Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Beweging en leren – een onderzoek

.

In de vrijeschooldidactiek is voor ‘beweging’ een belangrijke plaats ingeruimd.
De inzichten in de wordende mens vormen voor deze didactiek en de vrijeschoolpedagogiek de menskundige basis.

100 jaar geleden (en langer terug) toonde Rudolf Steiner al aan dat ‘bewegen’ – d.i. ‘de wil’ een werking heeft op de ontwikkeling van de hersenen.
Van zo’n gezichtspunt kijken we nu niet meer op.

Voor vrijeschoolleerkrachten is absoluut niet nieuw dat ‘bewegen’ het leren bevordert.

Voor onderzoekers – dat geldt internationaal – is het een belangrijk studie-object geworden en zo verschijnen er nu met grote regelmaat artikelen waarin beweerd wordt voor welk ‘leerdoel’ beweging nu weer goed is.

Zo verscheen er in de digitale nieuwsbrief van ‘Step up to learn‘ van 28 juni 2022 een artikel van een studie met de titel:

.

leren met het hele lichaam kan de herkenbaarheid van de letterklank – de eerste stap om te kunnen lezen – een grote impuls geven.

.

Uit dit artikel:
.
Beweging.
Kinderen die bewegen als ze de klanken van de letters leren, gaan beduidend vooruit in hun vaardigheid om losse letterklanken te herkennen.

Dit is de conclusie van een nieuwe studie o.l.v. de Universiteit van Kopenhagen, afd. voeding, training en sport en het Deens Nationaal Centrum voor lezen, i.s.m. 10 schoolklassen in Kopenhagen.
.
Kinderen worden twee keer zo goed bij moeilijke letterklanken
.

Een team van onderzoekers van de Universiteit van Kopenhagen en het Deens nationaal Centrum voor lezen richtte zich erop of ‘leren met het hele lichaam’, bij het lesgeven bekend als ‘embodied learning’, een positief effect heeft op het vermogen van de kinderen om letterklanken te leren.

Ons onderzoek liet zien: kinderen die hun hele lichaam gebruikten om de klank van letters te vormen, werden bij letterklanken die moeilijker te leren zijn daar twee keer zo goed in, vergeleken met kinderen die dat traditioneel moesten leren‘, zegt student Linn Damsgaard van die universiteitsafdeling.

Wat de moeilijke letterklanken betreft, vervolgt ze: ‘In het Deens zitten veel moeilijke letterklanken en deze in het bijzonder zijn belangrijk, omdat als de kinderen er goed in zijn geworden, dat is al gebleken, gaan ze beter lezen.

Aan het project deden 149 kinderen van 5 à 6 jaar mee die net op school zaten.
Ze werden in drie groepen verdeeld: een groep ging staan en gebruikte het hele lichaam om de letterklanken te vormen; een groep bleef zitten en maakte de letterklanken met de armen en handen; en een controlegroep die zittend  traditionele onderwijsinstructie kreeg, waarbij ze de letters met de hand schreven.

De studie toonde ook aan dat leerlingen die moeilijke letterklanken met handbewegingen maakten terwijl ze bleven zitten, er beter in werden dan de controlegroep.

Om de beginnende lezer een zo goed mogelijke start te geven

Profedsor Jacob Wienecke van de afdeling leidde de studie en legt de achtergronden van het project uit:

Het overkoepelende doel is meer te weten te komen over welke methode er gebruikt kan worden om beginnende lezers een goede start te geven. De idee is dat als we door spel en beweging de kinderen op hun niveau kunnen bereiken en waar hun kracht werkelijk ligt – en we kunnen een vorm van lesgeven ontwikkelen dat lezen met spel verbindt – is dat echt positief.’

Eerder toonden de onderzoekers aan dat kinderen gemotiveerder raken als ze lesmethoden krijgen waar lichamelijke beweging bij hoort. Prof. Wienecke hoopt dat dit een mogelijkheid zal gaan geven dat leerkrachten beweging in de vakken hoog in het vaandel gaan dragen.

De studie onderzocht ook of er een direct effect van dit lichamelijke leren gevonden kon worden tijdens door de kinderen gelezen losse woorden. Dit was niet mogelijk, waarschijnlijk door, naast andere dingen, het feit dat de kinderen zich nog in zo’n vroeg stadium van hun leesontwikkeling bevonden dat zij hun kennis van de klankletters nog niet konden overbrengen op leeswoorden. Of, zoals Linn Damsgaard het beschrijft: ‘Als je de noten en het geluid van een fluit leert, dan ben je nog geen meesterfluitist.’

De studie is de eerste ter wereld die het effect onderzoekt van het samengaan van het hele lichaam met het leren van letters en hun klank.
Het is gepubliceerd in Educational Psychology Review onder de titel:

Effects of Eight Weeks with Embodied Learning on 5-6 Years Old Danish Children’s Pre-reading Skills and Word Reading Skills: The PLAYMORE Project, DK

In de studie zelf staat deze illustratie:

Bij het rechterplaatje moest ik onmiddellijk denken aan die keren dat ik mijn leerlingen de klinkers aanleerde, waarbij deze uitbeelding bij de A hoorde. We maakten het gebaar alsof we iets prachtigs meemaakten waarbij de Aaaa’s a.h.w. niet van de lucht waren. Vervolgens zetten we deze A op de grond, dus de gespreide armen met handen naar onze voeten, vergelijkbaar met hier de blauwe benen. Het dwarsstreepje was heel gemakkelijk de zoom van een jurkje. Dus klank en vorm met elkaar verweven.

Wat de R betreft, waren we Reuzen die met hun dikke buik en grote laarzen voortdurend a.h.w. de R uitbeeldden, waarbij we het grappige vers van Hermien IJzerman spraken:

‘Komt een reus, groot en dom,
Met een rug, o zo krom
Met een buik vol en dik,
Staat dan stil
Wat een schrik.

En we hadden nog ‘Roestkop, de reuzenkoning’.

Toen we de S (s- NIET es) leerden, ging dat bijv. met een spraakoefeningetje: ‘sissende slangen sluipen vlug voort’, waarbij de S met een S(langen)-beweging scherp werd uitgesproken.

M.a.w. dit idee van klank en lettervorm tegelijk aanleren is al zo’n 100 jaar als methode in de vrijescholen bekend – maar dat even terzijde.

Ik was natuurlijk heel benieuwd welke bewegingen de kinderen in dit onderzoek hadden gemaakt.
Maar niet verbaasd: het rapport zegt:

de beweging gekoppeld aan de klank S, werd geassocieerd met een slang.’ 
Staccato letterklanken werden uitgebeeld als vlugge en krachtige bewegingen., bijv. “K,” “T,” “P”).

Wie de spraakoefeningen hierop naslaat, ziet dat in de vrijeschool al tijden dit de opvatting is voor deze klanken.
Nu heb ik het nog niet eens over de euritmie waarin de klanken een speciale beweging hebben.

Wat kunnen we daar als vrijescholen nog van leren?:

Die ruim 100-jarige inzichten en praktische ervaring te koesteren, te verzorgen, te verinnerlijken door deAlgemene menskundeen vooral de kinderen de tijd te gunnen op deze manier vertrouwd(er) te raken met klank en lettervorm.
Gelukkig heeft Steiner ons een schat aan gedachten nagelaten:
bijv. voor het leren schrijven en lezen.

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Zintuigen: bewegingszin

Bewegen in de klas

Vrijeschool in beeld: letterbeelden
bewegen in de klas

.

N.a.v. dit bericht reageerde Joep Eikenboom op vrijeschool Facebookgroep:

Een leuk onderzoek, dat weer eens onderstreept wat we al (zouden kunnen) weten.
Er schuilt een gevaar in dat leerkrachten gaan denken dat ze vooral en veel moeten bewegen. Maar het gaat vooral om de afwisseling tussen stilzitten, luisteren, opletten en activiteiten, tussen met je hoofd bezig zijn en bewegen. Onder dat laatste valt ook het werken aan je schrift, aan een kunstzinnige opgave, een knutseltje enz.
Het merkwaardige is, dat stilzitten en denkactiviteiten juist meer lichamelijker maken (incarneren), terwijl bewegen de ziel losmaakt uit het lichaam (excarnerend werkt).
Een ingeslopen gewoonte is het lange bewegen in de ochtend, ooit bedacht als korte opmaat, maar het werkt daarom niet wekkend. De ochtend is voor het hoofdonderwijs, wanneer ‘leer’-stof de hoofdmoot moet vormen. Na de ochtendpauze is de tijd voor de kunstzinnige vakken, voor de vreemde talen en de oefenuren. Na de lunch is voor het bewegingsonderwijs.
In een normaal lesrooster is dat nauwelijks zo in te passen, maar het kan wel een richting geven.
De ochtend te beginnen met een half uur touwtjespringen, hardlopen of juist met het andere uiterste wat je ook veel tegenkost: een half uur stillezen, het vraagt allemaal om nadere beschouwing en brononderzoek.
3e en 4e voordracht van Menskunde en Opvoeding (Ergänzungskurs – GA 302)
.
2811-2638

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Gezondheid, m.n. die van de leerkracht – alle artikelen

.

[1] Burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek.

[2Met vreugde in het nu aanwezig zijn
Joop van Dam
 over: ‘anti’- burn-out: aanwijzingen om naar jezelf te kijken en daar kracht uit te putten; de kracht van de ‘terugblik’; het belang van de gemeenschap; hoe wordt de gemeenschap sterker; hoe sta je als tijdgenoot in het heden.

[3Samen sterker
Lisette Thooft over: boek van Annejet Rümke ‘Als een feniks uit de as‘; analyse van burn-out op de vrijeschool; hoe komt dat, wat is er aan te doen; het individu in de sociale context; de grote verwachtingen door het ideaal.

[4] Kiezen tegen vermoeidheid
Ineke van der Dijn Schouten
en George Maissan over: hoe raken we over-vermoeid? En hoe komt het weer goed; de (on)macht van het Ik; keuzes maken en grenzen trekken.

[5] Hoe ga ik om met m’n energie?
Ineke van der Dijn Schouten en George Maissan over: waardoor verlies je je energie; hoe houd je die op peil; bronnen van energie.

[6] De biografie als medicijn
Suzanne Kruys over: hoe kun je leren zien waarom je ziek bent; hoe zit het met mijn leven; lagen in je levensverhaal; de zingevingscoach.

[7] Waarom word ik ziek?
Jaap v.d. Weg over: wat is ziekte; waar ‘zit’ ziekte; vierledig mensbeeld; ziekte en karma; positief of negatief je ziekte beleven.

.
Geen vreugde en snel moe (Rudolf Steiner Citatensite, 7 september 2019)

Gezondmakend onderwijs voor de kinderen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2804-2631

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Gezondheid, m.n. die van de leerkracht (4)

.

Houd je het vol als (vrijeschool)leerkracht?
Uit eigen ervaring weet ik dat het ‘glijden naar de vermoeidheidsput’ langzaam gaat, het ‘hellend vlak’ is aanvankelijk niet zo steil. Maar ineens is daar toch de rand van het gat en het is geen prettige toestand als je (daar) in(-)stort.
Inzichten als onderstaande en de later genoemde verwijzingen naar ‘burn out’  e.d. kunnen je voor het te laat is, inzicht verschaffen in waar jij je op de helling bevindt.

.
Ineke van der Duijn Schouten i.s.m. George Maissan, huisarts, Weledaberichten nr 167, winter 1995

.

Kiezen tegen vermoeidheid

Het thema vermoeidheid begint, wellicht dankzij de aandacht voor het chronisch vermoeidheidssyndroom , in de publieke belangstelling te komen. Moe zijn wordt niet meer alleen toegeschreven aan zeurkousen en kinderen die geen zin hebben om naar school te gaan. Veel mensen in onze tijd lijden in meer of mindere mate aan vermoeidheid. Hoe komt dat?

In onze cultuur vragen zo veel dingen de aandacht, is er zo veel te zien en te beleven, dat je al gauw tijd tekort komt om alles wat je wilt doen bij te benen. Wat dat betreft kun je onze cultuur omschrijven als een begeerte-cultuur. Met een geweldige honger naar indrukken, naar ervaringen en naar materiële zaken spoeden we ons van hot naar haar.

Bij de meeste mensen is er tot hun vijfendertigste niets aan de hand. De jeugdige kracht is tot die tijd op een vanzelfsprekende manier aanwezig, zij het in afnemende mate. Een drukke baan met veel verantwoordelijkheid, kleine kinderen die het nodige vergen, de voetbal- of tennisclub, het bestuur van de school, invallen voor een zieke collega, je ouders verzorgen, het huis opknappen, het kan allemaal.

Tot de eerste vermoeidheidssymptomen zich aandienen: hoofdpijn, vermoeide ogen, concentratiestoornissen, snel geïrriteerd raken, problemen met inslapen. Het is al heel wat als je dan onderkent dat je in een toestand van constante vermoeidheid bent beland. Vaak gebeurt dat niet en doet zich het eigenaardige verschijnsel voor dat je in plaats van minder, steeds meer hooi op je vork neemt: meer werk, meer hobby’s, meer functies in de vrijetijdssfeer. Zolang je immers maar bezig blijft, voel je niet hoe moe je bent.

Ook komt er dagelijks een grote hoeveelheid prikkels op ons af via de televisie, de computer, de video, maar ook op de weg in de vorm van verkeersborden, reclame-uitingen, lichten en het gedrag van andere weggebruikers. Als je een dag aan de computer hebt gezeten of op de snelweg hebt doorgebracht, heb je eerder de neiging om ’s avonds naar een spannende film te kijken (wat nieuwe prikkels geeft) dan naar een boek te grijpen. Dat komt doordat het ik, de sturende kracht van de mens, de veelheid van indrukken niet meer aankan en zich terugtrekt. Als je oververmoeid bent, neemt het vermogen tot kiezen af. Je ondergaat dan alleen nog maar wat op je afkomt en je bent minder bestand tegen verleidingen. Het is de overprikkeling die een mens allereerst moe, en ten slotte ziek maakt. Dat geldt ook voor mensen onder de vijfendertig. Je kunt het aan kinderen vaak zien als ze de vorige dag een aantal uren tv hebben gekeken of veel computerspelletjes achter de kiezen hebben.

Moeten we dan dus maar alles wat kan opjagen en vermoeien uit ons leven bannen? Weg tv, computer, auto, krant en werk? Nee, want die elementen zijn een onderdeel van ons dagelijks leven. Waar het om gaat, is daarin naar een zekere mate van harmonie te streven, zodat je niet uit het lood raakt.

Harmonie is met je ik het midden vinden tussen twee uitersten. Harmonie zoeken betekent voortdurend keuzes maken tussen het een en het ander. Zelf sta je als oordelende, keuzemakende instantie (als ik) tussen de dingen waaruit je kiest. Wil je de vermoeidheid te lijf gaan, dan zul je dus heel bewust, vanuit je ik, keuzes moeten maken.

