van de school wekken kan. De ouderavonden die de vrijeschool organiseert, zijn er om een band te smeden tussen school en ouderlijk huis. En wat er op de ouderavonden aan de orde komt, moet geschikt zijn om met name aan de ouders te laten zien wat de opvattingen van de leerkrachten zijn, wat voor gevoelsstemming er heerst. Dat, geachte aanwezigen, is de praktische uitvoering van wat uiteindelijk het belangrijkste, ik kan niet zeggen principe is, maar als het belangrijkste gezichtspunt bij het wezen van de vrijeschoolpedagogie voorhanden is. Vanuit het diepste innerlijk van de ziel moeten vanuit dit wezen de leerkrachten zeggen: de ouders geven aan de school wat voor hen het meest kostbare is wat ze hebben, 

Blz. 219

Kinde. Die Eltern haben mancherlei im Leben erfahren. Sie möchten, weil sie selber vielleicht geprüft sind im Leben, sie möchten zwar nicht, daß das Kind ungeprüft bleibe, aber doch, daß ihm manche harte Erfahrung erspart bleibe, die sie haben durchmachen müssen. Aus diesem und vielem anderen heraus knüpfen sich ja viele, unendliche Hoffnungen des Elternhauses an den Augenblick, wo das Kind der Schule überliefert wird. Aus dem ganzen Geiste der Waldorfschul-Pädagogik weiß der Lehrer, der Erzieher, was ihm übergeben wird. Und er möchte aus solchen Anschauungen heraus, wie ich sie charakterisiert habe, an dem Kinde so wirken, daß er, wenn er das Kind aus der Schule wieder herausläßt und die Eltern einen neuen Entschluß fassen müssen und es wieder aus der Hand des Lehrers entgegennehmen, daß er hören könnte von den Eltern: Wir wußten es ja immer, als wir die Schule angesehen haben, unsere Hoffnungen mußten erfüllt werden. – Dieses Urteil kann sich aber nicht im letzten Augenblick bei der Reifeprüfung bilden, das kann sich nur bilden, wenn es heranreift an dem Umgang der Schule mit dem Elternhause.

hun kind. De ouders hebben in het leven van alles meegemaakt. Ze zouden, omdat ze zelf wellicht in het leven beproevingen hebben doorgemaakt, niet willen dat hun kind niet op de proef zal worden gesteld, maar wel dat het voor sommige harde ervaringen gespaard blijft die zij moesten doormaken. Hierdoor en door vele andere dingen verbindt het ouderlijk huis vele hoopvolle verwachtingen aan het ogenblik waarop het kind wordt overgedragen aan school. En door alles wat de vrijeschoolpedagogie inhoudt, weet de leerkracht, de opvoeder wat aan hem wordt toevertrouwd. En hij wil door dergelijke gezichtspunten die ik hier gekarakteriseerd heb, graag zo met het kind werken dat hij, wanneer het kind weer van school gaat, en de ouders opnieuw een besluit moeten nemen en het kind weer van de leerkracht overnemen, dat hij dan van de ouders zou kunnen horen: we hebben altijd wel geweten toen wij naar de school keken dat onze hoop vervuld zou worden. Dit oordeel kan echter niet op het laatste ogenblik bij het examen gevormd worden, dat kan alleen ontstaan als het groeit door de relatie van school en thuis.

Und so kann man von mancherlei Erziehungsversuchen, ja sogar von pädagogisch großartig gemeinten Idealen wegblicken, auf den Geist der
Waldorfschul-Pädagogik hinblicken und kann sich sagen: Es ist doch ein
ungeheuer gesunder Instinkt, der sich auslebt in dem Zusammensein des
Kindes mit den Eltern; es muß daher auch ein Gesundes sein, wenn die
Schule in dieses Verhältnis hineinwächst dadurch, daß sie den Weg findet
zu den Eltern hin. Unter den vielen Dingen, die in der Waldorfschule angestrebt werden und die alle dadurch zu charakterisieren sind, daß man sagt: Die
Waldorfschule möchte über abstrakte Grundsätze, über Gescheitheiten
zur lebensvollen Wirklichkeit hin -, ist vor allem dieses, daß die Waldorfschule den Weg finden möchte zu der allerlebensvollsten Wirklichkeit im Dasein des Kindes. Und diese Wirklichkeit im Dasein des kleinen Kindes, des schulpflichtigen Kindes, sind die Eltern.
Weil diese Schule mit ihrem Geiste eine Schule sein will nicht der
Theorie, nicht der Abstraktion, nicht des steifen, theoretischen Prinzips,
sondern des vollen Lebens, der vollen Wirklichkeit, sucht sie den Weg in
die Wirklichkeit des Elternhauses hinein.

En zo kan je van allerlei opvoedingsexperimenten, zelfs van pedagogisch groots bedoelde idealen, kijken naar de geest van de vrijeschoolpedagogie en je kan zeggen: het is toch een buitengewoon gezond instinct dat zichtbaar wordt in het samenzijn van ouder en kind; en daarom moet het ook iets gezonds zijn wanneer de school met deze relatie meegroeit wanneer die de weg naar de ouders vindt.
Onder de vele dingen die de vrijeschool nastreeft en die je allemaal kan karakteriseren door te zeggen: de vrijeschool wil verdergaan dan abstracte uitgangspunten, dan schranderheden, tot aan de levensvolle werkelijkheid, vind je vooral deze dat de vrijeschool de weg zou willen vinden naar de meest levensvolle werkelijkheid in het bestaan van het kind. En deze werkelijkheid in het leven van het kleine kind, het basisschoolkind, zijn de ouders.
Omdat deze school in haar verschijning geen school wil zijn van theorie, van abstractie, niet van onbuigzame, theoretische principes, maar van het volle leven, van de volle werkelijkheid, zoekt ze de weg naar de realiteit van het ouderlijk huis.
GA 298/207-219

Over GA 298 – inhoudsopgave  

Rudolf Steiner over pedagogie(k)

Rudolf Steiner; op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3080-2894

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over de levensgeest (GA 57)

.

In de ‘Algemene menskunde’ staat Steiner niet lang stil bij de begrippen ‘geest(es)zelf – levensgeest – geest(es)mens. Ze worden summier benoemd in de 1e voordracht – in de vertaling op blz. 23 – wanneer hij over de wezensdelen spreekt. Zihet artikel daarover
en in voordracht 4.
Hier worden de drie begrippen in verband gebracht met de drie vormen van (hoogste) wil.
De ‘wens’ met het geestzelf; ‘het voornemen’ met de levensgeest en ‘het besluit’ met de geestmens.

Wanneer hij in zijn boeken GA 9 en GA 13 over de wezensdelen spreekt, komen ze uiteraard aan bod.
Opmerkingen daaruit heb ik weergegeven in dit artikel.

Wanneer je mijn inleidingen op deze stof op je laat inwerken, zal, wat Steiner in de voordrachten zegt, makkelijker te vatten zijn.

Zoals ik voor het geestzelf heb gezocht naar omschrijvingen in andere voordrachten, wetend dat Steiner het telkens weer anders zegt of met nieuwe gezichtspunten komt, doe ik dit nu ook voor de levensgeest.

In het vorige artikel haalde ik Steiner aan met wat hij er op blz. 24 (vert.) over zegt:

Ein zweiter, höherer Bestandteil des Menschen ist das, was wir den Lebensgeist nennen. Dieser Lebensgeist ist schon sehr wenig wahrnehmbar innerhalb des gegenwärtigen Menschen. Es ist etwas sehr geistiger Art im Menschen, was sich in ferner Menschenzukunft entwickeln wird.

Een tweede en hoger bestanddeel van de mens is dat wat we de levensgeest noemen. Deze levensgeest kan men al heel weinig waarnemen in de huidige mens. Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomt van de mensheid zal ontwikkelen.
GA 293/65
Vertaald/66

‘Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomt van de mensheid zal ontwikkelen.’

Je zou dus nog kunnen denken: ‘O, dat gaat vanzelf, daar hoef ik in dit leven niets voor te doen.’
‘Ik heb er in dit leven nog weinig mee te maken’.
Maar als we beseffen dat ‘levensgeest’ omgewerkte ‘levenskracht’ is, ons etherlijf, dan kunnen we wél inzien dat het in dit leven veel meer gaat om de scholing van het etherlijf.
Het scholen van het astraallijf is al een moeilijke opgave; van het etherlijf is deze nog moeilijker. Die kost veel meer inspanning en tijd.

Als we aan het etherlijf willen werken, gaat die activiteit natuurlijk weer uit van het actieve Ik, zoals bij de ontwikkeling van het astraallijf, zoals blijkt uit wat er in o.a. de voordrachten GA 9GA 34GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58GA 59 over staat.

INWIJDING EN HELDERZIENDHEID

In GA 56 gaat Steiner in op het verschil ‘ingewijde’ en ‘helderziende’.

Het gaat bij allebei om (een) inzicht in de niet stoffelijke wereld. In de boven-zintuiglijke wereld.

Die Erkenntnis der Seele und des Geistes

Kennis van ziel en geest

Voordracht 1, Berlijn, 10. oktober 1907

Die Mission der Geheimwissenschaft in unserer Zeit
De opdracht van de verborgen wetenschap in onze tijd

Blz. 24

Denken Sie sich, es gäbe Menschen, die in einer fernen Gegend wohnen, wo keine Eisenbahnen und keine Maschinen sind. Nun macht sich einer auf den Weg nach Europa und sieht, daß es Eisen­bahnen und Maschinen gibt. Er geht nach Hause und er­zählt seine Erfahrungen, dasjenige, was er selbst gesehen hat.

(Bij dit voorbeeld moeten we niet uit het oog verliezen dat dit in 1909 gesproken werd. We zouden misschien nu een voorbeeld moeten kiezen met iemand die op de maan is geweest.)

Stel je eens voor dat er mensen zijn die ver weg wonen en waar ze geen treinen en machines hebben. Nu gaat er iemand naar Europa en ziet dat er treinen en machines bestaan. Hij gaat naar huis en vertelt zijn ervaringen, dat wat hij zelf gezien heeft.

Blz. 25

Das ist dann ein in solche Dinge Eingeweihter. Solche Eingeweihte gibt es nun auch in Bezug auf übersinnliche Dinge.
.
Dat is dan iemand die in die dingen ingewijd is. Ook op het gebied van de bovenzintuiglijke dingen bestaan er dergelijke ingewijden.

In deze voordracht gaat Steiner ook terug naar het verleden waarin er bepaalde plaatsen op de wereld waren, waar mensen door ‘leraren’ (vaak priesters) een scholing kregen om in de bovenzintuiglijke wereld te kunnen waarnemen.

Sie werden in den Geheimschulen zu einem Einblick in die übersinnliche, unsichtbare Welt geführt und können erzählen von dem, was sie dort erfahren haben.

Zij (de ‘leerlingen’) worden in de mysteriescholen zover gebracht dat ze inzicht krijgen in de bovenzintuiglijke, onzichtbare wereld en zij kunnen dan vertellen van wat ze daar ervaren hebben.

De woorden ‘mysterieschool, inwijdingsplaats’ enzo, doen voor velen wat ‘zweverig’ aan. Wat gebeurde daar dan? Waren er rituelen en welke dan?
(In andere voordrachten vertelt Steiner er wel preciezer over.)
Vooral dat ‘geheim’school, is voor velen iets ‘geheimzinnigs’,  – moet je daar wel mee bezig willen zijn – en diezelfde gevoelens kunnen ontstaan, wanneer je de Duitse titel van GA 13 neemt: ‘Geheimwissenschaft (im Umriss) of in de vertaling: ‘De wetenschap van de geheimen der ziel’, waarbij het ‘der ziel’ – in zekere zin een gedateerde 2e naamval) het gevoel van ‘nou nee’ kan versterken.
Goethe brengt het wat dichterbij door ‘wat er achter de dingen’ ligt te bestempelen als iets waar we toegang toe kunnen krijgen: het is er niet in één oogopslag – dus in die zin wel ‘geheim’, maar het is er eigenlijk voor iedereen: ‘een openbaar geheim’.
Een van de vertalingen van het Duitse ‘geheim’ is ook ‘onzichtbaar’.

Steiner vervolgt dan:

Die auf diese Weise Eingeweihten teilt man wiederum in zwei Klassen: in eigentliche Eingeweihte und in hellsichtige Menschen.

De op deze manier ingewijde mensen worden in twee groepen onderverdeeld: de eigenlijke ingewijden en de helderziende mens.

Es ist nämlich so, daß, wenn die geheimwissenschaftlichen Wahrheiten einmal verkündigt, wenn sie vor den Menschen ausgesprochen worden sind, man nicht Hellseher zu sein braucht, um sie einzusehen und zu begreifen. Denn das Hellsehen ist wohl für das Auffinden, nicht aber zum Begreifen der geheimwissenschaftlichen Wahrheiten notwendig.

Het is namelijk zo dat wanneer de waarheden die de geheime wetenschap betreft eenmaal verkondigd zijn, wanneer ze voor de mens uitgesproken worden, je geen helderziende hoeft te zijn om ze te kunnen inzien en begrijpen. Helderziendheid is wel nodig om ze te vinden, maar niet om deze waarheden te begrijpen.

Alles, was [ ] als Ergebnis der Forschung in der höheren Welt gesagt werden wird, konnte nicht ohne hellseherische Gabe gefunden werden, nicht ohne daß die in jedem Menschen schlummernden geistigen Augen und geistigen Ohren entwickelt wurden. [ ]  Werden diese Ergebnisse aber einmal ausgesprochen und in solche Formen gekleidet, daß sie dem heutigen Denken entsprechen, dann kann sie jeder begreifen. Niemals kann der Einwand gelten, daß man hellsichtig sein müßte, um die Dinge zu begreifen, die aus der Geheimwissenschaft heraus mitgeteilt werden. Nicht demjenigen sind sie unverständlich, der nicht hellsichtig ist, sondern demjenigen, der seinen logischen Verstand nicht im ganzen Umfange anwenden will. Einsehen kann man alles, wenn es einmal ausgesprochen ist, bis in die höchsten Gebiete hinauf. 

Alles wat als resultaat van onderzoek van de hogere werelden gezegd kan worden, kan niet gevonden worden zonder helderziende gaven, niet zonder dat de geestelijke ogen en oren die in ieder mens latent aanwezig zijn, ontwikkeld worden. Zijn deze resultaten echter eenmaal uitgesproken en zo weergegeven dat ze bij het denken van deze tijd passen, dan kan iedereen ze begrijpen.
Nooit kan de tegenwerping gemaakt worden dat je helderziend moet zijn om deze dingen die over de verborgen wetenschap meegedeeld worden, te begrijpen.
Ze zijn niet onbegrijpelijk voor degene die niet helderziend is, maar voor degene die zijn logische verstand niet in de volle omvang wil gebruiken. Wanneer het eenmaal is uitgesproken, kan je alles inzien, tot in de hoogste gebieden.

