Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (72)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

.

zomer

Dit boek heeft geen tekst, maar wél mooie illustraties waarop van alles is te zien. Weer een goed voorbeeld van een boek dat zich uitstekend leent om met het jongere kind, de peuter, al vertellend, je fantasie de vrije loop te laten. Je kan van alles aanwijzen en laten (her)benoemen: een weldaad voor de woordenschat en dus taalontwikkeling.
Een jongen en meisje laten een bootje varen; ze spelen op het strand.

Gerda Muller

Uitgeverij Christofoor

Boek

Leeftijd: v.a. 3jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2786-2614

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (37)

.

KREEFT

Van afbeeldingen uit Egyptische tempels weten we dat de Egyptenaren op de plaats van ons dierenriemteken Kreeft hun heilige kever Scarabaeus zagen die ze op ontelbare amuletten, zegels e.d. afbeeldden. Voor hen was het een bijzondere vorm waarin de zon verscheen en als een symbool van vernieuwing.
De oude Grieken zagen in dit sterrenbeeld de kreeft die de godin Hera aan Herakles (→ Herakles) schonk terwijl deze met de Lernaïsche slang vocht (→Hydra).
Koning Eurystheus had de held Herakles als tweede opdracht gegeven de slang van Lerna te doden. In het begin vocht Herakles tevergeefs met het negenkoppige slangenmonster. Voor elke kop die hij eraf sloeg, groeiden er uit de bloedende wond twee of drie nieuwe en de held had al zijn aandacht nodig om de giftige beten af te weren.
De godin Hera was Herakles vanaf zijn geboorte slecht gezind. Ze vervolgde hem, omdat hij een zoon van haar echtgenoot Zeus was uit een verbinding met een sterfelijk wezen. Maar alle hindernissen die zij Herakles in de weg legde, bleken voor hem beproevingen van zijn kracht en versterkten zijn zelfvertrouwen. Zo ging het ook met de strijd tegen de Hydra van Lerna. Hera wilde hem bij de Hydra afleiden, zodat hij een ogenblik niet goed zou opletten, zodat deze hem dan een dodelijke beet zou kunnen geven. Ze liet uit het moeras een grote kreeft tevoorschijn komen die van achter op de held toeliep en hem met zijn scharen in zijn hiel kneep. Herakles draaide zich echter niet naar de kreeft om, wat de bedoeling van Hera was, maar vertrapte hem door met een geweldige stamp van zijn voet naar achter uit te halen. Het zou Hera geweest zijn die de kreeft als sterrenbeeld vereeuwigd heeft.

Voor de Romeinen was de open sterrenhoop Praesepe een kribbe vol hooi waar twee ezels bij stonden, de zuidelijke en de noordelijke ezel en die sterren heten nu ook nog zo. Krib en ezel zouden door Zeus tot sterren zijn gemaakt. Waarom, dat weten we niet.

Het is opmerkelijk dat er niet meer legendarische verhalen over het sterrenbeeld Kreeft bestaan. Misschien wel omdat zijn sterren niet zo opvallen. 
Wanneer we mogen aannemen dat het fixeren van de sterren niet toevallig is, maar vanuit een hogere wijsheid plaatsvond, dan komen we het geheim zeker op het spoor, wanneer we ons nog meer bezighouden met de kreeft als dier. 
We willen daarom hierna een paar gedachten over het karakteristieke van de kreeft toevoegen, zodat ons het sterrenbeeld vertrouwder wordt.

De kreeft leeft in het water en ademt door kieuwen als een vis. Af en toe zwemt hij ook, maar overdag houdt hij zich liever schuil in zijn hol onder een steen of een soortgelijke schuilplaats en pas als het duister begint te worden gaat hij op zoek naar voedsel. Tientallen jaren geleden waren onze beken, rivieren en zeeën rijk aan kreeften. Wie tegenwoordig een kreeft wil waarnemen, moet nu naar een dierentuin. 
Als je een kreeft voor je hebt, valt allereerst zijn pantser op. Dit omsluit het dier als een harnas. Kop en borstdeel zijn star, terwijl het achterdeel samengesteld is uit beweeglijke ringen. De lange voelsprieten tasten al het onbekende af. Slechts langzaam beweegt de kreeft zich met zijn buigzame poten voorwaarts, de grote scharen als een wapen voor zich uit. 
Als er een vijand nadert of ander gevaar dreigt, trekt de kreeft zich onmiddellijk in een schuilplaats terug. Dat is een wezenlijk kenmerkend verschil met het gedrag van vissen. Die richten zich voortdurend op het stukje wereld dat ze voor zich hebben en laten de wereld achter zich voor wat die is. Kreeften daarentegen, bewegen zich voorzichtig voorwaarts, houden hun scharen in de aanslag en vluchten zo snel als mogelijk in blind vertrouwen terug naar de wereld achter hen. 
Ook het sterrenbeeld Kreeft beweegt zich aan de hemel schijnbaar teruggaand.
Het ademhalingsproces van  de kreeft en de vis is verschillend. Het ademwater van de kreeft stroomt door een spleet aan de achterkant van het borstpantser naar binnen en voor bij een opening dichtbij de kop weer naar buiten. De ademstroom bij de vis laat zich vergelijken met onze inademing, die van de kreeft met ons uitademen, want hij stoot zijn adem naar voren weg. 
Om te groeien verwisselt de kreeft van tijd tot tijd van huid, hij moet zijn stijve pantser afleggen. Dit wijze proces gaat zo: de kreeft gaat vasten waardoor zijn pantser losser komt te zitten. Tegelijkertijd zet hij vanuit zijn huid kalk af in een daarvoor bestemde ruimte in zijn maag en slaat dat daar op. Dat duurt zo lang, tot er in het borstpantser een scheur ontstaat. Nu bevrijdt het dier zich uit zijn behuizing en houdt zich een tijd verborgen, want zonder pantser is het volledig weerloos. In deze tijd groeit de kreeft en vernieuwt de afgebroken delen. Dan zet hij in zijn huid weer kalk af, bouwt een nieuw pantser om zich heen en leidt zijn leven weer als vanouds. 
Wat een merkwaardig wezen is de kreeft toch! Op aarde en als sterrenbeeld!
.

Zo                                                                   z                                                         zw
febr.   1    24°°u                                   mrt.    1   22°°u                             apr.  1  21°°u*
          15   23°°u                                              15  21°°u                                     15  20°°u*

*zomertijd

De zwak schitterende sterren van het sterrenbeeld Kreeft zijn alleen bij een heldere sterrenhemel buiten de grote stad te zien. We vinden het tussen het sterrenbeeld van de Leeuw en dat van de Tweelingen in maart hoog aan de hemel in het zuiden, in april in het zuidoosten en in mei naar het westen toe dalend, alles aan de avondhemel.

Namen van de sterren:

Acubens (Arabisch) = schaar (van de kreeft)
Asellus Australis (Latijn) = zuidelijke ezel
Asellus borealis (Latijn) = noordelijke ezel
Presepe (Latijn) = kribbe

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen.

.

2783-2611

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Jan (36)

.
Dieuwkje Hesselsholkamp, via Facebookgroep vrijeschool, juni 2022

.

het sint-jansfeest en de zomerzonnewende

.

Ik ben de moeder zon en draag
de aarde bij nacht, de aarde bij dag.
Ik houd haar vast en schenk haar licht,
dat alles op haar groeien kan.
Steen en plant, mens en dier,
alles ontvangt zijn licht van hier.
Doe open je hart als een beker klein,
laat mijn licht ook daarbinnen zijn.
Doe open je hartje, mijn kindekein,
dat wij tezamen één licht mogen zijn.
Ik ben de moeder zon.

Christian Morgenstern

Het Sint-Jansfeest en de zomerzonnewende

De zomerzonnewende wordt steeds vaker weer gevierd en daarom wil ik je
hier iets meer over vertellen. Op 24 juni wordt onder andere op de vrijeschool het Sint-Jansfeest gevierd. De geboortedag van Johannes de Doper wordt herdacht. Van andere heiligen wordt de sterfdag gevierd, maar niet van Johannes. Zijn geboortedag valt net na de zomerzonnewende (21 juni), maar
dat is niet altijd zo geweest.
Voor de invoering van de Gregoriaanse kalender vielen die dagen samen. Johannes was een man die dicht bij de natuur leefde en een zeer groot/hoog geestelijk wezen was. Hij was de wegbereider van Christus. Hij doopte Christus in de Jordaan, terwijl een duif neerdaalde op Zijn hoofd. Het was het begin van de drie jaren dat Christus preekte en genas.
Johannes sprak de legendarische woorden: ‘Ik moet afnemen, Hij moet
groeien.’ Daarin geeft hij zowel het geestelijke aspect weer (zijn geest en
invloed werden kleiner), als het proces dat zich in de natuur laat zien.
Eigenlijk is het Sint-Jansfeest een samensmelting van het oude Germaanse
midzomerfeest met de christelijke heiligendag. Het Sint-Jansfeest staat
tegenover het kerstfeest, waarbij we de geboorte van Christus en de
winterzonnewende vieren. Bij het oude Germaanse feest op 21 juni – de
langste dag- werden vuren ontstoken ter zuivering en braken er magische krachten los. Men verzamelde geneeskrachtige kruiden voor het komend jaar. In spiritueel opzicht werd het zware aardse verheven zodat de ziel met
zijn vleugels naar de zon (zonnegeest) kon vliegen (en in extase kon raken). Rond de zomerzonnewende is de atmosfeer van de aarde groter. De mensen en vooral de druïden ervoeren dat het geestelijke dichterbij was. Letterlijk door in contact te komen met die geesten en het hogere, maar ook via de (extra) krachtige werking op dat moment van dromen en de geneeskrachtige kruiden. De feesten waren een uitdrukking van het extatische buiten zichzelf raken van de menselijke ziel in de zomer. Maar het gebeurde allemaal in een ‘dromerige’ sfeer. De mens was toen namelijk nog niet wakker.
In deze tijd zijn de mensen en kinderen erg wakker en verbonden met de aarde, maar wij kunnen nog wel iets merken van die extatische zomersfeer. Het vuur kan ons doen inspireren en ontvlammen. Als dat met bewustzijn gebeurt,
kunnen we als mens groeien, maar als dat zonder bewustzijn gebeurt, kunnen er letterlijke en figuurlijke branden ontstaan. Dat laatste zagen we bij het uitbreken van WO I en ook bij zomerse schietpartijen. Positief kunnen wij nieuwe
krachten opdoen, geïnspireerd en zelfs buiten onszelf raken. Wij reizen en verlaten daarmee letterlijk ons huis en zijn in de zomer veel buiten. We zijn wat soezerig van de warmte, dromerig en zijn daardoor figuurlijk uit ons huis
(lichaam). Dat is niet helemaal de bedoeling. Geniet van de zomer, maar blijf wakker en bij jezelf. Zeg ook tegen de uitgelaten of dromerige kinderen: ‘Pas op!’ (Bijvoorbeeld buiten op straat), want ze letten zelf niet op.
De zon is steeds hoger geklommen aan de hemel en alles in de natuur heeft zijn hoogtepunt bereikt. Letterlijk doordat de planten vaak niet hoger worden en ook de bloemenpracht is nu op zijn mooist.
Na 21 juni worden de dagen weer korter en de nachten langer. Het zomerhoogtepunt is ook een ommekeer en dat is in de natuur waar te nemen; de
bloei en groei neemt af en de vruchten beginnen te rijpen. Grassen en granen worden geel.
Er is een oud gezegde dat luidt: ‘Met Sint-Jan draait het blad zich om.’ Dit geeft die langzame verandering in de natuur weer. Rond de zonnewende bloeit ook het gele en genezende sint-janskruid. Dat wonden geneest en als supplement helpt bij (milde) depressieve klachten en slapeloosheid, maar het kan niet altijd ingezet worden (even check voor gebruik dus)!
Het Sint-Jansfeest is op de vrijeschool een laatste uitspatting voor de zomervakantie begint. Het is een buitenfeest met zang, muziek, volksdansen, spelletjes, bloemenkransen, vuurspringen en een picknick (met drie in de pan en
vlierbloesemsiroop). Op de vrijescholen wordt er vanaf de eerste klas over het vuur gesprongen, niet alleen omdat het kind hier jaren naar uitkeek en het spannend, nu pas verantwoord en leuk is, maar ook om in de warmte van het
vuur opgetild en geïnspireerd te worden. Voor de volwassen zijn de jaarfeesten ook een mogelijkheid om te groeien.
Dit feest is er een van innerlijke groei: Verbinden met het geestelijke zonder jezelf te verliezen. De vrucht, die zich vormt, vasthouden zodat je in de herfst – als je weer tot en in jezelf gekomen bent- kunt
oogsten. – http://www.antroposofiekind.nl

Sint-Jan, die komt er an!

23 juni 2015 Jaarfeesten [Naomi Rowaan : Antroposofisch leven.]

