Categorie archief: vrijeschool didactiek

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 297 – voordracht 1

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

GA 297: vertaling
inhoudsopgave   voordracht [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]
vragenbeantwoording bij de 5e vdr.; vragenbeantwoording bij de 6e vdr.;
bespreking van pedagogisch-psychologische vragen; vragenbeantwoording bij de 9e vdr.

RUDOLF STEINER  

BASISGEDACHTEN EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL

9 voordrachten, een bespreking en vragenbeantwoording tussen 24 augustus 1919 en 29 december 1920 in verschillende plaatsen [1]

1e voordracht Stuttgart 24 augustus 1919 [2]

Inhoudsopgave 
Welke gezichtspunten vormen de basis voor de vrijeschool
De op handen zijnde stichting van de vrijeschool als een eerste stap op weg naar een vrij geestesleven. (blz. 15)
De afhankelijkheid van de school van de staat tot nog toe. (blz. 17 e.v.)
De macht van de frase en het aan elkaar voorbijpraten; een voorbeeld uit de pedagogie. (blz. 19)
Activiteiten op pedagogisch gebied in de afgelopen decennia (1)*. blz.20)
De experimentele psychologie (2)*  (blz.21)
De pedagogiek van Herbart: de eis van opvoeding van wil en gevoel, echter de herbartse psychologie berust uitsluitend op het voorstellen. (blz.23 e.v.)
De noodzaak van een nieuwe menskunde: waarnemen van de totale mens. (blz. 29)
Voorstellen en wil als een en dezelfde ontwikkeling; de voorstelling: oud geworden wil. (blz.30 e.v.)
Rekening houden met het leven vóór de geboorte en na de dood. (blz. 31 e.v.)
Een voorbeeld van zoeken naar iets nieuws voor het schoolleven en het oude niet kunnen loslaten: citaten uit het boek ‘Ontwikkelingspsychologie en opvoedwetenschap’ van Johann Kretschmar (over de staat en het onderwijs; over lerarenopleiding) (blz. 34 e.v.)
Vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school. (blz. 40 e.v.)
Het streven naar een nieuwe methodiek en onderwijspraktijk op de vrijschool. (blz. 41)
.
*het is mij tot nu toe niet duidelijk waarnaar deze cijfers verwijzen.

Welche Gesichtspunkte liegen der Errichtung der Waldorfschule zugrunde

blz. 15

Heute möchte ich zu Ihnen sprechen in Anknüpfung an die von unserem Freunde, Herrn Molt, begründete Waldorfschule. Wie Sie wohl aus den Ankündigungen wissen, soll mit dieser Schule eine Art erster Schritt auf dem Weg zu einem freien Geistesleben getan werden. Herr Molt hatte sich mit der Begründung dieser Waldorfschule in einem hohe Maße bewogen gefühlt, etwas in der Richtung eines freien Geisteslebens zu tun, die – in bezug auf die sozialen Aufgaben der Gegenwart und Zukunft – vorgezeichnet werden soll durch die Dreigliederung des sozialen Organismus. Diese Waldorfschule kann selbstverständlich nur dann gelingen, wenn sie ganz durchdrungen ist von dem Geiste, aus dem heraus die Dreigliederung des sozialen Organismus erstrebt wird. Es ist nur allzu begreiflich, daß ein sol­cher erster Schritt nicht gleich vollkommen sein kann, und die Ein­sicht, daß ein solcher erster Schritt nicht gleich vollkommen sein kann, wird dazugehören zu dem Verständnis, von dem wir so sehr möchten, daß es wenigstens von einigen Zeitgenossen dieser Schul­gründung entgegengebracht würde.

Welke gezichtspunten liggen er ten grondslag aan de inrichting van de vrijeschool

Vandaag zou ik tot u willen spreken over de door onze vriend, de heer Molt, opgerichte vrijeschool. Zoals u wellicht uit de aankondigingen weet, zal met deze school een eerste stap worden gezet op weg naar een vrij geestesleven. Met de oprichting van de vrijeschool voelde mijnheer Molt* zich in hoge mate geroepen om iets te doen voor een vrij geesteslven, waarvoor – wat de sociale opgaven van de huidige tijd en de toekomst betreft – de weg uitgestippeld moet worden door de sociale driegeleding**. Deze vrijeschool kan vanzelfsprekend alleen dan lukken wanneer ze volledig doordrongen is van de geest van waaruit de sociale driegeleding wordt nagestreefd. Het is maar al te zeer te begrijpen dat deze stap niet meteen volmaakt kan zijn, en het inzicht dat dat niet kan, hoort bij het begrip waarvan wij zo graag willen dat op z’n minst een paar tijdgenoten dat kunnen opbrengen voor de oprichting van deze school.

*Emil Molt, 1876-1936, Direktor der Waldorf-Astoria-Zigarettenfabrik in Stutt­gart, Kommerzienrat. Er richtete für die Angehörigen seines Unternehmens Arbeiterbildungskurse ein. Hieraus entstand schließlich der Gedanke, eine Schu­le für die Kinder der Arbeiter einzurichten. Für den Aufbau und die Leitung dieser Waldorf-Schule berief er Rudolf Steiner. Molt war 1919 einer der en­gagierteiten Vertreter der Dreigliederungsidee Rudolf Steiners. Siehe Emil Molt, «Entwurf einer Lebensbeschreibung», Stuttgart 1972, sowie einige seiner Auf­sätze in der Schriftenreihe «Beiträge zur Rudolf Steiner Gesamtausgabe», Heft 103, Michaeli 1989. – Vgl. auch den Vortrag vom 24.Sept.1919 in diesem Band.
.
Emil Molt, 1876-1936, directeur van de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek in Stuttgart, industrieel. Hij organiseerde voor de medewerkers van zijn onderneming vormingscursussen voor de werknemers. Hieruit ontstond uiteindeijke de gedachte een school voor de kinderen van de werknmers op te richten. Voor de in inrichting en de leiding van deze Waldorfschool vroeg hij Rudolf Steiner. Molt was in 1919 een betrokken vertegenwoordiger van Rudolf Steiners idee van de driegeleding. Zie Emil Molt: Entwurf einer Lebensbeschreibung Stuttgart 1972, alsmede een paar van zijn artikelen in de serie ‘Bijdragen aan de GesamtAusgabe van Rudolf Steiner, band 103, Michael 1989. Zie ook de voordracht van 24 september in deze voordrachtenserie (GA 297)
.
**Dreigliederung des sozialen Organismus: Näheres siehe Rudolf Steiner «Die Kernpunkte der sozialen Frage in den Lebensnotwendigkeiten der Gegenwart und Zukunft« (1919), GA 23, insbesondere auch Rudolf Steiners Vorwort zur 4. Aufl. 1920, ferner «Aufsätze über die Dreigliederung des sozialen Organismus und zur Zeitlage 1915-1921», GA 24, und die Schriftenreihe «Beiträge zur Ru­dolf Steiner Gesamtausgabe», Hefte 24/25, 27/28, 88, 106.
.
Driegeleding van het sociale organisme: zie Steiner: ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk (1919)  GA 23, in het bijzonder het voorwoord bij de 4e druk 1920; verder ‘Opstellen over de driegeleding en de tijd van 1915-1921, GA 24 en de serie: Bijdragen aan de G(esamt) A(usgabe) van Rudolf Steiner, band 24/25; 27/28, 88, 106
.

Die Arbeit hat schon begonnen, und zwar damit, daß jene Per­sönlichkeiten, die sich von sich aus zur Mitarbeit entschlossen ha­ben beziehungsweise die von uns in Aussicht genommen wurden, gegenwärtig an einer Art seminaristischem Kurs* teilnehmen, der vor kurzem begonnen hat und der eine Vorbereitung für das Wir­ken an der Waldorfschule sein soll. Zu diesem Kurs sind nur einige wenige Persönlichkeiten eingeladen worden, und zwar solche, die durch ihre bisherigen Lebensumstände geeignet erscheinen, im Sinne derjenigen Kulturbewegung zu wirken, welcher die Waldorf­schule dienen soll, und die speziell dazu berufen erscheinen, auf dem pädagogischen Gebiet zu wirken. Aber es besteht natürlich in höchstem Grade die Notwendigkeit, daß der Waldorfschule, we­nigstens zunächst in engerem Kreise, Verständnis entgegengebracht

Wij zijn al met het werk begonnen en wel zo, dat de mensen die uit zichzelf het besluit hebben genomen om mee te werken, resp. die wij zelf op het oog hadden, nu deelnemen aan een soort opleidingscursus* die net begonnen is en die als voorbereiding dient om op de vrijeschool te gaan werken. Voor deze cursus zijn maar een paar mensen uitgenodigd: het zijn de mensen die door hun huidige levensomstandigheden geschikt lijken om in de geest van de cultuurbeweging te werken waaraan de vrijeschool dienstbaar wil zijn en die zich in het bijzonder geroepen voelen pedagogisch te werken. Maar natuurlijk is er in hoge mate de noodzaak dat de vrijeschool, op z’n minst in kleinere kring, op begrip kan rekenen.

*an einer Art seminaristischem Kurs: Zur Vorbereitung der künftigen Waldorfleh­rer fand in Stuttgart vom 24. August bis 4. September 1919 ein pädagogischer Kursus statt, der sich in drei Teile gliederte morgens wurde ein Vortrag uber «Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Padagogik» (GA 293) gegeben darauf folgte ein weiterer uber methodisch didaktische Fragen (»Erziehungs kunst. Methodisch-Didaktisches», GA 294) und am Nachmittag wurden in se minaristischer Form padagogische Besprechungen abgehalten ( Erziehungskunst. Seminarbesprechungen und Lehrplanvortrage» GA 295.
.
*een soort opleidingscursus: Als voorbereiding voor de toekomstige vrijeschool vond in Stuttgart van 24 aug. tot 4 sept. 1919 een pedagogische cursus plaats die in drieën was opgedeeld: ’s morgens een voordracht over  algemene menskunde (GA 293), dan volgde een verdere curus over methode en didactiek (GA 294)  en in de namiddag in cursusvorm besprekingen over pedagogie en leerplan (GA 295)

blz. 16

wird. Man wird ja immer mehr und mehr bemerken, je mehr man in das Soziale hineinwächst, daß das gegenseitige Verständnis der Menschen mit Bezug auf ihre Leistungen in erster Linie zu dem zukünftig zu begründenden sozialen Leben gehört. Und so schei­nen mir zunächst diejenigen Persönlichkeiten, die von sich aus ihr Interesse bekunden können, am geeignetsten zu sein, bei den Aus­einandersetzungen* teilzunehmen, die heute und am nächsten Sonn­tag hier in Anknüpfung an die Bestrebungen der Waldorfschule gepflogen werden sollen.
Am liebsten wäre es mir allerdings, wenn auch noch etwas an­deres zur Pflege dieses Verständnisses zustande kommen könnte:
Ein weitgehendes Interesse an demjenigen, was durch die Waldorf­schule geschehen soll, haben ja zweifellos alle Eltern derjenigen Kinder, welche die Waldorfschule besuchen wollen. Und so wäre es mir ein besonderes Bedürfnis, wenn es zustande kommen könn­te, daß vor der Eröffnung dieser Waldorfschule in der ersten Hälfte des September noch einmal irgendwie eine Versammlung** einberu­fen werden könnte, an welcher alle Eltern derjenigen Kinder teil­nehmen würden, welche diese Waldorfschule besuchen wollen; 

Men zal steeds meer merken, dat hoe meer men zich in het sociale leven thuis gaat voelen, het over en weer begrijpen van de mensen van wat ze presteren in eerste instantie hoort bij een sociaal leven dat in de toekomst gestalte moet krijgen. En zo lijken mij nu de personen die van zich uit hun interesse laten blijken het meest geschikt te zijn om bij de voordrachten* aanwezig te zijn die vandaag en a.s. zondag hier gehouden zullen worden over wat de vrijeschool voorstaat. Het liefst had ik vooral wanneer ook nog iets anders bij het begrijpen tot stand zou komen:
een grootse belangstelling voor wat door de vrijeschool tot stand moet worden gebracht; dat er vóór de opening van deze vrijeschool in de eerste helft van september nog een keer een samenkomst** belegd kan worden waar alle ouders van de kinderen die naar de vrijeschool gaan, naartoe kunnen komen;

*Auseinandersetzungen, die heute und am nachsten Sonntag hier in
Anknüpfung an die Bestrebungen der Waldorfschule gepflogen werden sollen Gemeint ist der Vortrag vom 31. August 1919 (nachmittags, siehe 5. 42ff.) für die Mitglie­der des Stuttgarter Zweiges und Interessierte.
>
*Voordrachten die vandaag en a.s. zondag hier gehouden zullen worden over wat de vrijeschool voorstaat. Bedoeld is de voordracht van 31-08-1919 (’s avonds, zie 5. blz. 42 e.v.
** eine Versammlun , an welcher alle Eltern derjenigen Kinder teilnehmen würden, welche diese Waldorfichule besuchen wollen: Sie fand ebenfalls am 31. August 1919 (abends) statt; vgl. 5. 64ff.
.
**een bijeenkomst waaraan alle ouders van de kinderen deelnemen dei deze vrijeschool willen bezoeken: die vond eveneens plaats op 31 aug. 1919, ’s avonds, zie 5, blz. 64 e.v.
.

denn nur dasjenige wird in einem wirklich sozial orientierten Ge­sellschaftsleben gedeihen können, was wurzelt in dem Verständnis derjenigen, die mit ihren Seelen und mit ihrem ganzen Leben an solchen Gründungen beteiligt sind.
Was ich Ihnen heute auseinandersetzen möchte, das soll eine Besprechung der Ziele und auch in einigem schon eine Bespre­chung der Methoden der Unterrichts- und Erziehungsweise sein, wie sie durch die Waldorfschule in Angriff genommen werden sollen. Wir möchten ja in der Tat mit der Waldorfschule dasjenige schaffen, was nach unserer Einsicht aus der besonderen Ent­wicklungsstufe der Menschheit heraus geschaffen werden soll, die durch die Gegenwart und für die nächste Zukunft geschichtlich erreicht ist. Man mißverstehe die Gründung der Waldorfschule nicht dahingehend, daß etwa geglaubt würde, im alten Schulwesen sei alles schlecht. Es sollte auch nicht geglaubt werden, daß unsere Ausgangspunkte bei Begründung der Waldorfschule nur eine Kritik

want alleen wat wortelt in het begrip van degene die met hart en ziel meedoet met dergelijke schoolstichtingen, kan floreren in een werkelijk sociaal gericht samenleven.
Wat ik voor u vandaag graag wil neerzetten zal over de doelen en ook wat over de onderwijs- en opvoedingsmethode gaan, zoals de vrijeschool die gaat toepassen. We zouden inderdaad met de vrijeschool willen bereiken wat o.i. met het oog op de bijzondere ontwikkelingsfase van de mensheid gedaan moet worden die historisch nu en voor de toekomst aangebroken is. De stichting van de vrijeschool moet niet verkeerd begrepen worden zodanig dat we van mening zijn dat in het traditionele onderwijs alles slecht gaat. Je moet ook niet geloven dat onze uitgangspunten bij de oprichting van de vrije school alleen maar

blz. 17
des alten Schulwesens seien. Es handelt sich vielmehr um etwas ganz anderes.
Es haben sich im Laufe der letzten drei bis vier Jahrhunderte im gesellschaftlichen Leben ein Staats-Rechts-Leben, ein Geistes- und Kulturleben und ein wirtschaftliches Leben herausgebildet, die eine bestimmte Konfiguration angenommen haben und jetzt, wie ja öfters von mir in diesen Zeiten auseinandergesetzt worden ist, einem Neubau unserer sozialen Verhältnisse, man möchte schon sagen entgegenstürmen. In dieses Vorwärtsstürmen ist das Schul­wesen gerade dadurch besonders eingegliedert, daß dieses Schulwe­sen in den letzten drei bis vier Jahrhunderten ganz abhängig ge­worden ist von dem Staatswesen, so daß man sagen kann: In einer ganz besonderen Weise nimmt das Schulwesen an dem Staatswesen teil. Nun kann man sagen: Bis zu einem gewissen Grade – aller­dings aber nur bis zu einem gewissen sehr niederen Grade – war unser Schulwesen den Einrichtungen, in die die Menschen hinein-gewachsen waren durch die Staatenkonfiguration der zivilisierten Welt, angemessen.

kritiek op het traditionele onderwijs is. Het gaat om iets heel anders.
In de loop van de laatste drie-, vierhonderd jaar is er in de maatschappij een staats/rechtsleven, een geestes- en cultuurleven en een economisch leven tot ontwikkeling gekomen die een bepaalde vorm gekregen hebben en nu, zoals ik de laatste tijd al vaker uiteengezet heb, stormachtig een nieuwe opbouw van onze sociale verhoudingen tegemoet gaan. Bij deze stormachtige ontwikkeling is met name het onderwijs in het bijzonder, betrokken daar dit in de laatste drie, vier eeuwen geheel afhankelijk is geworden van de staat, zodat je kan zeggen: op een heel bijzondere manier is het onderwijs een deel van de staat. Nu kun je zeggen: tot op zekere hoogte – weliswaar tot een beperkte hoogte – paste ons onderwijs bij de instellingen waarmee de mensen door de bestaande maatschappelijke staatsinrichting vertrouwd geraakt waren.

Aber gerade nach einer Umwandlung dieser Staatenkonfiguration wird ja gestrebt, und nach den Anschauun­gen, die zugrunde liegen werden den zukünftigen Staatenkonfigu­rationen, wird es nicht möglich sein, das Schulwesen in derselben Verbindung mit dem Staatswesen zu lassen, in dem es bisher ge­wesen ist. Gerade wenn eine soziale Gestaltung des Staats- und Wirtschaftswesens angestrebt wird, dann wird sich um so dringen­der das Bedürfnis herausstellen, das geistige Wesen überhaupt, und insbesondere das Schul- und Erziehungswesen in seiner Verwal­tung, herauszugliedern aus dem Staats-Rechts-Leben und aus dem Wirtschaftsleben. Gefühlt wird die Sache schon sehr, sehr lange. Aber man möchte sagen: alles pädagogische Streben in der jüngsten Vergangenheit und insbesondere in der Gegenwart hat etwas Ge­drücktes, hat etwas, was wenig ausblicken möchte von den großen Gesichtspunkten des Kulturlebens überhaupt. Das alles ist so ge­kommen durch die besondere Art, wie das öffentliche Leben sich in der jüngsten Vergangenheit und insbesondere in der Gegenwart zu solchen Bestrebungen, wie die pädagogischen sind, gestellt hat.

Maar nu streeft men naar een verandering van deze staatsinrichting en met de opvattingen die de basis zullen gaan vormen voor de toekomstige staatsinrichting, zal het niet mogelijk zijn het onderwijs net zo bij de staat te laten, zoals in het verleden. Juist wanneer men een sociale vorm van de staat en het economisch leven nastreeft, zal des te sterker de behoefte blijken het geestesleven en dan vooral het onderwijs en de opvoeding bij het realiseren daarvan, buiten het staats-rechtsleven en het economisch leven te plaatsen. Dat voelt men al heel, heel lang aan. Maar, al het streven op pedagogisch gebied van de laatste tijd en met name nu, maakt een sombere indruk, kijkt over het algemeen bijna niet naar de grote gezichtspunten van het culturele leven. Dat alles is veroorzaakt door de bijzondere manier waarop het openbare leven in het recente verleden en vooral nu zich opstelt tegenover die initiatieven, zoals de pedagogische.

blz. 18

Natürlich wird die Waldorfschule sich fügen müssen all dem, was vorhanden ist gegenwärtig an öffentlichen Anschauungen und Einrichtungen über Erziehung und Unterricht; wir werden nicht gleich morgen alles dasjenige leisten können, was wir leisten möch­ten – wir werden ganz selbstverständlich genötigt sein, im allgemei­nen stufenweise die Lehrpläne einzuhalten, welche gegenwärtig öffentlich vorgeschrieben sind. Wir werden genötigt sein, bei den von unserer Schule Abgehenden diejenige Stufe zu erreichen, die verlangt wird für den Übergang in höhere Schulen, namentlich in die Hochschulen. Wir werden daher unseren Unterrichtsstoff nicht so gliedern können, wie wir das dem Ideal einer wirklichen Men­schenerziehung entsprechend finden; wir werden gewissermaßen nur die Löcher, die noch gelassen sind von dem dichtmaschigen Netz, das sich ausbreitet über dem Schulwesen, benützen können, um im Sinne eines ganz freien Geisteswesens für den Unterricht und die Erziehung der der Waldorfschule anvertrauten Kinder zu wirken. Diese Maschen werden wir sorgfältig nach jeder Richtung ausnützen. 

Natuurlijk zal de vrijeschool zich moeten voegen naar alles wat er tegenwoordig bestaat aan publieke opvattingen over opvoeding en onderwijs en hoe dit nu georganiseerd is; we kunnen niet meteen morgen alles voor elkaar krijgen,wat we zouden willen – we er zullen vanzelfsprekend aan gehouden zijn om ons in het algemeen aan de leerplannen te houden voor de verschillende niveaus, die heden ten dage officieel zijn voorgeschreven. We zullen eraan gehouden zijn dat wie bij ons de school verlaat hetzelfde niveau heeft dat geëist wordt bij de overgang naar hogere scholen, met name naar de universiteit. Daarom kunnen wij onze leerstof niet zo indelen als dat past bij wat wij het ideaal van een echte mensopvoeding vinden; in zekere zin kunnen we de gaten van het fijnmazige net dat uitgeworpen is over het onderwijs nog gebruiken om in de zin van een geheel vrij geestesleven voor het onderwijs en de opvoeding van de ons toevertrouwde kinderen te werken. Van die mazen zullen we zorgvuldig in elke richting gebruik maken.

Wir werden gewiß nicht dann schon eine Musterschule schaffen können, werden aber zeigen können, zu welchem Grade innerer Erstarkung und innerer wirklicher Erziehung der Mensch gebracht werden kann, wenn diese innere Erstarkung und Erzie­hung bewirkt wird nicht durch etwas von außen Vorgeschriebenes, sondern rein durch die Anforderungen des geistigen, des Kultur-lebens selber bewirkt wird.
Wir werden gerade mit Bezug auf das Verständnis, das uns heute noch entgegengebracht werden kann, mit vielem Widerstrebenden zu kämpfen haben, werden deshalb mit viel Widerstrebendem zu kämpfen haben, weil ja mit Bezug auf ihr Verständnis in der Ge­genwart – wie ich auch hier an diesem Ort öfters erwähnt habe -die Menschen eigentlich aneinander vorbeigehen. Gerade auf dem Gebiet des Unterrichts- und Erziehungswesens kann man es immer wieder und wiederum erleben, daß man anscheinend von den Ge­sichtspunkten aus, die hier vertreten werden, auch anderswo über eine Umwandlung dieses Erziehungs- und Unterrichtswesens spricht. Die Menschen, die mit ihren Anschauungen ganz in der

We zullen zeker nu al geen modelschool kunnen oprichten, maar we kunnen laten zien, tot welk niveau van innerlijke sterkte en echte innerlijke opvoeding de mens gebracht kan worden, wanneer dit ontstaat niet door iets wat vanbuiten voorgeschreven wordt, maar puur door wat door de vragen van het geestes-, van het cultuurleven ontstaat.
We zullen met name wat het begrip betreft dat ons nu nog geschonken kan worden, ook veel strijd te leveren hebben met nog al wat tegenwerking, omdat juist met het oog op hun begrip in deze tijd – zoals ik ook hier op deze plaats al vaker aangeroerd heb – de mensen eigenlijk aan elkaar voorbij lopen. Juist op het vlak van onderwijs en opvoeding kan je keer op keer weer ervaren dat men schijnbaar vanuit de gezichtspunten waar wij hier voor staan, ook elders over een verandering van opvoeding en onderwijs praat. Mensen die met hun opvattingen

blz. 19

gegenwärtigen Periode jüngstvergangener Unterrichts- und Erzie­hungsprinzipien drinnen stecken, hören einem dann zu und sagen: Ja, das ist ganz richtig, das wollen wir ja längst! – Sie wollen natür­lich etwas ganz anderes in Wirklichkeit. Aber wir haben uns heute, indem wir unsere Worte aussprechen, so sehr entfernt von den Sachen, daß wir uns zuhören und glauben, bei denselben Worten dasselbe zu meinen – und eigentlich das Entgegengesetzte meinen. So stark ist über die zivilisierte Welt hin das geworden, was man in weitestem Umfange als Phrase bezeichnen muß! Haben wir doch wirklich durch lange Zeiten innerhalb dieser unserer zivilisierten Welt in ausgiebigstem Maße erlebt die Herrschaft der Phrase, und in diese Herrschaft der Phrase* war eingesponnen das furchtbarste Ereignis, das die Weltgeschichte getroffen hat: die schreckensvolle Kriegskatastrophe der letzten Jahre! Denken Sie nur einmal nach, wie sehr die Phrase bei alldem, was mit dieser Katastrophe zu­sammenhangt, eine Rolle gespielt hat, und Sie werden ein wirklich innerlich Sie entsetzendes Urteil gewinnen über die Herrschaft der Phrase in unserer Zeit.

in de huidige fase van de laatste opvoedings- en onderwijsprincipes staan, horen je dan aan en zeggen: ‘Ja, dat is helemaal waar, dat willen wij ook allang! – In werkelijkheid willen ze natuurlijk iets heel anders. Maar wij zijn tegenwoordig, wanneer we onze woorden uitspreken, zo ver verwijderd van die dingen dat we elkaar aanhoren en dan geloven bij dezelfde woorden hetzelfde te bedoelen – maar eigenlijk het tegenoverstelde. Over de beschaafde wereld is gekomen wat je in de ruimste mate ‘frase’ moet noemen. We hebben toch daadwerkelijk tijden lang in onze beschaafde wereld beleefd de zeer ver gaande heerschappij van de frase* en daarin zat gevangen de meest vreselijke gebeurtenis die de wereldgeschiedenis getroffen heeft: de verschrikkingen van de oorlog van de laatste jaren! Denk er eens over na, hoe erg de frase bij alles wat met deze catastrofe samenhangt een rol heeft gespeeld en dan zal je van binnen tot een werkelijk verschrikkelijk oordeel komen over het overheersen van de frase in onze tijd.
.

*Herrschaft der Phrase: Siehe hierzu auch Rudolf Steiners Aufsatz «Zur Psycho­logie der Phrase« in «Gesammelte Aufsätze zur Dramaturgie», GA 29, und die Vorträge vom 12. September 1919 in «Der innere Aspekt des sozialen Rätsels», GA 193; vom 5. Mai 1920 in «Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft«, GA 301; vom 6. August 1922 in »National-ökonomischer Kurs», GA 340.
.
heerschappij van de frase: zie hiervoor Rudolf Steiners opstel ‘Over de psychologie van de frase’ in ‘Verzamelde opstellen over dramaturgie’ GA 29 en de voordrachten van 12 september 1919 in ‘Het innerlijk aspect van het sociale raadsel, GA 193; van 5 mei 1920 in ‘De vernieuwing van de pedagogisch-didactische kunst door geesteswetenschap GA 301; van 6 aug.1922 in de GA ‘Nationaal-economische cursus’   GA 340
.

So kann man heute auch auf pädagogischem Gebiete von denje­nigen, die wahrhaftig etwas ganz anderes innerlich anstreben als das, was hier gemeint ist, hören: es komme beim Erziehen und Unterrichten nicht auf den Lehrstoff an, sondern auf den Zögling. Sie wissen, da wir uns einmal der Worte aus unserem Sprachschatz bedienen müssen, so werden wir auch vielfach zu sagen haben: es komme nicht auf den Lehrstoff, es komme auf den Zögling axi, und wir wollen innerhalb unserer Waldorfschule den Lehrstoff so be­nützen, daß er auf jeder Stufe des Unterrichts nicht zur Übermitt­lung eines äußeren Wissens dient, sondern daß er dient dem Wei­terkommen der menschlichen Entwicklung des Zöglings mit Bezug auf die Willens-, Gemüts-, und Verstandesbildung. Jedes einzelne Unterrichtsfach soll nicht irgendeinen Selbstzweck in sich tragen in bezug auf seine Vermittelung, sondern es soll in der Hand des Lehrers zur Kunst werden, so daß es durch seine Behandlung in der entsprechenden Weise so auf den Zögling wirkt, wie im Sinne einer wirklich begriffenen Menschheitsentwicklung in den betreffenden

Zo kun je tegenwoordig ook op pedagogische gebied van de mensen die echt van zich uit iets heel anders willen dan wat hier bedoeld wordt, horen: het komt bij het opvoeden en het lesgeven niet aan op de leerstof, maar op de leerling. U weet, omdat we nu eenmaal de woorden moeten gebruiken uit onze taalschat, we dan ook vaak moeten zeggen: het komt niet op de leerstof aan, het komt op de leerling aan en wij willen op onze vrijeschool de leerstof zo gebruiken dat die op ieder niveau van het onderwijs niet dient om uiterlijk weten over te dragen, maar dat deze dient om met de menselijke ontwikkeling van de leerling verder te komen wat betreft de wils- gevoels- en verstandsvorming. [4] Ieder onderwijsvak moet niet een of ander doel op zichzelf hebben wat het overdragen betreft, maar in de hand van de leerkracht moet het kunst worden, zodat het door zijn manier van doen op een adequate manier zo op de leerling werkt zoals in de zin van een daadwerkelijk begrepen mensheidsontwikkeling in de betreffende

blz. 20

Entwicklungsjahren auf den Zögling gewirkt werden soll, damit er ein dem Leben gewachsener, im Leben seinen Platz aus­füllender Mensch werde. Bewußt muß man sich dabei werden, daß jedes Lebensalter des Menschen aus den Tiefen der Menschennatur die Anlagen zu gewissen Seelenkräften hervortreibt. Werden diese Anlagen in dem betreffenden Lebensalter nicht ausgebildet, so können sie später nicht mehr in Wahrheit ausgebildet werden: sie müssen dann verkümmern, und der Mensch ist in bezug auf seinen Willen, in bezug auf sein Gemüt, in bezug auf seinen Verstand dem Leben nicht gewachsen; er stellt sich nicht in richtiger Weise auf den Platz, auf den er durch das Leben gestellt wird. Gerade zwi­schen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, in welche Zeit ja gerade die Jahre des eigentlichen Schulwesens hineinfallen, gerade in diesem Lebensalter ist es von eminentester Wichtigkeit, zu er­kennen, welche Seelen- und Körperkräfte aus dem Menschen her­aus wollen, damit er später seinen Platz im Leben ausfüllen könne.
Alles, was ich jetzt gesagt habe, könnte sich zum Beispiel je­mand anhören, der die pädagogischen Gedanken der letzten Jahr­zehnte in sich aufgenommen hat, und er würde sagen: Ganz meine Meinung! 

ontwikkelingsjaren met de leerling gewerkt moet worden, zodat hij een mens wordt die tegen het leven opgewassen is en die in het leven zijn plaats kan innemen. Daarbij moet je je bewust worden dat op iedere leeftijd van de mens uit de diepten van de menselijke natuur de aanleg voor bepaalde zielenkrachten manifest wordt. Wanneer die aanleg in de betreffende levensjaren niet ontwikkeld wordt, dan kunnen die later niet meer ontwikkeld worden zoals zou moeten; dan lijden ze daaronder en de mens is, wat zijn wil, zijn gevoel en zijn denken betreft, niet tegen het leven opgewassen; hij neemt zijn plaats in het leven niet op een goede manier in. Juist tussen tandenwisseling en puberteit, de tijd van het eigenlijke naar school gaan, juist voor die leeftijd is het bijzonder belangrijk te onderkennen, welke zielen- en lichamelijk kracht naar buiten wil, zodat hij later in het leven zijn mannetje kan staan.
Naar alles wat ik nu gezegd heb, zou iemand kunnen luisteren die de opvattingen over pedagogie van de laatste tientallen jaren bestudeerd heeft en die zou kunnen zeggen: daar ben ik het helemaal mee eens.

Aber das, was er auf Grundlage dieser Meinung erziehe­risch tut, ist durchaus nicht dasjenige, was hier gewollt werden soll. Wir reden eben in der Gegenwart vielfach aneinander vorbei, und deshalb muß versucht werden, in einer etwas tieferen Weise auf das aufmerksam zu machen, was eigentlich die Waldorischule will. Vor allen Dingen ist heute der Mensch, man möchte schon fast sagen besessen von einem gewissen Trieb, alles absolut zu nehmen. Ich meine damit das Folgende: Spricht man heute davon, der Mensch solle in dieser oder jener Weise erzogen werden – wir wollen nur darüber sprechen; man könnte dieselben Betrachtungen in variier­ter Weise auch auf andere Gebiete des Lebens ausdehnen -, so hat man immer im Auge, daß es sich um etwas handeln solle, was nun im absoluten Sinne für den Menschen gilt, was sozusagen das absolut Richtige ist, was, wenn es nur hätte angewendet werden wollen, für den Menschen auch hätte angewendet werden können, zum Beispiel im alten Ägypten, im alten Griechenland, wie es auch

Maar wat hij opvoedkundig op grond van deze mening doet, is echt niet hetzelfde als wat we hier willen. We praten in deze tijd vaak langs elkaar heen en daarom moeten we proberen op een diepere manier te wijzen op wat de vrijeschool wil. De mens is tegenwoordig vóór alles, je zou bijna willen zeggen bezeten van een bepaalde drang om alles absoluut te nemen. Ik bedoel hiermee het volgende: Spreek je er vandaag de dag over dat de mens op een of andere manier zou moeten worden opgevoed – we hebben het nu alleen maar hierover; je zou dezelfde overwegingen op een uiteenlopende manier ook naar andere gebieden van het leven kunnen uitbreiden -, dan heeft men altijd voor ogen dat het om iets zou gaan dat voor de mens in absolute zin geldt, wat om zo te zeggen het absoluut juiste is, dat – als het maar toegepast had kunnen worden – ook voor de mens in het oude Egypte had kunnen worden toegepast of bijvoorbeeld, in het oude Griekenland, 

blz. 21

noch in viertausend Jahren angewendet werden könnte von den Menschen, die dann leben werden, was auch von China, Japan etc. angewendet werden kann. Diese Anschauung, von der der heutige Mensch geradezu besessen ist, daß er etwas absolut Gültiges auf­stellen kann, das ist der größte Feind aller Wirklichkeit. Daher handelt es sich gerade darum, zu erkennen, daß wir nicht im ab­soluten Sinne Menschen sind, sondern Menschen eines ganz be­stimmten Zeitalters; daß die Menschen in bezug auf ihre Seelen­und sogar Körperverfassung im gegenwärtigen Zeitalter anders beschaffen sind, als zum Beispiel die Griechen und Römer waren, und auch, daß sie anders beschaffen sind, als schon die Menschen nach einer verhältnismäßig kurzen Zeit, nach einem halben Jahr­tausend sein werden. Daher fassen wir die Erziehungsaufgabe nicht im absoluten Sinne, sondern wir fassen sie auf als hervorgehend aus den Bedürfnissen der Gegenwart und der nächsten Zukunft der Menschheitskultur.
Wir fragen: Wie ist die zivilisierte Menschheit heute beschaffen?
– und begründen darauf unsere Anschauung, wie wir sie zu erzie­hen und zu unterrichten haben.

dat het ook nog na 4000 jaar kan worden toegepast voor de mensen, die dan zullen leven, dat het ook door China, Japan enz. toegepast kan worden. Deze mening, waardoor de hedendaagse mens gewoonweg geobsedeerd is, dat hij iets absoluut geldigs kan opstellen, dat is de grootste vijand van alle werkelijkheid. Daarom gaat het er juist om te erkennen, dat wij niet in absolute zin mensen zijn, maar mensen van een bepaald tijdperk; dat de mensen wat hun ziel en zelfs hun lichaamsgesteldheid aangaat, anders zijn dan hoe bijvoorbeeld de Grieken en Romeinen waren, en ook dat ze anders van aard zijn dan de mensen al na een relatief korte tijd, na een half millennium, zullen zijn. Daarom vatten wij de opvoedkundige taak niet in absolute zin op, maar we beschouwen die als voortkomend uit de behoeften van de huidige tijd en de nabije toekomst van de menselijke beschaving.
We vragen ons af: hoe staat het er met de beschaafde mens voor en daarop baseren we de opvatting hoe we moeten opvoeden en onderwijs moeten geven.

Wir wissen ganz gut, ein Grieche oder Römer hat anders erzogen werden müssen, und in fünfhun­dert Jahren schon wiederum wird der Mensch anders erzogen werden müssen. Wir wollen eine Erziehungsgrundlage für unsere Gegenwart und die nächste Zukunft schaffen. Nur dadurch widmet man sich wirklich der Menschheit, daß man sich dieser realen Be­dingung für die Entwicklung der Menschheit bewußt werde und nicht immer nebulose, absolute Ziele ins Auge faßt. Daher ist es notwendig, hinzuweisen auf dasjenige, was gerade mit Bezug auf das Erziehungs- und Unterrichtswesen der Gegenwart droht und was wir von dieser Gegenwart abwenden wollen.
Ich habe eben darauf hingewiesen, wie manche Leute schon sagen, es komme nicht auf den Lehrstoff, es komme auf den Zög­ling an, es komme darauf an, wie der Lehrer sich verhalten soll im Unterweisen des Zöglings, wie er den Unterrichtsstoff zu dieser Unterweisung, zu dieser Erziehung verwende. Aber daneben sehen wir eine merkwürdige andere Richtung gerade bei denjenigen

Wij weten heel goed dat een Griek of een Romein anders opgevoed moest worden en over vijfhonderd jaar zal de mens wel weer anders opgevoed moeten worden. Wij willen een basis leggen voor de opvoeding in onze tijd en voor de nabije toekomst. Je richt je pas echt op de mensheid wanneer je je van deze echte voorwaarde voor de ontwikkeling ervan, bewust wordt en niet door steeds maar zweverige, absolute doelen op het oog te hebben. Daarom is het nodig te wijzen op wat juist de opvoeding en het onderwijs van nu, bedreigt en wat wij willen voorkomen.
Ik heb er net op gewezen hoe sommige mensen al zeggen, dat het niet gaat om de leerstof, maar om de leerling, dat het erom gaat hoe de leerkracht zich moet opstellen bij het lesgeven, hoe hij de lesstof gebruikt bij het lesgeven, bij het opvoeden. Maar daarbij zien we het een merkwaardige andere richting opgaan, juist bij

blz. 22

Menschen, die solches aussprechen, eine andere Richtung, die ge­wissermaßen das, was sie so mehr für den Zögling als für den Unterrichtsstoff fordern, durchaus paralysiert und unmöglich macht.
Man hat wahrgenommen, wenn man so spricht, daß durch die Spezialisierung des Wissenschaftsstoffes allmählich den Menschen das intellektuelle Leben der Wissenschaft über den Kopf gewach­sen ist und daß der Wissenschaftsstoff in einer gewissen außer­lichen Weise, ohne auf den Zögling hinzuschauen, rein um dessen Erkenntnis willen an ihn herangebracht worden ist. So sagt man jetzt: Das darf man nicht tun, man muß den Zögling so erziehen, wie es im Wesen des jungen Menschenkindes begründet ist. Aber wovon will man denn lernen, wie man den Zögling nun behandeln will? Man will es lernen von derjenigen Wissenschaft, die sich ge­rade ausgebildet hat unter jenem Regime, das man auf der einen Seite bekämpfen will; man will das Wesen des Kindes kennenler­nen, aber man strebt darnach, es zu untersuchen in allerlei expe­rimentellen Psychologien nach denjenigen Methoden, welche die Wissenschaft angenommen hat, indem sie sich eingezwängt hat in jenen Mangel, dem man abhelfen will.

de mensen die zoiets uitspreken; een andere richting die nu net wat zij dus meer voor de leerling dan voor de leerstof willen, volkomen lam legt en onmogelijk maakt. Men heeft waargenomen dat door de gespecialiseerde wetenschapskennis de wetenschap intellectueel de mens boven het hoofd gegroeid is en dat de wetenschapskennis op een bepaalde uiterlijke manier, zonder naar de leerling te kijken, puur omwille van de kennis, aan hem is overgedragen. Dus zegt men nu: dat mag je niet doen, je moet de leerling zo opvoeden, zoals dat in het wezen van het jonge mensenkind als aanleg gegeven is. Maar waarvan wil men dan leren hoe je met een jong mens om moet gaan? Men wil het leren van die wetenschap die zich nu juist zo ontwikkeld heeft, dat men enerzijds die ontwikkeling wil bestrijden; men wil het wezen van het kind leren kennen, maar men streeft ernaar dat te onderzoeken met allerlei experimentele psychologieën volgens de methoden die de wetenschap is gaan hanteren, toen in een keurslijf terechtgekomen dat tekort schiet en waarvan men af wil.

So will man auf dem Wege der experimentellen Psychologie an den Universitaten die speziel­len Methoden untersuchen, die für die Pädagogik die richtigen sind. Man will hineintragen in dieses Universitätsleben experimen­telle Pädagogik, will hineintragen alles das, was die Wissenschaft an Einseitigkeiten angenommen hat. Also man will reformieren. Man will reformieren, weil man ein dunkles Gefühl von der Reform­notwendigkeit hat, aber aus dem Geiste heraus, der gerade das Alte gebracht hat, das man behalten will. Eine Erziehungswissenschaft möchte man begründen, aber man möchte etwas begründen aus jenem wissenschaftlichen Geiste heraus, der dadurch gekommen ist, daß man die Menschen nicht richtig erzogen hat.
Solche stark wirkenden Kräfte in unserer Kulturentwicklung sieht man noch gar nicht. Man sieht gar nicht, wie man sich in Widerstreit und Widersprüche einläßt, indem man nach der einen Seite den allerbesten Willen hat. Wenn vielleicht auch der eine oder

Dus men wil langs de weg van de experimentele universiteitspsychologie de speciale methoden onderzoeken die voor de pedagogie de juiste zijn. Men wil aan de universiteit experimentele pedagogie hebben, alles wat de wetenschap aan eenzijdigheden aangenomen heeft. Men wil dus moderniseren. Dat wil men; maar aangezien men een vaag gevoel heeft voor de noodzaak tot moderniseren, wél vanuit de geest die het oude gebracht heeft en dat men wil behouden. Men zou een opvoedingswetenschap in het leven willen roepen, maar dan wel uit die wetenschappelijke geest die ontstaan is, doordat men de mens niet goed heeft opgevoed.
Dergelijk sterk werkende krachten in onze cultuurontwikkeling ziet men nog helemaal niet. Men ziet zelfs niet hoe men zich inlaat met tegenstellingen en tegenspraak, ook wanneer men naar de andere kant de allerbeste bedoelingen heeft. Wanneer misschien ook de een of de

blz. 23

andere eine andere Anschauung haben kann über dasjenige, was ich jetzt aussprechen werde, so kann man aber doch sagen, daß in vielen Richtungen auf pädagogischem Gebiet einer der bedeutsam­sten Persönlichkeiten der neueren Zeit Johann Friedrich Herbart ist. Herbart* steht durch die pädagogische Richtung, die er begrün­det hat, eigentlich in einer gewissen Beziehung einzig als pädago­gischer Schriftsteller und als pädagogischer Arbeiter in der neueren Zeit da. Im Jahre 1806 ist seine «Allgemeine Pädagogik» erschie­nen. Er hat dann seine ja selbst pädagogisch geartete Tätigkeit von Jahr zu Jahr so verfolgt, daß er immer Neues lernen konnte. Im Jahre 1835 ist dann der «Umriß» seiner pädagogischen Vorlesungen erschienen, die zeigen, wie er selbst vorgeschritten ist in der Erfas­sung der pädagogischen Probleme. Dann aber kann man sagen, daß ein gut Stück der pädagogischen Entwicklung in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts ausgegangen ist von dem Impuls, den die Her­bartsche Pädagogik gebracht hat, da ja zum Beispiel das ganze österreichische Schulwesen inspiriert worden ist von Herbarts Päd­agogik.

ander een andere opvatting heeft over wat ik nu ga zeggen, dan kun je toch stellen dat in de vele richtingen op pedagogisch gebied een van de belangrijkste persoonlijkheden van de laatste tijd Johann Friedrich Herbart* is. Herbart staat door de pedagogische richting die hij ontwikkeld heeft, in een bepaald opzicht alleen, als schrijver van pedagogie en werkend voor de pedagogie van de moderne tijd. In het jaar 1806 verscheen zijn ‘Algemene pedagogie’. Jaar na jaar ging hij zelf verder met zijn pedagogisch getinte werk, zodat hij steeds iets nieuws leerde. In 1855 verschenen de ‘contouren’ van zijn pedagogische voordrachten die laten zien hoe hij zelf verder gekomen is in het breed vastleggen van de pedagogische problemen. Dan kan je wel zeggen dat een goed deel van de pedagogische ontwikkeling in de tweede helft van de 19e eeuw begonnen is vanuit de impuls die de pedagogie van Herbart heeft gebracht, b.v. het hele Oostenrijkse onderwijs werd door de pedagogie van Herbart geïnspireerd.

