Categorie archief: kerstspelen

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – herders en koningen

.

Erika Schulz, Erziehungskunst, 23-11-1959

.

herders en koningen in het kerstspel uit oberufer
.

In de 16e tot aan het begin van de 17e eeuw namen de Duitse boeren die van de Bodensee naar Hongarije emigreerden, hun kerstspelen mee naar hun nieuwe woonplaats op het eiland Oberufer, een vooreiland van het eiland Schütt, dat door de Donau beneden Linz en Pressburg werd gevormd.

Deze spelen werden door mondelinge overlevering met precieze speel’regels’, weken voor Kerstmis ingestudeerd; en men was er zich bewust van, dat de diepe Bijbelse geheimen die deze spelen onthulden, een bijzonder moreel bewustzijn van iedere speler afzonderlijk verlangde. Alle rollen werden door de meer of minder wilde knapen uit het dorp gespeeld, wanneer ze bereid waren aan de volgende voorwaarden te voldoen:
in deze tijd niet naar de meisjes gaan; geen schunnige liedjes zingen en een deugdzaam leven leiden.

Er waren drie spelen: het Paradiis- het Geboorte- en het Driekoningenspel, die Karl Julius Schröer tussen 1840 en 1850 in Oberufer ontdekte (op soortgelijke manier waarop Elias Lönnrot, de Finse arts, het grote nationale epos  ‘De Kalewala) van de ondergang redde). Hij kon een tijdlang bij de heideboeren wonen en hen zorgvuldig over de spelen bevragen. Er was geen volledig manuscript. Er waren maar een paar rollen van de spelen aanwezig. Persoonlijk overgedragen gingen ze van generatie op generatie.
Schröer stelde de teksten na gewetensvolle bestudering weer samen, die Rudolf Steiner, zijn leerling, weer toevertrouwde aan de leraren van de vrijeschool Stuttgart.
Sindsdien worden ieder jaar op alle vrijescholen in de wereld ten minste een van deze drie spelen als een geschenk voor de kinderen en de ouders door de leerkrachten van de vrijescholen gespeeld.

Iets belangrijks in de drie spelen is het oerbeeld van iedere rol. De eerste twee spelen: het Paradijsspel en het Geboortespel hangen innerlijk met elkaar samen, zoals Adam- en Evadag op 24 december samenhangt met de daaropvolgende 25e december. De zondeval, die in het eerste spel getoond wordt, wordt door het Geboortespel ongedaan gemaakt, zoals de engel in het Paradijsspel al verkondigd had, toen Adam en Eva bij de verdrijving uit het Paradijs werd beloofd: ‘Tot ik u langzaam wederkeren heet’.

Wanneer we de drie herders van het Geboortespel met de drie koningen van het Driekoningenspel vergelijken, dan valt in de hele entourage en compositie van elk van de spelen de tegenstelling op van de wereld van de herders en die van de koningen.

Bij de herders heerst een verinnerlijkte zielenstemming die helemaal past bij de omgeving van de geboorteplaats van het kind. De stille vrede van het land Galilea kan zeer zeker ook overgebracht worden naar de plek waar de spelen opnieuw gestalte krijgen. Je proeft in het herdersspel iets van de gemoedelijkheid van het Duitse dat de boeren meenamen naar hun nieuwe vaderland Hongarije, zoals weerspiegeld wordt in de talrijke kerstherdersliederen uit Beieren, Tirol en Oostenrijk. Een ervan is representatief voor vele andere, waarin een vergelijkbare zielenstemming heerst zoals in het Geboortespel:

‘Es blühen die Maien;
in klater Winterszeit
ist alles im Freien
auf unsrer Schäfersweid’,
ja, alles ist in schönster Blüe,
die Erd’ bringt süssen G’ruch herfür’.

De aarde zingt van wereldgeheimen en de herders begrijpen het in een droomachtige helderziendheid. Zo’n stemming heerst in het Geboortespel. En wanneer hier de herders Gallus, Stichl en Witok heten, dan zijn dat namen die vanuit het toenmalige landschap zijn ontstaan. In een ander lied heet een herder Lippai of Jost en in het boek van Felix Timmermans ‘Het kindeke Jezus in Vlaanderen’ hebben ze echt Vlaamse namen.
Ieder is een herder en niet de herder. En toch wordt in hun gedaante zichtbaar iets wat zo’n oerbeeld is, en dat ondanks de verschillende werelden, ook zoiets, bij de drie koningen is te vinden.

Daar hebben we de eerste herder: Gallus, die over een heel wakkere waarnemingsgave beschikt. Hij is de eerste die opkomt; hij neemt waar dat het geijzeld heeft; hij herinnert zich als eerste wat de engel verkondigd heeft; hij neemt de uiterlijke situatie goed waar en zingt: ‘ick docht in enen stal te gaan.’
Wanneer hij de engel waarneemt, denkt hij in eerste instantie met een ‘gespook’ te doen te hebben. Hij staat met zijn wakkere vragen, met zijn zorg voor de uiterlijke dingen het dichtst bij ons: ‘Welke geschenken zullen we aanbieden?’ Hij besluit aan de pasgeborene wol en meel te geven, iets van wat leeft: de wol en wat fijn gemalen is: het meel. Op weg naar Bethlehem ziet hij weer als eerste het ‘strohuis’. En als eerste aanbidt hij het kind en benoemt precies ‘het bedje van stro, het ‘neuzeken fijn’ en de oogjes. Later kan hij dan zijn oude, bijna dove kameraad Crispijn die bij de ‘kudden en schaopen’ de wacht hield toen zij drieën naar Bethlehem togen, precies vertellen waar het kindje, tussen os en eselken, te vinden is.

Qua leeftijd staat Gallus tussen de jonge Stiechel en de oude Witok. Stiechel, de jongste, heeft ook de meeste vragen die enerzijds op een sterk interesse in de wereldse zaken wijzen. Als Witok iets van zijn vrouw meebrengt, vraagt Stiechel: ‘Is er ook spek bij, altemet?’ Maar bij de vraag aan Gallus voel je dat hij over de zichtbare dingen verder denkt: ‘Moet dan meteen ook alles wolf heten?’, betekent toch niets anders dan: er zijn nog andere oorzaken voor het verlies van de lammeren dan een wolf. En wanneer hij vraagt: ‘Wat hebt jij wel gedroomd?’, geeft hij als zijn antwoord, dat hij een engel mocht zien, een bode van de geestelijke wereld. Als hij de verkondiging waarneemt, ziet hij ‘over zijn hoed zo’n fel licht’ en ook hier weer neemt hij van boven het aardeding hoed, het licht van de hemelglans waar. Stiechel heeft de diepe slaap van de jonge mens. Nadat hij de verkondiging meebeleefd heeft, valt hij in een diepe slaap en slechts door het ijverig bemoeien van Gallus en Witok wordt hij wakker en valt door de gladheid languit achterover. Door deze brute val op de harde grond herinnert hij zich de boodschap van de engel. Stiechel bevindt zich ook hier weer duidelijk tussen hemel en aarde.
Ook bij de aanbidding neemt hij enerzijds het kindje waar, hoe het ‘arm, naakt en bloot’ ligt, anderzijds is hij in staat het kind in de ‘hemelzaal’ te schouwen. Als gave brengt hij het kindje melk, die ‘de enige substantie – althans in essentie de enige is – die de slapende geest kan wekken.'[1]
‘Het geesteswezen van de natuur schept iets wat de brug kan slaan naar de spraakgeest van het kind: de melk. Het laat uit de ledematen, uit de ledematenmens een substantie ontstaan die – omdat ze met de ledematenmens verbonden is – iets van die ledematenmens in zich heeft. [1]

Wat betekent het veel voor Stiechel, die de jeugdkracht heeft die naar de toekomst wijst, om een geschenk te geven dat boven de fysieke materie uitgaand een werking heeft die geestelijk wekkend is!
Nog iets wezenlijks is in het hele Geboortespel bij Stiechel te zien: het contact met de andere mens, zijn uitgesproken sociale vaardigheid. Hij begroet – als enige trouwens – Jozef en wel met het vertrouwde ‘oud-vadertje’. Hij ziet als eerste Crispijn en spreekt hem – net als Gallus en Witok – met ‘broeder’ aan.

De derde herder is de oudste, Witok. Hij heeft de rijkste levenservaring die hem een sterk, dikwijls een bezorgd gevoel heeft gegeven: ‘Wee, onze jammer en onze ellende!’ Hij weet van ‘ongeluk op ongeluk’. – Hij vertelt zijn kameraden dat er ‘onlangs nogal breedvoerig’ werd verteld. Zijn vertrouwen in een zonnige toekomst, waarin men ‘verlost zou zijn van kommer en kwel.’ Hij ziet bij de verkondiging noch een ‘gespook’, zoals Gallus, noch een ‘fel licht’ zoals Stiechel, maar hij hoort. Ingekeerd luisterend, neemt hij waar, zonder een bevestiging van buitenaf nodig te hebben. En wat hij daarna in zijn lied over deze beleving weet uit te drukken, is alsof het uit de ziel van een oude mysticus komt:

‘In stille kerstnacht op het land,
door een diepe slaap werd ik overmand,
mijn hart vloeide over
van zoete vreugd en honing goed
en rozen bloeiden.’

Uit deze tere zielenstemming kunnen we ook zijn bijzondere verhouding tot het vrouwelijke begrijpen. Hij is de enige die over zijn vrouw spreekt; hij mocht van haar niet weggaan alvorens de oude schoenen opgeknapt te hebben. Ze gaf hem wel ‘zelfgebakken grutten’ mee.
Bij de aanbidding begroet hij het kindje met ‘lief kindeke, lief Jezuke; gelaafd door ‘zijns moeders borst.’ En zijn ingetogen wezen met de bijna mystiek aandoende trekken doet hem als offergave een  lammetje schenken, leven dat echter geofferd moet worden door de slacht, zoals het kind later als het lam Gods het offer brengt voor de verlossing van de mensheid.
Hij weet dat het kindje:
‘Op de aarde kwam
om medelijden met ons te hebben
In het hemelrijk is hij zelfs aan de engelen gelijk.’

‘Dat deed hij zodat de mens kan leren
zich van hoogmoed af te keren
dat hij niet leeft in rijkdom en pracht,
maar waarlijk deemoedig probeert te leven.’

Hij neemt niet alleen maar de uiterlijke wereld waar, maar hij vormt door zijn gemoed oordelen waaruit iets moreels spreekt.

Wij zien in deze drieheid van de herders in wezen de drie zieleneigenschappen van de mens: denken, voelen en willen uitgedrukt, steeds met de nadruk op een van de eigenschappen in een van de herders.
Gallus leeft meer uit de zenuw-zintuigorganisatie in zijn wakker waarnemen. Stiechel is de actieve willer; Witok de uit zijn hart voelende.

In het Driekoningenspel komen we opnieuw drie koningen tegen.
Maar wat een andere wereld komt ons nu tegemoet. De koningen staan aan de top van de sociale ladder. Zij zijn – elk van hen – heerser over een grondgebied dat slechts van hen is. Het zijn drie zeer bewuste individualiteiten die met hun namen Melchior, Balthasar en Caspar niet te verwarren zijn en ze staan voor ons met een duidelijke opgave.
Melchior komt uit het met het goud der wijsheid doordrongen Perzië, de wereld van hoge wiskunde en astronomische berekeningen. Hij kan het gematerialiseerde zonnegoud als gave van wijsheid meebrengen.
Hij is weliswaar net als Gallus de eerste die de vraag van een geschenk stelt; maar hij ‘bedenkt het met zorg’. Hij leeft ook in de zintuigen, zoals Gallus, maar hij heeft alles helder doorzien. Wat bij de herders meer dromend beleefd wordt, is bij de koningen als een bewust weten aanwezig, omdat ze een wetenschap ontwikkeld hebben aan de wereldverschijnselen die hun het mogelijk maakt waar te nemen wat op aarde belangrijk is. [2]
Melchiors relatie met de Oude Schrift (Jesaja) is duidelijk; steeds weer wijst hij met nadruk op Jeruzalem; hij waarschuwt in zijn laatste woorden nog voor ‘het huis van Herodes’. Hieraan wordt duidelijk hoe het Driekoningenspel opgebouwd is met werelddramatiek. Heel het decadente van het koningshuis van Herodes; de overtrokken, verintellectualiseerde wereld van de Schriftgeleerden; de zwarte wereld van de duivel, het staat in schril contrast met de koninklijke waardigheid van de drie wijzen.
Kun je bij het herdersspel een zweem opvangen van een muzikaal-lyrische zielenstemming, het driekoningenspel ademt de dramatiek van de grote tegenstelling in de wereld: die van goed en kwaad. Hier is de spanning maatgevend: licht en duisternis. Licht en donker, wit en zwart.

Uit Ethiopië komt Caspar, de jongste koning en op dit punt met de herder Stiechel te vergelijken. Ook zijn onstuimig karakter. In zijn taalgebruik zitten krachtige uitdrukkingen: ‘grootste vrolijkheid’, ‘groot misbaar’, ‘groot wonder’, ‘uitzonderlijke ster’ zijn een paar van zijn kranige uitspraken.
Ook heeft hij met Stiechel gemeen: het directe contact met zijn omgeving. Hij begroet als eerste en enige Herodes met de woorden; hij neemt na het geven van de geschenken als enige duidelijk afscheid van Jozef.
Wanneer we naar de gaven kijken: Melchior – de rode koning – Goud; bij Caspar, de groene koning – is het Mirre, de geneeskrachtige plant. Interessant zou het zijn eens een vergelijking te maken van de drie herdersgaven met die van de drie koningen.
Ik laat het aan de lezer zelf over meer met het gevoel van het verschil te leven, dan met een over en weer vergelijken, waarbij steeds het gevaar dreigt van te veel intellectualisme.

Balthasar, de blauwe koning, zou uit het verre Indië zijn gekomen. Hij beroept zich steeds op de ster, maar op de ster ‘waarin een jonkvrouw met een kind’ staat.
Zoals Witok bij de herders met het vrouwelijke is verbonden, is bij Balthasar de toewijding tot de jonkvrouw bijzonder groot. Hij begroet als enige Maria als ‘jonkvrouw teer’. – Wat bij de herder Witok nog zorgen waren voor de last van alledag, is bij Balthasar omgevormd tot koninklijke zekerheid: ‘Nu behoedt u de almachtige god voor kommer, angst en alle nood.’
Hij brengt het kind wierook, de vluchtigste, maar ook de ‘geestelijke’ substantie die in het welriekende uitstroomt en opstijgt tot in de ‘hogere werelden’. Opmerkelijk krachtig zijn de laatste woorden van Balthasar, die zich vol dramatiek op Herodes richten: ‘Herodes, is dat uw boze streven, dan hoeden wij ons ervoor naar u terug te keren.’
Hij die zich richt op de jonkvrouwster, kan zich op dit actuele moment in deze situatie in de wereld volledig tegenover zijn tegenstander opstellen.

Een korte blik op Goethes sprookje zij mij vergund. Al in 1899 wees de jonge Rudolf Steiner op de samenhang van de gouden koning met het denken, de zilveren met het voelen, de koperen met het wollen.
‘In de mens die op weg is een vrije persoonlijkheid te worden, zijn 3 zielenkrachten vermengd werkzaam: de wil (het koper), het voelen (het zilver), de kennis (het goud). Wat de ziel door deze 3 krachten zich eigen maakt, wordt in de loop van het bestaan door de levenservaring geopenbaard: de kracht waarin de deugd werkzaam is, komt tot uiting in de wil; de schoonheid ( de schone schijn) tot uiting in het voelen; de wijsheid in het kennen [3]. De schone jongeling ontvangt 3 gaven: de gouden koning zet hem de eikenkrans op het hoofd met de woorden: ‘Leer het hoogste kennen’. –
Hier is het het gevormde goud waarmee hij gekroond wordt. De zilveren koning geeft hem de scepter en hij spreekt de zin: ‘Weidt de schapen’. (We weten nog hoe de ‘zilveren’ herder Witok in het Geboortespel een lam als gave meebracht). De scepter wordt voor het hart gehouden.
Van de ijzeren koning krijgt hij het zwaard met de opdracht: ‘Het zwaard links: rechts vrij.” Hier worden op een speciale manier de ledematen aangesproken.

Vatten we het geheel nog eens samen in een overzicht, dan zie we een wereld van verschil, maar ook een wereld van overeenstemming tussen koningen en herders.

herders en koningen

.

[1] GA 293/165
vertaald/167
[2] GA 203/15
[3] GA 22/76

*er is ook sprake van ‘koper’. Zie daarvoor de voordracht in GA 22
.