Wat betekent dat concreet? Bij fysieke vermoeidheid geldt allereerst: opbouwen door slaap, rust en goed eten. Wie moe is, gaat zich vaak te buiten aan grote hoeveelheden zoetigheid of koffie, omdat dat tijdelijk helpt. Later volgt dan een ‘dip’. Ook bij psychische overbelasting is rust het allerbelangrijkste. Verder helpt het als je streeft naar ritme in de dag- en weekindeling. Wie door de week vroeg opstaat en zaterdags lang uitslaapt om eens goed bij te komen, kan er tot zijn verbazing een katterig, duf gevoel en een dag hoofdpijn aan overhouden. Rust nemen op zondag is belangrijk als je op maandag met gebundelde kracht aan de slag wilt.
Wat ook goed werkt is terugkijken op de week die achter je ligt. Waaraan heb ik mijn tijd besteed? Waar lagen de moeilijke momenten? Welke rustmomenten heb ik ingebouwd?
Op de week die voor je ligt kun je je voorbereiden, zodat de dingen je minder overkomen en je meer greep krijgt op je leven. Een te volle agenda kun je bijstellen en er kan ruimte worden gemaakt voor een ‘gezinsavond’, zodat je niet langs elkaar heen leeft.

Keuzes maken en grenzen trekken is moeilijk. Daarbij ontstaat vaak angst: angst om niet meer mee te tellen, de boot te missen, de verkeerde dingen te kiezen. In de praktijk blijkt die angst meestal ongegrond. Van het maken van eigen keuzes gaat juist een geweldige kracht uit: de beste remedie tegen overmoeidheid!

Bij dit artikel stond deze illustratie van Sonia van der Klift:

.

Gezondheid, m.n. die van de leerkrachtalle artikelen

Gezondmakend onderwijs voor de kinderenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

Geen vreugde en snel moe (Rudolf Steiner Citatensite, 7 september 2019)

Zie ook de artikelen over ‘sociaal gedrag‘ bij Sociale driegeleding (onder nr. 5)

.

.

2803-2631

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 13 (13-6)

.

RUDOLF STEINER
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald*

Enkele gedachten bij blz. 193 – 195 van de vertaling*

.

Ging het in het vorige artikel vooral om ‘de geest buiten ons’, hier gaat het om ‘de geest binnen ons’.

Blz. 192  vert. 193

Wie ist es denn mit der geistigen Arbeit? 

Hoe is dat nu met geestelijke inspanning?

Het blijft natuurlijk lastig om precies voor ogen te hebben wat dit geestelijke nu weer betekent. Je zou hier bijv. ook kunnen vertalen met ‘activiteit van het verstand’, in ieder geval ‘iets mentaals’.
Als Steiner zo dadelijk het voorbeeld ‘lezen’ noemt, weten we al dat het hier ook gaan om ‘voorstellen’, de ‘oude kracht’ zoals dat beschreven wordt in de 2e voordracht.  Bijv. hier.
En we herkennen door die 2e voordracht ook dit:

Mit der geistigen Arbeit, also mit Denken, Lesen und so weiter ist es so, daß sie fortwährend begleitet ist Von leiblich-körperlicher Tätigkeit, von fortwährendem innerem Zerfall der organischen Materie, von Totwerden der organischen Materie. 

Met geestelijke inspanning, met lezen en denken bijvoorbeeld, is het zo dat ze voortdurend gepaard gaan met een lichamelijke activiteit: voortdurend brokkelt er in ons innerlijk organische materie af en sterft af.

Steiner noemt dat nu nog niet, maar ik wil er al graag op wijzen dat we in de vrijeschoolpedagogie dit afsterven proberen af te zwakken door met fantasie, beeldend, les te geven, waardoor er weer harmonie ontstaat of blijft bestaan.
Dat – onder andere – noemt Steiner ‘kunstzinnig onderwijs’.

Dus als het onderwijs in dit opzicht te onevenwichtig wordt:

Wir haben daher, indem wir uns zuviel geistig-seelisch beschäftigen, zerfallende organische Materie in uns.

Wanneer we ons nu met onze geest en ziel te veel inspannen, dan is er in ons organische materie in verval.

Het gaat dus om die spiegelende activiteit uit de 2e voordracht:

Verbringen wir unseren Tag restlos nur in gelehrter Tätigkeit, so haben wir am Abend zuviel zerfallene Materie in uns, zerfallene organische Materie.

Brengen we de hele dag door met louter geleerde bezigheden, dan hebben we ’s avonds te veel dode materie in ons, dode organische materie.

Nu komen we opnieuw bij de slaap uit, maar anders dan in het vorige artikel waar het ging om de slaap die ontstaat door te veel met de ledematen actief te zijn en dat dan weer bij de zgn. (voor de geest) ‘zinloze’ bezigheden.

Die wirkt in uns. Die stört uns den ruhigen Schlaf. Übertriebene geistig-seelische Arbeit zerstört ebenso den Schlaf, wie übertriebene körperliche Arbeit einen schlaftrunken macht. 

Die werkt in ons door. Die verstoort onze rustige slaap. Overdreven inspanning van geest en ziel verstoort de slaap, zoals overdreven lichamelijke inspanning ons slaapdronken maakt.

Maar niet alleen ’s nachts gebeurt er iets, ook overdag al:

Aber wenn wir uns zu stark geistig-seelisch anstrengen, wenn wir Schwieriges lesen, so daß wir beim Lesen auch denken müssen – was ja bei den heutigen Menschen nicht gerade beliebt ist -, wenn wir also zuviel denkend lesen wollen, schlafen wir darüber ein.

Maar het is ook zo dat we, als we ons te zeer inspannen met geest en ziel, als we iets moeilijks lezen en erbij moeten denken — tegenwoordig niet zeer populair — en te veel willen denken tijdens het lezen, dat we er dan bij in slaap vallen.

En als we proberen dit aan ons zelf waar te nemen, kunnen we ervaren dat dit zo is. En hoe reageren onze leerlingen op wat we ze laten horen. Wat zien de bovenbouwleerkrachten wanneer ze hun lessen geven als docent, met te veel accent op ‘doceren’, een tikje overdreven gezegd: wanneer ze maar praten en praten?

Oder wenn wir nicht dem wasserklaren Geschwafle der Volksredner oder anderer Leute zuhören, die nur das sagen, was man schon weiß sondern wenn wir zuhören denjenigen Leuten, deren Worten man mit seinem Denken folgen muß, weil sie einem etwas sagen, was man noch nicht weiß dann wird man müde und schlaftrunken.

Zo is het ook wanneer we niet luisteren naar het doorzichtige gebazel van bijvoorbeeld een volksredenaar of andere lieden die alleen zeggen wat men al weet, maar naar mensen luisteren wier woorden men met zijn denken moet volgen omdat ze iets uitdrukken wat men nog niet weet – dan wordt men moe en slaperig.

Blz. 193 vert. 194

Es ist ja eine hekannte Erscheinung, daß die Menschen, wenn sie, weil es «sich so gehört», in Vorträge, in Konzerte gehen und nicht gewohnt sind, wirklich denkend und empfindend das zu erfassen, was ihnen geboten wird, beim ersten Ton oder beim ersten Wort einschlafen. Sie verschlummern oft den ganzen Vortrag oder das ganze Konzert, dem sie pflichtgemäß oder standesgemäß beigewohnt haben.

Het is een bekend verschijnsel dat mensen die naar voordrachten of concerten gaan omdat ‘dat zo hoort’ en die niet gewend zijn om werkelijk denkend en voelend in zich op te nemen wat hun geboden wordt, dat die bij de eerste toon of het eerste woord in slaap vallen. Ze verslapen vaak de hele voordracht of het hele concert als ze daar alleen vanuit plichts- of standsgevoel zijn heengegaan.

(Wellicht houdt Steiner met deze woorden ook enkele van zijn eigen toehoorders een spiegel voor).

Wat ik hierboven over ‘kunstzinnig onderwijs’ opmerkte, krijgt hier een bredere basis:

Nun, da ist wiederum ein Zweifaches vorhanden. Wie ein Unterschied ist zwischen der sinnvollen äußeren Tätigkeit und der sinnlosen äußeren Geschäftigkeit, so ist auch ein Unterschied zwischen der mechanisch verlaufenden inneren Denk-und Anschauungstätigkeit und zwischen der fortwährend mit Gefühlen begleiteten inneren Denk- und Anschauungstätigkeit.

Nu, daar gebeuren twee dingen. Zoals er een verschil is tussen het zinvol bezig zijn in de buitenwereld en de zinloze bedrijvigheid in de buitenwereld, zo is er ook een verschil tussen het mechanisch verlopende denken en voorstellen in de mens en het denken en voorstellen dat voortdurend met gevoelens gepaard gaat.

Wil je vrijeschoolleerkracht zijn, dan kun je hier niet omheen:

Wird unsere geistig-seelische Arbeit so getrieben, daß wir fortwährendes Interesse mit ihr verbinden, dann belebt das Interesse,  belebt die Aufmerksamkeit unsere Brusttätigkeit und läßt die Nerven nicht im Übermaße absterben.

Spannen we onze geest en ziel zo in, dat we ook voortdurend interesse hebben in wat we doen, dan zet deze interesse, deze aandacht ons borststelsel in beweging, brengt er leven in waardoor de zenuwen niet overmatig afsterven.

En dit geldt m.i. ook voor het model van lesgeven: uitleg – begrijpen – reproduceren: (ofwel het bloedeloos doceren)
Zie bijv ook: voordracht 4.

Je mehr Sie bloß dahinlesen, je weniger Sie sich bemühen, das Gelesene in sich mit tiefgehendem Interesse aufzunehmen, desto mehr fördern Sie das Absterben Ihrer inneren Materie.

Hoe vluchtiger u leest, hoe minder u probeert om dat wat u leest met diepgaande interesse in u op te nemen, des te meer bevordert u het afsterven van materie in u.

En dus ook:

Je mehr sie mit Interesse, mit Wärme alles verfolgen, desto mehr fördern Sie die Bluttätigkeit, das Lebendig-erhaltenwerden der Materie, desto mehr verhindern Sie auch, daß Ihnen die geistige Tätigkeit den Schlaf stört.

Hoe meer u met interesse, met warmte alles volgt, des te meer bevordert u de activiteit van het bloed en het levendig houden van de materie en des te meer verhindert u ook dat de geestelijke inspanning uw slaap verstoort.

Examen

Wenn man dem Examen entgegenbüffeln muß – man kann auch ochsen sagen, je nach dem Klima -, nimmt man eben viel auf gegen das Interesse. Denn würde man nur nach seinem Interesse aufnehmen, dann würde man – nach den heutigen Zeitverbältnissen mindestens – durchfallen. Die Folge ist, daß einem das Büffeln oder Ochsen zum Examen den Schlaf zerstört, daß es in unser normales Menschendasein Unordnung hineinbringt. Das muß insbesondere bei Kindern beachtet werden.

Wanneer men voor een examen moet blokken of de stof erin moet stampen, neemt men veel in zich op tegen zijn interesse in. Zou men namelijk alleen dat in zich opnemen waarvoor men zich interesseert, dan zou men — althans in de huidige situatie – zakken. Het gevolg is dat dat geblok of gestamp voor een examen de slaap verstoort, dat het ons normale leven ontregelt. Dat moeten we vooral bij kinderen in de gaten houden.

Ook op de vrijescholen is het eindexamen vanzelfsprekend geworden. Maar het is niet in een vanzelfsprekende overeenstemming te brengen met de vrijeschoolpedagogie zoals Steiner die voor ogen had.

Nu spreekt hij hier nog over ‘kinderen’ en niet over jongvolwassenen, maar de toets waaraan we onze 6e-klassers onderwerpen, valt m.i. wél binnen deze geschetste ‘examensfeer’.
Zie bijv. ‘leerstress‘.

Daher ist es bei Kindern am allerbesten, und es wird dem Ideal der Erziehung am meisten entsprechen, wenn wir überhaupt das sich aufstauende Lernen, das immer vor dem Examen getrieben wird, ganz weglassen, das heißt, die Examina ganz weglassen; wenn das Ende des Schuljahres geradeso verläuft wie der Anfang. 

Voor kinderen is het het allerbeste – in een ideale opvoeding – wanneer we vermijden dat het in korte tijd veel moet leren, zoals voor een examen. Dat betekent dat we de examens helemaal weglaten. Dan verloopt het einde van het schooljaar precies als het begin.

In het Nederlandse onderwijsveld gaan telkens stemmen op om te breken met de toetsgewoonte. Er zijn niet veel stemmen van vrijeschoolleerkrachten bij.
Steiners woorden in deze 13e voordracht hebben daar helaas niet voor kunnen zorgen. Terwijl ze toch duidelijk genoeg zijn:

Wenn wir uns als Lehrer die Verpflichtung auferlegen, uns zu sagen: Wozu soll denn das Kind geprüft werden? Ich habe das Kind ja immer vor Augen gehabt und weiß ganz gut, was es weiß oder nicht weiß. 

Dan nemen we het als leraar op ons om te zeggen: waarom moet het kind geëxamineerd worden? Ik heb het kind de hele tijd meegemaakt en weet heel goed wat het weet of niet weet.

Het is begrijpelijk dat Steiner nog voorzichtig moet zijn: alles is nieuw en er moet nog zoveel!
Maar na ‘100 jaar vrijeschool’ zouden we m.i. veel verder moeten zijn!

Natürlich kann das unter den heutigen Verhältnissen vorläufig bloß ein Ideal sein, wie ich Sie überhaupt bitte, nicht Ihre Rebellennatur zu stark nach außen zu kehren. Kehren Sie zunächst dasjenige, was Sie vorzubringen haben gegen unsere gegenwärtige Kultur, wie Stacheln nach innen, damit Sie langsam dahin wirken – denn auf diesem Gebiet können wir nur langsam wirken -, daß die Menschen anders denken lernen, dann werden auch die äußeren sozialen Verhältnisse in andere Formen eintreten, als sie jetzt sind.

Natuurlijk kan dat in de huidige situatie voorlopig slechts een ideaal zijn. Ook wat dit betreft verzoek ik u zich niet al te rebels te gedragen. Richt u alle stekels die u opzet tegen onze huidige cultuur eerst maar eens op uzelf, opdat u er langzaam aan werkt dat de mensen anders leren denken – want op dit gebied kunnen we niet anders dan langzaam werken. Dan zullen ook de uiterlijke sociale omstandigheden andere vormen krijgen dan nu.

En dan tot slot nog een keer een korte samenvatting van de hele voordracht:

Aber man muß alles im Zusammenhang denken. Man muß wissen, daß Eurythmie, von Sinn durchzogene äußere Tätigkeit, Vergeistigen der körperlichen Arbeit, und Interessant machen des Unterrichts in nicht banaler Weise, Beleben – wörtlich genommen -, Beleben, Durchhluten der intellektuellen Arbeit ist.