*Johann Friedrich Herbart, 1776-1841, Philosoph und Pädagoge; lehrte in Göt­tingen, zeitweise Hauslehrer in Bern. Gilt als Begründer der wissenschaftlichen Pädagogik, die ihrerseits eng mit der praktischen Philosophie (Ethik) und der Psychologie verknüpft sein muß. Rudolf Steiner spricht über Herbarts Weltan­schauung im Kap. «Reaktionäre Weltanschauungen» in «Die Rätsel der Philoso­phie«, GA 18. Siehe auch den Vortrag vom 4. Dezember 1903 in «Spirituelle Seelenlehre und Weltbetrachtung», GA 52; vgl. außerdem die Fragenbeantwor­tung vom 27. November 1919 im vorliegenden Band. Werke: »Allgemeine Pad­agogik» (1806), «Umriß pädagogischer Vorlesungen» (1835).
.
Johann Friedrich Herbart, 1776-1841, filosoof en pedagoog; doceerde in Göttingen, tijdelijk huisleraar in Bern. Geldt als grondlegger van de wetenschappelijke pedagogie die nauw verbonden moet zijn met de praktische filosofie (ethiek) en de psychologie. Rudolf Steiner spreekt over Herbarts wereldbeschouwing in het hoofdstuk: ‘Reactionaire wereldbeschouwingen’ in ‘De raadsels van de filosofie’ GA 18. Zie ook de voordracht van 4 december 1903 in ‘Spirituele leer van de ziel en wereldbeschouwing‘ GA 52; de vragenbeantwoording van 27 nov. 1919 in deze voordrachtenreeks (GA 297). Werken: ‘Algemene pedagogiek (1806), ‘Schets van pedagogische hoorcolleges’ (1835)
.

Und auch in Deutschland lebt heute noch in der Unter­richts- und Erziehungsgesinnung außerordentlich viel von dem Geiste der Herbartschen Pädagogik. Man muß sich daher heute schon – wenn man sich orientieren will gerade in dem Sinn, daß man nicht absolutistisch, sondern mit dem Bewußtsein spricht, daß man in einer bestimmten Kulturepoche steht – etwas mit dem auseinandersetzen, was Inhalt der Herbartschen Pädagogik ist und was wirklich eine pädagogische Kraft, eine pädagogische Wirklich­keit ist.
Will man Herbart richtig verstehen, so kann man sagen: Dieser Herbart steht mit allen seinen Gedanken und Ideen in jener Kul­turperiode noch voll drinnen, die ihren deutlichen Abschluß ge­nommen hat für den wahren Menschheitsentwicklungs-Betrachter mit der Mitte des 15. Jahrhunderts. Wir stehen einmal seit der Mitte des 15. Jahrhunderts für die zivilisierte Menschheit in einer neuen Epoche drinnen, aber wir haben noch wenig erreicht in der Verfolgung derjenigen Impulse, die im 15. Jahrhundert aufgegan­gen sind; und dasjenige, was vor dem 15. Jahrhundert gewirkt hat,

En ook in Duitsland zit tegenwoordig nog buitengewoon veel van de geest van de Herbartse pedagogiek in onderwijs en opvoeding.Vandaar dat als je je vandaag al wil oriënteren, niet op een absolutistische manier, maar sprekend vanuit het bewustzijn dat je je in een bepaalde cultuurperiode bevindt, je je wel wat uiteen moet zetten met de inhoud van de pedagogiek van Herbart en wat nu echt een pedagogische kracht, een pedagogische werkelijkheid is.
Wanneer je Herbart goed wil begrijpen. kun je zeggen: Deze Herbart staat met al zijn gedachten en ideeën nog volledig in die cultuurperiode die voor degene die de mensheidsontwikkeling juist waarneemt, tot een einde is gekomen, zo in het midden van de 15e eeuw. Sinds die tijd bevinden we ons als beschaafde mensheid in een nieuwe fase, maar we hebben nog weinig bereikt in het gevolggeven aan de impulsen die in de 15e eeuw zijn begonnen; en wat vóór de 15e eeuw werkzaam was,

blz. 24

setzt sich noch in unser Leben fort. In unser pädagogisches Leben hinein hat es sich geistvoll, bedeutsam fortgesetzt in alledem, was Herbart selbst gearbeitet hat und was von ihm ausgegangen ist. Wenn man charakterisieren soll, was eigentlich jenem langen Zeit­raum in der Entwicklung der Menschheit, der im 8. vorchristlichen Jahrhundert begonnen hat und in der Mitte des 15. Jahrhunderts schließt, mit Bezug auf die Menschheitsentwicklung zugrunde liegt, so muß man sagen: die Menschheit hat sich innerhalb dieses Zeitraumes so entwickelt, daß alles Verstandes- und Gemütsmäßi­ge wie instinktiv noch war. Seit diesem Zeitpunkt, seit der Mitte des 15. Jahrhunderts, strebt die Menschheit nach dem Persönlich­keitsbewußtsein, sie strebt darnach, sich auf die Spitze der eigenen Persönlichkeit zu stellen. Keinen wichtigeren Wandel der ge­schichtlichen Impulse für die Entwicklung der Menschheit, inso­fern sie jetzt und in der Zukunft in Betracht kommen, als das instinktive Verständnis, die instinktive Gemütsbetätigung der grie­chisch-lateinischen Epoche, die langsam bis ins 15. Jahrhundert hinein abläuft – und der neueren Epoche, die seit dem 15. Jahrhun­dert begonnen hat! Alle einzelnen Ausführungen zum Beweise dessen, was ich gesagt habe, finden Sie in meinen Schriften und Veröffentlichungen dargestellt.*

loopt in ons leven nog door. In ons pedagogisch leven is geestrijk, betekenisvol doorgegaan in alles wat Herbart bewerkt heeft en in wat er van hem is uitgegaan. Wanneer je moet karakteriseren wat er ten grondslag ligt aan die lange tijd in de ontwikkeling van de mensheid die in de 8e voor Christus is begonnen en ten einde loopt in het midden van de 15e eeuw, m.b.t. tot die ontwikkeling, moet je zeggen: de mensheid heeft zich in deze tijdsfase zo ontwikkeld dat alle verstand en gevoel a.h.w. nog instinctief verliep. Sinds de tijd van midden 15e eeuw streeft de mensheid naar een persoonlijkheidsbewustzijn, ze streeft ernaar zichzelf als persoonlijkheid bovenaan te zetten. Er is geen belangrijkere omwenteling in de impulsen van de geschiedenis voor de ontwikkeling van de mensheid, voor zover die voor de toekomst geldt, dan dat het instinctieve begrijpen, het instinctieve beleven van de Grieks-Latijnse fase die, langzaam tot in de 15e eeuw, afloopt en de nieuwe fase die sinds de 15e eeuw is begonnen! U vindt in mijn boeken en in wat er gepubliceerd is alle uiteenzettingen voor het bewijs daarvan, wat ik daarover heb gezegd.*

* finden Sie in meinen Schriften und Veröffentlichun gen dargestellt: Über die Kulturepochen siehe u.a. das Kapitel »Die Weltentwickelung und der Mensch», in «Die Geheimwissenschaft im Umriß« (1910), GA 13, die Schrift «Die geistige Führung des Menschen und der Menschheit«, GA 15, und die Vorträge vom 7. und 14. Juni1906 in «Kosmogonie», GA 94.
>
*U vindt in mijn boeken en in wat er gepubliceerd is alle uiteenzettingen voor het bewijs daarvan, wat ik daarover heb gezegd: over de cultuurfasen zie o.a. het hoofdstuk: ‘De wereldontwikkeling en de mens’, in ‘Wetenschap van de geheimen van de ziel‘ (1910) GA 13; in ‘De geestelijke leiding van mens en mensheidGA 15  en de voordrachten van 7 en 14 juni 1906 in ‘KosmogonieGA 94
.

Hier mussen wir es einfach als eine Tatsache hinnehmen, daß mit der Mitte des 15. Jahrhunderts etwas Neues beginnt mit der Menschheit: das Streben nach bewußter Persönlichkeitswirkung, während früher ein instinktives Verständ­nis und Gemütsstreben vorhanden war. Dieses instinktive Ver­ständnis und Gemütsstreben hatte eine gewisse Tendenz, das intel­lektuelle Leben einseitig zu pflegen. Es könnte sonderbar erschei­nen, daß man gerade von einer Zeit, die den Verstand instinktiv orientiert hat, sagt, daß diese Zeit in ihrem Gipfel zu einer beson­deren Ausbildung, einer Überausbildung des Intellektuellen, der Intellektualität des Menschen hingeführt hat. Aber man wird sich nicht mehr über eine solche Idee verwundern, wenn man bedenkt, daß ja das Intellektuelle, was im Menschen wirkt, durchaus nicht immer ein bewußt Persönliches sein muß, daß gerade instinktiv das Intellektuelle im höchsten Grade zum Ausdruck kommen kann.

Hier moeten we het nu als feit accepteren dat met het midden van de 15e eeuw iets nieuws begint met de mensheid: de drang naar een bewuste activiteit van de persoonlijkheid, terwijl er eerder een instinctief begrijpen en voelen als drang aanwezig was. Deze hadden een zekere tendens het intellectuele leven eenzijdig te behandelen. Het kan merkwaardig lijken dat men juist van een tijd die zich instinctief op het verstand oriënteerde, zegt dat deze tijd op haar toppunt tot een bijzondere vorming, een ‘over’vorming van het intellectuele, de intellectualiteit van de mens heeft geleid. Maar over zo’n idee verwonder je je niet meer, wanneer je bedenkt dat het intellectuele dat in de mens werkzaam is, zeker niet altijd iets bewust persoonlijks hoeft te zijn, dat juist instinctief het intellectuele in de hoogste mate tot uitdrukking kan komen.

blz. 25

Man braucht sich ja nur daran zu erinnern, daß die Menschen viel später das Papier entdeckt haben als die Wespen durch ihren aller­dings instinktiven Intellekt; denn die Wespennester bestehen aus Papier, sind ganz richtig so aus Papier geformt, wie die Menschen aus ihrem Intellekt heraus das Papier formen. Denn Intellekt braucht durchaus nicht bloß durch die Menschen zu wirken, son­dern er kann auch die anderen Wesen durchdringen, ohne daß die Persönlichkeit, die sich erst in unserem Zeitalter entwickeln soll, gleichzeitig zu ihrer höchsten Höhe gebracht wird.
Nun war selbstverständlich aus einer solchen Zeit heraus, in welcher die Intellektualität nach ihrer höchsten Höhe sich zu ent­wickeln bestrebt hat, auch das Bestreben vorhanden, das Erzie­hungswesen und alles, was gedanklich das Erziehungswesen durch­zieht, mit Intellektualität zu durchdringen. Wer nun die Herbart­sche Pädagogik ansieht, der findet zwar innerhalb derselben viel betont, man solle den Willen, solle das Gemüt erziehen. Aber wenn man nicht stehenbleiben würde bei den bloßen Sätzen, sondern wenn man zur Wirklichkeit übergehen würde, so würde man das folgende bemerken. Man würde bemerken, daß die Ausbildung von Regierung und Zucht, wie sie bei Herbarts Pädagogik zutage tritt, etwas krampfhaft immer fordert: es soll der Wille, es soll das Gemüt ausgebildet werden. 

Je hoeft er maar even aan te denken dat de mensen het papier veel later hebben ontdekt dan de wespen door hun ongetwijfeld instinctieve intellect; want de wespennesten bestaan uit papier, zijn heel goed van papier gemaakt, zoals de mens vanuit zijn intellect papier maakt. Want intellect hoeft zeer zeker niet alleen maar via de mens te werken, het kan ook andere wezens doordringen, zonder dat de persoonlijkheid die zich pas in onze tijd zal ontwikkelen, meteen tot de allerhoogste vorm gebracht wordt.
Nu was vanzelfsprekend vanuit een dergelijke tijd waarin het intellectuele het streven had zich tot de hoogste hoogten te ontwikkelen, ook het streven aanwezig de opvoeding en alles wat er aan gedachtegoed in het opvoedingssysteem zit, met het intellectuele te doordringen. Wie naar de pedagogie van Herbart kijkt, vindt weliswaar vaak benadrukt dat men de wil, het gevoel op moet voeden. Maar wanneer je niet simpelweg wil blijven staan bij deze regels, maar je tot de praktijk over wil gaan, kom je tot deze ontdekking: het vormen van ‘Regierung’ en ‘Zucht’ [twee begrippen uit Herbarts theorie die ik vertaald vond als ‘karakter’ en ‘wil’] vraagt steeds iets krampachtigs; de wil móet, het gevoel (karakter) móet worden gevormd.

Was aber Herbart an Inhalt bietet, das ist eigentlich nur geeignet, die Intellektualität auszubilden. Und weil instinktiv gefühlt wird, gerade von Herbart selbst am meisten, daß dasjenige, was er an pädagogischen Grundsätzen bietet, nicht hinreicht, um den ganzen Menschen zu begreifen, sondern nur den Menschen als Intellektualität, so fordert er aus einem gesunden Instinkt heraus immer wieder und wieder: es muß aber auch Gemüts- und Willensbildung da sein.
Es fragt sich nur: Kann man aus diesen Grundlagen heraus wirk­lich Gemüt und Willen in entsprechender Weise, in einer dem Menschenwesen entsprechend begründeten Weise erziehen und unterrichten? Ich möchte Sie darauf aufmerksam machen, daß ja Herbart davon ausgeht, daß alle Pädagogik begründet sein muß auf Psychologie und Philosophie, also auf die allgemeine Weltanschauung

Echter, wat Herbart aan inhoud te bieden heeft, is eigenlijk alleen maar geschikt om het intellect te ontwikkelen. En omdat men instinctief voelt, met name door Herbart zelf het meest, dat wat hij aan pedagogische basisregels aangeeft, niet voldoende is om de hele mens te begrijpen, maar slechts de mens als intellectueel wezen, eist hij dus vanuit een gezond instinct steeds maar weer: er moet ook gevoels- en wilsopvoeding zijn.
Hij vraagt zich alleen maar af: kun je vanuit deze basisprincipes daadwerkelijk gevoel en wil op een adequate manier, die zijn uitgangspunt vindt in wat bij de mens hoort, opvoeden en onderwijzen? Ik wil u erop wijzen dat Herbart ervanuit gaat dat alle pedagogiek zijn grondslag moet vinden in psychologie en filosofie, dus in de algemene wereldbeschouwing

blz. 26

und auf die Erkenntnis des menschlichen Seelenlebens. Nun hat Herbart ein durch und durch abstrakt gerichtetes Denken, und dieses abstrakt gerichtete Denken hat er ja namentlich in seine Psychologie hineingetragen. Ich möchte Ihnen das an einem Bei­spiel der Herbartschen Psychologie populär auseinandersetzen.
Wir wissen, daß in der menschlichen Wesenheit drei Grundkräf­te wirken: Denken, Fühlen und Wollen. Wir wissen, daß die Ge­sundheit der menschlichen Seele davon abhängt, daß diese drei Grundkräfte – Denken, Fühlen und Wollen – in der entsprechen­den Weise zur Entwicklung kommen, daß jede dieser Grundkräfte zu ihrem Rechte kommt. Was liegt für die Erziehung dieser Grundkräfte innerhalb der Herbartschen Philosophie vor?
Herbart ist der Meinung, daß das ganze Seelenleben im Vorstel­lungsleben zunächst aufgeht, er findet in dem Fühlen eigentlich nur Vorstellungsgebilde. Und auch das Wollen, das Streben, das Begeh­ren sind für Herbart Vorstellungsgebilde. So können Sie von Her­bartianern folgendes hören: Wenn wir streben, Wasser zu trinken, weil wir Durst haben, so streben wir eigentlich durchaus nicht nach dem Inhalt des Wassers, sondern wir streben darnach, jene Vor­stellung, die der Durst in uns auslöst, loszubekommen und in un­serer Seele zu ersetzen durch die Vorstellung des gelöschten Dur­stes. 

en op de kennis van het menselijke gevoelsleven. Nu heeft Herbart een door en door abstract georiënteerd denken en dat heeft hij namelijk in zijn psychologie gebruikt. Ik zal u dat aan een voorbeeld van de Herbartse psychologie in gewone taal uitleggen.
Wij weten dat in de mens drie basiskrachten werkzaam zijn: denken, voelen en willen. Wij weten dat de gezondheid van de menselijke ziel ervan afhangt of deze krachten op de juiste manier tot ontwikkeling komen, dat ieder van hen tot zijn recht komt. Wat heeft de filosofie van Herbart voor de opvoeding van deze basale krachten te bieden?
Herbart is de mening toegedaan dat heel het zielenleven allereerst in het voorstellingsleven opgaat, hij vindt in het gevoel alleen maar vormen van voorstellen. Ook het willen, het streven, het sterk verlangen zijn voor Herbart voorstellingen. Van de aanhangers van Herbart kun je horen: wanneer we water willen drinken omdat we dorst hebben, dan willen we zeer beslist geen water, maar we willen die voorstelling hebben die de dorst in ons opheft, los te maken van ons en in onze ziel te vervangen door de voorstelling dat de dorst gelest is.

Wenn wir eine angereg­te Unterhaltung erstreben, so erstreben wir nicht den Inhalt dieser angeregten Unterhaltung, sondern wir haben Sehnsucht nach einer Änderung der gegenwärtig in uns befindlichen Vorstellungen und streben eigentlich nach dem, was in uns als Vorstellung auftauchen wird durch die angeregte Unterhaltung. Wenn wir eine Lust haben, so haben wir diese Lust nicht als eine Auswirkung einer elemen­taren Kraft unserer Seele, sondern wir haben sie dadurch, daß ge­wisse Vorstellungen, die uns angenehm sind, leicht in unser Be­wußtsein heraufdringen, die entgegengesetzten Hemmungen leicht uberwinden, und dieses Erleben, daß eine Vorstellung leicht gegen­uber den ihr widerstrebenden Hemmungen in unser Bewußtsein

Wanneer we een interessant gesprek willen, gaat het ons niet om de inhoud van zo’n gesprek, maar we hebben behoefte aan een verandering van de voorstellingen die we nu hebben en we willen eigenlijk de voorstellingen hebben die door dit interessante gesprek in ons zullen ontstaan. Wanneer we zin in iets hebben, dan is dat niet het gevolg van de werking van elementaire krachten in onze ziel, maar zin hebben we door bepaalde voorstellingen die we aangenaam vinden, die makkelijk tot ons bewustzijn doordringen, de daar aan tegengesteld zijnde remmingen makkelijk overwinnen en deze beleving

blz. 27

eindringt, das ist die Lust. Alles bewegt das Vorstellungsleben, das andere ist eigentlich dasjenige, was sich nur durch das bewegte Vorstellungsleben offenbaren soll. Man kann sagen: Die ganze Herbartsche Denkweise und alles, was sich bis heute darauf aufge­baut hat – und mehr, als man glaubt, hat sich auf der Herbartschen Denkweise aufgebaut -, ist durchdrungen von einem allerdings nicht bewußten, sondern unbewußten Glauben, daß das wahre Seelenleben in dem Ablauf der gegenseitigen Hemmung und Un­terstützung der Vorstellungen besteht, und daß dasjenige, was als Gefühl und Wille zutage tritt, eben nur in den Bewegungen des Vorstellungslebens besteht. Man darf sich nicht beirren lassen durch die Tatsache, daß zwar sehr viele pädagogisch orientierte Leute heute bekämpfen wollen, daß man so unterrichten und erzie­hen will, indem man nur auf das Vorstellungsleben seine Bestre­bungen lenkt. Sie sagen es zwar, aber sie tun nicht das Entspre­chende; sie tun alles, was sie tun, so, daß doch zugrunde liegt: auf die Vorstellung kommt es an! Und das Sonderbarste, was man heute erleben kann, ist ja dieses Leben der Menschen in solchen Widersprüchen.

noemen we zin. Het voorstellingsleven zet alles in beweging, het andere is eigenlijk alleen maar wat door dit voorstellingsleven aan het licht moet komen. Je kan zeggen: heel die herbartsiaanse manier van denken en alles wat zich daar tot nu op baseert, is doordrongen van een zeker niet bewust, maar onbewust geloof dat het echte zielenleven bestaat uit het verdwijnen van remmingen door steun van voorstellingen. U moet zich niet in de war laten maken door het feit dat tegenwoordig weliswaar zeer veel pedagogisch georiënteerde mensen willen bestrijden dat men alleen wil onderwijzen en opvoeden, door zich alleen te richten op het voorstellingsleven. Ze zeggen het wel, maar ze doen niet wat daar logischer wijze bij hoort; ze doen alles wat ze doen toch zo dat daaraan ten grondslag ligt: het komt op de voorstelling aan! En het meest wonderbaarlijke dat men tegenwoordig kan ervaren is, het leven van de mensen met dergelijke tegenspraak.
.

Was wird heute gepredigt und deklamiert davon, daß man eigentlich auf den ganzen Menschen sehen sollte, daß man sehen soll darauf, daß ja das Gemütsleben, also das Gefühls- und Willensleben, nicht zu kurz komme. Ja aber wenn man wieder an die Praxis geht, so ist es gerade bei denjenigen, die so über die Ausbildung des Gefühls- und Willenslebens deklamieren, am mei­sten der Fall, daß sie in der Erziehung und dem Unterricht intel­lektualisieren. Die Menschen verstehen sich eben selbst nicht, weil sich das Wort so sehr von der Sache entfernt hat und zur Phrase geworden ist.
Das sind die Dinge, auf die heute wirklich mit aller Intensität hingeschaut werden muß, wenn man gerade auf dem Gebiete des Erziehens und Unterrichtens zu denjenigen Forderungen strebt, die gerade unserem Kulturzeitraum entsprechen.
Damit komme ich zu einer Hauptsache: Man sagt schon, es komme nicht auf den Lehrstoff an, sondern auf den Zögling, aber, wie ich schon erwähnt habe, nach den Methoden der einseitigen

Wat wordt er tegenwoordig niet gepredikt en uitgedragen dat je eigenlijk naar de hele mens moet kijken, zodat het emotionele leven, dus het gevoels- en wilsleven niet tekortgedaan wordt. Ja, maar als je dan weer naar de praktijk kijkt, is het met name bij degenen die op een dergelijke manier de vorming van het gevoel- en wilsleven bepleiten, het meest zo, dat zij bij opvoeding en onderwijs nog het meest intellectualiseren. De mensen begrijpen zichzelf haast niet, omdat het woord zo ver af is komen te staan van de zaak en tot frase is geworden.
Dat zijn dingen waar we in deze tijd met grote aandacht naar moeten kijken, wil je met name op het gebied van opvoeding en onderwijs naar vooruitgang streven die bij onze cultuurfase hoort.
Hiermee kom ik bij de hoofdzaak: men zegt wel dat het niet op de leerstof aankomt, maar op de leerling, maar, zoals ik al zei, met de methoden van de eenzijdige

blz. 28

Wissenschaft will man durch eine Erziehungswissenschaft den Zögling studieren. Aber man kommt dem Menschen nicht nahe mit der äußerlich gerichteten Wissenschaft der letzten Jahrhunderte. Man braucht eine ganz andere Orientierung, um dem Menschen nahe zu kommen. Und diese Orientierung wird durch unsere anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft angestrebt. Wir wollen die äußerlich gewordene Anthropologie, die äußerlich ge­wordene Menschenerkenntnis ersetzen durch eine andere, die auf den ganzen Menschen, auf seine leibliche, seelische und geistige Wesenheit wirklich eingeht. Gewiß, man betont heute, auch dem Worte nach, das Geistige und das Seelische, aber man kennt es ja nicht.
Und so kommt es, daß man gar nicht aufmerksam darauf gewor­den ist, daß so etwas wie die Herbartsche Weltanschauung gerade mit Bezug auf die Seele ganz intellektualistisch ist, daß sie daher den Weg in unser Kulturzeitalter hinein nicht finden kann. Auf der anderen Seite will Herbart aufbauen auf Philosophie.

wetenschap wil men door een opvoedingswetenschap de leerling bestuderen. Maar je komt niet dichter bij de mens met een wetenschap die zich de laatste eeuwen richt op de buitenkant. Er is iets heel anders nodig om dichter bij de mens te komen. En daar streeft onze antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap naar. We willen de antropologie van de buitenkant, de uiterlijke menskunde vervangen door een andere die daadwerkelijk rekening houdt met de hele mens, zijn lichamelijk, psychisch en geestelijk wezen. Zeker, tegenwoordig legt men ook de nadruk wat het woord betreft op geest en ziel, maar men kent die niet.
En daardoor komt het dat men helemaal niet in de gaten heeft dat zoiets als de wereldbeschouwing van Herbart juist met het oog op de ziel, heel intellectualistisch is, en dat ze daardoor de weg in ons cultuurtijdperk niet kan vinden. Aan de andere kant wil Herbart bouwen op de filosofie.

Aber jene Philosophie, worauf er baut, ist ebenfalls mit dem Ende desjenigen Zeitraumes, der da seinen Abschluß genommen hat in der Mitte des 15. Jahrhunderts, zu ihrem Absterben gekommen. In unserem Zeit­raum will eine wirklich auf das Geistige gehende Weltanschauung Platz haben. Und von dieser Weltanschauung aus kann auch das Seelisch-Geistige des Menschen wirklich so erstarkt werden, daß es verbunden werden kann mit dem, was wir rein anthropologisch finden mit Bezug auf das Leiblich-Körperliche. Denn wahrhaftig groß ist unsere Zeit auch in der Kindheits-Erkenntnis in bezug auf das Leiblich-Körperliche, wenn sie auch vielfach das Seelische nur erwähnt. Aber nehmen Sie eine heutige Psychologie in die Hand und seien Sie dabei gesund empfindende Menschen – fragen Sie sich, was Sie aus einer heutigen Psychologie eigentlich gewinnen können. Da finden Sie Auseinandersetzungen über die Vorstel­lungswelt, über die Gefühlswelt, über die Willenswelt. Aber dasje­nige, was Sie an diese Worte Vorstellen, Fühlen, Wollen geknüpft finden – es ist im Grunde genommen ein Spiel mit Worten. Sie werden nicht klüger über das Wesen von Vorstellung, Gefühl und

Maar de filosofie waarvan hij uitgaat, is eveneens met de tijd van de cultuurfase die ten einde kwam in het midden van de 15e eeuw, aan het afsterven geraakt. In onze tijd moet er een echt nieuwe wereldbeschouwing komen. En door deze wereldbeschouwing kan ook de ziel en de geest van de mens daadwerkelijk zo sterker worden dat deze samen kunnen gaan met wat wij puur antropologisch vinden m.b.t. het levend-lichamelijke.[3] Want echt groot is in onze tijd ook de kennis van het kind m.b.t dit levend-lichamelijke, ook al wordt de ziel alleen maar aangestipt. Maar neem een psychologie van nu ter hand en stel je als een gezond waarnemend mens op – en vraag je af wat je nu aan zo’n psychologie hebt. Dan vind je uiteenzettingen over de voorstelling, over het gevoel, over de wil. Maar wat er nog aan woorden aan besteed is, is in de grond genomen slechts een woordenspel. Je wordt niets wijzer over het wezenlijke van voorstelling, gevoel en

blz. 29

Wille, wenn Sie die heutige Psychologie durchgehen. Daher kann man auf die heutige Psychologie auch nicht gut wirkliche Pädago­gik bauen. Es muß erst wiederum eingegangen werden können auf das Sachliche, auf das wirkliche Wesen von Vorstellen, Fühlen und Wollen. Dazu ist nicht nötig jener überreife, scholastische Geist, der heute in den Psychologien waltet, sondern dazu ist notwendig eine wirkliche Beobachtungsgabe für das menschliche Leben. Was heute beobachtet werden soll in den Psychologien und pädago­gischen Laboratorien, das kommt einem vor wie etwas, was in seinem Streben von dem besten Willen beseelt ist, was aber deshalb diese Richtung genommen hat, die es eben genommen hat, weil im Grunde genommen gar nicht die Fähigkeit da ist, eine wirkliche Menschenbeobachtung zu entfalten.
Man möchte am liebsten heute den werdenden Menschen in das psychologische Laboratorium einspannen und äußerlich kennen­lernen, wie er sich innerlich entwickelt, weil man das lebendige Verhältnis von Mensch zu Mensch verloren hat. Solche Beobach­tung ist für das Leben notwendig, und die ist in hohem Grade verlorengegangen. Wir reden heute über das Geistig-Seelische so, wie wir in bezug auf den Menschen über Äußeres reden. 

wil, wanneer je de psychologie van nu dóórloopt. Vandaar dat je op de huidige psychologie ook niet zo goed een echte pedagogie kan funderen. Eerst moet je weer op de feiten kunnen ingaan, op wat de voorstelling echt is en het gevoel en de wil. Daar is geen overrijpe, scholastische geest die tegenwoordig de psychologieën ademen, voor nodig, maar een echte waarnemingsgave voor het menselijk leven. Wat er tegenwoordig waargenomen moet worden in de psychologie en de pedagogische laboratoria, lijkt op iets wat voor dat doel met de beste wil bezield is, terwijl er in de aard der zaak niet eens het vermogen bestaat om een werkelijk waarnemen van de mens te ontplooien.
Men zou tegenwoordig het liefst de wordende mens in het laboratorium houden en uiterlijk leren kennen hoe hij zich innerlijk ontwikkelt, terwijl het levende contact van mens tot mens verloren is gegaan. Dit waarnemen is voor het leven noodzakelijk en dat is in hoge mate ter ziele. We praten tegenwoordig over ziel en geest net zoals we wat de mens betreft, het over iets uiterlijks hebben.

Wenn wir einem Kinde begegnen, einem Menschen mit 35 Jahren begegnen und einem Greis begegnen – wir sagen: dies ist ein Mensch, dies ist ein Mensch, dies ist ein Mensch. Aber eine wirkliche Beobachtung unterscheidet doch so, daß das Abstraktum Mensch seine gewisse Berechtigung hat, daß aber doch schließlich eine Wirklichkeit zu­grunde liegt: daß das Kind ein Mensch von 35 Jahren wird und daß ein Mensch von 35 Jahren ein Greis wird. Einer wirklichen Beob­achtung muß der Unterschied in diesem Werdegang sehr klar vor das Auge treten. Nun ist es verhältnismäßig leicht, ein Kind zu unterscheiden von einem Menschen mit 35 Jahren und von einem Greis. Aber schon etwas schwieriger ist es mit Bezug auf das Inner­liche des Menschen, nun wirkliche Beobachtungen für solche Un­terschiede anzustellen. Daher verwuselt man in der heutigen Zeit immerzu die Einheit mit der Mannigfaltigkeit, die Einheit des seelischen Lebens mit jener Mannigfaltigkeit, die zum Beispiel

Wanneer we een kind ontmoeten, een mens van 35 jaar ontmoeten en een bejaarde – zeggen we: dit is een mens, dit is een mens en dit is een mens. Maar een echte waarneming maakt wel verschil, wél is de abstractie mens in zekere zin gerechtvaardigd, maar dat er uiteindelijk wel een realiteit aan ten grondslag ligt: dat het kind een mens van 35 jaar wordt en de mens van 35 een bejaarde. Bij een echte waarneming moet dat verschil in dit wórden, wel helder voor ogen staan. Nu is het betrekkelijk makkelijk een kind te onderscheiden van een mens van 35 en van een bejaarde. Maar het is al wat moeilijker als het om het innerlijk gaat dergelijke verschillen echt waar te nemen. Vandaar dat in de huidige tijd steeds weer de totaliteit en de details in de war raken; de eenheid van het zielenleven met dat vele, wat b.v.

blz. 30

durch die drei Glieder des Seelenlebens – Denken, Fühlen und Wollen – ausgelöst wird. Sind denn Denken, Fühlen und Wollen ganz voneinander verschiedene Dinge? Wären sie das, dann wäre ja unser Seelenleben absolut in drei Glieder gespalten, dann wäre kein Übergang zwischen Wollen, Fühlen und Denken und damit dem Intellektuellen des Menschen, wenn dies drei Glieder des mensch­lichen Seelenlebens wären, die man einfach so, wie es die Menschen heute bequem finden, zur Einteilung nebeneinander stellen könnte. Gerade aus dem Grunde, weil man das nicht kann, versucht Herbart, Denken, Fühlen und Wollen einheitlich zu betrachten. Aber er hat das Ganze nach der Vorstellungsseite hinübergeleitet, und seine ganze Psychologie ist im Grunde genommen intellektuali­stisch geworden. Man muß einen Sinn in sich entwickeln, auf der einen Seite die Einheit von Denken, Fühlen und Wollen zu sehen und auf der anderen Seite wiederum die Unterschiede von Denken, Fühlen und Wollen zu erkennen.
Betrachtet man nun, nachdem man sich genügend dazu vorbe­reitet hat, das Wollen des Menschen, alles, was mit Begehren und Wollen zusammenhängt, dann kann man dieses Wollen mit etwas vergleichen, was weiter im Seelenleben davon absteht, mit dem Intellektuellen, und man kann sich fragen: 

door de drie aspecten van het zielenleven: denken, voelen en wollen uitgelokt wordt. Zijn denken, voelen en willen dan heel van elkaar verschillende zaken? Als ze dat waren, dan zou ons zielenleven absoluut in drie delen gespleten zijn, er zou dan geen overgang tussen willen, voelen en denken en daarmee met de intellectuele mens zijn wanneer dit drie delen van de menselijke ziel zouden zijn die men simpelweg, zoals de mens dat makkelijk vindt, als indeling naast elkaar zou kunnen zetten. Juist omdat je dat niet kan doen, probeert Herbart denken, voelen en willen als eenheid te beschouwen. Maar het totaal heeft hij aan de voorstellingskant gezet en heel zijn psychologie is in wezen intellectualistisch geworden. Je moet er een zintuig voor ontwikkelen om enerzijds de eenheid van denken, voelen en willen te zien en anderzijds het verschil tussen denken, voelen en willen te leren kennen.
Bekijk je nu, wanneer je je daar voldoende op heb voorbereid, de wil van de mens, alles wat met verlangen en willen samenhangt, dan kan je dit willen met iets vergelijken dat daar in het zielenleven verder vanaf staat, met het intellectuele en dan kan je je afvragen:

Wie verhält sich das Willensleben, das Begehrungsleben zum intellektuellen Vorstel­lungsleben? Und man kommt nach und nach darauf, daß ein Entwicklungsunterschied besteht zwischen dem Wollen, dem Be­gehren und dem Vorstellen, ein solcher Entwicklungsunterschied wie zwischen dem Kinde und dem Greise zum Beispiel. Aus dem Kinde wird der Greis in der Entwicklung; aus dem Wollen wird in der Entwicklung das Vorstellen. Die beiden sind nicht so voneinander verschieden, daß man sie nebeneinander stellen kann und sagen: Das eine ist das, das andere ist das -, sondern sie sind so voneinander verschieden, wie Entwicklungszustände verschie­den sind. Man wird erst das menschliche Seelenleben in seiner Ein­heit richtig verstehen können, wenn man wissen wird: Wenn ein scheinbar reines Begehren in der menschlichen Seele, ein reines Wollen auftritt – so ist das eine jungzuständliche Äußerung des

Hoe staan het wilsleven, het begeerteleven en het intellectuele voorstellingsleven dan t.o.v. elkaar? En langzamerhand kom je erop dat er een verschil in ontwikkeling is tussen de wil, het verlangen en het voorstellen, net zo’n verschil als tussen het kind en de bejaarde, b.v. Uit het kind wordt in de ontwikkeling de bejaarde; uit de wil wordt in de ontwikkeling de voorstelling. Beide zijn niet zo verschillend van elkaar dat je ze naast elkaar kan zetten en zeggen: het ene is dit, het andere is dat – maar, ze verschillen, zoals ontwikkelingsfasen van elkaar verschillen. Je zal het menselijke zielenleven als totaliteit pas echt kunnen begrijpen, wanneer je weet: wanneer er een schijnbaar puur verlangen in de menselijke ziel een pure wil oproept – dan is dat een uiting van ’t wat jonge

blz. 31

Seelenlebens, da lebt die Seele in ihrem Jugendzustand. Tritt intel­lektuelles Leben auf, tritt Vorstellungsleben auf, so lebt die Seele in dem Zustand, der schon voraussetzt die Willensentfaltung, der geworden ist aus der Willensentfaltung, und das Gemüts- und Gefühlsleben steht mitten drin, so wie der fünfunddreißigjährige Mensch zwischen dem Kinde und dem Greise. Durch das Gemütselement hindurch entwickelt sich das Wollen zum intellektuellen Leben. Nur dadurch, daß man Wollen, Fühlen und Denken nicht wie drei nebeneinanderstehende Seelenfähigkeiten auffaßt, wie es von Herbart bekämpft, aber nicht richtig korrigiert worden ist, sondern dadurch, daß man diese drei Seelenfähigkeiten in ihrer Lebendigkeit, in ihrem Auseinanderhervorgehen auffaßt, kommt man zu einer wirklichen Erfassung des menschlichen Seelenlebens.
Nun wird aber allerdings die Beobachtung leicht getäuscht, wenn wir das Seelenleben nach diesem Gesichtspunkte auffassen. Die Beobachtung wird leicht getäuscht, weil wir niemals innerhalb des Lebens zwischen Geburt und Tod beim Menschen stehenblei­ben können, wenn wir diese Gesichtspunkte zugrunde legen. Wer da glauben wollte, daß das Leben zwischen Geburt und Tod so verläuft, daß einfach aus dem Willen sich die Intelligenz entwickelt, der würde auf einem falschen Boden stehen.

zielenleven, de ziel bevindt zich in haar jeugdfase. Wanneer er intellectuele voorstellingen optreden, bevindt de ziel zich in een toestand die de ontplooiing van de wil veronderstelt, een toestand die ontstaan is uit deze ontplooiing en het gemoeds-, het gevoelsleven staat daar midden tussen, zoals de vijfendertigjarige mens tussen het kind en de bejaarde staat. Door het element van de gevoelens heen ontwikkelt de wil zich tot intellectueel leven. Alleen door willen, voelen en denken niet als drie naast elkaar staande zielenvermogens op te vatten, zoals door Herbart wordt bestreden, maar niet op een goede manier rechtgezet is, maar door deze drie zielenvermogens in hun levendigheid te nemen, hoe ze vanuit elkaar verschijnen, kom je tot een goede opvatting over het menselijke zielenleven.
Maar wanneer je het zielenleven in deze richting opvat, kan je waarneming je makkelijk bedriegen. Dat gebeurt snel, omdat we tussen geboorte en dood nooit bij de mens stil kunnen blijven staan als we deze gezichtspunten als basis nemen. Wie denkt dat het leven tussen geboorte en dood zo verloopt dat eenvoudigweg uit de wil de intelligentie zich ontwikkelt, bevindt zich op drijfzand.

