Tagarchief: 5e klas plantkunde

VRIJESCHOOL – 5e klas – plantkunde (6-2)

.

De Engelse vrijeschoolleerkracht Roy Wilkinson gaf in de jaren 1970 verschillende brochures uit over de vrijeschoollesstof.
Ook over plantkunde. In dit deel geeft hij een kader voor 3 weken van de eerste plantkundeperiode in klas 5.
In diezelfde brochure geeft hij nog meer lesstof i.v.m. plantkunde, eventueel voor een tweede periode of voor een in klas 6 of 7. 
Of om in te passen in andere vakken.
Dit zou bv. bij aardrijkskunde kunnen:

DE VEGETATIEGEBIEDEN VAN DE AARDE

We hebben al enkele verschillen in het plantenleven gezien, afhankelijk van de omstandigheden. We zullen nu de aarde als geheel bekijken en zien hoe planten in verschillende delen van de aarde verschillend groeien.

Op de polen is er een halve dag en een halve nacht, maar zelfs overdag schijnt de zon zeer schuin en is hij niet erg sterk. In de Arctische en Antarctische gebieden rond de polen beschrijft de zon zelfs in de zomer slechts een lage kromming aan de hemel en is er zeer weinig warmte. In de equatoriale gebieden van de aarde daarentegen komt de zon bijna recht omhoog vanaf de horizon, passeert erboven en zakt weer recht naar beneden. Het is daarom erg heet in deze gebieden. Het effect van de zon is zichtbaar in de vegetatie. In het Arctische gebied is er de zogenaamde toendra. (In Antarctica is er geen corresponderend land en dus geen vegetatie). De zon smelt de bevroren aarde gedeeltelijk en er kunnen een paar planten groeien, maar de kracht van de zon is onvoldoende om ze omhoog te trekken en dus vinden we alleen dingen zoals korstmossen en mossen. Hun bladeren zijn vrij fijn gevormd. Echte bomen zijn er niet. Er staan ​​misschien een paar wilgen of sparren, maar die zijn onvolgroeid. Ze spreiden zich zijwaarts uit in plaats van rechtop te groeien en ze zijn slechts een paar meter hoog. In de toendra blijven planten dicht bij de grond. Er zijn maar heel weinig soorten. Ze hebben heel weinig groene bladeren en de vegetatie lijkt op wortels.

Dichtbij de evenaar, waar voldoende water is, zijn dichte jungles en een overvloed aan soorten. Bomen groeien hier tot enorme hoogtes en veel klimplanten gebruiken ze als steun, vermengd met hun takken. Er is een overvloedige en weelderige groene groei. De bladeren zijn vaak enorm en grof. De banaan is een typische plant met zijn snelle groei en grote bladeren. Zelfs het gras, dat in gematigde streken de prairie-steppe zou vormen, groeit twee tot drie meter hoog in de equatoriale savannes of pampa’s. De bloemen zijn weelderig en geurend. Sommige stinken. Bladeren en hout zijn ook aromatisch. Het is een feit dat de meeste specerijen uit warme streken komen.
In deze gebieden is er geen echte winter, alleen een nat en een droog seizoen.
De kracht van de zon is erg sterk en planten willen ernaartoe groeien, weg van de aarde.
In warme streken met weinig neerslag vinden we zand- of steenwoestijnen en hier zijn de typische planten de cactussen. De cactus heeft een gecombineerde stengel en bladeren en vandaar de bijzondere positie van zijn bloemen. Niet alle woestijnen zijn echter onvruchtbaar. In de woestijngebieden van Californië valt er misschien maar eens in de drie of vier jaar regen. Dan is de grond bedekt met een prachtig tapijt van bloemen. Ze groeien snel, bloeien, dragen vrucht en werpen hun zaden af, die vervolgens in rust blijven tot de volgende regen over drie of vier jaar komt.

In sommige delen van de wereld heeft de mens woestijnen gecreëerd door bossen op berghellingen te kappen of de grond te overbemesten. In het eerste geval spoelt de regen de grond weg; in het tweede geval verandert de grond in stof en wordt het stof door de wind weggeblazen.

Tussen de tropen en de polen liggen de gematigde zones. Hier heerst een evenwicht tussen de krachten. De zomer is niet te warm; de winter is niet te koud. Er is een gematigde regenval. Dag en nacht volgen elkaar vrij gelijkmatig op.
Hier ontwikkelt de plantengroei zich harmonieus. Er is een prachtige en evenwichtige verscheidenheid aan mooie bomen, struiken en bloemen.

Vermeldenswaard zijn ook de verschillen in oost-westvegetaties. De harde, stevige maïs is de typische graansoort van Amerika; de lichte, luchtige maïs van het Verre Oosten, terwijl de tarwe van Europa de middenpositie inneemt.

In Grohmanns ‘Leesboek voor de plantkunde’ vind je hier over de vegetatie van de aarde.

Wilkinson benadrukt een paar keer – in navolging van Steiner – dat vakken als plantkunde, vooral wanneer ze voor het eerst worden gegeven – ‘geen aftreksels moeten zijn van wetenschappelijk werk’.
Onderstaande zou je daartoe kunnen rekenen. Dit zou bv. later aan de orde moeten komen.

CLASSIFICATIE VAN PLANTEN

In de wiskunde kunnen we “verzamelingen” vormen, dat wil zeggen, we kunnen objecten groeperen op basis van gemeenschappelijke kenmerken. We kunnen hetzelfde doen met planten. We hebben al enkele groeperingen bestudeerd, zoals “volmaakt” en “onvolmaakt”. Er zijn er nog meer.

Als we bijvoorbeeld naar verschillende bladeren kijken, zullen we zien dat ze in drie categorieën vallen op basis van de richting van hun nerven. Deze rangschikking wordt ‘nerven’ genoemd. Sommige bladeren hebben bijna dezelfde vorm als een hand wanneer de vingers en duim gespreid zijn. Dit wordt handvormige nerven genoemd. Een goed voorbeeld is het blad van de plataan. Andere bladeren, zoals de iep en de wilg, hebben een hoofdnerf en lopen kleinere nerven naar de randen. Dit is geveerde nerven. De derde vorm heeft min of meer parallelle nerven, bijvoorbeeld tulp en weegbree, en dit staat bekend als parallelle nerven.

Een andere groepering van planten is die in eenjarige, tweejarige en vaste planten. Eenjarigen zijn planten die in één jaar van zaad tot volwassenheid groeien.
Tweejarigen zijn planten die twee jaar nodig hebben.
Vaste planten zijn planten waarvan de wortels onbeperkt in leven blijven en elk jaar nieuwe scheuten vormen.

Een andere groep planten is die van eenzaadlobbigen en tweezaadlobbigen.
De eerste groep bestaat uit eenzaadlobbigen wanneer de plant begint te groeien. De tweede groep produceert er twee.

Planten kunnen ook in families worden ingedeeld op basis van hun bloemen.

De families hebben Latijnse namen die wereldwijd worden gebruikt. Dit zijn er een paar:

Composieten
Planten waarvan de bloemetjes in een ring staan ​​en dezelfde basis delen: madeliefje, distel, korenbloem, paardenbloem, zonnebloem, dahlia, chrysant.

Kruisbloemigen
Deze hebben bloemen in de vorm van een kruis: kool, raap, radijs, herderstasje, scheefbloem, violier, muurbloem.

Vlinderkruid
Deze hebben allemaal een vlinderachtige bloem en vormen peulen. Het zijn stikstofproducerende planten en verrijken zo de bodem: erwt, boon, lupine, brem, gaspeldoorn, wikke, klaver.

Rosaceae
Deze hebben de bekende vijfbladige bloemen of veelvouden van vijf: pruim, appel, kers, peer, aardbei, braam, meidoorn, hondsroos.

Schermbloemigen
De stengels vertakken zich voortdurend en hebben een klein bloemetje aan het uiteinde van elke scheut: wortel, pastinaak, peterselie, dollekervel, engelwortel, selderij.

Solanaceae
Deze hebben klokvormige bloemen: wolfskers (zeer giftig), tabak, aardappel, tomaat.

Liliaceae
Dit is de leliefamilie: herfsttijloos, tulp, blauwe druif, wilde klokjes, lelietje-van-dalen.

Graminae
De grassen, inclusief die welke onze granen zijn geworden: tarwe, haver, gerst, rogge, rijst, maïs. Suikerriet behoort ook tot deze familie.

KRUIDEN

De mens is een groot aantal planten gaan gebruiken. De grassen voeden vee en leveren graan voor brood. Tuingroenten leveren voedsel. Bomen leveren fruit, noten en hout. Een groot aantal planten kan medicinaal worden gebruikt. Hier zijn er een paar en de doeleinden waarvoor ze worden gebruikt:

Het is zeker interessant om met leerlingen te bespreken hoe de men s eeuwen en eeuwen lang de geneesmiddelen uit de natuur bereidde. 
En dat dit nu nóg gebeurt, ook bij sommige ‘reguliere’ medicijnen.
En dat je bij bepaalde (langdurige) klachten ook zeker naar de dokter moet gaan.

Pepermunt                                                                   Maagklachten
goudsbloem                                                                  Geneest snijwonden
klit                                                                                 Bloedzuiverend
Steenkruid                                                                    Geelzucht
Hoefblad                                                                        Hoest
paardenbloem                                                               Nierproblemen
akkerpaardenstaart                                                            idem
Vlierbladeren                                                                Verkoudheid
brandnetel                                                                     Bloedzuiverend
Jakobskruiskruid                                                        Verkoudheid
Salie                                                                               Keelpijn
Lindebloesem                                                              Verzachtende werking
meidoorn                                                                      Hartklachten
berkenbladeren                                                           Reuma

Ook de bereidingswijze vraagt nauwkeurige aandacht.
Op deze blog staan een aantal planten beschreven met het oog op hun geneeskrachtige werking. Zij worden bv. toegepast in de Weledamiddelen.
In bovenstaand rijtje hebben ze een link.

BOMEN HERKENNEN. HET GEBRUIK VAN VERSCHILLENDE HOUTSOORTEN

Grohmann besteedt ook aandacht aan de bomen. Hij gaat er veel dieper op in dan Wilkinson die hier niet verder gaat dan een opsomming met wat karakteristieken.
Als je bv. op het schoolplein bomen hebt staan, is het belangrijk dat de kinderen die leren kennen. Of bijzondere bomen in hun dorp of stadsgedeelte waar de school staat.
Ze buiten tekenen en in de klas schilderen en er dan iets karakteristieks over vertellen, draagt voor de beleving – die tot kennis wordt – veel verder.
Het gaat er dan maar om een paar en niet een hele lijst. Ze leren zonder ze waar te nemen, lijkt mij vrij zinloos.
Grohmann v.a. blz. 74 (-105)

Een naslagwerk is noodzakelijk

In de zomer is het vrij gemakkelijk om bomen aan hun bladeren te herkennen. In de winter zijn vier dingen belangrijk om te letten:

1. Algemene vorm
2. De stam
3. De spreiding van de takken
4. De knoppen

De eik

De eik is een van Engelands beroemdste bomen en is een inheemse boom. Het is een sterke, winterharde boom en het lijkt alsof hij alleen met de grootste moeite kan groeien. Hij draait en keert en ziet eruit als een man die probeert te bewegen met al zijn spieren gespannen. Hij groeit langzaam maar zeer stevig en het lijkt alsof hij over een enorme kracht beschikt. Het hout is taai, hard en zwaar. De schors is ruw en gegroefd; de bladeren zijn gekarteld. Het is geen boom met sierlijke bloemen en hij trekt geen bestuivende insecten aan, hoewel het voor vele een thuis biedt.
Een goede vriend van de eik is de gaai, die de eikels verzamelt en plant.
De producten van de eik hebben vele toepassingen. Eikenbossen werden ooit gewaardeerd om de eikeloogst, die als voedsel voor de varkens diende. Eikenhout is zeer nuttig. Houten schepen werden van eikenhout gemaakt, evenals de balken voor huizen. Het is zeer duurzaam en gaat honderden jaren mee. Het wordt gebruikt voor meubels, vloeren en lambrisering wanneer er echt iets goeds nodig is. Een boom kan wel 500 jaar oud worden en het hout wordt pas geschikt geacht als het minstens 200 jaar oud is. Eikenbast werd gebruikt voor het looien van leer.
eik

De zilverberk

Dit is een andere inheemse boom van Engeland en hij vormt een groot contrast met de eik. Het is een sierlijke dame, hoog, elegant en bevallig. Zij dankt haar naam aan haar zilverkleurige schors. Zij groeit overal in Engeland, maar heeft veel licht nodig.
Het hout wordt gebruikt voor het maken van slaapkamermeubilair en leent zich uitstekend voor het maken van multiplex. De schors kan worden gebruikt om te looien.
berk

De paardenkastanje

Hoewel de paardenkastanje niet inheems is in Engeland, voelt hij zich hier uitstekend thuis. Hij komt uit de bergachtige streken van Griekenland en omgeving. Hij wordt meestal geplant als sierboom. Hij heeft een grote omvang en werpt veel schaduw. Wanneer alle bladeren uitlopen, vormt hij een prachtige koepelvorm. De schors is bruin of roodbruin en de twijgen staan ​​omhoog. Hij bloeit in het voorjaar prachtig, ook wel bekend als “kaarsen” en het zaad dat daaruit voortkomt is de bekende en geliefde “kastanje”.
Het is een snelgroeiende boom en daarom is het hout niet duurzaam, hoewel het wel gepolijst kan worden en gebruikt kan voor meubels. Omdat het gemakkelijk splijt, wordt het vaak gebruikt voor schuttingen. De palen worden met draad aan elkaar gebonden en dit vormt de tijdelijke omheining die zo vaak te zien is en die “kastanjehekwerk” wordt genoemd.
paardenkastanje

De es

De es is een hoge, statige boom met rechte takken en houdt van licht. Hij heeft een rechte stam met een gegroefde schors. De topscheuten zijn stijf en recht en het bijzondere aan de twijgen is dat ze bijna haaks op de moedertak groeien.

Het hout is taai maar elastisch, met een lange nerf. Dit maakt het een uiterst bruikbaar hout voor allerlei artikelen. Gestoomd en verhit kunnen essenhouten stokken worden gebruikt voor het maken van gebogen meubels. Het wordt ook gebruikt voor wandelstokken, hockeysticks, gereedschapsstelen, zeisen, hooivorken en voor landbouwwerktuigen en karren.

De beuk

Deze boom wordt ook wel “Moeder van het Bos” genoemd. Als we kijken naar een beuk in vol blad, zien we geen hout maar alleen een grote spreiding van bladeren. Hij heeft een torenhoge stam met een gladde schors. Niets kan groeien in zijn schaduw. Hij heeft lange, slanke knoppen, en twijgen en knoppen groeien parallel aan de grond. Wanneer de bladeren vallen en rotten, produceren ze bewonderenswaardige humus. De vrucht is een noot , de beukennoot en wordt gegeten door herten, eekhoorns, dassen en hazelmuizen.
Als moeder van het bos kan de beuk worden gebruikt als voedsterboom, maar als er een bos van eiken en beuken zou worden geplant, zou het geleidelijk alleen nog maar beuk worden.

Het hout is zeer nuttig. Het rot niet gemakkelijk in water. Het wordt gebruikt voor vloeren en keukengerei, maar vooral voor stoelen. Het is herkenbaar aan zijn fijne nerf en roodbruine kleur.
beuk

De iep

De iep groeit onregelmatig, alsof het in spruitjes groeit. Het is een mooie boom en is vaak te zien in hagen. Hij heeft een ruwe, gegroefde schors. Het is niet bepaald een favoriete boom voor in parken of tuinen, omdat de oudere takken plotseling kunnen breken en afvallen.

Het hout is zeer sterk en zeer nuttig. Omdat het zeer duurzaam is onder water, wordt het gebruikt in de aanleg van kades. Het wordt ook gebruikt als gevelbekleding, voor karren, vrachtwagens en kruiwagens. Het houdt spijkers goed vast en is daarom geschikt voor verpakkingskisten.

De plataan

Dit is een prachtige grote boom met bladeren in de vorm van een hand. De zaden zijn gevleugeld en worden door de wind meegevoerd. Deze worden soms “duiven” genoemd.

Het hout wordt gebruikt voor meubels, zuivelproducten en keukengerei. Het heeft een fijne nerf en is bijna wit. Het kan goed tegen een stootje en is daarom geschikt voor tafelbladen, deegrollen en melkkommen.

De wilgen

Deze houden ervan om in de buurt van water te staan. Ze groeien snel en daardoor is het hout licht. Wilgentakken, ook wel wilgentenen genoemd, worden gebruikt voor het maken van manden en het hout van de wilg wordt gebruikt voor het maken van cricketbats.

De linde

De linde is een hoge, mooie boom met hartvormige bladeren. Hij wordt vaak gekweekt als sierboom en sommige statige huizen hebben een laan met lindebomen.

Het hout wordt gebruikt voor houtsnijwerk en het maken van muziekinstrumenten.

De populier

Er zijn verschillende soorten populieren: grote zwarte populieren, witte populieren, espenpopulieren en de Lombardische populier. De laatstgenoemde is de hoge, slanke, sierlijke.

Toen er in de bouw meer hout werd gebruikt dan nu, was het hout favoriet voor vloeren omdat het niet goed brandde. Het hout is vrij zacht en heeft weinig nerf. Het is daarom een ​​prettig hout om te gebruiken voor houtsnijwerk.

De walnoot

De walnoot is een prachtige boom met een enorme, brede kroon. Hij produceert een eetbare noot waaruit ook een waardevolle olie kan worden gewonnen. Het hout is licht en taai met sierlijke tekeningen en kan hoogglans gepolijst worden.

Hij wordt gebruikt voor meubels.

Tot nu toe hebben we de loofbomen genoemd, d.w.z. bomen die in de herfst hun bladeren verliezen. Er zijn andere bomen die het hele jaar door groen blijven:

De hulst

Waarschijnlijk is geen andere boom zo bekend op de Britse Eilanden. De bladeren zijn ovaal, taai en hebben scherpe stekels. De bessen zijn rood en een takje hulst is een traditionele kerstversiering.

Het hout heeft een fijne nerf en is zeer hard en wit. Het kan zwart geverfd worden en dan op ebbenhout lijken.

De laurier

Dit is de echte laurier en in de oudheid was het het blad van deze boom dat de lauwerkrans voor dichters en veroveraars leverde. Hij wordt nu voornamelijk als sierboom gekweekt.

De taxus

Dit is een langlevende boom met een zeer sombere uitstraling en hij is vaak te vinden op begraafplaatsen in Engeland. Hij kan meer dan tweeduizend jaar oud worden en is daarom verering waard. Toen de spoorlijn tussen Carlisle en Stirling werd aangelegd, moest deze in een bocht worden aangelegd om een ​​aanplant van taxusbomen te vermijden. De schors is rood en schilferig en de stam heeft “gecanneleerde” zuilen.

De taxus was vroeger zeer gewild omdat er bogen van werden gemaakt.

Een andere groep bomen, waarvan de meeste groenblijvend zijn, zijn de coniferen. Conifeer betekent kegeldragend. In de noordelijke landen en op berghellingen groeien enorme naaldbossen. Het hout is een van de meest gebruikte bomen door de mens. Het is sterk en heeft een rechte nerf.

Dit zijn enkele van de coniferen:

Schotse den

Deze heeft een hoge, rechte, roodbruine, gegroefde stam en het blad is enigszins slordig. De naaldvormige bladeren zijn lang en gekruld. In Engeland zijn vaak groepjes Schotse dennen te zien op heuveltoppen.

Pekden

Een Amerikaanse boom. Het hout is uitstekend en zit vol hars. Het is daarom zeer goed bestand tegen vocht en bruikbaar in de bouw. ​​Toen er meer paarden rondliepen, werden de scheidingswanden in de stallen bij voorkeur van dit hout gemaakt.

Noorse spar

De naam zegt al waar het vandaan komt. Het is onze vertrouwde kerstboom. Het hout is veel voorkomend en staat in de handel bekend als “deal”. Het is bruikbaar in piano’s vanwege de goede resonantie.
spar

Douglas

Wanneer een hoge, rechte stam nodig is voor een scheepsmast of een telegraafpaal, is dit de boom die daarvoor zorgt.

Lariks

De lariks is de enige conifeer die zijn bladeren verliest. Hij levert terpentijn. Het hout wordt gebruikt voor de scheepsbouw, voor stutten en palen.
lariks

Voordat benzine werd ontdekt en voordat het gebruik van steenkool populair werd, waren mensen afhankelijk van brandhout om hun huizen te verwarmen. Het was belangrijk om de brandende eigenschappen van de verschillende houtblokken te kennen en dit oude gedicht uit Sussex vertelt ons:

Logs to burn, logs to burn.
Logs to save the coal a turn.
Here’s a word to make you wise
When you hear the woodman’s cries.
Never heed his usual tale
That he has good logs for sale
But read these lines and really learn
The proper kind of, logs to burn.

Oak logs will warm you well
If they’re old and dry.
Larch logs of pinewood smell
But the sparks will fly.
Beech logs for Christmas time.
Yew logs they heat well.
“Scotch” logs, it is a crime
For anyone to sell.
Birch logs will burn too fast.
Chestnut scarce at ail.
Hawthorn logs are good to last
If cut in the fall.

Holly logs will burn like wax.
You should burn them green.
Elm logs like smouldering flax –
No flame to be seen.
Pear logs and apple logs.
They will heat your room.
Cherry logs across the dogs
Smell like flowers in bloom.
But ash logs, all smooth and grey.
Burn them green or old;
Buy up all that come your way,
They’re worth their weight in gold.

Blokken om te branden, blokken om te branden.
Blokken om de kolen een beurt te besparen.
Hier is een woord om je wijs te maken
als je de kreten van de houthakker hoort.
Luister nooit naar zijn gebruikelijke verhaal
dat hij goede houtblokken te koop heeft,
maar lees deze regels en leer echt
wat de juiste soort houtblokken zijn om te branden.
Eikenhoutblokken zullen je goed verwarmen
als ze oud en droog zijn.
Larikshoutblokken of grenenhout ruiken,
maar de vonken zullen eraf vliegen.
Beukenhoutblokken voor de kersttijd.
Taxushout brandt goed.
“Schotse” houtblokken zijn een misdaad om te verkopen.
Berkenhout brandt te snel.
Kastanjehout is schaars.
Meidoornhout gaat lang mee
als het in de herfst wordt gekapt.

Hulstblokken branden als was.
Je moet ze groen verbranden.
Iepenblokken als smeulend vlas –
Geen vlam te bekennen.
Perenblokken en appelblokken.
Ze verwarmen je kamer.
Kersenblokken boven de honden
ruiken naar bloeiende bloemen.
Maar essenblokken, allemaal glad en grijs.
Verbrand ze groen of oud;
Koop alles op wat je tegenkomt,
ze zijn hun gewicht in goud waard.

.

Plantkundealle artikelen

5e klas5e klas alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klasplantkunde

.

3431-3229

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 5e klas – plantkunde (6-1)

.
Roy Wilkinson, vrijeschoolleerkracht in Forest Row, gaf in de jaren 1970 verschillende brochures uit over de vrijeschoollesstof.
Onderstaande gaat over de grote lijnen van de plantkunde in klas 5. 
Die ‘grote lijnen’ vind je in het ‘Leesboek voor de plantkunde‘ van  Grohmann veel gedetailleerder uitgewerkt.

Deze aantekeningen zijn bedoeld voor leerkrachten, ouders en iedereen die geïnteresseerd is in de opvoeding van het kind.
Ze zijn gebaseerd op veertig jaar ervaring van de auteur met het werk van Rudolf Steiner en dertig jaar praktische ervaring in de klas.

Voordat een leraar een vak gaat onderwijzen, is het zijn taak om na te denken over het werkelijke doel van het onderwijs. Het geven van informatie is één onderdeel daarvan; het ontwikkelen van de geest en ziel van het kind is het andere. Kennis die wordt gegeven zonder interesse te wekken, is een dode last, maar het juiste materiaal op de juiste manier gepresenteerd stimuleert de verbeelding en het initiatief. Zelfs de fysieke gezondheid wordt beïnvloed. Bij een kind dat enthousiasme kan ontwikkelen, stroomt het bloed vrijer.
Alles wat het kind leert, hoe onbeduidend het ook lijkt, verandert zijn kijk op de wereld en zijn houding. Het is daarom belangrijk om zorgvuldig te overwegen wat er wordt onderwezen. Omdat de manier waarop iets wordt onderwezen zowel de spirituele als de fysieke groei beïnvloedt, is ook de manier van onderwijzen van belang. Leren door een mechanisch proces vernietigt de levenskrachten, maar leren door een progressie van levende, fantasierijke ideeën herstelt ze.

Een waarschuwing is hier op zijn plaats. Sommige leerkrachten hebben de indruk dat een reeks superlatieven of extravagante uitingen de verwondering bij een kind zal opwekken. Het gebruik van woorden om iets te beschrijven als mooi, wonderbaarlijk, verbazingwekkend, heeft weinig effect. Dit is niet de manier om een ​​kind te stimuleren. Het wil niet te horen krijgen dat iets wonderbaarlijk is. Het moet het zelf ervaren en de leerkracht moet dat overbrengen door erover te praten. Als hij oprecht is, kan hij dat alleen doen op basis van zijn eigen ervaring. Zo niet, dan zal het kind zich daar al snel van bewust zijn.

Laten we als voorbeeld van wat er bedoeld wordt met het beïnvloeden van spirituele groei, het idee van de metamorfose van de plant nemen. (Dit wordt later uitgebreid uitgelegd). Hierbij kan het kind een verandering in de organische groei waarnemen die resulteert in steeds fijnere organen. Het is een progressie van het grove blad naar de tere bloem. Het kind dat deze ontwikkeling heeft gevolgd, ontwikkelt een instinctief gevoel voor organische evolutie, een streven naar perfectie. Het zou niet moeilijk zijn om zo’n thema te gebruiken als een religieles.

In dezelfde lijn ligt het idee van de stadia van plantenontwikkeling. (Zie het betreffende hoofdstuk). Wanneer het kind een objectief beeld krijgt van een bepaalde groei die parallel loopt aan die van hemzelf, wordt er iets in zijn wezen versterkt. De onzekerheden in zijn eigen ziel worden overwonnen door te leren dat er een patroon is in de wereldorde, en dit wekt vertrouwen.
De beschrijving van de stadia van plantenontwikkeling is dan zowel een pedagogische als een informatieve aangelegenheid. Net als bij de metamorfose toont de leraar de progressie van de eenvoudige vorm naar de meer complete en volmaakte.
De beschouwing van de werken van de natuur is niet alleen een eyeopener, maar ook een mindopener. Verwondering is niet alleen de eerste stap naar kennis, maar ook een sterke kracht in de ontwikkeling van de menselijke ziel.
Om nog een voorbeeld te noemen: we hoeven alleen maar te denken aan het eeuwige wonder van de lente, of aan de ontelbare duizenden manieren waarop de plantenwereld zich manifesteert, of zelfs maar aan een zaadje.
Dit zijn onderwerpen voor de eigen meditaties van de leraar. De leraar moet niet alleen kennis hebben van het vak, maar hij moet er ook enthousiasme voor opbrengen en ervoor zorgen dat zijn inbreng in de klas ervan vervuld is.

Het volgende “Essay over de Natuur” van Goethe kan hierbij behulpzaam zijn (Dit is een verkorte versie van het origineel en vertaald door de auteur).

De natuur
We worden door haar omringd en verzwolgen – we kunnen niet aan haar ontsnappen en we kunnen ons niet dieper in haar verdiepen. Ongemerkt en onvoorzien neemt ze ons mee in de cirkel van haar dans en draagt ​​ons mee tot we moe zijn en uit haar armen vallen.
Ze creëert voortdurend nieuwe vormen. Ze zijn allemaal nieuw, maar de nieuwe zijn altijd de oude.
Ze spreekt onophoudelijk met ons, maar verraadt haar geheim niet.
Ze bouwt voortdurend op en vernietigt voortdurend.
Ze leeft in talloze kinderen, maar de moeder, waar is ze?
Ze is de enige kunstenaar. Elk van haar werken is een afzonderlijke schepping, maar ze zijn allemaal delen van het ene.
Er is een eeuwig leven, dat wordt en beweegt in haar, maar ze gaat niet vooruit. Ze transformeert eeuwig en kent geen moment van rust.
Alle mensen zijn in haar en zij is in alles. Met alles speelt ze een vriendschappelijk spel en verheugt zich hoe meer men van haar wint.
Zelfs het meest onnatuurlijk is de natuur, zelfs de meest lompe pedanterie heeft iets van haar genie. Ogen die haar niet overal zien, zien haar nergens goed.
Ze schept behagen in illusie.
Haar kinderen zijn ontelbaar.
Ze spuwt haar creaties uit het niets en vertelt hen niet waar ze vandaan komen of waar ze naartoe gaan. Het is hun alleen om de race te rennen, ze kent de koers.
Haar drama is altijd nieuw, want ze creëert steeds nieuwe toeschouwers. Leven is haar mooiste uitvinding, de dood haar middel om meer leven te scheppen.
Ze omhult ons in duisternis en spoort ons steeds verder aan naar het licht.
We gehoorzamen haar wetten, zelfs als we ons ertegen verzetten. We werken met haar samen, zelfs als we haar willen tegenwerken.
Ze heeft geen spraak of taal, maar ze schept tongen en gehoor waardoor ze voelt en spreekt.
Haar kroon is liefde. Alleen door liefde komen we dicht bij haar. Ze heeft alles geïsoleerd om alles weer samen te brengen. Ze is totaliteit. Ze beloont zichzelf en straft zichzelf, behaagt en kwelt zichzelf. Ze is hard en zacht, vriendelijk en verschrikkelijk, machteloos en almachtig. Alles bestaat altijd in haar. Zij kent geen verleden of toekomst. Het heden is haar eeuwigheid.
Ze is heel en toch altijd onvolledig.
Aan iedereen verschijnt ze in een bijzondere vorm. Ze verbergt zich onder duizend namen en beschrijvingen en is altijd dezelfde.
Ze heeft me hier gebracht en ze zal me weer verder leiden. Ik vertrouw me aan haar toe. Ze zal haar werk niet haten. Ik heb niet over haar gesproken. Nee, wat waar is of wat onwaar is, is door haar gezegd. Alles is haar schuld, alles is haar verdienste.

Hier vind je nog een tekst.

Goethe beschouwde de wereld als een geheel en aangezien het een doel van Steiners onderwijs is om een ​​beeld van de wereld als een eenheid te presenteren, zijn zijn opvattingen het overwegen waard.
Om het idee van totaliteit te geven, is het ook nuttig om het ene vak met het andere te verbinden.
We noemden al plantkunde en religie. Er kunnen andere verbanden worden gelegd – de meest voor de hand liggende hier zijn Engels en aardrijkskunde. Dat we nauw betrokken zijn bij de natuur spreekt voor zich, maar wat in dit verband ook onder de aandacht kan worden gebracht, en enigszins afwijkt van de Engelse les, zijn de gebruikelijke stijlfiguren die betrekking hebben op de plantenwereld en in figuurlijke zin worden gebruikt.