Blz. 26

Derjenige nun, der, ohne selbst hellsichtig zu sein, alles einsieht, was die Geheimwissenschaft zu sagen hat, ist ein Eingeweihter. Wer aber selbst eintreten kann in diese Welten, die wir die unsichtbaren nennen, der ist ein Hellseher.

Degene die, zonder zelf helderziend te zijn, alles inziet wat de verborgen wetenschap te zeggen heeft, is een ingewijde.
Wie echter zelf in deze werelden de we onzichtbaar noemen, kan doordringen, is helderziend.
GA 56/24-26
Niet vertaald

In dit artikel kwam – een beetje in deze richting gaand – ook al iets ter sprake, waarbij het dan ging om ‘goede wil’ en ‘gezond verstand’.

Steiner zet vaker uiteen dat er een groot verschil bestaat tussen het bewustzijnsniveau van de mensen t.t.v. de mysteriescholen en van de mensen van nu.
Bewustzijnsverandering gaat hand in hand met de ontwikkeling van het Ik. En in de huidige tijd is de ontwikkeling van het Ik bij het grootste deel van de mensheid zover, dat de mens nu niet meer aan de hand hoeft te worden genomen door priesters e.d. om via inwijdingsrituelen (de tempelslaap bijv.) en andere handelingen ingewijd te worden, maar dat hij nu zelf degene kan zijn die zich verder op dit gebied ontwikkelt.
Dat is o.a. de reden waarom Steiner deze inzichten als ‘antroposofie’ in de openbaarheid heeft gebracht.
Door deze daad en door zijn eigen – tussen-de-regels-uitspraken, kunnen we Steiner beschouwen als een belangrijk helderziende – zo niet de belangrijkste – en ingewijde tegelijkertijd.

En de mensen die niet tot helderziendheid komen, maar wél door ‘goede wil’ en ‘logisch verstand’ met zijn inzichten verder willen, zijn dus in zekere zin bezig om zichzelf tot ‘ingewijde’ te ontwikkelen.

Dat is dus het verschil tussen vroeger en nu: van buitenaf naar van binnenuit. 
De kracht gaat dus uit van ons Ik, zoals we dat kunnen volgen in alles wat Steiner over de werking ervan op het astraallijf en etherlijf zegt.
Voor het astraallijf zie bijv. de voordrachten: 

GA 9GA 34GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58GA 59
Voor het etherlijf de voordrachten:
GA 9 en 34GA 13;  GA 53; GA 54GA 55GA 56;

In deze voordracht benadert hij het weer vanuit een ander gezichtspunt:

GA 57

Wo und wie findet man den Geist?
Waar en hoe vinden we de geest?

Voordracht 18, Berlijn 6 mei 1909

Die europäischen Mysterien und ihre Eingeweihten
De Europese mysteriën en hun ingewijden

Blz. 434

Alle Einweihung beruht ja darauf, daß der Mensch sich erhebt zu einem höheren Anschauen, zu einer höheren Entwicklung der Seele. Bevor er sich so erhebt, hat er drei Fähigkeiten in seiner Seele: Denken, Fühlen und Wollen.
Diese drei Seelenkräfte hat er in sich. So, wie er gewöhnlich lebt in der heutigen Welt, sind diese drei Seelenkräfte in einer innigen Verbindung. Mit seinem Ich ist er hineinverwoben in Denken, Fühlen und Wollen, weil der Mensch, bevor er durch die Einweihung aufsteigt, noch nicht vom Ich aus an der Entwicklung der höheren Leiber gearbeitet hat. Zunächst wird das, was im astralischen Leibe ist, das, was der Mensch an Gefühlen und Empfindungen, an Trieben und Begierden hat, geläutert und gereinigt. Dadurch entsteht das Geistselbst oder «Manas». Dann kommt der Mensch zunächst so weit, daß er jeden Gedanken mit einem

Alle inwijding berust erop dat de mens zich ontwikkelt tot een hoger waarnemen, een hogere ontwikkeling van zijn ziel. Vóór hij daartoe komt, heeft hij drie vermogens in zijn ziel: denken, voelen en willen.
Deze drie zielenkrachten draagt hij in zich. Zoals hij gewoonlijk op deze wereld zijn leven leeft, zijn deze drie zielenkrachten innig met elkaar verbonden. Met zijn Ik is hij vervlochten met denken, voelen en willen, omdat de mens, vóór hij door inwijding verder komt, nog niet vanuit zijn Ik aan de ontwikkeling van de hogere wezensdelen heeft gewerkt. Allereerst wordt dat wat in het astraallijf zit, wat de mens aan gevoelens en belevingen, aan driften en begeerten heeft, zuiverder, minder dwingend [er staat ‘gelouterd en gereinigd] Daardoor ontstaat het geestzelf of ‘manas’. Daarna komt de mens dan zo ver dat hij iedere gedachte met een

Blz. 435

bestimmten Gefühlston durchsetzt, daß jeder Gedanke kalt oder warm wird, daß er umwandelt seinen Äther- oder Lebensleib. Das ist die Umwandlung des Fühlens, und es entsteht so die «Buddhi». Dann folgt noch die Umwandlung des Wollens bis in den physischen Leib hinein zu «Atma» oder Geistesmensch. So wandelt der Mensch um sein Denken, Fühlen und Wollen und damit seinen Astralleib zu Manas oder Geistselbst, den Ätherleib zu Buddhi oder Lebensgeist, den physischen Leib zu Atma oder Geistesmensch. Diese Umwandlung ist der Ausdruck für das systematische Arbeiten des Eingeweihten an seiner Seele,
wodurch er sich hinaufhebt in die geistigen Welten.

bepaalde gevoelsnuance doordringt, dat iedere gedachte koud of warm wordt, dat hij zijn ether- of levenslijf lijf omvormt. Dat is de metamorfose van het gevoel en dan ontstaat ‘boeddhi’. [levensgeest] Dan volgt nog de omvorming van de wil tot in het fysieke lichaam, dan ontstaat ‘atma’ of geestmens.
Op deze manier verandert de mens zijn denken, voelen en willen en daarmee zijn astraallijf tot ‘manas’ of geestzelf, het etherlijf tot ‘boeddhi’ of levensgeest, het fysieke lichaam tot ‘atma’ of geestmens. Deze verandering is de uitdrukking van het systematisch werken door de ingewijde aan zijn ziel, waardoor hij verder komt in de geestelijke wereld.

Aber es tritt etwas ganz Bestimmtes ein, wenn die Einweihung in vollem Ernst betrieben wird, nicht als Spielerei.
Wird die Einweihung mit Würde gepflogen, so ist es, als ob des Menschen Organisation in drei Teile geschieden würde und das Ich als König über diesen drei Teilen thronte. Während gewöhnlich beim Menschen die Sphären von Denken, Fühlen und Wollen nicht deutlich getrennt sind, ist der Mensch, wenn er sich höher entwickelt, immer mehr imstande, Gedanken zu fassen, die nicht gleich zu Gefühlen gebracht werden, sondern die vom Ich in freier Wahl zu Sympathie und Antipathie gebracht werden. Nicht schließt sich das Gefühl gleich unmittelbar an einen Gedanken an, sondern der Mensch spaltet sich in Gefühlsmensch, Gedankenmensch, Willensmensch. Der Mensch fühlt
sich als Ich-König, der thront über einer Dreiheit. In drei Menschen zerfällt er. Das tritt ein auf einer bestimmten Stufe der Einweihung. Er fühlt, daß er durch den Astralleib erlebt alle die Gedanken, die sich auf die geistige Welt beziehen. Durch den Ätherleib erlebt er alles das, was als Gefühle die geistige Welt durchzieht, durch den physischen Leib alles, was als Willensimpulse die geistige Welt durchlebt und durchsetzt. 

Als er aan die ontwikkelingsinwijding met volle ernst wordt gewerkt en niet als iets vrijblijvends wordt gezien, gebeurt er iets bijzonders.
Als er waardig aan wordt gewerkt, is het alsof de organisatie van de mens in drie delen wordt gescheiden en dat het Ik als koning daarboven troont. Terwijl gewoonlijk bij de mens de sfeer van denken, voelen en willen niet duidelijk gescheiden is, is de mens wanneer hij zich verder ontwikkelt, steeds meer in staat gedachten te vormen die niet tegelijkertijd gevoelens worden, maar die door het Ik als vrije keuze tussen sympathie en antipathie wordt gebracht. Het gevoel volgt niet onmiddellijk op een gedachte, maar de mens deelt zich op in gedachtemens, gevoelsmens en wilsmens. De mens beleeft zichzelf als Ik-koning die boven de drieheid troont. Hij splitst zich in drie delen .
Op een bepaald niveau van de inwijding gebeurt dat.
Hij voelt dat hij door het astraallijf al die gedachten beleeft die betrekking hebben op de geestelijke wereld. Door het etherlijf beleeft hij alles wat er als gevoelens door de geestelijke wereld heengaat, door het fysieke lichaam alles, wat als wilsimpulsen in de geestelijke wereld leeft en er deel vanuit maakt.

Dat het proberen verder te komen een ernstige zaak is, blijkt aan het eind van deze passage: het kan ook mislukken, m.a.w. het is niet vrijblijvend.
Die mislukking koppelt Steiner hier aan een beeld uit de Parsival:

Blz. 436

Man sagt: Der Mensch fühlt sich selbst als König innerhalb der heiligen Dreizahl. Aber der, der nicht fähig und reif ist, zu ertragen, daß er also gespalten ist, wird nicht die Früchte der Einweihung haben können.
Er wird dadurch, daß ihm Leid über Leid entgegentritt, zurückgehalten von dem, wozu er noch nicht reif ist. Wer unwürdig in die Nähe des Heiligen Grals kommt, wird ein Leidender wie Amfortas und kann nur erlöst werden durch den, der die guten Kräfte in seine Nahe bringt.
Er wird befreit durch Parzival.

Men zegt: de mens voelt zichzelf als een koning binnen dit heilige drietal. Maar degene die niet in staat is en eraan toe is, te verdragen dat hij dus ‘gespleten’ is, kan de vruchten van de inwijding niet smaken. Omdat hij er nog niet rijp voor is, wordt hij door leed na leed wat hem overkomt, ervan weggehouden.
Wie onwaardig in de buurt van de Heilige Graal komt, moet lijden zoals Amfortas en kan pas verlost worden door wie de goede krachten in zijn omgeving brengt. Hij wordt bevrijd door Parsival.

De wat scherpere tegenstelling tussen ‘inwijding’ en ‘helderziendheid’ zoals hierboven aangehaald uit GA 56, is in wat in GA 57 staat, minder scherp. Want ook wanneer het om inwijding gaat, kan je niet volstaan met ‘de goede wil’ en het ‘logische verstand’. Wat zwart-wit: alleen maar antroposofie bestuderen, de kennis daarvan verzamelen, is niet genoeg. 
Als je bij wijze van spreken je laaft aan de mooie gedachten die je als waarheid beleeft, moet je tegelijkertijd ook die waarheid ‘leven’. In je leven moet ‘waarheid’ een grotere rol gaan spelen, dus niet alleen in je hoofd als gedachte, maar ook juist in je gevoel als beleving waar je naar streeft en wat je wil betreft: waar je naar handelt.
Het in je opnemen van antroposofie moet dus hand in hand gaan met een verandering van ons denken, voelen en willen.
(Dat is tegelijkertijd wel een soort vooroefening om een helderziend vermogen te ontwikkelen.)

Een interessante voordracht over ‘waarheid’ staat in GA 58 die als PDF hier is te vinden. Er zijn daarin meerdere hoofdstukken te vinden die te maken hebben met het metamorfoseren van de ziel.

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3077-2891

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ahriman in het onderwijs (7-2/1)

.

Wie zich verdiept in het werk van Steiner – of het nu het geschreven werk is of in wat hij met zijn voordrachten bracht – het begrip ‘Ahriman’ komt – meestal in één adem met ‘Lucifer’ – veelvuldig voor.

Op deze blog gaat het om de pedagogische achtergronden van het vrijeschoolonderwijs. En omdat de menskundige achtergronden wortelen in het antroposofisch mensbeeld zou je kunnen verwachten dat ook in de pedagogische voordrachten over Ahriman (en Lucifer) wordt gesproken.

En dat is inderdaad zo: in bepaalde voordrachten roert Steiner het onderwerp aan.
Wat hij daarover zegt, zal op deze blog worden weergegeven.

Voor wie dit onderwerp ( bijna) nieuw is, is dit artikel een inleiding tot meer begrip.

Het verschijnsel  ‘Ahriman’ gaat terug tot in de Perzische cultuur en is dus geen ‘vinding’ van Steiner.

Wanneer de kinderen in de 5e klas geschiedenis krijgen, gaan ze ook terug naar die verre oudheid van het rijk der Perzen. Zie bijv. deze achtergronden.
Een van de belangrijkste culturele erfenissen uit deze tijd is deZend-Avesta‘, het heilig boek der oude Perzen, dat de leer van Zoroaster [Zarathustra] bevat.

Hier ontmoeten we Ahriman in de gedaante van de leugengeest:

LUISTER NIET NAAR DE LEUGENAAR!
HUIS EN HOF, LAND EN WERELD

ZAL HIJ VERDERVEN!
O, WEER U TEGEN SLECHTE GEDACHTEN.

EENS SPATTE ‘T VUUR
NAAR ALLE KANTEN,
MAAR EENS ZAL’T AL
EEN VUURVLAM ZIJN…….

GA GENE WEG
OF DEZE WEG,
WEES ROOK OF VLAM!
LAAT U VERDRUKKEN
IN DE STIKWALM
OF LAAT U LAAIEND
NAAR BOVEN STUWEN

DE KEUS IS U!

Mijn oma was eenvoudig levende vrouw. Ze had een a.h.w. intuïtief gevoel voor ‘het goede’, maar ook voor ‘het boze’, want zo noemde ze de dingen die afbreuk deden aan het menselijke. Liegen bijv. noemde ze ‘van de duivel’. En ze waarschuwde ons weleens dat ‘satan altijd op de loer ligt’. 
Als puber verwezen we die mededelingen naar het rijk van de onzin, m.n. het bestaan van een concreet wezen duivel.

Toen ik later in de 5e klas bovenstaand vers uit de Avesta met de kinderen reciteerde, moest ik weer aan oma terugdenken. ‘Liegen is van de duivel’. 
Hier was het terug, maar nu als leugengeest: Angra Manyu, ook wel Angra Mainyu en Ahriman – boze geest. Soms is er de bijnaam Peetiare: ‘bron van het boze’, ‘geest van de duisternis’.
Daartegenover staat de bron van het goede, het licht, de lichtgod Ormuzd, ook Ahura Mazdao genoemd. 
Ahriman heet in de Bijbel Satan. 
In de Faust van Goethe heet de duivel Mefistofeles, vanuit het Hebreeuws
. מֵפִיץ mephiz „de verderf brengende“ en ט֫פֶל tophel „de  leugenaar“).