Wir sehen, wie sich die Intelligenz allmählich heraus offenbart aus den Untergründen der menschlichen Wesenheit bei dem werdenden Kinde. Wir können dasjenige, was da an Intelligenz auch durch die Erziehung herausgeholt werden kann, nur herausholen, wenn wir uns bewußt sind, daß dasjenige, was das Kind erlebt nach seiner Geburt, die Vorstel­lung, die Folge dessen ist, was es erlebt hat vor der Geburt be­ziehungsweise in dem vorgeburtlichen Dasein, vor der Empfängnis. Und wir verstehen dasjenige, was als Wille sich ausbildet im Leben zwischen Geburt und Tod nur, wenn wir Rücksicht nehmen dar­auf, daß der Mensch durch die Pforte des Todes geht, in ein geisti­ges Leben eingeht und sich dort sein Willenselement weiter ausbil­det. Wir können nicht, ohne auf das Gesamtleben des Menschen Rücksicht zu nehmen, den Menschen wirklich erziehen. Wenn wir uns bloß sagen: wir wollen das heranerziehen, was in der Zukunft

We zien hoe de intelligentie stap voor stap uit de diepten van het mensenwezen bij het kleine kind naar buiten komt. Wij kunnen, wat ook door de opvoeding aan intelligentie naar boven gehaald kan worden, alleen maar oproepen wanneer we ons bewust zijn dat wat het kind na de geboorte beleeft, de voorstelling, een gevolg is van wat het beleefd heeft vóór de geboorte, of in het voorgeboortelijke leven, voor de conceptie. En we begrijpen dat wat zich als wil ontwikkelt tussen geboorte en dood alleen maar, wanneer we er rekening mee houden dat de mens door de poort van de dood gaat, een geestelijk leven binnengaat en daar zijn element van de wil verder ontwikkelt. We kunnen, zonder rekening te houden met het totaalbeeld van de mens, de mens niet echt opvoeden. Wanneer we alleen maar zeggen: wij willen opvoeden wat in de toekomst

blz. 32

da sein soll – dann nehmen wir keine Rücksicht darauf, daß die Menschenwesenheit so beschaffen ist, daß jedes Kind rätselhaft von Tag zu Tag, von Woche zu Woche, von Jahr zu Jahr durch das Gewebe des Leibes das offenbart, was sich entwickelt hat im vor­geburtlichen, beziehungsweise vor der Empfängnis liegenden Le­ben. Und mit Bezug auf den Willen werden wir niemals eine rich­tige Ansicht gewinnen, wenn wir uns nicht bewußt werden, daß dasjenige, was sich als Wille geltend macht, nur ein Keim ist, der erst zur vollen Entfaltung kommt, wenn der äußere Leib, in dem er sich wie in einem Boden entwickelt, abgelegt ist. Gewiß, wir müs­sen die sittlichen Ideen in einem Menschen entwickeln, aber müs­sen uns klar sein, daß diese sittlichen Ideen mit ihrem Eingebettet-sein in den Willen noch nicht zwischen Geburt und Tod alles das bedeuten, als was sie sich äußern, sondern daß ihr volles Leben erst auftritt, wenn dieser Leib verlassen ist. Das schockiert den heutigen Menschen noch, wenn man für eine vollständige Menschen-erkenntnis eine Eingliederung des Menschen in die ganze, auch zeitliche Welt fordert, wenn man dazunimmt zu dem, was im Men­schen lebt, dasjenige, was er vor der Geburt durchgemacht hat und was er nach dem Tode durchmachen wird. 

er moet zijn – dan houden we er geen rekening mee dat het mensenwezen zo geschapen is dat ieder kind op raadselachtige manier iedere dag, iedere week, ieder jaar door het samenstel van zijn lichaam naar buiten brengt wat zich in het voorgeboortelijke, respectievelijk voor de conceptie liggend leven ontwikkeld heeft. En wat de wil betreft zullen we nooit een juist inzicht krijgen, wanneer we ons niet bewust worden dat wat zich als wil doet gelden, maar een kiem is, die pas vol tot bloei komt wanneer het uiterlijke lichaam waarin die wil zich als in bodemgrond ontwikkelt, afgelegd is. Zeker, we moeten bij een mens morele ideeën ontwikkelen, maar we moeten ons bewust zijn dat deze ideeën, ingebed in de wil, tussen geboorte en dood niet alles betekenen zoals ze zich voordoen, maar dat ze pas volledig zichtbaar worden, wanneer dit lichaam verlaten is. Wanneer je voor een complete menskunde vraagt om de mens onder te brengen in de totale wereld, ook in de tijd, wanneer je daarbij betrekt wat hij vóór de geboorte meegemaakt heeft en wat hij na de dood zal meemaken, is dat schokkend voor de mensen.

Aber nimmt man das nicht dazu, betrachtet man den Menschen so, wie es die heutige Anthropologie tut, nur in seinen Äußerungen zwischen Geburt und Tod, so hat man es nicht mit dem vollständigen Menschen zu tun, sondern nur mit einem Stück des Menschen, und dieses Stück des Menschen kann man aus dem Grunde nicht erziehen, weil man sich hinstellt vor das werdende Kind und etwas erziehen will, wovon man nichts weiß. Es wollen die Eigenschaften heraus, die sich entwickeln wollen nach Maßgabe dessen, was vorgeburtlich ist; aber man nimmt keine Rücksicht darauf. Man löst nicht das Rätsel des Kindes, weil man keine Ahnung hat, was in dem Kinde rinnen steckt aus dem Leben vor der Geburt, und man löst das Rätsel des Kindes auch nicht nach der anderen Seite, weil man nicht weiß, was Werdeprinzip ist, was sich erst entwickelt, wenn es durch den Tod gegangen ist.
Das muß eine Hauptforderung der heutigen Erziehung werden,

Maar wanneer je dat er niet bij neemt, wanneer je de mens beschouwt zoals de antropologie dat doet, alleen wat er zichtbaar is tussen geboorte en dood, dan heb je niet met de totale mens van doen, maar slechts met een deel en dit deel kan je niet opvoeden omdat je voor het levende kind staat en je iets wil opvoeden waarvan je niets weet. Er willen zich eigenschappen manifesteren die zich willen ontwikkelen in samenhang met wat voorgeboortelijk is; men houdt daar echter geen rekening mee. Je lost het raadsel van het kind niet op wanneer je geen besef hebt van wat er in het kind zit uit het leven vóór de geboorte en je lost het raadsel ook niet op naar de andere kant, wanneer je niet weet wat het wordende is, wat zich pas ontwikkelt wanneer het kind is gestorven.
Dat moet de vraag aan de huidige opvoeding worden,

blz. 33

aus einer Wissenschaft heraus, die den ganzen Menschen ins Auge faßt; nicht aus einer Wissenschaft heraus, die behauptet, statt auf den Lehrstoff auch auf den Zögling zu sehen; nicht aus einer Wis­senschaft, die nicht den Menschen ins Auge faßt, sondern ein wesenloses Abstraktum des Menschen. Es ist wahrhaftig keine ein­seitige Mystik, die dem Erziehungswesen zugrunde gelegt werden soll, indem so gesprochen wird, sondern es ist nur eine vollständige Beobachtung des ganzen Menschenwesens. Es ist der Wille, wirk­lich den ganzen Menschen in der Erziehung zu begreifen. Strebt man einseitig, so wie Herbart, nach der Entwicklung der Intellek­tualität, so muß Willens- und Gemütsbildung unerzogen und un­entwickelt bleiben, denn man wird dann glauben, daß man durch das Beibringen von gewissen Vorstellungen, durch das Aufstellen und Vorbringen gewisser Vorstellungen jene Bewegung, jene Hem­mung und Sich-Stützung der Vorstellung hervorrufen kann, von der man ja spricht, wenn man von dem Gefühl und dem Willen spricht. Das kann man nicht; man kann nur den altgewordenen Willen, das heißt die Intellektualität, durch eine intellektuelle Er­ziehung entwickeln. 

vanuit een wetenschap die naar de hele mens kijkt; niet vanuit een wetenschap die beweert i.p.v. naar de leerstof naar de leerling te kijken; niet vanuit een wetenschap die geen oog heeft voor de mens, maar voor een wezenloze abstractie mens. Het is echt geen eenzijdige mystiek die aan het wezen van de opvoeding ten grondslag gelegd moet worden als er zo gesproken wordt, maar een totaal waarnemen van de hele mens. De wil om daadwerkelijk naar de hele mens te kijken, bestaat heus wel. Streef je eenzijdig, zoals Herbart, naar de ontwikkeling van het intellect, dan blijven wils- en gevoelsvorming onopgevoed en onontwikkeld, want dan zal men geloven dat men door het bijbrengen van zekere voorstellingen iedere beweging, iedere hindernis en het op zichzelf staan van de voorstelling, op kan roepen, daarover spreekt men wanneer men over gevoel en wil spreekt. Dat kan men niet; men kan alleen de oud geworden wil, d.w.z. de intellectualiteit, door een intellectuele opvoeding ontwikkelen.

Man kann das Gemüt nur durch jenes Verhält­nis entwickeln, das sich herausbildet zwischen Lehrer und Zögling in einer gemüthaften Weise selbst; und man kann den Willen nie­mals anders entwickeln, als indem man sich bewußt wird der ge­heimnisvollen Fäden, die unterbewußt zwischen Zögling und Er­zieher sind. Alles abstrakte Aufstellen von Erziehungsgrundsätzen für die Gemüts- und Willensentwicklung kann nichts fruehten, wenn nicht Rücksicht genommen wird auf die Durchdringung des Erziehers und Unterrichtenden selbst mit solchen Gemüts- und Willenseigenschaften, die geistig – nicht durch Ermahnung, das ist physisch – wirken können auf den Zögling. So muß auch das Erziehungs- und Unterrichtsverhältnis nicht einseitig auf Intellek­tualität gebaut sein, sondern muß ganz auf die Beziehung zwischen Mensch und Mensch gestellt sein. Sie sehen daraus, daß es notwen­dig ist, alles, was auf Erziehung sich bezieht, zu erweitern, also darauf Rücksicht zu nehmen, daß tatsächlich jenes intime Ver­hältnis zwischen Erzieher und Unterrichter und dem Zögling

Je kan het gevoel alleen maar ontwikkelen doordat zich een gevoelsrelatie tussen leerkracht en leerling vormt op een gevoelsmatige manier zelf; en je kan de wil nooit anders ontwikkelen dan door je bewust te worden van de geheimzinnige banden die er onbewust tussen de leerling en de leerkracht bestaan. Al dat abstract formuleren van opvoedingsbeginselen voor de gevoels- en wilsontwikkeling levert niets vruchtbaars op wanneer er geen rekening wordt gehouden met zulke gevoels- en wilseigenschappen die de leerkracht zelf vervullen– die geestelijk – niet door ge- en verbod, dat is fysiek – kunnen werken op de leerling. Dus ook de opvoedings- en onderwijsrelatie moet niet eenzijdig op intellectualiteit stoelen, maar in z’n geheel berusten op de relatie van mens tot mens. Daaraan kan je zien dat het nodig is om alles wat te maken heeft met opvoeden, te verruimen, dus er rekening mee te houden dat die tere verhouding tussen opvoeder/leraar en leerling

blz. 34

hergestellt werden kann, wodurch hinausgehoben wird über die Phrase der Satz: man solle nicht Lehrstoff übermitteln, sondern man solle den Zögling erziehen. Das wird man aber nur können, wenn man sich bewußt wird, daß dann, soll so etwas erstrebt wer­den, das ganze Leben des Unterrichtenden und Erziehenden nicht abhängig sein kann von etwas anderem, von dem staatlichen oder dem Wirtschaftsleben, sondern daß das Erziehungs- und Unter­richtswesen ganz allein auf sich selbst gestellt sein muß, damit es wirken könne aus seinen eigenen Impulsen, aus seinen eigenen Bedingungen heraus.
Was geltend gemacht wird sowohl auf anthroposophischem Ge­biete wie auf dem Gebiete der Dreigliederung des sozialen Orga­nismus, das wird ja eigentlich dumpf von den besseren Persönlich­keiten der gegenwärtigen Menschheit schon gefühlt. Aber da auch diese besseren Persönlichkeiten der gegenwärtigen Menschheit mutlos davor zurückscheuen, sich wirklich einzulassen auf eine geistige Erfassung des Lebens, wie sie angestrebt wird durch eine anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft, so können diese Persönlichkeiten beim besten Willen das volle Wesen des Men­schen nicht erkennen, was sie dazu bringen könnte zu sagen:

tot stand gebracht kan worden, waardoor boven de frase uitgetild wordt de zin: je moet niet de leerstof overbrengen, maar je moet het kind opvoeden. Dat kan je echter alleen maar, wanneer je je bewust wordt dat dan, wil je zoiets nastreven, het hele leven van de leerkracht en de opvoeder niet afhankelijk kan zijn van iets anders, van de staat of van het economisch leven, maar dat opvoeding en onderwijs autonoom moeten zijn, zodat het kan werken vanuit zijn eigen impulsen, vanuit zijn eigen voorwaarden.
Wat naar voren gebracht wordt en op antroposofisch gebied en op het gebied van de driegeleding van het sociale organisme, dat wordt eigenlijk wel aangevoeld door de sterkere persoonlijkheden in de mensheid van nu, op een doffe manier. Maar omdat zij er moedeloos voor terugdeinzen echt werk te maken van een geestelijke opvatting over het leven zoals die nagestreefd wordt door een antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap, kunnen deze persoonlijkheden met de beste wil van de wereld het volle wezen van de mens niet kennen, wat hen ertoe zou kunnen brengen te zeggen:

Gerade das Unterrichts- und Erziehungswesen muß auf die wirk­liche Erfassung und auf das wirkliche Erleben des geistig Impul­siven selbst gestellt sein. Es ist interessant zu sehen, wie, ich möch­te sagen kümmerlich sich durch die Kultur der Gegenwart durchzwängen manche Gefühle besserer Persönlichkeiten nach einer Befreiung des Unterrichts- und Erziehungswesens und wie sie nicht heraus können, weil sie eigentlich nicht wissen, was sie machen sollen, weil sie im Widerspruch drinnen leben, mit einer Wissenschaft reformieren zu wollen, die noch ganz aus dem Alten herausgewachsen ist.
Da liegt ein Buch vor mir über «Entwicklungs-Psychologie und Erziehungswissenschaft» von Doktor Johannes Kretzschmar*, der tatsächlich etwas Neues aus dem Unterricht machen will, der da fühlt, daß das Unterrichtswesen nicht richtig in der sozialen Ver­fassung der Gegenwart drinnen steht. Sehen wir uns einmal etwas

Juist opvoeding en onderwijs moeten zich baseren op de juiste opvatting en op het werkelijk beleven van geestelijke impulsen zelf. Het is interessant te zien hoe sommige gevoelens van grotere persoonlijkheden zich moeizaam een weg banen door de cultuur van nu om onderwijs en opvoeding te bevrijden en hoe ze niet verder komen, omdat ze eigenlijk niet weten wat ze moeten doen, omdat ze in tegenspraak leven door met een wetenschap te willen vernieuwen die nog helemaal uit het oude ontstaan is.
Voor mij ligt een boek over ‘Ontwikkelingspsychologie en opvoedwetenschap’ van Dr. Johannes Kretzschmar*, die daadwerkelijk iets nieuws wil met het onderwijs; die aanvoelt dat het onderwijs niet op een goede manier in de sociale vorm van de tegenwoordige tijd staat. Laten we eens bij deze man

*Johannes Kretzschmar, geb. 1876, Realschuloberlehrer und Assistent am Institut für Kultur- und Universalgeschichte an der Universität Leipzig. «Entwicklungs-psychologie und ErziehungswissenschafL Eine pädagogische Studie auf entwick­lungstheoretischer, ethnologischer und kulturhistorischer Grundlage», Leipzig
1912.
.
*Johannes Kretzschmar, geb. 1876, hoogleraar en assistent aan het Instituut voor cultuur- en algemene geschiedenis aan de universiteit van Leipzig. Ontwikkelingspsychologie en opvoedingswetenschap. Een pedagogische studie op basis van theoretische ontwikkeling, ethnologie en cultuurgeschiedenis’, Leipzig 1912.
.

blz. 35

Charakteristisches gerade bei diesem Mann an. Er sagt auf Seite 210 seines Buches:
«Gehen wir nun auf diese Weise vom Standpunkte der selb­ständigen, der forschenden Erziehungswissenschaft aus» – und er meint eine Erziehungswissenschaft damit, die durchaus auf der Grundlage der alten Wissenschaft gebaut ist -, «so wird dadurch nicht nur die Lehrerbildung und die Schularbeit beeinflußt, son­dern auch die Stellung des Lehrers, des Pädagogen im Staate, in der Schulverwaltung. Zunächst ist prinzipiell selbstverständlich, daß der Lehrer, ähnlich wie der Arzt, Staat und Gemeinde gegenüber eine Vertrauensstellung einnehmen muß. Sie müssen ihm zugeste­hen, daß auch die Erziehung – wie die Gesundheitspflege – eine Sache ist, für die in erster Linie das Gutachten des wissenschaftlich geschulten Sachverständigen maßgebend sein muß, nicht die Wün­sche und Forderungen politischer und kirchlicher Parteien; daß ferner die Leitung der Schule weniger eine Verwaltungstätigkeit als eine wissenschaftliche Funktion ist».
Was fühlt der Mann also? 

naar iets karakteristieks kijken. Op blz. 210 van zijn boek zegt hij:
‘Wanneer we op deze manier uitgaan van het standpunt van de zelfstandige, de onderzoekende opvoedwetenschap’ – en daarmee bedoelt hij een opvoedwetenschap die volstrekt gefundeerd is in de oude wetenschap – ‘dan wordt daardoor niet alleen de lerarenopleiding en het werk in de school beïnvloed, maar ook de positie van de leraar, de pedagoog bij de staat, in de school. Allereerst is het principieel vanzelfsprekend dat de leerkracht, net als de arts, tegenover de staat en de gemeenschap een vertrouwenspositie in moet nemen. Ze moeten hem toestaan dat ook de opvoeding – zoals de gezondheidszorg – een zaak is voor wie in de eerste plaats de expertise van de wetenschappelijk geschoolde deskundige maatgevend moet zijn, niet de wensen en eisen van politieke en kerkelijke partijen; verder, dat de leiding van de school minder een administratieve dan een wetenschappelijke functie behelst.’
Wat voelt de man eigenlijk?

Er fühlt, daß die Verwaltungstätigkeit, die eine staatliche Funktion ist, nicht so voll ausgedehnt werden kann auf den Unterricht und die Erziehung und daß in den Impul­sen des Unterrichtenden und Erziehenden zu wenig von dem drin ist, was man über das Wesen des Menschen wissen kann. Der Mann möchte die Verwaltung ersetzt wissen durch eine Erteilung des Unterrichts- und Erziehungswesens im Sinne desjenigen, was man wissenschaftlich über das Wesen des Menschen erkennen kann. Deshalb sagt er aus einem dumpfen Gefühl heraus: «daß ferner die Leitung der Schule weniger eine Verwaltungstätigkeit als eine wis­senschaftliche Funktion ist, mithin nicht auf dem Wege behörd­licher Verordnungen bis in alle Einzelheiten hinein vorgeschrieben werden kann. Gemeinde und Staat müssen zur Lehrerschaft das volle Vertrauen haben, daß sie ihrem Amte gewachsen ist, daß sie ihrer Pflicht in vollem Umfange sich bewußt und daher von äuße­ren Anregungen unabhängig ist. Dieses Vertrauen wird sich darin äußern, daß – soweit die internen Angelegenheiten des Schulbetrie­bes in Betracht kommen – neben den Direktoren auch die Kollegien

Hij voelt dat het bestuur dat een staatsfunctie is, niet zo helemaal over onderwijs en opvoeding uitgebreid kan worden en dat de impulsen van de leraar en opvoeder te weinig bevat van wat je over het wezen van de mens kan weten. De man zou het bestuur willen vervangen door het geven van onderwijs en opvoeding in de zin van wat men wetenschappelijk over het wezen van de mens kan weten. Daarom zegt hij vanuit een vaag gevoel: dat verder de leiding van de school minder een bestuurszaak is dan wel een wetenschappelijke functie, derhalve niet met overheidseisen tot in alle details voorgeschreven kan worden. Gemeenschap en staat moeten de leerkrachten ten volle vertrouwen, dat zij voor hun beroep geschikt zijn, dat ze zich ten volle bewust zijn van hun plicht en daardoor onafhankelijk zijn van van buiten komende voorstellen. Dit vertrouwen zal blijken uit – voor zoverre de interne aangelegenheden van het schoolleven in aanmerking komen – dat naast de directeur ook de collega’s

blz. 36

zu ihrem Recht kommen, der Lehrer also nicht bloß als Untergebener, als Beamter betrachtet wird. Die rechte Würdigung der pädagogischen Tätigkeit wird sich sodann in der Regelung der Schulaufsichtsfrage zeigen müssen. Weder der Geistliche noch der Philolog kann als die geeignete Persönlichkeit für die Schulleitung und Schulauflicht erachtet werden.»
Man fragt sich dann nur: Wieso kommt der Mann noch nicht dazu, auch einzusehen, daß auch der Schulaufseher nicht vom Staat ernannt werden kann, daß er aus dem Schulwesen selber heraus gestellt werden müßte?
«Beides muß durchaus in die Hände von Fachleuten, von Päd­agogen, gelegt werden»: Ja, warum soll es dann nicht gleich vom pädagogischen Felde aus geleitet werden? Warum erst auf dem Umwege von etwas, was im Grunde genommen sachlich nicht mitsprechen kann!
«Daß auch Fürsorgeerziehungsanstalten, Schwachsinnigenschu­len usw. weder von Pfarrern noch von Ärzten zu leiten sind, bedarf wohl keines eingehenden Beweises. – Von größter Wichtigkeit ist aber nun vor allem der Einfluß der Lehrerschaft auf die Schul­gesetzgebung. »

tot hun recht komen, de leraar niet alleen maar als ondergeschikte, als ambtenaar gezien wordt. De juiste waardering van het pedagogisch werk moet dan als zodanig in de regeling van de schoolinspectievraag zichtbaar worden. Nog de geestelijke, noch de filoloog kan als de geschikte persoon voor de schoolleiding en het toezicht beschouwd worden.’
Dan vraag je je alleen maar af: waarom komt de man er nog niet toe in te zien dat ook de inspecteur niet door de staat benoemd kan worden, dat deze uit het schoolwezen zelf moet komen?
‘Beide moet zeer zeker in de handen van vakmensen, van pedagogen, gelegd worden.’ Ja, waarom eerst langs een omweg van iets wat in de aard der zaak feitelijk niet mee kan spreken!
‘Dat ook de jeugdhulpverleningsinstituten en instellingen voor verstandelijk gehandicapten enz. nog door priesters, noch door artsen moeten worden geleid, behoeft wel geen nader bewijs. – Van het grootste belang is echter toch vooral de invloed van de leraren op de schoolwetgeving.’

Dieser Einfluß der Lehrerschaft auf die Schulgesetzgebung wird ganz gewiß am allergrößten dann sein, wenn die Lehrer selbst diese Schulgesetze machen in dem selbstverwalteten Geistesleben im Sin­ne des dreigliedrigen sozialen Organismus.
Sie sehen in alledem ein dumpfes Sich-Hinbewegen zu dem, wozu nur der Impuls des dreigliedrigen sozialen Organismus den Mut hat, es wirklich in die Außenwelt einpflanzen zu wollen. Als Bedürfnis ist es bei den besten Menschen der Gegenwart vorhan­den, was der Impuls der Dreigliederung des sozialen Organismus will. Nur sind diese besten Menschen der Gegenwart in ihrem geistigen Atmen so beengt durch die dumpfe Luft des heutigen öffentlichen Lebens, durch die Vorurteile, welche alles zusammenschweißen in den Einheitsstaat, so daß sie nicht dazu kommen, ihre Gedanken wirklich zu Ende zu bringen. Und so kann man lesen, daß die Gesetzgebung «wird darauf hinzuwirken haben, daß der

Deze invloed van de leraren op de schoolwetgeving zal zeer zeker het allergrootst zijn, wanneer de leerkrachten zelf de schoolwetten opstellen in het geestesleven dat zichzelf bestuurt in de zin van de sociale driegeleding.
Je ziet in alles een wat vaag zich bewegen naar de impuls waarvoor het driegelede sociale organisme de moed heeft het daadwerkelijk in de buitenwereld neer te willen zetten. Bij de beste mensen van nu bestaat de behoefte aan wat de impuls van de sociale driegeleding wil. Alleen, de beste mensen van nu hebben geestelijk zo weinig adem door de bedompte lucht van het huidige officiële leven, door de vooroordelen die alles in de eenheidsstaat laten samenkomen, dat zij er niet toe komen hun gedachten te verwerkelijken. En dan kan je lezen dat de wetgeving ‘ernaartoe moet werken dat de

blz. 37

Einfluß der Schule auf das Elternhaus durch den Staat zu stützen und zu stärken ist, daß unter Umständen schulfeindliche und wi­derspenstige Eltern zur richtigen Erziehung ihrer Kinder zu zwin­gen sind. Die Schulsynode würde also den Staat zu bestimmen suchen, daß er nicht nur das Aufsichtsrecht über das Schulwesen ausübt, sondern auch den Lehrer schützt und unterstützt in seiner Wirksamkeit. »
Man fragt sich: Ja, warum soll das der Lehrer nicht alles selber machen können? – Weil solche Menschen, die nach dieser Richtung denken, eben, wie gesagt, die freie Atemluft nicht fühlen, die das freie Geistesleben gewährt. Sie sind durch die Verkümmerung des Denkens im Sinne des alten Einheitsstaates soweit gebracht wor­den, daß sie gar nicht daran denken, welch ein Unding es doch ist, daß dasjenige, was – wie sie es selbst verlangen – von dem geistigen Gliede des sozialen Organismus verwaltet werden soll, nicht erst von dem Rechtsgliede befohlen, nicht erst von dem Rechtsgliede geschützt und unterstützt zu werden braucht. Sind nicht die Wor­te, daß der Lehrer «geschützt und unterstützt werden soll» vom Staate, recht charakteristisch? Das ist so, wie wenn jemand sagt:

invloed van de school op de ouders door de staat gesteund en versterkt wordt, dat onder bepaalde omstandigheden ouders die vijandig tegenover de school staan of zich weerbarstig opstellen tot een goede opvoeding van hun kinderen gedwongen kunnen worden. De schoolsynode (in Zwitserland, in bepaalde kantons, een overkoepelende vergadering van leerkrachten) zou dus de staat moeten laten vastleggen dat deze niet alleen het recht van inspectie over het onderwijs uitoefent, maar ook de leraren beschermt en ondersteunt bij hun werk.’
Dan vraag je je af: Ja, maar waarom zou de leerkracht dat allemaal niet zelf kunnen? – Omdat zulke mensen die in deze richting denken, dus, zoals gezegd, niet vrij kunnen ademen zoals het vrije geestesleven dat mogelijk maakt. Zij zijn door het verslappen van het denken in de trant van de oude eenheidsstaat zover gebracht, dat ze er zelfs niet meer aan denken, wat voor gedrocht het toch is, dat wat zij zelf graag willen, wat door het geestesleven van het sociale organisme verzorgd moet worden, niet in de eerste plaats door het rechtsleven bevolen, niet door het rechtsleven beschermd en ondersteund dient te worden. Zijn de woorden dat de leraar ‘beschermd en ondersteund moet worden’ door de staat nou niet typisch? Het is alsof iemand zegt:

Wir getrauen uns nicht, selber diesen Zustand herbeizuführen, der wünschenswert wäre, wir wollen, daß wir angetrieben werden. Aber dieser Antrieb kommt nicht. Denn auf jener Seite, von der man ihn erwartet, besteht eben – selbstverständlich ganz gerecht­fertigt – kein Verständnis für das, was eigentlich geschehen soll.
«Dieser größere Einfluß des Staates auf die Erziehung» – also er will sogar noch einen größeren Einfluß des Staates auf das, was der Lehrer und Erzieher tun soll – «liegt ja ganz logisch in der Rich­tung der historischen Entwicklung.» Ja, in der Richtung der histo­rischen Entwicklung liegt es wirklich, aber die historische Ent­wicklung muß um ihrer Gesundheit willen einen anderen Lauf nehmen als zu dem, wozu sie bis jetzt den Anlauf nimmt. Denken Sie einmal, eine Pflanze würde im Sinne der Goetheschen Meta­morphose immer nur grüne Blätter hervorbringen und nicht vom grünen Laubblatt zum farbigen Blumenblatt übergehen wollen, dann würde sie das Ziel ihrer Entwicklung nicht erreichen. In ähnlichem

Wij durven het niet aan zelf deze omstandigheden in het leven te roepen die wij voor wenselijk houden, wij willen dat wij daartoe aangezet worden. Maar die impuls komt niet. Want aan de kant waarvan je die verwacht, bestaat nu eenmaal – vanzelfsprekend geheel gerechtvaardigd – geen begrip voor wat er eigenlijk moet gebeuren.
‘Deze grotere invloed van de staat op de opvoeding’- dus hij wil zelfs een nog grotere invloed van de staat op wat de leraar en opvoeder te doen staat, ‘is logischerwijs gelegen in de richting van de historische ontwikkeling.’ Ja, het is inderdaad gelegen in de richting van de historische ontwikkeling, maar de historische ontwikkeling moet, wil ze gezond zijn, een andere loop nemen dan waar ze nu op weg naartoe is. Denkt u zich eens in dat een plant, zoals in Goethes metamorfose, steeds maar groen blad zou voortbrengen en niet zou willen overgaan van het groene blad naar het kleurige bloemblad, dan zou ze het doel van haar ontwikkeling niet bereiken. Op dezelfde

blz. 38

Sinne muß man beachten, daß nicht immer im Sinne der historischen Entwicklung in gleicher Weise weitergegangen werden kann, sondern daß in der Entwicklung eine Epoche die andere ablösen muß.
«Es gab eine Zeit, da der Staat noch kein unmittelbares Interesse am Bildungswesen hatte, und dann kam die Zeit, wo er dieses In­teresse im Schulzwang und im Schulunterricht zum Ausdruck brachte. Der moderne Staat als Verfassungsstaat, in dem das Volk an der Gesetzgebung unmittelbar beteiligt ist, muß neben der po­litischen auf die allgemeine Bildung seiner Glieder ganz besonde­ren Wert legen. Da nun aber die Erziehungsmöglichkeit der Schule nur eine begrenzte ist, so muß der Staat seinen Einfluß auf alle Gebiete der Erziehung ausdehnen, also auch auf die Familie und die Umwelt des Kindes.» – Nun soll der Staat zum Miterzieher berufen werden neben dem, was das Geistesleben aus sich selbst hervorbringen kann. Sie sehen daran, daß man dumpf richtig fühlt und von diesem Gesichtspunkt zu dem Gegensatz von dem ge­langt, was aus einer gesunden Anschauung heraus heute angestrebt werden soll: 

manier moet je bekijken dat er niet steeds op dezelfde manier verder gegaan kan worden in de zin van de historische ontwikkeling, maar dat in de ontwikkeling de ene fase de andere moet opvolgen.
‘Er was een tijd dat de staat nog geen directe interesse had in educatie en toen kwam de tijd waarin deze zijn interesse ging tonen voor leerplicht en onderwijs. De moderne staat als verzorgingsstaat, waarin het volk direct betrokken is bij de wetgeving moet naast de politieke een heel bijzondere nadruk leggen op de algemene vorming van zijn onderdanen. Daar echter de opvoedingsmogelijkheid van de school maar beperkt is, moet de staat haar invloed op elk terrein van de opvoeding uitbreiden, dus ook op het gezin en de leefomgeving van het kind.’
Nu moet de staat tot medewerker benoemd worden naast wat het geestesleven uit zichzelf kan leveren. Daar ziet u aan dat men het op een dromerige manier wel goed aanvoelt, en vanuit dit gezichtspunt tot het tegenovergestelde komt van wat uit een gezonde opvatting nu nagestreefd moet worden:

«Dasjenige Gebiet der pädagogischen Wissenschaft, das für ihn den größten Wert besitzt, ist naturgemäß die pädago­gische Soziologie.»
Also er will das soziale Leben zur Richtschnur für die Pädago­gik machen, während gerade die sozialen Triebe in dem Menschen durch eine richtige Erziehung entfacht werden müssen, damit sie zur Gesundung des sozialen Lebens vorhanden sein können.
«Sie zeigt ihm einerseits den Einfluß der Erziehung auf die öf­fentliche Wohlfahrt und klärt ihn andererseits darüber auf, inwie­weit die Entwicklung des Zöglings nicht bloß von der systemati­schen Erziehung, sondern auch von den Miterziehern abhängig ist. Auf die Wichtigkeit dieser pädagogischen Soziologie muß auch die Schulsynode immer wieder hinweisen, deren Rat für den Staat um so unentbehrlicher wird, je mehr sein Einfluß auf die Erziehung wächst.»
Also Kretzschmer sieht ein: Der Staat wird immer mehr nötig haben, auf die Erziehung zu hören. Trotzdem soll sie nicht unmittelbar

‘Het gebied van de pedagogische wetenschap dat voor haar de grootste waarde bezit, is begrijpelijkerwijs de pedagogische sociologie.’
Dus hij wil het sociale leven tot richtlijn voor de pedagogie maken, terwijl nu juist de sociale drijfveren in de mens door een juiste opvoeding aangespoord moeten worden zodat deze er zijn om het sociale leven gezond te maken.
‘Deze laat hem enerzijds zien de invloed van de opvoeding op de publieke welvaart en anderzijds maakt ze hem duidelijk in hoeverre de ontwikkeling van het kind niet alleen van de systematische opvoeding, maar ook van de medeopvoeders afhankelijk is. Op dat belang van deze pedagogische sociologie moet ook de schoolsynode (in Zwitserland, in bepaalde kantons. een overkoepelende vergadering van leerkrachten) steeds maar weer wijzen, haar raad zal voor de staat steeds onontbeerlijker worden, naarmate de invloed daarvan op de opvoeding sterker wordt.’
Dus Kretzschmer ziet in: de staat zal het steeds meer nodig hebben naar het onderwijs te luisteren. Desondanks moet zij niet meteen

blz. 39

ausgeführt werden durch eine Einrichtung, die durch das Erziehungswesen selbst geschaffen werden kann, sondern es soll erst der Staat das ausführen; dann wird erst darauf hingewiesen, daß er auch «anordnen» kann. Also gestützt will das sein, was eigentlich die Forderung in unserer Zeit erheben muß, sich frei, unabhängig zu entfalten.
Etwas ist ganz besonders interessant in diesem Buche. Selbstver­ständlich wird ein Mann, der so gutwillig ist wie Kretzschmar, auch aufmerksam darauf, daß die Lehrerbildung anders werden müßte. Er findet, daß in den Lehrerbildungsanstalten auch nicht alles so ist, wie er es haben möchte. Er bemerkt es und sagt sich:
Da muß manches anders werden. Er bemerkt: die Pädagogik wird an den Universitäten so als Nebenfach behandelt, aber sie umfaßt nach seiner Ansicht so vieles, daß sie nicht als Nebenfach behandelt werden dürfte, sondern sie müßte eingegliedert werden in die Universitäten als selbständiges Lehrfach.

uitgevoerd worden door een organisatievorm die door de opvoeding in zijn totaliteit zelf in het leven geroepen kan worden, maar dat moet de staat dan doen; dan pas wordt erop gewezen dat deze ook kan organiseren. Dus, steun moet krijgen wat eigenlijk de eis van onze tijd naar voren moet brengen, zich vrij en onafhankelijk te ontplooien.
Er zit in dit boek iets heel interessants. Vanzelfsprekend heeft een man die zo van goede wil is als Kretzschmer, ook in de gaten dat de lerarenopleiding anders moet worden. Hij vindt dat op de lerarenopleidingen ook niet alles zo is, zoals hij het zou willen. Dat ziet hij en hij zegt:
Daar moet veel veranderd worden. Hij merkt op: de pedagogiek wordt aan de universiteiten zo’n beetje als bijvak behandeld, maar die omvat naar zijn mening zo veel, dat zij niet als bijvak behandeld mag worden, maar zij moet binnen de universiteit een plaats krijgen als een zelfstandig leervak.

Nun denkt er nach: die sogenannten vier Fakultäten sind schon durchbrochen worden, man hat schon zu der philosophischen Fakultät die naturwissen­schaftliche hinzugefügt und zur juristischen die staatswissenschaft­liche. Er denkt nun nach, ob man nicht vielleicht die Pädagogik mit irgendeiner Fakultät durch die Erweiterung dieser Fakultäten ver­binden könnte. So gibt es heute Universitäten, die haben neben den bekannten vier Fakultäten – also der theologischen, der philosophi­schen, der medizinischen, der juristischen – noch die staatsrecht­liche und die naturwissenschaftliche Fakultät. Nun meint er, daß es zu allerlei Kalamitäten führen könnte, eine eigene pädagogische Fakultät zu errichten. Aber mit welcher Fakultät sollte man Päd­agogik sonst verbinden? Und es ist sehr charakteristisch, daß er dazu kommt, daß er die Pädagogik der Staatswissenschaft zuweisen und eine staatswissenschaftlich-pädagogische Fakultät begründen möchte.
Sie sehen, so stark wirkt der Zwang, daß vom Staate alles das­jenige ausgehen soll, was auf den Menschen wirkt, daß selbst ein so aufgeklärter Herr es am günstigsten findet, die Pädagogik zum Ge­schwisterwesen des Staatsrechtes zu machen. Ich habe es ja hier

Nu denkt hij na: de zgn. vier faculteiten zijn al opengebroken, men heeft aan de filosofische faculteit al de natuurwetenschappelijke toegevoegd en aan de rechtsfaculteit de staatswetenschappen. Nu denkt hij erover na of men misschien de pedagogiek met een of andere faculteit door de uitbreiding van deze faculteiten kan laten samengaan. Tegenwoordig zijn er dus universiteiten die naast de bekende vier faculteiten – de theologische, filosofische, geneeskundige, de juridische – ook de staatsrechtelijke en natuurwetenschappelijke faculteit hebben. Hij denkt wel dat het tot allerlei dilemma’s zou kunnen leiden bij het oprichten van een eigen pedagogische faculteit. Maar met welke faculteit zou je pedagogie anders moeten verbinden? Het is zeer treffend dat hij ertoe komt de pedagogiek bij de staatswetenschap te voegen en een staatswetenschappelijke-pedagogische faculteit in het leven te roepen.
U ziet hoe sterk de dwang werkt dat alles wat van invloed op de mens moet zijn, van de staat zou moeten uitgaan, dat zelfs een zo verlicht man het ‘t gunstigst vindt om van de pedagogie een zusterdiscipline bij het staatsrecht te maken. Ik heb het hier al

blz. 40

schon gesagt: die Menschen streben immer dahin, nicht als dasjeni­ge zu gelten, was sie durch ihr Wesen sind, sondern als das, was sie durch die Abstempelung des Staates sein können. Selbst freie Bür­ger sollen sie nicht sein, sondern Menschen, die irgendwie mit ih­ren Bürgerrechten in den Staat eingetragen sind. Die Menschen streben darnach, Glieder der Staatsordnung zu werden. Das bildet den Gedanken aus: Also muß man die Menschen so erziehen und unterrichten, daß sie richtige Glieder des Staates werden. Wo sollte also die Pädagogik besser hingestellt werden als zum Staatsrecht? Es ist interessant, daß ein Mann, der ganz richtige Empfindungen hat für das, was geschehen soll, die entgegengesetzten Schlüsse zieht aus seinen Voraussetzungen, als man meinen sollte.
Sehen Sie, ich habe Ihnen damit heute vor allen Dingen zunächst die Widerstände charakterisiert, mit denen man zu kämpfen haben wird, wenn man eine solche Schule aufbauen will, wie es die Wal­dorfschule werden soll. Sie widerstrebt den Gedanken der Men­schen, selbst den Gedanken der besten Menschen. Sie muß wider­streben; denn würde sie nicht widerstreben, so würde sie nicht in der Richtung der Zukunftsentwicklung arbeiten. 

eens gezegd: de mensen streven er steeds naar zich niet te laten gelden als wat ze door hun wezen zijn, maar als wat zij door het stempel van de staat kunnen zijn. Zelfs vrije burgers willen ze niet zijn, maar mensen die op de een of andere manier met hun burgerrechten in de staat ingeschreven staan. Dat vormt de gedachte: dus moet je de mens zo opvoeden en lesgeven dat hij een brave staatsburger wordt. Waar zou de pedagogiek dus beter geplaatst kunnen worden dan bij het staatsrecht? Het is interessant dat een man die een heel goed gevoel heeft voor wat er moet gebeuren, uit zijn voorwaarden de tegenovergestelde conclusies trekt dan dat je zou denken.
Ziet u, ik heb u daarmee nu vooral de weerstanden geschetst waarmee je van doen hebt wanneer je zo’n school wil oprichten als de vrijeschool moet worden. Zij gaat in tegen de gedachten van de mensen, zelfs de gedachten van de beste mensen. Ze moet  ertegen ingaan; want als ze dat niet zou doen, dan zou zij niet in de richting van de toekomstontwikkeling kunnen werken

Aber es wird in dieser Zukunftsrichtung gerade auf geistigem, erzieherischem und unterrichtendem Gebiete gearbeitet werden müssen. Wir werden wahrhaftig keine einseitige Weltanschauungsschule errichten. Wer glaubt, daß wir eine «Anthroposophenschule» gründen wollen, oder wer das verbreitet, der glaubt oder verbreitet eine Verleum­dung. Das wollen wir ganz und gar nicht, und wir werden es zei­gen, daß wir es nicht wollen. Denn kommt man uns mit allem so entgegen, wie wir allem entgegenkommen, dann wird in der Wal­dorfschule der Religionsunterricht der evangelischen Kinder von dem am Orte lebenden evangelischen Pfarrer beziehungsweise Vi­kar erteilt werden, der katholische Unterricht wird von dem katho­lischen Priester erteilt, der jüdische von dem Rabbiner. Das heißt, wir werden uns nicht darauf einlassen, irgendeine Weltanschau­ungsschule zu begründen, wir wollen nicht den Inhalt der Anthro­posophie in unsere Schule hineintragen, wir wollen etwas anderes. Anthroposophie ist Leben, ist nicht bloß eine Theorie. Und Anthroposophie

Maar in de richting van de toekomst zal nu juist, op spiritueel opvoedkundig en onderwijsgebied moeten worden gewerkt. Wij zullen waarachtig geen eenzijdige wereldbeschouwelijke school in het leven roepen. Wie gelooft dat wij een ‘school voor antroposofen’ willen oprichten of wie dat bericht verspreidt, die gelooft of verspreidt laster. Dat willen wij helemaal niet en wij zullen laten zien dat we dat niet willen. Want doet men ons in alles net zo’n recht als wij in alles doen, dan wordt op de vrijeschool het godsdienstonderwijs aan de evangelische kinderen gegeven door de dominee ter plaatse en door de pastoor het katholieke en door de rabbijn het joodse godsdienstonderwijs. D.w.z. dat wij ons niet inzetten om een of andere wereldbeschouwelijke school te grondvesten, wij willen de inhoud van de antroposofie niet de school binnenbrengen, we willen iets anders.
Antroposofie is leven, is niet alleen maar een theorie. En antroposofie

blz. 41

kann übergehen in die Gestaltungsfähigkeit, in die Handhabung des Unterrichts – insofern Anthroposophie pädago­gisch werden kann, insofern durch Anthroposophie die Fertigkeit gewonnen werden kann, zum Beispiel besser das Rechnen zu lehren, als es bisher gelehrt wurde, besser das Schreiben, besser die Sprachen, besser die Geographie zu lehren, als sie bis jetzt gelehrt wurden. Also insofern eine Methode für diese Schule geschaffen werden soll durch Anthroposophie, insofern streben wir. Wir er­streben Methodik, Unterrichtspraxis. Das ist es, in was wir auslau­fen lassen möchten dasjenige, was aus einer wirklichen Erkenntnis des Geistigen wahrhaftig folgen wird. Wir werden eben so lesen lehren, wir werden so schreiben lehren und so weiter, wie es der Wesenheit des Menschen angemessen ist. Dadurch werden wir zunächst ganz absehen von dem, was man uns wahrscheinlich un­terstellen wird: daß wir durch eine Schule schon bei den Kindern Propaganda machen wollen für Anthroposophie. Das werden wir nicht wollen. Denn wir wissen ganz gut, daß die Widerstände, die wir schon zu überwinden haben, ins Unermeßliche steigen. Wir werden nur streben, zu unterrichten insofern, als durch das Durch­lebtsein mit anthroposophischen Impulsen gut unterrichtet und erzogen werden kann. Deshalb wird es uns nicht stören, wenn gewissen Anforderungen genügt wird, die von da oder dort kom­men, zum Beispiel, daß der Religionsunterricht in den einzelnen Konfessionen von den Verwaltern, die innerhalb dieser Konfession stehen, besorgt wird.
Damit habe ich zunächst einiges einleitend über dasjenige ge­sagt, was die Waldorfschule sein will. Ich werde am nächsten Sonn­tag um dieselbe Zeit in diesen Betrachtungen fortfahren.

kan overgaan in een vaardigheid, gestalte, vorm te geven aan het onderwijs in die mate waarin antroposofie pedagogie kan worden, in die mate waarin uit antroposofie vakbekwaamheid kan ontstaan om b.v. het rekenen beter aan te leren dan dit tot nog toe aangeleerd werd, beter het schrijven, beter de talen, beter de aardrijkskunde aan te leren dan deze tot nog toe aangeleerd werden. Dus in zoverre als er een methode door de antroposofie in het leven geroepen wordt, in die mate streven wij dit na.
Wij streven naar methodiek, naar onderwijspraktijk. Daarin willen wij graag laten uitmonden wat in waarheid volgen zal uit de kennis van de geest. Dus daarom leren wij zo het lezen en het schrijven aan enz., zoals dit in overeenstemming is met het wezen van de mens.
Daarom werpen wij beslist verre van ons, wat men ons waarschijnlijk in de schoenen wil schuiven: dat wij door een school bij de kinderen al reclame willen maken voor antroposofie. Dat willen wij niet. Want we weten heel goed dat de weerstand die we nu al te overwinnen hebben, dan nog aanzienlijk zal toenemen.
Wij streven er alleen naar in die mate les te geven zoals dat door het doortrokken zijn van antroposofische impulsen, goed les geven en opvoeden mogelijk kan worden. Daarom hebben wij er geen last van om aan bepaalde eisen te voldoen die van elders komen, bijv. dat het godsdienstonderwijs in de verschillende geloofsvormen door de vertegenwoordigers van dit geloof, gegeven wordt.

