Categorie archief: jaarfeesten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (11)

.

HET FEEST VAN SINT-MAARTEN

Ik wandel met mijn lantaren
en mijn lantaren met mij.
Daarboven stralen de sterren
Beneden stralen wij.
Mijn licht is uit, ik ga naar huis
Rabimmel rabammel raboem.

Op de vraag wie Sint-Maarten was zal men in het noorden zeggen: het was iemand die zijn jas met een bedelaar deelde en in zuidelijker streken krijgt men te horen dat hij de schuts­patroon van de dronkaards is.
Kan dat nu nog een reden zijn om Sint-Maarten te vie­ren? Stellig niet. Achter dit, door de loop der tijden met vreemde selectieve aandacht vertekende beeld, gaat een machtig figuur uit het vroege Christendom schuil. Wie was Martinus van Tours?
Hij werd in de vierde eeuw uit Hongaarse ouders geboren, maar hij groeide op in Padua waar zijn vader bij de Romeinse legioenen militair rechter was. Een opleiding tot officier was voor Maarten de aangewezen weg. Hij werd ’t ook, hoewel hij zich op zijn dertiende levensjaar reeds had voorgenomen christen te worden. Zijn militaire loopbaan stond in het teken van dit voornemen: zijn ondergeschikten wa­ren zijn vrienden en niet zelden diende hij op als ze bij elkaar aan tafel zaten. Om de Barbaren te vervolgen werd hij naar Amiens overgeplaatst. Hier gebeurde het dat hij, op een koude winterdag de stadspoort uitreed. Tegen de stadsmuur zat rillend van kou een bijna naakte bedelaar gehurkt. Maar­ten bedacht zich niet lang, trok zijn zwaard, sneed zijn mantel door midden en gaf één helft aan de bedelaar. Die nacht had Maarten een visioen: hij schouwde de Christus. De aanwezige engelen zeiden hem goed te kij­ken. Hij keek en zag dat Christus bekleed was met zijn halve mantel! De volgende dag besloot Maarten zich te laten dopen. Nadat hij christen geworden was nam hij zijn ont­slag als soldaat: Tk ben een soldaat Gods, het is mij niet toegestaan voor de keizer te vechten!’
Toen men hierin een teken van angst en lafhartigheid zag, bood hij
onmid­dellijk aan om bij de eerstvolgende schermut­seling met de Barbaren ongewapend en zon­der schild voor de troep uit de vijand tege­moet te gaan. Op dat moment werd er een bestand gesloten en Maarten werd gespaard.

Een avontuurlijk leven begon, waarvan de beschrijving naast waarheid deels ook legen­de bevat. Hij reisde naar Hongarije, viel in ro­vershanden, werd door woeste Galliërs aan­gevallen, trok zich enige tijd op een klein eilandje voor Genua terug en kreeg tenslotte van bisschop Hilarius van Poitiers de op­dracht in het nog nauwelijks gekerstende Gallië een klooster te stichten. Het werd het eerste klooster noordelijk van de Alpen. Hier leefde hij met tachtig volgelingen in strenge ascese. Het klooster was een toevluchtsoord voor vervolgden, maar ook een plaats van­waar het christendom krachtig uitstraalde. Zijn levensstijl wekte in hem grote geest­kracht. Niet zelden zag men hem in de kapel van het klooster omgeven door een krans van vuur en als hij de hostie omhoog hief, straal­de deze als de zon. Deze kracht stelde hem in staat zieken te genezen en zelfs doden weer in het leven terug te roepen. Krankzin­nigen genas hij door, alleen met hen in een cel, zich ter aarde te werpen en, bestrooid met as, zo lang in meditatie te verzinken tot de demonen geweken waren. Dat dit niet overdreven is, blijkt ook uit de manier waar­op hij met de demonen omging die hém be­laagden.
Eens kwam een duivel vloekend en tierend naar Maarten toe, hem verwijtend dat hij een gevallen kloosterbroeder weer onder zijn leerlingen had opgenomen, dat was immers oneerlijke concurrentie! Maarten antwoordde hem gevat dat als de duivel zelf berouw van zijn daden zou hebben, hij zo lang voor hem zou willen pleiten dat hij zelfs de duivel bij zich zou opnemen! Meesmuilend vertrok de zwarte gast.

Tegen zijn zin werd Maarten tot bisschop ge­kozen. Dit ambt gaf hem veel verdriet door­dat de levensstijl van zijn mede-ambtgenoten hem voortdurend in conflict bracht met zijn overtuiging. Toen zij zelfs, tegen zijn uitdruk­kelijke wens in, een ketter op de brandstapel brachten, ontstak hij in hevige woede en brak met de clerus. Geen enkele bijeenkomst of synode bezocht hij meer en de omgang met de bisschoppen meed hij. Na deze ge­beurtenissen konden zelfs toegeschoten en­gelen hem niet troosten. Zieken die op zijn hulp wachtten stuurde hij weg met de woor­den: ‘Ik ben zieker dan jullie’. Zijn geestkracht werd tenslotte zo groot dat ook de dieren in zijn omgeving hun gedrag veranderden. Een meute honden achter een ree aanjagend zag van de achtervolging af en kwam kwispelstaartend naar hem toe, wilde dieren werden tam.
Zelfs de elementen bo­gen voor hem. Toen een deel van het kloos­ter in brand stond, klom hij op het dak, be­zwoer de vlammenzee en het was alsof het vuur met zichzelf vocht. Het bluste zichzelf.

Hij trok met zijn vrienden steeds verder het duistere Gallië in om er het christendom te prediken. Vaak werd hij belaagd in de grote wouden waar geen Romeins soldaat zich waagde. Zijn geweldloosheid deed echter alle geweld dat tegen hem gericht was wijken. Dikwijls verkeerde hij in levensgevaar, doch angst kende hij niet.

Toen hij stierf verzamelden zich duizenden mensen rond zijn baar. Waar de lijkstoet voorbij trok, begonnen bloemen en heesters te bloeien alsof het lente was. Het was no­vember.
Eeuwen later gaf Bernard van Clairveaux zijn abten en bisschoppen de opdracht het volk duidelijk te maken dat Sint-Maar­ten, hoe groots zijn daden ook waren, een mens geweest was, geen hoger wezen maar een mens, een christen.

(Christoph Wiechert, Jonas nr.5 01-11-1985)

.

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten voorbeelden van lichtjes 

.

336-315

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten – alle artikelen

 

Sint en Maarten moeten beide met een hoofdletter worden geschreven en er moet een koppelteken tussen.

Ook wanneer je afkort; dan moet er achter St  ook een punt: St.-Maarten.

In samenstellingen een kleine letter: sintmaartensgebruiken; voor de duidelijkheid wordt ook sint-maartensgebruiken gehanteerd.

Sint-Maarten houdt zijn hoofdletters in samenstellingen als: Sint-Maartenskerk

[1Verborgen lichtjes
Marcel de Leuw over: Sint-Maarten na Michaël en vóór Sint-Nicolaas, advent en Kerst; geheim van delen; de aard van het licht(je).

[2] Een kritische dag 
Arie Boogert
over: het vroegere leven in de herfst, de schuddekorf; weerspreuken; Martinus van Tours en het lichtje.

[3Het  licht van Sint-Maarten
Marieke Anschütz over: herfst; dood; zijn leven, het wezenlijke van het lichtje.

[4] St.-Maarten, nabijheid van een wereld over de drempel
Willem Beekman over: de natuur in november, Grimms Sterrendaalders, dood in nov, – leven in dec.; betekenis van de knol als lichtjesdrager; spiegeling met Maria-Lichtmis.

[5Knutsels
Lampion (pompoen e.d.); lampion van papier; schimmenspel; herfsttransparant; bakken: st-maartensmannetje, st-maartenshorentje; recepten: sap, knolselderij.

[6] Het feest van St.-Maarten
Jelle v.d.Meulen over: het lichtje, hoe gaat het in de kleuterklas.

[7] Tussen Maarten en Nikolaas
P.C.Veltman over: herfst; gulle gevers; de bedelaar.

[8De mantel van Maarten
Koos Dijkstra over: de legende in het kort [lange versie: zie 21]; de mantel: de kleur, het delen, cappa=mantel, cap=kool,; koolraap.

[9] Sint-Maarten
Henk Sweers over: de plaats in het jaar; Mithras; zijn leven; het zwaard, de tweedeling ook in ons: verleden-toekomst; Duitse mystiek; Geert Groote; eigen ontwikkeling.

[10] Sint-Maarten en Sint-Nikolaas
Annemieke Zwart over: de Grote Gevers.

[11Het feest van Sint-Maarten
Christof Wiechert
over: zijn leven.

[12Het Sint-Maartensfeest
Lili Chavannes over: (Lampion)suggesties in gezin, op school.

[13St.-Maarten, een volksgebruik?
Marijke Roetemeijer
over: St.-Maarten in Europa; bij de Germanen, Odin, mantel; Stiermarken; Heiligenstadt; Rüno (Zweden); Tirol; Ootmarsum; Terschelling; Zaanstreek; Hilversum.

[14] St.Maarten
H.Mathijsen
over: in de kleuterklas; advent, adventtuin.

[15].St.-Maarten
H.A.L. Matthijsen-Kelder over: lichtje in de storm, schenken.

[16Sint-Marte, Martijn, Sintre-Martre, Sinte-Marteus, Sintermerte, Sint-Maarten, Sint-Martinus
Onbekend over: namen van St.-Maarten; kort de legende; symboliek zwaard, delen, jaargetijde.

[17] St.-Maarten, een heilige voor ons, voor de kinderen, voor het bestuur, de leraren en de ouders
Gerard Reijngoud over: historie; symboliek; patroonheilige; offer; vrijheid van onderwijs.

[18Een lichtje van een pompoen
Tineke Geus: over de pompoen-koolraap; pompoen in Amerika.

[19November tussen twee grote jaarfeesten
Marieke Anschütz over: tussen St-Maarten en Kerst, Allerheiligen, Allerzielen, dood en opstanding, Jeroen Bosch, vrouw Holle.

[20] Sint-Maarten en Sint-Nicolaas
Femmie Timmerman: over de dood; kunnen schenken.

[21Martinus
Jakob Streit. Uit zijn: ‘Ich will dein Bruder sein‘, in Nederlandse vertaling.

[22Zal ons lichtje blijven branden?
José Berlage-Veldhuizen over: schenken; kracht van binnen.

[23] St.-Maarten had ’n koe
Shell journaal over: vroegere sintmaartensgebruiken o.a. in Dordrecht; de schuddekorfsdag; weersvoorspellingen.

[24Sint-Maarten en ‘delen’
Loïs Eijgenraam over: kun je delen met een vluchteling; delen bij kinderen; wat is er allemaal nodig om te kunnen delen?.

[25Sint-Maarten
Melly Uyldert over: folkloristische gebruiken bij St.-Maarten in Marken, Friesland, Zuid-Beveland, Usseloër Es; witte hooischorten; martelgaus.

[26] Sint-Maarten
Dieuwke Hessels over: Sint-Maartensspel voor kleuters; Halloween en St.-Maarten; Sint-Maarten,  levensverhaal; liedjes; vele illustraties, transparanten, pompoenlantaarns en andere lichtjes en hoe je de maakt,  ; boeken; de mantel van Sint-Maarten; de boog van Sint-Maarten naar Maria Lichtmis; Sint-Maarten in Meppel; St,.-Maarten in de kleuterklas, werkprogramma; 

[27] Sint-Maarten
Over: Sint-Maarten; Willebrord en Sint-Maartenskerk Utrecht; Groningen, Limburg; vroegere viering, met schuddekorfsdag; St.-Maarten op gemeentewapens; verwijzingen naar liedjes; gans; most; vieringen in het land; Venlo; daarbij ook een Zwarte Piet; in  Vlaanderen, op Terschelling; lampion en knol; veel folklore.

Drie feesten van de herfst
Hans ter Beek over: de 3 jaarfeesten van de herfst: Michael, Sint-Maarten, Sint-Nicolaas; 9 feesten van het jaar; ‘feesten van het lichaam’; Michaël ‘denken’; Maarten ‘voelen’, Nicolaas ‘willen’. 

Herfst – Michaël – Sint-Maarten – Sint-Nicolaas – herfst
Onbekend over: de 3 feesten van de herfst; sfeertekening; schenken; Sint en Piet als eenheid.

.

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSt.-Maarten

.

335-314

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (20)

.

SINT-MAARTEN EN SINT-NICOLAAS

Het bos staat in brand. ’t Is alsof er in de natuur een groot licht wordt ontstoken. In de klas zijn we bezig met een toneelstuk over de herfst: de blaadjes aan de bomen zijn bezig met hun levenswerk; ze weven goud uit het zonnelicht.

Over een paar weken is al het uiterlijk vuur, al het goud verdwenen. En juist in die tijd vieren we met de kinderen het Sint-Maartensfeest, een opstapje naar het kerst-feest, waarbij het helemaal op het innerlijk licht aankomt.

De heilige Sint Maarten begreep al vroeg dat het doden van mensen niet in overeenstemming kon zijn met een christelijke levensweg.

Misschien moeten we dit “doden” niet te letterlijk nemen. Op velerlei manieren kan een mens “dood” zijn, dood door een leeg en zinloos bestaan.

De dood die intreedt als mensen voor elkaar niets betekenen, geen uitdaging, geluk, maar angst, bedreiging, concurrentiengst.

Dorothee Sölle (een theologe) noemt in haar boek “de heenreis” dit “dood” zijn: leven van brood alleen. Ze zegt: ” We sterven aan brood alleen, omdat we voor brood alleen leven. Dat is niet een natuurlijke dood, maar een dood door geweld. Deze dood doet de levende mens geweld aan. Het is een voorgeschreven dood, op bevel van het structurele geweld waarin wij leven en hij wordt gewillig door ons geaccepteerd, want ons eigen streven is liever dood te zijn en te doden, dan onszelf bloot te stellen aan de gevaren die werkelijk leven met zich mee brengt”.

Deze dood ging Sint-Maarten al te lijf door zijn mantel te delen met de bedelaar. Hij gaf iets van zijn eigen omhulling weg. En wil je iets aan een ander kunnen schen­ken dan moet je zelf ook iets te geven hebben, je moet in jezelf de kwaliteit van de schenkende liefde proberen te ontwikkelen, je moet in jezelf je licht brandende houden.

Een Sint-Maartenslied spreekt er ook over:
Hier (in mij) woont een Rijke Man,
die veule geven kan.

Iets verder in november gaan we verder met het ontsteken van het licht; de eerste adventskaars wordt aangestoken en dan komt daarna, een beetje vreemd misschien, nog het Sint-Nicolaasfeest.

Op de lagere school worden nu verhalen verteld van de Heilige Nikola uit Rusland. Nikola de Barmhartige gaat meestal gekleed als een gewone boer die door het land zwerft, als een echte landloper. Meestal overnacht hij bij arme mensen en helpt waar hij kan, op een onopvallende manier. Waarachtigheid en oprechtheid spreken uit de Russische Nikolaverhalen en dat zijn toch de kwaliteiten die ons kunnen helpen bij het zoeken naar het innerlijk licht en die de kinderen kunnen helpen bij het ontdekken van wie ze echt zelf zijn niet wie anderen zeggen of willen dat ze zijn.