Het jaarfeest van Sint-Jan
Sint-Jan wordt gevierd op 24 juni; het valt samen met de zomerzonnewende en het is het laatste jaarfeest dat op vrijescholen gevierd wordt voor de zomervakantie begint.
Maar wie was Sint-Jan, en waarom vieren we dit feest? Dit stuk gaat in op de eeuwenoude geschiedenis en de gebruiken van Sint-Jan.

Oogst en blijdschap

Sint-Jan is op de vrijescholen een van de uitbundigste jaarfeesten.
Kinderen dragen veelal wit of wit met rode kleding*, en dossen zich uit met
grote gevlochten kransen gemaakt van veldbloemen. Alle planten en bloemen om ons heen zijn in bloei, de bomen zijn groen en vol, de dieren hebben jongen. Overal om ons heen in de natuur zien we geluk en overvloed. Dit herinnert ons eraan dat eind juni een begin gemaakt wordt met de oogst. Wij hebben nu kassen en kunnen ons voedsel importeren, maar vroeger waren de mensen afhankelijk van hun oogst en waren ze blij als de oogsttijd weer aanbrak.

Zomerzonnewende en heidense gebruiken

Midzomernacht, omstreeks 21 juni, is het keerpunt van het licht, de
zomerzonnewende. De dagen worden vanaf deze dag weer korter en de
nachten langer. De oude, voorchristelijke natuurreligies, die veel aandacht
hadden voor de werelden naast de onze, beschouwden dit moment in het
jaar als bijzonder. Contact met de wereld van de natuurwezens en die van de
overledenen werd even wat gemakkelijker; de sluier tussen onze wereld en
de andere werd veel dunner. Door middel van rituelen legde men contact en
vroeg om hulp. De keerzijde was dat er ook meer bescherming gevraagd
moest worden omdat ook kwade wezens dichterbij konden komen. De
paganisten en heksen van nu vieren midzomer of Litha vandaag de dag nog steeds, gebaseerd op deze oude gebruiken.

Van heidens naar christelijk feest

Toen het christendom begon te overheersen, werden de al bestaande jaarfeesten omgevormd naar christelijke feesten, zoals we ze vandaag de dag nog grotendeels kennen. De oude kern is soms voor een deel bewaard gebleven.
Voor 24 juni geldt dat deze datum binnen het christendom wordt beschouwd als de geboortedag van Johannes de Doper. Johannes de Doper werd een half jaar eerder geboren dan Jezus, en hij bereidde de mensen voor op de komst van Christus. Hij doopte de mensen tot christen in de rivier de Jordaan. Johannes de Doper gaf de mensen als boodschap mee dat zij niet altijd zorgeloos konden genieten, maar dat er nu een tijd zou komen van het naar binnen kijken.

Sint Jan en de antroposofie

Het Sint-Jan van nu is vanuit antroposofisch oogpunt een vrolijk en uitbundig feest, een feest van samenzijn met elkaar. De diepere vertaling van het Sint-Jansfeest van nu gaat ook over de intuïtieve mens, harmonie in de wereld om ons heen en tussen de mensen. Het ervaren van eenheid tussen onszelf en de elementen, de aarde… wij stammen allemaal uit dezelfde goddelijke oorsprong.

Sint-Jansfeest [komt van: http://www.beleven.org]
Datum: vrijdag 24 juni 2022
Land/ gebied: Wereld (Christenen)
Soort: Folkloristisch (Heiligendag)
Religie: Christendom (Rooms-Katholicisme)
Midzomerfeest/ Sint-Jan. Jaarlijks op 24 juni. Op deze dag herdenkt men de geboortedag van Johannes de Doper, de profeet die Jezus in de rivier de Jordaan doopte. Deze dag valt samen met het Midzomerfeest dat van oudsher op veel plaatsen in Europa wordt gevierd.
Op de avond van Sint-Jan kwamen vroeger buurtgenoten bij elkaar en maakten met zijn allen een groot vuur. Men zong en
danste en de moedigsten sprongen over het vuur heen. Als een jongen en een meisje hand in hand over het vuur sprongen, was hun band voor eeuwig verzegeld.

Geboorte van de heilige Johannes

Feest dat met name in Orthodoxe (Katholieke) landen een zeer oude traditie kent, die teruggaat naar nog veel oudere zonnewendefeesten en -rituelen.

Sint-Jansfeest/ Midzomerfeest

Met Sint-Jan was het voor vrouwen mogelijk een vrijer te vinden.
In de zeventiende eeuw was het gebruikelijk bloemen aan de huizen te hangen of boven de straat en ’s avonds feest te vieren met elkaar. Jongens en meisjes trokken gearmd door het dorp of de buurt.
Volgens een ooggetuige uit 1606 werd er gedanst en zong men ‘ijdelicke liedekens’. Wist de vrouw een man te strikken dan werd deze ‘mijn Sint-Jan’ genoemd.
Bredero dichtte over dit feest en liet Bouwen Langhlijf vertellen over
zijn ontmoeting met Sinnelijcke Nel van Gooswegen:

So haest als zij mijn sach,
So stong ick huer wel an
Want sij riep, int volle seltscip:
Dit is mijn eyghen Sint-Jan

In Nederland wordt het Jansvuur nog ontstoken in verschillende dorpen. Met name op vrijescholen neemt het Jansfeest een belangrijke plaats in bij het stilstaan bij de jaarcyclus. De kinderen dragen dan een krans van gras met
daarin bloemen gestoken. Bij sommige scholen wordt ook een vuur ontstoken waar de kinderen uit de hoogste klassen overheen springen.
Van Sint-Jan wordt, net als bij Maria, de geboortedag herdacht en niet het sterven.
Sint-Jan wordt dan ook gezien als het begin van een nieuwe periode in het jaar. Ook de natuur verandert. ‘Met Sint-Jan draait het blad zich om’ is het gezegde. Sint-Jan markeert een overgangsperiode.
Het sterven van Johannes de Doper wordt jaarlijks door de kerk herdacht op 29 augustus.
Johannes de Doper is patroon van: wevers, kleermakers, schilders, leerlooiers, timmerlieden, smidse, kuipers, schoorsteenvegers, herbergiers, bontwerkers, wijnbouwers, architecten, drankbestrijders, bioscoopbezitters, herders,
dansers, muzikanten, zangers, huisdieren, schapen, lammeren, vasten, Karmelieten, Maltezer ridderorde.
Johannes de Doper is patroon tegen: hoofdpijn, schorheid, duizeligheid, epilepsie, kinderziekten, angst, hagel.

De datum van Midzomer

Volgens de Juliaanse kalender viel het zomersolstitium, de langste dag van het jaar, op 24 juni, net als later het christelijke Sint-Jansfeest. Hoewel het solstitium in de loop der eeuwen steeds verder van deze datum ging afwijken, bleef 24 juni aan dit feest gekoppeld. Pas bij de invoering van de Gregoriaanse kalender, in grote delen van Nederland niet eerder dan 1700, werd het zomersolstitium op 21 juni vastgesteld. Tegen die tijd was het Midzomerfeest al zo ingekapseld in het Sint-Jansfeest dat het begrip Midzomer nog steeds wordt verbonden met 24 juni. Het Woordenboek der Nederlandsche taal geeft als omschrijving van Midzomer: ‘Het midden van den zomer, de langste
dag, ook wel 24 Juni, St-Jan Baptist.’
In het Engels wordt onderscheid gemaakt tussen midsummer, waarmee meestal het zomersolstitium, 21 of 22 juni, wordt aangeduid, en Midsummer Day, waarmee nog steeds uitsluitend 24 juni wordt bedoeld. Als tweede betekenis
van midsummer geeft de Oxford English Dictionary: ‘midsummer = Midsummer Day, June 24th’.
Midsummer Day was vanouds in Engeland en Ierland een van de quarter-days, waarmee het jaar in vieren werd gedeeld, naast Lady Day (25 maart), Michaelmas (29 september) en Christmas (25 december).
De Gregoriaanse kalender werd, zoals gezegd, pas in 1752 ingevoerd in Engeland en de Engelse koloniën en pas vanaf dat moment was 21 juni ook daar de langste
dag, maar de Midzomerviering bleef gekoppeld aan de oude datum.
Strikt genomen kan Midzomer het beste op 21 of 22 juni gevierd worden, maar voor het zoeken naar volksgebruiken rond deze viering moeten we ons richten op 23 juni (Sint-Jansavond), de nacht van 23 op 24 juni (Sint-Jansnacht) en
24 juni (Sint-Jansdag). Soms wordt Midzomer gevierd op een vaste weekdag in de buurt van 24 juni.
In Finland en Zweden is dit bijvoorbeeld de zaterdag tussen 20 en 26 juni (Midsommardagen).

Een feestdag in Andorra, Canada, Litouwen
Sint-Jan: een nacht vol toverkracht 17 juni 2020
Over het vuur springen, hoe cool is dat? Voor veel kinderen (en ook volwassenen) is het het hoogtepunt van het Sint-Jansfeest. Je koopt er een jaar gezondheid en geluk mee, wordt gezegd. En jonge paartjes die er met z’n tweeën
overheen springen hopen samen een gelukkig leven te leiden.
Op 24 juni is het weer zover, dan vieren vrijescholen hun eigen midzomerfeest. Een traditie in veel Europese landen, waaronder Zuid-Engeland, Scandinavië en ook veel Slavische landen, maar minder bekend in Nederland.
Tekst: Tineke Croese


Midzomerfeesten, we vieren ze in de lichtste tijd van het jaar, als de dagen lang zijn en de korte nachten niet echt donker lijken te worden. Bij het vuur vlechten kinderen bloemenkransen, er wordt muziek gemaakt, gedanst en gepicknickt. Soms verbranden mensen een als heks uitgedoste stropop: zij neemt alle narigheid van het voorbije jaar mee in het vuur.
En wie durft, springt over het vuur en koopt op die manier een jaar gezondheid en geluk voor zichzelf.
De korte, lichte nachten van Sint-Jan hebben iets geheimzinnigs. Volgens het volksgeloof kunnen mensen in deze nachten de taal van de dieren verstaan en bezitten sommige planten grote magische kracht. Die kun je bijvoorbeeld
gebruiken om je van de trouw van je geliefde te verzekeren. Niet alleen de mensen blijven in deze nacht wakker tot de zon opgaat, ook het ‘kleine volkje’ is op pad. Misschien is het ook door hun toedoen dat de nacht van Sint-Jan vol
toverkracht is. Als de elfen je gunstig gezind zijn, wijzen ze je de weg naar verborgen schatten. Maar vaker zijn deze plagerige natuurgeesten geneigd om mensen voor de gek te houden, zoals Shakespeare in zijn
Midzomernachtsdroom laat zien.

Licht

De midzomerfeesten die op 21 juni gevierd worden, stammen al uit de voorchristelijke tijd.
Het Sint-Jansfeest van 24 juni was eigenlijk
bedoeld als de christelijke


voortzetting ervan,
maar er veranderde in de praktijk zo weinig dat de vroegere midzomerfeesten er zonder problemen naast bleven bestaan.
Sint-Jansfeest, midzomerfeest – het lijkt niet echt uit te maken.
De gebruiken zijn hetzelfde.
Het is geen toeval dat de Kerk ervoor koos om Kerstmis en Sint-Jan kort na het midwinterfeest van 21 december en het midzomerfeest van 21 juni te vieren. De nieuwe christelijke feesten werden gebracht als een voortzetting en vernieuwing van de oude voorchristelijke feesten.
Tijdens de midwinterzonnewende bereikt de zon het laagste punt aan de hemel. Het is de donkerste tijd van het jaar. Vroeger wachtten de mensen elk jaar weer in spanning af of het licht wel terug zou keren. Via rituelen probeerden ze die terugkeer te bewerkstelligen. Met Kerstmis, het geboortefeest van Jezus, vieren we de geboorte van het licht op aarde. Het wordt daarom kort ná de kortste dag gevierd, als de zon het diepste punt al voorbij is.
Bij de midzomerzonnewende bereikt de zon het hoogste punt aan de hemel. Het is de lichtste tijd van het jaar. Maar kort daarna volgt een dramatische ommekeer: de zon begint weer te dalen en verliest zijn lichtkracht. Dat merken we niet direct, maar toch neemt het licht langzaam weer af en worden de dagen korter.
Op 24 juni is het volgens de kerkelijke heiligenkalender de geboortedag van Johannes de Doper. Hij doopte Christus in de Jordaan en verkondigde zijn volgelingen dat hijzelf – Johannes – minder krachtig moest worden, terwijl Christus moest groeien. Om die reden kreeg het feest van Sint-Jan de Doper een plaats op 24 juni, als de zon al ‘minder wordt’, in kracht begint af te nemen. De zon laat rond midzomer zien waar Johannes op wees: alles wat voorchristelijk
is, tot en met Johannes zelf – de laatste voorchristelijke profeet – is als die uiterlijke zon wiens luister en grootheid na 21 juni minder worden. Johannes de Doper sluit de voorchristelijke tijd af, maar als ‘engel van de Heer’ was hij ook de
wegbereider van Christus die aan het begin van een nieuwe tijd verschijnt.