In uitdrukkingen, zegswijzen, spreekwoorden enz. kom je de plantenwereld op een bepaalde manier ook tegen.
Daar zou je met de leerlingen naar kunnen zoeken (of later in een hogere klas).
Ik geef hier de Engelse tekst, misschien is die weer te gebruiken in de Engelse les:

Sow a seed
Plant an idea
Bring to fruition
A fruitful suggestion
Ripe old age
Reap a reward
A blossoming career
Pull up roots
Blooming with health
Gone to seed
Sprout ideas
Branch out into new fields

Als het te ver van het onderwerp af gaat, zijn er namen van bloemen en vruchten die de aandacht verdienen, bijvoorbeeld:

Paardenbloem = dandelion = dent du lion (Frans voor leeuwentand)
Löwenzahn betekent in het Duits hetzelfde

Madeliefje = daisy =  day’s eye

Viooltje = pansy = pensée (Frans voor gedachte)

Zonnebloem

Boterbloem

Leeuwenbek = snap dragon

Kwets = damson, komt uit Damascus

Krent = currant, komt uit Korinthe (Griekenland)

Kinderen komen naar school om iets over de wereld te leren, en er is veel wereld in de natuur, maar kinderen leren op verschillende leeftijden anders. De eerste vraag is daarom: wat is het juiste materiaal voor de specifieke leeftijd?

De tweede is: hoe moet het gepresenteerd worden?

In de beginjaren is er enige aandacht besteed aan de plantenwereld. In de kleuterklas en in de eerste klassen hebben kinderen gedichten geleerd over de natuur; ze hebben verhalen en legendes over planten gehoord; ze hebben bepaalde dingen waargenomen.
Op negenjarige leeftijd hebben ze een periode heemkunde gehad en daardoor zijn alle planten en bomen in de buurt hen bekend.
Gedurende de betreffende 5e klas zullen ze Griekse verhalen horen, waarvan er veel een goddelijkheid in de natuur tot uitdrukking brengen. Nu moeten ze dieper ingaan op de materie en verder worden meegenomen.

In het leerplan van Rudolf Steiner is een speciale periode over planten gepland voor klas 5, wanneer kinderen rond de leeftijd van elf jaar zijn. Waarom?

Laten we de tussenstappen in het leven van het kind kort samenvatten. Op zes- of zevenjarige leeftijd vindt de tandenwisseling plaats, gepaard gaand met een verandering in de algemene levenshouding en het begripsvermogen.
Op negenjarige leeftijd is een kind zich veel bewuster van de buitenwereld en heeft het er meer interesse in, maar heeft het nog steeds behoefte aan beelden (fantasierijke beschrijvingen) in plaats van concepten.
Op twaalfjarige leeftijd is er een verdere stap in de materiële wereld en een ontluikend conceptueel vermogen.
Op veertienjarige leeftijd komt de fysieke volwassenheid en begint het zelfstandig denken en oordelen.

In de vroege jaren is de presentatie beeldend. De kennis van de thuisomgeving, die in klas 4 is behandeld, is beschrijvend gegeven.
Op elfjarige leeftijd komt het kind uit de fase waarin de beeld-fantasierijke benadering voldoende is, maar waar het zich nog niet in de wereld van het intellectuele denken bevindt. Zijn begrip is een ‘observerend’ begrip.
Het verlangt ernaar de oorzaken van dingen te kennen – niet op een wetenschappelijke manier die het verstand aanspreekt, maar wel op een manier die het hart aanspreekt. Plantkunde zal aan dit verlangen voldoen. Hij kan oorzaak en gevolg ‘observeren’. Het verlangen naar causaliteit wordt bevredigd als kan worden aangetoond hoe een bepaalde plant, op een bepaalde plaats en onder bepaalde omstandigheden, deze of gene vorm ontwikkelt. Het proces dat zich zo in de geest ontwikkelt, is een voorbode van het meer conceptuele denken dat nodig is om bijvoorbeeld oorzaak en gevolg in de geschiedenis te begrijpen. Het tweerichtingsproces in het onderwijs is hier aan de gang. Informatie of ervaring wordt gegeven om capaciteiten te ontwikkelen.

Denkend aan het groeiende bewustzijn van een kind, kan de plantkunde een prachtig leerzaam materiaal zijn, omdat beeld na beeld, idee na idee, wereld na wereld zich voor zijn geest kan ontvouwen.

Hoewel hier richtlijnen en een zekere hoeveelheid materiaal worden gepresenteerd, dienen deze slechts als de kern van het onderwerp te worden beschouwd. Ze moeten worden ondersteund door het eigen onderzoek, de inspiratie en de passie van de leerkracht, en worden aangekleed door zijn eigen verbeelding. Het gebruik van poëzie kan hierbij helpen.

Bovendien moeten leerkracht en klas bij dit specifieke vak actief op zoek gaan naar de verschillend beschreven en besproken planten en deze observeren. De kinderen zullen het geweldig vinden om allerlei illustraties in hun schrfiften te gebruiken en de leerkracht zal merken dat de voldoening van zijn leerlingen een lonende ervaring is. Hoewel het toegestaan ​​kan zijn om bloemen te plukken en ze als kunstwerken naar binnen te halen, mogen ze niet uit elkaar worden gehaald en gedegradeerd tot objecten voor analyse. Evenmin mag een microscoop worden gebruikt. De wetenschappelijke plantkunde is een studie voor de bovenbouw [middelbare school!]. ​​
In deze fase waarderen we planten als kunstwerken. Laten we de gouden regel niet vergeten: wat kinderen leren liefhebben, zullen ze later begrijpen.

De intellectuele, wetenschappelijke geest, opgevoed met een ander kost, kan in conflict komen met wat hier wordt gepresenteerd en de manier waarop het wordt gedaan. Dit is bedoeld als een artistieke presentatie die niet zozeer een beroep doet op de rede en het begrip, maar op het hart. Wetenschap komt later. Als we liefde voor de wereld kunnen bevorderen, zullen er misschien minder uitbuiting en minder vervuiling zijn.

In het rooster voor klas 5 kunnen drie of vier weken hoofdlessen, ongeveer twee uur per dag, worden gewijd aan plantkunde. Het is uiteraard beter om deze periode in de lente- of zomermaanden te nemen, wanneer de natuur op haar hoogtepunt is. [evengoed kan je het najaar nemen, waarin ook nog veel planten bloeien en…er paddenstoelen zijn]

 Zoals met zoveel andere vakken is er zoveel interessant materiaal dat men geneigd is te veel te willen doen. De leerkracht moet selectief zijn en beslissen wat essentieel is. Het is wellicht mogelijk om nog een periode in klas 6 en 7 in te passen.

De hier gegeven aanwijzingen zijn voldoende voor drie lesuren van elk drie tot vier weken. Misschien moet men zeggen dat de aanwijzingen overvloedig zijn en dat het waarschijnlijk alleen mogelijk zal zijn om ze allemaal te behandelen als er een beetje overloop is in andere lessen, bijvoorbeeld Engels. De eerste periode in klas 5 zou alles moeten omvatten tot en met de inleidende opmerkingen over bomen.
De daaropvolgende stof is wat “technischer” en toegepaster en kan het beste in klas 6 of 7 volgen.
Geologie wordt aanbevolen voor klas 6 en een elementaire studie is hier opgenomen, omdat het een logische vervolgstap is op plantenstudie. [deze aanwijzingen staan in een ander artikel – nog niet oproepbaar] Omdat het echter nauw verwant is aan aardrijkskunde, zou het ook in verband met dat vak bestudeerd moeten worden.

Elke leraar moet zijn eigen manier vinden om de periode in te leiden, maar hierbij een paar suggesties:

Men zou kunnen denken aan het scheppingsverhaal, met name de derde dag.

En God zei:

“Laat de aarde gras voortbrengen, zaaddragend kruid en vruchtbomen die naar hun soort vruchten dragen, waarin het zaad zelf zit; en het gebeurde. En de aarde bracht gras voort, zaaddragend kruid en bomen die naar hun soort vruchten dragen, waarin het zaad zelf was, naar hun soort; en God zag dat het goed was.”

Een andere, meer alledaagse manier om tot het onderwerp te komen, zou zijn om de kinderen te vragen alle bloemen te noemen die ze kennen, mogelijk groenten en bomen, en vervolgens de aandacht te vestigen op het immense aantal en de verscheidenheid; of men zou hen kunnen vragen of ze het aantal grassprietjes op een veld of het aantal bladeren aan een boom kunnen tellen.

Nog een andere benadering zou zijn om te spreken over de zon en het wonder van de lente; om te wijzen op de veranderingen die in de natuur in dit seizoen plaatsvinden. Weersomstandigheden en geologische omstandigheden zouden kunnen worden genoemd en gedachten zouden kunnen worden gericht op de aarde als de grote moeder.

Samuel Taylor Coleridge’s “Hymne aan de Aarde” zou goed te gebruiken zijn:

“Earth! thou mother of numberless children, the nurse and the mother.
Hail O Goddess, thrice hail! Blest be thou! and blessing I hymn thee!
Forth, ye sweet sounds! from my harp, and my voice shall float on your surges —
Soar thou aloft, O my soul! And bear up my song on your pinions.
Travelling the vale with mine eyes — green meadows and lake with green island.
Dark in its basin of rock, and the bare stream flowing in brightness.
Thrilled with thy beauty and love in the wooded slope of the mountain.
Here, great mother, I lie, thy child with his head on thy bosom!
Playful the spirits of noon, that rushing soft through thy tresses.
Green haired Goddess! refresh me; and hark! as they hurry or linger.
Fill the pause of my harp, or sustain it with musical murmurs.
Into my being thou murmurest joy, and tenderest sadness
Shedd’st thou, like dew, on my heart, till the joy and the heavenly sadness
Pour themselves forth from my heart in tears, and the hymn of thanksgiving.”

Aarde! jij moeder van talloze kinderen, de voedster en de moeder.
Wees gegroet, o Godin, driemaal gegroet! Gezegend zijt gij! en zegenend zing ik over u!
Voort, gij zoete klanken! van mijn harp, en mijn stem zal drijven op uw golven —
Stijg omhoog, o mijn ziel! En ​​draag mijn lied op uw wieken.
Reizend door de vallei met mijn ogen — groene weiden en een meer met groene eilanden
Donker in zijn rotskom, en de kale stroom stromend in helderheid.
Verrukt door uw schoonheid en liefde op de beboste helling van de berg.
Hier, grote moeder, lig ik, uw kind met zijn hoofd op uw boezem!
Speels de middaggeesten, die zachtjes door je haar razen.
Groenharige Godin! Verfris me; en luister! terwijl ze zich haasten of treuzelen.
Vul de pauze van mijn harp, of houd hem in stand met muzikaal gemompel.
In mijn wezen fluistert gij de meest gemompelde vreugde en de meest tedere droefheid
Gooit gij, als dauw, over mijn hart, totdat de vreugde en de hemelse droefheid
zichzelf uit mijn hart storten in tranen en de hymne van dankzegging.”

(Overigens is dit een van de weinige gedichten in het Engels geschreven in hexameters. Recitatie in deze maat regelt de ademhaling).

[Dat is waarschijnlijk de reden dat Wilkinson dit gedicht hier gebruikt. De leerkracht kan het reciteren, en de kinderen kunnen er de hexameter op lopen.
Dan horen ze de verheven tekst. 
De vertaling is niet in hexameters, dus voor de Nederlandse situatie is het m.i. niet geschikt.]

De beschouwing van een zaadje, met zijn enorme potentieel, met name misschien een eikel of een paardenkastanje, of een klein zaadje zoals selderij, zou een andere opening kunnen vormen. Kinderen hebben gewoonlijk wel iets met eikels en kastanjes, maar een klein zaadje is droog en niet meteen erg inspirerend.

Des te verwonderlijker is het dan dat er uiteindelijk iets uit groeit.

De leraar wordt aangeraden de aantekeningen over plantenonderwijs in Rudolf Steiner over plantkunde te raadplegen. [Wilkinson noemt alleen GA 295]
.

De plantenwereld
.

Over een groot deel van de aarde ligt een prachtig tapijt van groen.
Als we in Engeland op een heuvel staan ​​of in een vliegtuig over het landschap vliegen, zien we velden licht- en donkergroen, geel, goud, bruin en allerlei verschillende tinten. Dit zijn velden met diverse gewassen, of braakliggende grond. De velden zijn vaak omgeven door een donkerdere kleur. Dat is de heg. Dan zien we ook stukken gemengd groen. Dat zijn de bosjes, bossen of wouden. Soms zien we gebieden die bijna blauw zijn. Dat zijn de dennenbossen.
Als we in een weiland staan ​​en voor ons kijken, zien we een uitgestrekte grasvlakte, maar verspreid in het groen zijn er gekleurde vlekken waar bloemen groeien. Vanuit de vlakke aarde rijzen de heggen en struiken van allerlei soorten op met een verscheidenheid aan gekleurde bloemen. We kunnen gaspeldoorn zien, met zijn felgele bloemen; rododendrons, roze, rood, paars; in de tuin staan ​​rozen in alle kleuren. De bomen reiken met hun majestueuze, statige vormen naar de hemel.

De plantenwereld biedt schoonheid aan de toeschouwer, vreugde aan de ziel en dienstbaarheid aan mens en dier. Ze levert voedsel en bruikbare materialen voor de industrie. Ze heeft invloed op de regenval en zuivert de lucht die we inademen.

Hoewel de plant lijkt te rusten, is ze een levend, ademend wezen. Wanneer de mens gaat slapen, verlaten die delen van hem die we normaal gesproken niet kunnen zien, ziel en geest, het lichaam. Ze verenigen zich er weer mee wanneer hij wakker wordt. Er is iets soortgelijks in de relatie tussen aarde en planten. De aarde ademt uit in de zomer en de uitademing vormt de planten. In de winter ademt ze in en verdwijnen de planten. We zouden dus kunnen zeggen dat zoals de mens wakker is wanneer zijn ziel en geest zich in zijn lichaam bevinden, en slapen wanneer ze zich buiten bevinden, zo is de aarde wakker in de winter en ze slaapt in de zomer. Wanneer de aarde uitademt, worden de prachtige vormen van de planten gevormd en soms kunnen we in hen eigenschappen zien die verwant zijn aan de onze. (Zie “Discussies”, hierboven genoemd).

Sommige planten zien er vrolijk uit, sommige verdrietig, andere boos. In de volksmond spreken we van het “bescheiden” viooltje; we zeggen “zo puur als een lelie”. Als we naar bomen kijken, kunnen we de expansieve, extraverte aard van de palmboom vergelijken met de waardige, strenge aard van de cipres. We kunnen ons lessen uit klas 2 herinneren, toen we de eik beschouwden als een stoere, uitdagende kerel en de berk als een sierlijke, sierlijke dame.

In klas 4 leerden we iets over dieren en mensen. Stel dat we nu een plant vergelijken met dieren en mensen. (De kinderen dragen hun mening bij). De plant staat op één plek, geworteld in de aarde. Hij groeit omhoog naar het licht. Hij staat meestal rechtop. Hij wordt door de wind bewogen, maar kan niet zelfstandig bewegen. Hij is stil. Hij lijkt geen vreugde of verdriet te uiten. Het dier daarentegen rent, springt, vliegt of zwemt. De meeste dieren hebben een stem. Ze hebben gevoelens, uiten zichzelf en volgen hun verlangens. Een mens staat rechtop en heeft gevoelens en verlangens, maar een mens kan zichzelf ook vertellen wat hij wel of niet moet doen.

In het voorjaar planten we misschien een zaadje of een bol. In de komende weken verschijnen de bladeren en naarmate de zomer vordert, groeien er meer bladeren en ontwikkelt de bloem zich. In de herfst komt de vrucht. Op een bepaald moment zien we misschien alleen zaad, bol of wortel; dan voornamelijk bladeren, of bladeren én bloem; maar zelfs als we maar één deel zien, moeten we aan de rest denken, omdat de plant eigenlijk één geheel is. De wortel is donker, teruggetrokken, en we zouden ons bijna kunnen voorstellen dat hij op onszelf lijkt wanneer we ons terugtrekken in een rustig hoekje om na te denken. De bloemen echter, met hun vrolijke kleuren, zouden we ons kunnen voorstellen als lachende, spelende en schreeuwende kinderen in een zonnige weide.
Lente, zomer, herfst, winter – de cyclus van het jaar – werken op de plant in. De warmte en het zicht stromen van bovenaf naar beneden. Eerst zijn ze zacht en verschijnen de groene bladeren. Naarmate ze sterker worden, groeit de plant en laat de bloesem zich zien. In de nazomer is de aarde zelf warm geworden en straalt haar warmte weer uit. Dit is de tijd dat zaad en vrucht zich vormen.

Plant en aarde horen bij elkaar. We zien dat aan het feit dat verschillende planten op verschillende plekken op aarde groeien, of aan het feit dat dezelfde plant op verschillende plekken anders groeit. Een roos groeit het beste op klei; een wortel op zandgrond; alleen cactusachtige planten groeien in een woestijn.
Bomen zoals de beuk geven de voorkeur aan vlak land met een rijke bodem en groeien niet op berghellingen, maar daar vinden we dennenbomen.
Hoewel planten op aarde groeien, hebben ze ook een relatie met de hemel. Ze hebben hun wortels in de aarde, maar hun groei en vorm zijn ook afhankelijk van invloeden boven de aarde, zoals de zon en de maan. De zon geeft warmte en licht en trekt ze omhoog. De maan beïnvloedt de kieming en als we goed naar bloemen kijken, zoals we later zullen zien, zien we de vormen van de sterren.
Er zijn enkele experimenten gedaan die aantonen dat de sterrenbeelden zelf van invloed zijn op de groei.

We spreken soms over de vier natuurrijken. Deze zijn aarde, water, lucht en vuur. Planten hebben alle vier nodig voor hun groei. Als we vuur zeggen, bedoelen we natuurlijk niet een vuur dat brandt, maar wat ontstaat wanneer iets brandt: warmte en licht. De plant heeft, net als de mens, de substantie nodig waaruit hij zijn wortels, bladeren en bloemen vormt en waarop hij staat. Dit is aarde. Hij heeft water nodig om de aardsubstanties om te zetten. Hij heeft lucht nodig om te ademen, net als wij, hoewel het proces niet helemaal hetzelfde is; en geen enkele plant kan groeien zonder warmte en licht.

Een plant zou echter helemaal niet groeien zonder iets dat we niet kunnen zien. Een plant leeft in de tijd. Iets groeit en iets sterft continu. Zolang hij bestaat, bevindt hij zich voortdurend in een staat van totale groei. Er is een levenskracht in de plant die hem de kracht geeft om te groeien en de specifieke vorm van zijn soort aan te nemen. We kunnen deze levenskracht niet zien, maar we kunnen wel de resultaten ervan zien. De beroemde dichter en natuurvorser Goethe schreef ooit een gedicht over planten. Daarin stelde hij dat geen enkel deel van de natuur geïsoleerd begrepen kan worden. Hij maakte melding van een publiek geheim. Maar hoe kan een geheim voor iedereen toegankelijk zijn zijn?!

Als natuurstudie uw doel is,

Let dan op: een enkel deel weerspiegelt het geheel.

Niets is binnen en niets buiten,

Want wat binnen is, is ook buiten.

Grijp daarom zonder uitstel deze prijs:

Dat hier een heilig publiek geheim ligt.

Verheug u in de roem van ware illusie,

Verheug u in het serieuze spel van de natuur.

Geen enkel levend wezen kan alleen zijn —

Het bestaat alleen in gezelschap.
(Vertaling van de auteur)

Goethe bedoelde dat elke plant dezelfde levensbasis heeft.
Er is een archetype (Urpflanze). Dit is de kracht die soms de etherische vormgevende kracht wordt genoemd. We kunnen het niet zien, maar we zien het wel onthuld in de plant. Voor zover we het niet kunnen zien, is het geheim; maar wanneer we de openbaring zien, is het openbaar; vandaar het publieke geheim.

DE VORM VAN DE PLANT

Wanneer we een gewone plant beschouwen, zien we meteen een drievoudigheid.

Net zoals de mens een hoofd, een ritmisch systeem en een spijsvertering heeft, heeft de plant wortel, bladeren en bloem. We zullen ze later vergelijken.

De wortel behoort tot de aarde. Hij keert zich altijd naar de aarde en spreidt zijn scheuten uit in de grond. Hij heeft meestal een donkere aardse kleur en wordt zelfs hard als aardse substantie.

De stengel schiet omhoog, naar het licht. Aan de stengel bevinden zich de bladeren. De eerste zijn grof en vlezig en staan ​​bekend als de zaadlobben. Dit zijn niet de echte bladeren van de plant, maar het is alsof de slapende krachten in de plant een duwtje geven om de groei op gang te brengen. Dan verschijnen de echte bladeren en naarmate ze verder van de aarde groeien, worden ze steeds kwetsbaarder.

De plant groeit omhoog in het licht en de lucht en in deze gebieden ontvouwen de bloemen zich. De bloesems hebben alle kleuren van de regenboog en alle kleurschakeringen. Veel bloemen verspreiden een geur.
De groene bladeren bevinden zich tussen de wortel en de bloem. Als we denken aan lichte en donkere kleuren, geel en blauw, zien we dat groen de balans bewaart. Groen is rustgevend voor het oog.

Wortels

In de aarde strekken de planten hun wortels uit om voedsel en water te vinden. De meest tere scheuten aan de buitenkant doen het meeste werk.
Als we het hier over wortels hebben, hebben we het over dat deel van de plant dat de aarde in gaat. Strikt genomen zouden we wortels, bollen, wortelstokken, knollen en wortelgewas moeten zeggen.
Planten zoals de paardenbloem en de wortel (de peen) hebben een penwortel. Dit is een wortel die recht de grond in gaat en waaruit kleine wortels vertakken. Een plant met een penwortel kan beter tegen droogte dan andere. Er is één plant die als veevoer wordt gebruikt, namelijk alfalfa of luzerne. Deze plant heeft een zeer lange, slanke penwortel die wel vijf meter de grond in kan groeien. De bladeren blijven dus groen wanneer andere afsterven.

De boterbloem en de granen (grassen) hebben vezelige wortels. Deze bestaan ​​uit draden of scheuten die zich steeds verder verspreiden en vertakken. Door hun structuur zijn ze zeer nuttig om grond vast te houden die anders door de regen zou kunnen worden weggespoeld.
Bij een bol is het alsof de hele plant is samengeperst. De bol is een ondergrondse knop met dikke bladeren en de bloemknop in het midden, klaar om te groeien en al vroeg in het voorjaar te verschijnen. Omdat de bloem al gevormd is, laat deze zich snel zien en daarom planten we bollen om al vroeg bloemen te krijgen. De wortel zelf bestaat uit kleine vezelige scheuten die aan de onderkant groeien; narcissen en tulpen zijn voorbeelden.
Een wortelstok is een gezwollen ondergrondse stengel met knoppen voor nieuwe groei en kleine worteltjes eraan. De iris en het lelietje-van-dalen groeien uit wortelstokken.
Iets wat niet helemaal een bol en ook niet helemaal een wortelstok is, is een knol. Deze wordt gevormd vanuit de basis van de stengel van het voorgaande jaar. De echte wortels groeien vanuit de basis, net als bij de bol, en een of meer scheuten ontwikkelen zich vanuit knoppen aan de bovenkant. Krokussen en gladiolen zijn voorbeelden van knollen.
Knollen zijn verdikte uiteinden van ondergrondse stengels. De knol heeft een zogenaamd “oog”, maar dat is eigenlijk een knop waaruit de nieuwe plant groeit.
Het meest voorkomende voorbeeld van een knol is de aardappel.

De kinderen kunnen deze dingen tekenen, net als de blad- en bloempatronen
die volgen.

Stengel en bladeren

Het groene blad van de plantenwereld is wat ons het meest opvalt. Naarmate de stengel van een plant hoger groeit, worden de bladeren die eraan vastzitten fijner en veranderen soms zelfs van vorm. In de plantenwereld als geheel is het aantal bladvormen oneindig. Ze zijn ook op veel verschillende manieren gevormd. Sommige hebben parallelle nerven; sommige vertakken. Sommige bladeren zijn glad; sommige harig. Sommige zijn lang en dun; andere breed. Sommige hebben zigzagranden (gekarteld); andere zijn recht.

Bij sommige planten loopt de stengel recht omhoog en groeien de bladeren vanuit de stengel, soms in een spiraalvorm en soms tegengesteld aan elkaar. Andere planten blijven vertakken als een boom. Weer andere sturen een bos bladeren vanuit de wortels omhoog. De variaties zijn eindeloos.

Bloemen en vruchten

Terwijl een plant groeit, bereikt hij een punt waar een wonderbaarlijke transformatie plaatsvindt. In een bepaald groeistadium concentreren zich krachten en vormt zich een knop. Dit is de plek waar de lichtkrachten voldoende invloed hebben om kleur te kunnen creëren. Net zoals de zonnestralen vanuit een centrum komen, zo stralen de verschillende delen van de bloem vanuit dit punt.

Vanuit het uiterlijk van de knop is niet te voorspellen wat er zal gebeuren, maar zodra deze opengaat, manifesteert zich het mooiste deel van de plant. Waar de eerste groene bladeren vlak bij de grond wat grof waren en de hogere bladeren fijner, is de bloem geweven van de meest delicate stof. Hier zijn kleur en geur en het is bijna alsof de grofheid van de aardse substantie is afgeworpen. Het lijkt erop dat, als de plant een stap verder zou kunnen gaan, de bloem zou wegvliegen. In werkelijkheid keert de plant zich weer naar binnen om zaad te vormen en als de bloem zelf niet kan opvliegen, wordt hij in ieder geval bezocht door wezens die dat wel kunnen. Dit zijn de insecten. Eén gevleugelde bezoeker lijkt inderdaad op een vliegende bloem. Dit is de vlinder. (Deze gelijkenis is zo opvallend in één groep bloemen dat ze eigenlijk Papilionaceae heten – naar een Latijns woord dat vlinder betekent).

De groene blaadjes rond de knop die naar beneden krullen als de bloem opengaat, worden de kelkblaadjes genoemd en vormen samen de kelk. De gekleurde bloemblaadjes samen staan ​​bekend als de kroon. Hoewel veel bloemen aparte bloemblaadjes hebben, zoals de boterbloem en het madeliefje, zitten sommige bloemblaadjes aan elkaar vast en zo vinden we klokjes of trompetten, zoals bij de boshyacint, narcis en vingerhoedskruid.
Binnenin de bloem bevinden zich meeldraden en vruchtbeginsels, aan de basis waarvan de nieuwe zaden worden gevormd in een klein holletje of huisje dat bekendstaat als het vruchtbeginsel. Bij sommige bloemen verenigen de vruchtbeginsels zich om de stamper te vormen. Aan het uiteinde van de meeldraden ontstaat een soort stof dat stuifmeel wordt genoemd. Wanneer insecten, met name bijen, een bloem binnengaan om de nectar van de basis ervan te nippen, blijft er wat stuifmeel aan hun mantel plakken. Wanneer ze een andere bloem bezoeken, wordt een deel van dit stuifmeel afgeveegd op het uiteinde van de stamper, die plakkerig is. Dat mengsel van stoffen is nodig om nieuwe zaden te laten groeien. Als we goed naar een bloem kijken, zien we hoe slim de bloem is samengesteld, waardoor bestuiving wel moet plaatsvinden.

We noemden de verschillende bladvormen. Bij bloemen is er een nog grotere variatie, versterkt door de eindeloze kleurschakeringen.
Net zoals er vele soorten bladeren en bloemen zijn, zo zijn er ook vele soorten vruchten. In deze specifieke zin wordt onder vrucht het zaad verstaan, hoewel we bij vrucht normaal gesproken denken aan een vlezige substantie waarin de zaadkorrels liggen.
Enkele van de meest voorkomende vruchten zijn:

Peulen
 De vrucht groeit in een omhulsel of schil die droogt naarmate de zaden rijpen en die worden er vervolgens uit geworpen. Het type plant waaraan de peulen groeien, staat bekend als een peulvrucht. Erwt, boon, klaver.

Pitvruchten
Hier zwelt de vruchtbodem op en vormt een vlezige substantie, waarin zich de kern bevindt die de zaden bevat. Aan het uiteinde van de vrucht, tegenover de steel, bevinden zich de gedroogde kelk, meeldraden en stamper. Appel, peer, rozenbottel.

Steenvruchten
Steenvruchten hebben een buitenste schil en een vlezige substantie die lijkt op pitvruchten, maar de kern is een steen, en in de steen zit de pit. Kers, pruim, perzik. Frambozen en bramen zijn meervoudige steenvruchten.

Bessen
Dit zijn echt sappige zaaddozen; soms zijn er meerdere zaaddozen. De zaden bevinden zich in de vruchtvleesmassa. Tomaat, druif, kruisbes.

Noten
Eén zaadje bevindt zich in de verharde wand van de zaaddoos. Kastanje, eikel, hazelaar.
 
GEOMETRISCHE ONTWERPEN IN BLOEMEN

Plato zei ooit: “God meet”. Getallen en getallensystemen liggen aan de basis van alle levende wezens. Geen wonder dat we ze ook in de plantenwereld kunnen vinden. Met name in bloemen zijn er geometrische patronen te vinden, hoewel het soms moeilijk is ze te onderscheiden omdat de bloem te ingewikkeld is geworden. Ze zijn meestal gebaseerd op het vierkant, de vijf- of zespuntige ster. De geometrie is duidelijk zichtbaar in de florastructuur.
Laten we ter verduidelijking een eenvoudige driehoek nemen en ons een geconcentreerde kracht in het midden voorstellen die de zijkanten naar buiten duwt, of een kracht van buitenaf die de zijkanten, vastgehouden aan de hoeken, dwars door de driehoek duwt en de tegenoverliggende punten omvat:

Veel planten die wij als voedsel gebruiken, bijvoorbeeld koolsoorten, hebben een kruisvormige bloemvorm en zijn verwant aan het vierkant:

Stel je voor dat er krachten van binnenuit of van buitenaf op het vierkant actief zijn, dan ontstaan ​​de volgende patronen:

Dit is een bloemmotief van een vierbladige bloem, de muurbloem:

Veel bloemen hebben vijf bloemblaadjes: boterbloem, hondsroos en appel. De geometrische basisfiguur is een pentagram of vijfhoek:

(De ontwerpen kunnen op verschillende manieren worden gemaakt).

De boterbloem, een bloem met vijf bloemblaadjes, heeft dit bloemmotief:

De tulp, lelie, sneeuwklokje, krokus en blauwe klokjes zijn opgebouwd op de zes: zesster, hexagram of zeshoek, hexagon:

Het patroon van de tulp:

Dwarsdoorsnede van de zaaddoos van de blauwe klokjesbloem:

Als we een appel dwars doorsnijden, zien we een vijfpuntige ster:

Kinderen zullen enthousiast worden van het maken van deze patronen en voor het gaan zien van de samenhangen.

BLOEMEN EN INSECTEN

We hebben al gekeken naar de nauwe relatie tussen bloem en insect. Dit laatste haalt zijn voeding uit het zoete sap aan de basis van de bloem, dat we nectar noemen. Door van bloem naar bloem te vliegen, verspreidt het insect stuifmeel, wat de groei van de nieuwe zaden bevordert. Verschillende insecten hebben relaties met verschillende bloemen. Sommige houden van de ene bloem en andere van de andere, en ze hebben lange of korte slurfjes of tongen, afhankelijk van het type bloem dat ze bezoeken. Het is erg interessant om een ​​bij verschillende bloemen te zien bezoeken.

In Zuid-Amerika is er een plant die slechts eens in de paar jaar bloeit. Deze plant is het enige voedsel dat een bepaald insect eet. In de jaren dat de plant niet bloeit, zie je het insect ook niet.