982-909

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden (4)

Nadat de nazi’s de vrijeschool in Stuttgart hadden verboden, zodat deze haar deuren moest sluiten, gingen deze na de overgave van Duitsland op zeker ogenblik weer open: het schoolleven kwam weer op gang. Het tijdschrift ‘Erziehungskunst’, dat in de jaren 1938-1947 niet verscheen, hervatte de uitgaven in 1948. Uit het decembernummer van dit jaar vertaalde ik onderstaand artikel.
Opmerkelijk is de stemming die Ernst Bindel (ook leraar aan de vrijeschool Stuttgart) hier verwoordt.
Die stemming heb ik – vanaf begin jaren’70 van de vorige eeuw – vaak geproefd. Vooral bij de kleinere kinderen, tot een jaar of 10, 11. En bij de volwassenen.
Maar de groep daartussenin? Bij hen is die stemming niet meer vanzelfsprekend. Daarvoor zijn vele oorzaken te noemen – al doe ik dat hier nu niet.
Wel kan ik me voorstellen dat er leraren zijn die voor de bovenbouw (vanaf 12/13 jaar) een nieuwe vorm proberen te vinden – en zo speelt het Novalis College in Eindhoven al enkele jaren een geheel eigen Driekoningenspel.

‘Op alle vrijescholen voeren de leerkrachten als een kerstgeschenk voor hun leerlingen de oude kerstspelen uit Oberufer op. In het intiemere schoolleven dat in de adventstijd verlicht wordt door de kerstverwachting, vormen de kerstspelen een echt hoogtepunt in het jaar.
Om de ouders en vrienden van de school aan dit feest van de schoolgemeenschap te kunnen laten deelnemen, worden er ook openbare opvoeringen gehouden. De openingswoorden die wij hier laten volgen zijn een jaar geleden bij zo’n opvoering gesproken. Daarbij werden verklaringen van Rudolf Steiner gebruikt die hij gaf bij een opvoering van de kerstspelen in Dornach voor Duitse krijgsgevangenen en geïnterneerden ten tijde van de 1e Wereldoorlog – inhoudelijke verklaringen en gedeeltelijk letterlijk gebruikt uit het gepubliceerde ‘Weihnachtsspiele aus deutschem Volkstum’.

Voor de opvoering van het Oberuferer kerstspel

Inleidende woorden voor de ouders van de vrijeschool Stuttgart.

Voor het gordijn open gaat, sta mij toe een paar woorden als inleiding tot u te spreken! Ze gaan over iets wat de opvoering zelf niet kan vertellen. Wat op het toneel gebeurt, spreekt duidelijk genoeg voor zich. Maar hoe deze spelen zijn ontstaan, van waaruit en op welke bodem ze ontsproten, dat kom je door de opvoering niet te weten. Wellicht kan het de indrukken wat verdiepen die door de opvoering gegeven worden, als je er iets over weet.

Weliswaar heten de spelen ‘de Oberuferer kerstspelen’ en tot Oberufer is het een heel eind (‘machtig veer’). Maar de plaats waar ze ontstaan zijn, ligt veel dichter bij ons. Hun thuis is de omgeving van de Bodensee waar de Rijn doorheen stroomt. Op een bepaalde plaats in het spel komt dat naar voren: als de sterrenzanger in zijn begroetingswoorden bij het kerstspel de woorden spreekt:

‘Laten we de os en de ezel groeten
die daar bij het kribje staan.
Laten we ze groeten door de zon- en de maneschijn,
waarvan het licht straalt over het meer en over de Rijn!’

(In het Nederlands zoals Mevrouw Bruinier dit samenstelde:

‘Groetenme oock os end’ eselken
die daor staene by het krebbeken.
Groetenmens deur son- ende maôneschyn
dwelc lighten al over seen en over den Ryn,’)

Geachte aanwezigen! Dit meer is niet anders dan ons Schwabische meer met de Rijn. Daar zijn de spelen ontstaan en voor het eerst opgevoerd.
Toen moesten de mensen daar weg uit hun streek, zoals het de Duitsers vaak overkwam en ver, ver weg, naar andere landen trekken om daar te proberen het brood te verdienen. En de spelen zijn op die manier met hen meegegaan en in het verre Oberufer terecht gekomen, waar de Donau vanuit Hongarije Oostenrijk in stroomt en zich in verschillende zijarmen vertakt en zo een paar kleinere en grotere eilanden vormt; op een daarvan ligt het dorpje Oberufer. Als een kostbaar kleinood werden door hen in den vreemde, midden tussen onbekende volksstammen, de meegenomen spelen behoed. Om ze zo zuiver mogelijk te houden, was hun grootste zorg. Wat zal er niet allemaal door hun ziel gegaan zijn, wanneer rond de kersttijd tijdens de opvoeringen de woorden klonken:

Groetenmens deur son- ende maôneschyn
dwelc lighten al over seen en over den Ryn,’

Dan zullen ze in gedachten wel weer in hun geliefde vaderland teruggekeerd zijn, op hun boerderijen, waaruit ze noodgedwongen moesten vertrekken.

Het opvoeren van de spelen gaf hun nieuwe kracht om het in den vreemde uit te houden en te aarden.
De spelen gingen van generatie op generatie over, mondeling en zo getrouw mogelijk. Er mocht niets aan veranderd worden. Zo ging het in de 17e en 18e eeuw, tot de 19e aanbrak die overal in het leven het materialisme bracht en toen liepen de spelen ook gevaar, aangetast te worden of zelfs in vergetelheid te raken.

Maar toen was daar, op het juiste ogenblik eigenlijk, iemand die ze voor onze tijd veilig stelde. De man heet Karl Julius Schröer. Hij was weliswaar een geleerde, maar wel zo een die het hart op de juiste plek had. Hij had een heel mooi onderzoeksveld gekozen: de studie van de dialecten van al die kleine Duitse gemeenschappen die over Oostenrijk en Hongarije verstrooid waren. Wanneer je die wil leren kennen, kun je niet aan je bureau blijven zitten om woordenboeken uit te pluizen, maar je moest die woordenboeken eerst zelf samenstellen en daarom bij de mensen zelf aankloppen die deze dialecten spraken en trouw waren gebleven.

Zo kwam hij tijdens zijn reizen ook op het eilandje Oberufer en daar deed hij de ontdekking van onze kerstspelen. Een daar in aanzien staande boer, had de voor iedere speler uitgeschreven rol in zijn bezit, waarmee Schröer dan een manuscript kon samenstellen, want als geheel was dat niet voorhanden.
De boer moet hebben gemerkt dat hij met Schröer geen nieuwsgierige geleerde voor zich had, en hij vertrouwde hem. Hij kon hem veel meedelen wat met de voorbereiding van de spelen te maken had. Voor iemand anders had hij dit geheim gehouden. Hij vertelde hem hoe deze boer, die van zijn voorouders het recht op de spelen geërfd had – we zouden nu zeggen de opvoeringsrechten –  – wanneer de oogst er opzat en de stillere maanden van het jaar aanbraken, dan een groep jongens bij elkaar riep die hij als speler verkozen had. Het was een grote eer om aan de spelen te mogen meedoen. Maar deze eer had een hoge prijs.
Er waren vier voorwaarden waaraan de knapen moesten voldoen.
In de maanden van de voorbereiding en het instuderen mocht geen van hen met de meisjes omgaan, wat voor sommigen wel moeilijk geweest zal zijn. Er mochten door hen geen ondeugende liedjes worden gezongen. Bovendien moesten ze de hele tijd fatsoenlijk leven en ze mochten bij het repeteren nooit protesteren, maar ze moesten zonder meer luisteren naar de  ‘meester die het claor kan speulen’.
Zo werd er dus in oktober en november ijverig geoefend tot de adventstijd en daarmee de tijd van de opvoering. En dan was het eindelijk zo ver. De spelersgroep kwam op de dag van de opvoering bij elkaar en trok als ‘kompanij’ door het dorp, de sterrenzanger voorop met de engel en de duivel achteraan. Hij en de engel waren al verkleed, de anderen nog niet. De hele groep ging na de processie naar de herberg waar de opvoering zou plaatsvinden, trok de toneelkleren aan, bracht alles voor de opvoering in gereedheid. In die tussentijd bleef de duivel in het dorp  en haalde onder de dorpsbewoners zijn streken uit. Hij blies op een koeienhoorn die hij met zich meedroeg, praatte op de mensen in en maakte zoveel stampei, opdat maar heel veel mensen naar de opvoering zouden komen. Maar nodig was dat niet, want de opvoering was de grootste gebeurtenis van het hele jaar. Of er ook iemand was die niet ging? Ja, er was iemand en tijdens Schröers tijd was dat uitgerekend de schoolmeester, die tegelijkertijd ook het aanzien van een burgemeester of notaris genoot. Hij, als vertegenwoordiger van het intellect, hield niet van de spelen. Misschien stak het hem dat de spelen helemaal niet bij één van de godsdiensten hoorde, want ze werden zowel voor katholieken als door protestanten opgevoerd en de spelers waren zowel katholiek als protestant. Misschien was hij ook geïrriteerd, omdat de vrouwenrollen, bv. die van Eva en Maria, door jongens gespeeld werden.
Maar laten we de schoolmeester vergeten!
Tijdens de opvoering zaten de toeschouwers in een halve kring, in hoefijzervorm om de in het midden daarvan spelende groep en zo konden ze zich helemaal één voelen.
Tot zover over de manier hoe een opvoering tot stand kwam en verliep!

Toen Schröer oud geworden was en als professor aan de universiteit van Wenen werkte, volgde een jonge student zijn colleges, die we allemaal kennen en op wie we van harte zijn gesteld. Hij heet Rudolf Steiner. De oude Schröer had al snel in de gaten met wie hij te maken had en sloot hem in zijn hart. Beide, de oudere en de jongere waren spoedig diep bevriend. Het kon niet uitblijven dat Schröer de ander tot assistent en mederaadgever maakte bij alles wat hem zelf zo dierbaar was en zo gaf hij hem de kerstspelen uit Oberufer als een kostbaar erfstuk.
De jonge Rudolf Steiner heeft ze trouw bewaard.
Toen hij zelf ouder was en zich rondom hem een grote groep mensen aaneensloot die enthousiast was voor het nieuwe en het grootse wat hij te brengen had, was het ook aan de tijd de spelen die hij gekregen had weer een plaats te geven in het leven, eerst in Dornach en dan, toen de vrijeschool in Stuttgart opgericht was, ook daar.
Hij gaf ze de toenmalige lerarengroep als geschenk en zo werd in 1921 door de leraren van de vrijeschool, met persoonlijke aanwijzingen van Rudolf Steiner, het herdersspel opgevoerd. (Het is voor ons een mooie gedachte, dat twee van de leraren van toen, ook vandaag weer meespelen in de rollen waarin ze toen al opgingen: de sterrenzanger en de engel. Drie van hen die de jaren daarna met iedere kerst trouwe medespelers waren, zijn reeds door de poort van de dood gegaan.)

Zo loopt er een levende lijn vanaf de boeren uit Oberufer over Karl Julius Schröer en Rudolf Steiner naar de leerkrachten van de vrijeschool Stuttgart.
Maar de ketting heeft nog een schakel. Want tegelijk met ons en naast ons leerkrachten wedijveren oud-vrijeschoolleerlingen om deze spelen in een grotere openbaarheid door te dragen.
Tien jaar lang was het ons niet gegund de Oberuferer kerstspelen op deze plaats in deze zaal op te voeren. De vrijeschool was verboden en de grote zaal lag in puin. Die is weer opgebouwd en zo konden de drie voorbije avonden de leraren hierin hun kerstgeschenk aan de leerlingen geven. Dat was ook wat Rudolf Steiner graag wilde.
Uit het schoolleven van de vrijeschool zijn de spelen niet meer weg te denken. De leerlingen weten dit het beste. Ze verheugen zich, je zou willen zeggen, al een heel jaar, op het ogenblijk waarop ze naar de zaal komen en het gordijn opengaat.

U allen, beste aanwezigen, willen wij leraren, aan de vreugde van dit geschenk dat voor onze leerlingen is, laten deelnemen.

Ernst Bindel, Erziehungskunst 12e jaargang dec.1948

Kerstspelen: alle artikelen

976-903

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Driekoningenspel

.
Klaus Hünig, Leherrundbrief dec. 1996

.

GATTERCOMPAS
.

Een aantal taalkundig-astronomische opmerkingen bij het Oberuferer driekoningenspel.

In de eerste zinnen die koning Melchior spreekt in het begin van het driekoningenspel uit Oberufer, komen o.a. de woorden ‘gattercompas’, ‘der heemlen gloria’ en ‘consamaneren’ voor.
Uit de vragen van collega’s weet ik dat er onzekerheid bestaat over wat daarmee wordt bedoeld. De volgende bijdrage is een poging hierin wat helderheid te verschaffen.

Allereerst helpt een blik in het boek van Helmut Sembdner, ‘De Oberuferer kerstspelen’ [1]. Hierin wordt de tekst van Schröer met andere, nauw verwante teksten bekeken wat veel verrassende ophelderingen over onleesbare stukken tekst oplevert, niet alleen voor het driekoningenspel. Rudolf Steiner zei bij zijn laatste begroetingstoespraak bij de opvoeringen in Dornach, dat hij de tekst van Schröer had willen bewerken om de echte bewoordingen weer in ere te herstellen, waaraan hij echter niet meer toekwam. [2]
Het is nu de verantwoording van iedere ‘kompanij’ om, waar in de loop der eeuwen de mondelinge traditie onbegrijpelijke tekst tot gevolg had – die al in de tijd van Schröer door de boeren uit Oberufer niet meer begrepen werd, tekstveranderingen door te voeren of ook niet.

Voor het nodige inzicht biedt het boek van Sembdner een solide basis.

Wat Schröer zegt, klinkt bij Sembdner zo:

Mein gatter compas und alle instrument
bring her du pagi jetz und behend
des himels gloria auch nit vergiss
es scheint ein stern der nie gewesen ist:
wie Venus mit der sonnen sich consamaniert
auch etwas anders ist vor mir:….
[door Schröer veranderd in:
äuget was anders sich itzt vor mir….]
(cursief en vet door de schrijver)

De vertaling van mevrouw Bruinier luidt:

Myn gattercompas end instrumenten goet,
haestelyc, pagie, hende bringhen doet,
der heemlen gloria reickt boven dien
gins blinckt een star ao noyt en wiert gesien:
daor Venus mit Sonne doet consamaneren
staot iet veurt oogh als nimmer te veuren:

Nu bestaat er een in 1693 waarschijnlijk in Pressburg gedrukte tekst van een kerstspel, die op veel plaatsen bijna letterlijk hetzelfde is als de tekst van het Oberuferer herders- en driekoningenspel en dat hoogstwaarschijnlijk een gemeenschappelijke wortel heeft met de traditionele mondeling overgeleverde en geschreven spelen. [3]
Daarin luidt de betreffende passage:

Mein Quadrant/Compass und all Instrument/
Bring her du Bashi jetzo behend/
Des Himmels Globi auch nit vergiss/
Es scheint ein Stirn so niegewiss/
Wie Venus mit der Sonn sich conjungiret/
Darneben etwas anders doch ist formiret/….

Met de woorden ‘gatter, compas en ‘hemel-gloria’ wil Melchior een aantal astronomische instrumenten hebben, die in de tijd voor de ontdekking van de telescoop in de 17e eeuw. dus vóór Galileï en Kepler, tot de standaarduitrusting van een astronoom (of astroloog – dat was toch nog één) behoorden en hij gebruikt een paar namen uit het Latijn stammende vakjargon: (conju[n]giren: van planeten: een conjunctie hebben, d.w.z. dicht bij elkaar staan en formiren: vormen.

Hoe kwam nu ‘gatter’ uit ‘kwadrant’ en uit ‘Himmels Globi’ de ‘heemlen gloria’? Dat is gemakkelijk te verklaren: wat een kwadrant (Latijn voor quadrare, in vieren delen, vierhoekig maken) en wat Globi (meervoud voor het Latijnse globus, bollen) waren, wisten de boeren uit Oberufer niet, alleen al omdat ze in de regel geen Latijn kenden. Wel kenden ze het woord ‘gatter’ en ‘gloria’ was hun uit de godsdienst wel vertrouwd. Zo pasten ze de hun onbekende woorden aan, aan daarop lijkende woorden die wél vertrouwd klonken  en die daardoor een nieuwe betekenis kregen. Zulke aanpassingen die met het begrip volksetymologie worden beschreven, komen in bijna alle talen voor. Het is buitengewoon stimulerend ze te onderzoeken.

Wat was er nu met de genoemde apparaten? Waarvoor dienden ze en hoe zagen ze eruit?

kwadrant in 2 andere standen

Een kwadrant is, zoals zijn Latijnse naam al zegt, een kwart van een cirkel, in de praktische uitvoering meestal een  kwart cirkelschijf. Op het gebogen deel – dus op het kwart van de cirkelomtrek – bevindt zich een getallenschaal van 0 tot 90 en in het middelpunt van de cirkel een draad met een gewicht, een schietlood dus, of een arm die kan draaien, de alhidade: vizierlineaal (een woord uit het Arabisch, zoals zo veel astronomische begrippen)

Met het loodkwadrant wordt zo gemeten: wanneer langs één van de beide rechte kanten van het kwadrant – dus langs de straal van de cirkel – een punt tussen horizon en zenit gepeild wordt, geeft het loodrecht naar beneden hangende schietlood op de schaal de hoogtehoek aan, d.w.z. de hoek die de straal van de blikrichting naar de horizon en die naar het ruimtepunt met elkaar vormen. Wanneer dat punt op de horizon ligt, is de hoek 0′, ligt deze in het zenit, dan is hij 90′. Met het loodkwadrant wordt dus de hoek gemeten die een ster maakt met de horizon.