Hiermee heb ik iets inleidends gezegd over wat de vrijeschool beoogt. Volgende zondag om deze tijd zal ik verder gaan met deze beschouwingen.

.
[1] GA 297: inhoudsopgave
[2] GA 297 voordracht 1
[3] levend-lichamelijk: algemene menskunde
[4] GA 294 voordracht 1

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

Over Herbart

.

1518-1424

.

VRIJESCHOOL – Is de vrijeschool een antroposofische school? (3-10)

.

over euritmie en bothmergymnastiek

.

IS DE VRIJESCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL?

Op zijn site LUXIELEN stelt de ex-vrijeschoolleraar, met zeer lange ervaring, Luc Cielen, deze vraag.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. de praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft er – stand half jan.’18– elf voorbeelden van.

Zijn 10e artikel gaat over:

EURITMIE en BOTHMERGYMNASTIEK

Beste Luc,

Je noemt deze vakken al meteen ‘antroposofisch’, zonder al te gedetailleerd aan te tonen wat dit ‘antroposofische’ dan wel is en waarom ze daarom – wel of niet – als pedagogisch en/of didactisch middel gebruikt kunnen, dan wel moeten worden.

Degene die wat zinnigs over deze vakken wil zeggen, zou toch op z’n minst zelf euritmist of Bothmergymnastiekleraar moeten zijn, willen de opmerkingen en de uitleg niet (te) oppervlakkig zijn.

Begrijp me goed: ook ik vind het moeilijk – als leek – er iets over te zeggen dat niet aan de buitenkant blijft; dat op ervaringen bogen kan en vanuit de praktijk kan schetsen wat er met kinderen gebeurt (of niet).
Daarom waag ik me er niet aan en ik zie dat jij dat ook niet doet waar het om de gymnastiek gaat.
Een verwijzing naar Wikipedia vind ik wel erg zwak als het moet gaan om aan te tonen dat de vrijeschool – met deze gymnastiek – een antroposofische school is.

Wat de euritmie betreft, met de verwijzingen naar opmerkingen van Steiner kom je natuurlijk wel directer bij ‘wat het is’, maar het blijft op die manier toch erg abstract.

Concreter wordt het als je beschrijft dat (jouw) kinderen het niet graag deden/doen. Dat verschijnsel ken ik – uit eigen ervaring, maar ook vanuit waarnemingen waar het andere klassen betreft.
Je merkt het terloops op en laat het als indruk achter, zonder erop in te gaan, terwijl daar nu net, m.i. een kans ligt om genuanceerder naar dit vrijeschoolvak te kijken.
Ik zou dat wel willen doen, maar ik ben dus ook die leek en/of buitenstaander zoals jij en loop, wanneer ik een poging waag, meer risico dan wanneer ik me -zoals jij nu – op de vlakte houd.

Dat euritmie niet geliefd is bij leerlingen is een interessant verschijnsel. Dat kan aan de euritmie op zich liggen, aan de leerkracht en aan de kinderen; in de meeste gevallen zal het om een combinatie gaan.
De leerkracht – dat weten we dan allebei wel zeer goed – is de centrale figuur bij het geven van een vak. En we weten ook dat niet iedereen even vakbekwaam is. Wat je volgens mij niet moet doen, is dit vak ‘te heilig’ maken, te humorloos; je moet niet met je lesstof (ver) boven de kinderen staan, enz.
Wat de leerlingen betreft – maar dit geldt veel algemener en ook voor volwassenen – ik spreek niet alleen uit eigen ervaring – is het feit dat wij (Nederlanders?) niet zo vanzelfsprekend bewegen in een ruimte met anderen.
Er wordt niet voor niets beweerd dat we onszelf wat ‘stijfjes’ vinden.

Je bewegend in een ruimte laten zien, betekent dat je iets van jezelf laat zien en daar houden wij niet zo van. Ik heb een ervaren euritmist heel wat voorbeelden horen geven van wat deze aan bewegingen gezien heeft wat in directe relatie stond met bepaalde gevoelens van het kind, al dan niet dieper zittend. En door deze waarnemingen heeft die euritmist heel wat problemen kunnen onderkennen en vaak oplossen: de leerling voelde zich in de positieve betekenis van het woord ‘gezien’.
Dus vanuit deze optiek is het vak een geweldig pedagogisch middel om kinderen te leren zien – ook al hebben zij schroom, zelfs weerstand tegen bewegen.

Kinderen bewegen graag – het liefst helemaal zoals zij dat willen, maar dat kan in de euritmie niet. De bewegingen volgen vaak patronen, zijn niet makkelijk, gaan niet vanzelf, kortom: je moet er moeite voor doen en dat is al jaren voor veel kinderen (en volwassenen!) een probleem. Dus is er weerstand.

Ik besef al te goed dat ik hiermee geen overweldigende bewijzen aandraag, maar dat lijkt me nu even geen probleem, gezien het niveau van jouw artikel.

Dan zeg je dit:
De euritmische gebaren voor de letters kun je perfect gebruiken bij het leren lezen in de eerste klas, al zien euritmisten dit niet graag gebeuren zoals ik dus mocht ondervinden. Zelfs zonder antroposofische achtergrond en zonder de diepere betekenis van de gebaren te kennen, kun je de letters, de klanken en de gebaren zeer goed samen laten gaan. Vooral bij de syntheseoefeningen, waarbij de kinderen de letters leren verbinden met de klanken om zo tot woorden te komen, is dit een pluspunt. De gebaren zorgen voor een uitstekende ondersteuning.

Toevallig – of niet natuurlijk – het ondersteunen van het aanleren van de letters door euritmiegebaren voor die letters wilde ik in mijn eerste ‘rondje’ ook en daarvan zei toen de euritmiste (die jij hier noemt – Annemarie Ehrlich) – dat ik dat niet moest doen ‘als euritmie’. Ik ben dat steeds beter gaan begrijpen. Ik ben geen euritmist, kan dus ook niet in, laten we zeggen, het maken van een A, hetzelfde leggen als de euritmist kan; bij mij blijft het gewoon het uitsteken van twee armen. Vergelijkbaar met het trekken van een lijn. De kunstenaar zal die fijngevoelig, uit zijn gevoel op papier of het doek a.h.w. overdragen, niet te vergelijken met het neerleggen van een liniaal om daarlangs, onvrij, bijna mechanisch, een lijn te trekken. ‘Zomaar’ een A uitbeelden is te mechanisch, kan natuurlijk best bij het leren schrijven, maar is geen euritmie.
Alsof je, een beetje blokfluit kunnende spelen, aan kinderen de schoonheid van de klank wil overbrengen: daarvoor moet je toch een echte fluitist(e) zijn!
Ik ben het met je eens dat de gebaren een uitstekende ondersteuning vormen. Laat de euritmie dat vooral doen; als leerkracht doe je het – niet euritmisch gewild – op jouw manier.

Je zegt:
De euritmische gebaren bij de letters zijn in feite niets anders dan het schriftbeeld van de Latijnse letter.  

Steiner beschrijft dit precies omgekeerd!

Dit komt waarschijnlijk door het feit dat de euritmische gebaren niet uitgaan van de klank, maar van de letter.

Dat ‘waarschijnlijk’ wekt de indruk dat je het zelf niet precies weet: het euritmische gebaar gaat volledig uit van de klank als gevoels/stemmingnuance. Dat is uit de door jouw aangehaalde achtergrondinformatie toch duidelijk op te maken!
En in de door jou ongetwijfeld gelezen GA 294/26 staat zeker niet:
Het gebaar voor de E is gewoon de kruising die in de handgeschreven e te zien is.
WelHebben we het gevoel dat we een indruk van buitenaf moeten afweren, dat we ons in zekere zin moeten afwenden om onszelf te beschermen, hebben we het gevoel weerstand te bieden, dan wordt dat uitgedrukt in de ‘E’.

Met je uitspraak:
De grootste waarde heeft ze mijns inziens bij de syntheseoefeningen om het leren lezen te ondersteunen.

geef je m.i. blijk je zeer weinig verdiept te hebben in wat euritmie (nog meer) is. Dat blijkt eveneens uit:
Muzikaal wordt euritmie (tooneuritmie) een grote waarde toegedicht, maar – zeker waar het de muziekintervallen betreft – schiet ze tekort en is ze amper bruikbaar in een pedagogische context.

Wat de intervallen betreft – waarop baseer je die vastliggende conclusie? En dat tooneuritmie niet bruikbaar zou zijn in een pedagogische context, gaat aan een paar zeer essentiële onderwerpen voorbij.
‘Kunnen luisteren’ lijkt mij voor het hele (sociale) leven uitermate belangrijk. Aan dat te leren, draagt vooral de tooneuritmie bij: je moet een bovenstem van de onderstem (witte toetsen – zwarte toetsen op de piano) leren onderscheiden. Daarnaast ook nog eens de toonhoogten en het ritme.
Dan zijn er allerlei oefeningen om het majeur- en mineurkarakter van een muziekstuk te kunnen onderkennen.
Dan moet je ook nog eens in staat zijn om deze onderstem op een vorm te lopen, in het ritme, terwijl je tegelijkertijd met je armen de toonhoogten moet aangeven en tegelijkertijd loopt de bovenstem door jouw onderstemvorm heen, waarbij je dus ook nog moet letten op wáár je loopt. Je wordt a.h.w. zelf een instrument.
Binnen een sociale context moet je je plaats kennen (in die innemen), de ander zijn ruimte latend. En dat zou niet in een pedagogische context passen?

Nog afgezien van het oefenen van ruimtelijk inzicht, coördinatie van handen en voeten, motorische behendigheid door o.a. staafoefeningen enz.
Met het oog op de laatste vondsten op hersenontwikkelgebied zou de euritmie nog weleens belangrijker kunnen zijn dan jij en ik nu vermoeden.

.

Andere commentaren op de artikelen van Luc Cielen:

[1-1geschiedenis [1]
[1-2geschiedenis [2]
[1-3] dierkunde
[1-4plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer spreuken
[5] nog meer spreuken
[7] het schoollied
[8kan een leerkracht agnost of atheïst zijn
[9] schoolfeesten
[11] muziekonderwijs

.

Rudolf Steiner over euritmie

Over: bothmergymnastiek

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

.

1510-1416

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-10)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat. Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik bij alle voordrachten een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken. De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 27, 28 en 29

Achtergronden kennen

Nadat Steiner zijn opmerkingen ‘dat het kind nog niet kan ademen en nog niet kan slapen’ nader uiteengezet heeft, zegt hij op blz. 27, dat dit alles op de achtergrond dient te staan: m.a.w. we hoeven als leerkracht en pedagoog niets te ondernemen wat direct een soort leervorm voor ademen en slapen zou zijn. Geen dressuur daarvan! Het gaat om concrete maatregelen. Maar om die te kunnen nemen, moeten we die achtergronden wél goed kennen. Heel bewust, fundamenteel.

Aber wir müssen uns bis in die Fundamente hinein bewußt sein dessen, was wir tun.

Maar we moeten ons bewust zijn van de achtergronden, de fundamenten van ons handelen.
GA 293/27  
Vertaald/27

Het Duits heeft: ‘tot in de fundamenten’

In GA 302 zegt hij het zo:

Sich aufklären über dasjenige, was man eigentlich tut, das ist für den Lehrer ganz besonders notwendig.

Helder krijgen waar je mee bezig bent, dat is voor leraren buitengewoon nodig. GA 302/69  
Menskunde en opvoeding/69

Ik heb deze uitspraken opgenomen in wat ik Rudolf Steiner – wegwijzers – ben gaan noemen. Pregnante uitspraken waarover je een tijd kan nadenken, waarmee je allerlei situaties in het leven kan bekijken en ernaar handelen. Door lang met deze uitspraken bezig te zijn, kan het maar zo zijn dat ze je op een bepaald ogenblik invallen, vaak het ogenblik waarop je ze nodig hebt! Om dergelijke uitspraken kan je niet heen, wil je écht vrijeschoolleraar zijn. [4]. Ook niet om wat hij daarna zegt:

( )  denn Sie werden nicht gute Erzieher und Unterrichter werden, wenn Sie bloß auf dasjenige sehen werden, was Sie tun, wenn Sie nicht auf dasjenige sehen werden, was Sie sind.

( ) want je zal geen goede opvoeder en pedagoog worden wanneer je alleen kijkt naar wat je doet en niet naar wat je bent.
GA 293/27   
Vertaald/27

Het lijkt erop dat dit voor Steiner buitengewoon belangrijk is, immers, hij koppelt het aan ‘waarom er eigenlijk zoiets bestaat als antroposofische geesteswetenschap’.  De mensen aan wie Steiner dit zegt, zijn vrijwel allemaal geen leerkracht van beroep: ze hebben dus geen onderwijsbevoegdheid, zoals we dit nu zouden zeggen. In dat opzicht zijn het amateurs. Maar dat is voor Steiner niet het essentiële. ‘Dat de een handiger is bepaalde uiterlijke pedagogische vaardigheden op een bepaalde manier toe te passen‘, maakt je in zijn ogen nog niet tot pedagoog/leerkracht. Het belangrijkste is volgens hem hoe en wat je over bepaalde dingen denkt, wat er op dit gebied gedurende je leven in je, van je is geworden. Zo bén je en dat neem je mee de klas in. En dat heeft een uitwerking op de leerlingen. En voor hen is het belangrijk, volgens Steiner, met welke gedachten en met welke instelling je de klas binnengaat en je je opstelt t.o.v de leerlingen. Het imponderabele: de onweegbare dingen En dat maakt het verschil tussen de ene leerkracht en de andere:

Es ist ein großer Unterschied, und der liegt nicht bloß darin, daß der eine Lehrer geschickter ist, die äußerlichen pädagogischen Handgriffe so oder so zu machen, als der andere; sondern der hauptsächlichste Unterschied, der wirksam ist beim Unterricht, rührt her von dem, was der Lehrer in der ganzen Zeit seines Daseins an Gedankenrichtung hat, die er durch die Klassentür hereinträgt. Ein Lehrer, der sich beschäftigt mit Gedanken vom werdenden Menschen, wirkt ganz anders auf die Schüler als ein Lehrer, der von alledem nichts weiß, der niemals seine Gedanken dahin lenkt. 

Dat verschil is groot en ligt er niet in, dat de een er handiger in is de uiterlijke pedagogische vaardigheden op een bepaalde wijze toe te passen dan de ander; nee, het voornaamste verschil dat in de lessen doorwerkt, ontstaat door de richting die de gedachten van de leraar gedurende zijn hele leven hebben ge­nomen – en die hij meebrengt wanneer hij de klas binnenstapt. Een leraar die zich bezighoudt met gedachten over de op­groeiende mens heeft een heel andere uitwerking op de leerlin­gen dan een leraar die van dat alles niets weet en zijn gedachten daar nooit op richt.

In deze voordracht noemt hij in dit verband nu niet het ‘imponderabele’ – de onweegbare dingen. De dingen die niet te wegen zijn, geen maat en gewicht hebben, kortom niet materialistisch zijn. Maar – dit blijkt uit soortgelijke uitspraken in andere voordrachten – wél om het impoderabele te gaan.

Was äußerlich vorgeht, ist nicht einmal so wichtig wie das, was sich abspielt zwischen der Empfindung des Lehrenden und der Empfindung des Zöglings. Es ist nicht gleichgültig, ob ich mit edlen Gedanken in die Schule hineingehe oder mit unedlen und ob ich glaube, einfach das, was ich ausspreche, sei das, was wirkt. Ich wer­de dem, was ich ausspreche, eine Tonnuance geben, die nicht in die Seele hineinwirkt, wenn ich nicht mit edlen Gedanken und vor allen Dingen mit den Gedanken, die gegenüber dem, was ich ausspreche, wahrhaftig sind, das Schulzimmer betrete.

Wat uiterlijk plaatsvindt, is nu eenmaal niet zo belangrijk als wat zich afspeelt tussen wat de leerkracht voelt en wat de leerling. Het is niet om het even of ik met nobele gedachten de school binnenga of met onedele en of ik denk dat wat ik zeg, eenvoudigweg werkt. Wat ik uitspreek, geef ik een nuance in toon mee die niet werkzaam is in de ziel, wanneer ik niet met edele gedachten, met name gedachten die betrekking hebben op wat ik zeg, die niet waarachtig zijn, de klas binnenga.
GA 297A/24
Op deze blog vertaald/24

.

Wer mit der Empfindung an das Kind herantritt: Es ist aus der geistigen Welt zu dir dieses Kind heruntergestiegen, du sollst sein Rätsel lösen von Tag zu Tag, von Stunde zu Stunde, – der hat in seinem Gemüte diejenige liebevolle Hingabe an die Entwicklung des Kindes, die notwendig ist, um dieses Kind durch alle möglichen Imponderabilien auf den Lebensweg zu geleiten. Und um solche Imponderabilien – das heißt dasjenige, was man nicht in der groben Vorstellung fassen kann – handelt es sich vielfach im Erziehen und im Unterrichten. Es ist wahrhaftig nicht bloß dasjenige zwischen dem Erzieher und dem Kinde waltend, was eine systematisierende Erziehungswissenschaft gelten lassen will.

Wie met het gevoel het kind benadert: het is uit de geestelijke wereld naar ons toe gekomen, je moet zijn raadsel oplossen, elke dag, elk uur* – draagt in zijn ziel die liefdevolle toewijding aan de ontwikkeling van het kind met zich mee, die nodig is om dit kind door alle mogelijke imponderabele dingen op zijn levensweg te begeleiden. En om dergelijke imponderabele zaken – d.w.z. wat je niet met grove voorstellingen begrijpen kan, – gaat het vaak bij het opvoeden en het lesgeven. Het is waarachtig niet zo dat tussen opvoeder en kind alleen maar zich  afspeelt wat een systematiserende opvoedingswetenschap wil laten gelden.
GA 297A/150    
Vertaald/

In deze voordracht, gehouden in Den Haag, staat een zin die later – niet door Steiner – tot ‘spreuk’ is geworden en die op vele vrijescholen ’s ochtends vóór de lessen beginnen, door de leerkrachten wordt uitgesproken. Er bestaan verschillende vertalingen van.

Und wirklich, die ganze Stimmung, die der Lehrer in die Schule hineinträgt, die ist durch unzählige feine Verstrickungen so, daß sie sich überträgt auf die Kinder.

In inderdaad, de hele stemming die de leraar mee de school in brengt, die is door talloze fijnzinnige vertakkingen zo dat die op de kinderen overgaat.
GA 300B/165
Niet vertaald

Steiner roert dit vaak aan waarbij hij dan het voorbeeld geeft van ‘de vlinder en de onsterfelijke ziel’:

Es ist von einem großen Vorteil für die Entwicklung des Kindes wenn man versucht, gewisse Vorstellungen durch äußere Bilder dem Kinde beizubringen, sagen wir zum Beispiel: Ich will, und es ist das gut, dem Kinde schon möglichst früh eine Empfindung von der Un­sterblichkeit der Seele beibringen. Ich versuche das, indem ich mit allen Mitteln, die sich mir dafür ergeben, darauf hinarbeite; ich versuche das, indem ich das Kind darauf aufmerksam mache, wie aus der Schmetter­lingspuppe der Schmetterling ausfliegt, und indem ich es darauf hin­weise: so fliegt die unsterbliche Seele aus dem Leibe aus. Nun gewiß, es ist ein Bild; aber Sie werden nur Glück haben mit diesem Bilde, wenn Sie dieses Bild nicht als abstrakte intellektualistische Ausgestaltung an das Kind heranbringen, sondern wenn Sie selber daran glauben. Und man kann daran glauben. Dringt man wirklich ein in die Geheimnisse der Natur, dann wird einem selbst dasjenige was aus der Schmetterlingspuppe ausfliegt, das von dem Schöpfer selbst in die Natur hineingestellte Symbolum für die Unsterblichkeit. Man muß an diese Dinge selber glauben. Und ganz anders wirkt das, was man selber in dieser Weise glaubt und erlebt, auf das Kind, als das­jenige, was man nur intellektuell annimmt. 

Het is voor de ontwikkeling van een kind van groot belang, wanneer je probeert het bepaalde voorstellingen door uiterlijke beelden bij te brengen, laten we zeggen als voorbeeld: ik wil – en dat is goed – het kind zo mogelijk vroeg een gevoel meegeven van de onsterfelijkheid van de ziel. Ik probeer met alle middelen die mij daarvoor ten dienste staan, daarnaar toe te werken; ik probeer het wanneer ik het kind erop wijs hoe uit de vlinderpop de vlinder wegvliegt en wanneer ik het daar attent op maak: zo vliegt de onsterfelijke ziel uit het lichaam. Zeker, het is een beeld; maar u zal met dit beeld alleen iets naar tevredenheid hebben, wanneer u dit beeld niet als abstract intellectualistische vorm aan het kind geeft, maar wanneer u er zelf in gelooft. En je kan erin geloven. Dring je daadwerkelijk door tot de geheimen van de natuur, dan wordt voor iemand dat wat uit de vlinderpop wegvliegt, het door de schepper zelf in de natuur gelegde symbool voor de onsterfelijkheid. Je moet aan deze dingen zelf geloven. En wat je zelf op deze manier gelooft en beleeft, werkt heel anders op het kind dan wat je alleen maar intellectueel aanvaardt.
GA 301/85
Op deze blog vertaald/85

Op dezelfde morgen als waarop Steiner er in de Algemene menskunde over spreekt, komt het ook ter sprake in het tweede morgenuur:

Nehmen Sie das einfache Beispiel: Das Weiterleben der Seele nach dem Tode will ich dem Kinde klarmachen. Ich mache es dem Kinde nie klar, sondern täusche mir nur darüber etwas vor, indem ich ihm darüber Theorien beibringe. Keine Art von Begriff kann dem Kinde vor dem 14. Lebensjahre etwas beibringen über die Unsterblichkeit. Aber ich kann ihm sagen: Sieh dir einmal diese Schmetterlingspuppe an. Da ist nichts drinnen. Da war der  Schmetterling drinnen, aber der ist herausgekrochen. – Ich kann ihm auch den Vorgang zeigen, und es ist gut, solche Metamorphosen dem Kinde vorzuführen. Ich kann nun den Vergleich ziehen: Denke dir, du bist jetzt selbst eine solche Puppe. Deine Seele ist in dir, die dringt später heraus, wird dann so herausdringen wie der Schmetterling aus der Puppe. – Das ist allerdings naiv gesprochen. Nun können Sie lange darüber reden. Wenn Sie aber nicht selbst daran glauben, daß der Schmetterling die Seele des Menschen darstellt, so werden Sie beim Kinde nicht viel mit einem solchen Vergleich erreichen. Sie werden auch nicht jene reine Unwahrheit hineinbringen dürfen, daß Sie die Sache nur als einen menschlich gemachten Vergleich ansehen. Es ist kein solcher Vergleich, sondern es ist eine von der göttlichen Welten-ordnung hingestellte Tatsache. Die beiden Dinge sind nicht durch unseren Intellekt gemacht. Und wenn wir uns den Dingen gegenüber richtig verhalten, so lernen wir glauben an die Tatsache, daß die Natur überall Vergleiche für das Geistig-Seelische hat. Wenn wir eins werden mit dem, was wir dem Kinde beibringen, dann ergreift unser Wirken das ganze Kind. Das Nicht-mehr-mit-dem-Kinde-fühlen-Können, son­dern glauben an das Nur-Umsetzen in irgendeine Ratio, an die wir selber nicht glauben, das macht es, daß wir dem Kinde so wenig bei­bringen. Wir müssen mit unserer eigenen Auffassung so zu den Tat­sachen stehen, daß wir zum Beispiel mit dem Auskriechen des Schmet­terlings aus der Puppe nicht ein willkürliches Bild, sondern ein von uns begriffenes und geglaubtes, von den göttlichen Weltenmächten gesetztes Beispiel in die Kinderseele hineinbringen.

Neemt u het eenvoudige voorbeeld dat ik een kind duidelijk wil maken dat de ziel voortleeft na de dood. Ik kan dat het kind nooit duidelijk ma­ken, ik beeld me dat maar in, wanneer ik het theorieën daarover bij breng. Geen enkel begrip kan een kind voor zijn veertiende jaar iets leren over de onsterfelijkheid. Maar ik kan tegen het kind zeg­gen: ‘Kijk eens naar deze cocon van een vlinder. Er zit niets meer in. De vlinder heeft erin gezeten, maar die is er uitgekropen.’ Ik kan ook laten zien hoe dat gebeurt, en het is goed om een kind zul­ke metamorfoses te laten zien. Dan kan ik een vergelijking maken. ‘Stel je nu voor, jij bent zelf zo’n cocon. Jouw ziel is binnenin je; die maakt zich later los, net zoals de vlinder zich losmaakt uit zijn co­con.’ Dat is natuurlijk kinderlijk verteld. Nu kunt u hier lange verhalen over houden. Maar als u zelf niet gelooft dat die vlinder de ziel van de mens verbeeldt, dan zult u met zo’n vergelijking niet veel bereiken bij een kind. U mag er ook niet die pure onwaarheid in laten doorklinken dat u dit enkel als een door mensen gemaakte vergelijking beschouwt. Dat is het niet. Het is een door de goddelijke wereldorde in het leven geroepen feit. Het verband tussen die twee dingen is niet door ons intellect gemaakt. En als we de juiste houding tegenover de dingen weten te vinden, dan leren we te ge­loven aan het feit dat de natuur overal gelijkenissen heeft voor de werkelijkheid van geest en ziel. Als wij één worden met wat we een kind leren, dan dringen we daarmee door tot het hele kind. Dat we niet meer kunnen voelen hoe een kind voelt, maar denken dat we alles moeten omzetten in een of andere ratio waar we zelf niet aan geloven, dat maakt dat we kinderen zo weinig kunnen bijbrengen. Onze eigen opvatting en houding ten opzichte van de feiten moet zo zijn dat we bijvoorbeeld met het beeld van de vlinder die uit de cocon kruipt niet een willekeurig beeld, maar een door ons begrepen en geloofd, door de goddelijke wereldmachten geschapen voorbeeld in de kinder­ziel brengen.

Om vervolgens de conclusie te trekken:

Das Kind muß nicht von Ohr zu Ohr, sondern von Seele zu Seele verstehen. Wenn Sie das beachten, werden Sie damit weiterkommen.

Het kind moet niet van oor tot oor, maar van ziel tot ziel begrijpen. Houdt u dat voor ogen, dan zult u daarmee verder komen.
GA 294/22-23 Vertaald/32-33

En ’s middags zegt hij diezelfde dag:

Das Erziehen geschieht durch das, was Sie sind, das heißt in diesem Fall, wozu Sie sich machen innerhalb der Kinderschar. Das dürfen Sie eigentlich nie aus dem Auge verlieren.

Opvoeding gebeurt door dat wat u bent, dat wil in dit geval zeggen: wat u van uzelf maakt te midden van de schare kinderen. Dat mag u eigenlijk nooit uit het oog verliezen.
GA295/16  
Vertaald/17

Of:

Denn dasjenige, was am meisten in der Erziehung in Betracht kommt, sind die Gefühle über das Wesen des Menschen, mit denen wir neben dem Menschen stehen.

Want het belang­rijkste bij de opvoeding zijn de gevoelens over het wezen van de mens, de gevoelens waarmee we naast die mens staan.
GA 303/125  
Vertaald/136

Bezig zijn, leven met deze gedachten, de pogingen het te begrijpen, ernaar te handelen, tilt een mens, hier dus de leerkracht – op boven de besognes van alledag, die er natuurlijk ook zijn, maar die toch zoveel mogelijk buiten de klas zouden moeten blijven:

So sehen Sie, daß es vor allem beim Lehrer darauf ankommt, wie er sich zu seinem heiligen Berufe stellt. Das ist nicht ohne Bedeutung; denn das Wichtigste im Unterricht und in der Erziehung sind denn doch die Imponderabilien. Ein Lehrer, der mit solcher Gesinnung das Klassenzimmer betritt, erreicht anderes als ein anderer. Wie im all­täglichen Leben nicht immer das physisch Große das Maßgebende ist, sondern manchmal auch gerade das Kleine, so ist auch nicht immer das, was wir mit den großen Worten machen, das Maßgebende, son­dern manchmal ist es jene Empfindung, jenes Gefühl, das wir in uns ausgebildet haben, bevor wir das Klassenzimmer betreten haben. Na­mentlich aber eines ist von einer großen Wichtigkeit, das ist, daß wir unseren engeren persönlichen Menschen wie eine Schlangenhaut rasch abstreifen, wenn wir in die Klasse hineingehen. Der Lehrer kann ja unter Umständen, da er, wie man manchmal so selbstgefällig sagt, «auch nur ein Mensch» ist, alles mögliche erleben in der Zeit zwischen dem Schluß der Klasse am vorhergehenden Tage und ihrer Eröffnung am nächsten Tage. Er kann erlebt haben, daß ihn inzwischen die Gläu­biger gemahnt haben, oder er hat mit seiner Ehefrau einen Zank ge­habt, wie es im Leben wohl vorkommt. Das sind Dinge, wo es Ver­stimmungen gibt. Solche Verstimmungen geben dann eine Grundnuance für die Seelenverfassung ab. Aber auch frohe, freudige Stimmungen können vorkommen. Es kann Ihnen der Vater irgendeines Schülers, weil er Sie besonders gern hat, einen Hasen nach der Jagd geschickt haben, oder, wenn es eine Lehrerin ist, ein Blumenbukett übersandt haben. Es ist ja ganz selbstverständlich im Leben, daß wir solche Stim­mungen in uns tragen. Als Lehrer müssen wir uns dazu erziehen, solche  Stimmungen abzulegen und nur aus dem Inhalt des Darzustellen­den heraus zu reden

Zo ziet u dat het er bij de leraar vooral op aankomt hoe hij zich opstelt ten aanzien van zijn edele beroep. Dat is niet zon­der betekenis; want het belangrijkste in onderwijs en opvoe­ding zijn toch de onweegbare invloeden (de imponderabilia). Een leraar die met zo’n instelling [waar het in dit artikel om gaat] de klas in komt, bereikt meer dan iemand anders. Zoals in het dagelijkse leven niet altijd wat fysiek groot is ook maatgevend is, maar soms ook juist iets kleins, zo is ook niet altijd maatgevend wat we met gebruik van grote woorden doen, maar soms is het die beleving, dat gevoel dat we in ons hebben opgeroepen voordat we de klas binnengaan. Eén ding is echter vooral van groot belang, na­melijk dat we snel onze persoonlijkheid in engere zin als een slangenhuid afstropen bij het betreden van de klas. In bepaalde gevallen kan de leraar, omdat hij – zoals men vaak zo zelfge­noegzaam zegt – ‘ook maar een mens’ is, van alles beleven in de tijd tussen het einde van de lessen van de voorafgaande dag en het begin van de les de volgende dag. Het kan voor­komen dat schuldeisers hem hebben gemaand, of dat hij ru­zie heeft gehad met zijn vrouw, zoals dat wel voorkomt in het leven. Dat zijn dingen waardoor je van streek kunt raken. Zul­ke ontstemmingen leveren dan een grondtoon voor de zielentoestand. Maar ook vrolijke, vreugdevolle stemmingen kunnen voor­komen. De vader van een leerling kan bijvoorbeeld, omdat hij u heel graag mag, na de jacht een haas hebben laten bren­gen, of, als het een lerares betreft, een boeket bloemen heb­ben bezorgd. Dat we zulke stemmingen in ons dragen spreekt toch vanzelf. Als leraar dienen we ons zelf door zelfopvoeding te leren zulke stemmingen te negeren – en alleen te spreken vanuit de inhoud van wat behandeld moet worden.
GA 302A/22-23  
Vertaald/17-18

Hoe ga je de klas binnen

Hier gaat het erom de ‘sores van alledag’ bij het betreden van de klas, als ‘een slangenhuid‘ af te stropen; of ‘aan de kapstok te hangen‘.  Lang niet altijd kan je zo onbevangen en onbelast aan je dagelijkse werk beginnen. Er is altijd wel iets wat nog aandacht vraagt vóór de les, en weinig tot niets te maken heeft met je taak voor de klas. Ik heb ervaren dat er vaak vóór de les nog van alles wordt aangeroerd, opgemerkt, te berde gebracht, wat makkelijk had kunnen wachten: een oplossing voor de aangedragen zaken kan toch niet in enkele minuten worden gegeven. Zo’n vraag, o.i.d. neem je toch mee – als sores – de klas in. 
Ook ouders kunnen je op deze manier te veel belasten. Natuurlijk, een kind met een maag die van streek is, moet meteen naar de wc kunnen rennen en dat moet je weten, maar er zijn ook talloze zaken die ongestraft kunnen wachten tot een ander tijdstip, dan uitgerekend vlak voor de lessen beginnen. Dat kan je als hygiënische maatregel op een ouderavond bespreken: als de ouders het door jouw ogen gaan zien, hebben ze er alle begrip voor!
De gulden regel die ik – op basis van aanwijzingen uit ‘De weg tot inzicht in hogere werelden‘ tot een soort lijfspreuk heb gemaakt, luidt:

MÓET IK HET WEL ZEGGEN EN ZO JA, MOET HET NÚ?

En die heeft me al vaak behoed voor het verspreiden van ballast. Heeft me ook gesterkt in het bewuster omgaan met wat je eigenlijk zegt, wanneer en tegen wie.

De ‘groot-menselijke gedachten’ – eerbied voor het kind, mensbeeld, opvoedingsideaal, houden de ‘klein-menselijke besognes’ in toom in de tijd dat je voor de klas staat. Die ‘groot-menselijke gedachten’ moeten we dus cultiveren, ontwikkelen: daarmee ontwikkelen we ook onszelf en ontstaat er een spirituele band tussen leraar en kinderen.

( ) wenn wir nicht als Grundtatsache herstellen das ganze Verhältnis zwischen den Gedanken, die uns selbst erfüllen, und den Tatsachen, die während des Unterrichts an Leib und Seele der Kinder vor sich gehen sollen. 

Fundamenteel is de relatie tussen enerzijds de gedachten die onszelf vervullen en anderzijds de dingen die leerlingen tijdens de lessen naar lichaam en ziel moeten ervaren.

Een van die verheven gedachten is:

Unsere ganze Haltung im Unterrichten würde nicht vollständig sein, wenn wir nicht das Bewußtsein in uns tragen würden: der Mensch wurde geboren; dadurch wurde ihm die Möglichkeit gegeben, dasjenige zu tun, was er nicht konnte in der geistigen Welt. 

Onze hele houding in het onderwijs zou niet volledig zijn, wanneer ons bewustzijn niet van het volgende vervuld zou zijn: de mens werd geboren; daardoor werd hem de mogelijkheid geschonken dat te doen wat hij niet kon doen in de geestelijke wereld.
GA 293/29  
Vertaald/29 .

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

[4] Het klinkt paradoxaal: vrijeschoolleerkracht bén je eigenlijk nooit. Als je denkt dat je het bent, dat je er bent, staat je ontwikkeling stil, ga je op de automatische piloot. ‘Routine’ is volgens Steiner ‘de mechanisering van het leven’. Dus: gelukkig dat je het niet bént, maar wordt! En in dit worden liggen alle kansen en mogelijkheden, ligt het wijzer worden – ook door schade en schande!

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen .

Op de Facebookgroep ‘vrijeschool’ verscheen volgende opmerking n.a.v. een gedeelte van dit artikel: Miriam Haenen Groepsbeheerder Onderwijs…”Niet van oor tot oor, maar van ziel tot ziel…” De ziel is je instrument als opvoeder/leerkracht. ”Ze” noemen het de kapstokoefening, dat is een erg materialistisch en mechanisch beeld, en mist veel van de wezenlijke grootsheid. Een ziel die vol is met eigen pijn, ochtendstress, kater van ruzie etc heeft enerzijds weinig ruimte en alertheid over voor ontvangen en nauwkeurige waarneming van de zielen in de klas, en anderzijds is het die zielestemming die de woorden ‘van oor tot oor’ vult. Het onderdrukken van gevoelens, of afgestompt zijn, is niet de kwaliteit van zielestemming waar het hier om gaat, dat werkt ook door. Vanuit je menszijn, je opvoeder/leerkracht zijn, maak je ruimte, zodat je kunt ontvangen en waarnemen. Met een warm bewustzijn schuif je de eigen zielenroerselen even aan de kant, zoals je je huis voorbereid op veel bezoek. Daan van Bemmelen ervaart precies dit als Ita Wegman zijn ziekenkamer binnen komt. Indrukwekkend om te lezen hoe hij dit beleeft, en kan beschrijven als volwassene. Je zou kunnen zeggen, niet Ik, maar de kinderen in mij, als een variatie op een van de lerarenspreuken. Het ophangen aan de kapstok is één beeld, het openen van je ziel voor de kinderen en daarbij je eigen roerselen, in diezelfde beweging wat aan de kant schuiven, een ander. Hoe je die beweging maakt, hoe je met je roerselen omgaat, dat beweegt mee.

.

1496-1403

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Is de vrijeschool een antroposofische school? (3-9)

.

over de jaarfeesten
.

Op zijn site LUXIELEN stelt de ex-vrijeschoolleraar, met zeer lange ervaring, Luc Cielen, deze vraag.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. de praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft er – stand half jan.’18– elf voorbeelden van.

Zijn 9e artikel gaat over:

SCHOOLFEESTEN

Luc begint zijn artikel als volgt:

Een groot pluspunt van de steinerscholen is dat er nog seizoensfeesten gevierd worden. Dat die seizoensfeesten een christelijk karakter hebben, is te wijten aan de eeuwenlange opeising door de christenen die zich deze natuurfeesten hebben toegeëigend. Terwijl in zowat alle onderwijssystemen de seizoens- en christelijke feesten naar de achtergrond verdwenen zijn en vervangen door kunstmatige ouder- en grootouderfeesten en dergelijke, hebben de steinerscholen ze in ere gehouden of in ere hersteld. Waarom? Omdat in de antroposofie Christus een centrale figuur is, wiens kruisdood een essentieel keerpunt is in de aarde- en mensheidsontwikkeling. Het christelijke element in de jaarfeesten is daarom opvallend aanwezig. Bovendien vieren de steinerscholen een feest dat buiten hen en de antroposofische verenigingen nooit een feest is geweest: het Michaëlsfeest, het eerste feest van het schooljaar.

Beste Luc,
Na 9 artikelen is het overduidelijk dat je niet veel op hebt met wat in de richting van ‘het spirituele’ gaat. Dus ook met wat ‘het christelijke’ betreft. Je schreef een artikel over sympathie en antipathie en het zal je, hoop ik, dus wel bekend voorkomen dat je in deze eerste regels je antipathie laat overheersen. Dat blijkt zonneklaar uit het gebruik van het woord ‘wijten’. Objectiever gesproken kan er van ‘wijten’ eigenlijk geen sprake zijn. Wat er historisch is gebeurd, lijkt mij veel gecompliceerder dan de eenvoudige verklaring die jij hier gebruikt om je aversie tegen ‘het christelijke’ een basis te geven.
Het is onmiskenbaar waar wat je opmerkt over wat de antroposofie zegt over Christus. Overigens is ze daarin niet uniek – de enige -. Met dit aspect is zij een van de vele religieuze stromingen die Christus als het middelpunt zien van de aardse ontwikkeling – zij het dan op een heel eigen wijze. Eugen Rosenstock-Huessy die zichzelf als eigenzinnig denker opstelde – geen antroposoof – noemde Christus zelfs ‘de zin van de aarde-ontwikkeling’. Waarmee ik wil zeggen dat wat jij nu eenzijdig op de antroposofie plakt, ook in een ruimer perspectief moet worden geplaatst dan je hier doet.

Het zou veel te ver voeren op ‘dit ruimere’ genuanceerder in te gaan. Wat Michaël betreft vind je hier meer in detail in.[1]
Er kan nog heel anders worden gekeken naar de ‘begindatum in de herfst’: het weegschaalmotief spreekt al meteen uit het evenwicht dat er in die tijd bestaat tussen de duur van de dag en de nacht.
En vanuit een totaal andere visie: waarom zouden de kinderen niet mogen horen over Michaël als er zoveel kunstwerken aan hem zijn gewijd: schilderstukken, beelden en niet te vergeten de kerken en de heiligdommen die op een verrassende manier met elkaar verbonden lijken te zijn. In deze optiek is Michaël noemen niet meer dan een stukje algemene culturele vorming. Hem niet noemen krijgt dan iets weg van het achterwege laten van deze vorming.

Ik denk net zoals jij, dat zonder Steiner het michaëlsfeest niet op de vrijeschool gevierd zou worden – al is het in de pedagogische voordrachten als aanwijzing nergens te vinden –  maar ja, zonder Steiner heb je ook geen vrijeschool.
En de vraag blijft: is de vrijeschool door het vieren van een michaëlsfeest dan een ‘antroposofische’ school. Als dat al zo zou zijn, dan geldt dat zeker niet voor de middelbare vrijescholen. Daar heeft het een heel ander en eigen karakter gekregen, waarbij wel weer een motief een rol speelt, dat door Steiner is belicht, maar dat we levensgroot om ons heen aanwezig zien: het wegvallen van de grenzen tussen landen en volkeren.

Vervolgens schrijf je:

Moet een herfstfeest in het teken staan van Michaël? Absoluut niet.

Voor jou hoeft het niet, dat is duidelijk. Maar dat zegt nog niets ten nadele van de manier waarop de vrijescholen het gestalte geven.

Het zou zelfs beter zijn om dit niet te doen en van een herfstfeest gewoon een oogstfeest te maken zonder een of andere heilige of fictieve engel erbij te betrekken.