Deze nauwe relatie wordt nog duidelijker wanneer we kijken naar de ontwikkeling van plant en insect. Het zaad van de plant produceert een scheut en het ei van een insect een rups. De rups is een geweldige eter en groeit zeer snel, waarbij hij het groene materiaal van de plant verslindt. De plant groeit door een reeks van uitzettingen en samentrekkingen (zoals we later zullen zien) en de rups beweegt zich volgens hetzelfde principe. Op een gegeven moment stopt de plant, concentreert haar krachten en vormt een knop. Het insect komt in een overgangsfase terecht door een cocon of pop te vormen. Plotseling opent de knop zich en komt er een bloem uit. In de cocon vindt een enorme verandering plaats en ontstaat er een gevleugeld wezen. De warmte van de zon heeft lichte, luchtige, kleurrijke creaties voortgebracht. De vlinder is het beste voorbeeld, omdat hij lijkt op een bloem die uit de aarde is losgelaten. We hebben dus:
plant                                                                     insect

zaad                                                                         ei
scheut                                                                   rups
knop                                                                   cocon/pop
bloem                                                                   vlinder

Dit is een vers, geschreven door Rudolf Steiner, dat het idee van deze relatie uitdrukt:

Kijk naar de plant.
Het is een vlinder,
vastgeketend aan de aarde.

Kijk naar de vlinder.
Het is een plant,
bevrijd door de kosmos.

Look at the plant.
It is a butterfly
Chained to the earth.

Look at the butterfly.
It is a plant,
Set free by the cosmos.

DE VERSPREIDING VAN ZADEN

Wanneer we bloemen of groenten willen kweken voor eigen gebruik, oogsten we de zaden en planten we ze zorgvuldig in onze tuinen of op onze velden. Maar de natuur zorgt op veel verschillende manieren voor het planten.

Sommige boomzaden hebben kleine vleugeltjes en worden fladderend door de wind meegevoerd. De plataan is daar een voorbeeld van. Iedereen kent de paardenbloembol. De zaden van de paardenbloem en andere soortgelijke planten hebben een soort parachute die door de wind wordt opgetild. Sommige zaden worden verspreid wanneer de wind de stengel schudt, zoals bijvoorbeeld de klaproos. Bij het viooltje worden de zaden in de zaaddoos zo groot dat ze de doos doen barsten en vervolgens worden ze weggeschoten. Sommige planten, zoals de gaspeldoorn, hebben zaden in peulen die draaien als ze rijp zijn, met een plof opengaan en het zaad een stukje wegslingeren. Vogels en dieren helpen ook bij de verspreiding van de zaden. De vogels eten bessen en het zaad gaat erdoorheen. Zaden blijven ook aan de vacht van dieren plakken en worden zo verspreid. 

DE METAMORFOSE VAN DE PLANTEN

Metamorfose is een woord dat uit het Grieks komt en een verandering van vorm of transformatie betekent. We hebben Goethe al genoemd en deze ideeën zijn bij hem ontstaan. Goethe stelde zichzelf de vraag: wat is het basisprincipe van de plant? Hij opperde het idee van het archetype, dat we gelijk hebben gesteld aan de levenskracht, maar hij kwam ook tot het idee zoals verwoord in het eerder geciteerde gedicht:

“Een enkel deel weerspiegelt het geheel”.

Hij vond dat het blad het meest karakteristieke deel van de plant was en besloot vervolgens dat de verschillende delen van de plant in feite gemetamorfoseerde bladeren waren.

Soms is dit heel gemakkelijk te zien en soms minder gemakkelijk. Een slazaadje bijvoorbeeld lijkt op zichzelf op een klein blaadje, maar het ronde radijszaadje is anders.

Als je aan een blad denkt, met zijn ribben en nerven, dan zie je dat de hele plant, met zijn stengel en scheuten, de vorm van een blad heeft; maar elk deel van de plant kan worden beschouwd als een gemetamorfoseerd blad. De bloemblaadjes zijn getransformeerde bladeren, net als de meeldraden en de stamper.*

Er is een fundamentele wet in al het leven. Al het leven bestaat tussen uitzetting en samentrekking – inademen en uitademen, slapen en waken, zomer en winter. De plant groeit door een reeks uitzettingen en samentrekkingen. Vanuit het zaadje groeit de plant uit tot stengel en bladeren. Hij trekt samen op het punt waar de bloem zal verschijnen. Hij groeit uit tot bloemblaadjes, trekt samen tot meeldraden en stamper. De volgende uitzetting is de zaaddoos en de laatste samentrekking het zaad.

Goethe was zowel kunstenaar als wetenschapper en hij bracht enkele van zijn wetenschappelijke ideeën tot uitdrukking in poëzie. Hieronder volgt een verkorte versie van zijn gedicht over “De metamorfose van de planten” (vertaald door E.A. Bowring). Hij schrijft over de eindeloze verscheidenheid.
 

DE STADIA VAN DE PLANTENONTWIKKELING

In de inleiding hebben we aangegeven hoe het overdragen van kennis educatief kan worden gebruikt, zelfs voor de ontwikkeling van morele kwaliteiten. Zo kunnen de stadia van de plantenontwikkeling symbolisch worden gebruikt om de morele ontwikkeling van het kind te bevorderen.

We kunnen kinderen aanspreken op hun eigen groei. We kunnen hen hun vroegere staat voor de geest halen, of hen vragen zich die te herinneren, toen ze nog niet in staat waren om zoveel te doen  als nu. We leiden hen terug naar een punt waar ze geen geheugen hebben. We herinneren hen er ook aan dat een bepaald deel van ons leven zonder geheugen wordt doorgebracht, namelijk in slaap, en we voegen eraan toe dat kinderen, zelfs als ze wakker zijn, gedeeltelijk slapen. We beschrijven hoe het proces van opgroeien een proces van wakker worden is. Vervolgens kunnen we de stadia van menselijke groei vergelijken met de stadia van plantenontwikkeling, deze koppelen aan hun eigen herinneringen aan vroegere jaren en de overeenkomsten aantonen. Wat deze vergelijking betreft, loopt de ontwikkeling van de bloesem parallel met de puberteit. Het kan worden verklaard dat, als de overweging wordt voortgezet, de vorming van vrucht of zaad vergelijkbaar is met wat er na deze leeftijd plaatsvindt.

Dit geeft het kind ook vreugde in het toekomstperspectief.

Wanneer we één enkele plant beschouwen, observeren we de veranderingen die in de loop van de tijd plaatsvinden. Kijken we echter naar het hele plantenassortiment, dan zien we verschillen in ontwikkelingsstadia. De meest complete zijn die welke de volledige cyclus doorlopen – wortel, stengel, bladeren, bloemen, vrucht (zaad); maar sommige planten hebben geen bloemen; andere geen bladeren. In die zin kunnen we spreken van onvolledigheid.

Laten we een reeks planten nemen en de ontwikkeling tot “volledigheid” volgen.

Paddenstoelen

Dit is de eenvoudigste vorm van plantengroei. Paddenstoelen en zwammen behoren tot dit type. De paddenstoel heeft geen bladeren of bloemen, wat aantoont dat hij geen relatie met de zon heeft. Hij groeit ook graag in vochtige, donkere omstandigheden en geen wonder dat veel paddenstoelen giftig zijn. De schimmel heeft ook geen echte wortels, alleen spinragachtige draden. Het bijzondere is dat hij leeft van de dode resten van andere organismen. Hij verteert materiaal dat door andere planten of dieren is gecreëerd. Hij heeft geen gestel zoals andere planten of bomen en kan in één nacht groeien. De parapluvorm met een schil aan de bovenkant lijkt hem af te sluiten van de wereld van het licht. De paddenstoel is een soort vrucht die rechtstreeks uit de aarde groeit.

Ze lijken vaak op kleine trollen. In zoverre ze bezig zijn zich te voeden met een ander organisme, te verteren, te groeien en opgesloten te zitten in hun eigen kleine wereldje, lijken ze op kleine baby’s.

Korstmossen

Dit zijn planten die in zekere zin half schimmel en half blad zijn, maar ze kunnen ook een soort vrucht dragen. Ze komen voor in boomloze arctische gebieden, op bergtoppen, aan rotsachtige kusten, en op rotsen en bomen. Een korstmossoort die in het arctische gebied groeit, is waardevol voedsel voor rendieren en staat bekend als rendiermos. Korstmossen nemen vocht niet op via hun wortels, maar uit de lucht. Ze hebben zelfs nauwelijks wortels. Ze kunnen in de winter bevriezen, maar blijven leven als het weer dooit. Ze hebben een grijsgroene kleur, wat aangeeft dat ze een zekere relatie met het licht hebben, maar ze kunnen ook groeien zonder veel zon.

Korstmossen zijn dus als een baby die begint te kruipen en in het algemeen contact maakt met de wereld.

Algen

Dit zijn de planten die in water groeien en er zijn er een verbazingwekkend aantal. Botanisten hebben ongeveer 30.000 verschillende soorten geteld. Sommige zijn vrij klein en andere zijn honderden meters lang. Het groene slijm dat we op stilstaand water zien, bestaat uit algen, maar ook zeewier behoort tot deze familie.
Het bijzondere aan algen is dat ze slechts uit bladeren bestaan. Deze planten hebben geen wortels, alleen een soort uitloper, en geen bloemen. De planten die licht ontvangen, zijn groen, maar in de oceanen, waar het licht door water moet, zijn ze bruingroen. Toch kunnen we, omdat ze echte bladeren hebben, zien dat ze een stadium verder ontwikkeld zijn dan korstmos.

Als we onze vergelijking met de groei van een kind voortzetten, moeten we kijken naar de kenmerken van de algen. Het zijn slechts bladeren; ze hebben geen vaste vorm; in het water worden ze meegesleurd door de stroming. Ook het jonge kind is nog niet stevig in zichzelf en wordt meegesleurd door alles wat er om hem heen gebeurt. Hij wordt zich bewust van gevoelens van vreugde en verdriet.

Mossen

Mossen groeien op schaduwrijke, vochtige plekken. We vinden ze in scheuren in muren, op rotsen en op vochtige grond in schaduwrijke plaatsen, soms zelfs op daken. Ze vormen een zachtgroen tapijt en daaronder leven talloze insecten of andere kleine diertjes. Waar mossen jaar na jaar op dezelfde plek groeien, vormt hun residu veen, dat kan worden afgegraven, gedroogd en als brandstof gebruikt.
Als we de individuele planten bestuderen, zien we een hele reeks vormen. De ene lijkt misschien op een miniatuurspar; een andere lijkt op een varen en een derde op een palmboom.
De mosplant heeft geen echte wortels, maar slechts kleine draadjes die in de grond zinken. Het is moeilijk te zeggen waar de plant eindigt en waar de grond begint. Hij heeft een stengel en een blad, maar lijkt dicht bij een buur te willen groeien, zodat er wederzijdse steun is.
De mossen hebben een soort bloem, maar die is onvolledig en er komen geen insecten op af om ze te bevruchten. De verspreiding van het stuifmeel wordt gedaan door de regen die het rondspettert.

Voor zover de mossen een stengel hebben, zijn ze een stap dichter bij compleetheid. Ze zijn als kinderen die kunnen staan, zij het wat wiebelig, en die nog steeds erg afhankelijk zijn van hun omgeving.

Varens en Paardenstaarten

Varens en adelaarsvarens vind je in bossen en heidevelden. Het meest opvallende aan de varen is het prachtige blad. Het is alsof de plant al zijn kracht daarin heeft geconcentreerd. Naarmate hij begint te groeien, ontvouwt hij zich en opent zich naar de zon, maar hij ontwikkelt geen bloem en heeft dus geen zaden of vruchten. In tropische landen is er de zogenaamde boomvaren, die eruitziet als een boom, maar waarvan de “stam” knobbelig is en eigenlijk bestaat uit het dikke onderste deel van de bladeren.
Bij de varens verschijnen kleine bruine vlekjes aan de achterkant van sommige bladeren. Dit zijn sporen en ze nemen de plaats in van zaden. De sporen zijn een soort miniatuurplantje en daaruit groeien de nieuwe plantjes.

De paardenstaart of equisetum is een naaste verwant van de varen. Hij groeit op vochtige plaatsen en heeft een zeer opvallende verschijning. Hij heeft geen echte bladeren, maar is spichtig en broos en heeft de vorm van een spar. Hij heeft een stevige stam die bestaat uit scheuten die in elkaar passen. Wat bladeren zouden moeten zijn, zijn kleine stekelige scheuten die in cirkels op regelmatige afstanden uit de hoofdstengel groeien. De sporen groeien op een aparte stengel die in het vroege voorjaar verschijnt.

De varen zou je kunnen vergelijken met het kind dat zich opent voor de wereld.

De bloeiende planten

Ten slotte zijn er de planten die compleet zijn. Dat wil zeggen: het zaad ontkiemt, stengel en bladeren groeien, een bloem verschijnt, en naarmate de bloem verwelkt, worden er zaden gevormd. Zo is er een complete cyclus.

Als we deze progressie van paddenstoel tot bloeiende plant bekijken, zien we dat er een toenemende verbinding met het licht is. Wat voor de plant licht is, is de geest voor de mens. Naarmate de lichtkrachten steeds dieper in de plant doordringen, wordt deze completer. Naarmate de geest steeds dieper het fysieke lichaam van de mens binnendringt (wat het groeiproces is), wordt hij vaardiger.

Wanneer de bloem opengaat, heeft de plant het licht werkelijk in zich opgenomen en getransformeerd. Als gevolg daarvan worden er vruchten voortgebracht.

Zo wordt in de groei van een kind het stadium bereikt waarin de geest zich zo met het lichaam heeft verenigd, dat de geest in staat is om te leren. Dat is de tijd waarin het kind naar school gaat. Dan begint hij dingen te leren die hem zullen transformeren en vanaf dat moment kan hij dat zijn hele leven blijven doen. Terwijl de plant echter door externe krachten wordt getransformeerd en zichzelf niet kan helpen, heeft de mens krachten in zich en kan hij daarom aan zichzelf werken. Hij kan zichzelf veranderen van het paddenstoelenstadium tot dat van de bloeiende plant.

Wat bedoelen we met “de vruchten van het aardse leven”?

Dit gedicht werd door Rudolf Steiner als dankbaarheid bij de maaltijd gegeven. Het vertelt ons over het rijpingsproces in zowel plant als mens.

In the darkness of earth the seed is awakened,
In the power of the air the leaf is quickened,
In the might of the sun the fruit is ripened.

In the shrine of the heart the soul is awakened,
In the light of the world the spirit is quickened,
In the glory of God man’s power is ripened.

Tafelspreuk

De planten kiemen in de nacht van de aarde,
de kruiden ontspruiten door de kracht van de lucht,
de vruchten rijpen door de macht van de zon.

Zo kiemt de ziel in de schrijn van het hart,
zo ontspruit geestesmacht in het licht van de wereld,
zo rijpt mensenkracht in de lichtglans van God.
GA 40/321
Vertaald

MENS EN PLANT VERGELEKEN

We hebben de stadia van de plantengroei vergeleken met een opgroeiend kind. We zullen nu de hele plant vergelijken met de hele mens.

Wat is de taak van de wortel? De wortel verspreidt zich in de aarde en verzamelt krachten om de rest van de plant te voeden. Welk deel van de mens doet dit? Waar bevinden zich de zintuiglijke organen waarmee de mens indrukken van de wereld verzamelt? Waar is de ingang voor zijn voedsel? Antwoord: het hoofd.

Stengel en bladeren groeien ritmisch. Door de bladeren ademt de plant. De mens heeft een hart-longsysteem.

De bloem is de plaats waar de grote transformaties plaatsvinden, waar het nieuwe zaad wordt gevormd. De spijsverterings- en voortplantingsorganen bevinden zich in de buikstreek van de mens.

In deze vergelijking is de plant dus als een mens op zijn kop.

BOMEN

Een boom op zichzelf is een magnifieke schepping. Een bos is majestueus. We hebben het over een boomkroon zoals we het over de kroon van een koning hebben. Er ontbreekt iets, ziet er vreemd uit, zelfs onheilspellends, aan een landschap zonder bomen. In IJsland, waar niet veel bomen staan, liet een beroemd man zijn huis zo ontwerpen dat hij altijd de ene boom kon zien die op zijn terrein groeide. Eén enkele boom aan de horizon is indrukwekkend. Bosjes, bossen, struikgewas, ze maken het landschap allemaal aantrekkelijker. Oude volkeren hadden heilige bosjes waar ze hun gebeden hielden.

De krachten van zon en licht roepen de planten uit de aarde. In de stam van de boom is het alsof de groeikrachten een stuk aarde hebben getransformeerd, waardoor het zowel stevig als levend tegelijk is geworden. De wortels van de boom houden hem stevig in de aarde, maar stam en takken reiken tot in de lucht. Op de takken, hoog in de lucht, vindt de levenscyclus plaats: blad, bloem, zaad, maar de eerste fase wordt gemist. Voor deze “planten” die op de takken groeien, hoeft geen zaad te ontkiemen en er verschijnen daarom in het voorjaar al snel bladeren en bloemen.

Bovenstaande vertegenwoordigt waarschijnlijk de grens van wat er in de eerste plantkundeperiode in klas 5 kan worden bereikt. Het volgende hoofdstuk (‘De vegetatie – de gebieden van de aarde’) [nog niet oproepbaar] kan indien nodig in de aardrijkskundeles worden ingepast. Wat volgt, kan worden beschouwd als extra’s, die waar mogelijk (nog) kunnen worden gegeven.

.

Plantkunde: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 5e klas: plantkunde
                                  6e klas: geometrische vormen in bloemen

.

3430-3228

.

.

 

VRIJESCHOOL – Grohmann – ‘over de eerste dier- en plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner (2/2)

.

Gerbert Grohmann:

‘OVER DE EERSTE DIER- EN
PLANTKUNDE IN DE PEDAGOGIE VAN RUDOLF STEINER’

deel 2: 

PLANT – AARDE – MENSENZIEL

Uitwerkingen van de 10e werkbespreking
In GA 295 [1]

Grohmann blz. 115

Deze werkbespreking heeft als inhoud een groots opgezette schets van hoe je het methodisch voor elkaar kan krijgen dat er in het kind een gevoel gewekt wordt dat de aarde geen doods wereldlichaam is, maar een organisme dat leeft, bezield is en doortrokken van geest.
Alle details van de werkbespreking staan in dienst van deze grote opdracht en moeten dientengevolge op waarde worden geschat.
Ook de indrukwekkende beelden van de bomen en de paddenstoelen, de samengesteldbloemigen enz., staan geenszins op zichzelf. Deze alleen maar te gebruiken als welkome voorbeelden, zou tekort doen aan de diepere betekenis die aan hen ten grondslag ligt en die hun pas hun ware belang geeft.

Rudolf Steiner heeft er dikwijls op gewezen en er vanuit de meest verschillende samenhangen over gesproken hoe belangrijk het is, dat de toekomstige generatie de aarde als organisme leert begrijpen, niet alleen maar vanuit een natuurwetenschappelijke basis, maar met name vanwege de wezenlijke relatie van de mens met zijn aardse bestaan. Een positieve levenshouding die helpt om de opgaven in het leven aan te kunnen, moet al op school als gevoelsbeleving aangelegd worden. Ook de opvatting over het leven van de plant en de zinvolle samenhang daarvan met het leven van het aarde-organisme, speelt daarbij een rol.
En opnieuw wordt de manier van het beschouwen van de plantenwereld door een menselijk doel bepaald. Tegelijkertijd echter – mag wel gezegd worden – wordt de plantenwereld ook bevrijd uit een doodskist waarin deze door de vele doodse beschouwingen is neergelegd.

Rudolf Steiner legde in het begin van de 10e werkbespreking uit (twee opmerkingen die we al eerder besproken hebben, kunnen we hier weglaten) dat, als het zomer wordt, ja met de lente al, de slaap zich over de aarde verspreidt, die steeds dieper wordt. In de herfst, wanneer de planten er niet meer zijn, houdt de slaap weer op. Verder legde Rudolf Steiner aan zijn uitleg een vergelijking van de slaap bij de mens en die van de aarde ten grondslag. Hij zei, dat wanneer de mens inslaapt, zijn gevoelens,

Blz. 116

zijn hartstochten enz. mee de slaap in gaan. Maar daarin zouden ze er als planten uitzien.
Dan volgen de voorbeelden die al op blz. 107 gegeven zijn, van de kokette dame en de saaie mens. Aan de kokette dame kan helderziend worden waargenomen hoe er tijdens haar slaap voortdurend narcissen haar neus verlaten; bij de saaie mens komen er reusachtige bladeren vanuit zijn hele lijf.

Wanneer de mens in slaap valt – zo schets Rudolf Steiner verder – houdt alles op wat zielenleven is, bij de plantenwereld daarentegen, die ’s zomers slaapt, begint het zielenleven met het inslapen (d.w.z. het zielenleven van de aarde wordt in de planten zichtbaar). De plantenwereld ’s zomers is niet, zoals een deelnemer denkt, het dromen van de aarde, maar de aarde slaapt ’s zomers. Dromen zou je kunnen zeggen over hoe de plantenwereld er in de lente en de herfst uitziet.

Het maarts viooltje bijv. zou je, als het groen is, nog met dromen kunnen vergelijken, maar niet wanneer het bloeit. Dan kun je de planten pas weer in de tijd wanneer de bladeren vallen, met dromen vergelijken.

In het verdere verloop van de werkbespreking ontwierp Rudolf Steiner voor een toehoorder het beeld van een bloesemboom. Hij gebruikte daarvoor weer de vorm van de directe rede tegen de kinderen. Rudolf Steiner zei:

‘Kijk eens goed naar een boterbloem, of een andere bloem die we uit kunnen graven. Onderaan zie je de wortels, dan de stengel, de bladeren, de bloemen en dan de meeldraden en de stamper, waaruit de vrucht wordt voortgebracht.’ Zo’n plant laat men de kinderen ook in het echt zien. Dan gaat men met de kinderen naar een boom: ‘Kijk eens, stel je die plant eens voor naast deze boom! Hoe ziet deze boom er dan uit? Ja, hij heeft onderaan ook wortels, zeker, maar dan is er geen stengel, maar een stam. Dan spreidt hij eerst nog zijn takken uit en dan lijkt het wel of op die takken pas de eigenlijke planten groeien. Want op die takken zitten veel blaadjes en bloemen. Er groeien als het ware kleine plantjes op die takken. We kunnen een weiland dan ook heel anders zien: over de hele wei groeien van die gele boterbloemen. De wei is bedekt met planten die allemaal hun wortels in de aarde hebben. Maar bij een boom is het alsof men de wei heeft opgepakt, omhooggetild en rond gebogen, zodat al die bloemen pas daar bovenop groeien. De stam is zelf een stuk aarde. De boom is hetzelfde als de wei, waarop de planten groeien.

Blz. 117

Hier hebben we dus het eerste beeld van deze werkbespreking! Rudolf Steiner maakt geen onderscheid tussen boomstam en groene stengel. Dit onderscheiden is niet alleen feitelijk nodig, maar speelt ook pedagogisch-methodisch een belangrijke rol, omdat later de begrippen ‘omhoog gegroeide aarde’, ‘uitwassen van de aarde’ voor boomstammen uitgewerkt moeten worden. Wanneer de aarde het voor elkaar krijgt zich omhoog te werken en levende, of half levende heuveltjes op te werpen, moet zij zelf levend zijn. Het hout van de boom is rotssteen op vegetatief niveau. Wanneer het bij zeer oude wilgen, linden of eiken vermolmt, wordt dat een soort aarde, ‘boomaarde’, precies zoals gesteente tot aarde kan verweren. De groene plantenstengel daarentegen, hoort niet bij het aardse. Die is een onderdeel van de eigenlijke plant die blaadjes, bloemen en vruchten draagt en alleen kan worden begrepen als resultaat van gestalte scheppende etherische kracht rondom de aarde.
Het weefsel van het cambium van de bomen dat het hout en de bast van de boom opbouwt, streeft naar een zo snel mogelijke verdichting, zelfs mineralisering, zonder daarvoor tijd te hebben gehad een echte plant te worden. Je zou het cambium het levende orgaan van de aarde kunnen noemen binnen de plant, waardoor de aarde haar recht laat gelden. Is dus de tendens als eigenschap van een boomstam duidelijk door het aardse bepaald, zo is aan de groene plant alles tegengesteld aan het aardse. Groeirichting, vorm en stofvorming worden alle door de kosmos bepaald. De boom heeft de stengelachtige gestalte van zijn takken en twijgen (vooral de jonge) en de zuilenvorm van de stam slechts a.h.w. van de stengel ‘geleend’, want de processen van hout- en bast(schors)vorming leunen aan tegen die van de stengel.
Wanneer we met de kinderen over de rol van de aarde bij de vorming van bomen spreken, zullen we waarschijnlijk de beschouwingen van hierboven niet nodig hebben, omdat kinderen beelden zoals deze onmiddellijk begrijpen. Voor de volwassene is het echter goed, ook de natuurwetenschappelijke grondslagen te doordenken.[2]   [zie Grohmann: leesboek voor de plantkunde – over de bomen]

Dan gaat Rudolf Steiner met het beeld verder. De boom wordt in een composiet zoals paardenbloem of kamille veranderd. ‘Te snel opgeschoten bomen’ worden de composieten later genoemd, bomen dus, waarbij niet eerst een stam wordt gevormd, ook geen kroon waardoor de aparte bloemen over de ruimte worden verdeeld, maar de vele kleine bloempjes blijven dicht opeen gedrongen in het korfje

Blz. 118

en vormen het bloemhoofdje, omdat alles zo snel moet gaan. Ten slotte worden boom, composiet en gewone planten simpelweg vergelijkend naast elkaar geplaatst. Rudolf Steiner schetst als volgt:

En dan gaan we van de boom naar de paardenbloem of de kamille. Die hebben ook wortels in de aarde; er is iets als een stengel en bladeren. Maar daar boven is de bloem samengesteld, daar staan allemaal kleine bloemetjes naast elkaar. Bij de paardenbloem is het immers zo dat die samengesteld is, hij heeft allemaal kleine bloemetjes, bloemetjes die helemaal volledig zijn en in de paardenbloem vastzitten. En nu hebben we dus: de boom, de samengesteldbloemigen en de gewone plant, de stengelplant. Bij een boom is het zo alsof de plantjes er pas bovenop groeien. Bij de samengesteldbloemigen zit de bloem op de gewone plaats; maar dat zijn geen bloemblaadjes, dat zijn talloze volledig ontwikkelde bloemen.

In het volgende stukje worden ook de paddenstoel en de varen erbij betrokken. Die zijn eveneens eenzijdigheden als plantengestalte. Maar dat is hier nu niet het meest wezenlijke, hoe verhelderend het ook mag zijn. De voorbeelden worden gegeven, omdat ze mogelijk maken met de kinderen de stap te zetten van het zintuiglijke naar het niet-zintuiglijke. De paddenstoel brengt alleen tot ontplooiing wat het bloei-achtige, vrucht-achtige aangaat, de varen bestaat alleen maar uit bladeren. De andere delen ‘mislukken’. Ze komen er niet, omdat de aarde die bij zich houdt. Dat betekent echter, dat ze a.h.w. in het levenslichaam van de aarde opgelost blijven. Ze zijn alleen in de krachten aanwezig, zoals later wordt gezegd. 

En nu stellen we ons het verhaal weer heel anders voor: dat de plant alles onder de aarde houdt. Ze wil wortels ontplooien, maar komt er niet toe. Ze wil bladeren ontvouwen, maar krijgt het niet voor elkaar. Alleen dat daar boven, dat wat anders in de bloem zit, ontvouwt zich: dan ontstaat er een paddenstoel. En als dan ook de wortels daaronder mislukken en er alleen maar bladeren ontstaan, dan ontstaan er varens. Dat zijn allemaal verschillende vormen, maar het zijn allemaal planten.’

In de volgende zin gaat Rudolf Steiner weer tot de directe rede over. We horen weliswaar niets nieuws,

Blz. 119

maar voelen toch hoe er volgens Rudolf Steiner met kinderen over wat al bekend is, gesproken moet worden. 

‘Ja, wat denk je nu eigenlijk, waarom is de paddenstoel eigenlijk een paddenstoel gebleven? Waarom is de boom een boom geworden? Laten we eens een paddenstoel met een boom vergelijken. Wat voor verschil is er? Is het niet zo, alsof de kracht van de aarde naar buiten is gedrongen, alsof haar innerlijk buiten zichtbaar is geworden in de boom en de hoogte in is gegaan, om daar pas bloemen en vruchten te ontwikkelen? En bij de paddenstoel heeft ze dat wat anders altijd op de aarde omhoog groeit in zichzelf vastgehouden, alleen het allerbovenste niet, dat zijn de paddenstoelen. Bij de paddenstoel is de boom onder de aarde, alleen de krachten ervan zijn aanwezig. De paddenstoel is, wat anders het buitenste van de boom is. Als er ergens heel veel paddenstoelen groeien, dan is het alsof daar onder een boom is, alleen, hij is in de aarde. Als we een boom zien, dan is het alsof de aarde zichzelf omhoog heeft geduwd, zich heeft uitgestulpt en haar innerlijk naar buiten brengt.’

Met de laatste zin is zogezegd het sleutelwoord gevallen. Aan de planten kun je het zien: er is iets in de aarde aanwezig wat onzichtbaar is, wat echter naar boven kan komen en daar een zichtbare gestalte aan kan nemen. De begrippen die we nodig hebben om de ziel van de aarde te begrijpen, zijn daarmee gevormd, zonder dat we ook maar een ogenblik de concrete basis hebben verlaten. 
Dan gaat Steiner verder:

Als de aarde dus paddenstoelen laat groeien, dan houdt ze de kracht van de groeiende boom in zich vast. Maar wanneer de aarde bomen laat groeien, dan brengt ze de groeikracht van de boom naar buiten.’

Daar heeft u iets wat als het zomer wordt zeker niet binnen in de aarde is, maar wat er uitkomt. En als het winter is, dan duikt het de aarde in. Als het zomer is, dan zendt de aarde door deze kracht van de boom haar eigen kracht in de bloemen, ze laat ze zich ontvouwen, en wanneer het winter is neemt ze die kracht weer in zich terug. Waar is eigenlijk de kracht die ’s zomers daar buiten in de bomen rondwaart — groot in de bomen en heel klein in een viooltje – in de winter? Die is ’s winters onder in de aarde. En wat doen dan de bomen, de samengesteldbloemigen en al die andere wanneer het hartje winter is? Dan ontvouwen ze zich helemaal onder de aarde, dan zijn ze binnen in de aarde, ze ontplooien het zielenleven van de aarde.

Stel je toch eens voor wat die aarde allemaal gewaarwordt, voelt! Want wat jullie de hele zomer allemaal kunnen zien, de bloemen, de bladeren, alles wat zo overvloedig groeit en bloeit, de boterbloemen, de rozen,

Blz. 120

de anjers: ’s winters is het onder de aarde, en dat wat daaronder de aarde is, voelt dan, is boos of blij!’

 Zo krijgt men geleidelijk een begrip van het leven dat zich ’s winters onder de aarde afspeelt. Dat is de waarheid! En het is goed als men dat de kinderen bijbrengt. Dat is niet iets wat de materialistische mensen zweverig zouden kunnen vinden

Verder zegt Rudolf Steiner dat je op deze manier het echte zielenleven krijgt dat zich in de planten weerspiegelt. Onder de aarde bevindt zich zoiets als een reusachtige boom. Alleen wat de aarde daarvan niet bij zich kan houden en wat op het aardoppervlak naar buiten komt, wordt door natuurkrachten van buiten tot die rudimenten van bladeren omgewerkt zoals we die zien in mossen, varens e.d. Wat deze planten echter onder de aarde ontplooien, blijft ethersubstantie. 
Dan is er weer sprake van de boom die op aarde de groeit: 

De boom is zelf een stukje aarde, de stam en de takken. Wat daar gebeurt, is dat datgene wat bij paddenstoelen en varens nog onder de grond is naar buiten wordt getild. Als een boom langzaam de aarde in zou zakken, zou dus alles aan hem veranderen: als men hem zou laten zakken, dan zouden zijn bladeren en bloemen veranderen in varens, mossen en paddenstoelen en voor hem zou het dan winter worden. Alleen, hij onttrekt zich aan het winter worden. Hij is datgene wat zich enigszins aan het winter worden onttrekt. Maar zou ik zo’n paddenstoel of zo’n varen bij de kraag kunnen grijpen en steeds verder de aarde uit trekken, dan zou ik een hele boom uit de grond trekken. Want dat wat daar beneden aan ethersubstantie bestaat zou dan met de lucht in aanraking komen. En wat paddenstoelen waren, dat zouden in de lucht bloesems worden en er uitzien als bomen. En de eenjarige planten staan hier midden tussen. De samengesteldbloemige is datgene, althans in één bepaalde vorm, wat dan ontstaat. Als ik een samengesteldbloemige terug zou sturen, dan zouden zich ook enkel afzonderlijke bloemen ontwikkelen. De samengesteldbloemige is iets wat men een te snel opgeschoten boom zou kunnen noemen.
 Zo kan er ook een wens leven in de aarde. De aarde heeft de behoefte om de wens te laten wegzinken in de slaap. Dat doet ze ’s zomers, en de wens stijgt omhoog als een plant. Boven wordt hij dan pas zichtbaar – als waterlelie. Onder in de aarde leeft deze als wens, boven wordt hij een plant.