De kwadrant met de vizierarm kan onafhankelijk van de horizon gebruikt worden, bv. om de hoek tussen 2 sterren te meten. Daarbij wordt tegelijkertijd gepeild langs de vizierarm en langs de zijde van het kwadrant, waartoe het apparaat in de regel vrij draaibaar op een standaard gemonteerd is en de meting door twee waarnemers tegelijk uitgevoerd kan worden. In plaats van een kwadrant heeft men ook dikwijls de handzamere sextant gebruikt die precies zo geconstrueerd is, maar als basis een zesde van een cirkel heeft (niet te verwarren met de pas in de 18e eeuw uitgevonden en tegenwoordig nog gebruikte spiegelsextant).

Het is niet zo moeilijk om met behulp van een passer, gradenboog en liniaal uit karton of triplex een kleine loodkwadrant te maken. Een zevendeklasser zou hiertoe eigenlijk de gelegenheid moeten krijgen in de geschiedenis- of meetkundeperiode. Kwadranten waren in het tijdperk van de veroveringen onontbeerlijk voor de navigatie..

driekoningenspel gatter

Met een kompas – in de zin van een oud astronomisch apparaat – wordt niet, zoals men zou kunnen denken, een magneetkompas, maar een passer bedoeld. In het Engels is het duidelijk: passer is in die taal: a pair of compasses. Waar deze bij gebruikt werd, wordt pas duidelijk wanneer je de Himmels Globi, dus de hemelgloben bekijkt. Ze waren in de regel zo gemaakt dat de sterrenbeelden in spiegelbeeld afgebeeld werden, omdat men de hemelbol als van buitenaf bekeek en ze hadden aan de buitenkant een horizontale ring, die de positie van de horizon aangaf. Wilde men de afstand tussen twee sterren aan de hemelboog markeren, dan mat men eerst hun hoekafstand, bv. met behulp van een kwadrant, bracht deze hoek over op een steekpasser waarvan de lengte van de benen precies overeenkwam met de bolradius van de hemelglobe en zo kon men met de passerpunten deze afstand zuiver op de bovenkant van de hemelglobe overbrengen. Nu is het ook niet meer zo verwonderlijk waarom men op oude prenten de astronoom zo vaak met de passer in de hand voor een hemelglobe afgebeeld ziet.

Blijft nog het raadsel wat zich verbergt achter de woorden alle instrumenti – vertaald in – end instrumenten goet. Waarschijnlijk een kijker, die men echter niet mag verwarren met een verrekijker omdat er geen lenzen inzaten en misschien een jakobsstaf. De eerste is sinds de oudheid, de laatste sinds de 13e eeuw bekend.
Met een kijker, bv. een eenvoudige rol karton, kun je ook zonder de lichtconcentratie van lenzen het zicht op de hemel aanzienlijk verscherpen, omdat het oog zich fixeert op een klein stukje hemel.
Een jakobsstaf is een staf met een gradenschaal waarop een kortere dwarsstaf verschoven kan worden.

Peilt men 2 punten en verschuift men de dwarsstaf tot de punten precies met het einde samenvallen, dan kan men op de schaal van de hoofdstaf de hoek tussen de 2 punten aflezen.

Wat kun je van het bovenstaande nu gebruiken in het driekoningenspel?

Dat moet iedere ‘kompany’ zelf beslissen. Maar je kunt je afvragen hoe het staat met het bewustzijn waarnaar we ook op school vanuit de antroposofie streven, wanneer onbegrijpelijk verbasterde woorden alleen maar gebruikt worden om niet met een geliefde traditie te breken.

Klaarblijkelijk is aan het begin van deze traditie meteen al met een eerdere traditie gebroken, waardoor het tot onbegrijpelijke woordverbasteringen kwam.

De vraag hoeveel en welke astronomische instrumenten de page moet brengen, moet met veel inlevingsvermogen beantwoord worden. Een kerstspel is geen tentoonstelling. Vermoedelijk is een mooie, een koning waardige kijker genoeg, zoals tot nog toe bij de speltraditie in onze scholen gebruikelijk is.
.

[1] Helmut Sembdner, Die Oberuferer Weihnachtsspiele im Urtext
[2] blz.179
[3] blz.35

In de tekst van het driekoningenspel waarover ik beschik, staan de woorden ‘gatter’ en ‘kompas’ aan elkaar geschreven. Uit bovenstaande blijkt dat er eigenlijk een spatie of komma tussen hoort: het zijn 2 instrumenten.

Voor meer informatie over de instrumenten

.

Kerstspelenalle artikelen   w.o.  Driekoningenspel

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

741-678

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschoolpedagogie.com

.

DÉ SITE MET DE MEESTE ACHTERGRONDINFORMATIE OVER HET VRIJESCHOOLONDERWIJS

.

U vindt via onderstaande rubrieken de weg naar meer dan 2400 artikelen.
.

In het zoekblokje (op deze pagina rechtsboven) een trefwoord ingeven, leidt ook vaak tot artikelen waar het betreffende woord in voorkomt.
Wanneer er meerdere koppen van artikelen worden getoond, is het raadzaam ieder artikel open te maken en onder aan het artikel bij de tag-woorden te kijken of het gezochte woord daar staat.
Wanneer het artikel is geopend, kan je Ctr + F klikken. Er verschijnt dan een zoekvenstertje waarin je het gezochte woord kan intikken. Als dit woord in het artikel aanwezig is, kleurt het op.
.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen;

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3klas 4klas 5klas 6klas 7;  klas 8         (rest volgt – via zoekbalk vind je ook de andere klassen: 9 t/m 11)   klas 11

KERSTSPELEN
Alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogmet vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2]

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
Alle artikelen


VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

de vrijeschool: breinvriendelijk onderwijs

Vrijeschool in beeld: illustraties van het vrijeschoolonderwijs

EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets


karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein

.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

.

434-404

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Alle artikelen

.
Rudolf Steiner over de Kerstspelen:
GA 274: toespraken

0-0-0

Inleiding

Algemene aanwijzingen
over de spelen; uit Steiner ‘dramatische cursus’; uit Müller “Spuren auf dem Weg”; over het ‘dialect’, muziek, op het toneel: links/rechts; voor/achter; achtergrond van bepaalde scènes uit alle 3 de spelen

Algemene aanwijzingen
waarschijnlijk Willem Veltman over: mysteriespel; plaats boom; bank schriftgeleerden; plaats Eva in de company; dramatische gebaren en bijbehorende spraak; episch, lyrisch, dramatisch; voorbeelden bij figuren uit de 3 spelen.

Paradijsspel: alle artikelen

Herdersspel-Geboortespel: alle artikelen

Driekoningenspel: alle artikelen

ACHTERGRONDEN waarin alle drie de spelen ter sprake komen:
.
Achtergronden van de Kerstspelen
Carel Eckhart over: de voorbereidende stemming; oorsprong van de spelen; korte karakteristiek van paradijsspel – Vadermotief, episch; kerstspel – Zoonmotief, lyrisch, driekoningenspel – Geestmotief, dramatisch; het getal 3 en 4

Over de kerstspelen
P.C.Veltman over: hoe werd in Oberufer gespeeld; korte karakteristiek van de 3 spelen en veel rollen; wie of wat is de duivel; het kwaad.

Kerstspelen en Kerstmis
P.C.Veltman
over: ontstaan van lekespelen en van het spel uit Oberufer.

De Kerstspelen
P.C.Veltman over: geschiedenis van het kerstspel in ’t algemeen; over dat uit Oberufer.

De kerstspelen uit Oberufer
Marijke van Hall over: raak je erop uitgekeken?; paradijsspel: episch, geboortespel: lyrisch, driekoningenspel: dramatisch.

De kerstspelen uit Oberufer
Marijke van Hall over: een karakteristiek van iedere speler; waar moet je om denken als je een rol speelt; de inhoud van het spel, de aard van de spelers en de tijd waarin wij leven.

Over de boodschap van de Kerstspelen
Johannes Tauz over: korte achtergrondschets.

Voor de opvoering van het kerstspel uit Oberufer
Ernst Bindel over: korte achtergrondschets.

[5] Onze Kerstspelen
C.R.Klinkenberg
over: Thornton Wilder en ‘het toeval’; de ‘toevallige’ ontdekking van de spelen door Schöer; de waarde en de kracht van het beeld.

Leopold van der Pals
C.Rens-Portielje over Van der Pals die de muziek schreef bij de Kerstspelen.
Van der Pals zelf aan het woord.  

Kerstspelen. Waarom ook weer?    (3e artikel in de lijst)
Ruud Gersons over: een gang door het herdersspel, met uitleg en verklaringen.
(Het antwoord op de vraag vond ik er niet in terug)

Literatuurlijst
.

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Jaarfeesten

.
422-394

.

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Driekoningenspel

.

Magchiel Matthijsen, DRIELUIK, mededelingenblad van Zeister vrijeschool, datum onbekend
.

KERSTSPELEN – DRIEKONINGENSPEL

Met de opvoering van het Driekoningenspel is aan de meest intensieve tijd van feesten in de jaarkring een einde gekomen, en ietwat oneer­biedig kan het gevoel opkomen ‘nu dan weer tot de orde van de dag te kunnen terugkeren.’ Zo is het echter niet, juist dankzij het inten­sieve vieren van deze feesten en dankzij het er lange tijd voor- en ‘nabereidend’, mee omgaan, begin je te merken, dat er daardoor pas zo­iets als ‘orde’ van de dag kan zijn.

Zonder deze momenten van de jaarfeesten zouden immers de dagen geens­zins met orde verlopen,  integendeel,  een overgeleverd zijn aan de on­geordende bewegingen van de natuur, van weersgesteldheden, van de at­mosfeer zou het gevolg zijn. Een leven, waarin de stemmingen van het zielenleven zich zouden opvolgen als wolkenflarden die aan de zon voor­bij trekken, of als de steeds wisselende temperaturen van het water. Het ordenende bewustzijn danken we echter aan een sfeer, die weidser is dan de directe levenssfeer van de aarde, de sfeer van de hemellichamen, van de kosmos – waarin ook de betekenis van het woord ‘orde’ ligt opgesloten.
Hierop kan het Driekoningenspel ons wijzen, wanneer immers de alles omverwerpende gebeurtenis van de geboorte van het Christuskind zich in Palestina voordoet, waardoor een nieuwe orde der dingen ontstaat, dan is het niet een plotseling geruis door de bomen, of een schokken van de aarde, die ons dit wereldgebeuren meedeelt, maar een uit wereldruimten stralende ster ‘so noyt en wiert gesien’. Juist omdat deze gebeurtenis in de tijd een nieuwe orde schiep, moest de afspiegeling, daarvan zich groots en weid in de ruimte voordoen.

Het is misschien mogelijk vanuit een bepaald gezichtspunt nog een korte blik op deze Drie Koningen te werpen, om te zien hoe in hun komst naar Bethlehem, en met name in de geschenken, die zij uit hun landen mee­brengen van oudsher de eenheid van deze Drie Koningen werd beleefd.
De drie afzonderlijke Koningen representeerden van dat geheel slechts een facet; zo sterk sprak die eenheid tot de verbeelding van het volk, dat in de legenden, die zich rond deze figuren sponnen, Balthasar, Kaspar en Melchior als onafscheidelijk werden gezien, van het moment dat de afzonderlijke wegen hen tezamen had gebracht tot en met het moment van de dood toe, waar de reeds gestorven en begraven Baltha­sar en Melchior in hun graf opschuiven en plaats maken, wanneer de jongere Kaspar komt te sterven en in hetzelfde graf wordt bijgezet.

Tegenover hen stonden de Herders, niet ‘de drie Herders’, hoewel door de volksspelen in de 15e eeuw langzamerhand een zekere indivi­dualisering is opgetreden, waardoor enkele van hen een naam kregen – die weliswaar niet in de legenden voorkomt, maar die ons in de loop der tijden haast even vertrouwd in de oren is gaan klinken als die van Kaspar, Balthasar en Melchior. Maar net zomin als de geschenken van de Herders hun betekenis ontlenen aan de veredeling, die zij door de bewerking van mensenhanden hebben ondergaan – immers wol, meel, melk en het lam (gaven, die niet in de Evangeliën worden ge­noemd) zijn geschenken, die uit de directe levensgemeenschap van de Herders met de natuur voortkomen (de natuur schenkt als het ware door de herders heen), zo zijn het niet de individualiteiten die de geschenken aanbieden, waar het hier om gaat. Hier is het geschenk eerder ‘voorwendsel’ voor de allerarmsten, voor hen die niets bezitten, om het licht van het Christuskind te mogen aanschouwen, in de stal te mogen zijn en niet met lege handen te hoeven staan.

Met de geschenken, die de allerrijksten brachten, en die met grote zorg waren uitgezocht, heeft zich begrijpelijkerwijze al vrij vroeg een symbolische betekenis verbonden.

Dat in dit kind een Koning geëerd werd, die over de gehele wereld zou regeren met Goddelijke macht, kon alleen worden uitgedrukt in het G O U D, in een gouden appel. Dat deze heerschappij berustte op de Goddelijkheid van deze Majesteit, en dat aan deze Godheid hulde ge­bracht moest worden, werd zichtbaar in de zich vervluchtigende rook van de W I E R O O K, en dat deze God, die met zijn geboorte op aarde het lot van de mens, van de sterfelijkheid van de mens op zich nam, vond zijn weerspiegeling in de M I  R R E,  die vanouds bij elk begra­fenisritueel werd gebruikt.  Zo vond in deze drie geschenken het aardse antwoord, de bevestiging van de geboorte van dit Goddelijk menselijk wezen plaats.

Melchior schenkt in onderwerping aan de Majesteit van de nieuw gevonden Koning het goud,  hopend op genade.
Kaspar schenkt de mirre, roemend en prijzend het wonder van de geboorte van het Goddelijke in een teer, broos, menselijk lichaam -‘hoe is U woningh so arrem bestelt.
Balthasar schenkt de wierook en eert daarmee de hoogste Goddelijke Held en Koning.
Maar meer kunnen deze geschenken voor ons zijn, wanneer ze worden
gezien als een tijdeloze afspiegeling van onze groeiende verhouding tot het hogere;  wanneer de mirre het beeld wordt van het terugdringen van het zintuiglijke leven,  van het afsterven voor de steeds wisselende indrukken van buiten, wanneer in de wierook tot uitdrukking komt hoe. door een innerlijk ruimte maken, inhouden in de ziel kunnen worden opgenomen en kunnen groeien, en hoe van daaruit in het goud,  de liefde, die als dank voor de nieuwe innerlijke openbaring kan oplichten, wordt uitgedrukt. Zo spraken de middeleeuwse schrijvers nog over de beteke­nis van deze gaven.

Wanneer in dit verdere verloop nog iets over de Drie Koningen afzon­derlijk gezegd wordt, geschiedt dat niet aan de hand van een middel­eeuwse schrijver, maar aan de hand van een voordracht van Rudolf Steiner.
Steiner bespreekt in een pedagogische voordracht, hoe de drie verschillende logische functies, het voorstellen, het oordelen en het besluiten, die de mens met zijn zielenorganisme uitvoert, en waarin we respectievelijk de zielenactiviteiten van het denken, voelen en willen werkzaam zien, hoe we min of meer gewend zijn deze drie functies in de hersenen gelokaliseerd te zien, waardoor een oefenen van deze vermogens dientengevolge in het verleden als een scholen van het exact-logische, causale denken werd gezien. Steiner wijst erop, dat dit niet juist is, dat eigenlijk alleen de functie van het voorstel­len aan het denken, aan het hoofd in directe zin is gebonden, terwijl de grondslag van het oordelen bijvoorbeeld niet in de hersenen is te vinden, maar in armen en handen. ‘In werkelijkheid oordelen wij met onze armen en handen.’ En zoals de armen en handen niet het oordeel, maar de activiteit van het oordelen mogelijk maken, zo zijn het volgens Steiner de benen en de voeten, die samenhangen met het vermogen om besluiten te nemen. Los van de betekenis, die deze inzichten hebben voor een opvoedkunst, die zich de ontwikkeling van deze vermogens ten doel stelt- een heel nieuw licht wordt hierdoor bijvoorbeeld op een vak als handvaardigheid of euritmie geworpen – kan ons aan een korte beschouwing over de Drie Koningen iets van de waarheid van een der­gelijk, niet direct  controleerbaar gezichtspunt duidelijk worden. 

Vanuit een werkelijk kunstzinnig scheppingsproces, dat van een inspiratief beleven van de waarheid is doortrokken, moet in het tot leven brengen van deze drie gestalten zichtbaar worden, hoe de drie verschil­lende zielenhoudingen van deze wijzen zich ook in hun denken op ver­schillende manieren uitten.

