Tagarchief: technische hulpmiddelen

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen ( 7-2)

.
Dr. G. von Arnim, Weledaberichten dec. 1970* nr 88

 

HET KIND HEEFT ECHTE ZIELENKRACHTEN NODIG

Zo weinig mogelijk technische prikkels
.

Iedere lezer zal weten wat met de uitdrukking „een teveel aan prikkelende invloeden” bedoeld is.
Niet alleen ons uiterlijke leven is door het intreden van de technische beschaving veranderd, maar we zijn tegelijkertijd in de situatie gekomen, een grote massa „technische prikkels” in onze ziel te moeten verwerken en weten misschien helemaal niet altijd, hoe dat het beste kan gebeuren. Nog veel problematischer zijn deze dingen natuurlijk voor onze kinderen, vooral vóór de leerplichtige leeftijd. Wij kunnen hier o.a. opsommen: televisie, radio, lichtreclame, geïllustreerde bladen, technisch speelgoed, films, geluidsbanden, grammofoonplaten, waarop sprookjes verteld worden. [En daar kan voor deze tijd aan worden toegevoegd: de computer – inclusief de computerspellen, de laptop voor kinderen en de mobiele telefoon]
Hoe werkt deze technische wereld, die ons bij elke stap omgeeft en die voortdurend prikkels op de ziel uitoefent, eigenlijk op het kind? Hoe vertoont ze zich, gezien met de ogen van een kind? Wat doet de kinderziel met een overmaat aan technische geluiden, technisch licht, technische beelden?

Hoe verschillend een mondelinge vertelling en een technisch beeld (televisie) op kleine kinderen werken, blijkt duidelijk uit een experimenteel onderzoek, dat kort geleden* in een studiereeks van de Weense leerstoel voor pedagogische psychologie werd uitgegeven. (Lore Watzka, Kleinkind und Fernsehen, Wien 1968). De schrijfster heeft zich afgevraagd of het „televisiekijken, als een onpersoonlijk technisch communicatiemiddel voor het begrijpen van een prentenboekverhaal door het kleine kind…. hetzelfde teweeg kan brengen wat men bij een persoonlijke communicatie gewend is te verwachten.” Zij wilde dus vaststellen, of het kind een op de televisie uitgezonden verhaal beter begrijpt, d.w.z. of het zijn handelingen in moreel opzicht sterker daarnaar inricht, dan bij een persoonlijk verhaal, of dat misschien het tegendeel het geval is. Daartoe werd aan verschillende groepen kinderen dezelfde geschiedenis op een van de twee manieren aangeboden. De ene groep zag het verhaal op de televisie, de andere hoorde per geluidsband sprekende stemmen en akoestisch begeleidende geluiden, maar zag de beelden als foto’s. De derde groep hoorde alleen sprekende stemmen en akoestische begeleidende geluiden per geluidsband, zonder beelden te zien, weer anderen kregen alleen de stemmen via de geluidsband te horen. Daarentegen kreeg een vijfde groep het verhaal persoonlijk verteld, echter met behulp van een prentenboek en ten slotte kreeg de zesde groep het verhaal alleen persoonlijk verteld, zonder het prentenboek. Daarna deed men een poging om vast te stellen, wat de kinderen feitelijk van de inhoud van het verhaal begrepen hadden (reproductievermogen) en in hoeverre ze zich in hun innerlijke beleven met de verschillende personen uit het verhaal hadden geïdentificeerd (identificatie). Bij de laatste vraag gaat het er voornamelijk om, in hoeverre de kinderen impulsen voor hun eigen handelen uit de geschiedenis hadden geput.

Het resultaat van dit onderzoek formuleert de schrijfster als volgt: „Wanneer we de bovenbeschreven resultaten samenvatten, kunnen we zeggen dat het onderzoek naar het effect van het verhaal, zowel op grond van de reproductie, alsook op grond van de identificatie van de kinderen, uitwees, dat dit bij hen, die het verhaal door het persoonlijke vertellen hadden gehoord, belangrijk groter was dan bij de kinderen die de geschiedenis via de tv hadden opgenomen. Daarbij zag men, dat het feit van de persoonlijke overdracht van buitengewoon groot belang was, omdat — tegen mijn vermoedens in — ook de niet door beelden ondersteunde vertelling wezenlijk betere resultaten toonde; zelfs het persoonlijke verhaal, zonder plaatjes leverde een grotere reproductie en een grotere identificatie op dan de tv-vertoning.”