De aarde slaapt in de zomer en is in de winter wakker, maar ze kan op verschillende plaatsen gelijktijdig slapen, dromen en wakker zijn, zoals ook op verschillende plaatsen naast elkaar zomer en winter, lente en herfst bestaan. Ze kunnen echter ook daar waar het dan zomer is, dus slaaptijd, op een paar plaatsen wakker zijn.

Blz. 121

Dat is bijv. het geval waar veel paddenstoelen groeien (niet de paddenstoel is wakker, maar de aarde).

Een lichte sluimer kunt u vergelijken met de gewone planten, een toestand van waken tijdens de slaap met de paddenstoelen – waar veel paddenstoelen zijn, daar is een plaats waar de aarde wakker is gedurende de zomer – en een heel intense, diepe slaap met de bomen. Daaraan kunt u aflezen dat de aarde niet net zo slaapt als een mens, maar dat de aarde op de ene plaats meer slaapt en op de andere meer wakker is, hier meer slaapt, daar meer wakker is. Zo is het ook bij de mens, die immers in het oog en in de andere zintuigorganen tegelijkertijd naast elkaar slaapt, waakt en droomt.
.

[2] Zie boeken van de schrijver
Die Pflanze
Heilpflanzen
Metamorphosen
Meer
Op deze blog:  leesboek plantkunde
leesboek voor de dierkunde

.
Zur ersten Tier-und Pflanzenkunde in der Pädagogik Rudolf Steiners
Menschenkunde und Erziehung Band 3
Verlag Freies Geistesleben Stuttgart, 1979
ISBN 3 7725 0203 2

Inhoudsopgave

Werkbespreking 9 Werkbespreking 11
Vragen
.

[1] GA 295  vertaald
Uitverkocht: een scan ervan via vspedagogie@gmail.com

Plantkundealle artikelen

Vrijeschool in beeldPlantkunde

.

2845-2669

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 5e klas – plantkunde – de berk

.

Wanneer het in de 5e klas over de berk gaat, zal het ongeveer zo gaan als in Grohmanns ‘leesboek voor de plantkunde‘.
Onderstaande inhoud is niet voor de 5e klas, maar geeft de leerkracht wel meer achtergrond over het wezen van deze boom.

.
Willem F. Daems, apotheker, Weledaberichten nr. 153, maart 1991
.

DE BERK EN HAAR GENEZENDE KRACHTEN

.
Enige opmerkingen vooraf over de berk. Wie kent niet de altijd jong uitziende, door licht twinkelende boom met zijn witglanzende bast? Wij hebben het natuurlijk over de berk. In het Germaanse volksgeloof gold zij als voorjaarsboom, de boom van het steeds weer terugkerende leven, als de “jonkvrouw” onder de bomen. Aan de zilverachtig spiegelende witte bast heeft de berk haar naam te danken, want de taalwetenschap toont een verbinding van het woord “berk” met het Indo-Germaanse wortelwoord bhereg, dat “glanzend” en “wit” betekent.

Niet minder opvallend is het fijne gebladerte: de driehoekig/ruitvormige bladeren worden slechts zeven centimeter lang en zijn hoogstens vier centimeter breed. De heel jonge blaadjes zijn nog iets harsachtig-kleverig met een bruinige waas. Op de bladeren komen wij nog terug.

Karakteristiek is de bloeiwijze, de zgn. katjes. De berk is eenhuizig, dat wil zeggen dat zij de “mannelijke” en de “vrouwelijke” bloesem aan dezelfde boom draagt. De bloei is echter tweeslachtig: er zijn hangende stuifmeelkatjes, de “mannelijke”, en recht opstaande stempelkatjes, de “vrouwelijke”. De wind zorgt voor de bestuiving. De kogelvormige vruchten laten heel kleine, gevleugelde zaadjes los. De verbreiding van de witte berk is duidelijk begrensd tot Noord-/ Midden Europa en Noord-/Midden Azië; van Schotland via Groenland en van Zuid-Frankrijk oostwaarts tot de Stille Oceaan en tot Kamchatka. Door deze nauwe geografische begrenzing wordt het begrijpelijk waarom de berk in de antieke botanische en medische literatuur zelden wordt genoemd.

De berk in de oude literatuur

Ook in de oude kruidenboeken is weinig te vinden over het medisch gebruik van berkpreparaten. Wij willen hier bij enige interessante stukken stilstaan. Een heel oud bewijs voor medicinaal gebruik vinden wij bij Hildegard von Bingen (1098-1179), die als abdis van een klooster bij Bingen een “natuurkunde” schreef. In het boek “Over de bomen” is ook de berk vertegenwoordigd met een eigen, kort hoofdstuk: ”De berk is meer warm dan koud en duidt op geluk. Indien aan het lichaam van de mens de huid rood wordt en er bulten verschijnen alsof daar een gezwel wil ontstaan, of dat er wormen willen doorbreken, dan neme men de knop, d.w.z. de loten van deze boom en warmt deze in de zon of bij het vuur. Daarna legt men ze warm op de pijnlijke plek. Daaromheen wordt een doek gebonden, hetgeen dikwijls gebeuren moet en het gezwel zal wijken.”
Anders is het bij Konrad von Megenberg (14e eeuw). Ook hij heeft een “Boek der natuur” geschreven waarin de berk wordt beschreven, maar de beschrijving is meer botanisch. Aan het eind geeft hij twee adviezen: ”Het meisap kan men aan kleine kinderen geven wanneer ze gapen” (slaperig zijn) en berkenhout moet men dragen “dat is goed tegen de kramp”.

Vanaf 1484 verschijnen dan de kruidenboeken van de zgn. kruidenvaders en ook het “Kreütter Buch” van Hieronymus Bock (Strassburg 1556). Eerst weidt hij uit over het suikerrijke sap, dat bij het boren uit de stam stroomt: het zou een goede dorstlesser zijn. Vervolgens wijst hij op de interessante gewoonte om de witte bast als materiaal te gebruiken waarop je kunt schrijven. Men heeft op deze bast “geschreven voor dat de minderwaardige behandeling van hout tot papier werd uitgevonden. In Chur in het Zwitserse land heb ik ettelijke malen gezien dat de verzen van Vergilius (70-19 v. Chr) op berkenbast waren geschreven.”
Er werd inderdaad tot in de 18e eeuw ook op berkenbast geschreven. In latere medische literatuur wordt tamelijk eenzijdig de nadruk gelegd op de toepassing van berkenbladthee als urinedrijvend middel bij jicht en reuma. Verpulverd blad met het voer vermengd zou zelfs het vee tegen ziekten beschermen.

De berk in de moderne plantentherapie

De therapieën met geneeskrachtige planten (fytotherapie) werden in Duitsland door een overheidscommissie van deskundigen in geneesmiddelenmonografieën vastgelegd.

Van de treurberk (Betula pendula) of de zachte berk (Betula pubescens) worden de verse en de gedroogde bladeren gebruikt. Het gesneden blad wordt met heet water overgoten en het aftreksel laat men 10 à 15 minuten trekken. Vervolgens wordt het gezeefd. Men kan er enkele koppen per dag van drinken. Officieel worden theeën van berkenbladeren gebruikt bij een ontgiftingstherapie bij de behandeling van ziekten van de urinewegen, bij niergruis en ter ondersteuning van een behandeling van reuma.

Voor de natuurwetenschappelijk-moderne fytologie wordt het nut van een geneeskrachtige plant geheel van bepaalde werkzame stoffen afhankelijk gemaakt. Zoals cafeïne bijvoorbeeld als belangrijke werkzame stof voor de werking van koffie wordt gezien, zo houdt men bij de berkenbladeren de zgn. flavonenpartikels, saponinen, looistoffen en etherische olie voor de werking verantwoordelijk.

Opvallend is het ontbreken van aanwijzingen voor het gebruik van preparaten uit de bast (Cortex Betulae), van de kool (Carbo Betulae) en van het sap (Succus Betulae).

Het wezen van de berk uit geesteswetenschappelijk oogpunt beschouwd

Vanzelfsprekend erkennen de artsen en apothekers die voor de productie van geneesmiddelen uit de antroposofische geneeskunst actief werkzaam zijn (bijvoorbeeld als medewerkers van de Weleda) de onderzoeksresultaten van de moderne fytologie. Deze zijn nl. juist en waardevol in de praktijk. Alleen de antroposofische farmaceuten zijn daar niet tevreden mee, omdat ”voor hen de som van nog zo veel werkzame stoffen niet de genezende kracht van een plant kan uitmaken”. De bovengenoemde werkzame stoffen komen ook in andere planten voor en toch zal niemand deze planten met de berk verwisselen. Wat is dan het wezenlijke achter de vorming van de stoffelijkheid in de berk?

Het wezen van een plant is met de natuurwetenschappelijke methode, die op meetmethoden berust, (stof, scheikunde, kwantitatieve bepalingen enz.) niet te begrijpen. Daarvoor is een geesteswetenschappelijke verruiming van de benadering noodzakelijk. Ook voor de plant en in het bijzonder voor de geneeskrachtige plant bieden de antroposofisch-geesteswetenschappelijke onderzoeksresultaten van Rudolf Steiner nieuwe wegen voor een benadering:

1. De normaal harmonisch geschapen plant is een driegeleed wezen: wortel/blad – loot/bloesem – vrucht.

2. In haar relatie tot de eveneens driegelede mens komen de wortelprocessen overeen met de activiteiten van de hersenen en de zintuigen (zenuw-zintuigstelsel), de tegengesteld gerichte bloeiprocessen komen overeen met de activiteiten van de menselijke stofwisseling (stofwisseling-ledematensysteem) en de evenwicht brengende processen van het blad komen overeen met het systeem van hart en longen van de mens (ritmische systeem) (zie Willem F. Daems: Mensch und Pflanze). Daarmee is de vraag wat een plant – bijvoorbeeld een berk – tot geneeskrachtige plant maakt nog niet beantwoord. De geesteswetenschappelijke beschouwing van de schepping en evolutie laat zien dat de mens een samenvatting is van de natuur en de natuur een oneindig verbreide mens. (zie: Willem F.Daems: Anthroposofie und ihre Heilmittel) De onderzoeker is in staat om de planten die in de tijd dat de organen van de mens werden gevormd, gelijktijdig in de natuur werden geschapen – te “schouwen”. Zo zijn bijvoorbeeld het vingerhoedskruid, de melisse en talrijke andere geneeskrachtige planten die op het hart inwerken tegelijkertijd met het hart van de mens ontstaan.
De “normale strijdsituatie” binnen de polariteit van zenuw-zintuigactiviteit en het stofwisselingsgebied is de basis voor onze individuele gezondheid. Onregelmatigheden en stoornissen, van welke aard dan ook, leiden hier tot ziekten. De planten die met deze ziekteverschijnselen van het menselijk organisme overeen komen worden door een afwijking, een vervorming of vertekening, zij het in de gestalte, zij het in de levensprocessen of tegelijkertijd in beide gebieden, tot geneeskrachtige planten. Een voorbeeld: een plant met extreme wortelvorming (t.o.v. de bladvorming of de bloesem) wordt tot wortelachtige geneeskrachtige plant, zoals de heggenrank (Bryonia) dat zo uitstekend laat zien. Deze plant werkt bij voorkeur in het gebied van het zenuw-zintuigsysteem. Nog een voorbeeld van het gelijktijdig optreden van twee “abnormale” fenomenen: de cactus, die men wel “koningin van de nacht” noemt, bloeit pas wanneer het donker wordt, in de zomer op de late avond – dat is dus een abnormaal verschijnsel van het bloeiproces – en dit geheel heeft geen normale bladeren, maar heeft nerven die door uiterste reductie zijn gevormd. Deze tweevoudige “vertekening” in het ritmische gebied maakt de plant tot geneeskrachtige plant voor het hart.

Laten wij nu deze manier van beschouwing ook bij de berk toepassen en daarbij de opmerkingen van Rudolf Steiner tegenover artsen volgen (GA 312 Geesteswetenschap en geneeskunde).
Normale kruiden leven in de stroom van twee hoofdprocessen: ten eerste in het vormingsproces van het eiwit als basis voor de levensprocessen en ten tweede in het vormingsproces van het zout als mineralisatieproces, o.a. vorming van het geraamte. Deze twee processen stromen hier van het begin af aan samen, zij doordringen elkaar al in het gebied van de wortels. Heel anders is dat bij de berk. Deze scheidt de twee fundamentele processen op een indrukwekkende manier. Wat zij uit de aarde opneemt aan minerale stoffen, vooral kaliumzouten, stoot zij weer af in de schors maar laat in zekere mate het vormingsproces van de eiwitten, die van de minerale stoffen zijn bevrijd, los in de bladeren. Dat is de reden waarom de bast hard en wit zichtbaar wordt; de bladeren daarentegen licht en bewegelijk, tenger en stralend. Zelfs de twijgen zijn flexibel. Zo concentreert de minerale stof zich in de bast en het eiwit zich in de bladeren.

In de tweede helft van zijn leven – ongeveer vanaf het 35e levensjaar- is de mens in toenemende mate onderworpen aan de afbraakprocessen als een normaal fysiologisch proces. Hier hoeven niet per se storende ouderdomsverschijnselen op te treden maar wel veel soorten ouderdomsprocessen die in de richting van afzettingsziekten gaan (arteriosclerose, jicht, reuma e.a.) Vaak is dan een gebrekkige of ontspoorde activiteit van de stofwisseling, onvoldoende ontslakking of een afname van de levenskracht de oorzaak. Hier is het vitaliserende vormingsproces van het eiwit in de berkenbladeren het voorbeeld in de natuur, waar de mens ten eigen nutte gebruik van kan maken. Vanzelfsprekend moet de artsenijgrondstof uit de natuur – in dit geval de berkenbladeren – tot een passend geneesmiddel voor de mens worden omgewerkt.

Rudolf Steiner wees erop dat vooral de jonge, nog iets kleverig aanvoelende bladeren het sterkste eiwitproces kennen. Dit werd kortgeleden in een laboratoriumanalyse bevestigd. Ook voor het extractieproces (intensief koken) volgt een exacte aanwijzing. Deze aanwijzingen die geheel overeenkomen met het wezen van de plantaardige substantie, leiden tot waardevolle preparaten: Weleda Berken Elixer wordt gemaakt uit berkenbladeren met rietsuiker en vers citroensap. Een suikerarm preparaat, Weleda Berken Elixer zonder toevoeging van suiker, staat ter beschikking van diabetici en een ieder die suiker wil vermijden. Sinds de oprichting van de Weleda (1921) is Berken Elixer een uitstekend dieetmiddel bij storende verhardingsprocessen. Wanneer het elimineren van slakken uit de stofwisseling problemen veroorzaakt, wanneer dus het evenwicht tussen opbouw- en afbraakprocessen is verstoord, dan is Weleda Berken Elixer uitstekend geschikt om het organisme dat met de stofwisselingsproducten is belast, te stimuleren tot uitscheiding. Deze stimulans komt o.a. in versterkte mate tot uitdrukking in de activiteit van de nieren (urine-afscheiding).

.

Berk

Plantkundealle artikelen

Rudolf Steiner over plantkunde 

5e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

.

2654-2485

.

.

.

VRIJESCHOOL – 5e klas – plantkunde – tarwe

.

TARWE

De boer werkt met de bodem, met planten en dieren (en mensen). Al deze factoren staan in een wisselwerking met elkaar. Ze vormen een groter geheel, een bedrijfsorganisme. De mens vormt de ruggengraat van dit organisme; hij maakt het tot een individuali­teit.

Kenmerkend voor organismen is, dat ze een ontwikkeling doormaken. Bij een individua­liteit kun je spreken van een biografie. Als boer schrijf je mee in de biografie van het be­drijf. Elk facet van het bedrijfsorganisme ver­telt in zijn of haar taal een deel van de bio­grafie van het bedrijf. Je kunt leren luisteren naar de taal van een bepaald gewas, van een grondsoort, een bemestingssoort, enzovoorts. De talen ervan kennen betekent dat je bewus­ter kunt meeschrijven aan de biografie van het geheel.

Wanneer je de taal van een gewas wilt leren, doe je dat door nauwkeurig waarnemen. Je kunt daarbij zo exact mogelijk kijken naar wat er met de plant gebeurt tijdens het groei­proces. Wanneer je daarbij ook let op de ei­gen gevoelens tijdens dat waarnemen, kun je een besef krijgen van het wezen van het ge­was. Dat besef noem ik: kwaliteitsgevoel. Zowel voor de boer als voor de medewerkers van het Bolkinstituut is een wezenlijke vraag: hoe ontwikkel je dat kwaliteitsgevoel?

Laten we eens gaan luisteren (kijken) naar de taal van tarwe.

De tarwekorrel wordt gezaaid in de donkere, lucht en water bevattende, kruimelige grond. Aanvankelijk groeien er drie worteltjes uit. Een witte spruit zoekt de weg omhoog. Zo­dra deze spruit vlak onder het grondopper­vlak het licht ontmoet, ontstaat een ‘knoop’ en worden nieuwe wortels gevormd, die uit­groeien tot het uiteindelijke wortelstelsel van de plant. Het tussenstuk, de zogenaamde halmheffer, ontstaat alleen als de korrel en­kele centimeters diep gezaaid is.

In het luchtelement groeit nu de spruit om­hoog, aanvankelijk nog binnen een grijs vlies, de schede. Maar al snel steekt ze er als een groene lancet boven uit. Er hangt nu een heel zacht groen waas over het veld.

Het eerste blad ontrolt als het ware in de ver­tikaal gerichte groeibeweging. Met het verder gaan van deze vertikale groei, ontrolt ‘van­zelf’ ook het tweede blad. (Bij wintertarwe die in oktober gezaaid is speelt zich dit af in november-december, voordat de winter echt zijn intrede doet. Zomertarwe wordt om­streeks maart gezaaid).

Een nieuw aspect komt naar voren, er ont­staan zijspruiten. De plant stoelt uit. Na eni­ge tijd is een (gras-)polletje gevormd. De grootte hiervan kan sterk variëren, afhanke­lijk van de groei-omstandigheden. De akker lijkt nu (mei) op een weelderig grasveld. Het groene blad bedekt de gehele bodem.

Na deze meer in een horizontaal vlak optre­dende groei, schieten één of meer stengels de hoogte in.

In juni zitten meerdere bladeren aan de stengel. De onderste beginnen al af te sterven. Onder het bovenste blad is een verdikking zichtbaar, waaruit de aar te voorschijn komt. Deze groeit voorbij het laatste blad (het vlag- blad). Uit de kafjes van de aar hangen op een gegeven ogenblik meeldraden: de tarwe bloeit.

Het groeiproces richt zich nu steeds meer op het bovenste gedeelte van de plant: het vlagblad, de hals en de aar. Onderin wordt het afsterven van de bladeren steeds duidelijker. Ook sterven kleine, niet aardragende sprui­ten af.

In juli wordt de korrel gevormd, waarbij de productie van suikers, als basis voor het zet­meel, grotendeels plaatsvindt in vlagblad, hals en aar. In de korrel bevindt zich eerst een waterige vloeistof (waterrijp), die steeds dikker en witter wordt (melkrijp). Dit ver- stevigingsproces gaat verder (deegrijp) tot de korrel hard wordt (hardrijp) en tenslotte niet of nauwelijks met de nagels te splijten is. Het afstervingsproces is nu doorgedrongen tot het bovenste deel van de plant. Ook vlagblad, hals en aar zijn (nagenoeg) geel geworden.

De plant bestaat nu uit enkele droge, gele, rechte stengels met aren. De bladeren zijn in­gedroogd, vergeeld hangen zij onopvallend langs de stengel. Als je in het gewas staat, is de grond tussen de planten weer goed te zien. Het bovenste laagje grond is nu ook vaak uit­gedroogd door de hoogstaande zomerzon. ‘Plotseling’ treedt er iets nieuws op: het sten­geldeel direkt onder de aar gaat buigen. De aar ‘knikt’ meer of minder. Dit is een meer horizontaal gerichte ontwikkeling, waarbij de plant weer een ‘driedimensionaal karak­ter’ krijgt, al blijft de vertikale tendens in de plant sterk overheersen.

Peter Brul, Jonas, 24 01-08-1980

.

Grohmann: over de granen

Plantkunde: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: plantkunde

VRIJESCHOOL  in beeld: 5e klas

.

1402-1313

.

.

VRIJESCHOOL – Is de vrijeschool een antroposofische school (3-1/4)

.

over plantkunde

IS DE VRIJESCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL?

Deze vraag stelt Luc Cielen, leerkracht met een zeer lange praktijkervaring waarvan een deel bij de Federatie van steinerscholen in België; het grootste deel op scholen die hij zelf oprichtte en waar hij de vrijeschoolpedagogie op zijn manier en met zijn gezichtspunten in de praktijk bracht.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. zijn praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site LUXIELEN in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

In zijn eerste artikel zegt hij:
‘Is de steinerschool een antroposofische school? In vele opzichten niet, maar de wetenschappelijke vakken zijn wel sterk getekend door de antroposofie. Er is werk aan de winkel om de steinerscholen hiervan te bevrijden. Ik probeer al vele jaren de steinerleerkrachten hiervan bewust te maken, maar dit dringt moeilijk door. Dat Steiner zelf meer dan eens gezegd heeft dat er geen antroposofie in de school mag komen, is een uitspraak van hem die blijkbaar niet gehoord wordt.’ 

Luc is in de reeks van inmiddels 11 artikelen tot de conclusie gekomen dat er ‘een te groot antroposofisch keurslijf’ is waaruit – volgens hem – de scholen zich moeten bevrijden.’

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft veel voorbeelden van wat in zijn optiek antroposofie in het vrijeschoolonderwijs is.

In Is de steinerschool een antroposofische school (1) gaat het over geschiedenis, dier- en plantkunde.

Luc:
‘In de vijfde klas raadde Steiner aan om plantkunde te geven. Inhoudelijk deelt hij de plantenwereld op in vergelijking met de ontwikkelingsfasen van de mens. Hij begint dan met de paddenstoelen (zwammen): zij zijn de baby’s in de plantenwereld. Zo bouwt hij de plantenwereld verder op tot de tweezaadlobbige planten die hij vergelijkt met de jonge mens die tot seksuele rijpheid is gekomen. Dat deze indeling niet helemaal overeenstemt met de wetenschappelijke indeling, schijnt niemand in de steinerscholen te hinderen.’

Beste Luc,
Je noemt de plantkunde hier ook als vak waarin (teveel) antroposofie zou zitten. Ik ga ervan uit dat ook voor dit vak geldt, wat je eerder schreef: dat er
‘een te groot antroposofisch keurslijf’ is waaruit de scholen zich moeten bevrijden.’
Ik kan er naast zitten, maar het lijkt erop dat je hier met ‘het antroposofisch keurslijf’ bedoelt: Inhoudelijk deelt hij de plantenwereld op in vergelijking met de ontwikkelingsfasen van de mens.

Verder schrijf je er niet meer over, d.w.z. in de reeks van de 11 artikelen.
Maar wanneer ik je andere informatie over plantkunde bekijk, zie ik bijv. hier, (onder 06) dat je deze indeling bij het geven van de plantkundeperiode kennelijk gewoon gebruikt.

06.
Planten en kinderen baby (-1 jaar)     schimmels, zwammen, paddestoelen
kruipertjes, beginnen te stappen        mos en korstmos
peuters                                                      zeewier en algen
kleuters                                                     varens en paardenstaarten
lagere schoolkind                                    naaktzadigen
5e en 6e klassers                                     eenzaadlobbigen
pubers                                                       tweezaadlobbigen

Bij Steiner:
De zielevreugde van een zuigeling:    paddestoelen, zwammen
Eerste zielevreugde van een kind,
verdriet en emoties:                              algen, mossen
Belevenissen bij het ontstaan van
het zelfbewustzijn:                                 varens
Belevenissen tot aan de schooltijd,
met vier, vijfjaar:                                   naaktzadigen, naaldbomen
Eerste belevenissen op school,
tussen het zevende en elfde jaar:       parallelnervige planten, een
zaadlobbigen,–                                                                              planten met enkelvoudig bloembekleedsel
Belevenissen van elfjarigen:               eenvoudige tweezaadlobbigen
Schoolbelevenissen tussen het
twaalfde en vijftiende jaar:                 netnervige planten, tweezaadlobbigen,                                                                                     planten die een groene kelk en gekleurde                                                                                 kroon hebben

Dat Steiners indeling er iets gedetailleerder uitziet, doet m.i. niet zoveel ter zake: het gaat in wezen niet om ‘de wetenschappelijke indeling’.
Evenals bij je opmerkingen over het dierkunde-onderwijs vind je het op de een of andere manier afkeurenswaardig dat de vrijeschoolleerkrachten zich niet laten hinderen door wat Steiner als indeling voorstelt die niet helemaal overeen zou komen met een wetenschappelijke indeling. 

Veel meer dan om een wetenschappelijke indeling gaat het m.i. om de verbinding kind-wereld, precies zoals bij het dierkunde-onderwijs. Als ‘een wetenschappelijke indeling’ het gevoel voor deze verbinding in de weg zou staan, kan ik alleen maar toejuichen dat de vrijeschoolleerkracht zich niet laat hinderen: het gaat allereerst om die verbinding; het gaat om de liefde, de eerbied, de verwondering voor de plantenwereld.
Juist door deze indeling ontstaat er een grote belangstelling voor ‘de plant’: het gaat over de kinderen zelf.
Wanneer je de verhalen van Grohmann als leidraad neemt, heb je een uitstekend pedagogisch middel in handen om de kinderen méér te geven dan een ‘wetenschappelijke indeling’.

Wat een plezier en betrokkenheid was er niet in mijn klas – telkens weer – als we fotootjes meenemen van ‘wij als baby’. En hoezeer bleek Steiners karakterisering die Grohmann zo mooi uitwerkte, te kloppen met de belevenissen van de kinderen – ook bij de behandeling van de andere planten.
Wat een leuke voorbeelden konden de kinderen geven vanuit hun prilste kindertijd waar het bijv. ging over het nabootsen en het plantje dat dat prachtige laat zien: het mos.
Hoe mooi is het niet, wanneer een kind zegt, nadat je een mossoort hebt geschetst (zoals Grohmann dat doet) ‘wat lief!’
Dan mag je hopen dat er in de kinderbeleving iets terecht is gekomen van een eerbiedsgevoel.
Wat voor antroposofie heb ik daarmee in de klas gebracht?
Ik heb wel iets wezenlijks dankzij die visie in de klas kunnen brengen!

Wat ik zelf altijd wél veel meer antroposofie heb gevonden, is de karakterisering die Steiner van bepaalde planten geeft om daarmee zielenkwaliteiten aan te duiden. De kokette anjer, de zonnebloem als boerenbloem, boerse bloem enz.
Nu is het toeschrijven van deze zieleneigenschappen niet nieuw en ook weer niet typisch antroposofisch, maar je begeeft je m.i. op glad ijs, als je op deze manier óók een band wil scheppen tussen het kind en de plant.
Ik heb in de vele artikelen die er toch inmiddels aan de plantkunde zijn gewijd, eigenlijk nooit iets aangetroffen aan voorbeelden van hoe een leerkracht hiermee is omgegaan.
Mij is maar 1 antroposofisch boek bekend, waarin dit onderwerp is belicht:
Kranich: Planzen als Bilder der Seelenwelt 

Opmerkelijk vind ik ook, dat Steiner behalve dan in GA 294 en 295, in geen enkele andere pedagogische voordracht die vergelijking plant-kind en de vergelijking plant-zieleneigenschap aan de orde stelt.
Wat hij daarin wel onderstreept, is het belang van: GA 301: ‘een relatie tot de ons omringende wereld krijgen; een levendig samenhoren van mens en wereld; de plant beschouwen als samenhorend bij de aarde, zoals de haren bij het menselijke hoofd; GA 303: het kind moet de planten leren zien in samenhang met de aarde; een gevoel voor causaliteit ontwikkelen aan de aan de aarde gebonden planten; GA 304: aarde en plantendek vormen een eenheid; geef je op deze manier plantkunde, dan sla je een brug naar de wereld, een brug die er moet zijn wil er een gevoel voor de wereld, liefde voor de wereld ontstaan.

Beste Luc,
Deze kleine opsomming is een wezenlijk deel van wat Steiner voor de plantkunde belangrijk vond. Als je zijn opvattingen ‘antroposofie’ wil noemen, wil jij deze uit het vrijeschoolonderwijs schrappen, want:

Je schrijft:
‘Het is dan ook een noodzaak dat alle elementen in een steinerschool die vanuit een antroposofische visie afkomstig zijn, eruit verwijderd worden.’

Ik hoop dat je kan inzien dat die visie die ik hierboven met enkele kernzinnen voor de plantkunde weergeef, voor mij – en met mij voor honderden vrijeschoolleerkrachten – een onderdeel vormt van waar de vrijeschool voor staat en waar die leerkrachten voor willen staan. Dat noem ik ook iets essentieels van de vrijeschool. Zoals jij het stelt, kan ik het niet anders zien, dan dat jij een vrijeschool wilt zonder dit essentiële. Maar dan heb je naar mijn opvatting dus geen vrijeschool meer.

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas plantkunde

.

Meer commentaren op Luc Cielens artikelenreeks:
‘Is de steinerschool een antroposofische school’:
.
[1-1] geschiedenis [1]
[1-2] geschiedenis [2]
[1-3] dierkunde
[2] de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3] de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer 
spreuken
[5] nog meer spreuken
[6] en nóg meer spreuken
[7] het schoollied
[8] atheïst of agnost: kun je dan vrijeschoolleerkracht zijn?
[9jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

.

vrijeschool en antroposofiealle artikelen


.

.

1324-1237

.

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde – de linde

.

Kim Lapré †, Son*, Forum 16-06-2015

.

Onder de lindeboom sloot ik jou in mijn armen.
Lotje leerde lopen in de lange lindelaan.
Vroeger leerde je deze zin en als klein kind vond je het moeilijk om niet over de woorden te struikelen. Later herinnerde ik mij de linde vooral omdat de boom bloeide op 7 juli als mijn grootvader jarig was. Door de klimaatverandering bloeit de linde nu in juni en wie geniet niet van de heerlijke geur?

Voor de Germanen was de boom verbonden met de godin van de liefde Freya. Huwelijken werden onder de linde gesloten.

Het is jammer genoeg geen boom om op de schrale zandgrond rond het Oud Meer* te planten, maar bevat de bodem wat klei en genoeg water dan doet de linde het goed.
Het is een boom die zowel groot als oud kan worden.

Er wordt gezegd dat Boxmeer de oudste boom van Nederland heeft, met een geschatte leeftijd van 400 tot 500 jaar. Ook wordt er gezegd dat de linde wel duizend jaar oud kan worden Maar het is meestal niet mogelijk om jaarringen te tellen, omdat oude bomen vaak hol zijn.