Van oud naar nieuw

Johannes de Doper riep op tot inkeer. Hij riep op om het oude los te laten en een andere innerlijke houding aan te nemen. Dat maakte hem tot een eenling, een roepende in de woestijn. Mensen hadden ontzag voor hem, maar ze
vonden het te moeilijk om hem te volgen. Dat zien we ook bij het Sint-Jansfeest. Terwijl Kerstmis wel de vernieuwing van het midwinterfeest werd, bracht het Sint-Jansfeest die vernieuwing niet voor het midzomerfeest. Eigenlijk is dat
wel te begrijpen: iedereen verheugt zich op de komst van het licht, iedereen wil het donker graag achter zich laten.
Wat het Sint-Jansfeest vraagt is veel moeilijker: afstand doen van het licht, van het bekende, van wat vanzelfsprekend en vertrouwd is. En jezelf in plaats daarvan openstellen voor het nieuwe en onbekende.
Net als de kersttijd is de Sint-Janstijd een tijd van ‘oud en nieuw’, van terugkijken op het verleden en vooruitkijken naar de toekomst. In de kersttijd houd je dat klein: je reflecteert op jezelf, je maakt goede voornemens om iets in je persoonlijk leven aan te pakken. In de Sint-Janstijd kijk je terug op een groter
geheel, op de samenleving of op je eigen sociale omgeving. Moet daar iets worden aangepakt? In het verleden was het nog mogelijk om veel meer
vanuit vaste sociale patronen en rollen te handelen, tegenwoordig moeten we
een situatie vaker zelf beoordelen en een eigen aanpak bedenken. Oude
tradities en door de groep bepaalde normen verdwijnen in hoog tempo. We
zijn aangewezen op ons eigen inzicht en oordeel en het vertrouwen daarin
moet nog groeien.

Vrolijk

Het Sint-Jansfeest is een blij feest, met bloemenkransen, zang en dans, met een Sint-Jansvuur en vrolijkheid. Om ons heen zien we de natuur zo uitbundig en rijk als in geen ander jaargetijde. Maar het is ook een periode van reflectie. Lang niet alle vruchten zijn rijp in juni. De meeste hebben de hele zomer nodig om te rijpen, om zoet en sappig en eetbaar te worden. Zo heeft ook alles wat je in het voorbije jaar aan kennis en inzicht hebt opgenomen tijd nodig om te rijpen.
Het moet even met rust gelaten worden, net als schoolkinderen in de zomervakantie. Na dit feest volgt die heerlijk lange, zorgeloze zomertijd. Pas aan het eind van de zomer, als de vakantie voorbij is en iedereen klaar staat om
opnieuw de oude patronen binnen te glippen, is de tijd rijp om met onze nieuwe voornemens aan de slag te gaan.
Dit artikel is gepubliceerd in de jaarfeestenrubriek van AM-nummer 2, juni 2016.

Kringdans:

De jongens en meisjes vormen hand-in-hand een paar en dansen samen in de kring en bij de laatste regel van het liedje maken de meisjes een reverence naar de jongens en de jongens maken een mooie buiging naar de meisjes en vervolgens wordt het liedje weer opnieuw gezongen en gedanst.

Rudolf Steiner:
weekspreuk 12: Johannesstemming

de gespiegelde spreuk 41

Sint-Jan is echt een buitenfeest. Meestal is het ook erg mooi weer. Het gevoel van saamhorigheid hoort bij de Sint-Jansviering. Sint-Jan vier je niet alleen, maar met het gezin of met een groep. Hoe meer zielen hoe meer vreugd!
▪ Picknicken, als iedereen die komt iets te eten en/of drinken meeneemt, liefst zelfgemaakt, ongeveer genoeg voor twee volwassenen. Als iedereen ongeveer dezelfde hoeveelheid meeneemt is er genoeg voor iedereen, en is
de picknick een heus feestmaal!
▪ Over het vuur springen Dit is een traditie die ons ver terugvoert in de tijd, naar onze Keltische voorouders. Zij maakten vuur en sprongen eroverheen. De symboliek voor onze voorouders was een nieuwe periode in springen, en ziekten en narigheid de baas zijn. Over het vuur springen kan ook gezien worden als de poort naar de elfenwereld door gaan. Vandaag de dag kan het gezien worden als het overwinnen van angsten en het achterlaten van een deel van jezelf dat je niet meer nodig hebt.
▪ Zingen en dansen en spelen!
▪ Het vlechten van een bloemenkrans:
Veldbloemen en wilde bloemen horen bij de overvloed van Sint-Jan. Bloemenkransen blijven langer mooi als je ze voor het gebruik op een bord in de koelkast legt met een natte doek eroverheen
▪ Het is heel leuk om de avond voor Sint-Jan samen in het bos of het veld wilde bloemen te verzamelen en er een krans van te vlechten om met Sint-Jan te dragen.
▪ Natuurlijk is het ook heel leuk om de seizoenstafel in Sint-Janssfeer te brengen!
▪ Speurtocht met opdrachten gerelateerd aan de elementen lucht, aarde, water vuur.
• Blijf tot middernacht op, zing en dans om het vuur.
• Spring over een echt vuur(tje) of een vuurtje gemaakt van gele en rode doeken.
• Organiseer zomerse spelletjes zoals eieren lopen maar dan met waterballonnen.
• Bak koekjes met eetbare bloemen.
• Maak ijsklontjes met eetbare bloemen.
• Doe een kersenpitten ‘wie kan het verste spugen?’ wedstrijd.

Maak samen een eenvoudige Bucketlist voor de zomervakantie (je kan als voorwaarde voor kinderen maken dat het (bijna) geen geld mag kosten: In de zee zwemmen. Een schaap knuffelen. Een ijsje eten. Een boek lezen. Een ochtendwandeling maken met het hele gezin. Fietsen langs een rivier. Picknicken in de tuin. Stokbrood maken boven een kampvuurtje. Slapen in de tent bij iemand in de tuin. Een hut maken in het bos. Samen naar de sterren kijken.
Schelpen verzamelen op het strand met een gaatje erin en een zomerketting maken.

Laat mij het levenswater zoeken van Ineke Verschuren,
Het hele jaar rond van Marijke van Raephorst,
Het hele jaar rond van Sandra Klaassen,
Leven met het jaar, Christiane Kutik

Sprookjes bij de Sint-Janstijd:
Kleuters: Grimm: “het klosje , de schietspoel en de naald’. “de gouden gans”, “de bijenkonngin”, ‘de kristallen bol”, “roodkapje “, “de zes zwanen”´
Bakersprookjes: “het bootje “, “robin roodborst”,

Sint -Jansfeest/tijd en kleuters:

Een wiebelige tijd, de zomervakantie komt eraan, de natuur staat in lichterlaaie,
De spanningsboog van kleuters verandert in kleine spanningsboogjes met grote of minder grote valpartijtjes en ongelukjes: ze komen gauw uit evenwicht en worden naar buiten [bijna buiten zichzelf] getrokken…
Er wordt in deze tijd van het jaar vaak gezongen:

“hele hele zegen,
Drie dagen regen,
Drie dagen zonneschijn,
Dan zal het vast weer beter zijn”

Het helpt om met de kleuters evenwichtsoefeningen te doen [“zit of staat de kring”, “wie kan er op 1 been staan,
een sprongetje maken, in de vingers knippen, je oren laten wiebelen. zoveel mogelijk variëren in’t groot en in’t klein],
of liedjes met gebaren [zoals : “Hoofd schouders knie en teen”, of “dit zijn mijn wangen”…,
of in een lange rij naar buiten en samen over de zandbakrand lopen of evenwichtsbalk,
of twee aan twee een bootje maken [“varen varen over de baren” “Berend Botje ging uit varen”, “ik voer laatst over zee, ga je mee…”].
veel touwtjespringen, in t grote touw of individueel
dansspelen buiten doen:
“Jan en piet gaan dansen” en “schipper mag ik overvaren” en “you put your left foot in, you put your right foot in…”
Zingen, veel zingen: harmoniserend bij elkaar zijn en blijf met de klas in het klassenritme: dat geeft houvast en daardoor brengt het evenwicht.

Knutselen met Sint-Jan:

Andere activiteiten:

spelen met zand en water: zandkastelen maken,
stenen zoeken en wassen en poetsen [en schilderen]
bellenblaasstokken zelf maken,
veren verzamelen,
bloemen plukken: sommigen in een boeket, anderen gaan drogen, een mobiel ermee maken.
hinkelbaan buiten maken met stoepkrijt [verf]
waaier vouwen [van papier] of een zonnetje

Vogeltje: [kinderen] zelf een vogeltje laten tekenen en laten kleuren en
prikken, vleugeltjes vouwen [als bij een pinksterduifje]. touwtje eraan,
aan het touwtje een stokje…. En zie ze vrolijk zingend lopen met hun
vogeltje: “als ik eens een vogeltje was, oh wat zou ik vliegen ….”
Knikkerbaan laten maken met gevormd en ongevormd materiaal
Spelen met schaduw; in elkaar schaduw lopen, bijvoorbeeld of één lijf met 4 armen ….

 

 

.

 
 
 
 
 
 
 

Met toestemming van de auteur, waarvoor dank!

Sint-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

2781-2609

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (5-2/1)

.

Als de leerlingen in klas 6 tuinbouw hebben gehad, hebben ze al wat ervaren van de manier waarop je voedingsplanten kweken kan.
In de 7e klas kan daarop worden teruggekomen en nu het in deze tijd zo actueel is hoe wij onze voedingsproducten verkrijgen, is het zeker niet verkeerd om over de ‘biologische’, maar ook over de ‘biologisch-dynamische’ kweekmethode te spreken. 
Dat moet niet verward worden met ‘antroposofie in het onderwijs’. De B.D-methode bestaat en waarom zouden leerlingen daarmee geen kennis maken.
Opmerkelijk is dat het artikel uit 1990 hier reeds duidt op wat we nu als ‘stikstofprobleem’ kennen.

Wolfgang Schmid, WeledaBerichten nr. 151 september 1990
.

WAT IS BIOLOGISCH-DYNAMISCHE LANDBOUW?

.

Doordat in de loop van de geschiedenis de mens, die leefde van de jacht en het plukken en bereiden van kruiden, ten slotte werd tot wat we tegenwoordig agrariër noemen, onderging ook het landschap een grote verandering. Het natuurlijke landschap werd door de mens veranderd in cultuurlandschap. Om die ontwikkeling te begrijpen is het nodig om te zien wat kenmerkend is voor een natuur- en een cultuurlandschap.

Het natuurlandschap

Dit wordt gekenmerkt door natuurlijke plantengroeperingen, die ontstaan door bepaalde omstandigheden van bodem en klimaat. Zij kunnen door plaatselijke klimatologische omstandigheden heel verschillend zijn en ook in de loop van de tijd veranderen. Binnen die groeperingen is er geen “onkruid” en zijn er geen “schadelijke insecten” naar ons begrip, want de veelvuldige onderlinge relaties tussen planten en dieren (vanaf de micro-organismen tot aan de grote dieren) scheppen een evenwicht. De kringloopprocessen van substanties en energieën zijn principieel gesloten. Daardoor zijn er ook geen problemen door het verlies van stoffen (bijvoorbeeld het uitspoelen van nitraten).

Het cultuurlandschap

Hier is de mens niet meer slechts een deel van de natuur maar hij geeft daaraan in belangrijke mate vorm. Bossen worden gerooid, de grond wordt bewerkt. Cultuurplanten worden verbouwd op allerlei manieren. De gevarieerdheid van de plantenfamilies vermindert, de productie van de land- en tuinbouw wordt vergroot. Daardoor wordt het mogelijk de veestapel te vermeerderen. Het bestand aan dieren in een cultuurlandschap kan 100 keer zo groot zijn als het bestand aan in het wild levende dieren van een natuurlandschap. Door de bewerking van de grond gaat er lucht in doordringen, humus wordt zeer snel omgezet. De kringloopprocessen van de substanties worden bespoedigd – maar ook kwantitatief op een belangrijk hoger niveau gebracht – omdat het kweken van groenvoer (klaver, luzerne enz.) een grotere veestapel mogelijk maakt. Daardoor komt er meer mest, er ontstaan grotere opbrengsten maar ook grotere hoeveelheden overblijfselen na de oogst. Echter: ook het gevaar dat substanties uit de kringloop worden losgelaten wordt groter (uitspoelen van nitraten, kali en ook van subtiele bodemdeeltjes).

