VRIJESCHOOL – 6e klas – meetkunde (2-3/5)

.

Bij mijn aantekeningen voor het meetkundeonderwijs vond ik dit schriftje. Ik heb het niet zelf gemaakt en ik denk ook niet dat het van een leerling is. Hoogstwaarschijnlijk is het gemaakt door Jan van Wettum. Wij woonden een tijd in zijn huis en van hem kreeg ik allerlei achtergrondaantekeningen.

Misschien ter inspiratie van ‘hoe mooi komt de lesstof in het periodeschrift.

.

6e klasalle artikelen (waarbij de meetkunde-artikelen)

Meetkundealle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas- meetkunde: alle beelden

.

2893-2713

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Nicolaas – verhaal (1-4)

.
Uit ‘Nikola de Barmhartige’ uit schoolkrant – nadere gegevens ontbreken
.

HET VUUR VAN NIKOLA
.

De Heilige Nikola heeft veel over Gods wereld rondgezworven.
Hij heeft veel landen bezocht, de gehele wereld doorgetrokken, er waren slechts drie dorpen overgebleven.
Hij ging het eerste dorp binnen. De kinderen omringden hem. „Een Taljaan, — riepen zij luidkeels, — een Taljaan is gekomen! Dadelijk gaat hij op z’n orgel spelen!” De mannen en vrouwen snelden uit de huizen, omringden hem. „Zeg, oudje, waar is je draaiorgel? Speel ons een vrolijk moppie, dan zullen we effe hopsen!” — riepen zij en hinnikten als hengsten, die lang op een plaats hadden gestaan.
Het gedrag van die mannen en vrouwen ergerde Nikola, hij begaf zich naar het tweede dorp.

Daar was het al niet beter: niemand wilde hem binnenlaten! En het begon al donker te worden. In één huis zeiden zij, bang te zijn: hij zou duivels bij zich kunnen hebben.
In een ander huis: misschien is hij een dief.
In het derde huis: hij zal wel een verklede landloper zijn!
Toen Nikola bij het vierde huis kwam — pakte de boer een zwaar stuk hout en keek hem dreigend aan. Toen begaf Nikola zich naar het derde dorp.

Hij liep door het dorp — en van alle kanten wezen zij met de vingers naar hem.
Hij kwam bij een huis en vroeg verlof om te mogen overnachten. „Heb je wel een kruisje om?”
„Ja.”
„Sla eens een kruis!”
Nikola deed het.
Zeg maar op: „De Here verrijze!”
Nikola deed het.
„Zeg nu het „Credo” op.”
Hij zei het „Credo” op.
„En ken je het gebed „verdrijf de boze van mij”?
De oude man was dat gebed vergeten,.
„Neen, — zei de baas, — ga maar heen. Het „Credo” heb je niet al te goed opgezegd en nu blijkt het, dat je „verdrijf” in het geheel niet kent. Je hoeft mij niet te smeken. Je kent de gebeden niet behoorlijk, ik houd niet van mensen, die hun gebeden niet op hun duimpje kennen.”

En intussen was het volkomen nacht geworden. Het werd pikdonker Hij moest op de tast zijn weg verder zoeken.

De wind huilde.

Nikola kwam bij het laatste huis. Daar woonde een eenzame, ongetrouwde man. Hij ontving de late bezoeker vriendelijk, spreidde hooi voor hem als legerstede uit, gaf hem een pelsjas om zich toe te dekken.

Zij gingen beiden slapen.

Vroeg in de ochtend werd de eenzame boer wakker. Hij stond op en ging naar de dorsvloer, rogge dorsen. Nikola stond ook op en ging met hem mee om hem bij zijn werk te helpen, om hem op deze wijze voor zijn gastvrijheid te belonen.
Zij stonden lange tijd te werken. Zij zwaaiden met de vlegels en werden er moe van.
Toen zei Nikola: „Weet je wat, beste man, volg maar mijn raad op. Ik doe het anders.’
Nikola nam een lucifer en stak de brand in de schoven.
In één oogwenk stonden de schoven in lichtelaaie; zij brandden — het was een blank vuur — maar verbrandden niet: elk strohalmpje ging naast het andere liggen, elke graankorrel naast de andere.

Het heeft geen uur geduurd of alle schoven waren op deze wijze gedorst,— het graan was blank, zuiver, groot, je hoefde het niet te wannen
De heilige man nam afscheid van zijn gastheer en zette zijn reis voort.

De volgende dag vertelde de eenzame boer zijn buren van zijn gast — die vreemde oude man, hoe hij het graan dorste.
„Laat ons ook proberen het graan op deze wijze te dorsen!” — besloten de andere boeren.
En zij staken de brand in hun schoven — de opgestapelde schoven flakkerden, daarna sprong de brand op de huizen over.

Het heeft niet lang geduurd of van het gehele dorp alleen afgebrande palen overbleven.

.

Sint-Nicolaas: alle verhalen

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

2892-2712

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Nicolaas – verhalen

.

SINTERKLAASVERHALEN

.

Op de site ‘Beleven.org’ staan momenteel de volgende verhalen:

Op de site ‘Genezend opvoeden‘ staan deze verhalen:
Daarop staan ook achtergronden over Sint en Piet

Nicolaas en de dochters van de koopman
Nikola en het graan

==

[1-1] Nikola de barmhartige, A Remizov
Jonas over: bij het verschijnen van dit boek.

Nikola de barmhartige:
Sint Nicolaas in Rusland (Inleiding van de vertaler) voorwoord.

[1-2Sint-Nicolaas de wonderdoener
[1-3] Nikola als borg

[1-4] Het vuur van Nikola
De heilige Nicolaas is nergens welkom, behalve bij vriendelijke boer. Zijn oogst komt op wonderbaarlijke manier van het land. Dat heeft grote gevolgen voor ongastvrijen.

[2 Sint-Nicolaas en Maria
Dan Udo de Haes 
(het verhaal begint half in het artikel)

[3] De wonderlijke graanvermeerdering
Legende: Sint-Nicolaas deelt graan uit; de voorraad vermindert niet.

Sinterklaas (32)
Een verhaal over Sint in de adventstijd

.

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

2891-2711

..

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Nicolaas – verhaal (3)

.
Bron onbekend
.

SINT-NICOLAASLEGENDE
.

In Myra, de stad waar de heilige Nicolaas bisschop was, heerste hongersnood. Toen bijna al het voedsel op was, hoorde Nicolaas dat er in de haven een schip volgeladen met tarwe was binnengevaren.   Nicolaas ging naar de kade waar het schip was afgemeerd en vroeg de scheepslieden of ze hem 100 maten tarwe wilden geven om de uitgehongerde mensen te redden. De scheepslieden wilden echter niets geven, omdat het graan in Alexandrië gewogen was en zij die afgewogen hoeveelheid graan naar de korenschuren van de keizer moesten brengen. Toen zei de heilige Nicolaas: ‘Doe wat ik U zeg en ik zweer U bij het woord van God dat er bij het nawegen geen korrel gemist zal worden.’
De scheepslieden volgden zijn gebod op en toen zij bij de graanwegers van de keizer kwamen, was in het schip precies zoveel graan als er in Alexandrië hadden ingeladen. Ze vertelden iedereen wat er gebeurd was en prezen God en zijn knecht. Intussen deelde de heilige Nicolaas het koren uit, iedereen kreeg zoveel als hij nodig had. En van het weinige graan dat hij van de scheepslieden gekre­gen had, kon hij, de hele stad voeden.

.

Sint-Nicolaasalle artikelen

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

2890-2711

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – ‘over de eerste dier- en plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner (2/4)

.

Gerbert Grohmann:

OVER DE EERSTE DIER- EN
PLANTKUNDE IN DE PEDAGOGIE VAN RUDOLF STEINER

deel 2

PLANT – AARDE – MENSENZIEL

Blz. 144

Over enkele fundamentele vragen

Wellicht is bij de lezer zo af en toe de vraag opgekomen of de kinderen die volgens de hier aanbevolen methode plantkunde krijgen, wel genoeg feitenkennis opdoen? Wordt hier, zo zou wellicht tegengeworpen kunnen worden, niet te veel waarde gehecht aan het ‘hoe’, terwijl het ‘wat’ te weinig aan bod komt? Er werd al nadrukkelijk naar voren gebracht dat de waarde van het mensbeeld bij de lesstof in de pedagogie van Rudolf Steiner voorop staat. Maar is het opkomen van bepaalde bedenkingen in dergelijke omstandigheden niet toch terecht?
Dit soort bezwaren doemen heel vaak op wanneer er over methoden gesproken wordt en dat dit zeker ook terecht kan zijn, hoeft niet weggewimpeld te worden. Maar omdat nu eenmaal de mens en niet de leerstof op school de hoofdzaak is waar het op aankomt, moet er eerst naar wetmatigheden bij de mens worden gezocht en naar wat noodzakelijk is. Het tegenovergestelde van wat hier als juist werd voorgesteld, zou zijn om de leerstof in brokken te verdelen en die dan zo gelijkmatig over de jaren te verdelen dat er ook rekening gehouden wordt met wat een kind intellectueel verwerken kan.
Wat Rudolf Steiner deed, is beslist iets anders. Hij vroeg allereerst wanneer het tijdstip in de ontwikkeling van het kind gekomen is waarop het eerste plantkundeonderwijs het beste past, d.w.z. wanneer het kind daar het meest aan heeft, zelfs wanneer het dit nodig heeft om bepaalde psychische krachten te ontwikkelen die nu juist op deze en niet op een andere leeftijd vrij worden. Dit tijdstip ligt in het 11e levensjaar (5e klas basisschool-groep 7), niet eerder, maar ook niet later zoals we in samenhang met de 9e werkbespreking uitvoerig hebben laten zien. En nu gaat het erom met de vraag aan de slag te gaan wat de juiste methode is.
Een antwoord vind je alleen maar vanuit een fijnzinniger kennen van de innerlijke situatie van het kind van deze leeftijd, in ieder geval niet vanuit de stof, want de stof op zich heeft in eerste instantie geen relatie tot de zich

Blz. 145

ontwikkelende mensenziel, tenzij wij die tot stand brengen.
Om dit in te zien, roepen we slechts in herinnering de twee besproken voorbeelden in de 11e werkbespreking over de kiemvorming en de bevruchting.
Vanuit de stof gekeken, vind je nauwelijks redenen waarom kiemvorming en bevruchting niet in deze fase besproken zouden moeten worden, maar zo gauw je naar het kind kijkt, zie je die wél. En de gezichtspunten die daarvoor maatgevend moeten worden, zijn zeker niet van intellectuele aard. Als het niet lukt om de gevoelsmatige relatie tot stand te brengen tussen het kind en de leerstof, dan valt ons hele onderwijs op onvruchtbare grond. Wie nog niet begrepen heeft wat een goede en wat een verkeerde onderwijsmethode voor heel het mensenleven kan betekenen, moet noodzakelijkerwijs al het andere, maar niet wat hier aangeraden wordt, wel als praktisch, verhelderend en consequent beschouwen.
Door de aanwijzingen van Rudolf Steiner krijgen we de gelegenheid om voor het kind de weg te banen zich gevoelsmatig met de plantenwereld te kunnen verbinden, wat tegelijkertijd ook zoveel betekent als het kind daarvoor te wekken. Het geheim van al het begrijpen is toch dat het kind zich innerlijk zo met de stof verbindt dat het ontdekt dat er in de wereld dingen, verschijnselen bestaan die het als een deel van zijn eigen wezen kan beschouwen en in zijn eigen belevingskader kan opnemen. Dat gebeurt op de verschillende ontwikkelingsniveaus heel verschillend. In het midden van de basisschooltijd speelt het gevoel de doorslaggevende rol.
Als je dat weet dan heeft wat in de werkbespreking behandeld werd, geen verdere uitleg nodig. De eerste plantkundeperiode krijgt de belangrijke opdracht toebedeeld, de menselijke basis te leggen. Alleen zo wek je de echte interesse, de echte menselijke betrokkenheid. Van dat Rudolf Steiner met zijn voorbeelden de stof zou willen inkaderen of afgrenzen, is absoluut geen sprake, veel meer was het zijn bedoeling de grote gezichtspunten neer te zetten en zijn leraren mogelijkheden te geven waarmee ze creatief kunnen worden, zodat je alleen maar uit de hoorn des overvloeds van de natuur hoeft te putten om jezelf aan van alles te helpen. Het zou niet eens een goed teken van fantasie en levendigheid van de leraar zijn, wanneer in de schriften van leerlingen steeds maar hetzelfde staat als de exemplarische voorbeelden van Rudolf Steiner. Pas als je durft om zelf die voorbeelden op iets anders toe te passen, merk je wat deze voorbeelden kunnen betekenen.
Rudolf Steiner stelde als een nastrevenswaardig doel dat de kinderen

Blz. 146

alle karakteristieke planten in hum omgeving kennen. In latere perioden (12e, 13e, 14e jaar) moeten ook gewassen die buiten het eigen land voorkomen, worden besproken, waarvoor van tijd tot tijd ook het aardrijkskundeonderwijs een goede gelegenheid biedt. Alles wat in dit opzicht later plaatsvindt, wordt a.h.w. op een presenteerblaadje aangedragen dat in de eerste plantkundelessen voor de 11-jarige klaar werd gemaakt. Wat toen werd aangelegd, zal steeds en overal oplichten en innerlijk leven uitstralen.
Daar hebben de woorden van Rudolf Steiner in de 9e werkbespreking betrekking op: ‘Maar ieder mens die in zijn jeugd planten leert kennen volgens wetenschappelijke principes, moet ze eigenlijk eerst leren kennen zoals wij ze beschrijven, in vergelijking met zieleneigenschappen van de mens. Niemand moet eigenlijk eerst op een wetenschappelijke manier de botanica leren kennen.’
Eigenlijk is het echt heel erg wanneer er gelijk in het begin van de les puur volgens intellectuele principes vervaardigd plaatmateriaal van de plant en de plantendelen opgehangen wordt en het onderwijs er eerst uit bestaat deze volledig onkunstzinnige producten uit te leggen.
De beste illustrator is de hand van de leerkracht en het beste plaatmateriaal het schoolbord. Wat een spanning als de klas een tekening steeds verder ziet ontstaan! En ook al ziet die er nog zo onbeholpen uit, het is altijd nog beter dan die opgehangen kant-en-klare plaat, want de eerste zit het innerlijke beeld dat de luisterende kinderen er in hun ziel van maken, niet in de weg. En vergrootglazen hebben al helemaal niets te zoeken in de eerste plantkundelessen. Buiten dingen laten zien en uitleggen is goed en noodzakelijk, maar pas dan als alles is voorbereid. Dat kan het eerste plantkundeonderwijs niet vervangen. Voor alles moet er eerst iets aan voorafgaan. Natuurlijk kun je lesstof geven voor de toets, je kan opstellen laten schrijven die indruk maken en verstandig aandoen. Maar dat komt allemaal niet ten goede aan het kind, hoogstens aan de volwassenen die trots zijn op de resultaten.
Steeds weer wordt de eis om aanschouwelijkheid in het onderwijs verheven tot  iets van vooruitgang. Als een dergelijk aanschouwelijkheidsonderwijs echter alleen maar berust op het iets bij brengen alleen maar door het gewone verstand, dan moet dat wel uitdrogende werken, want de kinderlijke ziel verlangt er juist naar in de zintuigwereld te vinden wat boven het puur verstandelijke uitgaat. Uiteindelijk zoekt het kind, zich daar niet van bewust, op aarde de naglans van de wereld die het voor de geboorte intens beleefde in de geestelijke wereld en innerlijk juicht het wanneer hij deze kan ontdekken.