De boom kan goed gesnoeid worden en als leilinde wordt de boom graag geplant. Staatsbosbeheer heeft aan 260 van de 403 gemeenten een linde geschonken ter herdenking van de geboorte van prinses Amalia. Heeft Son ook een boom ontvangen? Ik ben benieuwd.

Lindehout is vrij zacht en het heeft een fijne nerf waardoor het hout zich goed leent voor houtsnijwerk. Er wordt ook wel geklaagd over de linde en wel door de autobezitters. Op het lindeblad leven graag bladluizen die genieten van het zoete witte bloed in het blad. Mieren gebruiken de bladluis als hun vee. De mier kietelt de bladluis met zijn voelsprieten en de bladluis scheidt een druppel suikerwater af. Heerlijk voor de mieren. In hele colonnes lopen de mieren af en aan om hun vee te verzorgen. Maar bladluizen zijn er onder gunstige omstandigheden in vele duizenden en het door hen gemaakte suikerwater druipt naar beneden op de geparkeerde auto’s. Nu is het ingewikkelde dat de mensen denken dat de grote kleverige vlekken schadelijk zijn voor de lak, maar dat is absoluut niet het geval. Het is vervelend, maar je wast met een beetje water de suikervlekken gemakkelijk van de auto. En iets anders is dat je zelfs deze suiker in je koffie kan doen. Het is niet vies, noch schadelijk Proef het maar want de lindes gaan nu bloeien en in het warme weer doen de bladluizen het goed. Een beetje meer water voor de boom is wel nodig want het is tot nu toe wel erg droog.

Napoleon bevorderde de aanplant van lindes. Daarom hebben veel oude dorpspleinen een linde. Wij mogen blij zijn dat de gemeente weer deze prachtige boom geplant heeft. Wat echter nu minder opvalt is dat de heerlijke geur van de linde insecten aantrekt uit de wijde omgeving. Van ver komen bijen en hommels aangevlogen om hun lindehoning te drinken.

Een bij kan wel 5 km ver vliegen en dat is voor zo’n klein beestje een enorm eind weg. Maar de bijen zie ik in mijn tuin al drie jaar niet meer. Vermoed wordt dat het uiterst giftige bestrijdingsmiddel Imidadoprid en de steentuinen een negatieve werking hebben op de bijen. Het Landbouwschap en het Ministerie kennen de gevaren van dit middel, maar de economische belangen wegen zwaarder.

Nog iets over de leeftijd van bomen. Als een boom 80 jaar of ouder is krijgt de boom de status “monumentaal”. Ik vond op de site die de monumentale bomen bijhoudt dat Son één monumentale boom bezit en wel een walnoot.
Ik hoop dat de leden van de gemeenteraad sympathie voelen voor mijn vorige artikel, waarin ik pleit om het productie-element uit onze bossen weg te halen, waardoor wij straks een bos krijgen met vele monumentale oude bomen.

De bijgevoegde foto toont een oude linde die niet alleen mooi is, maar ook ons alvast het vakantiegevoel geeft.

linde

 

Meer over de linde

Plantenillustraties

Plantkunde: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 5e klas plantkunde

.

897-828

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 311 – voordracht 3

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom): vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

Die Kunst des Erziehens aus der Erfassung des Menschenwesenheit

Inhoudsopgave 3e voordracht 14 augustus 1924:
Het kind na het 9e jaar. [1
Plantkunde. [2]
Dierkunde.  [3]
Humor. [4]
Over het vertellen van sprookjes en mythen. [5]   [7]
De opvoedkundige werking van deze onderwijsvakken. [6]
Causaal denken pas na het 12e jaar. [8]
Beeldende geschiedenis. [9]
Over straf. [10]
Zelfopvoeding. [11]

 

Blz. 43

3e voordracht, Torquay, 14 augustus 1924

Heute wollen wir noch einiges über das Allgemeinere der Erzie­hungskunst während der Lebensepoche zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife charakterisieren, um dann in der nächsten Stunde auf Spezielleres in der Behandlung einzelner Gegenstände und einzelner Lebenszustände eingehen zu können.
Wenn das Kind zwischen dem 9. und 10. Lebensjahr angekommen ist, dann kann es sich zunächst von seiner Umgebung unterscheiden. Der Unterschied zwischen Subjekt und Objekt – Subjekt = das Ei­gene, Objekt = das Andere – tritt eigentlich erst in diesem Zeitpunkt wirklich auf, und wir können dann beginnen, von Außendingen zu sprechen, während wir vorher diese Außendinge so behandeln müssen, als ob sie eigentlich eins wären mit dem Körper des Kindes. Wir sollen die Außendinge wie sprechende, handelnde Menschen behandeln, sagte ich gestern. Dadurch hat das Kind das Gefühl, daß die Außenwelt einfach eine Fortsetzung seines eigenen Wesens ist.

[1] Vandaag willen wij nog iets in algemenere zin van de opvoedkunst tussen de tandenwisseling en de puberteit karakteriseren om dan in het volgende uur even in te gaan op de meer specifieke aanpak van een aantal vakken en een paar levenssituaties.
Wanneer het kind tussen het 9e en 10e jaar in zit, kan het dus onderscheid maken tussen hemzelf en zijn omgeving. Het verschil tussen subject en object – subject = eigen, object = het andere – vertoont zich op dit tijdstip pas echt en dan kunnen wij beginnen over de zaken van de buitenwereld te spreken, terwijl we hiervoor de dingen van de buitenwereld zo moesten behandelen alsof ze één geheel vormen met het lichaam van het kind. We moeten de buitenwereld als sprekende, actieve mensen behandelen, zei ik gisteren. Daardoor heeft het kind simpelweg het gevoel dat de buitenwereld een verlengstuk van zijn eigen wezen is.

Nun handelt es sich darum, das Kind, wenn es das 9. oder 10. Jahr überschritten hat, in einige elementare Tatsachen, Wesenheiten der Außenwelt einzuführen, in die Tatsachen des Pflanzenreiches und des Tierreiches. Von anderen Gegenständen werden wir noch spre­chen. Aber gerade bei diesen Dingen müssen wir sehen, daß wir das Kind so einführen, wie es die Menschennatur verlangt.
Das erste, was wir dabei tun müssen, ist eigentlich das, daß wir alle Lehrbücher wegwerfen. Denn so, wie heute Lehrbücher beschaf­fen sind, enthalten sie nichts über das Pflanzen- und Tierreich, was man den Kindern eigentlich beibringen kann. Diese Lehrbücher von heute sind gut, um erwachsenen Menschen Kenntnisse von Pflanzen und Tieren beizubringen; aber wir verderben die Individualität des Kindes, wenn wir diese Lehrbücher in der Schule benützen. Und man kann schon sagen: Lehrbücher, Handbücher, welche Anleitung dazu geben, wie man in der Schule vorzugehen hat, sind eben heute nicht vorhanden. Es handelt sich nämlich um folgendes:

Nu gaat het erom het kind, wanneer het 9 of 10 jaar geworden is in een paar elementaire feiten, werkelijkheden in de buitenwereld binnen te leiden; in de feiten van het plantenrijk en van het dierenrijk. Over andere onderwerpen zullen we nog spreken. Maar juist bij deze dingen moeten we proberen het kind er zo mee in contact te brengen als de menselijke natuur vraagt.
Het eerste wat we daarbij moeten doen, is eigenlijk de leerboeken weggooien.
[2] Want zoals tegenwoordig de leerboeken in elkaar zitten, bevatten ze niets over het planten- en dierenrijk wat je de kinderen bijbrengen kan. Die leerboeken van tegenwoordig zijn goed om volwassenen kennis van planten en dieren bij te brengen; maar we bederven de individualiteit van het kind, wanneer wij deze leerboeken op school gebruiken. En je kan wel zeggen: leerboeken, handboeken die een leidraad zijn voor hoe je op school werken moet, zijn nu niet voorhanden. Het gaat om het volgende:

Wenn man dem Kinde einzelne Pflanzen vorlegt, und an einzelnen Pflanzen dies oder jenes behandeln läßt, so hat man ja zunächst etwas getan, was keiner Wirklichkeit entspricht. Eine Pflanze für sich hat keine Wirklichkeit. Wenn Sie sich ein Haar ausreißen und dieses Haar betrachten, als ob es eine Sache für sich wäre, so hat das keine Wirklichkeit. Im trivialen Leben sagt man zu allem, was man mit Augen irgendwie begrenzt vor sich sieht, es habe eine Wirklichkeit. Aber es ist doch etwas anderes, ob man einen Stein, den man beur­teilt, vor sich sieht, oder ob man ein Haar oder eine Rose vor sich sieht. Der Stein wird nach zehn Jahren noch gerade dasselbe sein, was er heute ist, die Rose nach zwei Tagen nicht mehr; sie ist nur eine Realität am ganzen Rosenstock daran. Das Haar hat gar keine Realität für sich, es ist nur eine Realität mit dem ganzen Kopf, am ganzen Menschen. Und wenn man nun hinausgeht auf die Felder und Pflanzen ausreißt, dann ist es so, wie wenn man der Erde die Haare ausgerissen hätte.

Wanneer je de kinderen losse planten voorschotelt en aan losse planten dit of dat gaat behandelen, heb je iets gedaan wat niet in overeenstemming is met de realiteit. Een plant op zich is geen werkelijkheid. Wanneer je bij jezelf een haar uittrekt en je kijkt daarnaar, alsof het iets is wat op zich staat, is dat geen realiteit. In het leven van alledag zeggen we van alles wat we met onze ogen op de een of andere manier begrensd voor ons zien, dat het reëel is. Maar het is toch wat anders of je een steen die je voor je hebt beoordeelt, of dat je een haar of een roos voor je hebt. De steen zal na tien jaar nog precies het zelfde zijn zoals nu, de roos na twee dagen niet meer; die is alleen realiteit aan de hele rozenstruik. De haar is geen werkelijkheid op zich, die is alleen maar realiteit met het hele hoofd, aan de hele mens. En wanneer je nu naar het veld gaat en planten uittrekt, dan is het zo alsof je de aarde de haren hebt uitgetrokken.

Denn die Pflanzen gehören zur Erde ganz genau so, wie die Haare zum Organismus des Menschen gehören. Ein Haar für sich zu betrachten, wie wenn es irgendwo für sich ent­stehen würde, ist ja ein Unsinn. Ebenso ist es ein Unsinn, eine grüne Botanisiertrommel zu nehmen, Pflanzen nach Hause zu tragen und jede Pflanze für sich zu betrachten. Das entspricht nicht der Realität, und auf diese Weise ist es nicht möglich, daß man richtige Natur- und Men­schenerkenntnis erwirbt.Wenn Sie hier eine Pflanze haben (siehe Zeichnung I), so ist das allein nicht die Pflanze, sondern zu der Pflanze gehört noch dasjenige, was da als Boden darunter ist, unbegrenzt weit,    vielleicht    sehr    weit. Es gibt Pflanzen, die lassen noch Würzelchen in sehr großer Weite ausstrah­len. Daß dieses Stück Erde, in dem die Pflanze drinnen ist, in weitem

Want planten behoren bij de aarde net zo als haren bij het organisme van de mens horen. Een haar op zich beschouwen alsof die ergens voor zichzelf zou ontstaan, is onzin.
Net zo’n onzin is het om een groene botaniseertrommel te pakken, planten mee naar huis te nemen en iedere plant op zich te bekijken. Dat is niet in overeenstemming met de werkelijkheid en op deze manier is het niet mogelijk dat je goede natuur- en menskunde krijgt.
Wanneer je hier een plant hebt: (tekening 1):

GA 311 blz. 44

dan is dat niet alleen de plant, maar bij de plant hoort ook nog wat er onder zit als bodem, onbegrensd ver, misschien heel ver. Er zijn planten die laten hun worteltjes nog over een grote wijdte uitstralen. Dat dit stuk aarde waarin de plant staat, in de verre

Umkreise dazu gehört, das kann Sie die Tatsache lehren, daß man Dünger in die Erde hineingeben muß, wenn man von gewissen Pflan­zen will, daß sie richtig wachsen. Es lebt nicht bloß das Stück Pflanze, es lebt auch dasjenige, was hier ist (siehe Zeichnung I), es lebt mit, gehört zur Pflanze dazu; die Erde lebt mit.
#Bild s. 45
Es gibt Pflanzen, die blühen im Frühling, sprossen auf gegen Mai, Juni und tragen ihre Früchte im Herbst. Dann verwelken sie, ster­ben ab. Sie stecken drinnen in der Erde, aber die gehört zu ihnen dazu. – Es gibt aber auch Pflanzen, die nehmen die Kräfte der Erde aus der Umgebung. Das wäre die Erde (siehe Zeichnung II); jetzt nimmt die Wurzel die Kräfte, die in der Umgebung sind, in sich auf. Weil sie jetzt die Kräfte in sich aufgenommen hat, kommen die Kräfte der Erde da herauf, es wird ein Baum daraus.
Was ist denn ein Baum? Ein Baum ist eine Kolonie von vielen Pflanzen.Ob Sie da einen Hügel haben, der nur weniger lebt, und auf dem viele Pflanzen darauf sind, oder ob Sie den Stamm eines Baumes haben, wo in einem viel lebendigeren Zustand die Erde sich hineingezogen hat, das ist einerlei. Sie können gar nicht sachlich eine Pflanze für sich betrachten.
Fahren Sie über eine Gegend, oder noch besser, gehen Sie in einer

omgeving erbij hoort, dat leert je het feit dat je de aarde moet bemesten, wanneer je van bepaalde planten verlangt dat ze goed groeien. Niet alleen maar dat stukje plant leeft, maar ook wat hier is: (tekening 2)

GA 311 blz. 45

leeft mee, behoort tot de plant; de aarde leeft mee.
Er zijn planten die bloeien in de lente, ze lopen uit tegen mei, juni en dragen hun vruchten in de herfst. Dan verwelken ze, ze sterven af. Ze staan in de aarde, maar die behoort bij hen. – Er zijn ook planten, die nemen de krachten van de aarde uit de omgeving. Dat is dan de aarde (zie tekening vlak hierboven); nu neemt de wortel de krachten die in de omgeving zijn in zich op. Omdat ze nu de krachten in zich opgenomen hebben, komen de krachten vanuit de aarde naar boven, het wordt een boom.
Maar wat is een boom? Een boom is een groep van veel planten. Of je nu een heuveltje hebt dat wat minder leeft en waarop veel planten staan, of je hebt de stam van een boom, waarin, in een veel levendigere toestand, de aarde naar binnen is getrokken, dat maakt niet uit. Objectief gezien kun je een plant niet op zich beschouwen.
Rijd eens door een omgeving, of beter nog,

Gegend, in der bestimmte geologische Formationen sind, zum Bei­spiel rot liegender Sand und schauen sich die Pflanzen an: es sind zumeist Pflanzen darauf mit gelb-rötlichen Blüten. Es gehören die Blüten zum Boden dazu. Boden und Pflanze ist eine Einheit, wie Ihre Kopfhaut und Ihre Haare.
Daher dürfen Sie mit dem Kind nicht einerseits Geographie und Geologie, andrerseits Botanik betrachten. Das ist ein Unsinn. Son­dern Geographie, Beschreibung des Landes und Betrachtung der PfJanzen muß immer eines sein; denn die Erde ist ein Organismus, und die Pflanzen sind so wie Haare an diesem Organismus. Und das Kind muß die Vorstellung bekommen können, daß die Erde und die Pflanzen zusammengehören, daß jedes Stück Erde diejenigen Pflan­zen trägt, die zu diesem Stück Erde gehören.

in een omgeving met bepaalde geologische formaties, bv. rood zand en kijk dan eens naar de planten: daarop groeien meestal planten met geel-roodachtige bloemen. De bloemen behoren bij de bodem. Bodem en planten vormen een eenheid, zoals de huid van uw hoofd met uw haar.
Daarom mag je met het kind niet aan de ene kant aardrijkskunde, mineralogie doen, en aan de andere kant plantkunde. Dat is onzin. Maar aardrijkskunde, beschrijving van het land, en in ogenschouw nemen van de planten, moet altijd samengaan; want de aarde is een organisme en de planten zijn dus de haren van dit organisme. En het kind moet er een voorstelling van kunnen krijgen, dat aarde en planten bij elkaar horen, dat op ieder stukje aarde die planten groeien die bij dit stukje horen.

Es ist also richtig, daß Sie die Pflanzenkunde nur im Zusammen-hange mit der Erde betrachten und dem Kinde eine deutliche Emp­findung davon hervorrufen, daß die Erde ein lebendiges Wesen ist, das Haare hat. Die Haare sind die Pflanzen. – Sehen Sie, man sagt von der Erde, daß sie eine Schwerkraft habe, Gravitation. Die rech­net man zu der Erde dazu. Aber die Pflanzen gehören mit ihrer Wachstumskraft ebenso zu der Erde hinzu. Es gibt gar nicht eine Erde für sich und Pflanzen für sich, gerade so wenig, wie es in der Realität Haare für sich und Menschen für sich gibt. Das gehört zu­sammen.
Und wenn Sie das dem Kinde beibringen, was Sie aus der Botani­siertrommel herausnehmen und es benennen lassen, so bringen Sie ihm eine Unwirklichkeit bei.

Het is dus goed als je plantkunde alleen doet in samenhang met de aarde en het kind een duidelijk gevoel geeft dat de aarde een levend wezen is dat haren heeft. De haren zijn de planten. – Kijk, van de aarde wordt gezegd dat ze zwaartekracht heeft, gravitatie. Die rekent men tot de aarde. Maar de planten behoren met hun groeikracht eveneens tot de aarde. Er bestaat zeer zeker geen aarde op zich en planten op zich, net zo min als er in werkelijkheid haren op zich zijn en mensen op zich. Het hoort samen.
En wanneer je het kind bijbrengt, wat je uit de botaniseertrommel haalt en  laat benoemen, dan breng je het kind iets onwerkelijks bij.

Das hat Folgen für das Leben; denn das Kind wird niemals von der Pflanzenkunde aus, die Sie ihm so beibringen, ein Verständnis dafür gewinnen, wie man zum Beispiel den Acker behandeln muß, wie man ihn lebendig machen muß mit dem Dünger. Ein Verständnis dafür, wie man den Acker behandeln soll, bekommt das Kind nur, wenn es weiß, wie der Acker mit der Pflanze zusammenhängt. Weil die Menschen in unserer Zeit mehr und mehr keinen Sinn für Realität mehr haben – ich habe Ihnen in der ersten Stunde gesagt, die Praktiker haben ihn am wenigsten, sie sind alle Theoretiker heute -, weil die Menschen von der Realität

Dat heeft gevolgen voor het leven; want het kind krijgt door de plantkunde die je het op die manier bijbrengt nooit een begrip voor hoe je een akker behandelen moet, hoe je die levend moet maken met mest. Een begrip voor hoe je een akker behandelen moet krijgt het kind alleen, wanneer het weet hoe akker en plant samenhangen. Omdat de mensen in onze tijd steeds meer geen realiteitszin hebben – ik heb u dat in het eerste uur gezegd, de practici hebben deze nog het minst, die zijn tegenwoordig allemaal theoretici – , omdat de mensen geen notie meer hebben

keine Spur mehr hahen, deshalb betrachten sie alles für sich, alles ge­sondert.
Und so ist es gekommen, daß in vielen, vielen Gegenden seit fünfzig, sechzig Jahren alle Feldprodukte dekadent geworden sind. Es hat neulich in Mitteleuropa einen landwirtschaftlichen Kongreß gegeben. Da haben die Landwirtschafter selbst gestanden: die Früchte werden so schlecht, daß man gar nicht hoffen kann, daß in fünfzig Jahren die Früchte noch genießbar sind für die Menschen.
Warum? Weil die Leute nicht verstehen, den Boden mit dem Dänger lebendig zu machen

van de werkelijkheid, daarom bekijken ze alles los van elkaar, alles afzonderlijk.
En zo is het gekomen dat in vele, vele streken sinds vijftig, zestig jaar alle veldproducten in kwaliteit achteruitgegaan zijn.
Onlangs was er in Midden-Europa een landbouwcongres. Daar moesten de landbouwers zelfs toegeven: de vruchten worden zo slecht, dat er geen hoop meer is dat over vijftig, zestig jaar de vruchten voor de mens nog lekker zijn.
Waarom? Omdat de mensen niet begrijpen hoe ze de bodem met mest levend kunnen maken.

Aber die Menschen können das nicht verstehen, wenn man ihnen solche Begriffe beibringt wie: die Pflan­zen seien etwas für sich. Gerade so wenig, wie ein Haar etwas für sich ist, ist die Pflanze etwas für sich. Wenn das Haar etwas für sich wäre, gut, dann wäre es ja einerlei, dann könnte man es, damit es wächst, in ein Stück Wachs oder Talg hineinstecken! Aber es wächst eben in der Kopfhaut.
Will man erkennen, wie die Erde mit der Pflanze zusammenge-hört, dann muß man wissen, in welche Art von Erde eine Pflanze hineingehört. Und wie man diese Erde noch düngen muß, das kann man nur dadurch wirklich erkennen, daß man Erde und Pflanzenwelt als eine Einheit betrachtet, daß man wirklich die Erde wie einen Or­ganismus anschaut und die Pflanze als etwas, was innerhalb dieses Organismus wächst.

Maar de mensen kunnen het niet begrijpen, wanneer men ze het begrip bijbrengt: planten zijn iets voor zich. Maar net zo min als een haar iets op zich is, is de plant iets op zich. Wanneer haren iets op zich zouden zijn, dan was het om het even, dan zou je ze, om ze te laten groeien, ook in een stuk was of talg kunnen steken. Maar ze groeien nu eenmaal op je hoofd.
Wil je weten hoe aarde en plant samenhoren, moet je weten in wat voor soort grond een plant thuishoort. En hoe je die grond moet bemesten kun je alleen echt te weten komen wanner je aarde en plantenwereld als een eenheid beschouwt; dat je de aarde werkelijk als een organisme beschouwt en de plant als iets wat in dit organisme groeit.

Dadurch aber bekommt das Kind von vornherein das Gefühl, auf einem lebendigen Boden zu stehen. Dies hat für das Leben eine große Bedeutung. Denn bedenken Sie nur, wie man sich heute vorstellt, daß die geologischen Schichten entstehen. Man stellt sich vor: das hat sich so übereinandergelagert. Aber alles das, was Sie als geo­logische Schichten sehen, sind ja nur verhärtete Pflanzen, verhärtetes Lebendiges. Nicht nur die Steinkohlen waren früher Pflanzen, die mehr im Wasser als in der festen Erde wurzelten, und dazugehörten zur Erde, sondern auch Granit, Gneis und so weiter sind von pflanz­licher und tierischer Natur her.
Auch dafür bekommt man nur Verständnis, wenn man Erde und Pflanzen als Ganzes zusammen betrachtet. Es handelt sich ja bei diesen

Daardoor krijgt het kind van het begin af het gevoel op een levende aardbodem te staan. Dit is voor het leven van grote betekenis. Want denk je eens in hoe men zich tegenwoordig voorstelt dat de aardlagen ontstaan. Men stelt zich voor dat deze laag voor laag over elkaar zijn komen te liggen. Maar alles wat je aan geologische lagen ziet, is slechts versteend plantenmateriaal, leven dat versteend is. Niet alleen de steenkolen waren vroeger planten die meer in het water dan in de vaste aarde wortelden, ook graniet, gneis enz. zijn van plantaardige en dierlijke oorsprong.
Ook daarvoor krijg je begrip, wanneer je aarde en plant als geheel beschouwt. Het gaat er bij

Dingen nicht bloß darum, daß das Kind Kenntnisse erhält, son­dern darum, daß es die richtigen Empfindungen erhält. Das sieht man aber erst wiederum ein, wenn man eine solche Sache geistes-wissenschaftlich betrachtet.
Denken Sie nur einmal, Sie sind von dem besten Willen beseelt, Sie sagen sich: das Kind muß alles anschaulich lernen, also muß es auch die Pflanze anschaulich lernen. Ich halte es früh an, schön in einer schönen Botanisiertrommel Pflanzen hereinzubringen. Ich zeige ihm alles, denn es ist die Realität. Ich glaube nämlich, es ist die Realität, es ist ja Anschauungsunterricht.

deze dingen niet alleen om dat het kind kennis opdoet, maar dat het de goede gevoelens krijgt. Dat zie je pas weer in, wanneer je zoiets geesteswetenschappelijk bekijkt.
Denk je eens in, je bent met de beste wil bezield en je zegt: het kind moet alles aanschouwelijk leren, dus moet het ook de plant aanschouwelijk leren. Ik wen hem er al vroeg aan in een botaniseertrommel fijn planten te verzamelen. Ik laat hem alles zien, want dat is de realiteit. Ik geloof namelijk dat aanschouwelijkheid in het onderwijs dé realiteit is. –

Nur – man schaut eben dasjenige an, was keine Wirklichkeit ist. Mit diesem Anschauungs­unterricht treibt nian den ärgsten Unfug in der Gegenwart!
Da lernt das Kind die Pflanze so kennen, als ob es gleichgültig wäre, ob ein Haar in Wachs oder in einer Menschenhaut wächst. In Wachs wächst es ja nicht. Wenn ein Kind solche Begriffe aufnimmt, dann widersprechen sie ganz dem, was das Kind aufgenommen hat, bevor es aus der geistigen Welt heruntergestiegen ist auf die Erde. Denn da hat die Erde ganz anders ausgeschaut. Da trat dem Kinde, das heißt der Seele des Kindes lebendig diese Zusammengehörigkeit des mineralischen Erdreiches und des Pflanzlichen, das herauswächst, entgegen. Warum? Weil das Kind etwas, was noch nicht mineralisch ist, sondern erst auf dem Wege ist, mineralisch zu werden, das Ätherische aufnehmen muß, damit es sich überhaupt verkörpern kann.

Maar – dan kijk je naar wat geen werkelijk is. Met dit aanschouwelijkheidsonderwijs bedrijf je de ergste flauwekul die er tegenwoordig bestaat. Dan leert het kind de plant zo kennen als of het om het even is of een haar in was of op de huid van een mens groeit. In was groeit die niet. Wanneer een kind zulke begrippen opneemt, dan is dat helemaal in tegenspraak met wat het kind opgenomen heeft vóór het uit de geestelijke wereld naar de aarde kwam. Want daar heeft de aarde er heel anders uitgezien. Daar kwam het kind, d.w.z. de ziel van het kind op een levendige manier tegen, dat het minerale aardrijk en de planten, die erop groeien bij elkaar horen Waarom? Omdat het kind iets, wat nog niet mineraal is, maar pas op weg mineraal te worden, het etherische, op moet nemen wil het kunnen incarneren.

Es muß sich in das Pflanzliche hineinwachsen. Und das Pflanz­liche erscheint mit der Erde verwandt.
Diese ganze Empfindungsreihe, die das Kind erlebt, wenn es her­untersteigt aus der vorirdischen Welt in die irdische, diese ganze reiche Welt wird ihm konfus gemacht, chaotisch gemacht, wenn man es so anleitet, Pflanzenkunde zu lernen, wie man es gewöhnlich tut; während das Kind innerlich aufjauchzt, wenn es die Pflanzenwelt im Zusammenhang mit der Erde kennenlernt.

In einer ähnlichen Weise muß betrachtet werden, wie man das Kind in die tierische Welt einführt. Beim Tiere wird es ja schon der tri­vialen Betrachtung auffallen: es gehört nicht zur Erde. Es läuft über

Dit plantachtige moet van hem worden. En dit plantachtige is verwant met de aarde.
Heel deze gewaarwordingsreeks die het kind beleeft wanneer het uit de voorgeboortelijke wereld naar de aarde komt, deze hele rijke wereld, wordt in de war gebracht, chaotisch gemaakt, wanneer je het zo inricht plantkunde aan te leren, zoals men dat gewoonlijk doet; terwijl het kind innerlijk juicht, wanneer het de plantenwereld in samenhang met de aarde leert kennen.

[3] Op een zelfde manier moeten we kijken hoe je het kind de wereld van de dieren leert kennen. Bij het dier valt bij een alledaagse waarneming al op: dat hoort niet bij de aarde. Het loopt over

die Erde dahin. Es kann an diesem Orte, an jenem Orte sein. Man hat es also mit ganz anderen Verhältnissen der Erde zu tun, als bei der Pflanze. Aber beim Tiere kann einem etwas anderes auffallen.
Wenn wir die verschiedenen Tiere, die auf der Erde leben, zu­nächst ihren seelischen Eigenschaften nach betrachten, finden wir grausame Raubtiere, wir finden sanfte Lämmer und auch tapfere Tiere. Zum Beispiel unter den Vögeln sind manche ganz tapfere Streiter; auch unter den Säugetieren haben wir tapfere Tiere. Dann finden wir majestätische Tiere, wie die Löwen. Wir finden die man­nigfaltigsten seelischen Eigenschaften. Und wir sagen uns bei jeder einzelnen Tierart, diese Tierart sei dadurch charakterisiert, daß sie diese oder jene Eigenschaft hat. Wir nennen den Tiger grausam, und die Grausamkeit ist seine beträchtlichste, bedeutendste Eigenschaft. Wir nennen das Schaf geduldig. Geduld ist seine beträchtlichste Eigenschaft.

de aarde heen. Het kan op die plaats zijn, maar ook op een andere. Men heeft met heel andere verhoudingen te maken dan bij de plant. Maar bij het dier kan iets anders in het oog springen. Wanneer wij de verschillende dieren waarnemen wat hun zieleneigenschappen betreft, vinden we wrede roofdieren, we vinden onschuldige lammeren en ook dappere dieren. Onder de vogels bv. bevinden zich veel dappere strijders; ook onder de zoogdieren vinden we dappere dieren. Ook vinden we majestueuze dieren, zoals de leeuw. We vinden de meest verschillende zieleneigenschappen. En bij iedere diersoort zeggen we: die wordt gekarakteriseerd naar deze of gene eigenschap. We noemen de tijger wreed en die wreedheid is de meest belangrijke eigenschap. We noemen het schaap geduldig. Geduld is zijn belangrijkste eigenschap.

Wir nennen den Esel träge, weil er, wenn er auch nicht in Wirklichkeit so furchtbar träge ist, ein gewisses Gebaren hat, das stark an die Trägheit erinnert. Namentlich ist der Esel träge im Verändern seiner Lebeuslage. Wenn er es gerade in seiner Laune hat, langsam zu gehen, kann man ihn nicht dazu bringen, daß er schnell geht. Und so hat jedes Tier seine besonderen Eigenschaften.
Beim Menschen aber können wir nicht so denken. Wir können nicht denken, daß der eine Mensch zahm, geduldig, der andere grau­sam, der dritte tapfer ist. Wir würden es einseitig finden, wenn die Menschen so über die Erde verteilt wären. Sie haben schon auch in gewissem Sinne solche Eigenschaften in Einseitigkeit ausgebildet, aber doch nicht in solchem Maße wie die Tiere.

We noemen de ezel traag, omdat deze, ook al is hij in werkelijkheid niet zo traag, een bepaald gebaar maakt, dat sterk aan traagheid doet denken. De ezel is namelijk traag bij het veranderen van zijn omstandigheden. Wanneer z’n humeur zo is dat hij langzaam vooruit gaat, dan kun je hem er niet toe brengen dat hij vlug gaat. En zo heeft ieder dier zijn bijzondere eigenschappen.
Bij de mens echter, kunnen we dit niet zo denken. We kunnen niet denken dat de ene mens volgzaam, geduldig, de andere wreed, de derde dapper is. Dat zouden we eenzijdig vinden, wanneer de mensen zo over de aarde verdeeld waren. In zekere zin hebben ze ook wel van die eigenschappen die eenzijdig gevormd zijn, maar niet in die mate als bij de dieren.