Moderne landbouw

Tegenwoordig wordt de landbouw in hoge mate beïnvloed door het materialistisch georiënteerde denken. Nadat de scheikunde werd toegepast in de landbouw, ging men natuurprocessen steeds meer tot chemische reacties reduceren. Met behulp van de bedrijfswetenschappen konden de verschillende gebieden van de landbouw afzonderlijk op hun rentabiliteit worden getoetst. Dientengevolge kon een differentiatie van de algemene landbouw in koeien- en varkensmesterijen, bedrijven zonder vee enz. tot stand komen. Intensivering was dus ook door specialisering mogelijk. Veel landbouwers zijn tegenwoordig genoodzaakt industrieel vervaardigde of toebereide stikstof-, fosfor- en kalikunstmest te kopen. Door de daarmee gepaard gaande vermindering van de natuurlijke vruchtbaarheid van de bodem en de aantasting van de gezondheid van het gewas is de toepassing van synthetisch-chemische bestrijdingsmiddelen onontkoombaar. Ten gevolge van die ontwikkeling zijn thans vele agrariërs genoodzaakt ten dele alleen nog maar op beschadigingen (schimmelziekten, insecten) en op tekorten van de voedselverzorging van de planten te reageren. De specialisering in de landbouw werd echter ook in hele landschappen zichtbaar: zo zijn er tegenwoordig streken, waarin bijvoorbeeld de runderen werden afgeschaft. Daardoor verdween ook de verbouw van groenvoer in de gedaante van klaver- en luzernegras uit het landschap. Aan de andere kant wordt regionaal de veestapel (dikwijls varkens) zo enorm geconcentreerd, dat men met de ontstane hoeveelheden mest geen raad meer weet. Het gevolg is, dat dierlijke mest, eens een waardevol product, tot een afvalprobleem, uiteindelijk een milieuvraagstuk wordt waar men zich het hoofd over breekt.

Vragen over de kwaliteit

Men moet zich afvragen, welke kwaliteiten via op die manier gekweekte producten aan de voeding van de mens worden toegevoegd. Want wij zien kunstmatige voeding van de planten door middel van minerale synthetische kunstmest, profylactische en therapeutische toepassing van chemische pesticiden bij de bestrijding van ziekten en ongedierte, dikwijls ook massale fokkerijen waar de regelmatige toepassing van antibiotica onontbeerlijk is geworden. Hoe staat het met de vitaliteit van deze voedingsmiddelen (chemische resten), met de inpassing in het milieu van zulke producten. Is zulk voedsel geschikt om niet alleen de maag van de consument te vullen, maar ook om voor zijn geestelijke en psychische ontwikkeling een basis te bieden?

De biologisch-dynamische landbouwmethode

Reeds in het begin van de jaren twintig beseften enkele antroposofisch georiënteerde landbouwers de problemen die een uitsluitend materialistisch bedreven landbouw zou veroorzaken. Op hun verzoek hield Rudolf Steiner in 1924 in Koberwitz bij Breslau acht voordrachten met de titelGeesteswetenschappelijke grondslagen voor een vruchtbare ontwikkeling van de landbouw”. [GA 327] Deze zogenaamde “landbouwcursus” is de basis voor de biologisch-dynamische landbouwmethode.

Een belangrijk principe hiervan is, dat de landbouwer zijn bedrijf als een organisme ziet en het dienovereenkomstig opbouwt. In een organisme werken verschillende organen harmonisch samen; zij hebben gedifferentieerde functies en houden het organisme in leven en vruchtbaar. De geestelijke ordening van een organisme moet door de landbouwer tot het vormgevend principe van zijn bedrijf worden verheven. Om dit te bereiken moeten eerst de natuurlijke voorwaarden en de mogelijkheid van het bedrijf worden onderkend: het klimaat, de jaarlijkse hoeveelheid neerslag, het landschap enz. Op grond daarvan kan dan de opbouw van het bedrijf beginnen: welke diersoorten heeft de boerderij nodig, hoe groot kan de veestapel zijn, welk teeltplan maakt de grond vruchtbaar en verschaft aan het bedrijf het nodige economische succes?

Deze soort van landbouw heeft niet de chemie als basis, maar allereerst het waarnemen van wetmatigheden van het levende, ook van hetgeen in het psychisch-geestelijke gebied van landbouw werkzaam is. Het voornaamste streven in een biologisch bedrijf is het levend-maken van de bodem.

Verzorging van de bodem en de mest

Voedings- en werkzame substanties worden hier niet geleverd door de chemische industrie, maar zijn afkomstig van overblijfselen van de oogst, van het verbouwen van stikstof aantrekkende planten, peulvruchten, dierlijke mest, de mineralen in de bodem en van humus. De overdracht daarvan naar de planten vindt plaats door een geweldig aantal micro-organismen (schimmels, bacteriën, algen enz.) en ook grotere dieren (wormen, mijten enz.) in de grond. Dit reusachtige leger van levende wezens, het zogenaamde bodemleven, moet worden gecultiveerd. Daardoor is voor de biologisch-dynamische landbouwer de humus bereidende en leven stimulerende rotting van dierlijke meststoffen een hoogst belangrijke zaak. De mest wordt, voordat hij wordt uitgestrooid, met behulp van de biologisch-dynamische compostpreparaten, die in kleine hoeveelheden worden toegevoegd, gedurende korte of langere tijd gecomposteerd. Deze preparaten bestaan uit op een bepaalde manier bereide geneeskrachtige planten (duizendblad, kamille, brandnetel, eikenschors, paardenbloem en valeriaan) en beïnvloeden de rotting van de mest in hoge mate. De op zo’n manier bereide mest activeert het leven en de processen in de bodem, het afbreken van de organische substanties, het produceren van voedingsstoffen, de opbouw van humus en daardoor ook de bescherming tegen plantenziekten.

Over de preparaten koehoornmest en koehoornkiezel geeft het artikel van Bruno Busse  uitsluitsel.

Kwaliteit

Ten gevolge van de bijzondere mestverzorging, de zorgvuldige bedrijfsvoering en de toepassing van de biologisch-dynamische preparaten is de plant in staat, zich harmonisch tussen kosmos en aarde te ontwikkelen. Langs die weg kan zij bijzonder vitale substanties vormen als grondslag voor een gezonde voeding. Deze levensmiddelen komen onder de benaming “Biodijn” [naam niet meer in gebruik] (voor producten uit landbouwbedrijven die bezig zijn, om te schakelen naar de biologisch-dynamische landbouwmethode) en “Demeter” (voor producten van totaal omgeschakelde bedrijven) op de markt.

Milieubeheer door biologisch-dynamische landbouw

Naast alle beschreven maatregelen kent het biologisch-dynamische bedrijf aan de vormgeving van het landschap ter wille van het behoud van de vruchtbaarheid en het gezond houden van het bedrijfsorganisme een grote betekenis toe. Het planten van bessenstruiken, het aanleggen van heggen of het in stand houden van oeverweiden vergroot niet alleen de schoonheid van een landschap, maar vergroot ook de veelzijdigheid van de flora en fauna en bevordert zo het in stand houden van een evenwicht tussen schadelijk en nuttig gedierte.

Zo bezien is de biologisch-dynamische landbouwmethode niet alleen een richting die ons optimale en gezonde levensmiddelen verschaft, maar door haar wordt ook een cultuurlandschap ontwikkeld, waarin de mens weer op zijn verhaal kan komen en waarin de levens- en zielenkrachten van de natuur kunnen regenereren.

.

7e klas: voedingsleer: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2779-2607

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 13 – alle artikelen

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

voordracht 13

De bladzijden verwijzen naar de vertaling van 1993

Een kleine uitleg over de indeling in paragrafen:
Het eerste cijfer verwijst altijd naar de voordrachtenvolgorde in de uitgave. [2-
Het tweede cijfer is het onderwerp van de beschouwing, aangegeven met het bladzijnummer en een korte inhoudsomschrijving. [13-1]
Het derde cijfer [13-1-1] geeft een uitbreiding aan van de inhoud van [13-1]
Wanneer je de gang door de voordracht wil volgen, hoef je de uitbreidingen niet per se te lezen, al horen ze er inhoudelijk wel bij. De volgorde door de voordracht is dus de reeks [13-1] [13-2] [13-3] enz.
Als kleur: rood

[13-1] Blz. 185-186
Tegenstelling hoofd-ledematen; omstulping naar bolvorm; stuwing bij voorhoofd; ik en neuswortelpunt; de geest stroomt; verwijzing naar GA 294.

[13-1-1] Blz. 185-186
Het geestelijke, gaat verbonden met ziel, als een stroom door de mens heen; ‘stroom’ vanuit verschillende karakteriseringen; wat betekent dit voor leerstof eigen maken; op welk gebied werkt leerstof; voorbeelden van verschillende vakken; uitvoerig over leren lezen; uit GA 302 zeer wezenlijke gezichtspunten geciteerd.

[13-2] Blz. 187-188
Noodzakelijk: contact ouders-school; het ‘drukkende en het zuigende’; over ‘materie’; oorzaak van ‘vervetten’ in samenhang met bewegen.

[13-3] Blz. 186-189
Over materie; geest drukt zich fysiek uit; wat is ‘stof, materie’ – uit GA 66 en GA 134. Materie en de hiërarchische wereld; materie als uiteengevallen geest; over de zenuw.

.

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2775-2603

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof

In de Germaanse mythologie – de vertelstof van klas 4 – komen uiteraard vele namen voor.
Een verklaring van die namen vind je hier.

Bij deze namen ontbreekt (o.a.) de naam ‘WELEDA’.
Vanuit de antroposofie is destijds het farmaceutisch bedrijf ‘Weleda’ ontstaan. 
In het tijdschrift ‘Weleda’ wordt over dit ontstaan e.e.a. verteld waarbij tevens ingegaan wordt op de historische naam.

WAT BETEKENT DE NAAM WELEDA?
.

In het voorjaar van 1920 hield Rudolf Steiner (1861 -1925) op verzoek van artsen in Dornach twintig lezingen over “Geesteswetenschap en geneeskunde” (De ”1e artsencursus”). Daarin werd de antroposofisch georiënteerde medische wetenschap als een weg ter verruiming van de geneeskunst op geesteswetenschappelijke grondslag beschreven. De cursisten wilden over de door Rudolf Steiner ontwikkelde nieuwe, aan de mens aangepaste geneesmiddelen kunnen beschikken. Dientengevolge ontstond het laboratorium, waar geneesmiddelen op de grondslag van antroposofisch inzicht konden worden vervaardigd, de “Internationale Laboratorien AG”, verkort ILAG genaamd. Reeds in de zomer van 1921 werden de eerste preparaten afgeleverd. Het abstractum ILAG werd echter als ontoereikend gezien – gemeten aan de idee, de taken en doelstellingen van de nieuwe onderneming – en daarom stelde Rudolf Steiner in september 1924 de naam WELEDA voor. Als reden van deze keus zei hij slechts dat “Weleda een Oud-Germaanse individualiteit was, die behalve met de geneeskunst ook nog met vele andere dingen te maken had.”

De geschiedenis kent een Weleda, die in de oorlog tussen Romeinen en Germanen (rondom 69 n. Chr.) politiek bemiddelde en daardoor ook de stad Keulen – een Romeinse nederzetting – wist te redden van de dreigende ondergang. Zij behoorde tot de Germaanse stam van de Bructeri, die in het gebied van de bronnen van de Lippe thuis waren. 1) In documenten van antieke schrijvers wordt deze Weleda herhaaldelijk genoemd. Zij werd door haar volk als een zieneres en profetes vereerd. Maagdelijkheid werd van het hoogste belang geacht en daarom leefde Weleda geïsoleerd in een hoge toren.

Dat zij over genezende vermogens beschikte, wordt nergens vermeld. Maar Rudolf Steiner kon als geestesvorser de occulte achtergronden van vroegere culturen onderzoeken en beschrijven. Daarmede doorgrondde hij ook de cultuur van de Keltisch sprekende Germanen, Galliërs, Britten en leren.

Voor deze oervolken, die nog waren ingebed in de eenheid van God en de natuur, was het verband van de mens met de natuur ook in gezondheid en ziekte vanzelfsprekend. Bij de verschillende volken en stammen ontstonden kleine groeperingen van leidinggevende priesters, ingewijden, die over grote helderziendheid beschikten en daardoor ook geneesmiddelen in de natuur konden vinden. Er waren ook vrouwen die dat konden. Zij werden “Weleda’s” genoemd. Zij werden door het volk diep vereerd. Het woord Weleda (in de klassieke Oudheid Veleda, in Gallië Velleda) is van Keltische oorsprong en betekent zieneres, profetes. Weleda was dus een bijnaam.

De naamgeving Weleda voor de onderneming die geneesmiddelen op basis van antroposofische inzichten vervaardigt, wil evenwel niet zeggen, dat hier wordt aangeknoopt aan het boven beschreven Keltisch-Germaanse verleden. Dat zou ook niet kunnen, omdat de oude vermogens van de mensheid reeds lang totaal verloren zijn gegaan. In de plaats daarvoor kreeg de mens in de afgelopen eeuwen de kans zich tot een in vrijheid beslissende individualiteit te ontwikkelen. In de Oudheid bestond er een groepsziel, die in zeker opzicht haar wetten van de priesters ontving en bezat men een occult weten omtrent de processen in de mens en de natuur. Thans is er een eenzijdige natuurwetenschap, waarvan de mens vaak slechts het object is, die ook voor de moderne geneeskunde intellectuele theorieën opstelt. Het geheim van het noodzakelijke evenwicht in het samenspel van lichaam, ziel en geest moeten artsen en farmaceuten door een strenge spirituele scholing weer trachten te ontraadselen. Van principiële betekenis is daarbij de morele houding en een verantwoordelijkheidsbewustzijn zoals dat in het verleden de priesterlijke artsen kenmerkte.