Blz. 147

Ook Rudolf Steiner geeft steeds weer aanwijzingen de besproken planten ook daadwerkelijk aan de kinderen te laten zien. Het is niet zo dat het biologieonderwijs  in de pedagogie van Rudolf Steiner iets alleen maar theoretisch moet zijn! Ondanks dat is de werkelijke activiteit hier heel anders, want nog voor er iets is om te laten zien, moet in het kind de herinnering aan de onderhavige plantentrap die bij zijn leeftijd hoort, opgeroepen worden, wat zelfs de dag ervoor al kan gebeuren. Dan pas raakt het bekijken ook de juiste zielenhouding in het kind zelf; en in het uiterlijk waarnemen nu weer te herontdekken wat in de ziel al leeft, betekent op deze leeftijd een tevredenstellen van de behoefte aan kennis. Dat is iets anders dan het kind in de kille, zielloze zintuigwereld te duwen en hem dan alleen maar een intellectueel lege huls voor te schotelen.
Met wetenschap heeft de methode die Rudolf Steiner geïnaugureerd heeft, niet veel van doen, maar voor het kind zou het een echte weldaad zijn, wanneer de volwassen generatie eindelijk tot het inzicht zou kunnen komen dat wetenschap als zodanig op school waar kinderen opgevoed moeten worden, gewoon niets te maken heeft.
Bijna ieder kind houdt van planten en er bestaat een soort gevoelsrelatie, maar in de kinderziel ontstaat een breuk, wanneer ervaren wordt dat die zodra het onderwijs begint, buitengesloten moet worden, want die speelt dan geen rol meer. Dan trekken de gevoelsbelangstelling en de echte menselijke betrokkenheid zich  al gauw terug. Als er dan, zoals zo vaak gebeurt, gepoogd wordt alles van het gevoel daarna weer kunstmatig erbij te halen, dan komt er maar al te gemakkelijk niets anders voor het gezonde kind uit dan die eerder afstotende dan verrijkende sentimentaliteit. Sentimentaliteit is altijd slechts een ongelukkig surrogaat, terwijl het echte gevoel dat bij die leeftijd hoort, een geëigende kracht voor de ziel is, die gebruikt moet worden om objectieve samenhangen in de wereld te gaan begrijpen, zoals uit onze werkbesprekingen genoegzaam naar voren mocht komen.
Het ‘niet erg wetenschappelijke’ van Rudolf Steiner, de waarschuwing voor alleen maar uiterlijke beschrijvingen en de aanwijzing dat er voor de fantasie van de kinderen nog heel veel over moet blijven, zijn geen eisen die worden gesteld om het onderwijs makkelijker en plezieriger te maken en ze zijn niet in strijd met de vanzelfsprekende noodzaak iets goeds te leren. Wie leert af te zien van bedrieglijke schijnresultaten op korte termijn, weet ook dat achter de vermeende onzakelijkheid en het daarmee verbonden schijnbare tijdverlies niets anders verborgen zit dan de echt reële methodiek. Echte interesse dat eenmaal gewekt is en door hartenkrachten gedragen, dat de hele mens aanspreekt, laat je ook later niet in de steek. Ook al is de vorm waarin dit zich uit nog zo veranderlijk, het blijft altijd een kostbaar levensgeschenk.

.

Zur ersten Tier-und Pflanzenkunde in der Pädagogik Rudolf Steiners
Menschenkunde und Erziehung Band 3
Verlag Freies Geistesleben Stuttgart, 1979
ISBN 3 7725 0203 2

[1] GA 295  vertaald

Inhoudsopgave

Werkbespreking 9      werkbespreking  10        werkbespreking 11

Plantkundealle artikelen

Vrijeschool in beeldPlantkunde

Zie boeken van de schrijver
Die Pflanze
Heilpflanzen
Metamorphosen
Meer
Op deze blog:  leesboek plantkunde
leesboek voor de dierkunde

2889-2710

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 14 (14-5-1)

.

RUDOLF STEINER
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald**

Enkele gedachten bij blz. 205-207 van de vertaling**

Aan het slot van de laatste, 14e voordracht op 5 september 1919 stelt Steiner a.h.w. 3 eisen aan de vrijeschoolleerkracht [14-5]

Wanneer hij de volgende dag de cursus afsluit*, komen die opnieuw aan bod.
Maar allereerst is er een nieuwe eis bij, d.w.z. hij wil die woorden in ons hart leggen. Dat zijn de woorden die gaan over de relatie leerkracht-kind.
Het zijn dus eigenlijk woorden over het kind dat hier weer op de eerste plaats komt.

*Op 6 september is er geen voordracht ‘Algemene menskunde’ meer, ook geen ‘Methodisch-didactische voordracht, maar ’s ochtends wel 2 ‘Leerplanvoordrachten, GA 295. ’s Middags volgt dan de ’15e werkbespreking’ samen met de derde voordracht over het leerplan. 
Dan volgt de afsluiting. 
In de Duitse GA 293 (Pdf) is deze afsluiting niet opgenomen, wel in de Nederlandse vertaling. 
In de Duitse GA 294 is deze ook opgenomen, in de vertaling eveneens; en in de Duitse GA 295 en de vertaling.

 GA 295/184    vert. in GA 293/205

Heute möchte ich nun diese Betrachtungen schließen, indem ich Sie
noch einmal hinweise auf das, was ich Ihnen gewissermaßen ans Herz
legen möchte. Das ist, daß Sie wirklich an vier Dinge sich halten:

Vandaag wil ik deze beschouwingen afsluiten door u nog een keer de dingen te zeggen die ik u eigenlijk op het hart zou willen drukken. Houdt u zich aan vier dingen:

Erstens daran, daß der Lehrer im großen und auch im einzelnen in der ganzen Durchgeistigung seines Berufes und in der Art, wie er das einzelne Wort spricht, den einzelnen Begriff, jede einzelne Empfindung entwickelt, auf seine Schüler wirke! Daß der Lehrer ein Mensch der Initiative sei, daß er Initiative habe! Daß er niemals lässig werde, das heißt, nicht voll dabei sein bei dem, was er in der Schule tut, wie er sich den Kindern gegenüber benimmt. Das ist das erste: Der Lehrer sei ein Mensch der Initiative im großen und im kleinen Ganzen.

Ten eerste dat een leraar in het grote en ook in het kleine in de wijze waarop hij het geestelijke in zijn beroep laat doorwerken, in de wijze waarop hij ieder afzonderlijk woord spreekt, waarop hij ieder begrip, ieder gevoel ontwikkelt, invloed uitoefent op zijn leerlingen. Denkt u eraan dat een leraar iemand moet zijn met initiatieven, dat hij nooit ofte nimmer laks wordt, dat wil zeggen er niet helemaal bij is, bij wat hij op school doet, bij zijn houding naar de kinderen toe. Dat is het eerste: dat een leraar een mens met initiatiefkracht moet zijn in het grote en in het kleine geheel.

Het zou interessant zijn hierop met elkaar dieper in te gaan. Hoe doet ieder dat, ‘het geestelijke in zijn beroep laten doorwerken’.
Wanneer ben je ‘laks’. Als je in je 2e rondje alle stof simpelweg gaat herhalen uit je 1e?
Of ‘met het boek in de hand‘?  

Wat hij ook nog niet heeft gezegd is dit:

GA 295/184-185   vert. 205

Das zweite, meine lieben Freunde, ist, daß wir als Lehrer Interesse
haben müssen für alles dasjenige, was in der Welt ist und was den
Menschen angeht. Für alles Weltliche und für alles Menschliche müssen
wir als Lehrer Interesse haben. Uns irgendwie abzuschließen für etwas,
Copyright Rudolf Steiner Nachlass-Verwaltung Buch: 295 Seite:184
was für den Menschen interessant sein kann, das würde, wenn es beim
Lehrer Platz griffe, höchst bedauerlich sein. Wir sollen uns für die großen Angelegenheiten der Menschheit interessieren. Wir sollen uns für
die großen und kleinsten Angelegenheiten des einzelnen Kindes interessieren können. Das ist das zweite: Der Lehrer soll ein Mensch sein,
der Interesse hat für alles weltliche und menschliche Sein

Het tweede, beste vrienden, is dat wij als leraar interesse moeten hebben voor alles wat er in de wereld bestaat en wat de mens aangaat. Als leraar moeten we interesse hebben voor alles in de wereld en alles in de mens. Het zou uiterst spijtig zijn als we ons als leraar op de een of andere manier zouden afsluiten voor iets dat interessant kan zijn voor de mens. We dienen ons te interesseren voor de grote aangelegenheden van de mensheid. We dienen ons te kunnen interesseren voor de grote en de kleinste aangelegenheden van ieder kind. Dat is het tweede: dat een leraar een mens moet zijn met interesse voor alles wat in de wereld en in de mens leeft.

Vervolgens komen dan de gezichtspunten die hij in de 14e voordracht gaf, met weer kleine nuances – met vérstrekkende gevolgen:

Und das dritte ist: Der Lehrer soll ein Mensch sein, der in seinem
Inneren nie ein Kompromiß schließt mit dem Unwahren. Der Lehrer
muß ein tiefinnerlich wahrhaftiger Mensch sein. Er darf nie Kompromisse schließen mit dem Unwahren, sonst werden wir sehen, wie durch
viele Kanäle Unwahrhaftiges, besonders in der Methode, in unseren
Unterricht hereinkommt. Unser Unterricht wird nur dann eine Ausprägung des Wahrhaftigen sein, wenn wir sorgfältig darauf bedacht
sind, in uns selbst das Wahrhaftige anzustreben.

Ten derde moet de leraar een mens zijn die innerlijk nooit een compromis sluit met onwaarheid. Een leraar moet diep in zijn innerlijk een waarachtig mens zijn; hij mag het niet op een akkoordje gooien met onwaarheid, anders zullen we zien hoe het onwaarachtige langs vele kanalen, vooral in de methode, ons onderwijs binnensluipt. Ons onderwijs zal alleen dan een uiting zijn van waarachtigheid, wanneer we zorgvuldig proberen in onszelf het waarachtige na te streven.

Er zijn helaas aanwijsbaar in de vrijeschoolmethode onwaarachtigheden geslopen, zoals je er hier een van kan zien. 

Und dann etwas, was leichter gesagt als bewirkt wird, was aber
doch auch eine goldene Regel für den Lehrerberuf ist: Der Lehrer darf
nicht verdorren und nicht versauern. Unverdorrte frische Seelenstimmung! Nicht verdorren und nicht versauern! Das ist dasjenige, was der
Lehrer anstreben muß.

En dan iets wat gemakkelijker gezegd is dan gedaan, maar wat ook een gulden regel is voor een leraar: een leraar mag geen droogpruim worden en geen zuurpruim. Een levendige, frisse stemming! Geen droogpruim en geen zuurpruim te worden — daar moet een leraar naar streven.

En dan volgt weer een oproep die m.i. ook vandaag de dag nog luid mag klinken, zelfs luider. Want verdiepen – ‘er ‘meditatief’ op ‘broeien’  – verwerken – zegt GA 302A*, is de enige basis waarop het vrijeschoolonderwijs gedijen kan.
Ik hoor nog tot een generatie die binnen de vrijeschoolwereld thuisraakte door ‘studie’, door verbinding proberen te vinden met de teksten van Steiner en hun uitleg door de inmiddels vele (oud- of reeds gestorven vrijeschoolleerkrachten die daarbij uit veel ervaring putten. 
De nieuwe generatie en zeker de komende – ik zeg dit zonder kritiek – groeit op met het ‘onmiddellijke’ door de snelle communicatiemiddelen.
I.p.v. de gedegen studie verschijnen er video’s waarop je kan zien hoe je een les kan geven. Vaak heel instructief en je mag hopen dat de maker van de video nog wel gedegen uit de achtergronden put, anders gaat dit middel voorbij aan wat Steiner hier aanroert. En dat voorbijgaan is m.i. de opstap naar vervlakkiung en veruiterlijking, naar de buitenkant.

*met daarin de voordrachten ‘Meditativ erarbeitete Menschenkunde’ vertaald als ‘Menskunde innerlijk vernieuwd’.