In het Driekoningenspel zien we hoe de duivel bij Herodes iets in diens oor fluistert. Een macht, een kracht, iets geestelijks, ‘een geest’ inspireert [het spirituele!] Herodes tot zijn verderfelijke daad van de kindermoord.

[Even terzijde: in het Paradijsspel is er ook een duivel, die daar ‘satanas’ wordt genoemd. In zijn uitleg noemt Steiner deze duivel een luciferische geest, de duivel van het Driekoningenspel, een mefistofelische. Voor beide geesten nuanceert Steiner in bepaalde voordrachten nog een en ander].

Wanneer je je bezighoudt met deze materie en er meer greep op wil krijgen, is Steiner een grote bron en kan het, zoals bij mij, zo gaan dat zijn gezichtspunten allerlei vragen oproepen waarvan het antwoord niet klip en klaar gegeven is, wordt.

Hoe vaak kun je je niet afvragen, wanneer er in de wereld weer iets gebeurt waarbij mensen elkaar iets mensonterends aandoen: ‘Wie doet zoiets, wie bedenkt zoiets, waarom doe je het, waarom denk je zo. Wat beziel!t je. Wie of wat heeft bezit van je genomen, dat je als een ‘bezetene’ handelt?

Zo’n gedachte krijgt dan door een opmerking van Steiner [het kan ook andersom] iets concreets, bijv. wanneer hij zegt: 

Ahriman hat sich in der Verstandesseele festgesetzt, die durch unbewusste Umwandlung von Teilen des Ätherleibs entstanden ist. In diesem zweiten Glied der menschlichen Seele, der Verstandesseele, also in dem umgearbeiteten Stück des Ätherleibes, da hat sich festgesetzt Ahriman. Da ist er drinnen und führt den Menschen zu falschen Urteilen über das Materielle, führt ihn zu Irrtum und Sünde und Lüge, zu allem, was eben aus der Verstandes- oder Gemütsseele kommt. In alledem zum Beispiel, daß der Mensch sich der Illusion hingibt, mit der Materie sei das Richtige gegeben, haben wir Einflüsterungen des Ahriman, des Mephistopheles zu sehen.“ 

Ahriman heeft zich in de verstandsziel genesteld die door onbewuste veranderingen van delen van het etherlijf ontstaan is. In dit tweede deel van de menselijke ziel, de verstandsziel, dus in het omgewerkte stuk van het etherlijf, heeft Ahriman zich verankerd. Daar zit hij in en leidt de mens naar verkeerde oordelen over de materie, brengt hem tot vergissingen en zonde en leugen, tot alles wat uit de verstands- of gemoedsziel komt. Bijv. in alles waarbij de mens zich aan de illusie overgeeft dat met de materie de werkelijkheid gegeven is; daarin moeten we influisteringen van Ahriman, van Mefistofeles zien. 
GA 107/247-248    
Niet vertaald

Het ‘kwaad’ blijkt van alle tijden te zijn, dus we zouden erin kunnen berusten.

Maar dat is niet wat ‘de tijd’ laat zien. Meer dan vroeger en lang en heel lang geleden, zien we mensen die ‘het kwaad’ willen benoemen, het willen bestrijden, het aan de kaak willen stellen.

Dat is de inspiratie van een andere geest. Die wil het onder de mensen eerlijker, liefdevoller, menselijker maken. 
Edeler, hoogstaander: de geest daarvan is de michaëlische en de antroposofie is er m.n. gekomen om die geest te beschrijven. Sterker: om de boodschapper te zijn van die geest.
Aan die geest refereert Steiner in de 1e voordracht van de ‘Algemene menskunde‘ als de vrijeschool wordt gesticht.

En staande in die vrijeschool-michaëlsstroom moeten wij nu meer dan ooit voor onze kinderen – en de toekomst van de aarde – de leugengeest die ons juist van die toekomst wil beroven – leren kennen. 
Niet sussend negeren, niet fanatiek bestrijden, niet in eigen kring bespreken, maar open staand in de wereld waarin onze kinderen opgroeien, de juiste tegenmaatregelen nemen.
Een van die tegenmaatregelen is, Ahriman leren kennen, hem doorgronden, zijn positieve werking die er ook is – leren zien en daarvan gebruik maken zonder dat het ons schade berokkent.

Door de ontwikkeling om ons heen – in het bijzonder die plaatsvindt in de digitale wereld – kunnen we steeds meer zien waar ‘de leugengeest’ zich manifesteert: we hebben het niet voor niets over ‘nep-nieuws’; we kunnen schrikken van de ‘nepfoto’s en nepstemmen’, nauwelijks of niet van echt te onderscheiden’. Het manipuleren daarmee is een aanslag op de persoonlijke vrijheid.
Hier kan list en bedrog hoogtij vieren!

Steiner beschrijft Ahriman ook als een wezen dat bezit wil nemen van onze intelligentie.
‘Mechaniseren van de geest’ [o.a. in GA 296/16, vertaald] roept nu onmiddellijk de associatie op met ‘Artificial Intelligence’ – de afkorting A I kwam ik al een keer tegen als ‘Ahrimanische Intelligentie’- maar is in feite deel van een proces dat al heel lang gaande is, samen te vatten in ‘materialisme’.

Voor het onderwijs zet Steiner hier ‘kunstzinnig onderwijs‘ tegenover.

Het antwoord op meer ‘digitaal in de school’ moet dus zijn – naast het doorzien van de negatieve kanten – nóg kunstzinniger onderwijs.

.

Ahriman in het onderwijsalle artikelen

Algemene menskunde: alle voordrachten

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3073-2887

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 302/1)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

In GA 301 [op deze blog vertaald komt opnieuw ter sprake de samenhang tussen denken en beweging. zoals dat in GA 201 en GA 297A vanuit een bepaald perspectief werd belicht.

In GA 302 spreekt Steiner in de 2e voordracht [Stuttgart, 13-06-1921] weer over hoe een kind leert, zou moeten leren – met het oog op de ontwikkeling van hoofd, romp en ledematen.

Menschenerkenntnis und Unterrichtsgestaltung

Menskunde en opvoeding

In de 3e voordracht verwijst hij daarnaar: 

Wenn Sie an das sich erinnern, was ich gestern gesagt habe, daß der ganze Mensch eigentlich der Logiker ist, nicht nur der Kopf, so werden Sie die Bedeutung der reinen Geschicklichkeitsarbeiten auch in der entsprechenden Weise würdigen lernen. Es war durchaus nicht bloß eine Schrulle, als die Forderung aufgetaucht ist, bei uns sollen die Knaben auch stricken und so weiter. In dieser Betätigung der Hände drückt sich, bildet sich dasjenige aus, was tatsächlich die Urteilsfähigkeit um Wesentliches erhöht

 Als u zich herinnert wat ik gisteren heb gezegd, namelijk dat de logicus in feite de gehele mens is, niet alleen maar zijn hoofd, dan zult u de betekenis van de zuivere handvaardigheidsactiviteiten ook op de juiste manier leren waarderen. Het was echt niet zo maar een gril dat de eis ontstaan is dat bij ons de jongens ook leren breien, en dergelijke. In een dergelijke activiteit van de handen drukt zich iets uit, ontwikkelt zich iets wat in feite het oordeelsvermogen essentieel versterkt.
GA 302/50
Vertaald/49

Voordracht 4, Stuttgart 15 juni 1921

Blz. 70

Der Handarbeits- oder Handfertigkeitslehrer wird sich sagen können, er arbeitet ganz besonders am Geiste. Wenn wir in der richtigen Weise mit dem Kinde stricken und Dinge machen, die Sinn haben, oder durch Handfertigkeitsunterricht Dinge machen, die Sinn haben, dann arbeiten wir wirklich oftmals mehr am Geiste, als wenn wir den Kindern das beibringen, was man für das Geistige hält.

De leraar handwerken of handenarbeid zal zich realiseren dat vooral hij aan de geest werkt. Als we met de kinderen op de juiste wijze breien en zinvolle dingen maken, of in de handenarbeid dingen maken die zin hebben, dan werken we echt vaak meer aan de geest dan als we ze dingen leren die men voor geestelijk houdt.
GA 302/70
Vertaald/69

.
In GA 302 behandelt Steiner ook een onderwerp voor het handwerken wat betreft de kunstzinnige vorming: zie GA 303/2

Rudolf Steiner over handvaardigheid: alle artikelen

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3072-2886

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ahriman in het onderwijs (7-1)

.

Wie zich verdiept in het werk van Steiner – of het nu het geschreven werk is of in wat hij met zijn voordrachten bracht – het begrip ‘Ahriman’ komt – meestal in één adem met ‘Lucifer’ – veelvuldig voor.

Op deze blog gaat het om de pedagogische achtergronden van het vrijeschoolonderwijs. En omdat de menskundige achtergronden wortelen in het antroposofisch mensbeeld zou je kunnen verwachten dat ook in de pedagogische voordrachten over Ahriman (en Lucifer) wordt gesproken.

En dat is inderdaad zo: in bepaalde voordrachten roert Steiner het onderwerp aan.
Wat hij daarover zegt, zal op deze blog worden weergegeven.

Vóór Steiner aan het woord komt, volgt hier eerst een artikel waarin duidelijk wordt verwoord hoe we naar het ‘ahrimanische’ – juist in onze tijd! – kunnen kijken.

Hanneke de Leeuw, Antroposofisch Magazine sept. 2017 nr. 7
.

Over de krachten die ons aan de materie binden
.

Dat is ahrimanisch
.

Het is een regelmatig gehoorde uitspraak in antroposofische kringen: “Dat is ahrimanisch”.
Vaak gaat het dan om een computer, een mobiele telefoon of iets anders technisch of digitaals.
Bekend is dat antroposofen nogal behoudend zijn als het gaat om overmatig gebruik ervan. Ze zouden ons wegvoeren van ons vrije ‘ik’.

Ahriman is de verpersoonlijking van de krachten die ons als mens aan de materie binden.

Het leven als mens is uiteraard niet mogelijk zonder een zekere mate van verbinding met het aardse. Mijn lichaam, de natuur en de dingen om mij heen bieden me houvast in de dagelijkse realiteit. Zonder de verbinding met mijn lijf, de steun van de aarde onder me en de tastbare mensen om mij heen zou ik geen leven als individu kunnen leiden. Aardse beperkingen en obstakels zorgen er voor een belangrijk deel voor dat ik me kan ontwikkelen en kan groeien, met vallen en opstaan.

Toch kan de materie ook harder aan me gaan trekken dan ik zou willen. Als ik met mijn dagelijkse bewustzijn om me heen kijk, kan ik gemakkelijk tot de conclusie komen dat de wereld die ik zie, niets meer is dan een verschijnsel van de materie. Ik kan mezelf, mijn medemensen en de samenleving gaan beschouwen als systemen die onderhevig zijn aan de wetten van de materie en die naarmate we meer kennis vergaren volledig te begrijpen en mogelijk zelfs te voorspellen zijn.

Inperking van het geestelijke

Denken in systemen is voor mensen niet helemaal zonder gevaar. Overal zijn valkuilen. Als ik deel uitmaak van een systeem, dan loop ik het risico dat ik mij met het systeem ga identificeren en me ernaar ga voegen. Soms ook als het systeem helemaal niet is ingericht in het belang van mijn vrijheid, ontwikkeling en mens-zijn.
Als ik geloof dat ik een geavanceerde biologische machine ben, kan ik dan nog open staan voor andere, meer ongrijpbare aspecten die het leven mooi en waardevol maken?
Als ik geloof dat mijn waarde afhangt van mijn baan, mijn geld en mijn spullen, kan ik dan nog andere waarden voelen en herkennen?
Als ik geloof dat ik moet meedraaien in het bestaande economische systeem, kan ik dan nog zien hoe het ook nog anders zou kunnen?

De tendens van het ahrimanische is om het geestelijke in te perken. Het werkt verhardend en verkillend op het levende en het menselijke. Sinds het einde van de negentiende eeuw zien we een toenemende trend van mechanisering, technologisering en digitalisering die het de mens in toenemende mate lastig maakt om zichzelf in vrijheid te verhouden tot zichzelf, de medemens en de wereld. Met de mechanisering kwam er een mensbeeld op waarin een individu kon worden gereduceerd tot een vervangbaar radertje in een veel groter geheel en raakte zijn waarde voor de samenleving geassocieerd met zijn economische productiviteit. Door de technologisering werd het mogelijk om de mens zelf te gaan beschouwen als een geavanceerde machine, die kan worden bediend, onderhouden en waar nodig kan worden gerepareerd.

Wie bepaalt wie ik ben?

De huidige trend van digitalisering stelt ons voor nieuwe uitdagingen wat ons mensbegrip betreft. Bij mijn account bij ’s werelds grootste socialmedia-aanbieder hoort een zorgvuldig samengesteld profiel dat ik bij elk bezoek aan de site krijg teruggeprojecteerd. Ik krijg dingen te zien die volgens de achterliggende algoritmes bij mijn leeftijd, geslacht, opleidingsniveau en eerder klikgedrag passen. Dat heeft zo zijn voordelen, maar ik loop ook het risico dat ik mij gaandeweg steeds meer ga voegen naar het beeld dat ik krijg voorgeschoteld. Want is mijn persoonlijke profiel wel echt een uitdrukking van mijn eigen individualiteit? Of trekt het me juist meer dan nodig richting het gemiddelde dat volgens de algoritmes op mijn persoonlijke kenmerken van toepassing is. Wie bepaalt dan eigenlijk nog wie ik ben?

Het is te verwachten dat de genoemde trends zich de komende tijd nog wel verder zullen voortzetten. Voor mij als mens levert dat de uitdaging op om ondanks de mij omringende systemen en technologieën te blijven zoeken naar wat mij als mens drijft, waar en wanneer ik me vrij voel en hoe ik me gezond kan verhouden tot projecties, valse beelden en halve waarheden. Ik wil blijven zoeken naar het verrassende, het onverwachte, de kleine dingen die mijn leven en mijn denken op een geheel nieuw spoor kunnen zetten. Het is niet uitgesloten dat ik systemen, organisaties en techniek vind die me daarbij van dienst kunnen zijn. Ze mogen alleen nooit voor mij de dienst gaan uitmaken. 