Wir finden viel mehr gerade beim Menschen – und namentlich, wenn wir den Menschen erziehen wollen -, daß wir ihm zum Beispiel gewissen Dingen und Tatsachen des Lebens gegenüber Geduld beibringen sollen, anderen Dingen und Lebenstatsachen gegenüber Tapferkeit, anderen Dingen und Lebenslagen gegenüber vielleicht irgendwie sogar etwas Grau­samkeit, obwohl das in homöopathischer Dosis an die Menschen heranzubringen ist. Gewissen Dingen gegenüber wird der Mensch einfach durch seine natürliche Entwickelung auch Grausamkeiten zeigen und so weiter.

We vinden veel meer juist bij de mens – en wel dan wanneer wij hem willen opvoeden – dat wij hem bv. voor bepaalde zaken van het leven geduld bijbrengen, voor bepaalde andere dapperheid, voor andere misschien wel zoiets als wreedheid, hoewel dat natuurlijk in een homeopathische dosis gebracht moet worden. Met betrekking tot bepaalde dingen zal de mens simpelweg door zijn natuurlijke ontwikkeling ook wreedheid vertonen, enz.

Aber wie ist es denn da eigentlich, wenn wir diese seelischen Ei­genschaften beim Menschen und bei den tierischen Wesen betrach­ten? Beim Menschen finden wir, daß er eigentlich alle Eigenschaften haben kann, wenigstens die alle Tiere zusammen haben. Diese haben sie einzeln für sich; der Mensch hat immer ein bißchen von allem. Er ist nicht so majestätisch wie der Löwe, aber er hat etwas von Ma­jestät. Er ist nicht so grausam wie der Tiger, aber er hat etwas von Grausamkeit. Er ist nicht so geduldig wie das &haf, aber er hat etwas von Geduld. Er ist nicht so träge wie der Esel – wenigstens nicht alle Menschen -, aber er hat etwas von dieser Trägheit an sich. Das haben alle Menschen. Man kann sagen, wenn man die Sache ganz richtig betrachtet: Der Mensch hat in sich Löwen-Natur, Schaf-Natur, Tiger-Natur, Esel-Natur. Alles hat er in sich. Nur ist alles in sich harmonisiert.

Maar hoe zit het dan eigenlijk wanneer we deze zieleneigenschappen bij mens en dier bekijken? Bij de mens vinden we, dat hij eigenlijk alle eigenschappen kan hebben, die op z’n minst alle dieren samen hebben. Deze hebben zij elk voor zich; de mens heeft steeds een beetje van alles. Hij is niet zo majestueus als de leeuw, maar hij heeft wel iets daarvan. Hij is niet zo wreed als een tijger, maar hij heeft wel iets van wreedheid. Hij is niet zo geduldig als een schaap, maar hij heeft wel iets van geduld. Hij is niet zo langzaam als een ezel – tenminste niet alle mensen – maar hij heeft wel iets van die traagheid in zich. Dat hebben alle mensen. Men kan zeggen, wanneer men de zaak juist beschouwt: de mens heeft in zich leeuwenaard, schapenaard, tijgeraard, ezelaard. Alles heeft hij. Maar alles is in harmonie.

Alles schleift sich an dem anderen ab. Der Mensch ist der harmonische Zusammenfluß, oder, wenn man es gelehrter aus­drücken will, die Synthese von all den verschiedenen seelischen Eigenschaften, die das Tier hat. Und gerade dann ist das Rechte beim Menschen erzielt, wenn er in seine Gesamtwesenheit die gehörige Dosis Löwenheit, Schafheit, die gehörige Dosis Tigerheit, die ge­hörige Dosis Eselheit und so weiter richtig einführt, wenn das alles in rechtem Maße in den Menschen eingetaucht ist und mit allem anderen in dem richtigen Verhältnis steht.
Schon ein altes griechisches Sprichwort sagr sehr schön: «Tapfer­keit, wenn sie sich eint mit Klugheit, bringt dir Segen.

Alles slijpt zich aan elkaar af. Bij de mens komt dat harmonisch bij elkaar of, wanneer men dit geleerder wil uitdrukken, hij is de synthese van al die verschillende zieleneigenschappen die het dier heeft. En pas dan is bij de mens het juiste bereikt, wanneer hij in zijn hele wezen de gepaste hoeveelheid leeuw, schaap, tijger, ezel enz. op een goede manier integreert; wanneer dit alles op de juiste wijze in de mens zit en zich met al het andere juist verhoudt.
Een oud Grieks spreekwoord zegt al: ‘dapperheid, wanneer het samengaat met slimheid, brengt zegen.

Wandelt die Tapferkeit jedoch allein, folget Verderben ihr nach.» Wenn der Mensch nur tapfer wäre, wie manche Vögel, die fortwährend streiten, nur tapfer sind, so würde er nicht viel Segensreiches im Leben für sich anrichten. Aber wenn die Tapferkeit so ausgebildet ist beim Menschen, daß sie sich mit der Klugheit vereinigt, so wie wieder­um gewisse Tiere nur klug sind, dann ist es beim Menschen das Rechte.
Beim Menschen handelt es sich also darum, daß eine synthetische Einheit, eine Harmonisierung all desjenigen, was im Tierreiche aus­gebreitet ist, vorhanden ist. So daß wir das Verhältnis so umschrei­ben können: da ist das eine Tier (ich zeichne schematisch), da das

Op enkel dapperheid volgt ondergang’. Wanneer de mens alleen maar dapper zou zijn, zoals vele vogels, die voortdurend vechten, alleen maar dapper zijn, dan zou hij voor zichzelf niet veel zegenrijks teweeg brengen. Maar wanneer de dapperheid zo bij de mens gevormd is, dat ze samengaat met schranderheid, zoals dus bepaalde dieren schrander zijn, dan is dat bij de mens het juiste.
Bij de mens gaat het erom dat een synthetische eenheid, een harmonie van al datgene wat over het dierenrijk verspreid is, aanwezig is. Zodat we de verhouding zo kunnen omschrijven: hier is het ene dier (ik teken het schematisch), daar het

zweite, eine dritte Tierart, eine vierte und so weiter, alle Tiere, die auf der Erde möglich sind.
Wie verhalten sich die zum Menschen?
#Bild s. 51a

tweede, een derde diersoort, een vierde  enz. alle dieren die op aarde mogelijk zijn.
Hoe is hun verhouding tot de mens?

GA 311 blz. 51

So, daß der Mensch zunächst so etwas hat (es wird gezeichnet) wie die eine Tierart, aber gemildert, er hat es nicht ganz. Und da schließt gleich das andere daran an (siehe Zeichnung), aber wiederum nicht ganz. Da geht das über in ein Stück von dem Nächsten, und dann schließt sich dieses daran an (siehe letzte Zeichnung der Reihe), so daß der Mensch alle Tiere in sich schließt. Das Tierreich ist ein aus­gebreiteter Mensch, und der Mensch ist ein zusammengezogenes Tierreich; alle Tiere sind synthetisch vereint durch den Menschen-Der ganze Mensch analysiert, ist das ganze Tierreich.
#Bild s. 51b
So ist es auch mit der Gestalt. Denken Sie sich einmal, wenn Sie das menschliche Antlitz haben (es wird gezeichnet), und dieses hier wegschneiden (siehe Zeichnung) und etwas nach vorne setzen, wenn das also weiter nach vorne geht, wenn es nicht harmonisiert ist mit dem ganzen Antlitz, wenn die Stirne tiefer geht, wird ein Hundekopf daraus.

Zodanig dat de mens eerst zoiets heeft (het wordt getekend) als de ene diersoort, maar afgezwakt, hij heeft het niet helemaal. En daar komt meteen het andere bij (zie tekening), maar opnieuw niet helemaal. Dat gaat in een deel van het volgende over en dan sluit dit daarop aan (zie de laatste tekening van het rijtje), zodat de mens alle dieren in zich sluit. Het dierenrijk is een uitgebreide mens en de mens is een gecomprimeerd dierenrijk; alle dieren zijn op een synthetische manier in de mens verenigd. De hele mens geanalyseerd vormt het hele dierenrijk.
Zo is dat ook met de gestalte. Denkt u zich eens in wanneer u het menselijk gezicht neemt (het wordt getekend) en dit hier weghaalt  (zie tekening)

GA 311 blz. 51  2

en iets naar voren plaatst; als dit verder naar voren gaat, wanneer het niet in harmonie is met het hele gelaat, wanneer het voorhoofd dieper komt te liggen, dan wordt het een hondenkop.

Wenn Sie in einer etwas anderen Weise den Kopf formen, wird ein Löwenkopf daraus und so weiter.
Auch in bezug auf seine übrigen Organe kann man überall finden, daß der Mensch auch in der äußeren Gestalt gemildert, harmonisiert hat das, was auf die übrigen Tiere ausgebreitet ist.
Denken Sie sich, wenn Sie eine watschelnde Ente haben, etwas von dem, was da watschelt, haben Sie nämlich auch zwischen den Fin­gern, nur ist es da zurückgezogen. Und so ist alles, was im Tierreiche zu finden ist, auch an Gestalt, im Menschenreiche vorhanden. Auf diese Weise findet der Mensch sein Verhältnis zum Tierreich. Er

Als u op een wat andere manier de kop vormt, komt er een kop van een leeuw uit enz.*
Ook wat zijn andere organen betreft, kan men overal vinden dat de mens ook in zijn uiterlijke verschijning afgezwakt, harmonisch heeft, wat over de rest van de dierenwereld uitgespreid is.
Denk eens, wanneer u een waggelende eend ziet, dat u iets van dat waggelen heeft, namelijk tussen de vingers, alleen heeft het zich daar teruggetrokken. En zo is alles wat er in het dierenrijk is te vinden, ook aan gestalte, in het mensenrijk aanwezig. Op deze manier vindt de mens zijn verhouding tot de dierenwereld. Hij

blz.52:

lernt erkennen, wie die Tiere alle zusammen ein Mensch sind. Der Mensch ist vorhanden in den 1800 Millionen Exemplaren von mehr oder weniger großem Wert auf Erden. Aber er ist noch einmal als ein Riesenmensch vorhanden. Das ganze Tierreich ist ein Riesenmensch, nur nicht synthetisiert, sondern analysiert in lauter Einzelheiten.
Es ist so: wenn alles an Ihnen elastisch wäre, aber so elastisch, daß es nach verschiedenen Richtungen hin verschieden elastisch sein könnte, und Sie nach einer gewissen Richtung hin elastisch sich aus-dehnen würden, so würde ein gewisses Tier daraus entstehen. Wenn man Ihnen die Augengegend aufreißen würde, würde wiederum, wenn es entsprechend elastisch sich aufdunsen würde, ein anderes Tier entstehen. So trägt der Mensch das ganze Tierreich in sich.

leert inzien hoe alle dieren samen een mens zijn. De mens is aanwezig in de 1800 miljoen exemplaren die van meer of mindere waarde zijn op de aarde. Maar hij is nog een keer aanwezig  als een reuzenmens. Het hele dierenrijk is een reuzenmens, alleen niet als synthese, maar als analyse, in louter details.
Het is zo: als alles aan U elastisch zou zijn, maar zo elastisch dat het naar verschillende kanten verschillend elastisch zou zijn, en u zich dan in een bepaalde richting uitbreiden zou, dan zou daaruit een bepaald dier ontstaan. Wanneer men bij u de omgeving van de ogen zou oprekken, zou er ook weer, wanneer het dienovereenkomstig elastisch zou opzwellen, een ander dier ontstaan. Op deze manier draagt de mens het hele dierenrijk in zich.

So hat man einmal in früheren Zeiten die Geschichte des Tier-reiches auch gelehrt. Das war eine gute, gesunde Erkenntnis. Sie ist verlorengegangen, aber eigentlich erst verhältnismäßig spät. Zum Beispiel hat man im achtzehnten Jahrhundert noch ganz gut gewußt, wenn dasjenige, was der Mensch in der Nase hat, den Riechnerv, wenn der genügend groß ist, nach hinten sich fortsetzt, so wird ein Hund daraus. Wenn aber der Riechnerv verkümmert, und wir nur ein Stückchen vom Riechnerv haben, und das andere Stückchen sich um­metamorphosiert, so entsteht unser Nerv für das intellektuelle Leben.
Wenn Sie den Hund anschauen, wenn er so riecht, so hat er von der Nase nach hinten die Fortsetzung seines Riechnervs. Er riecht die Eigentümlichkeit der Dinge; er stellt sie nicht vor, er riecht alles. Er hat nicht einen Willen und eine Vorstellung, sondern er hat einen Willen und einen Geruch für alle Dinge. Einen wunderbaren Ge­ruch!

Zo leerde men dus in vroeger tijd de zaak met dieren ook aan. Dat was een goede, gezonde kennis. Die is verloren gegaan, maar eigenlijk pas betrekkelijk laat. Men wist bv. in de 18e eeuw nog heel goed, dat dat wat de mens in de neus heeft, de reukzenuw, wanneer die maar groot genoeg is, naar achter zich voortzet, dan komt daar een hond uit. Wanneer de reukzenuw verkommert en we maar een stukje van de reukzenuw hebben en het andere stukje metamorfoseert , dan ontstaat onze zenuw voor het intellectuele leven. Wanneer u naar de hond kijkt wanneer deze ruikt, dan heeft hij vanuit de neus naar achteren toe de voortzetting van de reukzenuw. Hij ruikt het karakteristieke van de dingen; hij stelt zich niet voor, hij ruikt alles. Hij heeft geen wil en geen voorstelling, maar hij heeft wil en reuk voor alle dingen. Een wonderbaarlijke reuk.

Die Welt ist für den Hund nicht uninteressanter als für den Menschen. Der Mensch kann sich alles vorstellen. Der Hund kann alles riechen. Wir haben ein paar, nicht wahr, sympathische und anti­pathische Gerüche; aber der Hund hat vielerlei Gerüche. Denken Sie nur einmal, wie der Hund im Geruchssinn spezialisiert. Polizei­hunde gibt es in der neueren Zeit. Man führt sie an den Ort, wo einer war, der etwas stibitzt hat. Der Hund faßt sogleich die Spur des Menschen auf, geht ihr nach und findet ihn. Das alles beruht darauf, daß es wirklich eine ungeheure Differenzierung, eine reiche Welt

De wereld is voor de hond niet oninteressanter dan voor de mens. De mens kan zich alles voorstellen. De hond kan alles ruiken, niet waar, wij hebben een paar sympathieke en antipathieke geuren, maar de hond heeft een heleboel geuren. Denkt u er eens aan hoe de hond in zijn reukzintuig gespecialiseerd is. De laatste tijd zijn er politiehonden. Men brengt ze op een plaats waar iemand was die iets gepikt heeft. De hond pakt meteen het spoor van de mens op, volgt het en vindt hem. Dat berust op het feit dat er werkelijk een ongekende differentiatie, een rijke wereld

blz.53:

der Gerüche gibt für den Hund. Davon ist der Träger der nach rückwärts in den Kopf, in den Schädel hin eingehende Riechnerv.
Wenn wir den Riechnerv durch die Nase des Hundes zeichnen, müssen wir ihn nach rückwärts zeichnen (es wird gezeichnet). Beim Menschen ist nur ein Stückchen geblieben da unten, das andere ist umgebildet und steht hier unter unserer Stirn. Es ist ein metamor­phosierter, ein transformierter Riechnerv. Mit dem bilden wir unsere Vorstellungen. Deshalb können wir nicht so riechen, wie der Hund, aber wir können vorstellen. Wir tragen den riechenden Hund in uns, nur umgebildet. Und so alle Tiere.
Davon muß man eine Vorstellung hervorrufen. Es gibt einen deutschen Philosophen, Schopenhauer, der hat ein Buch geschrieben: «Die Weht als Wille und Vorstellung».

aan geuren voor de hond bestaat. Daarvan is de drager de ruikzenuw die naar achter in de kop, in de schedel loopt.
Wanneer we de reukzenuw door de neus van de hond tekenen, moeten wij deze naar achteren tekenen (het wordt getekend). Bij de mens is slechts een stukje overgebleven, daar onder;  het andere is omgevormd  en ligt hier onder ons voorhoofd. Het is een gemetamorfoseerde, een veranderde reukzenuw. Daarmee vormen wij onze voorstellingen. Daarom kunnen we niet zo ruiken als de hond, maar wij kunnen voorstellen. Wij dragen de ruikende hond in ons mee, alleen omgevormd. En op deze manier alle dieren.
Dat moet je je proberen voor te stellen. Er is een Duitse filosoof, Schopenhauer die een boek heeft geschreven: ‘ De wereld als wil en voorstelling’.

Das Buch ist ja nur für Men­schen. Hätte ein genialer Hund es geschrieben, so hätte er geschrie­ben: «Die Weht als Wille und Gerüche», und ich bin überzeugt davon, das Buch wäre viel interessanter, als das Buch, das Schopen­hauer geschrieben hat.
Man sehe sich die verschiedenen Formen der Tiere an, beschreibe sie nicht so, als ob jedes Tier für sich dastehen würde, sondern ver­suche, vor den Kindern immer die Vorstellung hervorzurufen: Sieh einmal, so schaut der Mensch aus. Wenn du dir den Menschen nach dieser Richtung verändert denkst, vereinfachst, vereinigt denkst, kriegst du das Tier. Wenn du zu irgendeinem Tiere, sagen wir zum Beispiel einem niederen Tiere, der Schildkröte, etwas hinzufügst, unten ein Känguruh, die Schildkröte über das Känguruh setzest, so hast du oben etwas wie einen verhärteten Kopf; das ist die Schild­krötenform in gewisser Beziehung.

Het boek is alleen voor mensen bedoeld. Wanneer een geniale hond het geschreven zou hebben, dan had die geschreven: ‘De wereld als wil en geur’ en ik ben ervan overtuigd, dat dat boek veel interessanter zou zijn dan het boek dat Schopenhauer heeft geschreven.
Kijk naar de verschillende diervormen, beschrijf ze niet zo dat ieder dier apart staat, maar probeer voor de kinderen steeds de voorstelling op te roepen: kijk eens, zo ziet de mens eruit. Wanneer je de mens in deze richting veranderd denkt, eenvoudiger, krijgt je het dier. Wanneer je bij een of ander dier, laten we zeggen bv. een lager dier, een schildpad, iets eraan toevoegt, aan de onderkant een kangoeroe, de schildpad boven de kangoeroe, zodat je boven iets hebt als een verharde kop, dat is de schildpadvorm in zekere zin.

Und unten das Känguruh. das sind die Gliedmaßen des Menschen in einer gewissen Weise.
So kann man überall in der weiten Weht finden, wie man eine Be­ziehung herausfinden kann zwischen dem Menschen und den ver schiedenen Tieren.
Sie lachen jetzt über diese Dinge. Das schadet nichts. Es ist ganz gut, wenn in der Klasse auch gelacht wird, denn nichts ist besser, in die Klasse hineinzubringen, als Humor. Wenn die Kinder auch la­chen können, wenn sie nicht nur immer den Lehrer mit einem furchtbar

En vanonder de kangoeroe, dat zijn in zekere zin de menselijke ledematen.
Zo kan men overal in de wijde wereld vinden, hoe men een verhouding kan vinden tussen de mens en de verschillende dieren.
[4] U lacht om deze  dingen. Dat geeft niets. Het is heel goed dat er ook in een klas gelachen wordt, want niets is beter dan in de klas humor te hebben. Wanneer de kinderen ook kunnen lachen, wanneer ze niet voortdurend de leerkracht met een vreselijk

langen Gesicht sehen, und selber versucht sind, solche langen Gesichter zu machen und zu glauben, wenn man auf der Schulbank sitzt, muß man eben ein langes Gesicht machen – wenn das nicht der Fall ist, sondern wenn Humor hineingebracht wird, wenn man die Kinder dazu bringt, zu lachen, dann ist das das beste Unterrichts-mittel. Ernste Lehrer, ganz ernste Lehrer, die erreichen nichts mit den Kindern.
Also, da haben Sie das Tierreich im Prinzip, wie ich es Ihnen zu­nächst darstellte. Von Einzelheiten können wir dann sprechen, wenn Zeit dazu ist. Aber Sie ersehen daraus, daß der Mensch lehrend das Tierreich so behandeln kann, daß das Tierreich ein ausgebreiteter Mensch ist.

lang gezicht zien en zelf moeten proberen zulke lange gezichten te hebben en te geloven, wanneer je in de schoolbank zit moet je zo’n lang gezicht trekken – wanneer dat niet het geval is, maar wanneer er humor is, wanneer je de kinderen laat lachen, dan is dat het beste onderwijsmiddel. Ernstige leerkrachten, heel ernstige, die bereiken bij kinderen niets.
Dus daar hebt u in principe het dierenrijk zoals ik het net uitlegde. Over details kunnen we dan spreken, wanneer de tijd daar is. Maar trekt u de conclusie dat de mens onderwijzend het dierenrijk zo kan behandelen, dat het dierenrijk een uitgebreide mens is.

Das gibt für das Kind wiederum eine sehr, sehr feine, schöne Empfindung ab. Denn nicht wahr, das Kind lernt, wie ich Ihnen angedeutet habe, die Pflanzenwelt als zur Erde gehörig kennen, und die Tiere als zu sich gehörig. Es wächst das Kind mit dem ganzen Erdenbereich zusammen. Es steht nicht mehr bloß auf dem toten Erdboden, sondern es steht auf dem lebendigen Erdboden und emp-findet die Erde als Lebendiges. Es bekommt allmählich die Vor­stellung, es stehe auf dem Erdboden so, wie wenn es auf einem großen Organismus stünde, wie zum Beispiel auf einem Walfisch. Das ist auch die richtige Empfindung. Das allein führt in die ganze menschliche Weltempfindung hinein.

Dat is voor het kind een heel, heel mooie gewaarwording. Want, niet waar, het kind leert, zoals ik het heb aangeduid, de wereld van de planten kennen zoals die bij de aarde horen en de dieren horen bij hem. Het kind groeit toe naar al het aardse. Hij staat niet zomaar meer op de dode aarde, maar hij staat op de levende aarde en voelt de aarde als een levend organisme. Hij krijgt langzaam maar zeker de voorstelling dat hij zo op de aarde staat, alsof hij zich op een groot levend organisme bevindt, bv. op een walvis. Dat is ook de juiste gewaarwording. Dat alleen leidt tot een totaalbeleven van de wereld.

Und von den Tieren bekommt das Kind die Empfindung, als ob alle Tiere etwas Verwandtes hätten mit dem Menschen, aber auch die Vorstellung, daß der Mensch etwas über alle Tiere Hinausragen-des hat, weil er alle Tiere in sich vereint. All das naturwissenschaft liche Geschwätz, daß der Mensch von einem Tiere abstamme, wird belacht werden von solchen Menschen, die so erzogen worden sind. Denn man wird erkennen, daß der Mensch das ganze Tierreich, die einzelnen Glieder synthetisch in sich vereinigt.
Ich sagte Ihnen, zwischen dem 9. und 10. Jahre kommt der Mensch so weit, daß er unterscheidet zwischen sich als Subjekt und der Au­ßenwelt als Objekt. Er unterscheidet sich von der Umwelt. Früher konnte man nur Märchen, Legenden erzählen, wo die Steine und

En van de dieren krijgt het kind de gewaarwording alsof alle dieren wat verwant zijn met de mensen, maar ook de voorstelling dat de mens iets heeft dat boven alle dieren uitsteekt, omdat het alle dieren in zich verenigt. Al het natuurwetenschappelijk geklets dat de mens van de dieren afstamt, wordt weggelachen door die mensen die zo opgevoed zijn. Want men zal beseffen dat de mens het hele dierenrijk, de aparte delen, synthetisch in zich verenigt.
[5] Ik zei u, tussen het 9e en 10e jaar komt de mens zo ver, dat hij onderscheid maakt tussen zich zelf als subject en de buitenwereld als object. Hij onderscheidt zich van de buitenwereld. Vroeger kon je dan alleen sprookjes, legenden vertellen waarin stenen en

blz.55:

Pflanzen sprechen, handeln wie Menschen. Da unterschied sich das Kind noch nicht von der Umgebung. Jetzt, wo es sich unterscheidet, müssen wir es wiederum auf einer höheren Stufe mit der Umgebung zusammenbringen. Jetzt müssen wir ihm den Boden, auf dem es steht, so zeigen, daß der Boden in selbstverständlicher Weise mit. seinen Pflanzen zusammengehört. Dann bekommt es einen prakti­schen Sinn, wie ich Ihnen gezeigt habe, auch für die Landwirtschaft. Es wird wissen, man düngt, weil man die Erde in einer gewissen Weise lebendig braucht unter einer Pflanzenart. Es betrachtet nicht die einzelne Pflanze, die es aus der Botanisiertrommel herausnimmt, als ein Ding für sich, betrachtet aber auch nicht ein Tier als ein Ding für sich, sondern das ganze Tierreich als einen über die Erde sich ausbreitenden, großen analysierten Menschen.

planten spreken, handelen als mensen. Toen maakte het kind nog geen verschil tussen zichzelf en de omgeving. Nou, nu het wel verschil maakt, moeten wij hem weer op een hoger niveau met zijn omgeving samenbrengen. Nu moeten wij hem de grond waarop hij staat zo tonen, dat de grond op een vanzelfsprekende manier bij de planten hoort. Dan krijgt hij een gevoel voor het praktische, zoals ik getoond heb, ook voor de landbouw.
Hij zal beseffen, je bemest, omdat de aarde op een bepaalde manier leven nodig heeft onder de planten. Hij bekijkt niet de losse plant die hij uit de botaniseertrommel pakt, als een ding op zich, maar kijkt ook niet naar het dier op zich, maar naar het rijk van de dieren als een over de aarde zich uitwaaierende, grote geanalyseerde mens.

Es weiß dann der Mensch, wie er auf der Erde steht, und es weiß der Mensch, wie sich die Tiere zu ihm verhalten.
Das ist von einer ungeheuren Bedeutung, daß wir in dem Kinde vom 10. Jahre an bis gegen das 12. Jahr hin diese Vorstellungen, Pflanze – Erde, Tier – Mensch erwecken. Dadurch stellt sich das Kind mit seinem ganzen Seelen-, Körper- und Geistesleben in einer ganz bestimmten Weise in die Welt hinein.
Dadurch, daß wir dem Kinde eine Empfindung – und das alles muß eben empfindungsgemäß künstlerisch an das Kind herange­bracht werden -, daß wir ihm eine Empfindung beibringen für die Zusammengehörigkeit von Pflanzen und Erdboden, wird das Kind klug, wird wirklich klug und gescheit; es denkt naturgemäß.

[6] Dan kent hij de mens, hoe die op de grond staat en hij kent de mens, en de relatie die de dieren met hem hebben.
Dat is van een ongekende betekenis: dat wij in het kind vanaf 10 jaar tot tegen het 12e deze voorstellingen: plant – aarde, dier – mens wekken. Daardoor plaatst het kind zich met heel zijn ziel, zijn lichamelijkheid en zijn geest op een heel bepaalde manier in de wereld. Doordat wij het kind een gevoel geven – en alles moet nu eenmaal op een gevoelsmatig kunstzinnige manier aan het kind gebracht worden – dat wij hem een gevoel bijbrengen voor de samenhang tussen planten en de bodem, wordt het kind verstandig en schrander; het denkt in overeenstemming met de natuur.

Da­durch, daß wir ihm probieren beizubringen – sei es nur im Unterricht, Sie werden sehen, daß es dabei herauskommt -, wie es zu dem Tiere steht, lebt der Wille aller Tiere im Menschen auf, und zwar in Differenzierung, in entsprechender Individualisierung; alle Eigen­schaften, alles Formgefühl, das sich in dem Tiere ausprägt, lebt in dem Menschen. Der Wille des Menschen wird dadurch impulsiert, und der Mensch wird dadurch in einer naturgemäßen Weise seiner Wesenheit nach in die Welt hineingestellt.
Warum gehen denn heute die Menschen in der Welt so, ich möchte sagen, entwurzelt von allem herum? Den Menschen, wenn

Omdat wij hem proberen bij te brengen – al is het alleen maar in de les, je moet zorgen dat het eruit komt, wat zijn plaats is ten opzichte van de dieren, leeft het wilsachtige van alle dieren in de mens op, maar gedifferentieerd, met de daarbij behorende individualisering; alle eigenschappen, al het vormgevoel dat zich uitdrukt in het dier, leeft in de mens. De wil van de mens wordt daardoor geactiveerd en de mens wordt daardoor op een natuurlijke manier naar zijn wezen in de wereld geplaatst.
Waarom lopen de mensen tegenwoordig toch zo, ik zou willen zeggen, ontheemd door de wereld. Je ziet het tegenwoordig

blz. 56:

sie heute in der Welt herumgehen, sieht man es schon an, sie gehen nicht ordentlich, sie treten nicht ordentlich auf, sie schleppen die Beine nach. Das andere haben sie im Sport gelernt, aber das ist dann wiederum etwas Unnatürliches. Aber vor allen Dingen, sie denken trostlos! Sie wissen nicht was Rechtes anzufangen im Leben. Sie wissen etwas anzufangen, wenn man sie an die Nähmaschine oder an das Telefon stellt oder wenn eine Eisenbahnfahrt oder eine Reise um die Welt arrangiert wird. Aber mit sich selbst wissen sie nichts anzufangen, weil sie nicht in entsprechender Weise durch die Er­ziehung in die Welt hineingestellt worden sind. Aber das kann man nicht dadurch, daß man die Phrase drechselt, man solle den Men­schen richtig erziehen, sondern das kann man nur dadurch, daß man wirklich im Einzelnen, Konkreten so etwas für den Menschen findet, wie, daß man die Pflanze richtig in den Erdboden hineinsenkt, und das Tier in der richtigen Weise neben den Menschen stellt.

de mensen aan hoe ze door de wereld gaan; ze lopen niet zoals het hoort, ze lopen niet goed, ze slepen met hun benen. Het andere hebben ze met sporten geleerd, maar dat is ook weer iets onnatuurlijks. Maar bovenal: het denken is zo troosteloos! Ze weten niet wat ze in het leven moeten gaan doen. Ze kunnen wel wat beginnen, wanneer je ze aan de naaimachine zet of de telefoon of wanneer er een treinreis of een reis om de wereld georganiseerd wordt. Maar met zichzelf weten ze niets te beginnen, omdat ze niet op een adequate manier door de opvoeding in de wereld geplaatst zijn. Maar dat kan ook niet wanneer je de frase in elkaar knutselt, dat je de mens goed moet opvoeden, dat kan wel wanneer je daadwerkelijk in detail, concreet iets voor de mens vindt, zoals, dat je de plant op de juiste manier in de aarde poot en het dier op de juiste manier naast de mens plaatst.

Dann steht der Mensch in der richtigen Weise auf dem Erdboden darauf, und dann stellt er sich in der richtigen Weise zur Welt. Das muß man durch den ganzen Unterricht erreichen. Das ist wichtig, das ist wesentlich.

Es wird imme’r darauf ankommen, daß wir für ein jedes Lebensalter dasjenige finden, was nach der Entwicklung des Menschen von die­sem Lebensalter selber gefordert wird. Dazu brauchen wir eben wirk­liche Menschenbeobachtung, wirkliche Menschenerkenntnis. Be­trachten wir noch einmal die zwei Dinge, die ich eben auseinander­gesetzt habe: Das Kind bis zum 9. oder 10. Jahre fordert die Belebung der ganzen äußeren Natur, weil es sich noch nicht unter­scheidet von dieser äußeren Natur.

Dan staat de mens op de juiste manier op de aardegrond en dan heeft hij de goede verbinding met de wereld. Dat moet je door het hele onderwijs bereiken. Dat is belangrijk, dat is wezenlijk.