(Femmie Timmerman, nadere gegevens ontbreken)

.

St.-Maartenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSt.-Maarten  

.

334-314

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (18)

.

EEN LICHTJE VAN EEN POMPOEN

Als stadsboeren waren we laaiend enthou­siast toen er uit de kleine zaadjes echte pompoenen begonnen te groeien in ons tuintje. Toen de prachtige winde-achtige bloem verlepte begon de vrucht te groeien. Botanisch gezien is de pompoen een (zij het flink uit de kluiten gewassen) bes. De eerste werd heel groot en omdat we zo vurig hoopten op een groot exemplaar lie­ten we hem prompt te lang staan en nadat we een regenweek lang niet in de tuin kwamen was hij plotseling verrot.
De volgende drie vielen ten prooi aan on­zichtbare slakken, maar gelukkig konden we de laatste drie redden voor herfsttafel en consumptie, al waren deze wel vrij klein.

Met Sint-Maarten holden we de mooiste goudgele uit, net zoals een koolraap met een scherp mesje en een lepel. Natuurlijk is het beeld van de knol uit de grond als lichtje juister dan van de pompoen, die boven de grond groeit, maar ik denk dat je zulke dingen best naast elkaar kunt hanteren.

Toen ik een paar mensen onder de optocht tegen elkaar daarover hoorde kibbelen, leek me dat nog allerminst de bedoeling! ‘O, een pompoen, dat kan niet, hoor!’ De ander geschokt: ‘Waarom niet?’  ‘Hij komt toch niet uit het donker van de aarde?’ De ander (inmiddels hersteld): ‘Nee, hij toont de zonnekracht, ook goed?’ Ach, laten we wel wezen: een papieren lantaarn groeit ook niet onder de grond! Onze traditionele rapenstamppot met Sint-Maartensavond kon best een pompoenuitbrei­ding verdragen. Er is met het op zichzelf vrij neutraal smakende vruchtvlees heel veel culinairs aan te vangen, bakken, roos­teren, verwerken tot moes, gelei, sap of taart. (Er hebben al meerdere jaren prima receptvoorbeelden van in Jonas gestaan).

In Amerika kan de pompoen op een rijke traditie bogen; hij is dan ook uit Noord-Amerika afkomstig en bij de kolonistenverhalen kom je hele lekkere recepten te­gen, in bijvoorbeeld de boeken van ‘Het kleine huis’ van Laura Ingalls Wilder. Er is ook een kookboek uit die tijd uitge­geven.

Op Onafhankelijkheidsdag kent men als nagerecht een traditionele pompoenen­taart en met Thanksgiving Day (Dankdag voor het gewas) holt men pompoenen uit tot lantaarns.

In Frankrijk in de vroegere Parijse Hallen koos men een ‘pompoenenkoning’ (dege­ne, die met de zwaarste pompoenen bin­nenkwam).

De zaadjes kun je in kettingen verwerken. Als ze gedroogd zijn en je wilt ze toch nog eten, dan kun je ze even nat maken, daarna roosteren in de oven en met wat zout bestrooien. Je kunt pompoenen wel een jaar lang bewaren.

(Tineke Geus, Jonas 5, 29-10-1982)

.

St.-Maartenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSt.-Maarten  

.

333-313

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (8)

.

DE TERE STILTE VAN ADVENT

‘De oude adventsstemming, die vroeger de natuur nog aan de mensen geven kon wanneer de eerste sneeuwvlokken ritselden, de eerste ijsbloemen op de ruiten glinsterden en in de klare winterse atmosfeer de sterren zo uitzon­derlijk helder straalden, verdwijnt. Laten wij ons toch standvastig oefenen in die stemming! De kunst van de devotie en van de vroom­heid is eigenlijk een voortgezette advent, die wij ons nu niet langer laten schenken door de natuur, maar die wij doelbewust en ge­trouw in ons leven inplanten en inweven’.*

Ik vind advent een moeilijke tijd. In het gere­formeerde milieu waarin ik ben opgegroeid vormden de weken voor Kerst, samen met Kerst zelf, de meest religieuze tijd van het jaar. Als ik mij terug verplaats in de advents­stemming van toen, bekruipen mij gevoelens waar ik niet goed raad mee weet. Het gezinsleven was in die weken intiemer dan anders. De verhalen die werden verteld, de stil brandende kaarsen, het gezamenlijk op­tuigen van de kerstboom en het donkere weer buiten, riepen gezinswarmte op. Een soort nestwarmte. Die stemming is er nog steeds als een klein plekje warmte ergens in mijzelf. Niet geheel vrij van sentiment. Soms breekt dat gevoel plotseling door. Het brengt me op een bepaalde manier in verlegenheid. Emil Bock spreekt in bovenstaand citaat van devotie en vroomheid. Dat zijn stemmingen die haaks staan op de wereld waarin ik dage­lijks verkeer. De werkelijkheid vraagt om doortastendheid, oordelen, actie en bewe­ging. Devotie heeft geen praktisch nut en tijd ervoor wordt derhalve niet ingeruimd. Als ik eerlijk ben moet ik zeggen dat ik devo­tie enigszins ‘onmannelijk’ vind. Het behoort tot de schaduwzijde van mijn gevoelswereld, waarin ik me stukken minder goed thuis voel dan in de kwaliteiten die in onze ‘mannelij­ke’ samenleving worden gecultiveerd. Van­daar dat Emil Bock zegt dat het nodig is de stemming standvastig te oefenen.

Het vieren van advent moet voor kinderen gemakkelijker zijn dan voor ouderen. In de heilpedagogische kinderhuizen Veldheim en Stenia (Zonnehuizen**) te Zeist, wordt er veel aandacht aan besteed. Beide huizen hebben in totaal zo’n tweehonderd medewerkers. In Veldheim worden honderdtwintig in hun ontwikkeling gestoorde kinderen verzorgd, die nog wel de mogelijkheid hebben zich te ontwikkelen. Vaak kunnen ze – in welke vorm dan ook – weer gaan deelnemen aan het maatschappelijke leven. Ze gaan naar een school die gebaseerd is op de vrijeschoolpedagogie. Op Stenia blijven de kinderen in de regel hun hele leven in een therapeutische omgeving. Het werk op de school waar zij naar toe gaan, heeft ook meer een therapeu­tisch karakter. Op Stenia zijn vijfentachtig kinderen. In beide huizen leven kinderen van alle leeftijdsgroepen.

Ik sprak met vier medewerkers over de ad­ventsviering. Tijdens het gesprek blijkt dat de jaarfeesten een wezenlijk onderdeel vor­men van het leven in de school en in de af­zonderlijke groepen.

Wil van Haren, een medewerker van Stenia: ‘Als volwassene moet je binnen zo’n insti­tuut zorgen voor beelden waaraan de kinderen zich kunnen optrekken, waaraan ze een bepaalde stemming kunnen beleven. Vanuit zichzelf kunnen ze dat niet. De volwassenen moeten voor een jaarfeestencultuur zorgen, waaraan de kinderen van binnen een houvast hebben’.

De jaarfeesten hebben duidelijk een thera­peutische betekenis in het instituut. De kringloop van de jaarfeesten geeft de kinderen in­nerlijke stevigheid. Het is een draad van ge­beurtenissen die de kinderen in de hand kunnen nemen en waardoor ze zich geleid ku nen voelen. Jaarfeesten schenken veiligheid. Over advent zegt Eveline Hirschmann, een begeleidster van groepsleiders van Veldheim: ‘Het is heel vaak zo dat de herfsttijd proble­matisch is voor de kinderen. Ze gaan een beetje mee met de herfststemming. Er zijn vaak spanningen. Kinderen zijn snel geprik­keld en ze voelen zich wat chaotisch. Het is net als het weer buiten: het is nog niet hele­maal donker, maar ook niet meer helemaal licht. De zomer is voorbij, terwijl de winter nog niet definitief is aangebroken. Ze zoeken echt naar: wat wordt het nou? Vaak zijn in deze tijd de activiteiten moeilijk te leiden. De kinderen waaien als het ware met de herfststormen mee. Ieder jaar kun je merken dat problemen zich in de adventstijd oplos­sen. Het intieme en verstillende karakter van de activiteiten in de adventstijd werkt rust­gevend en oplossend’.

Welke zijn die activiteiten? Mevrouw Erlanger, een gepensioneerde
me­dewerkster van de beide Zonnehuizen die nog enige taken verricht: ‘Alle activiteiten zijn een voorbereiden, een toeleven naar Kerst. Op de eerste adventsdag hebben we een feestelijke gebeurtenis rond de adventstuin. Het idee van de tuin is uit Zweden overgewaaid. Oorspronkelijk opgebouwd in de vorm van een spiraal. Het werd met mos gemaakt dat door de kinderen in het bos was gezocht. De volwassenen bouwden in een grote ruimte met het mos een spiraalvorm en plaatsten in het midden ervan een kaars. Wij gebruiken dennengroen, omdat het niet gemakkelijk is zoveel mos hier te vinden. Bij het begin van de spiraal, aan de buitenkant dus, liggen allemaal rode appeltjes met kaars­jes. Ieder kind krijgt een kaarsje. De hele ruimte is donker. Alleen het lichtje in het midden brandt. Terwijl adventsliederen wor­den gezongen, begeleid door bijvoorbeeld liermuziek, gaan de kinderen één voor één de spiraalweg binnen. In het hart ervan, waar de grote kaars brandt, ontsteken ze hun kaarsje, dat ze daarna ergens neerzetten in het tuintje. Als de viering voorbij is, is de he­le ruimte verlicht.

Aan het begin van de viering wordt de stem­ming voorbereid door een verhaal, dat door één van de leerkrachten wordt verteld. Voor de kinderen gaan slapen lopen een paar vol­wassenen met oudere kinderen met lierinstru­menten door het huis en zingen heel zachtjes het adventslied. Dat gebeurt tot Kerst. De spiraalvorm symboliseert natuurlijk de weg naar de innerlijke wereld, de weg naar het Christuslicht. De adventstuin wordt met de jongere kinderen gevierd, zo tot het veer­tiende jaar. De ouderen zitten er dan bij en kijken toe. Zij ontsteken hun licht als het avond is geworden. Wanneer de kleinere kin­deren naar bed zijn, komen de ouderen terug en voor hen wordt dan een verhaal verteld dat meer bij hen past. Als zij de kaarsen heb­ben ontstoken maken ze de rondgang met de lichtjes door het hele huis en zingen advents­liederen, zoals reeds gezegd’.
Uwe Schöbel, die leerkracht is aan de school, vult mevrouw Erlanger aan: ‘De adventstuin is bedoeld voor de jongeren. Zij gaan hele­maal in het beleven ervan op. Voor de oude­ren ligt dat iets anders. Zij vinden het vooral fijn om iets voor de jongeren te doen. De grote knullen gaan mee om dennengroen en kerstbomen te halen. Ze helpen ook met het maken van de adventskransen. Het is voor hen duidelijk dat ze het feest op een andere manier vieren dan de kleine kinderen’.
Wil van Haren: ‘Dat is op Stenia moeilijker. Op zeker moment vonden we dat de oudere kinderen niet meer aan de viering moesten meedoen zoals de jonge kinderen het doen. Er waren toch heel wat kinderen die daar moeite mee hadden. Dat is begrijpelijk, omdat de zielenleeftijd vaak zes à zeven jaar is, terwijl de fysieke leeftijd achttien jaar is. Ze begrijpen niet waarom ze niet meer mo­gen meelopen. Waar het om gaat is dat we proberen ze naar de volwassenheid te bren­gen. Je kunt ze niet altijd als kinderen blij­ven behandelen, alhoewel ze dat in de ziel vaak wel zijn’.

Eveline Hirschmann: ‘De kleintjes zie je heel spontaan stralen bij de adventstuin. Met pro­blematische kinderen die in de puberteit zijn is dat natuurlijk wat anders. Maar als je één van hen vraagt om bij de adventstuin het voorbeeld te geven door de eerste kaars aan te steken, dan zie je dat ze dat heel serieus doen. Zo’n jongen speelt dan niet, maar is heel ernstig. Zulke kinderen kunnen in de adventstijd open komen te staan voor intieme dingen, terwijl dat het verdere jaar altijd moeilijk blijft’.

Wat gebeurt er behalve de adventstuin nog meer?
Eveline Hirschmann: ‘Op de zondagochten­den worden de kinderen gewekt met muziek. Dat begint heel stilletjes met misschien maar twee instrumenten. Langzaam wordt dat op­gevoerd. Dan is er natuurlijk het aansteken van de eerste kaarsen van de adventskransen. In de kamers van de groepen wordt in een hoek het kerststalletje voorbereid. Ook dat wordt langzaam opgebouwd: je begint bij­voorbeeld met het neerzetten van Maria. In de daaropvolgende weken komen dan Jozef, de herders en ten slotte het kerstkind er bij. De tweede adventszondag is er ook wekmuziek en het aansteken van de tweede adventskaars. We zingen dan het lied: Nu daghet in het Oosten. Je werkt zo heel bewust naar Kerst toe. Op de derde zondag wordt de der­de kaars erbij aangestoken, en zo door. Bij het stalletje wordt langzaamaan het hele kerstgebeuren uitgebeeld. Het hele groeps­leven is er op ingesteld’.
Uwe Schöbel: ‘Op school in de klassen doen we heel intensief mee met de voorbereiding naar Kerst toe. Sommige leerkrachten maken ook een spiraalvormig tuintje in de klas. Ie­dere ochtend ontsteek ik een grote kaars. Ie­der kind krijgt een kaarsje in een appeltje. Die mogen ze allemaal één voor één ontste­ken. In een hoek ontstaat langzaamaan een kribbe, net als in de groepsruimten. Het ge­wone lesprogramma valt een beetje weg. Er­voor in de plaats doen we bijvoorbeeld knut­selwerk dat iets met Kerst te maken heeft. Het is vaak zo dat als het lukt moeilijke kin­deren in deze tijd te betrekken in het groeps­gebeuren, dan heb je ze er voor het hele ver­dere jaar bij. De adventstijd in de klas werkt heel verbindend. Sommige klassen spelen ook een kerstspel. Daar kijken ze lange tijd van te voren naar uit. Ze vragen nu (half no­vember) al of ze het dit jaar weer mogen spe­len’.
Wil van Haren: ‘Zelfs de heel zwakke kinde­ren beleven het kerstspel heel intens. Sommi­ge kunnen geen woord uitbrengen, maar aan de gebaren waarmee ze Jozef en Maria spelen kun je zien hoe intens ze er mee bezig zijn’.
Uwe Schöbel: ‘Ik heb eens meegemaakt dat na een kerstspel Maria met haar kindje staat te kijken naar de herders die zich aan het uit­kleden zijn. Plotseling realiseert ze zich dat ze het kindje nog in haar armen draagt. ‘Waar moet ik nou met het kindje heen?’ vraagt ze. Ze zijn er zo innig mee bezig, dat ze doorgaan als het spel afgelopen is’.

