VRIJESCHOOL – Maria-Lichtmis (4)

.
Dieuwke Hessels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’:
(janauri 2022)
toestemming van de schrijfster.
.

Maria-Lichtmis:

Moeder aarde krijgt het licht terug maar ook: hoe wij ons kunnen of durven openstellen meer licht te ontvangen de komende tijd.

We droegen alle kaarsjes
tot in het mulle zand.
In kleine aarde-kuiltjes
werden ze opgebrand.
Dag vlam, dag vlam en dankjewel,
dat je het licht bewaarde.
Weldra komt weer zonneschijn,
doof nu maar in de aarde.
Tot ziens in de Sint-Maartenstijd.
Dat is nog wel heel ver,
maar kom jij dan, in mijn knol,
weer stralen als een ster?

Uit: Van winterkrans tot zomerdans
Lidwien van Geffen

Maria-Lichtmisfeest is echt een kanteling in het jaar.
Hoewel Pasen het echte lentefeest is, heeft Maria-Lichtmis alles in zich om ons wakker te maken voor die komende lente. Enerzijds gaat het om de afsluiting van de lichtjesperiode vanaf Sint-Maarten, en anderzijds om de start van de reiniging van onszelf en moeder aarde om fris en schoon aan het nieuwe jaar te beginnen.
Met dit feest sluiten we de grote Kersttijd, die we met Sint-Maarten begonnen, af.
Met Sint-Maarten brachten we met onze lampion het licht naar binnen en met Maria-Lichtmis is het een mooi gebruik om ’s morgens het licht naar buiten te brengen. We kunnen het licht missen en richten nu ons innerlijk licht in de vorm van aandacht naar buiten. Daarbij helpt de warmte van de naar buiten gebrachte brandende kaarsjes die, behalve met licht ook vol warmte zijn, mee de aarde in haar ontwaak-proces te steunen. En wat te denken met de voorzichtige en zorgvolle wijze waarop dit gedaan wordt door grote en kleine mensjes: welk een verbondenheid! Verwachtingsvol kijken we naar waar de eerste sneeuwklokjes tevoorschijn komen als teken van de ontluikende natuur. Het licht van de zon wekt het leven komt tevoorschijn en overwint de duisternis.

[Naar: levende sprookjes, Marijke Steenbruggen].

Met Maria-lichtmis, de ontwakende aarde is het ook tijd voor Moeder Aarde, Vrouw Holle en Sinte-Bride en Vrouwtje Dooi: een mengelmoes van groeikrachten en, in onderstaand schrijven, een mix aan informatie.

Het feest van Maria-Lichtmis

De Zonnejaargroep:
Van alle feesten in de winter is in onze tijd Maria-Lichtmis het minst bekend en dat terwijl dit feest aanduidt, dat de grote kersttijd nu echt ten einde is gekomen. Het natuurlijke licht overheerst de duisternis en de aarde maakt zich op voor een nieuw begin, voor nieuw leven.

De twee maal veertig dagen rond Kerstmis worden in- en uitgeluid met twee lichtfeesten. Brengen we veertig dagen vóór Kerstmis, met Sint-Maarten, het licht bij avondschemering van buiten naar binnen, op 2 februari, veertig dagen ná Kerstmis, brengen we in de vroege ochtend het licht van binnen naar buiten. Dan vieren we Maria-Lichtmis.
Kaarsresten, verzameld in de lange donkere tijd, omgesmolten en van nieuwe pit voorzien, brengen we zacht zingend naar buiten in de tuin naar plaatsen waar het eerste nieuwe leven tevoorschijn komt; een eerbetoon aan de aarde, die opnieuw haar lichtkracht opdraagt aan de schepping en haar jaarcyclus begint. Van achter het raam genieten we daarna ons ontbijt, terwijl buiten het schijnsel van de kaarsen vervaagt door de eerste stralen van de opkomende zon.
Het feest van Maria-Lichtmis is ook bekend onder de naam Maria-Zuivering. De oorsprong van deze naamgeving is terug te vinden in de bijbel: ‘En toen hij na acht dagen besneden moest worden, werd over hem de naam Jezus uitgesproken, die door de engel was genoemd, voordat hij in de moederschoot ontvangen was. Daarna kwamen de dagen der reiniging volgens de wet van Mozes. Toen deze verstreken waren, brachten de ouders het kind naar Jeruzalem om het aan de Heer op te dragen, zoals in de wet des Heren geschreven staat: Al het mannelijke dat de moederschoot opent, zal aan de Heer gewijd worden. Zij wilden ook offergaven brengen, die in de wet des Heren voorgeschreven zijn: een paar tortelduiven, of twee jonge duiven.’ (Lukas 2; 22-24 vert. Ogilvie)
Zo schreef de Joodse wet voor, dat een vrouw veertig dagen na de bevalling een reinigingsoffer in de tempel moest brengen. Jozef en Maria offerden twee duifjes en droegen hun kind op aan de Heer. In de tempel ontmoetten zij Simeon, die het kind opneemt en wordt omstraald door hemels licht.
Dit ontroerende moment is door de eeuwen heen op vele wijzen in beeld gebracht.

Simeon, door Rembrandt van Rijn

In Jeruzalem en Rome werd de reiniging van de Heilige Maagd al in het begin van de vierde eeuw gevierd met een grote processie door de stad. Deze tradities zijn in onze cultuur in die vorm zeker geen realiteit meer. Toch denk ik, dat nog menig grootmoeder in het zuiden van het land kan vertellen over haar eerste kerkgang, zes weken na de bevalling. Het hormonale ritme is dan weer hersteld, de vrouw is ‘gereinigd’; ze mag weer bakken en braden en zich onder de mensen begeven.

Brandende kaarsen

In de middeleeuwen werd Maria-Zuivering vooral een lichtfeest;
Festum Candelarum, een benaming, die wij in het Duitse Kandelmesse, het Franse Chandeleur en het Engelse Candlemass nog terugvinden. De Latijnse benaming Festum Luminum vinden we terug in ons Lichtmisfeest, dat in veel katholieke kerken nog wordt gevierd: meegebrachte kaarsen worden gewijd en aangestoken om daarmee ter ere van Maria gezamenlijk een processie te lopen.
Vervolgens wordt de mis opgedragen in het licht van al die brandende kaarsen, waardoor met recht over een ‘lichte mis’ gesproken kan worden: Maria Lichtmis. Lichtmiskaarsen werden na de mis mee naar huis genomen, om met het kaarsvet boven de deuren van huis, schuur en stallen een kruisteken aan te brengen met de bede dier en mens te beschermen. Sinds mensenheugenis worden kaarsen en vuren ontstoken om een verbinding met de goddelijke wereld te bevorderen. De Romeinen hadden bijvoorbeeld de gewoonte tijdens de bevalling een kaars te branden voor de godin Candelifera ter bescherming van moeder en kind.

Februari reinigingsmaand

Het Latijnse woord ‘februa’ betekent reiniging. Kunnen we in onze tijd nog iets van die reiniging beleven? Bijvoorbeeld als reine sneeuwvlokken de aarde met een wit kleed bedekken of wanneer de eerste sneeuwklokjes tevoorschijn komen? In bomen en struiken stijgen de sapstromen weer omhoog als uiting van nieuw leven. Bomen laten hun laatste dorre takken -sprokkels- vallen, die door de mensen vroeger werden verzameld als aanvulling op het brandhout, dat in dit jaargetijde vaak niet meer toereikend was.
Februari heet dan ook sprokkelmaand.
Dieren komen uit hun winterslaap en reinigen zich voor de komende bevruchting. Zodra de temperatuur het toelaat verlaten bijen de korf voor hun eerste reinigingsvlucht om onverteerde resten van honing, die ze in de winter hebben opgezogen, als geelbruine bolletjes uit te scheiden.
Rond deze dagen kan de was buiten niet gedroogd worden. Mensen doen sapkuren, volgen diëten om het lichaam te reinigen. Bij de Romeinen werd er in februari schoongemaakt: op 1 maart begon immers het nieuwe jaar. Sommige Nederlandse huisvrouwen houden nog altijd in het vroege voorjaar, voor Pasen, grote schoonmaak.

Wanneer vieren we Maria-Lichtmis?

In het jaar 494 is het Maria-Lichtmisfeest officieel vastgelegd op 2 februari. De kerkelijke autoriteiten probeerden daarmee invloed te krijgen op alle voorchristelijke feestvormen en deze naar eigen inzicht om te vormen. Heidense rituelen werden verboden. Door deze voorchristelijke rituelen aan een vaste datum te koppelen, zijn ze niet langer in overeenstemming met de seizoenencyclus van de aarde op de verschillende breedtegraden. Voor natuurgebonden vieringen ontstaat hierdoor een probleem. Zo is het op onze breedtegraad begin februari winter: de aarde houdt haar adem in en moet vaak nog weken wachten om haar nieuwe kiemkracht uiterlijk te tonen.
Hierdoor ontstaat een uitdaging om naast 2 februari, de datum waarop op alle breedtegraden de toename van het licht gevierd kan worden, het natuurlijke aspect opnieuw vorm te geven.
Het feest vormt terecht het ankerpunt aan het einde van de grote kersttijd. Dat kunnen we wel vieren. Het is de tijd, waarin je kunt ervaren dat het natuurlijke licht de duisternis gaat overheersen.
Een manier om dit feest te vieren is al het kunstlicht ’s morgens vroeg uit te laten, te ontbijten met een bloeiende hazelaartak op tafel of een tak van de berk, de venusboom. Op een drijfschaal liggen de open bloemen van de kerstroos, verlicht door drijfkaarsjes. Als buiten het ijs al gesmolten is, kun je wandelen met omgesmolten kaarsresten naar een rivier om het nieuwe levenslicht aan het stromende water mee te geven, de wereld in. Dat kan allemaal wél op deze dag.
We moeten ons bovenal bewust worden, dat het hier, naast het terugkerende licht, om onze aarde gaat, die zwijgend en met grote trouw haar nieuwe cyclus begint.
Onze aarde is een levend organisme, dat net als ieder ander organisme aandacht, zorg en liefde behoeft. Iedere januari-februaritijd, waarin zij aangeeft een nieuwe jaarronde te beginnen, kunnen wíj besluiten haar in haar vele verschijningen met liefdevolle aandacht te volgen.
Vieren betekent: je onzelfzuchtig liefdevol verbinden en verheugen over de schepping begeleid door een sacraal gebaar.
Guido Gezelle geeft aan hoe de overgave aan de waarneming van de natuur, oftewel het stille luisteren van de ziel, de toegang vormt tot het goddelijke wezen van de aarde.

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
’t lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
’t diep gedoken Woord zo zoet…
als de ziele luistert

Laten we de taal, de gebarentaal van de schepping, weer leren beluisteren. Laten we onze aarde weer aankijken, liefhebben en verzorgen. Laten we met onze kinderen de eerste krokus begroeten, de vogelgeluiden en de namen van de bomen in de straat leren kennen. Laten we samen weer de gang van de planeten door de dierenriem volgen, samen de wijsheid van de schepping bewonderen.
Opdat de aarde zich weer mag verheugen over de mens en zij mag ervaren, dat wij haar willen helpen haar nieuwe natuur in de toekomst te verwezenlijken. 

Ideeën voor de viering en de seizoenstafel

Uit:
‘Schipper mag ik overvaren’, Juul van der Stok

Maria-Lichtmis in de praktijk

Samenvattend zou je kunnen zeggen dat het bij het Maria-Lichtmisfeest enerzijds gaat om de afsluiting van de grote kersttijd op 2 februari en anderzijds om onze levende aardemoeder, die vervuld en gereinigd opnieuw haar lichtkracht opdraagt aan de schepping.

Ervaringen uit de praktijk
• Het naar buiten brengen van alle omgesmolten kaarsresten uit de donkere tijd.
• Het ontbijt zonder kunstlicht met een schaal drijfkaarsjes op tafel onder een hazelaar- of berkentak.
• Het stromende water waaraan we brandende lichtjes meegeven.
• Ik herinner me hoe in de kleuterklassen op de vrijeschool 2 februari uitbundig werd gevierd.
Jozef en Maria, die vanuit de stal stapje voor stapje langs de vensterbank en het boekenkastje voor hun lange reis op weg waren gegaan, werden nu door de kinderen uitgezwaaid en verdwenen uit het zicht.
Nog één keer werden met veel plezier naar keuze de lievelingsliedjes van alle lichtfeesten gezongen. De laatste attributen van de lange wintertijd werden definitief opgeruimd.

• In de dagen voor 2 februari kunnen we zelf sterren-drijfkaarsjes maken met behulp van een metalen ster-koekvormpje met een doorsnede van een waxinelichtje. Leg het waxientje bij de verwarming of héél even in de oven, zodat het vormpje makkelijk doorgedrukt kan worden.
• De dag voor 2 februari verzamelen we alles wat in de loop van de winter van buiten naar binnen kwam in de vensterbank bij de tuindeur, eventueel met een paar nieuwe primulaplantjes, om het de volgende ochtend vroeg naar buiten te brengen.
• We kunnen buiten het dennengroen van de adventstuin, dat de op Sint-Maartensdag geplante bloembollen tegen de winterkou beschermde, verwijderen. Voorzichtig zoeken we tussen het dorre blad naar de eerste groene puntjes.
• Binnen kunnen we het uitlopen van een hyacintenbol op een glas water volgen of een boon zien ontkiemen, of het kapje van een winterwortel zien uitlopen op een schoteltje water.
• Er zijn tradities waarbij vrouwfiguren, gemaakt van het stro van de laatste korenschoof van de oogst in de herfst, in het vuur verbrand worden.
• De Germanen offerden aan het einde van de Jultijd een Julbok van stro aan hun vruchtbaarheidsgoden. In Nederland kennen we deze traditie ook.
• In een vuurkorf kunnen wij het dennengroen, dor blad en allerlei winterrommel van huis en tuin verbranden.
• Voor het plotselinge overweldigende licht ga ik meerdere dagen in het vroegste voorjaar naar buiten. Hoe vanzelfsprekend loop ik op zo’n lichte dag mijn stoep of balkon te vegen en verheug ik me over alles wat weer nieuw te zien is.

De seizoenstafel

Hoe laten we Moeder Aarde verschijnen met haar wortelkindjes en elementenwezens? Is het boek ‘De Wortelkinderen’ van Sybille von Olfers hét voorbeeld, of is die uitlopende tak genoeg?
Kies je eigen vorm voor jouw plek in huis. Houd het sober en weet dat voor kinderen het sterkst werkt wat jij met enthousiasme verzorgt!
Juffie op school doet het anders en de buurvrouw heeft ook haar eigen ideeën!
Koning Winter kan plotseling verschijnen en het donkere winterlandschap veranderen in een witte wereld. Binnen kunnen we met behulp van kleine witte lapjes en wattenvlokjes op het donkerblauwe achterdoek het beeld van de besneeuwde wereld oproepen. Als Vrouwtje Dooi haar werk doet, kunnen we door het verschuiven van de witte lapjes en wattenvlokjes kale aardeplekken tevoorschijn toveren, waar groene punten van bolgewassen tevoorschijn komen. Maar boven alles gaat het om het gebaar van de opvoeder, de ouder de leerkracht. Als mens, ben je voorbeeld voor een nieuwe generatie. En dat geldt niet alleen voor het vroegste voorjaar maar voor het hele jaar: zelfs voor het hele leven.

Gedichtje

Alle zaadjes slapen zacht.
Wij kabouters houden wacht.
’t Kerstkind heeft hun licht gegeven,
Heel de wereld kan weer leven. Hierbinnen flikkert stil,
Tot de lente komen wil.

A.D. Hezemans-Westra

Maria Lichtmis, 2 februari
Uit; Vier de Seizoenen. Sinte-Bride

De dag die voorafgaat aan Maria-Lichtmis, is de Naamdag van Sinte-Bride, 1 februari.
Sinte-Bride leefde in het Ierland aan het einde van de vijfde en begin van de zesde eeuw. Men zegt dat op haar naamdag de eerste vogels hun nest beginnen te maken, want de dood van het jaar is voorbij en de geboortedag van het jaar is aangebroken. En men zegt dat `toen Maria voor de reiniging naar de tempel ging, Bride voor haar uit liep met een brandende kaars in iedere hand. Er stond een sterke wind rond de hoogten van de tempel, maar de kaarsen flakkerden niet. Daarom wordt ze Bride met het licht genoemd en haar naamdag: de dag van Bride met de kaarsen. Haar naamdag, 1 februari, de eerste dag van de Keltische lente, is de dag voor Maria-Lichtmis. Op deze dag worden zowel de kaarsen als het vuur in het wierookvat gezegend door de Keltische kerk, als voorbereiding op het reinigingsfeest, de dag erna. Aan dit vuur wordt ook het Maria-Lichtmisvuur ontstoken, waarvan een deel van het jaar werd bewaard om met Kerstmis het kersthout aan te steken.

We droegen alle kaarsjes tot in het mulle zand.
In kleine aarde-kuiltjes werden ze opgebrand.
Dag vlam, dag vlam en dankjewel
dat je het licht bewaarde.
Weldra komt weer zonneschijn,
doof nu maar in de aarde.
Tot ziens in de Sint-Maartenstijd,
dat is nog wel heel ver,
Maar kom jij dan, in mijn knol,
Weer stralen als een ster?

Op Maria-Lichtmis worden traditioneel kaarsen gewijd en een kaarsenprocessie gehouden vóór de mis; vandaar de naam lichtmis. In veel talen verwijst de naam van het feest rechtstreeks naar kaarsen: het Zweeds: Kyndelsmässodagen, en in
het Frans: Chandeleur. De processie staat symbool voor de intrede van Christus in de tempel van Jeruzalem, als het “Licht dat voor alle volkeren straalt”.

Antroposofie en het kind
Martine heeft een blogbericht geplaatst: Moeder Aarde en Maria Lichtmis
Door: Corina:

Eind januari? In de diepe, stille winteraarde, gebeurt iets heel bijzonders…
De allerkleinste zaden ontkiemen en vinden hun weg naar de zon, tegen de
zwaartekracht in. De aarde opent zich, is vruchtbaar. Midden in de winter.
De sneeuwklokjes bloeien al!
Na de stille, donkere (en dit jaar ook nog) sombere dagen van december en
januari, verlangen we naar zon en licht. Maar de weg ernaartoe voelt zwaar, alsof we zelf ook tegen de stroom in moeten gaan. Ons hart maakt werkelijk een sprongetje als de zon schijnt, naar buiten! Het sterkt ons dat de dagen ook al merkbaar lengen.
Wat er met de natuur gebeurt, wordt ook innerlijk zichtbaar. De verwachting van de lente is voelbaar. We ontwaken langzaam. We stellen ons vruchtbaar open voor bewustwording en nieuw inzicht. Misschien is er zelfs al inspiratie en ontluikend enthousiasme!
Maria-Lichtmis op 2 februari, is in de kerk de herdenking van het
zuiveringsoffer dat Maria veertig dagen na de geboorte van Christus moest brengen. Daarmee is deze dag verbonden met Kerstmis, de geboorte van Jezus. Op Maria-Lichtmis worden kaarsen gezegend en een processie met brandende kaarsen gehouden, voor aanvang van de mis. De katholieke en protestante kerk benadrukken dat het geen Mariafeest is, maar dat het op deze dag over Christus zelf gaat. Het is de opdracht/presentatie van de Heer in de tempel?.
Ik wil hierbij graag opmerken dat de vrouw in de christelijke traditie, een ondergeschikte rol heeft.
Van oorsprong is 2 februari een Keltisch feest met lente en vruchtbaarheid als centrale thema’s. Het nieuwe natuurjaar, de uitademing van de aarde begint weer. Hier start de groene vreugde van de aarde, elk jaar opnieuw!
In sprookjes wordt Moeder Aarde, de aardekracht en vruchtbaarheid, verbeeld door Vrouw Holle*.
Zij is de verbinding tussen aarde en hemel. Zij verschijnt in verschillende gedaanten aan de mensen. Zij heerst over dieren en natuurwezens. Waar haar voet de aarde raakt, wordt de akker gezegend met vruchtbaarheid. Waar zij uitrust, bloeien de mooiste bloemen. Zij behoedt de nog ongeboren zielen en begeleidt de overledenen vlak na de dood. Maria, de moeder van Jezus, is bij de christenen deze plaats gaan innemen. Maar de link met onze aarde heeft Maria niet. Je zou kunnen zeggen dat hierdoor de verbinding met Moeder Aarde uit onze westerse cultuur is verdwenen omdat deze nu eenmaal getekend is door de christelijke traditie.
Het behoeft geen betoog dat we de verbinding met de aarde kwijt zijn geraakt. We leven in een tijd waarbij we steeds verder van de natuur afstaan. We doen de aarde veel geweld aan. Dat heeft enorme gevolgen. Het klimaat verandert veel sneller dan we voor mogelijk hielden, de aarde raakt uitgeput, de noodklok wordt geluid.
Hier wordt op allerlei manieren aandacht voor gevraagd, vooral in negatieve zin. En we weten best dat er iets moet veranderen, maar echt verantwoordelijk voelen we ons niet. Laten we het eens op een andere manier proberen.
Voor werkelijke verandering is een diep besef nodig. Laten we dat wakker schudden door erop te vertrouwen dat het nog ergens rondwaart in ons celgeheugen!
Door ons in deze tijd van het jaar te verbinden met de ontluikende natuur, herinneren we ons de grootsheid, de immense waarde van Moeder Aarde. Moeder Aarde, Moeder Energie, Moeder Maria.
Ze hebben overeenkomstige eigenschappen. Reinigend, licht, zuiver, vruchtbaar, scheppend.
Bewustwording door het leven te vieren is een relatief onbekende, maar ik nodig je er graag toe uit!
Laten we het laatste feest van de Kersttijd, Maria-Lichtmis, verbinden met het eerste feest van Moeder Aarde. Betekenisvol vieren**, vreugdevol en dankbaar.
Daarmee brengen we hoe dan ook licht de wereld in, aansluitend op de gedachte van Maria-Lichtmis! We kunnen er warmte en troost aan ontlenen en het bovenal samen delen!

Door: Angela

Sanderijn schreef al een prachtig stuk over de betekenis van Maria-Lichtmis en hoe zij en haar gezin dit thuis vormgeven.
Hierin geeft ze aan dat het (vooral in Noord-Europa) traditie is om pannenkoeken te bakken tijdens Maria-Lichtmis. “Geen vrouwtje zo arm, of met Lichtmis maakt ze haar pannetje warm.”
Een eeuwenoud gezegde; een eeuwenoude traditie. Maar waarom?
Ik vond het een mooie uitdaging om op zoek te gaan naar de achtergrond hiervan. Tijdens deze zoektocht ben ik meerdere theorieën tegengekomen.
Na Sint-Maarten, Sinterklaas, advent, Kerst en Driekoningen hebben we veel kaarsstompjes over.
Deze restjes gebruiken we om nieuwe kaarsen te maken voor het laatste lichtjesfeest in een rij;
Maria-Lichtmis. Het idee is dat door het lengen der dagen, minder kaarsen nodig zijn. Zo werd dit ook gedaan met alle restjes bloem. Het was gebruikelijk om het overschot weg te werken, zodat er weer ruimte was voor de nieuwe oogst.
Een ander geluid is dat alle boter en eieren opgemaakt moesten worden, zodat het niet zou bederven.
Vanaf 2 februari wordt het immers warmer en er waren destijds nog geen koelkasten.
En weer een andere aanleiding; na Maria-Lichtmis volgt Aswoensdag, het begin van de 40 dagen durende vastentijd, die loopt tot en met paaszaterdag. Pas met Pasen worden weer eieren gegeten.
Daarom worden tijdens Maria-Lichtmis de laatste eieren gebruikt voor de pannenkoeken.
Maria-Lichtmis valt tegelijk met Imbolc. Imbolc is een lichtjesfeest met Keltische oorsprong. De Kelten vierden het lengen van de dagen, vruchtbaarheid en wedergeboorte; de lente. De lente waarin de zon in kracht toeneemt en de aarde weer zal verwarmen. De lente waarin nieuw leven ontwaakt. De Kelten bakten platte, ronde broden die symbool stonden voor de zon.
Zo zouden ook warme, ronde, goudgele pannenkoeken een verwijzing zijn naar de toenemende kracht, vorm en kleur van de zon.
Tegenwoordig leven we in een tijd van overvloed. Bloem is altijd voorradig en we kopen het wanneer we nodig hebben. Koelkasten houden gedurende het hele jaar onze eieren en boter koel en 40 dagen vasten tot paaszaterdag doen steeds minder mensen. Toch blijft het een mooie traditie om met Maria-Lichtmis pannenkoeken te eten. Al is het alleen al om de bewustwording dat het lichter en warmer wordt. Dat we de donkere dagen voelbaar achter ons kunnen laten en het licht – de warme, goudgele, ronde zon – meer gaan zien. Pannenkoeken eten is een mooi, jaarlijks terugkerende traditie om het voorjaar te vieren!
Zelf kiezen wij ervoor om een aantal elementen van Maria-Lichtmis samen te laten komen in een pannenkoekentaart. We stapelen pannenkoeken op een mooi bord, maken een gaatje voor een kaarsenhoudertje en steken daar een zelf getrokken kaarsje van stompjes in.

Verhalen:

Vrouw Holle- Grimm
De zoete Pap_ Grimm
De gouden sleutel-Grimm
De Pannenkoek en Nog een verhaal over de pannenkoek
Uit: Bakersprookjes
Van Beleven, org:
Waarom de sneeuw het sneeuwklokje geen kwaad doet
Van Babboes:
Het sneeuwklokje

Maria-Lichtmis

De driekoningenmaand januari brengt ons op 2 februari bij het feest van Maria- Lichtmis. Voor velen een onbekend feest, een feest dat de moeite van het vieren waard is, het feest van het steeds sterker wordende daglicht.
Het is het laatste lichtfeest, na een periode van tweemaal 40 dagen. Het Sint-Maarten-feest is het eerste lichtfeest op 11 november, 40 dagen vóór
Kerstmis. Maria Lichtmis vieren we 40 dagen ná Kerstmis.
Zo wordt de periode tussen 25 december en 6 januari ook wel ‘kleine kersttijd’ genoemd en de periode van twee maal 40 dagen ‘grote kersttijd’.
Moeder Aarde houdt in de midwintertijd haar adem in, om in de stilste concentratie de Christusgeboorte opnieuw te volbrengen, waardoor de natuur, tegen de zwaartekracht in, in haar opstanding omhooggestuwd kan worden in de zonnewarmte. Door de eeuwen (en culturen) heen hebben de mensen dit proces in een vrouwengestalte vereerd.
Het grondmotief van dit oeroude feest is het opdragen aan de schepping van het nieuwe licht door Moeder Aarde. Zelf gereinigd, doorlicht, is zij het beeld voor ons bezielde lichaam als drager van lichtende geesteskrachten, die wij de wereld willen schenken. Het gaat om ónze aarde, die ons voedt, die ons het leven schenkt, die ons behoedt en ons het levenspad geeft.
Deze dag eten we: Pannenkoeken! Het is een mooie traditie om met Maria-Lichtmis pannenkoeken te eten. Al is het alleen al om de bewustwording dat het lichter en warmer wordt. Dat we de donkere dagen voelbaar achter ons kunnen laten en het licht – de warme, goudgele, ronde zon – meer gaan zien.
Pannenkoeken eten is een mooi, jaarlijks terugkerende traditie om het voorjaar …

Op school

De restjes kaars van de afgelopen tijd zijn goed bewaard. In halve walnootdoppen maken we nu een klein kaarsje vast met behulp van een paar druppels kaarsvet of bijenwas. Of we smelten kleurige restjes kaars in een blikje, gieten de dop vol en zetten erna even stollen een klein lontje in. De notendopjes laten we drijven in een schaal met water in de
ochtendschemering van Maria-Lichtmis.

De Seizoenstafel

Op de Seizoenstafel kan Moeder Aarde met haar wortel- en bloemenkinderen de gang buiten nog eens zichtbaar maken. Een Moeder Aarde-figuur, uitgewerkt met sleutelbos en bril, of misschien wel heel figuratief door haar samen te stellen uit een mengeling van (gewikkelde) sprookjeswol.

Om het feest te kunnen “bevatten” zijn de volgende symbolische handelingen mogelijk
In een schaal met een laagje water (symbolisch voor de bron van alle groeikracht) worden kaarsrestjes opgebrand.
In de loop van de dag brengen we alle kaarsrestjes uit de donkere tijd naar buiten en laten ze daar opbranden in de donkere aarde.
Zo helpen we Moeder Aarde in haar oplichtende groeikracht omhoog.