Er zullen zo vanuit de kunstzinnige oerbron, van waaruit aan deze
personen in de middeleeuwen gestalte werd gegeven, al vanzelfsprekend
verschillen ontstaan al naar gelang een sterker benadrukken van het
voorstellende, oordelende of besluitende karakter, dat het denken van
deze Koningen eigen is.

De werkelijke inspiratie en de waarheid van waaruit deze middeleeuwse spelen kunstzinnig vorm kregen, stond er echter borg voor, dat deze elementen niet als een abstract gegeven of een theorie aan ons ver­schijnen.

Ze zijn niet aan de figuren ‘opgehangen’, integendeel, er wordt
zichtbaar, hoe dit verschillend gerichte denken uit een levend beeld van de verschillende geaardheid van deze Koningen voortsproot, en hoe tot in hun spreken en bewegen dit principe op de wijze, zoals dit door Rudolf Steiner werd beschreven, onbewust in hun scheppingen vorm kreeg. Hoewel het niet in de bedoeling kan liggen de Kerstspelen tot vrij gebied voor schriftgeleerden te verklaren, van het bovenstaande hier tot slot een enkel voorbeeld.

Melchior is de enige Koning door wie de directe waarneming van de ster wordt beschreven; uitvoerig neemt hij waar en bouwt het inner­lijk beeld op, waarvan hij het raadsel ter oplossing, de mathemati­cus te duiden geeft.
Op grond van zijn waarnemen en doorzien van de situatie draagt hij in het verdere verloop mogelijke oplossingen aan. Zo verbindt hij telkens een oude situatie met een nieuwe. Wanneer de ster verdwenen is, het optrekken naar Jerusalem; na het bezoek aan Herodes het verder trekken naar Bethlehem, enzovoorts, maar in de stal spreekt in zijn herinnering het beeld van Herodes, tot wie de Koningen zouden terugreizen: hij brengt het heden met wat direct vooraf ging in verbinding. Zo rijgen de beelden, de voorstellingen zich aaneen, en wanneer het denken zijn zekerheid eenmaal gevonden heeft, brengen de v r a g e n van dit hoofdgebonden denken: welk geschenk, welke weg? hem niet van zijn stuk.                     .

Balthasar, de oudste der koningen, treedt nooit als eerste op, hij
laat de anderen voorgaan, heeft een situatie nodig waarop hij deze
met de zijne vergelijkend, kan reageren. Er moet al een soort
herkennen zijn, dan kan hij vanuit hartenkrachten oordelen en bezit hij
zijn zekerheid; hij weet het passende geschenk, en waar ‘twee wegen’
zijn, de juiste weg. Hij weet, dat op de plaats waar de ster stilstaat
het kind zich bevindt. Het is dan ook Balthasar, die ten afscheid in
de stal de zegen uitspreekt en daartoe armen en handen uitspreidt.
Hier, op dit gebied heeft zijn oordelen een zekere mate van vrijheid
in het bewegen geschapen, of anders gezegd, het vrije bewegen van
armen en handen in gebed, offeren en zegening leidt bij Balthasar tot
de innerlijke zekerheid in het oordeel.

Kaspar is de enige Koning, de jongste, die op weg trekt zonder dat uitgesproken werd waarheen. Zijn vertrouwen in de ster is voldoende. Het jong zijn verklaart iets van zijn spontaan, direct reageren – zo soms neigend naar het naïeve – en zijn vermogen tot het zich verwon­deren uit zich in al zijn ontmoetingen met mensen. Bethlehem wordt niet genoemd. Hij draagt zijn doel in zich, in een diepere, haast onbewuste laag, van waaruit hij, op het moment van de plotselinge twijfel, van de ‘dwaligh’ ruw wordt losgerukt.

De bede van Kaspar is er een om de ‘regte baen’. Zijn voeten moeten immers de weg kunnen blijven volgen. Daaruit ontspruit dan de besluitkracht, waarmee hij zich actief met de wereld om zich heen kan verhouden.

Zö zien we deze Koningen vóór ons, in hun voortbewegen en voort­schrijden ervaren we een levendigheid en een vrijheid, die ons bewust kunnen maken hoe willekeurig en krom onze eigen banen meestal zijn, hoe star ons voor of tegen, ons ja of nee, en hoe sprin­gerig en vluchtig, ons denken.

Een dergelijke beschouwing kan opnieuw, vanuit één bepaalde gezichts­hoek duidelijk maken welke grote wijsheden er in de Kerstspelen ver­borgen zijn, en richt de blik op de bron van waaruit dit weten is voortgekomen.

.

Driekoningenalle artikelen

Kerstspelen: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

414-388

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Ervaringen met het Oberuferer kerstpel

.

hoe ver is het wel…. ?

TOT je er bent

Ervaringen met het Oberufer kerstspel

In de plenaire strafinrichting voor vrouwen in Utrecht werd door een groep het kerstspel opgevoerd. Voor de bewoners van de inrichting een doorbreking van de dagelijkse gang van zaken, waarbij zij uit hun cel en bij elkaar waren. Het was niet eenvoudig om door het geroep en de rook heen met het spel te beginnen. En er was bijna geen moment stilte, behalve toen Jozef en Maria op weg waren naar Bethlehem.

Uit de opmerkingen bleek hoe goed er geluisterd werd naar wat er op het toneel gezegd werd. Tijdens de geboorte maakte één van de aanwezigen het gebaar van Maria mee. Een ander zong alle liederen mee, hoewel zij die nog niet gehoord had.

Toen de spelers zingend de zaal verlieten, riepen de aanwezigen: “Jozef, Jozef, kanjer, kanjer …!!”

Een twaalfde klas speelde het kerst­spel op de psychiatrische afdeling van de Willem Arntzhoeve. De engel werd gespeeld en gezongen door een zeer lange jongeman; de engel en jurk was hem veel te kort. De herders de­den niet altijd verantwoord, zeker niet bij de repetities, die ’s mid­dags om vijf uur begonnen, dus na een lange lesdag. Er ontbrak nooit iemand op de repetities. Er was geen toneel, en geen echte zaal. Het was steeds rumoerig. Toch voltrok zich het spel op een intense en intieme wijze. De leerlingen waren onder de indruk van wat hen van uit de zaal tegemoet kwam.

Een groep volwassenen speelde voor de bewoners van de Rijksinrichting voor jongens, een observatie-inrichting voor jeugdige delinquenten. Na afloop zaten de spelers, nog in toneelkle­ding met de aanwezigen aan de koffie; er werd over van alles gepraat, ook over het spel.
Een van de Marokkaanse jongens vroeg: “Is er voor mij ook verlossing?”

In een grote zaal, mooi vormgegeven en mooi van kleur zitten veel kinde­ren bijeen, in leeftijd variërend van zeven tot achttien jaar.
Het zaal­licht gaat uit en zingend komen de spelers binnen. Er is gepraat,
ge­lach, geroep van namen.
Het doek gaat open en een groot diep toneel wordt zichtbaar. Terwijl het spel zich vol­trekt, blijft het rumoerig in de zaal. Als de spelers na afloop van het spel in de kleedkamer zijn, verzuchten zij: “Het was geen moment stil, zelfs niet bij de geboorte. Zo gaat het niet langer…!” Het volgend jaar gaat het weer zo, totdat …….

Door al mijn ervaringen met het kerstspel ben ik er van overtuigd, dat het kerstspel ijzersterk en on­verwoestbaar is; dat het overal, on­der de meest moeilijke omstandigheden gespeeld kan worden door ouders, le­raren en bovenbouwers. Waarom dan toch die verzuchtingen? Hierover een paar opmerkingen.

In de eerste plaats is het goed vast te stellen, dat het kerstspel een toneelstuk is; dientengevolge is het onderhevig aan de wetten die de toneeldiscipline stelt. Toneel is drama, is handeling, is uiteenzetting van individuen met elkaar. Overal waar die uiteenzetting zichtbaar wordt in het gebaar en voelbaar wordt door het woord, zal ieder publiek geboeid raken. Wat het woord betreft moet het uiteraard verstaanbaar en begrijpelijk zijn. Nu is de kerstspeltekst vaak volstrekt onbegrijpe­lijk, ook voor volwassenen.

Ik heb “der armen soelaas” al menig maal moeten uitleggen. Voor kinderen geldt toch ook, dat wat er op het toneel gesproken wordt, begrepen moet kunnen worden. Dat kinderen het allemaal niet in één keer begrijpen, is geen reden om het maar onbegrijpelijk te laten.

Toneel is ook beweging, zielenbeweging en fysieke beweging; die bewegingen moeten beleefbaar zijn, in al hun intensiteit. Gebeurt dit niet, dan zal het publiek zeker zelf beweging gaan maken, en daar zijn de leerlin­gen heel bedreven in (bewegingsonder­wijs!) Ingehouden spelen voor de kleintjes betekent dat er te weinig overblijft voor de groten. Drama is nu eenmaal geen vorm die past bij de geestesgesteldheid van het kleine kind. Daar zijn andere vormen voor. Ten overvloede zij vermeld, dat ook het z.g. “kleine kerstspelletje” to­neel en dus drama is.

Het kerstspel spreekt niet (meer) voor zichzelf. Mensen moeten het la­ten spreken. Dat kan als ieder op zijn eigen manier een verbinding met de rol krijgt, zodat hij die zo sterk mogelijk op het toneel kan zetten. Het kerstspel is natuurlijk ook een mogelijkheid voor de volwassene om zich te ontwikkelen, maar dat moet hij dan wel thuis doen, of met de collega’s tijdens de repetities; op het toneel moet het zo zeker zijn als iemand maar zijn kan. Bij de rolver­deling gaat het er niet om of Maria eersteklas-juf is, maar of zij kan zingen, dan wel er zo aan wil oefe­nen, dat het goed gaat. Uiteraard geldt dit voor alle zangrollen.

Het kerstspel heeft evenals de twee andere spelen, een geschiedenis. In de loop van die geschiedenis hebben velen bijgedragen tot inzichten om­trent regie, kleding en belichting. Daarin zit heel veel wat waar is. Maar wat tien jaar geleden waar was, hoeft dat nu niet meer te zijn, en als het nog wel waar is, wat ten aan­zien van de kerstspelen heel goed mogelijk is, ziet die waarheid er nu anders uit. Iedere groep, die aan het kerstspel begint zal zijn eigen waar­heid moeten ontdekken. Dat is ook de enige manier, waarop dit spel zo le­vend blijft, dat de inhoud ieder jaar opnieuw beleefbaar wordt. En laat iedereen uit de rijke kerstspeltraditie gebruiken wat nodig is.

Soms wordt het meedoen aan een kerst­spel gezien als een verzwaring van de toch al niet geringe taak. Als een college het instuderen en opvoeren van het kerstspel nu eens niet aan kan, is het dan zo erg ouders, of een groep leerkrachten van elders dat te laten doen? Maar de kinderen moeten hun leraren in het spel zien, is dan het vaak gehoorde antwoord. Maar gaat het daar dan om? Uiteraard niet. Het drama moet zich voltrekken op de bes­te wijze die leken uit hun volle ver­antwoordelijkheid voor de inhoud van het kerstspel kunnen opbrengen. Dan zal ieder publiek, rumoerig of niet, dankbaar zijn.

(Peter van der Bijl, Zeist, nadere gegevens ontbreken)

.

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:  advent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

402-379

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Paradijsspel

.

HET PARADIJSSPEL, EEN SPIEGEL VAN DE MENS

Al jarenlang speel ik in het paradijsspel. Een spel dat telkens grote indruk op mij maakt en mij ertoe aanzet om controversiële ideeën over ‘Adam en Eva’ op het toneel vorm te geven voor zowel volwassenen als kinderen. Het paradijsspel is voor mij sterk bepalend geweest in het vormen van gedachten over de positie van man en vrouw, in deze eeuw van emancipaties. Mijn intenties en de manier waarop ik mijn rol in het spel heb gespeeld, heeft – naar ik hoop – zijn uitstraling naar het publiek, dat nooit mijn mening heeft gehoord zo lang ik bij dit spel betrokken ben geweest.
Toch lijkt het me goed eens naar buiten te treden, om te proberen de vermeende rolbevestigende beelden over man- en vrouwverhoudingen in het paradijsspel weg te werken, die het karakter en de schoonheid van het spel te niet doen.

Wel geef ik direct toe dat er aanleiding genoeg is voor een rolbevestiging, en dus om terecht tot een negatief oordeel over de vrouwenrol te komen. Onze materieel ingestelde maatschappij wil graag de feiten kennen, zoals ze zich letterlijk aan ons voordoen. En ook ik voel dat aan als gerechtvaardigd en juist, doch dat zou nooit het enige mogen zijn dat tot een oordeel leidt. Een ieder weet, dat juist tussen en achter de ons gege­ven zintuiglijke verschijnselen het leven pas tot uit­drukking wordt gebracht. In dat wat tussen de regels door te lezen is, in de manieren waarop bij intermense­lijke contacten iets wordt gezegd, is vaak een grotere waarheid verborgen dan in de naakte, op feiten geba­seerde werkelijkheid. Daarom ook wordt er onbevan­genheid en openheid verlangd, die kinderen nog van nature bezitten en volwassenen zich steeds bewust eigen moeten maken, om te kunnen luisteren naar wat het paradijsspel zo tussen de regels door voor waarheid te verteilen heeft over het man- en vrouwzijn. Heel vaak hoort men de aanduiding dat de kerstspelen mysteriespelen zijn. Dit betekent naar mijn inzicht niets anders dan dat de spelers en de toeschouwers moeten zoeken naar het geheim, dat achter het verhaal verborgen is. Vooral zij, die de spelen voor het voet­licht brengen, zullen het geheim zo moeten kennen, dat het publiek het mysterie kan zien, beleven en onder­gaan, zoals het werk van een kunstenaar een herken­ning en een zielebeleving bij de beschouwer teweeg kan brengen. In een dergelijk spel ziet de toeschouwer iets van zijn ‘geschiedenis’ en een aanduiding waartoe de mens op aarde is. Het is als een oproep om naar de zin van dit bestaan te zoeken. Je bent nu eenmaal een mens om (als je wilt) een nog vollediger mens te wor­den.

Als ik met een materiële kijk op het leven de juiste sleutel tot het ontsluiten van een mysterie meen te kunnen vinden, dan maak ik het mij vaak erg moeilijk. Een feit is zo begrensd, afgebakend en gedefinieerd, dat het proces dat daaraan vooraf is gegaan, niet meer zichtbaar is. De liefde voor de naakte feiten maakt dat de personages in het spel door een naïef realistische bril worden bekeken, waardoor elk van hen als een afgezonderde, zelfstandig bestaande persoon wordt beschouwd: Godvader is de god die de wereld en de mens uit zijn almachtige hand laat ontstaan; Adam wordt de mens en uit zijn lijf mag Eva komen, die op haar beurt zich inlaat met de duivel Lucifer, waardoor Adam ook in het verderf wordt gestort. Rollen die zo gemakkelijk kunnen worden opgevat als bevestigend en in deze emanciperende cultuur ook terecht be- en veroordeeld worden.

Maar mist men zo niet het beste? Kan men niet beter net zo als bij de eredienst en bij een kunstwerk boven deze feitelijke werkelijkheid uit stijgen en zoeken naar de meerwaarde, die uit de figuren spreekt? Het gaat naar mijn mening in deze spelen niet om de almacht van God als schepper, om Adam die door zijn vrouw verleid wordt, of om Lucifer die het kwade sticht, maar meer om het verhaal van de wordende mens, die voorgehouden wordt in de toekomst nog volmaakter te worden. Een boer zaait toch geen volledige planten, maar wel het zaad en er zijn andere krachten nodig om tot groei te komen. Zo geeft God in de loop der tijden aan (de eerste) Adam, die als ‘evenbeeld’ manlijk-vrouwlijk werd geschapen[1], een bezield lichaam dat bij de aarde hoort. En deze aards bezielde mens ontwik­kelt zich tot een steeds volmaakter wezen, tot geest, die levend schept[2].

Het paradijsspel tilt het mensheidsverhaal boven het gewoon zichtbare uit. Voelde Vondel in zijn tijd dat de wereld een schouwtoneel was, voor de toeschouwer wordt het paradijsspel tot een spiegel, waar verschil­lende kwaliteiten van de menselijke ziel op het toneel zichtbaar worden gemaakt. En W. Kloos, een dichter, welbekend bij de Tachtigers, kon bijvoorbeeld zeggen:

“Ik ben een god in ’t diepst van mijn gedachten
En zit in ’t binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij-zelf en ’t al, naar rijks geboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten …”

Zou de mens begenadigd zijn met goddelijke schep­pingskrachten? Goethe, een beroemde Duitse dichter, ervoer het goddelijke in de mens in de hulpvaardig­heid, in zijn vermogen om te kunnen scheiden, verbin­den, beoordelen, straffen, vergeven, enz. [5]. R. Steiner kwam door zijn waarnemingen zover, dat hij de mens zelf als medeschepper ziet van de aarde en zijn eigen lichaam [3]. En dan F. Schurer, een Fries dichter, ont­dekte in zichzelf een Kaïn en een Abel-natuur en dat drukt hij uit in deze woorden:

“Twa bruorren stean nest elkaar
op bou en skieppeweide
de ien hjit Kaïn, Abel de oar
en ik bin ien fan beide”

Zou dat ook niet zo kunnen ten opzichte van de engel Gabriël, van Lucifer, Adam, Eva, Godvader, de Boompjesdrager:

“En ik, ik ben een van hen?”