1) Een omvangrijke literair-historische beschrijving door Willem F. Daems en Bert Hecksteden 

.

Bedrijf

Weleda Wikipedia

Zie ook Veleda

Vertelstof 4e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas

.

2771-2600

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme en angst

.
Dr.med. Olav Titze, Weledaberichten 142, september 1987
.

DE ANGST EN HET RITMISCHE SYSTEEM VAN DE MENS

.

De angst als psychisch verschijnsel heeft ook een lichamelijke grondslag waarmee de arts zich bezig moet houden. Het menselijke organisme vertoont drie verschillende functiegebieden: een zenuwzintuigsysteem dat voor het bewustzijn dient, een stofwisselingsledenmatenstelsel, dat diep in het onderbewustzijn het instrument voor de levensprocessen en de beweging is en een derde, tussen die beide systemen bemiddelend systeem, nl. het ritmische systeem met het ritme van de pols en de ademhaling. De angst wordt in het middelste systeem beleefd.

Dit ritmische systeem is uiterst gevoelig zowel voor lichamelijke als voor psychische onevenwichtigheid. Schrik doet de adem stokken, angst snoert de keel dicht, zodat de mens zich niet meer kan uiten. Vreugde, maar ook angst laten het hart sneller kloppen. Bij astma wordt de uitademing, door een volle maag het inademen bemoeilijkt. Acuut gebrek aan zuurstof versnelt de ritmen en veroorzaakt in het psychische gebied angst. Iets dergelijks gebeurt bij de inwerking van grote hitte. Het heldere waakbewustzijn van het centrale zenuwstelsel wordt tot een dromend voelen in het ritmische systeem
gereduceerd. Elke versterking van het bewustzijn in dit gebied zoals door pijn of kramp is een signaal voor ziekte.

De waarnemer daarvan is de mens zelf, of beter gezegd zijn zielenkern, het ik. Alleen neemt hij in dit geval niet de buitenwereld waar door de daarvoor bestemde waarnemingsorganen maar zijn eigen binnenste. De hiervoor dienende innerlijke waarnemingsorganen, die in de fysiologie receptoren heten, oefenen hun functie, als de mens gezond is, altijd onder de drempel van het waakbewustzijn uit en leveren alleen maar een dromend voelen op. Zoals hierboven beschreven kan dit voelen als psychisch verschijnsel zich bijvoorbeeld tot angst verdichten. De lichamelijke verschijnselen kunnen hierbij verschillend zijn. Het bloed kan hevig naar het hart stromen zodat dit sterker moet kloppen of – als dit niet meer voldoende is – wordt het ritme van hart en pols versneld.

In het andere geval beïnvloeden gedachten en zintuigindrukken via de zenuwfuncties en de ademhaling het hart. Er ontstaat benauwdheid. De uitademing gaat stokken en wordt krampachtig. Het is als een stroom van koude, die vanuit het hoofd ten slotte ook het hart en de bloedvaten met een soort van krampen doordringt en doet verstarren. In de ziel wordt angst beleefd. Vanuit het gezichtspunt van het beleven van angst in het ritmische systeem van de mens zijn er dus twee voorwaarden waardoor angst kan ontstaan: het stofwisselingssysteem, dat de wil en de emoties overbrengt, kan via het bloed te sterk het ritmische systeem beïnvloeden of de door het zenuw-zintuigstelsel overgebrachte bewustzijnsprocessen storen het ritmische systeem, eerst de ademhaling en ten slotte ook het ritme van het hart. De arts kan proberen de oorzaken van de angst met geneesmiddelen te bestrijden maar een wezenlijk hulpmiddel is natuurlijk ook het gesprek, dat tot doel heeft de oorzaken van de angst te verwerken. Dit is de taak van psychologen, artsen of zielzorgers, kan echter bij gelegenheid ook gebeuren door een vertrouwenspersoon, die de tijd ervoor neemt om te luisteren en te helpen. Ten slotte willen wij nog de mogelijkheid van een kunstzinnige therapie noemen. Daarbij gaat het eigenlijk niet om een therapie door de kunst, maar er wordt geprobeerd om met de middelen van de kunsten via het ritmische systeem de andere systeemfuncties te beïnvloeden. In de ritmische bewegingstherapie, de heileurythmie, kan de uit het stofwisselings-ledematensysteem opdoemende angst tot in haar lichamelijk functionele basis worden opgelost. In de muzikale therapie kan door het bespelen van verschillende instrumenten tussen het ritme van ademhaling en bloedsomloop en het zenuw-zintuigstelsel (het gehoor) evenwicht scheppend worden ingegrepen. Bij de schildertherapie zijn het de subtiele “ademhalingsprocessen” tussen de waarneming en het actieve nabootsen en uitwerken van wat is waargenomen, die met elkaar in harmonie kunnen worden gebracht. Zowel de overweldiging van de zintuigen door onverwerkte en ten slotte angst veroorzakende indrukken als ook de uit het stofwisselingssysteem opkomende ademhalings- en polsritme verhevigende invloeden zijn dus steeds open voor een kunstzinnige therapie.

leder weet, dat de angst elke activiteit verlamt. Door de kunstzinnige therapieën wordt een weg geopend die de mens via een als het ware speelse bezigheid weer tot een bezielde aanpak van zijn eigen lichamelijk bestaan en van zijn omgeving leidt. Hij leert om meer psychisch-geestelijk adem te halen. De behandeling met medicamenten wordt op die manier zinrijk gesteund.

2766-2595

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 1 ( 1-3-1-3)

.
Dr.med. Werner Hassauer, Weledaberichten 128, december 1982
.

OVER HET MYSTERIE VAN DE GEBOORTE VAN DE MENS

.

Sinds duizenden jaren worden er kinderen geboren, plant de mensheid zich steeds weer voort ondanks verschrikkelijke oorlogen, ziekten en epidemieën met een aldoor nieuwe, naar het lijkt onuitputtelijke levenskracht. Het oeroude spel van de ontmoeting der geslachten, het tot elkaar gebracht worden van man en vrouw en van de ontvlammende vonk van datgene, wat uit de vereniging van beiden ontstaat, heeft ook in ons materialistisch-economisch-nuchter georiënteerde tijdperk zijn bekoring nog niet verloren. Menswording vindt plaats in de meest omvattende zin.

In vroegere tijden beschouwde men kinderen als een geschenk van de hemel, van de goden, als een zegen, die iemand ten deel viel wie de goddelijke machten gunstig gezind waren. De zegen van God was des te groter naarmate meer kinderen het levenslicht aanschouwden. Geen kinderen te krijgen gold als een vloek van de bovenaardse machten, die vooral zwaar drukte op de kinderloos gebleven vrouw. Over de fysiologische processen van de bevruchting wist men niets, evenmin als over de processen van de embryonale ontwikkeling. Het hele gebeuren van de menswording was een goddelijk iets dat, verborgen voor de zintuigelijke blik en het weten en doorgronden van de mensen, diep in de moederschoot geheimzinnig verliep.

In onze tijd heeft de in alle aardse gebeurtenissen diep naar binnen dringende wetenschap de processen van de menswording met het zintuig van het oog doorvorst. Alles is zichtbaar geworden. Het geheim achter de omhullende, goddelijk lijkende sluier is verloren gegaan: wij weten weliswaar niet alles, maar ‘bijna’ alles. Wij hebben verleerd ons te verbazen over het geheimzinnige wonder van de menswording, want waarom zou men zich verbazen over iets wat men al weet en doorziet? Is zo’n opvatting eigenlijk gerechtvaardigd? Moet en kan men niet juist over processen, die men tot in de wonderbaarlijke details heeft leren kennen, zich verbazen en ze als grandioos beleven, juist omdat men alles of veel erover weet? Het goddelijke en de grootsheid van een gebeuren wordt toch niet minder omdat men zo diep mogelijk in het grootse wonder binnendringt? Voor het wonder van de menswording geldt dit in elk geval in de meest omvattende betekenis.

Iedereen weet tegenwoordig, dat de embryonale ontwikkeling op gang wordt gebracht door de versmelting van ei- en zaadcel, van het vrouwelijke en het manlijke element. Er zou zeer veel over dit feit te zeggen zijn wat verbazingwekkend is. In het kader van dit artikel moeten wij helaas daarvan afzien. Uit het bevruchte ei ontwikkelt zich dan een cel door de aan al het levende inherente principes van de voeding, de groei en de deling. Celgroei en celdeling vinden in een oneindige reeks plaats. Daardoor wordt de grondslag, de bouwsubstantie gevormd niet alleen voor de mens maar voor alle levende organismen. Iedereen weet dit tegenwoordig vanaf zijn lagereschooltijd. Hij leert echter ook dat het de processen in de cel zijn, die een organisme vormen; dat de kracht die het organisme vormt vanuit de cel werkt, dat de cel – zoals men in de moderne computertaal gewend is te zeggen – over de ‘informatie’ beschikt om zo te worden zoals ze dan is op haar plaats in het organisme. Dat het organisme een geheel is en de cel slechts een ondergeschikt deel is van dit geheel, wordt tegenwoordig niet geleerd. Hoe het gebeurt, dat het ondergeschikte deel het omvattende geheel tevoorschijn moet brengen, d.w.z. hoe en van wie de cel de informatie ontvangt die haar bestaan bepaalt, daarover wordt eveneens niets gezegd. Dit feit wordt als gegeven voorop gesteld, daarover behoeft men verder niet na te denken. Maar een merkwaardig feit blijft het dat het leven (dat zich in de cel als wasdom en deling manifesteert) wanneer zich dat slechts als zodanig uit, in het beste geval een ongeordend en destruerend kankergezwel, niet een goed geordend en als totaliteit functionerend organisme te voorschijn brengt. Men gaat zich afvragen wat dit hierboven uitrijzende principe als een totaliteit van krachten is, dat de bouwstenen van de ‘cellen’ hun plaats wijst, zich ervan bedient en daaraan ten behoeve van de totaliteit gedaante en functie toebedeelt. Het begrip voor de totaliteit is bij de huidige zienswijze verloren gegaan. Het moet echter weer opgewekt worden als men het geheim van de menswording wil begrijpen. Er is een boven alles uitgaand, hoogste principe dat als totaliteit het geheel van de cellen van ons organisme vormgevend omvat – ons individuele krachtveld dat ons tot een individueel, slechts één keer voorkomend mens maakt: ons ik. Dit ik als individueel geestelijk wezen geeft aan ons lichaam vorm en aanzien; het houdt ons lichaam gedurende ons hele bestaan op aarde in stand. Dat ik vormt ons ook tijdens de embryonale ontwikkeling, d.w.z. het doordringt als hoogste, scheppende krachtveld het samenstelsel van de cellen dat wij door de bevruchting en de daaruit voortkomende alleen maar levende celprocessen van vader en moeder ontvingen. Het bewerkstelligt dat wij een individuele lichaamsvorm krijgen. De cellen met hun verscheidenheid staan als bouwstenen in dienst van het daarboven uitgaande bouwplan ‘mens’ en worden daarin geïntegreerd. Dit gebeurt bij de processen van onze embryonale ontwikkeling; het is eigenlijk het mysterie van onze wording in de moederschoot. Dat in die wording ook de van de ouders en voorouders stammende krachten van de erfelijkheid meewerken is duidelijk. Niemand zal dit ontkennen. Maar het is net zo evident, dat de mens niet slechts een product van erfelijkheid en milieu is, gelijk de tegenwoordig materialistisch georiënteerde wetenschap meent. In dit product van erfelijkheid en krachten uit het milieu vormt het eigenlijke, individuele wezen van de mens, zijn ik, de specifieke individuele lichaamsvorm die dan de onze is.