Het zal er steeds op aankomen dat wij voor iedere leeftijd dat vinden wat door de ontwikkeling van de mens voor deze leeftijd zelf gevraagd wordt. En daarvoor hebben we nodig dat we de mens echt goed kunnen observeren, en een echte menskunde. Laten we nog eens naar twee dingen kijken die ik uiteengezet heb: Het kind tot zijn 9e of 10e jaar vraagt van heel de natuur buiten hem dat die leeft, omdat hij zich nog niet afzondert van deze natuur buiten hem.

Wir werden dem Kinde eben dann Märchen erzählen, Legenden, Mythen erzählen. Wir werden selber etwas erfinden für das allernächstliegende, um dem Kinde in Form der Erzählungen, Schilderungen, der bildhaften Darstellungen künstlerisch dasjenige beizubringen, was seine Seele aus den ver­borgenen Tiefen, in denen sie in die Welt eintritt, herausholt. Wenn wir wiederum das Kind nach dem 9., 10. Jahre haben, zwischen dem 10. und 12. Lebensjahre, stellen wir es so in die Tier- und Pflanzen­welt hinein, wie wir es eben geschildert haben.

[7] Dan zullen we hem dus sprookjes, legenden, mythen vertellen. We zullen zelf iets maken voor wat heel dichtbij is om het kind in de vorm van verhaaltjes, beschrijvingen in beeldende voorstellingen kunstzinnig dat bij te brengen wat zijn ziel dan haalt uit de verborgen diepten waarin die op de wereld binnengaat. Wanneer we het kind na het 9e en 10e jaar hebben, tussen het 10e en het 12e, geven we het zijn plaats in de dieren- en plantenwereld, zoals ik het dus geschetst heb.

blz. 57:

Nun muß man sich aber klar werden darüber, daß der heute so be­liebte Kausalitätsbegriff, Ursachenbegriff, beim Kinde auch in die­sem Lebensalter, im 10., ii. Jahre noch gar nicht als ein Bedürfnis des Begreifens vorhanden ist. Wir gewöhnen uns ja heute, alles nach Ursache und Wirkung zu betrachten. Die naturwissenschaftliche Er­ziehung der Menschen hat es dahin gebracht, daß man überall nach Ursache und Wirkung alles betrachtet. Sehen Sie, dem Kinde bis zum ii. oder 12. Jahre so von Ursache und Wirkung zu reden, wie man es im alltäglichen Leben tut, wie man es heute gewohnt ist, ist gera­de so, wie man dem Farbenblinden von Farben spricht. Man redet an der Seele des Kindes vorbei, wenn man in dem Stile redet, in dem heute von Ursache und Wirkung geredet wird.

[8] Je  moet wel duidelijk weten dat het tegenwoordig zo populaire oorzaak- en gevolgbegrip bij het kind op de leeftijd van 10, 11 nog helemaal niet als behoefte leeft om iets te begrijpen. Wij zijn nu gewend alles te bekijken vanuit oorzaak en gevolg. De natuurwetenschappelijke opvoeding van de mensen heeft ervoor gezorgd dat men overal alles bekijkt vanuit oorzaak en gevolg. Maar zie je, met een kind tot het 11e, 12e jaar zo over oorzaak en gevolg te spreken, zoals men dit in het leven van alle dag doet, zoals men tegenwoordig gewend is, dat is net zoiets als tegen een kleurenblinde over kleuren spreken. Je praat langs de ziel van het kind, wanneer je in de trant spreekt waarin tegenwoordig over oorzaak en gevolg gesproken wordt.

Vorerst braucht das Kind lebendige Bilder, bei denen man niemals nach Ursache und Wirkung frägt. Nach dem 10. Jahre soll man wiederum nicht Ur­sache und Wirkung, sondern Bilder nach Ursache und Wirkung hinstellen.
Erst gegen das 12. Jahr hin wird das Kind reif, von Ursachen und Wirkungen zu hören. So daß man diejenigen Erkenntniszweige, die es mit Ursache und Wirkung hauptsächlich zu tun haben, in dem Sinne, wie man heute von Ursache und Wirkung redet, die leblose Naturphysik und so weiter eigentlich erst in den Lehrplan zwischen dem 11. und 12. Lebensjahre einführen soll.

Allereerst heeft het kind levende beelden nodig, waarbij je nooit naar oorzaak en gevolg vraagt. Na het 10e jaar moet je ook niet oorzaak en werking geven, maar beelden over oorzaak en werking.
Pas tegen het 12e jaar wordt het kind rijp om naar oorzaak en gevolg te luisteren. Zodat je die vakken die hoofdzakelijk met oorzaak en gevolg te maken hebben, met dien verstande, zoals men er tegenwoordig over spreekt, de anorganische natuurkunde en zo, eigenlijk pas moet invoeren  in het leerplan tussen het 11e en 12e levensjaar.

Vorher sollte man über Mineralien, über Physikalisches, über Chemisches nicht zu dem Kinde reden. Es fügt sich nicht in das Lebensalter des Kindes ein.
Und weiter, wenn man Geschichtliches betrachtet, so soll das Kind auch bis gegen das 12. Jahr hin in der Geschichte Bilder bekommen, Bilder von einzelnen Persönlichkeiten, Bilder von Ereignissen, über­schaubar schön gemalte Bilder, wo die Dinge lebendig vor der Seele stehen, nicht eine Geschichtsbetrachtung, in der man immer das Folgende als die Wirkung vom Vorhergehenden betrachtet, worauf die Menschheit so stolz geworden ist. Diese pragmatische Geschichts­betrachtung, die nach Ursachen und Wirkungen sucht in der Ge­schichte, ist etwas, was das Kind ebensowenig auffaßt, wie der Far­benblinde die Farbe. Und außerdem bekommt der Mensch eine ganz falsche Vorstellung vom Leben, vom fortlaufenden Leben, wenn

Daarvóór moet je niet over mineralen, over fysica, over scheikunde met kinderen praten. Dat past niet bij de leeftijd van het kind.
[9] En verder, wanneer je naar iets uit de geschiedenis kijkt, moet het kind ook tegen het 12 jaar nog geschiedenisbeelden krijgen, beelden van persoonlijkheden, beelden van gebeurtenissen, overzichtelijk mooi (met woorden) geschilderde beelden waarin de dingen levend voor de ziel staan; geen geschiedenisbeschouwing waarbij je steeds het volgende als de werking van het vorige beschouwt, waarop de mensheid zo trots geworden is. Deze pragmatische geschiedenisbeschouwing die in de geschiedenis naar oorzaak en gevolg zoekt, pakt het kind net zo min op als de kleurenblinde de kleuren. En bovendien krijgt de mens een hele verkeerde voorstelling van het leven, van het leven dat verder gaat, wanneer

blz.58:

man ihm alles immer nur nach Ursachen und Wirkungen beibringt. Ich möchte Ihnen das durch ein Bild klarmachen.
Denken Sie sich, da fließt ein Strom dahin (es wird gezeichnet).
#Bild s. 58
Er zeigt Wellen. Sie werden nicht immer richtig gehen, wenn Sie die Welle c aus der Welle b und diese aus der Welle a hervorgehen lassen, wenn Sie sagen, c ist die Wirkung von b, und b von a; es walten da unten in den Tiefen noch allerlei Kräfte, welche diese Wellen aufblasen. Und so ist es in der Geschichte.

je hem steeds alles alleen maar bijbrengt als oorzaak en gevolg.
Dit wil ik u door een beeld duidelijk maken.
Stel je voor, hier is een waterstroom (dat wordt getekend):

GA 311 blz. 58

Er zijn golven. Maar, je zou het niet steeds bij het rechte eind hebben, wanneer je golf c uit golf b en deze uit golf a zou laten ontstaan, wanneer je zou zeggen: c is de werking van b en b van a; dieper in de stroom werken nog andere krachten die de golven omhoogstuwen. En zo is het ook in de geschiedenis.

Da ist nicht immer das, was 1910 geschieht, die Wirkung von dem, was 1909 geschehen ist und so weiter, sondern für diese Wirkungen aus den Tiefen der Strömung in der Entwickelung, was die Wellen aufwirft, dafür muß beim Menschen sehr frühzeitig eine Empfindung eintreten. Sie tritt aber nur ein, wenn man spät erst die Ursachen und Wirkungen ein­führt, gegen das 12. Jahr hin, und vorher Bilder hinstellt.
Es stellt dies wiederum Anforderungen an die Phantasie des Leh­rers. Diesen muß er aber genügen. Er wird schon genügen, wenn er für sich Menschenkenntnis erwirbt. Und darum handelt es sich. 

Daarin is het ook niet altijd zo, dat wat in 1910 gebeurt, de werking is van wat in 1909 gebeurd is enz., maar voor deze werkingen vanuit de diepten van de ontwikkelingsstroom, die de golven veroorzaken, daarvoor moet bij de mens zeer vroeg een gevoel ontstaan. Maar dat ontstaat alleen, wanneer je pas laat oorzaak en werking invoert, tegen het 12e jaar en daarvóór beelden geeft.

Dat stelt opnieuw eisen aan de fantasie van de leraar. Daaraan moet hij voldoen. Maar hij zal er aan voldoen, wanneer hij zich menskunde eigen maakt. En daar gaat het om.

So wie man wirklich aus der Natur des Menschen heraus erzieht und unterrichtet, muß nun dem Unterricht, wie ich ihn eben darge­stellt habe, die Erziehung in bezug auf moralische Qualitäten parallel gehen. Ich möchte da zum Schluß noch einzelnes hinzufügen. Auch da handelt es sich darum, daß man aus der Natur des Kindes abliest, wie man es zu behandeln hat. Wenn man dem Kinde schon mit sieben Jah­ren den Ursachen- und Wirkungsbegriff beibringt, handelt man gegen die Entwickelung der menschlichen Natur. Wenn man aber das Kind durch gewisse Dingestrafen will, so handeltman oftmals mitgewissen Strafen auch gegen die Entwickelung der menschlichen Wesenheit. 

Zoals je daadwerkelijk uit de natuur van de mens opvoedt en lesgeeft, moet aan het onderwijs de opvoeding met betrekking tot de morele kwaliteiten parallel lopen. Daar wil ik tot besluit nog een paar details aan toevoegen. Ook hier gaat het erom dat je aan de natuur van het kind afleest wat je met hem moet doen. Wanneer je het kind al op z’n zevende de begrippen van oorzaak en gevolg bij wil brengen, ga je tegen de ontwikkeling van de menselijke natuur in. Wanneer je het kind echter door bepaalde dingen straf wilt geven, ga je met bepaalde straffen dikwijls tegen de ontwikkeling van het mensenwezen in.

blz.59:

In der Waldorfschule konnten wir dabei ganz schöne Erfahrungen machen. Wie wird in gewöhnlichen Schulen oftmals gestraft? Kinder haben in der Stunde etwas nicht ordentlich gemacht, man läßt sie nachsitzen, und sie müssen zum Beispiel Rechnungen machen. Da hat sich in der Waldorfschule etwas Sonderbares herausgestellt mit drei oder vier Kindern, denen man gesagt hatte: Ihr wart unordent­lich, ihr müßt nachsitzen und Rechnungen machen! Da sagten die anderen: Da wollen wir aber auch dableiben und Rechnungen ma­chen! Denn sie sind so erzogen, daß das Rechnungenmachen etwas Gutes ist, nicht etwas, womit man bestraft wird. Man soll beim Kinde gar nicht die Meinung hervorrufen, daß Rechnungenmachen im Nachsitzen etwas Schlimmes ist.

[10] Op de vrijeschool konden we hiermee heel mooie ervaringen opdoen. Hoe wordt op de doorsnee school dikwijls gestraft? Kinderen zijn in een lesuur stout geweest: ze moeten nablijven en ze moeten dan bv. rekenen. Op de vrijeschool gebeurde er met drie of vier kinderen iets opzienbarends tegen wie men gezegd had: jullie hebben je niet goed gedragen, jullie moeten nablijven en sommen maken! Toen zeiden de anderen: “Maar dan willen wij ook nablijven en sommen maken!’ Want ze waren zo opgevoed dat sommen maken iets goeds is, niet iets om mee gestraft te worden. Je moet bij een kind helemaal niet de mening oproepen dat sommen maken wanneer je na moet blijven, iets ergs is.

Deshalb wollte die ganze Klasse auch dableiben und nachsitzen und Rechnungen machen. Man soll also nicht Dinge wählen, die gar nicht eine Strafe darstellen können, wenn das Kind im geraden Seelenleben erzogen werden soll.
Oder ein anderes Beispiel: Dr.Stein1, ein Lehrer in der Waldorf­schule, hat sich manches sehr Gute, manchmal im Momente ausge-sonnen in bezug auf die Erziehung. Er bemerkte einmal, daß seine Schüler sich unter der Bank Briefchen zureichten. Sie schrieben sich Briefe, gaben also nicht acht, und steckten die Briefe unter der Bank dem Nachbar zu, und der wieder die Antwort zurück. Nun hat Dr. Stein nicht angefangen zu schimpfen über das Briefeschreiben und gesagt: Ich will euch bestrafen! oder so etwas, sondern er hat ganz plötzlich angefangen, einen Vortrag über das Postwesen zu halten.

Daarom wilde de hele klas daar ook bij blijven en nablijven en sommen maken. Je moet dus geen dingen kiezen die helemaal geen straf kunnen zijn, wanneer het kind met een zuiver gevoel opgevoed wordt.
Of een ander voorbeeld: Dr. Stein, een leraar aan de vrijeschool, bedacht, vaak op het moment zelf, heel goede dingen. Een keer zag hij dat de leerlingen onder de bank briefjes aan elkaar doorgaven. Ze zaten dus briefjes te schrijven en letten niet op en gaven ze onder de bank door aan de buurman en die gaf weer een antwoord terug. Nu was Dr. Stein* niet begonnen te mopperen over dit briefjesschrijven en hij zei niet: ik wil jullie straffen of zo, maar hij was plotseling begonnen een verhandeling over de posterijen te geven.

Die Kinder waren frappiert, daß plötzlich über das Post-wesen gesprochen wurde; aber sie sind dann doch darauf gekommen, weshalb über das Postwesen gesprochen wurde. Und diese feine Art, Übergänge zu finden, die beschämt dann. Die Kinder waren be­schämt, und das Briefeschreiben hat aufgehört, einfach wegen der Gedanken, die er eingeflochten hat über das Postwesen.
Und so muß man Erfindungsgabe haben, wenn man eine Klasse leiten will. Man muß nicht stereotyp durchaus auf dasjenige gehen, was so hergebracht ist, sondern man muß sich tatsächlich in das ganze Wesen des Kindes hineinversetzen können und wissen, daß eine Bes­serung – und mit der Strafe will man ja schließlich eine Besserung –

De kinderen waren hoogst verbaasd dat er plotseling over de posterijen gesproken werd; maar ze kregen wel in de gaten waarom. En deze subtiele manier op iets anders over te gaan, die geeft dan een gevoel van schaamte. De kinderen geneerden zich en het briefjesschrijven hield op, simpelweg door de denkbeelden die hij over de posterijen ingelast had.
En op deze manier moet je creatief worden, wil je een klas kunnen leiden.
Je moet zeer zeker niet zo stereotypisch ingaan op iets wat dan gebeurt, maar je moet je daadwerkelijk in het wezen van het kind verplaatsen en weten dat een verbetering – en met straf wil je uiteindelijk  verbetering –

blz.: 60

unter Umständen viel eher eintritt, wenn auf diese Weise eine Be­schämung hervorgerufen wird, aber ohne daß man sich an den Ein­zelnen wendet, daß das ganz unvermerkt vor sich geht, als wenn man im groben Sinne straft. Gerade auf diese Weise, wenn man mit einem gewissen Geist in der Klasse drinnen steht, richtet sich so manches ein, was sonst gar nicht ins Gleichgewicht zu bringen ist.
Vor allen Dingen fordert ja das Erziehen und Unterrichten von dem Lehrer Selbsterkenntnis. Er darf zum Beispiel nicht so erziehen wollen, daß er ein Kind, das Tintenkleckse gemacht hat auf das Blatt oder auf die Schulbank, weil es ungeduldig oder zornig geworden ist uber etwas, was der Nachbar gemacht hat, nun anschreit wegen der Tintenspritzer:

onder bepaalde omstandigheden veel eerder optreedt, wanneer op deze manier een zich generen opgeroepen wordt, maar zonder dat je je op de enkeling richt, dat het geheel ongemerkt gebeurt, dan wanneer je op een grove manier straft. Juist op deze manier wanneer je met een bepaalde spirit voor de klas staat, loopt veel vanzelf wat je anders niet in balans krijgt.
[11] Boven alles eist opvoeding en onderwijzen van de leraar zelfkennis. Hij mag bv. niet zo willen opvoeden, dat hij tegen een kind, dat op zijn papier een inktvlek heeft gemaakt of op zijn tafel, omdat het z’n geduld verloor of boos werd over iets wat zijn buurman deed, tegen de inktknoeier schreeuwen:

Du darfst nicht zornig werden! Zornig werden ist keine Eigenschaft, die ein guter Mensch haben darf! Ein Mensch muß nicht zornig werden, sondern in Ruhe alles ertragen! Wenn du mir noch einmal zornig wirst, dann, dann schmeiße ich dir das Tin­tenfaß an den Kopf!
Ja, wenn in dieser Weise erzogen wird, wie es sehr häufig ge­schieht, dann wird sehr wenig erreicht werden. Der Lehrer muß sich immer in der Hand haben; er darf vor allen Dingen nie in die Fehler verfallen, die er an seinen Schülern rügt. Da muß man aber wissen, wie das Unbewußte der Kinder wirkt. Das, was der Mensch an be­wußtem Verstand, Gemüt, Wille hat, ist nur ein Teil des seelischen Lebens; im Untergrund waltet schon beim Kinde eben der astralische Leib mit seiner ungeheuren Klugheit und Vernünftigkeit.

Jij mag niet boos worden! Boos worden is geen eigenschap die een goed mens mag hebben! Een mens mag niet boos worden, maar moet rustig alles verdragen. Wanneer je nog één keer boos wordt, dan, dan gooi ik het inktpotje naar je hoofd! 
Tja, als je op deze manier opgevoed wordt, zoals zeer vaak gebeurt, dat zal er zeer weinig bereikt worden. De leerkracht moet zich altijd in de hand hebben; voor alles mag hij nooit in de fout vervallen zijn leerlingen een standje te geven. Je moet toch weten hoe het onbewuste van het kind werkt. Wat de mens aan bewust verstand, gevoel, wil heeft, is toch maar een deel van het zielenleven; in de diepte is bij het kind het astraallijf al actief met zijn verstand en schranderheid.

Nun ist es mir immer ein Greuel gewesen, wenn ein Lehrer in einer Klasse drinnensteht, das Buch in der Hand hat und aus dem Buch heraus unterrichtet, oder wenn er ein Heft hat, worin er sich aufnotiert hat, was er fragen will, und immer hineinschauen muß. Gewiß, das Kind denkt nicht gleich daran mit seinem Oberbewußt­sein; aber die Kinder sind gescheit in ihrem Unterbewußtsein und man sieht, wenn man solches zu sehen vermag, daß sie sich sagen:
Der weiß ja das gar nicht, was ich lernen soll. Warum soll ich das lernen, was der nicht weiß? Das ist immer das Urteil im Unter­bewußten bei Kindern, die aus einem Buch oder Heft vom Lehrer unterrichtet werden.

Nu is het mij altijd al een doorn in het oog geweest, wanneer een leraar voor de klas staat, met een boek in de hand en dan uit dit boek lesgeeft of wanneer hij een schriftje heeft waarin hij dan opgeschreven heeft wat hij wil vragen en er steeds in moet kijken. Zeker, een kind denkt daar niet meteen aan met zijn heldere verstand; maar de kinderen zijn slim in hun onderbewustzijn en je ziet wanneer je in staat bent dit te zien, dat zij bij zichzelf zeggen: die weet helemaal niet wat ik moet leren. Waarom moet ik leren wat hij niet weet? Dat is altijd het oordeel in het onderbewuste bij kinderen die uit een boek of een schriftje van de leraar les krijgen.

blz.61:

Man muß auf solches Imponderable, auf solche Feinheiten im Unterricht außerordentlich viel geben. Denn sobald das Unterbe­wußtsein des Kindes, das Astralische, bemerkt, der Lehrer weiß etwas selber nicht, er muß erst ins Heft hineinschauen, dann findet es unnötig, daß es selber dies lerne. Und der Astralleib wirkt viel sicherer als das Oberbewußtsein des Kindes.
Ich wollte diese Bemerkungen einmal in diesen Vortrag einflech­ten. Wir werden spezielle Fächer und Erziehungsetappen beim Kinde dann in den nächsten Tagen einfügen.

Op dit imponderabele, op zulke fijnzinnigheden in het onderwijs moet je bijzonder letten. Want zodra het onderbewustzijn van het kind, het astrale, merkt de leerkracht weet zelf iets niet, hij moet eerst in een schriftje kijken, dan vindt hij het ook niet nodig dat hij dit zelf wel leert. En het astraallijf werkt met veel meer zekerheid dan het bewustzijn van het kind.
Deze opmerkingen wilde ik nu eens in een voordracht inlassen. We zullen de speciale vakken en de fasen in de opvoeding bij het kind dan in de volgende dagen erbij betrekken.

Verwijzingen
1Dr.Stein: Walter Johannes Stein, 1891-1957. Leraar aan de vrijeschool Stuttgart tot 1932, dan in Londen als schrijver en spreker werkzaam.

*Anke-Usche Clausen voegt op blz. 130 van haar ‘Zeichnen ist Sehen lernen’ bij ‘metamorfose mens-dier’ deze tekening toe:

GA 311 blz. 51  3

1) GA 311 (Duits)

Steiner: alle pedagogische voordrachten

Steiner: alle artikelen op deze blog

Steiner over dierkunde: alle artikelen

Steiner over plantkunde: alle artikelen

 

872-803

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 5e klas plantkunde – de beuk

.

Kim Lapré†, Forum 21-04-2015
.

DE BEUK
.

De beuk wordt graag gekozen omdat hij zo statig is. Een beu­kenlaan waar de kronen elkaar raken doet aan als een gewelf en heeft iets plechtigs. De boom kan wel 40 meter hoog worden. De stam is glad en grijs en is gevoelig voor schorsbrand. De Germanen dachten aan Freya bij de beuk en jong geliefden snijden wel eens een hartje in de bast.

Nu wordt de boom steeds hoger en waar blijft het hartje? Groeit dat mee de hoogte in? Wat denkt U? Vlak naast het fietspad door het bos* staat een beuk met een gezicht, dat door kras­sen ontstaan is. De geest van de boom kijkt ons aan. De schrijver Tolkien, van ‘In de ban van de ring” laat de bomen leven en spreken.

Zou het gezicht iets betekenen? En dat kan allemaal door de mooie gladde stam.

De jonge bladeren hebben een pluizi­ge rand, die verdwijnt na het voorjaar. In een beukenbos is het licht zacht groen. Heel anders dan in een op­stand van Douglas. Daar is het donker en vooral koel in de zomer. In een beukenbos schijnt de zon niet op de grond, het licht is gedempt, maar het is er niet donker, wat sparren zo sterk kunnen hebben. Denkt U maar aan zo’n naam als het Zwarte Woud.

De beuk heeft heel kleine bloemen die nauwelijks te zien zijn. Mannelijke en vrouwelijke bloemen groeien aan één tak Tegen de herfst hangen napjes aan de takken die in vier delen open vou­wen en daaruit vallen twee beuken­nootjes op de grond. Eekhoorns verzamelen die graag als wintervoorraad. Door de schaduw in een beukenbos groeit er eigenlijk niets op de grond. Hoe komt dat? De beuk maakt met zijn takken horizon­tale vlakken waardoor de bladeren al het licht filteren dat op de grond valt. Deze statige boom verdraagt geen ondergroei. In de herfst verkleuren de bladeren tot een prachtig beukengoud.

De bladeren bevatten looizuur waar­door zij niet direct verteren. Het looi­zuur is nuttig voor de boom, omdat hij beschermd wordt tegen planten­ziekten.

Wist U trouwens dat groene thee eveneens looizuur bevat? In Japan is een grootschalig onderzoek geweest naar gebitsaantasting. Het bleek dat mensen die regelmatig groene thee drinken veel minder tandbederf heb­ben.

De beukennootjes zijn licht giftig voor mensen. Eekhoorns en varkens kunnen daar goed tegen. Het schijnt dat met wat boter gebakken beukennoot­jes minder schadelijk zijn. De beuk heeft een schimmel nodig om stikstof en fosfor uit de bodem te kunnen op­nemen. De schimmel wordt betaald met suiker dat in het blad gevormd wordt.

Drie schimmel”bloemen” kennen wij eigenlijk allemaal. De cantharel, de vlie­genzwam en het eekhoorntjesbrood. In 1982 vond ik nog cantharellen in het bos en daarna nooit meer. Ze zijn gewoon te smakelijk om te overleven.

De beuk kan op zand groeien mits er wat leem in te vinden is. De wortels mogen niet in het water staan. De vliegenzwam heeft heel sterk ‘ge­bloeid’ na de ramp in Tsjernobyl. Men zei toen dat die zwam de radio­activiteit uit de grond opslaat.

Op landgoederen staan vaak alleen­staande rode beuken. Die werden geplant bij een wisseling van eigenaar, maar ook vanwege de hoge status. De rode beuk was namelijk zeldzaam.
Ik vond een bericht dat van 10.000 ge­plante beukenzaden er slechts één was die rood werd. Daardoor was de rode beuk niet alleen zeldzaam, maar ook heel duur. Alleen de notaris kon zich zo’n boom veroorloven, waardoor de rode beuk ook wel de notarisboom genoemd werd.

Nu zag ik op internet dat een kweker kleine rode beukjes aanbied voor € 0,89 per stuk.

Bij heftig onweer sta je veilig onder een beuk, zegt men. Dat heb ik nooit uit­geprobeerd, maar in ieder geval sta je wel beschut tegen de regen onder een grote beuk.

Jonge beuken worden graag aan­geplant als haag. Zij verliezen hun blaadjes pas als de nieuwe bladeren uitkomen.
De legende vertelt dat de duivel de heerschappij op aarde zou krijgen als er geen bladeren meer aan de bomen zouden zijn. Maar God voorkwam dit door de beuk zijn dorre bladeren te laten behouden tot er weer nieuw blad te zien zou zijn.

*in de woonplaats van de schrijver

beuk

5e klas: alle artikelen

Rudolf Steiner over plantkundealle artikel

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

859-791

VRIJESCHOOL – Plantkunde – plantendelen – vrucht

.

Bij de plantkunde gaat het allereerst om de essentiële zaken: de elementen, het verloop in de tijd, de vergelijking met de kinderlijke ontwikkeling. En alles wat leidt tot grote verwondering: in het ‘leesboek voor de plantkunde’ van Gerbert Grohmann vind je daarvoor prachtige lesstof. Natuurlijk is er ook steeds sprake van allerlei delen van de plant en het is goed dat de kinderen er veel leren, d.i. vooral kunnen herkennen. Je kunt in de 5e klas 2 perioden plantkunde geven; doe je er één, dan ook nog 1 in de 6e, anders kom je nooit door alle stof heen. Voor de 6e leent het leren van allerlei benamingen zich weer meer, dan het jaar daarvoor. De vele namen die ik hieronder weergeef, zijn vooral voor de leerkracht bedoeld, als ‘vakkennis’ en hoeven door de kinderen natuurlijk niet alle gekend te worden. Een overzicht van de voornaamste delen en hun benamingen.

DE VRUCHT
.

De vrucht is het resultaat van de rijping van een bestoven vruchtbeginsel; de daarin aanwezige zaadknoppen zijn veranderd in za­den, die na zekere tijd kunnen kiemen. Er zijn vlezige en droge vruchten.

De vlezige vrucht:

de zaden liggen ingebed in een sappig vruchtvlees, omgeven door een soepele schil. Vaak zitten de zaden in een harde kern, die weer in het vruchtvlees ligt. Na rijping laat de vrucht los en valt af.

Deze beide schematische tekeningen tonen twee doorgesneden vlezige vruchten en wel steenvruchten, omdat het zaad opgesloten ligt in het steenharde endocarp, de binnenlaag van de vruchtwand, waaromheen zich het mesocarp, de middenlaag, bevindt, die wel vlezig is. Het geheel is omgeven door het epicarp, de vruchthuid. Bv. olijf (a), zoete kers (b).

plantendelen 89

Bij de perzik is de steen erg groot.

plantendelen 90

Bij een pitvrucht is de binnenlaag van het vruchtvlees leerachtig. Bv. appel.

plantendelen 91

Wanneer de zaden los in het vruchtvlees liggen, heten de vruchten bessen. Bv. druif. In droge vruchten liggen de zaden over het algemeen niet in vruchtvlees. De droge en vaak harde vruchtwand vormt een soort doos, die al dan niet spontaan openspringt.

plantendelen 92

Niet openspringende droge vrucht:
de vrucht gaat niet open om de zaden vrij te laten, maar laat als geheel los, vaak door de wind, en valt op de grond. Na rotting van het buitenste deel kiemt het zaad tot het jonge plantje.

Bij een eenzadige dopvrucht of nootje zit het ene zaadje niet aan de wand vast. Bij o.a. veel vertegenwoordigers van de composieten­familie zit aan de dopvrucht zijdeachtig vruchtpluis vast, de haarkroon, op een steel:

plantendelen 93

Bij de lipbloemenfamilie zijn er vier dopvruchtjes per bloem, die samen een vierde­lige splitvrucht vormen.

plantendelen 94

De vruchten van de schermbloemenfamilie zijn dikwijls tweedelige splitvruchten of dub­bele dopvruchten, die uit één bloem ontstaan:

plantendelen 95

De graanvrucht is een vrucht waarvan de wand stevig is vergroeid met het ene zaadje:

plantendelen 96

Het gevleugelde nootje is een dopvrucht waaraan een vliezige vleugel is bevestigd:

plantendelen 97

Soms ontstaan er uit één bloem twee gekoppelde, gevleugelde nootjes: een gevleu­gelde dubbele dopvrucht. B.v. Spaanse aak.:

plantendelen 98

Openspringende droge vrucht:
deze springt spontaan open als hij rijp is, om de zaden te verspreiden.

De peul is een droge, openspringende vrucht, gevormd uit één vruchtblad (a); bij rijpheid splijt hij geheel open met behulp van twee kleppen (b): de zaden zijn aan de naden bevestigd. Bv. erwt.

plantendelen 99

De hauw heeft in het midden een vlies, waar de zaden aan vastzitten en dat wordt gespannen en omgeven door twee kleppen, die open kunnen springen:

plantendelen 100

De doosvrucht is een droge vrucht, die de zaden óf door kleppen, zoals bij het maarts viooltje (a), óf door spleten, zoals bij de klaproos (b), laat ontsnappen:

plantendelen 101

Schijnvruchten:

de bloembodem, waarop meerdere, vrije vruchtbladeren zijn ingeplant, zwelt op en vormt evenveel droge of vlezige vruchtjes als er vruchtbladeren waren.

Doorsnede door een framboos, met de steenvruchtjes vastgehecht op de bloembodem:

plantendelen 102

De aardbei bestaat uit een grote, vlezige en sappige bloembodem, met een groot aantal dopvruchtjes aan de oppervlakte:

plantendelen 103

Samengestelde vruchten:

deze zijn ontstaan uit een dichte bloeiwijze.

De vruchtjes, gevormd uit de bloeiwijze van de zwarte moerbei vormen een samen­gestelde vrucht, in wezen een katje:

plantendelen 104

Bij de ananas zijn de vruchten met elkaar en met hun schutbladeren vergroeid:

plantendelen 105

Een vijg heeft een vlezige en sappige bloembodem, die hol is en van binnen met kleine bloemen is bekleed:

plantendelen 106

Plantendelenwortel   blad  bloem  bloeiwijze   

5e klas: alle artikelen

Rudolf Steiner over plantkundealle artikel

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

.