Het laten varen van een naïef realistische voorstelling van zaken door over te durven stappen naar een meer innerlijk en kunstzinnig schouwen van de wereld, schenkt meer perspectieven om het paradijsspel te kunnen beleven en bezielen. Voor de spelers, de regis­seur, de muzikanten, de belichter, de decorbouwer en andere deelnemers aan het spel betekent dit een zich steeds weer bezinnen op de eigen inzichten omtrent het aardse en geestelijke menszijn, opdat het publiek kan voelen welke worsteling telkens nodig is bij de poging de bron van de mens ‘Adam’, ‘de uit aardse stof ge­vormde’ [4] te naderen.

En toch wordt dit paradijselijke beeld van de mens aan de ogen van het publiek in zo’n vorm geopenbaard, dat, ondanks de dramatiek van de uitdrijving uit het paradijs, het spel zelfs voor kinderen gespeeld kan worden al is het geen sprookje, geen gewoon schep­pingsverhaal, maar een echt menselijke ontwikkelings­weg. Telkens ervaar ik, als ik in dit spel meespeel, de grootsheid van de ingeving, die Rudolf Steiner destijds kreeg om dit spel als religieus leerproces voor de kinderen in het jaarfeestenprogramma van de school op te nemen. Ik hoop dat een ieder van dit spel kan genie­ten.

Noten:
1) Genesis 1: 27.
2)   Paulus de Apostel: 1, Corinthe: 15.
3)   Rudolf Steiner: ‘Wetenschap van de geheimen der ziel, blz. 201, Natuurwezens blz. 29.
4)   Emil Bock: ‘Urgeschichte’, blz. 29.
5)   J.W. Goethe: ‘Das Göttliche’ (een gedicht).

(Gerben van der Heide, nadere gegevens onbekend)

.

kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldkerstspel  Kerstmis    jaartafel

.

400-377

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Achtergronden (1)

.
Marijke van Hall, Michaëlshoeve, nadere gegevens onbekend
.

DE KERSTSPELEN UIT OBERUFER

Van klein kind af heb je jaarlijks “de kerstspelen” zien opvoeren, later ging je meespelen en nu al jaren houd je je met de regie bezig. — Ben je er dan niet een beetje op uitgekeken?
Het tegendeel blijkt waar: telkens ontdek je weer nieuwe min of meer ver­borgen aspecten door een opmerking of door een wijze van spelen van een nieuwe­ling, steeds rijker wordt het totaal, steeds veelzeggender bepaalde details.
Toen Karl Julius Schroer deze juwelen in de vorige eeuw tegen­kwam bij zijn speurwerk naar dialectvormen in het Oostenrijks-Hongaarse grensgebied, werd hij naast zijn wetenschappelijke interesse als linguïst onmiddellijk getroffen door het unieke van juist deze heel oude spelen. Onberoerd door betweterige knappe koppen (schoolmeesters en geestelijken..,) konden de spelen eeuwenlang geïsoleerd onder de Duitstalige boeren van Oberrufer (bij Pressburg) voortbestaan, na de oogsttijd ingestu­deerd door katholieken en protestanten samen! De leiding berustte bij een “Lehrmaister” uit een respectabele boerenfamilie, die met groot verantwoordelijkheidsbesef zorg droeg voor de handgeschreven teksten  en de ernst van de zaak: strenge regels voor de spelers tijdens de oefenperiode (geen schunnige liedjes zingen, je niet bedrinken, niet achter de meisjes aan en kleine geldboetes voor vergissingen of het ver­geten van teksten).

Hoe ziet dat er nu voor ons uit? Hoe kunnen wij ermee omgaan, wat hebben deze primitieve spelen nog voor betekenis? Rudolf Steiner, die ze van de enthousiaste Schroer kreeg, besefte onmiddellijk het unieke ervan, de rijkdom aan oer-christelijke waarden, die er in tot uiting komt, iets wat eigenlijk overal al verloren dreigde te gaan of verloren was. Hij zag een mogelijkheid die kwaliteiten juist via deze spelen te behouden voor onze kinderen,  een geweldige kans! Hij leidde dan ook zelf de repetities en hechtte er veel waarde aan, ze waar maar mogelijk op te voeren.

Het Paradijsspel geeft beelden van een stuk dramatische oer-ontwikkeling van de mensheid op zijn weg naar vrijheid met alle consequenties daarvan, steeds onderbroken door zangen die her­inneren aan de Griekse koren. Dit spel, episch van stijl, is verreweg het oudste van de drie (ca.12e eeuw). We ontmoeten er nog geen herkenbare mensen in, geen individuen.

Het kerstspel komt veel dichter bij, in zijn lyrische stijl, z’n invoelbare menselijke situaties. Maar let u in dit jaar bijvoorbeeld eens op de onderlinge verschillen tussen de drie herders. Alle drie “ootmoedige” simpele zielen, vol hartewarmte, openstaand als eersten, voor dit fundamenteel nieuwe gebeuren – maar hoe verschillend beleven ze bijvoorbeeld de verschijning van de engel. Gallus, gehinderd door zijn verstandelijke benadering van de dingen, spreekt over een “gespoock”.
Stieghel, meer wilsmatig onbewust reagerend heeft een “droomgesigt”, Wittok, die een gevoelsmatige wijsheid bezit, herkent on­middellijk een “enghlenschaor”.
Later, napratend over wat ze gezien hebben, kan Gallus het nauwelijks vatten met zijn verstand wat hij “met ooghen” zag en vreest al bij voorbaat dat hun makkers hen “veur den sot” zullen houden,  ” ‘t nooyt niet gelooven want deuse saeck gaetet verstand te boven”.
Daarentegen gaat Wittok het zonder aarzeling aan de hoogste wereldlijke instanties melden:  “den lantheer en den stadthouwer”: voor hem geen twijfels.

Zo zit het hele spel vol van zulke, soms verstopte nuances. Luister naar de argumenten van de drie waarden, er is geen “goede” bij, alle drie vertegenwoordigen zij aspecten van de wereld waarin geen plaats is voor het kind, zij zijn door materiële belangen verblind, weten niet wie er bij hen aan­klopt en naar binnen gelaten wil worden…

Een gewetensvraag kan elk jaar voor iedereen nog zijn: ben ik een herder of een waard?

En dan in januari het dramatische slot van de drie: het Driekoninghenspel (historisch gezien het jongste), dat ons in een rauwe confrontatie direct op ’t lijf valt: er moet keuze gemaakt worden, regelrechte moderne zwart-wit-problematiek, een totaal ander facet van “het boze” dan we in het paradijsgebeuren tegenkwamen. Tegenover de zwartmagische Herodes en zijn kliek de wijze priesterkoningen, die evenals de herders openstaan voor het nieuwe dat in de wereld komt, zij het vanuit een totaal andere sfeer. Ook zij zijn onderling verschillend in stemming en reactie en brengen elk hun karakteristieke geschenken: goud, wierook en mirre.
Dit alles in min of meer historische beelden met suggestieve kracht, indringend genoeg voor wie luisteren wil en bereid is onbevangen op te nemen wat ooit in eenvoudige beelden en simpele taal is vervat.

Het zijn uitgesproken lekenspelen met de onvolmaaktheid en de charme die daarbij horen, gelukkig maar, want je moet het daarbij hebben van het enthousiasme en de inzet, die de leraren elk jaar weer opbrengen vanuit het besef van het actuele belang van deze oude volksspelen.

.

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:  advent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

398-376

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden (3)

.

DE KERSTSPELEN

In de komende weken zullen vele kerstspelen worden opgevoerd, zowel oude als moderne. Eén ding hebben zij gemeen: door leken, ondeskundigcn dus, worden zij gespeeld.
Het gaat de spelers niet zozeer om fraai toneelspel. Het gaat meer om het opbouwen van een sfeer, waarin men de blijde geboorte van het Jesuskind niet alleen gezamenlijk kan herdenken, maar ook beleven.

Het kerstspel heeft een interes­sante geschiedenis. Pas in de 4e eeuw na Christus geboorte is men deze geboorte gaan vieren. De oudste viering bestond uit een Hoogmis in de nacht van 24 op 25 december. Vrijwel geen enkele kerkganger was in staat deze mis te volgen. Men verstond immers geen Latijn!
Al spoedig kwamen er kerststal­len in zwang: in een nis van de kerk waren poppen opgesteld, Maria, Jozef en het heilige Kind in een kribje. De kerkgangers mochten meespelen en het kindje wiegen. Dit “kindjewiegen” werd het belangrijkste moment van de viering. Het ging er vrolijk toe: het Kind werd uitbundig toegejuicht en ….. men bespot­te de oude Jozef!
Later in de middeleeuwen gingen geestelijken zelf eenvoudige spelen schrijven, die door hen in de kerk werden opgevoerd. Het succes was groot. Tenslotte wer­den de  spelen ook buiten de kerk gespeeld. Zij kwamen in de han­den van leken, die met heilige ernst het hunne tot de kerststem­ming wilden bijdragen. Vele re­ligieuze lekenspelen ontstonden zo in West- en Midden-Europa, waarvan de meeste verloren zijn gegaan.

Een stel kerstspelen uit het mid­deleeuwse cultuurgoed is echter op merkwaardige wijze bewaard gebleven en tot ons gekomen. Dit zijn de kerstspelen uit Oberufer, een “paradijsspel”,  een “geboortespel” en een “driekoningenspel”.  Zij behoren bij elkaar en vormen een “drieluik” van grote zuiver­heid en schoonheid.
Oberufer is een klein boerendorp, gelegen op een eilandje in de Donau, niet ver van Presburg. De Duitse boeren, die er woon­den, waren als kolonisten in het Hongaarse land gekomen. Door hun isolement konden zij hun taal en tradities trouw bewaren. De leidende boerenfamilie in het dorp had de kerstspelen in handen, die als een kostbaar bezit van vader op zoon mondeling werden overgeleverd. De oudste boer studeerde de spelen in met een aantal boerenjongens (vrouwen mochten niet toneelspelen!). Ge­durende de kersttijd reisde men de dorpen in de buurt af en voerde de spelen op. Zo ging het vele eeuwen lang tot diep in de vorige eeuw. Juist in de tijd dat de jeugd de ware be­langstelling ervoor begon te verliezen, hoorde een fijnzinnig Duits taalgeleerde, Carl Julius Schröer, ervan. Hij begreep da­delijk welk een kostbare cul­tuurschat verloren dreigde te gaan. Hij tekende de spelen op en bracht zijn grote enthousiasme ervoor over op een van zijn leer­lingen, de toenmalige student Rudolf Steiner.

De laatstgenoemde bracht de spe­len over naar Domach, waar hij hen liet opvoeren. Al spoedig gingen de leraren van de steinerscholen hen spelen voor de kinde­ren, bij wijze van kerstgeschenk.

Het “Paradijsspel” gaat vooraf.
Een kort, fel drama tussen de vijf hoofdpersonen: Adam en Eva, hun Schepper, Engel en Duivel.

Het “Geboortespel” sluit daarbij aan.
Het Jezuskind is immers de “Nieuwe Adam”, die goed komt maken wat de “Oude Adam” misdeed! Wij zien in het “Geboortespel” de ver­kondiging, de tocht naar Bethlehem, de blijde Geboorte en de aan­bidding door de herders.

Het der­de spel laat de aanbidding der Drie Koningen zien, alsmede Herodes‘ boze dagen. Vanwege de hevige dramatiek wordt dit spel niet voor de jonge kinderen op­gevoerd.

In deze spelen zijn oerwaarheden van het Christendom op even eenvoudige als treffende wijze in beeld gebracht. Juist door dit sterke beeldkarakter kunnen zij een weg tot het kerstgebeuren wijzen, die juist voor de moderne mens belangrijk is.

Wij leven in een tijd, waarin alles “beeld” wil worden. In de tekst, die sober en boers is, vindt men een afwisseling van innige vroomheid en warme humor. Deze humor doet geen afbreuk aan de verhevenheid van het onderwerp, maar verhoogt deze.
De begroe­ting door de “Sterrezanger” is een studie in eerbied, maar plotseling ontdekt men, dat hij niet wil ophouden met groeten, want ..   .    dan is zijn rol uit; zo barsten de herders na de blijde Boodschap los in een grappig danslied; de sinistere Duivel blijkt óók toneelknecht te zijn en zo is er meer. De belangstelling voor de kerst­spelen uit Oberufer is in onze tijd groeiende. Dit is verheu­gend. Zij verdienen het ten volle. Oordeelt u zelf!

(P.C.Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens onbekend)

kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldkerstspel  Kerstmis    jaartafel

.

395-373

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (21)

.

KERST EN KERSTSPELEN

Met een forse ruk gaat de blinkende ster aan de Jacobsladder omhoog. De spelers, waaronder vooral de ruige herders in groen, rood en blauw opvallen, groeten vrolijk de houtjes, die de ster overeind houden. De kundige sterrezanger zwaait met de hoed en er wordt gegroet: zon, maan en sterren, de Drieëenheid, de planten, de gehele natuur. Maar ook worden de geestelijke en wereldlijke autoriteiten gegroet. Dit alles geschiedt met veel eerbied, vrolijke eerbied, waarvan alleen middeleeuwse spelen het geheim schijnen te bezitten. Men moet het beleefd hebben om erover te kunnen spreken. Of men meespeelt of toehoorder is … er kan een gevoel ontstaan, dat er een werkelijk kerstgebeuren op handen is.

De middeleeuwen hadden een sterke gemoedscultuur, die in zijn naïviteit en primitiviteit, zuiverheid en oorspronkelijkheid, een sterke en gezondmakende werking op de menselijke ziel had. Onze tijd heeft een verstandscultuur, die juist zwak is in die middeleeuwse gemoedskwali­teiten.
Zo kan men middeleeuwse kerstspelen leren zien als een pedago­gisch medicijn voor onze kinderen. Maar ook de volwassene kan veel aan deze spelen hebben.
Vaak tonen nieuwe ouders hun verbazing, dat steeds dezelfde spelen worden opgevoerd. Is het niet nodig, dat er steeds iets nieuws wordt gebracht?
Een grote misvatting.
Even dwaas als de opvatting, dat iets ouds altijd iets goeds zou zijn, is de mening, dat iets nieuws altijd waarde zou hebben.
Op het stenen paard van de verstarde traditie kan men niet rijden, hoogstens zitten.
Maar op de wilde hengst van de ongedurigheid kan men noch rijden noch zitten.

Wie het ritme van de jaarfeesten en de jaargetijden innerlijk tracht te volgen, kan bemerken, dat hetzelfde steeds nieuwe inhoud kan krij­gen. Daaraan moet bewust gewerkt worden.
Zo is het met de jaarlijks opgevoerde Kerstspelen ook.

Deze tijd van het jaar heeft een heel bijzondere sfeer. Alles wordt donkerder, kouder en kaler. Donker en lang worden de nachten. Vaal en kort de dagen. Koud en doods is de aarde in onze hemelstreek. De bloeiende plantenwereld is verdwenen, kaal staan de bomen, de dierenwereld is grotendeels verborgen. Maar de terugkeer van licht en warmte wordt voorbereid. De nieuwe knoppen zitten al aan boom en heester.
Op 21 december is het de kortste dag, ook winterzonnewende of solstitium genoemd. Geleidelijk wint de zon aan kracht. Zegevierend keert hij terug.
Lange tijd voor de opkomst van het christendom vier­den de noordelijk cultuurvolken omstreeks 21 december het feest van de terugkerende, onoverwinnelijke zon.

Het christendom behoefde slechts aan te knopen aan de plaatselijke ‘heidense’ traditie, zegt men wel. Slimme geestelijken zouden gebruik hebben gemaakt van de traditionele heidense feesten om de christelijke feesten er bij de bevolking ‘in te krijgen.
Deze nog veel verbreide opvatting vindt geen steun in de cultuurhistorie en behoort in de rommelkamer der utilistische fabelen te worden opgeborgen.
Van Perzië tot IJsland wist men reeds duizenden jaren in de mysteriën, dat er een kind zou worden geboren als heiland en verlosser voor de mensheid. Bovendien wist men, dat de vereerde, onoverwinnelijke zon de mantel van dit goddelijk wezen – later met een Grieks woord ‘Chris­tus’ genoemd – vormde.
Rudolf Steiner bevestigt dat.
Een traditioneel adventslied zegt in een van zijn couplettent “De Zonne, voor wier stralen het nachtlijk duister zwicht … is Christus,’t eeuwig Licht”.
De dichter heeft deze woorden zonder twijfel symbolisch bedoeld. Maar dit symbool duidt op een werkelijk­heid, die grootser is dan hij waarschijnlijk zelf ooit gedacht heeft.