Volwassenen moeten, zegt Emil Bock, devo­tie oefenen. Kinderen hebben dat van zich­zelf. Eenvoud, overgave en spontaniteit – het zijn kwaliteiten die je vindt in een heilpedagogisch kinderhuis. Misschien dat we de ko­mende weken de kunst van het advent vieren kunnen afkijken bij de kinderen.

* Uit Emil Bock: ‘De jaarfeesten als kringloop door het jaar’. Uitgeverij Christofoor. Prijs f 23,50. Een prachtig boek, waarin de christelijke jaarfees­ten worden behandeld. Het begint bij advent en eindigt met Michaël.

(Jelle van der Meulen, Jonas 7, 28-11-1980)

**onder deze naam en in deze vorm bestaan deze tehuizen niet meer

.

332-312

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (12)

.

DE GOEDHEILIGMAN VAN MYRA ALS BINDMIDDEL

Sinterklaas komt uit Spanje?
‘Hoe kan dat nou? Hij is in Patara geboren en in Myra gestorven’.
Zover de archeoloog Özgur weet, heeft de goedheiligman deze Turkse streek nooit verlaten. Rond 350 na Christus stierf de bisschop, vermoedelijk op 6 december. Waarna de cultus pas goed op gang kwam en Myra uitgroeide tot de hoofdstad van Lycië.

Volgens goed Turks gebruik besprenkelt de bijrijder op de bus de handen van de passagiers met een scheut citroeneau-de-cologne. Dat is het sein dat de reis echt is begonnen. Niet in het slagschip met video, wc en airconditioning aan boord, dat voor het perron van de Otogar in Antalya stond geparkeerd, maar met de dubbele dolmus daarnaast. Een buurtbus dus, waarvan de stoelbekleding evenals de geluidsapparatuur sleet vertoont. Een soldaat schurkt zich tegen me aan, terwijl er voldoende lege plaatsen zijn. Hij moet wel: zitplaatsen zijn toegewezen volgens een strikt nummersysteem.

Het motregent wanneer we over de brede boulevards van Antalya rijden. De eindbestemming ligt op drie uur gaans. Demre. In Nederland beter bekend als Myra.

De dag ervoor slenter ik het museum van Antalya in, een verleidelijke herfstzon negerend. ‘Tegenover de zaal met de vloermozaïeken’, vertelt de receptioniste nadat ze haar haakwerkje heeft neergelegd. ‘Daar liggen ze.’ Ik passeer bodemvondsten uit het Bronzen Tijdperk, vitrines met Griekse vazen, sieraden, verdwaal in een zaal met imposante Romeinse beelden die zijn gevonden in de antieke stad Perge, en tref zo mogelijk nog mooiere sarcofagen aan in de zaal daarnaast.

In de zaal van de mozaïeken zie ik een muuruitstulping aan voor een klein relieken-tempeltje – fout, een stookhok – en het gangetje met iconen ertegenover ben ik doorgelopen voor ik er erg in heb. En toch bevinden ze zich daar,  in het allernederigste hoekje dat een goedheiligman zich denken kan. Het sieradenkistje met half vergaan fluweel bevat in de uitsparingen waar je broches en oorringen zou verankeren, een klein assortiment menselijk gebeente waarvan de ellepijp en een stuk bovenkaak het herkenbaarst zijn. De botten van Sint-Nicolaas. De receptioniste bezweert bij mijn ongelovige blikken dat ze het echt zijn.

De botten worden omringd door beeltenissen van de bisschop van Myra: een vervelde icoon waarvan ik later verneem dat zij uit de basiliek van Myra afkomstig is, een schilderij uit 1884 en – ruimhartig van de Turken – ook een Kerstman. Nicolaas is blijkens de afbeelding gezegend met een geprononceerde neus, heeft last van een wijkende haargrens (dus dat euvel verbergt de mijter) en knijpt op alle afbeeldingen de duim en middenvinger samen. Later krijg ik uitgelegd dat dit een zegenend gebaar is: de drie opgeheven vingers staan voor de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Vlak voor Kemer, een expansief toeristenoord, houdt de bus pardoes halt. Een kraan barricadeert de weg, in de berm staan twee beduusde vrouwen. De bus stroomt leeg. Tien meter lager bungelt op een richel een appelgroene Opel, de achterbank zwart geblakerd. Of hier nog iemand levend uitgekomen is?

Laag hangende bewolking is neergestreken op de uitlopers van het
Taurusgebergte waar we vervolgens doorheen rijden. Het voelt wat ongemakkelijk, die scherpe bochten, de plotseling opdoemende wolken en het zien van het volgende wrak dat achtergelaten tegen de asfaltrand leunt. Nee, saai is de rit allesbehalve. Als er geen verse ongelukken zijn, is het wel de grillige kustlijn die tussen de wolken en pijnbomen door de blikken gevangen houdt.

De sint, lees ik in het boekje dat ik in het museum aangetroffen heb, is geboren in de vierde eeuw in de oude havenstad Patara. Volgens overlevering is het een bijzondere baby, want op woensdagen en vrijdagen zou hij al genoegen nemen met eenmaal borstvoeding. Abstinentie, daarin herkennen we de ware heilige. Vervolgens bestaan er meer mystificaties dan zekerheden over het leven van de latere bisschop van Myra. Dat hij een belangrijke bisschop moet zijn geweest, wordt afgeleid uit een manuscript met de mededeling dat hij in 325 na Christus heeft deelgenomen aan het concilie van Nicea.

Waar zijn status van weldoener aan te danken is? Er leeft minstens één anecdote voort waaruit zijn barmhartigheid blijkt. Een tot de bedelstaf vervallen koopman in de buurt van Myra zag geen kans zijn drie mooie dochters een waardige echtgenoot te bezorgen. Hem ontbrak het geld voor een behoorlijke bruidsschat. Er restte de dochters niets anders dan een smadelijk perspectief: het bordeel. Totdat de goedheiligman ingreep en tot drie keer toe ’s nachts een geldbuidel in het huis van de koopman wierp, waardoor de dochters van het slechte pad konden worden afgehouden en de koopman zelf tot Christus kon worden bekeerd. Dit sprookje duikt in verschillende publicaties op, de voedingsbodem voor zijn kinderverering.

Maar niet alleen voor kinderen was Nicolaas van Myra de beschermheilige, ook voor zeelieden. De talloze Nicolaaskerken in Europese havensteden zijn er het bewijs van. Toen de bewoners van Myra bedreigd werden met hongersnood, zou de bisschop op wonderbaarlijke wijze een schip met graan uit Egypte hebben laten komen.

Rond 350 na Christus sterft de bisschop, vermoedelijk op 6 december – we vieren dus niet zijn verjaardag, maar zijn sterfdag, maar dat is weer zijn hemelse geboortedag – en daarna komt de cultus pas goed op gang. Nicolaas is een qualitate qua-heilige, anders dan de eerste christelijke heiligen die de marteldood zijn gestorven. Myra groeit uit tot de hoofdstad van Lycië. Pelgrims stromen toe naar de basiliek die in de vijfde eeuw ter ere van de bisschop is gebouwd.

Overvallen en aardbevingen berokkenen de kerk schade in de achtste eeuw, maar de grootste tegenslag loopt het bedevaartsoord op in 1087, als Italiaanse zeelieden het skelet van de heilige uit een sarcofaag roven en meenemen naar Bari. Myra is van zijn betovering beroofd, en in Bari wordt tot op heden op twee plaatsen het gebeente van de sint bewaard. Afgezien dan van de vijf stukjes die de grafrovers over het hoofd hebben gezien en die in 1962 in het museum van Antalya terecht zijn gekomen.

Langdurig oponthoud op het busstation in Finike: we zijn halverwege. Het wachten is op een vertraagde dolmus uit de bergen. In Finike, gelegen aan een baai, ontluikt het toerisme ook al. De kaalslag en de riante boulevards voorspellen de komst van het doorsnee Turkse appartementenblok, een witte woontoren met veel balkons. In de tijd van de bisschop werd deze streek, Lycië, Pamphilië, bewoond door Grieken die er in een tijdspanne van twee eeuwen hun pantheïsme inwisselden voor een monotheïsme. Artemis maakte plaats voor Jezus Christus. Tot de laatste oorlog toe woonden de moslims en Grieks-orthodoxen naast elkaar, net als tot voor kort in Bosnië-Herzegowina. Zo kon het regionale museum de beschikking krijgen over de Nicolaas-iconen, vertelt Edip Özgür me, daags na de busreis naar Myra. Naast de grote Pacha-moskee van Antalya hebben vijf kerken gestaan. Er is niets meer van over.

Özgür is de schrijver van het boekje De Sint-Nicolaaskerk van Myra. Of liever: de samensteller. Gezeten in de museumtuin zegt hij: ‘Sinds 1982 wordt hier een Sint- Nicolaas-symposium gehouden, dat zoveel verschillende legendes, hypotheses en theorieën aanbrengt, dat het tijd werd ze te bundelen.’ Met verrassing heeft hij pas vorig jaar kennisgenomen van de geloofsovertuiging in Nederland dat Sinterklaas uit Spanje komt. Uit Spanje! ‘Hoe kan dat nou? Hij is in Patara geboren en in Myra gestorven. Hij heeft bij mijn weten deze streek nooit verlaten.’

Over de vraag waarom de Nederlandstalige landen de goedheiligman uit Spanje in plaats van Turkije laten komen, doen verschillende theorieën de ronde. Een ervan is dat de kustvaarders in de middeleeuwen geen sterk onderscheid maakten tussen Bari in Zuid-Italië en Spanje, en ja, de stoomboot is weer de knipoog naar Nicolaas als patroon van de zeelieden. De connectie met de zee staat in ieder geval vast. Sint- Nicolaas wordt vooral vereerd langs vaarroutes. Zwarte Piet, dat is weer een heel ander verhaal.

De status van die paar botjes is net zo ongewis als de wederwaardigheden van de bisschoppelijke cultus. Of ze echt zijn? Özgür haalt zijn schouders op. ‘Wie weet dat nou. Ik vind dat ook niet zo belangrijk. Als er iets bestaat om de gelovige bij zijn herinnering of bij zijn gebed te helpen, is dat voor mij voldoende. Dezelfde twijfel hangt er over de sarcofaag in de kerk. We hebben vastgesteld dat het deksel niet origineel bij de kist hoort; de zijkant van de kist is opengebroken. Dat suggereert die aanval van de dieven uit Bari. Maar opnieuw: wie weet dat nu?’

Iconografen houden het erop dat de echtheid van botten er voor gelovigen nooit toe doet. Ze groeien in de loop der tijd vanzelf uit tot reliek, bijvoorbeeld door aanraking.
Schrijfster Hélène Nolthenius berekende in verband hiermee ooit dat als je alle splinters van het kruis die overal ter wereld aanbeden worden, zou samenvoegen, je drie arken van Noach zou kunnen bouwen.

Özgür is archeoloog met een van de rijkste gebieden ter wereld onder zijn beheer, ongeveer zeshonderd kilometer zuidkust van Turkije. Myra is een van de pareltjes in die schatkist. In 1962 begon het archeologisch onderzoek aan de Sint-Nicolaas-basiliek, en het is nog steeds niet afgerond. Wat Özgür betreft zou het accent verlegd moeten worden: niet verder graven, maar restaureren en conserveren wat er gevonden is. ‘De fresco’s in de kerk, uit de elfde eeuw, zijn in zeer slechte staat. We weten ook nog steeds niet goed wat de meeste voorstellen.’
Tja, en dan die beenderen: röntgenologisch onderzoek zou klaarheid kunnen scheppen. Maar wie betaalt het, verzucht de archeoloog. ‘We hebben gewoon te veel erfschatten.’

Na twee gecrashte auto’s in de bocht van de weg te zijn gepasseerd, rijdt de bus de laagvlakte van Demre binnen. In de modderige bodem van een reusachtig binnenmeer zoeken Turken met opgestroopte broekspijpen kokkels en alikruiken. De motregen sijpelt langs de vuile ramen, maar belangwekkend is het uitzicht toch niet. Aaneengeregen tunnels van plastic waaronder paprika’s, komkommers en tomaten worden vermoed.

Het is één uur ’s middags wanneer de bus het emplacement van het buurtschap Kale (gemeente Demre) opdraait. Rondrennende bediendes met een dienblad vol cai en veel paraplu’s. Dat is geen overbodige luxe. We hebben de bus nog niet verlaten of de hemel zet het op een lozen.

Tegenover het stadhuis – onopgesmukt modern – probeer ik schuilende onder een afdakje me voor te stellen hoe het er over een paar weken zal uitzien. Dan bruist hier een tent vol congresserende Nicolaasgangers uit de hele wereld met een delegatie uit Bari als eregasten. Na tien jaar kleinschalige opzet moet het festival dit jaar* groots worden, voorspelt Muammer Karabulut van de organisatie. En het thema is al even ambitieus: A call for peace in the world. De heilige Nicolaas in een opgepoetste functie als ‘bindmiddel’: tussen verschillende religies, tussen Oost en West en tussen arm en rijk. Het was de Armeense patriarch in Istanbul die in 1982 met dit idee op de proppen kwam, en het werd gretig opgepikt door een reisorganisatie die met een festival de slappe wintermaanden denkt op te tuigen.

Nee, de weldoener die met cadeautjes strooit, die man kennen de Turken niet, zegt Karabulut. Wel geven de families elkaar met oud en nieuw geschenken. Het is in Turkije al niet anders dan elders in de wereld met Kerst. Over de waarde van het festijn doet de organisatie schimmig. ‘Peace. Voorlopig lijkt het ons al heel belangrijk dat we geloofsverschillen overbruggen.’ En de figuur van Sint-Nicolaas is symbolisch voor het ‘belangeloze geven’. Dat is het ware blijk van liefde.

Maar van de festivalkoorts is in het druipende Kale nog weinig te merken. Het is een plaatsje dat niet zozeer in het teken staat van het toerisme of mystiek dan wel van de tuinbouw. Tegen de gevels van de huizen staan de kassen gedrukt, een enkele opgetrokken uit glas, de meeste uit landbouwplastic. Omdat de hevige regen een wandeling onmogelijk maakt, besluit ik met een taxi eerst naar de grootste bezienswaardigheid van Kale te rijden, het Romeinse theater en de Lycische rotsgraven. De terrassen voor de entree doen in deze omstandigheden lachwekkend aan, en de kassa is gesloten. Er wordt toch geen bezoeker verwacht.

Glibberend langs een helling bereik ik het Romeinse theater, dat in luttele uren tijds de reuk heeft aangenomen van een druipsteengrot. Het kost halsbrekende toeren om de bovenste rijen van de tribunes te bereiken, omdat gangen rivieren geworden zijn en hellingen glijbanen. Ik raak verdwaald in ingestorte gangen. Tussen het geklauter door zie ik de rotsgraven; het zou alleen gekkenwerk zijn die nu te willen bezichtigen. Jammer, jammer, want in deze necropool uit de vijfde eeuw vóór Christus bevinden zich wandschilderingen en reliëfs. De Lyciërs begroeven hier hun doden, in kleine kopieën van hun eigen huizen, met uitzicht op de Middellandse Zee in de verte.