Ahriman en Lucifer

Eigenlijk is alles wat we om ons heen zien Ahriman en Lucifer; ze zitten in ons. Hun strijd om onze ‘ziel’ speelt zich in ons af. We moeten als mens het midden zoeken tussen twee krachten die aan ons trekken en ons willen meeslepen. Die krachten worden in de esoterische traditie al eeuwenlang Ahriman en Lucifer genoemd. Ahriman helpt ons om ons van het aardse leven bewust te worden. Maar hij is ook degene die ons verleidt tot materialisme, hebzucht en een beperkt (geestloos) denken. Hiertegenover staat de andere tegenmacht. Lucifer, die de mens wegvoert van het aardse leven in de materie. Lucifer is degene die ons het geschenk van de vrijheid geeft, maar die ons ook wil verleiden tot egoïsme, fanatisme en een zekere zweverigheid.

.
Ahriman in het onderwijsalle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3071-2885

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over het Ik

.
Jesse Mulder, Antroposofisch magazine december 2019 nr. 16

.

Ben ik   ik?

Dat laatste spreekt uit Descartes’ beroemde woorden: cogito ergo sum. Als ik twijfel over wie ik ben, dan weet ik desondanks nog steeds dat ik het ben die twijfelt. Hoezeer ik ook twijfel, ik kan nooit mijn eigen zelfbewustzijn betwijfelen, maar alleen zaken die daarbuiten liggen. Ik kan twijfelen of ik echt degene ben die ik in de spiegel zie, ik kan twijfelen of mijn herinneringen wel echt over mezelf gaan, en ik kan zelfs twijfelen of ik echt de persoon-in-de-wereld ben die ik meen te zijn – Jesse, filosoof, vader van twee dochters, etc. Voor filosofische doeleinden helpt zulke twijfel het onwankelbare gegeven van het zelfbewustzijn naar voren te halen. [Buiten zulke doeleinden zou ik bij dergelijke twijfels toch allereerst naar een goede psychiater verwijzen.)

Prachtig, toch? Ik ben mijn eigen onwankelbare vaste punt in het bestaan. Ik ben ik, en niets zal mij daar ooit vanaf kunnen brengen.

Identiteitscrisis

Tenminste, totdat je je in de antroposofische aspecten hiervan verdiept. Daar kun je dan van alles ontdekken over het lagere ik, de ik-organisatie, het hogere ik, het ware ik, de bewustzijnsziel, het geestzelf – en dan begint het je te duizelen: wie ben ik nu eigenlijk? Je zou toch zomaar in een identiteitscrisis kunnen belanden, als je al die termen samen probeert te denken met jezelf. Dat kan toch niet het doel van deze antroposofische inzichten zijn?

Natuurlijk niet. Maar het is ook niet eenvoudig om een gevoel te krijgen voor wat er dan wél achter die termen schuilgaat. Laten we een begin maken door een licht te laten schijnen op het tweeluik ik – hoger ik.
Als we in het dagelijks leven “ik” zeggen, dan praten we vanuit ons ‘gewone’ ik. Dit ik is de kern van onze identiteit hier op aarde; hierin beleven we onszelf van nature begrensd door geboorte en dood. Maar het komt niet nergens vandaan: het aardse bestaan tussen geboorte en dood is een incarnatie die deel uitmaakt van een reeks incarnaties. In elke incarnatie ben je in zekere zin een ander’ik’.

Het hogere Ik

Nu is er echter ook iets dat de opeenvolgende incarnaties verbindt, en dat is wat je het hogere ik kunt noemen. Dit is een hoger standpunt van jezelf, een standpunt vanwaaruit je na de dood de ervaringen en vruchten van het geleefde leven kunt oogsten, en vanwaaruit je voor de geboorte naar een zinvolle volgende stap in je karmische ontwikkelingsweg zoekt – naar een volgende incarnatie dus. Terwijl ons gewone ik zich aan de aardse verhoudingen oriënteert, is het hogere ik aldus ingebed in de kosmisch-geestelijke ordening, en dat is dan ook zijn ‘hogere’ standpunt. [Klinkt deze ‘inbedding’ je al te abstract? Je kunt bijvoorbeeld denken aan je engel die je door alle incarnaties heen trouw begeleidt en beschermt.)

Als je afdaalt om geboren te worden op aarde, dan verlaat je dit hogere standpunt. Na de geboorte ben je dat hogere standpunt algauw helemaal vergeten: het is een metamorfose van het hogere-ik-standpunt naar het standpunt van het nieuw-geboren ‘gewone’ aarde-ik.

Maar daarmee is het hogere ik niet verdwenen. Voordat je naar dit leven afdaalde overzag je wat je in dit aardeleven allemaal zou gaan doormaken, met alle mogelijkheden en moeilijkheden die dat met zich mee zou brengen. Zo kun je je voorstellen dat het eigenlijk je eigen hogere ik is, dat tot je spreekt in alles wat je in het leven overkomt. Soms kun je bij belangrijke gebeurtenissen in het leven, van jezelf of van anderen, onwillekeurig het gevoel krijgen dat daarin een diepere zin leeft dan je zo vanuit je alledaagse bevattingsvermogen kunt vermoeden: dat gevoel kun je, in alle bescheidenheid, met het hogere ik in verband brengen.

Ik-wording

Waarom incarneren we dan eigenlijk? Waarom blijven we niet met ons omvattende hogere-ik-standpunt in de kosmisch-geestelijke werkelijkheid staan? Dat is een grote vraag. Kort gezegd komt dat doordat het hogere ik zelf in ontwikkeling is. Maar een ik kan uiteraard alleen zichzelf ontwikkelen. Daar zijn alleen wel bijzondere omstandigheden voor nodig, namelijk precies omstandigheden waarin je op jezelf teruggeworpen bent, op eigen benen moet leren staan. En dat is nu juist wat onze aardelevens kenmerkt – in toenemende mate, kun je wel zeggen. Daarom zou het ook heel onjuist zijn het ‘gewone’ ik gering te schatten ten opzichte van het hogere ik. Want juist doordat het hogere ik steeds weer metamorfoseert tot een ‘gewoon’ ik op aarde kan er een nieuwe stap in de ik-wording plaatsvinden. De tijd tussen dood en nieuwe geboorte is dan ook in zijn geheel gewijd aan het verwerken van het voorbije en het voorbereiden van een nieuw aardeleven.

Juist in de ballingschap hier op de aarde kan ons hogere ik zich dus ontwikkelen. Waar het ons lukt in ons gewone ik de passende ruimte te scheppen, kan het hogere ik in ons geboren worden – als een hemels Kerstkind in de aardse stal. Dat is een beeld dat mooi bij Kerstmis past; en dat is niet toevallig, want in Christus kun je inderdaad het grote voorbeeld van deze ik-ontwikkeling zien. 

Over de uitspraak van Descartes:  in Algemene menskunde’ voordracht 2

Meer over het Ik:

[1-7-2/7]
Relatie van bewustzijnsziel en geestzelf; de rol van het Ik; intuïtie

[1-7-2/7-1]
Rudolf Steiner over het Ik uit verschillende GA’s:
GA 34GA 52GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58GA 59

[1-7-2/7-2]
De werking van Ik aan het eigen wezen: inleiding

Antroposofie: een inspiratie: over het Ik;     Ik en reïncarnatie

.

3064-2879

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-3-1-5)

.

In de 1e voordracht wijst Steiner erop dat de aandacht – voor zover de mens die  vanuit religieuze motieven heeft voor het levenseinde – vooral gericht is op wat er na de dood komt: het hiernamaals. Dat was in tijd zo en dat is nog zo.
Maar voor wat Steiner ons geeft aan pedagogisch-didactische achtergronden,[zie o.a. Algemene menskunde voordracht 2]  is het onontbeerlijk dat we ons ook verdiepen in de andere kant van het leven: het begin. We zouden hier – zoals Dr. Hugo Verbrugh doet vanuit een eveneens  antroposofische achtergrond – van het ‘hiervoormaals’ kunnen spreken.

Een van de opmerkingen van Steiner hierover op Ridzerd van Dijks ‘Grote Rudolf Steiner citatensite‘.

Jesse Mulder benadert het onderwerp zo: 

.

Jesse Mulder, Antroposofisch Magazine, december 2019 nr. 16

.

ongeborenheid
.

Twee grenzen vormen de absolute horizon voor onze bestaansvorm hier op de aarde: geboorte en dood. Opvallend genoeg schenkt onze cultuur veel meer aandacht aan de vraag naar onsterfelijkheid, dan aan de parallelle vraag naar ‘ongeborenheid’. Er bestaat niet eens een woord voor, zoals Rudolf Steiner al eens opmerkte.

Toch maken de moderne medisch-technische ontwikkelingen juist dit thema steeds relevanter. Conceptie en geboorte, processen die vroeger goeddeels buiten de directe invloedssfeer van ons mensen lagen, worden steeds meer bewust door ons gestuurd. Van anticonceptie tot abortus, en van in-vitro-fertilisatie (IVF] tot neonatologie: over het hele spectrum van bevruchting tot geboorte is het  inmiddels gangbaar om met technische ingrepen de wording van een nieuwe mens in gang te zetten, bij te sturen, of juist te voorkomen of te onderbreken. 1  op de 30 kinderen komt tegenwoordig dankzij IVF op de wereld!

Abortusdiscussie

Nu laait met name in de VS de discussie rondom bijvoorbeeld abortus nog regelmatig hoog op. De centrale argumenten van de pro-life – versus pro-choice-kampen worden daar steeds opnieuw in het publieke debat opgediend en bediscussieerd. Scherp gesteld is er enerzijds de sterke mening, vooral onder strenggelovigen, dat een ongeborene al vanaf het begin een volwaardig mensenwezen is, zodat abortus neerkomt op moord. Van de andere zijde wordt aangevoerd dat er de eerste maanden zeker nog geen sprake van een persoon is, en dus niet van moord, en dat het hier gaat om de zelfbeschikking van de vrouw, die het recht heeft te kiezen of er al dan niet een persoon in haar leven komt.

Bij ons in Nederland is deze discussie goeddeels verleden tijd. Abortus is hier meer geaccepteerd. Onze Rijksoverheid zegt: “Abortus mag tot de vrucht buiten uw lichaam zou kunnen overleven. Die grens ligt voor het strafrecht bij 24 weken. Artsen houden in de praktijk 22 weken aan als grens. Dat is omdat zij tot op 2 weken nauwkeurig de duur van de zwangerschap kunnen bepalen’. En inderdaad worden, aan de andere kant van die grens, vroeggeboortes vanaf 24-25 weken actief opgevangen in ziekenhuizen, omdat dan de overlevingskans boven de 50 procent ligt.[1]

Merkwaardig genoeg is deze grens afhankelijk van onze technische mogelijkheden. Het is eigenlijk pas vrij recent dat al bij 24 weken behandeling mogelijk is, en naar verwachting zal behandeling van dergelijke vroeggeboortes nog succesvoller worden. Maar is de vraag wanneer een ‘persoon’ begint dan op die manier afhankelijk van onze technische mogelijkheden? Is ons persoon-zijn op die manier willekeurig?

Persoonsregister

Nu is het sinds kort in Nederland mogelijk om doodgeboren kinderen toch in te laten schrijven. Dat is bedoeld als een gebaar naar ouders, die na bijvoorbeeld een miskraam hun doodgeboren kind op deze manier toch nog een zekere officiële bestaanserkenning kunnen geven. Die regeling blijkt echter heel ruimhartig: er is geen grens gesteld wat betreft de duur van een dergelijke onfortuinlijk afgelopen zwangerschap, en ook de oorzaak van de onfortuinlijke afloop is opengelaten. Je kunt dus ook na een abortus van deze regeling gebruikmaken. Hierin is Nederland uniek.

Dat zet wederom aan het denken. Vermoedelijk is het doel van het bureau registratie persoonsgegevens om alle personen te registreren. Anderzijds is de  belangrijkste overweging om abortus te rechtvaardigen precies dat er nog geen persoon is. Zoals NieuwLicht-presentator Tijs van den Brink opmerkte: ‘Het rare is wel dat we hier te maken hebben met een foetus die is geaborteerd, die met terugwerkende kracht mens is geworden. Daarmee zegt de wetgever eigenlijk: dit was een mens, of niet?’ [2] Inderdaad een opmerkelijke inconsistentie in onze wetgeving.

In deze controversies hangt dus veel af van wat we precies onder een ‘persoon’ verstaan. Terwijl we anderzijds helemaal geen houvast aan dat begrip hebben. Hoe moeten we nu besluiten op welk moment in de zwangerschap een persoon ‘begint’? Een zwangerschap is een geleidelijk proces, zodat elke keuze voor een ‘omslagpunt’ willekeurig moet lijken – ook de genoemde wettelijke grens van 24 weken.

Wereld van de ongeborenen

Maar als je de ‘ongeborenheid’ serieus neemt, vervalt de hele vraag naar zo’n omslagpunt: die persoon, of beter gezegd, die ziel, die was er immers al voordat de hele zwangerschap op gang kwam. Het gaat hier niet om het ontstaansproces van een persoon, maar een incarnatieproces: een ziel zoekt haar weg naar een lichamelijk aardebestaan, in carne, ‘in het vlees’.
Zo’n ziel zoekt, zo kunnen we ons voorstellen, vanuit de wereld van de ongeborenen naar passende ouders, geholpen door geestelijke wezens die met menswording te maken hebben. Voordat wij onze technische mogelijkheden ontwikkelden was er maar weinig inmenging vanuit ons aardebewustzijn in deze zoektocht – de sfeer van ons aardemensen was grotendeels gescheiden van de wereld van de ongeborenen, waar de mensenzielen vanuit omvattende, kosmische gezichtspunten hun weg konden zoeken.

De noodzaak van geesteswetenschap

Door de technische vooruitgang is deze gescheidenheid verleden tijd geworden. De oproep aan ons is daarom om onze beslissingen niet alleen te baseren op wat wenselijk is vanuit het perspectief van de ouders en andere betrokkenen, maar ook rekening te houden met de impact op de wereld van de ongeborenen. Wat betekent het voor de naar een passende incarnatie zoekende mensenzielen dat wij op technische wijze zwangerschappen bewerkstelligen die op natuurlijke wijze niet tot stand zouden zijn gekomen? Wat betekent het dat wij onze aardse maatstaven opleggen aan de zich incarnerende mens, wat we immers doen als we massaal voor abortus kiezen waar een ernstige handicap geconstateerd wordt? De noodzaak van een geesteswetenschap wordt hier heel duidelijk: we zouden erg geholpen zijn met concrete inzichten in hoe die wereld van de ongeborenen er dan uitziet.

En wellicht biedt een levende verbinding met die wereld ook veel meer betekenis en steun aan ouders die met een afgebroken zwangerschap worstelen, dan een inschrijving in het persoonsregister. 

.