Waarom zou dat beter zijn? Om aan jouw behoefte tegemoet te komen geen feesten te hebben met een spirituele inhoud? Je suggereert dat dat beter voor de kinderen zou zijn; ik weet dat zo net nog niet: moed en strijdvaardigheid als beeld in een tijd waarin het licht langzaam verdwijnt en de duistere tijd op ons af komt – dat vind ik zo zinloos nog niet.

Waarom zouden moed en strijdvaardigheid kwaliteiten zijn die bij de herfst passen en wat betekent dat sterrenzwaard? [1]

De andere seizoensfeesten in de steinerschool kun je moeilijk antroposofische feesten noemen, al worden ze weleens met ‘geesteswetenschappelijke’ eigenschappen versierd. Het zijn vooral seizoens- en volksfeesten die in hun verchristelijkte vorm zijn overgeleverd. Het is waardevol dat de steinerscholen er zich om bekommeren deze feesten te blijven vieren.

De vraag is echter wat de nadruk moet krijgen: het volkse seizoensfeest of de christelijke inhoud.

Een interessante vraag, Luc, maar het is een simpel feit dat de volkse seizoensfeesten nu eenmaal ‘verchristelijkt’ zijn. Dat is geschiedenis en die kun je niet ongedaan maken.
Overigens is het op de vrijescholen waar ik werkte of die ik beter ken, niet zo zwart/wit als jij nu doet voorkomen. Het michaëlsfeest is vooral ook een oogstfeest: de jaartafels [2] liggen vol met herfstproducten die vaak door de kinderen zelf van het land zijn gehaald.
Pasen heb ik nog nooit gevierd (zien worden) met het motief van lijden, sterven en opstanding van Christus – dat is voor een echt begrijpen simpelweg te moeilijk voor kinderen (en voor volwassenen!) – dus ook daarbij overweegt ‘de natuur’: de haas en de eieren.
Wat advent betreft, ja daar wordt de stemming inniger – dat heeft alles te maken met het in de duisternis sterker wordende licht. Als dat voor jou te religieus is: laat het weg: die vrijheid heb je. Maar de vrijescholen hebben de vrijheid om dat wél te benadrukken en dat doen ze niet om ‘antroposofisch’ te willen zijn. Wel om de kinderen mee te nemen in de loop van wat er in het jaar aan ‘verinnerlijking en veruiterlijking’ gebeurt. En ja, daar zitten allerlei christelijke aspecten aan: in onze cultuur is het christendom nog steeds een van de cultureel/maatschappelijke peilers! Dat er geforceerd uit willen laten, is m.i. een te gekunstelde ingreep in een pedagogie die ook met het alledaagse leven wil verbinden.
Kortom: een opvoeding die meer is dan op basis van maat, gewicht en getal.

Een opvallend gegeven in de steinerscholen in Vlaanderen is het feit dat men zelfs een bepaalde leerinhoud aan een christelijk feest aanpast: zo krijgen de kinderen in de eerste klas de klinkers pas aangeboden in de advent, want het zijn de engelen die deze letters uit de hemel meebrengen ter gelegenheid van de geboorte van Jezus. En Sinterklaas brengt de blokfluit. Dit wil zeggen dat kinderen in de eerste klas minstens drie maanden moeten wachten om met leren lezen te beginnen, want zonder klinkers kun je niet leren lezen. Blokfluit leren spelen gaat pas als Sinterklaas gepasseerd is. Op deze manier mengt men geloof met pedagogische inhouden en zijn de kinderen daarvan het slachtoffer.

Het is goed dat je het hier over Vlaanderen hebt, al zou het me niet verbazen als ook dit genuanceerder ligt.
Ik heb echter een goed voorbeeld aan mijn eigen ervaring: ook ik heb de klinkers weleens uit de hemel laten komen – ook dat was in de adventstijd. Maar er was geen sprake van een koppeling van ‘leerstof aan een christelijk feest’.
Dat ‘ter gelegenheid van de geboorte’ gaat mij ook te ver!

Dat Sinterklaas met de blokfluit komt, lijkt mij hier helemaal niets mee te maken te hebben. Blokfluit – jaarfeest is een volkomen uit de lucht gegrepen koppeling.

Wanneer de kinderen gaan lezen, moet natuurlijk niet afhankelijk zijn van een jaarfeest, maar van de kinderen zelf, als je dat bedoelt, zijn we het eens. Datzelfde geldt ook voor de blokfluit. Ik begon meestal al in de 2e week van de 1e klas, als de kinderen wat gewend waren aan de allereerste nieuwe indrukken.

Op deze manier mengt men geloof met pedagogische inhouden en zijn de kinderen daarvan het slachtoffer.
‘Geloof met pedagogische inhouden’ , kom, kom. Luc….

En met ‘slachtoffer’ probeer je toch wel erg veel gewicht in je eigen weegschaal te leggen.

[1] ‘in detail’ vind je (o.a) hier

[2] Herfsttafel in michaëlstijd

.

Andere commentaren op de artikelen van Luc Cielen:

[1-1geschiedenis [1]
[1-2geschiedenis [2]
[1-3] dierkunde
[1-4plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer spreuken
[5] nog meer spreuken
[7] het schoollied
[8] kan een leerkracht agnost of atheïst zijn
[10euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

.

1493-1400

.

.

VRIJESCHOOL – – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-8-2/2)

.

Enkele gedachten bij blz. 26, 27 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Nadat op blz. 24-25 de nadruk is gelegd op het harmoniseringsproces:

De taak van de opvoeding in geestelijke zin is nu om de zielegeest en het licha­melijk organisme of organisch lichaam met elkaar in overeen­stemming te brengen. Die moeten met elkaar in harmonie ko­men

vanuit het gezichtpunt dat het kind nog moet leren ademen,

volgt op blz. 26 nóg een voorwaarde om ‘de harmonie tussen de twee wezensdelen te kunnen laten ontstaan’.
Het gaat hier nog steeds om het geest-zielenwezen en het lichamelijk-levende of, zoals al eerder onder woorden werd gebracht: aan de ene kant het Ik en het astraallijf, aan de andere kant het etherlijf en het fysieke lichaam. [zie de reeks bij 1-7]

Die harmonie komt er langzamerhand doordat het kind leert slapen.

Steiner:
Aber das Kind kann noch etwas anderes nicht richtig, und dieses andere muß in Angriff genommen werden, damit ein Einklang geschaffen werde zwischen den zwei Wesensgliedern, zwischen dem Körperleib und zwischen der Geistseele. Was das Kind nicht richtig kann im Anfang seines Daseins – es wird Ihnen auffallen, daß gewöhnlich das, was wir geistig betonen müssen, der äußeren Weltenordnung zu widersprechen scheint -, was das Kind nicht richtig kann, das ist, den Wechsel zwischen Schlafen und Wachen in einer dem Menschenwesen entsprechenden Weise zu vollziehen. Man kann freilich sagen, äußerlich betrachtet: Das Kind kann ja ganz gut schlafen; es schläft ja viel mehr als der Mensch im späteren Lebensalter, es schläft sogar in das Leben herein. – Aber das, was innerlich dem SchIafen und Wachen zugrunde liegt, das kann es noch nicht. Das Kind erlebt allerlei auf dem physischen Plan. Es gebraucht seine Glieder, es ißt, trinkt und atmet. Aber indem es so allerlei macht auf dem physischen Plan, indem es abwechselt zwischen Schlafen und Wachen, kann es nicht alles dasjenige, was es auf dem physischen Plan erfährt – was es mit den Augen sieht, den Ohren hört, den Händchen vollbringt, wie es mit den Beinchen strampelt -, es kann nicht das, was es auf dem physischen Plan erlebt, hineintragen in die geistige Welt und dort verarbeiten und das Ergebnis der Arbeit wieder zurücktragen auf den physischen Plan. Sein Schlaf ist gerade dadurch charakterisiert, daß er ein anderer Schlaf ist als der Schlaf der Erwachsenen. Im Schlafe des Erwachsenen wird vorzugsweise das verarbeitet, was der Mensch erfährt zwischen dem Aufwachen und dem Einschlafen. Das Kind kann das noch nicht in den Schlaf hineintragen, was es erfährt zwischen Auf- wachen und Einschlafen, und es lebt sich daher noch so in die allgemeine Weltenordnung mit dem Schlafen hinein, daß es nicht mitbringt in diese Weltenordnung während des Schlafes dasjenige, was es äußerlich in der physischen Welt erfahren hat. Dahin muß es gebracht werden durch die richtiggehende Erziehung, daß das, was der Mensch auf dem physischen Plan erfährt, hineingetragen wird in dasjenige, was der Seelengeist oder die Geistseele tut vom Einschlafen bis zum Aufwachen. Wir können als Unterrichter und Erzieher dem Kinde gar nichts von der höheren Welt beibringen. Denn dasjenige, was in den Menschen von der höheren Welt hineinkommt, das kommt hin- ein in der Zeit vom Einschlafen bis zum Aufwachen. Wir können nur die Zeit, die der Mensch auf dem physischen Plan verbringt, so ausnützen, daß er gerade das, was wir mit ihm tun, allmählich hineintragen kann in die geistige Welt und daß durch dieses Hineintragen wiederum in die physische Welt zurück- fließen kann die Kraft, die er mitnehmen kann aus der geistigen Welt, um dann im physischen Dasein ein rechter Mensch zu sein.

Maar het kind kan nog iets anders niet goed en ook dit moet aangepakt worden, wil er een harmonie tussen de twee wezensdelen kunnen ontstaan – tussen het lichamelijk organisme en de geestziel. Wat het kind in het begin van zijn leven nog niet goed kan – het zal u opvallen dat wat wij vanuit geestelijk standpunt benadrukken dikwijls in tegenspraak lijkt te zijn met de uiterlijke realiteit — wat het kind nog niet goed kan, dat is tussen slapen en waken af te wisselen zoals een mensenwezen dat behoort te doen. Wanneer men alleen het uiterlijke bekijkt, kan men wel zeggen dat het kind toch heel goed kan slapen: het slaapt toch veel meer dan de mens doet op latere leeftijd, het slaapt zelfs een gat in de dag. Maar wat innerlijk ten grondslag ligt aan het slapen, dat kan het kind nog niet. Het beleeft allerlei op het fysieke plan. Het gebruikt zijn ledematen, het eet, drinkt en ademt. Maar wat het niet kan, dat is alles wat het op het fysieke plan doet en beleeft – wat het met zijn ogen ziet, met zijn oren hoort, met zijn handjes doet, hoe het met zijn beentjes trappelt — meenemen naar de geestelijke wereld en daar verwerken en dan het resultaat van dat proces weer mee terugnemen naar het fysieke plan. Het karakteristieke van zijn slaap is juist, dat het een andere slaap is dan die van volwassenen.º In de slaap van volwassenen worden hoofdzakelijk de ervaringen verwerkt die de mens tussen ontwaken en inslapen opdoet. Het kind kan zijn ervaringen tussen ontwaken en inslapen nog niet in de slaap meenemen en het leeft daarom tijdens zijn slaap zodanig in de kosmos, dat het de ervaringen uit de fysieke wereld nog niet kan binnenbrengen in de kosmos. Een juiste opvoeding moet ertoe leiden dat de ervaringen die de mens in de fysieke wereld heeft, worden opgenomen in de activiteit van de zielegeest of geestziel tussen inslapen en ontwaken. Wij kunnen als leraar en opvoeder het kind volstrekt niets van de hogere wereld bij brengen. Want wat de mens opneemt van de hogere wereld, dat neemt hij op in de tijd tussen inslapen en ontwaken.
GA 293/26 ev
Vertaald/26 ev

ºHet karakteristieke van zijn slaap: Zie over de geestelijke zijde van de slaap in het algemeen De wetenschap van de geheimen der ziel. Over de karakteristieke slaap van het kind spreekt Steiner in Menschenwerden, Weltenseele und Weltengeist, GA 206, vdr. 7

Opnieuw hebben we hier te maken met mededelingen van Steiner die wij niet direct kunnen verifiëren. Steiner ziet dit uiteraard ook en verschaft ons af en toe een beeld:

Um ein Bild zu malen, muß man ein Maler sein, aber um die Schönheit und den inneren Gehalt des Bildes zu erleben, braucht man kein Maler zu sein, sondern dazu braucht man sich nur der unbefangenen, unbeirrten Menschennatur hinzugeben. So ist es in der Tat auch bei der Geisteswissenschaft. Um sie selber in Ideen zu «malen», muß man Geistesforscher sein, wenn sie aber hingestellt wird, so wie sie in den Vorträgen, die darüber gehalten werden, und in unserer Literatur dargestellt ist, dann steht sie da wie das Bild vor dem Beschauer, der selber kein Maler ist. Nichts anderes braucht der Mensch, als sich seinem unbefangenen, unbeirrten Wirklichkeitssinn hinzugeben – und er bekommt den gesundenden Eindruck von der Schilderung der geisti­gen Welt! 

Om een schilderij te maken moet je schilder zijn. Maar om de schoonheid en de innerlijke waarde van een schilderij te beleven, hoeft je géén schilder te zijn. Daarvoor hoef je alleen te vertrouwen op je onbevangenheid en volharding. Zo is het in feite ook met de geesteswetenschap. Om deze zelf in ideeën te ‘schilderen’, moet je geesteswetenschappelijk onderzoeker zijn. Als de ideeën echter worden weergegeven zoals dat gebeurt in de hierover gehouden voordrachten en in onze literatuur, dan staan ze voor ons als het schilderij voor de toeschouwer, die zelf geen schilder is. De mens hoeft niets anders te doen dan vertrouwen te hebben in zijn onbevangenheid en volhardendheid voor de werkelijkheid om een gezondmakende indruk te krijgen van de schildering van de geestelijke wereld!
GA 231/46
Vertaald
(Geen gebruik gemaakt van deze vertaling)

De slaap, het slapen, het is nog altijd een onbegrepen fenomeen in de (natuur)wetenschap. Wanneer we Steiner erop nalezen, zullen we vaak van hem horen dat wanneer de mens inslaapt, hij in een soort tweedeling terechtkomt. Die tweedeling is in deze 1e voordracht al verschillende keren aan de orde gekomen: het geest-zielenwezen en het lichamelijk-levenswezen of, dat kom je ook vaak tegen: Ik en astraallijf verlaten het etherlijf en het fysieke lichaam wanneer de mens in slaap valt. Maar vrijwel in iedere voordracht waarin dit ter sprake komt, belicht Steiner weer net een ander aspect. Dat zijn we ook al verschillende keren tegengekomen: Steiner blijft zeer trouw aan zijn principe van karakteriseren.

Simpel verwoord kun je dan zeggen dat etherlijf en fysiek lichaam in bed (blijven) liggen en ‘de rest’ is ‘weg’. Er treedt een soort bewusteloosheid op. De taal komt ons wellicht te hulp. We zeggen van iemand die flauwgevallen is of bewusteloos is geraakt, dat hij even ‘weg’ was. ‘Weg’ veronderstelt ‘ergens naartoe’. Maar waarheen dan? Ook bij het wakker worden zegt menigeen, wanneer hij diep heeft geslapen, dat hij ‘van ver’ moest komen. Ook vóór het inslapen, wanneer je niet meer zo wakker bent, verzucht menigeen dat hij al ‘een eind heen’ is. Je kan deze metaforen natuurlijk afdoen als iets onbeduidends, maar misschien zijn het toch waarheden waarop de taal, wat half-verborgen, duidt.
Voor Steiner is het wél duidelijk: Ik en astraal ‘gaan’ naar de geestelijke wereld, krijgen daar ‘hun voeding’ en brengen dat mee om daar de andere delen mee te verkwikken. Die hebben vanuuit ‘de natuur’ en niet gehinderd door bewustzijn ‘dat levenskracht kost’ ook een optimale regeneratie-impuls gekregen. 

(Dit verschijnsel zou het beeld zijn van het koekhuis in het sprookje van Hans en Grietje, dat overdag wordt opgegeten en ’s nachts weer hersteld wordt).

In deze voordracht zegt Steiner:In de slaap van volwassenen worden hoofdzakelijk de ervaringen verwerkt die de mens tussen ontwaken en inslapen opdoet.’

Kennelijk brengen wij tijdens onze slaap ‘onze ervaringen’ naar de geestelijke wereld. Die wereld ‘doet’ daar iets mee en dat neem je weer mee terug in je wakkere leven.
In een ander verband heten die ervaringen zelfs ‘voeding voor de geestelijke wereld, waarbij ‘de bewoners’ van deze wereld, de hiërarchische wezens met name genoemd worden.
Zie bijv. de zgn. ongedrukte passage.

Die ervaringen kan een kind dus nog niet de geestelijke wereld binnenbrengen.
Op zeker ogenblik echter wel en dat maakt dat voor Steiner die ervaringen een bepaalde kwaliteiten moeten hebben:

Wir können nur die Zeit, die der Mensch auf dem physischen Plan verbringt, so ausnützen, daß er gerade das, was wir mit ihm tun, allmählich hineintragen kann in die geistige Welt und daß durch dieses Hineintragen wiederum in die physische Welt zurück- fließen kann die Kraft, die er mitnehmen kann aus der geistigen Welt, um dann im physischen Dasein ein rechter Mensch zu sein.

We kunnen alleen maar de tijd die de mens in de fysieke wereld doorbrengt zo benutten, dat de mens juist dat wat we met hem doen geleidelijk aan kan meenemen naar de geestelijke wereld, en dat daardoor de kracht die de mens kan meenemen uit de geestelijke wereld kan terugvloeien in de fysieke wereld, opdat hij in de fysieke wereld werkelijk mens kan zijn.
GA 293/26 ev
Vertaald/26 ev

Ik meen voorzichtig hier een grotere en een kleinere beweging te zien. De grotere: de mens slaapt in – neemt ervaringen mee – er is een bepaalde verwerking (de nacht brengt raad?! – we slapen er een nachtje over?! – de morgen is wijzer dan de avond?! – en stappen het leven weer in.
De kleinere:

So werden wir uns bewußt werden müssen, wenn wir einem Kinde diesen oder jenen Lehrgegenstand beibringen, daß wir dann in der einen Richtung wirken auf das mehr in den physischen Leib Hineinbringen der Geistseele und in der anderen Richtung mehr auf das Hereinbringen der Körperleiblichkeit in die Geistseele.

We zullen ons bijvoorbeeld bewust moeten worden in welke richting we werken door een kind bepaalde leerstof bij te brengen: dat we met het ene onderwerp meer de geestziel laten doordringen in het fysieke lichaam en met een ander onderwerp meer het lichamelijk organisme in de geestziel brengen.

In andere voordrachten werkt Steiner dit thema uit of stipt het (verder) aan. Het meest uitgebreid in GA 307 [nog niet oproepbaar].

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Over de slaap

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

1482-1389

.

VRIJESCHOOL – Is de vrijeschool een antroposofische school? (3-8)

.

kan een atheïst of agnost vrijeschoolleerkracht zijn?

IS DE VRIJESCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL?

Op zijn site LUXIELEN stelt de ex-vrijeschoolleraar, met zeer lange ervaring, Luc Cielen, deze vraag.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. de praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft er – stand eind nov. ’17 – elf voorbeelden van.

Zijn 8e artikel gaat over:

KAN EEN LEERKRACHT IN DE STEINERSCHOOL ATHEÏST OF AGNOST ZIJN?

Als een atheïst, dit wil zeggen: iemand die niet gelooft in God, goden of geestelijke werelden, les wil geven aan een steinerschool, kan die dat dan? En een agnost, iemand die beweert dat men God, goden en geestelijke werelden niet kan kennen, kan die lesgeven aan een steinerschool?

In een steinerschool hangen doorgaans geen religieuze afbeeldingen, geen kruisbeelden en dergelijke, al is dit niet helemaal waar, want in bijna álle steinerkleuterklassen en in vele klassen van de lagere school hangt een ingekaderde reproductie van de Sixtijnse madonna van Rafael Sanzio. Waarom hangt die daar? Om de kunstzinnige voorstelling van de Madonna met het kind Jezus? Ja, ook, maar vooral omdat antroposofen in dit schilderij een afbeelding zien van hoe de mens uit de geestelijke wereld neerdaalt op aarde en de twee kleine engeltjes vooraan zouden de twee fameuze Jezuskinderen zijn die Steiner uit zijn geestelijk schouwen heeft meegebracht. Wil je meer weten over wat antroposofen in dit schilderij zien, lees dan eens wat Lieven De Brouwere erover schrijft in zijn blog https://vijgennapasen.wordpress.com/tag/sixtijnse-madonna/(jammer genoeg moet je eerst door een korte vileine tekst over de islam) De Sixtijnse madonna is in steinerscholen de evenknie van het kruisbeeld in katholieke scholen: een symbool van de geloofsovertuiging die er uitgedragen wordt.

Beste Luc,
Wat je hier allemaal beweert, klinkt voor mij veel te radicaal.
Zeker, in veel vrijeschoolkleuterklassen hangt het genoemde schilderij van Rafaël. Maar hoe kom je erbij te zeggen dat ‘De Sixtijnse madonna is in steinerscholen de evenknie van het kruisbeeld in katholieke scholen: een symbool van de geloofsovertuiging die er uitgedragen wordt.’
Je zou iets meer recht van spreken hebben, wanneer dit schilderij in álle klassen en ruimten hing, zoals het kruisbeeld. Maar dat is niet het geval: het is slechts een wandversiering die in de kleuterklas terecht is gekomen. Steiner heeft wat aanwijzingen gegeven voor wat je aan de muur zou kunnen hangen, zoals bijv. voor de 2e klas ‘Sint-Franciscus preekt aan de vogels’ van Giotto of ‘dieren’ van Franz Marc voor de vierde klas. In de lijst aanwijzingen staat niets – voor zover ik het heb kunnen nagaan – voor de kleuterklas, want die was er toen nog niet. Iemand zal ooit dit schilderij voor een kleuterklas zijn gaan gebruiken. Het vertrouwde gezicht: een moeder met een kind. Wat de twee Jezuskinderen betreft: m.i. sleep je dat erbij, zonder enige vorm van nadere onderbouwing – het blogartikel waarnaar je verwijst ten spijt –

Dus als Steiner jouw antroposofische kruisbeeld belangrijk had gevonden om de redenen die je hier ‘zo maar’ opwerpt, dan zouden we dit schilderij, zoals gezegd, wel in veel meer ruimtes in de vrijescholen vinden. Dat is niet het geval.
Ik had tot nog toe geen aanleiding je woorden onzin te noemen, maar wat dit betreft, laat je me geen keus!

Ondanks de overal aanwezige Sixtijnse madonna, de dagelijks herhaalde spreuken en de antroposofische visie op geschiedenis, plantkunde, mens- en dierkunde beweren de steinerscholen geen levensbeschouwelijke scholen te zijn.

Via onderstaande linken is te lezen wat er over de spreuken, geschiedenis, plant- mens- en dierkunde gezegd moet worden om recht te doen aan het hoe en waarom.

Godsdienstonderwijs wordt er ook niet gegeven. Als atheïst of agnost zou je er dus probleemloos aan de slag kunnen. Maar dat is niet zo. In een gesprek met een lid van de Federatie van Steinerscholen in Vlaanderen werd het me duidelijk gemaakt dat een steinerschool zonder antroposofie niet kan. Je kunt geen leerkracht zijn in een steinerschool zonder de antroposofie te omhelzen.

Daar heeft dit lid van Federatie helemaal gelijk in: je kan geen vrijeschoolleerkracht zijn zonder het antroposofisch mensbeeld dat omgewerkt is tot methode, tot didactiek. Dat is zeer zeker niet hetzelfde als ‘antroposofie omhelzen’. MOETEN omhelzen, nog wel! Dit ‘omhelzen’ gebruik je m.i. veel te tendentieus. Antroposofie is o.a. ook biologisch-dynamisch voedsel, Christengemeenschap, je arts. Daarover wordt niet met je gesproken, wanneer je leerkracht aan een vrijeschool wil zijn. Wel over de mens als geestelijk wezen: geen naakte aap! En als je dat niet ziet of wilt zien, moet je er ook niet WILLEN werken.

En dat is nu net het probleem: als je in een steinerschool wil lesgeven – bijvoorbeeld omdat je je aangetrokken voelt door het kunstzinnige – dan MOET je de antroposofie erbij nemen. Dat wil zeggen dat je alles wat Steiner verkondigd heeft, moet aanvaarden. Het staat trouwens in zowat alle aanwervingsvoorwaarden: je moet je willen verdiepen in de antroposofie.

Natuurlijk moet je de antroposofie erbij nemen: die omschrijft en geeft inhoud aan het ‘kunstzinnige.’ Je wil nu een vrijeschool zonder antroposofie. Maar draai het eens om: zou er een vrijeschool geweest zijn zonder de omgewerkte antroposofische gezichtspunten!
Je doet me denken aan iemand die in een rivier zwemt die een duidelijke bron heeft. Je wil je niet steeds bezighouden met die bron en bouwt naast de rivier een zwembad dat je vult met dit riverwater. Daar heb je heerlijk je eigen badje en vandaar roep je vervolgens naar de zwemmers in de rivier dat ze om lekker te kunnen zwemmen die bron helemaal niet nodig hebben.

In de praktijk komt het daarop neer dat je meedoet met wat enkele leidende figuren in elke school opleggen: de spreuken zeggen en de verplichte steinervoordrachten lezen.

Je gaat nogal kort door de bocht in dit artikel. Een spreuk kan een motto zijn, waarmee je gezamenlijk wil werken en het bestuderen van pedagogische voordrachten is voor vrijeschoolleerkrachten een behoefte én een noodzakelijkheid om het werk zo goed mogelijk te kunnen doen – nu en in de toekomst. Opleggen, verplichten – ik ken het niet en het kan er ook niet zijn: je kiest er zelf voor!

In vele scholen kom ik echter leerkrachten tegen die amper iets van Steiner gelezen hebben, en er zich ook weinig van aantrekken. In hun lessen geven ze wat anderen hen aanreiken of ze baseren zich – helaas – op werkboekjes en schriften van leerlingen uit voorgaande klassen.

Het bestuderen van de pedagogische achtergronden is een hele klus, dat kan ik je uit eigen ervaring wel zeggen. Het gaat nog niet eens om het lezen. Het je eigen maken, er iets mee kunnen in de praktijk, is nog een heel iets anders. Ik denk dat veel leerkrachten zich dit innerlijk wél aantrekken, maar de praktische mogelijkheden niet hebben, het anders te doen. Het dagelijks werk, je ‘gewone’ leven, vergt veel van mensen. Dan ligt het voor de hand dat door tijdgebrek mensen hulp zoeken in wat anderen kunnen aanreiken. Daarvan ken ik het ‘gevaar’: dat je niet die oorspronkelijke leerkracht bent die met zijn of haar creativiteit het werk vormgeeft.

De weinige leerkrachten die zich antroposofisch scholen houden zich dikwijls meer met antroposofie bezig dan met pedagogie, maar hun vocabularium verspreidt zich wel over de hele school. Zo kom je leerkrachten tegen die – zonder enige ervaring met de geestelijke wereld – vol ernst en overtuiging spreken over etherlichaam, astraallichaam, bewaarengelen en een moed verstrekkende aartsengel Michaël, wiens naamfeest op 29 september in elke steinerschool gevierd wordt, doordrongen van het antroposofische gedachtegoed, terwijl men dan net zo goed een mooi herfstfeest kan vieren en dat ook zo noemen.

Een vreemde opmerking voor iemand die dagelijks voor de klas heeft gestaan, Luc: als zou je daar meer met antroposofie dan met pedagogie bezig kunnen zijn.
Wel interessant dat je ervaring is dat weinig leerkrachten intensief met antroposofie bezig zijn en dat je dan elders weer opmerkt dat er teveel antroposofie in de vrijescholen zit en dat de leerkrachten – dat moeten er dus veel meer zijn dan degenen die er intensief mee bezig zijn – dan toch met z’n allen indoctrineren.

Toch heeft die antroposofische invloed in de scholen een gunstig effect. In elke steinerschool ontmoet je cultuur. Geen banale gesprekken over voetbal, koers of andere dagdagelijkse besognes, maar oprechte gesprekken over de kinderen, over kunst, over culturele evenementen. Op deze scholen wordt er nagedacht en vanuit een filosofische visie – hoe eigenaardig die ook mag zijn – gehandeld. Er is oog voor schoonheid, er leeft respect voor mens en omgeving. De materialen, van natuurlijke oorsprong, zijn met zorg gekozen. De klasinrichtingen zijn eenvoudig en de versiering sober, helemaal het tegengestelde van wat je in andere scholen soms ziet. Vergelijk een rust uitstralende steinerkleuterklas maar eens met een kleuterklas uit reguliere of alternatieve scholen: wat een schreeuwerige kakofonie kom je daar niet tegen!

Je spreekt dus over het water uit die bron, het water dat jij in je eigen zwembad hebt geschept, om vervolgens over die bron te zeggen dat hij eigenlijk vervuild is?

Wat ik zoek, niet voor mezelf, want ik heb het voor een groot deel kunnen realiseren, maar voor de vele ouders op zoek naar een goede school voor hun kind, is een school waar minstens dezelfde zorg, minstens dezelfde kunstzinnigheid, minstens hetzelfde respect heersen als in een steinerschool, maar dan zonder de antroposofische indoctrinatie.

Ik constateer nu, dat wat je tot nog toe wat meer in de vragende vorm zette: is de vrijeschool een antroposofische school? eigenlijk door jou wordt beantwoord met ja: er wordt zelfs geïndoctrineerd.
Maar: lees je mijn commentaren op je artikelen – dan blijk je ook heel anders naar dingen te kunnen kijken, waarbij er geen sprake is van indoctrinatie. Het is maar door welke bril je kijkt. Iets objectiefs geef je er naar mijn mening niet mee.

Kortom een steinerschool waar atheïsten en agnosten zich thuis kunnen voelen.

Een naïve gedachte Luc, wie de mens niet kan zien als een geestelijk wezen, kan niet op een vrijeschool werken.

Moet dat dan zonder Steiner? Helemaal niet, want de beste pedagogische ideeën van Steiner komen niet voort uit zijn antroposofie, maar uit zijn gezond boerenverstand of heeft hij van anderen.

Ik ben werkelijk verbijsterd over zoveel kortzichtigheid, Luc. In vrijwel iedere pedagogische voordracht zijn het de antroposofische menskundige inzichten die omgewerkt worden naar pedagogie, methode en didactiek. Wat Steiner daarnaast nog beweert, is zeker niet gelijk te stellen aan ‘boerenverstand’, maar aan een grote, wijsheidsvolle mensenkennis. Ik heb daar een paar concrete voorbeelden van gegeven: Steiner als pedagoog   als didacticus

Het blijft hoe dan ook zinvol om Steiners teksten en voordrachten over pedagogie te lezen. Een school ook waar pedagogische werken van andere auteurs met aandacht gelezen en besproken worden, want Steiner is niet de enige zaligmakende pedagoog. Zijn leerplannen hebben dringend een update nodig om te voldoen aan het eenentwintigste-eeuwse leven – we leven toch ook niet meer in de maatschappij van 1919 – en aan de huidige wetenschappelijke inzichten.

Er zal geen vrijeschoolleerkracht zijn die deze woorden in twijfel trekt en in ieder geval in Nederland is er een voortdurend zoeken naar de kernpunten van het vrijeschoolonderwijs voor de tijd waarin we leven. Dat het leerplan ‘uit de tijd’ is omdat het uit 1919 stamt, is een grove misvatting: er blijken zoveel tijdloze aspecten in te zitten, dat het nog jaren meegaat; sterker nog, veel van wat Steiner voor ogen stond is nog niet eens gerealiseerd.

De pedagoog moet ook de tijd begrijpen waar hij in staat, omdat hij de kinderen moet begrijpen die hem toevertrouwd worden.
(Steiner wegwijzer 19)

Hoe kun je een steinerschool zonder antroposofie creëren?

Dat is ongeveer dezelfde vraag als, hoe kun je lekker zeilen zonder wind!

Vervang de spreuken door liederen die geen religieuze inhoud verkondigen. Er zijn meer dan voldoende mooie liederen om een schooldag mee te beginnen en mee af te sluiten. Of zeg een spreuk zoals die spreuk van Christian Morgenstern die vóór het eten gezegd wordt: zonder antroposofische geloofsverkondiging. Een mooi gedicht kan ook voor wie houdt van een poëtische opmaat, maar zeg niet jaren achtereen dezelfde spreuk of hetzelfde gedicht.

Dit heb je al aan de orde gesteld en ik heb daarop geantwoord.

Schoolfeesten kunnen gemakkelijk losgekoppeld worden van de antroposofie aangezien het seizoens- en volksfeesten zijn. De zogezegde geestelijke achtergronden ervan heb je niet nodig om een zinvol feest te vieren. Een Michaëlsfeest is ook gewoon een herfstfeest; een Sint-Jansfeest is ook gewoon een midzomerfeest. Kerstmis mag gerust over de geboorte van Jezus gaan, maar ook over Mithras of Boeddha of Mozes en het kan tegelijk ook een algemeen geboortefeest zijn.

Ik laat deze opmerkingen even onbesproken – die vragen wat mij betreft een aparte aandacht.

Vakken als geschiedenis, plantkunde, mens- en dierkunde laat je aansluiten bij de hedendaagse stand van de wetenschappen. Deze vakken hebben echt geen behoefte aan antroposofie. Het vak menskunde zou een volwaardig vak moeten worden in 4e, 5e en 6e klas. En gezien de grote ontwikkelingen op sterrenkundig en weerkundig vlak en op het gebied van ruimtevaart zou een vak als astronomie zeker moeten toegevoegd worden aan het curriculum van de lagere school.

Over deze vakken heb je reeds geschreven en ik heb erop geantwoord. Om kinderen via deze vakken met hun wereld te verbinden, heb je juist iets anders nodig dan de droge wetenschap of zoals Steiner eens opmerkte:

Dit kunnen we ons niet genoeg realiseren:
dat pedagogische kunst uit moet gaan van het leven en niet uit kan gaan van een aftreksel van wetenschappelijk denken.
(Steiner wegwijzer 110)

of:
Niet met pedagogie als normwetenschap, maar met pedagogie als kunst moet je het kind benaderen.
(Steiner wegwijzer 63)

of:
Opvoeden is nooit een wetenschap, maar een kunst.
(Steiner wegwijzer 54)

Lees en bediscussieer met de leerkrachten oude en recente inzichten op pedagogisch vlak via boeken, handleidingen enz. Naast Steiner en Montessori moeten boeken van bijvoorbeeld Freinet, Furedi, Omer, Moonen, Van den Broeck, Verhaeghe, Savater, Masschelein, Stevens en vele anderen bestudeerd worden.

Steiner gaat nog wel wat verder met de interesse die hij van de leerkracht vraagt:

dat we als leraar interesse moeten hebben voor alles wat er in de wereld bestaat en wat de mens aangaat. Voor al het
wereldlijke en al het menselijke moeten we als leraar interesse hebben. Het zou uiterst spijtig zijn als we ons als leraar op de een of andere manier zouden afsluiten voor iets dat interessant kan zijn voor de mens. We dienen ons te interesseren voor de grote en voor de kleinste aangelegenheden van de mensheid. We dienen ons te kunnen interesseren voor de grote en de kleinste aangelegenheden van ieder kind. Dat is het tweede: dat een leraar een mens moet zijn met interesse voor alles wat in de wereld en in de mens leeft.

En wat ik al eerder opmerkte: er is een zoeken naar ‘wat is het beste voor onze kinderen. Ook met andere vormen van onderwijs!

Om terug te komen op mijn vraagKan een atheïst of agnost leerkracht zijn aan een steinerschool?

Ja, als die steinerschool al de antroposofische elementen achterwege laat.

Beslist niet, Luc. Je hebt geen vrijeschool meer als je je niet laat inspireren door het antroposofische mensbeeld.
want u zult geen goede opvoeder en pedagoog worden wanneer u alleen kijkt naar wat u doet en niet naar wat u bent.
(Steiner wegwijzer 5)

Een instituut zoals een school hoeft geen antroposofische instelling te zijn; alleen de Antroposofische Vereniging is een antroposofische instelling. In een steinerschool (of gelijk welke school) kunnen leerkrachten als persoon, als individu, antroposoof zijn, maar de leerkrachten mogen gelijk welk geloof aanhangen of atheïst/agnost zijn, want een religieuze of niet-religieuze overtuiging maakt deel uit van het geestesleven en dat moet, zoals Steiner aangeeft, vrij zijn.

Je haalt hier pijnlijk een aantal zaken door elkaar. De vrijheid om iets aan te hangen, om bij iets te horen, iets te willen zijn in een bepaalde richting of niet, is (waar wij wonen) de vrijheid van ieder mens. Degene die vrijeschoolleerkracht wil zijn, stelt zich in dienst van de mens als geestelijk wordend wezen.

U moet de gehele mens leren begrijpen: naar geest, ziel en lichaam.
Hoe zou degene die geest en ziel niet accepteert dat moeten doen?
Hoeveel van het didactisch werken stoelt niet op het zich manifesteren van de geest in de bewustzijnstoestanden: wakker, dromen, slapen? Hoe zou je daar concreet mee moeten werken als je de geest ontkent.

In ieder zwembad kun je met het rivierwater heerlijk zwemmen; wie in de rivier wil zwemmen, staat in contact met de bron.

Het is dan ook een noodzaak dat alle elementen in een steinerschool die vanuit een antroposofische visie afkomstig zijn, eruit verwijderd worden.

Dat is een even dwaze bewering als zeggen dat de beweging van de hand los gemaakt moet worden van het lichaam.

En het christelijke? Omdat dit nu eenmaal tot onze cultuur behoort en tot voor korte tijd zo goed als allesbepalend was in onze maatschappij, moet het voorlopig nog als cultureel erfgoed aan bod komen. Er is zo veel in onze wereld dat naar het christendom verwijst dat de kinderen er recht op hebben om te weten wat dit is en waarover het gaat. Zodra de christelijke relicten verdwenen zijn, zal het christendom enkel en alleen nog in geschiedenislessen behandeld worden.

Ook hier kan ik maar moeilijk met je mee komen: ik vind het een visie die wat de vraagstelling betreft wel diepzinnig is, maar in zijn uitwerking voor mij van een nogal weinig zeggende oppervlakkigheid.

Als ik in een sollicitatiecommissie zou zitten of in de directie of anderszins zou moeten beslissen over het aanstellen van de door jou hier opgevoerde atheïst of agnost en zoals ik die gelinkt heb aan ‘geest’, ik zou ze niet benoemen.

Ik kan dit makkelijk schrijven: ik ga niet (meer) over aanstellingen. Ik schrijf ook niet namens ‘een’, laat staan DE vrijeschool of welke vrijeschoolinstelling dan ook.

En nu maar hopen dat onze bijdragen leiden tot de zo nodige nuance!

.

Andere commentaren op de artikelen van Luc Cielen:

[1-1geschiedenis [1]
[1-2geschiedenis [2]
[1-3] dierkunde
[1-4plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer spreuken
[5] nog meer spreuken
[6] en nóg meer spreuken
[7] het schoollied
[9jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

.

Rudolf Steiner: Algemene menskunde

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

.

1480-1388

.

.

VRIJESCHOOL – Is de vrijeschool een antroposofische school? (3-7)

.

over het schoollied

DE VRIJESCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL?

Op zijn site LUXIELEN stelt de ex-vrijeschoolleraar, met zeer lange ervaring, Luc Cielen, deze vraag.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. de praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft er – stand eind nov. ’17 – elf voorbeelden van.

Zijn 7e artikel gaat over ‘het schoollied‘.

Luc:
‘Toen ik in 1983 in Brasschaat De Wingerd oprichtte was het geenszins mijn bedoeling een steinerschool op te richten. Er stond me een school voor ogen waar kunstzinnige activiteiten een essentieel onderdeel zouden vormen van het curriculum en alle lessen doordrongen zouden zijn van kunstzinnige elementen. Omdat het overgrote deel van de kinderen en de ouders afkomstig was van de enkele jaren eerder opgerichte steinerkleuterschool in Kalmthout en zij mee hun schouders zetten onder dit nieuwe schoolproject, vonden we een compromis in de benaming van de school: Kunstzinnig basisonderwijs volgens de steinerpedagogie. In de praktijk is de school echter geëvolueerd naar een gewone steinerschool.’

Beste Luc,
Dat je veel van Steiner niet wil, blijkt wel uit je artikelen waarop ik tot nog toe ben ingegaan. Het fenomeen dat je er toch iets uit kan en wil gebruiken, vind ik erg interessant en de verleiding is groot daarop nu in te gaan. Het lijkt me echter beter, dat te doen bij je volgende artikel.

Wat ‘het schoollied’ betreft, ben ik het in grote trekken met je eens.

Het hebben van een schoollied volgt niet op aanwijzingen van Steiner. Het is op bepaalde scholen wellicht meer of minder ontstaan, maar het karakteriseren als behorend bij ‘DE’ steinerschool of vrijeschool mist iedere vrijeschoolpedagogische grondslag.
Vanuit dit gezichtspunt valt voor mij je 7e artikel min of meer buiten de boot – het is een lokale aangelegenheid.

En toch is het verschijnsel ‘schoollied’ me ook vanuit de situatie in Nederland – uit andere landen weet ik het niet – niet vreemd.
Op veel vrijescholen wordt het lied ‘In the quest of the holy grail’ gezongen en vaak bij bijzondere gebeurtenissen. Daarmee lijkt het op een schoollied of is het op weg dat te worden.
Ik vind het muzikaal gesproken – vooral in zijn meerstemmigheid – een mooi lied. Ik denk dat de meesten het daarom graag zingen en niet om de tekst. Die vind ik ‘te zwaar’ over de school hangen. Voor de uitleg heb je m.i. antroposofie nodig en die moet – het zijn de woorden van Steiner – niet de school binnengesleept worden.
Er zijn neutralere liederen.
Zo hebben wij jaren aan het eind van het schooljaar op de laatste schooldag gezongen: ‘Nu vaarwel, leef vrij en blij, ‘k denk aan jou, doe dat dan ook aan mij – waarbij ik zelf de laatste zin nog zou willen aanpassen: doe je dat ook aan mij?

En we hadden ook een veel vrijblijvender welkomslied.

Terecht wijs je m.i. op de mogelijkheid van te veel spreuken met een niet alledaagse inhoud. Een teveel aan wat bijzonder is, doet meestal afbreuk aan dat bijzondere.

‘Kind mogen zijn om vrij mens te worden. Nu nog de schoolvlag?’

Met deze wat cynische opmerking besluit je je artikel.
Je had ook het schooluniform nog kunnen noemen.
Het uniforme en het individuele staan zeker op gespannen voet met elkaar en als je kinderen ‘in vrijheid wil laten gaan’, moet je je rekenschap geven van alles wat deze vrijheid kan bedreigen.
Dat je daar aandacht voor vraagt, kan ik alleen maar toejuichen.
Maar in het kader van je artikelenreeks om aan te tonen dat de ‘steinerschool een antroposofische school’ is, vind ik het eerder ‘waarschuwend’ dan bewijzend.

.