Dat panorama bestaat nu uit een zee van plastic kassendaken. De tomatenteelt is zelfs opgerukt tot de rand van het amfitheater, het voormalige decorgebouw dat door aardbevingen is ingestort. De bisschop moet het theater wel gekend hebben, het kan niet anders, hoewel het hellenistische Myra een volstrekt andere stad was dan het byzantijns-christelijke Myra. De nieuwe religieuzen, met Nicolaas als hun voorman, bouwden op de ruïnes een nieuwe stad, zoals de Turken hun kassen weer bovenop het byzantijnse verleden hebben geplant. En anders hebben wel de lagen modder uit de bergen de antieke stad in de loop der eeuwen bedekt.

De taxichauffeur, die al die tijd voor de poort heeft gewacht, start de auto. Op naar de basiliek.

Springend over plassen land ik op een hoge stoep; en terwijl ik de helling afloop naar de basiliek, krijgt de stortbui gezelschap van gerommel in de lucht. De basiliek schuilt, grotendeels droog godzijdank, onder een dak van golfplaat dat de archeologen en de kwetsbaar blootgelegde vondsten moet beschutten. Uit de vijfde eeuw dateert het oudste gedeelte: een middenschip met één noordelijke en twee zuidelijke zijbeuken. Het is aardedonker in het gebouw.
Als mijn ogen aan het licht zijn gewend, blijken mijn voeten te rusten op een marmeren vloermozaïek onder een kruisgewelf in het middenschip. Op de plaats van het altaar staan zes incomplete zuilen, het koor is een eenvoudig amfitheater van natuursteen, getuige de frisheid vermoedelijk een recente toevoeging. Het is een sobere basiliek, die in de elfde eeuw werd uitgebreid en helaas bij een restauratie halverwege de negentiende eeuw werd verminkt.

Die restauratie, vertelt Özgür me later, heeft een merkwaardige geschiedenis. In opdracht van de Russische tsaar Nicolaas II werden de ruïnes onderzocht en gefotografeerd. Vervolgens voerde de Franse architect August Salzmann rond 1860 een restauratie uit, die nu alom wordt beschouwd als mislukt. Kon ik ooit maar die foto’s van Salzmann achterhalen, is de grootste hoop van de archeoloog, want zij zouden veel inzicht kunnen geven in de toenmalige staat van de kerk.

De tsaar in Myra. Özgür heeft dank zij de experts op het Nicolaas-symposium kunnen reconstrueren dat Nicolaas rond de basiliek een kolonie met pelgrimsoord wilde stichten. Hij zou de grond gekocht hebben dank zij de bemiddeling van de Russische en Britse consul op Rhodos. Maar verder dan een kapel met Russische inscripties en de mislukte restauratie kwam het niet. De Osmaanse sultan was – niet geheel ten onrechte – beducht voor een Russisch landshoofd en stak een stokje voor Nicolaas’ religieus schimmenspel.

In de donkere zijbeuk licht een Duitse toerist me bij en zie ik de sarcofaag met twee onthoofde bisschoppen op het deksel, twee Nicolazen. De bres in de zijkant, het wijst me iets te nadrukkelijk in de richting van inbraak, als in een goedkope detectiveroman. Waar is Nicolaas zelf? Opnieuw ben ik hem gewoon voorbijgelopen. In het gewelf van de zuidoostelijke zijkapel – het deel uit de elfde eeuw – komt hij tevoorschijn uit de muurverf. Hij hanteert het zwaard – tekenend voor een schutspatroon – en hij draagt het typerende onderscheidingsteken voor een bisschop, een pallium, als een lange sjaal om de schouders. Dit is het rijkst versierde deel van de basiliek, want in de nis zijn met enige moeite ook profeten te bespeuren, hun hoofden gevat in medaillons.
Ongemerkt is de basiliek gevuld met groepjes toeristen en ja hoor, uit de gewelven klinkt ineens een bekende strofe: ja hij komt in donk’re nachten, op zijn paardje oh zo snel. Het lijkt op een heel andere Nicolaas te slaan die daar streng vanaf de muur toekijkt. In de tuin voor de basiliek staat een versie die eerder bij de westerse beleving aansluit, een bronzen Nicolaas omringd met kinderen. Maar die dateert beslist niet uit de elfde, laat staan uit de vijfde eeuw.
Vluchtend voor de stortregen die nog steeds aanhoudt, duik ik een nabijgelegen restaurantje in. Aan het onweer is weer even onverwacht een einde gekomen als het begon. De bus terug naar Antalya is nog maar nauwelijks aan de klim uit de laagvlakte van Demre begonnen, of de hemel breekt open. Je zou er gelovig van worden.

Op de toppen van de Lycische bergen is de eerste sneeuw van de winter gevallen.

Bronnen: Die St. Nikolaus Kirche in Myra und deren Umgebung
door Edip Özgür.
Van Nicolaas van Myra tot Sinterklaas
door Rita Ghesquiere (Acco Amersfoort). Met dank aan Kasper Staal                  (Catharijneconvent Utrecht), Mehmet Yildiz en Ismaïl Ayldin.

(Jaap Huisman, De Volkskrant, * 04-12-1993)

.

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

 

331-311

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (7)

.

ADVENT

Waarom en hoe vieren we advent? Wat is advent eigenlijk?

Als we in het gewone leven iets belangrijks in het vooruitzicht hebben, leven we daar naar toe. We zijn vol verwachting! En als we een feest willen gaan vieren, moe­ten we onze voorbereidingen treffen.

Advent heeft deze beide aspecten: verwachting en voorbereiding. Want het grote, dat te gebeuren staat is Kerstmis, de geboorte van het Christuskind.

Eens was dat zo voor de gehele mensheid. Nu, in onze tijd, kan dat zo zijn voor ieder mens individueel.

In de christelijke kerk begint het kerkelijke jaar dan ook met de adventstijd, met het naar Kerstmis toe leven, vier zondagen vóór 25 december. En opnieuw kan de vraag rij­zen; “Ja, maar hoe doe je dat dan zelf in het dagelijkse leven?”

Zo, uiterlijk, hebben we dan onze adventskrans, met zijn dennengroen, vier kaarsen en het blauwe lint.

Terwijl het buiten steeds donkerder en kouder wordt, de aarde en de mensen meer en meer door de goddelijke wereld verlaten lijken, hangen we in onze klassen en huizen de “eeuwigheidskrans” op, de kroon zonder begin of einde; getooid met het groen, het sym­bool van het leven. Voorzichtig en stil ontsteken we elke week een lichtje meer; de aardse materie offert zich en wordt tot licht en warmte. Als we zelf onze krans ge­maakt en hem opgehangen hebben, dan kan bij het verstrijken van de weken en het ster­ker wordende kaarslicht de stemming in onze ziel ontstaan, die ons het blauw van ad­vent doet begrijpen.

Als de kaars of kaarsen branden zingen we onze adventsliederen: “Het daghet in het Oosten; Maria, die zoude naar Bethlehem gaan; Hoe zal ik u ontvangen?’-
Tijdens dit 
zingen worden we stil van binnen en komt er in onze ziel ruimte, wijdheid, die aan de hemelkoepel doet denken. Die openheid, die wijdheid roept als kleur blauw in ons op.
Wij zien dat ook bij Maria uitgedrukt. Zij draagt een blauwe sluier en ze zegt; “Wijd wordt mijn ziel en prijst de Heer!”                                   

Advent vieren is het scheppen van ruimte, zodat het licht in de harten kan komen. Wij moeten dat onszelf en onze kinderen leren.

Maar in het begin van de adventstijd hebben we daar een grote helper, of eigenlijk twee helpers bij: Sint-Nicolaas, de heilige en zijn Zwarte Piet.

Met humor in waarschuwingen en dreigementen hekelt de Zwarte onze fouten, onhebbe­lijkheden en egoïsme. De Sint laat zijn liefdelicht stralen, schenkt ons zijn gaven, waarmee we het goede kunnen doen. Hij leert ons aan anderen te denken en samen, de Sint en zijn knecht, scheppen ze ruimte in onze ziel. Het kwade wordt uitgebannen; het licht kan binnenstromen.

Dan is er ook nog het Paradijsspel. Adam en Eva, uitgestoten, door eigen schuld, uit de goddelijke harmonie:  werkend en zwoegend, zich met de aarde verbindend en tegelijk wachtend, toelevend naar de vervulling van de belofte: “Dat de barmhartige God zijn Zoon zal doen nederdalen – – – – ”

Wie in de adventstijd dit soort gedachten met zich omdraagt, een adventslied onhoor­baar voor anderen in zijn ziel laat klinken en elke dag een paar minuten stil bij  een brandende kaars gaat zitten, die krijgt er nieuwe gedachten bij en vindt nieuwe wegen om advent te vieren.

(Henriette de Boer, vrijeschool Tiel, nadere gegevens onbekend)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

330-310

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (13)

.

SINTERKLAAS: NEDERLANDSER KAN NIET

Wat is het grootste, jaarlijks terugkerende evenement in Nederland? Prinsjesdag? De marathon van Eindhoven? De Vierdaagse van Nijmegen? Geen van alle, als we Sennie Chan van het ‘Initiatief Comité Amsterdam’ mogen geloven. Het grootste evenement in Nederland is elk jaar weer de intocht van Sint-Nicolaas in de hoofdstad: elk jaar goed voor tegen de 300.000 mensen. Het worden er elk jaar meer, meldt Chan.
„Sinterklaas heeft zijn intocht dit jaar zelfs ‘het Carnaval van boven de rivieren’ genoemd.” De Goedheiligman nam dit jaar* voor de zestigste keer feestelijk bezit van de hoofdstad. Het ICA heeft ter gelegenheid van dit jubileum een boekje uitgegeven over de geschiedenis van Sint-Nicolaas in het algemeen en die van Amsterdam in het bijzonder.

Het is moeilijk iets te be­denken dat Nederlandser is dan het Sinter­klaasfeest, met zijn ty­pische mengeling van huiselijke knusheid en vaak moralistische rijmelarij. De Heili­ge Nicolaas van Myra heeft zich zo vast in de Nederlandse collectieve psyche ge­nesteld dat hij als katholieke heilige zelfs de Reformatie betrekkelijk moei­teloos heeft doorstaan. Tot groot ongenoegen van de dominees, trouwens. Die lieten geen gelegenheid onbenut om uit te varen tegen deze ‘Paapse’ uitwas en kregen daarbij vaak de steun van het wereldlijk gezag, dat in de Sinterklaasviering ongewenste anarchistische trekjes meende te bespeuren. Zoals blijkt uit een besluit van het Amsterdamse gemeentebestuur van 4 december 1663. ‘Niettegenstaande de keuren telckens gepubliceerd’ meldt de verordening (het was dus niet voor het eerst dat ertegen werd opgetreden) heb­ben ‘in voorgaenden jaren’ ‘verscheydene personen’ zich op Nicolaasavond (5 december) ‘opden Dam ende andere plaetsen binnen dezer stede’ bevonden met ‘poppegoedt, snoeperijen en eetba­re en andere waeren’.
Ontoelaatbaar, vonden de stadsbestuur­ders, want ‘niet alleen een grote menichte van volk, uyt allen hoecken der stadt (onder dewelcke zich vele dieven menghen)’ was daarvan het gevolg, maar ook ‘grote disordren (wanorde), confusien (verwarring) ende ongeregeltheden’.
Dat het de Amsterdamse regenten niet alleen daarom te doen was, blijkt uit een verklaring even verderop in de ver­ordening: ‘omme de Jeught de supersti­tiën (bijgeloof) ende fabulen (fabeltjes) van ’t Pausdom uyt het hooft te bren­gen’ is het maar beter de Sinterklaasvie­ring af te schaffen.

Twee jaar later echter, rond 1665, schilderde Jan Steen zijn ‘Sint-Nicolaasfeest’ als om aan te geven dat het met de Goede Sint nog nooit zo goed was gegaan. Zelfs bij buitenlandse bezoekers, die van de afbeelding niets begrijpen, schijnt het een van de meest geliefde schilderijen in het Rijksmuseum te zijn. Voor de Nederlander is het nog altijd een van de meest herkenbare en meest aansprekende kunstwer­ken uit de Gouden Eeuw.
Alle elementen van het huidige Sinter­klaasfeest zijn op het doek van Jan Steen al terug te vinden. Op de voor­grond staat een meisje dat door de Sint vreselijk is verwend. Ze heeft een em­mertje vol snoepgoed gekregen en ook een Sint-Janspopje, een popje dat Johannes de Doper voorstelde, compleet met kruisstaf, lichtkrans om het hoofd en mantel van ‘kameelhaar’. Zo’n popje was niet alleen leuk voor kleine meisjes om mee te spelen, maar werd ook geacht kinderen tegen ziekte te beschermen.
Het jongetje naast haar is al even blij met zijn cadeau: een kolfstok met een bal. Kolf was een oude Nederlandse sport, de voorloper van zowel golf als hockey. De oudere broer is minder in zijn schik: hij staat te wenen omdat hem slechts de roe ten deel is gevallen. Andere details hebben minder beteke­nis voor de moderne Sinterklaasvierder. Zo was de ontbijtkoek in het mandje links op de voorgrond een vast onder­deel van het Sinterklaasfeest. Het was een zogenaamde ‘hylickmaker’. Een verliefde jongeman gaf het meisje van zijn keuze zo’n koek en als ze daarvan at zat het met de liefde wel snor.

Sinterklaas gold zelf ook als ‘hylickmaker’ (zeg maar: huwelijksma­kelaar), omdat een van de legenden rond zijn persoon verhaalt over een va­der die voor zijn drie dochters geen bruidsschat kon betalen, waardoor de arme wichten gedwongen zouden wor­den de prostitutie in te gaan. Toen Sint-Nicolaas (destijds een vermogend man) dat vernam, gooide hij op drie opeen­volgende avonden een zak goudstukken (sommigen zeggen: een gouden bal) door het venster van de minvermogen­de maagden. Op deze legende zou zo­wel Sints rol van huwelijksmakelaar als die van brenger van geschenken zijn te­rug te voeren.

Als wij vandaag de dag spreken van Sin­terklaas Goed Heiligman, bedoelen we dan ook eigenlijk ‘huwelijksmakelaar’ en niet zozeer ‘heilige’. Die dubbelzin­nige betekenis kwam echter goed van pas toen de Sint voor zijn jaarlijkse in­tocht in Amsterdam in 1993 van een nieuw bisschopskostuum moest wor­den voorzien. Dat is met al dat fluweel en goudbrokaat een dure grap. Kringen rond de Sint fluisteren dat het ‘ergens tussen de zestien- en zeventienduizend gulden’ moet hebben gekost. Bij zulke bedragen moet zelfs een heilige wel een sponsor in de arm nemen. Een Sint met shirtreclame zou echter de traditie wat al te veel geweld hebben aangedaan, dus werd de naam van sponsor, een bekende bank, op discrete en smaakvolle wijze verwerkt tot een elegant monogram in de zoom van de ‘koor­kap’, de half cirkelvormige rijmantel van Sinterklaas. De letters kunnen ook gelezen worden als de afkorting van Vir Sanctus Beatusque. En dat is potjesla­tijn voor ‘Goedheiligman’.