Het menselijk wezen en zijn belichaming

Hoe gedraagt zich nu het hierboven geschetste menselijke wezen gedurende de ontwikkeling van het lichaam in de moederschoot, in het geboorteproces en het daarop volgende aardse bestaan? Tijdens de embryonale ontwikkeling – dit werd ons duidelijk – werkt het mee aan de vorming van ons fysieke lichaam. Men zou kunnen zeggen dat het daar als een beeldend kunstenaar een beeldhouwwerk schept op grond van zijn voorstelling, zijn artistieke intentie. De kunstenaar, die ons menselijke wezen is, kan echter veel meer dan welke beeldhouwer ook. Terwijl deze zijn kunstwerk tot een uiterlijk gevormde figuur maakt, werkt de scheppende kunstenaar ‘mens’ ook binnen in zijn kunstwerk; hij vormt daarin organen en alle verschillen in het lichaam tot in de verscheidenheid van de celvormen en zelfs van hun functies toe. Inderdaad wordt hier een verbazingwekkend kunstwerk geschapen in een tijdsbestek van weinig weken. En dan komt de grote, ingrijpende gebeurtenis van de geboorte, waarbij geweldige veranderingen zich voltrekken: men verliest bijv. het wonderbaarlijke omhuld-zijn en de beschutting door de moeder en men moet plotseling een eigen bestaan leiden, waarbij de navelstreng is doorgesneden; men belandt in een – naar het vooreerst lijkt – oneindig grote ruimte, die koel, met lucht en geluid gevuld is. Men is naakt en zwaar, men heeft niet meer het aangename van het vruchtwater om zich heen waarin men tijdens de zwangerschap bijna zonder gewicht zweefde, beveiligd tegen het ruwe geweld van de buitenwereld. Bewegende koele lucht omringt ons nu en laat ons rillen en vol schrik ineenkrimpen, onwillekeurig diep ademhalen als onder een onverwachte koude douche en dan voelen wij ons genoodzaakt om luidkeels ons van binnenuit komende diep doorleefde protest tot uitdrukking te brengen. De beroemde eerste kreet van een pasgeborene is – nota bene! – altijd een uiting van misnoegen, het verkondigen van smart, die een mensenziel lijdt, nooit een vreugdekreet. Het betreden van onze aardse wereld gaat voor de nieuw aangekomene altijd met het ervaren van leed gepaard, nooit met aangename en vreugdevolle gevoelens. Dat smartelijke beleven van de ziel weerklinkt nu van binnen uit het pasgeboren mensje door middel van de menselijke stem. Dit feit verdient alle aandacht, want daarin ligt eigenlijk de sleutel om te begrijpen wat bij het geboorteproces wezenlijk gebeurt. Gedurende de embryonale ontwikkeling gaan wij met de lucht slechts indirect een relatie aan via het bloed van de moeder. Daardoor ontvangen wij de voor het leven noodzakelijke zuurstof. Koolzuur, die wordt afgescheiden, geven wij daaraan af. Op het moment van de geboorte moeten wij lucht nu in onszelf opnemen; wij moeten de lucht integreren en de gasuitwisseling vanaf nu rechtstreeks voltrekken. Ons hele verdere aardse leven moeten zonder onderbreking inademing en uitademing, voortdurend afwisselend, op elkaar volgen, willen wij niet gevaar lopen, het verband van ons zielenwezen met ons lichaam te verliezen, d.w.z. te sterven of, wat dit verband aangaat, ernstige schade op te lopen. Dat betekent echter dat het het luchtelement is, dat ons tijdens ons aardse bestaan door de ademhaling het verband van lichaam en ziel mogelijk maakt, in stand houdt en bepaalt. De rechtstreekse integratie van het luchtelement is uitermate wezenlijk in het geboorteproces. Tegelijkertijd vindt ook de belichaming van ons zielenwezen plaats, dat van nu af aan van binnenuit weerklinkt en voortaan in staat is zich via ons lichaam te uiten. Het meest gedifferentieerd gebeurt dit in de menselijke taal. Deze immers bestaat uit het gedaante-geven aan het luchtelement op grond van de intenties van onze ziel. Op de vleugels van de lucht komt om zo te zeggen in het ogenblik van de geboorte ons zielenwezen het lichaam binnen. Het uit zich voortaan gedurende ons aardse bestaan van binnenuit via ons lichaam, tot wij in het ogenblik van de dood met de laatste ademtocht onze ziel weer uitademen. In de Bijbelse scheppingsgeschiedenis wordt dit gebeuren, hier voor de wording en de geboorte van het hele mensengeslacht, met weinig woorden treffend aldus beschreven:

‘En de Heere God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens: alzo werd de mens tot een levende ziel’.

Aards-goddelijk gebeuren

Hier is duidelijk sprake van aan de ene kant ‘het stof der aarde’, dus een aards element – men zou ook kunnen zeggen van een celelement – waaruit wordt gevormd en aan de andere kant van een luchtelement, de adem des levens, die in de neus van het geschapen wezen wordt geblazen. Het is deze goddelijke, niet uit het aardse stammende adem, het pneuma van de oude Grieken, die de mens tot een levende ziel maakt. Het stof der aarde, d.w.z. de celsubstantie die uit de aardse reeks van generaties stamt, aan het einde waarvan de vader en moeder staan, moet tot menselijke gedaante worden door het uit het goddelijke stammende ‘individuele’ vormgevende principe tijdens de embryonale ontwikkeling. Levende, goddelijke adem, d.w.z. een van buitenaf gedurende de zwangerschap vormgevend principe, verenigt zich in het geboorteproces door middel van het luchtelement met het gevormde lichaam en vervult dit als levende ziel van binnenuit gedurende het nu volgende aardeleven. Dit is het mysterie van de geboorte, het wonder van de menswording – een wonder dat werkelijk ook nog in de 20e eeuw verbazing kan wekken.

.

Algemene menskundevoordracht 1   onder 1 -3

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2748-2577

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (71)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

tussen drie vuren

Een van begin tot eind spannende historische roman. 3 broers beleven ieder op zich gevaarlijke avonturen. Rond 1500 voor Chr. in de stad Gebal, Byblos, wonen ze met hun ouders en zusje Beth. Aleph is leerling-schrijver, Nun schipper en Zayin legeraanvoerder. We komen veel te weten over de leefomstandigheden in die tijd, hoe de mensen dachten. We komen aan het hof van koning Minos op Kreta in de ‘stierencultuur’ en een Chaldese wijze demonstreert aan Nun hoe je ’s nachts op de sterren kan varen, een ongelooflijke vernieuwing van de scheepvaart in die tijd. Hij is het die ook uit de sterren een toekomstige ramp kan voorspellen en die voltrekt zich dan ook op Kreta. Maar daar niet alleen: ook Gebal wordt zwaar getroffen. Een voor een komen de zonen dan toch weer thuis. Het gezin is weliswaar samen, maar met een onzekere toekomst voor zich.

Clive Kin
Ill. Richard Kennedy

Uitgeverij Lemniscaat

Boek

Leeftijd v.a. 12jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2741-2570

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-1/21)

.

SCHIP ARGO
.

In de bossen op de bergen van Pelikon groeide onder de hoede van de centaur Chiron een jongen op, die Jason heette, dat betekent ‘heelmaker’. Toen hij groot en sterk was, vertelde Chiron hem dat zijn echte naam Diomedes was en dat hij de zoon was van een koning en dat zijn halfbroer Pelias deze van zijn macht beroofd had. Toen was Jason niet meer te houden. Hij trok naar het hof van de koning om zijn erfdeel op te eisen. 
Toen hij daar was aangekomen zei de jongeling dapper tegen zijn oom dat hij aanspraak maakte op de troon van zijn vader. Pelias, door een orakel gewaarschuwd, kon hem die niet weigeren. Om van de ongewenste rivaal op een niet opvallende manier af te komen, eiste hij echter van Jason dat hij eerst zijn moed om te kunnen regeren, moest bewijzen door een grote heldendaad te verrichten.  Hij moest het Gulden Vlies uit Kolchis terughalen en daarmee het land van een vloek bevrijden. Jason hoorde nu het verhaal over de stier met het gouden vel (sterrenbeeld Stier). Het orakel van Delphi had verkondigd dat pas dan het land Jolkos tot welvaart zou komen, omdat met het Gulden Vlies ook de geest van Phrixos in zijn vaderland zou kunnen terugkeren.

Jason die de werkelijke bedoeling van zijn oom niet doorzag, stemde moedig in. In het hele land liet hij vrijwilligers voor zijn avontuur werven en gaf de opdracht om een schip voor 50 roeiers te bouwen. Nooit eerder was er in Griekenland zo’n groot schip gebouwd. Alleen met de inspirerende gedachten van de godinnen Hera en Athena die Jason welgezind waren, kon de bouwmeester Argos het wonderwerk tot stand brengen. Daarvoor nam hij een bijzondere houtsoort die ‘de leeuw’ werd genoemd, want water noch vuur had er enige grip op. In de boeg van het verbazingwekkende schip plaatste Athena zelf een orakelbalk die afkomstig was uit een eik die vader Zeus aan Dodona gewijd had, die het schip op belangrijke en gevaarlijke ogenblikken het vermogen gaf om te spreken.
Toen de bouw voltooid was, gingen de 50 grootste helden van Griekenland die Jason om zich verzameld had, aan boord. Ze werden de Argonauten genoemd. Hier worden alleen maar Castor en Polydeukes, Idas en Lynkeus (sterrenbeeld Tweelingen) genoemd en Herakles!
Toen ze allemaal ingescheept waren, begon de orakelbalk voor de eerste keer te spreken en zette hen aan uit te varen. Gedurende een lange tijd zou het schip Argo, dat ‘de snelle’ betekent het thuisland van de helden zijn. Ze moesten vele gevaarlijke avonturen doorstaan, voor ze hun doel bereikten. 
Op het eiland Kapidagi werden ze door reuzen met zes armen aangevallen, die de monding van de haven met rotsblokken blokkeerden om het schip vast te zetten.
Onder aanvoering van Herakles overwonnen ze de monsters en konden weer de vrije zee bereiken. Gieren met messcherpe veren vielen de zeelieden aan op Aia, het eiland van Ares, zodat ze zich onder hun schilden moesten verschuilen. Hiermee maakten ze zoveel lawaai, dat de vogels vluchtten.
Na dit soort avonturen en andere, bereikten de Argonauten uiteindelijk Kolchis, aan de oostelijke oever van de Zwarte Zee. Eerst probeerde Jason op vreedzame manier te bereiken dat koning Aietes het Gulden Vlies meegaf. De koning echter, weigerde en bedreigde hem en de andere Argonauten met de dood, wanneer ze niet onmiddellijk zijn land zouden verlaten. 
Maar het geluk was aan hun zijde, want Medea, de dochter van de koning was meteen verliefd geworden op de dappere held Jason. Met hulp van Medea’s toverkunsten was Jason bestand tegen alle beproevingen, maar ondanks dat weigerde de koning hem het Gulden Vlies en hij wilde de Argonauten in de komende nacht laten ombrengen. Maar Medea kwam dit te weten. Nadat Jason haar beloofd had, haar mee te nemen naar Griekenland en met haar te trouwen, bedacht ze een plan om het Gulden Vlies te stelen en hoe ze zouden kunnen vluchten. 
In een donkere nacht bracht Medea Jason naar de helling van de heilige berg Ares, waar het Gulden Vlies aan een hoge eik hing, bewaakt door een reusachtige draak die nooit sliep. Met liederen kon ze de draak slaperig maken en toen wreef ze zijn kop met een magische zalf in, waardoor hij langer zou slapen. 
Terwijl Medea dat deed, pakte Jason het Gulden Vlies en beiden haastten ze zich naar het strand waar de Argo al klaar lag om weg te varen. Gelukkig konden ze allemaal ontkomen, maar later werden ze door koning Aietes achtervolgd en Jason laadde nog meer schuld op zijn schouders, toen hij, door Medea opgehitst, voor hun eigen redding, haar broer doodde. Maar daardoor verloor hij de gunst van de goden. 
Pas na lange zwerftochten waarbij enkele van de Argonauten hun leven lieten, bereikten ze het thuisland. Jason bracht het Gulden Vlies naar Boiotië en hing het in de tempel van Zeus. Het schip Argo trok hij op het strand van Isthmos in Korinthië en wijdde het aan Poseidon.

Toen Jason op hoge leeftijd weer in Korinthië kwam, ging hij in de schaduw van de Argo zitten en herinnerde zich zijn roem van weleer. 
Toen viel het vermolmde schip uit elkaar en hij kwam onder het boegdeel terecht. De achtersteven die hieraan geen schuld had, zette Poseidon als gedenkteken aan de avontuurlijke vaart van de Argonauten als sterrenbeeld aan de hemel.

Zo                                                                   z                                                          zw
Febr.   1   24°°u                                    mrt.   1  22°°u                                apr.   1  21°°u*
15  23°°u                                             15  21°°u                                         15  20°°u*
*zomertijd

Van het schip Argo kunnen we in Midden-Europa aan de avondhemel die sterren zien die de achtersteven en een deel van het zeil vormen en deze slechts alleen van februari tot april. Je moet al heel ver naar het zuiden gaan om alle sterren te kunnen zien zoals op de bovenste afbeelding.

De namen van de sterren betekenen:
Canopus (Grieks) = afgeleid van Kanobos. Zo heet in de Griekse mythologie de stuurman van Memelaos op de terugweg uit Troje>
Markeb = (Arabisch) schip
Tureis = (Arabisch) schild

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2738-2567

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 13 (13-2)

.

RUDOLF STEINER

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald*

Enkele gezichtspunten bij bladzij 187-188 van de vertaling.

Ook het vervolg van [13-1] op blz. 187 vind ik niet eenvoudig. En ik heb in het verleden meerdere keren gedacht: moet je dit echt allemaal kunnen doorgronden om goed vrijeschoolonderwijs te kunnen geven? 
Maar aan het eind van van blz. 187 komen we wél iets tegen wat in deze tijd actueel is: het grote aantal kinderen dat te dik is! 
Dus, als we kunnen doorgronden wat daar gebeurt, kunnen we ook inzien welke pedagogisch-didactische maatregelen we moeten nemen om het nadelige van het ‘te dikke’ in het tegendeel te doen verkeren. Dat kan natuurlijk niet zonder een aanpassing van het eetpatroon – hier zie je nog eens de samenhang van voeding/op-voeding – maar dat is de verantwoording van de ouders. En daaruit volgt weer dat er steeds een nauw contact moet zijn tussen leerkracht en ouders, wat Steiner ook nadrukkelijk bepleit.