Maar men moet alles met alles in verband zien. Men moet weten dat men de intellectuele inspanning verlevendigt — letterlijk tot leven brengt — door het onderwijs interessant te maken, op een niet banale wijze; dat is het doorbloeden van de intellectuele bezigheden. En men moet weten dat lichamelijke inspanningen worden vergeestelijkt door euritmie, door uiterlijke activiteit die van zin vervuld is.

Wir müssen die Arbeit nach außen vergeistigen; wir müssen die Arbeit nach innen, die intellektuelle Arbeit, durchbluten! Denken Sie über diese zwei Sätze nach, dann werden Sie sehen, daß der erstere eine bedeutsame erzieherische und auch eine bedeutsame soziale Seite hat; daß der letztere eine bedeutsame erzieherische und auch eine bedeutsame hygienische Seite hat.

We moeten ons werken in de buitenwereld vergeestelijken en ons werken naar binnen, het intellectuele werk, doorbloeden. Denkt u over deze twee zinnen na, dan zult u zien dat de eerste zin een belangrijke opvoedkundige en sociale kant heeft en dat de tweede een belangrijke opvoedkundige en hygiënische kant heeft.

.

Toetsen: alle artikelen

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde voordracht 13alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2800-2628

.

.

.

.

.


.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – de intelligentie van de handen [5-2]

.

Op deze blog plaatste ik in 2013 een vertaling van een artikel van E-M. Kranich: ‘De intelligentie van de handen‘ dat verscheen in het blad van de Duitse vrijescholen ‘Erziehungskunst’.
In de afgelopen 10 jaar is er nog weer meer bekend geworden over de samenhang van ‘ledematen en breinactiviteit.
In 2013 verscheen ook een studie over ‘hoe breinvriendelijk het vrijeschoolonderwijs‘ is. 

‘De intelligentie van de handen’ is het thema van Erziehungskunst van juli 2022

.

Henning Kullak-Ublick, Erziehungskunst Juli 2022

.

het hoofd heeft handen en voeten nodig
.

De voeten van Lisa verbazen zich sinds deze op blote voeten uit de auto is gestapt. Ze voelen iets koels, vettigs, vochtigs, zachts, op de een of andere manier iets ongewis. Dan vaster, puntiger, naaldachtig, warmer, steenachtig, dan weer zachter, droog, oneffen, ruw, warm, scherper omlijnd, a.h.w.
Onnoembaar vele contacten. En dan: ‘Oeps’, heet!’ en het hoofd geeft het signaal aan Lisa: ‘Lopen! Snel! Weg! Daar is het zachter, koel en nat…’
De voeten van Lisa hebben haar over de weg van de parkeerplaats over de bodem van het bos verteld, over de hete zomer en over het natte zand bij eb. Natuurlijk weet ze alleen wat haar voeten zeggen, omdat ze daarvoor begrippen heeft, maar zonder de informatie van haar voeten zou ze de vele begrippen niet eerst hebben kunnen vormen. Om te begrijpen heeft ze die nodig.

Lisa heeft ook nog twee handen en die behoren zonder twijfel tot de grootste wonderwerken van de evolutie.  Alleen degene die de hand begrijpt, kan de mens begrijpen. De tastzin, warmtezin, evenwichtszin en ‘kinesthetische zin‘, waarmee wij onze eigen bewegingen gewaarworden, zagen we al leren bij wat Lisa’s  voeten deden. In haar handen werkt dat nog veel diepgaander: omdat ze daarmee de wereld meteen voelt en actief vormgeeft, ontstaat er….intelligentie.

Wat vertelt dit meest gedifferentieerde bewegingsorgaan dat er eigenlijk bestaat, over ons zelf? Wat bij het schouderblad met de bovenarmbeenderen begint, wordt elleboog, met de ellepijp en spaakbeen die tot in het handgewricht in steeds fijner gedifferentieerde vingerkootjes verdeeld raken. Door de vele gewrichten, pezen en spieren zijn de armen en pas echt de handen niet tot enkele bewegingen beperkt, maar deze kunnen zich pas echt vrij bewegen. Het verschil met de dieren is dat wij onze duim over de andere vingers heen kunnen bewegen en zo kunnen wij niet alleen voorwerpen krachtig beetpakken, maar ook voorzichtig vastpakken en behandelen.

Als zuigeling al tastte Lisa met haar handjes om zich heen en ervoer daarbij de grens tussen zichzelf en de wereld. Ze leerde met haar vingertjes steeds genuanceerder te voelen wat deze over de aard van de dingen te vertellen hebben. Stap voor stap gaf de tastzin haar een bewustzijn van de wereld die om haar heen is. En terwijl haar ouders haar met hun handen vasthielden, op ontelbare manieren aanraakten, aankleedden, streelden of optilden, was er steeds een ontmoeting met haar ‘Ik’, dat bij al deze aanrakingen aanwezig en actief was. Tastend ervoer Lisa dat er een wereld is en zijzelf.

Slaapt u nog of breit u al?

De werkwijze van het moderne hersenonderzoek geeft in beeld gebracht er een gedifferentieerd beeld van hoe nauw het gebruiken van onze handen, van onze fijne motoriek en de ontwikkeling van de hersenen met elkaar verweven zijn. Als ‘neuroplastisch orgaan” ontwikkelen de hersenen zich in overeenstemming met alles wat wij met ons gevoel of lichamelijk doen, steeds verder. 
Italiaanse onderzoekers konden al na twintig minuten wat pingelen op een piano neurale veranderingen zien bij hun proefpersonen. En nadat twaalf personen die nog geen les hadden gekregen tien dagen lang, steeds 35 minuten hun tweehandige vingervlugheid op een keyboard hadden geoefend, vormden zich tussen hun linker- en rechterhersenhelft nieuwe verbindingen, zodat de rechtshandigen links en de linkshandigen rechts handiger werden. Beide helften werkten van toen af beter samen.

Op de vrijescholen leren de kinderen in de eerste klas al breien, in de tweede haken. De handen ontwikkelen bij deze activiteit een buitengewone intelligentie, omdat die uiterst gecompliceerde fijn-motorische bewegingen van de rechterhand precies afgestemd moeten worden op die van de linker zodat de ene steek op de andere volgt en er op het eind een mooi regelmatig breiwerk ontstaat. De handen worden intelligent. Eerst is er de wil om met de handen uit te voeren wat de leerlingen als eerste zich voorstellen, wat ook weer met tussenstappen op de hersengebieden, zoals de prefrontale cortex zijn invloed heeft, waar ons kennen complexe samenhangen vertoont. Wanneer een kind bij het breien leert om de gecompliceerde bewegingen van de rechterhand op de bewegingen van de linker af te stemmen, werkt het tegelijkertijd aan zijn wil en aan zijn hersenstructuren.

Rudolf Steiner beschreef deze samenhang een halve eeuw voor deze empirisch kon worden vastgesteld, op deze manier: ‘

Wanneer je weet dat ons intellect niet alleen maar gevormd wordt door direct met intellectuele vorming te beginnen, wanneer je weet dat iemand met onhandige vingers, niet zo’n goed intellect heeft, weinig beweeglijke ideeën en gedachten, terwijl degene die zijn vingers handig kan bewegen, in kan gaan op het wezenlijke van de dingen, dan zal je niet onderschatten wat het betekent de uiterlijke mens te ontwikkelen met het doel dat door met de uiterlijke mens dingen te doen, het intellect als gevolg zich ontplooit. [GA 301 blz. 80, op deze blog vertaald]

Zoals bij pianospelen is het oefenen van een nieuwe techniek een uiterst moeilijk proces dat vooral in het begin een hoge mate van aandacht vereist. 
Lisa moest zich eerst een voorstelling maken van wat ze wil doen en hoe ze daarbij haar handen moet bewegen. Haar voorstelling moet ze dan met haar wil tot in de vingertoppen brengen. Terwijl ze dat doet, tast en voelt ze zorgvuldig wat haar vingers tevoorschijn toveren – schoolt zo ook haar tast- en bewegingszin. Als Lisa al breiend een complexe samenhang creëert, werkt ze tegelijkertijd intensief aan haar wil en aan haar hersenstructuur.

Internet als neuronaal netwerk

Een blik op een heel ander net maakt het belang van de vakken handenarbeid en handwerken voor de toekomst van de kinderen van nu nog duidelijker: het internet heeft zich als een reusachtig neuraal netwerk over de hele wereld verspreid en verovert steeds meer gebieden van ons leven. Met tot op het minimale gereduceerde vinger- en ogenbewegingen kunnen wij in delen van seconden op een wel haast onuitputtelijke bron aan informatie teruggrijpen.
Concentratie wordt overbodig, omdat wij bij ieder trefwoord een enorm aanbod aan associaties – links – aangeboden krijgen die vandaaruit weer naar iets anders leiden enz. Ook dat werkt onmiddellijk door op ons brein, op ons kunnen, op onze wil, omdat vermogens die we niet benutten, verkommeren.

Het kenmerkende van het wonderbouwwerk hersenen is dat het door onze activiteit gevormd en verder ontwikkeld wordt. Terwijl Lisa breit, worden de complexe processen in haar hersenen afgedrukt die ze eerder zich heeft voorgesteld en met haar handen uitwerkt. Ze smeedt aan haar intelligentie en kan op volledig onverwachte situaties in het leven erop vertrouwen dat ze de samenhangen kent en vorm kan geven. Of ze deze intelligentie gebruikt bij natuurwetenschap of het doorzien van ecologische of economische samenhangen of voor andere mensen, is niet zo wezenlijk. Belangrijk is dat ze daadwerkelijk leert hoe je intelligent wordt. 
De intelligentie van de handen wordt voor de generatie van de ‘digital natives’ [jongeren die van kinds af aan zijn opgegroeid met online technologie. Geboren in het digitale tijdperk van computers, videospelletjes en het internet, zijn zij de ‘native speakers’ van de digitale taal.] een vraag voor het leven. Die vraag helpt hen, midden in de niet ophoudende informatiestroom, een actief middelpunt te creëren. Die vraag verbindt ons hoofd met de werkelijkheid en laat het gezond worden.

Het mooie breiwerk ontstaat omdat Lisa het steek voor steek opbouwt. Ze wil – en leert als beloning, denken.
In de »Anthroposophischen Leitsätzen«[GA 26] [Kerngedachten van de antroposofie] die Rudolf Steiner ons naliet, schreef hij kort voor zijn dood:

183 In het natuurwetenschappelijke tijdperk dat rond het midden van de negentiende eeuw begint, glijdt de cultuuractiviteit van de mensen geleidelijk af, niet alleen naar de onderste gebieden van de natuur maar onder de natuur. De techniek wordt ondernatuur.

184 Dat vereist dat de mens innerlijk een geestelijk inzicht ontwikkelt, waarmee hij zich even hoog in de bovennatuur verheft als hij met zijn ondernatuurlijke technische activiteit onder de natuur wegzinkt. Daardoor schept hij in zijn innerlijk de kracht om niet weg te zinken.’

De voor een deel remmende werkingen van (on-)sociale media zijn een tamelijk sterke aanduiding van dit potentiële wegzinken van de cultuur.

Het versterken van een actief innerlijk geestelijk inzicht’ begint zonder twijfel door het ernstig nemen van ons lichaam voor het inleven, begrijpen, ervaren van de wereld doordat wij met name onszelf eerst als zelfverantwoordelijk handelende, meevoelend en denkende mens (subject) kunnen zien.

Het is interessant dat ook het moderne cognitieonderzoek in toenemende mate spreekt over ‘embodied cognition’ [‘Belichaamde cognitie’ is de theorie dat vele kenmerken van cognitie, al dan niet menselijk, worden gevormd door aspecten/eigenschappen van het gehele lichaam van het organisme] dus de betekenis van het lichaam voor een begrijpen van de wereld dat op handelen betrokken is.
De psychiater en filosoof Thomas Fuchs heeft het in een zeer lezenswaardig boek ‘Verteidigung des Menschen‘ [verdediging van de mens] zelfs over het nieuwe paradigma van een ‘humanisme van de actieve, belichaamde geest’. 
De intelligentie van de handen, eigenlijk ons hele lichaam, is tot een existentiële vraag geworden die niet alleen maar voor het begrijpen van het leren, maar voor ons mensen zelf steeds belangrijker wordt.
Alleen als een belichaamd wezen kunnen we onze vrijheid winnen.

Deze tekst verscheen in een eerste versie van het boek »Jedes Kind ein Könner« von Henning Kullak-Ublick, Verlag Freies Geistesleben, Stuttgart 2017.

Auteur: Henning Kullak-Ublick, *1955, Waldorfpedagoog und auteur,Lid van de Haager Kreises – Internationale vergadering voor Steiner Waldorfpedagogiek – en spreker toezichthouder van de Freunde der Erziehungskunst Rudolf Steiners e.V.

.

Rudolf SteinerAlgemene menskunde

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2792-2620

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (6-3/2)

.
Zie de inleiding bij een artikel over de kwaliteit van de aarde. Die is in zekere zin in deze tijd problematisch; dit geldt ook voor de lucht. Het kan haast niet anders of die problematiek zal in een 7e (of hogere) klas aan de orde (moeten) komen. Niet om de leerlingen met een negatief wereldbeeld op te zadelen, maar juist om vanuit een ‘puur beschouwde kwaliteit’ een gevoel op te roepen voor wat juist, althans beter is, voor hun toekomst.
.

Peer de Smit, WeledaBerichten nr. 154, september 1991

.

LUCHT: ELEMENT TUSSEN “NIET MEER” EN “NOG NIET”
.

In het vorige nummer van de Weleda Berichten is Peer de Smit begonnen met een serie artikelen over de vier elementen. Zijn eerste bijdrage ging over het water als levensdrager. Zijn tweede artikel gaat over het element lucht dat door zijn onzichtbaarheid nog vanzelfsprekender als een gegeven aanvaard wordt, maar in zijn ritmisch pulseren een zeer gevoelig organisme vormt en als een steeds kostbaarder wordende bron van alle leven moet worden gezien.

Waar we ook zijn, waar we ook heen gaan, wij worden door lucht omgeven en doordrongen. Wij leven in lucht en ademen haar in; ze houdt ons in leven. Ons bewustzijn vindt zijn basis in de ritmische afwisseling van inademing en uitademing; al ademend ervaren we onszelf als bezielde wezens.
Jahweh blies de mens eens zijn levensadem in en wekte het ik-bewustzijn, zo vertelt ons de Hebreeuwse mythe.
Pneuma in het Grieks, Atma in het Indiaas en Odin in het Germaans duidden zowel lucht als adem, en ook de goddelijke Geest die daarin werkzaam is, aan. In beweging gebrachte lucht is een van de belangrijkste elementen bij het ontstaan van het weer. Het is een complex van rondom de aarde pulserende en circulerende stromingen die op elkaar inwerken en waardoor we op de meest directe manier met de aarde als geheel zijn verbonden. Onze gezondheid hangt af van lucht en weersgesteldheid. Ze beïnvloeden onze gemoedstoestand en zijn zelf uitdrukking van een zielenstemming. Processen in de atmosfeer enerzijds en de ademhaling waarin onze zielenroerselen zich uiten anderzijds, vertonen een verwante dynamiek**. 