Lied passend bij Maria-Lichtmis
Kom neem je lichtjes in de hand, kom naar buiten met je licht.
Nu de zon weer rijst en de dag weer lengt, krijgt natuur een nieuw gezicht.
In de herfst stak je je kaarsje aan in het donker van de knol.
Van harte door de kerst gesterkt, schijnt het nu zo liefdevol.
Kom water neem ons licht nu op, laat het schijnen in je stroom.
Laat het stralen saam met sterrenglans in de groei van elke knop.
Draag ons kleine licht als spiegelbeeld naar het grote licht omhoog,
dat zon en maan en hemelboog het beamen met hun schijn.
J.D. van Mansvelt

Zo vieren we Maria-Lichtmis bij ons op school, of kunnen we Maria-Lichtmis vieren. Daar worden de kaarsresten van de lichtfeesten verzameld en omgesmolten. Er zijn drijfkaarsjes in de klas. De kinderen brengen in de ochtend het kaarslicht naar buiten. Hierna worden de beelden en attributen van de wintertijd opgeruimd en begint de tijd van Moeder Aarde.
Pinterest↓

Maria-Lichtmis

We hebben net het driekoningenfeest met de
koningskleuren blauw, rood en groen achter de rug en
de tijd glijdt door naar het heldere blauw van Maria-Lichtmis op 2 februari. Met kinderen de feesten van
het jaar beleven is als het zien van de regenboog; de
ene kleur is nog niet vervaagd of de volgendeverschijnt. En zonder kinderen (of de kinderlijke blik) ervaren we de regenboog vaak niet eens, omdat we niet verder kijken dan de regen of het grijs van lucht en grond.
Ceremonies die diep in het verleden van de mensheid wortelen, bloeien op in het dagelijks leven van het gezin en de klas. Ze kunnen naast het feestelijke karakter, in vele woelige tijden een bron van genezing, bewustwording en spirituele groei zijn. Ze hoeven geen kerkelijk karakter of pragmatiek te hebben, want met een open blik zien we de regenboog beter.
Maria-Lichtmis valt 40 dagen na Kerstmis. Officieel herdenken we dan het feit dat Jezus, zoals elk joods jongetje, in de tempel werd opgedragen aan God. Zijn moeder, Maria, bracht daarbij een zuiveringsoffer -alle jonge moeders waren dat verplicht- en ook dat herdenken we op deze dag. Bijzonder was, dat Jezus bij deze gebeurtenis door de oude Simeon en Hanna herkend wordt als de Christus. De overlevering wil dat Simeon Jezus in zijn armen nam en daarbij door licht omstraald werd. De naam “Lichtmis” komt van een heel oud gebruik. Families lieten op 2 februari hun kaarsen wijden, die zij daarna een heel jaar lang zouden gebruiken. Ook hield men een kaarsenprocessie vóór de mis. Tijdens de mis bleven dan de kaarsen branden, zodat je echt van een “Lichtmis” kon spreken. Bij het Maria-Lichtmisfeest enerzijds gaat het om de afsluiting van de grote kersttijd op 2 februari en anderzijds om onze levende aardemoeder, die vervuld en gereinigd opnieuw haar lichtkracht opdraagt aan de schepping: zelf gereinigd, doorlicht, is zij het beeld voor ons bezielde lichaam als drager van lichtende geesteskrachten, die wij de wereld willen schenken. Het gaat om ónze aarde, die ons voedt, die ons
het leven schenkt, die ons behoedt en ons het levenspad geeft Maria-Lichtmis ook het feest van het steeds sterker wordende daglicht. In de natuur verandert in de zes weken na kerst de kleur van de hemel. De zon krijgt meer kracht en daardoor wordt de hemelkleur februariblauw; de symbolische kleur van de mantel van Maria. Het is een heldere hemel, zowel overdag als ’s nachts de moeite van het bekijken waard. Die helderheid komt doordat er o.a. nog geen pollen en zaden in de lucht hangen. Die helderheid in de lucht kan aan ons mensen een helderheid van geest geven. Die helderheid van geest is belangrijk, omdat we deze periode bezig zijn met plannen maken; er wordt gezaaid voor de toekomst. Op school: De restjes kaars van de afgelopen tijd zijn goed bewaard. In halve walnootdoppen maken we nu een klein kaarsje vast met behulp van een paar druppels kaarsvet of bijenwas. Of we smelten kleurige restjes kaars in een blikje, gieten de dop vol en zetten erna even stollen een klein lontje in. De notendopjes laten we drijven in een schaal met water in de ochtendschemering van Maria-Lichtmis.
Ideeën om thuis te vieren: Het naar buiten brengen van alle omgesmolten kaarsresten uit de donkere tijd. Het ontbijt zonder kunstlicht met een schaal drijfkaarsjes op tafel onder een hazelaar of berkentak. Het stromende water waaraan we brandende lichtjes meegeven. In de dagen voor 2 februari kun je zelf sterren-drijfkaarsjes maken met behulp van een metalen ster-koekvormpje met een doorsnede van een waxinelichtje. Leg het waxinelichtje bij de verwarming of héél even in de oven, zodat het vormpje makkelijk doorgedrukt kan worden. De dag voor 2 februari verzamelen we alles wat in de loop van de winter van buiten naar binnen kwam, eventueel met een paar nieuwe primulaplantjes, om het de volgende ochtend vroeg naar buiten te brengen. Binnen kunnen we het uitlopen van een hyacintenbol op een glas water volgen of een boon zien ontkiemen, of het kapje van een winterwortel zien uitlopen op een schoteltje water.
[Uit: vrijeschoolbeweging]

Bijpassend versje:
Klif klaf klif klaf                                       
klif klaf klooi
Kijk! Daar heb je vrouwtje Dooi
Ze veegt eens hier, ze veegt eens daar
Zij veegt alles bij elkaar

Als afsluiting [met gekeurde letters] ingezet bij onderstaand ochtendspel.

Een liedje voor Maria-Lichtmis  (2 februari)
De kinderen liepen zingend in een stoet met hun lichtjes naar buiten, daar worden de lichtjes op de aarde geplaatst.

.

Maria-Lichtmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

2699-2529

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (6 -1)

.
In deze tijd zouden we – gelukkig – al iets positiever over ons water kunnen spreken, maar wat hier ook wordt opgemerkt, is nog steeds – helaas – actueel.

.

Dpl.Ing. Th.Schwenk, Weledaberichten december 1971 nr. 91
.

HET LEVENSELEMENT WATER

Wat kan een stedeling tegenwoordig* over het water weten of aan het water beleven? Hij draait een kraan open, ziet een straal water, die onmiddellijk weer in het gootsteengat verdwijnt, of hij mag in het bad ervan genieten — zelden echter zonder dat hij in een wolk van chloor zit. Wat was het nog enkele tientallen jaren geleden een feest voor de stadskinderen, wanneer bij een wolkbreuk het water niet meer door de riolen verwerkt kon worden! Tegenwoordig zou het gevaarlijk kunnen zijn met zulk water in aanraking te komen. Maar hoe is het buiten de stad met de beekjes en stromen gesteld? De borden „verboden te baden” schieten werkelijk als paddenstoelen uit de grond. En wanneer het iemand aan het strand lukt zijn krantje te lezen, dan vindt hij daarin zeker onder de een of andere grote kop iets over de nood waarin het water verkeert, over lagen stookolie op zee, vissterfte en gebrek aan water.

Het element water is echter door zijn regenererende krachten ertoe voorbestemd om het levenselement bij uitstek te zijn, het element voor de voeding van planten, dieren en mensen. We weten het maar al te goed: het is de grondslag van alle groei en voeding, van onze bloedsomploop, het voedt ook door de zintuigen, door zijn stimulerende bewegingen, die via de zintuigen onze levensstromingen beïnvloeden.

Al het levende heeft één ding gemeen: groei, voortplanting, voeding, uitscheiding, stofomzettingen, vormveranderingen, eigen regulatie (van warmte, chemisme, osmotische druk enz.), ontstaan en vergaan en de zo belangrijke ritmische processen, die in al het levende werken. Al deze wezenlijke kenmerken van het leven zijn niet denkbaar zonder de bemiddelende aanwezigheid van het water. Het water is in alle levensprocessen de wezenlijke en alles verbindende oersubstantie, die overal aanwezig is, om het stromende leven te dienen. Omdat het afstand doet van elke vastgelegde vorm, blijft het „vloeiend” en wordt het een beeld van de levensprocessen zelf. Door het „offer” van de eigen gestalte wordt het tot een bemiddelaar tussen alle vormen en alle levensprocessen. Het heeft daardoor echter ook deel aan alle geheimen van het leven. Het leven is steeds stromend, zich veranderend als het water, waardoor het in de zichtbare wereld in de verschijning kan treden. Het water omvat alle levende wezens, doordringt ze alle en vormt a.h.w. de moederlijke oersubstantie van het bestaan.

We moeten bedenken, hoe de in de natuur veelvuldig uitgebreide levensprocessen in het menselijke organisme samengevat te vinden zijn en hoe zij daar in een drieledige ordening optreden: als stofwisselings-bewegings-organisatie, als ademhalingscirculatiesysteem en als zenuw-zintuigpool. De specifieke levensprocessen van deze drie gebieden zijn vanzelfsprekend ook aan het water gebonden, waaruit men de gevolgtrekking kan maken, dat het water hiervoor op een drievoudige wijze geschikt is, d.w.z. als een element, dat de stofveranderingen draagt, dat bemiddelend werkt in de ritmen en dat aan de waarnemingsorganen ten grondslag ligt.[1] Inderdaad is geen van de in de natuur voorkomende stofomzettingen mogelijk, zonder de aanwezigheid van het water. Een blik op de zintuigen laat ons zien, dat het ook daar aanwezig moet zijn om de waarnemingsfuncties op een gezonde wijze te doen verlopen. En hoe staat het met de ritmen? Ook deze zijn niet minder aan het water gebonden. Men gaat langzamerhand inzien, dat de levensprocessen van vele levende wezens aan kosmische ritmen gebonden zijn. Men spreekt van de innerlijke klok van levende wezens, die bijv. voor vele waterdieren met een ongelofelijke nauwkeurigheid afloopt en die, wat de tijd aangaat, met kosmische processen overeenstemt. Juist bij waterdieren kan men dergelijke overeenkomstigheden op vele manieren waarnemen. Wie zegt dit tegen de levende wezens? Worden deze kosmische ritmen misschien via het water zelf bemiddeld? Gaan niet eb en vloed met het maanritme op en neer? 

Een beschrijving van het water zou zonder deze kosmisch-ritmische kant onvolledig zijn; deze is immers ook in de gehele ritmische organisatie van de mens te vinden. Het weten omtrent de samenhangen tussen de ritmen in de mens en die in de kosmos is, evenals het bewustzijn voor het feit dat het water in staat is, dergelijke kosmische ritmen op te nemen en hun bemiddelaar voor alle organen te zijn, bijna geheel verloren gegaan. Daardoor ontbreekt echter aan het menselijke bewustzijn een wezenlijk inzicht omtrent het water. — Wanneer een technicus bij zijn berekeningen een belangrijke factoor niet meecalculeert, is het geen wonder, dat zijn bouwwerk instort. Ongetwijfeld zijn bij het omgaan met het waterelement wezenlijke elementen daarvan veronachtzaamd, zodat het geen wonder is, wanneer thans de waterhuishouding en het evenwicht in de natuur „ineenstorten”. Om dit te voorkomen, moet het inzicht weer algemeen verbreid worden, dat het water niet alleen maar stof is, maar ook deel heeft aan kosmische processen.

We willen eerst meer op de kwantatieve zijde van het probleem de aandacht richten. Ten tijde van Goethe bedroeg het verbruik aan water per persoon per dag ca. 30 liter. Thans* is het reeds 150—200 liter per dag; in de USA 450 liter. Men moet daarbij bedenken, dat de ontwikkeling van de industrie niet stilstaat, zodat in de toekomst nog veel meer water nodig zal zijn. De natuur geeft ons gemiddeld constant de voor de aarde bestemde maat. Wanneer we reëel , rekenen, d.w.z. wanneer we ook het waterverbruik van de industrie over de  bevolking hoofdelijk omslaan, dan komen we voor iedere mens op een dagelijks waterverbruik van ca. 1500 liter per dag. Bij een berekende jaarlijkse stijging van 3 procent zal aan het einde van deze eeuw het waterverbruik verdubbeld zijn, en dat gezien tegen de achtergrond van een gelijkblijvend aanbod van de natuur. Het zal aan de hand van deze weinige cijfers wel duidelijk zijn, dat het water — hoe langer hoe meer — een artikel wordt waaraan gebrek gaat ontstaan en dat daardoor uitermate ernstige problemen wat betreft de kwaliteit van het water moeten optreden die zelfs nu reeds acuut zijn.

En nu de kwalitatieve kant van ons probleem. Voor het winnen van drinkwater moet steeds meer worden overgegaan op oppervlaktewater. Hoe zien onze zeeën en rivieren eruit? Laat ons als een drastisch, maar in het geheel niet uitzonderlijk voorbeeld, de Rijn nemen. Dagelijks worden 30.000 tot 40.000 ton opgelost zout door de Rijn, bij de Hollandse grens gemeten, naar zee gevoerd. Dit betekent een dagelijkse hoeveelheid van 30 goederentreinen met elk 50 wagons gevuld met zout. Daarbij komt een hoeveelheid afzetbaar vuil, ca. 7000 ton per dag, bij Mainz ca. 20 g. per liter. Wanneer men bij Bonn aan de oever van de Rijn staat, dan kan men zeggen, dat men in een water kijkt, waarin het afvalwater van 30 miljoen mensen meestroomt, het geheel dan vermengd met zouten, oliën, pesticiden, zuren, enz. In het licht van dergelijke feiten spreken de vakmensen wel terecht over een scheikundig inferno, dat men op die manier te zien krijgt.

De zeeën, die zulke belangrijke organen vormen in de levenshuishouding van de natuur, worden in hun levensstructuur het diepst getroffen, want zonder aarzeling worden ze nog steeds door afvalwater verontreinigd. Op het ogenblik wordt in de Bondsrepubliek Duitsland dagelijks 33 miljoen kubieke meter afvalwater in rivieren en zeeën afgevoerd, waarvan 17 miljoen kubieke meter niet of onvoldoende gereinigd is. Helaas is het nodig, dergelijke getallen en aspecten te vermelden omdat het bestaan van de volgende generatie reeds nu ernstig bedreigd is.

De vaak gestelde vraag naar een zee als „voorraadschuur” voor de winning van drinkwater, krijgt door de hierboven slechts kort geschetste situatie een bijzondere „kleur”. Op hetzelfde ogenblik, waarop een dergelijk toekomstaspect — de voeding uit de zee — als een oplossing waaraan niet te ontkomen is, reeds geopperd wordt, stromen er dag en nacht voortdurend poelen vuil, doortrokken van zware vergiften, naar de zee. Bij de vraag naar een toekomstige voldoende verschaffing van water — we spreken hier hoofdzakelijk over drinkwater — wordt natuurlijk ook aan het grondwater gedacht. Berekeningen tot aan het jaar 2000 tonen aan, dat het winbare grondwater dan uitverkocht en het winbare oppervlaktewater tot bijna 25% verbruikt zal zijn. Daarbij komt bij het huidige verbruik van het water nog een feit, dat de staatsburger, die naar zijn werk gaat, niet met eigen ogen kan zien, nl. dat het grondwater zich op een verontrustende manier terugtrekt, d.w.z. zinkt. Dit gebeurt ten eerste door het grote verbruik aan water in de huishoudingen en in de industrie, ten tweede echter ook door ingrepen in de natuur, die pas nu, tientallen jaren later, merkbaar gaan worden.

Als men dit weet is het echter ook nodig, de blik te richten op wat reeds is gedaan en op pogingen, die een gezonde ontwikkeling op het gebied van de waterhuishouding aan de gang kunnen brengen.

1. Het waterorganisme van de aarde vormt een geheel. Stroomgebieden moeten steeds meer als levende organismen beschouwd en verzorgd worden. Wat gebeuren moet, is een ordening van ruimtelijke verhoudingen van de gehele aarde volgens niet-politieke gezichtspunten. Landsgrenzen zijn, wat betreft het water, en de waterhuishouding, zinloos.

2. Dergelijke ruimte-ordeningen vereisen tegelijkertijd een werken volgens een bepaald plan in de tijd. We noemen hier slechts één voorbeeld. „Er ontstaat met het oog op de vele onopgeloste vragen, de wens om de zee als een totale vuilnisbelt te gebruiken. Een ongeremde verwezenlijking van de hier slechts aangeduide plannen zou fataal zijn, wanneer er geen internationale regelingen getroffen zouden worden…. Gedachteloosheid bij de schijnbaar onschuldige maatregelen is een wissel op de toekomst, die niet ingelost kan worden.” (Prof. Balke, Kongress Wasser, Berlin 1968). Dergelijke voorbeelden laten zien, hoe een grootscheepse planning op lange termijn dringend nodig is. Op hetzelfde ogenblik, waarop de zee als de oplossing van het voedingsprobleem voor de bevolkingsaanwas gezien wordt, moet zo’n zelfde zee als totale vuilnisbelt gebruikt worden.

3. Zowel de ruimtelijke alsook de tijdelijke aspecten vereisen een samenwerking van velen over de gehele aarde: „Overleg tussen de landen wat betreft het water, een wederzijds rekening houden met elkaar, saamhorigheid, omdat het water ons aller lot bepaalt”. Dit vereist veel goede wil en bereidheid tot overleg. Men ziet dat alles erop wijst, dat zich een mensheids-organisme wil realiseren, dat afgezien van elke politiek, het leven van de mensheid omvat,

Wat vroeger uit een vanzelfsprekende eerbied gedaan werd ter verzorging van het water, moet thans helaas met grote moeite weer teruggevonden en toegepast worden. De eisen van de vaklieden op het gebied van het water culmineren in de noodkreet om een „waterbewustzijn”; wanneer er niet iets dergelijks wordt ontwikkeld, gaat ook de verzorging van het water-levenselement te gronde. Het is tenslotte de nood waarin we wat het water betreft verkeren, die ons ertoe dwingt, via de wetgeving weer tot een verering van dit levenselement te komen. Verantwoordelijkheidsbesef en verering zijn zeer zeker geen gaven, die ons nu nog zijn aangeboren. Ze moeten op inzicht gebaseerd zijn en vanuit de wil verworven worden, in dit geval op een besef wat water eigenlijk is, ook wat zijn niet-stoffelijke eigenschappen betreft. Dit laatste is de factor, die in de wetenschappelijke vakkringen over het hoofd wordt gezien. Wij spraken hierover in het begin van dit artikel en willen hierop nu nog eens ingaan, omdat hij bij de bereiding van drinkwater een beslissende rol zal moeten spelen.

Is water alleen maar een stof? — Is een water dat door mechanische middelen wordt bereid en dat in hoge mate bevrijd is van vuile stoffen, chemicaliën en bacteriën, werkelijk te vergelijken met fris bronwater? Op grond van de aan het Institut für Strömungswissenschaften in Herrischried verworven ervaringen en inzichten moeten we deze vraag beslist ontkennend beantwoorden en zulk water als dood water karakteriseren. Wat is het kenmerk van levend, volwaardig en daarom werkelijk gezond water? Het is gebruikelijk geworden om over de stof water te spreken als een chemische verbinding van waterstof en zuurstof (H2O) en deze technisch alleen maar als zodanig te gebruiken. Een moderne waterbouwkundige rekent met de potentiële energie van het voorraadbekken of met de kinetische energie, wanneer het water de turbines aandrijft. Zelfs de bioloog werkt als man van de wetenschap alleen maar met meetbare, weegbare en telbare factoren. De wereld van het imponderabele blijft voor een dergelijk onderzoek verborgen en daarmee ook die hele wereld, die in de „lichamelijkheid” van het water onzichtbaar aanwezig is. Zonder inzichten in dit gebied is de wetenschap van het water slechts half. En juist die helft die het levensgeheim van het water uitmaakt, is voor het moderne bewustzijn verloren gegaan. We wijzen hier op de genezende impuls, die van de antroposofische geesteswetenschap uitgaat en die een wereld van krachten beschrijft, die de grondslag vormt van al het levende. Zonder deze wordt de kwintessens van het leven nimmer begrijpelijk. We doelen daarmee op dat reële krachtgebied van bovenzinnelijke vormkrachten, die vanuit de kosmische omgeving dynamisch in alle tussen hemel en aarde werkende ritmen instralen. Daarom verloopt ook ieder werkelijk levensproces in ritmen.

Het water nu heeft een bijna universeel vermogen, zich over te geven aan alle ritmen die maar mogelijk zijn en daarin te spelen, zodat het ook van die kant aan de verschillende organismen het vermogen kan overbrengen, om alle voor het leven benodigde ritmen te verwezenlijken. Zo wordt het water zelf tot drager en bemiddelaar van de kosmische vormkrachten in alle levende wezens, want het organische leven van de wereld ontspringt niet in een anorganisch-fysiek gebied, maar in de kosmische krachtensferen. Daarom zijn het — zoals steeds meer ontdekt wordt — specifiek kosmische ritmen, die in de levensprocessen van de organismen gevonden worden. Door dergelijke onderzoekingen wordt een nieuw inzicht aan het gebied van de natuurwetenschappen toegevoegd. Het is duidelijk, dat er op dit gebied veel te onderzoeken zal zijn, vooral wat betreft een inzicht omtrent het totale wezen van het water. Het is zaak het aandeel te ontdekken, dat het water als fris a.h.w. maagdelijk bron- of regenwater aan de kosmische vormkrachten heeft. Wij hebben pas het recht van levend water in wetenschappelijke zin te spreken als dit aangetoond is. Wanneer het niet gelukt, enerzijds de kosmische kant van het water op grond van nieuwe inzichten wederom te ontdekken, te beschrijven en wetenschappelijk te funderen en anderzijds in de praktijk van de bereiding van het drinkwater mede te betrekken en volgens nieuwe technische methodes te realiseren, kan voorlopig niet gerekend worden met een doelgerichte kwalitatieve verbetering van de water-situatie. Met behulp van de thans mogelijk wordende inzichten kan op een nieuwe basis de eens verloren gegane wijsheid hervonden en in de praktijk van het sociale leven worden ingevoerd. 

[1] Th.Schwenk ‘Das sensibele Chaos
afbeeldingen uit het boek:

water: beweging en ritme

Natuurlijk stromend water wil altijd meanderen

bewegingen van het water in een stromende, bochtige rivier
.
Menskunde en pedagogie: over het etherlijf

Plantkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle artikelen

.

2698-2528

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen ( 7-2)

.
Dr. G. von Arnim, Weledaberichten dec. 1970* nr 88

HET KIND HEEFT ECHTE ZIELENKRACHTEN NODIG

Zo weinig mogelijk technische prikkels
.

Iedere lezer zal weten wat met de uitdrukking „een teveel aan prikkelende invloeden” bedoeld is.
Niet alleen ons uiterlijke leven is door het intreden van de technische beschaving veranderd, maar we zijn tegelijkertijd in de situatie gekomen, een grote massa „technische prikkels” in onze ziel te moeten verwerken en weten misschien helemaal niet altijd, hoe dat het beste kan gebeuren. Nog veel problematischer zijn deze dingen natuurlijk voor onze kinderen, vooral vóór de leerplichtige leeftijd. Wij kunnen hier o.a. opsommen: televisie, radio, lichtreclame, geïllustreerde bladen, technisch speelgoed, films, geluidsbanden, grammofoonplaten, waarop sprookjes verteld worden. [En daar kan voor deze tijd aan worden toegevoegd: de computer – inclusief de computerspellen, de laptop voor kinderen en de mobiele telefoon]
Hoe werkt deze technische wereld, die ons bij elke stap omgeeft en die voortdurend prikkels op de ziel uitoefent, eigenlijk op het kind? Hoe vertoont ze zich, gezien met de ogen van een kind? Wat doet de kinderziel met een overmaat aan technische geluiden, technisch licht, technische beelden?

Hoe verschillend een mondelinge vertelling en een technisch beeld (televisie) op kleine kinderen werken, blijkt duidelijk uit een experimenteel onderzoek, dat kort geleden* in een studiereeks van de Weense leerstoel voor pedagogische psychologie werd uitgegeven. (Lore Watzka, Kleinkind und Fernsehen, Wien 1968). De schrijfster heeft zich afgevraagd of het „televisiekijken, als een onpersoonlijk technisch communicatiemiddel voor het begrijpen van een prentenboekverhaal door het kleine kind…. hetzelfde teweeg kan brengen wat men bij een persoonlijke communicatie gewend is te verwachten.” Zij wilde dus vaststellen, of het kind een op de televisie uitgezonden verhaal beter begrijpt, d.w.z. of het zijn handelingen in moreel opzicht sterker daarnaar inricht, dan bij een persoonlijk verhaal, of dat misschien het tegendeel het geval is. Daartoe werd aan verschillende groepen kinderen dezelfde geschiedenis op een van de twee manieren aangeboden. De ene groep zag het verhaal op de televisie, de andere hoorde per geluidsband sprekende stemmen en akoestisch begeleidende geluiden, maar zag de beelden als foto’s. De derde groep hoorde alleen sprekende stemmen en akoestische begeleidende geluiden per geluidsband, zonder beelden te zien, weer anderen kregen alleen de stemmen via de geluidsband te horen. Daarentegen kreeg een vijfde groep het verhaal persoonlijk verteld, echter met behulp van een prentenboek en ten slotte kreeg de zesde groep het verhaal alleen persoonlijk verteld, zonder het prentenboek. Daarna deed men een poging om vast te stellen, wat de kinderen feitelijk van de inhoud van het verhaal begrepen hadden (reproductievermogen) en in hoeverre ze zich in hun innerlijke beleven met de verschillende personen uit het verhaal hadden geïdentificeerd (identificatie). Bij de laatste vraag gaat het er voornamelijk om, in hoeverre de kinderen impulsen voor hun eigen handelen uit de geschiedenis hadden geput.

Het resultaat van dit onderzoek formuleert de schrijfster als volgt: „Wanneer we de bovenbeschreven resultaten samenvatten, kunnen we zeggen dat het onderzoek naar het effect van het verhaal, zowel op grond van de reproductie, alsook op grond van de identificatie van de kinderen, uitwees, dat dit bij hen, die het verhaal door het persoonlijke vertellen hadden gehoord, belangrijk groter was dan bij de kinderen die de geschiedenis via de tv hadden opgenomen. Daarbij zag men, dat het feit van de persoonlijke overdracht van buitengewoon groot belang was, omdat — tegen mijn vermoedens in — ook de niet door beelden ondersteunde vertelling wezenlijk betere resultaten toonde; zelfs het persoonlijke verhaal, zonder plaatjes leverde een grotere reproductie en een grotere identificatie op dan de tv-vertoning.”

Omvorming in het eigen innerlijk

Wie de beschrijvingen van Dr. Steiner kent over de betekenis van de nabootsing van ouders of andere volwassenen uit de omgeving van het kind gedurende de eerste zevenjaarsperiode van de kinderlijke ontwikkeling, zal zich niet erg verwonderen over het hierboven beschrevene. Toch kan men aan dit belangrijke onderzoek interessante beschouwingen vastknopen. Men zou kunnen zeggen, dat het kind, wanneer het blootgesteld is aan de technische communicatie, klaarblijkelijk niet, of slechts onvoldoende in staat is, de omvorming van wat het gehoord of gezien heeft in het eigen innerlijk tot stand te brengen. We staan voor het feit, dat in dit opzicht dat, wat technisch meegedeeld is, eenvoudig niet de kracht bezit om door het kind op de juiste manier te worden „verteerd” en tot iets eigen te worden gemetamorfoseerd. Wanneer we de blik richten op de leeftijd vóór de tandenwisseling, dan is door de opvoeding zoals die op de vrijescholen gegeven wordt, duidelijk geworden, hoezeer alleen de nabootsing van wat van anderen mensen uitgaat, het kind zodanig kan bereiken, dat er werkelijk aan zijn innerlijke wezen gevormd en gewerkt wordt.

Wat gebeurt er nu echter met zo’n inhoud, die langs technische weg a.h.w. in de ziel van het kind valt? Moet deze niet als een soort vreemde ballast daarin blijven liggen? Al is de mens ook niet gewend in deze richting te denken, kan dit toch tamelijk letterlijk genomen worden. Voor het welzijn en voor de latere ontwikkeling, vooral van het jonge kind, is het ongetwijfeld van het allergrootste belang, dat niet zoveel van een dergelijke „ballast” in zijn ziel wordt gelegd. Deze blijft gedurende lange tijd onverteerbaar!

Het overladen van de kinderziel met stof, die door andere mensen, of in ieder geval op een levendige manier zou moeten worden gegeven, maar in plaats daarvan technisch gereproduceerd wordt toegediend, heeft waarschijnlijk alleen een beperkt nut op het ogenblik van de prikkelende werking zelf. Veel erger voor de toekomst van het kind is het feit, dat er een opeenhoping van mechanisch veroorzaakte zielenindrukken ontstaat, die de ontplooiing van de persoonlijkheid moeten storen. Dat vindt plaats omdat ze niet in staat zijn, een werkelijke zielenontwikkeling te wekken. Ze blijven in de ware zin van het woord „onverteerd” liggen.

Bij elke opvoeding gaat het er in hoofdzaak om, de vorming en ontwikkeling van de individuele wil van ieder kind te stimuleren. Dat is het gebied, dat ons het meest ter harte gaat. Aan de ervaringen, die aan de eigen wil worden opgedaan, moet zich langzamerhand het beleven van de eigen persoonlijkheid, van het eigen lot, van de biografie ontvonken. Dat een kind langzaam leert waarnemen „ik ben ik”, heeft daar zijn oorsprong. Ook het vermogen, het morele en het goede te beleven, gaat van dezelfde bron uit.

Het persoonlijk vertelde sprookje

Wat het kind als technische prikkel bereikt, terwijl het denkend nog niet in staat is, de technische oorsprong daarvan te doorzien, beschadigt de individuele ontwikkeling van de wil van het kind.
Het persoonlijk vertelde sprookje bijv. bewerkt vanuit de imaginatieve vormkracht, die ware sprookjes eigen is, maar ook door de onmiddellijke zielenoverdracht van degene die vertelt, in het kind de morele wilsontwikkeling op, terwijl dit voor het technisch overgebrachte beeld niet geldt.

Het zal zeker in deze tijd niet altijd mogelijk zijn, en het is waarschijnlijk ook niet juist, de kinderen onder alle omstandigheden te beletten, de hier bedoelde technische prikkels te ondergaan. Het is echter van het grootste belang, dat ouders en opvoeders zich rekenschap geven van deze kwestie en die doorzien. Men zal dan ook wel mogelijkheden vinden, zich direct en intensief met het kind bezit te houden, om de krachten te versterken, die wezenlijk dienstig zijn voor de ontwikkeling van de ziel. Waar het op aankomt is het inzicht, dat alles wat als technisch gereproduceerd beeld of als technisch weergegeven woord op het kind afkomt, niet zomaar langs hem afglijdt, maar in ieder geval sporen in zijn ziel achterlaat. Hoe vaker het kind dit alles moet opnemen, des te sterker werken deze dingen innerlijk opwindend, omdat ze vanwege het principiële verschil tussen wat technisch ontstaan is en de levende zielswerkelijkheid niet in staat zijn, wezenlijk in het proces van de wilsontwikkeling van het kind te werken. Ze bewaren veel meer het karakter van een voortdurende of steeds weer opduikende innerlijke prikkeling. Waarnaar het kind echter verlangt, is een versterking van de als kiem in hem rustende wilskrachten, die hem in latere jaren in staat zullen stellen, op de juiste manier zijn lot te dragen en te verwerken.

Rudolf Steiner over vertellen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

Google

.

2697-2527

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – Sterrenkunde (1-1/17)

.

LIER
.

De boodschapper van de goden, Hermes, zou de lier uitgevonden hebben. Hij was een zoon van Zeus en de lieflijke Maja, een van de Plejaden (sterrenbeeld Stier).
Volgens een oude legende werd de godenzoon op een morgen geboren. Tegen de middag sloop hij uit zijn wieg en hij wilde heimelijk de grot verlaten waarin hij was geboren, toen hij in het gras een schildpad ontdekte. ‘Ik begroet je, gelukkig teken’, zei hij tegen haar, ‘jij bent een fijn stukje speelgoed voor mij. Ik wil je met me meenemen, want op aarde zou je maar te gronde gaan. Maar wanneer je gestorven zal zijn, zal je door mij gaan zingen.’
Hij benam haar het leven, maakte het pantser los, spande er zeven uit pezen gevlochten, samenklinkende snaren over en sloeg er met een staafje tegen. Machtig klonk, in de diepte van de welving weergalmend, door de hand van de god het nieuw gebouwde instrument, de lier.
Hij maakte er prachtige liederen bij en hij bezong wat zijn ogen zagen en ook de liefdesverhouding tussen Zeus en Maja aan wie hij zijn geboorte te danken hat.
Op de avond van dezelfde dag verstopte hij de lier in zijn wieg en vertrok naar het Pierische gebergte alwaar de kudden van de onsterfelijke goden graasden. Daar nam hij vijftig runderen van Apollo mee, ging naar huis en ging weer in zijn wieg liggen. Toen Apollo hem ter verantwoording riep, hield hij zich van de domme. Later pas schonk hij hem zijn lier als genoegdoening voor de gestolen runderen. Apollo, de god van de harmonie, was heel verheugd met dit nieuwe instrument waarvan de klank liefde, vreugde en slaap teweeg kon brengen.