Und die Waldorfschule ist eine Schule, die ganz darauf aufgebaut ist, mit der Elternschaft in enger Verbindung zu stehen. In der Waldorfschule werden jeden Monat, zuweilen auch öfter, die Eltern der Kinder zu einer Elternver­sammlung gerufen. Da wird gesprochen über das, was eben notwendig ist im Zusammenwirken von Schule und Elternhaus. Und da ist sehr vieles notwendig.

En de vrijeschool is een school die er helemaal op gericht is in nauw contact te staan met de ouders. Op de vrijeschool wordt er iedere maand, dikwijls ook frequenter voor de ouders een ouderavond georganiseerd. Daar wordt er gesproken over wat er nodig is voor het samenwerken van school en ouders. En er is erg veel nodig.

Man regelt nun im Zusammenwirken mit den Eltern die Diät in bezug auf den Zuckerzusatz zu den Speisen. Man steht also als Erzieher auf der einen Seite auf dem Boden, daß man überall das Physische berücksichtigt, insofern es die Unterlage des Geistigen sein kann, und daß man auf der anderen Seite das Kind so erzieht, daß man den möglichst gesunden Körperzustand hervorbringt mit Hilfe des Geistigen.

In het samenwerken met de ouders wordt er wat het dieet betreft iets afgesproken over suiker in het voedsel. Want als leerkracht sta je er enerzijds zo in dat je naar het fysieke kijkt in zoverre dat de basis kan zijn voor het geestelijke, en dat je aan de andere kant het kind zo opvoedt dat je met behulp van de geest een zo gezond mogelijke lichamelijke toestand schept.
GA 304A/135 e.v.
Niet vertaald

Op blz. 185 gebruikt Steiner het woord ‘drukken’ en op blz. 186 het woord ‘zuigen’.  

Dit ‘drukkende’ en ‘zuigende’ zijn in wezen eigenschappen van wat we ook al als tegenstellingen hebben onderzocht: het fysieke en het etherische, bv. bij fysiek lichaam en levenskrachtenlichaam: etherlijf. We komen het in een wat andere tegenstelling weer tegen als ‘stof en geest’ of  ‘materie en geest.

Op blz. 185 en 186 legt hij er niet zo zwaar de nadruk, maar elders bv. wel weer:

Will man wirklich zum Verständnis der Welt kommen, dann muβ man bereits das schwer Materielle beim Äther aufhören lassen. Dann muβ man sich klar sein, daβ der Äther nicht mehr solche Materie ist wie diejenige, von der wir als den Raum erfüllend sprechen, so denken wir uns, wenn ich schematisch spreche, eben den Raum ausgefühlt mit Materie. Wenn wir aber von Äther sprechen, so dürfen wir uns nicht den Raum ausgefüllt denken von Materie, sondern wir müssen uns den Raum entleert denken von Materie. Wenn gewöhnliche Materie an etwas anstöβt, so drückt es dieses, schiebt es weiter. Wenn Äther sich diesem nähert, so saugt er das an sich und zieht es in sich herein. Es ist die gerade entgegengesetzte Wirkung, zu der gewöhnlichen Materie. Der Äther übt Saugwirkungen. Wenn der Äther nicht Saugwirkungen übte, dann schauten Sie hinten so aus, wie vorne, denn schon in dem, was die Verschiedenheit des Menschen macht, hinten und vorne ist ein Ergebnis auf der einen Seite der drückenden Wirkung der Schwere-Materie und der saugenden Wirkung der Äther-Materie oder des Äthers.

Ihre Nase wird herausgetrieben aus Ihrem Organismus durch die Schwere-Materie, Ihre Augenhöhle wird hineingesaugt durch die saugende Kraft des Äthers.

Und so, indem Sie hinten anders sind wie vorne, vorne anders sind wie hinten, wirkt in Ihnen drückende und saugende Substantialität.

Als je de wereld werkelijk wil begrijpen, dan moet je het zware stoffelijke laten ophouden bij de ether. Dan moet je helder voor ogen hebben, dat de ether niet meer die materie is zoals de materie waarvan we kunnen zeggen dat die een ruimte opvult. Schematisch zouden we kunnen denken dat de hele ruimte gevuld is met materie. Maar als we over ether spreken, dan moeten we niet denken dat de ruimte gevuld is, maar juist zonder materie, leeg. Wanneer de gewone materie tegen iets aanstoot, dan drukt dit ertegen, schuift het verder. Wanneer de ether dit nadert, dan zuigt het daaraan en trekt het in zich. Dat is de tegenovergestelde werking van de gewone materie. De ether oefent zuigwerking uit. Als dat niet zou gebeuren, zouden we er van achteren net zo uitzien als van voren; want het verschil bij de mens tussen voor en achter, is het resultaat van enerzijds de drukkende werking van de zwaarte-materie en anderzijds de zuigende werking van de ethermaterie of de ether.
Uw neus wordt naar buiten gedrukt door de zwaarte-materie, uw oogkassen worden naar binnen gezogen door de zuigende werking van de ether. En zo, wanneer we er van achter anders uitzien dan van voren, werkt in u de drukkende en zuigende kracht.
GA201/124
Niet vertaald

Dit ‘niet-stoffelijke’ wil a.h.w. het stoffelijke ‘opzuigen’. 
Dit ‘niet-stoffelijke’ noemt Steiner op blz. 186 ‘het geestelijke’, dat dus materie wil doen verdwijnen:

Blz. 185/186  vert. 186/187

Der Mensch steht der Außenwelt gegenüber. Das Geistig-Seelische strebt danach, ihn fortwährend aufzusaugen. Daher blättern wir außen fortwährend ab, schuppen ab. Und wenn der Geist nicht stark genug ist, müssen wir uns Stücke, wie zum Beispiel die Fingernägel, abschneiden, weil der Geist sie, von außen kommend, saugend zerstören will. Er zerstört alles,und der Leib hält diese Zerstörung des Geistes auf. 

De mens staat tegenover de buitenwereld. Het geestelijke streeft ernaar hem voortdurend op te zuigen. Daarom bladderen we aan de buitenkant voortdurend af, we schilferen af. En wanneer de geest daar niet sterk genoeg voor is, moeten wij stukken afknippen, zoals de vingernagels; want de geest wil ze van buitenaf opzuigen en vernietigen. De geest vernietigt alles en het lichaam houdt dat tegen.

Dat is a.h.w. een proces dat van nature verloopt. Maar dat wél beïnvloedbaar is. En beïnvloed moet worden wil de mens ‘gezond’ kunnen functioneren. En ‘gezond’ is ‘als het ene niet de overhand heeft over het andere’ – wat je ook invult voor ‘het ene’ of ‘het andere’.

Und es muß im Menschen ein Gleichgewicht geschaffen werden zwischen dem zerstörenden Geistig-Seelischen und dem fortwährenden Aufbauenden des Leibes. 

In de mens moet een evenwicht tot stand worden gebracht tussen de vernietiging door het geestelijke en de voortdurende opbouw door het lichaam.

In de tweede voordracht werd dit ook al vanuit een andere optiek geconcludeerd:

Die Aufgabe der Erziehung, im geistigen Sinn erfaßt, bedeutet das In-Einklang-Versetzen des Seelengeistes mit dem Körperleib oder dem Leibeskörper. Die müssen miteinander in Harmonie kommen, müssen aufeinander gestimmt werden, denn die passen gewissermaßen, indem das Kind hereingeboren wird in die physische Welt, noch nicht zusammen. Die Aufgabe des Erziehers und auch des Unterrichters ist das Zusammenstimmen dieser zwei Glieder.

De taak van de opvoeding in geestelijke  zin is nu om de zielengeest en het lichamelijk organisme of organisch lichaam met elkaar in overeenstemming te brengen. Die moeten met elkaar in harmonie komen, moeten op elkaar afgestemd worden, want die passen in zekere zin nog niet bij elkaar wanneer het kind geboren wordt. De taak van de opvoeder en ook van de leraar is om deze twee delen op elkaar af te stemmen.
GA 293/24  vert. 24**  

So werden wir uns bewußt werden müssen, wenn wir einem Kinde diesen oder jenen Lehrgegenstand beibringen, daß wir dann in der einen Richtung wirken auf das mehr in den physischen Leib Hineinbringen der Geistseele und in der anderen Richtung mehr auf das Hereinbringen der Körperleiblichkeit in die Geistseele.

We zullen ons bijvoorbeeld bewust moeten worden in welke richting we werken door een kind bepaalde leerstof bij te brengen: dat we met het ene onderwerp meer de geestziel laten doordringen in het fysieke lichaam en met een ander onderwerp meer het lichamelijk organisme in de geestziel brengen.
GA 293/27   vert. 27**

In [13-1-1] is e.e.a. al verder uitgewerkt.

We zagen in [13-1] al, dat de ‘stroming’ van geest-ziel in het hoofd een soort ‘dam’ ontmoet. Op blz. 187 blijkt er al een hindernis voor deze stroom te zijn opgeworpen door het borst-buikstelsel. Met name in de buik hebben we de plaats waar materie binnenkomt en verwerkt wordt. Voedsel is een belangrijke leverancier van materie. Dat moet worden afgebroken en weer opgebouwd ten dienste van de instandhouding van het leven:

Es ist eingeschoben in diese Strömung das Brust-Bauchsystem. Und das Brust-Bauchsystem ist dasjenige, welches sich entgegenwirft der Zerstörung des eindringenden Geistig-Seelischen und welches von sich aus den Menschen durchdringt mit Materiellem.

Midden in die stroming is het borst-buikstelsel geplaatst. En dit stelsel stelt zich te weer tegen de verwoesting door het binnendringende geestelijke en doordringt op zijn beurt de mens met materie.

In de 10e voordracht werd ons uitgelegd dat de ledematen in hoge mate geest-ziel zijn. Dan ligt het voor de hand dat zij het meest aan die materie zullen ‘zuigen’. En dat gebeurt uiteraard wanneer de ledematen doen, waarvoor ze er zijn: bewegen. 

De ledematen zijn het meest geestelijk:

Daraus aber ersehen Sie, daß die Gliedmaßen des Menschen, die hinausragen über das Brust-Bauchsystem, wirklich auch das Geistigste sind, denn da in den Gliedmaßen wird noch am wenigsten der Materie erzeugende Prozeß im Menschen vorgenommen. Nur dasjenige, was vom Bauch-Brustsystem hineingeschickt wird an Stoffwechselvorgängen in die Glieder, das macht, daß unsere Glieder materiell sind. Unsere Glieder sind in hohem Grade geistig, und sie sind es, welche an unserem Leib zehren, wenn sie sich bewegen.

Hieruit kunt u afleiden dat de ledematen, die uitsteken buiten het borst-buikstelsel, ook werkelijk het meest geestelijk zijn, want in de ledematen wordt het minst materie geproduceerd. Alleen de stofwisselingsprocessen die onder invloed van het buik-borststelsel zich in de ledematen afspelen, maken dat de ledematen materieel zijn. Onze ledematen zijn in hoge mate geestelijk en zij zijn het ook die ons lichaam afbreken wanneer ze bewegen.

En dan is er de zin die niet nader uitgewerkt wordt:

Und der Leib ist darauf angewiesen, in sich dasjenige zu entwickeln, wozu der Mensch eigentlich veranlagt ist von seiner Geburt an.

En het lichaam moet in zichzelf dat ontwikkelen waartoe de mens vanaf zijn geboorte is voorbestemd.

Je zou je kunnen afvragen: waartoe is dan de mens vanaf zijn geboorte voorbestemd. Wat bedoelt Steiner hier?
Het is niet zo moeilijk zelf antwoorden te geven vanuit alles wat er aan de orde is geweest: hij is bv. voorbestemd een denkend, voelen en willend wezen te worden; hij is in zekere zin onderworpen aan de ontwikkelingswetmatigheden: hij is voorbestemd die ontwikkelingsweg af te leggen. Ligt het ook besloten in de vraag die in het blad Vrije Opvoedkunst aan oud-vrijeschoolleerlingen wordt gesteld: ‘Ben je geworden wie je bent?’