Und ich weiß, meine lieben Freunde, wenn Sie das, was wir in diesen
vierzehn Tagen von den verschiedensten Seiten her beleuchtet haben,
richtig aufgenommen haben in Ihre Seelen, dann wird gerade auf dem
Umweg durch die Empfindungs- und Willenswelt das scheinbar Fernliegende Ihnen sehr nahekommen, indem Sie den Unterricht ausüben.
Ich habe gerade in diesen vierzehn Tagen nichts anderes gesagt, als
was im Unterricht unmittelbar dann praktisch werden kann, wenn Sie
es in Ihren Seelen wirken lassen. Aber unsere Waldorfschule wird darauf angewiesen sein, meine lieben Freunde, daß Sie so in Ihrem eigenen
Inneren verfahren, daß Sie wirklich die Dinge, die wir jetzt durchgenommen haben, in Ihren Seelen wirksam sein lassen.

En ik weet, beste vrienden, dat als u werkelijk in uw ziel hebt opgenomen wat we in deze veertien dagen van diverse kanten hebben belicht, het schijnbaar verre doel dichterbij zal komen, via de omweg van de gevoels- en wilswereld, in het lesgeven zelf. Ik heb in deze veertien dagen enkel dingen genoemd die in het onderwijs direct in praktijk gebracht kunnen worden wanneer u ze in uw ziel laat werken. Maar onze Waldorfschool staat of valt ermee of u innerlijk zo te werk gaat dat u werkelijk de dingen die we nu besproken hebben in uw zielen werkzaam laat zijn.

En dan tot slot:

Blz. 186/187  vert. 206/207

Denken Sie an manches, was ich versucht habe klarzumachen, umein Begreifen des Menschen, namentlich des werdenden Menschen, psychologisch herbeizuführen, denken Sie an manches zurück! Und wenn Sie nicht wissen, wie Sie das eine oder andere im Unterricht vorzubringen haben, oder wann Sie es vorzubringen haben, an welcher Stelle, dann wird Ihnen überall ein Gedanke kommen können über solche Einrichtungen des Unterrichts, wenn Sie sich an das richtig erinnern, was in diesen vierzehn Tagen vorgekommen ist. Natürlich
müßte vieles viele Male mehr gesagt werden, aber ich möchte ja aus Ihnen auch nicht lehrende Maschinen machen, sondern freie, selbständige Lehrpersonen. So ist auch dasjenige gehalten worden, was in den letzten vierzehn Tagen an Sie herangebracht worden ist. Die Zeit war ja so kurz, daß appelliert werden mußte im übrigen an Ihre hingebungsvolle, verständnisvolle Tätigkeit.

Denkt u aan de dingen die ik heb proberen duidelijk te maken om de mens, met name de opgroeiende mens, psychologisch te begrijpen, denkt u eraan terug! En als u niet weet hoe u het een of ander in de les moet overbrengen, of wanneer en op welke plaats, dan zal u altijd iets daarover te binnen kunnen schieten, wanneer u zich goed herinnert wat er deze dagen aan de orde is geweest. Natuurlijk zouden veel dingen nog veel vaker gezegd moeten worden, maar ik wil van u ook geen lesmachines maken, maar vrije, zelfstandige leraren. Daarom heeft u alles van de afgelopen veertien dagen ook op deze wijze te horen gekregen. De tijd was immers zo kort, dat er voor de rest wel een beroep gedaan moest worden op uw eigen toegewijde en begripvolle activiteit.

Denken Sie aber immer wiederum an das, was zum Verständnis des Menschen, und namentlich des Kindes, jetzt vorgebracht worden ist. Bei allen einzelnen methodischen Fragen wird es Ihnen dienen können.
Sehen Sie, wenn Sie zurückdenken, dann werden sich schon bei den
verschiedenen Impulsen dieser vierzehn Tage unsere Gedanken begegnen. Denn ich selbst, das kann ich Ihnen die Versicherung geben, werde zurückdenken! Denn es lastet diese Waldorf schule gar sehr heute wohl auf dem Gemüte derjenigen, die an ihrer Einleitung und Einrichtung beteiligt sind. Diese Waldorfschule muß gelingen! Daß sie gelinge, davon wird viel abhängen! Mit ihrem Gelingen wird für manches in der Geistesentwickelung, das wir vertreten müssen, eine Art Beweis erbracht sein.

Maar denkt u steeds weer aan wat we hier gezegd hebben over het inzicht in de mens en met name in het kind. Het zal u bij alle concrete methodische vragen van dienst kunnen zijn.
Weet u, wanneer u terugdenkt, dan zullen onze gedachten elkaar bij de verschillende impulsen van deze veertien dagen wel ontmoeten. Want ikzelf, dat kan ik u verzekeren, zal terugdenken. Want deze Waldorfschool drukt zeker zwaar op de schouders van degenen die bij de oprichting en inrichting ervan betrokken zijn. Deze Waldorfschool moet lukken. Er hangt veel van af of ze lukt. Als ze lukt, dan zal het een soort bewijs zijn voor veel dingen die wij in de geestelijke ontwikkeling moeten vertegenwoordigen.

Wenn ich persönlich jetzt am Schluß mit ein paar Worten sprechen darf, möchte ich sagen: Für mich selbst wird diese Waldorf schule ein wahrhaftiges Sorgenkind sein. Und ich werde immer wieder und wieder müssen mit meinen Gedanken sorgend auf diese Waldorfschule zurückkommen. Aber wir können, wenn wir den ganzen Ernst der Lage betrachten, wirklich gut zusammenarbeiten. Halten wir uns namentlich an den Gedanken, der ja unser Herz, unseren Sinn erfüllt: daß mit der geistigen Bewegung der Gegenwart doch ebensogut geistige Mächte des Weltenlaufes verbunden sind. Glauben wir an diese guten Mächte, dann werden sie inspirierend in unserem Dasein sein, und wir werden den Unterricht erteilen können.

Als ik nu aan het eind iets persoonlijks mag zeggen: voor mijzelf zal deze Waldorfschool als een kind zijn dat voortdurend mijn aandacht zal hebben.0 En steeds en steeds weer zal ik mijn gedachten en mijn zorg moeten laten uitgaan naar deze Waldorfschool. Maar wanneer we de hele ernst van de situatie in ogenschouw nemen, dan kunnen we werkelijk goed samenwerken. Laten wij vooral vasthouden aan de gedachte die toch ons hart, ons innerlijk vervult: dat met de geestelijke beweging van deze tijd even goed ook geestelijke machten van de wereldontwikkeling verbonden zijn. Laten wij geloven aan deze goede geestelijke machten, dan zullen zij inspirerend in ons leven aanwezig zijn en zullen we in staat zijn ons onderwijs te geven.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
Momenteel uitverkocht. Scan ter inzage via vspedagogie@gmail.com

Algemene menskunde voordracht 14alle artikelen  

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

2888-2709

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – (Kring)spelen (5)

.

Kringspelletjes worden voornamelijk in de kleuterklas gespeeld. Ook in de 1e klas vinden veel kinderen het nog erg fijn, vooral als het ‘nieuwe’ zijn, d.w.z. die ze in de kleuterklas nooit hebben gedaan.

(Dus als 1e-klasleerkracht even verifiëren bij de kleuterjuf/meester.)

’K MOET DWALEN

De kinderen staan, met de handen los, in een kring. Eén kind speelt de springer. Dit loopt aan de binnenkant langs de kring. Onder het zingen maakt hij de passende bewegingen van de tekst: hij zwaait met zijn arm en stamt met zijn voet.
Bij ‘Kom!’ blijft hij voor een kind staat; ze geven elkaar gekruist de handen. Samen dansen ze nu naar rechts verder op de maat van het lied en moeten ervoor zorgen aan het eind weer uit te komen bij de startplek., waar het opgehaalde kind stond. Daar gaat nu de eerste springer staan en het andere kind wordt de nieuwe springer. Zo gaat het verder.
Om iedereen aan de beurt te laten komen, mag een kind dat al geweest is, niet nog eens (tenzij het weinig kinderen gaat. Bij heel kinderen kunnen er meerdere springers tegelijk binnen de kring dansen.

’k Moet dwalen, moet dwalen
Langs bergen en langs dalen
Daar komt een kleine springer in het veld,
Hij zwaait er met zijn hoed
Hij stampt er met zijn voet.
Kom wij willen dansen gaan, dansen gaan,
En de anderen moeten blijven staan.

Muziek      De speelwijze hierbij wijkt af: de springer loopt buiten de kring.

Verklaring

Volgens Mellie Uyldert is de springer de levensgeest die op midwinter als de dagen weer langer worden, zijn krachten komt uit delen aan de jonge mensen door met hen te dansen.
Als hij zwaait met zijn rechterarm en stampt met zijn linkervoet is hij de gestalte van de midwinterheld. Zij ziet een overeenkomst met het hakenkruis als een oeroud teken van de godszoon.

.

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

2887-2708

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 14 (14-5)

.

RUDOLF STEINER
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald**

Enkele gedachten bij blz. 202-204 van de vertaling**

Op bladzij 202 van de vertaling stelt Steiner een paar eisen aan het onderwijs aan de beginnende puber. [14-4]
Dat is a.h.w. een opmaat naar nog een paar eisen.

Blz. 202   vert. 202

Das aber wirft ein Licht auf die Art, wie der Lehrer selber sein muß.

En dat werpt een licht op hoe een leraar moet zijn.

Er darf in keinem Momente seines Lebens versauern.

Hij mag nooit ofte nimmer een zuurpruim worden.

En meteen daarbij:

Und zwei Begriffe gibt es, die nie zusammenpassen, wenn das Leben gedeihen soll, das ist Lehrerberuf und Pedanterie.

En er zijn twee dingen die niet samengaan in een beweeglijk leven: dat zijn leraarschap en pedanterie.

Blz. 202    vert. 203

En dan spreekt Steiner ons aan op ‘een soort innerlijke moraal van het lesgeven, een innerlijke verplichting’.
Dat heeft m.i. te maken met ‘voel je je geroepen’ tot dit werk, m.a.w. is dit je ‘beroep’, of heb je ‘een baantje?
Voel je je diep verbonden met de kinderen of ‘draai je een klas?’

Blz. 202  vert. 203

Sie sehen daraus auch, daß es eine gewisse innere Moralität des Unterrichtens gibt, eine innere Verpflichtung des Unterrichtens. Ein wahrer kategorischer Imperativ für den Lehrer! 

U ziet, er bestaat een soort innerlijke moraal van het lesgeven, een innerlijke verplichting. Een ware categorische imperatief voor de leraar!

Steiner gebruikt hier een opvatting van Kant, wiens werk hij zeer goed kende, ‘de categorische imperatief’.
“(de categorische imperatief) … betreft niet de materie van de handeling en hetgeen er uit moet volgen, maar de vorm en het principe waaruit zij zelf voorkomt en het wezenlijk goede ervan bestaat in de gezindheid, wat ook het resultaat moge zijn. Deze imperatief kan die van de zedelijkheid genoemd worden.”

En opnieuw: de fantasie:

Und dieser kategorische Imperativ für den Lehrer ist der: Halte deine Phantasie lebendig.

En deze categorische imperatief is: houd je fantasie levend.

Und wenn du fühlst, daß du pedantisch wirst, dann sage: Pedanterie mag für die anderen Menschen ein Übel sein – für mich ist es eine Schlechtigkeit, eine Unmoral! – Das muß Gesinnung für den Lehrer werden.
Wenn es nicht Gesinnung für den Lehrer wird, dann, meine lieben Freunde, dann müßte eben der Lehrer daran denken, dasjenige, was er für den Lehrerberuf sich erworben hat, für einen anderen Beruf im Leben nach und nach anwenden zu lernen. Natürlich können diese Dinge im Leben nicht dem vollen Ideal gemäß durchgeführt werden, aber man muß das Ideal doch kennen.

En voel je dat je pedant wordt, zeg dan tegen jezelf: pedanterie mag van anderen een slechte eigenschap zijn, voor mij is het uit den boze, ethisch onverantwoord. – Dat moet de instelling van de leraar worden. Wordt het dat niet, beste vrienden, dan moet de leraar er maar eens over denken zijn capaciteiten langzamerhand in een ander beroep in praktijk te brengen. Natuurlijk kunnen deze dingen in het leven niet ideaal verlopen, maar men moet het ideaal toch kennen.

Waarschijnlijk omdat Steiner in deze voordracht aan het begin over hoofd, borst en ledematen sprak, koppelt hij daaraan dat we enthousiast moeten zijn voor de pedagogische moraal, we moeten doordrongen zijn van dat fundamentele inzicht. Maar hier had hij natuurlijk vele andere aspecten kunnen noemen waarvoor we enthousiast moeten zijn. Eigenlijk geldt dat voor alle achtergronden die wij in de vrijeschoolpedagogie nodig hebben!

En geldt dit niet voor alle inzichten?:

Blz. 203  vert.  203

Wenn Sie dieses Fundamentale anwenden, dann bekommen Sie aus diesem Fundamentalen heraus jene innere Kraft, die Ihnen durchdringen kann Ihre pädagogische Moral mit dem nötigen Enthusiasmus.

Wanneer u dit fundamentele inzicht in praktijk brengt, dan krijgt u daaruit de innerlijke kracht die het nodige enthousiasme kan brengen in uw pedagogische moraal.

We  moeten het inderdaad ruimer zien:

Dasjenige, was der Mensch als Intellektualität ausbildet, das hat einen starken Hang, träge, faul zu werden. Und es wird am faulsten, wenn der Mensch es nur immer fort und fort speist mit materialistischen Vorstellungen. Es wird aber beflügelt, wenn der Mensch es speist mit aus dem Geiste gewonnenen Vorstellungen. Die bekommen wir aber nur in unsere Seele hinein auf dem Umweg durch die Phantasie.

Het intellectuele dat de mens ontwikkelt, heeft sterk de neiging lui te worden. En het wordt het meest lui wanneer de mens het steeds maar weer voedt met materialistische voorstellingen. Maar het krijgt vleugels wanneer de mens het voedt met voorstellingen uit de geestelijke wereld. En die dringen tot onze ziel door via de fantasie.