Apollo gaf de lier aan zijn zoon Orpheus wiens moeder de muze van het gezang was, Calliope. Orpheus verbouwde de lier en verhoogde het aantal snaren tot negen, evenveel als het aantal muzen.

Met dit instrument en met zijn niet te evenaren stem was hij in staat de wildste dieren in het woud te temmen. Zelfs de planten en bomen luisterden naar hem en bewogen mee op zijn melodieën. 
Deze geweldige zanger en lierspeler ging ook mee met de Argonauten (→ schip Argo), waarbij hij zijn kameraden op de terugreis voor een groot gevaar behoedde. Toen hun schip langs de klippen van de Sirenen voer die de Argonauten met hun verleidelijk gezang in hun ban wilden krijgen, speelde Orpheus op zijn lier zulke hemels mooie muziek, dat ze de Sirenen konden weerstaan en opgewassen waren tegen het gevaar.
De kracht van zijn lierspel was zo groot, dat Orpheus daarmee zelfs de kracht van de dood kon overwinnen. Zijn gemalin, Eurydice, was door een slangenbeet om het leven gekomen. Toen nam Orpheus in zijn mateloze verdriet het besluit in de onderwereld af te dalen om Pluto te bewegen zijn echtgenote terug te geven. Het gelukte de moedige zanger in het rijk van Pluto binnen te dringen door Charon, de veerman naar dit rijk, met de klanken van zijn lier te betoveren. Door zijn muziek maakte hij ook de hellehond Cerberos, een ondier met drie koppen, dat de ingang van de onderwereld bewaakte, rustig. Persephone. koningin in dit rijk (→ sterrenbeeld maagd) raakte eveneens in de ban van het lierspel en gezang van Orpheus. Zij overreedde haar gemaal Pluto Eurydice weer naar de aarde te laten terugkeren. Pluto stemde ermee in, maar stelde de voorwaarde dat Orpheus zich niet mocht omkeren of Eurydice hem wel volgde, voor ze de bovenwereld zouden bereiken. Alles ging goed tot de eerste schemering van de bovenwereld in de grot viel. Toen keerde Orpheus zich naar Eurydice om, door een heftig verlangen gegrepen, maar nu moest zij voor eeuwig in het rijk van de schimmen terugkeren.
Orpheus trok daarna als goddelijke zanger door de landen; kwam in Azië en Afrika, en leerde veel kennen. Teruggekeerd bracht hij voor de mensen van zijn volk wetten, religie, dichtkunst en muziek mee. Met de edelsten sloot hij een verbond en stichtte zo de orphische mysteriën.
Na de dood van Orpheus werd zijn lier aan de hemel geplaatst.

          no                                                           o                                                       zo
juni   1  1°°u*                                           juli    1  23°°u*                       aug.    1   21°°u*
15 24°°u*                                                   15 22°°u*                                15   20°°u*
*zomertijd

Het sterrenbeeld Lier vinden we het simpelst wanneer we de zgn. ‘zomerdriehoek’ zoeken die in de zomermaanden door de sterren Altair (in de Adelaar), Deneb (in de Zwaan) en Vega (in de lier) gevormd wordt. In juni staat de Lier dieper naar het no, in juli zoals op deze kaart en in augustus vinden we haar bijna precies boven ons zenit, dan aan de avondhemel om 22u zomertijd.

De namen van de sterren betekenen:

Vega (Arabisch) = afgeleid van ‘de vallende adelaar’, zoals dit sterrenbeeld bij de Arabieren genoemd wordt.

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2696-2526

.

.

.

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over plantkunde – GA 305

.

ga 305
.

Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst

Opvoeding en onderwijs

Blz. 101     vert. 86/87

Voordracht 5, Oxford 21 augustus 1922

Die Erziehung der jüngeren Kinder
Der Lehrer als Erziehungskünstler (I)

Wir müssen berücksichtigen, daß das Kind in der ersten Zeit seiner Lebensepoche zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife vor allen Dingen noch nicht unterscheiden kann z’wischen dem, was inner­lich Mensch ist und demjenigen, was äußerlich Umgebung, Natur ist. Beides wächst noch für das Kind bis zum 9., 1 10. Jahre in eines zusam­men. Das Kind fühlt innerlich dieses oder jenes. Es schaut äußerlich, sagen wir, einen Vorgang, die Sonne aufgehen oder dergleichen. Die­selben Kräfte, die es in sich vermutet, wenn ihm  nlust, Schmerz bereitet wird, vermutet es auch in Sonne und Mond, in Ba m und Pflanze. Wir sollen dem Kinde das nicht ausreden. Wir sollen uns hineinver­setzen in das kindliche Lebensalter, und ebenso in de Erziehung vor dem 9. Jahre alles behandeln, wie wenn eine Grenze  ch nicht gezogen wäre zwischen dem Menschen-Inneren und dem  atur-Außen. Das

De opvoeding van jongere kinderen De leraar als opvoedkunstenaar l

<<Wij moeten er rekening mee houden dat het kind in het begin van de levensfase tussen tandwisseling en geslachtsrijpheid vooral nog geen onderscheid kan maken tussen wat er innerlijk tot hem als mens, en wat er uiterlijk tot zijn omgeving, tot de natuur behoort. Die twee lopen voor het kind tot het negende, tiende jaar nog in elkaar over. Het kind voelt van binnen het een of ander, en het ziet buiten zich iets gebeuren zoals het opgaan van de zon of iets dergelijks. Dezelfde krachten die het kind bij zichzelf veronderstelt als het verdriet of pijn wordt aangedaan, veronderstelt het ook bij de zon en de maan, bij bomen en planten. Dat moeten wij het kind niet uit het hoofd praten. Wij moeten ons verplaatsen in de levensfase van het kind en eveneens bij de opvoeding tot aan het negende jaar zo met de dingen omgaan alsof er nog geen grens getrokken zou zijn tussen de mens van binnen en de natuur daarbuiten. Dat

Blz. 102  vert. 87

können wir nur, wenn wir den Unterricht möglichst bildhaft gestalten, wenn wir die Pflanzen menschlich handeln lassen, sie mit der anderen Pflanze menschlich sprechen lassen, wenn wir die Sonne mit dem Mond sprechen lassen, wenn wir überall hinein das Menschliche ver­setzen. Man hat heute eine wahre Scheu vor dem sogenannten Anthro­pomorphismus. Aber dasjenige Kind, das den Anthropomorphismus in seinem Verhältnis zu der Umwelt nicht erlebt hat, dem fehlt ein Teil vom Menschsein im späteren Alter, und der Lehrer muß eine Neigung haben, sich nun auch so in die ganze Umgebung lebendig geistig-see­lisch hineinzuversetzen, daß das Kind durchaus mitgehen kann ver­möge dessen, was in ihm vorhanden ist.

lukt ons alleen als we het onderwijs zo beeldend mogelijk vorm geven, als we de planten laten optreden als mensen, met andere planten laten praten alsof het mensen zijn, als we de zon een gesprek laten voeren met de maan, als we in alles het menselijke een plaats geven. Men is tegenwoordig erg huiverig voor het zogenaamde antropomorfisme. Maar het kind dat in zijn verhouding tot de buitenwereld het antropomorfisme niet heeft beleefd, mist in zijn latere leven een deel van zijn menszijn. De leraar moet er dan ook plezier in hebben in alles om zich heen zich zo levendig spiritueel te verplaatsen dat het kind hem op grond van wat in hem aanwezig is daarin helemaal kan volgen.>>
GA 305/101-102
Vertaald/86-87

Blz. 105  vert. 91/92

Zwischen dem 9. und 10. Lebensjahr ist schon in der äußeren Dif­ferenzierung zwischen Knaben und Mädchen gezeigt, daß man da an einem wichtigen Lebensabschnitt ankommt. Der drückt sich darinnen aus, daß das Kind überhaupt unterscheiden lernt zwischen sich und der Natur. Vorher gibt es eigentlich gar keine Pflanze, sondern ein Wesen, das grün ist und rote Blumen hat, und in dem ein kleiner Geist drinnen ist, wie in ihm selber ein kleiner Geist drinnen ist. Pflanze, dieses Wesen, bekommt erst einen Sinn für das Kind gegen das 10. Jahr hin. Das muß man ihm nur nachfühlen können. Daher darf man den Unterricht erst gegen dieses Jahr hin so gestalten, daß man wie von einer äußeren Welt von der Umgebung spricht.
Dann kann man anfangen mit dem, was man gewöhnlich als die Schulgegenstände ansieht, zum Beispiel Pflanzenlehre. Aber gerade an der Pflanzenlehre kann ich veranschaulichen, wie man realistisch im besten Sinne des Wortes beim gestalteten Erziehen vorgehen muß. Wenn wir eine einzelne Pflanze zunächst einem Kinde vorführen, so handeln wir da ganz unnatürlich, denn das ist nichts Ganzes.

Tussen het negende en het tiende levensjaar wijst de uiterlijke differentiatie tussen jongens en meisjes er al op dat er dan een belangrijke fase in het leven is bereikt. Dat komt tot uitdrukking in het feit dat het kind alleen al onderscheid leert maken tussen zichzelf en de natuur.<< Vóór dat moment bestaat er voor het kind eigenlijk helemaal geen plant, maar een wezen dat groen is met rode bloemen, en waarin een kleine geest huist, net zoals er in hemzelf ook een kleine geest huist. Het wezen ‘plant’ gaat zo tegen het tiende jaar pas iets betekenen voor het kind.>> Dat moet men met het kind kunnen meevoelen. Daarom mag men pas tegen deze leeftijd het onderwijs zo vormgeven, dat men over wat er om ons heen is spreekt als over een uiterlijke wereld.
Vanaf dat moment kan men een begin maken met wat gewoonlijk als schoolvakken wordt beschouwd, zoals bijvoorbeeld plantkunde. Maar juist aan de plantkunde kan ik duidelijk maken hoe men in een welgestructureerde pedagogie realistisch te werk moet gaan in de beste zin van het woord. Als wij beginnen met het kind een afzonderlijke plant te laten zien, dan doen wij iets heel onnatuurlijks, want dat is geen geheel. Een plant, en zeker een die uit de grond is getrokken, is geen geheel.

Eine Pflanze, ins­besondere wenn sie ausgerissen ist, ist nichts Ganzes. Die Menschen haben in unserer Zeit des Realismus, des Materialismus, wenig ma­teriellen und naturalistischen Sinn, sonst würden sie das fühlen, was ich eben jetzt gesagt habe. Ist eine Pflanze ein Ganzes? Nein, wenn wir sie ausgerissen haben und hierher legen, so geht sie sehr bald zugrunde. Es ist nicht ihre Natur, ausgerissen zu sein. Sie ist nur etwas in dem Erdboden drinnen, mit dem Erdboden zusammen. Ein Stein ist etwas Ganzes für sich. Den kann ich überall hinlegen, er ist dasselbe. Eine Pflanze kann ich nicht überall hintragen; sie ist nicht mehr dasselbe. Sie ist nur unmittelbar dasjenige, was sie ist, mit dem Stammboden, mit den Kräften zusammen, die aus dem Boden heraussprießen, und mit all den Sonnenkräften, die gerade auf diesen Teil der Erde auffallen, da ist die Pflanze ein Ganzes. Eine Pflanze für sich zu betrachten, ist geradeso absurd, wie wenn wir ein Haar ausreißen und das Haar für sich betrach­ten, als ob es ein Ding für sich wäre. Das Haar entsteht ja gar nicht anders, als an einem Organismus und kann nur verstanden werden im

De mensen hebben in deze tijd van realisme en materialisme weinig gevoel voor de materie en voor de natuur, anders zouden zij wel aanvoelen wat ik zojuist heb gezegd. Is een plant een geheel? Nee. Als wij een plant hebben uitgerukt en hier neerleggen, blijft daar al snel niet veel van over. Het is niet haar natuurlijke toestand om zo uitgerukt te zijn. Een plant is pas iets in de grond, samen met de grond. Een steen is op zichzelf een geheel. Die kan ik overal neerleggen, en die blijft hetzelfde. Een plant kan ik niet overal mee naartoe nemen, die is dan niet meer hetzelfde. Een plant is pas echt wat zij is samen met de grond waarop zij is gegroeid, samen met de krachten die uit de grond opwellen, en met alle zonnekrachten die juist op dat deel van de aarde terechtkomen. Pas zo vormt de plant een geheel. Een plant op zichzelf bestuderen is net zo absurd als een haar uittrekken en die dan op zichzelf bekijken, alsof die haar een ding op zichzelf was. Een haar ontstaat immers nooit anders dan op een bepaald organisme, en kan alleen worden begrepen in

Blz. 106/107  vert. 92/93

Zusammenhang mit einem Organismus. Das heißt, man kann bei der Pflanzenlehre nicht ausgehen von der einzelnen Pflanze, namentlich nicht von der Pflanzenwesenheit, sondern von der Landschaft, dem Geographischen, von demjenigen, was die Erde an einem bestimmten Ort ist. Und im Zusammenhang mit der ganzen Erde muß Pflanz­liches behandelt werden.
Wenn wir von der Erde sprechen, sprechen wir als Physiker, höch­stens noch als Geologen. Wir stellen uns vor: Die Erde ist eine abge­schlossene Totalität von physischen Kräften, mineralischen Kräften, und sie könnte auch existieren, wenn gar keine Pflanze, gar keine Tiere und gar keine Menschen darauf wären. Das ist aber ein Abstraktum. Die Erde, die der Physiker, der Geologe im Auge hat, die ist ein Ab­straktum. Die gibt es eigentlich gar nicht in Wirklichkeit. Es gibt nur diejenige Erde, die überall bedeckt ist von Pflanzen. Wir müssen uns bewußt sein, wenn wir eben das Geologische beschreiben, daß wir ein wesenloses Abstraktum nur zur Bequemlichkeit unserer Intelligenz beschreiben. Dem Kinde soll man aber nicht von Anfang an dieses wesenlose Abstraktum beibringen, sondern den Kindern soll man die Erde als einen Organismus lebendig machen.

samenhang met een organisme. Dat wil zeggen, dat men in de plantkunde niet kan uitgaan van de enkele plant, niet van het wezen van de plant dus met zoveel woorden, maar van het landschap, van de geografie, van wat de aarde op een bepaalde plaats is. De plant moet behandeld worden in samenhang met de hele aarde.
Als we het over de aarde hebben, spreken we als natuurkundige, of hoogstens als geoloog. Wij stellen ons de aarde voor als een geïsoleerd geheel van fysieke krachten, van minerale krachten. Die aarde zou ook kunnen bestaan als er helemaal geen planten, geen dieren en geen mensen op voorkwamen. Maar dat is een abstractie. De aarde die de natuurkundige, die de geoloog op het oog heeft, is een abstractie. Die bestaat in werkelijkheid eigenlijk helemaal niet. Er bestaat alleen maar die aarde die overal bedekt is met planten. Wij moeten, als wij dus een beschrijving geven van het geologische, ons ervan bewust zijn, dat wij bezig zijn een onwerkelijke abstractie te beschrijven uitsluitend tot gemak van ons intellect. Het kind mag men echter niet van meet af aan die onwerkelijke abstractie voorhouden. Voor kinderen moet men de aarde als een organisme tot leven laten komen.

Zunächst natürlich die Landschaft, die das Kind kennt; und dann, wie man ihm ein Tier zeigt, auf dem Haare sind, und man nicht, wenn es gar nichts von dem Tier wüßte, ihm ein Haar verständlich machen könnte, so muß man ihm die Erde als einen lebendigen Organismus auch lebendig machen und dann zeigen, wie auf der Erde die Pflanze west und webt. So also wird man Pflanzenlehre beibringen, indem man die Erde als ein Leben­diges, als einen Organismus ihm vorführt, zunächst das Stück Land­schaft, das es kennt. Dadurch hat man natürlich auch ein Abstrak­tum, denn eine Landschaft ist nicht möglich ohne eine andere auf der Erde; aber man muß sich dann bewußt sein, daß man auch von etwas Mangelhaftem ausgehen muß. Aber trotzdem kann man nach und nach erwecken bei dem Kinde nun wiederum aus der ganzen Bildhaftigkeit heraus dasjenige, was man nötig hat, ihm die Pflanze beizubringen.
Dadurch bringt man das Kind allmählich heran an die Außenwelt. Es bekommt das Kind ein Gefühl für den Begriff «Objektivität». Es lebt sich in das Irdische hinein. Das erreicht man am besten, wenn man das Kind in dieser natürlichen Art an die Pflanzenwelt heranführt.

In de eerste plaats natuurlijk het landschap dat het kind kent. En zoals men het kind een dier laat zien waar haren op groeien en men het niet, als het niets van een dier afweet, kan uitleggen wat haren zijn, zo moet men de aarde als een levend organisme voor het kind ook tot leven laten komen, om te laten zien hoe de plant op de aarde leeft en groeit. Men zal dus plantkunde geven door de aarde als iets levends, als een organisme aan het kind te presenteren, in de eerste plaats het landschap dat het kent. Dat levert natuurlijk ook een abstractie op, want het ene landschap is op aarde onbestaanbaar zonder het andere. Men moet zich daarbij dus bedenken dat men inderdaad gedwongen is uit te gaan van iets onvolledigs. Desondanks kan men op die manier bij het kind, wederom helemaal vanuit het beeldende, langzamerhand wakker roepen wat men nodig heeft om het kind de plant bij te brengen. Zo brengt men het kind geleidelijk aan in contact met de wereld om zich heen. Het kind krijgt een zeker gevoel voor het begrip objectiviteit. Het gaat deel uitmaken van het aardse. Dat bereikt men het best, wanneer men het kind op deze natuurlijke wijze in aanraking brengt met de wereld van de planten.
GA 305/105-106
Vertaald/91-93

Blz. 108   vert.  94/95

Nachdem es die Pflanzenwelt von sich abgesondert hat, die Empfindung des Objektiven der Pflanzenwelt, das Zusammenhängen der Pflanzenwelt mit der objektiven Erde in seiner Seele hat wirken lassen, lernt es die enge Beziehung der Tierwelt zum Menschen kennen, das Subjektive. Und so wird das Universum auf eine empfindungs­gemäße Weise mit dem Menschen wiederum zusammengebracht.

Dat is het andere aspect dat het kind dan op zijn elfde, twaalfde jaar in zich opneemt. Het heeft zich afgescheiden van de plantenwereld en het objectieve gevoel dat bij de plantenwereld hoort, de samenhang van de plantenwereld met de objectieve aarde op zijn ziel laten inwerken. Nu leert het de nauwe betrekkingen kennen tussen de dierenwereld en de mens, het subjectieve.
GA 305/108
Vertaald/94-95

Blz. 115   vert. 103

Voordracht 6, Oxford 22 augustus 1922

Die Erziehung der jüngeren Kinder
Der Lehrer als Erziehungskünstler (II)

Alles das, was Pflanzenwelt ist, kann es als Bild erfassen, weil das Muskelsystem plastisch, innerlich beweglich ist; wenn wir ihm das beibringen, was ich von der Tierwelt gesagt habe, wie die im Menschen lebt, so fühlt das das Kind nach, weil das Muskelsystem weich ist.

De opvoeding van jongere kinderen De leraar als opvoedkunstenaar ll

Alles wat plantenwereld is, kan het kind als beeld in zich opnemen omdat zijn spierstelsel plastisch is, innerlijk beweeglijk. Als wij het kind vertellen wat ik over de dierenwereld heb gezegd en hoe die in de mens leeft, dan kan het kind dat navoelen, omdat zijn spierstelsel nog week is.
GA 305/115
Vertaald/103

.

Rudolf Steiner over plantkunde 

Plantkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

.

2695-2525

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Driekoningen (24)

.

Dieuwke essels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’:
(december 2021)
.

Caspar, Melchior en Balthasar

De drie koningen heetten Caspar, Melchior en Balthasar. In het Mattheüs-evangelie lezen we dat er drie wijzen uit het Oosten kwamen om het Christuskind te aanbidden.
Ze hadden ook geschenken bij zich. Koning Melchior, met de rode mantel, gaf goud, Balthasar, met de blauwe mantel, gaf wierook en de donkere koning in de groene mantel, Caspar, gaf mirre. (Mirre is gomhars, een lekker ruikende olie).
Deze gaven kunnen ook een symbolische betekenis hebben. Goud staat dan voor
inzicht in de goddelijke, geestelijke wereld, wierook voor offerbereidheid en voor de menselijke deugd en mirre voor verbinding van de ziel met het onsterfelijke.

Driekoningenspel

De drie koningen zijn verbonden met vele, eeuwenoude tradities. Op de vrijeschool kan het Driekoningenfeest gevierd worden met het Driekoningenspel. Een andere traditie die ik nog ken van vroeger toen ik in Duitsland woonde, is dat er drie als koningen verklede jongens langs de deuren gaan. Met krijt schrijven zij dan het jaartal en de initialen van de koningen naast of boven de deur (C+M+B). In ruil krijgen ze dan wat snoep. Deze manier van vieren is gebaseerd op het rooms-katholieke gebruik om op 6 januari de huizen te zuiveren met wierook, en ze dan te zegenen.

Driekoningen thuis

Thuis kunnen we de Driekoningentijd ook vieren op een manier die teruggaat op een oude traditie en die ik vond in het boek “Leven met het jaar”, van Christofoor. Het werkt het beste in het weekend en je kunt het zo doen: bak een brood voor het ontbijt en verstop er een witte, gedroogde boon in (oorspronkelijk was de boon een stenen poppetje dat het Christuskindje verbeeldde). Eet het brood samen op. Wie de boon vindt, moet zich de rest van de dag als een koning gedragen, en wordt ook zo behandeld. Succes verzekerd! [Van: Antroposofisch Leven]

Linker afbeelding is van Trees Zwetsloot †. Meer werk van haar op AntroVista.
.

6 januari, een bijzondere dag
Door: Mirjam Chamuleau

6 januari is de laatste dag van de 12 Heilige Nachten en op die dag wordt de kleine kersttijd die in de nacht van 24 op 25 december begint afgesloten. Op deze dag dat de zon weer begint te draaien vieren wij het driekoningenfeest, een feest met een traditie die bij de meeste mensen wel enigszins bekend is.
Minder bekend is het dat we op deze dag nog drie andere gebeurtenissen herdenken.
De 4 aandachtspunten voor deze dag zijn:
1. Doop in de Jordaan
2. Wonder te Kanaa
3. Driekoningen
4. Vrouw Holle dag

De doop in de Jordaan

Waarom is de doop in de Jordaan zo bijzonder?
Omdat op dat moment alle lijnen van de geschiedenis van de mensheid samenkomen.
Na een lange weg van voorbereiding, verbindt een groot goddelijk wezen, het
Christuswezen, zich met de mensheid en incarneert in een mensenlichaam, het lichaam van Jezus van Nazareth. Talloze kunstwerken die later tot stand kwamen over deze belangrijke gebeurtenis voor de mensheid laten dit zien in het beeld van de neerdalende duif. Drie jaar lang tot en met de kruisdood op Golgotha zal Christus door en in de mens Jezus werkzaam zijn.
Op die manier verbindt Hij zich met de aarde en de mensheid en met de weg die de mensheid gaat en nog moet gaan tot in de toekomst. Hij is het goddelijk wezen dat de brug slaat tussen hemel en aarde, tussen de mens en de goddelijke wereld. Deze verbinding dreigde verloren te gaan, maar door de komst van Christus op “het keerpunt der tijden” is het voor ieder mens zelf weer mogelijk deze verbinding tot stand te brengen (over de doop in de Jordaan lees je in de bijbel in: Math.3 14-15).

Het wonder op de bruiloft te Kanaa [Johannes 2 vers 1-10]

Na de doop in de Jordaan en 40 dagen van afzondering in de woestijn komt Jezus met zijn moeder op de bruiloft in Kanaa aan. Er heeft zich in hem een grote innerlijke metamorfose voltrokken. In zijn ziel heeft het mensen-ik van Jezus plaats gemaakt voor het grote kosmische zonne-Ik van het Christuswezen.
Het veranderen van water in wijn is het eerste “wonder” dat Christus in zijn aardse gestalte verricht. Hij wijst hier op zijn herkomst als zonnewezen en op de toekomst van de mensheid waarin de nieuwe innerlijke zon van de mens zijn glans zal verspreiden en de aarde met die kracht zal kunnen transformeren.

Vrouw Holle

In zekere zin is hier ook sprake van Epifanie. Epifanie is letterlijk: het tot verschijning komen, in dit geval van Vrouw Holle. Vrouw Holle = beeld voor de wijsheidskrachten uit de natuur en ook is Vrouw Holle de behoedster van het menselijk lot.
In veel sprookjes kunnen we de macht van haar wezen zien verschijnen. In de
verhalen zit Vrouw Holle vaak bij de bron, daar is haar “werkterrein”. De bron is beeld voor de poort tussen hemel en aarde of de boven- en onderwereld
(Holle=Hölle=onderwereld) of onbewustzijn en bewustzijn, dat is het gebied waar Vrouw Holle werkzaam is. Ook werkt zij in het gebied van de aardewezens (dwergen), de luchtwezens (elfen), de waterwezens (nimfen) en de vuurwezens (salamanders).
Door het werken met deze wezens maakt zij een verbinding van de hemelwereld (ook wel vaderwereld) en de aardewereld (moederwereld).
Behalve beheerster van dit natuurrijk is zij ook de behoedster van het menselijk lot. In de verhalen zien wij dit in beeld gebracht in het spinnen van de (levens)draden.

Rudolf Steiner maakt deze samenhang duidelijk door te zeggen dat de wetten van de natuur dezelfde wetten zijn, als diegene die in de mensenwereld werken als de wetten van de moraliteit. Ze worden volgens dezelfde consequente onwrikbaarheid voltrokken; de werking van oorzaak en gevolg van ons handelen en onze gedachten.
Vrouw Holle is de behoedster van beiden.

Meer over Vrouw Holle

Driekoningen

Driekoningen is een feest waarvan we een eeuwenlange traditie kennen. Ook nu nog gaan, vooral in Brabant, kinderen zingend langs de deuren al of niet met ster.
In het Matheus-evangelie lezen we over “priesterwijzen” uit het Oosten. Daar staat niet specifiek dat het er drie waren. In de loop der eeuwen zijn er vele visies geweest over de koningen, we kunnen dat ook terugvinden in oude geschriften en afbeeldingen uit de kunst. In het jaar 344 zegt Johannes Chrijsostomos dat er 12 wijzen waren.
Epifanius van Salamis (315-403) spreekt over 15 wijzen. In de catacomben van
Domitilla zien we er 4 afgebeeld en in de catacomben van Pricilla weer 2 en in het lateraans museum in Rome hangt een afbeelding met 3 wijzen.
Friedrich Klopstock (dichter 1724-1803) heeft het over 6 wijzen en Origenes houdt het op 3, want, zegt hij, er waren 3 geschenken dus ook 3 koningen.
Voor zover er sprake is van namen zijn deze ook door de eeuwen heen heel
verschillend geweest, er is sprake van:

Magalath            Galgalath              Tharath
Magala                Galgalath              Sarachim
Apellius              Ameris                   Damasis
Seit                      Mansor                  Theogene
Ator                     Sator                      Perateras
Bithisarea          Melchior               Gathaspa

En Beda Venerabile, een Benedictijner monnik die leefde van 673-735 spreekt voor het eerst over Melchior, Balthasar en Caspar; de namen zoals wij die ook nu nog gebruiken voor de koningen. Deze koningen of wijzen volgden de ster zoals we in het Matheusevangelie kunnen lezen en brachten het kind hun geschenken.
Uit wat Rudolf Steiner ons in zijn voordracht “Het vijfde evangelie” vertelt weten we dat in het kind waar het Matheusevangelie over vertelt (ook wel het Salomoonse Jesuskind genoemd) de grote individualiteit van Zarathustra werd wedergeboren. Als Zarathustra was hij leider van het Perzische volk, hij leerde hun wijsheid en leerde hun zien dat de zon een hoog geestelijk wezen was: Ahura Mazdao, een wezen dat eens op aarde zou afdalen om zich wezenlijk met de mensheid en haar voortgang te verbinden.
In de 6e eeuw v.C., ten tijde van de Babylonische ballingschap, was Zarathustra
geïncarneerd als Zarathos in Chaldea. Leerlingen van hem, van zijn mysterieschool, waren Chaldeeuwse wijzen. Ze vereerden hem en wachtten vol verlangen op zijn volgende incarnatie. Zij leerden de sterren “lezen” en konden zo aan de hemel de ster zien verschijnen die deze gebeurtenis aankondigde. Ze gingen op weg naar de plaats die de ster hun zou wijzen.
Natuurlijk is er iets “bijzonders” te zien aan de hemel bij grote belangrijke
gebeurtenissen voor de mensheid. Talloze astrologen hebben zich over het raadsel van de “ster van Bethlehem” gebogen en een bijzondere constellatie gevonden van Saturnus, Jupiter en Zon die maar één keer in de 10.000 jaar voorkomt. Maar deze wijzen zagen meer. Rudolf Steiner zegt op 30 dec. 1904 over de koningen die de ster volgen: Geleid worden door een ster wil niets anders zeggen dan “de ziel zelf als een ster zien” als een lichtende aura. Wat de magiërs zagen stralen is “de ziel van Christus zelf”.

Zij zagen niet alleen de glans van een bijzonder mensenkind maar ook (door hun
voorbereiding, door hun inwijding) de “sterglans” van de ziel die 30 jaar later bij de doop in de Jordaan in dit mensenkind zijn intrek zou nemen. Volgens de overleveringen brachten de koningen geschenken met zich mee.
In het driekoningenspel wordt gesproken door Melchior (de koning in het rood): ick wil u offren het rode gout, ick bid mij in genae behout” en door de groene koning Caspar “so wilt veeledel heldt ontvaen de vrucht mijns lands, de mirre goet”en ten slotte de blauwe koning Balthasar “neem aan het offer, de wierook goet”
Behalve in het uit de middeleeuwen stammende driekoningenspel is er ook in andere geschriften over de geschenken en hun betekenis geschreven. Binnen de antroposofie gebruikt men de kleuren die men de koningen geeft en ook de geschenken als beelden of symbolen:
• Melchior (rood) schenkt goud symbool voor wijsheid -het denken.
• Balthasar (blauw) schenkt wierook symbool voor gebed-het voelen.
• Caspar (groen) schenkt mirre symbool voor onsterfelijkheid-het willen.