1] Bronnen: Rijksoverheid https://www. rijksoverheidheid.nl/onderwerpen/abortus/vraag-en-antwoord/abortus-hoeveel-weken
Over vroeggeboortes zie b.v. https://www.oudersvannu.nl/zwanger/complicaties/vroeggeboorte/

2] Zie https://nieuwlicht.eo.nl/gemist/aflevering/2019/04/22-register-levenloos-geboren-kind-ook-voor-abortus./

Verder lezen: Rudolf Steiner, Uit de sterren – de lange weg naar een nieuwe geboorte, Rudolf Steiner Vertalingen.

.
Over Ik en persoon

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle voordrachten

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3060-2875

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Wakker worden aan de ander

.

Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-1-1/2)

.

In onderstaand artikel belicht Jesse Mulder – zonder het met zoveel woorden te benoemen, de werking van het Ik-zintuig, de Ik-zin.

Steiner doet dit in voordracht 8 van de ‘Algemene menskunde’.
Wanneer ik de betreffende passages in deze voordracht lees, krijg ik niet de indruk dat Steiner hier met ‘wakker worden en inslapen’ een metafoor gebruikt, maar wel degelijk het ‘echte’ wakker(der) worden en in slaap raken, ook al is het op een subtiele manier. (Wat Mulder in dit artikel ook benadrukt)
De stof is niet gemakkelijk en het artikel van Mulder beschrijft met voorbeelden hoe we er naar kunnen kijken om het beter te begrijpen.

wakker worden aan de ander

.

Jesse Mulder, Antroposofisch Magazine, maart 2018 nr. 9
.

Als je ineens ergens oog voor krijgt, is dat een soort wakker worden. Je kent het vast wel: een vriend zegt iets over de zanglijster die hij hoort, en maakt je zo opmerkzaam op de diversiteit aan vogelgezang om je heen. Er gaat een wereld voor je open. Of je oog valt op de opmerkelijke gewoonte van je buurman om drie keer per week zijn auto te wassen. Iets wat je eerder ‘verslapen’ hebt, watje niet opgemerkt hebt, treedt plotseling je bewuste beleving binnen. ‘Wakker worden’ is hier een passende metafoor [1], en hoewel het de grenzen van gangbaar Nederlands oprekt, hoor je in antroposofische kringen dan wel zeggen dat je ergens ‘aan’ wakker bent geworden. Aan die opmerking of die auto bijvoorbeeld.

Zo’n ervaring van ‘wakker worden’ kan ook persoonlijk heel dichtbij komen. Je kunt aan de reacties en houding van mensen om je heen wakker worden voor je eigen karaktereigenschappen, je gewoonten, je [onmogelijkheden, je [voor-] oordelen. En ja, dan word je soms wakker geschud uit een slaap waar je misschien wel liever in was gebleven. Het is immers veel plezieriger om jezelf gewoon lekker te kunnen uitleven zonder daarbij lastig te worden gevallen door zo’n zelfbewustzijn. In antroposofisch jargon: ‘Het is in eerste instantie veel plezieriger om je astraliteit direct uit te leven dan om in je Ik te gaan staan’. [2] Anderzijds kan zo’n ervaring van ‘wakker worden’, die je uit je comfort zone sleurt, juist ook heel waardevol worden. Stel dat je je bewust wordt van je eigen ongeduld; dan kun je daaruit het vermogen ontwikkelen om dat ongeduldige niet steeds zonder meer uit te leven, maar het terug te houden waar het niet past en in te zetten waar het juist wel past. Want er zijn niet zo veel persoonlijkheidstrekken die echt nergens positief in te zetten zijn. Ongeduld, bijvoorbeeld, kan best verfrissend werken waar je medemensen in zompige onbeslistheid hun twijfelzucht zitten uit te leven. Alleen moet je een en ander dan wel met enige tact weten te brengen, en voor het ontwikkelen van die tact is het nu juist erg handig als je wakker bent geschud voor je eigen ongeduld. Maar dat terzijde.

Dagbewustzijn

Over deze vormen van wakker worden valt nog heel wat te zeggen. Maar tot zover zijn we blijven steken bij een metaforisch ‘wakker worden’. En, zoals heel vaak het geval is, wordt zo’n stukje antroposofisch jargon interessanter als je het niet slechts metaforisch, slechts figuurlijk neemt, maar letterlijk. Mijn docent logica aan de universiteit placht te zeggen: “Letterlijk is figuurlijk voor woordelijk”.

‘Wakker worden aan de ander’ is dan letterlijk het ontwaken uit een lagere in een hogere bewustzijnstoestand. Net zoals het alledaagse wakker worden in de ochtend een ontwaken is vanuit het doffe droombewustzijn in het wakkere waakbewustzijn.
Maar wat voor bewustzijnstoestand is het dan, die zich net zo tot ons wakkere dagbewustzijn verhoudt als dat dagbewustzijn zich tot de droomwereld verhoudt? Dromen zijn ‘privé’; waar twee mensen dromen beleven ze [doorgaans] ieder hun eigen droomwereld. Als we wakker zijn beleven we daarentegen juist een werkelijkheid die ‘publiek’ is, die we met elkaar delen. Een volgende stap van ontwaken, zo kunnen we ons voorstellen, opent een nieuw stuk gedeelde ‘buitenwereld’ voor ons, namelijk een geestelijk stuk buitenwereld. Als we van dromen naar waken overgaan, wordt het voor ons mogelijk onze medemensen fysiek te ontmoeten; gaan we over van waken naar een nog hogere toestand, dan wordt het ons mogelijk om wezens uit de geestwerelden te ontmoeten.

Ideale werkelijkheid

Dat is uiteraard een wat abstracte beschrijving – slechts praten over geestelijke werelden is dat in eerste instantie altijd. Dat abstracte wordt pas concreet als we niet alleen begrippen voor de geest ontwikkelen maar tot concrete geestelijke ervaringen komen. Hoe moeten we ons dat voorstellen, dat we letterlijk “wakker kunnen worden aan de ander”, en ons daarmee tot zo’n hogere bewustzijnstoestand verheffen? Overtuigende voorbeelden uit het dagelijks leven zijn hier schaarser, maar wellicht kan het volgende licht op de zaak werpen. Stel, iemand spreekt vol vuur vanuit zijn ideaal, en je ziet ineens helemaal wat hij of zij bedoelt: ja, hier is waarheid, zo zou het eigenlijk moeten zijn! Je ogen zijn dan geopend voor een stukje ‘ideale werkelijkheid’. Dat is niet prozaïsche, fysiek zichtbare feitelijkheid, maar morele, en dus geestelijke, werkelijkheid. Als je in zo’n beleving komt, dan voelt die hele fysiek zichtbare werkelijkheid ineens als slechts het toneel waarop dat geestelijke element, dat ideaal, zich kan ontplooien.

Het is uitermate fascinerend: je beleven van deze ander is natuurlijk een ‘normaal’ waak-beleven, maar je beleving tilt je daarbovenuit, je beleeft het alsof het een geestelijke ontmoeting is. Want de omweg via het fysiek hoorbare en zichtbare is hier bijzaak; wat je daadwerkelijk beleeft, en waaraan je enthousiasme zich warmt, is de innerlijke verbinding van de ander met dat waarachtige ideaal. Rudolf Steiner zegt dan ook dat je daar aan het ‘ziele-geest-wezen’ van de andere mens wakker wordt; aan het innerlijke, niet-zichtbare stukje van de andere mens dus. Het innerlijk van de ander is hier de ‘wekker’ voor dit beleven – net zoals de hoorbare wekker je uit je privé-droomwereld in de publiek hoorbare en zichtbare wereld binnenroept.
.

voetnoten phaw

[1] Hier lijkt mij de metafoor wél op z’n plaats. We hebben hier echter niet te maken met wat er gebeurt wanneer je tegenover een ander staat en in gesprek bent, elkaar aankijkend.

[2] Dit beschrijft Steiner als de werking van het Ik op het astraallijf. Zie daarvoor o.a. Rudolf Steiner over het geestzelf uit verschillende GA’s :

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: zintuigen [8-4]

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

.

3053-2868

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-1-1/1)

.
Jesse Mulder, Antroposofisch Magzazine, juni 2018 nr.10

.
inslapen in de ander

In onderstaand artikel belicht Jesse Mulder – zonder het met zoveel woorden te benoemen, de werking van het Ik-zintuig, de Ik-zin.

Steiner doet dit in voordracht 8 van de ‘Algemene menskunde’. 
Wanneer ik de betreffende passages in deze voordracht lees, krijg ik niet de indruk dat Steiner hier met ‘wakker worden en inslapen’ een metafoor gebruikt, maar wel degelijk het ‘echte’ wakker(der) worden en in slaap raken, ook al is het op een subtiele manier.
De stof is niet gemakkelijk en het artikel van Mulder beschrijft met voorbeelden hoe we er naar kunnen kijken om het beter te begrijpen.

‘Wakker worden aan de ander’ en ‘inslapen in de onder’ zijn metaforen die in antroposofische kringenregelmatig gebezigd worden. Waar hebben ze het dan over?  ‘ Wakker worden aan de ander gaat over het ontwikkelen van een hoger bewustzijn dan ons dagelijkse zintuigen ervaren. Terwijl de uitdrukking ‘inslapen in de ander’ een aspect van onze dagelijkse sociale omgang met elkaar beschrijft.

Newtons derde wet luidt: bij elke actie hoort een gelijke, tegenovergesteld gerichte reactie.
Wat je daar natuurkundig ook van mag denken, het menselijke leven zit vol met voorbeelden waar die formulering mooi bij past.

Onze beleving van de wereld om ons heen, zoals die zich aandient in de veelheid aan indrukken en ervaringen, speelt zich af in een spanningsveld tussen uitersten: lust en leed, vreugde en smart, genot en pijn, betrokkenheid en onverschilligheid etcetera. Je kunt al die uitersten samenvattend onderbrengen onder sympathie en antipathie, we voelen ons tot sommige zaken aangetrokken, terwijl andere zaken ons juist afstoten. Deze twee grondbewegingen van onze ziel zijn heel belangrijk voor ons. Dankzij de sympathie kunnen we ons met de wereld om ons heen, ook met andere mensen, verbinden. Dat is nodig om het leven aan te kunnen gaan, ons te kunnen ontwikkelen, ervaringen en belevenissen te kunnen doormaken. En dankzij de antipathie kunnen we ons juist van die buitenwereld en van de andere mensen onderscheiden, ons in onszelf als zelfstandig wezen voelen en daar uitdrukking aan geven. Sympathie is erop gericht je met het andere te laten versmelten, antipathie is erop gericht je van het andere af te zonderen. Als je geheel in sympathie zou opgaan in de wereld om je heen, zou je geen zelfstandig wezen kunnen zijn. Als je jezelf geheel in antipathie steeds tegenover de dingen zou plaatsen, zou je geen deel van het geheel meer zijn, en geen ontwikkeling kunnen doormaken.

Volle overgave

De stap naar de metafoor van inslapen en ontwaken is nu niet zo groot meer. Sympathie is een soort inslapen, een ‘opgaan’ in datgene waar je sympathie voor hebt. Antipathie is daarentegen een soort ontwaken, je plaatst je daarmee tegenover datgene waar je antipathie voor hebt, waardoor je juist jezelf sterker beleeft. Waar je je vol sympathie – interesse, plezier, vreugde, genot – aan iets overgeeft, kun je dus zeggen dat je daar een beetje ‘inslaapt’, Jij zelf verdwijnt zogezegd op de achtergrond; In plaats van dat je jezelf beleeft, leeft het object van je sympathie zich in jou uit. En waar dat ‘object’ een ander mens is, kun je dus zeggen dat je dan ‘inslaapt in de ander.

Nu is de situatie waarbij je tegenover een ander mens staat toch wel heel bijzonder. Want wat zou er gebeuren als jullie je allebei pn sympathie tot elkaar neigen? Dan zou jij dus je eigen wezen (tijdelijk] op de achtergrond laten verdwijnen zodat de ander zich in jou kan uitleven. Maar die ander doet hetzelfde! En dan is de ander dus in zekere zin niet thuis en kan zich ook niet in jou uitleven. Het is alsof je allebei vol verwachting een luisterende houding aanneemt: zeg maar wat je te zeggen hebt! Dan komt er natuurlijk helemaal geen gesprek op gang. Vanuit pure wederzijdse sympathie kan er geen sociaal proces op gang komen.

Pendelen

Het is eigenlijk vanzelfsprekend: een gesprek vereist zowel luisteren, toehoren, alsook spreken, jezelf uiten. Het eerste heeft het karakter van sympathie, van opgaan in de ander; het tweede heeft het karakter van antipathie, van in jezelf staan. Voor een werkelijk contact van mens tot mens is dus juist een combinatie van sympathie en antipathie nodig, een combinatie van de sociale beweging van het luisteren enerzijds en de ‘antisociale’ beweging van het jezelf uitspreken anderzijds. Dat is wezenlijk voor alle sociale verhoudingen – Rudolf Steiner noemt dit dan ook het ‘sociale oerfenomeen’.

Dat oerfenomeen omvat echter nog meer, want, zoals je precies in het voorbeeld van het gesprek vaak zo duidelijk kunt merken (zeker in groepen], roept de ene verhouding steeds de impuls op om de andere te bewerkstelligen (denk aan Newtons derde wet!]. Luister je naar wat de ander zegt, dan ontstaat vanzelf de neiging om je eigen zegje over het betreffende onderwerp te doen. Heb je jezelf een tijdje geuit, dan wil je ook wel weer eens horen wat de ander er eigenlijk over te zeggen heeft. Feitelijk wissel je daarmee dus tussen sympathie (overgave aan de ander] en antipathie (jezelf neerzetten]. Natuurlijk zijn mensen hier heel verschillend in, en is het soms niet eenvoudig om de juiste balans te vinden! Ook is het niet vanzelfsprekend dat de pendel voldoende krachtig heen en weer slingert tussen inslapen in de ander en jezelf neerzetten: het lukt niet altijd om écht te luisteren, en het lukt ook niet altijd om jezelf écht uit te spreken.

Vanuit deze gezichtspunten is het interessant om na te denken over bijvoorbeeld de moderne sociale media. Welke vorm krijgt het inslapen in de ander als dat via een kort WhatsApp- of Twitterberichtje gaat? Nodigt dat uit om jezelf écht te uiten, en kun je op die manier écht luisteren? 

Jesse Mulder is [2018] universitair docent bij het departement Filosofie en Religiewetenschappen aan de Universiteit Utrecht.
.