Omvorming in het eigen innerlijk

Wie de beschrijvingen van Dr. Steiner kent over de betekenis van de nabootsing van ouders of andere volwassenen uit de omgeving van het kind gedurende de eerste zevenjaarsperiode van de kinderlijke ontwikkeling, zal zich niet erg verwonderen over het hierboven beschrevene. Toch kan men aan dit belangrijke onderzoek interessante beschouwingen vastknopen. Men zou kunnen zeggen, dat het kind, wanneer het blootgesteld is aan de technische communicatie, klaarblijkelijk niet, of slechts onvoldoende in staat is, de omvorming van wat het gehoord of gezien heeft in het eigen innerlijk tot stand te brengen. We staan voor het feit, dat in dit opzicht dat, wat technisch meegedeeld is, eenvoudig niet de kracht bezit om door het kind op de juiste manier te worden „verteerd” en tot iets eigen te worden gemetamorfoseerd. Wanneer we de blik richten op de leeftijd vóór de tandenwisseling, dan is door de opvoeding zoals die op de vrijescholen gegeven wordt, duidelijk geworden, hoezeer alleen de nabootsing van wat van anderen mensen uitgaat, het kind zodanig kan bereiken, dat er werkelijk aan zijn innerlijke wezen gevormd en gewerkt wordt.

Wat gebeurt er nu echter met zo’n inhoud, die langs technische weg a.h.w. in de ziel van het kind valt? Moet deze niet als een soort vreemde ballast daarin blijven liggen? Al is de mens ook niet gewend in deze richting te denken, kan dit toch tamelijk letterlijk genomen worden. Voor het welzijn en voor de latere ontwikkeling, vooral van het jonge kind, is het ongetwijfeld van het allergrootste belang, dat niet zoveel van een dergelijke „ballast” in zijn ziel wordt gelegd. Deze blijft gedurende lange tijd onverteerbaar!

Het overladen van de kinderziel met stof, die door andere mensen, of in ieder geval op een levendige manier zou moeten worden gegeven, maar in plaats daarvan technisch gereproduceerd wordt toegediend, heeft waarschijnlijk alleen een beperkt nut op het ogenblik van de prikkelende werking zelf. Veel erger voor de toekomst van het kind is het feit, dat er een opeenhoping van mechanisch veroorzaakte zielenindrukken ontstaat, die de ontplooiing van de persoonlijkheid moeten storen. Dat vindt plaats omdat ze niet in staat zijn, een werkelijke zielenontwikkeling te wekken. Ze blijven in de ware zin van het woord „onverteerd” liggen.

Bij elke opvoeding gaat het er in hoofdzaak om, de vorming en ontwikkeling van de individuele wil van ieder kind te stimuleren. Dat is het gebied, dat ons het meest ter harte gaat. Aan de ervaringen, die aan de eigen wil worden opgedaan, moet zich langzamerhand het beleven van de eigen persoonlijkheid, van het eigen lot, van de biografie ontvonken. Dat een kind langzaam leert waarnemen „ik ben ik”, heeft daar zijn oorsprong. Ook het vermogen, het morele en het goede te beleven, gaat van dezelfde bron uit.

Het persoonlijk vertelde sprookje

Wat het kind als technische prikkel bereikt, terwijl het denkend nog niet in staat is, de technische oorsprong daarvan te doorzien, beschadigt de individuele ontwikkeling van de wil van het kind.
Het persoonlijk vertelde sprookje bijv. bewerkt vanuit de imaginatieve vormkracht, die ware sprookjes eigen is, maar ook door de onmiddellijke zielenoverdracht van degene die vertelt, in het kind de morele wilsontwikkeling op, terwijl dit voor het technisch overgebrachte beeld niet geldt.

Het zal zeker in deze tijd niet altijd mogelijk zijn, en het is waarschijnlijk ook niet juist, de kinderen onder alle omstandigheden te beletten, de hier bedoelde technische prikkels te ondergaan. Het is echter van het grootste belang, dat ouders en opvoeders zich rekenschap geven van deze kwestie en die doorzien. Men zal dan ook wel mogelijkheden vinden, zich direct en intensief met het kind bezit te houden, om de krachten te versterken, die wezenlijk dienstig zijn voor de ontwikkeling van de ziel. Waar het op aankomt is het inzicht, dat alles wat als technisch gereproduceerd beeld of als technisch weergegeven woord op het kind afkomt, niet zomaar langs hem afglijdt, maar in ieder geval sporen in zijn ziel achterlaat. Hoe vaker het kind dit alles moet opnemen, des te sterker werken deze dingen innerlijk opwindend, omdat ze vanwege het principiële verschil tussen wat technisch ontstaan is en de levende zielswerkelijkheid niet in staat zijn, wezenlijk in het proces van de wilsontwikkeling van het kind te werken. Ze bewaren veel meer het karakter van een voortdurende of steeds weer opduikende innerlijke prikkeling. Waarnaar het kind echter verlangt, is een versterking van de als kiem in hem rustende wilskrachten, die hem in latere jaren in staat zullen stellen, op de juiste manier zijn lot te dragen en te verwerken.

Rudolf Steiner over vertellen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

Google

.

2584

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.