Bemardus van Clairveaux (1090-1153) bracht een oplossing van veel praktischer aard naar voren: het arme gezin waar het Jesuskind geboren werd kon goud heel goed gebruiken en ook wierook vooral tegen de stank in de stal. Mirre kon gebruikt worden als “tijgerbalsem” want hagel en sneeuw gaf reumatische klachten. Er wordt ook in verband met de drie koningen gesproken over hun leeftijdsfasen.
Van Raephorst zegt: Caspar is de jongste, Balthasar de rijpe man en Melchior de oude.
Volgens de traditie komt Caspar uit het oude Egypte, Balthasar uit India en Melchior uit Perzië en representeren ze samen de drie na-atlantische culturen (ook wel Europa-Azië-Afrika). In ieder geval wordt in de drie koningen de hele mensheid gerepresenteerd!
In de folklore vinden we nog een aantal oude driekoningengebruiken b.v. het bakken van een driekoningenbrood met erin verstopt een boon. Wie de boon heeft is die dag “de koning”. De koningen werden aangeroepen als beschermers van reizigers: Caspar leide mij, Balthasar besture mij, Melchior beware mij.
In delen van Duitsland reinigt men met brandende jeneverbestakken huis en stal en schrijft men na afloop de drie initialen C.M.B. met krijt op de muur of deur. C.M.B. (Caspar-Melchior-Balthasar) in dit geval de afkorting van de latijnse woorden: Christus Mansionem Benedicat – Christus zegene deze woning.

Pinterest: advocate art

Driekoningen en de koek……

Er wordt een moment [schoolbreed] afgesproken wanneer driekoningen in de klas gevierd wordt middels het eten van de koek met de 3 bonen: 2 witte [voor Melchior en Balthasar] en 1 bruine voor Caspar. [de bonen worden na het bakken in de koek gedaan..[[anders garen ze mee]]]
Het bakken en aanleveren van de koek staat op de activiteitenjaarplanner voor de ouders.
Maar Hoe en wanneer ga je de koek verdelen??
Hieronder een beschrijving:
Het is ’s morgensvroeg.
Op de tafel in het midden van de kring staat een cake/koek op een bord/ snijplank. In de nabijheid, onder tafel bijvoorbeeld, ligt een mes om de cake te snijden. Bovendien liggen servetjes klaar voor alle kinderen.
Als ze er zijn is het leuk om 3 verjaardagskaarsjes in de kleuren rood, blauw, groen in de koek te zetten.
De kleuters komen binnen en net als altijd is het ritueel tot en met de klassenkabouter “Zonnegroet” naar haar stoeltje brengen en de knuffels naast haar in de vensterbank.
Geen “laten-zien-rondje” deze dag. [“stapperdestap daar kom ik aan”]
Kinderen in de kring terug.
Vertellen wat we gaan doen, of interactief, “wie weet wat we nu gaan doen?”
Licht uit.
Kaarsjes aan op de driekoningenkoek. [eerder maakte ik de koeken zelf, een tulband, bedekt met een laagje chocola en daarop gemalen kokos gestrooid.]
Driekoningenliedjes zingen,
En “Stil nu”
Kaarsjes uitblazen…….. tellen hoeveel kindjes er zijn en zoveel plakjes koek snijden als er kindjes zijn.
Ondertussen rustig doorzingend. Alleen stoppen om te tellen hoeveel plakjes je al hebt.
Kan ook neuriën…[ doordat de kleuters mee kunnen doen, blijven ze betrokken]
Kindje van de dag mag alle kleuters een servetje geven, juf loopt met de schaal rond en geeft ieder kind een plakje koek [geef even aan dat we samen gaan eten, even wachten dus op elkaar, met het opeten. Kleine herinnering, “misschien zie je al wel een boon, maar dat mag je nog even voor jezelf bewaren: dat is heeeeel moeilijk, maar zo gaan we dat doen, als we de koek eten, dán mag je het zeggen”. Waarschuw even dat de boon heel hard is en dat die niet opgegeten hoeft maar op het bord in het midden van de kring gelegd mag worden. Mocht een kindje het niet aandurven koning te zijn, dan mag deze kleuter aangeven wie het wel gaat worden….
De kinderen die de boon vinden mogen rood, blauw of groene koning zijn en hun
knecht kiezen.
Vervolgens speel je het driekoningenspelletje……

Wat recepten voor
Driekoningen en de koek | Kook Rubriek

Driekoningenspelletje…

Hoe te beginnen?
Tafeltje int midden van de kring
Kinderen eromheen
Samen met helpertje kleren klaarleggen [1e keer uitleg van kleding, bespreken kleuren vormen [[capes, jurken, pakjes]], lengtes. Attributen: kronen, kijkers, geschenken, kussentjes.
Rolverdeling [van oudsten naar jongsten de ene dag de andere dag van jongsten naar oudsten]
Elkaar helpen aankleden
Iedereen naar juiste plaats [allen staand in de kring, juf geeft aan waar de koningen enzovoorts gaan zitten.

Welke rollen zijn er:
Jozef
Maria
Lam
Ezel
Os
Melchior
Knecht Melchior
Balthasar
Knecht Balthasar
Caspar
Knecht Caspar
Herodes
Engel met ster
Engelen
Muzikantjes
Verteller

Plaats van de rollen:
Verteller links van leidster, dan koningen en knechten [7 stoeltjes], tijdens het spel lopen de koningen, als het hun beurt is, naar de overkant van de kring.
Engelen op bankjes naast de stal,
Herodes rechts van leidster+ muzikanten,
Jozef, Maria, os en ezel en lammetje in de stal

Melchior en Knecht Melchior, Balthasar en Knecht Balthasar, Caspar en Knecht Caspar
Jozef en Maria
Ezel en Os en Lam
Herodes
Engelen, Verteller
Ziek of Afwezig, Muzikantje
Voordat het spel begint:
Koningen en knechten zijn jullie klaar [zij knikken hun hoofd]
Jozef en Maria zijn jullie klaar: “Ja, begint u maar”
Os en ezel en lammetje klein: laat jullie es eventjes horen!…
Engelen zijn jullie klaar [zij bewegen hun armen als vleugels zacht heen en weer]
Muzikantjes zijn jullie klaar? Laat maar even horen klingelingeling [1
e zin van het liedje
zingen]
“Dank jullie wel, dan gaat het spel nu beginnen.”

Eens op een dag wandelen Maria met haar kindje, Jozef en de os de ezel en het
lammetje buiten.
Zachtjes vallen er sneeuwvlokjes neer. {lopen door de kring]

Ze gingen de stal weer binnen en boven de stal straalde de ster [de engel met de ster steekt de ster goed omhoog en gaat daarbij staan]
De ster had prachtige stralen die straalden zo ver: Over de bergen en over de dalen [met handen gebaren]
Zo kwamen de stralen ook in een land waar een koning woonde: Melchior was zijn naam
Koning Melchior stond op een avond op het balkon van zijn paleis [kind gaat op stoel staan]
En zag een nieuwe ster aan de hemel staan [zet kijker voor een oog]
Koning Melchior is mijn naam Ik zie aan de hemel een sterre staan.
Daarin een teer maagdekijn Met een kindje al zo klein.
Dit is voorspeld, Zo zou het zijn, Dit moet voorwaar een koningskind zijn.
[Stapt van stoel af en spreekt tot zijn knecht]
Zoeken willen wij hem
En geschenken brengen
Het mooiste van de wereld het goud
[Lopen naar de tafel met geschenken en nemen het passende geschenk]
Wil ik aan zijn voetjes leggen.
Maar wie wijst mij de weg naar dat goddelijk kind?
Ach zie, de engel gaat mij voor.
[Engel brengt koning en knecht naar overkant van de kring]

De ster straalde nog verder over de bergen en over de dalen en over nieuwe bergen.
[Engel loopt terug naar stal]
De stralen kwamen in een land waar koning Balthasar woonde.
Koning Balthasar stond op een avond op het balkon van zijn paleis [kind gaat op stoel staan]
En zag een nieuwe ster aan de hemel staan
Koning Balthasar is mijn naam
Ik zie aan de hemel een sterre staan. [Zet kijker voor een oog]
Daarin een teer maagdekijn met een kindje al zo klein,
Dit is voorspeld, Zo zou het zijn,
Dit moet voorwaar een koningskind zijn. [Stapt van stoel af en spreekt tot zijn knecht]
Zoeken willen wij hem En geschenken brengen
Het mooiste van de wereld de wierook [lopen naar de tafel met geschenken en nemen het passende geschenk]
Wil ik aan zijn voetjes leggen.
Maar wie wijst mij de weg naar dat goddelijk kind?
Ach zie, de engel gaat mij voor. [Engel brengt koning en knecht naar “Berg”,
schommelboot]

De tweede heette Balthasar, Balthasar, Balthasar, de tweede heette Balthasar.
Hij bracht het kindje wierook mee, wierook mee, wierook mee, hij nam voor het kindje wierook mee.

[Engel loopt terug naar stal]
De sterrenstralen gingen nog verder over de bergen, over de dalen, over nieuwe
bergen en rivieren en kwamen in een land waar koning Caspar woonde.
Koning Caspar stond op een avond op het balkon van zijn paleis en zag aan de hemel een nieuwe ster.
Koning Caspar is mijn naam [kind gaat op stoel staan]
Ik zie aan de hemel een sterre staan. [Zet kijker voor een oog]
Daarin een teer maagdekijn met een kindje al zo klein,
Dit is voorspeld, Zo zou het zijn,
Dit moet voorwaar een koningskind zijn. [Stapt van stoel af en spreekt tot zijn knecht]
Zoeken willen wij hem En geschenken brengen
Het mooiste van de wereld de mirre [lopen naar de tafel met geschenken en nemen het passende geschenk]
Wil ik aan zijn voetjes leggen.
Maar wie wijst mij de weg naar dat goddelijk kind?
Ach zie, de engel gaat mij voor. [Engel brengt koning en knecht naar “Berg”,
schommelboot]

De derde heette Caspar goed, Caspar goed, Caspar goed, de derde heette Caspar
goed.
Hij nam voor het kindje mirre mee, mirre mee, mirre mee, hij nam voor het kindje mirre mee.

Daar kwamen de koningen bij elkaar, allen gaan ze staan en zij maken een buiging naar elkaar.

Melchior:
Koning Melchior is mijn naam, ik zag aan de hemel een sterre staan
Geboren is een koningskind, nu ga ik zoeken tot ik het kindje vind

Balthasar:
Koning Balthasar is mijn naam, ook ik zag aan de hemel een sterre staan.
Zullen we samen zoeken gaan?

Caspar:
Koning Caspar is mijn naam, ook ik zag aan de hemel een sterre staan.
Laten we samen met onze knechten reizen naar de plaats die de ster ons zal wijzen.
De koningen gaan lopen [[op volgorde]] achter de engelen aan, de engelen lopen in de kring 1 rondje, de koningen lopen met hun gevolg 2x in de kring]

Drie koningen drie koningen zij kwamen van ver, drie koningen drie koningen en volgden de ster,
De ster ging even onder zo dwaalden zij tesaam
En kwamen zo bij Herodes aan
Drie koningen drie koningen
Zo kloppen zij op Herodes zijn deur Herodes komt zelve naar veur
Dag koningen dag koningen [H buigt voor koningen en knechten]
Zeg ons waar is het kindje de koning van ons al [koningen en knechten zingen samen]
Is hij al geboren, is hij er al?

[Herodes] Zeg koningen zeg koningen Ga dat kind maar zoeken en zeg het mij met
spoed, dat ook ik dat kindje begroet
Dag koningen dag koningen.
Drie koningen drie koningen zijn verdergegaan, drie koningen drie koningen komen bij
het stalletje aan.
Daar kloppen zij aan de deur van de stal,
Jozef komt eraan gelopen

Jozef: Dag koningsvrienden, wat zoekt gij hier?
Koningen: Wij zijn de drie koningen en komen van ver, wij zagen aan de hemel een nieuwe ster.
Een ster van een nieuw koningskind, wellicht dat wij hem hier vinden?
Jozef: Komt binnen, hier zijt gij goed.
De koningen geven hun kronen en kijkers aan hun knechten en nemen de geschenken over van hun knechten.
De koningen buigen voor Maria en het Kindje teer
De koningen knielen dan bij het kribje neer. [op één knie buigen: kroontje en kijker geven zij aan knecht en knechten geven het geschenk aan de koning]

Wiegeliedje:
Klein koningskind, klein koningskind
Een ster die bracht mij hier
Klein koningskind, klein koningskind
Zo fijn dat ik u vind

Melchior is mijn naam en goud is mijn geschenk [een voor een geven zij hun geschenk aan Maria]
Balthasar is mijn naam en wierook is mijn present
Caspar is mijn naam en mirre is mijn present.
Maria: “bedankt goede koningen, dat u hier gekomen bent en dank voor uw
geschenken.
Een goede reis terug naar huis gewenst. We zullen nog vaak aan u denken.”
De koningen gaan staan en buigen naar Jozef, Maria en het kindje en lopen achteruit naar hun knechten en zetten hun kronen weer op.

Neuriën:
Er waren eens drie koningen.

In de kring: Melchior: “nu moeten wij Herodes gaan vertellen dat wij het kindje
gevonden hebben”
Balthasar: “zodat hij het kindje ook geschenken kan brengen”
Caspar: “maar duisternis valt op de aarde neer. Vandaag lukt dat niet meer.
Laten we voor vandaag maar rusten en slapen hierbuiten” [knielen rond de paalkop.]

Als de koningen slapen komen er engelen:

“Gij Melchior en Balthasar en Caspar goed, wordt eens wakker en luistert goed:
Gij moet niet naar Herodes gaan, maar stilletjes naar huis toe gaan. Ga met een boog om het paleis en maak u klaar voor de thuisreis”.

Neuriën: in de hemel is een dans

De koningen worden wakker Melchior zegt: “hebben jullie ook een engelendroom gehad?”
Balthasar en Caspar knikken beiden hun hoofd, ze nemen afscheid van elkaar [geven elkaar een hand en maken kleine buiging] en gaan naar huis terug.
Ze weten dat dit een waarschuwing is geweest en dat ze terug naar huis moeten gaan, om het kindje en zichzelf te beschermen]

In de stal is alles rustig tot een engel bij Jozef komt:
Engel: Jozef, Jozef, ik kom u wekken, dat gij moet vertrekken met Maria zoet. Sta op sta op verlaat nu Bethlehem en vlucht naar Egypte. En zie de engel gaat u voor.”

De Engel gaat voor de stal staan en Jozef maakt Maria wakker:
Jozef: “Maria, Maria, wordt eens wakker, we moeten naar Egypte, het was een engel die het zei…”
Dan halen ze de dieren uit de stal. Zo lopen ze rustig naar de engel.

Liedje:

Als iedereen uit de stal is, lopen de Koningen, knechten, muzikantje en Herodes achter de rij aan, we lopen rond de kring en daarna weer de kring in en zingen.

Gezongen driekoningenspelletje door volwassenen, rond 6 januari gezongen opgevoerd.
Een ontroerend eerbiedsspel…..
In de grote zaal “de Halde” in onze school kwamen er volwassenen om dit lied ten gehore te brengen en daarmee het driekoningenspel op te voeren.
Bij binnenkomst met de kleuters zijn de gordijnen dicht en de verlichting is gedempt, als we allen goed zitten, komen Maria en haar kindje en Jozef de zaal binnen en gaan het toneel op een klaargezette plaats hun ruimte nemen. Kleuters kijken ademloos toe.
Dan horen we van ver een geneuriede melodie die dichterbij komt en in zingen
meandert, de stoet koningen en herauten schrijdt binnen en gaat ook het podium op, al zingend speelt zich het “tableau vivant” af…, de koningen lopen het toneel daarna al zingend weer af en als de melodie weer verzacht, verlaten Jozef en Maria en kindje met de geschenken ook het toneel en wordt het weer muisstil in de zaal. Na even op adem gekomen te zijn, verlaten we allen al neuriënd de zaal en lopen naar onze lokalen toe, we nemen plaats op de stoeltjes in de kring, in de klas ook is het licht gedimd, juffie maakt een beetje meer licht en langzaam stappen we onze speeldag in, met een driekoningenlied en daarna naar activiteit of speelland…. Ook wel eens met eerst een biscuitje omdat wat we mee hebben gekregen, in het driekoningen spelletje, alvast te laten verinnerlijken.

2. (Melchior:)
Born a king on Bethlehem plain,
Gold I bring to crown Him again,
King for ever, ceasing never,
Over us all to reign.

3. (Balthazar:)
Frankincense to offer have I;
Incense owns a Deity migh,
Prayer and praising, all men raising,
Worship Him, God most heigh.

4. (Caspar:)
Myrrh is mine, its bitter perfume
Breathes a life of gathering gloom;
Sorrowing, sighing, bleeding, dying,
Sealed in the stone-cold tomb.

Drie-koningen-uit-kerstpoëzie voor peuters en kleuters

Het versje gaat zo verder:
Zo bracht de ster ze keurig naar het kindje – klein en teer
en knielden de drie koningen voor de kribbe neer.
En toen de koningen allang weer weg waren gegaan
bleef die mooie gouden ster stralend aan de hemel staan.

In de kleuterklas gaat de kersttijd nog even door als de kleuters op school komen in het nieuwe jaar.
De afgestofte seizoentafel is bijna gelijk gebleven:
Jozef, Maria en het Kind zijn in de stal net als os en ezel en één van de lammetjes die de herders hebben gegeven.
De herders zijn weer terug naar het veld en de Drie Koningen zijn onderweg: elke dag komen ze beetje dichterbij
[Tot de opvoering van het Driekoningenspelletje]
Uit het Seizoentafelboekje
Van Dieuwke Hessels
[ een boekje gemaakt betreffende seizoentafels door het jaar heen met foto’s [die
Dieuwke maakte in de laatste jaren voor haar pensionering] liedjes, met tips en tricks en “hoe dan en wat dan ?“]

Bron

Boeken voor Driekoningen
Drie wijzen uit het Oosten van Loek Koopmans, Winterlicht van Diana Monsun

Maria’s kleine ezel van G. Sehlin (over de vlucht naar Egypte) Een ster over de
grens van Ineke Verschuren

Deze bundel bevat verhalen, liedjes en recepten. de verhalen zijn van verschillende auteurs en ook erg verschillend van stijl. Denk aan Annie M.G Schmidt, Paul Biegel, Hans Stolp …
In de bundel zijn drie grote thema’s terug te vinden m.n. de kerstboom, de kersttijd en het kerstkind. Zeker bruikbaar als voorleesboek in de kleuterklas. Jammer dat de illustraties zwart-wit zijn.


Ze gaan weer terug nu zonder aards geschenk, maar met hemelse warmte in hun hart.

.

Met toestemming van de schrijfster, waarvoor dank!

.

Driekoningen: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: Driekoningen – jaartafel

.

2694-2524

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-25)

.
Siegward Knijpenga, Jonas jrg.11, nr 10.
.

Begint het jaar 1 januari?

.

Het is niet moeilijk het jaar te beleven als een ritmische eenheid. Voortdurend wisselen de vier seizoenen elkaar af. Na vier stadia begint het weer op nieuw. Het is echter moeilijker vast te stellen wanneer het jaarverloop begint en wanneer het eindigt. Zoals het ook moeilijk is te zeggen waar een golf water begint en waar die eindigt. Een ritmisch proces golft en stroomt door de tijd. De mensen bewegen zich op deze stroom. In verschillende culturen en tijdperken heeft men verschillende gedachten gehad over het moment van het begin en het einde van het jaar.

Rond vijfduizend jaar geleden vierde men in Sumerië de inzet van het nieuwe jaar met de winterzonnewende. Men voelde dat in deze dagen het licht weer opnieuw geboren werd. De Atheners daarentegen begonnen hun jaar met de zomerzonnewende. De Germanen deden het nog anders: zij boden hardnekkig weerstand aan Romeinse tijdrekeningen zolang zij dit vol konden houden en vierden het begin van het jaar in het voorjaar. De Joden tenslotte hadden zowel in het voorjaar (Passahfeest) als in het najaar een nieuwe inzet. In het najaar was het het Loofhuttenfeest; hierbij werd bijvoorbeeld in de wekelijkse lezingen op de sabbath de lezing van de Bijbel beëindigd en weer opnieuw aan het begin begonnen. Zo werd in deze culturen telkens een van de bijzondere zonnestanden gekozen voor de inzet van het nieuwe jaar. Julius Caesar tenslotte (100-44 v. Chr.) stelde Nieuwjaar vast op de eerste januari. (Tevoren werd het in Rome op 1 maart gevierd). Dit werd gaandeweg in de wereld geaccepteerd als de gemeenschappelijke datum. Overigens kwam deze eerste januari niet uit de lucht vallen. Het was de dag waarop in Rome de nieuwe consuls werden ingezet. Men ging dan naar de tempel van Janus, waar een witte stier werd geofferd en men elkaar geschenken gaf. Tot zover de historie.*)

Wijzelf nu vieren Nieuwjaar jaarlijks. Daarbij kan men het volgende bedenken: Een begin is nooit alleen een ogenblik, het is ook altijd een proces. Er is een weg naar een aanwijsbaar begin toe en er is de vormgeving van een nieuwe impuls. In het menselijke ziet het er vaak zo uit dat een nieuw begin voorbereid wordt, doordat er een innerlijke onrust ontstaat, doordat men niet meer gelukkig is met de geijkte gang van zaken. Er komen gevoelens los die niet verenigbaar zijn met de vorm waarin men leeft. Er rijzen dan vragen in de ziel; vragen waarom de dingen gaan zoals ze gaan en waarom men er niet in mee kan. Dit brengt een fundamentele innerlijke onrust. Misschien mag men zeggen dat de dingen op aarde tot verharding neigen. Daarom ook kan vernieuwing niet van buiten af verwacht worden. Ze moet van binnen uit ontstaan. Echte vernieuwende impulsen worden door mensen innerlijk meegebracht en ze stijgen in hen omhoog wanneer het hun tijd is. We kunnen deze tijden van innerlijke spanning en bewogenheid zien als voorbereiding voor de intrede van iets echt nieuws.

Een tweede element is dan, dat de dingen die innerlijk voorbereid werden, lijken te passen in de omgeving. Men kan ze dan al duidelijker voor zich hebben. De tijd is er rijp voor.

Het eigenlijke ogenblik is gekomen.

Een derde element is, dat datgene wat ons bijvoorbeeld als ideaal voor ogen staat, zoveel werkelijkheid uit de omgeving aantrekt dat het zijn aardse vorm vindt.

Dit drieledige proces in het maken van een echt begin vinden we in de dagen rond onze jaarwisseling terug. Om er een duidelijk beeld van te krijgen, moeten we eerst terug naar wat aan de jaarwisseling voorafging. De adventstijd is een bewogen tijd. Mensen hebben het vaak moeilijk met elkaar. Het innerlijk leven wordt intensiever en dan ben je in de regel wat minder meegaand ingesteld. Dat schept wrijvingen en problemen. De religieuze traditie heeft voor deze tijd bepaalde teksten uit de evangeliën. Daar liggen dezelfde motieven, alleen in omgekeerde volgorde dan ze werden beschreven in het voorgaande. Er wordt gesproken over een wereld die in beweging komt; daardoor komt ook de mens tot zichzelf. In deze religieuze traditie begint het jaar dan ook met advent als de innerlijke opmaat. Voor de menselijke creativiteit is dit een belangrijk gegeven. Advent kan de innerlijke onrust teweeg brengen die nodig is voor een nieuw begin.

Met Kerstmis denken we aan het begin zelf. Enerzijds is er het gegeven dat de zon weer gaat rijzen, anderzijds de herinnering aan het lichtkind dat geboren werd in de stal te Bethlehem. De wereld en de mensheid vernieuwt zich.

Nu is het interessant dat Oud en Nieuw nog een week later vallen. Nieuwjaarsdag is acht dagen na de eerste kerstdag. De een is de octaaf van de ander. Je moet toch een beetje denken aan die Romeinse consuls die op die dag aan het werk moesten. Ze zullen zeker hun voorbereidingstijd hebben gehad. Op die dag moesten ze echter aan de slag. Is dat met Nieuwjaar niet ook een beetje zo?

Toen het christendom de Nieuwjaarsdag in haar christelijk jaar opnam, verbond zij het met de herinnering aan de besnijdenis en de naamgeving van Jezus. Dit gebeurde volgens de overlevering immers acht dagen na de geboorte. Ook dit is tenslotte nog een bijzonder gegeven om in de gedachten op te nemen wanneer we deze dagen op hun innerlijke waarde willen toetsen en ze een innerlijke waarde willen geven.

Maria had zware, bewogen maanden voor de geboorte van het kind. Men kan denken aan de reis van Nazareth naar Bethlehem en wat daarmee gepaard ging. Voor Maria was dit een zeer persoonlijke advent. Dan de geboorte zelf. Het was het verschijnen van het hemelse lichtkind in aardse gestalte; een echte openbaring. Dan volgden de zeven stille dagen in de stal of grot. Vervolgens de bevestiging van Zijn aardemenszijn door de besnijdenis en de naamgeving, waardoor het tot nu toe onzichtbare, verborgene, aanspreekbaar werd.

Deze evangelische ‘beelden’ kunnen in de eerste plaats aan advent en Kerstmis, maar tenslotte toch ook aan de Nieuwjaarsdag een eigen innerlijkheid geven.

*Wilhelm Hoerner: Zeit und Rhythmus
.

Ritme: alle artikelen

.

2693-2523

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sterrenkunde (1-5-1/2)

.

Artikelen voor de bovenbouw die hier worden gepubliceerd hebben alle betrekking op de tijd dat de bovenbouw nog veel meer vrijeschoolbovenbouw kon zijn dan nu het geval is. De exameneisen hebben steeds meer inbreuk gemaakt en daardoor afbreuk gedaan aan het leerplan zoals dat jaren werd gehanteerd, steeds vanuit het gezichtspunt: leerstof is opvoedings- en ontwikkelingsstof. In hoeverre dat principe – naast de examentraining – nog leidraad kan zijn bij de inhoud van de geboden lesstof in de verschillende vrijeschoolbovenbouwen weet ik niet. 
De artikelen voor deze klassen zijn wél vanuit dit gezichtspunt geschreven.

.

C. von Gleich, nadere gegevens ontbreken, datum moet van na 1980 en vóór 1986 zijn*.
.

EEN TEKEN AAN DE HEMEL – EEN TEKEN AAN DE WAND

.
II. Toekomstperspectieven

In het vorige artikel kwamen de periodieke verschijningen van de komeet Halley ter sprake, die door de astronomen met een steeds toenemende nauwkeurigheid konden worden berekend. Een geheel nieuwe dimensie krijgt voor ons het fenomeen van deze komeet echter door de esoterische beschouwingen die wij aan Rudolf Steiner te danken hebben. In de loop van het voorjaar 1910 sprak hij in vier steden (Stuttgart, München, Palermo en Hannover) met nadruk over de geestelijke betekenis van de komeet Halley. Het is opmerkelijk dat deze voordrachten in een periode vallen waarin Rudolf Steiner ook voor het eerst een ontwikkeling kon openbaren die hij als de belangrijkste voor onze tijd kenschetste: het nieuwe schouwen van de werkingskracht van Christus in het etherische gebied. De twee in Stuttgart gehouden voordrachten, ‘Die Geheimnisse des Weltalls. Kometarisches und Lunarisches’ (5 maart) en ‘Die Wiedererscheinung des Christus im Atherischen’ (6 maart) laten ons bewust worden dat wij beide gegevens niet los van elkaar mogen zien, als wij ons met de komeet Halley bezighouden.

In het bestek van dit artikel is het niet mogelijk in te gaan op alle aspecten die door Rudolf Steiner in verband met de komeet Halley worden behandeld. Het hierna volgende is daarom niet meer dan een gedeeltelijke samenvatting van gezichtspunten uit de desbetreffende voordrachten die gepubliceerd zijn in deel 118 van de Gesamtausgabe.

Kometen verschijnen met grote tussenpozen. Iedere komeet heeft daarbij een heel bepaalde opgave. Wanneer deze vervuld is, dan versplintert de komeet. Zoals de zon, de maan en de planeten als het ware verweven zijn met ons dagelijkse, min of meer regelmatige doen en laten, veroorzaken de kometen een plotselinge versnelling of verandering in de ontwikkeling van de mensheid. De verschijning van een komeet is in zeker zin als een geboorte. Wij kunnen dit zien aan de komeet Halley en de geestelijke kracht die er achter staat. Steeds is met zijn verschijning iets verbonden geweest dat nieuw was voor de ontwikkeling van de aarde. Nu hij op het punt staat weer terug te komen, zal daarmee een nieuw tijdperk van materialisme worden ingeluid en geboren. Men kan dit nagaan aan de hand van de vorige verschijningen. In 1759 ontstonden hieruit de krachten die het materialistische tijdperk van de Verlichting hebben bewerkstelligd. Wat uit de invloed van de komeet Halley in dit opzicht is voortgevloeid, zoals bijvoorbeeld bij Paul Holbach’s Système de la nature en bij de Franse encyclopedisten, was iets dat Goethe zo tegen de borst stuitte. Toen de komeet in 1835 weer zichtbaar werd, weerspiegelde het materialisme zich opvallend in de geschriften van de filosofen Ludwig Büchner en Jacob Moleschott die in de tweede helft van de 19e eeuw in brede kring ingang hebben gevonden.

In dit jaar 1910, aldus Rudolf Steiner, beleven wij opnieuw een verschijning van de oude komeet en dat betekent een crisisjaar in bovengenoemde zin. Alles wordt in het werk gesteld om de mensen tot een nog meer vervlakte opvatting, tot een moeras van materialistische wereldbeschouwingen te brengen. De mensheid staat voor een geweldige beproeving. Zijn verschijning moet voor ons een waarschuwing zijn, dat hij voor ons een zeer kwalijke gast zal worden, als wij ons aan zijn invloed overgeven. Het zal noodzakelijk zijn, dat wij ons houden aan hogere machten uit de kosmos dan die van de komeet Halley. Laten wij beseffen, dat de tijden voorbij zijn waarin zijn verschijning in zekere zin nog vruchtbaar was voor de mensheid. Nu is dit niet meer het geval. Wij moeten ons verbinden met sterkere machten, om de gevaarlijke invloed die van de komeet Halley uitgaat tegen te gaan. Het is niet om een oud bijgeloof op te halen, maar om een diepe waarheid tot bewustzijn te brengen wanneer erop gewezen wordt, dat de komeet Halley de mensheid steeds meer tot vervlakking zal brengen en het Ik steeds verder naar het fysieke toe zal leiden.

De hier weergegeven woorden van Rudolf Steiner werden in 1910 door slechts weinigen gehoord en waarschijnlijk door nog minder mensen begrepen. Nu, na ruim 70 jaren, staat de draagwijdte van zijn indringende beschouwingen des te duidelijker voor ons historisch bewustzijn.

In het vooruitzicht van een nieuwe verschijning van de komeet Halley in 1986 moeten wij ons afvragen wat onze huidige situatie is en wat deze komeet ons zal brengen. Het behoeft geen betoog, dat de materialistische overheersing van vandaag nog veel ernstiger is dan aan het begin van de eeuw. B. C. J. Lievegoed heeft in twee voordrachten voor de zomerconferentie van de Antroposofische Vereniging en de internationale artsenvereniging uiteengezet in welke crisis wij ons bevinden: de atoomcrisis, de energiecrisis, de sociale crisis en de culturele crisis (Mededelingen, mei 1982, p. 147-156).