Een Sintelijke striptea­se: de Goedheiligman trekt het een na het an­der zijn rituele gewaden uit, te beginnen met de koorkap of mantel, zodat we kunnen zien wat er bij aankleden van een bisschop zoal komt kij­ken. Op de achterkant staat de Sint afgebeeld, niet in een stoomboot, maar in een ‘kogge’ een Middeleeuws vaartuig dat ook voorkomt op ou­de zegels van Amster­dam. Op zijn hoofd draag de Sint een mijter met een kruis, wat af­wijkt van de katholieke traditie. In zijn hand heeft hij de kromstaf, het symbool van zijn bis­dom.

Onder zijn mantel draagt de Sint een stola (een lange.smalle strook stof die om de hals wordt gedra­gen) en een van zwaar messing vervaardigd borstkruis en daar weer onder een superplie, een kort, ruimvallend, wit onderkleed, uitgebreid met kant bewerkt. De su­perplie wordt op zijn plaats gehouden met de cingel, een vier meter lang wit koord dat is ver­sierd met lange kwasten van goudbouillon. De handen van de Goed­heiligman worden be­schermd tegen de decemberkou door pontificale handschoenen van bis­schopspurper, met daar­overheen de pontificaalring of bisschopsring. Sints onderkleding is aanzienlijk prozaïscher: een witte, katoenen trui, een ouderwetse rijbroek en degelijke rijlaarzen.

St.Nicolaas 6

‘Van Nicolaas tot Speelgoedbaas’.
.

 (Martijn Hover, *nadere gegevens onbekend)

.

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

329-309

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Nicolaas (11)

.

DE STOOMBOOT UIT ITALIË IS LOGISCHER

Waarom komt in Nederland de stoomboot toch ieder jaar weer uit Spanje aan?
Uit geen enkele naspeuring in het verleden van de Goedheiligman blijkt immers dat hij daar ooit één voet aan wal heeft gezet. De Spanjaarden ken­nen St.-Nicolaas niet eens. De Tur­ken trouwens ook niet. Terwijl hij daar, in de stad Myra, wel ooit bisschop was. Nicolaas werd er ook geboren, in het jaar 270. Nog voor zijn eerste verjaardag maak­te hjj al duidelijk dat er van hem iets bijzonders verwacht kon wor­den: Nicolaasje ging rechtop in zijn badje staan, vouwde de hand­jes en dankte God. En op kerkelij­ke vastendagen weigerde de baby bij zijn moeder te drinken. Zo gaat het verhaal, en zo is het tot 8 ja­nuari* te lezen en te zien in het Provinciaal Overijssels Museum in Zwolle op de tentoonstelling Sinterklaasje kom maar bin­nen… over de St.-Nicolaasviering door de eeuwen heen.

Het zou logischer zijn geweest als de stoomboot met huppelend paard op het dek heen en weer uit Italië was gekomen. Want daar liggen in de zuidelijke havenstad Bari relikwieën van de Heilige Klaas begraven. Vereerders van de bisschop haalden zijn overblijfselen in 1087 uit Myra weg toen de invloed van de Islam daar almaar groter werd.
Elk jaar wordt in Bari op 9 mei nog een grote St.- Nicolaasprocessie gehouden.
Niet met chocoladeletters en taaitaai, maar met flesjes heilig water (Oleum San Nicolai’s) dat wonderbaarlijk kan genezen. Het water is echt miraculeus, want van de acht liter die elk jaar uit Nicolaas’ tombe worden afgetapt, weet de plaatselijke geestelijkheid twintigduizend flesjes met een totale inhoud van vijfhonderd liter te vullen en te verkopen.        

Van de wonderen die de heilige Nicolaas tijdens het leven deed, is dat van de drie jongetjes in de tobbe het vaakst afgebeeld. De kinderen werden tijdens hongers­nood door een herbergier ge­slacht als avondeten voor de gas­ten. De Sint plakt de in stukken gesneden lijfjes weer aan elkaar, en wordt daarmee de bescherm­heilige van kinderen die hem als dank voortaan het hemd van zijn lijf zullen vragen.
St.-Nicolaas is ook de schutspa­troon voor verliefden, het huwe­lijk en trouwlustige meisjes.
En daar hoort deze legende bij:
Er leefde in de woonplaats van Nicolaas een verarmde edelman met drie huwbare dochters. Voor bruidsschatten was geen geld, en dus bood de oudste dochter aan om voor hoer te gaan spelen. Daar stak de goede Nicolaas een stokje voor. Op een avond gooide hij zak­jes met gouden munten door het slaapkamerraam. Wie weet ko­men daar het strooien en de net­jes met verguld chocoladegeld vandaan. Ditzelfde verhaal lever­de later ook nog vrijers en vrij­sters van speculaas op.

In de achttiende eeuw ligt bij de schoorsteen dit versje:

„St.-Nico­laas waarde vriendt, geef mij doch wat mij dient.
Mijn blommetje staat nu in zijn fleur.
Achttien jaartjes ben ik deur.
Het valt mij de te lang.
Het valt mij de bang.
Laat mij een vrijer krijgen.”

We zingen niet alleen fout over die boot die uit Spanje komt. Dat Sinterklaas jarig is, klopt even­min: 5 december blijkt de sterfdag van de bisschop.

Nederland viert al Sinterklaas van voor 1400. In een Dordtse stadsrekening van 1360 staat te lezen: „Op St. her Nyclaesdach 1 L. gaen die scholers veur her oorlof’. Op St.- Nicolaasdag hebben scholieren dus verlof gekregen thuis te blijven en van het stads­bestuur geld ontvangen om zich te vermaken.

In Overijssel werd op de latijnse scholen St.-Nicolaas gevierd. In Deventer en Oldenzaal koos de meester uit de leerlingen een „kinderbisschop”. Het was altijd het armste kind dat vanwege de benoeming kleren kreeg en een paar nieuwe schoenen. Die schoe­nen, daar draait het vaker om. In de vijftiende eeuw werden ze op 5 december al massaal voor de schoorsteen gezet. In de hoop wel­licht dat er nieuwe voor in de plaats kwamen. De St.-Nicolaaskerk in Utrecht trok vanaf 1427 jaarlijks geld uit om diverse paren nieuwe kinderschoenen te kopen en die werden dan op 6 december uitgedeeld.

Het verhaal van St. Nicolaas is oud, en daarom in de loop van de tijd waarschijnlijk veranderd.
Op de tentoonstelling valt één keer de naam Wodan, wanneer de zwarte knecht van deze heidense god, Rupert, wordt voorgesteld als een eventuele voorganger van Zwarte Piet. Maar het zou best kunnen dat het verhaal van Wo­dan op meer punten is samenge­smolten met dat van St.-Nicolaas. Zo had Wodan een wit paard waarop hij door de lucht reed.
Wodan had een witte baard en een speer. Op zijn schouders zaten twee zwarte raven die voor hem op aarde keken of de mensen zich wel gedroegen zoals het hoorde. Om Wodan gunstig te stemmen, legden mensen geschenken bij de schoorsteen. Ook voor het paard.

De schoorsteen was het enige gat in huis waar je in en uit kon zonder te kloppen. Dat lijkt alle­maal al aardig op Sinterklaas. Nu was dit paard in de lucht te
on­waarschijnlijk. Daarom is Sinter­klaas waarschijnlijk op het dak gezet. De speer werd een staf, en die twee raven kunnen zijn uitge­groeid tot Zwarte Pieten.

In de zeventiende eeuw werd door opkomend protestantisme de weerstand tegen het St.-Nicolaasfeest steeds groter. In vrijwel alle Nederlandse steden werden de traditionele St.-Nicolaasmarkten op 5 december wettelijk ver­boden. Kinderen werden met straf bedreigd als ze hun schoen hier of daar durfden te zetten, en speculaaspoppen verkopen mocht ook niet meer. De poppen leken te veel op uitgesneden heiligenbeel­den. Maar desondanks is het nog steeds Sinterklaas.

(Marja Baeten, de Volkskrant, *03-12-1988)

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

,

328-308

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Nicolaas (10)

.

PATROON VAN ZEELUI,VEERLUI, VISSERS, BAKKERS, SLAGERS, BANKIERS, KINDEREN EN DIEVEN

Op Ameland staat het bekend als klaasjagen; volwassen mannen, de zogeheten ‘klaasomes’, dringen dan vermomd bij duisternis vreemde huiskamers binnen.
Minder bekende tradities van de Sinterklaasviering als 
deze komen uitvoerig aan bod in Nicolaas, de duivel en de doden; een inspirerende studie van Louis Janssen over de populairste aller heiligen.
Volgens Nicolaas 
Matsier verschijnt het boek net op tijd, nu de
goedheiligman bedreigd door kerst-yup en bange gogen, de geest dreigt te geven.

De lezer wordt ver­zocht een ogenblik geduld te hebben voor een onge­haast citaat van een dikke eeuw geleden, bestaande uit een enkele volzin met de bedaardheid van de trek­schuit.

‘Nu moge men zeggen, dat de Am­sterdammers der 17de eeuw toch heel andere mannen waren dan wij, -’t is mogelijk; – en een ander moge bewe­ren, dat de Amsterdammers der 15de eeuw alwéér heel andere knapen ge­weest zijn dan die van de 17de, — ‘tis zeker; – en even zeker is het, dat de Amsterdammers der 21ste eeuw weer heel anders, en wij, in hun oog, ware antiquiteiten zullen zijn; – in één punt toch komen wij en zij altijd overeen, dat we Sinterklaas vieren en in eere houden!’

Aan het woord, in een opstel over de materie uit 1860, is de Amsterdamse polygraaf Jan ter Gouw, schoolmeester, stadshistoricus en folklorist.
Ik sluit hem aan het hart. Een open oog had hij voor de verschillen tussen niets minder dan de eeuwen. Maar zich zelfs maar voorstellen dat het feest de voor hem nog onwaarschijnlijk verre eenentwin­tigste eeuw niet zou halen: het was hem ten enen male onmogelijk. De continuï­teit van het feest was voor hem een volstrekt vanzelfsprekende aanname.

Voor mij eigenlijk ook; tot voor kort.

Hoe razendsnel het met een traditie bergafwaarts kan gaan, hebben de afge­lopen jaren getoond. Maar hoeveel ja­ren dan? Ik zou het niet weten. Eind vorig jaar leek er iets als een point of no return bereikt te zijn.

Door een soort van uitholling over­dwars had de goedheiligman, zo bleek uit de cijfers, het vrijwel afgelegd tegen de door en door voze Kerstman. En plotseling leken de desbetreffende lem­mata in de naslagwerken verouderd: ‘De Sinterklaasviering is in Nederland het populairste feest van het jaar’ – zo’n simpele vaststelling in de zoveel­ste druk van de Winkler Prins (editie 1974): oud papier opeens.

Ik zal hier niet de lof gaan zingen van het feest dat een mens om en nabij kan verzoenen met het Nederlanderschap. Maar een éénmaal per jaar massaal dichtende bevolking: tja, – dat maakt vele tekortkomingen goed; ook al is het maar gedurende korte tijd. Ik zal me hier ook niet begeven in de vele moge­lijke speculaties over de oorzaken van het verval.

Welnee. Het verheugt me dat ik van­middag een etalage van een boekwinkel heb gezien die prijzenswaardig vol ligt met allerlei meer en minder recente
sin­terklaasuitgaven. En een gat in de lucht heb ik gesprongen toen ik hoorde van diverse geheimzinnige stichtingen, on­langs in het leven geroepen door onder meer Winkeliers met Historisch Be­wustzijn. Hoera, ik was een beetje gaan twijfelen aan hun bestaan.

De strijd is dus nog niet gestreden. En eigenlijk moet ik mij schamen voor mijn kleingelovigheid. Want zelfs een vluchtige blik in de geschiedenis leert al dat het feest, in elk geval in Nederland, al eeuwen lang op wonderbaarlijke wij­ze langs zijn critici heengeglipt is en altijd ontkomen.

De ayatollahs van de Reformatie is het niet gelukt de afgoderij, bij voor­beeld die welke begaan werd door het vervaardigen van eetbare afbeeldingen van heiligen, de kop in te drukken. Maria Montessori is het niet gelukt het feest in de ban te doen vanwege zijn voor de kinderziel al te angstwekkend karakter. De luie kerstyup noch de in mijn ogen domme en bange goog (op wiens gezag die Pieten nou weer tweekleurig moeten zijn) zal het lukken – zo begin ik weer te hopen – om het feest de das om te doen.

Eigenaardig was, tot voor kort al­thans, dat wie op zoek ging naar de geschiedenis van de heilige en het feest – hoe komen we nu eigenlijk aan die gebruiken? en hoe komt het dat juist Nederland het land is waar de traditie van het feest, hoe veranderd dan ook, zo sterk intact is gebleven en niet weg­gevaagd door of sinds de reformatie, zoals in Duitsland en Engeland is ge­beurd? -, maar wie dus op zoek ging naar één of meer fraaie studies op dat gebied moest met verbazing vaststellen dat ze er uitgerekend in dit bolwerk van Sint-Nicolaas niet waren. Met wat moeite en geluk kon je twee monogra­fieën te pakken krijgen. De ene Duits, de andere Amerikaans.

In de vorige eeuw tendeerde het pril­le denken over Sint-Nicolaas in
Ger­maans-mythologiserende richting. Een van de broers Grimm, en bij ons onder anderen Gezelle en bovengenoemde Ter Gouw meenden stellig dat er door Sint- Nicolaas heen voorchristelijk erf­goed schemerde. Wodan (wiens opvol­ger Sinterklaas zou zijn) en allerlei vruchtbaarheids- en midwinterdenken streden om de voorrang. Stro in de gezette schoen, naar wij meenden ge­woon voor het paard, kon zo heel goed het onbegrepen restant zijn van een offergeste.

Deze mythologische benadering uit de tijd van de Romantiek duurde voort tot in de twintigste eeuw. Het was weer een Duitse auteur, Karl Meisen, die met deze traditie brak. Zijn in 1931 gepubliceerde indrukwekkende studie Nikolauskult und Nikolausbrauch im Abendlande moest nu juist niets van dat gegermaniseer hebben. En zijn mo­nografie heeft naar het de deskundigen sindsdien is blijven toeschijnen defini­tief aangetoond, gedocumenteerd en wel, dat het voor een goed begrip van heilige en feest niet nodig is om in die mate terug te grijpen, buiten de voor­handen zijnde bronnen van christendom en volksgodsdienst om.
Een treurige ironie heeft gewild dat Meisens monografie, die bij zijn
nationaal-socialistische collega’s en andere landgenoten in slechte aarde viel, het object werd van hetze en vernietiging. Pas vijftig jaar later, in 1981, werd het zeldzaam geworden boek herdrukt. Het is sindsdien allang weer opnieuw onverkrijgbaar. Zwakjes zou ik hier de hoop willen uitspreken dat een
Neder­landse uitgever de vertaling nog eens aan zal durven. Het gaat om 560 rijk geïllustreerde pagina’s, dat wel.