Nog steeds gaat het over de fantasie die Steiner hier – het is zijn tijd – verdedigt tegen de tijdgeest, die in de fantasie ‘onwaarheid’ ziet.
M.a.w. leerkrachten die wél de fantasie als een zeer reële kracht zien voor de opvoeding [14-4] moeten in die tijd tegen de stroom oproeien.
En daarvoor is moed nodig!

Blz. 203    vert. 204

Man hatte nicht den Mut, selbständig zu sein, frei zu sein im Denken und dennoch der Wahrheit sich zu vermählen statt der Unwahrheit. Man fürchtete, sich frei zu bewegen im Denken, weil man glaubte, dann würde man gleich die Unwahrheit in seine Seele aufnehmen. 

Men had niet de moed zelfstandig te zijn, vrij te zijn in zijn denken en toch met de waarheid in zee te gaan in plaats van met de onwaarheid. Men had angst om zich vrij te bewegen in zijn denken, omdat men meende dat men dan dadelijk ook de leugen in zijn ziel zou opnemen.

En dan is daar de oproep om ‘de moed tot waarheid’ te hebben:

So muß der Lehrer zu dem, was ich eben gesagt habe, zu dem phantasievollen Durchdringen seines Unterrichtsstoffes, hinzufügen Mut zur Wahrheit. Ohne diesen Mut zur Wahrheit kommt er mit seinem Willen im Unterrichte, insbesondere bei den größer gewordenen Kindern, nicht aus. Das, meine lieben Freunde, was sich als Mut zur Wahrheit entwickelt, muß aber auch gepaart sein auf der anderen Seite mit einem starken Verantwortlichkeitsgefühl gegenüber der Wahrheit.

De leraar moet daarom niet alleen de leerstof doordrenken met fantasie, wat ik daarnet vertelde, maar daarbij ook de moed tot waarheid ontwikkelen. Zonder deze moed tot waarheid kan hij met zijn wil in het onderwijs niets beginnen -zeker niet bij grotere kinderen. De ontwikkeling van deze moed tot waarheid moet bovendien gepaard gaan met een sterk verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van de waarheid.

De ontwikkeling van deze moed tot waarheid moet bovendien gepaard gaan met een sterk verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van de waarheid.’
Dit gezichtspunt komt vaak bij naar voren als er in het onderwijsveld iets moet van hogerhand, terwijl dat volledig in strijd is met de inzichten waarop de vrijeschoolpedagogie gebouwd is. En waarom er dan niets zichtbaar wordt vanuit de vrijescholen aan moed ‘om dit niet te accepteren’. 

Om idealen te verwezenlijken heb je veel moed nodig. Schiller zei eens:

Und setzet ihr nicht das Leben ein, nie wird euch das Leben gewonnen sein‘.
En wanneer je je leven niet inzet, zal je nooit het leven winnen.

Voor ‘het leven’ kun je m.i. van alles invullen. In ons geval zou dat bijv. ‘echte vrijheid van onderwijs’ kunnen zijn.

Steiner komt dan bij een soort kern die in de pedagoog verankerd moet zijn:
de kwintessens van de pedagogie:

Blz. 204  vert. 204

Phantasiebedürfnis, Wahrheitssinn, Verantwortlichkeitsgefiihl, das sind die drei Kräfte, die die Nerven der Pädagogik aind. Und wer Pädagogik in sich aufnehmen will, der schreibe sich vor diese Pädagogik als Motto:

Durchdringe dich mit Phantasiefähigkeit,
habe den Mut zur Wahrheit,
schärfe dein Gefühl für seelische Verantwortlichkeit.

Behoefte aan fantasie, zin voor de waarheid en verantwoordelijkheidsgevoel – dat zijn de drie krachten die de kwintessens van de pedagogie zijn. En wie zich deze pedagogie eigen wil maken, die schrijve er als motto boven:

doordring jezelf met fantasiekrachten,
heb de moed tot waarheid,
scherp je gevoel voor individuele verantwoordelijkheid.

Aan het einde van de cursus sluit Steiner af met een toespraak. Wat hij hierboven aanstipte, komt daarin weer terug. [Zie 14-5/1] nog niet oproepbaar.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde voordracht 14alle artikelen  

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2886-2707

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/4)

.

Klimka de dief
.

Een grondbezitter had een oude knecht die zo trouw was dat hij het hele huis mocht beheren; maar diens zoon Klimka was niet naar zijn vader geaard en had vanaf zijn vroegste kinderjaren het stelen geleerd, ofschoon zijn leven prettig en vrij genoeg was.
Zijn vader had hem uitgedost in een rood hemd en nieuwe laarsjes. Maar nee – op een oneerlijk mens kun je met giften en gaven geen indruk maken.
‘Vadertje,’ zei hij, ‘ik ga erop uit om een os te stelen.’
‘Ga niet, canaille! Ze zullen je hoofd er afrukken.’
Klimka luisterde niet naar zijn vader en ging stelen.

Er kwamen boeren aan die een kudde voor zich uitdreven. Klimka zag ze gaan, liep vooruit, trok een van zijn laarzen uit – zonder er iets om te geven dat ze nieuw waren – gooide die op de weg en verstopte zich in de struiken.
De boeren zagen de laars: ‘Hè, wat jammer dat het er maar één is. Als het een paar was van zulke laarzen, zou je ze kunnen aantrekken en ermee uitzien als een heer.’
Zo spraken ze, raapten de laars niet op en dreven hun kudde verder. Klimka wilde hun graag van dienst zijn: hij liep weer vlug vooruit, trok de tweede laars uit en gooide ze op de weg. De boeren zagen de laars, waren blij en liepen allemaal terug om de eerste te halen. Maar Klimka verloor geen tijd; zijn vingers jeukten om de zaak af te werken: hij nam een paar ossen en verdween.

‘Slecht, heel slecht heb je gehandeld,’ zei zijn vader. ‘Ik zal het aan de heer vertellen.’ En hij deed dit op een vrolijk ogenblik. Klimka werd geroepen.
‘Ze zeggen, Klimka, dat jij een dief bent?’ ‘Dat ben ik, heer.’ ‘Hahaha! Steel dan eens mijn hengst uit de stal.’ ‘Ik zal het doen, maar neem hem me dan later niet af.’ ‘Nee, ik zal hem je niet weer afnemen.’
De heer vond het een grap dat Klimka – zo’n jongen nog! – een dief zou zijn. De hengst werd bewaakt door een stel wachters: twee man hielden hem bij zijn teugel vast, twee bij zijn staart, vier bij zijn benen, een man zat op zijn rug en twee stonden op wacht bij de deur. In het geheel waren het elf bewakers. ‘Let goed op, jongens, niet inslapen of indommelen,’ zei de heer. ‘Als Klimka komt stelen, pak hem dan beet. We zullen hem leren en hem er flink van langs geven.’
De nacht kwam, en met hem kwam Klimka; hij klom op het dak, maakte daar een gat in en liet er aan halsters een vaatje wijn in zakken en heen en weer schommelen om de wachters te verlokken. ‘Broeders,’ zeiden de bewakers, ‘het lijkt of God ons een gave heeft gezonden, en we zouden domoren zijn als we daar geen gebruik van maakten.’ De een na de ander kwam zich aan het vaatje laven en de sterke wijn proeven; en zij proefden zo lang tot hun armen en neus omlaag hingen. Dat was nu juist waar Klimka op had gewacht. Hij was er meteen bij en ging alles regelen op zijn manier: de man die op het paard zat, haalde hij eraf en zette hem op een houtblok; de vier die de benen vasthielden, kregen elk een stok in de hand; zij die de staart bewaakten, kregen een bos uitgeplozen hennep toegestopt, en aan hem die de teugels vasthield gaf hij in plaats daarvan een stuk touw om vast te houden. Toen maakte hij de teugels van de hengst los en leidde het paard naar buiten. Hij besteeg het met veel zwier en reed tot voor de trap van het herenhuis. ‘Ach, ach, waar zijn mijn opzichters, waar zijn mijn wachten?’ De heer ging op onderzoek uit in de stal: daar lagen ze allen als versuft en sliepen hun roes uit.

‘Nu, Klimka, je hebt geluk. Het paard is van jou. Maar probeer nu eens mijn reiskist te stelen.’ ‘Dat zal ik doen, maar neem ze me niet af.’ ‘Nee, ik zal ze je niet afnemen.’

Klimka pakte een spade en een schop, ging naar het kerkhof, groef een dode op en maakte zich gereed voor de daad. Maar de heer verzamelde een troep bewakers die hij bewapende met hooivorken, spiesen en knuppels – je werd al bang als je naar hen keek! Alle wachters gingen in een kring zitten en plaatsten de kist midden tussen zich in. Daar zaten ze, verroerden geen vin, knipperden niet met hun ogen en pasten op het goed van hun meester. Het werd middernacht en er werd op het raam geklopt. De knuppels gingen omhoog, de spiesen schoten te voorschijn, de hooivorken werden op het raam gericht: daar vertoonde zich een hoofd, een mens klom naar binnen – Klimka de dief schoof de dode voor zich uit. Terstond stortten de wachters zich op het lijk, en sloegen en bewerkten het als koekdeeg. Toen gingen ze naar de heer om te zeggen dat ze Klimka hadden doodgeslagen en in stukken gehakt, en dat ze zijn reiskist uit alle macht verdedigd hadden. De heer prees hen niet, berispte hen ook niet en treurde blijkbaar niet erg over Klimka. Intussen droeg de dief de reiskist weg en ging naar bed.

Maar de volgende morgen had de heer zijn reiskist nodig en beval hun die aan hem te brengen; de knechten liepen er vlug heen en keken – hier had ze gestaan, maar nu stond ze er niet meer! ‘Wat een geschiedenis,’ dacht de heer. En kijk, daar kwam Klimka binnen. ‘Heb jij die reiskist weggenomen?’ ‘Ja, heer.’ ‘Hoe heb je dat dan gedaan?’ ‘Of ik ze wel of niet heb gestolen, dat is mijn zaak.’ ‘Nu, je bent aardig brutaal. Je zou misschien zelfs mijn vrouw durven stelen?’ ‘Dat zou ik kunnen, maar zonder losgeld krijgt u haar dan niet terug.’ ‘Afgesproken! Maar weet goed: als het je niet lukt, laat ik je ophangen.’ Zij werden het eens.

De heer omringde zijn vrouw nu met dienstboden, minnen en jonge meisjes. Zelf zat hij dag en nacht bij haar, keek haar in de ogen, bewaakte al haar schreden en volgde al haar sporen. Het was werkelijk heel moeilijk haar te stelen.

Toch moest de heer een keer door het bos rijden. Klimka liep vooruit en hing aan alle bomen klokjes. Zelf klom hij in de dichtstbijzijnde den, deed een strop om zijn benen en hing zichzelf op aan zijn voeten. Daar kwam de heer aan met zijn vrouw; hij zag dat Klimka aan de dennenboom schommelde en riep uit: ‘Ach, lieve Heer, daar heeft die dief Klimka zich opgehangen. Blijkbaar was hij bang voor mijn woede, omdat hij niet tot zijn meesteres heeft kunnen doordringen. Die arme Klimka!’ Maar overal in het bos hoorde hij de klokjes klingelen. ‘Jongens, wat is dat voor een geluid? Gaan jullie eens kijken.’ Eerst ging de ene knecht, toen de tweede, toen de derde, en ze gingen allemaal een andere kant op.
Ten slotte ging de heer er zelf opuit en verdween in het bos. Maar Klimka had alleen daarop gewacht: met een sprong maakte hij zich los van de boom, rende naar de calèche, in een ommezien zat hij op de bok, sloeg de paarden op hun flanken en het rijtuig rolde met hem weg. Toen de heer terugkwam, was zijn vrouw verdwenen, en hing er geen Klimka meer aan de boom – alleen het stof wervelde over de weg. Toen werd het hem duidelijk en te voet keerde hij naar huis terug. Daar beval hij Klimka te roepen. ‘Jij hebt je meesteres gestolen?’ ‘Ja.’ ‘Geef haar terug!’ ‘Nee heer, u maakt maar een grapje – een mens steelt niet om het dan weer terug te geven. Betaal me losgeld.’ ‘Hoeveel moet je hebben?’ ‘Een kistje vol zilver.’ De heer stemde toe. Klimka groef een gat en zette daar het kistje in na eerst de bodem eruit te hebben geslagen. De heer stortte er steeds maar zilver in zonder dat het kistje vol werd. En Klimka gaf de meesteres niet terug. De heer kreeg genoeg van het storten, de hele Klimka stond hem tegen en hij gaf bevel hem in zee te werpen.

Ze naaiden de dienstknecht Gods in een zak, legden die op het strand en gingen weg om een steen te zoeken die ze aan zijn hals wilden hangen. Maar Klimka de dief rolde in de zak heen en weer en begon hard te roepen: ‘Heren! Bojaren! Laat Gods gerechtigheid heersen! Ze willen een wojewode [soort legerleider, onderkoning] van me maken, ik moet rechtspreken en oordelen, maar ik deug niet voor wojewode!’ Een bojaar die juist voorbijging, hoorde deze woorden. Hij kwam naderbij en vroeg: Wat zeg je daar, broeder?’ ‘Ze willen een wojewode van me maken, ik moet rechtspreken en oordelen, maar ik deug niet voor wojewode.’ ‘Laat mij je plaats innemen. Klim eruit.’ De bojaar kroop in de zak, en zag zichzelf al als wojewode – hij kwam echter terecht in het water. Maar Klimka was weer in vrijheid ; hij werd een vrije kozak en leefde er tot ieders last op los – tot zijn brutale hoofd werd afgeslagen.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2885-2706

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over meetkunde – GA 293

 


Opmerkingen van Rudolf Steiner over meetkunde die hij in zijn pedagogische voordrachten maakte (GA 293 – 311) en uit enkele andere voordrachten.

 

GA 293  voordracht 14
.