De lucht is een rijk van het vluchtige en het onbestendige; een gebied tussen “niet meer” en “nog niet”; een medium van de tegenwoordigheid van de geest. Wat “in de lucht hangt” kan elk moment zichtbaar worden. De toekomst is bij ons als gevoel van verwachting al in de luchtsfeer aanwezig. Maar ook het verleden dat ons niet meer aangaat, klinkt erin na. De lucht is wat betreft het principe van haar innerlijke structuur geheel gebaseerd op polaire drijfkrachten. Lucht ontwikkelt haar dynamiek tussen warm worden, afkoelen, uitzetten en samentrekken. Ze wordt gekenmerkt door zeer grote flexibiliteit en vormbaarheid, impulsiviteit en zelfs explosiviteit. Een zichtbare uiting van dit rijk dat zich eeuwig vormt en omvormt, is de dramatiek van de wolkenlucht waartoe niet alleen donder en bliksem, maar ook het etherische wonder van de regenboog behoren. Nooit zijn we meer met het luchtelement verbonden, dan wanneer in de zomer de geur van bloemen de atmosfeer vervult en de verwarmde lucht ons met lichaam en ziel naar buiten lokt. Lucht is het element van de lichtheid, dat ruimte geeft aan dansbewegingen. In beweging gebracht, laat de lucht ons tonen en klanken horen. De taal, die door lucht gedragen wordt, gaat van ziel tot ziel. Of het nu gaat om onaangename of welluidende klanken, om stank of welriekende geuren: wat ons via de lucht bereikt, dringt diep bij ons naar binnen. En toch willen we ons niet geheel op het element lucht verlaten. Wat “uit de lucht gegrepen is”, zo zeggen we, “zit niet goed in elkaar” en zal snel weer “vervliegen”. Een zaak die “alleen maar lucht is”, zo krijgen we dan te horen, kan net zo min een betrouwbare basis zijn als de spreekwoordelijke “luchtkastelen”, waar luchthart en windbuil komen en gaan. Zonder lucht zou er geen lied, geen bevrijdend gezang zijn. Zonder luchtige invallen geen nieuwe impulsen, geen verandering. We hebben een luchtige sfeer nodig om beweeglijk te blijven en te veranderen. We hebben het bevleugelende element nodig om de zwaarte van het aardse leven aan te kunnen.

*Peer de Smit: geboren in 1953 in Mannheim. Ooit schipper op de Rijn tussen Basel en de Noordzee. Later toneelopleiding in Zürich. Hoofdzakelijk geëngageerd bij het “Schauspielhaus” in Zürich. Thans in de omgeving van Stuttgart actief als schrijver en toneelspeler.

.

**Zie bijv. Algemene menskunde  voordracht 1

7e klas: voedingsleer: alle artikelen

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2787-2615

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (72)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

.

zomer

Dit boek heeft geen tekst, maar wél mooie illustraties waarop van alles is te zien. Weer een goed voorbeeld van een boek dat zich uitstekend leent om met het jongere kind, de peuter, al vertellend, je fantasie de vrije loop te laten. Je kan van alles aanwijzen en laten (her)benoemen: een weldaad voor de woordenschat en dus taalontwikkeling.
Een jongen en meisje laten een bootje varen; ze spelen op het strand.

Gerda Muller

Uitgeverij Christofoor

Boek

Leeftijd: v.a. 3jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2786-2614

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (37)

.

KREEFT

Van afbeeldingen uit Egyptische tempels weten we dat de Egyptenaren op de plaats van ons dierenriemteken Kreeft hun heilige kever Scarabaeus zagen die ze op ontelbare amuletten, zegels e.d. afbeeldden. Voor hen was het een bijzondere vorm waarin de zon verscheen en als een symbool van vernieuwing.
De oude Grieken zagen in dit sterrenbeeld de kreeft die de godin Hera aan Herakles (→ Herakles) schonk terwijl deze met de Lernaïsche slang vocht (→Hydra).
Koning Eurystheus had de held Herakles als tweede opdracht gegeven de slang van Lerna te doden. In het begin vocht Herakles tevergeefs met het negenkoppige slangenmonster. Voor elke kop die hij eraf sloeg, groeiden er uit de bloedende wond twee of drie nieuwe en de held had al zijn aandacht nodig om de giftige beten af te weren.
De godin Hera was Herakles vanaf zijn geboorte slecht gezind. Ze vervolgde hem, omdat hij een zoon van haar echtgenoot Zeus was uit een verbinding met een sterfelijk wezen. Maar alle hindernissen die zij Herakles in de weg legde, bleken voor hem beproevingen van zijn kracht en versterkten zijn zelfvertrouwen. Zo ging het ook met de strijd tegen de Hydra van Lerna. Hera wilde hem bij de Hydra afleiden, zodat hij een ogenblik niet goed zou opletten, zodat deze hem dan een dodelijke beet zou kunnen geven. Ze liet uit het moeras een grote kreeft tevoorschijn komen die van achter op de held toeliep en hem met zijn scharen in zijn hiel kneep. Herakles draaide zich echter niet naar de kreeft om, wat de bedoeling van Hera was, maar vertrapte hem door met een geweldige stamp van zijn voet naar achter uit te halen. Het zou Hera geweest zijn die de kreeft als sterrenbeeld vereeuwigd heeft.

Voor de Romeinen was de open sterrenhoop Praesepe een kribbe vol hooi waar twee ezels bij stonden, de zuidelijke en de noordelijke ezel en die sterren heten nu ook nog zo. Krib en ezel zouden door Zeus tot sterren zijn gemaakt. Waarom, dat weten we niet.

Het is opmerkelijk dat er niet meer legendarische verhalen over het sterrenbeeld Kreeft bestaan. Misschien wel omdat zijn sterren niet zo opvallen. 
Wanneer we mogen aannemen dat het fixeren van de sterren niet toevallig is, maar vanuit een hogere wijsheid plaatsvond, dan komen we het geheim zeker op het spoor, wanneer we ons nog meer bezighouden met de kreeft als dier. 
We willen daarom hierna een paar gedachten over het karakteristieke van de kreeft toevoegen, zodat ons het sterrenbeeld vertrouwder wordt.

De kreeft leeft in het water en ademt door kieuwen als een vis. Af en toe zwemt hij ook, maar overdag houdt hij zich liever schuil in zijn hol onder een steen of een soortgelijke schuilplaats en pas als het duister begint te worden gaat hij op zoek naar voedsel. Tientallen jaren geleden waren onze beken, rivieren en zeeën rijk aan kreeften. Wie tegenwoordig een kreeft wil waarnemen, moet nu naar een dierentuin. 
Als je een kreeft voor je hebt, valt allereerst zijn pantser op. Dit omsluit het dier als een harnas. Kop en borstdeel zijn star, terwijl het achterdeel samengesteld is uit beweeglijke ringen. De lange voelsprieten tasten al het onbekende af. Slechts langzaam beweegt de kreeft zich met zijn buigzame poten voorwaarts, de grote scharen als een wapen voor zich uit. 
Als er een vijand nadert of ander gevaar dreigt, trekt de kreeft zich onmiddellijk in een schuilplaats terug. Dat is een wezenlijk kenmerkend verschil met het gedrag van vissen. Die richten zich voortdurend op het stukje wereld dat ze voor zich hebben en laten de wereld achter zich voor wat die is. Kreeften daarentegen, bewegen zich voorzichtig voorwaarts, houden hun scharen in de aanslag en vluchten zo snel als mogelijk in blind vertrouwen terug naar de wereld achter hen. 
Ook het sterrenbeeld Kreeft beweegt zich aan de hemel schijnbaar teruggaand.
Het ademhalingsproces van  de kreeft en de vis is verschillend. Het ademwater van de kreeft stroomt door een spleet aan de achterkant van het borstpantser naar binnen en voor bij een opening dichtbij de kop weer naar buiten. De ademstroom bij de vis laat zich vergelijken met onze inademing, die van de kreeft met ons uitademen, want hij stoot zijn adem naar voren weg. 
Om te groeien verwisselt de kreeft van tijd tot tijd van huid, hij moet zijn stijve pantser afleggen. Dit wijze proces gaat zo: de kreeft gaat vasten waardoor zijn pantser losser komt te zitten. Tegelijkertijd zet hij vanuit zijn huid kalk af in een daarvoor bestemde ruimte in zijn maag en slaat dat daar op. Dat duurt zo lang, tot er in het borstpantser een scheur ontstaat. Nu bevrijdt het dier zich uit zijn behuizing en houdt zich een tijd verborgen, want zonder pantser is het volledig weerloos. In deze tijd groeit de kreeft en vernieuwt de afgebroken delen. Dan zet hij in zijn huid weer kalk af, bouwt een nieuw pantser om zich heen en leidt zijn leven weer als vanouds. 
Wat een merkwaardig wezen is de kreeft toch! Op aarde en als sterrenbeeld!
.

Zo                                                                   z                                                         zw
febr.   1    24°°u                                   mrt.    1   22°°u                             apr.  1  21°°u*
          15   23°°u                                              15  21°°u                                     15  20°°u*

*zomertijd

De zwak schitterende sterren van het sterrenbeeld Kreeft zijn alleen bij een heldere sterrenhemel buiten de grote stad te zien. We vinden het tussen het sterrenbeeld van de Leeuw en dat van de Tweelingen in maart hoog aan de hemel in het zuiden, in april in het zuidoosten en in mei naar het westen toe dalend, alles aan de avondhemel.

Namen van de sterren:

Acubens (Arabisch) = schaar (van de kreeft)
Asellus Australis (Latijn) = zuidelijke ezel
Asellus borealis (Latijn) = noordelijke ezel
Presepe (Latijn) = kribbe

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen.

.

2783-2611

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Jan (36)

.
Dieuwkje Hesselsholkamp, via Facebookgroep vrijeschool, juni 2022

.

het sint-jansfeest en de zomerzonnewende

.

Ik ben de moeder zon en draag
de aarde bij nacht, de aarde bij dag.
Ik houd haar vast en schenk haar licht,
dat alles op haar groeien kan.
Steen en plant, mens en dier,
alles ontvangt zijn licht van hier.
Doe open je hart als een beker klein,
laat mijn licht ook daarbinnen zijn.
Doe open je hartje, mijn kindekein,
dat wij tezamen één licht mogen zijn.
Ik ben de moeder zon.

Christian Morgenstern

Het Sint-Jansfeest en de zomerzonnewende

De zomerzonnewende wordt steeds vaker weer gevierd en daarom wil ik je
hier iets meer over vertellen. Op 24 juni wordt onder andere op de vrijeschool het Sint-Jansfeest gevierd. De geboortedag van Johannes de Doper wordt herdacht. Van andere heiligen wordt de sterfdag gevierd, maar niet van Johannes. Zijn geboortedag valt net na de zomerzonnewende (21 juni), maar
dat is niet altijd zo geweest.
Voor de invoering van de Gregoriaanse kalender vielen die dagen samen. Johannes was een man die dicht bij de natuur leefde en een zeer groot/hoog geestelijk wezen was. Hij was de wegbereider van Christus. Hij doopte Christus in de Jordaan, terwijl een duif neerdaalde op Zijn hoofd. Het was het begin van de drie jaren dat Christus preekte en genas.
Johannes sprak de legendarische woorden: ‘Ik moet afnemen, Hij moet
groeien.’ Daarin geeft hij zowel het geestelijke aspect weer (zijn geest en
invloed werden kleiner), als het proces dat zich in de natuur laat zien.
Eigenlijk is het Sint-Jansfeest een samensmelting van het oude Germaanse
midzomerfeest met de christelijke heiligendag. Het Sint-Jansfeest staat
tegenover het kerstfeest, waarbij we de geboorte van Christus en de
winterzonnewende vieren. Bij het oude Germaanse feest op 21 juni – de
langste dag- werden vuren ontstoken ter zuivering en braken er magische krachten los. Men verzamelde geneeskrachtige kruiden voor het komend jaar. In spiritueel opzicht werd het zware aardse verheven zodat de ziel met
zijn vleugels naar de zon (zonnegeest) kon vliegen (en in extase kon raken). Rond de zomerzonnewende is de atmosfeer van de aarde groter. De mensen en vooral de druïden ervoeren dat het geestelijke dichterbij was. Letterlijk door in contact te komen met die geesten en het hogere, maar ook via de (extra) krachtige werking op dat moment van dromen en de geneeskrachtige kruiden. De feesten waren een uitdrukking van het extatische buiten zichzelf raken van de menselijke ziel in de zomer. Maar het gebeurde allemaal in een ‘dromerige’ sfeer. De mens was toen namelijk nog niet wakker.
In deze tijd zijn de mensen en kinderen erg wakker en verbonden met de aarde, maar wij kunnen nog wel iets merken van die extatische zomersfeer. Het vuur kan ons doen inspireren en ontvlammen. Als dat met bewustzijn gebeurt,
kunnen we als mens groeien, maar als dat zonder bewustzijn gebeurt, kunnen er letterlijke en figuurlijke branden ontstaan. Dat laatste zagen we bij het uitbreken van WO I en ook bij zomerse schietpartijen. Positief kunnen wij nieuwe
krachten opdoen, geïnspireerd en zelfs buiten onszelf raken. Wij reizen en verlaten daarmee letterlijk ons huis en zijn in de zomer veel buiten. We zijn wat soezerig van de warmte, dromerig en zijn daardoor figuurlijk uit ons huis
(lichaam). Dat is niet helemaal de bedoeling. Geniet van de zomer, maar blijf wakker en bij jezelf. Zeg ook tegen de uitgelaten of dromerige kinderen: ‘Pas op!’ (Bijvoorbeeld buiten op straat), want ze letten zelf niet op.
De zon is steeds hoger geklommen aan de hemel en alles in de natuur heeft zijn hoogtepunt bereikt. Letterlijk doordat de planten vaak niet hoger worden en ook de bloemenpracht is nu op zijn mooist.
Na 21 juni worden de dagen weer korter en de nachten langer. Het zomerhoogtepunt is ook een ommekeer en dat is in de natuur waar te nemen; de
bloei en groei neemt af en de vruchten beginnen te rijpen. Grassen en granen worden geel.
Er is een oud gezegde dat luidt: ‘Met Sint-Jan draait het blad zich om.’ Dit geeft die langzame verandering in de natuur weer. Rond de zonnewende bloeit ook het gele en genezende sint-janskruid. Dat wonden geneest en als supplement helpt bij (milde) depressieve klachten en slapeloosheid, maar het kan niet altijd ingezet worden (even check voor gebruik dus)!
Het Sint-Jansfeest is op de vrijeschool een laatste uitspatting voor de zomervakantie begint. Het is een buitenfeest met zang, muziek, volksdansen, spelletjes, bloemenkransen, vuurspringen en een picknick (met drie in de pan en
vlierbloesemsiroop). Op de vrijescholen wordt er vanaf de eerste klas over het vuur gesprongen, niet alleen omdat het kind hier jaren naar uitkeek en het spannend, nu pas verantwoord en leuk is, maar ook om in de warmte van het
vuur opgetild en geïnspireerd te worden. Voor de volwassen zijn de jaarfeesten ook een mogelijkheid om te groeien.
Dit feest is er een van innerlijke groei: Verbinden met het geestelijke zonder jezelf te verliezen. De vrucht, die zich vormt, vasthouden zodat je in de herfst – als je weer tot en in jezelf gekomen bent- kunt
oogsten. – http://www.antroposofiekind.nl

Sint-Jan, die komt er an!