Waarschijnlijk heeft de kwade reuk waarin de volkskunde zelf sinds de Tweede Wereldoorlog gestaan heeft er ook iets mee te maken. Met het ontbreken van litera­tuur, bedoel ik.
Het tweede kloeke boek, op Nicolaaskundig gebied, is van de Amerikaan Charles W. Jones. Het is van 1978 en heet Saint Nicholas of Myra, Bari and Manhattan. Aan die titel kan de lezer al zien welke kant het boek aan het eind, met een U-bochtje, nog even op gaat. Die van onze voorna­melijk nominale bijdrage aan de cul­tuur van de Verenigde Staten: Santa Claus. Wel de naam, verder niets. Nou ja, op het woord ‘cookies’ na dan.

De boeken van Meisen en Jones vor­men elk op hun manier lezenswaardige en zelfs verbluffende lectuur, ook in­dien gelezen buiten het strikte seizoen van de heilige. Het is namelijk een bui­tengewoon rijke geschiedenis aan het eind waarvan wij ons bevinden, met dat feest. Dat Nicolaas enkele eeuwen lang, van 1300 tot 1600, de heilige par excellence is geweest, in vrijwel heel Europa (en nog altijd in de oosters-orthodoxe kerk), weet bijna niemand meer.
De Werdegang van deze heilige, wiens historiciteit maar net aan vast staat, is – ik kan niet anders zeggen – fascinerend. Nicolaas is, uiteindelijk, de heilige van zowat iedereen geworden, in slechts een paar honderd jaar tijds – maar van zijn dood al bijna een millennium verwijderd. Pas nadat het leven van Nicolaas lang een onbeschreven blad is geweest, komt de machinerie van de vitae en de legendenvorming op gang. Hoe langer geleden, hoe voller het loopt met legenden, lijkt het. Steeds meer wonderen verrichtte hij, met terugwerkende kracht, terwijl hij aan zijn reusachtige postume reis bezig was. Van Myra, dat weet iedereen, vierde eeuw, zuid-Turkije, naar Bari, zuid- Italië, elfde eeuw: overgebracht en herbegraven. Vanuit Italië gaat het noordw­aarts, Europa in. Dit zijn de eeuwen die gaan tellen. Het aardige is dat er in Italië zelf nu juist geen Sinterklaasfeest in een voor ons gemakkelijk herkenbare vorm tot stand is gekomen. Het is alleen doorgangsland geweest. De heilige reist door naar het noorden van Frankrijk. Daar pas vindt de legendevorming plaats rond de drie in stukken gesneden en gepekelde scholieren, één van de paar legenden die vereist zijn voor de totstandkoming van althans een deel van het feest.
En vanuit noord-Frankrijk gaat de cultus zegevierend voort, nog verder noordwaarts, naar de Nederlanden en Engeland en IJsland, naar Scandinavië, en via het Rijnland oostwaarts, en zuid­waarts, ‘terug’ als het ware naar de Zwitserse en Oostenrijkse Alpen. Van de mogelijke ingewikkeldheid van de bewegingen van de heilige dank zij de kruistochten – Europa weer uit en dan hernieuwd weer terug – zwijg ik nu maar. Gesteld al dat ik het allemaal werkelijk goed begrepen en onthouden zou hebben.

Nicolaas is de populair­ste heilige aller tijden, eeu­wen lang. Hij is de patroon van zo’n ongelooflijk lange reeks beroepen en levensaspecten  -zeelui, veerlui, vissers, havensteden, kinderrijkdom, prostituees, griffiers, gevangenen, bakkers, slagers, ban­kiers, dieven – dat je je verbijsterd af gaat vragen: van wie was hij de heilige niet, eigenlijk? Het antwoord is plusminus: van de landbouw. Hij is de heilige van de opkomende middeleeuwse ste­den, van de Hanze en de handel, van het geld, van de rivier- en van de zeeha­vens; en van kinderen dus. Hij was met zijn lang uitdijende enorme staat van dienst niet een heilige die onder één hoedje te vangen was. Hij was, anders dan de anderen, gespecialiseerd in na­genoeg alles.

Meisen trekt zijn bewegingen na aan de hand van onder meer stichtingen van parochiekerken, kloosters en pa­tronaatschappen. Jones toont, verhalender, hoe de legenden zelf (als het ware) op reis zijn en van gedaante ver­anderen. Een heilige, heb ik nu begre­pen, is een proces, geen product. Een heilige komt tot stand in of rond de leemte die hij biedt.
Onlangs* verscheen bij Ambo een verrassend boek, getiteld Nicolaas, de duivel en de doden. Daar is dan de kloeke Nederlandse studie die tot voor kort zo ontbrak.
Met zijn boek, zegt de auteur Louis Janssen in zijn bijna kortaffe voor­woord, wil hij onder meer het betoog van Meisen voor een Nederlands pu­bliek toegankelijk maken. En dat doet hij, in de eerste twee delen van zijn boek.

Terwijl hij ’s lezers literatuurkennis rond Sint-Nicolaas en passant up date brengt. Maar hij doet nog meer. In een derde en laatste, ook omvangrijkste, deel onderneemt hij iets wat hem na aan het hart moet hebben gelegen, namelijk – zoals hij het zelf aanduidt – het volgen van het spoor van de doden in een christelijke cultuur.
Ik vind het een indrukwekkend boek; waaraan ik hier overigens geen recht kan doen: omdat ik geen vakman ben en omdat het voor een krant te veel zou worden. Maar ik wil benadrukken dat het een boek is dat de moeite waard is voor een breder, in de geschiedenis van de volkscultuur geïnteresseerd publiek. Wie graag Carlo Ginzburg leest of Le Goff, kan bij Janssen terecht.

‘Nicolaas, de duivel en de doden’ vormt een drieluik, zoals al door de titel aangegeven wordt. In het eerste deel gaat het over de heilige en zijn feest, vanaf de dertiende eeuw, in Nederland en op de Waddeneilanden, en op een aantal plekken in de Zwitserse en Oostrijkse Alpen. Het aardige is dat dit deel relatief veel aandacht schenkt aan een vorm van het feest die aan velen denk ik, onbekend zal zijn, door Janssen ‘de maskerade’, soms ook ‘het charivari’ genoemd.
Op Ameland, en met name in Hollum, moet een goed tegen buitenstaan­ders beschermde traditie bestaan, be­kend als klaasjagen. Daarbij gaan de volwassen mannen gemaskerd – en ‘in het pak’, een fantasiegewaad van eigen makelij – de straat op. ’s avonds. Het heeft iets van een mannelijkheidsproef. De zogenaamde Klaasomes hebben het recht in alle huizen binnen te gaan en dienen door de daar aanwezige vrouwen en meisjes ontvangen te worden. ‘Deze ene variant van het feest, de maskerade, komt voor – op meerdere plaatsen in Europa – naast of in plaats van het ons bekende kinderfeest, in de variant die bij Janssen ‘het nachtelijk  bezoek’ heet: het feest van de gezette schoen.
Een derde door hem onderscheiden ‘scenario’ is dat van de ‘boy-bishop’. Het is een gebruik, ook in vroeger tijd voor Nederland vastgesteld, dat eigen­lijk naar 5 of 6 december is overge­waaid van Onnozele Kinderen (op 28 december). Het is een omkeringsfeest, waarbij een scholier verkozen wordt tot bisschop, en een dag lang de macht naar eigen inzicht uitoefent. Het is ver­bonden met optochten en bedelpartij­en. Rond deze drie scenario’s weeft Janssen zijn overzicht, dat van een hel­dere en vaste greep op de omvangrijke literatuur getuigt.

In het tweede deel gaat het om en over de duivel, met wie Sint Nicolaas in diverse legenden veel van doen heeft gehad, en die naar Meisen en in zijn spoor Janssen aannemen vaak optreedt als de getem­de metgezel en dienaar van de heilige. Zwarte Piet is als zodanig zijn meer of minder recente manifestatie, maar staat in een lange traditie. Het derde deel ten slotte, biedt een royaal inzicht in de manier waarop de vroegmiddeleeuwse kerk de doden en het hiernamaals zag. Vooral dit laatste deel, als de wijdst getrokken cirkel rond de heilige en zijn functioneren in het volksgeloof – op de begraafplaatsen moeten talrijke Nicolaaskapellen gestaan hebben – kan ik hier geen enkel recht doen. Ik kan alleen verzekeren dat het een uiterst boeiend complex is dat Janssen analy­seert; het is bijna een boek op zichzelf. Goed. Met deze veelomvattende stu­die (er wordt heel veel kort maar helder in het gelid gezet) kunnen we ons dan eindelijk vertonen naast de Duitsers en de Amerikanen, die hun Sinterklaas of geheel zijn kwijtgeraakt, of nooit meer hebben aan gekregen. Dat stemt tevre­den en trots. Nu nog – ik kan het wensen niet laten, in dit jaargetijde van de verlang­lijst – een schitterende tentoonstelling in het Amsterdams Historisch Mu­seum, die licht werpt op vele nog altijd resterende kwesties zoals: waarom is het feest hier blijven bestaan? Wat is dan toch de etymologie van ‘specu­laas’? Wanneer kwam het sinterklaas­gedicht op? Was dat buiten Nederland evenzeer traditie als hier? Is het juist om die ene sluitappel bij Bredero te zien als een protosurprise? (Een sluit­appel is een kunstig zigzag doormidden gesneden appel waar iets in zit.) Is er een geschiedenis te schrijven van de gegeven cadeaus? Die noten en vruch­ten als cadeaus voor de kleine kinde­ren, wanneer houdt dat op? Zijn de (peper)noot en het marsepeinen fruit er de nazaten van? En die letters, van chocola en banket, staan die in een al even rechtstreeks verband met het scholierenfeest’? Welke rol heeft het (openbaar) lager onderwijs in de vorige eeuw gespeeld bij de introductie van de Sinterklaas nieuwe stijl? Werden er – voor al die negentiende-eeuwse lied­jes, andere gezongen? En is daar wat van over?

Ach! En zo voort, en zo meer: er is nog zoveel te wensen. De archieven in! Van kerk, klooster, gilde, gemeente, be­grafenisvereniging, lager onderwijs en wat al niet. Aan het werk.

Louis Janssen: Nicolaas. de duivel en de doden. Ambo, ƒ 49,50.

Wie in kort bestek op de hoogte wil raken:
Ed van Eeden. Wie de koek krijgt, wie de gard. Amber, ƒ 12,50.

Voor de aarzelende kerstyup:
R. en W. Schroder, Kant-en-klare Sinterklaasgedichten. Prisma, ƒ 14,90.

Bij de Bijenkorf:
Het Sint Nicolaas Feestboek, ƒ 12,50.

(Nicolaas Matsier, de Volkskrant, * 26-11-1993)

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

 

327-307

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (17)

.

SINT-MAARTEN, EEN HEILIGE VOOR ONS, VOOR DE KINDEREN,  VOOR HET BESTUUR, DE LERAREN EN DE OUDERS

Een kinderliedje uit Thüringen luidt als volgt:

Martin   Martin   Martin
war ein fromiger Mann
er teilte seinen Mantel
mit einem armen Mann.
Zündet viele Lichter anr
dasz er droben sehen kann
was er unten hat getan.

Voor degenen die Sint-Maarten nog niet kennen:
“Sint-Maarten werd rond 320 in Hongarije geboren als zoon van rijke Italiaanse kooplieden. Toen hij zich op 15-jarige leeftijd bij het leger geëngageerd had, bekeerde hij zich toen hij 18 geworden was, tot het Christendom.
Na zijn dienstplicht begaf hij zich naar Hilarius, bisschop van Poitiers,
vervol­gens was hij een tijdlang diaken en later werd hij bisschop van Tours. Hij over­leed in 397. Volgens de legende scheurde Sint-Maarten een stuk van zijn soldatenmantel om het aan een behoeftige te geven en het is onder deze omstandigheden, dat hij meestal wordt uitgebeeld.

Sint-Maarten is een sympathieke heilige die zeer veel als schutspatroon is
ge­bruikt, o.a. van de bedplassers, het gehoornde vee, ruziemakers; tegen koorts en onvruchtbaarheid wordt hij ook aangeroepen, hij is de patroon van alle verdrukten en de schrik van alle agressors.

Zijn “cape” werd tot “kapel” waar ieder tot inkeer kon komen en tot hernieuwde inzet van leven en werken.

De kinderen brengen lichtjes in donkere, duistere gewassen, zoals koolraap, winterpeen en suikerbiet en gaan daarmee zingend door de straten:

“Geef ons een appel of een peer,
Komen wij het hele jaar niet meer.”

zingen dankend na een goede gave:

“God zal U lonen met honderdduizend kronen.”,

of zingen verwensend na een minder gul huis:

“Schijt,  schijt,  schijt, hier woont een gier’ge meid.”

11 november vieren wij hem, op de Rudolf Steinerschool, met het Sint-Maartensfeest: In deze door egoïsme en eigenbelang gedragen westerse wereld willen wij u allen wijzen op Sint-Maarten. Sint-Maarten, die warme omhulling schonk aan een behoeftige. En hoe schonk hij!

Ieder die dit leest moet dit goed tot zich laten doordringen; Sint-Maarten gaf de helft van zijn eigen warme omhulling aan de bedelaar. Hij bracht een waarlijk offer. Hij raakte iets kwijt, wat hij wel nodig had. Hij gaf geen jas, die hij overhad of geld waar hij genoeg van had! Nee, hij gaf iets van zichzelf, m.a.w. hij moest zichzelf iets “bloot” geven en daarmee offerde hij.

In onze tijd van vermogensaanwasdeling en profijtbeginsel doet het begrip “offer” naïef aan. Maar toch is de toekomst voor onze wereld, voor onze samenleving, voor onze kinderen, voor onszelf, meer gediend met “offer” dan met de beide op egoïsme stoelende principes.

Een pedagogische beweging zoals Rudolf Steiner in 1919 begon, is gebaseerd op de gedachte, dat offerkracht van volwassenen de omhulling moet vormen waarbinnen de pedagogische warmte kan ontstaan waarin het wordende kinderwezen kan gedijen. Het steineronderwijs valt of staat met de hoeveelheid offerkracht, die ouders, bestuursleden en leraren weten op te brengen. In deze tijd waarin de bazar wordt georganiseerd, merkt men wat offerkracht vermag.

Maar om ons onderwijs werkelijk verder te helpen is het nodig, dat vele, vele, vele volwassenen voortdurend willen helpen, met de voorbereiding van jaarfeesten, het tuinonderhoud, vertegenwoordiging in Landelijk Oudercontact, voorbereiding congres voorjaar 1977,  logies, verzorging studenten V.P.A. enz. enz.

In ons land, waar het onderwijsveld door de overheid zo sterk wordt geëgaliseerd, waar uit naam van democratisering iedereen hetzelfde in plaats van het zijne wordt toegeschoven, waar uit naam van de individualisering de menselijke isolering steeds groter wordt, waar een onderwijsminister denkt, dat door uiterlijke structuren te wijzigen iets wezenlijks verandert aan het onderwijs, waar de overheid steeds meer in culturele aangelegenheden, zoals het geven van onderwijs, de wet wil
voorschrij­ven en toch blijft zeggen, dat de “Vrijheid van Onderwijs” gegarandeerd is. In dat land leeft U en U en U. Vooruit:
Zündet viele Lichter an,
dasz er droben sehen kann,
was er unten hat getan.”

Vanaf 11 november Sint-Maarten schutspatroon voor onze school!