Aanvullend kan men stellen, dat ook de gezagscrisis, die deel uitmaakt van de genoemde aspecten, in onze maatschappij een grote rol speelt. Wie zich oriënteert in de wereldliteratuur vindt hiervoor tal van aanknopingspunten. Typerend is, dat in deze literatuur de gezagscrisis dikwijls van twee tegenovergestelde gezichtspunten uit belicht wordt. Enerzijds worden de verschrikkingen van de machtstirannie uit het naaste verleden of in de nabije toekomst beschreven (Alexander Solzjenitsyn, De Goelag Archipel; George Orwell, Nineteen eighty-four), anderzijds wordt er, ter redding van de mensheid, juist geroepen om de ‘sterke man’, de ‘supermens’.

Een heel merkwaardige plaats neemt in dit verband een verhaal van de Russische wijsgeer Waldimir Solowjov in, dat hij op het einde van zijn leven (1900) heeft geschreven. Wij willen er wat nader op ingaan, temeer daar dit verhaal juist in de afgelopen maanden door het Theater van het Woord, in een toneelbewerking van Hugo Pronk, onder de aandacht is gebracht.

Korte inhoud: Nadat Europa een langdurige overheersing door Oosterse volkeren van zich heeft afgeschud, is de 21e eeuw rijp geworden door de Verenigde Staten van Europa, waarin de materialistische denkbeelden zich weer in versterkte mate doen gelden. In die tijd leeft er een jonge, geniale man. Hij is aanvankelijk gelovig, maar gaandeweg steeds meer vervuld van een mateloze eigenliefde, zodat hij zichzelf tenslotte als opvolger van Christus beschouwt. Op een beslissend moment in zijn leven, na een ernstig ongeluk, wordt hij door een hoge macht geïnspireerd die tot hem spreekt: ‘Ontvang mijn geest! Zoals mijn geest je eens baarde in schoonheid, zo schept hij je nu in kracht!’ Nu schiet zijn roem komeetachtig omhoog; uiteindelijk wordt hij tot president voor het leven benoemd. Zijn macht lijkt onaantastbaar als hij er ook nog in slaagt de wereldvrede te bewerkstelligen, alle honger uit te bannen en zelfs wondertekenen te laten verrichten. Het einde voor hem komt pas als tijdens een concilie van de christelijke kerken de Russisch-orthodoxe bisschop Johannes de aanwezige president ontmaskert als de Antichrist.

Dit visionaire beeld van Solowjov kan pas ten volle begrepen worden vanuit de antroposofische geesteswetenschap die een veelomvattend inzicht geeft in de aspecten van het boze. Een wezenlijk, en voor onze tijd zeer actueel gezichtspunt is dit: Tegenover de aardse incarnatie van Christus staan — als negatieve spiegelbeelden — de incarnatie van Lucifer (ca. 300 v.Chr.) en de nog te verwachten incarnatie van Ahriman op aarde. Het is geen toeval, dat Rudolf Steiner in het najaar van 1919, juist als in Duitsland de eerste tekenen (o.a. nationaal-socialisme) van een nieuwe wereldramp kenbaar worden, voor het eerst over de toekomstige incarnatie van Ahriman spreekt. Wij volstaan met twee citaten die wij in vertaling weergeven:

Te midden van de ontreddering die over de aarde zal komen, moet de mensheid bewust naar de incarnatie van Ahriman toe leven. Door de voortdurende oorlogen en andere noden van de naaste toekomst zal het menselijke vernuft bijzonder vindingrijk worden op het gebied van het fysieke leven. Door deze vindingrijkheid op fysiek gebied, die niet door een bepaalde handelwijze afgewend kan worden, want zij zal met noodzakelijkheid optreden, wordt een zodanige menselijk-lichamelijke individualiteit mogelijk, dat Ahriman daarin zal kunnen incarneren. Maar deze ahrimanische macht bereidt haar incarnatie op aarde vanuit de geestelijke wereld voor. Deze incarnatie van Ahriman in een menselijke gestalte wordt zoveel mogelijk in die zin voorbereid, dat zij de mensen op aarde in de hoogste mate kan verleiden en in verzoeking kan brengen.’ (Voordracht 4-11-1919, GA 193).

‘Zo zal er in het westen een werkelijke incarnatie van Ahriman zijn, voordat er ook maar een deel van het derde millennium n.Chr. zal zijn verlopen.’ (Voordracht 1-11-1919, GA 191).

Wij moeten ons realiseren dat dit derde millennium al in het jaar 2000 begint! Uit de citaten blijkt een treffende parallel met het verhaal van Solowjov: Ahriman grijpt in als ‘weldoener’, wanneer de aarde in grote nood verkeert, ‘d.w.z. Ahriman als de nabootser van de heilsdaad van Christus. Moeten wij er dan niet ook op voorbereid zijn, dat de tekenen die de komst van Christus hebben aangekondigd, nagebootst zullen worden door Ahriman? En mogen wij ons afvragen: Is er een parallel tussen de Ster van Bethlehem en de komeet van Halley?

Rudolf Steiner heeft in zijn voordrachten nooit specifiek op het jaartal 1986 gewezen. Maar er is van hem een uitspraak die op een heel eigenaardige wijze verband legt met dit jaartal. Deze is te vinden in een op 7 maart 1914 in Stuttgart gehouden voordracht over de bijzondere samenwerking van Lucifer en Ahriman die zich iedere duizend jaar manifesteert. (Zie ook B. C. J. Lievegoed, De bouwimpuls als Michaëlische opgave. Mededelingen, nov. 1978). Hieraan willen wij afsluitend het volgende ontlenen:

‘Lucifer en Ahriman zullen zich in het bijzonder meester maken van de naam een christen te zijn. Mensen die geen spoor van echt christendom meer in zich hebben, zullen zich christenen noemen en te keer gaan tegen hen die zich willen houden aan het woord dat Christus gesproken heeft: ‘En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld’ (Matth. 28). Er zal verwarring en verwoesting heersen wanneer het jaar 2000 nadert, en dan zal ook van ons Dornachse bouwwerk (het eerste Goetheanum) niets meer overeind staan, alles zal verwoest en vernietigd zijn. Daarop zullen wij vanuit de geestelijke wereld omlaag blikken.
Maar wanneer het jaar 2086 nadert, dan zullen overal in Europa gebouwen verrijzen die spirituele doelen dienen. Zij zullen de dubbelkoepel dragen zoals ons Dornachse bouwwerk. Dat zal de gouden tijd zijn voor zulke gebouwen waarin het spirituele leven kan bloeien.’
Waar Rudolf Steiner er enerzijds op wijst dat het voor onze tijd noodzakelijk is zich vertrouwd te maken met de gebeurtenis van Ahrimans incarnatie, geeft hij ons anderzijds een duidelijke opdracht mee. Door de verduistering van het spirituele op vele gebieden in de wereld is tevens, als wij de juiste houding innemen, de weg geopend om het spirituele in ons innerlijk op te wekken. Ons intellectuele weten moet vervuld worden van de wijsheid van het hart. Michaël, de inspirator van ons tijdperk, helpt ons onze wil te doordringen met lichtkrachten, mits wij ons hiervoor inzetten.
Onze tijd vraagt om waakzaamheid op ieder gebied. Niet alleen de gebeurtenissen op aarde geven ons hiertoe aanleiding, maar ook de tekenen aan de hemel.

R. Steiner, Das Ereignis der Christus-Erscheinung in der atherischen Welt. (GA 118). (Voordrachten 5 maart, 13 maart, 18 april en-10 mei 1910).
Vertaald

W. Solowjov, Korte vertelling van de Antichrist. – Vertaling J. W. Munz. Rotterdam: Lemniscaat.
De vertelling is ook hier te vinden.

R. Steiner, Soziales Verstandnis aus geisteswissenschaftlicher Erkenntnis. (GA 191). (Voordrachten 1, 2 en 15 nov. 1919).
Vertaald 1, 2 nov

R. Steiner, Der innere Aspekt des sozialen Ratsels. Luziferische Vergangenheit und ahrimanische Zukunft. (GA 193).

H. W. Schröder, Das Jahrhundertende und die Inkarnation Ahrimans im nachsten Jahrtausend. In: Mitteilungen aus der anthroposophischen Arbeit in Deutschland, jg. 32, Michaeli 1978.

.

Nog een artikel over Halley

Sterrenkundealle artikelen

.

2692-2522

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sterrenkunde (1-5-1/1)

.

Artikelen voor de bovenbouw die hier worden gepubliceerd hebben alle betrekking op de tijd dat de bovenbouw nog veel meer vrijeschoolbovenbouw kon zijn dan nu het geval is. De exameneisen hebben steeds meer inbreuk gemaakt en daardoor afbreuk gedaan aan het leerplan zoals dat jaren werd gehanteerd, steeds vanuit het gezichtspunt: leerstof is opvoedings- en ontwikkelingsstof. In hoeverre dat principe – naast de examentraining – nog leidraad kan zijn bij de inhoud van de geboden lesstof in de verschillende vrijeschoolbovenbouwen weet ik niet. 
De artikelen voor deze klassen zijn wél vanuit dit gezichtspunt geschreven.

.

C. von Gleich, nadere gegevens ontbreken, datum moet van na 1980 en vóór 1986 zijn*.
.

Een teken aan de hemel – een teken aan de wand
.

I. De komeet Halley in het verleden
.

In het Engelse tijdschrift Nature stond enige maanden geleden [zie boven*] de volgende mededeling: Een groep Amerikaanse sterrenkundigen ontdekte in de nacht van 16 oktober 1982 op de Palomar sterrenwacht (Californië) in het sterrenbeeld de Kleine Hond de komeet Halley. Deze ontdekking was gedaan met behulp van de grote telescoop die een middellijn van 5 meter heeft, en met gebruikmaking van een speciaal fotografisch procedé dat vijftig maal zo gevoelig is als het tot nu toe gebruikelijke fotomateriaal. De komeet Halley bevindt zich op dit moment nog op een afstand die overeenkomt met elf maal de afstand aarde-zon en hij zal, volgens de meest recente berekeningen, op 9 februari 1986 de zon het dichtst zijn genaderd. De waarneming van deze komeet zo lang tevoren, op een exact berekende plaats aan de hemel, is in astronomisch-technisch opzicht een succes van de eerste orde. Tot zover het tijdschrift Nature.

Het laat zich aanzien dat in de komende jaren nog veel te doen zal zijn rond het verschijnsel van de komeet Halley. Er worden bijvoorbeeld al plannen gemaakt voor de lancering van ruimteraketten om in 1986 zoveel mogelijk technische gegevens over deze komeet te kunnen verzamelen. Vanwaar al deze bedrijvigheid, en wie was Halley naar wie dit bijzondere hemellichaam is genoemd?

Een eeuw na Johannes Kepler leefde in Engeland Edmond Halley (1656-1742), een van de grootste geleerden van zijn tijd. Geboren in Londen bezocht hij als student Queens College in Oxford. Met een 7 meter lange telescoop bestudeerde hij in 1675 een maansverduistering en op twintigjarige leeftijd publiceerde hij zijn eerste astronomische verhandelingen. Om ook de sterrenhemel van het zuidelijk halfrond te kunnen onderzoeken, reisde hij naar het eiland St. Helena in de Atlantische Oceaan. Onderweg werkte hij aan de verbetering van het navigatie-instrument de kwadrant. De catalogisering van talrijke nieuwe sterren en de publicatie van een verbeterde sterrenkaart van het zuidelijk halfrond leverde hem het eervolle lidmaatschap van de Royal Astronomical Society op. Drie jaar lang bereisde hij het Europese vasteland om internationale contacten aan te knopen. In Parijs maakte de verschijning van een komeet een onuitwisbare indruk op hem.

Halley had een veelzijdige belangstelling voor de natuurwetenschappen. Van grote invloed op zijn ontwikkeling was de hechte vriendschap met zijn oudere landgenoot Isaac Newton in Cambridge. Samen bespraken zij diens Philosophiae naturalis principia mathematica. Dit belangrijke werk waarin Newton o.a. zijn wetten op het gebied van de mechanica formuleerde, liet Halley op eigen kosten drukken. Met Antoni van Leeuwenhoek in Delft correspondeerde hij over de verbetering van het microscooponderzoek. Met Huvgens discussieerde hij over de toepassing van duikerklokken. Zo zijn er nog tal van gebieden te noemen waarop Halley actief is geweest.
Van 1698 tot 1.700 maakte hij opnieuw een grote zeereis die hem tot in het zuidelijkste deel van de Atlantische Oceaan ‘voerde. Het schip kwam door hoge ijsbergen in grote moeilijkheden en ontsnapte ternauwernood aan de ondergang. Als resultaat van deze reis kon Halley de eerste atlas van magnetische velden op zee publiceren. Nadat hem de titel van professor in de meetkunde te Oxford was verleend, ging hij Arabisch leren om een middeleeuws wiskundig geschrift uit het Arabisch in het Latijn te kunnen vertalen en uit te geven.

Na jarenlange berekeningen kon Halley in 1705 zijn levenswerk over de elliptische banen van alle destijds bekende kometen voltooien. Dit werk verscheen gelijktijdig in het Latijn en in het Engels (A synopsis of the astronomy of cornets). Toen hij 64 jaar oud was, werd hij nog benoemd tot directeur van de sterrenwacht Greenwich. Dit gaf hem de gelegenheid om met behulp van een nieuw verworven telescoop aan een 18 jaren durend maanonderzoek te beginnen en dit – ondanks een verlamming aan zijn rechterhand – ook nog af te ronden.

Deze briljante loopbaan ten spijt heeft Halley tijdens zijn leven op astronomisch , gebied niet die internationale erkenning ondervonden die hem later, dank zij een door hem gedane voorspelling, ten deel is gevallen. Tijdens de intensieve bestudering van de in zijn tijd verschenen kometen en alle mededelingen uit vroeger eeuwen die hij daarover kon vinden, was het Halley namelijk opgevallen dat de komeet die hij zelf in 1682 had gezien dezelfde moest zijn als die in de jaren 1607, 1531 en 1456 was waargenomen. Op grond van zijn berekeningen, waarbij ook met de aantrekkingskracht van verschillende planeten rekening gehouden moest worden, voorspelde Halley in zijn genoemde boek A synopsis dat deze komeet ook in december 1758 weer zichtbaar zou worden. Deze voorspelling is, 16 jaar na zijn dood, precies uitgekomen! De astronomen waren uiteraard enthousiast en noemden daarom deze komeet naar Halley. Gedurende een groot deel van 1759 genoot men nog van het schouwspel. Van toen af werden de berekeningen intensief voortgezet om de volgende verschijning van de komeet te kunnen bepalen. De Academie van Wetenschappen in Turijn wijdde hieraan een prijsvraag die in 1820 door de Fransman Damoiseau werd gewonnen. Hij kon aantonen dat de komeet Halley in 1835 weer terug zou komen. Inderdaad werd de komeet in september van dat jaar op de Leidse sterrenwacht gezien. De toen reeds aanwezige staart van de komeet groeide in enkele weken tijds tot een lengte van 30° (dat komt overeen met de ruimte die elk van de 12 dierenriemtekens aan de hemel inneemt). De komeet bleef in Zuid-Europa nog ruim een half jaar zichtbaar.

Het spreekt vanzelf dat door de vorderingen op astronomisch gebied in de 19e eeuw (bijvoorbeeld de tevoren berekende ontdekking van de planeet Neptunus) ook de kennis omtrent de kometen aanzienlijk toenam. Niet alleen bij de sterrenkundigen, maar ook in bredere kring werd de belangstelling voor kometen een modeverschijnsel. Er verschenen talrijke verhandelingen over dit onderwerp. Oude geschriften met vermeldingen van kometen werden opnieuw ontdekt en uitgegeven, zoals waarnemingen in China uit de tijd vóór Christus.

In de oude getuigenissen worden kometen meestal in verband gebracht met rampen of dreigende gebeurtenissen. Slechts één auteur, de Romein Gaius Plinius sr., moge in dit verband worden aangehaald: ‘Een onheilspellende komeet is door de volkeren van Ethiopië en Egypte waargenomen, waaraan de koning van die tijd, Typhon, de naam heeft gegeven: vurig er uitziende en gedraaid als een kronkel, ook schrikwekkend om te zien en eigenlijk niet zozeer een ster als wel een vurige knoop. . . Nu en dan is er een komeet in het westelijk deel van de hemel: voor het grootste deel zijn dit schrikwekkende sterren en niet gemakkelijk door offers gunstig gestemd, zoals in de burgeroorlog tijdens het consultaat van Octavius en nog een keer in de strijd tussen Pompejus en Caesar. . . De enige plaats in de gehele wereld waar een komeet voorwerp van verering is, is een tempel te Rome’. (Geciteerd naar H. Groot).

Gestimuleerd door de voortgeschreden rekenmethodes hebben de astronomen Cowell en Crommelin in het begin van deze eeuw getracht nog enkele vroegere verschijningsjaren van de komeet Halley vast te stellen. Inderdaad slaagden zij erin aan te tonen dat hij zelfs al in de jaren 989 en 1066 moet zijn verschenen. Van de gebeurtenis in 1066 bestaat een interessante getuigenis in het beroemde tapijt van Bayeux waarop deze komeet is afgebeeld.

De komeet Halley afgebeeld op bet tapijt van Bayeux.

De laatste keer dat de komeet Halley te zien is geweest was in 1910. Maanden tevoren was hij al op de fotografische plaat ontdekt. Eind april, begin mei 1910 kreeg hij zijn grootste helderheid. Eén aspect waar H. Groot op wijst, mag hier niet onvermeld blijven: ‘Een bijzonderheid die op verschillende plaatsen van de aarde tot grote bezorgdheid, ja tot allerlei excessen leidde, was dat de aarde op 19 mei door de staart van de komeet moest passeren. De vrees die voor deze gebeurtenis bestond, berustte op het feit dat het zwaar giftige cyaan in de staart aanwezig geacht werd. Van wetenschappelijke zijde werd er echter met nadruk op gewezen, dat de verdunning van dit cyaan in elk geval zo groot moest zijn, dat werkelijk niet te vrezen viel voor schadelijke gevolgen. Dit is dan ook wel gebleken. Men heeft, voor zover met zekerheid kon worden nagegaan, volstrekt niets kunnen bespeuren van de doorgang van de aarde door de staart.’

In verhouding tot het grote aantal kometen in de tweede helft van de 19e eeuw (in het bijzonder in de jaren 1880-90), werd het na 1910 merkwaardig stil in dit opzicht. Er traden sindsdien geen opvallende verschijningen meer op. Dit ontlokte aan H. Groot in zijn boek de wens dat een bijzonder lichtsterke komeet weldra de balans weer in het evenwicht moge brengen.

Wat betreft de uiterlijke gegevens over de kometenverschijningen willen wij hiermee volstaan. Zoals in het begin werd opgemerkt, zal de komeet Halley in februari 1986 de zon het dichtst zijn genaderd en waarschijnlijk met het blote oog helder zichtbaar worden. Het is zeer twijfelachtig of wij het enthousiasme van de astronomen in deze zullen mogen delen. Welke geestelijke perspectieven met de komeet Halley verbonden zijn, in het licht van hetgeen Rudolf Steiner hierover heeft medegedeeld, zullen wij in het volgende artikel onder ogen zien.

Literatuur:

D. W. Hughes, The recovery of Halley’s cornet. In: Nature, Vol. 300 (1982) p. 318.
A. Armitage, Edmond Halley. – London, 1966.
C. A. Ronan, Edmond Halley. In: Dictionary of scientific biography, Vol. 6. – New York, 1972.
H. Groot, Kometen en vallende sterren. – Amsterdam, 1950.
H. Belloc, The book of the Bayeux tapestry, representing the complete work in a series of colour facsimiles. – London, 1914.

.

vervolg in deel 2.

Nog een artikel over Halley

Sterrenkundealle artikelen

.

2691-2521

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 3 (3-7-1)

.

Een van de mensbeelden die Rudolf Steiner gebruikt om meer over het wezen mens te kunnen meedelen, is het drieledige mensbeeld.

Deze visie is voor velen aanleiding geweest er op hun eigen werkterrein mee te zoeken naar antwoorden op vragen en/of het opstellen en uitwerken van gezichtspunten.

In onderstaand artikel gaat de arts Dr.O.Wolff in op wat het kan betekenen voor de medische wetenschap:

De drieledige mens als grondslag voor een verruiming van de medische wetenschap

.

Er verstrijkt geen jaar, waarin niet een overvloed van resultaten van wetenschappelijk onderzoek en nieuwe medicijnen wordt aangeboden. Daarom is de vraag gerechtvaardigd: wat is nu werkelijk nieuw?

Men spreekt tegenwoordig [art. uit 1971] over een crisis in de medische wetenschap. En daarbij is men er zich ten volle van bewust, dat het om principes gaat, niet om een of andere verbetering, al zou die nog zo indrukwekkend zijn. De grondslag van onze huidige medische wetenschap is echter de wijze van denken van de natuurwetenschap, zoals deze zich sedert het begin van de nieuwe tijd ontwikkeld en vanzelfsprekend ook geperfectioneerd heeft. Hier wordt de mens dus eenzijdig, d.w.z. ook natuurwetenschappelijk gezien. Het is de taak en de dwingende noodzaak van onze tijd, dit te erkennen en — zonder van de verworven inzichten afstand te doen — de mens in zijn totaliteit van lichaam, ziel en geest te realiseren en dit samenspel concreet tot in alle onderdelen na te gaan, zodat men kan doorzien, welke substantie de stoffelijke drager van bepaalde processen van psychische of geestelijke aard is.

De grondslag van zo’n inzicht, dat de gehele mens omvat is de drieledigheid van het menselijke organisme, zoals Rudolf Steiner deze uiteengezet heeft na een moeitevol onderzoek van tientallen jaren. Een korte samenvatting op enkele bladzijden zoals de hier volgende, kan vanzelfsprekend slechts enkele grondprincipes ter sprake brengen.

Het onderzoek van organen levert belangrijke gezichtspunten op voor de functies daarvan. Wanneer men echter hun betekenis voor de gehele mens wil onderkennen, dan moet men onderzoeken, wat zich uitdrukt in de speciale functies daarvan. Men moet van het orgaan komen tot de dynamiek, die daarin werkzaam is. Op die manier kan men tot het inzicht komen, dat verschillende organen door hun functie in zichzelf een eenheid vormen. Wanneer men bv. de zintuigen bekijkt, dan kan men gemakkelijk inzien, dat die alle iets met elkaar gemeen hebben; ze geven de menselijke ziel de indrukken door van de wereld die haar omgeeft (bv. oog en oor), of wel van zijn eigen lichaam (bv. evenwicht, warmte, tastwaarneming). Bovendien zal men kunnen vaststellen, dat alle zintuigen een duidelijke verbinding hebben met, of wel relatie tot de zenuwen en daarmede tot de hersenen. Het is dan ook geen toeval, dat de belangrijkste zintuigen in het hoofd geconcentreerd zijn (oog, oor, neus, tong, halfcirkelvormige kanalen in het oor als evenwichtsorgaan). Ook bevindt zich in het hoofd de grootste hoeveelheid van de zenuwen, nl. de hersenen.
Vanuit dit gezichtspunt kan men deze twee groepen van organen tot een functionele eenheid, het zenuw-zintuigstelsel, samenvatten.

Wanneer men dan ook de dynamiek, de tendenties van de richtingen en krachtsverhoudingen zoals die in het zenuw-zintuigstelsel voorkomen vervolgt, dan moet men zeggen, dat het zeker geen toeval is, dat in het gebied van het hoofd de waarnemingsorganen liggen, waarvan de richting waarin ze werken zich van buiten naar binnen uitstrekt. Het licht, de toon en ten slotte het voedsel stromen door de daarvoor geschapen poorten in het inwendige van het organisme binnen. Inderdaad vervullen de zintuigen de taak van poorten: ze moeten iets zoveel mogelijk onveranderd doorlaten, bv. het oog het licht, het oor de toon enz. Hoe minder ze de indrukken veranderen, des te beter functioneren ze. Maar een dwingende eis om zo te kunnen functioneren is: rust. Daarom is het hoofd ook dat deel van het lichaam, dat bij bewegingen het meest in rust gelaten wordt. Er zijn zelfs vele functies, die schokken en bewegingen teniet doen en opvangen, zoals de elasticiteit van de wervelkolom, van het kraakbeen, het hersenvocht enz. Geen orgaan is dan ook zo gevoelig voor schokken als de hersenen.
Van de karakteristieke relatie van het zenuw-zintuigstelsel tot bepaalde krachten willen we nog noemen: de verhouding tot warmte en kou. Iedereen zal kunnen beleven, dat het hoofd, d.w.z. het zenuwstelsel voor zijn gezond functioneren een bepaalde mate van warmte niet moet overschrijden. Men moet „het hoofd koel houden” om bv. goed te kunnen denken. In tegenstelling daarmee heeft een te sterke aandrang van bloed zoals die bij een stijging van de warmte bv. bij koorts optreedt, een duidelijke nadelige invloed op de functie van de zintuigen. Voor het ongestoord functioneren van het zenuw-zintuigstelsel is dus niet alleen rust, maar een matige warmte d.w.z. een bepaalde graad van koude karakteristiek.

Wanneer men daarbij nog in aanmerking neemt, dat in het zenuw-zintuigstelsel niet alleen „rust en koude” overheersen, maar dat juist daardoor niets gebeurt, d.w.z. dat er nauwelijks stofomzettingen te vinden zijn, dan wordt begrijpelijk, dat de zenuwcellen — en ook de zintuigcellen — het minste leven vertonen. Een zenuwcel verliest praktisch onmiddellijk na de geboorte het vermogen tot deling. Een eigenlijke groei, als uitdrukking van het leven, is in dit gebied nauwelijks aanwezig. Het grootste deel van het oog, alsook de witte hersensubstantie vertonen bijna in het geheel geen leven meer. Wanneer men deze gedachtegang verder vervolgt — wat hier natuurlijk slechts aangeduid kan worden — dan moet men zeggen, dat in het zenuw-zintuigstelsel juist het tegendeel van leven is, nl. de dood. Reeds gedurende het leven zijn ten minste delen van deze organen zo goed als afgestorven en kunnen daardoor alleen hun functie uitoefenen. Bv. vindt men in de lens en in het glasachtig lichaam van het oog geen bloed en nauwelijks stofwisselingsprocessen. Hetzelfde geldt voor de witte hersensubstantie.
Men kan zich gemakkelijk voorstellen, dat de mens door middel van dergelijke organen niet zou kunnen leven en dat dus het leven zelf met andere organen verbonden moet zijn. De hierboven beschreven dynamiek met de tendentie „rust, koude en dood” is zo duidelijk eenzijdig en op één gebied gcconcentreerd, dat er in het organisme ergens het tegendeel aanwezig en actief moet zijn.

Inderdaad kan men organen vinden, waarin een volkomen tegengestelde tendentie heerst. Er is nauwelijks een orgaan te vinden, waarvoor de beweging zo karakteristiek is als voor de spier. Het is algemeen bekend, en de sportman weet dit dan ook en handelt ernaar, dat warmte voorwaarde is voor een ongestoord functioneren van de spier. Anderzijds wordt door warmte ieder proces versneld en daarmee juist de rust opgeheven. Beweging en warmte horen evenzeer bij elkaar als rust en koude.

Men mag onder beweging niet alleen uiterlijk te herkennen voortbewegen verstaan: ook stofomzettingen vallen hieronder. Warmte ontstaat immers door verbranding, oxidatie, dus een zeer intensieve omvorming van de stof.
Er zijn organen, waarvan de voornaamste taak uit omzetting en verandering van stoffen bestaat. De lever is daarbij het hoofdorgaan. Daarin vinden voortdurend stofwisselingsprocessen uit het gehele lichaam plaats. Daarom behoort het ook tot het wezen van deze orgaanfunctie, dat men in de lever steeds een iets hogere temperatuur vindt, dan in het overige organisme.
Dergelijke omzettingen, d.w.z. intensieve stofwisselingsprocessen, komen niet alleen voor in de spieren en de lever, maar ook in de darmen en de nieren en eveneens in het bloed. In deze organen kan men het zwaartepunt van de stofomzettingen zien en het totaal van deze processen en deze organen als stofwisselings-ledematenstelsel samenvatten. Inderdaad vertonen deze organen een duidelijke relatie tot het leven. De woorden „lever” en „leven” staan met elkaar in verband. Wanneer men de leverfuncties tot in hun uitwerkingen nagaat, dan blijkt dat de lever werkelijk een zeer voornaam levensorgaan is. Het leven zelf is in zijn verschijningsvorm aan stofomzettingen gebonden en uit zich daarin.

Bekijkt men nu deze beide systemen, het zenuw-zintuigstelsel en het stofwisselingsstelsel als tegenspelers, dan blijkt, dat niet alleen hun voornaamste organen ruimtelijk van elkander gescheiden liggen, maar dat de geschilderde tendenties en alle verschijnselen aan elkaar tegengesteld zijn.

In het zenuw-zintuigstelsel is de voornaamste tendentie, om door de waarnemingsorganen de buitenwereld in het organisme te laten binnendringen. In het gebied van het stofwisselings-ledematenstelsel daarentegen ligt het zwaartepunt op de uitscheidingen. In plaats van opname en passiviteit vindt men hier uitscheiding, activiteit en een zich inprenten in de omgeving.

Wanneer nu alleen deze twee tegengestelde systemen bestonden, dan zouden deze voortdurend met elkaar in botsing komen en hun wederzijdse functies uitwissen, zoals ook koude en warmte — wanneer ze gemengd voorkomen — in een lauw evenwicht overgaan of plus en min elkaar in een kortsluiting opheffen. In de mens wordt dit gevaar opgeheven door de vorming van een derde systeem, dat bemiddelend tussen de beide instaat. Pas door deze bemiddeling kan de spanning van de tegenstellingen verhoogd worden. Het gaat daarbij om een verheviging van de polariteit. Als we de bovenstaande gedachtegangen verder doorvoeren, zullen we dit systeem ruimtelijk in het midden moeten zoeken.

Het evenwicht tussen de beide systemen bestaat niet alleen tussen boven en onder, maar vooral ook in een wisseling in de tijd. En deze nu veroorzaakt het ritme. Alle ritmische processen in het organisme zijn bij die wisseling van de tijd betrokken en kunnen dus samengevat worden als ritmisch systeem. In werkelijkheid zijn de beide beschreven tegengestelde systemen niet tegelijkertijd in functie, maar ze wisselen elkaar voortdurend af. Overdag is de mens wakker en „leeft” van de krachten van het zenuw-zintuigstelsel; in de nacht, gedurende de slaap, ontplooien zich de eigenlijke levensprocessen. Er treedt dan een algemene doorstroming met warmte, regeneratie, stimulering van stofwisselingsprocessen op. Daarmee is noodzakelijkerwijs een uitschakeling van het zenuw-zintuigproces verbonden: de mens slaapt.