Allgemeine Menschkunde als Grundlage der Pädagogik

                        Algemene menskunde als basis voor de pedagogie


Zie voor wat Steiner in de 3e voordracht zegt: [3-8-1]

In de 14e voordracht zet Rudolf Steiner uiteen hoe belangrijk het voor het ontluikende astraallijf is dat het onderwijs met veel fantasie wordt gegeven.
[14-3]

M.n. noemt hij ook de meetkunde, in het bijzonder de stelling van Pythagoras.
Hij geeft als voorbeeld hoe je deze zou kunnen behandelen.

Blz. 201    vert.  201/202

Ebenso muß der ganze Unterricht, der dann erteilt wird in bezug auf Geometrie, sogar in bezug auf Arithmetik, nicht unterlassen, an die Phantasie zu appellieren. Wir appellieren an die Phantasie, wenn wir uns immer bemühen, so wie wir es versucht haben im praktisch-didaktischen Teil, dem Kinde Flächen nicht nur für den Verstand begreiflich zu machen, sondern die Flächennatur wirklich so begreiflich zu machen, daß das Kind seine Phantasie anwenden muß selbst in der Geometrie und Arithmetik. Deshalb sagte ich gestern, ich wunderte mich, daß niemand darauf gekommen ist, den pythagoreischen Lehrsatz auch so zu erklären, daß er gesagt hätte: Nehmen wir an, da wären drei Kinder. Das eine Kind hat so viel Staub zu blasen, daß das eine der Quadrate mit Staub überdeckt ist; das zweite Kind hat so viel Staub zu blasen, daß das zweite Quadrat mit Staub bedeckt ist und das dritte so viel, daß das kleine Quadrat mit Staub überdeckt ist. Da würde man dann der Phantasie des Kindes nachhelfen, indem man ihm zeigte: die große Fläche, die muß mit so viel Staub bepustet werden, daß der Staub, der zu der kleinsten Fläche und der, der zur größeren Fläche gehört, ganz gleich ist dem Staub, der in der ersten Fläche ist. Da würde dann, wenn auch nicht mit mathematischer Genauigkeit, aber mit phantasievoller Gestaltung, das Kind seine Auffassekraft in den ausgepusteten Staub hin- einbringen. Es würde die Fläche verfolgen mit seiner Phantasie. Es würde den pythagoreischen Lehrsatz durch den fliegenden und sich setzenden Staub, der auch noch quadratförmig gepustet werden müßte – das kann natürlich nicht in Wirklichkeit geschehen, die Phantasie muß angestrengt werden -, es würde das Kind mit der Phantasie den pythagoreischen Lehrsatz begreifen.

Het hele onderwijs in de meetkunde, ja zelfs in het rekenen, moet appelleren aan de fantasie. We appelleren aan de fantasie wanneer we altijd proberen om een kind niet alleen via zijn verstand bij te brengen wat vlakken zijn, maar ook zo, dat het zijn fantasie moet gebruiken — zelfs bij meetkunde en rekenen; we hebben hierover in de praktisch-didactische besprekingen gesproken. Daarom zei ik gisteren[*] dat het me verbaast dat niemand erop gekomen is om de stelling van Pythagoras ook als volgt uit te leggen. Stel er zijn drie kinderen. Het eerste kind moet zo veel stofjes bij elkaar blazen dat een van de vierkanten met stof is bedekt. Het tweede kind blaast zo veel stofjes bij elkaar dat het tweede vierkant vol is en het derde kind blaast het derde vierkant vol. Dan zou men de fantasie van het kind kunnen aanspreken door te zeggen: kijk, dat grote vlak moet je met even veel stof volblazen als de twee andere kinderen op het middelste en kleinste vlak samen. Dan zou een kind – weliswaar niet met wiskundige precisie, maar toch in fantasievolle vorm – zijn hele begripsvermogen richten op het bij elkaar geblazen stof. Het zou het vlak met zijn fantasie langsgaan. Het zou de stelling van Pythagoras begrijpen door dat rondvliegend en neerdwarrelend stof dat ook nog in een vierkant geblazen moet worden. Dat kan natuurlijk niet echt, dus het kind moet zijn fantasie inspannen. Het kind zou de stelling van Pythagoras met zijn fantasie begrijpen.
GA 293/201  
Vertaald/192

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 6e klas meetkunde

.

2884-2705

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 14 (14-4)

.

.

RUDOLF STEINER
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald**

Enkele gedachten bij blz. 201/202 van de vertaling**

Omdat het astraallijf nog niet is geboren, is het eigenlijk nog niet mogelijk om het kind te laten voelen wat liefde van het ene geslacht voor het andere is. (Ik gebruik het woord ‘geslacht’ in de traditionele zin en zie af van wat er in deze tijd nog meer onder verstaan zou kunnen worden, te meer omdat bovenstaande in elke situatie blijft gelden.

In de ontluikende ziel gebeurt ‘van nature’ iets:

Blz. 198  vert. 201:

[in andere woordvolgorde]:
(  ) es kündigt sich an alles dasjernige was die Seele entwickelt am Ende der Volksschuljahre vom zwölften, dreizehnten, vierzehnten und fünfzehnten Lebensjahre an. 

Aangekondigd wordt alles wat de ziel aan het eind van de lagere school vanaf twaalf, dertien, veertien, vijftien jaar ontwikkelt.

En waarin kondigt zich dat aan:

( ) in alledem, was Phantasietätigkeit ist und was von innerer Wärme
durchzogen ist, 

in het geheel van fantasiekrachten dat van innerlijke warmte vervuld is,

En wat zien we daaraan:

Da tritt ganz besonders hervor alles dasjenige, was an seelischen Fähigkeiten darauf angewiesen ist, von innerer seelischer Liebe durchströmt zu werden

Dan manifesteren zich vooral die zielenvermogens die vervuld moeten worden [het Duits heeft het ‘sterker’: erop aangewezen zijn!] van een innerlijke liefde,
dat wil zeggen,

das heißt also dasjenige, was als Phantasiekraft sich zum Ausdruck bringt. 

alles wat zich als fantasiekracht manifesteert.

Even appelleert Steiner aan wat er rond het 7e jaar gebeurt: daar hebben we het verschijnsel van het lichamelijk tanden krijgen: geboorte van het etherlijf, hier wordt het astraallijf geboren – de vergelijking dat ‘de ziel tanden krijgt’.

En zoals de geboren zijn van het etherlijf mogelijk maakt dat het kind nu kan gaan schrijven en lezen, zo moet bij het ‘geboorteproces van de ziel’ de fantasie gebruikt worden als ‘kraamhulp’.

Die Kraft der Phantasie, an sie müssen wir appellieren insbesondere in den letzten Jahren des Volksschulunterrichts.

Aan de fantasiekracht moeten we met name in de laatste jaren van de lagere school appelleren.

Opmerkelijk is nog dat Steiner hier wat er met de puberteit gaat gebeuren, belangrijker vindt dan wat er met lezen en schrijven gebeurt: 

Wir dürfen dem Kinde viel mehr zumuten, wenn es durch das siebente Jahr in die Volksschule eintritt, an Schreiben und Lesen die Intellektualität zu entwickeln, als wir unterlassen dürfen, in die herankommende Urteilskraft – denn die Urteilskraft kommt dann langsam heran vom zwölften Jahr ab – die Phantasie fortwährend hineinzubringen.

We mogen van een kind van zeven jaar nog eerder verlangen dat het zijn intellect ontwikkelt door middel van schrijven en lezen, dan we mogen nalaten om in het ontluikend oordeelsvermogen – dat dan langzamerhand vanaf het twaalfde jaar manifest wordt — voortdurend fantasie te brengen.

In de tijd waarin Steiner dit uitsprak was het de bedoeling dat de vrijeschool een ‘totaalschool’ moest worden: een ‘Gesamtschule’ d.w.z. een school(gebouw) met daarin de kleuters gevolgd door de klassen 1 t/m 12.
De klassen 1 t/m 8 vormden de onderbouw, klas 9 t/m 12 de bovenbouw.
De oudste scholen in Nederland, bijv. Den Haag, konden dit nog realiseren. De klassenleerkracht was dat gedurende 8 jaar.
Toen in kleinere plaatsen ook vrijescholen werden opgericht, waren er voor een bovenbouw te weinig leerlingen en deze waren dan aangewezen op grotere plaatsen ‘in de buurt’. Zo gingen begin jaren 1990 bijv. de kinderen uit Tiel naar de bovenbouw in Nijmegen.
De wetgever stond toen nog toe dat de onderbouwen t/m klas 7 mochten doorgaan.
Toen ook dat werd afgeschaft, ging de 7e klas bij de bovenbouw horen.
Tegelijkertijd eiste de wetgever d.m.v. toetsen een bepaald niveau -l ees: intellectuele kennis – en dat heeft ertoe geleid dat wat Steiner hier voor die leeftijd aan fantasiekracht vraagt, onder druk is komen te staan.
Dat geldt in nog hogere mate voor de 7e (en 8e klas) die – nu bij de middelbare school horend – ‘in de verte’ het examen al zien aankomen.
Voeg daarbij dat veel nieuwe bovenbouwleerkrachten uit de traditie stammen van ‘doceren’ en je kan ook in die context opmerken dat ‘het appelleren aan de fantasiekrachten’ in deze belangrijke levensfase onder grote druk staat.

Die Phantasie des Kindes anregend, so müssen wir an das Kind heranbringen alles dasjenige, was es in diesen Jahren lernen muß; so müssen wir an das Kind alles heranbringen, was zum geschichtlichen, zum geographischen Unterricht gehört.

Alles wat het kind in die jaren moet leren, bijvoorbeeld van geschiedenis of van aardrijkskunde, moeten we zo vorm geven dat het de fantasie aanspreekt.

In de Algemene menskunde heeft Steiner eigenlijk geen concrete lesvoorbeelden gegeven. Wél in de aansluitende cursussen op die dagen.
Hier vindt hij het kennelijk zo belangrijk dat hij twee voorbeelden geeft:

Und auch dann appellieren wir ja eigentlich an die Phantasie, wenn
wir zum Beispiel dem Kinde beibringen: Sieh, du hast gesehen die
Linse, die Sammellinse, welche das Licht ansammelt; solch eine Linse
hast du in deinem Auge. Du kennst die Dunkelkammer, in der äußere
Gegenstände abgebildet werden; solch eine Dunkelkammer ist dein
Auge. 

Het volgende voorbeeld moge het appelleren aan de fantasie verduidelijken. We kunnen tegen een kind zeggen: kijk, je hebt die lens gezien, een bolle lens die het licht bundelt. Zo’n lens heb je ook in je oog. Je kent de donkere kamer waarin voorwerpen worden afgebeeld. Zo’n donkere kamer is je oog ook.

Auch da, wenn wir zeigen, wie hineingebaut ist die äußere Welt durch die Sinnesorgane in den menschlichen Organismus, auch da appellieren wir eigentlich an die Phantasie des Kindes. Denn dasjenige, was da hineingebaut ist, es wird ja nur in seiner äußeren Totheit gesehen, wenn wir es aus dem Körper herausnehmen; das können wir ja am lebenden Körper nicht sehen.

 Ook wanneer we laten zien hoe de buitenwereld ingebouwd is in het menselijk organisme door de zintuigen, appelleren we eigenlijk aan de fantasie van het kind. Want wat in het lichaam ingebouwd is, dat zien we immers alleen in fysieke, dode vorm, wanneer we het uit het lichaam halen. Dat kunnen we aan het levende lichaam niet zien.

Ebenso muß der ganze Unterricht, der dann erteilt wird in bezug auf Geometrie, sogar in bezug auf Arithmetik, nicht unterlassen, an die Phantasie zu appellieren. Wir appellieren an die Phantasie, wenn wir uns immer bemühen, so wie wir es versucht haben im praktischdidaktischen Teil, dem Kinde Flächen nicht nur für den Verstand begreiflich zu machen, sondern die Flächennatur wirklich so begreiflich zu machen, daß das Kind seine Phantasie anwenden muß selbst in der Geometrie und Arithmetik.

Het hele onderwijs in de meetkunde, ja zelfs in het rekenen, moet appelleren aan de fantasie. We appelleren aan de fantasie wanneer we altijd proberen om een kind niet alleen via zijn verstand bij te brengen wat vlakken zijn, maar ook zo, dat het zijn fantasie moet gebruiken — zelfs bij meetkunde en rekenen; we hebben hierover in de praktisch-didactische besprekingen gesproken. 

Steiner had al over de stelling van Pythagoras gesproken en voorbeelden gegeven van een fantasievolle aanpak.
Als tweede voorbeeld voegt hij er nog manier aan toe. Zie Rudolf Steiner over meetkunde [nog niet oproepbaar]

Na dit voorbeeld merkt hij op:

Blz. 201/202  vert. 203

So muß man fortwährend darauf Rücksicht nehmen, daß insbesondere in diesen Jahren noch anregend ausgebildet werden muß, was, die Phantasie gebärend, von dem Lehrer auf den Schüler übergeht.

Zo moet men er steeds rekening mee houden dat de leraar vooral in deze jaren de lesstof bezield vormgeeft en overdraagt op de leerlingen, zodat de fantasie gewekt wordt.

Der Lehrer muß in sich selber lebendig erhalten den Unterrichtsstoff, muß
ihn mit Phantasie durchdringen. Das kann man nicht anders, als
indem man ihn durchdringt mit gefühlsmäßigem Willen. 

De leraar moet de lesstof in zichzelf levend houden en met fantasie doordringen. Dat gaat alleen wanneer men de lesstof met een gevoelsmatig willen doordringt.

Dat laatste zou je, gezien bijv. voordracht 2, wanneer het om de fantasie gaat, gerust, ‘warm lopen voor de stof’ kunnen noemen. Er enthousiast voor zijn, ook over de manier waarop je het gaat brengen. Je een tijdje van te voren, wanneer je je op de les voorbereidt, of de avond ervoor, verheugen over hoe het – hopelijk – toegaat, ook een eventuele spanning of het wel gaat lukken, hoort bij die warme betrokkenheid. 

Das wirkt manchmal noch in späteren Jahren ganz merkwürdig.

Dat werkt soms tot in latere jaren nog heel opmerkelijk door.
De vertaling heeft: Dat werkt soms in latere jaren nog heel merkwaardig.