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: zintuigen [8-4]

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3047-2862

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over het etherlijf

.
Op deze blog staat al veel over het etherlichaam/lijf, over de levenskrachten, het leven.
Er staat ook veel over ‘oefenen, verder komen, scholen’. 
Onderstaand artikel brengt een verrassende inhoud: het brengt een en ander bij elkaar vanuit de praktijk van het leven: hoe ga je om met voeding, bij uitstek het gebied van ‘het leven’.
Hoe kan je hier oefenen om iets meer van de levenskrachten, het levenslichaam enz. te ervaren. 

Ilse Beurskens-van den Bosch, Antroposofisch Magazine, sept. 2019 nr. 15

.

Scheppend denken genereert levenskrachten

Levenskrachten zijn niet alleen aanwezig in voedingsmiddelen

Je kunt ze als mens ook zelf tot ontwikkeling brengen. Hoe werkt dat in de keuken? Peter Vandermeersch leert het zijn cursisten in zijn kookschool ‘De Zonnekeuken’ in Brugge.

Levenskrachten zijn niet alleen aanwezig in voedingsmiddelen.

Je kunt ze als mens ook zelf tot ontwikkeling brengen. Hoe werkt dat in de keuken? Peter Vandermeersch leert het zijn cursisten in zijn kookschool ‘De Zonnekeuken’ in Brugge.

Als ik aankom in Peters huis, is de tafel gedekt en ruikt het bijzonder aangenaam in de keuken. “Ik heb een herfstrisotto gemaakt,” vertelt hij en hij tilt het deksel van een grote pan. “Rijst en haver met pompoen en kastanjes. Aangevuld met gerookte tempé en gemalen pompoenpitten met basilicum. Ik hoop dat je dit lekker vindt.” Het smaakt heerlijk. In de salade zijn de wortelen in driehoekjes gesneden.” De driehoek is verbonden met een lichtproces,” legt Peter uit. “Dualiteit bestaat uit twee standpunten. Twee punten bevinden zich op één lijn. Het derde punt van een driehoek stijgt daarbovenuit en staat voor inzicht. Inzicht verbindt de punten met elkaar. Inzicht krijgen is een lichtproces.” Dat snap ik, want wanneer je je een inzicht verwerft, gaatje een lichtje op.

Levenskrachten versterken

Er zijn vier soorten levenskrachten, vervolgt Peter: de levensether (werkzaam in het element aarde], de chemische ether (werkzaam in het element water], de lichtether (werkzaam in het element licht] en de warmte-ether (werkzaam in het element vuur]. Peter: “In het menselijk etherlichaam zijn deze vier soorten etherkrachten aanwezig. Daarom is het van belang dat we ons voeden met de kwaliteiten van alle vier de ethersoorten. Mensen zijn geneigd te denken: alles is energie, dus alles is goed. Dan kun je uitkomen op bijvoorbeeld het idee van raw food. Deze visie richt zich eenzijdig op fysieke vitaliteit. Door het eten van alleen rauw voedsel kan het lichaam zeer energiek worden. Maar op lange termijn kan het verzwakkend werken, met name op het bewustzijn. Of misschien beter gezegd: het bewustzijn ontwikkelt zich eenzijdig, sterk lichaamsgebonden. Om een vrij bewustzijn te ontwikkelen hebben wij warmte nodig, zowel fysiek als etherisch. Juist omdat wij ‘een ik’ hebben, een zelfbewustzijn, zijn de licht- en de warmte-ether belangrijk voor ons. In de biologisch-dynamische landbouw worden alle vier de ethersoorten bewust verzorgd en daarmee versterkt. Onze etherkrachten kunnen we voeden met deze levenskrachtige voedingsmiddelen. Daarnaast kunnen we onze levenskrachten opbouwen vanuit eigen bewustzijnsmachten, bijvoorbeeld in de keuken. Dit laatste acht ik heel belangrijk. Je vindt het terug in het werk van Rudolf Steiner, waarin hij steeds weer uitlegt hoe je je denken kunt activeren.

Lichtether straaltje tegemoet

Het begint met het leren herkennen van de lichtether en de warmte-ether. In de opleidingen van De Zonnekeuken werkt Peter hiervoor met
voorstellingsoefeningen: “We kijken bijvoorbeeld naar een doorgesneden sinaasappel, een vrucht die sterk verbonden is met de lichtether. Hoe ziet deze er precies uit? Welke tint oranje? Wat is de verhouding tussen vruchtvlees en het witte velletje? Daarna haal ik het fruit weg en vraag ik de cursisten de sinaasappel te tekenen. Uit het hoofd. Ze moeten zelfstandig het beeld van de sinaasappel opbouwen. Als ze het beeld hebben, vragen ze zich af: straalt me iets tegemoet, of is het meer in zichzelf gesloten? Dat is een oefening om een eigenschap van het licht, het stralende, te leren kennen. Warmte-ether vertoont zich op een andere manier: het straalt anders. Doe je hetzelfde met bijvoorbeeld rozemarijn, een plant met een sterke relatie met de warmte-ether, dan kun je dat verschil ervaren. En oefen je dit met een aardappel, dan zou je kunnen ervaren dat er weinig is dat je toestraalt. De aardappel schermt zich af voor de werking van de lichtether. Het gaat er niet om dit te weten, maar om dit te leren onderscheiden en te ervaren.”

Actief beelden toevoegen

“Als kok kun je voorafgaand aan het koken zelfstandig een geestelijk beeld opbouwen, daarmee voeg je warmte-ether toe aan het kookproces. Het beeld laat je weer los en je gaat het idee uitwerken. Daarvoor gebruik je in eerste instantie je productkennis. Tijdens het koken kun je je afvragen: doe ik dit steeds op dezelfde manier of creëer ik nieuwe gerechten? Maak ik het tot een gewoonte of ben ik scheppend bezig? Je kunt gaan merken dat het idee datje zelf hebt opgebouwd, je richting geeft tijdens het koken. Het eerste dat een kok doet is de groenten schillen, snijden of hakken. Hij vernietigt. Het is een omvormingsproces. Uiteindelijk creëert hij iets nieuws, een lekkere pompoensoep bijvoorbeeld. Het is waardevol wanneer er vooraf aan de vernietiging eerst een voorstelling, een nieuw idee van een geestelijke wetmatigheid wordt toegevoegd aan de groenten die op zichzelf genomen af zijn. Het zijn eerste stappen op weg naar een scheppend vermogen. Idee en vormgeving zijn niet los

van elkaar te zien. Een idee vraagt om tot in het fysieke uitgewerkt te worden en een vorm zonder bewust idee heeft niet dezelfde kracht. Zo horen het bewuste idee van de werking van de lichtether en de in driehoeken gesneden wortelen bij elkaar. Aan dit rauwe gerecht heb ik lichtkracht toegevoegd via de inhoud van het idee en ook warmte via het actieve bewustzijnsproces.”

Zelfstandig denken

Peters werk is een concrete uitvoering van de opdracht die het Michaëlstijdperk voor ons heeft: we worden uitgenodigd tot zelfstandig denken. Onze dagelijkse taak om een maaltijd te bereiden is een goede gelegenheid tot oefenen van het zelfstandig voorstellen van geestelijke beelden. De mensen die de maaltijd nuttigen worden gevoed met lichtkracht en warmte, die ondersteunend kunnen werken in hun eigen proces tot scheppend denken. Zo snijdt het mes aan twee kanten.

.

Verder lezen:

– Heinz Grill, Voeding en de gevende kracht van de mens

– Rudolf Steiner, Natuurwezens
– Rudolf Steiner, De weg tot inzicht in hogere werelden.

| dezonnekeuken.be

.

7e klas voedingsleeralle artikelen

.

3044-2859

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkeling van het jonge kind

Loïs Eijgenraam*, Antroposofisch Magazinea, december 2019 nr 15
.

Weerbaarheid en zelfvertrouwen
.

“Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan!” zei kinderboekenheldin Pippi Langkous.

Soms zou je als ouder deze kant van Pippi graag wat meer in je kind vertegenwoordigd zien wanneer het weinig zelfvertrouwen lijkt te hebben. Eigen ervaringen en voorbeelden van anderen kunnen je kind helpen om zich staande te houden en ‘te trouwen met zichzelf’.

“Ik zou willen dat mijn kind wat meer zou durven,” vertelt een moeder van een achtjarige zoon langs de lijn van het voetbalveld. “Mijn kind slaat gelukkig van zich af als iets wordt afgepakt. Je kunt er in deze wereld niet vroeg genoeg mee beginnen je kind weerbaar te maken,” aldus een moeder van een anderhalfjarige dreumesdame.

Of je je nu meer in de voetbalmoeder of in de dreumesmama herkent, vroeg of laat kom je de begrippen ‘weerbaarheid’ en ‘zelfvertrouwen’ tegen in je ouderschapsloopbaan. Hoe leren onze kinderen dit? Er is genoeg aanbod aan weerbaarheidscursussen voor kinderen, maar is dat wel de manier?

Trouwen met jezelf

Wat betekent weerbaarheid? Weer-baar-heid bestaat uit drie woorden. Weer betekent volgens het etymologisch woordenboek ‘weder’, terug of tegen. Baar ‘iets dat gedragen wordt’ en ‘heid’ geeft de toestand aan waarin iets verkeert. Ons kind laat dus zien of het zichzelf kan dragen als iets tegen hem of haar aankomt. Of als iets terugkomt naar ons kind. Een vriendje kan tegen je aanbotsen. Iemand kan iets terugzeggen dat je kind misschien niet verwachtte. Ons kind is dus blijkbaar weerbaar als het kan blijven staan en zichzelf kan blijven dragen bij tegen en terug.

Zelfvertrouwen en weerbaarheid worden vaak in één adem genoemd. Zelfvertrouwen, je-zelf-ver-trouwen. Trouwen met je verre zelf, mag ik het woord zo uit elkaar halen? Wat heb je als kind nodig om met jezelf te trouwen zodat je verre zelf dichtbij komt?

Vitamine F en W

Ooit hoorde ik een verhaal van iemand over de geboorte van een vlinder. De vlinder wurmde zich urenlang uit de cocon naar buiten toe. De toeschouwer vond de inspanning die de vlinder moest leveren zo groot dat hij de vlinder een beetje hielp. Voorzichtig peuterde hij de cocon open zodat de vlinder makkelijker tevoorschijn kon komen. Wat bleek? De vlinder kon niet vliegen. Vlinders hebben de weerstand, de tegenbeweging van de coconopening nodig om de vleugels te activeren om hun toekomstig werk te kunnen doen en te worden wie ze zijn: een vlinder.

Wat kan dit verhaaltje ons leren over zelfvertrouwen en weerbaarheid? Als kinderen worden geboren, begint de reis naar het trouwen met hun verre zelf. De navelstreng wordt doorgeknipt, de levensadem nemen ze in zich op. Ze oefenen zelf het drinken te verteren. Na de nodige darmkrampen lukt dit! Wat een mijlpaal; heeft het kind zelf gedaan! Kinderen die het gegund wordt op eigen kracht te gaan staan en lopen, stralen een enorme trots en zelfverzekerdheid uit! Met tweeëneenhalf à driejaar gaan ze ‘ik’ zeggen. Ze ervaren nu bewust: ik ben een zelf, een ik! Ondertussen hebben ze ook ervaren hoe heerlijk het is het eigen spel te spelen en zo de wereld te leren kennen. Niet alleen de buitenwereld, maar bovenal de eigen binnenwereld. Alles zelf doen is hun motto. Niet om ons als ouders dwars te zitten, maar om te ervaren wat doorzettingsvermogen is. Om te voelen hoe fijn het is steeds meer in de wereld te vinden waarmee jij en jezelf een verbinding aangaan. In je lichaam groeit een ruimte waar jij als kind dit trouwe zelf onderdak geeft. Je gaat zo op jezelf vertrouwen dat het een kostbare schat voor de rest van je leven blijkt te zijn. Wat hebben jouw ouders hiervoor gedaan? Ze hebben je zelf leren rollen, zitten en lopen. Jouw je eigen spel gegund. Op z’n tijd vitamine F van frustratie en W van weerstand geschonken. Frustratie over een knoop van je broek die niet dichtwilde. Weerstand omdat veters strikken zo moeilijk bleek te zijn maar op een dag toch lukte! In je binnenkamer jubelde jezelf-ver-trouwen mee! ‘Yes, dit kan ik!’ Wat kunnen wij als ouders nog meer doen om ons kind zelfvertrouwen en weerbaarheid mee te geven?

Nabootsen

Onze kinderen houden van een leven waarin voorspelbaarheid en gewoonten hen dragen. Hierdoor ervaren kinderen dat zij gedragen worden. Gedragen door afspraken en rituelen. Kinderen kijken ook hoe wij als ouders dit allemaal doen. Ons voorbeeld bootsen zij na. Hierdoor groeit in hen een begrip voor de wereld om hen heen. Dit resoneert in hun binnenkamer mee en wordt bewaard als een kostbaar goed. Deze innerlijke voorraadkamer met opgedane ervaringen en voorbeelden van anderen helpt het kind om in situaties tot handelen te komen. ‘Oh ja, zo doe je dat. Je zegt gewoon dat je meedoet met spelen’ of ‘Ik mag zeggen of ik iets wel of niet fijn vindt. En een ander mag dat ook tegen mij zeggen’. Door het grip krijgen op en kunnen handelen in situaties leert het kind zich te gedragen in het hier en het nu. Het is weer-baar. En die weerbaarheidstraining? Kan. Je mag ook geboren zijn om echt te zijn, niet om perfect te zijn.

*Loïs Eijgenraam werkt als adviseur bij BVS Schooladvies, gespecialiseerd in kinderen van nul tot zeven jaar. Daarnaast heeft ze haar eigen praktijk voor ouderbegeleiding en opvoedingsondersteuning, Ze is auteur van diverse publicaties over de opvoeding van [jonge] kinderen.

.

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3037-2852

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over het Ik

.

Jesse Mulder, Antroposofisch Magazine nr. 14, juni 2019
.

Ik   Ik-kracht

Wat bedoelt een antroposoof als hij het over zijn ik-kracht heeft? Dat begrip is een stuk ongrijpbaarder dan spierkracht, wilskracht of overtuigingskracht. Je kunt het eigenlijk nog het best uitleggen door te omschrijven wat het niet is.

Mensen kunnen op allerlei manieren ‘krachtig’ zijn. Dat begint al op puur fysiek niveau: sommige mensen hebben veel spierkracht, van anderen zeggen we dat ze sterke botten hebben, of een krachtige bouw. En als je weer eens zo’n potje augurken moet opendraaien blijkt of je ook specifiek kracht in je handen hebt. Op een wat minder grof-stoffelijk niveau kun je ook spreken van mensen met veel levenskracht: die worden niet meteen ziek als ze eens een paar nachten te weinig slaap krijgen, slecht eten, of veel aan hun hoofd (of op hun bordje, of op hun lever] hebben. Levenskracht heeft met gezondheid en vitaliteit te maken.