23 juni 2015 Jaarfeesten [Naomi Rowaan : Antroposofisch leven.]

Het jaarfeest van Sint-Jan
Sint-Jan wordt gevierd op 24 juni; het valt samen met de zomerzonnewende en het is het laatste jaarfeest dat op vrijescholen gevierd wordt voor de zomervakantie begint.
Maar wie was Sint-Jan, en waarom vieren we dit feest? Dit stuk gaat in op de eeuwenoude geschiedenis en de gebruiken van Sint-Jan.

Oogst en blijdschap

Sint-Jan is op de vrijescholen een van de uitbundigste jaarfeesten.
Kinderen dragen veelal wit of wit met rode kleding*, en dossen zich uit met
grote gevlochten kransen gemaakt van veldbloemen. Alle planten en bloemen om ons heen zijn in bloei, de bomen zijn groen en vol, de dieren hebben jongen. Overal om ons heen in de natuur zien we geluk en overvloed. Dit herinnert ons eraan dat eind juni een begin gemaakt wordt met de oogst. Wij hebben nu kassen en kunnen ons voedsel importeren, maar vroeger waren de mensen afhankelijk van hun oogst en waren ze blij als de oogsttijd weer aanbrak.

Zomerzonnewende en heidense gebruiken

Midzomernacht, omstreeks 21 juni, is het keerpunt van het licht, de
zomerzonnewende. De dagen worden vanaf deze dag weer korter en de
nachten langer. De oude, voorchristelijke natuurreligies, die veel aandacht
hadden voor de werelden naast de onze, beschouwden dit moment in het
jaar als bijzonder. Contact met de wereld van de natuurwezens en die van de
overledenen werd even wat gemakkelijker; de sluier tussen onze wereld en
de andere werd veel dunner. Door middel van rituelen legde men contact en
vroeg om hulp. De keerzijde was dat er ook meer bescherming gevraagd
moest worden omdat ook kwade wezens dichterbij konden komen. De
paganisten en heksen van nu vieren midzomer of Litha vandaag de dag nog steeds, gebaseerd op deze oude gebruiken.

Van heidens naar christelijk feest

Toen het christendom begon te overheersen, werden de al bestaande jaarfeesten omgevormd naar christelijke feesten, zoals we ze vandaag de dag nog grotendeels kennen. De oude kern is soms voor een deel bewaard gebleven.
Voor 24 juni geldt dat deze datum binnen het christendom wordt beschouwd als de geboortedag van Johannes de Doper. Johannes de Doper werd een half jaar eerder geboren dan Jezus, en hij bereidde de mensen voor op de komst van Christus. Hij doopte de mensen tot christen in de rivier de Jordaan. Johannes de Doper gaf de mensen als boodschap mee dat zij niet altijd zorgeloos konden genieten, maar dat er nu een tijd zou komen van het naar binnen kijken.

Sint Jan en de antroposofie

Het Sint-Jan van nu is vanuit antroposofisch oogpunt een vrolijk en uitbundig feest, een feest van samenzijn met elkaar. De diepere vertaling van het Sint-Jansfeest van nu gaat ook over de intuïtieve mens, harmonie in de wereld om ons heen en tussen de mensen. Het ervaren van eenheid tussen onszelf en de elementen, de aarde… wij stammen allemaal uit dezelfde goddelijke oorsprong.

Sint-Jansfeest [komt van: http://www.beleven.org]
Datum: vrijdag 24 juni 2022
Land/ gebied: Wereld (Christenen)
Soort: Folkloristisch (Heiligendag)
Religie: Christendom (Rooms-Katholicisme)
Midzomerfeest/ Sint-Jan. Jaarlijks op 24 juni. Op deze dag herdenkt men de geboortedag van Johannes de Doper, de profeet die Jezus in de rivier de Jordaan doopte. Deze dag valt samen met het Midzomerfeest dat van oudsher op veel plaatsen in Europa wordt gevierd.
Op de avond van Sint-Jan kwamen vroeger buurtgenoten bij elkaar en maakten met zijn allen een groot vuur. Men zong en
danste en de moedigsten sprongen over het vuur heen. Als een jongen en een meisje hand in hand over het vuur sprongen, was hun band voor eeuwig verzegeld.

Geboorte van de heilige Johannes

Feest dat met name in Orthodoxe (Katholieke) landen een zeer oude traditie kent, die teruggaat naar nog veel oudere zonnewendefeesten en -rituelen.

Sint-Jansfeest/ Midzomerfeest

Met Sint-Jan was het voor vrouwen mogelijk een vrijer te vinden.
In de zeventiende eeuw was het gebruikelijk bloemen aan de huizen te hangen of boven de straat en ’s avonds feest te vieren met elkaar. Jongens en meisjes trokken gearmd door het dorp of de buurt.
Volgens een ooggetuige uit 1606 werd er gedanst en zong men ‘ijdelicke liedekens’. Wist de vrouw een man te strikken dan werd deze ‘mijn Sint-Jan’ genoemd.
Bredero dichtte over dit feest en liet Bouwen Langhlijf vertellen over
zijn ontmoeting met Sinnelijcke Nel van Gooswegen:

So haest als zij mijn sach,
So stong ick huer wel an
Want sij riep, int volle seltscip:
Dit is mijn eyghen Sint-Jan

In Nederland wordt het Jansvuur nog ontstoken in verschillende dorpen. Met name op vrijescholen neemt het Jansfeest een belangrijke plaats in bij het stilstaan bij de jaarcyclus. De kinderen dragen dan een krans van gras met
daarin bloemen gestoken. Bij sommige scholen wordt ook een vuur ontstoken waar de kinderen uit de hoogste klassen overheen springen.
Van Sint-Jan wordt, net als bij Maria, de geboortedag herdacht en niet het sterven.
Sint-Jan wordt dan ook gezien als het begin van een nieuwe periode in het jaar. Ook de natuur verandert. ‘Met Sint-Jan draait het blad zich om’ is het gezegde. Sint-Jan markeert een overgangsperiode.
Het sterven van Johannes de Doper wordt jaarlijks door de kerk herdacht op 29 augustus.
Johannes de Doper is patroon van: wevers, kleermakers, schilders, leerlooiers, timmerlieden, smidse, kuipers, schoorsteenvegers, herbergiers, bontwerkers, wijnbouwers, architecten, drankbestrijders, bioscoopbezitters, herders,
dansers, muzikanten, zangers, huisdieren, schapen, lammeren, vasten, Karmelieten, Maltezer ridderorde.
Johannes de Doper is patroon tegen: hoofdpijn, schorheid, duizeligheid, epilepsie, kinderziekten, angst, hagel.

De datum van Midzomer

Volgens de Juliaanse kalender viel het zomersolstitium, de langste dag van het jaar, op 24 juni, net als later het christelijke Sint-Jansfeest. Hoewel het solstitium in de loop der eeuwen steeds verder van deze datum ging afwijken, bleef 24 juni aan dit feest gekoppeld. Pas bij de invoering van de Gregoriaanse kalender, in grote delen van Nederland niet eerder dan 1700, werd het zomersolstitium op 21 juni vastgesteld. Tegen die tijd was het Midzomerfeest al zo ingekapseld in het Sint-Jansfeest dat het begrip Midzomer nog steeds wordt verbonden met 24 juni. Het Woordenboek der Nederlandsche taal geeft als omschrijving van Midzomer: ‘Het midden van den zomer, de langste
dag, ook wel 24 Juni, St-Jan Baptist.’
In het Engels wordt onderscheid gemaakt tussen midsummer, waarmee meestal het zomersolstitium, 21 of 22 juni, wordt aangeduid, en Midsummer Day, waarmee nog steeds uitsluitend 24 juni wordt bedoeld. Als tweede betekenis
van midsummer geeft de Oxford English Dictionary: ‘midsummer = Midsummer Day, June 24th’.
Midsummer Day was vanouds in Engeland en Ierland een van de quarter-days, waarmee het jaar in vieren werd gedeeld, naast Lady Day (25 maart), Michaelmas (29 september) en Christmas (25 december).
De Gregoriaanse kalender werd, zoals gezegd, pas in 1752 ingevoerd in Engeland en de Engelse koloniën en pas vanaf dat moment was 21 juni ook daar de langste
dag, maar de Midzomerviering bleef gekoppeld aan de oude datum.
Strikt genomen kan Midzomer het beste op 21 of 22 juni gevierd worden, maar voor het zoeken naar volksgebruiken rond deze viering moeten we ons richten op 23 juni (Sint-Jansavond), de nacht van 23 op 24 juni (Sint-Jansnacht) en
24 juni (Sint-Jansdag). Soms wordt Midzomer gevierd op een vaste weekdag in de buurt van 24 juni.
In Finland en Zweden is dit bijvoorbeeld de zaterdag tussen 20 en 26 juni (Midsommardagen).

Een feestdag in Andorra, Canada, Litouwen
Sint-Jan: een nacht vol toverkracht 17 juni 2020
Over het vuur springen, hoe cool is dat? Voor veel kinderen (en ook volwassenen) is het het hoogtepunt van het Sint-Jansfeest. Je koopt er een jaar gezondheid en geluk mee, wordt gezegd. En jonge paartjes die er met z’n tweeën
overheen springen hopen samen een gelukkig leven te leiden.
Op 24 juni is het weer zover, dan vieren vrijescholen hun eigen midzomerfeest. Een traditie in veel Europese landen, waaronder Zuid-Engeland, Scandinavië en ook veel Slavische landen, maar minder bekend in Nederland.
Tekst: Tineke Croese


Midzomerfeesten, we vieren ze in de lichtste tijd van het jaar, als de dagen lang zijn en de korte nachten niet echt donker lijken te worden. Bij het vuur vlechten kinderen bloemenkransen, er wordt muziek gemaakt, gedanst en gepicknickt. Soms verbranden mensen een als heks uitgedoste stropop: zij neemt alle narigheid van het voorbije jaar mee in het vuur.
En wie durft, springt over het vuur en koopt op die manier een jaar gezondheid en geluk voor zichzelf.
De korte, lichte nachten van Sint-Jan hebben iets geheimzinnigs. Volgens het volksgeloof kunnen mensen in deze nachten de taal van de dieren verstaan en bezitten sommige planten grote magische kracht. Die kun je bijvoorbeeld
gebruiken om je van de trouw van je geliefde te verzekeren. Niet alleen de mensen blijven in deze nacht wakker tot de zon opgaat, ook het ‘kleine volkje’ is op pad. Misschien is het ook door hun toedoen dat de nacht van Sint-Jan vol
toverkracht is. Als de elfen je gunstig gezind zijn, wijzen ze je de weg naar verborgen schatten. Maar vaker zijn deze plagerige natuurgeesten geneigd om mensen voor de gek te houden, zoals Shakespeare in zijn
Midzomernachtsdroom laat zien.

Licht

De midzomerfeesten die op 21 juni gevierd worden, stammen al uit de voorchristelijke tijd.
Het Sint-Jansfeest van 24 juni was eigenlijk
bedoeld als de christelijke


voortzetting ervan,
maar er veranderde in de praktijk zo weinig dat de vroegere midzomerfeesten er zonder problemen naast bleven bestaan.
Sint-Jansfeest, midzomerfeest – het lijkt niet echt uit te maken.
De gebruiken zijn hetzelfde.
Het is geen toeval dat de Kerk ervoor koos om Kerstmis en Sint-Jan kort na het midwinterfeest van 21 december en het midzomerfeest van 21 juni te vieren. De nieuwe christelijke feesten werden gebracht als een voortzetting en vernieuwing van de oude voorchristelijke feesten.
Tijdens de midwinterzonnewende bereikt de zon het laagste punt aan de hemel. Het is de donkerste tijd van het jaar. Vroeger wachtten de mensen elk jaar weer in spanning af of het licht wel terug zou keren. Via rituelen probeerden ze die terugkeer te bewerkstelligen. Met Kerstmis, het geboortefeest van Jezus, vieren we de geboorte van het licht op aarde. Het wordt daarom kort ná de kortste dag gevierd, als de zon het diepste punt al voorbij is.
Bij de midzomerzonnewende bereikt de zon het hoogste punt aan de hemel. Het is de lichtste tijd van het jaar. Maar kort daarna volgt een dramatische ommekeer: de zon begint weer te dalen en verliest zijn lichtkracht. Dat merken we niet direct, maar toch neemt het licht langzaam weer af en worden de dagen korter.
Op 24 juni is het volgens de kerkelijke heiligenkalender de geboortedag van Johannes de Doper. Hij doopte Christus in de Jordaan en verkondigde zijn volgelingen dat hijzelf – Johannes – minder krachtig moest worden, terwijl Christus moest groeien. Om die reden kreeg het feest van Sint-Jan de Doper een plaats op 24 juni, als de zon al ‘minder wordt’, in kracht begint af te nemen. De zon laat rond midzomer zien waar Johannes op wees: alles wat voorchristelijk
is, tot en met Johannes zelf – de laatste voorchristelijke profeet – is als die uiterlijke zon wiens luister en grootheid na 21 juni minder worden. Johannes de Doper sluit de voorchristelijke tijd af, maar als ‘engel van de Heer’ was hij ook de
wegbereider van Christus die aan het begin van een nieuwe tijd verschijnt.