Andere commentaren op de artikelen van Luc Cielen:

[1-1geschiedenis [1]
[1-2geschiedenis [2]
[1-3dierkunde
[1-4plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer spreuken
[5] nog meer spreuken
[6] en nóg meer spreuken
[8] atheïst of agnost: kun je dan vrijeschoolleerkracht zijn?
[9] jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

.

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

.

1466-1374

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-8-2/1)

.

Enkele gedachten bij blz. 24/25 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Omdat Steiner hier eerst uitgaat van de fysieke mens, zou je om het onderstaande nog wat nader te leren kennen, een gewoon anatomieboek kunnen opslaan. Daar vind je dan voldoende om de beschreven processen gedetailleerder te benaderen.

Wir rechnen zu den Gliedern des dreigliedrigen physischen Menschensystems zunächst den Stoffwechsel. Aber der Stoffwechsel hängt an dem einen Ende mit dem Atmen innig zusammen; der Atmungsprozeß hängt stoffwechselmäßig mit der Blutzirkulation zusammen. Die Blutzirkulation nimmt die auf anderem Wege eingeführten Stoffe der äußeren Welt auf in den menschlichen Körper, so daß gewissermaßen auf der einen Seite das Atmen mit dem ganzen Stoffwechselsystem zusammenhängt. Das Atmen hat also seine eigenen Funktionen, aber es hängt doch auf der einen Seite mit dem Stoffwechselsystem zusammen.

We rekenen tot de drieledigheid van de fysieke mens ten eerste de stofwisseling. Nu hangt de stofwisseling aan de ene kant ten nauwste samen met het ademen; het ademproces hangt wat de stofwisselingskant betreft samen met de bloedsomloop. De bloedsomloop neemt de langs andere wegen binnengeko­men stoffen van de buitenwereld op in het lichaam, zodat in zekere zin aan de ene kant het ademproces met het gehele stofwisselingsstelsel samenhangt. Het ademen heeft dus wel zijn eigen functies, maar hangt aan de ene kant toch samen met het stofwisselingsstelsel.

Auf der anderen Seite hängt dieses Atmen auch zusammen mit dem Nerven-Sinnesleben des Menschen. Indem wir einatmen, pressen wir fortwährend das Gehirnwasser in das Gehirn hinein; indem wir ausatmen, prellen wir es zurück in den Körper. Dadurch verpflanzen wir den Atmungsrhythmus auf  das Gehirn. Und wie das Atmen zusammenhängt auf der einen Seite mit dem Stoffwechsel, so hängt es auf der anderen Seite zusammen mit dem Nerven-Sinnesleben. Wir können sagen: Das Atmen ist der wichtigste Vermittler des die physische Welt betretenden Menschen mit der physischen Außenwelt.

Aan de andere kant hangt het ademen samen met het zenuw- zintuigleven van de mens. Bij onze inademing stuwen we voortdurend het hersenvocht de hersenen in; bij onze uitade­ming stoten we het weer terug in het lichaam.0 Daardoor bren­gen we het ritme van de adem over op de hersenen. En zoals het ademen aan de ene kant verband houdt met de stofwisseling, zo houdt het aan de andere kant verband met het zenuw-zintuigleven. We kunnen wel zeggen dat het ademen de belangrijkste bemiddelaar is tussen de mens die de fysieke wereld betreedt en de fysieke buitenwereld.

*Verwijzing naar ‘De spirituele bronnen van de kunst‘, voordrachten van 6 mei en 1 juni 1918

Hoe dit ritme van de adem overgebracht wordt naar de hersenen, is grondig onderzocht en beschreven in anatomieboeken – zie hieronder.

Rudolf Steiner heeft er in diverse voordrachten over gesproken. Hij wijst vaak op de belangrijke functie van het hersenwater bij het veel lichter maken van het gewicht van de hersenen:

Also dieses Gehirn, das ja ein sehr bedeutendes Gewicht hat, jedenfalls 1200, 1300 Gramm wiegt, das wirkt durchaus nicht mit seiner vollen Schwere, sondern nur, man möchte sagen, mit dem Gewichte von ein paar Grammen, weil es den Auftrieb erfährt. Sie wissen ja das archimedische Gesetz, wonach jeder Gegenstand um soviel leichter wird, als das Gewicht der verdrängten Wasser­masse beträgt. So liegt das ganze Gewicht des Gehirns nur mit ein paar Grammen auf, weil es im Gehirnwasser schwimmt. Der Mensch könnte nicht sein Gehirn zum Denken gebrauchen, wenn es die volle Tendenz hätte, nach unten zu drücken. Es bekommt den Auf­trieb. Es überwindet die Schwere in sich durch die Organisation, durch das Schwimmen im Gehirnwasser. Wir denken nicht mit der Materie, sondern wir denken mit dem, was sich der Materie entzieht durch die nach aufwärts strebenden Auftriebskräfte, mit dem, was aus der Erde herauswächst.

Dus de hersenen, die wel een erg duidelijk gewicht hebben, in ieder geval zo’n 1200, 1300 gram, functioneren niet met het volle gewicht, maar met het gewicht van maar een paar gram door de opwaartse druk. ( de wet van Archimedes). Dus het brein drukt maar met een gewicht van een paar gram, omdat het in het hersenwater zwemt. De mens zou zijn hersenen niet kunnen gebruiken om te denken, wanneer ze de neiging zouden hebben, naar onderen te drukken. Ze worden opgetild. Hierdoor overwinen ze de zwaarte. We denken niet met de materie, maar we denken met wat aan de materie wordt onttrokken door de omhoog strevende opwaartse krachten, met wat van de aarde afgroeit:

tekening Steiner:

GA 201/80
Niet vertaald

( ) ich habe Sie schon einmal aufmerksam darauf gemacht -das Aufundabwogen des Gehirnwassers durch den Rückenmarkskanal ins Auge faßt, so sieht man, wie durch die Einatmung und Ausatmung eine regelmäßige Oszillationsbewegung, eine schwingende Bewegung des Gehirnwassers von unten nach oben, von oben nach unten statt­findet, wie das Gehirnwasser bei der Einatmung nach aufwärts ge­trieben wird, anschlägt gewissermaßen an die Gehirnorganisation, wie es wiederum sinkt bei der Ausatmung.

Ik heb er al eens op gewezen – het op- en neergaan van het hersenwater door het ruggenmergkanaal: dan zie je hoe door het in- en uitademen een regelmatige fluctuatie ontstaat, een schommelende beweging van het hersenwater van onder naar boven, van boven naar onder, hoe het hersenwater bij inademing omhoog gestuwd wordt, in zekere zin de hersenen aanraakt, hoe het dan weer bij het uitademen daalt.
GA 202/164
Niet vertaald

Ook in de pedagogische voordracht GA 301:

Der Nerven-Sinnes-Organismus, der zentralisiert ist im menschlichen Gehirn, ist so zentralisiert, daβ das Gehirn eigentlich nur zum geringsten Teil in einem gewissen festen Zustande ist; das ganze Gehirn schwimmt im Gehirnwasser. Es würde unser Gehrin, wenn es nicht im Gehirnwasser wirklich schwimmen würde fortwährend auf die an der Schädelunterlage befindlichen Blutgefäβe drücken und diese fortwährend zerdrücken. Unser Gehirn erleidet nähmlich dadurch, daβ es im Gehirnwasser schwimmt, einen fortwährenden Auftrieb 90-so daβ von dem reichlich 1300 bis 1500 Gramm wiegenden Gehirn eigentlich auf die Unterlage des Schädels sehr wenig gedrückt wird. Aber dieses Gehirnwasser, das ist nicht minder beteiligt an unsern ganzen menschlichen Erleben als etwa das Feste des Gehirnes. Dieses Gehirnwasser, das ist nähmlich in einer stetigen Auf-und Abbewegung. Es bewegt sich das Gehirnwasser rhythmisch auf und ab vom Gehirn durch den Rückenmarkskanal, strahlt dann aus in die Bauchhöhlung, wird bei der Einatmung zurückgestoβen in die Gehirnhöhlung, wieder herausgestoβen, und bei der ausatmung flieβt es wieder herunter. In fortwährendem Auf-und Abbewegen ist dieses Gehirnwasser, das heiβtt, seine Fortsetzung in den übrigen Organismus hinein, so daβ eine fortwährende vibrierende Bewegung stattfindet, die im Grunde genommen den ganzen Menschen erfüllt und die mit dem Atem zusammenhängt.

Dit zenuw-zintuigorganisme, dat gecentraliseerd is in de menselijke hersenen; zo gecentraliseerd dat de hersenen eigenlijk maar voor het kleinste deel zich in een zekere vaste toestand bevinden; het hele brein zwemt in het hersenwater. Ik probeer om wat daaraan ten grondslag ligt door het volgende duidelijk te maken: onze hersenen zouden, wanneer ze niet daadwerkelijk in het hersenvocht zouden zwemmen, voortdurend op de bloedvaatjes van de schedelbasis drukken en deze voortdurend verdrukken. Onze hersenen ondergaan namelijk doordat ze in het hersenvocht zwemmen een voortdurende opwaartse druk – wat je naar Archimedes de opwaartse druk kan noemen, zoals u die uit de natuurkunde kent – zodat er van de ruim 1300 tot 1500 gram wegende hersenen eigenlijk op de schedelbasis hooguit 20 gram drukken. Zodat er door de opwaartse druk waaraan de hersenen onderhevig zijn, op de schedelbasis zeer weinig druk wordt uitgeoefend. Maar dit hersenwater is niet minder betrokken bij heel ons menselijk beleven dan de vaste hersensubstantie. Dit hersenwater is namelijk in een op-en-neerbeweging. Het hersenwater beweegt ritmisch op en neer vanuit de hersenen door het ruggenmergkanaal, straalt dan uit in de buikholte, wordt door het inademen weer teruggedrukt in de hersenholte, weer weggedrukt en bij de uitademing vloeit het weer naar beneden. In een voortdurende stijg- en daalbeweging is dit hersenwater; dat betekent: het gaat vandaaruit de rest van het organisme in, zodat er een voortdurende vibrerende beweging plaatsvindt die uiteindelijk door de hele mens heengaat en die met de adem samenhangt.
GA 301/34 e.v.
Op deze blog/vertaald

Steiner gaat er in de ‘Algemene menskunde’ in de 1e voordracht niet dieper op in, maar in andere voordrachten wel, waarbij de hersenvloeistof niet alleen maar vloeistof is, maar ook een bovenzintuiglijke functie vervult.
Dat doet denken aan wat uit de (materialistische) (natuur)wetenschap populair naar voren komt als ‘het zit in de genen’. Of ‘het zit in je brein’. Gedrag, gedachten. Maar in genen en brein zijn nog nooit gedrag en gedachten gevonden. En toch zijn ze voor gedrag en gedachten onmisbaar. Wellicht zoals de viool onmisbaar is voor vioolmuziek. In de viool wordt die echter nooit gevonden. Juist! Er moet een violist zijn (en een strijkstok!) 
Die ‘violist’ is hier – waar het om het hersenvocht gaat – de ziel. 

Als met de allereerste inademing het wezen van de mens incarneert, geest-ziel wordt, in een aards lichaam, dan is de adem de fysieke basis voor dit zielenleven.

Kranich [4] verwoordt dit zo:
Dit wezen belichaamt zich in de ademorganisatie van het kind en leeft in de [volgende] geschetste modulaties van de ademhaling.
Vanhieruit dringt het dieper door in het organisme. Allereerst werkt het ademritme op de aderen vena azygos en vena hemiazygos in de borstholte en vooral op de beide vaten van vena lumbalis ascendens in de buikholte die in de lichaamsholte achter rechts en links naast de wervelkolom lopen. Deze nemen het bloed op dat vanuit het binnenste van het wervelkanaal, voor een deel door de wervellichamen naar buiten wegstroomt:

Uit het wervelkanaal stroomt aderlijk (veneus) bloed langs verschillende wegen, vooral ook door het wervellichaam naar het aderstelsel aan het wervellichaam en dan in de vena lumbalis en de vena (hemi)azygos. [5]

1=cavitas epiduralis, het vetrijke weefsel met het adernetwerk dat in het ruggenmergkanaal het door het ruggenmergvlies omsloten ruggenmerg
2=spinalganglion -ruggenmergszenuwknoop
3=vena basivertebralis
4=adervlechtwerk buiten

Meer afbeeldingen

Kranich geeft ook deze afbeelding:

Het inwendige van het wervelkanaal, omsloten door de wervelboog (boven) en het wervellichaam (onder)
1=cavitas epiduralis – zie 1 in de vorige afbeelding
2=harde ruggenmergvlies (dura mater spinalis): de buitenste van drie ruggenmergvliezen
3=spinnenwebvlies (arachnoida spinalis), het tweede, veel zachtere ruggenmergsvlies
4=vaatvlies (pia mater spinalis): die omsluit het ruggenmerg
5=suarachnoïdale ruimte: deze is gevukld met het hersenwater (liquor cerebrospinalis)
6=achterzenuwwortel van het ruggenmerg
7=voorwortel
8=ruggenmergszenuwknoop (spinalganglion)    [6]

Hersenvocht

Hier bevindt zich ook het ruggenmerg (vanaf het hoofd tot de eerste lendenwervel). Het is omsloten door de vliezen en zweeft in het hersenvocht. De ruggenmergsvliezen worden omsloten door een vaatnetwerk, dat ingebed ligt in een vetrijk weefsel: door de lichaamswarmte is dit vet half-vloeibaar.
Wanneer nu door het ademritme bij het inademen het aderbloed in het inwendige van het wervelkanaal terugstuwt, worden de aderen van het aderwerk dikker en oefenen van alle kanten druk uit op het hersenvocht. Daardoor wordt iets van het hersenvocht in de schedel geperst, waar het de hersenen omgeeft. Het ritmisch pulserende hersenvocht omgeeft niet alleen de hersenen – door fijne openingen dringt het overal de hersenen binnen – in de grijze hersenschors, de cortex, en zelfs in de schors tot de witte substantie. Door deze fijne kanaaltjes, de zgn. Virchow-Robin ruimten, komt het ademen met de ritmen tot in de hersenen:

In het hoofd van de mens hebben we het harde hersenvlies, direct bij het bot
=1 en 2
naar binnen volgt het spinnenwebvlies =3
de vaathuid omsluit de hersenen =4
tussen het spinnenwebvlies en de vaathuid ligt de subarachnoidalruimte  =5 met het hersenvocht. Dit komt samen met de kleine bloedvaten = 6 in de ruimten van Virchow Robin =7 in de cortex =8 en tot in de witte substantie =9. Bij de granulaties van Pacchioni wordt hersenvocht in het aderbloed opgenomen. [7]

Kranich vervolgt, waarbij hij zich duidelijk baseert op mededelingen van Steiner:

Aanvankelijk leeft de ziel van het kind met zijn gevoelens in de ritmen van de adem. Wanneer deze ritmen zich voortplanten in het op- en neergaande pulseren van het hersenvocht, gaat de ziel over van de luchtsubstantie naar het element van het water. Wanneer de ziel levend met de lucht in het dichtere gebied van het levens-lijfelijke komt, wordt ze onbewust. Dat gebeurt ook door onder te gaan in het hersenvocht. Hier leven de gevoelens onbewust in het ritmische pulseren van deze waterheldere vloeistof die voortdurend in de binnenruimten van de hersenen, in de ventrikels aangemaakt wordt uit het bloed. Vandaaruit gaat ze naar buiten in de smalle ruimten tussen de aderhuid die direct het ruggenmerg en de hersenen omgeeft en het zgn. spinnenwebvlies.

Een volwassene heeft ongeveer 140 ml. hersenvocht. Het wordt in de loop van de dag viermaal vernieuwd. Voortdurend is er in de ventrikels aanmaak dat vooral in het hoofd door de aderen geabsorbeerd wordt. T.o.v. het bloed draagt het hersenvocht maar weinig leven. Het eiwitgehalte is wezenlijk lager (1/300e van het bloedplasma) Er zit ook minder suiker in dan in het bloed (60%), maar iets meer (natrium)zout.

Met het pulseren van het hersenvocht bereiken de gevoelens voortdurend de hersenen en komen door de ruimten van Virchow Robin in de hersenen. Zo komen ze echter in het gebied waar het voorstellen en het denken in het zgn. zenuw-zintuigproces actief is. Maar dat ben je je niet bewust, doordat de gevoelens wanneer ze in het hersenvocht onder gaan in een toestand van bewusteloosheid overgaan. Maar dat is van grote betekenis. Zouden de gevoelens met hun vele innerlijke stadia direct op het voorstellings- en gedachteleven inwerken, dan zou de mens nooit zakelijk en objectief tot kennen komen.

Wat gebeurt er als gevoelens wél direct op het voorstellings- en gedachteleven inwerken? Wat gebeurt er überhaupt als gevoelens daarop inwerken?

Ik bewaar een antwoord op die vraag voor de tweede voordracht waarin Steiner over het denken spreekt als een ‘spiegelende activiteit’.

Kranich spreekt over ‘het beleven’, dat is dus dat hele gebied van ‘gevoelens’, van ziel, die een impuls betekenen voor gedachte- en begripsvorming. Dan wordt de vraag belangrijk: wat beleven de kinderen, wat laten wij de kinderen beleven. Dat wil dan zeggen, welke gevoelens geven wij als impulsen voor het gedachte- en begripsleven. 
En kan dat op een leeftijd waarop de adem nog niet zo functioneert als later.
Steiner:

Aber wir müssen uns auch bewußt sein, daß dieses Atmen durchaus noch nicht so verläuft, wie es zum Unterhalt des physischen Lebens beim Menschen voll verlaufen muß, namentlich nach der einen Seite nicht: es ist beim Menschen, der das physische Dasein betritt, noch nicht die richtige Harmonie, der rechte Zusammenhang hergestellt zwischen dem Atmungsprozeß und dem Nerven-Sinnesprozeß.
Betrachten wir das Kind, so müssen wir in bezug auf sein Wesen sagen: Das Kind hat noch nicht so atmen gelernt, daß das Atmen in der richtigen Weise den Nerven-Sinnesprozeß unterhält. Da liegt wiederum die feinere Charakteristik desjenigen, was mit dem Kind zu tun ist. Wir müssen zunächst die Menschenwesenheit anthropologisch-anthroposophisch verstehen. Die wichtigsten Maßnahmen in der Erziehung werden daher liegen in der Beobachtung alles desjenigen, was in der rechten Weise den Atmungsprozeß hineinorganisiert in den NervenSinnesprozeß. Im höheren Sinne muß das Kind lernen, in seinen Geist aufzunehmen dasjenige, was ihm geschenkt werden kann dadurch, daß es geboren wird zum Atmen. Sie sehen, dieser Teil der Erziehung wird hinneigen zu dem Geistig-Seelischen: dadurch, daß wir harmonisieren das Atmen mit dem NervenSinnesprozeß, ziehen wir das Geistig-Seelische in das physische Leben des Kindes herein. Grob ausgedrückt, können wir sagen: Das Kind kann noch nicht innerlich richtig atmen, und die Erziehung wird darin bestehen müssen, richtig atmen zu lehren.

Maar we moeten wel bedenken, dat dit ademproces bepaald nog niet zo verloopt als het in zijn volledigheid moet verlopen ter instandhouding van het fysieke leven – vooral naar de ene kant toe niet: bij de mens die de fysieke wereld betreedt, bestaat er nog niet de juiste harmonie, de juiste samenhang tussen het ademproces en het zenuw-zintuigproces.
Kijken we naar een kind, dan moeten we met betrekking tot zijn wezen zeggen: het kind heeft nog niet zo leren ademen, dat de adem op de juiste wijze het zenuw-zintuigproces onder­houdt. Ook dat is een nauwkeurige karakterisering van wat er met het kind moet gebeuren. We moeten eerst het mensenwe­zen antropologisch-antroposofisch begrijpen. De belangrijkste maatregelen in de opvoeding zullen dan ook liggen in het in acht nemen van alles wat op juiste wijze het ademproces laat doorwerken in het zenuw-zintuigproces. In hogere zin uit­gedrukt: het kind moet leren om in zijn geest dat op te nemen, wat hem geschonken kan worden doordat het geboren is om te ademen. U ziet, dit gedeelte van de opvoeding zal gericht zijn op geest en ziel: doordat we het ademen en het zenuw-zintuig­proces met elkaar in harmonie brengen, halen we de geestziel meer in het fysieke leven van het kind. Grof gezegd: het kind kan innerlijk nog niet juist ademen en de opvoeding zal erin moeten bestaan het kind te leren dat op de juiste wijze te doen.
[1] GA 293/24-25
Vertaald/24-25

Het moge duidelijk zijn dat je het kind geen ademhalingsoefeningen kan laten doen om de ademhaling te harmoniseren: hier laat de natuur zich niet dwingen. Een groot deel zal dus ‘van nature’ gaan.
Er is onderzocht hoe dat er voor de verschillende leeftijden uitziet:

Nomogram naar Radford

De verhouding van ademhaling en hartpuls wordt uiteindelijk 1 : 4.
Dat is hier bij het kind rond het 9e jr.

Wanneer je naar dit aspect van de menselijke wording kijkt – waaraan je dus niet direct kan werken – is de vraag: kan je er dan indirect aan werken. Daar het om ritme gaat, is dat het gebied waarmee je veel positiefs voor de ontwikkeling kan aandragen.
Maar, ook heel nuchter: – vooral op school – is het nodig dat de in te ademen lucht schoon is, d.w.z. ventileer voldoende.

Met bovenstaande mededelingen kan dít weer een beetje begrijpelijker worden:

Probeert u nooit zo te vertellen dat u het hoofd en het verstand aanspreekt, maar zo dat u in het kind een soort stille hui­vering – binnen bepaalde grenzen – oproept, dat u lust- of onlust­gevoelens oproept die de hele mens aangrijpen. Die klinken dan nog na wanneer het kind weer naar huis gaat, en van daaruit kan het dan de stap tot begrip en interesse zetten.
GA 294/20
vertaald/31

Wat ik aan het eind van het vorige artikel opmerkte, wordt hier nog eens herhaald:

Steiners benadering gaat nu uit van ‘bovenmens en benedenmens, bovenfysiek, halffysiek en fysiek.
Daarover is hier al een en ander opgemerkt. 

Zonder nu op details in te gaan, kun je veel van de manier waarop in de basisafdeling (de onderbouw) van de vrijeschool gewerkt wordt, verbinden met dit belangrijke fenomeen van de ademhaling.
Zingen, spreken, fluitspelen.
Het met plezier de dingen doen: schilderen, boetseren.
Met fantasie, de open vorm van de creativiteit.
De ritmische afwisseling tussen actief en passief, tussen doen en luisteren – dat laatste ook naar de verhalen waarop de ziel meebeweegt in de afwisseling tussen spanning en ontspanning; stille huiver en lachen, verontwaardiging en instemming enz.  [1e klas – vertellen]

Voor de tweede keer in deze 1e voordracht gebruikt Steiner hier als van groot belang voor de opvoeding, het woord: harmonie:
‘het ademen en het zenuw-zintuig­proces met elkaar in harmonie brengen‘.

Op blz. 24: De taak van de opvoeding in geestelijke zin is nu om de zielegeest en het licha­melijk organisme of organisch lichaam met elkaar in overeen­stemming te brengen. Die moeten met elkaar in harmonie ko­men,
Daar zitten nog meer kanten aan die in de verdere voordrachten aan de orde komen. Ik heb al genoemd: de boven-mens en de onder-mens.
Hoe e.e.a. concreter wordt, is prachtig te zien bij het aanleren van de letters: bij het leren schrijven en lezen.
.
*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4]  Kranich: Anthropologische Grundlagen der Waldorfpädagogik, Stuttgart 1999
[5] Kopsch: Anatomie des Menschen, band 3
[6] idem
[7] J.Rohen: Funktionele Anatomie des Nervensystems

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1463-1371

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid en onderwijs (2-7)

.

In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw, toen ik verschillende jaren ‘hoofd der school’ was, later opgewaardeerd tot ‘directeur’ werd ik overspoeld met ministeriële circulaires. Alle hoofdcn en directeuren van het basisonderwijs, uiteraard. Wat kostte het organiseren van wat de circulaires van ons eisten een hoop kostbare tijd. Tijd die je niet kon besteden aan de inhoud van je vak – bezig zijn met de ontwikkeling van het kind en lesgeven. 
Die opmerking hoorde ik een aantal dagen geleden ook iemand maken die door de veel te grote werkdruk in het onderwijs nauwelijks toekomt aan het eigen vak: lesgeven.
Ik ken een bovenbouwleerkracht die vanaf eind jaren ’90 talloze onderwijs’vernieuwingen’ heeft moeten bestuderen en moeten proberen er in de praktijk iets van te maken.[1] Heel veel tijd, moeite, inzet heeft het gekost en telkens was het ene plan nog niet in werking of het andere diende zich al weer aan. ‘Onderwijs 2000, studiehuis’ en welke namen al niet. Voor de vrijeschool waar deze leerkracht werkte, betekende het in ieder geval niet dat de vrijeschoolpedagogie daarmee op een hoger plan getild werd. Integendeel: de bovenbouwleerkracht zag in de loop van de jaren parallel aan de ‘vernieuwing’ het aantal klassen aan wie ze euritmie gaf, steeds minder worden. Geen 12e klas meer (die er nu alleen nog is voor het vwo!; geen 11e, geen 10e, de 9e een half jaar. Kortom: een totale afbraak van het door Steiner zo hoog gewaardeerde vak.

Examenfobie en diplomacratie.
Uiteindelijke oorzaak: geen vrijheid van inrichting.

Ook in de jaren ’70 werd dit door sommigen al voorvoeld.

In deze reeks ‘vrijheid van onderwijs’ verschijnen artikelen, weliswaar uit de oude doos, maar qua inhoud uiterst actueel. 

VAN ONDERWIJZER TOT LESBOER

(De mogelijke consequenties van de nieuwe* wet op het basisonderwijs)

Ook in dit tweede stukje** over de nieuwe wet wil ik me niet laten verleiden in details te gaan. Belangrijker is de grote lijn te doorgronden. Deze eenmaal doorziende, kan een ieder voor zichzelf de consequenties in alle details gaan zien. Bekijk je alleen de details, dan verlies je je in uiterlijkheden, welke vaak, juist ook in deze wet, enorm aantrekkelijk lijken.
Het is natuurlijk belangrijk te onderkennen hoe in de nabije toekomst de vrijheid van inrichting van onderwijs ingeperkt wordt. In eerste instantie is het echter belangrijker om in te zien dat ieder Nederlands kind dezelfde leerstof, volgens dezelfde lesmethode, binnen een zelfde schoolstructuur, onderwezen gaat krijgen. Hoe dit collectief gebeurt is minder belangrijk; zelfs al zou voor alle scholen verplicht vrijeschoolonderwijs ingesteld worden, dan zou dit m.i. nog wezenlijk fout zijn.

Waarom?

– Omdat iedere eenvormigheid op geestelijk gebied (waar het onderwijs toch toe behoort), de natuurlijke mensheidsontwikkeling belemmert.

– Omdat iedere groepering de vrijheid moet hebben om zijn kinderen naar eigen overtuiging, mensbeeld of wereldbeschouwing op te voeden.

– Omdat een onderwijsvernieuwing nooit van bovenaf aan de scholen opgedrongen kan worden, doch juist vanuit de onderwijswereld zelf moet groeien.

Hoe kan een onderwijzer of leraar in ’s hemelsnaam een vernieuwde vorm van onderwijs gaan toepassen, waar hij niet aan toe is, die hij niet doorleefd heeft, of waar hij zich niet achter kan stellen? In zo’n geval kan hij alleen maar slaafs de tot in details uitgewerkte adviezen van de vele schoolbegeleidingsdiensten uit gaan voeren. Hij wordt dan met recht verlaagd tot “lesboer”.

De lesboer
Deze in het huidige onderwijs nogal eens gebezigde naam voor een leraar kan echter met een beetje inbeeldend vermogen ons juist enorm scherp op het wezenlijke van de hele zaak wijzen. Want net als de onderwijzer, is ook de boer door de ontwikkelingen in de landbouw tot slaaf van de
landbouwvoorlichttingsdiensten geworden. Hij heeft het contact met de levende organismen van zijn gewas, zijn bodem en het klimaat, verloren. De boer wordt agronoom, chemicus en econoom.

De onderwijzer wordt pedagoog, didacticus en psycholoog.

Een ieder die wil, kan het resultaat al zien: een boer, die machteloos toe moet zien hoe dankzij de wetenschap z’n oogst kwantitatief toeneemt, maar kwalitatief afneemt, en hoe zijn bodem langzaam verziekt.

De “instanties” dragen de verantwoordelijkheid voor de consequenties; de boer is een niet meer verantwoordelijk te stellen functionaris.

De analogie
Ziet u de analogie al opdagen? In het onderwijs gaan we ook steeds meer deze kant op. Kijkt u zelf maar:

– De drang naar efficiëntie geeft enerzijds de ruilverkaveling, anderzijds de scholengemeenschappen

– De drang naar productie geeft enerzijds kwantitatief hoge opbrengsten met lage voedingswaarde; anderzijds intellectueel hoog “opgefokte” leerlingen met een steeds afnemende algemene vorming.

– De drang naar winstbejag van het bedrijfsleven, gesteund door de “officiële wetenschap”, stimuleert enerzijds het gebruik van kant-en-klare synthetische kunstmeststoffen, pesticiden etc.; anderzijds het gebruik van kant-en-klare leermethoden, leerstofpakketten etc., welke in beide gevallen de “levenskrachten” enorm verzwakken.

– De hierdoor ontstane ziektebeelden worden in de landbouw steeds duidelijker erkend en met de moderne methoden in verband gebracht. In het onderwijs is dit helaas nog niet zo sterk het geval. [opspattend grind 17]

– Dacht u, dat een boer zijn bodem nog ruikt, zijn gewas nog voelt en proeft, als hij zijn taak -als tractor-besturende landbouwfunctionaris uitvoert?

Zal dan een onderwijzer zijn kinderen en zijn leerstof nog aanvoelen, horen, begrijpen, als hij een leermiddelencomplex-besturende onderwijs-functionaris wordt?

Ziet u nu, welke kant we met het onderwijs op gaan? Net als een akkerbodem is ook een school een levend organisme, waar levende gewassen in groeien en bloeien. Als wij de oneindige complexiteit van die processen nog niet kunnen doorgronden, moeten we niet de fout begaan, ze toch al zelf te willen besturen. We moeten ons openstellen voor de groei en ontwikkelingswetten die er heersen, en proberen die al begrijpend of aanvoelend te versterken.

Ieder organisme heeft z’n eigen groei- of ontwikkelingstempo.

Wat momenteel gebeurt in de onderwijswetgeving is het, zich als God zelf wanend, plaatsen van een plastic kunstbloem op een in knop staande plant, omdat men niet het geduld heeft het wonder van het natuurlijk ontluiken af te wachten.

M. de la Rive Box, vrijeschool Zutphen, nadere gegevens onbekend, *datum waarschijnlijk rond 1985, het jaar van een nieuwe wet .

**het eerste is niet in mijn bezit

[1] zie bijv. hoofdstuk ‘Onderwijsvernieuwing, terugval of doorstart’ in ‘Pedagogie, een kunst, een kunde

.

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
.

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1455-1364

.

.

VRIJESCHOOL – Is de vrijeschool een antroposofische school? (3-6)

.

over nóg meer spreuken

IS DE VRIJESCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL?

Op zijn site LUXIELEN stelt de ex-vrijeschoolleraar, met zeer lange ervaring, Luc Cielen, deze vraag.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. de praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft er – stand eind nov. ’17 – elf voorbeelden van.

In zijn zesde artikel gaat het om nóg meer spreuken.

In cursief de woorden van Luc:

Na de gezamenlijke lerarenspreuk begeven de leerkrachten zich naar hun klas. Daar beginnen zij de schooldag met de ochtendspreuk. ’s Namiddags eindigt de schooldag met de avondspreuk.

Voor de statistiek, zal ik maar zeggen: toen ik in 1970 op de vrijeschool begon, was er zeer beslist geen ‘avondspreuk’  en ook in de ca 40 jaren daarna heb ik ze in de vrijescholen niet gehoord. Steiner rept er ook met geen woord over. Die gewoonte is dan wellicht ‘ergens’ in Vlaanderen ontstaan.

Daarmee is het zeggen van spreuken op school niet afgelopen.

In de lagere steinerscholen komen er verschillende vakleerkrachten in de klassen. Zo zijn er meestal vakleerkrachten voor muziek, Frans, Engels, handwerk, lichamelijke opvoeding, tuinbouw, houtbewerking en euritmie.
De leerkrachten Frans en Engels beginnen en eindigen hun lessen meestal met een spreuk in het Frans of het Engels.
De leerkracht handwerk heeft soms ook de neiging om met een spreuk te beginnen.
De leerkracht euritmie vindt het doorgaans zeer belangrijk om de les met een spreuk te beginnen en met een spreuk te beëindigen.
De middagboterham (lunchpakketje) wordt altijd aangesproken na het zeggen van een spreuk.

De argeloze lezer zal wellicht na het lezen van de artikelen over de ochtendspreuken waarvan we kunnen zeggen dat ze wat boven het alledaagse uitgaan, een zekere verhevenheid hebben, denken dat ook de vakken die Luc hierboven opsomt, ook al in die sfeer beginnen.
Ook hier zijn er geen aanwijzingen van Steiner, dus ook hier zijn en worden er door leerkrachten keuzes gemaakt. Echter, niet om met een spreuk te beginnen in de sfeer van bovengenoemde ‘verhevenheid’, maar om de les op een kunstzinnige manier te beginnen en te beëindigen. Dat is bij velen en was ook bij mij zo, een begin/einde met een lied of een gedicht. Een gedicht(je) kun je niet zomaar tot ‘spreuken’ rekenen, zoals de ochtendspreuk.
Als het gaat om ‘de’ steinerschool of vrijeschool te bekritiseren, gaat het vaak zo dat wat van toepassing is op een enkele leerkracht of een enkele school, als een pars pro toto wordt beschouwd.

Als ik de Engelse les in klas 1 begin met:

‘Morning has come,
Night is away,
Rise with the sun
And welcome the day’

Of in het Duits:

‘Gute Morgen, gute Morgen,
Ihr alle beisam’,
Die Sonne, sie lacht schon zum Fenster hinein.
Da wollen wir singen
und fröhlich sein.

dan is daar toch weinig ‘spreukachtigs’ aan.

Dit gedicht heeft dat wellicht wat meer:

‘All things bright and beauiful,
All creatures great and small,
All things wise and wonderful,
The Lord God made them all,
enz.
maar is geen ‘spreuk’, het is een creatie van Christina Rossetti, een dichter.

En wat voor het begin van een les geldt, kan ook voor het einde gezegd worden.

Wat is er ‘spreukachtig’ aan:

‘De dag is ten einde,
het werk is gedaan,
Tot morgen lieve kinderen,
Naar huis nu gegaan’

dat ik aan het eind van de dag met de 1e-klassers zong; of b.v. in de 4e klas een aantal weken tot slot:

‘Vrolijk zingen wij, hahaha’
(een canon)

Dus Luc, concludeer ik, dat je ‘bewijs’ voor ‘overal maar spreuken’ hier veel te ongenuanceerd is.

De wekelijkse lerarenvergadering (in vele steinerscholen op donderdagnamiddag) begint en eindigt met een spreuk.
De vergaderingen van de ouderraad beginnen en eindigen met een spreuk.
De vergaderingen van de raad van bestuur beginnen en eindigen met een spreuk.
En wellicht zijn er steinerscholen waar nog meer vergaderingen, oudercontacten en zo meer met spreuken beginnen en eindigen.

Op een gewone schooldag met één vakles Frans zeggen de kinderen minstens 4 spreuken op 1 dag en de leerkrachten zeggen er minstens 5.
Op een dag met bijvoorbeeld handwerk en euritmie: minstens 6 spreuken voor de kinderen.
Op een dag met bijvoorbeeld een vakles, een lerarenvergadering en raad van bestuur zullen sommige leerkrachten minstens 8 spreuken zeggen.

Evenals bij je kritiek op de ochtendspreuken blijk je een soort voorliefde voor getallen te hebben. ‘Zoveel keer opgezegd’, ‘zoveel spreuken gezegd’.
Wat de kinderen betreft, klopt je berekening niet, zoals ik hierboven aangeef. Wat de leerkrachten betreft, zul je wel teruggrijpen op ervaringen.
Het is jammer dat je niet de tijd vindt om in gesprek te gaan. Dan had ik je directer naar dingen kunnen vragen die nu in het vermoeden blijven hangen.
Je lijkt mij een aversie te hebben tegen ‘geest’, dat bleek al eerder. Ik zeg niet dat je daarmee per definitie een ‘materialist’ bent, maar je voorkeur voor ‘maat, gewicht, getal’, suggereert dat wel een beetje. Alsof daarin de waarde of ‘onwaarde’ mee wordt uitgedrukt als het om immateriële zaken gaat.
Als kind had ik een hekel aan een bepaalde groente. Die aten wij iedere week wel een keer. Toen ik een beetje kon rekenen, rekende ik uit hoeveel keer ik die dit jaar nog zou moeten eten. Dat is in de loop van de jaren anders geworden: ik vind die groente nu heerlijk en verheug me erop als die weer op tafel komt. Toch ga ik als het jaar om is, niet uitrekenen hoeveel keer ik die gegeten heb. Zo zou ik nooit gaan uitrekenen hoe vaak ik een bepaalde spreuk van Steiner heb gezegd.
Zeer regelmatig gebeurt het, dat fragmenten naar boven komen die op dat ogenblik een vorm van hulp, van inzicht zijn om met iets verder te kunnen komen. Voor mij een verrijking, voor jou een ballast, een overtolligheid.
Dat mag bestaan, dat is onze vrijheid. Dat is onze beider subjectiviteit.
Waar ik in deze artikelen bezwaar tegen maak, is dat jij jouw subjectiviteit wil verheffen tot een objectiviteit om daarmee te bewijzen dat ‘de’ vrijeschool wel degelijk ‘antroposofisch’ is.

Maar er zijn nog meer gelegenheden om een spreuk te zeggen.

Eens was een kind van mijn klas ernstig ziek en was in de kliniek opgenomen. Volgens een antroposofische ouder – niet de ouder van het kind – zou het kind misschien kunnen sterven. Deze ouder drong er bij mij op aan om dagelijks met de hele klas een spreuk te zeggen met de bedoeling de genezing van het kind te bevorderen. Omdat deze ouder merkte dat ik niet zo enthousiast was om in deze gebedsgenezing mee te stappen nam ze zelf het initiatief en dwong de klas een spreuk van Steiner zeggen. Volgens haar was ik niet antroposofisch genoeg, want amper was het zieke kind aan de beterhand of de antroposofische ouder nam haar eigen kind van school weg om het op een meer overtuigde antroposofische school te zetten. Zelf ben ik absoluut niet overtuigd van de waarde van een gebed tot een hogere geestelijke hiërarchie, hoe hard de katholieke instellingen waarin ik school gelopen heb, ook hun best gedaan hebben met erediensten, retraites, rozenhoedjes en tal van andere gebedsmomenten. De enige kracht die van een gebed uitgaat is dat het een moment van bezinning kan zijn. En als dit tezamen met een groep gebeurt, kan er ook een socialiserende impuls van uitgaan. Maar een gebed of een spreuk opzeggen om genezing of iets anders te bekomen lijkt me volkomen irreëel.

Je laatste zin staat in het teken van wat ik daarboven beschreef. Het lijkt jou irreëel. Anderen niet! Waar het hier veel meer om gaat is dat een ouder inbreuk maakt op jouw vrijheid naar eer en geweten te handelen. Dat is verwerpelijk. En dat betekende voor jou dat je dit niet wilde. En dan is het eerlijk dat je niet met onware gevoelens voor de kinderen wil staan.

Kinderen worden wel meer gedwongen om spreuken te zeggen. Zo bestaat er in de steinerscholen de traditie dat elke leerkracht op het einde van het schooljaar in het getuigschrift (rapport) van elk kind een spreuk schrijft, speciaal voor ieder individueel kind. In die spreuk probeert de leerkracht een beeld van het kind te schetsen dat tegelijk remediërend zou zijn. Het volgende schooljaar moet elk kind dan regelmatig voor de klas – meestal ’s morgens na de ochtendspreuk – zijn eigen spreuk opzeggen. Eén keer heb ik me laten overhalen om voor elk kind een spreuk te schrijven, maar ik heb de tekst lichtvoetig gehouden en de kinderen nooit verplicht om die spreuk voor de klas te komen opzeggen. Wel heb ik meer dan eens een tekst uit een verhaal, een sprookje of een mythe als ‘spreuk’ gekozen, maar dit meer gebruikt als een tekstuele illustratie naast een tekening of aquarel op het getuigschrift. De kinderen hebben deze teksten nooit moeten opzeggen.

Hier moet ik je, helemaal vanuit de praktijk, ferm tegenspreken: de kinderen voelen zich in het algemeen absoluut niet gedwongen tot het opzeggen van hun getuigschriftspreuk: vele beginnen in de zomervakantie deze meteen uit het hoofd te leren.
Het voert hier nu te ver om de achtergronden van het waarom van deze spreuk uiteen te zetten, maar op deze blog staan voldoende artikelen om daar achter te komen. [1]

Telkens er in de middelbare schoolklassen een nieuwe periode begint, verzamelen alle klassen in de zaal, waar ze van elke leerkracht een korte inleiding over de periode krijgen, waar een leerkracht een korte algemene lezing geeft met wat praktische punten en waar alle leerlingen tezamen de ochtendspreuk zeggen. De enkele keren dat ik dit heb meegemaakt, heb ik de leerlingen goed bekeken en vastgesteld dat er bijzonder weinig aandacht was voor spreuk en uiteenzetting. In mijn ogen waren deze bijeenkomsten nutteloos en tegengesteld aan wat men wilde bereiken, namelijk de school als een geheel te laten beleven.

In de lagere school leeft sinds een dertigtal jaar deze tendens ook: elke maandagochtend de hele school in de zaal verzamelen voor een gezamenlijke opmaat onder de noemer: weekopening. Ook hier was het treurig gesteld. Terwijl de kinderen van de laagste klassen nog hun best doen om braaf te gaan zitten, storen de kinderen van vijfde en zesde klas voortdurend. De leerkrachten hoor je dan ook regelmatig ‘sst’ sissen en om de haverklap zijn er leerkrachten die zich tussen de leerlingen begeven om een leerling aan de kant te zetten of te berispen. Leerkrachten gedragen zich tijdens deze wekelijkse opmaat meer als agenten die de orde proberen te herstellen of als getergde herders die een kudde moedwillige schapen in bedwang moeten houden. Gelukkig wordt hier nog wat gezongen en klinkt er instrumentale muziek, maar aan hetgeen de leerkracht van dienst vertelt of uitlegt, wordt weinig aandacht geschonken. Het ergste en meest zinloze moment komt op het einde van de weekopening, wanneer de spreuk gezegd wordt. Eerst moeten de kinderen van de eerste, tweede en derde klas gaan staan en zeggen zij hun ochtendspreuk. Daarna mogen zij gaan zitten en staan de leerlingen van de vierde, vijfde en zesde klas op om hun spreuk te zeggen. Dan denk ik: als je dan toch een gezamenlijke weekopening wil, waarom dan weer opdelen? Waarom dan niet samen één spreuk zeggen, als je toch zo graag een spreuk wil zeggen? Het zou de leerkrachten van veel zorg en spanning ontlasten en voor de kinderen zou het ook veel redelijker zijn. Beter zou zijn om geen spreuk te zeggen, maar in de plaats daarvan een mooi meerstemmig lied te zingen met de hele school. En dat hoeft dan niet per se het schoollied te zijn, al zou dat dan nog beter zijn dan een van de spreuken.