Ook op innerlijk gebied kun je sterk of krachtig zijn, en dat kan op allerlei manieren zichtbaar worden. Je hebt bijvoorbeeld mensen die gewoonweg altijd krachtig aanwezig zijn. En je hebt mensen die juist helemaal niet opvallen. Dat kun je ook in de spraak bemerken: sommige mensen trekken meteen de aandacht als ze hun mond opendoen, terwijl bij anderen het stemgeluid lijkt op te gaan in het achtergrondgeruis.

Maar innerlijke kracht kan ook heel divers zijn. Sommige mensen hebben een heel sterk gevoelsleven, en dan bedoel ik niet dat ze emotioneel of labiel zijn, maar dat ze wat er zoal gebeurt heel intens, met de meest diverse gevoelsstemmingen, kunnen meebeleven. Anderen worden juist niet zo gemakkelijk ‘bewogen’. Op meer intellectueel gebied hebben sommigen heel sterke meningen, of een grote overredingskracht, terwijl anderen steeds twijfelen en snel van hun standpunt zijn af te brengen. En ook op het gebied van het handelen kun je krachtige mensen vinden, die altijd in actie komen als er iets gedaan moet worden, terwijl anderen eerder passief zijn. Of, om een andere vorm van wils-sterkte te noemen: er zijn mensen die altijd afmaken wat ze aan het doen zijn, terwijl anderen het een na het andere beginnen zonder ooit iets af te ronden.

Binnen dit hele landschap van manieren waarop je als mens krachtig en sterk kunt zijn spreken antroposofen dan ook nog van een ‘Ik-kracht’. Wat wordt daarmee bedoeld?

Vertel eens iets over jezelf

Ik herinner me ooit eens verrast te zijn door een scène in de (verder redelijk oppervlakkige] film Anger management, waarin Jack Nicholson als therapeut op een gegeven moment aan de hoofdpersoon Dave als openingsvraag stelt: “Vertel eens iets over jezelf.” Eerst begint Dave te vertellen over wat hij in het leven doet. De therapeut onderbreekt: “Nee, niet over je beroep, vertel over jezelf!” Dave begint opnieuw, vertelt over waar hij van houdt, wat hij in zijn vrije tijd doet. “Nee, nu vertel je over je hobby’s. Vertel over jezelf!” Derde poging: Dave vertelt over zijn karakter, dat hij wel een ‘nice guy’ is. Therapeut: “Nu vertel je over je persoonlijkheid. Ik wil graag dat je ons over jezelf vertelt!”

Tja. Wat moet je dan zeggen? Je merkt daaraan dat alles wat je ‘over jezelf’ kunt zeggen beschrijvingen zijn van uitingen, aspecten, kenmerken. En alle vormen van kracht die we eerder noemden zijn vormen van kracht op dat soort gebieden. Maar met Ik-kracht bedoelt een antroposoof dus precies niet dergelijke uitingen, aspecten, of kenmerken, maar de kracht van jezelf. En als je die wilt beschrijven, lijk je dus precies in verlegenheid te komen -net als die arme Dave in de film.

Maar gelukkig is het vrij eenvoudig om die verlegenheid te ontmaskeren. De vergissing is dat ‘iets over jezelf vertellen’ zou moeten bestaan in iets anders dan het noemen van uitingen, eigenschappen, aspecten, of dat nou op het gebied van het fysieke, van de vitaliteit, van het innerlijk, of van het sociale is. Want het is precies in die uitingen, eigenschappen, aspecten dat je ‘jezelf’ kunt zijn. Of, beter gezegd, dat doe je tot op zekere hoogte, in sommige van die uitingen en kenmerken meer, in andere minder. Ik-kracht is dan dus de mate waarin je doen en laten, je gedachten en gevoelens, je karakter, gewoontes, temperament, enzovoort, niet slechts ‘gegeven’ eigenschappen zijn, zoals bijvoorbeeld je haarkleur ‘gegeven’ is.

Eigenheid

Ik-kracht kun je dus niet vastmaken aan, bijvoorbeeld, of iemand een sterke wil heeft. Als je het puur uiterlijk, oppervlakkig bekijkt hebben ook mensen met een compulsieve stoornis een ‘sterke wil’. Het onderscheid tussen een sterke wil die uitdrukking is van Ik-kracht, en een sterke wil die dat juist niet is, kun je niet op uiterlijke gronden maken. Daarvoor moet je het vermogen ontwikkelen om achter de uitingen en eigenschappen te kijken.

Als je zo achter de uitingen en eigenschappen gaat kijken, dan kun je ontdekken dat Ik-kracht helemaal niet per se met ‘uiterlijk vertoon’ gepaard hoeft te gaan. Het kan zich ook daarin uiten dat iemand in een lastige situatie zichzelf juist helemaal terughoudt, zwijgt, om ruimte te geven aan de ontwikkeling van een ander. Maar net zo goed kan Ik-kracht werkzaam zijn in het inzetten van vrolijkheid om lucht in een sociaal benarde situatie te brengen. In je innerlijk, in je gedrag, in je gewoontes en neigingen, leef je dan niet meer slechts uit hoe je nou eenmaal bent. In plaats daarvan zet je jouw eigenheid op zo’n manier in, dat dat vruchtbaar is in de situatie waarin je jezelf vindt. En dat kan behoorlijk tegen je natuurlijke neigingen en gewoontes ingaan!

Met je Ik-kracht kun je zo je hele wezen langzaamaan omvormen en ontwikkelen. In onze opeenvolgende aardelevens kunnen we daar steeds weer nieuwe stappen in zetten. 

.

Over het Ik

Ik en reïncarnatie

Algemene menskunde voordracht 1: het Ik

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3031-2846

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over het astraallichaam

.

Jesse Mulder, Antroposofisch Magazine, nr. 15 2019
.

astraliteit

Meestal als antroposofen het hebben over ‘astraliteit’, bedoelen ze gewoon emotie. Was er wel erg veel astraliteit bij een bijeenkomst, dan was er bijvoorbeeld een flinke ruzie, of er was juist een overmatig vertoon van wederzijdse genegenheid. Maar ook waar een innemende goeroe omringd wordt door volgelingen, kun je horen zeggen dat de astraliteit hem [of haar) tegemoet golft. Zo veelzijdig als ons gevoelsleven is, zo veelzijdig kan astraliteit zijn.

En toch is het ook weer niet zo eenvoudig; met het gelijkschakelen van astraliteit en gevoel doen we de term geen recht. Want daarachter steekt een heel bepaald beeld van wat gevoel nu precies is. Wij met ons nuchtere modern-wetenschappelijke bewustzijn spreken geheel vanzelfsprekend van de objectieve, fysieke buitenwereld enerzijds, en een puur subjectieve belevingswereld anderzijds. We leven allemaal in dezelfde objectieve buitenwereld; iedereen heeft zijn eigen ‘binnenwereld’.
Mijn driften en begeerten en verlangens, de diverse indrukken die de buitenwereld op mij maakt, mijn sympathieën en antipathieën: die bestaan voor onze wetenschappelijke voorstelling niet objectief, ze zijn ‘slechts’ subjectief. Hoogstens wordt er een ‘objectieve’ tegenhanger van gezocht in de vorm van hormonen, hersenprocessen etc.

Maar het begrip ‘astraliteit’ duidt nu juist op een zeker objectief bestaan van al die ‘subjectieve’ zaken. Niet in de vorm van hormonen of andere fysieke grootheden, maar wel als bewoners van een astrale wereld, die op bovenzinnelijke wijze waar te nemen is. Rudolf Steiner heeft, bijvoorbeeld in zijn boek Theosofie, fascinerende beschrijvingen gegeven van hoe die astrale wereld in elkaar steekt.

Gevoelens zijn niet privé

Onze binnenwereld is dan dus niet ‘opgesloten’ in ons subject, of in ons lichaam, maar maakt deel uit van een astrale ‘buitenwereld’. Een uitspraak als “de astrale golven slaan je tegemoet” wordt dan niet meer slechts een poëtische beeldspraak voor zoiets nuchters als dat je het doelwit bent van een flinke dosis woede of dwepende verering. Het wordt een uitspraak die je letterlijk kunt nemen: je wordt dan letterlijk overspoeld door de astrale werkelijkheden waaruit die woede of verering bestaan. Sterker nog, een dergelijk astraal proces vindt ook plaats als aan die woede of verering helemaal geen zintuiglijk zichtbare uiting gegeven wordt.

Als je deze zienswijze serieus neemt, dan heeft dat verstrekkende consequenties. Wij moderne mensen menen immers dat onze gevoelens, driften, en neigingen ‘privé’ zijn, en dus niets met de ander te maken hebben zolang we ze niet uiten. Dat blijkt onjuist: ook als ik niets van mijn woede laat merken, gaat er een concrete, astrale invloed van uit. Wil ik zorgen dat ik de ander niet schaad met wat ik aan minder fraaie gevoelens en neigingen in mij ronddraag, dan is het dus niet voldoende om af te zien van het uiten daarvan – nee, ik zal aan de slag moeten met die gevoelens en neigingen zelf, ik zal ze moeten zien om te vormen.

Aantrekken en afstoten

Toch is het ook ergens juist dat we in ons moderne bewustzijn gevoelens als privé en subjectief beschouwen. Want de astrale wereld is precies de wereld van de innerlijk en daardoor subjectief beleefde verhoudingen (in contrast met de fysieke wereld, waarin de verhoudingen uiterlijk-ruimtelijk zijn]. De twee fundamentele krachten die als het ware het ‘materiaal’ van de astrale wereld vormen, zijn sympathie en antipathie: aantrekking en afstoting, maar dan in een ruimere betekenis. Dankzij antipathie zijn de diverse astrale werkelijkheden namelijk van elkaar gescheiden; dankzij sympathie zijn ze met elkaar verbonden. Zo bestaat alles wat er in de astrale wereld te vinden is, uit heel bepaalde schakeringen van die beide krachten.

Denk bijvoorbeeld aan begeerte: wat is dat precies? Stel: je hebt flink honger en dus vreselijk zin in die uitsmijter die nu geserveerd wordt. De begeerte verbind je met die uitsmijter: sympathie. Maar het is niet een sympathie die zijn object laat zijn wat het is, want de begeerte leeft zich uit in de vernietiging van zijn object- de uitsmijter wordt verorberd, wordt vrij letterlijk deel van jezelf.  Daar onthult zich de antipathie: het versterken van je eigen, afzonderlijke bestaan. In begeerte overheerst deze antipathie de sympathie volledig.

Heel anders is het bij liefde. Net als de begeerte je met een object (de uitsmijter) verbindt, verbindt de liefde je met de geliefde sympathie. Naarmate de liefde zuiverder, echter is, en dus geen begerige liefde, wordt duidelijk dat deze sympathie er helemaal niet op uit is om het eigen bestaan te versterken ten koste van zijn object. Juist niet: de sympathie die in zulke liefde leeft maakt ruimte voor het bestaan van de ander, een ruimte waarin die ander kan zijn wie hij in diepste wezen is.

Van begeerte naar liefde

Deze twee voorbeelden omspannen het hele spectrum van astraliteit waarin wij als mensen leven. We zijn zelfstandige wezens dankzij de antipathie die aanvankelijk sterk in ons leeft (denk aan de begeerte).
Daar is echter ook een opgave mee verbonden: zolang we voor onze zelfstandigheid afhankelijk zijn van het afwijzen, overheersen, of zelfs vernietigen van het andere, oefenen we niet bepaald een constructieve werking uit op onze omgeving (zowel astraal ais fysiek gesproken). Vinden we de moed om die negatief bepaalde zelfstandigheid (ons ‘ego’) te overwinnen en op een hoger plan te tillen, dan bewandelen we het pad dat van begeerte naar liefde voert, en daarmee naar een wijze van zelfstandig-zijn die in al het andere juist de diepe geestelijke waarde kan laten groeien

De term ‘astraliteit’ is, net als ons woord ‘ster’, afgeleid van het Griekse astron. De wereld van de sterren, de ‘harmonie der sferen’ waarin alles zijn eigen zinvolle plaats in het geheel inneemt, komt exact overeen met het geschetste ideaal van astrale omvorming. Immanuel Kant vatte dat in zijn mooiste uitspraak: “De besterde hemel boven mij, de morele wet in mij.” 

.

Algemene menskunde voordracht 1: over het astraallijf

VIERLEDIGE MENS (3-1)
Het astraallijf (1)

VIERLEDIGE MENS (3-2)
Het astraallijf (2)

VIERLEDIGE MENS (3-3)
Het astraallijf (3)

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3030-2845

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het geestzelf – GA 53

.

Over Ik, bewustzijnsiel en geest(es)zelf

GA 53

Om het begrip ‘geestzelf’ te verduidelijken, gebruikt Steiner ook weer zijn ‘methode’ om de dingen in hun tegenstellingen te bekijken; van verschillende kanten te benaderen.
Hier vergelijkt hij de ‘boodschappen’ die wij ‘binnen krijgen’ enerzijds vanuit de aardse wereld en anderzijds vanuit de geestelijke wereld. 

Om met de aardse wereld in contact te komen, kunnen we niet zonder de zintuigen. Kleuren, geuren, geluiden: we zouden ze niet kunnen waarnemen zonder de daarbij horende zintuigen. 

Van de lichamelijke kant uit bekeken, spreken we dan over ‘gewaarwordingen’ en omdat wij hier een stukje van de buitenwereld tot eigen wereld maken, hebben we daarvoor ‘de ziel’ nodig. Dit stukje ziel omschrijft Steiner als gewaarwordingsziel.

Nu kan je ook gewaarwordingen hebben van iets geestelijks. Die zijn niet zo duidelijk als bv. heldere kleuren die ‘op ons netvlies vallen’. 
Toch spreken we daar ook over ‘aan’- ‘in’voelen. 
Die geestelijke gewaarwording noemt Steiner ‘intuïtie‘.

En zoals de lichamelijke gewaarwordingen beleefd worden in de gewaarwordingsziel, d.m.v. de zintuigen, zo de geestelijke gewaarwordingen in de geestmens. d.m.v. de intuïtie.

We kennen nu de indeling van de ziel in drieën en die van de geest, ook in drieën.
We zagen hier en hier al dat we onze bewustzijnsziel kunnen verrijken.
Dit deel van de ziel wordt a.h.w. steeds vervulder, voller van geestelijke realiteit.
Ik-zelf heb meer aandeel aan deze geestelijke wereld. Mijn geest-zelf is in ontwikkeling.

We hebben hier te maken met een persoonlijke ontwikkeling.
Maar ook de mensen als mensheid maken een ontwikkeling door.
Het betreft hier eigenlijk een bewustzijnsontwikkeling.
Van deze bewustzijnsontwikkeling zegt Steiner bv. ook: 

Denn des Menschen Entwicklung besteht darin, daß er von Bewußtseinsstufe zu Bewußtseinsstufe sich entwickelt.