(G.M. Reijngoud, vrijeschool Leiden, nadere gegevens onbekend)

.

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten              voorbeelden van lichtjes 

 

.

326-306

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (9)

.

SINTERKLAAS:

Als bisschop van Myra in Klein-Azië is hij rond 340 na Christus gestorven. Waarschijnljjk op 6 decem­ber. Daarna wordt het stil rond de man.
Pas 200 jaar later duiken de eerste verhalen op en wordt hij opnieuw gebo­ren in een amoureuze affaire tussen fictie  en werkelijkheid.  Sinterklaas wordt legendarisch als een diepgelovig rechtschapen man met een aversie tegen ongeloof en onrecht. Een man die zich het lot van de armen aantrekt. Hij moet zo heilig zijn geweest, dat hij als kind maar één keer de borst zoog.
Een wereldheilige, die door de Noormannen op hun veroveringstocht vanuit Klein-Azië wordt meegenomen.

De Sint verovert Kiev, Moskou waar hij Nikolai Chudovorits wordt genoemd, de Wonderdoener.
Eind 11de eeuw verove­ren de Noormannen ook Zuid-Italië en brengen ze de beenderen van de Sint over naar Bari. De overbrenging heet de Translatio en veel kruisvaarders bidden aan zijn graf. Ze nemen zijn verhaal mee naar Aberdeen en Limerick, waar de Sint patroonheilige is.
Elke eeuw wordt de man belangrijker en aangezien er geen plaatjes van de
bis­schop van Myra bestaan, slaat de fanta­sie aan het schilderen en worden sym­bolen uit de Germaanse cultuur meegemengd.
Symbolen uit de zes woelige weken voor en na Kerstmis, als de overledenen door de donkere luchten jagen en de verbondenheid met de do­den herleeft. Zo staat Wodan model voor de kleding van Sinterklaas en wordt de trouwe schimmel afgeleid van Sleipnir, het achtvoetige monster, dat sneller dan de wind door de wolken (over de da­ken?) kan jagen. De speer van Wodan is de staf en de deur tot de wereld van de doden, de schoorsteen, wordt de voor­deur tot de kinderharten. De Sint met één been in de christelijke en één been in de Germaanse cultuur. Er gaan zoveel verhalen rond de bis­schop, dat er altijd wel een beroeps­groep of gilde een verzoek indient om hem tot patroon te benoemen: schip­pers, handelaren, scheepbouwers, vis­sers, advocaten, deurwaarders, prosti­tuees en smachtende vrjjers. Vooral in Nederland is de Sint een veel gevraagd huwelijksmakelaar, de ‘Hylickmaecker:

„Geeft ons het gout der liefde in ons schoe
Dat wy ontgaan de straffe van Gods roe.”

Dan komen de eerste problemen: in de zeventiende eeuw is het
Sinterklaas­feest uitgegroeid tot een gigantische jaarmarkt voor volwassenen met veel eten, drank en jolijt. Dit zeer tegen de zin van de gegoede, protestantse burge­rij. Het ‘heidense’ feest wordt tjjdens de beeldenstorm van de straat de huiska­mers ingejaagd, waar het tot een fami­liefeest uitgroeit.
In het protestantse Duitsland wordt de Sint helemaal uitgegomd, het Kerstkind neemt de taak over.

Eeuwen heeft het feest in de huiska­mers geleefd en zich ontwikkeld tot een traditionele familiebijeenkomst waar begin december het Sinterklaasgeheim opduikt.
„Sinterklaas geeft de verbon­denheid tussen generaties aan. Het ri­tueel van het vertellen van verhalen, het telkens prikkelen van de kinderfantasie. Elke ouder vertelt zijn eigen Sinter­klaasverhaal aan zijn kinderen en die vertellen het weer verder.
Sinterklaas­verhalen zijn een ontmoetingspunt tus­sen de volwassenen – en de kinderlitera­tuur. Het Sinterklaasfeest geeft de ver­bondenheid aan die je met elkaar in je familie, met je vrienden voelt: “het bij elkaar horen”, aldus prof. dr. Bouckaert, doctor in de Germaanse filologie en buitengewoon docent jeugdliteratuur aan de Universiteit van Leuven. De wederopvoeding is begonnen.

In het Nationaal Schoolmuseum in Rotterdam draait tot 9 januari* volgend jaar de tentoonstelling De Onbekende Sinter­klaas, en de Nederlandse tak van het Sint-Nikolaas Genootschap bewaakt streng de Sinterklaascultuur in Neder­land. Sinterklaas bruist weer. Secretaris Guus Smits uit Veldhoven: „We hebben de brouwerij De Drie Linden in Wageningen honderd liter Nicolaasbier laten brouwen en speciale glazen laten ma­ken en viltjes.” Het bier wordt op de speciale culturele avonden rond Sinter­klaas gedronken.

‘Sint Nicolaas, Goed­heilig man,
die oud is, maar niet sterven kan,
zolang er ergens op aarde
een menskind zijn droom bewaarde’,

is een oud versje.

Zelfs de voormalige Sovjet-Unie kreeg de heilige niet klein. Zo is een Russische uitspraak:
“Als ze ons God afnemen, hebben we altijd Sint-Nicolaas nog”

(Hans Jacobs in De Gelderlander, *20-11-1993)

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

325-305

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (24)

.

SPECULAAS

Nieuwsgierigheid naar het triviale is het begin van alle wijsheid, hield St.-Nicolaas mij in een filosofische bui ooit voor. Ik heb die woorden nooit vergeten. Er zijn in dit seizoen inderdaad tal van zaken waar een mens achteloos aan voorbij gaat. Speculaas bijvoorbeeld. Net als iedereen  graaide ook ik deze dagen in de koekjes­trommel en werkte onnaden­kend speculaasjes naar binnen. Maar die tijd is voorbij (van dat onnadenkende dan). Want ik ben eens gaan uitzoeken wat de oor­sprong is van dit baksel dat ’s win­ters de vaderlandse koektrommels vult. Waar komt bijvoorbeeld de naam vandaan?

Een etymologisch woordenboek geeft als oplossing dat speculaas is afgeleid van ‘speculatie’, wat dan niet voor het onverantwoord goo­chelen met (bij voorkeur) ander­mans geld staat, maar voor ‘plat gebak’. Dat klinkt alvast heel aan­nemelijk.

Speculaas, zo leert verdere studie me, is een tamelijk recente uitvinding van het bakkersgilde. De koek ontstond tegen het einde vorige eeuw uit de aanpassing van taai-­taai op veranderingen in des snoepers smaak. Die kreeg een voor­keur voor de kruidige, harde beet. Taaitaai behoort weer tot de fami­lie van ontbijt-, peper- en kruid­koeken.

In dit gezelschap is speculaas echt een broekie. Maar net als de ande­ren blijkt het winterkoekje, met vorm en smaak, te staan in tradi­ties die terugreiken tot diep in het verleden.

Moesten de goden als tegenpresta­tie niet iets terugkrijgen van wat aan hen te danken was? Dat heb­ben mensen gedacht die goedgun­stig hemels ingrijpen voor het wel­slagen van de oogst verantwoorde­lijk hielden. Dus werd een deel daarvan geofferd: vee, gewassen, wijn. brood, koeken. Arme mensen die een dieroffer niet konden bren­gen mochten vaak volstaan met het aanbieden van een afbeelding van het voorgeschreven beest in brood of koek.

Wilde men er zeker van zijn dat de gaven bij de juiste god terecht kwamen en dat de begunstigde duidelijk werd wie de afzender was (niet onbelangrijk), dan moest het offer iets kenmerkends worden meegegeven. Bij brood en koeken was dat geen probleem. Vóór het bakken kon het deeg in de vorm van de beoogde god worden ge­kneed en/of voorzien van relevante namen. Overal in de antieke we­reld – Egypte, Assyrië, Grieken­land, noem maar op – zijn bewij­zen voor dit gebruik gevonden. Ook de Germanen in onze streken hanteerden deze religieuze uitwis­selingspraktijken. Tijdens de Mid­winterfeesten offerden zij koeken in de vorm van goden, mensen en dieren. Vooral aan Wodan. In ge­zelschap van zijn Wilde Jacht, werd Wodan dan geacht door de lucht te rijden en als windgod de akkers met vruchtbaarheid te ze­genen. Wodan (of Odin) is altijd afgebeeld als oude man met een lange, witte baard, gehuld in een wijde mantel en leunend op een staf.

In een van de sagen aan hem gewijd verrast hij een boer door diens laarzen met goudstukken te vullen. Met man en macht pro­beerde het latere christendom de heidense overtuigingen en gebrui­ken uit te roeien. Of nam ze, als dat niet lukte, aangepast in zich op. Zo werden de Midwinterfees­ten gesplitst in St.-Nicolaas en Kerstmis. Koekfïguren zijn nooit meer uit de decembermaand weg geweest, waarbij de gewoonte om oude goden zoals Frigga, beschermvrouwe van het huwelijk, in de koek af te beelden, erg taai bleek.

Maar heel langzaam kwamen hier­voor christelijke heiligen in de plaats, de latere katholieke san(c)ten en san(c)tinnen. Onder druk van de reformatie werden die veranderd in de bekende, niet weg te denken Vrijers en Vrijsters. In de loop van de eeuwen is het afbeeldingenrepertoire natuurlijk uitgebreid. Er kwamen schepen bij, molens, ruiters, paarden, wa­gens, narren, politieke voorstellin­gen en stichtelijke. En, hoe kan ’t anders, behoorlijk scabreuze tafe­relen. In de regio Nijmegen overi­gens waren zogenoemde Karelprenten geliefd. Koekplanken, de mallen waarin het deeg werd ge­vormd, zijn na het toeslaan van de massaproductie gewilde verzame­laarsobjecten geworden. Hoe de smaak van dit gebak zich ontwikkelde, was een wat moeizamer te reconstrueren verhaal. Als geschreven bronnen ontbreken, mis je ten enen male informatie over de gebruikte ingrediënten. Maar ook uit de nalatenschap van geletterde beschavingen in de Oudheid kwam tot nu toe geen echt kookboek aan het licht.
In andersoortige geschriften staan hier en daar wel wat opmerkingen over eten en drinken. Er bestaat een aantal inventarislijsten van voorraadschuren en van provisie­kasten in paleizen en vestingen en daar zou je ’t mee moeten doen. Als er niet die ene uitzondering was.

Van de smaak in de Romeinse keuken is een heel aardig idee gegroeid door onder meer De re coquinaria, het beroemde kook­boek van de eerste eeuwse lekker­bek Apicius. Dus weten we bijvoor­beeld dat Romeins brood met anijs werd gekruid. En dat de Romeinen speciale offerkoeken (libuma) bakten waarin honing was ver­werkt. Om voor de hand liggende redenen – je zet goden die je iets vraagt geen oud brood voor – moesten die koeken extra lekker worden gemaakt.
De smaak van wat bij de Romeinen en hun goden op tafel kwam, was natuurlijk afhankelijk van de krui­den en specerijen waarover ze konden beschikken. Nu kan uit Apicius’ boek en ander authentiek werk worden afgeleid dat alle van­daag gebruikte smaakmakers (en meer) in de Romeinse keuken aan­wezig waren. Zelfs ‘exoten’ als kruidnagel en peper, al was dat laatste schreeuwend duur. Vanaf de Romeinse Tijd zou de beschikbaarheid in westelijk Europa van specerijen afhankelijk zijn van het functioneren van handels­routes met het Verre Oosten. Toen dus in de vierde en vijfde eeuw het Romeinse Rijk instortte, stokte de aanvoer. Maar in het derde kwart van de zevende eeuw liep de levering weer. Onverhoopt doorgesne­den aanvoerlijnen werden na ver­loop van tijd altijd wel weer her­steld. Karel de Grote deed het op zijn beurt en later zorgden de Kruistochten ervoor. Zo wisselde de aanvoer van eeuw tot eeuw. Totdat, in het tijdperk van de grote ontdekkingsreizen, de specerijenproductie, – handel en handelsroutes vast in handen kwa­men van nieuwe West-Europese machten.

Mateloos populair sinds de twaalf­de, dertiende eeuw was een
spece­rijenmengsel, met de naam gode pouders, goed poeder. Het bestond uit greyne (kardamom). ghimber (gember), caneel, foli (foelie), no­tenmuskaten en groffelsnagelen (kruidnagel), soms aangevuld met galentijn (galanga, nu beter be­kend als laos). Het werd in allerlei gerechten gebruikt, van appeltaar­ten tot Saracenenragoüt, van koek tot konijnepeper. Hiermee, met de gode pouders, komen we tot de kern van de smaak. Want waar men bij taaitaai vasthield aan ho­ning en anijs, werd aan het einde van de vorige eeuw voor de nieuw­lichterij die speculaas was, terug­gegrepen op dit middeleeuwse mengsel. De smaak van speculaas is de smaak van een middeleeuwse Europese ‘kerrie’…

(Theo Holleman, De Gelderlander, 04-12-1993)

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

324-304

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (8)

.

SAINT NICOLAS

Niet per stoomboot, maar op een ezel rijdt Sint-Nicolaas dorpjes in de Elzas binnen. Daar vieren ze op vergelijkbare wijze Sint-Nicolaas. Hij brengt echter geen cadeautjes mee, wel lekkernijen.

Een van de weinige gebieden waar het Sint-Nicolaasfeest op vergelijkbare wijze als in Nederland en België wordt gevierd is Elzas-Lotharingen, een berggebied in het noord­oosten van Frankrijk. Waarschijnlijk doordat de commercie zich daar meer op Kerstmis richt, heeft Saint Nicolas zijn oude waardig­heid wat duidelijker weten te bewaren dan onze Sinterklaas. Op de vooravond van 6 de­cember rijdt Saint Nicolas op een grauwe ezel de dorpjes binnen. Hij is gehuld in een rode mantel en heeft een rode mijter op het hoofd. Achter hem loopt, op handen en voeten, Père Fouettard, een woeste, in het zwart geklede wildeman. Zijn attributen zijn een grote zak, een roe en een zware ketting waarmee hij voortdurend rammelt om de komst van de heiligman aan te kondigen. Saint Nicolas brengt geen cadeautjes, dat doet de Kerstman, maar wel allerlei speciale lekkernijen voor de kinderen die binnen bij de haard wachten.
Volgens de traditie zijn het de peetooms en – tantes die Saint Nicolas behulpzaam zijn met het verstrekken van dit lekkers.
Vooral Lebkuchen, een soort taai­taai wordt in de vorm van een sinterklaas in de wachtende klompjes gestopt.
Oorspronkelijk werden deze koekfiguren met gekleurde glazuur beschilderd, tegenwoordig wordt er een plakplaatje op geplakt. Die Lebkuchen kunnen heel groot zijn tot wel een meter of meer!
Zij worden gevormd in speciale plan­ken die van beuken-, peren- of notenhout gemaakt zijn.

Jan Thjo achterhaalde voor u het recept van deze koeken, die alleen voor dit feest gebak­ken worden. Als u ze op de ouderwetse ma­nier wilt versieren dan kunt u dat doen met een waterglazuur en bakkerskleurstoffen die in elke banketbakkerij te koop zijn.