Ik weet niet wat Steiner hier precies bedoelt. Bij mij kwamen herinneringen boven aan leerkrachten – al van de basisschool, maar vooral ook uit het middelbaar en hogere onderwijs – die het enthousiasme voor hun vak uitstraalden.
Hoe de 5e-klasleerkracht in de geschiedenisles over Grote Pier vertelde – en in zijn vertellen Grote Pier even wás – de natuurkundeleraar die met verve en humor zijn proeven aan ons toonde – de lerares Nederlands die ons in haar enthousiasme voor gedichten aan het declameren kreeg; ieder jaar, als de prunus weer in bloei staat, zie en hoor ik haar (en mezelf) het gedicht van Garmt Stuiveling aanheffen: ‘Onverwacht en plotseling stond de prunus deze morgen’…..
Dat ik dat nog na meer dan 50, 60 jaar weet als de dag van gisteren, mag toch opmerkelijk worden genoemd.

En dan vraagt Steiner nog iets van ons ter wille van de leerling:

Was gesteigert werden muß in den letzten Volksschulzeiten, was ganz besonders wichtig ist, das ist das Zusammenleben, das ganz zusammenstimmende Leben zwischen dem Lehrer und den Schülern.

Wat in de laatste jaren van de lagere school geïntensiveerd moet worden, wat heel belangrijk is, dat is het samenleven, het op elkaar afgestemd zijn van leraar en leerlingen.

En zijn conclusie liegt er niet om:

Daher wird keiner ein guter Volksschullehrer werden, der nicht sich immer wiederum bemüht, phantasievoll seinen ganzen Lehrstoff zu gestalten, immer neu und neu seinen Lehrstoff zu gestalten.

Iemand die niet probeert steeds weer zijn lesstof fantasierijk vorm te geven, de vorm steeds weer te vernieuwen, zal geen goede onderwijzer worden.

Als je in je ‘eerste rondje’ dingen hebt gedaan die de kinderen en jij! fijn vonden, die succes hadden enz. ben je geneigd om die in je volgende rondjes ook te doen. Bovendien heb je allerlei aantekeningen gemaakt waardoor je lang niet meer zoveel tijd en energie nodig hebt om je lessen te maken. Dus ligt er een gevaar op de loer, waar Steiner hier al op duidt:

Denn in der Tat, es ist so: wenn man dasjenige, was man einmal phantasievoll gestaltet hat, nach Jahren genau so wiedergibt, dann ist es verstandesmäßig eingefroren. Die Phantasie muß notwendig fortwährend lebendig erhalten werden, sonst frieren ihre Produkte verstandesmäßig ein.

Want het is echt zo: als men dat wat men ooit fantasierijk vorm heeft gegeven jarenlang precies zo vasthoudt, dan is het vastgeroest. De fantasie moet steeds beweeglijk blijven, anders roesten haar producten vast in het verstand, vriezen verstandelijk in.

Dat brengt Steiner op nog andere eisen die hij aan de leerkrachten stelt.
Zie daarvoor [14-5] nog niet oproepbaar.

.
Voorbeelden van fantasievolle meetkunde 

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde voordracht 14alle artikelen  

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2883-2704

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 14 (14-3-1)

.

RUDOLF STEINER
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald**

Enkele gedachten bij blz. 200/201 van de vertaling**

De voortplantingsorganen als de ledematen van de romp

Zoals de romp naar boven toe de neiging heeft om hoofd te worden, waaruit het strottenhoofd zich ontwikkelt, zo heeft de romp naar beneden toe de neiging om ledematen te worden. Boven ontstaat van binnenuit “een verfijnd hoofd” (blz. 200) en dat is de taal. Het onderste deel van de romp is daarvan de tegenpool: “Wat de buitenwereld als het ware invoegt in de mens is in wezen een verdichte, grovere vorm van de ledematen.” (blz. 200) Dat zijn de voortplantingsorganen.

Heel wat fenomenen tonen de verwantschap van de voortplantingsorganen met het ledematenstelsel aan.
Ten eerste valt op te merken dat in de vierde tot zesde week van de embryonale fase de genitaliën zich beginnen te vormen op de plaats tussen de zich vormende benen. Op dat moment is er nog geen onderscheid in geslacht.
Ten tweede valt op dat ledematen en voortplantingsorganen zich parallel in de tijd ontwikkelen. In de puberteit komen de voortplantingsorganen en de secundaire geslachtskenmerken tot rijpheid en tevens versnelt de groei van de ledematen, eveneens van buiten naar binnen. Eerst groeien de voeten, dan de onderbenen en ten slotte de dijbenen. Zowel bij de geslachtsorganen als bij de geslachtscellen bestaat een duidelijk gearticuleerd bewegingsaspect, ook in het vrouwelijke organisme.

Bij de eisprong verlaat de eicel de eierstok en komt zij in de buikholte. Opdat ze niet verloren zou gaan, wordt ze onmiddellijk bij het openbarsten van de follikel van De Graaf opgevangen. Maar dit gebeurt telkens op een andere plaats op de eierstok. Het trechtervormige uiteinde van de eileider tast de eierstok af om exact te kunnen vaststellen waar zich een verdikking voordoet. Op die plaats groeit immers de follikel van binnen aan tot deze door de eierstokwand breekt en de eicel loskomt. Dit gebeurt elke maand, afwisselend aan de linker- en rechtereierstok.

Aan de hand van een voorbeeld kun je je de bewegingsmogelijkheden van de eileider beter voorstellen. Een vrouw kreeg de diagnose dat haar rechtereierstok onproductief was en haar linkereileider niet functioneerde. In weerwil van deze sombere prognose werd ze zwanger. De rechtereileider had namelijk bij de linkereierstok de losgekomen eicel opgevangen.

Nog een opmerkelijk detail: de binnenkant van de eileider is dicht bedekt met trilhaartjes. Ze kunnen synchroon bewegen, zoals halmen in de wind. Zo dragen ze de eicel als ‘een koningin in de koets’ naar de baarmoeder. De bevruchting gebeurt onderweg.

Deze biologische aspecten van verwantschap tussen ledematen en voortplantingsorganen kun je aanvullen met zielen- en geestelijke aspecten. Typisch voor de ledematen is de betrokkenheid bij de wereld. De wereld nodigt uit tot handelen en de intelligentie van de ledematen bestaat erin zo efficiënt mogelijk op de uitdagingen in te gaan. Bijvoorbeeld: van een tandtechnicus verwacht je dat hij met uiterst fijne vingerbewegingen een implantaat heel precies modelleert. Het gevoelig samenspel van botten, spieren en zintuigen maakt dit mogelijk. En dit alles zonder dat er eigen wensen of voorkeuren binnensluipen, maar volledig objectief aan de eisen van de buitenwereld beantwoordend. Als je tegen deze achtergrond de voortplantingsorganen als delen van het ledematenstelsel bekijkt, zie je hun karakter. Het zijn organen die gericht zijn op de ontmoeting met de partner. De vrouwelijke en de mannelijke organen zijn complementair: de vrouwelijke zijn meer met de inwendige stofwisseling verbonden, en het mannelijke lid – alleen al de benaming verwijst naar de samenhang met de ledematen – is sterker naar buiten gericht. Ze zijn betrokken bij de wereld, want de mogelijkheid bestaat dat door hen kinderen op de wereld komen.

Er zijn evenwel significante verschillen tussen de geslachtsorganen en de ledematen. In tegenstelling tot de armen en handen, benen en voeten is er bijna geen bot maar veel meer bloed, wat samenhangt met een hoge gevoeligheid. Dat betekent dat hun werking met een lustvolle zelfbeleving gepaard gaat. Dat is wellicht de reden waarom Rudolf Steiner de geslachtsorganen karakteriseert als “een verdichte, grovere vorm van de ledematen” (blz. 200), wat als gevaar verbonden is met seksualiteit, namelijk het loskoppelen uit de inbedding in een integraal menselijk ontmoetingsgebeuren en de reductie tot zelfgenot. In waldorfscholen is een centraal element in de seksuele opvoeding dat het beleven van seksualiteit onderdeel is van een omvattend gebeuren van liefde tussen mensen.

Het vermogen lief te hebben is nauw verwant met de kracht van de fantasie. Het gaat er immers om steeds opnieuw vaste beelden van de partner los te laten en de partner te zien tegen de horizon van nog niet gerealiseerde mogelijkheden. Daarom heeft het een diepe betekenis dat bij het intreden van de geslachtsrijpheid ook het vermogen van de fantasie zich op een nieuwe manier ontwikkelt. In de veertiende voordracht staat: “Zoals het vermogen om schrijven en lezen te leren in de eerste schooljaren aangeeft dat de ziel als het ware tanden krijgt, zo wordt in het geheel van fantasiekrachten dat van innerlijke warmte vervuld is, al aangekondigd wat de ziel aan het eind van de lagere school vanaf twaalf, dertien, veertien, vijftien jaar ontwikkelt. Dan manifesteren zich vooral die zielenvermogens die vervuld moeten worden van een innerlijke liefde, dat wil zeggen, dat wat zich als fantasiekracht manifesteert.” (blz. 201) De fantasie is een zielenactiviteit van de ledematen en die wordt gekenmerkt door beweging, goede doorbloeding die warmte vormt, en aanzet tot handelen. Deze drie eigenschappen tekenen zich in de ziel af als innerlijke beweeglijkheid bij het voorstellen, enthousiasme en vermogen lief te hebben. En die zijn er duidelijk, want op die leeftijd willen jongeren alles persoonlijk ervaren en uitproberen.

Uit: Antroposofische menskunde begrijpen
Schmelzer, Deschepper  Via Libra 2011

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde voordracht 14alle artikelen  

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2882-2703

.

.

.

VRIJESCHOOL – (Kring)spelen (5)

.

Kringspelletjes worden voornamelijk in de kleuterklas gespeeld. Ook in de 1e klas vinden veel kinderen het nog erg fijn, vooral als het ‘nieuwe’ zijn, d.w.z. die ze in de kleuterklas nooit hebben gedaan.

(Dus als 1e-klasleerkracht even verifiëren bij de kleuterjuf/meester.)

SCHIPPER, MAG IK OVERVAREN?

Trek over de hele lengte van de speelruimte twee evenwijdige lijnen met ongeveer 5m tussenruimte.
1 kind staat in de grote ruimte – het water – in het midden met zijn gezicht naar de andere kinderen die achter de streep staan. Zij zingen:

Schipper, mag ik overvaren?
Ja of nee?
Moet ik dan ook geld* betalen,
ja of nee?

*sommige versies hebben hier ‘tol’, of ‘een cent’
De melodie

De schipper kan ‘ja’ of ‘nee’ zeggen. Bij het laatste mogen alle kinderen naar de overkant. Bij ‘ja’ roepen de kinderen:

‘Hoe?’

De schipper antwoordt – hier kan van alles worden bedacht – bijv. handen hoog, achter de rug, achteruit lopen, hinken, huppen; maar ook bijv.: ‘alleen die iets geels aan hebben. Die laatsten zijn vrij om over te steken, de anderen kunnen worden getikt. Er kunnen ook kinderen zijn die niet betalen: zij doen niet wat de schipper zegt en deze probeert ze dan  te tikken. Wie getikt is, is  verdronken en doet niet meer mee, moet aan de kant staan bij het verdere verloop van het spel. In sommige varianten helpen deze de schipper mee bij het vangen.
Zo gaat het steeds maar over het water heen en weer, wel of niet betalend. Als de laatste getikt is, is het spel uit en als je het nog een keer speelt (wat de kinderen altijd graag willen) wordt er een andere schipper gekozen. Dat kan bijv. het kind zijn dat als laatste is gevangen.

Verklaring

Met name Mellie Uyldert heeft verklaringen en achtergronden van de oude kinderspelen gegeven. 
Het water is bij haar de rivier de Styx, de rivier van de vergetelheid, waar de gestorven zielen overheen moeten. De Styx scheidt de aarde van de hemel. Bij de oude Egyptenaren en Grieken gaf men de dode een munt mee voor de veerman.

Wie niet betaalt, loopt de kans niet aan de overkant te komen.
Een muntje bij je hebben is slechts een symbool. Verlaat je de aarde weer, dan moet je je morele schuld die je op aarde hebt opgebouwd, hebben afbetaald.

Degenen die de veerman niet betalen, worden niet overgezet, of wel halverwege in het water geworpen. Zij bereiken de overkant dus niet. En nu hangt dit in werkelijkheid niet af van het wel of niet bij zich hebben van de symbolische munt, maar van het morele afbetalen van de schuld, die men uit het aardse leven meebrengt.
Verschillende godsdiensten hebben rituelen om de stervende te begeleiden ‘naar de overkant’ en deze wordt geholpen bij het aflossen van de schuld – het Laatste Oliesel, andere gewijde handelingen, door de biecht, om ‘rein’ het andere rijk te betreden. ‘Door wezenlijk berouw en de vergeving door God, die daarop volgt, is de schuld dan zoveel mogelijk afbetaald. Gaat iemand over, zónder deze voorafgaande reiniging, dan moet hij alsnog elke meegebrachte schuld uitboeten of afbetalen, door ervoor te lijden. Want al wat men anderen tijdens het leven op aarde heeft aangedaan, kaatst nu terug naar de bedrijver en laat hem dat zelf lijden, in een of andere symbolische of analoge vorm. Wie te kort schiet in berouw, of daar te lang mee wacht, berokkent dus zichzelf de martelingen die hem dan louteren moeten. Die moet lang een ‘dolende ziel’ blijven, alvorens de hemeltoestand bereikt wordt. Niet aan genade of ongenade van een rechter is men overgeleverd, uitsluitend aan zichzelf, al objectiveert het eigen geweten zich in het beeld van de rechter of de veerman. De ziel is onderhevig aan de wetten van haar ontwikkeling, zowel hier als hierna. Het is goed om van te voren met deze wetten vertrouwd te zijn, en, door deze kennis geleid, wijs te leven en te sterven.'(Uyldert)

Heeft dit spel nog van doen met wat ooit een heilig ritueel was? Beeldt het kind onbewust die wetten uit? Dan is het op dit niveau voor het kind iets vertrouwds en dus een steun voor de ziel. (Evenals de sprookjesbeelden).