Van oud naar nieuw

Johannes de Doper riep op tot inkeer. Hij riep op om het oude los te laten en een andere innerlijke houding aan te nemen. Dat maakte hem tot een eenling, een roepende in de woestijn. Mensen hadden ontzag voor hem, maar ze
vonden het te moeilijk om hem te volgen. Dat zien we ook bij het Sint-Jansfeest. Terwijl Kerstmis wel de vernieuwing van het midwinterfeest werd, bracht het Sint-Jansfeest die vernieuwing niet voor het midzomerfeest. Eigenlijk is dat
wel te begrijpen: iedereen verheugt zich op de komst van het licht, iedereen wil het donker graag achter zich laten.
Wat het Sint-Jansfeest vraagt is veel moeilijker: afstand doen van het licht, van het bekende, van wat vanzelfsprekend en vertrouwd is. En jezelf in plaats daarvan openstellen voor het nieuwe en onbekende.
Net als de kersttijd is de Sint-Janstijd een tijd van ‘oud en nieuw’, van terugkijken op het verleden en vooruitkijken naar de toekomst. In de kersttijd houd je dat klein: je reflecteert op jezelf, je maakt goede voornemens om iets in je persoonlijk leven aan te pakken. In de Sint-Janstijd kijk je terug op een groter
geheel, op de samenleving of op je eigen sociale omgeving. Moet daar iets worden aangepakt? In het verleden was het nog mogelijk om veel meer
vanuit vaste sociale patronen en rollen te handelen, tegenwoordig moeten we
een situatie vaker zelf beoordelen en een eigen aanpak bedenken. Oude
tradities en door de groep bepaalde normen verdwijnen in hoog tempo. We
zijn aangewezen op ons eigen inzicht en oordeel en het vertrouwen daarin
moet nog groeien.

Vrolijk

Het Sint-Jansfeest is een blij feest, met bloemenkransen, zang en dans, met een Sint-Jansvuur en vrolijkheid. Om ons heen zien we de natuur zo uitbundig en rijk als in geen ander jaargetijde. Maar het is ook een periode van reflectie. Lang niet alle vruchten zijn rijp in juni. De meeste hebben de hele zomer nodig om te rijpen, om zoet en sappig en eetbaar te worden. Zo heeft ook alles wat je in het voorbije jaar aan kennis en inzicht hebt opgenomen tijd nodig om te rijpen.
Het moet even met rust gelaten worden, net als schoolkinderen in de zomervakantie. Na dit feest volgt die heerlijk lange, zorgeloze zomertijd. Pas aan het eind van de zomer, als de vakantie voorbij is en iedereen klaar staat om
opnieuw de oude patronen binnen te glippen, is de tijd rijp om met onze nieuwe voornemens aan de slag te gaan.
Dit artikel is gepubliceerd in de jaarfeestenrubriek van AM-nummer 2, juni 2016.

Kringdans:

De jongens en meisjes vormen hand-in-hand een paar en dansen samen in de kring en bij de laatste regel van het liedje maken de meisjes een reverence naar de jongens en de jongens maken een mooie buiging naar de meisjes en vervolgens wordt het liedje weer opnieuw gezongen en gedanst.

Rudolf Steiner:
weekspreuk 12: Johannesstemming

de gespiegelde spreuk 41

Sint-Jan is echt een buitenfeest. Meestal is het ook erg mooi weer. Het gevoel van saamhorigheid hoort bij de Sint-Jansviering. Sint-Jan vier je niet alleen, maar met het gezin of met een groep. Hoe meer zielen hoe meer vreugd!
▪ Picknicken, als iedereen die komt iets te eten en/of drinken meeneemt, liefst zelfgemaakt, ongeveer genoeg voor twee volwassenen. Als iedereen ongeveer dezelfde hoeveelheid meeneemt is er genoeg voor iedereen, en is
de picknick een heus feestmaal!
▪ Over het vuur springen Dit is een traditie die ons ver terugvoert in de tijd, naar onze Keltische voorouders. Zij maakten vuur en sprongen eroverheen. De symboliek voor onze voorouders was een nieuwe periode in springen, en ziekten en narigheid de baas zijn. Over het vuur springen kan ook gezien worden als de poort naar de elfenwereld door gaan. Vandaag de dag kan het gezien worden als het overwinnen van angsten en het achterlaten van een deel van jezelf dat je niet meer nodig hebt.
▪ Zingen en dansen en spelen!
▪ Het vlechten van een bloemenkrans:
Veldbloemen en wilde bloemen horen bij de overvloed van Sint-Jan. Bloemenkransen blijven langer mooi als je ze voor het gebruik op een bord in de koelkast legt met een natte doek eroverheen
▪ Het is heel leuk om de avond voor Sint-Jan samen in het bos of het veld wilde bloemen te verzamelen en er een krans van te vlechten om met Sint-Jan te dragen.
▪ Natuurlijk is het ook heel leuk om de seizoenstafel in Sint-Janssfeer te brengen!
▪ Speurtocht met opdrachten gerelateerd aan de elementen lucht, aarde, water vuur.
• Blijf tot middernacht op, zing en dans om het vuur.
• Spring over een echt vuur(tje) of een vuurtje gemaakt van gele en rode doeken.
• Organiseer zomerse spelletjes zoals eieren lopen maar dan met waterballonnen.
• Bak koekjes met eetbare bloemen.
• Maak ijsklontjes met eetbare bloemen.
• Doe een kersenpitten ‘wie kan het verste spugen?’ wedstrijd.

Maak samen een eenvoudige Bucketlist voor de zomervakantie (je kan als voorwaarde voor kinderen maken dat het (bijna) geen geld mag kosten: In de zee zwemmen. Een schaap knuffelen. Een ijsje eten. Een boek lezen. Een ochtendwandeling maken met het hele gezin. Fietsen langs een rivier. Picknicken in de tuin. Stokbrood maken boven een kampvuurtje. Slapen in de tent bij iemand in de tuin. Een hut maken in het bos. Samen naar de sterren kijken.
Schelpen verzamelen op het strand met een gaatje erin en een zomerketting maken.

Laat mij het levenswater zoeken van Ineke Verschuren,
Het hele jaar rond van Marijke van Raephorst,
Het hele jaar rond van Sandra Klaassen,
Leven met het jaar, Christiane Kutik

Sprookjes bij de Sint-Janstijd:
Kleuters: Grimm: “het klosje , de schietspoel en de naald’. “de gouden gans”, “de bijenkonngin”, ‘de kristallen bol”, “roodkapje “, “de zes zwanen”´
Bakersprookjes: “het bootje “, “robin roodborst”,

Sint -Jansfeest/tijd en kleuters:

Een wiebelige tijd, de zomervakantie komt eraan, de natuur staat in lichterlaaie,
De spanningsboog van kleuters verandert in kleine spanningsboogjes met grote of minder grote valpartijtjes en ongelukjes: ze komen gauw uit evenwicht en worden naar buiten [bijna buiten zichzelf] getrokken…
Er wordt in deze tijd van het jaar vaak gezongen:

“hele hele zegen,
Drie dagen regen,
Drie dagen zonneschijn,
Dan zal het vast weer beter zijn”

Het helpt om met de kleuters evenwichtsoefeningen te doen [“zit of staat de kring”, “wie kan er op 1 been staan,
een sprongetje maken, in de vingers knippen, je oren laten wiebelen. zoveel mogelijk variëren in’t groot en in’t klein],
of liedjes met gebaren [zoals : “Hoofd schouders knie en teen”, of “dit zijn mijn wangen”…,
of in een lange rij naar buiten en samen over de zandbakrand lopen of evenwichtsbalk,
of twee aan twee een bootje maken [“varen varen over de baren” “Berend Botje ging uit varen”, “ik voer laatst over zee, ga je mee…”].
veel touwtjespringen, in t grote touw of individueel
dansspelen buiten doen:
“Jan en piet gaan dansen” en “schipper mag ik overvaren” en “you put your left foot in, you put your right foot in…”
Zingen, veel zingen: harmoniserend bij elkaar zijn en blijf met de klas in het klassenritme: dat geeft houvast en daardoor brengt het evenwicht.

Knutselen met Sint-Jan:

Andere activiteiten:

spelen met zand en water: zandkastelen maken,
stenen zoeken en wassen en poetsen [en schilderen]
bellenblaasstokken zelf maken,
veren verzamelen,
bloemen plukken: sommigen in een boeket, anderen gaan drogen, een mobiel ermee maken.
hinkelbaan buiten maken met stoepkrijt [verf]
waaier vouwen [van papier] of een zonnetje

Vogeltje: [kinderen] zelf een vogeltje laten tekenen en laten kleuren en
prikken, vleugeltjes vouwen [als bij een pinksterduifje]. touwtje eraan,
aan het touwtje een stokje…. En zie ze vrolijk zingend lopen met hun
vogeltje: “als ik eens een vogeltje was, oh wat zou ik vliegen ….”
Knikkerbaan laten maken met gevormd en ongevormd materiaal
Spelen met schaduw; in elkaar schaduw lopen, bijvoorbeeld of één lijf met 4 armen ….

 

 

.

 
 
 
 
 
 
 

Met toestemming van de auteur, waarvoor dank!

Sint-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

2781-2609

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (5-2/1)

.

Als de leerlingen in klas 6 tuinbouw hebben gehad, hebben ze al wat ervaren van de manier waarop je voedingsplanten kweken kan.
In de 7e klas kan daarop worden teruggekomen en nu het in deze tijd zo actueel is hoe wij onze voedingsproducten verkrijgen, is het zeker niet verkeerd om over de ‘biologische’, maar ook over de ‘biologisch-dynamische’ kweekmethode te spreken. 
Dat moet niet verward worden met ‘antroposofie in het onderwijs’. De B.D-methode bestaat en waarom zouden leerlingen daarmee geen kennis maken.
Opmerkelijk is dat het artikel uit 1990 hier reeds duidt op wat we nu als ‘stikstofprobleem’ kennen.

Wolfgang Schmid, WeledaBerichten nr. 151 september 1990
.

WAT IS BIOLOGISCH-DYNAMISCHE LANDBOUW?

.

Doordat in de loop van de geschiedenis de mens, die leefde van de jacht en het plukken en bereiden van kruiden, ten slotte werd tot wat we tegenwoordig agrariër noemen, onderging ook het landschap een grote verandering. Het natuurlijke landschap werd door de mens veranderd in cultuurlandschap. Om die ontwikkeling te begrijpen is het nodig om te zien wat kenmerkend is voor een natuur- en een cultuurlandschap.

Het natuurlandschap

Dit wordt gekenmerkt door natuurlijke plantengroeperingen, die ontstaan door bepaalde omstandigheden van bodem en klimaat. Zij kunnen door plaatselijke klimatologische omstandigheden heel verschillend zijn en ook in de loop van de tijd veranderen. Binnen die groeperingen is er geen “onkruid” en zijn er geen “schadelijke insecten” naar ons begrip, want de veelvuldige onderlinge relaties tussen planten en dieren (vanaf de micro-organismen tot aan de grote dieren) scheppen een evenwicht. De kringloopprocessen van substanties en energieën zijn principieel gesloten. Daardoor zijn er ook geen problemen door het verlies van stoffen (bijvoorbeeld het uitspoelen van nitraten).

Het cultuurlandschap

Hier is de mens niet meer slechts een deel van de natuur maar hij geeft daaraan in belangrijke mate vorm. Bossen worden gerooid, de grond wordt bewerkt. Cultuurplanten worden verbouwd op allerlei manieren. De gevarieerdheid van de plantenfamilies vermindert, de productie van de land- en tuinbouw wordt vergroot. Daardoor wordt het mogelijk de veestapel te vermeerderen. Het bestand aan dieren in een cultuurlandschap kan 100 keer zo groot zijn als het bestand aan in het wild levende dieren van een natuurlandschap. Door de bewerking van de grond gaat er lucht in doordringen, humus wordt zeer snel omgezet. De kringloopprocessen van de substanties worden bespoedigd – maar ook kwantitatief op een belangrijk hoger niveau gebracht – omdat het kweken van groenvoer (klaver, luzerne enz.) een grotere veestapel mogelijk maakt. Daardoor komt er meer mest, er ontstaan grotere opbrengsten maar ook grotere hoeveelheden overblijfselen na de oogst. Echter: ook het gevaar dat substanties uit de kringloop worden losgelaten wordt groter (uitspoelen van nitraten, kali en ook van subtiele bodemdeeltjes).

Moderne landbouw

Tegenwoordig wordt de landbouw in hoge mate beïnvloed door het materialistisch georiënteerde denken. Nadat de scheikunde werd toegepast in de landbouw, ging men natuurprocessen steeds meer tot chemische reacties reduceren. Met behulp van de bedrijfswetenschappen konden de verschillende gebieden van de landbouw afzonderlijk op hun rentabiliteit worden getoetst. Dientengevolge kon een differentiatie van de algemene landbouw in koeien- en varkensmesterijen, bedrijven zonder vee enz. tot stand komen. Intensivering was dus ook door specialisering mogelijk. Veel landbouwers zijn tegenwoordig genoodzaakt industrieel vervaardigde of toebereide stikstof-, fosfor- en kalikunstmest te kopen. Door de daarmee gepaard gaande vermindering van de natuurlijke vruchtbaarheid van de bodem en de aantasting van de gezondheid van het gewas is de toepassing van synthetisch-chemische bestrijdingsmiddelen onontkoombaar. Ten gevolge van die ontwikkeling zijn thans vele agrariërs genoodzaakt ten dele alleen nog maar op beschadigingen (schimmelziekten, insecten) en op tekorten van de voedselverzorging van de planten te reageren. De specialisering in de landbouw werd echter ook in hele landschappen zichtbaar: zo zijn er tegenwoordig streken, waarin bijvoorbeeld de runderen werden afgeschaft. Daardoor verdween ook de verbouw van groenvoer in de gedaante van klaver- en luzernegras uit het landschap. Aan de andere kant wordt regionaal de veestapel (dikwijls varkens) zo enorm geconcentreerd, dat men met de ontstane hoeveelheden mest geen raad meer weet. Het gevolg is, dat dierlijke mest, eens een waardevol product, tot een afvalprobleem, uiteindelijk een milieuvraagstuk wordt waar men zich het hoofd over breekt.

Vragen over de kwaliteit

Men moet zich afvragen, welke kwaliteiten via op die manier gekweekte producten aan de voeding van de mens worden toegevoegd. Want wij zien kunstmatige voeding van de planten door middel van minerale synthetische kunstmest, profylactische en therapeutische toepassing van chemische pesticiden bij de bestrijding van ziekten en ongedierte, dikwijls ook massale fokkerijen waar de regelmatige toepassing van antibiotica onontbeerlijk is geworden. Hoe staat het met de vitaliteit van deze voedingsmiddelen (chemische resten), met de inpassing in het milieu van zulke producten. Is zulk voedsel geschikt om niet alleen de maag van de consument te vullen, maar ook om voor zijn geestelijke en psychische ontwikkeling een basis te bieden?