Elzasser Lebkuchen

250 gram vloeibare honing,
100 gram suiker,
250 gram gemalen amandelen,
50 gram ge­hakte sukade,
rasp van twee citroenen,
1 theelepel kaneel,
1 mespunt gemalen kruid­nagel,
1 mespunt nootmuskaat,
1 mespunt gemalen koriander,
1 ei,
350 gram bloem,
2 theelepels bakpoeder.

Kook de honing met de suiker op.
Neem de pan van het vuur en voeg de kruiden toe.
Goed mengen en af laten koelen.
Klop ver­volgens het ei en de bakpoeder door het mengsel en voeg met kleine hoeveelheden te­gelijk de bloem en de gemalen amandelen toe.
Kneed alle ingrediënten tot een soepel deeg.
Is het deeg te kleverig voeg dan nog wat bloem toe.
Bestuif het aanrecht met bloem en rol het deeg hierop uit tot een dikte van 1 cm.
Snijd de gewenste figuren uit het deeg.
Er zijn ook metalen vormen te koop.
Beboter deze vormen en druk het deeg stevig er in aan.
Bestuif een bakblik met bloem en klop de deegfiguurtjes uit de vorm.
Leg de zelf gesneden figuurtjes ook hierop.
Bak de Lebkuchen in de oven op 180 graden in 20 minuten af.

Warme Sint-Nicolaasdrank

(15 kopjes)
2 flessen rode bessensap,
1 pijpkaneel,
3 kruidnagelen,
een halve citroen,
een kwart sinaasappel,
3 eetlepels honing.

Prik de kruidnagels in de halve citroen.
Breng de bessensap aan de kook en voeg de andere ingrediënten toe.
Laat circa 1 uur op een laag vuurtje trekken.
Giet deze bessendrank voor het serveren door een zeef.

Voor later op de avond een hartige kaas/ui-taart voor een bakvorm met een omvang van 25 cm:

Quiche Lorraine (8 personen)

Pie deeg: 250 gram bloem,
125 gram boter,
60 gram water,
1 theelepel zout,
1 theelepel
oregano.

Stort de bloem uit op het aanrecht en maak een kuiltje in het midden.
Doe zout, water en kruiden in het kuiltje.
Verdeel de boter in stukjes in de bloemrand.
Werk nu het vocht vanuit het midden, steeds wat bloem en bo­ter meenemend, met de hand tot een soepel deeg.
Kneed niet te lang, vorm er een bal van en laat die 1 uur op een koele plaats rusten.
Vulling:
3 flinke uien,
2 eetlepels zonne­bloemolie,
1 theelepel oregano,
1 bakje volle kwark,
2 deciliter room,
2 eieren,
een halve theelepel nootmuskaat,
1 theelepel zout,
pe­per uit de molen,
150 gram belegen geraspte kaas,
1 dessertlepel arrowroot (of maizena).

Schil de uien en snijd ze in ringen.
Fruit ze in de zonnebloemolie en voeg de oregano toe.
Af laten koelen.
Klop kwark, room, eie­ren, nootmuskaat, zout, peper, een derde van de kaas en de arrowroot in een kom.
Meng de gebakken uien hier doorheen.
Rol vervolgens de deegbal op een met bloem be­stoven aanrecht uit tot een lap met een dikte van circa 3 mm.
Leg het ingevette bakblik op de deeglap en snijd op 1 cm van de rand een cirkel uit.
Bekleed hiermee de vorm.
Prik de bodem in met een vork.
Vul deze vorm met het uienmengsel en strooi de rest van de kaas er over heen.
Snijd van de restanten van het deeg repen en leg die ruitvormig over de taart. Bak de quiche op een rooster in het midden van de oven op een temperatuur van 220 graden in 45 minuten gaar.

(Nicole Karrèr en Jan Thjo,Jonas 7, 29-11-1985)

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

 

.

323-303

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent (6)

.

DRIE AANGEZICHTEN VAN DECEMBER

Bedrijvigheid, verwachting en depressie

Toen Satan ontdekte dat de mensen door het kerstfeest weer aan de hemel begonnen te denken, zon hij op middelen om daar iets tegen te doen. “Als ik Kerstmis niet uitschakel zullen ze elk jaar opnieuw naar een beter leven gaan verlangen, en dan krijg ik het christendom niet uit de wereld.”
Zorgelijk liep hij rond, hij werd er steeds dunner en bleker van. Plotseling een kreet: “Ik heb het! ” — Wat had hij? Hij had de zenuwoorlog van de maand december uitge­vonden……

Sindsdien overvalt de mensheid in december een koortsachtige activiteit en begeerte – om alles te organiseren, om alles te kopen, om alles klaar te krijgen voor Kerstmis. De zakenman moet verdienen, het zijn de gouden weken van het jaar. Als Kerstmis aan­breekt is hij totaal aan zijn eind, hoogstens heeft hij nog de kracht om zijn geld te tellen, – eerst moet hij maar eens een paar dagen flink uitsla­pen.
De huisvrouw moet zich om alle kinderen en familieleden bekommeren, voor honderd boodschappen heen en weer draven, dag en nacht alles voor Kerstmis voorbereiden. En als het dan zover is, zijgt ze op kerstdag gebro­ken op de sofa in elkaar – “laat me met rust, ik kan niet meer! “-
“Met deze beschrijving begint Friedrich Rittelmeyer zijn boek over de feesten van het jaar ( het begint met een hoofdstuk over de adventstijd). Dit is het eerste aangezicht van december.

verwachting of depressie
Als dit nummer van JONAS* verschijnt is het bijna eerste advent, in veel fa­milies wordt van dennentakken een krans gevlochten met vier kaarsen erin. Op elk van de nu volgende vier zondagen voor Kerstmis (op 1, 8, 15 en 22 december) wordt er één kaars méér aangestoken.

“Wat is advent? ” vragen de kinderen. En iemand die ’t niet precies weet kijkt het na in het woordenboek: het is de verwachtingstijd voor Kerstmis. “Advent” komt van adventus (Latijn), dat is “aankomst”. “Aankomst van wat? ” De aankomst van Christus in de kerstnacht. — Na enig nadenken: dus  de verwachtingstijd voordat de Messias kwam? Ja, zoals de oude jo­den de Messias verwachtten, tweedui­zend jaar lang!
Dat is de betekenis van de adventstijd: de verwachting van de geboorte in de kerstnacht. – Het tweede decemberaangezicht.

Het derde aangezicht van december is, dat veel mensen deze maand de donkerste, koudste, akeligste van het jaar vinden, aan depressies lijden, zich eenzaam voelen, er geen gat in zien en tegen alles het liefst een grote schop zouden willen geven. (Dan zou­den zij eigenlijk nog dankbaar moeten zijn, want voor velen was november nog erger.)

Zo heeft de laatste maand van het jaar drie aangezichten: bedrijvigheid, verwachting, depressie. Ze horen bij elkaar. Overdreven uiterlijke activiteit lijkt een beetje op een vlucht, je verstrooit alle kracht naar buiten en mist ( als het eenmaal zo ver is) het doel. Een vlucht voor wat? Voor in­keer… of is het een vlucht uit angst voor een depressie? Het doel was het feest, de rust, de kersttijd… Met het derde “aangezicht” moet je iemand in deze tijd van het jaar niet aankomen. Alleen het idee al dat Kerstmis in aantocht is, is voldoende om depressief te worden. Trouwens, in alles zit een reden voor neerslach­tigheid. Je loopt rond in een wolk van duistere troebele stemmingen, volko­men in overeenstemming met het weer: nat, grauw, guur. Bovendien geeft het wereldgebeuren nou niet be­paald aanleiding tot vreugdekreten – de ene helft van de mensheid is bezig te verhongeren, de andere helft pro­beert elkaar dood te slaan ( en de rest is in staking).
“Eind-tijd-stemming”— alles zit in z’n laatste fase, het loopt af, dat kun je wel merken. Op de wc hangt de kalender er ook al met z’n laatste blaadje bij …zelfs dat loopt af. Een decemberdepressie is eigenlijk po­lair aan de overdreven kerstbedrijvig­heid: een doorgebrand gevoelsleven tegenover een op hol geslagen wil. Geen van beide kan elkaar of zichzelf afremmen of tot bezinning brengen.

tijdsorganisme
De verklaring, dat advent de voorbereidingstijd of de verwachting voor het kerstfeest is, is meer een cliché of een halve waarheid. Advent is het begin van een omvangrijk tijdsorganisme, dat door een groepering van oeroude, zinvolle religieuze feesten een tijdspanne van 10 weken omvat. Een gedeelte hiervan leeft nog tame­lijk sterk in de leefgewoonten, een an­der gedeelte is uit het algemene be­wustzijn verdwenen. Zelfs een van de voornaamste hoeders van deze feesttijden, de roomse kerk, weet er nau­welijks meer raad mee. Religieuze feesten van deze orde zijn geen voor (of door) de mensen uitge­dachte geestelijk-hygiënische maatre­gelen, maar mystieke werkelijkheden die in het leven van de aarde en de natuur, in het astronomisch bestel en in de ontwikkelingswetten van de mens­heid te vinden zijn. Zo tenminste is dat aan Rudolf Steiner bij zijn onder­zoek van de geestwereld gebleken, en zo heeft hij het bij bepaalde gelegen­heden beschreven. Zulke bepaalde ge­legenheden waren bijvoorbeeld de op­richting van de Antroposofische Ver­eniging in de jaren 1912/13; in die tijd heeft hij een “jaarkalender” samenge­steld waaruit sommige van deze dingen blijken; en de stichting van de Chris­tengemeenschap in 1922, waar hij cultische regelingen heeft opgesteld voor de liturgie; daaruit blijken nog verdere aspecten met betrekking tot het tijdsorganisme dat aanstaande zondag* begint.
(Verder is er een grote literatuur op dit gebied in zijn nage­laten werk te vinden.)
En wanneer men al een adventskrans ophangt, een kerstboom versiert, de middernachtsdienst bezoekt of het spel van de Drie Koningen gaat zien, is er ook aanlei­ding om een ogenblik bij dit hele feesttijdenorganisme stil te staan.

Advent is met de vier zondagen vóór Kerstmis het begin van een religieuze feesttijd van tien weken. Na de kerst­nacht van 24 op 25 december volgen er twaalf “heilige dagen en nachten” tot 6 januari. In het midden daarvan ligt “oud en nieuw”. De 6e januari is opnieuw een feestdag: Epifanias, een van de eerste gedenkdagen uit het oer-christendom, het feest van “de ver­schijning Christi”, dat is de doop in de Jordaan.

Aanvankelijk was dit voor de chris­tenen de grote dag van het jaar — Kerstmis kwam pas later op. Tegelijk is Epifanias de feestdag van de “Drie Koningen”, de wijze magiërs uit het oosten, die volgens het Mattheüsevangelie naar Betlehem trekken omdat zij uit de verschijning van de ster de geboorte van Christus hebben afge­lezen. In cultisch verband duurt Epi­fanias van 6 januari tot vier volle we­ken daarna, dat is dit jaar* tot en met zaterdag 8 februari. Op zondag 2 fe­bruari is het 40 dagen na de kerst­nacht; deze dag wordt in het Lukasevangelie (2, 22) beschreven: “En toen de dagen hunner reiniging naar de wet van Mozes vervuld waren, brachten zij Jezus naar de tempel in Jeruzalem.”

SAMENVATTING
De periode van de eerste adventszon­dag tot de laatste dag van de epifanie is als een samenvatting in het klein, elk jaar, van een groot stuk mensheids­geschiedenis. De adventstijd als de verwachting en voorbereiding op de komst van de Messias; Kerstmis de ge­boorte van Jezus, de twaalf heilige nachten als aspecten van het plato­nische wereldjaar; Epifanias: de doop in de Jordaan en de verschijning van het wereldlicht.

Dit jaar* ziet het er met de data zo uit:
1 dec.   de eerste zondag van advent,
8 dec.   de tweede zondag van advent,
15 dec. de derde zondag van advent,
22 dec. de vierde zondag van advent. Deze dag is ook de kortste van het jaar, het is “winter-zonnewende”.
dinsdag 24 dec. volgens oude overle­vering werd deze dag naar Adam en Eva genoemd (uit wie het oude men­sengeslacht is voortgekomen). In de Sabbatnacht van 24 op 25 december van het jaar dat voorafgaat aan het be­gin van onze jaartelling wordt Jezus van Nazareth geboren, zoals dit in het Lukasevangelie is beschreven (hij is de stamvader van het nieuwe mensen­geslacht).

Deze nacht is volgens Steiners “ka­lender” tevens het begin “van de 13 dagen die voor mystieke verdieping bijzonder vruchtbaar zijn, en die op 6 januari eindigen. ”
Dit was in oudere beschavingen al bekend als een bij­zonder heilige tijd, waarin de men­sen openbaringen kunnen krijgen uit een hogere wereld. Een treffend beeld hiervan geeft het oude noorse lied van Olaf Asteson, die in deze tijd zijn in­wijding ontvangt.

woensdag 25 dec. kerstmis, geboorte­feest van Jezus.

woensdag 1 januari 1975, nieuwjaars­dag. Deze dag, een week na Kerstmis, is “de besnijdenis” van Jezus — voor onze huidige begrippen zou men dat nu de doopdag kunnen noemen. De gebeurtenis wordt in het tweede hoofd­stuk van het Lukasevangelie beschre­ven (vers 21): het kind ontvangt de naam Jezus. De eerste januari is dus de naamdag van Jezus.
maandag 6 januari, Driekoningen, Epifanie, eind van de “13 heilige da­gen”. De liturgische feesttijd omvat de daarop volgende vier weken, dus tot en met zaterdag 8 februari.

begin en eind
Zo bezien is december niet alleen de laatste maand van het jaar, en het slot van een steeds donkerder worden­de periode, maar ook een begin. Wie het klaarspeelt de ietwat manische be­drijvigheid van december in toom te houden, en ook de depressies van de “donkere dagen voor Kerstmis” over­wint, zou in de weken van advent een zeer zinnige periode kunnen ont­dekken om op de komende feesttijd toe te leven. De vier zondagen zijn als vier indrukwekkende gongslagen, waar­mee een mysterietijd wordt aangekon­digd. De kerstnacht met de daaropvol­gende twaalf “heilige dagen en nach­ten” kunnen een impuls zijn voor het hele volgende jaar; op epifania en in de vier daarop volgende weken wordt het mysterie openbaar. In vroegere tijden ( dat werkt nog steeds door) was religie een kwestie van stemming. Dat is in de twintigste eeuw niet meer voldoende. Je moet tegenwoordig je gemoedsleven met wilskracht doortrekken, en bovendien denken over wat je viert, wanneer je grote feesttijden van het jaar wilt vie­ren. Echte religie hangt met de grote levensritmen van ons bestaan samen, maar echte religie laat een mens ook volkomen vrij — vrij om het te willen beleven. Zo bezien is het vieren van advent een aangelegenheid van goede wil — en er valt, voor wie wil, in de wereldwijde ritmen van de komende zeventig dagen zeer veel te beleven.

(J.E.Zeylmans van Emmichoven, Jonas 7, 29-11-1974*)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

322-302

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.