Een soort gelijk spel is ‘Overlopertje‘. Hier is geen tekst en zijn er geen speciale manieren van overlopen.
De veerman fluit of klapt in de handen als een teken dat er overgelopen mag worden. Wie getikt is, is af. 

.

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

2881-2702

.

.

.

 

 

 

 

.

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 14 (14-3)

.

RUDOLF STEINER
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald*

Enkele gedachten bij blz. 200/201 van de vertaling*

Blz. 197  vert. 199

Nun, wie der menschliche Brustteil nach oben die Tendenz hat, Haupt zu werden, so hat er nach unten die Tendenz, Gliedmaßen zu werden. So wie dasjenige, was als Sprache aus dem Kehlkopf hervorgeht, ein verfeinerter Kopf ist, ein noch luftig gebliebener Kopf, so ist alles dasjenige, was nach unten von dem Brustwesen des Menschen ausgeht und sich nach den Gliedmaßen hin organisiert, vergröberte Gliedmaßennatur. Verdichtete, vergröberte Gliedmaßennatur ist dasjenige, was die Außenwelt gewissermaßen in den Menschen schiebt. Hände und Füβe, Arme und Beine sind vergröbert und mehr nach innen in den Menschen geschoben, als sie nach auβen hervortreten.

Welnu, zoals de borst naar boven toe de neiging heeft om hoofd te worden, zo heeft hij naar onderen toe de neiging om ledematen te worden. Wat als taal uit het strottenhoofd opwelt, is een verfijnd hoofd, een nog luchtig gebleven hoofd; alles wat naar beneden toe uitgaat van de borst van de mens en in zijn organisatie de ledematen benadert, is een soort vergroving van de ledematen. Wat de buitenwereld daar als het ware in de mens schuift, is in wezen een verdichte, grovere vorm van de ledematen, handen, voeten, armen en benen in een grovere vorm en meer naar binnen in de mens zijn ingevoegd dan ze naar buiten uitsteken.

Hier kijkt Steiner a.h.w. nog een keer ‘vanuit de borst’ naar boven, naar het hoofd [14-2] en nu naar beneden, naar de ledematen. 
Gaat het naar boven toe iets dat steeds subtieler wordt – spraak, bijv. – naar beneden gaat het om wat grover wordt, dichter en vaster: de ledematen. 

Wanneer Steiner in GA 294 over dierkunde spreekt, zegt hij:

Für die Gliedmaβen rufen Sie die Vorstellung hervor, daβ sie eben an dem Rumpf dranhängen und eingesetzt sind.
Eingesetzt in den menschlichen Organismus – weiter kann man mit den Kindern nicht gehen – denn die Gliedmaβen setzen sich nach innen fort in den morphologischen Anlagen des Menschen und hängen da mit den Verdauungs-und Geschlechtsorganen zusammen, die nur eine Fortsetzung der Gliedmaβen nach innen sind.

En de ledematen beschrijft u dan zo dat ze aan de romp hangen en daar ingeplant zijn. Het kind zal veel niet kunnen begrijpen, maar u roept toch sterk de voorstelling op dat de ledematen ingeplant zijn in het menselijk organisme. Verder kunt u hier niet gaan, want in de morfologische structuur van de mens zetten de ledematen zich naar binnen toe voort en hangen daar samen met de spijsverterings- en geslachtsorganen, die enkel een voortzetting van de ledematen naar binnen toe zijn. Maar dat de ledematen ingeplant zijn in het organisme, van buitenaf, deze voorstelling moet u krachtig oproepen.
GA 294/98        vertaald/95

In [14-2] gaat het over de borst en ik gaf daarbij een passage uit GA 296. Aansluitend neemt Steiner ook daar de ledematen:

Und wiederum der Gliedmaßen- und Stoffwechselmensch, ja er ist schon in der Hauptsache dieses (siehe Zeichnung, dunkle Schraf­fur); aber diese Gliedmaßen setzen sich wiederum so fort, daß sie weniger sind in der Brust, und am wenigsten im Kopfe.

En ook voor de ledematen-stofwisselingsmens geldt dat hij hoofdzakelijk hier huist (zie tekening, blauwe arcering); maar de ledematen zetten zich zó voort dat ze minder aanwezig zijn in de borst en nog minder in het hoofd. 

GA 296/72
Vertaald/83

Op blz. 200: zegt Steiner dan iets wat je eigenlijk niet verwacht:

Und wenn einmal die Naturwissenschaft dazu kommen wird, das Geheimnis zu ergründen, wie Hände und Füße, Arme und Beine vergröbert und mehr nach innen geschoben sind in den Menschen, als sie nach außen hervortreten, dann wird diese Naturwissenschaft das Rätsel der Sexualität erkundet haben.

En als de natuurwetenschap ooit het geheim zal doorgronden van hoe handen, voeten, armen en benen in een grovere vorm en meer naar binnen in de mens zijn ingevoegd dan ze naar buiten uitsteken, dan zal die natuurwetenschap het raadsel van de seksualiteit hebben opgelost.

Ik beschik niet over gegevens waaruit zou blijken dat de wetenschap ‘het geheim heeft doorgrond’.

Dat zou betekenen dat we nog steeds geen ‘juiste toon’ hebben om erover te spreken:

Und dann wird der Mensch erst den richtigen Ton finden, über so etwas zu sprechen. Es ist daher gar nicht zu verwundern, daß all das Gerede, das heute getrieben wird über die Art, wie sexuelle Aufklärung gepflogen werden soll, ziemlich wesenlos ist.

En dan pas zal de mens de juiste toon vinden om daarover te spreken. Het is geen wonder dat al het gepraat over seksuele voorlichting van tegenwoordig tamelijk inhoudsloos is. Want je kunt niet goed iets uitleggen wat je zelf niet begrijpt.

‘Al dat gepraat van tegenwoordig’ is niet ‘tegenwoordig in 2022’, maar rond 1919. Ik weet niet hoe er toen over werd gesproken.
Heerste er een taboesfeer, zoals bij ons tot in de jaren 1970 en voor velen nog ver daarna?
En wat moeten we anno nu aan de kinderen vertellen om ze bijv. te behoeden voor de nadelige gevolgen van – laten we iets nemen – de gevaren waarmee ze te maken kunnen krijgen via de moderne media.

Met die gevaren werden de kinderen van toen in ieder geval niet geconfronteerd en ook hun ouders hoefden zich daarover geen zorgen te maken.
Dat is nu wel anders!

Het is wél duidelijk dat Steiner alles rond de seksuele voorlichting menskundig blijft bekijken.

De wetenschap begrijpt dus iets niet: 

Blz. 199  vert. 200

Was die Wissenschaft der Gegenwart ganz und gar nicht versteht, das ist dasjenige, was nur angedeutet wird, wenn man so den Gliedmaßenmenschen im Zusammenhang mit dem Rumpfmenschen charakterisiert, wie ich es eben getan habe.

Wat de wetenschap van nu totaal niet begrijpt, dat is de samenhang tussen de ledematenmens en de rompmens – zoals die hier alleen nog maar aangestipt is.

Dan zegt hij het volgende, wat we bijv. in GA 34, in het essay ‘De opvoeding van het kind’ uitgebreider vinden: de ‘vier geboorten’ die de mens doormaakt: als fysiek wezen, de geboorte van zijn (vrijkomende) ether- astraal- en Ik-lijf.

(…) dann bleibt noch eine Astralhülle bis zum Eintritt der Geschlechtsreife. In diesem Zeitpunkt wird auch der Astral- oder Empfindungsleib nach allen Seiten frei, wie es der physische Leib bei der physischen Geburt, der Ätherleib beim Zahnwechsel geworden sind­.

(…) dan blijft er nog een astraal omhulsel tot aan het begin van de geslachtelijke rijping. In deze periode wordt het astrale of gewaarwordingslichaam eveneens naar alle zijden vrij, zoals het stoffelijk lichaam bij de fysieke geboorte en het etherlichaam bij de tandenwisseling vrij zijn geworden.
GA 34/321
Vertaald/28    (vert. 1980)  

GA 293 blz. 200   vert. 200

Aber man muß dann wissen, daß eben so, wie man gewissermaßen in den ersten Volksschuljahren dasjenige in das Seelische hineingeschoben hat, was sich in die Zahnnatur hineindrängt vor dem siebenten Lebensjahre, so hat man in den letzten Jahren der Volksschule alles dasjenige, was aus der Gliedmaßennatur stammt und was erst nach der Geschlechtsreife voll zum Ausdruck kommt, hineingeschoben in das kindliche Seelenleben.

We weten dat de krachten die voor het zevende jaar aan de tanden werken, gedurende de eerstvolgende jaren in de ziel opduiken; maar op dezelfde wijze werkt alles wat tot het ledematenstelsel behoort, en wat pas na de geslachtsrijpheid tot volle ontwikkeling komt, in de ziel van het kind in de laatste jaren van de basisschool.

Wanneer je de uitspraken van Steiner leest die over de tandenwisseling gaan, zal je steeds vinden dat op dat tijdstip het etherlijf vrij wordt van zijn lichamelijke functie, o.a. groei- en vormkrachten kunnen zijn – zo wordt rond het 14e jaar het astraallijf geboren. 

In GA 296 zegt hij:

Blz. 78  vert. 89

(…) in bezug auf die Stoffwechselorgane ist der Mensch am meisten astra­lischer Leib.

(…) met betrekking tot de stofwisselingsorganen is de mens het sterkst astraallichaam.

Der Mensch besteht aus astralischem Leib. Was ist am ähnlichsten dem astralischen Leib? Der Stoffwechselmensch.

Der Mensch besteht aus astralischem Leib. Was ist am ähnlichsten dem astralischen Leib? Der Stoffwechselmensch.

Neem je dan de samenhang stofwisselingsmens-ledematenmens: 

denn die Gliedmaβen setzen sich nach innen fort in den morphologischen Anlagen des Menschen und hängen da mit den Verdauungs-und Geschlechtsorganen zusammen, die nur eine Fortsetzung der Gliedmaβen nach innen sind.

want de ledematen zetten zich naar binnen toe voort in de morfologische structuur van de mens  hangen daar samen met de spijsverterings- en geslachtsorganen, die enkel een voortzetting van de ledematen naar binnen toe zijn.

En bij ‘dat we dat bij bijv. dierkunde ‘krachtig moeten oproepen’, lopen we ook tegen een grens aan:

Dat de ledematen ingeplant zijn in het organisme, van buitenaf, deze voorstelling moet u krachtig oproepen, maar verder kunt u niet gaan.

Om verder te kunnen gaan, moet eerst het astraallijf zijn geboren en dat is op die leeftijd nog niet gebeurd.
Wat wij als volwassenen als begeerte,(wel)lust, drift, drang kunnen ervaren, komt omdat onze ziel zover is ontwikkeld dat het deze gevoelens kan ervaren – het gebied van de gewaarwordingsziel, of zoals Steiner dat ook wel het lagere deel of onderste deel van het astraallijf noemt.

Is er dan ook een ‘hoger’ deel?
Zeker! En daarmee wordt ervaren, gevoeld, wat liefde is die de meesten van ons beleven als uitgaand boven begeerte,(wel)lust, drift, drang.
Zie bijv. Rudolf Steiner ‘Liefde en erotiek‘  (Uit GA 143)
Inhoudsopgave

SEKSUELE OPVOEDING EN SEKSUELE VOORLICHTING

Als we de rode draad volgen, kunnen we zien dat ‘voorlichting’ op elke leeftijd zou kunnen, immers het gaat om kennisoverdracht, over ‘hoe het zit’.
Maar dat is nog geen opvoeding. Want wat je zou willen opvoeden, moet eerst aanwezig zijn om opgevoed te kunnen worden en het ‘overkoepelende gevoel’ waar de erotiek deel van zou moeten uitmaken, is er nog niet.
Dat begint aan het eind van de basisschool te ontstaan. 

Wenn der Mensch geschlechtsreif wird, da entwickelt sich als eine Selbstverständlichkeit die Liebe zum anderen Geschlecht. Gewiß, sie individualisiert sich dann in der Liebe des einen Mannes zu einer Frau; aber dasjenige, was sich da individualisiert, was da als besonderes Faktum auftritt in seiner vollen Berechtigung, das ist zu gleicher Zeit der individuelle Ausdruck für eine allgemeine Menschheitsliebe, für die allgemeine Menschenliebe. Diese allgemeine Menschenliebe als beson­dere, sie entwickelt sich auch ebenso wie die Liebe zum anderen Ge­schlechte mit der Geschlechtsreife. Diejenige Liebe, die der Mensch zum Menschen hat, sie entwickelt sich in ihrer Selbständigkeit erst mit der Geschlechtsreife, denn diese Liebe, die muß ja frei von Autorität sein. Diese Liebe ist eine wirkliche Hingabe.

Wanneer de mens geslachtsrijp wordt, ontwikkelt zich als een vanzelfsprekendheid de liefde tot het andere geslacht. Zeker, die individualiseert zich dan in de liefde van een man voor een vrouw; maar wat daar individueel wordt, wat daar als bijzonderheid plaatsvindt, is volledig gerechtvaardigd, is tegelijkertijd de individuele uitdrukking voor een algemene mensenliefde, voor de algemene mensenliefde. Deze algemene mensenliefde als een bijzondere, ontwikkelt zich net zo als de liefde voor het andere geslacht met de geslachtsrijpheid. Die liefde die de mens voor een mens heeft, ontwikkelt zich in haar zelfstandigheid pas met de geslachtsrijpheid, want deze liefde moet vrij zijn van autoriteit. Deze liefde is een echte toewijding.
GA 301/149   op deze blog vertaald/149

Wanneer Steiner op blz. 201 van de vertaling ‘plotseling’ over fantasiekrachten begint, zegt hij – je zou er zo aan voorbij lezen’: (in iets andere woordvolgorde:)

so kündigt sich was die Seele entwickelt am Ende der Volksschuljahre vom zwölften, dreizehnten, vierzehnten und fünfzehnten Lebensjahre an
an in alledem, was Phantasietätigkeit ist und was von innerer Wärme
durchzogen ist.

zo wordt in het geheel van fantasiekrachten dat van innerlijke warmte vervuld is, al aangekondigd wat de ziel aan het eind van de lagere school vanaf twaalf, dertien, veertien, vijftien jaar ontwikkelt.