Als je met een grote groep kinderen samenkomt, zullen er altijd en overal kleine ordeproblemen zijn, dat heeft vooralsnog weinig te maken met ‘spreuken’ waarover je artikel gaat, al staan er in de alinea hierboven zeker nuttige aanbevelingen van je. In al de weekopeningen die ik meemaakte, werd de ochtendspreuk daar niet gezegd; de leerkracht vertelde een klein interessant verhaal, bepaalde kinderen vertoonden wat ze in huis hebben op allerlei gebied: musiceren, maar ook een goocheltruc, of jongleren enz.

Het schoollied dat op feestelijke momenten gezongen wordt is eigenlijk ook een spreuk op antroposofische basis, maar daarover meer in een volgende tekst.

Van alle spreuken die ik in de steinerschool heb leren kennen is er slechts één die naar mijn mening waardevol is. Het is de spreuk die de kinderen in kleuter- en lagere school zeggen vóór ze aan tafel gaan. De tekst is van Christian Morgenstern en gaat als volgt:

Aarde droeg het in haar schoot,
Zonlicht bracht het rijp en groot.
Zon en aarde, die dit schenken,
Wij zullen dankbaar aan u denken.
Ook de mensen niet vergeten
Die ’t bereidden tot ons eten.

Daar wordt dan meestal het volgende aan toegevoegd:
Gezegende maaltijd, bon appétit,
merci.

Eindelijk een spreuk die niet van antroposofie doordrongen is, al was Morgenstern wel een trouwe discipel van Rudolf Steiner.

Ik heb ook altijd een ‘etensspreuk’ gezegd. Ik vind het belangrijk dat we telkens even stilstaan bij wat zo vanzelfsprekend is: wij hebben te eten. Dat is op te veel plaatsen in de wereld anders. Dat wij geen honger hoeven lijden, mag toch wel tot een zekere dankbaarheid leiden.

De inhoud van veel spreuken kan tot dieper inzicht voeren, tot meer eerbied, dankbaarheid, moraliteit, enz.
Als dat gelijk staat aan het ‘antroposofische’ heb ik er niet zoveel moeite mee, dat een school de gelegenheid biedt deze gevoelens in de kinderen te laten ontstaan.

Wie dit ‘indoctrinatie’ noemt, gaat voorbij aan de vraag wat voor boosaardig voordeel ik ervan zou hebben, kinderen te indoctrineren. Kan ik überhaupt een mens tekort doen als ik in hem deze gevoelens probeer te ontwikkelen? Wie wordt daar uiteindelijk beter van? Mens en wereld!

.
Rudolf Steiner over: de ochtendspreuk

de ochtendspreuk [2]   [3]

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

getuigschriften: alle artikelen

Andere commentaren op de artikelen van Luc Cielen:

[1-1geschiedenis [1]
[1-2geschiedenis [2]
[1-3] dierkunde
[1-4plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer spreuken
[5] nog meer spreuken
[7] het schoollied
[8] atheïst of agnost: kun je dan vrijeschoolleerkracht zijn?
[9jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

.

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

.

1454-1363

.

.

VRIJESCHOOL – Is de vrijeschool een antroposofische school? (3-5)

.

nog meer spreuken

IS DE VRIJESCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL?

Deze vraag stelt Luc Cielen, leerkracht met een zeer lange praktijkervaring waarvan een deel bij de Federatie van steinerscholen in België; het grootste deel op scholen die hij zelf oprichtte en waar hij de vrijeschoolpedagogie op zijn manier en met zijn gezichtspunten in de praktijk bracht.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. zijn praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site LUXIELEN in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

In zijn eerste artikel zegt hij:
‘Is de steinerschool een antroposofische school? In vele opzichten niet, maar de wetenschappelijke vakken zijn wel sterk getekend door de antroposofie. Er is werk aan de winkel om de steinerscholen hiervan te bevrijden. Ik probeer al vele jaren de steinerleerkrachten hiervan bewust te maken, maar dit dringt moeilijk door. Dat Steiner zelf meer dan eens gezegd heeft dat er geen antroposofie in de school mag komen, is een uitspraak van hem die blijkbaar niet gehoord wordt.’ 

Luc is in de reeks van inmiddels 11 artikelen tot de conclusie gekomen dat er ‘een te groot antroposofisch keurslijf’ is waaruit – volgens hem – de scholen zich moeten bevrijden.’

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft veel voorbeelden van wat in zijn optiek antroposofie in het vrijeschoolonderwijs is.

De artikelen dragen alle de naam: Is de steinerschool een antroposofische school?.
Steinerschool is de naam van de vrijeschool in Vlaanderen en in veel Engelssprekende gebieden. In de artikelen waarop ik commentaar heb gegeven, heb ik tot nog toe ‘steinerschool’ vervangen door ‘vrijeschool’, omdat dit meer bij het spraakgebruik in Nederland past.
Voor het 4e artikel  kan dit eigenlijk niet, omdat dit gaat om een typisch Vlaamse situatie.

Hij begint zijn 5e artikel als volgt: (cursief)

Es ist aus der geistigen Welt —————————- Uit de geestelijke wereld
dieses Kind zu dir heruntergestiegen. —————— is dit kind tot u afgedaald.
Du sollst sein Rätsel lösen ——————————- U zult zijn raadselen doorgronden,
von Tag zu Tag, ——————————————- van dag tot dag,
von Stunde zu Stunde. ———————————- van uur tot uur.

Rudolf Steiner

Uit: Die religiöse und sittliche Erziehung im Lichte der Anthroposophie. (De religieuze en morele opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie).

Deze spreuk zeggen de leerkrachten van steinerscholen dagelijks. Daartoe komen ze een kwartier of iets meer vóór de aanvang van de schooldag samen in de lerarenkamer en vormen een kring. Een van de aanwezigen leest de weekspreuk (de weekspreuken van Steiner kun je onder andere vinden op de site [van Antrovista] gevolgd door de spreuk hierboven.

De ‘spreuk’ waarmee Luc zijn artikel begint, is in wezen geen spreuk zoals Steiner er vele heeft gemaakt, maar een prozatekst die in de genoemde voordracht, gehouden in Den Haag op 4 nov. 1922, voorkomt. ( GA 297a blz. 150)
Het is mij niet bekend wie deze passage, die m.i. wel als een ‘wegwijzer‘ kan worden beschouwd, ooit in de vrijeschool geïntroduceerd heeft als spreuk.

Toen ik in 1975 les begon te geven aan de Antwerpse Steinerschool werd deze spreuk in het Duits gezegd, later in het Nederlands omdat er steeds minder leerkrachten waren die het Duits machtig waren. Omdat er, terwijl de spreuk gezegd werd, ook een leerkracht aan de poort van de school moest staan, kon ik me al vrij snel aan het zeggen van deze spreuk onttrekken en heb er een goede gewoonte van gemaakt om dagelijks ‘poortwacht’ te doen. In de twee scholen die ik zelf opgericht heb, werd noch de lerarenspreuk noch de weekspreuk door de leerkrachten gezegd. Ik had liever dat de leerkrachten op tijd in hun klas waren om er de kinderen op een rustige manier te verwelkomen.

Uiteraard moeten de leerkrachten op tijd zijn om de kinderen in alle rust te ontvangen. Maar het gesuggereerde te laat in de klas zijn, en het zeggen van een spreuk, heeft m.i. nauwelijks iets met elkaar te maken.
Over ‘het onttrekken’…ja, het is ruim 40 jaar geleden, je was toch wel volwassen, denk ik. Er was wellicht geen overleg, een gesprek mogelijk….En pauzewacht is én verplicht én nodig.

Ook al is de steinerschool dan op aanraden van Steiner zelf geen antroposofische school, toch komt er met deze spreuk – net zoals de spreuken voor de kinderen en enkele elementen in vakken als dierkunde, plantkunde en geschiedenis – een brok antroposofie in de school binnen. Want met deze spreuk belijdt men dat de mens uit de geestelijke wereld afkomstig is, helemaal in lijn dus met Steiners visie over de mens wiens ziel vóór de geboorte en na de dood in de geestelijke wereld vertoeft. Opvallend in deze tekst is ook de tweede regel waarin gesteld wordt dat de mens afdaalt naar de aarde. Steiner beschouwde de geestelijke wereld dan ook als bovenaards, waarmee hij naadloos aansluit bij wat eeuwenlang de opvatting is geweest, namelijk dat God en engelen – de geestelijke wereld dus – zich boven de aarde bevinden.

Eigenlijk is de Duitse tekst mooier: herunterstiegen kun je ook letterlijk vertalen als naar beneden stijgen of naar beneden klimmen of naar beneden klauteren, waardoor zowel een neerwaartse als een opwaartse beweging geïnsinueerd wordt. In dat geval kan de geestelijke wereld overal om de aarde heen zijn, wat gezien de bolvorm van de aarde ook logisch zou zijn.

Als je de eerste zin van deze spreuk weglaat of door een meer geloofsvrije tekst vervangt, is de tekst een mooie aanzet voor de schooldag; een bewustwording ook voor de leerkrachten om met zorg de leerlingen tegemoet te treden. “U zult zijn raadselen doorgronden” is een lovenswaardige impuls. Het feit dat je dit als leerkracht zonder ophouden moet doen “van dag tot dag, van uur tot uur” wijst op de verantwoordelijkheid die een leerkracht heeft ten opzichte van de leerling.

Ik ga even met Luc mee en ik laat ook de regels weg die voor hem ‘geloosfregels’ zijn. Strikt genomen heb je die niet nodig om de leerlingen met zorg tegemoet te treden of om een gevoel van verantwoording te krijgen.
Als ik ervan overtuigd ben dat ik een voorbeeldfunctie heb, dat ik me zo moet gedragen dat mijn handelingen het waard zijn om nagebootst te worden, is het niet nodig om te weten dat het kind – volgens Steiner – de nabootsingsdrang meebrengt uit de geestelijke wereld, ‘waar het gewend was de geestelijke wezens na te bootsen om mens te kunnen worden’.

Is het nodig dat de school dit antroposofisch mensbeeld op deze manier oplegt aan haar leerkrachten?

Voor mij is deze zin de belangrijkste uit dit artikel van Luc. Zijn oordeel ligt nogal vast: als je vrijeschoolleerkracht wil worden, wordt dit mensbeeld je ‘opgelegd’. Maar tegelijkertijd is deze zin voor mij ook een on-zin. Er wordt niets opgelegd: je kiest zelf. Ook in 1975 was er al voldoende geschreven achtergrondmateriaal om te kunnen weten, dat voor Rudolf Steiner ‘geest’ een realiteit is en dat het bij het opvoeden vanuit de vrijeschoolgedachte gaat om de individualiteit – om de geestelijke kern van het kind -. Voor dat principe heb jij, Luc, zelf gekozen! Dat je daar achteraf niet mee kon leven, is je eigen vrijheid, dat je opgestapt bent heel consequent, eigen scholen opgericht ‘zonder geest’ en toch vol verantwoording, noem ik eveneens consequent, maar dat achteraf rechtvaardigen omdat je iets zou zijn opgedrongen, komt heel ongeloofwaardig over: het was je eigen keuze!

Ik ben van mening dat – getrouw aan het advies van Steiner – de school geen antroposofische instelling moet zijn en dus ook geen antroposofie moet verkondigen.
Als je Steiners uitspraken daarover nog eens naleest, wordt het hopelijk duidelijk dat de inhoud van de lesstof geen verkondiging van antroposofie moet zijn – voor de leerlingen – let wel. Maar dat slaat niet op de leerkrachten: in vrijwel iedere pedagogische voordracht roept hij die op om vanuit zijn antroposofische mededelingen naar mens en wereld te kijken om op basis daarvan – omgewerkt – tot een pedagogisch-didactisch handelen te komen.

De school moet iedere leerkracht de vrijheid geven om naar eigen overtuiging en inzicht te leven en te handelen.

Wat ik nu opmerk, is geheel mijn mening. Hoe nog in de praktijk staande leerkrachten daarover denken, of besturen of andere verantwoordelijken, weet ik niet en ik vertegenwoordig hen ook niet.

Een neutrale school ja. Een vrijeschool nee! Als het je overtuiging is dat opvoeding en onderwijs in dienst moeten staan van ‘de’ maatschappij of zoals dat in Noord-Korea toegaat: alles voor de partij of omdat het je overtuiging is dat leren betekent: conditionering in de zin van Pavlov bijv. kun je niet op een vrijeschool werken, is mijn opvatting. Het is geen duiventil waar vogels van diverse pluimage maar in- en uit kunnen vliegen.

Wil een leerkracht zich privé met antroposofie uiteenzetten: geen probleem, maar de school mag de leerkrachten niet dwingen om antroposofie te studeren, want dan gaat ze in tegen haar eigen doelstelling, namelijk opvoeden tot vrijheid.
Ook met deze woorden geeft Luc m.i. blijk van een ongenuanceerd verhaspelen van twee opvattingen.
Natuurlijk, of een leerkracht privé een volkstuin heeft die hij op b.d.-wijze wil onderhouden of dat hij lid is van de Christengemeenschap: daarmee heeft de school niets te maken. Maar bij de voorwaarden op de acte van benoeming zetten dat de leerkracht zich verplicht ‘te werken vanuit de achtergronden zoals die door Rudolf Steiner zijn gegeven’ en die je bij je benoeming ondertekent! heeft niets te maken met dwang en dus is ook de gevolgtrekking dat dit tegen de eigen doelstelling zou zijn, in mijn ogen, een grote misvatting.

Leerkrachten die een bepaald mens- en wereldbeeld moeten volgen, zijn niet vrij en dus in feite niet bekwaam om les te geven in een school die als doel heeft mensen tot vrijheid op te voeden. Dit brengt me tot de vraag: “Kan een leerkracht op de steinerschool atheïst of agnost zijn?”

Beste Luc: nogmaals: leerkrachten die op een vrijeschool gaan werken, kiezen zelf voor het onderwijsconcept dat vrijeschool heet. Die hebben dat in alle vrijheid zelf besloten te gaan doen. En die zouden niet bekwaam zijn om mensen tot vrijheid op te voeden? Dit is voor mij toch een van de kromste redeneringen die ik tot nog toe van je onder ogen kwam!

Dit brengt me tot de vraag: “Kan een leerkracht op de steinerschool atheïst of agnost zijn?”

Wat denk je zelf? Ik zou ze aanraden vooral NIET te solliciteren!

.

Meer commentaren op Luc Cielens artikelenreeks:
Ís de steinerschool een antroposofische school’:

[1-1geschiedenis [1]
[1-2geschiedenis [2]
[1-3] dierkunde
[1-4plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer spreuken
[6] en nóg meer spreuken
[7] het schoollied
[8] atheïst of agnost: kun je dan vrijeschoolleerkracht zijn?
[9jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

.

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

.

1439-1348

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 301- vragenbeantwoording (4)

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]  [12]  [13]  [14]
[vragenbeantwoording bij 1e vdr.]
[vragenbeantwoording bij 4e vdr.]
[vragenbeantwoording bij 6e vdr.]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

Vragenbeantwoording bij de negende voordracht [2]

blz. 244

         Aus der Fragenbeantwortung im Anschluß an den neunten Vortrag

Dr. Steiner (zur Frage, warum die Mundart so oft als etwas Minder­wertiges zugunsten der Schriftsprache hintangesetzt werde):
Es ist keine ganz leichte Frage, so scheinbar einfach sie auch ist.. Es ist ja ganz gewiß vielfach eine Unart bloß, daß man die gebildete Umgangssprache, die aber auch nur eine Dialektsprache ist, die sich durch allerlei historische Verhältnisse eine gewisse Herrschaft erworben hat, für vornehmer hält. Das ist ja bei sehr vielen zugrunde liegend, daß man den Dialekt als nicht vornehm genug hält. Sehen Sie, ich selber, der ich Österreicher bin, ich habe da ja ganz besonders viel zu kämpfen gehabt, denn wir Österreicher sprechen immer syntaktisch und grammatikalisch richtig, wenn wir in unserem Dialekte sprechen; wir haben geradeso wie die schweizerische Sprache auch manche Ab­wandelungen, aber wir sprechen nie falsch, wenn wir im Dialekte spre­chen. 

Uit de vragenbeantwoording bij de negende voordracht

Dr.Steiner (op de vraag waarom het dialect zo vaak als iets minderwaardigs t.o.v. de schrijftaal achter gesteld wordt):
Het is geen makkelijke vraag, hoe eenvoudig deze ook lijkt….
Het is zeker vaak alleen maar een slechte gewoonte om de beschaafde omgangstaal, die echter ook maar een dialect is dat zich door allerlei historische omstandigheden een zekere heerschasppij heeft verworven, belangrijker te vinden.
Dat ligt er bij velen aan ten grondslag dat men het dialect niet belangrijk genoeg vindt. Kijk, ik zelf ben een Oostenrijker en ik heb bijzonder veel gedoe gehad, want wij Oostenrijkers spreken syntactisch en grammatikaal juist, wanneer we in ons dialect spreken; we kennen net als het Zwitsers ook veel afwijkingen, maar we spreken nooit verkeerd als we in het dialect spreken.

Nun war es gerade in meinem Schulzeitalter wirklich so recht Sitte, daß man in der Schule nicht mehr Dialekt sprechen durfte. Aber das hatte nur zur Folge, daß wir das lernten, was die berüchtigte öster­reichische Schulsprache ist. Es gibt in Österreich: Dialekte, eine gebil­dete Umgangssprache, eine Schriftsprache, aber außerdem noch die eigentliche Schulsprache, das Schulhochdeutsch. Das besteht darinnen, daß meist alle langen Vokale kurz und alle kurzen Vokale lang aus­gesprochen werden. So daß wir, wenn wir im Dialekte reden, ganz richtig sagen: d’Sunn, und der Sun (der Su) – der Sohn, lang und kurz, ganz richtig. Kommen wir an die Hochschule, dann lernen wir un­weigerlich zu sagen: die Sone und der Sonn und ähnliche Dinge mehr. Ich darf Ihnen sagen, daß ich wirklich lange Zeit gebraucht habe, um aus den Redegewohnheiten dieser österreichischen Schulsprache heraus­zukommen; manchmal werden Sie sie schon noch bemerken!
Also da zeigt sich in dem Falle – vielleicht war es später besser, aber in meiner Schulzeit war es so – so recht, daß man selbst ein ganz ver­dorbenes Surrogat von Sprache lieber mitnimmt, als die ordentliche Dialektsprache, die keine Fehler macht.

Nu was het met name tijdens mijn schooltijd heel gebruikelijk dat je op school geen dialect meer mocht spreken. Maar dat had tot gevolg dat wij de beruchte Oostenrijkse schooltaal leerden. In Oostenrijk heb je: dialecten, beschaafde omgangstaal, schrijftaal, maar ook nog de feitelijke schooltaal, het schoolhoogduits. Dat bestaat eruit dat als regel alle lange klinkers kort en alle korte klinkers lang uitgesproken worden. Zodat wij als we dialect spreken, het precies goed zeggen: ‘d’Sunn’ en ‘der Sun (der Su) – der Sohn,’ lang en kort, precies goed. Kijken we op de universiteit, dan leren we onverbiddelijk ‘die Sone’ en ‘der Sonn’ en zo meer. Ik mag u wel zeggen dat ik echt een hele tijd nodig heb gehad om los te komen van de manier van spreken met deze Oostenrijkse schooltaal; dat zal u nog weleens merken!
Dus aan dit geval – misschien was het later beter, maar in mijn schooltijd was het zo – zie je zo duidelijk dat men liever een heel slecht taalsurrogaat liever heeft, dan de goede dialecttaal die geen fouten maakt.

blz. 245

Das, glaube ich, wird auch nicht anders, als wenn man tief durch­drungen sein wird von der ganzen Bedeutung des außer-intellektua­listischen Elementes für die Erziehung. Ich glaube tatsächlich, daß man ehren wird dasjenige, was einem mit dem Dialekte gegeben ist, erst dann, wenn man es vom pädagogischen Gesichtspunkte aus ehren wird. Denn es ist ja wohl auch das Absehen vom »Schwizerdütsch» bei sehr vielen doch in nichts anderem gelegen als darinnen, daß die Schule nicht in der richtigen Weise da gewirkt hat. Würde die Schule in der richtigen Weise wirken, dann glaube ich, würde es das eben doch nicht in dem Maße geben, wie Sie es ganz mit Recht hervorgehoben haben.
Dr. Steiner (zur Frage, warum die deutsche Sprache im Gegensatz zu andern Kultursprachen eher geneigt sei, sich fremden Sprachen gegenüber aufzugeben):
Es wird schon manches ein wenig damit zusammenhängen, daß die gebildete Umgangssprache im Deutschen doch eine gewisse andere Stel­lung hat zu dem Dialekt, als es andere gebildete Umgangssprachen haben. Im Deutschen sind wir nämlich in bezug auf die Lautverschie­bungen in der gebildeten Umgangssprache am allermeisten fortgeschrit­ten.

Dat wordt, geloof ik, ook niet anders, tenzij we diep doordrongen raken van het omvattende belang van een niet intellectualistisch element in de opvoeding. Ik geloof werkelijk dat je dan pas naar waarde kan schatten wat je door het dialect aangereikt krijgt, wanneer je het vanuit een pedagogisch gezichtspunt naar waarde schat. Want ja, ook het afwijzen van het ‘Schwizerdütsch’ door zeer velen, komt toch door niets anders dan dat de school niet op de juiste manier gehandeld heeft. Zou de school juist te werk gaan, dan geloof ik dat het niet in die mate zou voorkomen zoals U geheel terecht naar voren hebt gebracht.

Dr.Steiner ( op een vraag waarom het Duits i.t.t. andere talen eerder de neiging heeft boven de andere vreemde talen uit te steken):
Het een en ander zal wel iets te maken hebben met dat de Duitse gevormde omgangstaal toch een bepaalde andere positie inneemt t.o.v. het dialect dan de andere gevormde omgangstalen. In het Duits zijn we namelijk wat de klankverschuivingen in de omgangstaal betreft het meest ver gegaan.

Nicht wahr, es gibt ja dieses Lautverschiebungsgesetz, da müssen wir sehen, daß zum Beispiel das Englische auf einer noch früheren Stufe stehen geblieben ist, über die das Hochdeutsche hinausgeschritten ist. Nun ist das Lautverschiebungsgesetz nicht bloß in dem bestehend, was wir nennen könnten Umgestaltung der Sprachelemente, sondern das Lautverschiebungsgesetz ist verbunden zugleich mit einer Ver­abstrahierung der Sprache. Wir haben, indem die deutsche Sprache sich fortgebildet hat, eigentlich schon seit dem 5., 6. nachchristlichen Jahr­hundert gerade in der hochdeutschen Sprache das durchgemacht, daß wir die Möglichkeit bekommen haben, in ganz anderer Weise gerade abstrakte Begriffe und Ideen mit Worten zu belegen, als die anderen Sprachen. Diese Dinge werden natürlich nur von unbefangenen Leuten zugegeben. Aber wenn man zum Beispiel deutsche Philosophen ins Englische oder Französische übersetzen will, so kann man sie nicht übersetzen, wenn man wirklich richtig übersetzen will. Also die deut­sche Sprache hat als Sprache etwas, was sich schon nach dem Abstrahie­ren hiii entwickelt hat. Sie hat dadurch die Möglichkeit, gerade das Abstrakte mit einer außerordentlichen Festigkeit zu behandeln. Die deutschen Dialekte, die passen sich ja viel mehr an das Fremde an, aber sie passen sich an, ich möchte sagen, unter dem Einflusse eines gewissen

Niet waar, die wet van klankverschuiving bestaat, we moeten dus zien dat bijv. het Engels in een nog vroeger stadium is blijven hangen, waar het Hoogduits verder is gegaan. Nu bestaat die wet van de klankverschuiving er niet alleen maar uit dat taalelementen veranderen, maar die is tegelijk verbonden met een abstracter worden van de taal. We hebben, toen de Duitse taal zich verder ontwikkelde, eigenlijk al vanaf de 5e, 6e eeuw na Christus, met name in het Hoogduits ondervonden dat we de mogelijkheid hebben gekregen om op een heel andere manier abstracte begrippen en ideeën met woorden vast te leggen dat de andere talen. Die dingen worden natuurlijk alleen maar door onbevangen mensen bevestigd. Maar wanneer je bijv. Duitse filosofen in het Engels of Frans wil vertalen, dan kan je dit niet als je echt goed wil vertalen. Dus het Duits heeft als taal iets wat al de tendens heeft abstract te worden. Daardoor heeft die de mogelijkheid het abstracte buitengewoon sterk te behandelen. De Duitse dialecten passen zich veel meer aan de vreemde taal aan, maar ze passen zich aan, zou ik willen zeggen, onder invloed van een zeker

blz. 246

sozialen Elementes, was wir ja gleich berühren können. Aber das »Hochdeutsche» hat es außerordentlich schwer, sich an andere Verhält­nisse anzupassen, weil das Hochdeutsche nach dem Abstrakten hin sich entwickelt hat und darum nicht so leicht die Möglichkeit hat, einfach das eigene Wort an die Stelle eines anderen Wortes zu setzen, wie das umgekehrt der Fall ist.
Bei dem Dialekte, da ist es so, daß man merkwürdigerweise be­obachten kann, wie der Dialekt viel freier wird dem Ausländischen gegenüber, also der fremden Sprache gegenüber. So zum Beispiel gibt es im österreichischen Dialekt ein merkwürdiges Wort – ich schreibe so, wie es ungefähr gesprochen wird – «baschürli». Man würde zum Bei­spiel, wenn ein kleines Mädchen einem ein Sträußchen überreicht, und das recht zierlich macht, sagen: das Mädchen hat es »baschürli» über­geben. Das ist ein Fremdwort, das aufgenommen worden ist, das aber ganz aus der eigenen Sprache umgestaltet worden ist, denn das ist nichts anderes als possierlich. So würde ich Ihnen noch unzähliges angeben können. Beim Dialekte findet man, wenn er etwas aufnimmt – er nimmt aus sozialen Verhältnissen heraus dann auf -, daß er es ver­arbeitet, umgestaltet.

sociaal element dat meteen vertrouwd is. Maar het ‘Hoogduitse’ heeft het buitengewoon moeilijk zich aan andere omstandigheden aan te passen, omdat het Hoogduits zich ontwikkelt in een abstracte richting en daarom niet zo gemakkelijk de mogelijkheid heeft simpelweg het ene woord op de plaats van het andere te zetten, zoals dat omgekeerd wel het geval is.
Bij het dialect is het zo, dat je merkwaardigerwijs kan waarnemen hoe het dialect vrijer wordt t.o.v. het buitenlandse element, t.o.v. van de vreemde taal. Er is bijv. in het Oostenrijkse dialect een merkwaardig woord – ik schrijf het zoals het ongeveer uitgesproken wordt – ‘baschürli’. Men zegt bijv. wanneer een klein meisje iemand een boeketje aanbiedt en dat heel elegant doet: dat meisje heeft het ‘baschürli’ aangeboden. Dat is een buitenlands woord dat opgenomen is, echter helemaal aangpeapst aan de eigen taal, want het betekent niets anders dan charmant. Zo zou ik u nog talloze voorbeelden kunnen geven. Bij het dialect vind je, wanneer dit wat opneemt – dat gebeurt door de sociale verhoudingen – dat het dit verwerkt, omvormt.

Die hochdeutsche, gebildete Umgangssprache, die ist wirklich etwas vereinsamt geblieben. Und jetzt, nicht wahr, ist sie ja in Gefahr, nach und nach etwas zu werden im europäischen Leben wie eine Art tote Sprache, wie das Lateinische war. Das ist etwas, was sich die Leute noch nicht klarmachen, weil sie hinaus sich entwickelt auch über den anderen Gang des europäischen Lebens. Also es liegt schon etwas in den historischen Verhältnissen, daß das Deutsche sich anders verhält als die anderen Sprachen. Die anderen Sprachen finden eben überall die gleichen Dinge. Da benennen sie sie gleich. Der Deutsche hat her­ausgenommen aus seiner Sprache so vieles, was er, ich möchte sagen, in einsamer Sprachhöhe benennt, und daher kann er nicht mehr sein Wort hergeben, wenn er woanders hinkommt, denn es bedeutet eben einfach nicht dasselbe. Wenn Sie irgendein gewöhnliches Tagesding in England mit demselben deutschen Worte bezeichnen, so ist es eben nicht mehr richtig bezeichnet. Nicht wahr, die Sprachen haben ja aus ver­schiedenen Untergründen ihre Worte gebildet. Wir Deutschen sind in der Sprache Plastiker. Wir bilden das Wort »Kopf«. Ja, das ist das­selbe, was hergenommen wird von der Form; es ist nicht unnötig, hin­zuweisen auf den Kohlkopf; es ist die Form gemeint, wenn wir vom

De Hoogduitse, gevormde omgangstaal is in feite wat alleen blijven staan. En nu, niet waar, bestaat het gevaar in het Europese leven iets zoals een dode taal te worden, zoals het Latijn. Dat is iets wat de mensen niet niet zien, omdat het zich daarbuiten ook nog anders ontwikkeld dan het Europese leven verloopt. Dus er is al iets te vinden in de historische omstandigheden dat het Duits zich anders gedraagt dan de andere talen. De andere talen vinden overal dezelfde dingen. Die noemen ze hetzelfde. DeDuitser heeft uit zijn taal veel genomen wat hij op  eenzame taalhoogte benoemt en vandaar dat hij zijn woord niet meer kan weergeven wanneer hij ergens anders terechtkomt, want het betekent nu eenmaal niet hetzelfde. Wanneer je een of ander alledaags ding in Engeland met hetzelfde Duitse woord wil benoemen, dan klopt het niet meer. De talen, niet waar, hebben vanuit verschillende achtergronden de woorden gevormd. Wij Duitsers, zijn met de taal beeldhouwers. We vormen het woord ‘Kopf’ [hoofd, kop]. Maar dat is hetzelfde als de vorm; het is niet nodig om op de ‘Kohlkopf’ te wijzen; de vorm wordt bedoeld als wij over

blz. 247

Kopf sprechen. Wir bilden das Wort »Fußr plastisch graben, wenn wir gehen. Wir bilden plastisch Sprache. Nehmen Sie »teAtetesta«, – das ist »Zeugnis ablegen», das ist aus dem Tun heraus gebildet, da wird bezeugt. So werden Sie fin­den, daß die romanische Sprache aus ganz anderen Untergründen her-aus bildet, als die deutsche Sprache. Und mit diesen Dingen hängt dann die Schwierigkeit zusammen, nicht wahr, die wir haben im Deut­schen, wenn wir dasselbe Ding auf Deutsch irgendwie bezeichnen wol­len. Wir haben es viel leichter mit dem Dialekt als mit der gebildeten Umgangssprache. Die Dinge sind eben durchaus nicht so einfach, die gerade im sozialen Leben spielen. Das ist die Sache.

‘Kopf” spreken. Wij vormen het woord ‘Fuss’ [voet] – dat hangt samen met ‘Furche’ [vore, voor] die wij plastisch graven. Wij vormen de taal plastisch. Neem dan ‘tête’, ‘testa’ – dat ‘getuigen’ betekent, dat is gevormd vanuit het doen, er wordt getuigenis afgelegd. Op die manier zal je vinden dat de Romaanse talen vanuit heel andere achtergronden gevormd worden dan het Duits. En met deze dingen hangen de moeilijkheden samen die we in het Duits hebben wanneer we in het Duits dit of dat willen benoemen. Met het dialect hebben we het veel makkelijker dan met de gevormde omgangstaal. De dingen die zich afspelen in het sociale leven, zijn echt niet zo eenvoudig. Zo zit het.

.

[1]  GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] vragenbeantwoording  (Duits)
.

Rudolf Steiner over pedagogie(k)

Rudolf Steineralle artikelen

.

1437-1346

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 301 – vragenbeantwoording (3)

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]  [12]  [13]  [14]
[vragenbeantwoording bij 1e vdr.]
[vragenbeantwoording bij 4e vdr.]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

Vragenbeantwoording bij de zesde voordracht [2]

blz. 238

Aus der Fragenbeantwortung im Anschluß an den sechsten Vortrag

Damit ich nichts schuldig bleibe, möchte ich jetzt noch einige von den Fragen beantworten, die mir gestellt worden sind. Zunächst möchte ich auf die Frage der Psycho-Analyse, die ja so oft von den verschiedenen Seiten her gestellt wird, eingehen. Diese Psycho-Analyse ist so recht das Kind unserer materialistischen Zeit. Unsere materialistische Zeit kommt nicht einmal dazu, den Einklang zu suchen zwischen dem schaf­finden Geiste, der, ich möchte sagen, der Künstler unseres Leibes ist, und zwischen der körperlichen, physischen Organisation. Beide stehen nebeneinander, das Körperlich-Physische und das Geistig-Seelische, und die Theorien bemühen sich, Brücken zwischen beiden zu schlagen. Was haben wir in der neueren Zeit erlebt an solchen Brücken, die ge­schlagen werden sollen zwischen dem Geistig-Seelischen und dem Phy­sisch-Leiblichen, von den Anschauungen des Cartesius bis herauf zu dem psycho-physischen Parallelismus und so weiter! Alle diese Theorien sind im Grunde nur aus der Ohnmacht geboren, den Menschen als ein Ganzes zu überschauen.

Uit de vragenbeantwoording bij de 6e voordrach

Om niemand een antwoord schuldig te blijven, wil ik nu nog een paar vragen beantwoorden die mij gesteld zijn.
Allereerst wil ik ingaan op een vraag over psycho-analyse die al zo dikwijls van verschillende kanten is gesteld.
Deze psycho-analyse is met recht een kind van onze materialistische tijd. Onze materialistische tijd komt er nu eenmaal niet op de overeenstemming te zoeken tussen de scheppende geest die, laat ik zeggen, de kunstenaar van ons lichaam is en tussen de lichamelijke, fysieke organisatie. Beide staan naast elkaar, het levend-lichamelijke en wat geest en ziel is en de theorieën doen een poging om tussen beide bruggen te bouwen. Wat hebben we de laatste tijd aan zulke bruggen kunnen beleven die gebouwd moeten worden tussen geest-ziel en het lichamelijk-levende, vanaf de tijd van Descartes tot het psychisch-fysisch parallellisme enz! Al deze theorieën zijn op de keeper beschouwd, slechts uit onmacht geboren de mens  als een totaliteit te beschouwen.

Man sieht nicht, wie alles Physische aus dem Geistigen heraus plastiziert wird, und wie alles Geistige im Grunde ge­nommen in diesem physischen Leben gleichzeitig sich offenbart nach der anderen Seite als ein Physisches. Man muß nur verstehen, wie man im Grunde genommen nur durch Abstraktion das eine von dem ande­ren trennt. Und so ist es denn gekommen, daß gewisse Erscheinungen, die man verstehen kann, wenn man diese Harmonie zwischen dem Physischen und Psychischen durchschaut, in der neueren Zeit ganz ver­kannt wurden.
Nehmen Sie einmal an, ein junger Mensch habe ein ihn erschüttern-des Erlebnis. Jedes erschütternde Erlebnis wirkt namentlich vor dem 20. Jahr zugleich organisch – in späteren Lebensjahren findet eine solche Wirkung auch noch statt, wenn auch in geringerem Ausmaße. Irgend etwas geht auch im Physischen vor. Von diesen Zusammenhängen wird heute eigentlich nur das, was sich an der äußersten Oberfläche abspielt, durchschaut. Man sieht wohl darauf hin, wie der Mensch erbleicht,

Men ziet niet hoe al het fysieke vanuit het geestelijke vorm krijgt en hoe al het geestelijke in wezen  in dit fysieke leven zich tegelijkertijd openbaart naar de andere kant als iets fysieks. Je moet alleen begrijpen hoe je in wezen alleen door abstractie het ene losmaakt van het andere. En zo is het gekomen dat bepaalde verschijnselen die je kan begrijpen wanneer je deze harmonie tussen het fysieke en het psychische doorziet, in de nieuwere tijd geheel miskend worden.
Laten we eens aannemen dat een jong iemand iets heel schokkends meemaakt. Iedere schokkende ervaring werkt namelijk vóór het 20e levensjaar ook op het organische – op laterre leeftijd gebeurt dat ook nog, zij het in mindere mate. Iets vindt er ook in het lichaam plaats. Van deze samenhang wordt tegenwoordig eigenlijk alleen maar gezien wat zich het meest aan de oppervlakte afspeelt. Men ziet wel dat de mens wit wordt, 

blz. 239

wenn er Angst hat, und wie er errötet, wenn er sich schämt. Man sieht aber nicht, wie ein erschütterndes Erlebnis, das vielleicht durch Wochen das menschliche Gemüt in eine bestimmte Empfindungsrichtung bringt, auch im ganzen menschlichen Organismus etwas rein physisch in eine andere Richtung bringt, als dies gekommen wäre, wenn dieses erschüt­ternde Erlebnis nicht stattgefunden hätte. Das menschliche Organ wird zunächst eine ganz normale Struktur haben. Diese normale Struktur reagiert nun zunächst gegen die Erschütterung. Nach einer bestimmten Anzahl Jahren wird sich, da das menschliche Leben rhythmisch ver­läuft, eine gewisse Art der Wiederholung der ursprünglichen Organ-erschütterung einstellen. Wenn man einen 38jährigen Menschen ken­nenlernt, bei dem irgendwelche seelische Anomalien auftreten, wird man diesen Vorgang nur verstehen, wenn man sich sagt: Das Erlebnis, das in diesem Fall in der Seele auftritt, weist auf ein früheres Erlebnis hin, das ebenso viele Jahre vor dem 35. Jahr liegt, als die Wieder­holung nach dem 35. Jahr liegt. Der eigentliche Grund der seelischen Anomalie, die wir bei dem 38 jährigen Menschen beobachten, kann somit in einem Erlebnis liegen, das der betreffende Mensch in seinem 32. Le­bensjahr gehabt hat.

als hij bang is en bloost, wanneer hij zich schaamt. Echter, men ziet niet dat een schokkende gebeurtenis die misschien wekenlang het menselijk gemoed op een bepaalde manier in een bepaalde stemming brengt, ook in de totaliteit van het menselijk organisme iets heel fysieks een andere kant opstuurt dan wanneer deze schokkende gebeurtenis niet had plaatsgevonden. Het menselijk orgaan zal aanvankelijk een heel normale structuur hebben. Deze normale structuur reageert als eerste tegen de schok. Na een bepaald aantal jaren, omdat het menselijke leven ritmisch verloopt, zal er een bepaald soort herhaling van de oorspronkelijke orgaanschok zich voordoen. Wanneer je een 38-jarig mens leert kennen met een of andere psychische afwijking, begrijp je dit alleen wanneer je zegt: wat de ziel in dit geval nu beleeft, wijst terug naar een eerdere beleving die net zoveel jaren geleden plaatsvond voor het 35e jaar, als de herhaling na het 35e. De eigenlijke oorzaak van de psychische afwijking die we bij de 38-jarige kunnen waarnemen, kan dus aan een ervaring liggen die de betreffende in zijn 32e jaar heeft gehad.

Das Heraufkommen des Erlebnisses im 38. Jahr versteht man, wenn man den Zusammenhang zwischen der seelischen Erschütterung, die im 32. Jahr stattfand, und gewissen physischen Or­ganen erkennt. In einem anderen Fall kann es so sein, daß das gegen­wärtige Erlebnis auf ein anderes Erlebnis hinweist, das ebenso viele Jahre vor dem 28. Jahr stattfand, als Jahre seit dem 28. Jahr verflossen, bis die Wiederholung des Erlebnisses auftrat. Eine Beobachtungsgabe muß man sich aneignen, um den Zusammenhang zwischen dem Seelisch-Geistigen und der Organologie zu erkennen. Was tut statt dessen unsere Zeit? Wenn man Arzt ist und noch so materialistisch denkt, kann man doch nicht leugnen, daß es immerhin ein Seelenleben gibt. Der Materia­lismus zeichnet sich nun gerade dadurch aus, daß er nichts von der Ma­terie versteht, und in der Zeit des Materialismus kann die Tragik erlebt werden, daß dieser Materialismus die materiellen Prozesse nicht ver­steht. Und gerade deshalb bezieht man nicht das seelische Erlebnis auf das Materielle. Man sagt dagegen fälschlicherweise: Eine isolierte Seelenprovinz, die durch lange Jahre da war, die wirkt jetzt wiederum herauf, die muß man heraufziehen, bewußt machen, während es darauf ankäme, den organischen Gesundheitszustand des Menschen zu studie­ren, nicht psycho-analytisch an ihm herumzuprobieren.

Het manifest worden van de ervaring in het 38e jaar begrijp je, wanneer je de samenhang tussen de psychische schok die in het 32e jaar plaatsvond en bepaalde fysieke organen kent.
In een ander geval kan het zo zijn dat de huidige ervaring naar een andere ervaring verwijst dat net zoveel jaar vóór het 28e plaatsvond als de jaren die sedert het 28e jaar zijn verstreken, tot de herhaling van de gebeurtenis optrad. Je moet je een vermogen om dit waar te nemen, eigen maken, wil je de samenhang tussen ziel-geest en de organen kennen. Wat doet in plaats hiervan onze tijd ondertussen? Wanneer men arts is en nog zo materialistisch denkt, kun je toch niet ontkennen dat er altijd nog een zielenleven is. Het materialisme valt nu juist op doordat het van de materie niets begrijpt en in de tijd van het materialisme kun je de tragiek beleven dat dit materialisme de stoffelijke processen niet begrijpt. Foutief zegt men: een geïsoleerd stukje ziel dat er al heel lang is, moet men blootleggen, bewust maken, terwijl het erop aankomt de organische gezondheidstoestand van de mens te bestuderen, niet hem psycho-analytisch uit te proberen.

blz. 240

So ist es auch mit der Anwendung der Psycho-Analyse auf die Päd­agogik. Nur weil man das, worauf in diesem Vortrag der besondere Wert gelegt wird, nämlich das einheitliche Zusammenwirken des Geistig-Seelischen mit dem Körperlich-Physischen, nicht durchschaut, spricht man von der Anwendung der Psycho-Analyse in der Pädago­gik. Man kann nicht einseitig etwa nur das Geistig-Seelische behandeln. Davon wollen wir dann noch genauer sprechen.
Jetzt möchte ich noch auf etwas anderes hinweisen, auf die Klippe des Pubertätsalters. Da darf ich kurz sein. Diese Klippen des Puber­tätsalters treten nur dann auf, wenn eben nicht ordentlich erzogen wird. Wenn die Kinder in dieser Weise innerliches Erschauen und innerliches Erleben haben, wie ich es heute geschildert habe, dann wirkt das auF die ganze seelische und physische Organisation des Kindes so zurück, daß andere Empfindungen und ein anderes Verhältnis zur Außenwelt auftreten, als wenn ich gerade im 7., 8. Lebensjahre das Kind zu in­tellektuell oder zu wenig künstlerisch entwickle. Die Sünden des Er­ziehens im 7. und 8. Lebensjahre erscheinen in den unrichtigen Emp­findungen des Pubertätsalters. 