De werkzaamheid van het ritmische systeem wordt dus bemerkbaar in de tijd. Wanneer men dit nader onderzoekt, dan begrijpt men, dat het genoemde ritme van waken en slapen een uitdrukking is van het overwegen van telkens een van de twee polaire systemen, d.w.z. de zenuw-zintuigfunctie of de stofwisse-lingsfunctie.

Deze afwisseling, of dit ritme ziet men a.h.w. als een oerbeeld uitgedrukt in het hart en de longen. Hun ritmische functie is zó opvallend, dat men deze twee organen kan zien als vertegenwoordigers van het ritmische systeem. Het hart wisselt onophoudelijk tussen samentrekken en uitbreiden en men kan in het samentrekken en spannen het tegendeel zien van het uitbreiden en verslappen. De beschreven dynamiek is hier zonder meer zichtbaar. Met de longen, met hun voortdurende wisseling van in- en uitademen, is dit ook het geval. Hierbij komt het minder aan op dat, wat over het algemeen als hoofdzaak voor deze beide orgaansystemen gezien wordt: de bloed- resp. luchtbeweging. Vanzelfsprekend zijn die van groot belang, maar met de funkte van het ritmische systeem is meer de zuivere functie van de organen, hun dynamiek, bedoeld, nl. dat ze tussen twee polen zijn ingeschakeld en daartussen bemiddelen. In de samentrekking leeft de dynamiek van het zenuwstelsel, in de uitbreiding die van het stofwisselingssysteem.

Het wezenlijke van de hier slechts kort geschetste drieledigheid van het menselijke organisme is, dat men daarin de sleutel voor gezondheid en ziekte heeft. Wanneer nl. bv. het bovenste, d.w.z. het zenuw-zintuigsysteem overheerst — wat tegenwoordig bij vele mensen het geval is — dan geeft dit aanleiding tot zeer bepaalde ziekten. Wanneer de neiging tot samentrekken, tot koude en rust, d.w.z. het doodsproces, overweegt, leidt dit tot verharding, neerslag, verstijving, dus tot een te vroeg ouderdomsproces. Dat leidt tot bepaalde ziekten, zoals sclerose, jicht, reumatische ziekten, artrose of ook tot verlammingen, verminderde vitaliteit enz. Bij deze ziekten ontbreekt de regenererende oplossende en met warmte doorstromende impuls van het stofwisselings-organisme. Anderzijds kan ook de stofwisseling overheersen. Dan hebben we te maken met een te grote neiging tot warmtevorming, vermeerdering van stofomzettingen, dus een overmaat aan leven. Dit leidt tot de verschillende ontstekingsziekten, die meestal gepaard gaan met koorts. Hun kenmerk is de te sterke oplossing en doorstroming met warmte.

Ook hierbij is het zo, dat op bepaalde tijden de ene of de andere tendentie de overhand heeft. Het is wel duidelijk, dat de eerste tendentie in de ouderdom overheerst, terwijl ontstekingen en koorts, d.w.z. overmaat aan leven, kenmerken zijn van de jeugd. Het is daarom voor de arts niet alleen beslissend om te onderkennen welke neiging in een organisme de overhand heeft, maar hoe die zich ten opzichte van de leeftijd, d.w.z. van de tijd, gedraagt.

Daaruit volgt reeds een beslissende conclusie van grote betekenis, nl. wanneer de beschreven tendenties polair zijn en elkaar wederzijds kunnen opheffen, dan zijn ze ook in staat elkaar wederzijds te genezen. Dat wil zeggen dat een neiging tot neerslag en verharding door de tegenpool, de warmte — die het organisme in sommige gevallen als ontsteking produceert — opgeheven kan worden. Iedere lijder aan reumatiek of jicht kan dan ook beleven, dat warmte hem goed doet en dat een juiste warmtebehandeling de genezing op gang brengt.

Het is dus een beslissend inzicht, dat er twee nieuwe groepen van ziekten bestaan, die uit de beschreven tendenties ontstaan. Deze kunnen elkaar zelfs wederzijds opheffen. Zogezien kan dus een „nieuwe ziekte” zelfs een poging van het organisme zijn om de „oude ziekte” te overwinnen. In de medische wetenschap zijn zulke samenhangen weliswaar bekend, maar er wordt tegenwoordig nauwelijks aandacht aan besteed en ze worden zeker niet op hun juiste betekenis gewaardeerd, omdat de grondslag voor het begrijpen van dit fenomeen nl. de beschreven dynamisch-polaire zienswijze en het verder voeren daarvan naar de drieledigheid van het menselijk organisme heden ten dage nog niet voldoende wordt onderkend.

Door deze zienswijze rijst vanzelf de vraag op naar de gezondheid. Deze ligt noodzakelijkerwijs in het midden tussen de beschreven ziekte-tendenties. De mens is dus gezond wanneer hij deze tendenties op de juiste manier beheerst — en dat kan hij, wanneer hij op de juiste wijze een verbinding heeft met het proces van het ritme. Het ritmische systeem is volgens Rudolf Steiner het oerbeeld van de gezondheid.

Zo beschouwd heeft de fundamentele idee van de drieledigheid, die hier slechts kort geschetst kon worden als basis voor een omvattende medische wetenschap, een vergaande betekenis, niet alleen voor het inzicht in genezing en ziekte, maar vooral ook voor de therapie, zoals die sedert tientallen jaren vruchtbaar is gebleken.

.

Algemene menskunde: voordracht 3 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2690-2520

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-12)

.

Vanaf 9 jr. Voorleestijd 25 min.

NIKOLAJ LESKOV
.

De geluksroebel
.

Nog steeds is het bijgeloof wijd verbreid dat je met behulp van bovennatuurlijke krachten in het bezit kunt komen van een geluksroebel, dat wil zeggen een roebel die, hoe vaak je hem ook uitgeeft, altijd behouden terugkeert in je zak. Maar om zo’n roebel te pakken te krijgen, moet je vele angsten doorstaan. Wat er allemaal moet worden gedaan, kan ik niet meer optellen; ik weet nog maar één ding: je moet een zwarte kat zonder één vlekje zoeken, je daarmee in de kerstnacht begeven naar een kruising van vier wegen waarvan er één per se naar het kerkhof moet leiden, en de kat daar te koop aanbieden. Op het kruispunt moet je blijven staan, de kat knijpen tot ze begint te miauwen en zelf je ogen stevig dichtknijpen. Dat alles moet bovendien gebeuren vlak voor middernacht, want klokslag twaalf zal er plotseling iemand verschijnen die de kat wil hebben. Hij zal er veel, heel veel geld voor bieden, maar degene die de kat te koop aanbiedt, mag maar één roebel vragen – niet meer en niet minder dan één enkele zilveren roebel. De koper zal proberen de verkoper een groter bedrag aan te smeren, maar die mag zich niet van de wijs laten brengen en moet voet bij stuk houden. Wanneer hij de zilveren roebel eenmaal heeft, moet hij die ijlings in zijn zak steken, hem daar stevig omklemmen en zo snel mogelijk de benen nemen; hij mag echter niet omkijken.

Zo’n roebel nu is een geluksroebel, een roebel die je niet kunt uitgeven, want hoeveel dingen je er ook mee koopt, binnen dc kortste keren keert hij weer terug in je zak. Om honderd roebel te betalen hoef je niets anders te doen dan honderd keer in je zak te voelen en er steeds weer dezelfde roebel uit te halen.

Het is natuurlijk een idioot, op niets gebaseerd bijgeloof, maar de mensen zijn ook tegenwoordig nog eenvoudig genoeg van geest om stiekem te geloven dat je zo’n roebel wis en waarachtig te pakken kunt krijgen. Ik persoonlijk geloofde er als kleine jongen rotsvast in.

In die kindertijd vertelde mijn kindermeisje toen ze me op een kerstavond naar bed bracht eens dat er die nacht veel mensen in het dorp waren die wakker bleven. Ze legden kaarten of vermomden zich en probeerden de toekomst te voorspellen en er waren er zelfs veel die een geluksroebel probeerden te verwerven. Ze schilderde me uitvoerig hoe bang het die mensen te moede moest zijn die erop uit trokken om een geluksroebel te pakken te krijgen. Wat hun te wachten stond, was dat ze naar een verafgelegen kruispunt moesten sluipen om daar met de duivel, oog in oog met hem, over de prijs van de zwarte kat te marchanderen, zij het dat zulke mensen nadien ontelbare vreugden kenden. Wat voor prachtige dingen kon je niet allemaal met zo’n niet uit te geven roebel doen! Stel je eens voor wat ik allemaal zou kunnen verrichten als ik zo’n roebel in handen had. Ik was indertijd acht jaar, maar ik was ondanks mijn leeftijd al in Orjol en Kromy geweest en was daardoor op de hoogte van de prachtige voortbrengselen van de Russische kunst zoals de handelaars die voor de kerstmarkt ook naar ons gehucht meebrachten.

Het was me bekend dat er op de wereld bruine taai-taaipoppen met honing en witte met suikergoed bestaan, en kandijstokken en suikerstokken en verder een lekkernij die we zoet allerhande noemden. Ik wist dat er gewone noten waren en gebrande en voor een goedgevulde portemonnee zelfs rozijnen en dadels. En er bestonden portretten van generaals en duizenden andere dingen die ik allemaal niet kon kopen, want ik zou voor mijn aankopen geen geluksroebel hebben, maar een gewone zilveren roebel.
Maar op dat punt boog mijn kindermeisje zich diep naar me voorover en vertrouwde me toe dat het deze keer heel anders zou lopen, aangezien mijn grootmoeder zo’n onmogelijk uit te geven roebel had en besloten had hem aan mij te geven. Ik moest er alleen heel zorgvuldig mee omspringen om te voorkomen dat hij aan kracht inboette, want zijn toverkracht ging gepaard met een uiterst nukkige eigenschap.
‘Welke dan?’ vroeg ik.
‘Dat vertelt je grootmoeder je zelf. En nu lekker gaan slapen en wanneer je morgen wakker wordt, brengt grootmoeder je haar geluksroebel en zegt ze tegen je hoe je hem moet beschermen.’

Het kindermeisje had niet tegen me gelogen. In een oogwenk – ik merkte het nauwelijks – was de nacht voorbij en daar stond mijn grootmoeder al met haar grote muts met de behendig geschikte plooien naast mijn bed, met in haar handen een blinkende nieuwe munt van het puurste zilver.
‘Hier heb je een geluksroebel,’ zei ze. ‘Pak hem aan en ga naar de kerk. Na de mis gaan wij, oude mensen, thee drinken bij vader Vassilij, de geestelijke. Jij kunt intussen naar de kerstmarkt gaan en alles kopen wat je hartje begeert. Als je het eens bent geworden over de prijs, steek dan je hand in je zak en betaal met de roebel; binnen de kortste keren zit hij weer in je broekzak.’

‘Natuurlijk,’ zei ik, ‘dat weet ik,’ en ik hield de roebel zo stevig beet als ik maar kon.
Maar grootmoeder ging verder: ‘De roebel komt naar je terug, dat is zo, dat is zijn goede eigenschap – en je kunt hem ook niet verliezen. Maar hij heeft nóg een eigenaardigheid, een pijnlijke bovendien: hij blijft in je zak zolang je er dingen voor koopt die voor jou of voor andere mensen nodig of nuttig zijn. Maar als je, al is het maar voor een cent, je geld verspilt aan iets volkomen nutteloos, dan verdwijnt de roebel voor eens en altijd.’
‘Grootmoeder, ik ben blij dat u dat tegen me zegt,’ antwoordde ik, ‘maar geloof me, ik ben groot genoeg om het verschil te kennen tussen niet nuttig en nutteloos.’
Glimlachend haar hoofd schuddend zei grootmoeder dat ze wat dat betreft zo haar twijfels had, maar ik bezwoer haar dat ik heel goed wist hoe je moest leven als je zo rijk was.
‘Uitstekend,’ zei grootmoeder, ‘maar vergeet in elk geval niet wat ik je op het hart heb gedrukt.’
‘Wees maar niet bang. U zult zien dat ik met geweldige dingen bij vader Vassilij aankom en desondanks mijn roebel gezond en wel in mijn zak heb.’
‘Goed, goed, we zullen zien – het zal me deugd doen. Maar wees niet te zelfverzekerd en bedenk dat het niet altijd gemakkelijk is nuttige dingen te onderscheiden van overbodige en dwaze.’
‘Misschien is het toch beter dat u met me mee naar de markt gaat?’
Daar was grootmoeder graag toe bereid, maar ze maakte me erop attent dat ze me geen raad zou kunnen geven of me van fouten en onbedachtzame dingen kon weerhouden. De bezitter van een geluksroebel mocht zich door niemand laten adviseren, maar moest alleen naar eigen goeddunken handelen.
‘Maar grootmoedertje-lief,’ vleide ik, ‘u zult helemaal niet in de verleiding komen om me met raad en daad bij te staan – ik zal u aankijken en in uw ogen zien wat ik moet weten.’
‘Goed, dan gaan we er samen naar toe.’ En ze stuurde meteen een meisje naar vader Vassilij met de boodschap dat ze later kwam. Wij samen echter wandelden naar de kerstmarkt.

Het was heerlijk weer: milde vorst met een lichte nevel. De lucht was verzadigd van de geur van witte beenwindsels, lindebast, grutten en schapenvachten. Er was veel volk op de been, allemaal in de beste kleren die ze hadden. De jongens van rijke ouders hadden van hun vader elk een stuiver jaarmarktgeld gekregen en dat kapitaal al belegd in stenen fluitjes, waarmee ze een oorverdovend concert gaven. De armere kinderen echter, die geen stuiver hadden gekregen, drentelden rond bij het hek en likten jaloers hun lippen af. Ik voelde dat ze vurig verlangden om ook zo’n waardevol instrument te hebben en vol overgave te versmelten met de alom heersende harmonie, en ik keek grootmoeder aan. Stenen fluiten behoorden immers eigenlijk niet tot de noodzakelijke dingen en nuttig waren ze al helemaal niet. Toch zag ik op grootmoeders gezicht geen afkeuring van mijn plan om voor alle kinderen zo’n trilfluitje te kopen. Haar goedmoedige gezicht verraadde eerder een soort welwillendheid, die ik aanzag voor instemming. Fluks stak ik daarom mijn hand in mijn zak, kocht een doos vol trilfluitjes en kreeg zelfs nog wat kleingeld terug. Ik stopte het in mijn zak en voelde tegelijk naar mijn geluksroebel; hij zat er nog ongedeerd in, net als voor mijn aankoop. En toch hadden alle kinderen een fluitje gekregen en waren ze opeens even gelukkig als de rijkere en ze floten uit volle borst.

Maar grootmoeder en ik liepen verder en ze zei tegen me: ‘Je hebt het heel goed gedaan, want ook arme kinderen willen spelen en blij zijn en wie in staat is hun een plezier te doen, moet altijd bereid zijn dat ook te doen. Je ziet wel dat ik gelijk heb: steek je hand maar eens in je zak en voel of je geluksroebel er nog in zit.’
Ik deed het – de onmogelijk uit te geven roebel zat in mijn zak.
Aha, dacht ik bij mezelf, nu weet ik waar het om gaat; nu hoef ik niet bang meer te zijn.

Vervolgens liep ik naar een kraam waar kleurige stoffen en lappen te koop werden aangeboden. Daar kocht ik voor al onze dienstmeisjes een lap, voor de een een roze, voor een ander een hemelsblauwe, maar voor de oude vrouwen kocht ik een frambooskleurige hoofddoek. En telkens wanneer ik mijn hand in mijn zak stak om te betalen, trof ik er mijn niet uit te geven roebel aan. Vervolgens kocht ik voor de dochter van de huishoudster, die binnenkort zou trouwen, twee haarspelden van carneool. Het zat me niet helemaal lekker, maar grootmoeder bleef even goedmoedig toekijken en inderdaad, ook na deze aankoop zat de roebel weer in mijn zak.
‘Een bruid mag zich gerust mooi maken,’ legde grootmoeder uit. Die dag is de gedenkwaardigste in het leven van elk meisje en je doet er goed aan als je haar een plezier doet – een mens met een opgewekt hart betreedt het nieuwe levenspad met meer moed – en er hangt veel van de eerste stap af. Het was een goede daad dat je dat arme bruidje blij wilde maken.’

Nu kocht ik ook iets voor mezelf: veel snoep en noten en bij een andere kraam een dik boek, ‘Het Boek der Psalmen’, net zo een als ik ooit op de tafel van onze stalmeid had zien liggen. Het arme oude mens was heel erg aan dat boek gehecht geweest, maar tot haar grote pech had het kalfje dat de hut met haar deelde dezelfde smaak gehad. Gezien het overschot aan vrije tijd was het op een moment van gelukzalig nietsdoen aan de bladzijden van het psalmboek, in het bijzonder aan de hoeken ervan gaan knabbelen. Op die manier was de oude vrouw het genoegen ontzegd nog langer de psalmen te lezen of te zingen waaruit ze tot dusver zoveel troost had geput. Haar verdriet was hartverscheurend.
Eén ding wist ik zeker: wanneer ik voor het arme mens dit nieuwe boek kocht als vervanging voor het verloren gegane, kocht ik niet iets nutteloos of onbelangrijks. En zo was het ook – toen ik mijn hand in mijn zak stak, bevond de roebel zich op zijn plaats.

Ik kocht steeds meer en steeds grotere dingen – en begreep immers alles wat er volgens mij nodig was. Ik riskeerde zelfs bijna al te riskante aankopen. Zo kocht ik bij voorbeeld voor onze koetsier een buikriem met sierstiksel en voor de schoenlapper Jegor, die altijd vol grappen zat, een trekharmonica. En toch liet de roebel me niet in de steek, hoewel ik grootmoeder al lang niet meer aankeek en haar veelzeggende voorhoofd niet meer om raad vroeg. Ik was nu het middelpunt geworden – iedereen keek me aan, iedereen liep me achterna, iedereen praatte over me.
‘Kijk nou toch eens aan, onze jongeheer! Hij kan de hele jaarmarkt opkopen want stel je voor, hij heeft een geluksroebel.’
Ik echter kreeg een nieuw, tot dusver ongekend gevoel: het verlangen dat iemand me zou aanspreken, achter me aan zou lopen, me zou prijzen dat ik zo verstandig was, zo rijk en zo goed…

Ik kreeg een onrustig, leeg gevoel.

Plotseling kwam, God mag weten waar vandaan, de dikste van alle kerstkooplui naar me toe. Hij tilde zijn muts op en zei tegen me: ‘Ik ben dikker en slimmer dan wie ook hier. Mij houdt u niet voor de gek. Ik weet dat u alles kunt kopen wat er op de markt te koop is, want u hebt een geluksroebel. Als je die hebt, is er geen kunst aan de hele streek versteld te doen staan. Toch is er iets dat u zelfs met zo’n roebel niet kunt kopen.’
‘U hebt gelijk; nutteloze dingen koop ik natuurlijk niet.’
‘Wat heet nutteloos? Over nutteloze dingen wil ik het niet eens hebben. Maar wie staan er allemaal om ons heen, hoewel u toch een echte geluksroebel hebt? Voor uzelf hebt u alleen maar snoepgoed en noten gekocht, maar voor de anderen alleen maar nuttige dingen en u ziet zelf hoe ze u voor uw weldaden bedanken: ze zijn u nu al vergeten.’
Ik keek om me heen en merkte tot mijn verbijstering dat die dikzak van een koopman inderdaad volkomen alleen was; er was geen levende ziel in onze buurt te bespeuren. Ook grootmoeder was weg; ik was haar trouwens al eerder vergeten. De andere marktbezoekers echter verdrongen zich om een lange, graatmagere man, die over zijn bontjasje een lang, gestreept vest had aangetrokken, versierd met glasachtige knopen, die bij elke beweging mat glansden.
Dat was het enige wat de lange, magere man iets aantrekkelijks gaf en toch liep iedereen rond hem te hoop en gaapte hem aan alsof hij een zeldzaam natuurverschijnsel was.
‘Ik kan er onmogelijk iets bijzonders aan ontdekken,’ zei ik tegen mijn nieuwe metgezel.
‘Precies, maar u ziet zelf hoe mooi ze het allemaal vinden. Kijk maar, zelfs uw koetsier Konstantin loopt met zijn prachtige buikriem achter hem aan en schoenlapper Jegor met zijn trekharmonica net zo goed, en daar het bruidje met haar haarspelden en zelfs de oude stalmeid met haar nieuwe boek. Om het nog maar niet te hebben over de kinderen met hun trilfluitjes.’

Ik keek wat beter en inderdaad, allemaal stonden ze om de man met de stukjes glas heen en alle jongens lieten hun fluiten snerpen om zijn roem te verkondigen.
Ik kreeg een onbehaaglijk gevoel; ik vond het op de een of andere manier bijzonder kwetsend; het leek me mijn plicht en mijn taak me boven de man met de stukjes glas te verheffen.
‘Denkt u dat ik hem niet kan uitstaan?’
‘Dat denk ik inderdaad,’ antwoordde de dikzak.
‘Goed, ik zal u meteen bewijzen dat u het mis hebt,’ riep ik. Ik rende naar de man met het vest over zijn bontjasje toe en vroeg: ‘Beste man, wilt u me uw vest niet verkopen?’
De man met de betoverende glasscherven draaide zich in het zonlicht naar me toe, zodat de knopen van zijn vest zwak oplichtten, en antwoordde: ‘Graag, ik wil het u met alle plezier verkopen, maar het is heel duur.’
‘Maak u daar maar geen zorgen over; noem me alleen maar snel uw prijs.’
Hij glimlachte tersluiks en zei: ‘Ik merk wel dat u nog kinderlijk denkt, zoals het voor iemand van uw leeftijd ook hoort. U schijnt niet precies te begrijpen waar het om gaat. Het vest zelf kost niets; het glinstert niet en geeft geen warmte, u kunt het dan ook voor niets krijgen. Maar voor elk van de glazen knopen moet u me een roebel geven; ze schitteren weliswaar niet en ze geven ook geen warmte, maar glanzen soms even op – en dat vinden de mensen mooi.’
‘Afgesproken!’ riep ik. ‘U krijgt een roebel voor elke knoop – trek uw vest maar gauw uit.’
‘Nee, u moet eerst betalen.’
‘Met alle genoegen.’
Ik voelde in mijn zak en haalde mijn roebel te voorschijn, maar toen ik opnieuw in mijn zak voelde… was die leeg… de geluksroebel was niet teruggekomen, hij wilde me geen geluk meer brengen … hij was weg… spoorloos verdwenen… en overal om me heen staarden ze me aan en lachten ze me uit.

Hete tranen sprongen in mijn ogen en… ik werd wakker.
Het was ochtend. Naast mijn bed stond grootmoeder met haar reusachtige kap met de plooien van tule en in haar hand had ze een fonkelnieuwe zilveren roebel, het kerstgeschenk dat ze me zoals gebruikelijk kwam brengen.

Toen besefte ik dat alles wat zich had afgespeeld, niet in de werkelijkheid, maar slechts in mijn droom was gebeurd en ik vertelde haar haastig waarom ik had gehuild.
‘Het is een prachtige droom,’ zei grootmoeder, ‘vooral als je hem goed weet uit te leggen. Alle sprookjes en fabels bevatten een verborgen betekenis. De geluksroebel is, lijkt me, het talent dat de voorzienigheid iedereen bij zijn geboorte meegeeft. Dat talent ontwikkelt zich en is onuitputtelijk wanneer de mens leven en kracht ontvangt op het kruispunt van vier wegen, waarvan er een wis en zeker naar het kerkhof leidt. De geluksroebel is de kracht die in dienst staat van waarheid en deugdzaamheid tot nut van de mens en waaraan een mens met een goed hart en een helder verstand de hoogste genoegdoening beleeft. Want wat je ook doet voor het ware geluk van je medemens, het zal de rijkdom van je eigen hart nooit verminderen, integendeel – hoe dieper zo iemand uit zijn ziel put, hoe rijker die wordt.
Die man met dat vest over zijn bontjasje is de opgeblazenheid, de ijdelheid, want een vest over een bontjasje is een nutteloos ding, precies zoals het nergens voor nodig is dat anderen achter ons aan lopen en ons prijzen. IJdelheid vertroebelt het verstand.
Toen je een paar dingen had gedaan, zij het heel
weinig vergeleken met wat je met een onmogelijk uit te geven roebel had kunnen doen, werd je verwaand en wendde je je af van mij, die in je droom de levenservaring vertegenwoordigde. Het was al lang niet meer je vurigste wens anderen goed te doen; je sloofde je uit om ervoor te zorgen dat ze allemaal naar je keken en je prezen. Je verlangde ernaar die overbodige glasscherven te hebben en ik ben blij voor je dat je in je droom zo’n wijze les hebt geleerd. Ik zou willen dat deze kerstdroom in je herinnering zou blijven.

Maar laten we nu naar de kerk gaan, dan kopen we na de mis alles wat je in je droom voor de behoeftigen hebt gekocht.’
‘Op één ding na, grootmoeder.’
Grootmoeder zei glimlachend: ‘Natuurlijk, dat vest met die glasscherven koop je niet, dat snap ik wel.’
‘Nee, ook het snoepgoed dat ik in mijn droom voor mezelf heb gekocht, wil ik niet hebben.’
Grootmoeder dacht even na en zei toen: ‘Het lijkt me niet nodig dat je je dat kleine genoegen ontzegt; natuurlijk… als je door ervan af te zien een groter geluk wilt kopen, dan… dan kan ik het me voorstellen

En plotseling omhelsden we elkaar, zeiden verder geen woord en huilden samen. Grootmoeder had geraden dat ik me had voorgenomen die dag niets van mijn geld voor mezelf uit te geven. En toen ik uiteindelijk deed wat ik me had voorgenomen, voelde ik me zo blij van harte als ik nog nooit was geweest. Door af te zien van mijn eigen genoegen tot welzijn van anderen besefte ik voor de eerste keer wat ze bedoelen met de betoverende woorden volmaakt geluk, die toestand waarin je niets meer te wensen hebt.

Dus kan iedereen, in wat voor situatie ook, een poging doen om mijn experiment na te doen en ik ben er zeker van dat hij in mijn woorden geen leugen, maar de zuiverste waarheid zal vinden.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2689-2519

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over plantkunde – GA 304

.

GA 304

.
Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer Grundlage

Opvoed- en onderwijsmethoden vanuit de antroposofie

Blz. 48   vert. 

Voordracht 2, Den Haag 27 februari 1921

Was wir im gewöhnlichen Leben Begreifen von Pflanze oder Stein und dergleichen nennen, das kann erst nach dem Zeitpunkte beim Kinde eintreten, den ich eben charakterisiert habe, in dem sich das Kind von seiner Umgebung unterscheiden lernt.

<<Wat we in het dagelijks leven het begrijpen van een plant of een steen e.d. noemen, dat komt bij het kind pas na het tijdstip dat ik net gekarakteriseerd heb [na het 9e jaar] wanneer het kind een onderscheid gaat maken tussen zichzelf en zijn omgeving.>>
GA 304/48
Vertaling
Deze vert. van phaw

Blz. 112  vert. 112

Voordracht 4, Aarau, 11 november 1921.

Die pädagogische Grundlage der Waldorfschule

Zwischen dem neunten und zehnten Lebensjahre tritt etwas außeror­dentlich Wichtiges für das Kind ein. Das Kind lernt eigentlich erst dann sich von seiner Umgebung richtig unterscheiden. In diesem Lebensjahr können wir dem Kinde eigentlich erst die vom Menschen unabhängige Pflanzen- oder Tieresnatur wirklich nahebringen. Aber da geht über­haupt etwas sehr Erhebliches in der Kindesnatur vor. Und da handelt es sich darum, daß der Lehrer oder Erzieher tatsächlich zu beobachten versteht, wie es bei dem einen Kinde früher, bei dem anderen etwas später kommt; da geht im tiefsten Gemüte des Kindes etwas vor. Es wird ein anderes Wesen. Es lernt sich gefühlsmäßig, nicht durch Begriffe, von der Welt unterscheiden. Wenn man den Zeitpunkt in der richtigen Weise beobachtet, dadurch, daß man das rechte Wort, das rechte Verhalten gerade zwischen dem neunten und zehnten Jahre findet, kann man dadurch etwas tun, was dann für das ganze Leben des Kindes von ungeheurer Wichtigkeit ist. Man kann in diesem Zeitabschnitte des

De pedagogische basis van de vrijeschool

Tussen het negende en tiende jaar vindt er bij het kind iets buitengewoon belangrijks plaats. Dan leert het kind zich daadwerkelijk pas goed van zijn omgeving te onderscheiden. In dit levensjaar kunnen we het kind nu pas plant- en dierkunde geven die niet afhangen van de mens. In de natuur van het kind vindt iets heel belangrijks plaats. Nu gaat het erom dat de leerkracht of de opvoeder echt in staat is bij het kind waar te nemen hoe dit bij het ene kind vroeger, bij het andere kind later komt; diep in de ziel van het kind gebeurt er iets. Het wordt een ander wezen. Het leert zich gevoelsmatig van de wereld te onderscheiden, niet door begrippen. Wanneer je dat tijdstip op de juiste manier in de gaten hebt door het juiste woord te vinden, de goede houding, dus tussen het negende en het tiende jaar, kun je iets doen wat voor het hele leven van het kind buitengewoon belangrijk is. Je kan in deze tijd van het

Blz. 113   vert. 113

kindlichen Lebens etwas zur Verödung bringen, so daß das Kind unter Zweifeln, unter innerer Verödung, unter innerer Unbefriedigtheit das ganze Leben hindurchgeht. Oder aber man kann, wenn man selber die innere Lebendigkeit hat, wenn man so viel Mitgefühl hat, daß man in der richtigen Weise diesen Zeitpunkt auffaßt, daß man gewissermaßen in das kindliche Wesen untertaucht und aus dem Kinde selbst heraus die richtigen Worte, das richtige Tun findet, dann kann man für das Kind ungeheuer Bedeutsames in diesem wichtigsten Zeitpunkte tun. Und auf die Beobachtung der richtigen Zeitpunkte im kindlichen Lebensalter für das oder jenes, auf dieses kommt es bei so etwas, wie es die Waldorf­schul-Pädagogik und -Didaktik ist, besonders an.
Von diesem Zeitpunkt an ist durchaus die Möglichkeit vorhanden, an das Kind schon dasjenige heranzubringen, was einfache Beschreibung von Pflanzen, einfache Beschreibung von Tieren ist und so weiter; während man vorher das alles gleichnismänig behandeln muß. Und zwischen dem elften und zwölften Jahre, eigentlich erst um das zwölfte Lebensjahr herum beginnt die Möglichkeit, dem Kinde dasjenige beizu­bringen, was dann Gegenstand des Physikalischen, des Unorganischen ist.

kinderleven iets armelijks brengen, zodat het kind met twijfels, met een innerlijke armoede, met innerlijke ontevredenheid door het verdere leven gaat. Of je kan, wanneer je zelf de innerlijke levendigheid hebt, wanneer je zoveel compassie hebt dat je op een goede manier dit tijdstip begrijpt, dat je op een bepaalde manier op kan gaan in het wezen van het kind en vanuit het kind zelf de juiste woorden, het juiste handelen vindt, dan kan je voor het kind bijzonder veel belangrijks doen. En op het waarnemen van het juiste tijdstip in de kinderleeftijd voor dit of voor dat komt het bij zoiets als de vrijeschoolpedagogiek en didactiek bijzonder aan.
<<Vanaf dit tijdstip is het dan heel goed mogelijk voor het kind eenvoudige beschrijvingen van planten en dieren te geven enz., terwijl je daarvóór alles in gelijkenissen moet behandelen.>> En tussen het elfde en het twaalfde jaar, eigenlijk rond het twaalfde, ontstaat pas de mogelijkheid het kind te leren wat in de natuurkunde, in de scheikunde de onderwerpen zijn.
GA 304/ 112-113
Op deze blog vertaald/112-113

Blz. 166      vert. 166

Voordracht 6, Oslo 24 november 1921

Man muß sich durchaus klar sein darüber, daß über Pflanzen, über Tiere, selbst Gegenstände der leblosen Natur so gesprochen werden soll, daß das Kind noch nicht fühlt: Ich bin getrennt von diesen Dingen; daß es gewissermaßen so fühlt, wie wenn die Dinge nur eine Fortsetzung seines eigenen Wesens wären. Personifi­kationen der äußeren Dinge und Tatsachen, die sind in diesem Lebensal­ter durchaus am Platze.
Es ist ganz irrig, etwa darüber nachzuspekulieren, daß man dem Kinde, indem man ihm die Natur personifiziert, etwas beibringe, das nicht der Wahrheit entspricht. Das ist gar nicht der Gesichtspunkt, den man geltend machen muß. Der Gesichtspunkt, den man geltend machen muß, das ist der:

<<Je moet beslist wel weten, dat er over planten, over dieren, zelfs over levenloze natuur zo moet worden gesproken, dat het kind nog niet het gevoel krijgt: ik ben van deze dingen gescheiden; dat het in een bepaald opzicht het gevoel heeft alsof de dingen alleen maar een verlengstuk van zijn eigen wezen zijn. Personifiëring van de uiterlijke dingen en feiten zijn op deze leeftijd zeer zeker op zijn plaats.
Je zit er helemaal naast als je erover gaat speculeren dat je het kind, wanneer je de natuur voor hem personifieert, je dan het dan iets bijbrengt wat niet overeenkomstig de waarheid is. Dat gezichtspunt moet je niet laten gelden. Wat je wél moet laten gelden is dit:

Was bringt man an das Kind heran, damit seine Lebenskräfte sich aufschließen, damit dasjenige, was in ihm ist, aus seinem Inneren an die Oberfläche des Daseins hervortritt? Das kann man gerade dadurch, wenn man in aller Beschreibung, in aller Erzählung über die Umgebung möglichst lebendig ist, möglichst alles so erscheinen läßt, wie dasjenige ist, was aus dem Menschen selbst hervorquillt. Denn es muß alles dasjenige, was an das Kind in diesem Lebensalter herange­bracht wird, an den ganzen Menschen herangebracht werden. Es darf nicht an die Kopforganisation, an die Nervenorganisation herangebracht werden.