Hoe vierde men het kerstfeest in de eerste eeuwen van het christendom? Nu, men vierde Kerstmis in het geheel niet. Veel belangrijker vond men in die tijd de “Doop in de Jordaan”, waardoor de Christus zich als hoogste Geestwezen verbond met het lichaam van Jezus van Nazareth. Dit is de geboorte, waarmede het Markus- en Johannesevangelie beginnen. Volgens de overlevering vond deze plaats op 6 januari. Het feest werd Epiphanie (=goddelijke verschijning) genoemd. Om allerlei redenen werd in het begin van de middeleeuwen door de Kerk de geboorte van het Jezuskind in het middelpunt van de belang­stelling geplaatst. In theologisch opzicht betekende dat een voor­keur voor het Mattheüs- en Lucasevangelie, welke immers beginnen met de geboorte van een heilig kind.

Dit alles geschiedde niet zonder wijsheid. Want de dag voor de 25ste december was vanouds gewijd aan Adam en Eva. Was het Jezuskind niet de ‘nieuwe Adam’, gekomen om de zonde van de oude Adam goed te maken? Zo werden de lotgevallen van het oudste mensenpaar verbonden met de geboorte van Jezus.

Onze Kerstspelen bestaan dan ook uit een “paradijsspel”, een “Geboortespel” en een “Drie Koningenspel”.

Zoals gezegd wortelen zij in de middeleeuwen, een tijd van felle kleur, helder licht en duistere dramatiek. De felste hartstocht en meest brute wreedheid kwamen voor naast de diepste innigheid, trouw en geloof in God en mensheid. De goddelijke geestwereld was dichtbij en men keek meer naar het toekomstige hemelse dan naar het aardse leven. In onze tijd is het omgekeerde het geval. Vandaar dat voort­brengselen van Middeleeuwse cultuur in onze tijd een opwekkende en genezende uitwerking kunnen hebben.

Kerstspelen als element van kerstviering hebben zelf een lange ontwikkeling achter de rug.
In de vroege middeleeuwen bestond de kerstviering uit een nachtmis in het Latijn. Niemand bijna verstond de teksten. Gelukkig kwamen er in de kerken steeds meer gekleurde glazen en schilderijen, waarop, als in een beeldroman, de heilige kerstge­beurtenissen zichtbaar werden.

Maar de gelovigen verlangden het kerstgebeuren in steeds concreter gestalte voor zich te zien, ja er in te participeren. Aan dit verlangen werd tegemoet gekomen: zg.  “kerststallen” van hout, klei of metaal ontstonden. Ook kerststallen met levensgrote poppen. De kerkgangers mochten het kindje in de kribbe helpen wiegen. Het ging er vaak vrolijk toe ‘men juichte het kindje en moeder Maria uit­bundig toe en bespotte de ietwat sullige Jozef.’

Nog later begonnen geestelijken het kerstevangelie als een soort toneelspel in de kerk uit te beelden. Gezongen bijbelteksten werden als basis voor het spel gebruikt. Gesproken teksten zijn van nog jonger datum.
Zo ontstonden in West-Europa vele religieuze spelen, ook wel mysterie­spelen genoemd.

Tenslotte kwamen deze spelen”buiten de kerk”, waar zij door zich ernstig oefenende “leken”  (= niet-geestelijken) werden opgevoerd.

Het toneelspel als Kunst heeft zich in de late middeleeuwen losge­maakt uit de schoot der kerk, zoals alle kunsten, en is een steeds wereldlijker weg gaan bewandelen.

Tijdens de Renaissance vond een beïnvloeding plaats door de oervorm van toneeldrama, de Griekse tragedie, eveneens oorspronkelijk een religieuze aangelegenheid.

Onze Kerstspelen zijn in vrijwel gave toestand ontdekt in het dorpje Oberufer, waar Duitse emigranten al sinds de middeleeuwen zich hadden gevestigd. Oberufer ligt op een eiland in de Donau bij de stad Pressburg (Bratislava). Geïsoleerd in een Hongaars gebied bewaarden de boeren van Oberufer hun spelen als een kostbare schat. Zij werden in één boerengeslacht van vader op zoon opgeleverd. Na de oogsttijd zocht de leermeester-boer een stel geschikte jongens uit – vrouwen mochten niet meespelen – en studeerde de spelen met hen in. De regels voor de spelers waren zeer streng (bv. boetes voor elke fout in de tekst). Het was dan ook een heilige aangelegenheid. De boeren speelden deze Kerstspelen in Oberufer en omgeving vanaf de eerste adventzondag tot en met Driekoningen op iedere zon- en feestdag.

Professor C.J. Schroer ontdekte de spelen en gaf ze uit. Als taal­geleerde besefte hij de waarde in hoge mate. Het enthousiasme van Schröer werd overgedragen op zijn student, Rudolf Steiner. Laatstgenoemde stelde aan het lerarencollege van de Waldorfschool in Stuttgart voor om deze spelen door de leraren als kerst­geschenk voor de leerlingen te laten opvoeren. Dat gebeurde. Het is een opwekkende gedachte, dat deze waardevolle spelen thans in meer dan honderdveertig* Vrije Scholen en heilpedagogische in­stituten in de gehele wereld, van Canada tot Nieuw Zeeland worden opgevoerd in de komende dagen.

In de Kerstspelen uit Oberufer vindt men alle elementen uit de lekespelen terug die in het voorafgaande genoemd zijn. De drieledigheid van de Griekse tragedie, het koorzingen, het kindje-wiegen en de in de tekst verwerkte bijbelwoorden.
Op de inhoud van de spelen zelf hoop ik in een volgend artikel nader in te gaan.

Mogen deze Kerstspelen niet alleen bij de kinderen, maar vooral ook bij de ouders en de belangstellenden die waardering vinden die zij ten volle waard zijn.

(P.C.Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens onbekend)
*2017 zijn dat er ca 1100

.

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:  advent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

394-372

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Paradijsspel

.

HET OBERUFERER PARADIJSSPEL: EEN PLEIDOOI VOOR LIEFDE?

Een aspect, dat wij in deze statige, ja welhaast statische verbeelding van het scheppingsverhaal nu niet direct zullen verwachten. Te zeer ook is hierover vanuit een lange traditie de morele last van zonde, schuld en straf als een verstikkende deken uitgespreid.

Dit kan ons zicht op de oorspronkelijke kracht van de Genesisverhalen vertroebelen. We zien bijvoorbeeld in dit uitgelicht detail van Michelangelo hoe de vrouw zonder enige schroom de vrucht uit de hand van de slang aanneemt, terwijl Adam reeds beschuldigend zijn arm uitstrekt.

paradisspel
Een van de talloze taferelen, die het bekende schuld- en boetethema weergeven.
Het Oberufer Paradijsspel echter kan ons vanuit haar onbevangen eenvoud een verrassende wending opleveren in bovenstaande visie.

Hier klinkt het zuivere invoelingsvermogen van de vroege middeleeuwer met grote kracht, als wij het tenminste horen willen. Laten wij de tekst aan de hand van een aantal citaten op de voet volgen!

Soo het aen my lag, syde ick neen
soo ick eet, isset om u alleen’.

Gedenkwaardige woorden in het Paradijsspel op het moment vóórdat Adam in de appel bijt. Het wekt de suggestie, dat Adam zich bij voorbaat schoonpraat en de schuld omtrent de mogelijke gevolgen op Eva schuift. Eva, de vrouw, die hem even daarvoor de appel aanbiedt met de woorden: ‘Hier, neemt hem aen en proeft ereis als ghy my mint”.
Volgens de klassieke traditie haalt de verleidelijke Eva de onschuldige Adam over tot de zondeval. De vrouw als oorzaak van het verderf! Een thema, dat tot in onze tijd nog actueel is, zij het dan wellicht in een andere verschijningsvorm. Maar als we dit middeleeuws boerenspel eens goed op ons laten inwerken, stuiten we op onverwachte wijsheid. Adam had God goed verstaan, toen Deze hem gebood niet van de boom te eten. Hij zou gestraft worden met “de doot voor eeuwich” en “in ’t verderven plots geraken”.
Maar God had ook omtrent de vrouw tot hem gesproken:
“hebt haar lief weest trou vereend”.

Niet God zelf, maar Adam waarschuwt Eva voor het eten van de vrucht! Daarmee wordt in feite al ruimte geschapen voor het woord van de duivel, die als zodanig wel degelijk een hoogstaand wezen is.

In tegenstelling met het Driekoningenspel wordt de duivel hier dan ook veel meer met rood en geel uitgebeeld dan met zwart.

Als Eva hem dan de appel aanbiedt, staat Adam voor een onmogelijk dilemma. Kiest hij voor de overtreding van Gods gebod van de appel niet te eten, of laat hij Eva alleen staan met haar appel? Ook in het laatste geval gehoorzaamt hij niet aan Gods woorden……

Maar voor Adam bestaat dit dilemma helemaal niet. Hij heeft immers nog niet het besef van goed en kwaad! Dat is toch eigenlijk heel merkwaardig, dat wij hen die dramatische zondeval aanrekenen, terwijl zij zich van geen kwaad bewust konden zijn. Pas na het eten van de boom der kennis konden zij zich daarvan rekenschap geven.

Adam kiest niet! Hij doet wat hij moet doen: hij blijft Eva trouw. Hij heeft haar lief. Het is immers zijn wederhelft, een woord dat in dit verband een diepe betekenis heeft. Zij vraagt hem te eten om de liefde voor haar en hij eet “soo ick eet isset om u alleen”. Dan vallen hen de schellen van de ogen en zij beseffen plotseling het onherstelbare, dat de verwijdering uit de Hof van Eden ten gevolge zal hebben.
Eva beklaagt alle vrouwen die “om harentwille het moeten berouwen”, maar Adam kent geen wrok. Nu hij bewust kan kiezen, kiest hij opnieuw onvoorwaardelijk voor Eva:. “Comt maer by my, myn Eva soet”.
Zo vinden wij als rode draad door dit aloude spel een hartstochtelijk pleiten voor de liefde van mens tot mens en als zodanig is het een indrukwekkende voorbereiding op het kerstfeest, dat immers een feest van liefde is! Misschien kunt u zich voorstellen, dat vanuit dit gezichtspunt we Adam en Eva liever niet voorstellen zoals Michelangelo e.a. dat gewend waren, maar meer in de geest van deze afbeelding.

paradijsspel 2

 

(Harrie Vens, ouder – nadere gegevens onbekend)

.

Kerstspelenalle artikelen

Antrovista: archief V.O.K    over de kerstspelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstspelen

.

389-367

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden

.

OVER DE KERSTSPELEN

Velen hebben de Kerstspelen in de afgelopen weken gezien.  In een vorig artikel trachtte ik iets over ontstaan en historie van kerstfeest en kerstspelen in het algemeen te schrijven. Dit keer wil ik het over de kerstspelen van Oberufer in het bijzonder hebben.

Rudolf Steiners leermeester in de Duitse taal- en letterkunde, professor Schröer, ontdekte deze spelen, gaf de tekst uit en schreef er een kostelijk boekje over. Schröer meende, dat hij iets zeer bijzonders ontdekt had. Sindsdien zijn er in Duitsland, Oostenrijk en Frankrijk zeer veel lekenspelen gevonden, veel meer dan Schröer er in zijn tijd kende. De literaire wetenschap heeft hem in het gelijk gesteld: de spelen van Oberufer zijn verreweg de mooiste!

Rudolf Steiners verdienste is zeker, dat hij deze Kerstspelen behoedde voor bij­zetting in de ijskast der filologische wetenschap. Ondanks bepaalde wijzigingen – waarover later – zijn het schilderachtige beeldkarakter en de natuurlijke eenvoud springlevend gebleven door de opvoeringen in vrijescholen.

In Schröers tijd werden de kerstspelen in Oberufer en omgeving opgevoerd vanaf de eerste adventszondag tot en met Driekoningen. Eerst werd het Kerstspel gespeeld, daarna het Paradijsspel en vervolgens een klucht. Het Kerstspel bestond uit drie gedeelten: Jozefs tocht met Maria naar Bethlehem en de blijde Geboorte, het Herderspel en het Drie Koningenspel.                                                    \

Schröer geeft een levendige beschrijving, hoe de spelerstroep onder aanvoering van de ‘meesterzanger’, die kerstboom en ster droeg, op de grote dag uit het huis van de leermeester (regisseur) te voorschijn kwam. Lang niet ieder jaar was het mogelijk de geschikte spelers te vinden, zodat de verwachtingen steeds hoog gespan­nen waren.

Er bestond een vaste volgorde en ook was er een vast aantal dubbelrollen. Zoals gezegd, werd een vrouwenrol door een boerenjongen gespeeld, aangezien vrouwspersonen niet op de planken mochten verschijnen.

Achter de meesterzanger liep de engel Gabriël, die in alle spelen optrad. Daarna kwamen Jozef en Maria, die ook de Eva speelde. Vervolgens verschenen de drie Koningen: voorop de rode Koning Melchior, die steeds ook voor God-Vader in het Paradijsspel speelde, dan de blauwe Balthasar, ten slotte Caspar, de
Morenkoning. Hij had een zwarte lap voor het gezicht, die snel verwijderd kon worden, wanneer hij voor Adam moest spelen. Dan volgde de zwartbaardige Koning Herodes, die ook de overspelige schoenlapper in de Carnavalsklucht moest voorstellen. Vervolgens kwam de duivel, geheel  in het zwart, met, horentjes en een staart.  In de hand hield hij een koehoorn, waarop hij lustig toeterde. Achter hem liepen de hogepriester en de schriftgeleerden. Vervolgens, kwam de hoofdman van Herodes. Deze moest een knappe kerel zijn, want in de klucht moest hij de even fraaie als ontrouwe kleermakersvrouw voorstellen. Maar hij had ook nog andere nevenfuncties. Volgens traditie moest hij de ster dragen en naar voren treden, wanneer de kerstspelers een concurrerende spelerstroep van een ander dorp ontmoetten, (men trok ook naar de naburige dorpen om te spelen).
Dan ontspon zich een wedstrijd tussen de twee hoofdmannen, wie de meeste vragen van de ander kon beantwoorden. De winnaar mocht dan met zijn troep in het dorp spelen, de verliezer trok af met zijn schare. Achter de hoofdman kwamen de lakei, de page en de soldaten, die ook de rollen van waarden en geburen vervulden. Geheel achteraan kwamen de herders: de groene Gallas, de blauwe Witok, de rode Stichl alsmede de ruige, stokoude Crispijn, zo dik in het bont, dat hij wel een kreupele beer geleek.

Wanneer de spelers zich gereed maakten, liep de duivel naar buiten. Luid toeterend nodigde hij ieder uit naar de spelen te komen, zelfs sprong hij op voorbij rijdende wagens, maakte ieder aan het schrikken en bracht het dorp in rep en roer.
Spoedig vulden de banken in de herberg zich met toehoorders. Men zat aan drie
kanten om de open toneelruimte heen, de vierde kant was afgesloten met een gordijn, waarachter de spelers zich konden verkleden. Daarna kon het spel beginnen.
De buitengewoon belangrijke rol van de duivel  in de spelen verdient alle aandacht.
Wat heeft dit vreeswekkend personage niet allemaal te doen! Weliswaar slaat hij Adam en Eva in boeien en zet Herodes aan tot de afschuwelijke kindermoord, maar ook bewaart hij met zijn knuppel de orde in de zaal, zet tronen en stoel en neer, stoft ze keurig af, schuift ze weer weg, nodigt de spelers uit om op te staan, laat hen weer zitten, geeft zwaard en mandaat aan, haalt Adams jutezak weg, maakt grappen, kortom, hij is behalve duivel ook potsenmaker en vooral toneelknecht.
In deze duivelsrol ligt een even belangrijk kunstzinnig moment als een diepzinnige achtergrondfilosofie. Het volmaakt-boze kan op het toneel eigenlijk niet worden uitgebeeld, het is alleen dragelijk door humor, waardoor – en vooral voor kinderen – ook ontspanning mogelijk wordt. Maar al is een geheel, serieuze en onafhankelijke duivel onverdraaglijk, hij is ook onmogelijk en ondenkbaar in het licht van Gods Almacht. Hij moet:dan ook een taak in bet goddelijke wereldplan hebben: de duivel is een dienaar Gods, die weliswaar steeds het boze wil, maar desondanks de goede gang van zaken bevordert; een diepe gedachte over het boze, die o.a. zeer duidelijk in Goethes Faust te vinden is. De duistere duivelsrol geeft bovendien de lichtende figuren extra reliëf. De engel mag steeds de proloog en de epiloog spreken, dus: in eenvoudige woorden aan­kondigen wat men te zien zal krijgen en na afloop als echte lekenspeler veront­schuldigingen aanbieden voor datgene wat men gezien heeft.