De biologisch-dynamische landbouwmethode

Reeds in het begin van de jaren twintig beseften enkele antroposofisch georiënteerde landbouwers de problemen die een uitsluitend materialistisch bedreven landbouw zou veroorzaken. Op hun verzoek hield Rudolf Steiner in 1924 in Koberwitz bij Breslau acht voordrachten met de titelGeesteswetenschappelijke grondslagen voor een vruchtbare ontwikkeling van de landbouw”. [GA 327] Deze zogenaamde “landbouwcursus” is de basis voor de biologisch-dynamische landbouwmethode.

Een belangrijk principe hiervan is, dat de landbouwer zijn bedrijf als een organisme ziet en het dienovereenkomstig opbouwt. In een organisme werken verschillende organen harmonisch samen; zij hebben gedifferentieerde functies en houden het organisme in leven en vruchtbaar. De geestelijke ordening van een organisme moet door de landbouwer tot het vormgevend principe van zijn bedrijf worden verheven. Om dit te bereiken moeten eerst de natuurlijke voorwaarden en de mogelijkheid van het bedrijf worden onderkend: het klimaat, de jaarlijkse hoeveelheid neerslag, het landschap enz. Op grond daarvan kan dan de opbouw van het bedrijf beginnen: welke diersoorten heeft de boerderij nodig, hoe groot kan de veestapel zijn, welk teeltplan maakt de grond vruchtbaar en verschaft aan het bedrijf het nodige economische succes?

Deze soort van landbouw heeft niet de chemie als basis, maar allereerst het waarnemen van wetmatigheden van het levende, ook van hetgeen in het psychisch-geestelijke gebied van landbouw werkzaam is. Het voornaamste streven in een biologisch bedrijf is het levend-maken van de bodem.

Verzorging van de bodem en de mest

Voedings- en werkzame substanties worden hier niet geleverd door de chemische industrie, maar zijn afkomstig van overblijfselen van de oogst, van het verbouwen van stikstof aantrekkende planten, peulvruchten, dierlijke mest, de mineralen in de bodem en van humus. De overdracht daarvan naar de planten vindt plaats door een geweldig aantal micro-organismen (schimmels, bacteriën, algen enz.) en ook grotere dieren (wormen, mijten enz.) in de grond. Dit reusachtige leger van levende wezens, het zogenaamde bodemleven, moet worden gecultiveerd. Daardoor is voor de biologisch-dynamische landbouwer de humus bereidende en leven stimulerende rotting van dierlijke meststoffen een hoogst belangrijke zaak. De mest wordt, voordat hij wordt uitgestrooid, met behulp van de biologisch-dynamische compostpreparaten, die in kleine hoeveelheden worden toegevoegd, gedurende korte of langere tijd gecomposteerd. Deze preparaten bestaan uit op een bepaalde manier bereide geneeskrachtige planten (duizendblad, kamille, brandnetel, eikenschors, paardenbloem en valeriaan) en beïnvloeden de rotting van de mest in hoge mate. De op zo’n manier bereide mest activeert het leven en de processen in de bodem, het afbreken van de organische substanties, het produceren van voedingsstoffen, de opbouw van humus en daardoor ook de bescherming tegen plantenziekten.

Over de preparaten koehoornmest en koehoornkiezel geeft het artikel van Bruno Busse  uitsluitsel.

Kwaliteit

Ten gevolge van de bijzondere mestverzorging, de zorgvuldige bedrijfsvoering en de toepassing van de biologisch-dynamische preparaten is de plant in staat, zich harmonisch tussen kosmos en aarde te ontwikkelen. Langs die weg kan zij bijzonder vitale substanties vormen als grondslag voor een gezonde voeding. Deze levensmiddelen komen onder de benaming “Biodijn” [naam niet meer in gebruik] (voor producten uit landbouwbedrijven die bezig zijn, om te schakelen naar de biologisch-dynamische landbouwmethode) en “Demeter” (voor producten van totaal omgeschakelde bedrijven) op de markt.

Milieubeheer door biologisch-dynamische landbouw

Naast alle beschreven maatregelen kent het biologisch-dynamische bedrijf aan de vormgeving van het landschap ter wille van het behoud van de vruchtbaarheid en het gezond houden van het bedrijfsorganisme een grote betekenis toe. Het planten van bessenstruiken, het aanleggen van heggen of het in stand houden van oeverweiden vergroot niet alleen de schoonheid van een landschap, maar vergroot ook de veelzijdigheid van de flora en fauna en bevordert zo het in stand houden van een evenwicht tussen schadelijk en nuttig gedierte.

Zo bezien is de biologisch-dynamische landbouwmethode niet alleen een richting die ons optimale en gezonde levensmiddelen verschaft, maar door haar wordt ook een cultuurlandschap ontwikkeld, waarin de mens weer op zijn verhaal kan komen en waarin de levens- en zielenkrachten van de natuur kunnen regenereren.

.

7e klas: voedingsleer: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2779-2607

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 13 – alle artikelen

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

voordracht 13

De bladzijden verwijzen naar de vertaling van 1993

Een kleine uitleg over de indeling in paragrafen:
Het eerste cijfer verwijst altijd naar de voordrachtenvolgorde in de uitgave. [2-
Het tweede cijfer is het onderwerp van de beschouwing, aangegeven met het bladzijnummer en een korte inhoudsomschrijving. [13-1]
Het derde cijfer [13-1-1] geeft een uitbreiding aan van de inhoud van [13-1]
Wanneer je de gang door de voordracht wil volgen, hoef je de uitbreidingen niet per se te lezen, al horen ze er inhoudelijk wel bij. De volgorde door de voordracht is dus de reeks [13-1] [13-2] [13-3] enz.
Als kleur: rood

[13-1] Blz. 185-186
Tegenstelling hoofd-ledematen; omstulping naar bolvorm; stuwing bij voorhoofd; ik en neuswortelpunt; de geest stroomt; verwijzing naar GA 294.

[13-1-1] Blz. 185-186
Het geestelijke, gaat verbonden met ziel, als een stroom door de mens heen; ‘stroom’ vanuit verschillende karakteriseringen; wat betekent dit voor leerstof eigen maken; op welk gebied werkt leerstof; voorbeelden van verschillende vakken; uitvoerig over leren lezen; uit GA 302 zeer wezenlijke gezichtspunten geciteerd.

[13-2] Blz. 187-188
Noodzakelijk: contact ouders-school; het ‘drukkende en het zuigende’; over ‘materie’; oorzaak van ‘vervetten’ in samenhang met bewegen.

[13-3] Blz. 186-189
Over materie; geest drukt zich fysiek uit; wat is ‘stof, materie’ – uit GA 66 en GA 134. Materie en de hiërarchische wereld; materie als uiteengevallen geest; over de zenuw.

.

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2775-2603

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof

In de Germaanse mythologie – de vertelstof van klas 4 – komen uiteraard vele namen voor.
Een verklaring van die namen vind je hier.

Bij deze namen ontbreekt (o.a.) de naam ‘WELEDA’.
Vanuit de antroposofie is destijds het farmaceutisch bedrijf ‘Weleda’ ontstaan. 
In het tijdschrift ‘Weleda’ wordt over dit ontstaan e.e.a. verteld waarbij tevens ingegaan wordt op de historische naam.

WAT BETEKENT DE NAAM WELEDA?
.

In het voorjaar van 1920 hield Rudolf Steiner (1861 -1925) op verzoek van artsen in Dornach twintig lezingen over “Geesteswetenschap en geneeskunde” (De ”1e artsencursus”). Daarin werd de antroposofisch georiënteerde medische wetenschap als een weg ter verruiming van de geneeskunst op geesteswetenschappelijke grondslag beschreven. De cursisten wilden over de door Rudolf Steiner ontwikkelde nieuwe, aan de mens aangepaste geneesmiddelen kunnen beschikken. Dientengevolge ontstond het laboratorium, waar geneesmiddelen op de grondslag van antroposofisch inzicht konden worden vervaardigd, de “Internationale Laboratorien AG”, verkort ILAG genaamd. Reeds in de zomer van 1921 werden de eerste preparaten afgeleverd. Het abstractum ILAG werd echter als ontoereikend gezien – gemeten aan de idee, de taken en doelstellingen van de nieuwe onderneming – en daarom stelde Rudolf Steiner in september 1924 de naam WELEDA voor. Als reden van deze keus zei hij slechts dat “Weleda een Oud-Germaanse individualiteit was, die behalve met de geneeskunst ook nog met vele andere dingen te maken had.”

De geschiedenis kent een Weleda, die in de oorlog tussen Romeinen en Germanen (rondom 69 n. Chr.) politiek bemiddelde en daardoor ook de stad Keulen – een Romeinse nederzetting – wist te redden van de dreigende ondergang. Zij behoorde tot de Germaanse stam van de Bructeri, die in het gebied van de bronnen van de Lippe thuis waren. 1) In documenten van antieke schrijvers wordt deze Weleda herhaaldelijk genoemd. Zij werd door haar volk als een zieneres en profetes vereerd. Maagdelijkheid werd van het hoogste belang geacht en daarom leefde Weleda geïsoleerd in een hoge toren.

Dat zij over genezende vermogens beschikte, wordt nergens vermeld. Maar Rudolf Steiner kon als geestesvorser de occulte achtergronden van vroegere culturen onderzoeken en beschrijven. Daarmede doorgrondde hij ook de cultuur van de Keltisch sprekende Germanen, Galliërs, Britten en leren.

Voor deze oervolken, die nog waren ingebed in de eenheid van God en de natuur, was het verband van de mens met de natuur ook in gezondheid en ziekte vanzelfsprekend. Bij de verschillende volken en stammen ontstonden kleine groeperingen van leidinggevende priesters, ingewijden, die over grote helderziendheid beschikten en daardoor ook geneesmiddelen in de natuur konden vinden. Er waren ook vrouwen die dat konden. Zij werden “Weleda’s” genoemd. Zij werden door het volk diep vereerd. Het woord Weleda (in de klassieke Oudheid Veleda, in Gallië Velleda) is van Keltische oorsprong en betekent zieneres, profetes. Weleda was dus een bijnaam.

De naamgeving Weleda voor de onderneming die geneesmiddelen op basis van antroposofische inzichten vervaardigt, wil evenwel niet zeggen, dat hier wordt aangeknoopt aan het boven beschreven Keltisch-Germaanse verleden. Dat zou ook niet kunnen, omdat de oude vermogens van de mensheid reeds lang totaal verloren zijn gegaan. In de plaats daarvoor kreeg de mens in de afgelopen eeuwen de kans zich tot een in vrijheid beslissende individualiteit te ontwikkelen. In de Oudheid bestond er een groepsziel, die in zeker opzicht haar wetten van de priesters ontving en bezat men een occult weten omtrent de processen in de mens en de natuur. Thans is er een eenzijdige natuurwetenschap, waarvan de mens vaak slechts het object is, die ook voor de moderne geneeskunde intellectuele theorieën opstelt. Het geheim van het noodzakelijke evenwicht in het samenspel van lichaam, ziel en geest moeten artsen en farmaceuten door een strenge spirituele scholing weer trachten te ontraadselen. Van principiële betekenis is daarbij de morele houding en een verantwoordelijkheidsbewustzijn zoals dat in het verleden de priesterlijke artsen kenmerkte.

1) Een omvangrijke literair-historische beschrijving door Willem F. Daems en Bert Hecksteden 

.

Bedrijf

Weleda Wikipedia

Zie ook Veleda

Vertelstof 4e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas

.

2771-2600

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme en angst

.
Dr.med. Olav Titze, Weledaberichten 142, september 1987
.

DE ANGST EN HET RITMISCHE SYSTEEM VAN DE MENS

.

De angst als psychisch verschijnsel heeft ook een lichamelijke grondslag waarmee de arts zich bezig moet houden. Het menselijke organisme vertoont drie verschillende functiegebieden: een zenuwzintuigsysteem dat voor het bewustzijn dient, een stofwisselingsledenmatenstelsel, dat diep in het onderbewustzijn het instrument voor de levensprocessen en de beweging is en een derde, tussen die beide systemen bemiddelend systeem, nl. het ritmische systeem met het ritme van de pols en de ademhaling. De angst wordt in het middelste systeem beleefd.

Dit ritmische systeem is uiterst gevoelig zowel voor lichamelijke als voor psychische onevenwichtigheid. Schrik doet de adem stokken, angst snoert de keel dicht, zodat de mens zich niet meer kan uiten. Vreugde, maar ook angst laten het hart sneller kloppen. Bij astma wordt de uitademing, door een volle maag het inademen bemoeilijkt. Acuut gebrek aan zuurstof versnelt de ritmen en veroorzaakt in het psychische gebied angst. Iets dergelijks gebeurt bij de inwerking van grote hitte. Het heldere waakbewustzijn van het centrale zenuwstelsel wordt tot een dromend voelen in het ritmische systeem
gereduceerd. Elke versterking van het bewustzijn in dit gebied zoals door pijn of kramp is een signaal voor ziekte.

De waarnemer daarvan is de mens zelf, of beter gezegd zijn zielenkern, het ik. Alleen neemt hij in dit geval niet de buitenwereld waar door de daarvoor bestemde waarnemingsorganen maar zijn eigen binnenste. De hiervoor dienende innerlijke waarnemingsorganen, die in de fysiologie receptoren heten, oefenen hun functie, als de mens gezond is, altijd onder de drempel van het waakbewustzijn uit en leveren alleen maar een dromend voelen op. Zoals hierboven beschreven kan dit voelen als psychisch verschijnsel zich bijvoorbeeld tot angst verdichten. De lichamelijke verschijnselen kunnen hierbij verschillend zijn. Het bloed kan hevig naar het hart stromen zodat dit sterker moet kloppen of – als dit niet meer voldoende is – wordt het ritme van hart en pols versneld.