858-790

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde – plantendelen – bloeiwijze

.

Bij de plantkunde gaat het allereerst om de essentiële zaken: de elementen, het verloop in de tijd, de vergelijking met de kinderlijke ontwikkeling. En alles wat leidt tot grote verwondering: in het ‘leesboek voor de plantkunde’ van Gerbert Grohmann vind je daarvoor prachtige lesstof. Natuurlijk is er ook steeds sprake van allerlei delen van de plant en het is goed dat de kinderen er veel leren, d.i. vooral kunnen herkennen. Je kunt in de 5e klas 2 perioden plantkunde geven; doe je er één, dan ook nog 1 in de 6e, anders kom je nooit door alle stof heen. Voor de 6e leent het leren van allerlei benamingen zich weer meer, dan het jaar daarvoor. De vele namen die ik hieronder weergeef, zijn vooral voor de leerkracht bedoeld, als ‘vakkennis’ en hoeven door de kinderen natuurlijk niet alle gekend te worden. Een overzicht van de voornaamste delen en hun benamingen.

DE BLOEIWIJZE
.

Het bloeiende deel van de plant bestaat óf uit alleenstaande bloemen óf uit een of meer bloeiwijzen.
Met deze laatste term wordt een verzameling bloemen bedoeld die een gemeenschappelijke bloemsteel bezitten. Vele bloeiwijzen zijn gemengd en kunnen dan zeer ingewikkelde structuren vormen.

Plant met één alleenstaande bloem:

plantendelen 70

De tros

is een bloeiwijze gevormd door een aantal bloemen waarvan de bloemstelen, die praktisch alle even lang zijn, vastgehecht zitten aan de algemene bloemsteel, die het verlengde is van de hoofd- of zij-as.

(a) Schematische tekening van de tros en (b) een voorbeeld van een tros, met de stengel en de algemene bloemsteel, bij de aalbes:

plantendelen 71

Bij de samengestelde tros zijn de zijde­lingse bloemstelen op hun beurt weer trosvor­mig vertakt en zijn deze vastgehecht aan de hoofdas van de primaire tros. Bv. wijnstok:

plantendelen 72

Een pluim

is een verzameling van samen­gestelde trossen, met lange bloemstelen van ongelijke lengte die rondom de hoofdas zijn geplaatst. Het geheel heeft de vorm van een piramide. Bv. bijvoet:

plantendelen 73

De aar:

wordt gevormd door een groep zittende bloemen, d.w.z. zonder steel aan de stengel vastgehecht.

Schema van een enkelvoudige aar:

plantendelen 74

Schema van een samengestelde aar:

plantendelen 75

Als de aar dicht, lang en als geheel afvallend is, noemt men dat een katje:

plantendelen 76

De schermvormige tros:

houdt het midden tussen een scherm en een tros: de bloemstelen zijn ongelijk van lengte, zodanig dat de bloemen praktisch op de dezelfde hoogte staan.

Schematische tekening van een schermvormige tros: (a) peer; bij het gewoon duizendblad (b) is hij samengesteld.

plantendelen 77

Een scherm:

is een bloeiwijze waarvan de bloemstelen even lang zijn en in één punt te zamen komen. Aan de voet van de bloemsteeltjes bevindt zich vaak een omwindsel.

Schematische tekening van een enkelvoudig scherm. B.v. zure kers (a); klimop (b).

plantendelen 78

De meeste vertegenwoordigers van de schermbloemenfamilie hebben een samenge­steld scherm, d.w.z. dat er zich aan het eind van elke bloemsteel niet één bloem, maar een schermpje van bloemen bevindt:

plantendelen 79

Aan de voet van de bloemstelen van het scherm vormt een krans van schutblaadjes een omwindsel. Bv. (wilde) peen. De schutblaad­jes aan de voet van een schermpje heten het omwindseltje:

plantendelen 80

Het napje van de eikel is een omwindsel, gevormd door stevige schubben die aan de basis van de vrucht blijven zitten. Ze omgeven telkens maar één enkele vrucht.

plantendelen 81

Een hoofdje

is een groep bloempjes die in een dichte aar zijn samengepropt op een verbreding van de bloemsteel: de bloembodem.

Schematische tekening van een hoofdje (a). Vergeleken met het maarts viooltje bestaat het madeliefje (b) niet uit één bloem, maar uit een groep van bloemen; elk wit lintje is een bloem (lintbloem) en elk bolletje in het gele hartje is ook een bloem (buisbloem). Alleen de gele bloemen hebben in dit geval meeldraden, die een saamhelmig androecium vormen.

plantendelen 82

plantendelen 83

Een ander soort hoofdje: de korenbloem.
Onder het hoofdje bevinden zich de schut­blaadjes, die samen het omwindsel vormen.:

plantendelen 84

De bloeikolf

is een dichte aar, die bij de aronskelk in een steriele knots eindigt en wordt omgeven door een vliezig schutblad, de bloemschede:

plantendelen 85

Een bijscherm:

is een bloeiwijze waar aan het eind van de hoofdassen een bloem staat en deze assen zich onder iedere bloem in een of twee zijtakken vertakken.

Een bijscherm noemt men ééntakkig wan­neer onder elke bloem slechts één zijtak staat, die in een bloem eindigt. Als deze zich altijd aan dezelfde kant ontwikkelt, dan wordt dit bijscherm een sikkel genoemd:

plantendelen 86

Als zich nu eens aan de ene en dan weer aan de andere zijde een zijtak tot bloem ontwikkelt, heet het bijscherm een waaier:

plantendelen 88

Het bijscherm is samengesteld wanneer iedere bloemsteel twee zijtakken draagt, die ieder een bloem aan het eind hebben staan:

plantendelen 87

Plantendelenwortel   stengel    blad  bloem   vrucht

Plantkunde: alle artikelen

5e klasalle artikelen

Rudolf Steiner over plantkundealle artikel

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

.
857-789

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde – plantendelen – bloem

 

Bij de plantkunde gaat het allereerst om de essentiële zaken: de elementen, het verloop in de tijd, de vergelijking met de kinderlijke ontwikkeling. En alles wat leidt tot grote verwondering: in het ‘leesboek voor de plantkunde’ van Gerbert Grohmann vind je daarvoor prachtige lesstof. Natuurlijk is er ook steeds sprake van allerlei delen van de plant en het is goed dat de kinderen er veel leren, d.i. vooral kunnen herkennen. Je kunt in de 5e klas 2 perioden plantkunde geven; doe je er één, dan ook nog 1 in de 6e, anders kom je nooit door alle stof heen. Voor de 6e leent het leren van allerlei benamingen zich weer meer, dan het jaar daarvoor. De vele namen die ik hieronder weergeef, zijn vooral voor de leerkracht bedoeld, als ‘vakkennis’ en hoeven door de kinderen natuurlijk niet alle gekend te worden. Een overzicht van de voornaamste delen en hun benamingen.

BLOEM


De bloem, die eigenlijk slechts een zeer gespecialiseerde spruit is, is het orgaan dat
voor de geslachtelijke voortplanting van de plant zorgt. Het is het voornaamste, doch niet het enige middel om de soort te handhaven.

tweeslachtig
bloem heeft zowel
meeldra­den, dat zijn de mannelijke voortplantingsorga­nen,
als een stamper, het vrouwelijke voort­plantingsorgaan.

éénslachtig
bloem heeft slechts de organen van één geslacht

volkomen bloem
bezit kelk, kroon, meeldraden en stamper;

onvolkomen bloem
wanneer een van deze onderdelen ontbreekt.

De bloem zit aan het eind van een bloemsteel, aan de basis waarvan zich een klein blaadje bevindt, het schutblad, dat er anders uitziet dan de andere bladeren.

zittend
de bloemsteel ontbreekt.

regelmatig of onregelmatig
al naar gelang ze re­gelmatig of tweezijdig symmetrisch is.

De volkomen bloem:
Een volkomen bloem is voorzien van bloembekleedsels, gevormd door de kelk en de kroon, het androecium (het geheel der meel­draden) en het gynoecium (de stamper, be­staande uit vruchtbeginsel, stijl en stempel):

plantendelen 45

De onderaanblik van de bloem laat ons de bloembekleedsels zien, samengesteld uit de kelk, gevormd uit de kelkbladen, en de kroon, gevormd door de kroonbladen; en tevens de bloemsteel, een vertakking van de stengel, die de bloem draagt:

plantendelen 46

De kelk:
het buitenste bekleedsel van de bloem, bestaande uit een of meerdere
kelkbla­deren en meestal groen van kleur. Soms is er ook een bijkelk aanwezig. Van de witte lelie hebben de kelkbladeren dezelfde kleur als de kroonbladeren: samen met deze laatste vormen ze dan het bloemdek.

Losbladige kelk:
de kelkbladeren staan vrij van elkaar. Bv. vogelmuur:

plantendelen 47

Vergroeidbladige kelk:
de kelkbladeren, gedeeltelijk over hun lengte verbonden, vormen een getande buis. Bv. zeepkruid:

plantendelen 48

Kelk waarvan één kelkblad helmvormig is. B.v. blauwe monnikskap:

plantendelen 49

De kroon
is het binnenste bekleedsel van de bloem, bestaande uit een aantal kroonbladeren. De taak van de kroon is belangrijk: de levendi­ge kleuren ervan, de geur die ze verspreidt en de suikers van de honingklieren aan de voet van vele kroonbladeren trekken insecten aan, waardoor de bestuiving kan plaatshebben.

Losbladige kroon:
de kroonbladeren zijn vrij. Bv. tormentil, gewoon nagelkruid.

plantendelen 50

Vergroeidbladige kroon:
de kroonbladeren zijn geheel of over een deel van de lengte met elkaar vergroeid en vormen hier een trechter­vormige kroon. Bv. haagwinde.

plantendelen 51

Soms kunnen een of meer kroonbladeren een spoor hebben. B.v. wilde akelei:

plantendelen 52

Regelmatige bloem:
de bloem kan op vele manieren in twee gelijke helften worden ver­deeld. Bv. gewoon nagelkruid

Onregelmatige bloem:
de bloem is tweezijdig symmetrisch, d.w.z. er is slechts één spiegel­vlak. Er is dus een linker- en een rechterkant. Bv. driekleurig viooltje.

plantendelen 53
plantendelen 54

Van voren gezien is de bloem tweezijdig symmetrisch:

plantendelen 55

Een onregelmatige bloem met een tweelippige kroon, waarvan twee kroonbladeren de bovenlip vormen en drie de onderlip. Bv. witte dovenetel:

plantendelen 56

Voortplantinsorganen
Het androecium en het gynoecium zijn de mannelijke en vrouwelijke voortplantingsorganen van de bloem.

Dwarsdoorsnede door de bloem van de sleedoorn.

Men onderscheidt de kelkbladeren, de kroonbladeren, de meeldraden en de stam­per.

De meeldraden
bestaan elk uit een helm­draad en een helmknop.

In het midden van de tekening is de stamper of gynoecium te zien, die wordt gevormd door het
vruchtbeginsel (een bolletje dat de zaadknoppen omsluit),
de stijl en de stempel.

Androecium en kroon zijn hier perigynisch, omdat ze boven de basis van het vruchtbeginsel op de kelk zijn ingeplant (a).

Als de uitgeholde bloembodem en het vruchtbeginsel vergroeid zijn, heet het laatste ‘onderstandig’ en is de bloem epigynisch (b):

plantendelen 57

Androecium en kroon zijn hier hypogynisch, want de kroonbladeren en de daarmee vergroeide meeldraden zijn onder het vruchtbe­ginsel ingeplant, dat dan ‘bovenstandig’ heet:

plantendelen 58

Het androecium:
dit zijn de meeldraden, die de pollenkorrels bevatten.
Het aantal meeldra­den is dikwijls kenmerkend voor een familie of een orde.

Een androecium is éénbroederig wanneer de helmdraden óf aan de basis (a) óf geheel (b) met elkaar zijn vergroeid.

plantendelen 59

 

Een tweebroederig androecium, omdat van de 10 meeldraden er 9 via hun helmdraden met elkaar zijn vergroeid en er één vrij is. Bv. gewone rolklaver.

plantendelen 60

 

Een androecium is veelbroederig wanneer de meeldraden in drie of meer bundels zijn gegroepeerd. Bv. sintjanskruid.

plantendelen 61

 

Een androecium is saamhelmig wanneer de helmdraden niet, maar de helmhokken wel zijn vergroeid en een cilinder vormen, waar de stijl doorheen gaat. (a) Lintbloem van de paarden­bloem, (b) buisbloem van het madeliefje.

plantendelen 62

Het androecium is tweemachtig wanneer van de 4 meeldraden er 2 kort en 2 lang zijn.

plantendelen 63

Een androecium is viermachtig wanneer van de 6 meeldraden er 4 lang en 2 kort zijn.

plantendelen 64

Het gynoecium
of de stamper is een orgaan dat variabeler en complexer is dan het androecium. Het bestaat uit tenminste één vruchtblad, dat een vruchtbeginsel of een hok ervan vormt met daarop de stijl en de stempel. In het algemeen bestaat het uit meerdere losse of vergroeide vruchtbladeren.

Stamper van speenkruid die uit een aantal vrije vruchtbladeren bestaat (a); bij wildemanskruid (b) heeft elk vruchtblad een pluimvormige stijl.

plantendelen 65

Stamper bestaande uit 5 vruchtbladeren, die vrij zijn aan de top, maar vergroeid aan de basis. Bv. monnikskap (a), kerstroos (b).

plantendelen 66

Stamper bestaande uit 5 vruchtbladeren, waarvan de vruchtbeginsels vergroeid zijn, maar de 5 stijlen vrij staan. Bv. (wild) vlas.

plantendelen 67

Stamper bestaande uit 3 geheel vergroeide vruchtbladeren, zodat er een driehokkig vruchtbeginsel is ontstaan, met één stijl, die in een bolvormige stempel eindigt met drie korte lobben. Bv. tulp:

plantendelen 68

Stamper van een klaproos, waarvan het vruchtbeginsel aan de top een vergrote, schijf­vormige stempel met stervormige lobben bezit:

plantendelen 69

 

plantendelenwortel   stengel    blad   bloeiwijze   vrucht

Plantkunde: alle artikelen

5e klasalle artikelen

Rudolf Steiner over plantkundealle artikel

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

 

 

 

 

856-788

 

VRIJESCHOOL – Plantkunde – plantendelen – blad

.

Bij de plantkunde gaat het allereerst om de essentiële zaken: de elementen, het verloop in de tijd, de vergelijking met de kinderlijke ontwikkeling. En alles wat leidt tot grote verwondering: in het ‘leesboek voor de plantkunde’ van Gerbert Grohmann vind je daarvoor prachtige lesstof. Natuurlijk is er ook steeds sprake van allerlei delen van de plant en het is goed dat de kinderen er veel leren, d.i. vooral kunnen herkennen. Je kunt in de 5e klas 2 perioden plantkunde geven; doe je er één, dan ook nog 1 in de 6e, anders kom je nooit door alle stof heen. Voor de 6e leent het leren van allerlei benamingen zich weer meer, dan het jaar daarvoor. De vele namen die ik hieronder weergeef, zijn vooral voor de leerkracht bedoeld, als ‘vakkennis’ en hoeven door de kinderen natuurlijk niet alle gekend te worden. Een overzicht van de voornaamste delen en hun benamingen.

BLAD
Een blad is een zijdelings aanhangsel van de stengel, ontstaan door de verbreding van een loot. Eigenlijk is het het belangrijkste onderdeel van de geheel zelfstandig levende plant. Door middel van het bladgroen, het chlorofyl, worden de rode stralen van het zonnespectrum geabsorbeerd en zo wordt de energie verzameld die nodig is voor de ver­vaardiging van koolhydraten of suikers en daarna van eiwitten en vetten. De werkzame stoffen van de geneeskrachtige planten worden dikwijls in het blad gemaakt. Alle andere groene delen van de plant: jonge stengel, bladscheden, steunblaadjes en schutbladeren hebben, zij het in mindere mate, dezelfde functie als het blad. Bladeren kunnen er heel verschillend uitzien en er kunnen allerlei overgangsvormen zijn. Om een blad te herkennen moet men kijken naar de wijze van vasthechting aan de stengel, de nervatuur van de bladschijf, de vorm van de bladschijf en de bladstand.

knop:
de kiem van een loot; hij bevat een sterk verkorte, bebladerde stengel, die al dan niet door schubben wordt beschermd.

eindknop:
bevindt zich aan de top van de stengel; de loot of de bloeiwijze, die hij in het voorjaar voortbrengt, doet deze stengel groeien. Een okselknop bevindt zich in de bovenhoek tussen de bladsteel en de stengel, dus in de oksel van het blad, en zal in het voorjaar uitlopen tot een bebladerde stengel, een bloem of een bloeiwijze. Bijv. appel, peer.

plantendelen 33

vasthechting van de bladeren:
een enkelvoudig, gaafrandig blad, met een bladsteel die de bladschijf, waarvan de onderzijde zijde hier te zien is, met de stengel verbindt.

plantendelen 34

samengesteld blad met drie blaadjes (drietallig). Aan de voet van de bladsteel twee enkelvoudige steunblaadjes.

plantendelen 35

Bij de bladeren van grassen is geen bladsteel aanwezig. Een deel van de bladschijf omgeeft de stengel (halm) als een foedraal tot aan een knoop: dit is de bladschede. Op de overgang met de schijf bevindt zich het ton­getje.

plantendelen 36

zittend blad: heeft geen bladsteel

plantendelen 37

de bladschijf kan uitlopen in oortjes rondom de stengel: geoord of stengelomvattend

plantendelen 38

of als vleugels langs een deel van de stengel: aflo­pend.

plantendelen 39

De bladsteel van een schildvormig blad is vastgehecht in het midden van de onderzijde van de bladschijf. Bijv. navelkruid

plantendelen 40

nervatuur:
door de bladschijf lopen ner­ven met hun vertakkingen, die een verlenging zijn van de bladsteel. Ze kunnen min of meer uitspringend zijn en dienen zowel voor steun als voor de sapstroom. Het verloop van de nerven in de bladschijf is vaak kenmerkend voor een geslacht of een familie. parallelnervig: de nerven lopen vanaf de bladvoet min of meer evenwijdig aan elkaar. Bijv. smalle weegbree en soorten van de lelie-en grassenfamilie.

plantendelen 41

Soms is de bladschijf gereduceerd tot één nerf, bijv. bij de naalden van de den, jenever­bes of zilverspar.

plantendelen 42

veernervig: de zijnerven zijn langs de hoofdnerf gerangschikt als de tanden van een dubbele kam. Bijv. beuk, eik.

plantendelen 43

handnervig:
de nerven ontspringen uit één punt aan de voet van de bladschijf, net als de vingers van een gespreide hand. Bijv. groot kaasjeskruid, wonderboom

plantendelen 44

Bladeren kunnen naar de manier van in­snijding van rand en schijf als volgt wor­den ingedeeld:

enkelvoudige bladeren:
een enkelvoudig blad heeft één bladschijf, waarvan de randen min of meer ingesneden kunnen zijn. Hier volgen enkele voorbeelden.

gaafrandig:
rand zonder insnijdingen. Bijv. gewone sering.

plantendelen 20

gezaagd: rand met kleine uitsteeksels, die scherp zijn, waartussen afgeronde insnij­dingen. Bijv. tamme kastanje, hulst.

plantendelen 21

gekarteld: rand met afgeronde uitsteeksels en scherpe insnijdingen. Bijv. zwarte populier.

plantendelen 22

Het verschil tussen een veer- of handspletig en een veer- of handdelig blad berust op de diepte van de insnijdingen.

veerspletig of veerlobbig:
rand met diepe insnijdingen, tot ongeveer de helft. Bijv. eik.

plantendelen 24

veerdelig: de insnijdingen van de blad­schijf gaan tot over de helft.

plantendelen 23

samengestelde bladeren:
een samengesteld blad heeft insnijdingen die tot de hoofdnerf gaan, zodat er kleine blaadjes ontstaan, die vaak elk een eigen steeltje bezitten.     het   verschil   met   een   ingesneden, enkelvoudig blad is duidelijk te zien. Het geheel lijkt op een stengel met blaadjes.

plantendelen 25

schema van een blad dat drievoudig geveerd is.

plantendelen 26

oneven geveerd: de blaadjes staan aan weerszijden van de hoofdnerf ingeplant, terwijl er aan het eind daarvan slechts één topblaadje is geplaatst. Bijv. wilde lijsterbes.

plantendelen 27

handvormig samengesteld:
de blaadjes zijn in de vorm van de vingers van een gespreide hand in één punt bij de bladsteel met elkaar verbonden. Bijv. witte paardenkastanje.

bladstand:
de bladeren kunnen op drie manieren langs de stengel gerangschikt zijn: kruisgewijs, verspreid of kransgewijs.

kruisgewijs:
op iedere knoop staan telkens twee blaadjes, waarbij de blaadjes van een volgend bladpaar daar loodrecht op staan. Bijv. lipbloemenfamilie, palmboompje.

plantendelen 29

verspreid: op iedere knoop staat maar één blad. Bijv. linde

plantendelen 30

kransgewijs: op iedere knoop zijn meer dan twee bladeren rond de stengel ingeplant. Bijv. lievevrouwebedstro.

plantendelen 31 rozet: een verspreide bladstand, waarbij de leden tussen de knopen zo kort zijn, dat het lijkt alsof de bladeren in één krans aan de basis van de stengel nabij de grond zijn vastgehecht. Bijv. vetblad, echte sleutelbloem.

plantendelen 32Plantendelen: wortel    stengel   bloem  bloeiwijze   vrucht

5e klasalle artikelen

Rudolf Steiner over plantkundealle artikelen

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

.

843-775

VRIJESCHOOL – Plantkunde – plantendelen – stengel

.

Bij de plantkunde gaat het allereerst om de essentiële zaken: de elementen, het verloop in de tijd, de vergelijking met de kinderlijke ontwikkeling. En alles wat leidt tot grote verwondering: in het ‘leesboek voor de plantkunde’ van Gerbert Grohmann vind je daarvoor prachtige lesstof. Natuurlijk is er ook steeds sprake van allerlei delen van de plant en het is goed dat de kinderen er veel leren, d.i. vooral kunnen herkennen. Je kunt in de 5e klas 2 perioden plantkunde geven; doe je er één, dan ook nog 1 in de 6e, anders kom je nooit door alle stof heen. Voor de 6e leent het leren van allerlei benamingen zich weer meer, dan het jaar daarvoor. De vele namen die ik hieronder weergeef, zijn vooral voor de leerkracht bedoeld, als ‘vakkennis’ en hoeven door de kinderen natuurlijk niet alle gekend te worden. Een overzicht van de voornaamste delen en hun benamingen.

STENGEL

De stengel draagt de bladeren en omdat hij ook de vaatbundels bevat, doet hij dienst als transportbaan van water en anorganische zouten van de wortels naar de bladeren, en van koolhydraten en andere assimilatieproducten van de bladeren naar de rest van de plant. Er zijn bovengrondse en ondergrondse stengels.

bovengrondse stengels:
deze stengels zijn de boven de grond uitstekende voortzetting van de wortelhals.

een rechtopstaande, bovengrondse stengel:
kan kruidachtig zijn, dus slap, breekbaar en kort levend, bijv. tarwe, maïs, of houtachtig, dus stevig, taai en overblijvend, zoals bij bomen en struiken, bijv. beuk.

plantendelen 9

klimmende stengels:
zijn meestal niet krachtig genoeg om zich zonder steun omhoog te houden. Ze hechten zich dan ook op een of andere manier vast, door middel van ranken (wijnstok), hechtwortels (klimop) of bladste­len (bosrank).

plantendelen 10

windende stengel:
houdt zich aan zijn steunvlak vast door zich er omheen te winden. Bijv. haagwinde.

plantendelen 11

kruipende, bovengrondse stengel:
uit­loper genaamd, groeit evenwijdig met de op­pervlakte. De knopen schieten wortel en daar ontstaan nieuwe plantjes, die op hun beurt weer moederplantjes worden en uitlopers vor­men. Bijv. bosaardbei, maarts viooltje.

plantendelen 12

ondergrondse stengels:
dit kunnen horizon­taal of schuin groeiende wortelstokken zijn, die overblijvend zijn en waarbij het ene eind doorgroeit en telkens nieuwe planten levert, en het andere eind afsterft.
Ook kunnen ze knol­vormig opgezwollen zijn, vol reservevoedsel, of kunnen het bollen zijn, waarbij de stengel sterk verkort is (bolschijf).

kenmerken:
=de ondergrondse stengel, of wortelstok, kruipt vlak onder het bodemoppervlak. Bijv. witte dovenetel.

plantendelen 13


=op de wortelstok kan men het litteken onderscheiden van de bloeiwijze van het vorige jaar en ook de knop waaruit het volgende jaar een stengel zal groeien, die weer een boven­grondse bloeiwijze zal vormen. Bijv.
duinsalo­monszegel.

plantendelen 14


=knolvormige, ondergrondse stengels (a), die niet met wortels moeten worden verward. Er zitten knoppen op en kleine, schubvormige blaadjes (b). Bijv. aardappel.

plantendelen 15

=massieve bol
(a) zonder vlezige schubben. Bijv. tulp.

plantendelen 16

en (b) dwarsdoorsnede.

plantendelen 17

=geschubde bol
met vlezige bladeren. Bijv. witte lelie

plantendelen 18

gerokte bol,
waarvan de bladeren als vliezen over elkaar heen liggen, zodat elke rok de meer naar binnen gelegen delen, die jonger en vleziger zijn, bedekt. Bijv. ui.

plantendelen 19

.

Plantendelen: wortel   blad  bloem  bloeiwijze   vrucht

5e klasalle artikelen

Rudolf Steiner over plantkundealle artikel

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

 

 

 

 

 

.

842-774
 

 

VRIJESCHOOL – Plantkunde – plantendelen – wortel

.

Bij de plantkunde gaat het allereerst om de essentiële zaken: de elementen, het verloop in de tijd, de vergelijking met de kinderlijke ontwikkeling. En alles wat leidt tot grote verwondering: in het ‘leesboek voor de plantkunde’ van Gerbert Grohmann vind je daarvoor prachtige lesstof. Natuurlijk is er ook steeds sprake van allerlei delen van de plant en het is goed dat de kinderen er veel leren, d.i. vooral kunnen herkennen. Je kunt in de 5e klas 2 perioden plantkunde geven; doe je er één, dan ook nog 1 in de 6e, anders kom je nooit door alle stof heen. Voor de 6e leent het leren van allerlei benamingen zich weer meer, dan het jaar daarvoor. De vele namen die ik hieronder weergeef, zijn vooral voor de leerkracht bedoeld, als ‘vakkennis’ en hoeven door de kinderen natuurlijk niet alle gekend te worden. Een overzicht van de voornaamste delen en hun benamingen.

WORTEL

Dit is het belangrijkste ondergrondse deel van de plant. De wortel zorgt voor de bevestiging in de bodem, zodat de plant stevig staat, voor de aanvoer van water en anorgani­sche zouten door de opname van de voedings­stoffen uit de bodem en dikwijls ook voor de opslag van reservevoedsel. Hij kan in bepaalde gevallen het werkzame bestanddeel van de geneeskrachtige plant bevatten, maar ook wel het giftigste.

De vormen waarin de wortel kan voorkomen, zijn de volgende:

hoofdwortel:
een recht naar beneden groeien­de wortel, die zijwortels draagt.

penwortel:
ligt in het verlengde van de stengel en is belangrijker dan de andere, secundaire wortels, die zijdelings uit de hoofd­wortel ontspringen en zich vertakken tot haarworteltjes.

wortelhals:
is het verbindings­punt tussen de wortel en de stengel.

wortelmutsje:
is het eindpunt van wortels en haarwortels.

wortelharen:
hierdoor dringt het water met de anorganische zouten de plant binnen.

plantendelen 1

knol- en peenvormige penwortel:
een wortel die gevuld is met reservevoedsel, bijv. radijs en peen

plantendelen 2

na enkele jaren kan de penwortel sterk uitgegroeid en verhout zijn, bijv. bij de eik:

plantendelen 3

bijwortels:
meerdere gelijkwaardige wortels ontspringen aan de stengelvoet. Grassen, zoals granen en een aantal voedingsgewassen hebben een bijwortelsysteem.

plantendelen 4

Een aantal bijwortels is knolvormig door de opslag door de opslag van reservevoedsel, bijv. bij het speenkruid.

plantendelen 5

adventieve wortels eveneens bijwortels genoemd, groeien zijdelings uit een boven- of ondergrondse stengel, zoals dat gebeurt bij een stekje; ze groeien dus niet in het verlengde van de stengel of uit een andere wortel. Over de gehele lengte van de horizontaal boven de grond groeiende stengel ontwikkelen zich adventieve wortels op iedere knoop, bij bijv. wilde tijm, mannetjesereprijs.

plantendelen 6

Vanuit een ondergronds, horizontaal groei­end stengeldeel, of wortelstok, ontwikkelen zich wortels op de knopen, bij bijv. witte dovenetel, duinsalomonszegel, kweek.

plantendelen 7

De adventieve wortels ontwikkelen zich aan een stekje, bij bijv. schietwilg.

plantendelen 8

Plantendelen:    stengel    blad  bloem  bloeiwijze  vrucht

Plantkunde: alle artikelen

Verschillen bol en knol:

Geen bollen maar knollen

Laatst schreef ik dat krokussen te vermeerderen zijn via hun bollen. Maar krokussen vermeerderen zich via knollen, niet via bollen. De krokus is geen bolgewas maar een knolgewas. Piet Wolswinkel, die als plantkundige vaak het verschil tussen bollen en knollen aan eerstejaarsbiologiestudenten in Utrecht uitlegde, wees mij daarop.
Sommige planten trekken zich na hun bloei terug in hun ondergrondse delen, zoals krokussen en tulpen. Tulpen doen dat als bol, krokussen als knol. Een bol is een cluster verdikte bladeren; schubben of rokken genoemd. De ui is ook een bolgewas. De knol van een krokus bestaat niet uit verdikte bladeren, maar is een verdikte stengel. Een stengelknol dus. Behalve krokussen hebben ook gladiolen stengelknollen, evenals aardappels.
Dahlia, aardpeer en speenkruid zijn ook knolgewassen. Toch onderscheiden die zich van krokussen, gladiolen en aardappels, doordat ze geen stengelknollen, maar wortelknollen hebben. Om het verwarrend te maken: de koolraap heeft een stengelknol, de knolraap een wortelknol.
Nu we toch bezig zijn: Een rode biet heeft wortelknollen, maar een suikerbiet valt onder geen van de genoemde categorieën, die heeft geen knollen maar dikke wortels, net als peen.
Ten slotte zijn er nog buitenbeentjes als radijs en rammenas: die houden qua opslag het midden tussen een verdikte wortel en een verdikte stengel.
Zulke verschillen en de bijbehorende termen zijn vooral kost voor de botanici onder ons; de bloemist merkt het waarschijnlijk niet eens op als je naar dahliabollen of krokusbollen vraagt. Piet Wolswinkel echter merkt zoiets meteen op. Ik beloof hem bij dezen dat ik krokusknollen geen bollen meer zal noemen.
Inmiddels zijn de meeste krokussen trouwens uitgebloeid en maken ze plaats voor paardenbloemen.
Maar wacht, eigenlijk is een paardenbloem geen bloem. Het is een compositie van tientallen kleine bloempjes.


Trouw, Koos Dijksterhuis
29-03-2023

.
5e klas: alle artikelen

Rudolf Steiner over plantkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 5e klas plantkunde

841-773