De ontwikkeling van de mens is een ontwikkeling van de ene bewustzijnsfase naar de andere bewustzijnsfase.
GA 54/372
Niet vertaald

En wat de pedagogie betreft: in de ontwikkeling van het kind naar volwassene, maakt ook het individuele kind een bewustzijnsontwikkeling door. 
Dit gegeven vind je terug in het leerplan van de vrijeschool.  

Het roept ook een bepaalde gedachte op over ‘het excuses aanbieden over zaken uit het verleden’.  
We gaan een puber niet kwalijk nemen dat hij ooit een soort ‘magisch’ bewustzijn (JeannPiaget) had. Hij hoeft daarvoor zeker geen excuses aan te bieden.
Kan het ons nu – die in een andere bewustzijnsfase zijn gekomen – we spreken niet voor niets over ‘met de kennis van nu’ of duidend op ontwikkeling: vanuit ‘voortschrijdend inzicht’- kwalijk worden genomen dat we ‘eens’ zo dachten als in de gewraakte perioden en kunnen we daar eigenlijk wel excuses voor aanbieden? 

In de eerste voordracht van de ‘Algemene menskunde’ merkt Steiner al meteen op:

De ontwikkelingsperiode waarin wij ons nu bevinden is omstreeks het midden van de vijftiende eeuw begonnen. In onze tijd komt – als het ware vanuit geestelijke diepten – het inzicht, wat in deze periode waarin wij leven gedaan moet worden, met name wat de opvoeding betreft.
GA 293/18-19
Vertaling/19

Wat de opvoeding betreft’, daarover doet Steiner vele uitspraken. Zie bv. deze, met verdere verwijzingen.

Mensen krijgen steeds meer het vermogen om ‘in te zien’, dit inzicht te verwerven. 
Bij de een is dat vermogen al groter, bij anderen minder of lijkt het alsof het nog totaal ontbreekt.

In GA 53 zegt Steiner van dit ‘inzichtdeel’:

Ursprung und Ziel des Menschen
Grundbegriffe der Geisteswissenschaft

Oorsprong en bestemming van de mens
Basisbegrippen van de geesteswetenschap

Voordracht 2, Berlijn, 13 oktober 1904 


Die menschliche Wesenheit

Het wezen mens

Blz. 60

Der unterste Teil der Geist-Manas-ist in der Anlage bei dem heutigen denkenden Menschen entwickelt. Es ist diese Manas ebenso fest verbunden mit dem höchsten Gliede der Seele, wie die Empfindungsseele mit dem Seelenleib, so daβ wieder das Höchste der Seele und das Niederste des Geistes ein Ganzes bilden, weil man sie nicht unterscheiden kann.
(  )
Der Geist ist heute bei der Menschheit bis zum Manas entwickelt.

Het onderste deel van de geest [hij gebruikt hier ook het Sanskriet] manas is in aanleg bij de denkende mens van nu [1904] ontwikkeld. Dit manasdeel is met het hoogste deel van de ziel vast verbonden, net zoals de gewaarwordingsziel met het zielenlijf, zodat het hoogste van de ziel weer met het laagste van de geest een eenheid vormt, je kan ze niet onderscheiden.
(  ) De geest heeft zich nu bij de mensheid tot aan manas ontwikkeld.
GA 53/60    
Niet vertaald

In GA 34 kwam de vergelijking van het geestzelf en de bewustzijnsziel met de gewaarwordingsziel en het gewaarwordingslijf ook al aan de orde.

Voordracht 10, Berlijn 9 februari 1905

Ursprung und Ziel des Menschen

Oorsprong en bestemming van de mens

Blz. 210

Wenn man den Menschen hinsichtlich seines Ursprunges erkennen will, so muß man sich klar darüber sein, was das Wesen des Menschen ist. Der, welcher auf dem Standpunkte steht, daß der Mensch nur der Zusammenhang dieser physischen Organe ist: Hände, Füße, Lunge, Herz und so weiter bis hinauf zum Gehirn, der wird kein anderes Bedürfnis haben, als aus materiellen Kräften den Ursprung des Menschen zu erklären. Dadurch wird für ihn die Frage eine andere werden als für denjenigen, der den Menschen als eine Ganzheit betrachtet. Er wird den Menschen als ein Wesen ansehen, welches nicht nur aus Leiblichem, sondern auch aus Seele und Geist besteht. Inwiefern sich der Mensch aus den drei Gliedern Leib, Seele und Geist zusammensetzt, das haben wir schon gesehen. Leib, Seele und Geist, das sind die Glieder, aus welchen der Mensch zusammengesetzt ist

Wanneer je de mens wat zijn oorsprong betreft, wil leren kennen, dan moet het duidelijk zijn voor je, wat het wezen van de mens is. Wie op het standpunt staat dat de mens alleen maar de samenhang van zijn fysieke organen is: handen, voeten, longen, hart enz., tot en met het brein, zal geen andere behoefte hebben dan de oorsprong van de mens te verklaren vanuit stoffelijke krachten. Daardoor zal de vraag voor hem anders worden dan voor iemand die de mens als een totaliteit ziet. Die zal de mens zien als een wezen dat niet alleen uit het levend-lichamelijke bestaat, maar ook uit ziel en geest. Lichaam, ziel en geest zijn de wezensdelen waaruit de mens samengesteld is. 

Das was man Seelisches und Geistiges nennt, ist von der modernen Psychologie zusammengefaßt worden in einem einzigen Begriff, in dem Begriff der Seele. Darin besteht die Verwirrung der modernen Seelenlehre, daß sie nicht unterscheidet zwischen Seele und Geist. Das ist das, worauf die Theosophie immer wieder hinweisen muß. Das was von der einen Seite Seelenwesen ist, was fühlt und vorstellt und sich Gedanken macht über die alltäglichen Dinge, das alles ist für uns Theosophen auch Seele. Der Geist beginnt erst da, wo wir das sogenannte Ewige im Menschen gewahr werden, das

Wat men ziel en geest noemt, wordt door de moderne psychologie samengevat in één begrip, het begrip ‘ziel’. Dat is de verwarring in de moderne psychologie: er wordt geen onderscheid gemaakt tussen ziel en geest. Daarop moet de theosofie voortdurend wijzen. Wat aan de ene kant zielenwezen is, wat voelt, zich voorstelt en gedachten vormt over de alledaagse dingen, is voor ons theosofen ook ziel. De geest begint pas daar waar wij het zogenaamde eeuwige in de mens gewaar worden, dat

Blz. 211

Unvergängliche, das, wovon Plato gesagt hat, daß es sich von geistiger Nahrung nährt. Erst der Gedanke, der frei ist von dem sinnlichen Inhalt, der sich erhebt zu dem Charakter der Ewigkeit, der vom Geist erschaut wird, wenn der Geist nicht mehr durch die Tore der Sinne nach außen sieht, sondern in sein Inneres blickt, dieser Gedanke ist es erst, der den Inhalt des Geistes ausmacht. Der abendländische Forscher kennt diesen Gedanken nur auf einem einzigen Gebiet, auf dem Gebiet der Mathematik, der Geometrie und Algebra. Da sind Gedanken, die uns nicht von der Außenwelt zufließen, die der Mensch nur von innen her, intuitiv schafft. Niemand könnte einen mathematischen Lehrsatz bloß aus der Anschauung gewinnen. Niemals könnten wir aus der Anschauung erkennen, daß die drei Winkel eines Dreiecks zusammen 180 Grad ausmachen

onvergankelijke, waarvan Plato heeft gezegd dat het zich voedt met geestelijk voedsel. Pas de gedachte die vrij is van zintuiglijke inhoud, die zich verheft tot de toestand van de eeuwigheid, die door de geest waargenomen wordt wanneer de geest niet meer door de poorten van de zintuigen naar buiten kijkt, maar in zijn eigen innerlijk, pas deze gedachte vormt de inhoud van de geest.
De onderzoekers uit het Avondland kennen deze gedachte maar op één enkel gebied, op het gebied van de wiskunde: de meetkunde en de algebra. Daar hebben we gedachten die niet vanuit de buitenwereld naar ons komen, maar die de mens alleen van binnenuit, intuïtief schept. Niemand kan een wiskundige leerstelling alleen maar halen uit een uiterlijke waarneming. Nooit kunnen we vanuit het waarnemen inzien, dat de drie hoeken van een driehoek samen 180º zijn.

Steiner zal in andere voordrachten, maar bv. ook in zijn boekDe weg tot hoger inzicht’  uitleg en aanwijzingen geven hoe we tot dit ‘zintuigvrije’ denken kunnen komen als voorwaarde om onze geest meer in geestelijke richting te scholen. 

.Blz. 212

Da haben Sie dasjenige, was der Mensch mit seinem Verstand in der Alltäglichkeit tut, dies verständige Auffassen der unmittelbaren zeitlichen und vergänglichen Wirklichkeit, auf ein höheres Gebiet erhoben, in die reine Gedankenwelt. Und Sie können da in sich etwas erleben, wenn Sie sich zum reinen Gedanken erheben, wenn Sie von den sinnlichkeitserfüllten
Gedanken abstrahieren können, was zum Ewigen gehört.
Die Theosophie nennt dieses erste Element des Geistes auch Manas. Ich habe versucht, in meiner «Theosophie» diesen Ausdruck mit «Geistselbst» zu übersetzen. Es ist das höhere Selbst, das sich herauslöst aus dem, was nur auf die irdische Welt beschränkt ist.

Dan krijg je, wat de mens met zijn verstand in het alledaagse leven doet, het met het verstand begrijpen wat nu de tijdelijke en vergankelijke werkelijkheid is, op een hoger niveau geplaatst, in de wereld van de pure gedachten. En als je dat doet, kan je in jezelf iets beleven van wat tot het eeuwige behoort, als je dus van de gedachten die door de zintuigen gevuld zijn, weg kan komen. 
De theosofie noemt dit eerste element van de geest ook manas. Ik heb geprobeerd in mijn boekTheosofie’ deze uitdrukking te vertalen met ‘geestzelf’. Het is het hogere zelf dat zich losmaakt van wat alleen maar beperkt is tot de aardse wereld. 
GA 53/210-212   
Niet vertaald

In deze gehele GA 53 gaat Steiner vanuit allerlei gezichtspunten nog verder in op ‘manas’.
Ik wil dit niet allemaal toevoegen. het gaat erom dat we op een elementaire manier leren begrijpen wat Steiner met ‘geestzelf’ bedoelt.
.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3015-2831

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 – geestzelf, levensgeest, geestmens

.

Op blz. 23/24 van de Algemene menskunde geeft Steiner een kleine schets van het 7-ledig mensbeeld.
Dat is in dit artikel wat nader uitgewerkt.

In dit artikel ben ik er iets dieper op ingegaan.

Voor het fysieke lichaam heb ik hier karakteriseringen gegeven zoals die te vinden zijn in andere voordrachten.

Ook voor het etherlijf   astraallijf   en Ik.

Doordat wij Ik-wezens zijn, hebben we het vermogen om onszelf  ‘bij te scholen’.
Je neemt je eigen verdere ontwikkeling zelf ter hand.
Dat kan op allerlei gebied: de essentie hiervan is echter dat je ‘iets’ wat in de wereld is, naar jezelf toehaalt: je verdiept je bv. in literatuur, natuur, je gaat muziek beoefenen, er valt nog een heleboel op te sommen.

Maar wij mensen hebben ook het vermogen aan onszelf te werken waar het bv. gaat om ons gedachteleven, ons karakter, hoe we zijn, hoe we reageren, kortom we kunnen aan ons denken, voelen en willen werken.
We kunnen onszelf – voorzichtig gezegd – enigszins veranderen,

Dat is niet eenvoudig.

Voor Steiner is het de voorwaarde om ‘achter de dingen’ te leren waarnemen.
Hij zegt dat in ieder mens die vermogens aanwezig zijn. 
Bij velen van ons in slapende of sluimerende hoedanigheid.
En zoals hij voor het slapend-dromerige kind zegt dat we geduld moeten hebben, omdat alles wat slaapt ook de eigenschap heeft wakker te worden – wij moeten het voorzichtig wekken – zo kunnen we ook in ons die sluimerende vermogens wakker(der) maken.

Daarvoor geeft Steiner allerlei hoger inzichtoefeningen. O.a. in GA 10De weg tot inzicht in hogere werelden‘.
Ook al leiden die oefeningen niet tot hoger inzicht, ze geven je wel een andere kijk op jezelf (en anderen). Gedachtecontrole, innerlijke rust en meer. 
Er zijn ook de zgn. ‘Nebenübungen‘ [GA 266C]
Zij heten ‘Nebenübungen’ omdat Steiner aanbeveelt ze naast meditaties, waarnemingsoefeningen en dergelijke te blijven doen. [1]

Zo kan ‘gedachtecontrole en innerlijke rust’ ertoe leiden dat je je steeds afvraagt – wanneer je vindt dat je iets moet zeggen – moet ik het wel zeggen en moet het nu?
Neem het voorbeeld van ‘vlak voor de lessen beginnen, in de lerarenkamer’. Nog snel een vraag aan deze, nog gauw een opmerking voor de ander. Wat kunnen die ermee? Nemen ze dat als ‘onrust’ mee hun klas in? 
Moest je dat écht zeggen en moest het op dat ogenblik? Vaak blijkt dat het aan het einde van de dag al niet meer opgaat; het was dus overbodig – ook die gevolgde onnodige onrust.
Moet het wel gezegd worden: tast het ogenblik af; is er werkelijk de rust om het te zeggen zodat die ander het ook echt hoort.

Er kan ook een soort ‘hygiënisch’ denken ontstaan.
Een collega is ziek, maar je moet toch nodig iets weten. Je voelt dat je eigenlijk moet vragen hoe het ermee is en je informeert. Dan zeg je: ‘Nu ik je toch spreek,….en dan komt de eigenlijke reden van je telefoontje: dat was niet in eerste instantie het werkelijk begaan zijn met de toestand van je collega.
Ik weet uit ervaring hoe de zieke collega dat kan gaan ervaren. 
Er zijn veel voorbeelden te geven. 

Ik ben door de oefeningen geen helderziende geworden, maar ik heb er wel mooie dingen door (ver)ge)kregen.

Als vervolg op de korte omschrijvingen van de 4 wezensdelen, hierboven beschreven, zal ik nu in een reeks artikelen de opmerkingen van Steiner weergeven over de activiteit van het Ik in relatie tot geestzelf, levensgeest en geestmens.

.

[1] De ‘Nebenübungen’ in het sociale leven  

Algemene menskunde: voordracht 1 –  over het geestzelf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

.

3008-2824

.

.

.

.