Tussen engel en duivel, rechts en links van het toneel, speelt alles zich af. Alleen in het Paradijsspel wordt een tipje van de sluier opgelicht om deze licht-duisterpolarteit  in zijn oorsprong te verklaren.

Het eigenlijke Kerstspel
De engel Gabriel en het Jezuskind beheersen dit warme en kleurrijke spel. Het boze komt alleen om de hoek kijken bij de ongastvrije waarden. Zeer mooi gevonden is de aan het spel voorafgaande Verkondiging of Annunciatie: Maria blijft alleen achter, de de engel komt haar de blijde boodschap brengen. Daarna begint pas het eigenlïjke spel met de proloog van de engel. Liederen van de ‘Kompanij’ sluiten elke scène af. Met uiterst sobere middelen wordt de moeizame tocht van Jozef en zijn jonge vrouw Maria naar Bethlehem uitgebeeld.

De drie waarden waren oorspronkelijk man, vrouw en dienstmaagd. Deze laatste verwijst Jozef en Maria naar de stal. Later werden het drie aparte waarden, van wie de namen Rufinus en Titus luiden. De boze waard heet volgens een Pressburgs manuscript Servilus.
Bijzonder mooi en indrukwekkend is in het Oberuferspel, dat de engel de ster laat neerdalen boven Maria die de armen omhoog strekt en zo het kind naar de geest ontvangt.
Jozef beleeft deze geboorte slapend mee. Er is geen pop of enig echt kind. Het kind moet men zich voorstellen. In de traditionele kerstspelen bleef Jozef wakker en trachtte onhandig licht te maken, dat steeds weer uitging. Daardoor werd de aandacht van Maria afgeleid, die dan ineens het kind had.

De middeleeuwse traditie, die Jozef vaak als een oude, kuchende stoethaspel voor­stelde, is historisch niet juist en vindt ook geen steun in de Bijbel (die in die tijd ook niet gelezen mocht worden).

We zullen meer van dergelijke dingen tegenkomen, die dan ook niet essentieel zijn voor de spirituele kracht en het beeldend vermogen van deze kerstspelen. Na de geboorte komen de herders aan de beurt. Zij behoorden tot de onaanzienlijksten in het land. Zij lopen in de stoet ook geheel achteraan in Oberufer. Maar bij deze sociaal misdeelden komt de engel het eerst. Hoe warm wordt de boodschap ontvangen en wat kost het hun weinig moeite om van hun armoetje nog iets te offeren.
Interessant is het, dat in het spel de blijde boodschap van de engel al wordt voor­bereid, doordat de oude Witok tijdens het eten over de verwachting van de Messias spreekt, hetgeen de herders al spoedig doet springen van vreugde. Meestal hadden de middeleeuwse herdersscènes grote uitvoerigheid: er waren eindeloos veel klachten over koude, wolven en slechte tijden.  In het spel van Oberufer is dit duidelijk be­kort. Wat wij bij de opvoering niet meer doen, is het rondlopen van de engel op de lichamen der slapende herders. In Oberufer mochten de herders niets laten merken. Zo maakten zij de toeschouwers duidelijk, dat een engel geen aards gewicht heeft. De tocht van de herders naar Bethlehem wordt door hun vrolijke dans ingeleid. Liederen en tekst bij de aanbidding en offering in de stal zijn van een grote schoonheid en innigheid.
Het Herdersspel besluit met de merkwaardige scène, waarin de oude herder Crispijn aankomt. Deze vierde herder is doof, half blind en een beetje simpel. Hij heeft het wonder gemist, een beeld voor de mens die in zijn leven de hogere impulsen niet kan vinden.

Het Driekoningenspel
Zoals reeds gezegd is, vormde het Drie Koningenspel het slot van het Kerstspel. Rudolf Steiner maakte het daarvan los, een gerechtvaardigde maatregel, want het Driekoningenspel was oorspronkelijk even zeer een apart spel als het dat nu is.
Dat het een deel van het Kerstspel was, is hier en daar nog te merken.

Het Driekoningenspel mist de inleiding door de Sterrenzanger en het heeft ook geen openingslied. Er is alleen een korte proloog van de engel. De spelers die ‘af’ zijn, zitten toch duidelijk zichtbaar op de achtergrond. Rechts, de goede helft, wordt geaccentueerd door de blinkende koningsgestalten en de engel; links zitten de duivel, soldaten, schriftgeleerden en Herodes. ‘Lichte’ en ‘donkere’ helft van het toneel geven sterke accenten aan de felle dramatiek van dit spel, dat voor de kleine kinderen ook ongeschikt wordt geacht.
In het eerste gedeelte ontdekken de Drie Koningen elk voor zich de ster, besluiten op reis te gaan en ontmoeten elkaar niet ver van Jeruzalem. Opvallend is het, dat Koning Melchior zelf het heilige Kind en de Moedermaagd in de ster waarneemt, ter­wijl de door hem geraadpleegde wijze en sterrenwichelaar Viligratia dat niet kan en slechts over dit fenomeen de boeken kan raadplegen. Hier wordt als beeld het hogere, schouwende bewustzijn gesteld tegenover het traditionele weten, het schriftgeleerdenschap. Later herhaalt deze tegenstelling zich op negatieve wijze in de scène van Herodes met de schriftgeleerden.

De aandacht wordt verplaatst naar de linkerhelft, waar Herodes, de ‘vierde koning’, heerst. Verontrust door de lichtglans der Driekoningen, laat hij de schriftgeleerden komen om hen te raadplegen over de ‘nieuwgeboren conink’. Hij die uit historie of traditie bekend is met de waardige houding, der échte joodse priester, kan grote moeite hebben met de drie trappelende en drukdoende nerveuzen uit het Oberuferspel. Men moet dan ook weten, dat deze schriftgeleerden duidelijk niet historisch zijn, maar een traditioneel middeleeuwse voorstelling uitbeelden. Het is eigenlijk verbluffend om uit de tekst te horen, dat deze schriftgeleerden weten: de geboorteplaats en het Messiaanse karakter van het heilige kind, het niet-wereldlijke van Christus’ Koninkrijk en de kruisdood. Toch worden zij er niet koud of warm van, het is “wetenschap”, geen ervaring van schouwend beleven. Daardoor krijgt ondanks het onhistorische deze scène als beeld een diepe betekenis: vanuit het intellect en de traditie kan men de levende Christus niet vinden. De brullende en dan weer vosachtige Koning Herodes is in het spel wel grotendeels historisch. Men leze er Flavius Jozefus’ biografie van Herodes maar eens na. Herodes was geen Jood, maar een Arabier, die zich als satelliet van de Romeinse Keizer tot Koning van Judea wist op te werpen. Bijzonder mooi is het lied na de duistere scène, waarin Herodes zich definitief met de duivel verbindt. Alles straalt van licht. De heilige familie komt op, niets kwaads vermoedend, en de drie Koningen brengen hun offer en aanbidden het kind, tot welks dood Herodes al besloten heeft. Na dit schone middengedeelte van het spel volgt dan de kindermoord en de duistere dood van Herodes en zijn hoofdman.

In Oberufer moest de duivel met groot geweld tussen de soldaten met getrokken zwaarden (echte) springen om Herodes te halen.

Een aantal soldaten stond met gekruiste zwaarden voor de troon om hun koning te beschermen. De duivel kreeg zo menig bloedige schram en hij mocht zich dan ook tevoren met een flinke slok moed indrinken! De duivel haalde ook de hoofdman tot slot.
Een prachtig lied ‘Wilt singhen en jubileren’, daterende uit 1328, sloot het spel af.

Het Paradijsspel
Dit korte felle drama van Adam en Eva tussen engel en duivel, met God-Vader op de achtergrond, behandelt de schepping en de zondeval van het eerste mensenpaar. In zijn soort is dit spel misschien wel het meest gave van de drie. Vooral de slotbeelden zijn zeer mooi en indrukwekkend.
De duivel slaat Adam en Eva in kettingen na hun uitdrijving uit het paradijs – geen Bijbels, wel een traditioneel gegeven.
Na het neerwerpen van de duivel vallen de kettingen van Adam en Eva af. Door het eten van de ‘Boom der Kennis’ zullen zij het goed en kwaad kunnen beseffen. De ‘Boom des Levens’ echter zal hun verborgen blijven. Daarin kan pas verandering komen, wanneer de Christus op aarde komt, gelijk de engel  in zijn epiloog aankondigt. Over de achtergronden van het Paradijsspel zou nog zeer veel meer te zeggen zijn, dat nu achterwege moet blijven.

Evenals na een trilogie van Griekse tragedies een zeer uitbundig en realistisch
Satyrspel werd opgevoerd, zo had men in Oberufer de Vastenavondklucht van de ontrouwe kleermakersvrouw. Haar minnaar, de schoenmaker, sluipt steeds het huis binnen en vermomt zich als spook, hetgeen allerhande primitieve grapjasserij met zich meebrengt.

Alleen op de eerste adventszondag werd dit kluchtige spel niet opgevoerd. Men zong onder aanvoering van de meesterzanger gewijde liederen. Dit werd zolang volgehouden totdat de laatste gast uit de herberg was verdwenen.

Men zou nog veel meer van de Kerstspelen kunnen zeggen. Voorlopig moge dit volstaan. Wie interesse voor hen opbrengt, kan ervaren, dat zij ieder jaar in waarde stijgen.

(P.C.Veltman, nadere gegevens onbekend)

.

kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstspel  Kerstmis    jaartafel

.

380-358

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden

.
Carel Eckhart, nov. 1987, nadere gegevens onbekend
.

ACHTERGRONDEN VAN DE KERSTSPELEN

Gaarne wil ik trachten te voldoen aan het verzoek om iets te vertellen over de kerstspelen, zoals wij die nu kennen en zoals ze in honderden vrijescholen over de hele wereld en in andere ‘antroposofische’ instituten en werkverbanden, in vele talen, over de hele wereld worden gespeeld.
We spreken dan over de drie spelen: paradijsspel, kerstspel en driekoningenspel, waarvan het middelste ook een trilogie is. Het bestaat nl. uit een verkondiging (die zeer wel apart, bv. met advent zou kunnen worden gespeeld), een geboortespel en een herdersspel.

Zoals we de spelen nu kennen, zijn het noch typisch middel­eeuwse spelen, noch ‘primitieve’ spelen, in die zin dat men alleen met de juiste stemming ( ‘een vroom gemoed’) deze spe­len aankan. Men moet erop studeren, men moet met een zekere mate van kennis van zaken de spelen instuderen, en met name moet men de moeilijkheden die muziek en het zingen bieden, niet on­derschatten (vroeger werden de spelen helemaal gezongen).
Vooral moet men zich hoeden voor het gevaar van de routine, in de zin van: ‘de meeste spelers kennen hun rol nog van vorig jaar, dit maal zal het met een enkele repetitie ook wel gaan.’ Datgene waar het in de spelen om gaat, moet telkens weer nieuw ontstaan. Het laat zich  niet forceren.
Naast het zojuist genoemde ‘vroom gemoed’ is ook veel geduld, kennis van achtergronden en spirituele zin, alsmede een groeien naar een sociaal-kunstzinnig geheel in de groep waarin het wordt gespeeld, nodig. Eén ding moet van meet af aan duidelijk worden ge­steld: in oorsprong zijn de spelen niet voor kinderen bedoeld, maar voor volwassenen.
Het pedagogisch inzicht van Rudolf Steiner, de ver­anderde tijd waarin wij leven, (in geesteswetenschappelijke zin spreekt men van het ontwakende bewustzijnszielentijdperk) en zeker niet in het allerminst de bewerking die Rudolf Steiner zelf aan deze stukken heeft gegeven, maken het mogelijk en gewenst om ze regelmatig aan zoveel moge­lijk mensen te tonen. Men mag zeker stellen, dat hij ze van de grond af aan nieuw heeft willen schrijven en arrangeren, maar dat hij dit werk volgens eigen zeggen, niet helemaal heeft kunnen voltooien.
Als men de ons bekende versie vergelijkt met de teksten die Rudolf Steiner als student heeft gekregen van zijn leraar Karl Julius Schroër, dan vallen de verschillen duidelijk op (zie ‘Ansprachen zu den Weihnachtspielen aus altem Volkstum, gehalten in Dornach 1915 bis 1924, Rudolf Steiner Verlag, Dornach/Schweiz).
Rudolf Steiner over: de kerstspelen

Als nu de vraag gesteld wordt: hoe en waar zijn deze spelen ontstaan, dan moet men zeggen: in het verre verleden, met bepaalde wortels tot in de tradities van het Griekse drama. Als pogingen om elkaar als mensen onderling uiterlijk-fysieke gebeurtenissen, evengoed als innerlijke zielenbelevenissen in beelden te vertellen. Men leefde tot in het begin van onze jaartelling nog sterk in de sfeer van de ‘oerbeelden’, de platonische schouwingen, en minder in abstracte denkinhouden en gedachtegangen. Het ‘denkbeeld’ was nog heel levend. Op grond van in het begin van de vijftiger jaren en later, gevonden oude perkamenten rollen in de Dode Zee en in de Sinaï, heeft men kunnen vaststellen dat de gebeurte­nissen die in de spelen worden beschreven, ook uiterlijk op aarde heb­ben plaatsgevonden. Tegelijk echter waren het beelden voor ziele-ontwikkelingen en mensheidontwikkelingen (Paradijsspel !).
Men kan de spelen ook zo beleven, dat men ontdekt: iedereen is een beetje iedere uitgebeelde gestalte; het geheel zit in iedereen en iedereen is het geheel. De waard zit in ons, ook Adam c.q. Eva. We hebben de herders in ons, evenals de schriftgeleerde, enz. Men kan spreken van een beeldencanon, van apocalyptische beelden, van ‘runen’ in de wereldgeschiedenis, die men moet leren lezen.
Ook lag er later een poging aan ten grondslag om de Heilige Schrift, waarvan men in de kerk alleen in het Latijn vernam, in de eigen volks­taal in beelden te kunnen beleven.

Het werk dat Rudolf Steiner aan deze spelen heeft verricht, bestaat hoofdzakelijk uit het verwijderen van door tijd en plaats ontstane ‘aangroeisels’ en het terugzoeken van de oorspronkelijke oerbeelden.
Zo worden deze spelen verwant aan de mythe, sprookjes, sagen en legenden, die zo talrijk in de eerste duizend jaren van onze jaartelling zijn ontstaan. Door de bewerking van Rudolf Steiner werden ze als het ware ‘modern’, of beter nog: tijdloos.

Het Paradijsspel is voornamelijk episch van karakter. Het speelt zich duidelijk af in de sfeer van de Vader God. Het is het meest monumentale van de drie spelen. Wie regel voor regel overdenkt, ontdekt diep verborgen – soms maar even aangeduide – wetmatig­heden van mensheids- en wereldontwikkeling vanaf een oerverleden tot in een verre toekomst:
‘Tot ik U langzaam wederkeren heet!’
Het is het kortste spel, dat tegelijkertijd alles omvat. Het krijgt daardoor
boven­menselijke maatstaven. De oude Grieken zouden het zeker op kothurnen hebben gespeeld, hoge laarzen, waar­door de acteurs bovenmenselijk groot leken! Een spel dat om veel, maar sterk gevulde pauzes vraagt, om plechtigheid, om zeer duidelijk gearticuleerde taal, kortom om stijl. Geen woord mag er verloren gaan. Het is het verhaal van de grote belofte, waar Lucifer ingrijpt in een poging om het Goddelijke bestel te doorbreken. Lucifer is, in tegenstelling tot de Duivel uit het Drie Koningenspel: een vlammend verleidelijk licht-schaduwwezen, ijdel en hoogmoedig, overmoedig zelfs.

Het eigenlijke kerstspel is voornamelijk lyrisch van karakter. Hier staat de Zoon centraal. Eerst is er de Ver­kondiging (zie afbeelding, ets van Dürer):
kerst Dürer Verkondiging

die zoals onze kalen­ders ons leren, in het voor­jaar, nl. op 24 maart valt. De centrale zin, ja het oermotto, dat aan het opvoeren van alle kerstspelen ten grondslag ligt, zijn de woorden: “Ziet de dienstmaagd (de dienst­knecht) des Heren, mij ge­schiede naar uw woord!”
Wie zo een gesprek mocht voeren met de bode van de Heilige Geest, die kan niet meer zonder Godsvertrouwen zijn. Daarom is Maria altijd de opgewekte, troostende lichtgestalte. Nooit melancholisch. Zelfs de zwaarte van de aardse geboorte wordt overstraald door het licht, waarvan zij weet, omdat zij, zoals Rudolf Steiner eens uitlegde, kan schouwen in het rijk van de levenskrachten. Daarom beeldt Rafaël haar steeds uit met een glimlach, en vindt men in de kathedraal van Chartres een Madonna die in een boek leest, waar op de bladzijden duidelijk een alfa en een omega staan; een duidelijke rune is het gebaar van Josef, die zich afwendt bij de geboorte. Een oude legende zegt, dat Josef niet kon geloven dat Maria een kind zou krijgen van de Heilige Geest en niet vanuit de tradities van het Joodse volk. Hij wil haar verlaten, tot dat ook hem de Engel verschijnt (helaas niet in ons spel) en hij daarna haar volkomen kan aanvaarden.