Da tritt ganz besonders hervor alles dasjenige, was an seelischen Fähigkeiten darauf angewiesen ist, von innerer seelischer Liebe durchströmt zu werden, das heißt also dasjenige, was als Phantasiekraft sich zum Ausdruck bringt

Dan manifesteren zich vooral die zielenvermogens die vervuld moeten worden van een innerlijke liefde, dat wil zeggen, dat wat zich als fantasiekracht manifesteert.

De ontluikende ziel – de innerlijke liefde – wacht a.h.w. op de ‘voeding’ door de fantasie.
En dan somt Steiner een aantal vakken op waarin de fantasie niet mag ontbreken. Zie 14-3-2] nog niet oproepbaar.

In verschillende pedagogische voordrachten noemt Steiner weer andere aspecten van ‘liefde’.

 Bis zu der Geschlechtsreife muß die Liebe ein Bedürfnis sein, muß die Liebe etwas sein, was das eigene Wesen egoistisch verlangt. Darauf müssen wir rechnen, daß das Kind in der Volksschule egoistisch verlangt, lieben zu können, das heißt, die Autorität neben sich zu haben, der es anhängt, der es sich hingibt, weil es Wohlgefallen in dieser Hingabe hat, denn die Natur selbst drängt dazu. Da ist dasjenige, was vorzugsweise in der Liebe lebt – sei es in der Liebe zur anderen Menschheit, sei es in der Liebe zur Natur, in der Liebe zu den Sternen, in der Liebe zu den übersinnlichen Wesen und Göttern und dem Gotte -, es ist, was da im Menschen lebt als Liebe, es ist im Grunde genommen der Inhalt des astralischen Leibes beim Menschen. Das wird als selbständiges Wesen geboren mit der Ge­schlechtsreife.

Tot aan de geslachtsrijpheid moet de liefde een behoefte zijn, moet de liefde iets zijn wat het eigen wezen egoïstisch verlangt. We moeten er rekening mee houden dat het kind op de basisschool egoïstisch verlangt te kunnen liefhebben, d.w.z. de autoriteit naast zich te hebben, voor wie het aanhankelijk is, aan wie het toegewijd is, omdat het deze toewijding fijn vindt, want de natuur zelf wil dat graag. Dat leeft vooral in de liefde – of het nu in de liefde voor de andere mensen is, of voor de natuur, of voor de sterren, of voor de bovenzintuiglijke wezens en goden of God -, wat in de mensen als liefde leeft is in de aard der zaak genomen de inhoud van het astrale leven bij de mens. Dat wordt als zelfstandig wezen geboren met de geslachtsrijpheid.
GA 301/150   op deze blog vertaald/150

In GA 296  met als titel ‘Die Erziehungsfrage als soziale Frage’
vertaald als ‘Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave”:

Nach der Geschlechtsreife, vom 14., 15. bis zum 21. Jahr ent­wickelt sich bei dem Menschen ja nicht nur das geschlechtliche Liebes­leben, sondern es entwickelt sich dieses geschlechtliche Liebesleben nur als ein Spezialfall der allgemeinen Menschenliebe überhaupt; es ist nur ein Spezialfall der allgemeinen Menschenliebe.

In de leeftijdsfase na het bereiken van de geslachtsrijpheid, zo van het 14e tot aan het 21e jaar, ontwikkelt zich bij de mens niet alleen het geslachtelijke liefdesleven; het ontwikkelt zich als een bijzondere uiting van mensenliefde in het algemeen. Het geslachtelijke liefdesleven is slechts een bijzondere uiting van een algemene liefde voor de medemens.

Und diese Kraft der allgemeinen Menschenliebe, die sollte in der Zeit, wenn die Kinder die Schule verlassen und dann in die anderen Anstalten kom­men oder in die Lehre kommen oder so etwas, da besonders gepflegt werden. Denn niemals wird diejenige Konfiguration des Wirtschafts­lebens, welche eine historische Forderung ist, durchglüht sein können von dem, von dem sie durchglüht sein soll, von Brüderlichkeit, das heißt von allgemeiner Menschenliebe, wenn nicht in diesen Jahren die allgemeine Menschenliebe entwickelt wird.
Brüderlichkeit im Wirtschaftsleben, wie sie angestrebt werden muß für die Zukunft, sie wird in den Menschenseelen nur sein, wenn die Erziehung nach dem 15. Jahre so eingerichtet wird, daß gerade mit aller Bewußtheit hingearbeitet wird auf die allgemeine Menschen­liebe, wenn Weltanschauungsfragen, wenn die ganze Erziehung, die auf die sogenannte Einheitsschule folgen soll, aufgebaut wird auf Menschenliebe, überhaupt auf Liebe zur äußeren Welt.

Deze kracht van algemene mensenliefde zou in het bijzonder aandacht moeten krijgen in de periode nadat de kinderen de lagere school verlaten en vervolgens andere opleidingen gaan doen of in bedrijven in de leer gaan. Want die vormgeving van het economische leven die een historische noodzaak is, zal nooit doorgloeid kunnen zijn met iets waarmee de economie doorgloeid zou moeten zijn, namelijk met broederlijkheid dat is algemene mensenliefde wanneer in de leeftijdsfase van ongeveer 14 tot 21 jaar de algemene mensenliefde niet wordt ontwikkeld.
Broederlijkheid in het economische leven, die voor de toekomst moet worden nagestreefd, zal alleen dan in het innerlijk van de mensen leven, wanneer de opvoeding na het 1 5e jaar zo is opgezet dat heel bewust wordt gewerkt aan het ontwikkelen van algemene mensenliefde, wanneer wereldbeschouwelijke vraagstukken, het onderwijs dat op het zogenaamde lager onderwijs volgt, worden gebouwd op liefde voor de medemens, liefde voor de wereld in het algemeen.
GA 296/21   vertaald/30-31

Wir müssen es zur künstlerischen Betätigung hinwenden. Und wenn wir uns eine Zeitlang so mit dem Kinde beschäftigt haben, dann macht es den Weg zurück, und es kommt wiederum durch den Punkt im Leben, wo es zu sich «Ich» sagen gelernt hat und dann setzt es die Sache fort und kommt später dadurch, daß es geschlechtsreif geworden ist, noch einmal durch diesen Punkt. Und wir bereiten diesen Moment vor, wenn wir es in einem Zeitpunkt zwischen dem 9. und 10. Jahre zum Erstaunen, Bewundern der Welt bringen. Wenn wir seinen Schönheitssinn bewußter machen, dann bereiten wir es so vor, daß es, wenn die Geschlechtsreife eintritt, die Welt in der richtigen Weise lieben lernt, daß es die Liebe in der richtigen Weise entwickelt.
Es ist ja nicht nur Liebe von einem zum anderen Geschlecht; das ist nur ein Spezialfall. Die Liebe ist dasjenige, was sich über alles erstreckt, die der innerste Antrieb zum Handeln ist: wir sollen das tun,was wir lieben. Es soll die Pflicht zusammenwachsen mit der Liebe; wir sollen das gern haben, was wir tun sollen.

We moeten het kind naar een kunstzinnige activiteit toe leiden. En als we ons een tijdlang zo met hem hebben beziggehouden, dan loopt het de weg terug en gaat weer door het punt in zijn leven waarop het ‘Ik’ heeft leren zeggen; dan gaat het verder en komt nóg eens door dat punt door het feit dat het geslachtsrijp is geworden. Dat moment bereiden we voor als we een kind op een tijdstip tussen zijn 9e en 10e jaar tot een zich-verbazen, een bewonderen van de wereld brengen
Als we zijn gevoel voor schoonheid bewuster maken, dan bereiden we het zó voor dat het, wanneer de puberteit aanbreekt, de wereld op de juiste wijze leert liefhebben, dat het op de juiste wijze liefde ontwikkelt.
Het is immers niet alleen maar liefde van het ene geslacht voor het andere; dat is slechts een speciaal geval. Liefde is iets wat zich over alles uitstrekt, het is de meest innerlijke drijfveer tot handelen: we moeten doen wat we liefhebben. De plicht moet vergroeien met de liefde; we moeten houden van de dingen die we moeten doen.
GA 302/135
Vertaald/133 (eerdere druk)

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde voordracht 14alle artikelen  

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2880-2701

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/3)

.

Russisch sprookje

.

Vorst Roodneus
.

Een vrouw had een stiefdochter en een eigen dochter. De laatste kon doen wat ze wilde, voor alles werd ze over haar hoofd gestreeld en ‘een knappe meid’ genoemd. Maar hoe bereidwillig de stiefdochter ook was, ze kon het haar stiefmoeder met niets naar de zin maken. Nooit was het goed, altijd was het verkeerd wat ze deed. Om de waarheid te zeggen: het was een meisje van goud en in goede handen zou ze als boter zijn geweest. Maar bij haar stiefmoeder was ze iedere dag in tranen.
Wat was daaraan te doen? De wind raast en loeit een poos en gaat dan weer liggen. Maar als een oude vrouw van leer trekt, komt er zo gauw geen rust – iedere keer bedenkt ze wat nieuws om haar tanden te slijpen.

Zo kwam ze op het idee haar stiefdochter het huis uit te jagen. ‘Breng haar weg, breng haar weg, oude man, waarheen je wilt. Dan hoeven mijn ogen haar niet meer te zien en mijn oren haar niet meer te horen. Maar niet naar familie in een warm huis – zet haar op het open veld in de krakende vorst.’
De oude man was bedroefd en huilde, maar toch zette hij zijn dochter op de slee. Eerst wilde hij een paardendeken over haar uitspreiden, maar hij durfde niet. En zo bracht hij het dakloze meisje naar het open veld. Daar zette hij haar neer op een sneeuwhoop, sloeg een kruis over haar en reed zo vlug mogelijk naar huis terug om de dood van zijn dochter niet te zien.

Het arme kind bleef alleen achter, beefde van de kou en bad in stilte.
Toen kwam huppelend en springend de vorst er aan. Hij bekeek het mooie meisje: ‘Meisje, meisje, ik ben vorst Roodneus.’ ‘Wees welkom, vorst. God heeft je zeker gezonden om mijn zondige ziel te halen.’ De vorst had haar willen aanraken en bevriezen, maar haar verstandige woorden bevielen hem en hij had medelijden met haar. Hij wierp haar een pelsmantel toe, zij deed die aan, trok haar benen onder zich en bleef zo zitten.

En weer kwam vorst Roodneus er aanhuppelen. Hij bekeek het mooie meisje en zei: ‘Meisje, meisje, ik ben vorst Roodneus.’ ‘Welkom, vorst. God heeft je zeker gezonden om mijn zondige ziel te halen.’ De vorst kwam echter helemaal niet om haar ziel, maar had voor het meisje een grote en zware kist meegebracht, gevuld met een veelsoortige uitzet. Daar zat ze nu in haar pelsjasje op de kist, zo vrolijk en lief om te zien!

Opnieuw kwam vorst Roodneus er aanhuppelen en springen en bekeek het mooie meisje. Zij begroette hem vriendelijk en deze keer gaf hij haar een met goud en zilver bestikte japon. Ze trok die aan en zag er schitterend in uit. Daar zat ze dan en zong het ene liedje na het andere…

Haar stiefmoeder had echter het maal voor haar begrafenis al gereedgemaakt en pannenkoeken gebakken. ‘Ga er heen, man, en breng je dochter terug om haar te begraven.’ De oude man gehoorzaamde, maar het hondje onder de tafel blafte: ‘Tjaf! Tjaf! De dochter van de oude man draagt goud en zilver, maar die van de oude vrouw willen de vrijers niet.’ ‘Koest, domme hond! Daar heb je een pannenkoek. En zeg: “De dochter van de oude vrouw willen de vrijers graag, maar van die van de oude man komen alleen de botjes thuis”.’ Het hondje at de pannenkoek op, maar blafte weer: ‘Tjaf! Tjaf! De dochter van de oude man draagt goud en zilver, maar die van de oude vrouw willen de vrijers niet.’ En of de oude vrouw het nu pannenkoeken gaf of het sloeg – het hondje bleef steeds blaffen: ‘De dochter van de oude man draagt goud en zilver, die van de oude vrouw willen de vrijers niet.’

Toen knarste de poort, de deur ging open, de grote, zware kist werd binnengebracht, en de stiefdochter verscheen, stralend als een voorname dame. Toen de stiefmoeder haar zag, sloeg ze de handen ineen, en riep: ‘Oude man, oude man, span nieuwe paarden in en breng gauw mijn dochter weg. Zet haar neer op hetzelfde veld en op dezelfde plek.’

De oude man reed naar hetzelfde veld en zette haar neer op dezelfde plek. Ook nu kwam vorst Roodneus er aanhuppelen en springen. Hij bekeek zijn gast, maar vernam geen vriendelijk woord. Toen werd hij boos en vroor haar dood.

‘Oude man, oude man, span flinke paarden in en ga mijn dochter naar huis halen. Maar pas op dat de slee niet omslaat en dat de kist er niet afvalt.’

Maar het hondje onder de tafel blafte: ‘Tjaf! tjaf! De dochter van de oude man willen de vrijers graag, maar van die van de oude vrouw komen alleen de botjes thuis.’ ‘Lieg niet! Hier heb je een pasteitje. En zeg: “de dochter van de oude vrouw komt er aan in het goud en het zilver”.’
De poort ging open, de oude vrouw liep naar buiten om haar dochter te verwelkomen, maar in plaats daarvan kon ze alleen haar koude lichaam omarmen. Ze jammerde en klaagde luid, maar het was te laat…

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2879-2700

.

.

.