Wat geef je het kind, zodat zijn levenskracht zich ontwikkelt, zodat wat er in hem aanwezig is, vanuit zijn innerlijk naar buiten komt? Dat kan juist wanneer je in alle beschrijvingen, in alle verhalen over de omgeving zoveel mogelijk leven hebt, zoveel mogelijk alles ten tonele voert, wat uit de mens zelf opborrelt. Want alles wat je op deze leeftijd aan het kind geeft, moet er voor de hele mens zijn. Het moet niet gegeven worden voor de hoofdorganisatie, voor de zenuworganisatie.>>
GA 304/166
Op deze blog vertaald/166

Blz. 170  vert. 170

Zunächst wird man beachten müssen, daß man das Kind nicht zu früh heranführt an dasjenige, an dem sich nur der Verstand, das Begriffsvermögen, das Intellektuelle betätigen kann. Man soll daher die Betrachtung des Tierischen, des Pflanzlichen der Betrachtung des Mineralischen, des Physikalischen und Chemischen immer vorangehen lassen, und man wird auch gegenüber dem Pflanzlichen und dem Tierischen sehen, daß sich das Kind in verschiedener Weise unterscheiden lernt von seiner Umgebung. Das Tierische fühlt das Kind seinem eigenen Wesen durch­aus näher im zehnten, elften Lebensjahre als das Pflanzliche. Das Pflanz­liche fühlt es wie etwas, was sich von der Welt herein offenbart. Das Tierische fühlt es so, daß man mit ihm mitfühlen muß, daß es gewissermaßen

Allereerst moet je in ogenschouw nemen dat je het kind niet te vroeg de dingen moet geven waarbij hij alleen maar met zijn verstand, met zijn begripsvermogen, het intellectuele, bezig kan zijn. Je moet daarom het behandelen van mineralogie, van natuur- en scheikunde steeds vooraf laten gaan door de behandeling van de dieren, en van de planten en wat de planten en de dieren betreft, zal je zien dat het kind zich op verschillende manieren leert onderscheiden van zijn omgeving. Het kind van 10, 11 jaar voelt het dier dichter bij zijn eigen wezen staan dan de plant. Van de planten voelt het dat die zich vanuit de wereld aan hem vertonen. Het dier beleeft het zo dat je met hem moet meevoelen, dat het op een bepaalde manier toch een soortgelijk wezen is als de mens.

Blz. 171

doch ein ähnliches Wesen hat wie der Mensch. Dem wird durchaus in Unterricht und Erziehung Rechnung getragen werden müs­sen. Daher wird man dasjenige, was man dem Kinde in diesem Lebensal­ter beibringt über das Pflanzliche, so beibringen müssen, daß man das Pflanzliche gewissermaßen zur Erde hinstellt, daß man in dem Pflanzli­chen etwas sieht, was aus der Erde wie aus einem Organismus herauswächst; das Irdische im Zusammenhang mit dem Pflanzlichen, das Irdische in seiner Entwicklung durch die Jahreszeiten hindurch, sich offenbarend in den verschiedenen Jahreszeiten im Pflanzlichen, in verschiedener Weise behandeln, also möglichst eine zeitliche Betrachtung des Pflanzlichen. 

Daarmee moeten we bij het lesgeven en bij de opvoeding rekening houden. Vandaar dat je bij wat je het kind op deze leeftijd aanleert over de plantenwereld, dat zo moet doen, dat je de plantenwereld in zekere zin samenneemt met de aarde, dat je in de plantenwereld iets ziet, wat vanuit de aarde groeit als een organisme; de aarde samen met de plant; de aarde in de loop van de seizoenen zich uitdrukkend in de verschillende jaargetijden in de planten, dat moet je op verschillende manieren behandelen, dus zoveel mogelijk de plant beschouwen in de tijd. Je wordt erg makkelijk in de war gebracht door het streven naar aanschouwelijkheid dat op een ander terrein gerechtvaardigd kan zijn, als je dit ook wil toepassen op zo’n terrein als ik net heb geschetst. Veel te weinig kijkt men ernaar dat de aarde met haar plantengroei een eenheid is.

Es mag Ihnen wieder paradox erscheinen, aber geradeso wenig wie man die Organisation eines Haares am Tier oder am Menschen für sich betrachten kann, sondern wie man die Organisation eines Haares nur in Verbindung mit dem ganzen Organismus als einen Teil betrachten kann, so sollte man gewissermaßen die Erde wie einen Organismus betrachten, und das Pflanzliche mit ihr zusammengehörig. Wenn man so auch dem Kinde gegenüber die Pflanzenwelt vertritt, dann sondert sich dasjenige, was das Kind an der Pflanzenwelt beobachten kann, in der richtigen Weise vom Kinde ab.

Het kan voor u weer paradoxaal klinken, maar net zo min als je de organisatie van een haar van een dier of de mens op zich kan beschouwen, maar alleen als een deel van de samenhang met het hele organisme, zo zou je in zekere zin de aarde als een organisme moeten beschouwen en de planten die erbij horen. Wanneer je zo ook de plantenwereld bij het kind brengt, dan raakt wat het kind aan de plantenwereld kan waarnemen, op de juiste manier los van hem.

Blz. 172

Man kann im Kinde durchaus ein Empfinden von dieser Zusammen­fassung der gesamten Tierwelt im Menschen hervorrufen. Dann ist etwas außerordentlich Bedeutsames getan, dann hat man das Kind auf der einen Seite in der richtigen Weise hingestellt zum Pflanzenreich, auf der anderen Seite in der richtigen Weise hingestellt zum Tierreich; zum Tierreich so, daß es gewissermaßen in dem ganzen Tierreich einen ausgebreiteten Menschen sieht, und in dem Pflanzenreich etwas sieht, was organisch mit der ganzen Erde zusammengehört. Wenn man in konkreter Einzelausführung innerlich verlebendigt in dieser Weise Tier­kunde, Pflanzenkunde belebt, dann nimmt man zugleich Rücksicht auf dasjenige, wie der Mensch sich durch seine innere Wesenheit hineinstel­len soll in die Welt.

Je kan in het kind zeker een gevoel voor deze samenvatting van de totale dierenwereld in de mens, oproepen. Dat heb je iets heel belangrijks gedaan, want dan heb je het kind enerzijds op een goede manier zijn houding tot de plantenwereld laten bepalen, [door de manier waarop plantkunde wordt gegeven] wat organisch bij de hele wereld hoort, anderzijds zijn houding tot het dierenrijk; tot het dierenrijk zo, dat het in zekere zin in het hele dierenrijk een uitgebreide mens ziet en in het plantenrijk wat organisch bij de hele aarde hoort. Wanneer je concreet in detail op deze manier plant- en dierkunde innerlijk levend maakt, dan hou je tegelijkertijd rekening met hoe de verhouding van de mens met zijn innerlijk wezen t.o.v. de wereld zou moeten zijn.

Dann wächst der Mensch in der richtigen Weise in die Welt hinein in dem Lebensalter, in dem er sich gerade von dieser Welt anfängt unterscheiden zu lernen, indem er Subjekt vom Objekt zu sondern beginnt. Man bringt es auf diese Weise dahin, die Welt in der richtigen Weise durch die Betrachtung der Pflanzenwelt vom Menschen abzusondern, und wiederum vom Menschen aus die Brücke nach der Welt zu schlagen; jene Brücke, die da sein muß, wenn überhaupt richtiges Gefühl für die Welt, Liebe für die Welt sich entwickeln soll. Man bringt das zustande, indem man das Tierreich wie ein ausgebreitetes Menschenwesen an das Kind heranbringt. So kann man durch das Organische, durch das Lebendige gehen und in dieser Weise dem Kinde sein Verhältnis zur Welt vermitteln.

Dan vindt de mens op een goede manier zijn plaats in de wereld op de leeftijd waarin hij zich nu juist van de wereld begint te onderscheiden, wanneer hij het subject van het object begint los te maken. Je brengt het op een goede manier ertoe dat het de wereld op de juiste manier door de behandeling van de plantenwereld van de mens af te zonderen om dan weer de brug van de mens naar de wereld te slaan; die brug die er zijn moet wanneer er überhaupt een goed gevoel voor de wereld, liefde voor de wereld zich moet ontwikkelen. Dat komt tot stand wanneer je het dierenrijk als een uitgebreid mensenwezen aan het kind aanbiedt. Zo kun je door de organen, door wat leeft gaan en op deze manier het kind zijn verhouding tot de wereld aanreiken.

Blz. 173

Wenn jener Lehrgang eingehalten wird, von dem ich heute gesprochen habe, so gehen wir von einer Willenskultur aus; gehen dann, indem wir in solcher Weise das Verhältnis des Kindes zum Pflanzenreich, zum Tierreich entwickeln, indem wir Naturgeschichtliches an das Kind heranbringen, gehen wir zu einer Gefühls- oder Gemütsbildung über. Das Kind lernt überall sich zu der Pflanzenwelt, zu der Tierwelt nicht nur theoretisch zu verhalten; es lernt nicht nur, sich Vorstellungen darüber zu machen, sondern es begründet ein Verhältnis zu dieser Umwelt. Es wird in ihm etwas bewirkt, was an das Gefühl, an das Gemüt herankommt. Und das ist von ungeheurer Wichtigkeit. Wenn wir nun in dieser Weise durch die äußere Bewegung und durch die richtige Führung durch Willens- und Gemütskultur hindurch das Kind gebracht haben bis nahe zum zwölften Jahre, dann können wir den Übergang finden zu der eigentlichen Verstandeskultur, die sich nun äußern kann, indem wir mehr diejenigen Lehrgegenstände und Erziehungsmittel an das Kind heranbringen, die nun auch die leblose Natur behandeln.

Wanneer je de methode volgt waarover ik vandaag heb gesproken, ga je van een wilscultuur uit; dan gaan we, als we op deze manier de relatie van het kind tot de plantenwereld, tot de dierenwereld ontwikkelen, wanneer we het kind biologie geven, over tot de vorming van het gevoel. Het kind leert van alle kanten een relatie te ontwikkelen tot de plantenwereld, tot de dierenwereld, niet alleen theoretisch; het leert niet alleen daarover zich voorstellingen te maken, maar bouwt een relatie op tot dit milieu. Er ontstaat iets in hem wat zijn gevoel, zijn gemoed raakt. En dat is heel erg belangrijk. Wanneer we het kind nu op deze manier door ons op de buitenwereld te richten en door een goede begeleiding naar een wils- en gemoedscultuur tot aan het twaalfde jaar, dan kunnen we de overgang vinden naar de eigenlijke verstandscultuur die duidelijk wordt, wanneer we het kind meer die leerstof en die opvoedingsmiddelen geven die over de levenloze natuur gaan.
GA 304/170 -173
Op deze blog een vertaling in voorbereiding

Rudolf Steiner over plantkunde 

Plantkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

.

2688-2518

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Ritme (3-27)

.
G. Schmidt (arts), Weleda Berichten

.

WAARVAN HET HART ZICH NAUWELIJKS BEWUST IS

.

Ritme als grondslag van de menselijke gezondheid

Uit het 24-uur ritme, dat tegenwoordig reeds zeer grondig doorvorst is, blijkt, dat het menselijke organisme deze regelmaat tot in de kleinste bijzonderheden volgt. Er zijn meer dan 30 functies bekend die alle op dezelfde manier volgens het dagritme verlopen. Niet alleen de lichaamstemperatuur, de bloeddruk, de bloedvorming volgen dit ritme, maar ook de zo belangrijke organen als de lever en de nieren worden door dit ritme beheerst. Reeds daardoor alleen mogen we de gevolgtrekking maken, dat de gezondheid van de mens in dit opzicht een vraag is van het ritme.

Laten we als voorbeeld het ritme van de lever nemen. Dit werd voor het eerst beschreven door de Zweedse onderzoeker Forsgren. Hij ontdekte, dat de  galvorming in de lever om drie uur ’s middags zijn maximum en om drie uur ’s nachts zijn minimum bereikt. Wat betekent dit voor onze gezondheid? Zoals bekend hebben we de gal nodig voor het verteren van het vet. Wanneer we nu tussen 12 en 13 uur het middagmaal gebruiken, dan komt het vet uit het voedsel na ca. 2 uur in de dunne darm, waar de vertering met behulp van de gal plaatsvindt. Wanneer we echter ’s avonds laat een vetrijk maal tot ons nemen, of wanneer we zwaar verteerbare vetten gebruiken, dan wordt onze lever overbelast. Dat zal ook het geval zijn wanneer we onritmisch eten, onregelmatig, de ene keer vroeg, de ander keer laat. Dan bemoeilijken we ook weer het werk van de lever en tegelijkertijd van het hele spijsverteringsorganisme.

De milt is belangrijk voor de stofwisseling

Er grijpt echter nog een ander, niet altijd voldoende opgemerkt orgaan, in deze ritmiseringsprocessen in. Rudolf Steiner maakte reeds in 1911 erop attent, dat de milt een belangrijke regulator van onze stofwisseling is. Door de totale voedselopname, die tegenwoordig vaak zo willekeurig en onregelmatig plaatsvindt, waarbij ook het drinken, alsmede het snoepen op elk moment van de dag behoort, wordt de functie van dit orgaan ondermijnd. De milt moet er echter voor zorgen, dat dit onritmische gebeuren in zoverre in evenwicht gebracht en geharmoniseerd wordt als dat voor de opname van de voedselstroom in de streng ritmische regelmaat van de inwendige organen noodzakelijk is. Wat de oude Arabische artsen met de woorden „men eet zich ziek en verteert zich gezond” karakteriseerden, heeft vooral ook betrekking op de functie van de milt. Want de onritmische opname van het voedsel maakt de mens ziek en ondermijnt zijn gezondheid. En de milt, die evenals de lever zo overbelast is, wordt langzaamaan verlamd in zijn vermogen om de mens gezond te maken. Daarom is een ontlasting van de miltfunctie niet alleen door het handhaven van een geregeld eetritme, maar ook het verdelen van de voedselopname over verschillende kleine maaltijden in de loop van de dag vaak nodig. Dat betekent voor de milt, zoals Rudolf Steiner eens opmerkte een „inwendige massage”, die zijn regulerende functie weer opwekt.

Van hier uit bezien, doemen er nog verdere gezichtspunten op. We zullen erop moeten letten, dat het voedsel zélf door de wijze van produceren in de ritmische processen die wij hierboven bekeken hebben, ingeschakeld blijft. Daarmee moeten we al bij het verbouwen beginnen. Vooral de planten zijn het resultaat van een ritmische wisselwerking tussen aarde en kosmos. Deze wordt echter vaak reeds door de methodes van het verbouwen nadelig beïnvloed. Niet alleen de dwang, waaraan de plant bij het opnemen van snel oplosbare minerale mest wordt blootgesteld, maar ook het rijpen buiten het jaarverloop, het niet in acht nemen van kosmische ritmen bij het uitzaaien, het uitplanten en oogsten ondermijnt de kwaliteit van het voedsel. Rudolf Steiner heeft dit „minderwaardig worden” van de land- en tuinbouwproducten op niet mis te verstane wijze in samenhang gezien met dergelijke gebreken in het verbouwen van de planten.

Maar hij heeft ook een weg gewezen, hoe de planten weer gezond kunnen worden en in plaats van dat men „zich bedriegt met iets groots en opgeblazens” weer planten „met werkelijke voedingswaarde” heeft [1] De biologisch-dynamische landbouwmethode streeft naar een dergelijke kwaliteit van de voeding, de z.g. Demeterkwaliteit. Dat is vanzelfsprekend even belangrijk voor het verbouwen van geneesplanten. We mogen echter niet over ’t hoofd zien, dat door onrijp te oogsten, door moderne conserveringsmiddelen, hetzij door chemische toevoegingen of door diepvriezen veel aan voedingskwaliteit wordt ingeboet. Ook hier heeft men te maken met methodes van behandeling, die op een bepaalde manier vreemd zijn aan het ritme. Dergelijke factoren kunnen in hun diep ingrijpende betekenis voor de menselijke gezondheid ook nog door verdergaande inzichten onderkend worden. Niet alleen de ritmische voedselopname, maar ook het genot van ongeschikt, d.w.z. kwalitatief minderwaardig voedsel, alsmede veel te grote hoeveelheden betekenen voor de regulerende functie van de milt een verzwakking. Omgekeerd echter leidt een ritmische voedselopname tot een verbetering van het instinct van de mens, die bv. „een gemakkelijker vinden van het voor hem geschikte voedingsmiddel mogelijk maakt.[2]
En daarmee is gewezen op het grote probleem van de moderne voeding. Want de voeding wordt steeds meer oorzaak van ziekten. En het feit, dat men tegenwoordig moet spreken over „ziekten die van de voeding afhankelijk zijn”, die steeds meer toenemen (leverziekten, hart- en circulatiestoringen, suikerziekte enz.) laat duidelijk zien, van hoe groot gewicht deze factor al is geworden. In dit verband is het van belang te wijzen op de steeds onontbeerlijker wordende hulpmiddelen bij de voeding en spijsvertering, die in de vorm van Cassis-, Sleedoorn-, Duindoornen Berken Elixer ter beschikking staan.[3]

Ten slotte moet men bij het wijzen op het ritme als basis van de gezondheid nog een andere pool van de mens in het oog vatten, die een even groot gevaar in zich draagt, nl. het zenuw-zintuigstelsel. Wat tegenwoordig door het gehaaste, nerveuze leven, door de volkomen onritmische, chaotisch wisselende zintuigelijke indrukken, door het geraas van motoren dag en nacht op de mens afstormt, werkt eveneens vernietigend op het innerlijke ritme van de mens. Daarom is het niet alleen een eis van onze tijd, een bewuste hygiëne van de voeding en de diëtiek na te streven, maar eveneens een hygiëne van de hele wijze van leven, ook in geestelijk opzicht. Want wie beleeft er nog iets van echte ochtendstemming, zoals Eichendorff die heeft bezongen:

„Ich fühle mich recht wie neu geschaffen,
Wo ist die Sorge nun und Not?”

Ik voel me echt als opnieuw geboren
Waar is de zorg en de ellende?

of zijn avondlied:

„Schweigt der Menschen laute Lust:
Rauscht die Erde wie in Traumen
wunderbar mit allen Baumen,
was dem Herzen kaum bewusst”? ….

Als de mens stop met lawaai maken
ruist de aarde als in een droom
zo wonderbaarlijk met alle bomen
daar was het hart zich nauwelijks van bewust….
(vrij vertaald phaw)

Dat is geen voorbije romantiek. Het is een taal, die het menselijke innerlijk zich uit eigen krachten weer zou moeten verwerven. Een zwijgen, dat levenwekkend en tevens rustgevend een nieuwe harmonie met de ritmen in de natuur en de kosmos opwekt en dat het ritme als bron van de menselijke gezondheid opnieuw ontsluit. De mens van nu moet leren, zich uit een vrij inzicht en uit innerlijke activiteit te wenden naar de ritmische ordening van de wereld.

De volgende woorden van Rudolf Steiner kunnen hierbij voor hem een richtlijn zijn:

‘De ware vooruitgang en het heil van de mens bestaat niet daarin, dat hij tot het oude ritme terugkeert…. Maar het wezenlijke is ook, dat de mens tegenwoordig niet zou moeten menen, dat hij zonder ritme zou kunnen leven. Zoals hij zich van buitenaf heeft verinnerlijkt, moet hij zich van binnenuit weer ritmisch opbouwen. [4] Dat is het waarop het aankomt: Ritme moet het innerlijk doortrekken.’

[1] Landbouwcursus
[2] Geesteswetenschap en geneeskunde
[3] Het moge zo zijn dat dit hulpmiddelen zijn, maar er zit veel suiker in. Dat verschilt per product.
[4] De praktische ontwikkeling van het denken

.

Ritme – alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2687-2517

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – Sterrenkunde (1-1/31)

.

STEENBOK

Ook dit sterrenbeeld is heel oud. Het komt uit de Soemerische cultuur, de eerste zeer ontwikkelde cultuur van de mensheid, ongeveer 5000 jaar geleden. Toen had het de naam ‘Suhurmashu’, dat betekent bok/geitvis’  [Duits heeft Ziege=geit, maar ook bok] en het hoorde bij het ‘wiel van Ea’, van de zeegod. Deze was ook de god van de wijsheid en de vader van Marduk (→ Boogschutter). Het beeld van de bok/vis bleef, toen de Grieken dit sterrenbeeld van de Babyloniërs, de nakomelingen van de Soemeriërs, overnamen. De Grieken noemden het echter ‘zeegeit/bok’. Pas later ontstond de naam ‘steenbok’ die met het beeld niet meer overeenkomt.
In dit sterrenbeeld zagen de Oude Grieken hun god van de herders, de grote Pan, of zijn zoon. De hymne van Homerus ‘Aan Pan’ beschrijft zijn afkomst als volgt: de boodschapper van de goden, Hermes, was zelf ook een god. Toen hij op een keer naar Arcadië kwam waar het heiligdom van zijn stam zich bevond, hoedde hij daar de schapen van een man, die Dryops heette en hij werd verliefd op zijn dochter. Hun bruiloft werd ‘één grote smulpartij’, zoals het in de hymne staat. Toen het meisje in het paleis van Hermes die als herdersknaap verkleed was, een kind kreeg, schrok ze van hoe wonderbaarlijk dit eruit zag. Want het kind had de benen en voeten van een geit en ook een sik en twee horens. De moeder werd door angst gegrepen toen ze naar het gedrocht met zijn baard keek en ze sloeg op de vlucht en liet het kind achter bij de vroedvrouw. Zijn vader Hermes, die ook ‘de snelle’ werd genoemd, nam het meteen op zijn arm en was in zijn hart  mateloos blij met het kind.
Toen hulde hij zijn zoon in dichte hazenvachten en haastte zich met hem naar de woonplaats van de onsterfelijken op de Olympus. Daar ging hij bij Zeus zitten en toonde hem en de anderen zijn zoontje. Ze werden allemaal blij en vergenoegd en omdat hij allen blij maakte, noemden ze hem ‘Pan’. Pan met zijn bokkenpoten werd voor de Grieken een god van hun kudden, vooral van de geiten. Omdat er in Arcadië veel geiten zijn, werd dat zijn woonoord. Nu wordt er van hem verteld dat hij zeer hield van de nimfen. Toen hij eens, in liefde ontbrand, er een volgde, vluchtte zij naar een stroom, waar zij zich veranderde in een rietstengel. Pan omarmde de rietstengel en toen de wind die over de rietstengel woei, klagende tonen tevoorschijn riep, probeerde Pan deze tonen na te doen. Hij nam zeven rietstengels en voegde ze zo samen dat de een net weer iets korter was dan de andere. Zo ontwierp hij de herdersfluit die de naam kreeg van de veranderde nimf en die door de Grieken syrinx genoemd wordt.
Als een god van de vrije natuur woonde Pan in de bergen en de bossen en gold als de beschermgod van herders en jagers. Overdag hield hij zich bij hen op, ’s avonds bij de dansende en zingende nimfen, die hij op zijn panfluit tot dansen stimuleerde. Op het heetst van de dag echter, als de zon verzengt en dieren en mensen moe zijn, rust ook Pan uit van de jacht. Dat is het ‘uur van de grote Pan’. Op die tijd waagt geen herder het, hem door zijn fluitspel te storen in zijn rust, want hij is zeer gevoelig en reageert boos, wanneer hij gestoord wordt. Vandaar ook de uitdrukking ‘panische angst’.
Daar kan een mens makkelijk door gegrepen worden, wanneer hij in de eenzame bergen plotseling dat geluid hoort of als hij geroepen wordt en zijn ziel vervuld wordt van vrees, angst en moedeloosheid voor de grote natuurgeest. 
Pan werd echter ook als een god van het licht gezien dat ’s morgens eerst de bergtoppen rood kleurt en ’s avonds daar het langst blijft. Op een geschilderde vaas waarop het aanbreken van de dag getoond wordt, staat Pan op een berg en begroet als eerste de opstijgende Helios.
Door zijn verbondenheid met de natuur nam Pan onder de Griekse goden een uitzonderlijke positie in. Toen in Egypte de angstaanjagende vijand van de goden, Tyfoon, de goden bedreigde, raadde Pan hun aan zich in dieren te veranderen. Zelf nam hij de gedaante van een bok aan. Toen het gevaar voorbij was, zouden de goden als dank voor zijn raad, zijn beeld als sterrenbeeld aan de hemel hebben gezet. Dat heeft Hyginus ons als overlevering gegeven. Sindsdien wordt de herdersgod ook Aigipan genoemd, dat ‘geiten/bokkenpan’ betekent.

Pan had een zoon en hij is het die volgens de overlevering van andere schrijvers uit de oudheid in het sterrenbeeld van de steenbok weergegeven wordt. Hij heette Aigokeros en was een zoogbroeder van Zeus toen deze als kind op het eiland Kreta door de geit Amalthea gevoed werd (→ De Kleine Beer). Toen Zeus aan de macht was gekomen, zette hij niet alleen de geit, maar ook zijn zoogbroeder tussen de sterren. Want Aigokeros had hem bij de strijd met de Titanen door een geweldige uitvinding geholpen. Hij had namelijk ontdekt dat de tritonschelp met zijn spiraalvorm, als je erop blaast, een toon laat horen die op donker gehuil lijkt. Dat deed hij en de Titanen gingen er vol schrik vandoor.
En door deze vondst die Aigokeros in de nabijheid van de watergeesten bracht, zou Zeus hem een vissenstaart hebben gegeven, toen hij hem als zeegeit in het huidige sterrenbeeld Steenbok zijn plaats gaf aan de sterrenhemel. 

          zo                                                          z                                                         zw
aug.   1   1°°u*                                        sept.   1  23°°u*                          okt   1  21°°u*
         15  24°°u*                                                15 22°°u*                                  15 20°°u*
*zomertijd

Het sterrenbeeld Steenbok komt in augustus in het zuidoosten op, bereikt in september in het zuiden de hoogste stand boven de horizon (afb.), daalt in oktober in het westen weer en gaat in november in het zuidwesten onder, dan om resp. 21°°u of 22°°u in de zomertijd.

Namen van de sterren:

Dabih (Arabisch)=betekenis onduidelijk
Gredi (Arabisch)=afgeleid van  al-gadi=steenbok
Nashira (Arabisch)=betekenis onduidelijk
Scheddih (Arabisch)=afgeleid van  dsanab el-dscheddi=staart van de steenbok

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2686-2516

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over plantkunde – GA 303

.

GA 303

Die gesunde Entwickelung des Menschenwesens

Gezondmakend onderwijs

Blz. 161/162  vert. 176/177

Voordracht 9, Dornach 31 december 1921

Das Kind vom siebenten bis zehnten Jahre: Pädagogik und Didaktik

Es ist schon so, daß gegenwärtig eben die meisten Erwachsenen, wenn sie etwas im Zusammenhang, nicht im einzelnen, aber im Zu­sammenhang – wie Sie es an die Kinder ja auch dann im Zusammen­hang heranbringen müssen als Lehrer -, wenn sie etwas wie Pflanzen, wie Tiere im Sinne haben, sich dann an das erinnern, was sie selber schon in einem späteren Lebensalter als Botanik, als Zoologie gelernt haben. Nun ist dasjenige, was in unseren Botanik- oder Zoologiebü­chern steht, das allerschlechteste Unterrichtsmaterial, das man in die Schule hereintragen kann. Das mag noch so großen wissenschaftlichen Wert haben, meistens hat es ihn ja auch nicht, aber in die Schule für dieses Lebensalter taugt es nicht hinein.
Wir mussen durchaus alles, was wir dem Kinde beibringen über Pflanzliches, über Tiere, so beibringen, daß wir eigentlich dabei als Künstler wirken, daß wir auf die harmonische Gestaltung des Pflanzen-wesens und auf die harmonische Beziehung der einzelnen Pflanzenart zu der anderen, auf dieses, was auch da rhythmisch-harmonisch-ge­fühlsmäßig ist, einen viel größeren Wert legen als auf das, was in den Botanikbüchern steht. Gerade bei einer Pflanze ist es ja ohnedies so, daß uns die Systematik der Pflanzen, dieses Einteilen der Pflanzenwelt, so, wie sie auftritt, im Grund genommen am widerlichsten ist; am meisten Sympathie kann man noch haben für den Linné, der die Pflan­zenwelt nur da, wo sie nach oben aufhört, noch Pflanze zu sein, und ihre Kräfte ins allgemeine Weltenleben hineinstreckt, der nur die Blüte bei der Gestaltung der Pflanze betrachtet; aber jede Art gerade von Pflanzensystematik kann in der Schule gar nicht verwendet werden. 