Een rune is ook de tocht van de herders door het duister. Men kan niet
aan­nemen dat drie mannen die in hetzelfde dorp wonen, daar de weg niet zouden kennen. Het is een innerlijk licht dat zij zoeken, dat dan tenslotte in het ‘hardstikke donker’ in de verte voor hen verschijnt.

De waarden waren oorspronkelijk: een protserige waard, zijn gierige vrouw en zijn dienstmaagd. Men moet de teksten daar weer aan aanpassen. Een spiri­tuele regie leert dat men het veld met de herders rechts* op het toneel moet zien (gezien vanuit de toeschouwers) en de boom met de rozen en de kribbe, links op het toneel. [dit is een soort tegenspraak met wat de auteur bij het driekoningenspel zegt]
Een oerbeeld is dat ook de herders, evenals de waarden en andere groepen van figuren in de spelen, in drievoud verschijnen. Het beeld van de drieledige mens. Drie leeftijden, drie temperamenten, drie geschenken, enz. Het is ook als een geheimzinnige rune te beschouwen dat men de herders, evenals de drie koningen, daar waar dat kan, in een gelijkzijdige driehoek opgesteld ziet, evenals het feit dat de herders liggend slapen en de openbaring van de Engel ontvangen, terwijl de Koningen daarbij geknield zijn.
Al is dit spel een lyrisch spel genoemd, het mag nooit sentimenteel worden. De humor komt een ruime plaats toe, evenals de echte vroomheid.

Terwijl het middelste spel de gebeurtenissen weergeeft volgens het evangelie van Lucas, beschrijft het driekoningenspel de gebeurtenissen zoals Mattheüs die overlevert. Het driekoningenspel is voornamelijk dramatisch van karakter. Het ingrijpen van de Heilige Geest wordt hier op meerdere plaatsen duidelijk: in de wijsheid van de Drie Koningen, in de waarschuwing van de engel die Jozef en Maria maant te vluchten voor Herodes’ geweld, maar vooral in de verschijning van Maria voor Herodes met de woorden: “Machtige koning, gedenk aan barmhartigheid”.
In overeenstemming met de traditie is dit ouderpaar heel anders dan bij Lucas. Het kind ligt niet op stro zoals bij Lucas, maar zit op de knie bij de moeder en neemt de geschenken in ontvangst. Dit is het spel van licht (rechts) en van duisternis (links) met het Kind in het midden.

Het getal vier speelt in dit spel een geheimzinnige rol. In het kerstspel verscheen naast de drie herders een vierde, een geheel andere dan zij.
Zo ziet men hier naast de drie koningen als vierde of het Kind, of Herodes.
Het is alsof het spel in deze beeldenopzet als het ware de keuze aan de
toeschouwer laat. Naast de drie schriftgeleerden zien we een vierde, nl.
Viligratia. Het element van de vrijheid komt in zekere zin ook nog op een ander moment naar voren. Maria met haar kind stelt Herodes als het ware voor de keuze: zal hij uit inzicht het goede doen, of zullen boze krachten in hem triomferen. Als de heilige stem van het geweten spreekt zij tot hem in hem. Maar er is een geweldige strijd in en om de ziel van Herodes gaande.
Boven staan de drie schriftgeleerden, het uiterste van menselijk intellect, intolerantie, fanatisme levensvreemde paragrafendienaren, Ik-loze figuren die hun wensen aan hun schriftrollen hebben verpand. Het zijn, zeker in het Jerusalem van die dagen, machtige figuren. Zou Herodes hun anders wel om raad vragen?

Onder Herodes, als het ware zijn onderste mens zijnde, zijn driftleven aansprekend, staan de drie boze trawanten, lakei, hoofdman en soldaat, tot elke misdaad in staat, eveneens Ik-loze wezens, gewillige uitvoerders van Herodes’ opwellingen.
We mogen denken aan hetgeen reeds Schiller schreef over Formtrieb en Stofftrieb. In het midden wilde hij de ‘Spieltrieb’ als de bron van Goddelijke fantasie en scheppingskracht, als de bron ook van het geweten zien. In het vrijeschoolonderwijs spelen deze beschouwingen van Schiller een grote rol. In het midden heeft Herodes nu juist ………..een groot gat! Tevergeefs doet Maria bij hem een beroep op dat midden, op die bron van moraliteit. Onwillekeurig rijst bij mij bij deze scène steeds het beeld op dat Zadkine voor de stad Rotterdam heeft gemaakt; een wanho­pig mens wiens hart uit het lichaam is gerukt.
Is dat niet het beeld van Herodes? Is dat niet het beeld van vele tijdsziekten? Hoe veel wordt er in onze antroposofische therapeutica gewerkt juist aan de versterking van de krachten van het midden! Dat zijn de krachten van Maria! De duivel in dit spel draagt, vergeleken met de duivel van het paradijsspel, meer satanische trekken. Deze duivel is meer de cynische intrigant, de som­bere Heer des Doods.
De drie schriftgeleerden zijn niet in de eerste plaats karikaturen van Joden. Ook andere figuren in deze spelen zijn Joden! Zij zijn karikaturen, oerbeelden van menselijke eenzijdigheden. Pathologische verschijnselen van ‘zieke’ mensen, verschijnselen die bij ieder van ons in meerdere of mindere mate kunnen voorkomen, zoals Schiller al beschreef. Juist de krachten van het midden moeten de pathologieën overwinnen.
Iets dergelijks geldt ook voor hetgeen de drie boze trawanten symboliseren, zeker als hun driften ongebreideld kunnen voortwoekeren. Toch is er in de ziel van Herodes nog één sprankje menselijkheid overgebleven. Het berouw, de wens om het vreselijke dat gedaan is, gedeeltelijk althans weer ongedaan te maken door een tegendaad te stellen. De hoofdman, die ook in Herodes is, spreekt berouw uit en brengt het offer van zijn leven. In dit gedeelte van onze spelen is, zoals u ziet, het runekarakter sterk aanwezig. De beelden willen gelezen en dan begrepen worden!
In deze grootse en grote beeldencanon die door de drie spelen voor ons wordt uitgerold ligt – zoals Rudolf Steiner eens zei – de hele mensheidsontwikkeling uitgebeeld. Het spelen van deze spelen brengt ons in het grensgebied tussen toneel en cultus, als ik dat zo mag zeggen. Maar is niet al het toneel uit de cultus ontstaan, in oorsprong?
In de veelheid van beelden lijkt mij voor velen van ons direct van toepassing: de wil van de herders om met zijn drieën op weg te gaan, om door het donker heen het huis te vinden waar een licht brandt, om daar te vragen of zij ons “daorgunder mogten wijsen, hoe dat me moeten gaen, om dra comen bij dat kinde aen!’

*In Den Haag spelen de herders – vanuit de zaal gezien – links op het toneel. Veltman motiveerde die kant op basis van aanwijzingen in Steiners  Dramatische Kurs.

.

Kerstspelen: alle artikelen

Antrovista: archief V.O.K  over de kerstspelen

VRIJESCHOOL in beeld: Kerstspelen

.

374-353
.

 

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Leopold v.d.Pals

.

LEOPOLD VAN DER PALS

Op 7 februari 1966. is te Dornach de bijna 82-jarige componist Leopold van der Pals overleden.

Welhaast ieder van ons kent deze naam door zijn muziek voor de
Kerst­spelen en de vele composities voor euritmie.

Niet zo velen onder ons kenden de markante geheel met Dornach samengegroeide persoonlijkheid die deze naam droeg.

Hoewel Nederlander van geboorte was hij geen Nederlander en hij beheerste de taal ook niet, die hij wel graag hoorde spreken. Hij had belangstelling voor Nederland, zoals hij zich interesseerde voor alle landen van Europa, waar­van hij er verscheidene naar landschap en volksaard goed kende. Want hij had Europa lief.

Zijn rijzige, in vroeger jaren kaarsrechte gestalte met het edel gevormde hoofd riep een beeld op van de voorname en innerlijke fijnzinnige levens­stijl die in de St. Petersburgerkring heerste, waar hij werd geboren en zijn jeugd doorbracht, aan het eind van de vorige eeuw. Aan zijn hel-blauwe ogen, die hij klaar en vol aandacht op de hem omringende wereld richtte, scheen niets te ontgaan. En alleen deze blik verried dat hij al jong een zelf­standig zoeker naar de Geest was.

Zijn lot voerde hem in 1907, na beëindiging van zijn muziekopleiding, naar Berlijn, waar uit alle richtingen de kunstenaars samenstroomden en het muziekleven bloeide. Daar maakte een bevriende pianist hem opmerkzaam op de voordrachten van Rudolf Steiner in het “Architekten-Haus”. Hij nam de geestesroep in zich op en reeds in 1909 — 25 jaar oud — werd Leopold van der Pals in de kring van persoonlijke leerlingen door Rudolf Steiner op­genomen. Zo was het vanzelfsprekend dat hij naar Dornach ging toen het centrum van de beweging daarheen verplaatst werd om mee te werken aan de bouw van het eerste Goetheanum. Hier groeide zijn diepe verbin­ding met de euritmie: waaraan wij o.a. de parelend reine muziek voor Rudolf Steiners lyrische gedicht “Frühling” te danken hebben en de zo boeiende euritmische “Auftakte”.

Van der Pals nam zelf ook deel aan de euritmiecusussen. Rudolf Steiner droeg hem menigmaal op een inleidend woord voor een opvoering te spreken wanneer hij zelf daartoe verhinderd was. — Toch trad Van der Pals nooit op de voorgrond, integendeel: hij leidde een teruggetrokken bestaan, ook op zijn vele reizen en toen hij zich na de dood van zijn vrouw in de dertiger jaren voorgoed in Dornach vestigde, werd hij zeer eenzaam. Hij wijdde zich geheel aan de muziek en zo ontstond een rijk gevarieerd oeuvre, waarin hij steeds weer trachtte zich te vernieuwen. Daarbij had hij een veel omvattende kennis van de moderne muziek en de hedendaagse componisten. Dat zijn muziek zo weinig weerklank vond in en buiten de antroposofische kringen vervulde hem met diepe smart. Wie hem in de laatste jaren zag, kon getroffen worden door de smartelijk berustende trek op zijn gezicht. Nog tref­fender doordat ook de vrije, rechte gestalte werd gebogen door een gecom­pliceerde schouderbreuk, waaronder hij zeer leed.

Met Leopold van der Pals ging een zeer bijzondere vertegenwoordiger van twee tiidperken heen: een beminnelijk aristocraat uit Midden-Europa van de vorige eeuw en een geesteszoeker die stil en onverschrokken de door Rudolf Steiner gewezen weg de toekomst in volgt.
.

(C. C. Rens-Portielje. Mededelingen A.V.I.N. mei 1966)
.

Leopold van der Pals
Herinneringen van een musicus

Op een dag in de herfst van 1909 of 1910 vertelde Dr. Steiner me, dat hij een oud kerstspel wilde laten opvoeren door leden van de Berlijnse afdeling van de Antroposofische Vereniging en hij vroeg, of ik daarvoor de muziek zou willen componeren. Natuurlijk nam ik dat aanbod aan!

Dat was het geboorte-uur van mijn muziek bij de verschillende Kerstspelen. De keus viel allereerst op een klein spel uit Ober-Pfalz. Waarschijnlijk wilde Dr. Steiner eerst eens kijken hoe dat ging, voor hij zich aan de grote spelen uit Oberufer waagde. Ik toog meteen aan het werk en zocht om te beginnen naar de oude oorspronkelijke melodieën die vroeger bij dit soort spelen werden gebruikt. Ik kon echter niets vinden, behalve twee klei­ne liederen, die ik voor de slotzang gebruikte. De rest componeerde ik dus zelf. Van de repetities en de opvoering van dit kleine spel kan ik me niets meer herinneren. In ieder geval moet het resultaat Dr. Steiner niet zijn tegengevallen, want een jaar later vatte hij het plan op, het Geboortespel uit Oberufer in te studeren, wat een aanzienlijk zwaardere opgave was. Ook voor dit spel moest ik de muziek schrijven.

Ik besloot om niet opnieuw en waarschijnlijk wederom tever­geefs, naar de originele muziek op zoek te gaan, maar alle liederen nieuw te componeren.

Eén ding was mij volkomen duidelijk: ondanks het populaire karakter van dit soort liederen zou ik elk spoor van banaliteit en zoetelijkheid moeten vermijden en toch zouden de liederen gemakkelijk in het gehoor moeten liggen. Een paar jaar later gaf Dr. Steiner mij de opdracht liederen voor het Oberuferse Driekoningenspel te componeren. Dat was nog moeilijker, want dit spel is zo onuitsprekelijk dramatisch, dat je niets kunt beginnen met eenvoudige, goed in het gehoor liggen­de muziek. Ik probeerde me aan te passen aan de stijl van het spel en componeerde dus ook de muziek voor het Drie­koningenspel.

De opvoeringen vonden plaats in het zaaltje van de Berlijnse afdeling op een toneeltje zonder gordijnen en met heel primitie­ve kostuums van papier, maar niettemin veroorzaakten ze bij het publiek een stemming van diepe, innerlijke aandacht.

Intussen was men te Dornach begonnen met de bouw van het Goetheanum. Ook ik ging in het jaar 1915 naar Dornach, om daar mee te werken aan de bouw. Hier ontstond de muziek voor het laatste van de drie spelen, het Paradijsspel. Aan deze tijd heb ik een veel levendiger herinnering dan aan de Berlijnse opvoe­ringen. Er was grote haast bij het componeren van deze muziek, want het was al laat in ’t seizoen. Ik componeerde de hele dag, tot in de trein naar Bazel toe!

Het was de gewoonte van Dr. Steiner om, voordat de repetities begonnen, de teksten voor te lezen aan allen, die mochten meespelen. Hij deed dat ieder jaar. Eén van die leesavonden staat me nog heel duidelijk voor de geest. Wij, die in welke hoedanigheid dan ook aan de spelen moesten meewerken, ver­zamelden ons in Villa Hansi, Dr. Steiners huis in Dornach. Toen kwam Rudolf Steiner binnen en begon te lezen. De manier waarop hij de tekst las was zo volmaakt, dat wij het stuk dat we toch goed kenden, nauwelijks nog herkenden; het leek wel of we naar iets heel nieuws luisterden. Hij vereenzelvigde zich letterlijk met de persoon wiens rol hij las, hij was Maria, hij was de vrolijke herder, de ruwe waard, de vrome Jozef. Niet lang daarna begonnen de repetities. Met mijn zangers moest ik vaak urenlang oefenen, tot ze de melodieën in hun hoofd hadden. Ieder zette zich tot het uiterste in en bij de uitvoering klopte het gelukkig helemaal. Omdat er overdag aan de bouw van het Goetheanum werd gewerkt, waren de gezamenlijke repetities altijd ’s avonds en ze duurden vaak tot diep in de nacht. Steiners vrouw was er altijd bij, wees de spelers op hun fouten en gaf aanwijzingen ‘hoe je het dan wél moest doen’. Vaak ook was Dr. Steiner zelf aanwezig en kwam dan waar nodig persoonlijk tussenbeide. Hij las dan niet alleen de tekst, maar vaak stond hij met één sprong op het toneel en speelde de rol zelf, als een volleerd acteur.

Met Kerstmis vonden dan de opvoeringen plaats. Als regel hield Dr. Steiner eerst een inleiding, waarin hij iets vertelde over het ontstaan van de spelen, over zijn eigen relatie tot Karl Julius Schröer en diens werk en hoe hij de spelen aan de vergetelheid had ontrukt.

Bij één van deze uitvoeringen hadden we ieder jaar het hele dorp op bezoek. Dan waren alle notabelen van het dorp uitge­nodigd en het publiek bestond hoofdzakelijk uit dorpsbewoners en een geweldig groot aantal kinderen, wier grootste plezier het was, de duivel aan z’n staart te trekken. Mijn melodieën kenden ze uit ’t hoofd, en ik heb ze vaak door straatjongens in Dornach en Arlesheim horen zingen.

Alle spelers waren leden van de Antroposofische Vereniging, die meestal nog nooit op de planken hadden gestaan. Dankzij de onvermoeibare inzet van Dr. Steiner en zijn vrouw leerden ze al gauw hoe ze zich op het toneel moesten bewegen en spraken ze het Oostenrijkse dialect. Doordat iedereen met hart en ziel meedeed ontstond er een sfeer van grote innigheid en warmte, waardoor deze uitvoeringen verre de gebruikelijke toneelvoor­stellingen overtroffen.
.

(Uit: GA 274 Rudolf Steiner: Ansprachen zu den Weihnachtspielen aus altem Volkstum, vertaling Wyts ten Siethoff in ‘Kerstspelen’ uitgeverij Vrij Geestesleven, 1979)

.

Kerstspelen: alle artikelen

.

242-228

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.