Zo is het ook met de toepassing van de psycho-analyse in de pedagogie. Alleen omdat men dit, waaraan in deze voordracht bijzondere waarde werd toegekend, namelijk het als geheel samenwerken van de geest-ziel met het levend-lichamelijke, niet doorziet, spreekt men over de toepassing van de psycho-analyse in de pedagogie. Je kunt niet eenzijdig alleen maar iets van geest en ziel behandelen.
Daarop wil ik dan nog preciezer ingaan.
Nu zou ik nog op iets anders willen wijzen, op de moeilijkheden van de puberteitsleeftijd. Daar kan ik kort over zijn. Die moeilijkheden doen zich alleen voor, wanneer er niet goed wordt opgevoed. Wanneer de kinderen op de manier waarop ik het vandaag geschetst heb een innerlijk gewaarworden en een  innerlijk beleven hebben, slaat dat op de totale psychische en fysieke organisatie van het kind zo terug dat andere belevingen en een andere verhouding tot de buitenwereld ontstaan, dan wanneer ik met name in het 7e, 8e jaar het kind te intellectueeel of te weinig kunstzinnig ontwikkel. Het verkeerd opvoeden in het 7e en 8e jaar verschijnt in de verkeerde belevingen in de puberteitsjaren.

Heute macht man allerdings die kurio­sesten Erfahrungen, und wenn man darüber sprechen würde, was einem heute oftmals von Müttern oder Vätern von ihren Kindern erzählt wird, dann würde man eben sehen, wie der Materialismus in alle Ge­müter eingegriffen hat. Es kommen heute Leute und sagen von ihrem 5- oder 6jährigen Kinde, es habe sexuelle Ungezogenheiten. Dies zeigt, daß man nicht mehr unterscheiden kann. Wenn ein Messer ein Rasier-messer geworden ist, ist es eben kein Taschenmesser. So sind Hand­lungen, die beim Kinde auftreten, und die äußerlich sexuelle Triebe zu verraten scheinen, gar nicht sexuelle Handlungen, sondern fordern lediglich, daß man das Kind in naturgemäßer Weise erzieht; dann treten irgendwelche abnormale Empfindungen im Pubertätsalter ganz gewiß nicht auf. Wer das Leben kennt, weiß, daß es ebensowenig ein sexueller Akt ist, wenn das Kind sich in der Nähe der Sexualorgane kratzt, wenn es dort eine kleine entzündliche Stelle hat, die vielleicht äußerlich wenig bemerkbar ist, als wenn es sich an der Nase oder an der Wange kratzt. Damit ist mehr gesagt und auf mehr hingewiesen als man gewöhnlich annimmt und das muß man eben durchschauen. Und dann wird man nicht in solches Zeug verfallen wie Freud, der nun, statt die Dinge anzuschauen wie sie sind, nämlich, daß es einerlei ist, ob das Kind sich an der Wange kratzt oder wo anders, wenn das

Vandaag de dag doe je de meest merkwaardige ervaringen op en wanneer je zou spreken over wat iemand nu vaak van moeders of vaders hoort over hun kinderen, zou je zien hoe het materialisme ieders gemoed in zijn greep heeft. Er komen mensen en die zeggen van hun 5 – 6-jarige kind dat dit zich seksueel misdraagt. Dat laat zien dat men geen onderscheid meer weet te maken. Wanneer een mes een scheermes is geworden, is het uiteraard geen tafelmes meer. Zo zijn de handelingen die bij een kind optreden en die uiterlijk seksuele drang lijken te verraden, helemaal geen seksuele handelingen, maar vragen alleen maar om het kind op een natuurlijke manier op te voeden; dan doen zich die abnormale belevingen zich in de puberteit echt niet voor. Wie het leven kent, weet dat het net zo min een seksuele handeling is wanneer een kind zich krabt in de buurt van de geslachtsorganen, wanneer daar een plekje zit dat ontstoken is, uiterlijk misschien niet eens opvallend, als wanneer het aan zijn neus of wang krabt. Daarmee wordt meer gezegd of op meer gewezen dan men gewoonlijk aanneemt en dat moet je doorzien.
En dan verval je niet tot die rommel die Freud die nu, i.p.v. de dingen waar te nemen zoals ze zijn, namelijk dat het niets uitmaakt of een kind aan zijn wang krabt of ergens anders, wanneer het

blz. 241

Kind noch nicht das Pubertätszeitalter erlangt hat, aus dem heutigen Materialismus heraus behauptet, es sei ein sexueller Akt, wenn sich das Kind am Schnuller ergötze. Ja, meine sehr verehrten Anwesenden, von dieser Theorie aus kann man eben alles unter einen Gesichtspunkt brin­gen. Goethe wollte das mit einem seiner sehr humoristischen Gedichte treffen, indem er den Beweisen, die Welt bestehe aus so und so gearte­ten Atomen und den Weltanschauungen, wonach alles als Wille oder als unbewußtes Sein konstruiert wird, entgegenstellt: »Die Welt ist ein Sardellensalat». (Goethe: Lyrische Gedichte.) Gustav Theodor Fech­ner, der Humorist hat wirklich auch eine gute Tat begangen. In seinem Büchelehen: »Der Mond als Jodin« – es ist schon in den zwanziger Jahren des 19. Jahrhunderts erschienen -, bewies er auch einmal nach dem Muster der Beweise, die man für vieles hat, daß der Mond ledig­lich aus Jod besteht. Dieses Büchlein sollte man heute als eine Illustra­tion mancher Weltanschauungsdenkweise überall auflegen, statt es mehr und mehr verschwinden zu lassen.

kind nog niet de puberteitsleeftijd bereikt heeft, beweert vanuit het huidige materialisme, dat het een seksuele handeling is, wanneer een kind van de fopspeen geniet. Ja, zeer geachte aanwezigen, met deze theorie kan men alles onder één gezichtspunt brengen. Goethe wilde dat met een van zijn humoristische gedichten treffend neerzetten tegenover het bewijs dat de wereld uit die en die atomen met die en die eigenschappen bestaat, waardoor alles als wil of onbewust zijn gevormd wordt:
‘De wereld is een ansjovissalade’ (Goethe, Lyrische gedichten). Gustav Theodor Fechner, de humorist, heeft ook echt iets goeds gedaan. In zijn boekje ‘De maan als jodium’ – het verscheen al in de jarig twintig van de 19e eeuw – bewees hij volgens het patroon van bewijsvoering, dat men voor van alles gebruikte, dat de maan alleen maar uit jodium bestaat. Dit boekje zou men tegenwoordig als een illustratie van het vele wereldbeschouwelijke denken overal ter inzage neer moeten leggen, in plaats van het steeds meer te laten verdwijnen.

(Auf einen Einwand, Dr. Steiner habe nur Freud, nicht die anderen Richtungen berührt:)

Als Antwort auf Ihre Frage wäre es ja notwendig, daß ich eine ganze Reihe von Vorträgen hielte. Da dies nicht möglich ist, möchte ich nur noch das Folgende sagen: Wie stark in unserer Zeit, ich möchte sagen, der Fanatismus für gewisse Richtungen ist, das tritt einem ganz besonders bei den Anhängern der Psycho-Analyse entgegen. Bei der Beantwortung einer Frage habe ich für ein gewisses Beispiel auf die Freudsche Meinung in bezug auf die Sexualität hingewiesen. Es ist ja natürlich schon richtig, daß andere Psycho-Analytiker sehr stark von dieser einseitig sexualistischen Deutung abgegangen sind. Insbesondere ist gerade in den letzten Monaten von einzelnen Psychiatern sehr, sehr stark gewissermaßen abgeschwenkt worden von der ursprünglichen Freudsehen Richtung, sogar von der Jungschen Richtung – aber der­jenige, der die Psycho-Analyse im Zusammenhang mit der ganzen Zivilisations-Entwickelung der neueren Zeit beurteilen kann, der wird in der Psycho-Analyse niemals etwas Neues sehen, respektive nicht den Keim zu einem Neuen sehen können, sondern die letzte Konsequenz des Materialismus. Für den Materialismus ist es eben charakteristisch, daß er, statt in lebendiger Anschauung auf den Zusammenhang des Geistig-Seelischen mit dem Physischen einzugehen, das Physische nur

Op een tegenwerping dat Dr. Steiner het alleen over Freud heeft gehad, niet over andere richtingen:)

Als antwoord op uw vraag, zou het nodig zijn een hele reeks voordrachten te houden. Omdat dat niet mogelijk is, zou ik nog het volgende willen zeggen: hoe sterk in onze tijd – ik zou willen zeggen – het fanatisme voor bepaalde richtingen is, kom je bij de aanhangers van de psycho-analyse in het bijzonder tegen. Bij de beantwoording van een vraag heb ik op een bepaald voorbeeld gewezen op de mening van Freud wat betreft de seksualiteit. Het is natuurlijk juist, dat andere psycho-analytici afstand hebben genomen van deze zeer sterk eenzijdige seksuele verklaring. Met name is juist de laatste maanden door individuele psychiaters in zekere zin een zeer, zeer sterk afwijkende weg ingeslagen dan de oorspronkelijke richting van Freud, zelfs van Jung – maar degene die de psycho-analyse in samenhang met de hele ontwikkeling van de beschaving in de nieuwere tijd kan beoordelen, zal in de psycho-analyse nooit iets nieuws zien, respectievelijk geen kiem tot iets nieuws kunnen zien, maar alleen het laatste gevolg van het materialisme. Voor het materialisme is het nu eenmaal karakteristiek dat het i.p.v. met een levendig waarnemen op de samenhang van geest-ziel met het lichamelijke in te gaan, het fysieke alleen

blz. 242

aus der alleräußersten Anschauung heraus charakterisieren will, wie es in der Physik, Chemie gilt, und daß er auf der anderen Seite stehen-bleibt bei der abstrakten Charakteristik des Geistig-Seelischen. Und das wird, indem man einfach kontinuierlich die seelischen Bestände fortverfolgt durch das Leben des Menschen, in der Psycho-Analyse bis zum äußersten Extrem getrieben. Es wird nicht und braucht nicht im mindesten geleugnet zu werden, daß die positiven Dinge, die man im Auge hat, wenn man heute von der Psycho-Analyse redet, als solche richtig sind. Gewiß, es ist durchaus richtig, daß gewisse seelische Erleb­nisse fortwirkend in einer bestimmten Umformung wiederum durch­schaut, erkannt, beobachtet werden können. Aber es handelt sich darum, daß in der Zeit, die dazwischen liegt, eine solche Wechselwirkung statt­gefunden hat zwischen dem, was da in der Psycho-Analyse als isolier­tes Seelisches betrachtet wird, und den Organwirkungen, daß beim Neuauftreten eine starke Einseitigkeit herauskommt, wenn man auf diese Organwirkungen nicht hinzuschauen vermag.
Diese Theorien, von denen die Psyeho-Analyse auch eine ist, denen haftet in der Gegenwart etwas sehr Eigentümliches an. Man kann mir glauben, daß ich mich gerade mit den Dingen, die vorgebracht worden sind, sehr eingehend beschäftigt habe.

vnauit een alleruiterlijkst waarnemen wil karakteriseren, zoals dat gangbaar is in de natuurkunde, de scheikunde en dat het materialisme aan de andere kant stilstaat bij een abstracte karakteristiek van geest en ziel. En dat wordt, wanneer je eenvoudig continue volgt wat er door het leven van een mens heen aan ziel bestaat, in de psycho-analyse tot in het uiterste gepraktiseerd. Het zal niet en hoeft helemaal niet ontkend te worden dat de positieve dingen die men op het oog heeft, wanneer men vandaag over de psych-analyse soreekt, als zodanig juist zijn. Zeker is het beslist juist dat bepaalde ervaringen doorwerkend in een bepaalde verandering, weer doorzien, gekend en waargenomen kunnen worden. Maar het gaat erom dat in de tijd die er tussen ligt zo’n wisselwerking heeft plaatsgevonden tussen wat in de psycho-analyse als een geïsoleerd zielengebied beschouwd wordt en de werking van de organen, dat er bij het weer manifest worden een sterke eenzijdigheid blijkt te zijn wanneer je niet in staat bent naar deze orgaanwerking te kijken.
Aan deze theorieën, waarvan de psycho-analyse er ook een is, kleeft in deze tijd iets zeer merkwaardigs. U kan me geloven dat ik mij juist met de dingen die naar voren worden gebracht, zeer diepgaand heb beziggehouden.

Es handelt sich darum, einzu­sehen, daß heute die Tendenz besteht, Theorien, die für ein gewisses, eingeschränktes Gebiet richtig sind, zu Unrecht als allgemeine Gesetze zusammenzufassen. Die Psycho-Analyse ist hierfür ein Schulbeispiel. Eine Zusammenfassung zu einem Gesetz oder einer Theorie ist nur dann berechtigt, wenn die Anwendbarkeit in allen Konsequenzen im Praktischen verfolgt werden kann. Gerade das kann aber der Psycho-Analytiker bei seiner Theorie nicht. Weil der Psycho-Analytiker den wahren Zusammenhang zwischen Physischem und Psychischem nicht kennt, setzt er gegenwärtige psychische Tatbestände einseitig in Be­ziehung mit früheren psychischen Tatbeständen. Dies tritt gerade bei Jung so stark hervor. Jung steht ganz abseits von einer umfassenden Betrachtung der Welterscheinungen. Nun ist ja anzuerkennen, daß Jung gewisse Komplexe gelten läßt und sie sogar in der seelischen Evo­lutionsreihe zurückverfolgt. – Der sogenannte Oedipus-Komplex, wie ihn einzelne Psycho-Analytiker beschreiben, ist etwas sehr Interessan­tes selbstverständlich und auch sehr gefangennehmend. Der Fehler liegt aber darin, daß man in der dargestellten Erscheinungsreihe nicht den notwendigen Umfang aller anderen Erscheinungen umfaßt, mit denen

Het gaat erom in te zien dat tegenwoordig de tendens bestaat, theorieën die op een bepaald, begrensd gebied juist zijn, onterecht als algemeen gangbare wetten samen te vatten. De psycho-analyse is hiervan een schoolvoorbeeld. Het als een wet of theorie nemen is alleen dan gerechtvaardigd, wanneer men de toepasbaarheid met alle consequenties in de praktijk van het leven volgen kan. Maar dat kan de psycho-analyticus met zijn theorie niet. Omdat de psycho-analyticus de echte samenhang tussen fysiek en psyche niet kent, brengt hij psychische feiten van nu eenzijdig in verband met vroegere psychische feiten. Dat zie je juist sterk bij Jung. Jung staat heel afzijdig van een omvattende beschouwing van de verschijnselen in de wereld. Je kan wel erkennen dat Jung bepaalde complexen laat gelden en die volgt hij zelfs terug in de evolutierij van de ziel. – Het zgn. Oedipus-comlex, zoals een paar psycho-analytici dit beschrijven, is iets zeer interessants, vanzelfsprekend, en zeer fascinerend. Maar de fout zit hem erin dat men in de voorgestelde evolutierij niet de noodzakelijke omvang van alle andere verschijnselen omvat waarmee

blz. 243

die dargestellte Erscheinungsreihe zusammenhängt. Was ich meine, läßt sich durch ein einfaches Bild veranschaulichen. Wenn Sie eine ab­geschnittene Rose und einen Kristall auf einen Tisch stellen, so können Sie sagen, beides seien Gegenstände. Diese Gleichstellung von Rose und Kristall unter dem Begriff Gegenstand ist aber nur unter einem äußer­lichen Aspekt berechtigt. Die abgeschnittene Rose ist keine Wirklich­keit und Sie können sie nicht so betrachten wie den Kristall, der in einer gewissen Weise ein Abgeschlossenes ist. Natürlich muß auch der Kristall von einem noch weiteren Gesichtspunkt im Einklang mit sei­ner eigentlichen Umgebung betrachtet werden. – Man muß eben überall den Umfang der Erscheinungen suchen, in den sich ein Komplex, den man hat, einordnet. Man kann nicht nur das, was unmittelbar vor einem liegt, berücksichtigen. Auch eine Baumblüte zum Beispiel kann nicht für sich allein als Gegenstand betrachtet werden, höchstens der Baum; von einem weiteren Gesichtspunkt muß sogar die Erdbesehaffen­heit, die Luftbeschaffenheit und so weiter hinzugenommen werden.

de opgestelde rij samenhangt. Wat ik bedoel, wordt door een eenvoudig voorbeeld duidelijk. Wanneer u een afgsneden roos en een kristal op een tafel legt, kunt u zeggen dat het beide voorwerpen zijn. De gelijkschakeling van roos en kristal onder het begrip voorwerp is echter maar onder één uiterlijk gezichtspunt gerechtvaardigd. De afgesneden roos is geen werkelijkheid en die kun je niet zo bekijken als een kristal die op een bepaalde manier iets op zich is. Natuurlijk moet ook het kristal vanuit een nog breder perspectief in samenhang met zijn eigenlijke omgeving bekeken worden. – Je moet nu eenmaal overal naar de omvang van de verschijnselen zoeken waarin je een complex dat je hebt, onderbrengt. Je kan niet alleen maar rekening houden met wat je zo direct voor je hebt. Ook een bloesem aan een boom bijv. kan niet als een voorwerp op zich bekeken worden, hooguit de boom; vanuit een ruimer perspectief moet zelfs de aard van de grond, van de lucht e.d. er nog bij worden genomen.

Die Psycho-Analyse macht vor allen Dingen den Fehler, daß sie Erscheinungen isoliert betrachtet, die nur, wenn sie an andere Erschei­nungsreihen angeschlossen werden, erklärbar sind. Durch diese ein­seitige Betrachtung entstehen Fehler. Ich habe auf das sexuelle Beispiel nur aus dem Grunde hingewiesen, weil in der Literatur zum Beispiel das Fischsymbol als Zeichen für das männliche Sexualorgan erklärt und in einer Weise belegt wird, in der wissenschaftlich nicht belegt wer­den darf. Solche Erklärungen sind einfach grotesk. Auch die Erschei­nung des sogenannten Oedipus-Komplex kann nicht nur in einer be­stimmten Strömung, das heißt isoliert betrachtet werden, sondern man muß sie mit anderem in Zusammenhang bringen und sich zu einer Be­trachtung der Gesamtmenschheitsentwickelung aufschwingen.

(Auf eine weitere Einwendung, die Geisteswissenschaft betreffend:)

Wenn Sie meine Geisteswissenschaft ins Auge fassen wollen, so kön­nen Sie diese eben nicht bloß aus diesen pädagogischen Vorträgen ins Auge fassen, sondern Sie müssen sie gründlicher studieren. Das ist eine mehr oder weniger groteske Behauptung, daß meine Geisteswissen­schaft irgend etwas zu tun hat mit der des 19. Jahrhunderts.
Die Geisteswissenschaft, die ich vertrete, kann man nicht als solche aus diesen pädagogischen Vorträgen bloß ersehen, sondern diese pädagogi­schen Vorträge sind eben nur eine Konsequenz dieser Geisteswissenschaft.

De psycho-analyse maakt vooral de fout dat ze verschijnselen geïsoleerd beschouwt, die alleen, wanneer ze samen genomen worden met andere verschijnselen, te verklaren zijn. Door die eenzijdige manier van beschouwen ontstaan de fouten. Ik heb alleen maar op het seksuele voorbeeld gewezen, omdat in de literatuur bijv. het symbool van de vis als een symbool voor het mannelijk geslachtsorgaan wordt verklaard en op een manier wordt bewezen waarmee wetenschappelijk niet bewezen mag worden. Zulke verklaringen zijn simpelweg grotesk. Ook het verschijnsel van het zgn. Oedipus-complex kan niet in een bepaalde stroming, d.w.z. geïsoleerd bekeken worden, maar men moet dit met iets anders in samenhang brengen en zich opwerken om tot een beschouwingswijze te komen van een totale mensheidsontwikkeling.

(Op een andere tegenwerping, die de geesteswetenschap betreft:)

Wanneer u naar mijn geesteswetenschap wil kijken, kan u dat niet zomaar doen met deze pedagogische voordrachten, maar dan moet u de geesteswetenschap grondiger bestuderen. Het is min of meer wel een groteske bewering, dat mijn geesteswetenschap op de een of andere manier iets van doen heeft met de 19e eeuw.
De geesteswetenschap waar ik voor sta, kan je niet als zodanig uit deze pedagogische voordrachten alleen ontdekken, maar deze pedagogische voordrachten zijn wél het gevolg van deze geesteswetenschap.

.

[1]  GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] vragenbeantwoording  (Duits)
.

Rudolf Steiner over pedagogie(k)

Rudolf Steineralle artikelen

.

1429-1339

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-8-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 24/25 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Over adem en ademen

In het op o.a. de vrijescholen zo bekende Paradijsspel zegt Godvader, wanneer hij voor het eerst spreekt – dat doet hij tegen Adam –

‘Adam, nu neemt den adem des levens,
dien ghy ontfaet mit deuzen dach
neemt oock verstant waerdoor ghy leert
dattic u uyt stof heb geformeerd.
Soo leef dan. En van stonde af aan
gaet steevast op u voeten staen!

In deze eerste woorden wordt de drieledige mens geschapen. Door de adem!
Het verstand volgt waarmee Adam moet leren wat inmiddels al voltooid is: de schepping uit de stoffelijkheid. Dan strekt Adam zich a.h.w. in de verticaal, als hij stevig op zijn benen gaat staan. Waarheen hij gaan zal? Dat is nog geen realiteit: de toekomst ligt open.

Levensadem. De schepping van Adam.
Byzantijns mozaïek, Monreale, 12 eeuw
Adam

Adam is hier nog geen individuele naam, maar duidt op de schepping van ‘de mens'(heid), in het bijzonder [4] ‘hij die uit aardse stof werd gemaakt’.
Het Hebreews gebruikt hier de naam “Adamah”. Er zijn verschillende omschrijvingen, waaronder ‘levensgrond.’

Adam hangt etymologisch niet samen met adem. Die wordt in het Hebreews ‘ruach’ genoemd.
Dat is geen woord met maar één betekenis. Het wordt op verschillende manieren vertaald en omschreven:

‘Het Hebreeuwse ruach duidt in de eerste plaats een luchtbeweging aan. Dat kan wind zijn, maar ook adem en vervolgens geest. Vandaar kan het dan een bepaalde gemoedstoestand aanduiden. In een andere zin kan het ook slaan op een bepaalde windrichting en dus een zijde of een kompasrichting.’ [5]

Met het woord wordt uitgedrukt dat door ‘ruach’ de mens een levend wezen wordt, maar tegelijkertijd betekent het ziel en geest.
God is de schepper van ruach, ruach de scheppende activiteit.
Ruach is het levensprincipe dat rede, wil en geweten omvat. [6]

‘Veel woorden in andere talen die qua betekenis verwant zijn aan het woord ziel gaan etymologisch terug op woorden die adem(en), lucht, wind, ruiken e.d. betekenen. Grieks: het woord psyche (ziel) betekent evenals pneuma (geest) wind of lucht (< pne(w)ô = waaien), (pnu=ademen of blasen)  Latijn: de woorden anima (ziel) en animus (geest) betekenen wind, spiritus (geest) adem. Sanskriet: âtman (ziel) betekent lucht (vergelijk adem – misschien – Grieks “atmos”)., het boeddhisme heeft nirvanaHebreeuws: de woorden nefesj (levensadem), nesjamah (ziel) en roeach (geest) betekenen respectievelijk geur, lucht en wind. Volgens de taalkundige H. Möller hangen nefesj en nesjamahsamen met neus, roeach met reuk samen. Anderen zien ook in het Griekse woord nous of noös (geest) een verband met neus. [7]

Tegen deze achtergrond is het niet zo vreemd dat Rudolf Steiner dan eens over ‘geest-ziel’ spreekt, dan eens over ‘ziel-geest’ het Duitse geistig-seelisch of seelisch-geistig; ook Geistseele en Seelengeist. 
We zien in de woorden die in het begin van het bijbelboek Genesis staan opgetekend de mens(heid) als enerzijds het wezen geschapen door een geest-zielenkracht; anderzijds een wezen dat uit aarde, uit aardestof wordt geschapen.
A.h.w. een soort oerbeeld van de 2-ledige mens. ‘Onder’ en ‘boven’ moeten nog met elkaar in harmonie komen. Dat gaat niet zonder de adem.

Of zoals Steiner dat verwoordt op blz. 24:
Dieses Atmen bedeutet sehr, sehr viel für die menschliche Wesenheit, denn in diesem Atmen liegt ja schon das ganze dreigliedrige System des physischen Menschen.

Dit ademen betekent heel, heel veel voor het menselijk wezen, want in het ademen ligt al de gehele drieledigheid van de fysieke mens besloten.
GA 293/24

Wanneer de mens begint te ademen, begint op aarde zijn wezen als geest-ziel/ziel-geest. En deze ‘zitten’ meteen in ‘denken, voelen, willen.’

Het eerder genoemde ‘ruach’ heeft ook de betekenis van ‘gemoedstoestand’, ‘emotie’ (blijkend uit een versnelde ademhaling). En dan krijg je betekenissen als ongeduld of woede, maar ook bezieling of kracht. Dat kan iemands eigen ‘geest’ zijn, die hem aanzet bepaalde dingen te doen, goed of slecht, dus de mentaliteit, de gezindheid die iemand heeft. [5]

Hoezeer de gevoelens, de emoties als zielenkwaliteiten gedragen worden door de fysieke adem, blijkt uit het dagelijks leven. De taal die we daarbij gebruiken, drukt deze samenhang – vaak beeldend – uit.
Bij hevige schrik ‘stokt de adem in de keel’ of wordt iemand ‘de adem benomen’; ook een sfeer kan ‘verstikkend’ zijn; iets moois of iets spannends ‘adembenemend’. En vanzelfsprekend wordt het direct bij de ademhaling betrokken orgaan: het hart, in deze uitdrukkingen betrokken: bij schrik: ‘mijn hart klopte in mijn keel’; ‘zijn hart sprong op van vreugde’; bij ontmoediging: ‘het hart zakte me in de schoenen’.

Het ademen is een ritmisch proces. Ritme werkt door in alle levensprocessen – het is een wezenlijke eigenschap van alles wat leeft. Ieder levensproces wordt een bepaalde tijd sterker, dan weer zwakker en daarna weer sterker. Het leven zit in de voortdurend ritmische vernieuwing. In een normale toestand verlopen de ritmische processen in de organen zo, dat we die niet waarnemen. Waarneembaar is eigenlijk alleen het ademhalen zelf (als je erop let) en voelbaar is je hartslag, bijv. met je hand op je hart of op de verschillende ‘pols’plaatsen. Hoe het ademhalingsritme verder nog doorwerkt in ons lichaam en waar, voelen we niet bewust meer. Een enkele keer: wanneer we door een of andere emotie een ‘stoot’ in ons hoofd voelen die vrijwel gelijktijdig plaatsvindt met een verhevigde hartslag. We mogen echter wel zeggen dat het ritmische leven in het ademhalingsorgaan een zodanige werking heeft dat dit het fysieke orgaan als geheel doorwérkt en in zijn ritme meeneemt – in een voortdurende afwisseling tussen het actieve inademen en het passieve uitademen.
De ademhaling is afhankelijk van sterke schommelingen in de frequentie (de hoeveelheid ademhalingen) en in de amplitude (de diepte van de ademhaling). Die zijn niet alleen het gevolg van grotere of minder grote lichamelijke inspanning, ze doen zich ook voor bij lichamelijke rust. Ze staan dan in een duidelijke relatie tot de verschillende gevoelens die men in het borstgebied beleeft.

Hoezeer de ademhaling betrokken is bij de gevoelens, wordt in deze figuren zichtbaar:

Zonder emotie wil hier zeggen: enigszins gelaten, geen direct beleefbare gevoelens.
Bij boosheid is er innerlijk onrust en sterke opwinding. De ademhaling gaat vlugger en tegelijkertijd wordt deze onregelmatiger.

Opmerkelijk is de frequentie bij sex. De staat van opwinding veroorzaakt een ademhaling die beduidend ‘zwaarder’ wordt en daardoor hoorbaar – d.w.z. meer fysiek!, het bekende geluid van ‘de hijger’.

Wanneer er door een bepaalde indruk een gevoel van blijdschap ontstaat, opent de ziel zich, wordt ruimer en de innerlijke beweging wordt sterker: een toestand van een vreugdevolle opwinding met een bepaalde diepte van beleving. De ademhaling wordt dieper en sneller. 
Bij eerbied, verering beleeft een mens veel meer iets geestelijks. Alle opwinding is verdwenen. Vanuit een innerlijke rust opent de ziel zich. Er volgt een verdiepte beleving, want wat je vereert, komt uit de diepte van de ziel. Het ademritme wordt rustiger, langzamer en wordt veel dieper. [8]

Door zulke waarnemingen wordt de samenhang tussen de innerlijke dynamiek van de gevoelens en de verschillende manieren van ademen, duidelijk: dynamiek van de gevoelens wil zeggen: actief of in rust en de diepere of oppervlakkigere beleving. Dat wordt weerspiegeld in de frequentie en de diepte van het ademen. Ademen is de fysionomie van het gevoelsleven. [9]

De individuele mens beschikt over een groot scala aan gevoelens: van de meest elementaire – die we bij ‘etherlijf’ tegenkwamen en in de gewaarwordingsziel beleven: honger, dorst, kou; en minder ‘stoffelijke’ gevoelens die zich in de verstands-gemoedsziel openbaren: alles wat grofweg sympathie en antipathie is en gevoelens die zich losmaken van het direct persoonlijke en zich richten op de ander of het andere: liefde, eerbied, meedelijden. 
Ook bij kinderen is er al een grote variatie aan gevoelens.

Tegen deze achtergrond is het goed te begrijpen dat Steiner op dezelfde dag waarop hij deze dingen uitspreekt – tijdens de eerste lezing op 21 augustus 1919 – daar in de tweede lezing die dag op terugkomt. 
Hij zegt:

Versuchen Sie nie so zu erzählen, daß Sie auf Kopf und Verstand reflektieren, sondern so zu erzählen, daß Sie in dem Kinde gewisse stille Schauer – in gewissen Grenzen – hervorrufen, daß Sie den ganzen Menschen ergreifende Lüste oder Unlüste hervorrufen, daß dies noch nachklingt, wenn das Kind weggegangen ist und daß es dann zu dem Verständnisse davon und zu dem Interesse daran erst übergeht.

Probeert u nooit zo te vertellen dat u het hoofd en het verstand aanspreekt, maar zo dat u in het kind een soort stille hui­vering – binnen bepaalde grenzen – oproept, dat u lust- of onlust­gevoelens oproept die de hele mens aangrijpen. Die klinken dan nog na wanneer het kind weer naar huis gaat, en van daaruit kan het dan de stap tot begrip en interesse zetten.
GA 294/20**
vertaald/31

Bij de behandeling van het vertellen van een fabel zegt hij dan:

Jetzt möchte ich mit Ihnen ein Stück Unterricht besprechen. Ich möchte darauf aufmerksam machen, daß Sie niemals den Inhalt eines Lesestückes – ich will es prosaisch so nennen – dadurch für das Gefühl und die Empfindung verderben sollten, daß Sie das Lesestück lesen, oder mit den Zöglingen durchlesen, und es dann pedan­tisch erklären. Der einsichtige Psychologe wird es nicht so machen, son­dern er wird das Gefühl dafür haben, daß ein Prosastück oder ein Gedicht auf die Seele so wirken muß, daß diese Seele, wenn sie es erlebt hat, mit dem Eindruck zufrieden sein kann; von dem Eindruck befriedigt sein kann, könnte man auch sagen. Man wird aber das nicht ausschließen dürfen, daß man gerade diese Befriedigung, welche aus dem Inhalte eines Lesestückes hervorgehen soll, für den Zögling da­durch erhöht, daß der Zögling vollständig alle Nuancen versteht, daß er dem Gefühl nach wenigstens, instinktiv, versteht, was in dem Ge­dichte darin ist. 

Nu zou ik een stuk onderwijs met u willen bespreken. Ik zou u erop willen wijzen dat u nooit de inhoud van een leestekst – ik zal het prozaïsch maar zo noemen – moet bederven voor het gevoel en de ervaring door het stuk voor te lezen of samen met de leerlingen te lezen, en het dan als een schoolmeester te verklaren. Iemand met psy­chologisch inzicht zal het niet zo doen, hij zal aanvoelen dat juist een prozatekst of een gedicht in moet werken op de ziel, en wel zo dat de ziel na die ervaring tevreden kan zijn met de indruk, voldaan kan zijn door de indruk, kan men ook zeggen. Maar men zal niet mogen uit­sluiten dat men juist die voldoening die uit de inhoud van een tekst moet ontstaan, voor een leerling verhoogt doordat hij alle nuances begrijpt, althans gevoelsmatig, instinctief begrijpt wat er in het ge­dicht staat.
GA 295/61
vertaald/59

**Steiners benadering gaat nu uit van ‘bovenmens en benedenmens, bovenfysiek, halffysiek en fysiek.
Daarover is hier al een en ander opgemerkt. 

Zonder nu op details in te gaan, kun je veel van de manier waarop in de basisafdeling (de onderbouw) van de vrijeschool gewerkt wordt, verbinden met dit belangrijke fenomeen van de ademhaling.
Zingen, spreken, fluitspelen.
Het met plezier de dingen doen: schilderen, boetseren.
Met fantasie, de open vorm van de creativiteit.
De ritmische afwisseling tussen actief en passief, tussen doen en luisteren – dat laatste ook naar de verhalen waarop de ziel meebeweegt in de afwisseling tussen spanning en ontspanning; stille huiver en lachen, verontwaardiging en instemming enz. 
 

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4]  Hebreeuws: אָדָם ’ādām, “mens(heid)”
[5]
[6]
[7]
[8] K.E.Schaefer: Individual Respiratory Patterns Affecting Metabolic Processes and CNS Functions, New York 1979.
[9] Kranich: Anthropologische Grundlagen der Waldorfpädagogik, Stuttgart 1999.

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1427-1337

.

.

VRIJESCHOOL – Is de vrijeschool een antroposofische school? (3-4)

.

over meer spreuken
.

IS DE VRIJESCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL?

Deze vraag stelt Luc Cielen, leerkracht met een zeer lange praktijkervaring waarvan een deel bij de Federatie van steinerscholen in België; het grootste deel op scholen die hij zelf oprichtte en waar hij de vrijeschoolpedagogie op zijn manier en met zijn gezichtspunten in de praktijk bracht.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. zijn praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site LUXIELEN in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

In zijn eerste artikel zegt hij:
‘Is de steinerschool een antroposofische school? In vele opzichten niet, maar de wetenschappelijke vakken zijn wel sterk getekend door de antroposofie. Er is werk aan de winkel om de steinerscholen hiervan te bevrijden. Ik probeer al vele jaren de steinerleerkrachten hiervan bewust te maken, maar dit dringt moeilijk door. Dat Steiner zelf meer dan eens gezegd heeft dat er geen antroposofie in de school mag komen, is een uitspraak van hem die blijkbaar niet gehoord wordt.’ 

Luc is in de reeks van inmiddels 11 artikelen tot de conclusie gekomen dat er ‘een te groot antroposofisch keurslijf’ is waaruit – volgens hem – de scholen zich moeten bevrijden.’

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft veel voorbeelden van wat in zijn optiek antroposofie in het vrijeschoolonderwijs is.

De artikelen dragen alle de naam: Is de steinerschool een antroposofische school?.
Steinerschool is de naam van de vrijeschool in Vlaanderen en in veel Engelssprekende gebieden. In de artikelen waarop ik commentaar heb gegeven, heb ik tot nog toe ‘steinerschool’ vervangen door ‘vrijeschool’, omdat dit meer bij het spraakgebruik in Nederland past.
Voor het 4e artikel  kan dit eigenlijk niet, omdat dit gaat om een typisch Vlaamse situatie.

Hij begint zijn 4e artikel als volgt: (cursief)

In de Vlaamse steinerscholen wordt op het einde van de schooldag deze spreuk gezegd: zie de spreuk in het artikel.

Deze spreuk komt uit het ‘Groene boekje‘ van Lena Struik. De naam van de auteur ontbreekt.
“Is het een ‘antroposofische’ spreuk’, vraagt Luc zich af, om daarna meteen het antwoord te geven door de antroposofische inhoud te verklaren.

De drieledige opbouw: sterren – zon – aarde, met de daarbij horende verbanden met denken – voelen- willen is in elk geval van antroposofische origine, omdat daarmee de drieledige mens, zoals Steiner die ziet, uitgedrukt wordt.
Dit is hetzelfde mensbeeld als in de biologielessen van de vierde klas (groep 6) aan de leerlingen gegeven wordt en bekend is als het ‘sterrenmannetje’.

Nee, Luc, dat is niet hetzelfde mensbeeld als in de dierkundelessen van klas vier. Daar gaat het om het hoofd – denken; romp/borst – voelen; ledematen – willen. En die verbindt Steiner met resp. zon, maan en sterren, niet met sterren, zon en aarde.
Die indeling is hier echt voor rekening van de maker van de spreuk.
Dat neemt niet weg, dat het daarin wél gaat om denken, voelen, willen.
Net als in je vorige artikelen waarin je dit ter sprake brengt, dicht je deze indeling volkomen toe aan Steiner, dus is het antroposofie. Maar, dat heb ik ook n.a.v. die artikelen al eerder gezegd: denken, voelen, willen is een menselijke realiteit – die zit in ieder mens. Dat is geen uitvinding van Steiner: hij beschrijft deze realiteit als geen ander, daarom lijkt het van Steiner. Maar het gaat er niet om wat het lijkt, maar wat het is.

Veel van je verdere uitleg kan ik wel onderschrijven, maar hier:
En in dat middengebied leeft volgens de antroposofie de gevoelswereld met liefde, haat, verlangen, afschuw enz. ga je weer voorbij aan de menselijke realiteit: wij beleven veel van onze gevoelens in hart en longen, d.w.z. in die organen worden ze fysiek beleefbaar. Als je kwaad wordt, stijgt je bloeddruk, als je schrikt kun je heel bleek worden: het bloed trekt zich razendsnel terug uit de periferie. En wat zich in ieder van ons voltrekt – ook in jou – noem je antroposofie en daarvan zou je je willen bevrijden? (????)
‘Geest, ziel en lichaam’ is ook niet typisch iets antroposofisch: de woorden worden op allerlei manieren gebruikt. Neem de film ‘Antonia’. Een van de laatste zinnen luidt:  ( ) ‘omdat ik bij haar wilde zijn op het moment dat het wonder van de dood Antonia’s geest en ziel zou onttrekken aan haar fenomenale lichaam.’

Dit duidelijk drieledige antroposofische mensbeeld wordt in deze spreuk meegegeven aan de kinderen. Zes jaar lang (en in sommige steinerscholen wellicht twaalf jaar lang) wordt deze spreuk bij het einde van de lessen gezegd. In een lagere school zegt een kind dus plusminus 6 x 180 keer deze spreuk: dat is 1.080 keer. En gaat men in de middelbare school hiermee voort dan heeft een kind op het einde van zijn steinerschoolloopbaan niet minder dan 2.160 keer dit antroposofische mensbeeld uitgesproken. Lijkt dit niet op antroposofische indoctrinatie? En mag je een kind dit wel aandoen?

Of het dus zo duidelijk antroposofisch is?
6 jaar lang. Zou kunnen, de spreuk is geschreven voor 6 tot 12-jarigen. Ik kan me niet voorstellen dat je die ook nog na het 12e jaar zou zeggen, dus in je kwantitatieve berekening blijven we toch steken bij die 1080 keer.
Als ook deze spreuk raakt aan wat waar is, waarom zou je gaan tellen hoe vaak iemand die waarheid zou horen. Wat is er mis met het aanhoren van iets waar-achtigs; wat is er mis om iets waar-achtigs uit te spreken?
Evenals in je artikel over de morgenspreuk in de lagere en hogere klassen kom je hier met de vraag of dit geen indoctrinatie is. Het is nog een vraag, maar wel met een retorisch karakter.
Ik antwoordde erop: Nee, voor mij is dit geen indoctrinatie. Wat voor boosaardig voordeel zou ik ervan hebben, kinderen te indoctrineren? Kan ik überhaupt een mens te kort doen als ik hem zie als een goddelijk-geestelijk wezen, als die unieke mens die ik hier op aarde een poosje begeleiden mag?

Je vraag of je dit een kind wel mag aandoen, vind ik zeer subjectief gesteld. ‘Aandoen’ vooronderstelt toch iets ‘naars en gemeens’ enz. De kinderen wordt ook niet opgedrongen dat dit de enige en absolute waarheid is. Er wordt een stemming gecreëerd van vertrouwen en verbondenheid; dit is iets religieus, maar in de ruime, overkoepelende zin.
Rond het 12e jaar begint al een verkenning van andere gezichtspunten waar het gaat om denken over de mens; in de bovenbouw vindt dat op een nog grotere schaal plaats: daar komt Darwin uitvoerig aan de orde, tegenwoordig ook het ‘breindenken’. Ik ben echt niet bang dat leerlingen tekort komen op het gebied van allerlei mens- en wereldbeschouwingen. Het wordt aan de leerling overgelaten wát hij en óf hij daarmee iets wil doen. Hij wordt daar – ook in zijn of juist in zijn latere jaren volkomen vrij in gelaten. Dus hoezo ‘indoctrinatie’?

Begrijp me goed! Ik ben geen voorstander van ook nog een dagafsluitende spreuk: de morgenspreuk lijkt mij genoeg. Sluit liever afwisselend af met een mooi gedicht, een lied, o.i.d. Het gewone leven hoeft ook weer niet te heilig te worden!

Al met al Luc, vind ik ook dit artikel niet overtuigend genoeg – ook omdat het dan kennelijk op Vlaanderen slaat – voor een bewijs dat DE vrijeschool een antroposofische school is.

.
Rudolf Steiner over: de ochtendspreuk

de ochtendspreuk [2]   [3]

Meer commentaren op Luc Cielens artikelenreeks: is de vrijeschool een antroposofische school:

[1-1geschiedenis [1]
[1-2geschiedenis [2]
[1-3] dierkunde
[1-4plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[5] nog meer spreuken
[6] en nóg meer spreuken
[7] het schoollied
[8] atheïst of agnost: kun je dan vrijeschoolleerkracht zijn?
[9jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

.

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

.

1416-1326

.

.