Het kind van het zevende tot het tiende jaar: pedagogie en didactiek

<<Het is nu zo dat de meeste volwassenen tegenwoordig, wanneer ze iets in samenhang, niet afzonderlijk, maar in samenhang – zoals zij het als leraar de kinderen immers ook in samenhang moeten bijbrengen -, wanneer ze dus aan zoiets als planten, of dieren denken, dan herinneren ze zich wat zij zelf al op latere leeftijd als plantkunde, als dierkunde geleerd hebben. Nu is wat in onze plant- of dierkundeboeken staat het allerslechtste lesmateriaal dat we in de school kunnen binnenbrengen. De inhoud mag dan nog zo’n grote wetenschappelijke waarde hebben – dat is trouwens meestal ook niet het geval -, maar in de school deugt het niet voor deze leeftijd. Wij moeten volstrekt bij alles wat wij het kind leren over het plantaardige en het dierlijke, dat zo doen dat we daarbij eigenlijk als kunstenaar werken, dat we veel grotere waarde hechten aan de harmonische groei van het plantenwezen en aan de harmonische betrekking tussen de ene plantensoort en de andere, aan wat daar ook ritmisch-harmonisch-gevoelsmatig aanwezig is, dan aan wat er in de plantkundeboeken staat. Juist bij een plant is het immers toch al zo dat ons de systematiek van de planten, dat indelen van de plantenwereld zoals dat gebeurt, in feite het meest tegen staat. De meeste sympathie kun je nog hebben voor Linnaeus, die in de plantenwereld alleen daar bekijkt waar zij naar boven toe ophoudt plant te zijn en haar krachten tot in het algemene leven uitstrekt, die bij de groei van de plant alleen de bloei bekijkt. Maar iedere vorm van systematiseren van planten kan op school helemaal niet gebruikt worden.

Blz. 162/163    vert. 176-177

Überhaupt, ein Lehrer, der mit dem Buche in der Hand, worin ja heute in der Regel der Absud des Wissenschaftlichen steht, etwa gar in die Klasse hineintritt und demgemäß, was er selber in Botanik und Zoologie gelernt hat, in der Volksschule unterrichtet, der ist unter allen Umständen ein schrecklicher Lehrer. Eine schreckliche Lehrergestalt ist ja derjenige, der nun gar dieses Buch mitträgt und vor den ersten Bänken auf und ab geht und selber erst, während er es an das Kind heranbringt, sich erinnert, indem er sich die Vorstellungen, die er in einem viel späteren Lebensalter aufgenommen hat – und das, was er da hat, das taugt zudem ja gar nichts -, indem er sich diese Vorstellungen auffrischt.
Es ist eben durchaus notwendig, daß wir über Pflanzen, über Tiere so reden lernen, wie es einer künstlerischen Anschauung entspricht. Dadurch allein bringen wir auch das mit einem musikalischen Duk­tus in das ganze kindliche Wesen hinein. Das ist eben etwas, was wir berücksichtigen müssen, daß der Unterricht vom künstlerischen Element ausgehen müsse, nicht von dem gedanklichen Element, auch nicht von einem abstrakten Anschauen, sondern von einem von Kunst und künstlerischer Lebensempfindung durchdrungenen Elemente. Die­ses verlangt das Kind.

Het is zo: een leraar die gewoon met het boek in de hand, waarin tegenwoordig in de regel immers een aftreksel van de wetenschap staat, de klas binnenloopt en op de basisschool aan de kinderen leert wat hij zelf bij plant- en dierkunde geleerd heeft, is onder alle omstandigheden een verschrikkelijke leraar. Wie nu zo’n boek meeneemt, voor de klas heen en weer loopt, het de kinderen voorleest, zich dan pas herinnert wat hij geleerd heeft, omdat hij deze voorstellingen pas op veel latere leeftijd heeft opgenomen en nu deze herinneringen opfrist, is een verschrikkelijk type leraar.
Het is absoluut nodig dat we zo over planten, over dieren leren spreken dat dat met een kunstzinnige zienswijze overeenkomt. Alleen daardoor brengen we ook dat op een muzikale manier bij het totale wezen van het kind aan. We moeten er rekening mee houden dat we in het onderwijs van het kunstzinnige element moeten uitgaan, niet van het gedachte-element, ook niet van een abstracte zienswijze, maar van een door kunst en kunstzinnig levensgevoel doordrongen element. Dat is wat het kind verlangt.>>
GA 303/162-163
Vertaald/176-177

Blz. 183/184   vert.  208

Voordracht 10, Dornach 1 januari 1922

Das Kind im zehnten Lebensjahre: Pädagogik und Didaktik

Und da muß man sagen: das Kind, wenn es den Zahnwechsel eben vollendet hat, würde es als etwas wie Spieße in seine Organisation Ein­dringendes empfinden, wenn man es in begriffsmäßiges Denken, na­mentlich über dasjenige einführen wollte, was aus dem Unlebendigen, aus dem Unorganischen heraufgekommen ist. Schon durch das fühlt sich das Kind fremdartig berührt, was aus dem Unbeseelten herauf-genommen wird. Daher muß man den künstlerischen Sinn in sich haben, wenn man ein Kind in diesem Lebensalter zu erziehen hat, alles wirk­lich noch zu beleben. Der Lehrer muß beleben; der Lehrer muß die Pflanzen sprechen lassen, die Tiere moralisch handeln lassen, der Leh­rer muß in der Lage sein, alles ins Märchen, in die Fabel, in die Legende zu verwandeln. Und hier zeigt sich etwas, was ganz besonders wichtig ist zu berücksichtigen.

Het kind in het tiende levensjaar: pedagogie en didactiek

<<En dan moet je zeggen: wanneer het kind de tandenwisseling voltooid heeft, dan zou het, als je het in het begripsmatige denken zou willen binnenvoeren, met name dat begripsmatige denken dat uit het niet-levende, uit het anorganische omhooggekomen is, dit ervaren als in zijn organisatie binnendringende speren. Door datgene wat uit het onbezielde wordt opgenomen, voelt het kind zich al op een vreemdsoortige manier geraakt. Daarom moet je gevoel voor het kunstzinnige in je hebben als je een kind op deze leeftijd moet opvoeden, om alles werkelijk nog tot leven te brengen. De leraar moet ‘tot leven brengen’; de leraar moet de planten laten spreken, de dieren moreel laten handelen, de leraar moet in staat zijn alles om te vormen in het sprookje, in de fabel, in de legende. Dit is bijzonder belangrijk om op te letten.

Bequeme Lehrer und Erzieher, was werden denn die tun, wenn man diese pädagogische Forderung vor sie hinstellt? Sie gehen in die Bibliotheken, sammeln sich Bücher, wo Legenden, Sagen, Tiergeschich­ten und ähnliches drinnenstehen, lernen das, und bringen es dann in der Klasse vor. Man muß ja im Leben überall Surrogate haben, aber das Ideal ist das nicht. Das Ideal ist, daß, wenn der Lehrer so gut vor­bereitet ist – denn dazu muß man ganz besonders gut vorbereitet sein -, daß aus ihm selber heraus als seine individuellste Gestaltung dasjenige entsteht, was Gespräch dieser mit jener Pflanze ist, daß das Märchen zwischen der Lilie und der Rose von dem Lehrer selber ersonnen ist und an die Kinder herangebracht wird, daß das Gespräch der Sonne mit dem Monde ganz individuell von dem Lehrer ersonnen wird und vor den Kindern ausgebreitet wird. Warum ist das so? Ja, ich möchte mich dabei im Bilde ausdrücken. Sagt man das zu dem Kinde, was man aus Büchern gelernt hat, dann redet man so wie ein vertrockneter Mensch, wenn man auch noch so lebendig ist sonst, man redet doch auf imponderable Weise wie ein vertrockneter Mensch; so ungefähr, wie wenn man nicht lebendige Haut hätte, sondern mit Pergament bedeckt wäre, denn man trägt immer etwas in sich vom Rest des auf rein histo­rische Weise Gelernten. Dagegen hat dasjenige, was man selbst ersinnt, noch Wachstumskraft in sich, noch das frische Leben in sich; das wirkt auf das Kind.

Gemakzuchtige leraren en opvoeders, wat zullen die dan doen als we hun deze pedagogische eis voorhouden? Zij gaan naar de bibliotheek, verzamelen boeken waar legenden, sagen, dierenverhalen en soortgelijke dingen in staan, leren deze en brengen dat dan voor de klas. Ja, je moet overal in het leven surrogaten voor hebben, maar ideaal is het niet. Ideaal is het als de leraar zo goed voorbereid is — want daarvoor moet je bijzonder goed voorbereid zijn — dat vanuit hemzelf datgene als zijn meest individuele schepping ontstaat wat een gesprek tussen de ene en de andere plant is, dat het sprookje van de lelie en de roos, en het gesprek tussen de zon en de maan tot de kinderen komt alsof het door de leraar zelf verzonnen is. Waarom is dat zo? Ja, ik wil me daarbij in een beeld uitdrukken. Vertel je een kind wat je uit boeken geleerd hebt, dan spreek je als een verdroogd mens. Al ben je anders nog zo levendig, je spreek toch op een imponderabele manier als een verdroogd mens. Dan is het zo ongeveer alsof je geen levende huid zou hebben, maar met perkament bedekt was, want je draagt dan altijd iets in je van een restant van het op puur historische manier geleerde. Daartegenover heeft dat wat je zelf verzint nog groeikracht in zich, nog het frisse leven in zich. En dat heeft een werking op het kind.

Daher muß der Drang, die ganze Pflanzen-, Tierwelt, die Sonnen-und Sternenwelt im Märchen lebendig umzudeuten, im Lehrer selber vorhanden sein, der ein Erzieher dieses kindlichen Alters sein will. Und er wird eigentlich günstig auf das Kind wirken, wenn er schon des Morgens über dem, was er da eben erst ersonnen hat in einer Arbeit, die immerhin anstrengend ist, so zur Schule geht, daß man schon sei­nem Schritte ansieht, es drängt ihn, das nun vor seiner Kinderschar aus­zubreiten. Es ist das so, daß die von ihm ausgedachte Geschichte noch gar nicht fertig ist, bevor sie ihren Abschluß dadurch erlangt hat, daß er die befriedigten und sich freuenden Gesichter der Kinder sich ent­gegenleuchten gesehen hat.
Alles, was das Kind von Pflanze, Tier, Mineralien, von Sonne, Mond, von Bergen, Flüssen lernt, soll eigentlich bis zum vollendeten neunten Lebensjahre in diese Form hineingegossen sein; denn das Kind

De innerlijke drang om de hele planten- en dierenwereld, de zonne- en sterrenwereld levendig in sprookjes anders te verklaren moet in de leraar zelf aanwezig zijn als hij kinderen van deze leeftijd wil opvoeden. En hij zal gunstig op het kind inwerken als hij ’s morgens zo naar school gaat datje aan zijn manier van lopen al kunt zien dat hij zich gedreven voelt om te ontvouwen wat hij, met veel inspanning, voor zijn kinderen heeft voorbereid, Het door hem uitgedachte verhaal is nog helemaal niet klaar voordat hij het einde heeft bereikt doordat hij de tevreden en blije gezichten van de kinderen hem tegemoet heeft zien stralen. Alles wat het kind over planten, dieren, mineralen, over zon en maan, over bergen en rivieren leert, moet eigenlijk tot aan het eind van het negende levensjaar in deze vorm bij de kinderen

Blz. 185  vert. 209

verbindet sich mit der Welt. Welt und Kind, Kind und Welt ist eines für diese Lebensjahre.
Aber mit dem gekennzeichneten starken Umschwung tritt eben ein anderes ein. Da wird das Kind für sich selber ein eigenes Wesen. Es lernt sich von der Welt unterscheiden, und man bekommt dadurch die Möglichkeit und auch Notwendigkeit, das Kind nun heranzuführen an die Natur, an die Umwelt. Da tritt das auf, was man als den durch­greifenden Unterschied charakterisieren muß zwischen dem Heran­führen an die Pflanzenwelt und an die Tierwelt. An diese beiden Na­turreiche will der Mensch in einer ganz verschiedenartigen Weise her­angeführt werden. Allerdings, sowohl an die Pflanzenwelt wie an die Tierwelt kann man das Kind so vom zehnten bis zwölften Jahre her­anführen; aber in verschiedener Art an die Pflanzenwelt und in ver­schiedener Art an die Tierwelt.
Die Pflanze in diesem Lebensalter als ein abgesondertes, von der Erde ausgerissenes Wesen an das Kind heranzubringen, ist eigentlich etwas Schreckliches. Es muß durchaus eine Empfindung bestehen, daß die Pflanze für sich, aus dem Boden herausgerissen, gar kein selbstän­diges Wesen ist.

binnengekomen zijn. Want het kind verbindt zich met de wereld. Wereld en kind, kind en wereld zijn op deze leeftijd één.>>
Maar bij de gekenschetste sterke ommekeer doet er zich iets anders voor. Daar wordt het kind voor zichzelf een eigen wezen. Het leert zich van de wereld onderscheiden en daardoor krijg je de mogelijkheid en is het ook noodzakelijk dat we het kind nu in contact brengen met de natuur, met de wereld om hem heen. Dan begint dat wat men als het radicale onderscheid moet karakteriseren tussen het in contact brengen van het kind met de plantenwereld en met de dierenwereld. Met deze beide natuurrijken wil de mens op een totaal verschillende manier in contact worden gebracht. Natuurlijk, zowel met de plantenwereld als met de dierenwereld kun je het kind zo vanaf het tiende tot het twaalfde jaar in contact brengen; maar met de plantenwereld wel op een andere manier dan met de dierenwereld.
De plant bij het kind van deze leeftijd in de les behandelen als een afgezonderd, uit de aarde gerukt wezen is eigenlijk iets verschrikkelijks. We moeten absoluut er gevoel voor hebben dat de plant op zichzelf, uit de bodem gerukt, helemaal geen zelfstandig wezen is.

Man muß die gesamte Pflanzenwelt so empfinden, wie zum Beispiel ein Menschenhaar im Zusammenhange mit der ganzen menschlichen Organisation betrachtet und empfunden werden muß. Ein Menschenhaar, das ausgerissen daliegt, ist ja ein Unsinn, ist ja keine Realität; das kann durch die Kräfte, die in ihm liegen, nie bestehen. Ebenso ist eine Pflanze etwas, das nicht zu bestehen vermag, wenn sie aus dem Boden herausgerissen wird und für sich da ist. Die Pflanze gehört zum Antlitz der Erde. Pflanze und Erde gehören zunächst zu­sammen. Daß noch etwas anderes stattfindet, werden wir gleich sehen, aber Pflanze und Erde gehören zunächst zusammen. Daher ist es auch notwendig, daß man womöglich eine empfindungsgemäße Betrach­tung vor den Kindern entrollt, die Pflanze und Erde zusammengehörig betrachtet, so daß man ein Empfinden davon erweckt, wie das Wurzel­hafte zum Boden und seiner Eigentümlichkeit gehört. Das Kind muß allerdings nicht abstrakt verstandesgemäß, aber empfindungsgemäß eine Vorstellung haben, wie das Wurzelhafte anders wird in einem trockenen Boden. in einem feuchten Boden, anders, wenn in der Nähe

We moeten de gezamenlijke plantenwereld zo ervaren als bijvoorbeeld een menselijke haar in samenhang met de hele menselijke organisatie beschouwd en gevoeld moet worden. Een menselijke haar die losgerukt ergens ligt, is immers onzinnig, is geen realiteit; die kan door de krachten die het in zichzelf heeft nooit bestaan. Een plant is ook iets wat losgerukt uit de bodem op zichzelf niet kan bestaan. De plant hoort bij het aangezicht van de aarde. Plant en aarde horen in de eerste plaats bij elkaar. Dat er nog iets anders plaatsvindt zullen we zo meteen zien, maar de aarde en de plant horen allereerst bij elkaar. Daarom is het ook noodzakelijk dat je waar mogelijk een met het gevoel overeenkomende beschouwing voor de kinderen ontrolt die plant en aarde als bij elkaar horend beschouwt, zodat je er een gevoel voor wekt hoe het wortelachtige tot de bodem en zijn eigenschappen behoort. Het kind moet zeker niet abstract verstandelijk, maar gevoelsmatig een voorstelling hebben van hoe het wortelachtige anders wordt in een droge bodem, in een vochtige bodem, en anders als er in de buurt

Blz. 186  vert. 210

des Pflanzenwachstums Felsen sich auftürmen, oder wenn das Meer in der Nähe ist. Das Kind muß zunächst das Pflanzenhafte durchaus im Zusammenhange mit dem Erdboden betrachten lernen. Und alle Ve­getation muß ein Stück desjenigen sein, was da aus der Erde herauf-kommt.
Und man muß ein Empfinden hervorrufen aus der Anschauung für den Gegensatz des Wurzelhaften, das zur Erde gehört, und des Blütenhaften und Fruchtenden, das von der Sonne hervorgetrieben wird. Man muß das Kind von der Erde zur Sonne führen, indem man dem Kinde das Blütenhafte vorhält. Das Kind muß ein Gefühl dafür bekommen, wie das Blütenhafte durch das wärmende Umfassen des Sonnenhaften sich entfaltet, wie im Blühenden und Fruchtenden all­mählich die Pflanze sich tatsächlich vom Erdboden emanzipiert. Erde, Pflanzenwachstum, Einwirkung des Sonnenhaften auf die Erde ge­hören durchaus zusammen, und sie müssen in der Betrachtung zusam­menwachsen. Man möchte sagen, das Kind muß eine solche empfin­dungsgemäße Vorstellung von dem Pflanzenhaften haben, daß, wenn man ihm eine Pflanze beschreibt ohne Beziehung zu Boden und Sonne, es ein innerliches Leidwesen ungefähr so empfindet wie beim Ausreißen der Pflanze.

van de plantengroei rotsen oprijzen, en weer anders als in de buurt de zee ligt. Het kind moet allereerst het plantachtige helemaal in samenhang met de aardbodem leren zien. En alle vegetatie moet een deel zijn van wat er uit de aarde omhoog komt. En je moet vanuit de waarneming een gevoel oproepen voor de tegenstelling tussen het wortelachtige, dat tot de aarde behoort, en de bloemen en de vruchten, die door de zon te voorschijn geroepen worden. Je moet het kind van de aarde naar de zon leiden door het kind het bloeiende voor te houden. Het kind moet er gevoel voor krijgen hoe het bloeiende zich door de verwarmende omhulling van de zon ontplooit, hoe door de bloem en het dragen van vruchten de plant zich feitelijk langzamerhand van de aardbodem emancipeert. Aarde, plantengroei en inwerking van de zon op de aarde horen helemaal bij elkaar, en ze moeten in de beschouwing samengroeien. Je zou kunnen zeggen dat het kind zó’n gevoelsmatige voorstelling van de planten moet hebben dat, wanneer je een plant voor hem beschrijft zonder relatie tot de bodem en de zon, het kind een innerlijk verdriet voelt, ongeveer zoals bij het uitrukken van de plant.

Man darf auch in dieser Beziehung das Erziehungswesen durchaus nicht als etwas Abstraktes für sich betrachten, sondern als hineinge­stellt in den ganzen sozialen Organismus. Man muß schon ein Empfin­den dafür haben, was es für die Entwickelung der Menschheit bedeutet, daß seit langer Zeit eine große Anzahl von Menschen in die Stadt hin-eingeführt wird, daß da Generation nach Generation Großstadtjugend so heranwächst – man kann das erfahren von in die Stadt gezogenen Menschen -, daß sie den Roggen von dem Weizen nicht mehr unter­scheiden kann.
Es mag sich grotesk ausnehmen, aber man muß immer wiederum behaupten: ein Mensch, der nicht gelernt hat, einen Roggen von einem Weizen zu unterscheiden, ist kein ganzer Mensch. Und man kann sogar noch weitergehen: ein Mensch, der nur in der Stadt gelernt hat aus der Beschaffenheit der Ähre, aus den Roggen- und Weizenkörnern Rog­gen von Weizen zu unterscheiden der hat auch noch nicht das Ideal

Je mag ook in dit verband het opvoedingswezen absoluut niet beschouwen als iets abstracts wat op zichzelf staat, maar als ingebed in het hele sociale organisme. We moeten er wel gevoel voor hebben wat het voor de ontwikkeling van de mensheid betekent dat al lange tijd een groot aantal mensen naar de stad trekt, dat daar generatie op generatie de jeugd in de grote stad zodanig opgroeit – je kan dat horen van mensen die naar de stad getrokken zijn -, dat ze rogge niet meer van tarwe kan onderscheiden. Het kan grotesk lijken, maar we moeten blijven herhalen: een mens, die niet geleerd heeft rogge van tarwe te onderscheiden is geen hele mens. En je kunt zelfs nog verder gaan: een mens in de stad die alleen geleerd heeft uit de eigenschappen van de aren, uit de rogge- en tarwekorrels, de rogge van de tarwe te onderscheiden, die heeft ook nog niet het ideaal

Blz. 187   vert. 211

erreicht. Erst derjenige, der auf dem Boden gestanden hat, wo Roggen und Weizen wächst, und an der Stelle den Roggen vom Weizen hat unterscheiden lernen, erst der hat eigentlich das Richtige erlebt. Wir sollten es vermeiden als Lehrer, botanisieren zu gehen und dann mit der Botanisiertrommel in die Klasse zu gehen und die Pflanzen auszubrei­ten. Wir sollten vielmehr die Kinder hinausführen und womöglich wirklich im realen Zusammenhang mit der Erde und mit den Sonnen­strahlen und mit dem Leben die Kinder zum Verständnis des Pflanz­lichen bringen. Dadurch können wir in ganz naiver Weise den Über­gang zu etwas anderem finden, was außerordentlich wichtig ist.
Wenn das Kind eine Vorstellung bekommt, was eine Kartoffel eigentlich ist, so bedeutet das außerordentlich viel. Die Kartoffel ist ja keine Wurzel, die Kartoffel ist ein verknollter Stamm, ein verknoll­ter Stengel. Der trockene Boden, auf den die Kartoffel angewiesen ist, der zieht dasjenige, was ins Kraut schießen soll, zurück in die Erde hinein. Aus dem Kraut soll man erkennen, wie lange die Pflanze in ihrem Heraufwachsen dem Boden verwandt bleibt, wie lange der Bo­den seine Impulse auf die Pflanze geltend macht.

bereikt. Pas iemand die op de bodem heeft gestaan waarop rogge en tarwe groeit, en ter plaatse de rogge van de tarwe heeft leren onderscheiden, die heeft eigenlijk pas het juiste beleefd. Wij zouden moeten vermijden als leraar te gaan botaniseren, vervolgens met de botaniseertrommel weer terug naar de klas te gaan en de planten uit te spreiden. We zouden veel meer met de kinderen naar buiten moeten gaan en waar mogelijk werkelijk in reële samenhang met de aarde en met de zonnestralen en met het leven de kinderen begrip voor de planten bij moeten brengen. Daardoor kunnen we op een heel eenvoudige manier de overgang naar iets anders vinden wat buitengewoon belangrijk is. Wanneer het kind zich een voorstelling kan gaan maken van wat een aardappel eigenlijk is, dan betekent dat buitengewoon veel. De aardappel is geen wortel, nietwaar, de aardappel is een verknolde stam, een verknolde stengel. De droge bodem, waar de aardappel op aangewezen is, trekt dat wat in het kruid zou moeten schieten terug in de aarde. Aan het kruid zou je moeten herkennen hoe lang de plant bij het opgroeien verwant blijft aan de bodem, hoe lang de bodem zijn impulsen op de planten doet gelden.

Man soll dieses ple­bejische Hineinwachsen der Kartoffel in den trockenen Boden verspüren können. Und wiederum soll man verspüren können, wie in der Tat der etwas feuchtliche Boden im Zusammenhange mit den schon nach ab­wärts sich senkenden Sonnenstrahlen die Herbstzeitlose, Colchicum autumnale, gestaltet.
Wenn man in dieser Weise dasjenige betrachtet, was da aus der Erde als aus einem Organismus herauswächst, natürlich differenziert nach den verschiedenen Differenzierungen des Antlitzes der Erde, dann fin­det man in naiver Art den Übergang zu einer naturgemäßen Geo­graphie. Die wächst von selber heraus. Und die anderen Dinge, die dann in der Geographie noch in Betracht kommen, schließen sich an dasjenige, was das Pflanzenleben ist, an. Wie spricht der heutige Mensch manchmal von der Erde? Der heutige Mensch spricht manchmal so von der Erde, als ob sie überhaupt keine Pflanzen hervorbringen würde. Er denkt sich die Erde als eine im Weltenraume befindliche Kugel; die Schwerkräfte wirken so, daß die Intensität im Quadrat der Entfernung abnimmt, und so wirken die Weltkörper aufeinander. Ganz mathematisch-mechanisch

Je zou dit ordinaire groeien van de aardappel in de droge bodem moeten kunnen voelen. En ook zou je moeten kunnen voelen hoe inderdaad in de wat vochtige bodem in samenhang met de al wat lager staande zonnestralen de herfsttijloos, colchicum autumnale, zich vormt. Als je op deze manier bekijkt wat er zoal uit de aarde als uit een organisme opgroeit, natuurlijk gedifferentieerd naar de verschillende differentiaties van het gelaat van de aarde, dan vind je op een eenvoudige manier de overgang naar een natuurlijke geografie. Die groeit daar vanzelf uit voort. En de andere dingen die dan in de geografie nog in aanmerking komen, sluiten zich bij het plantenleven aan.
Hoe spreekt de huidige mens vaak over de aarde? De huidige mens spreekt vaak over de aarde alsof die überhaupt geen planten zou voortbrengen. Hij stelt zich de aarde voor als een in de wereldruimte aanwezige bol; de zwaartekrachten werken zo dat de kracht ervan met het kwadraat van de afstand afneemt, en zo werken de hemellichamen op elkaar in. Geheel wiskundig-mechanisch

Blz. 188  vert. 212

wirkt das. Aber wer hat denn ein Recht, dieses Mathe­matisch-Dynamische der Schwerkraft abstrakt von dem abzusondern, was gerade so in die Erde hineingestellt ist: die sich entfaltende Pflan­zenwelt! Wenn man von dem kosmischen Drinnenstehen der Erde spricht, dann muß man dasjenige, was sie beim Wurzelhaften der Pflanze gibt, ebenso zur Empfindung bringen wie die rein mathema­tisch-mechanischen Beziehungen der Gravitation und so weiter.
Daß in dieser Beziehung die lebendige Fülle im Unterricht lebt, darauf kommt es ganz besonders an. Wie man nun die Pflanzenwelt in Beziehung setzen muß zu dem Irdischen, so die Tierwelt in Beziehung zu dem Menschen. Man wird bemerken, indem man bei den Kindern Vorstellungen über das Pflanzliche hervorruft, wie ich sie geschildert habe, daß die Kinder gerade an dem Pflanzlichen die Frage nach dem Warum und Wie der Welt entwickeln. Es ist wirklich viel gesundender für das kindliche Gemüt, wenn es die Frage nach dem Warum und Wie an dem Pflanzlichen entwickelt, als etwa an dem Mineralischen und dem Maschinenartigen. Wie man sozusagen das Kausalgefühl, das Ursachengefühl an der an die Erde gebundenen Pflanze entwickeln soll, so den Vergleich, die Analogie, die immer eine entsprechende Stellung im Leben einnehmen soll, an der Tierwelt.

werkt dat. Maar wie heeft dan het recht dit mathematisch-dynamische van de zwaartekracht abstract af te zonderen van wat zich als de zich ontplooiende plantenwereld op de aarde heeft genesteld! Als je over de aarde als deel van de kosmos spreekt, dan moet je datgene wat zij bij het wortelachtige van de plant laat zien, net zo in het gevoel brengen als de puur wiskundig-mechanische verhouding van de zwaartekracht enzovoort. Dat op deze manier de levende overvloedige rijkdom in het onderwijs leeft, daar komt het vooral op aan. Net zoals je de plantenwereld in relatie moet brengen tot de aarde, zo moet je de dierenwereld betrekken op de mens. Je zult merken dat je, door bij de kinderen voorstellingen over het plantenrijk op te roepen zoals ik dat beschreven heb, de kinderen juist aan de hand van het plantenrijk de vraag naar het waarom en hoe van de wereld ontwikkelen. Het is voor het gemoed van het kind echt veel gezonder als het de vraag naar het waarom en hoe aan de plantenwereld ontwikkelt dan bijvoorbeeld aan het minerale en het machinale. Zoals je zogezegd het gevoel voor oorzaak en gevolg, het causale gevoel moet ontwikkelen aan de aan de aarde gebonden plant, zo moet je de vergelijking, de analogie, die altijd een passende plaats in het leven moet innemen, aan de dierenwereld ontwikkelen.

Blz. 192  vert.

So bringt man das Tierreich an den Menschen heran, wie man das Pflanzenreich an die Erde herangebracht hat, und man erweckt gerade dadurch in dem Kinde ein gesundes Weltgefühl, daß man gewissermaßen auf die Ni­veaulinie Rücksicht nimmt zwischen Tier und Pflanze, bei der Pflanze hinuntergeht zur Erde, beim Tier herauf zum Menschen. Dadurch stellt sich die Seele empfindungsgemäß in richtiger Art zu ihrer Um­gebung ein, von der sie sich zu unterscheiden gelernt hat mit dem voll­endeten neunten Jahre. Und nicht darauf kommt es ja eigentlich an, daß man dem Kinde allerlei Kenntnisse übermittelt, sondern daß man ihm die Vorbereitung gibt zu einer richtigen Weltempfindung.

Zo verbind je het dierenrijk met de mens, zoals we het plantenrijk met de aarde verbonden hebben. En we wekken in het kind een gezond wereldgevoel juist door in zekere zin rekening te houden met de niveau-lijn tussen dier en plant, en bij de plant afdaalt naar de aarde en bij het dier opstijgt naar de mens. Daardoor stelt de ziel zich gevoelsmatig op de juiste wijze in op haar omgeving, waarvan ze zich heeft leren onderscheiden vanaf het voltooide negende jaar. En het komt er toch eigenlijk niet op aan dat je het kind allerlei kennis overdraagt, maar dat je het de voorbereiding geeft tot een juist wereldgevoel.
GA 303/183-192
Vertaald
/208-217

.

Rudolf Steiner over plantkunde 

Plantkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

.

2685-2515

.

.

.

.