In het andere geval beïnvloeden gedachten en zintuigindrukken via de zenuwfuncties en de ademhaling het hart. Er ontstaat benauwdheid. De uitademing gaat stokken en wordt krampachtig. Het is als een stroom van koude, die vanuit het hoofd ten slotte ook het hart en de bloedvaten met een soort van krampen doordringt en doet verstarren. In de ziel wordt angst beleefd. Vanuit het gezichtspunt van het beleven van angst in het ritmische systeem van de mens zijn er dus twee voorwaarden waardoor angst kan ontstaan: het stofwisselingssysteem, dat de wil en de emoties overbrengt, kan via het bloed te sterk het ritmische systeem beïnvloeden of de door het zenuw-zintuigstelsel overgebrachte bewustzijnsprocessen storen het ritmische systeem, eerst de ademhaling en ten slotte ook het ritme van het hart. De arts kan proberen de oorzaken van de angst met geneesmiddelen te bestrijden maar een wezenlijk hulpmiddel is natuurlijk ook het gesprek, dat tot doel heeft de oorzaken van de angst te verwerken. Dit is de taak van psychologen, artsen of zielzorgers, kan echter bij gelegenheid ook gebeuren door een vertrouwenspersoon, die de tijd ervoor neemt om te luisteren en te helpen. Ten slotte willen wij nog de mogelijkheid van een kunstzinnige therapie noemen. Daarbij gaat het eigenlijk niet om een therapie door de kunst, maar er wordt geprobeerd om met de middelen van de kunsten via het ritmische systeem de andere systeemfuncties te beïnvloeden. In de ritmische bewegingstherapie, de heileurythmie, kan de uit het stofwisselings-ledematensysteem opdoemende angst tot in haar lichamelijk functionele basis worden opgelost. In de muzikale therapie kan door het bespelen van verschillende instrumenten tussen het ritme van ademhaling en bloedsomloop en het zenuw-zintuigstelsel (het gehoor) evenwicht scheppend worden ingegrepen. Bij de schildertherapie zijn het de subtiele “ademhalingsprocessen” tussen de waarneming en het actieve nabootsen en uitwerken van wat is waargenomen, die met elkaar in harmonie kunnen worden gebracht. Zowel de overweldiging van de zintuigen door onverwerkte en ten slotte angst veroorzakende indrukken als ook de uit het stofwisselingssysteem opkomende ademhalings- en polsritme verhevigende invloeden zijn dus steeds open voor een kunstzinnige therapie.

leder weet, dat de angst elke activiteit verlamt. Door de kunstzinnige therapieën wordt een weg geopend die de mens via een als het ware speelse bezigheid weer tot een bezielde aanpak van zijn eigen lichamelijk bestaan en van zijn omgeving leidt. Hij leert om meer psychisch-geestelijk adem te halen. De behandeling met medicamenten wordt op die manier zinrijk gesteund.

2766-2595

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 1 ( 1-3-1-3)

.
Dr.med. Werner Hassauer, Weledaberichten 128, december 1982
.

OVER HET MYSTERIE VAN DE GEBOORTE VAN DE MENS

.

Sinds duizenden jaren worden er kinderen geboren, plant de mensheid zich steeds weer voort ondanks verschrikkelijke oorlogen, ziekten en epidemieën met een aldoor nieuwe, naar het lijkt onuitputtelijke levenskracht. Het oeroude spel van de ontmoeting der geslachten, het tot elkaar gebracht worden van man en vrouw en van de ontvlammende vonk van datgene, wat uit de vereniging van beiden ontstaat, heeft ook in ons materialistisch-economisch-nuchter georiënteerde tijdperk zijn bekoring nog niet verloren. Menswording vindt plaats in de meest omvattende zin.

In vroegere tijden beschouwde men kinderen als een geschenk van de hemel, van de goden, als een zegen, die iemand ten deel viel wie de goddelijke machten gunstig gezind waren. De zegen van God was des te groter naarmate meer kinderen het levenslicht aanschouwden. Geen kinderen te krijgen gold als een vloek van de bovenaardse machten, die vooral zwaar drukte op de kinderloos gebleven vrouw. Over de fysiologische processen van de bevruchting wist men niets, evenmin als over de processen van de embryonale ontwikkeling. Het hele gebeuren van de menswording was een goddelijk iets dat, verborgen voor de zintuigelijke blik en het weten en doorgronden van de mensen, diep in de moederschoot geheimzinnig verliep.

In onze tijd heeft de in alle aardse gebeurtenissen diep naar binnen dringende wetenschap de processen van de menswording met het zintuig van het oog doorvorst. Alles is zichtbaar geworden. Het geheim achter de omhullende, goddelijk lijkende sluier is verloren gegaan: wij weten weliswaar niet alles, maar ‘bijna’ alles. Wij hebben verleerd ons te verbazen over het geheimzinnige wonder van de menswording, want waarom zou men zich verbazen over iets wat men al weet en doorziet? Is zo’n opvatting eigenlijk gerechtvaardigd? Moet en kan men niet juist over processen, die men tot in de wonderbaarlijke details heeft leren kennen, zich verbazen en ze als grandioos beleven, juist omdat men alles of veel erover weet? Het goddelijke en de grootsheid van een gebeuren wordt toch niet minder omdat men zo diep mogelijk in het grootse wonder binnendringt? Voor het wonder van de menswording geldt dit in elk geval in de meest omvattende betekenis.

Iedereen weet tegenwoordig, dat de embryonale ontwikkeling op gang wordt gebracht door de versmelting van ei- en zaadcel, van het vrouwelijke en het manlijke element. Er zou zeer veel over dit feit te zeggen zijn wat verbazingwekkend is. In het kader van dit artikel moeten wij helaas daarvan afzien. Uit het bevruchte ei ontwikkelt zich dan een cel door de aan al het levende inherente principes van de voeding, de groei en de deling. Celgroei en celdeling vinden in een oneindige reeks plaats. Daardoor wordt de grondslag, de bouwsubstantie gevormd niet alleen voor de mens maar voor alle levende organismen. Iedereen weet dit tegenwoordig vanaf zijn lagereschooltijd. Hij leert echter ook dat het de processen in de cel zijn, die een organisme vormen; dat de kracht die het organisme vormt vanuit de cel werkt, dat de cel – zoals men in de moderne computertaal gewend is te zeggen – over de ‘informatie’ beschikt om zo te worden zoals ze dan is op haar plaats in het organisme. Dat het organisme een geheel is en de cel slechts een ondergeschikt deel is van dit geheel, wordt tegenwoordig niet geleerd. Hoe het gebeurt, dat het ondergeschikte deel het omvattende geheel tevoorschijn moet brengen, d.w.z. hoe en van wie de cel de informatie ontvangt die haar bestaan bepaalt, daarover wordt eveneens niets gezegd. Dit feit wordt als gegeven voorop gesteld, daarover behoeft men verder niet na te denken. Maar een merkwaardig feit blijft het dat het leven (dat zich in de cel als wasdom en deling manifesteert) wanneer zich dat slechts als zodanig uit, in het beste geval een ongeordend en destruerend kankergezwel, niet een goed geordend en als totaliteit functionerend organisme te voorschijn brengt. Men gaat zich afvragen wat dit hierboven uitrijzende principe als een totaliteit van krachten is, dat de bouwstenen van de ‘cellen’ hun plaats wijst, zich ervan bedient en daaraan ten behoeve van de totaliteit gedaante en functie toebedeelt. Het begrip voor de totaliteit is bij de huidige zienswijze verloren gegaan. Het moet echter weer opgewekt worden als men het geheim van de menswording wil begrijpen. Er is een boven alles uitgaand, hoogste principe dat als totaliteit het geheel van de cellen van ons organisme vormgevend omvat – ons individuele krachtveld dat ons tot een individueel, slechts één keer voorkomend mens maakt: ons ik. Dit ik als individueel geestelijk wezen geeft aan ons lichaam vorm en aanzien; het houdt ons lichaam gedurende ons hele bestaan op aarde in stand. Dat ik vormt ons ook tijdens de embryonale ontwikkeling, d.w.z. het doordringt als hoogste, scheppende krachtveld het samenstelsel van de cellen dat wij door de bevruchting en de daaruit voortkomende alleen maar levende celprocessen van vader en moeder ontvingen. Het bewerkstelligt dat wij een individuele lichaamsvorm krijgen. De cellen met hun verscheidenheid staan als bouwstenen in dienst van het daarboven uitgaande bouwplan ‘mens’ en worden daarin geïntegreerd. Dit gebeurt bij de processen van onze embryonale ontwikkeling; het is eigenlijk het mysterie van onze wording in de moederschoot. Dat in die wording ook de van de ouders en voorouders stammende krachten van de erfelijkheid meewerken is duidelijk. Niemand zal dit ontkennen. Maar het is net zo evident, dat de mens niet slechts een product van erfelijkheid en milieu is, gelijk de tegenwoordig materialistisch georiënteerde wetenschap meent. In dit product van erfelijkheid en krachten uit het milieu vormt het eigenlijke, individuele wezen van de mens, zijn ik, de specifieke individuele lichaamsvorm die dan de onze is.

Het menselijk wezen en zijn belichaming

Hoe gedraagt zich nu het hierboven geschetste menselijke wezen gedurende de ontwikkeling van het lichaam in de moederschoot, in het geboorteproces en het daarop volgende aardse bestaan? Tijdens de embryonale ontwikkeling – dit werd ons duidelijk – werkt het mee aan de vorming van ons fysieke lichaam. Men zou kunnen zeggen dat het daar als een beeldend kunstenaar een beeldhouwwerk schept op grond van zijn voorstelling, zijn artistieke intentie. De kunstenaar, die ons menselijke wezen is, kan echter veel meer dan welke beeldhouwer ook. Terwijl deze zijn kunstwerk tot een uiterlijk gevormde figuur maakt, werkt de scheppende kunstenaar ‘mens’ ook binnen in zijn kunstwerk; hij vormt daarin organen en alle verschillen in het lichaam tot in de verscheidenheid van de celvormen en zelfs van hun functies toe. Inderdaad wordt hier een verbazingwekkend kunstwerk geschapen in een tijdsbestek van weinig weken. En dan komt de grote, ingrijpende gebeurtenis van de geboorte, waarbij geweldige veranderingen zich voltrekken: men verliest bijv. het wonderbaarlijke omhuld-zijn en de beschutting door de moeder en men moet plotseling een eigen bestaan leiden, waarbij de navelstreng is doorgesneden; men belandt in een – naar het vooreerst lijkt – oneindig grote ruimte, die koel, met lucht en geluid gevuld is. Men is naakt en zwaar, men heeft niet meer het aangename van het vruchtwater om zich heen waarin men tijdens de zwangerschap bijna zonder gewicht zweefde, beveiligd tegen het ruwe geweld van de buitenwereld. Bewegende koele lucht omringt ons nu en laat ons rillen en vol schrik ineenkrimpen, onwillekeurig diep ademhalen als onder een onverwachte koude douche en dan voelen wij ons genoodzaakt om luidkeels ons van binnenuit komende diep doorleefde protest tot uitdrukking te brengen. De beroemde eerste kreet van een pasgeborene is – nota bene! – altijd een uiting van misnoegen, het verkondigen van smart, die een mensenziel lijdt, nooit een vreugdekreet. Het betreden van onze aardse wereld gaat voor de nieuw aangekomene altijd met het ervaren van leed gepaard, nooit met aangename en vreugdevolle gevoelens. Dat smartelijke beleven van de ziel weerklinkt nu van binnen uit het pasgeboren mensje door middel van de menselijke stem. Dit feit verdient alle aandacht, want daarin ligt eigenlijk de sleutel om te begrijpen wat bij het geboorteproces wezenlijk gebeurt. Gedurende de embryonale ontwikkeling gaan wij met de lucht slechts indirect een relatie aan via het bloed van de moeder. Daardoor ontvangen wij de voor het leven noodzakelijke zuurstof. Koolzuur, die wordt afgescheiden, geven wij daaraan af. Op het moment van de geboorte moeten wij lucht nu in onszelf opnemen; wij moeten de lucht integreren en de gasuitwisseling vanaf nu rechtstreeks voltrekken. Ons hele verdere aardse leven moeten zonder onderbreking inademing en uitademing, voortdurend afwisselend, op elkaar volgen, willen wij niet gevaar lopen, het verband van ons zielenwezen met ons lichaam te verliezen, d.w.z. te sterven of, wat dit verband aangaat, ernstige schade op te lopen. Dat betekent echter dat het het luchtelement is, dat ons tijdens ons aardse bestaan door de ademhaling het verband van lichaam en ziel mogelijk maakt, in stand houdt en bepaalt. De rechtstreekse integratie van het luchtelement is uitermate wezenlijk in het geboorteproces. Tegelijkertijd vindt ook de belichaming van ons zielenwezen plaats, dat van nu af aan van binnenuit weerklinkt en voortaan in staat is zich via ons lichaam te uiten. Het meest gedifferentieerd gebeurt dit in de menselijke taal. Deze immers bestaat uit het gedaante-geven aan het luchtelement op grond van de intenties van onze ziel. Op de vleugels van de lucht komt om zo te zeggen in het ogenblik van de geboorte ons zielenwezen het lichaam binnen. Het uit zich voortaan gedurende ons aardse bestaan van binnenuit via ons lichaam, tot wij in het ogenblik van de dood met de laatste ademtocht onze ziel weer uitademen. In de Bijbelse scheppingsgeschiedenis wordt dit gebeuren, hier voor de wording en de geboorte van het hele mensengeslacht, met weinig woorden treffend aldus beschreven:

‘En de Heere God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens: alzo werd de mens tot een levende ziel’.

Aards-goddelijk gebeuren

Hier is duidelijk sprake van aan de ene kant ‘het stof der aarde’, dus een aards element – men zou ook kunnen zeggen van een celelement – waaruit wordt gevormd en aan de andere kant van een luchtelement, de adem des levens, die in de neus van het geschapen wezen wordt geblazen. Het is deze goddelijke, niet uit het aardse stammende adem, het pneuma van de oude Grieken, die de mens tot een levende ziel maakt. Het stof der aarde, d.w.z. de celsubstantie die uit de aardse reeks van generaties stamt, aan het einde waarvan de vader en moeder staan, moet tot menselijke gedaante worden door het uit het goddelijke stammende ‘individuele’ vormgevende principe tijdens de embryonale ontwikkeling. Levende, goddelijke adem, d.w.z. een van buitenaf gedurende de zwangerschap vormgevend principe, verenigt zich in het geboorteproces door middel van het luchtelement met het gevormde lichaam en vervult dit als levende ziel van binnenuit gedurende het nu volgende aardeleven. Dit is het mysterie van de geboorte, het wonder van de menswording – een wonder dat werkelijk ook nog in de 20e eeuw verbazing kan wekken.

.

Algemene menskundevoordracht 1   onder 1 -3

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2748-2577

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (71)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

tussen drie vuren

Een van begin tot eind spannende historische roman. 3 broers beleven ieder op zich gevaarlijke avonturen. Rond 1500 voor Chr. in de stad Gebal, Byblos, wonen ze met hun ouders en zusje Beth. Aleph is leerling-schrijver, Nun schipper en Zayin legeraanvoerder. We komen veel te weten over de leefomstandigheden in die tijd, hoe de mensen dachten. We komen aan het hof van koning Minos op Kreta in de ‘stierencultuur’ en een Chaldese wijze demonstreert aan Nun hoe je ’s nachts op de sterren kan varen, een ongelooflijke vernieuwing van de scheepvaart in die tijd. Hij is het die ook uit de sterren een toekomstige ramp kan voorspellen en die voltrekt zich dan ook op Kreta. Maar daar niet alleen: ook Gebal wordt zwaar getroffen. Een voor een komen de zonen dan toch weer thuis. Het gezin is weliswaar samen, maar met een onzekere toekomst voor zich.

Clive Kin
Ill. Richard Kennedy

Uitgeverij Lemniscaat

Boek

Leeftijd v.a. 12jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2741-2570

.

.

.

.