En met het oog op de te dikke kinderen en volwassenen:

Dit is de oorzaak van het ‘vervetten’ en de gevolgen voor het leren: de weg naar het hoofd wordt bemoeilijkt!:

Bewegen sich die Glieder zuwenig, oder bewegen sie sich nicht entsprechend, dann zehren sie nicht genug am Leibe. Das Brust-Bauchsystem ist dann in der glücklichen Lage – in der für es glücklichen Lage -, daß ihm nicht genügend weggezehrt wird von den Gliedern. Das, was es so übrig behält, verwendet es dazu, um überschüssige Materialität im Menschen zu erzeugen. Diese überschüssige Materialität durchdringt dann dasjenige, was im Menschen veranlagt ist von seiner Geburt aus, was er also eigentlich haben sollte zu der Leiblichkeit, weil er als seelisch-geistiges Wesen geboren wird. Es durchdringt das, was er haben sollte, mit etwas, was er nicht haben sollte, was er nur als irdischer Mensch hat materiell, was nicht geistig-seelisch veranlagt ist im wahren Sinne des Wortes; es durchdringt ihn immer mehr und mehr mit Fett. Wenn aber dieses Fett in abnormer Weise eingelagert wird in den Menschen, dann stellt sich ja eigentlich dem geistig-Seelischen Prozeß, der als ein Saugprozeß, als ein verzehrender Prozeß eindringt, zuviel entgegen, und dann wird ihm sein Weg erschwert zum Kopfsystem hin.

Bewegen de ledematen te weinig – of niet adequaat – dan breken ze het lichaam niet genoeg af. Het borst-buikstelsel is dan in de gelukkige situatie — althans voor zichzelf gelukkig — dat de ledematen er niet genoeg aan knagen. Wat het buikstelsel overhoudt, gebruikt het om overtollige materie in de mens te produceren. Deze overtollige materie doordringt dan dat wat vanaf de geboorte als aanleg in de mens aanwezig is en wat hij eigenlijk zou moeten hebben naast zijn lichamelijkheid, omdat hij ook als zielen- en geesteswezen geboren wordt. Het buikstelsel doordringt dat wat de mens zou moeten hebben met dat wat hij niet zou moeten hebben, met dat wat er alleen is doordat de mens aards en dus materieel is, met dat waartoe hij niet in de ware zin van het woord naar geest en ziel is voorbestemd. Het doordringt de mens meer en meer met vet. Wanneer dit vet zich nu al te zeer ophoopt in de mens, dan is er te veel weerstand voor het geestelijke proces dat als een zuigingsproces, een verteringsproces binnendringt en dan wordt de weg naar het hoofd bemoeilijkt.

Steiner blijft nu bij het fysieke proces:

Daher ist es nicht richtig, wenn man den Kindern erlaubt, zuviel fetterzeugende Nahrung zu nehmen. Dadurch wird ihr Kopf abgegliedert vom GeistigSeelischen. Denn das Fett legt sich in den Weg des GeistigSeelischen, und der Kopf wird leer. Es handelt sich darum, daß man den Takt entwickelt, so zusammenzuwirken mit der gesamten sozialen Lage des Kindes, daß das Kind in der Tat nicht zu fett wird. Später im Leben hängt ja das Fettwerden von allerlei anderen Dingen ab, aber in der Kindheit hat man es bei nicht abnorm gebildeten, das heißt besonders schwach gebildeten Kindern, die, weil sie schwach sind, leicht fett werden, also bei normal gebildeten Kindern immerhin in der Hand, nachzuhelfen durch eine entsprechende Ernährung gegen das zu starke Fettwerden.Aber man wird diesen Dingen gegenüber nicht die rechte Verantwortlichkeit haben, wenn man nicht ihre ganz große Bedeutung ermißt; wenn man nicht ermißt, daß man in dem Fall, wo man dem Kinde erlaubt, zuviel Fett ansammeln zu lassen, dem Weltenprozeß, der etwas vorhat mit dem Menschen, was er zum Ausdruck bringt dadurch, daß er sein Geistig-Seelisches durchströmen läßt durch den Menschen, daß man da diesem Weltenprozeß ins Handwerk pfuscht. Man pfuscht tatsächlich dem Weltenprozeß ins Handwerk, wenn man das Kind zu fett werden läßt.

Daarom is het niet goed wanneer men kinderen toestaat te veel vetproducerend voedsel te eten. Daardoor komt het hoofd los te staan van geest en ziel. Want het vet staat het geestelijke in de weg en het hoofd wordt dan leeg. Men zal tactvol moeten inspelen op de gehele sociale situatie van het kind, opdat het kind inderdaad niet te dik wordt. In het latere leven wordt men ook dik door andere oorzaken, maar in de jeugd heeft men het bij normale kinderen – dat wil zeggen, niet bij kinderen die bijzonder zwak gebouwd zijn en daardoor snel dik worden — toch in de hand dat ze niet te dik worden, door ze met goede voeding te helpen. Maar een werkelijk verantwoordelijkheidsgevoel op dit gebied kan men alleen hebben wanneer men de grote betekenis ervan inziet, wanneer men beseft dat men de wereldontwikkeling tegenwerkt wanneer men een kind te dik laat worden. De wereldontwikkeling is namelijk iets van plan met de mens, wat tot uitdrukking komt in het geestelijke dat door de mens stroomt. Men dwarsboomt werkelijk de wereldontwikkeling wanneer men een kind te dik laat worden.

De wereldontwikkeling is iets van plan….Opnieuw een voor ons raadselachtige zin; misschien niet voor de toehoorders die Steiner al veel vaker hadden gehoord. Wat bedoelt hij daarmee.  Dat wil ik graag nog uitwerken (→ nog niet oproepbaar.)

**Vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde voordracht 13: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2737-2566

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (11-5-3)

.

In voordracht 11 spreekt Steiner op een bijzondere manier over de moedermelk.
(11-5).

Met zijn visie als uitgangspunt schreven ook anderen over moedermelk.
.

Dr Wolfgang Goebel, kinderarts, Weledaberichten 119, december 1979

OVER DE MOEDERMELK
.

Het luide geschreeuw en de onrust van een hongerige zuigeling dringt niet alleen door tot bij de buren, maar oefent ook dwang uit op de ouders. Wat een gelukkige oplossing als het mogelijk is dat het kind aan de moederborst tot rust komt! Alle opwinding verdwijnt door het drinken; de gebalde vuistjes gaan open om te tasten, lichaampje en beentjes worden slap. De blik van het kind zoekt de moeder. Ten slotte laat het los, het is voldaan.

Wat gebeurt hier? Wat is dat voor een substantie die, bijna onzichtbaar, van de moeder overgaat in het kind, met haar warmte en haar kracht dat kleine organisme in zijn tere gecompliceerdheid laat gedijen en die het ten slotte uit een beschermde onzelfstandigheid tot de zelfstandige beheersing van de ruimte leidt — een substantie, die uiterlijk bekeken, zo dunnetjes en bleek is?

Hoewel wij ons er terdege van bewust zijn dat via de gebruikelijke gedachtegangen een antwoord moeilijk te vinden is, willen wij dat toch proberen.

Wij kunnen, zoals dat tegenwoordig dikwijls wordt gedaan, het antwoord in de omgeving van de mens bij de dieren zoeken, die veel dingen zekerder schijnen te kunnen volbrengen dan dat ons, geciviliseerde mensen, lukt. Wij vinden daar interessante bijzonderheden, bijv. rijkdom aan eiwit in de melk van kleine zoogdieren, veel suiker en weinig minerale stoffen bij de merrie en de ezelin — bijna vergelijkbaar met moedermelk — en in tegenstelling daarmee een heel groot verschil met koeienmelk. Elke diersoort zegt a.h.w.: onze melk hoort bij ons.

Een ander uitgangspunt is, om een weg in te slaan die ertoe leidt, dat wij de natuur dienstbaar maken aan onze doelstellingen: melk kan in haar bestanddelen worden uiteengelegd. Men noemt dat analyse. In onze eeuw is deze weg zeer dikwijls ingeslagen. Als men die betreedt, komt men weliswaar niet tot een antwoord op onze vraag wat moedermelk is, maar er wordt een contrast zichtbaar.

Eertijds was er het grote verschil tussen de moederlijke en kinderlijke wereld in weeshuizen, tehuizen voor vondelingen en de eerste kinderziekenhuizen. Er moest een vervanging voor de moedermelk komen en daardoor ontstonden de eerste omvattende ervaringen op dit gebied. (Voedsters moesten worden betaald en werden steeds schaarser). Er ontstond iets als een ‘melk-weten-schap’. De namen van veel baanbrekende kinderartsen werden gekoppeld aan allerlei soorten vloeibaar en half-vloeibaar voedsel. Later, tijdens de 2e wereldoorlog, kwam de uitvinding van het melkpoeder erbij. Hoewel niemand dit lekker vond, bestond de techniek van de synthese er nu en zij maakte haar bestaan met luide stem via de reclame hoorbaar. De moeders hoorden die maar al te goed. Zij leerden alles omtrent calorieën, voedingswaarde en vitaminen kennen. Houdbaarheid en zuiverheid werden gangbare begrippen. Alles werd eenvoudig, zeker, praktisch en bovenal moeiteloos. De bereidheid van de moeders om het kind zelf te voeden verminderde ook om andere redenen snel. Graag en zonder kritiek maakten zij dankbaar gebruik van de mogelijkheid, het nauwe contact tijdens het voeden zo spoedig mogelijk te verbreken of in ’t geheel niet te laten ontstaan. De kunstmatige voeding begon haar zegetocht, die tot ver in de ontwikkelingslanden doordrong met alle ten dele catastrofale gevolgen van dien.

De kant en klare voeding, geproduceerd door de industrie, werd verder ontwikkeld. Een van de resultaten daarvan was de ‘adaptatie’. Gedurende een zekere tijd streefde men ernaar om de samenstelling van de moedermelk zoveel mogelijk te evenaren. De ontwikkeling was in alle opzichten een succes — voor een deel door middel van nieuwe procedés — en toch raakte intussen het voorbeeld van de moedermelk steeds meer uit het gezicht. Hoe nauwkeuriger door middel van de technieken van de analyse nu ook bijzondere vetzuren, enzymen en antistoffen in de moedermelk konden worden aangetoond, des te minder werd een synthese daarvan mogelijk. De moedermelk bevat namelijk zelf reeds een gedeelte van de kracht van de spijsvertering; zij bezit beschermende stoffen tegen bacteriën waartegen het kind pas later weerstand krijgt en bovendien is de samenstelling ervan in de loop van de periode van de borstvoeding voortdurend aangepast aan de behoeften van de zuigeling.

De fase waarin de kunstmatige melkvoeding steeds meer ging lijken op de moedermelk kwam tot een einde toen definities, door kinderartsen uitgewerkt, werden opgesteld. Daardoor werd bepaald, wat men volledig of ten dele geadapteerd mocht noemen. De ontwikkeling werd in zoverre nog voortgezet, dat er intussen steriele vloeibare voeding werd samengesteld, die alleen nog maar met warm water behoefde te worden verdund. Op ’t eerste gezicht is de lijst van de samenstelling, de sporenelementen en de vele vitaminen imposant. Minder bekend is, dat er allerlei andere stoffen nodig zijn om zo’n product verkoopbaar te maken. De WHO (World Health Organisation) staat hiervoor bepaalde stoffen toe, nl. substanties voor het indikken, emulgeren, buffersubstanties die het zuurgehalte op peil houden; voorts stoffen die verhinderen dat het vet ranzig wordt en ten slotte smaakstoffen. Houdbaarheid en verkoopbaarheid van bepaalde soorten voedsel zijn nu eenmaal eigenschappen die zonder dat de producten a.h.w. gebalsemd worden niet te bereiken zijn.

Maar wordt er dan bij de vervaardiging van voeding voor zuigelingen niet naar een optimale kwaliteit gestreefd? Als men de richtlijnen van de WHO leest, zou men denken van wel. Maar de ongewenst hoge concentratie van laurinezuur in bepaalde Amerikaanse melkpoeders bewijst, dat de goedkoopte van de basisproducten beslissend was bij de bereiding. In andere voedingsmiddelen voor zuigelingen werden onvoorstelbaar hoge concentraties van gedode bacteriën aangetoond, zodat vervuiling van de basismelk moet worden aangenomen. Slechts omdat daardoor veroorzaakte schade tot dusver niet kon worden aangetoond hadden de genoemde constateringen sinds vijf jaar geen gevolgen voor de producenten. Hier duiken moeilijke wetenschappelijke en economische vraagstukken op. Hoe eenvoudig daarentegen is de situatie bij de moedermelk: geen moeilijkheden wat houdbaarheid, transport, koelhouden betreft; geen bacteriologie en toch niet te evenaren versheid, warmte, geringe vatbaarheid voor bacteriën, groeikracht, een beschermende functie en niets overtolligs.

Het begon allemaal met de noodsituatie, de onoverbrugbare kloof tussen moeder en kind. In dat gebied ontwikkelde zich wetenschap, ten slotte economie en het gevolg daarvan was dat er over de hele wereld een nodeloze distantiëring van moeder en kind kon ontstaan. Ten slotte ontstond er nood door kunstmatig gefabriceerde melk in de ontwikkelingslanden. De industrie ontplooide een eigen leven.

Gedurende al die jaren, dat dit proces zich voltrok, zoogden moeders hun kinderen en, hoewel het er nog maar weinigen waren, deden zij dat zonder zich van de wijs te laten brengen. Zij gaven zich over aan hun zekere gevoel, dat borstvoeding iets heel belangrijks voor het kind is. Maar het lag hun niet om daarmee in de openbaarheid te treden. Nu echter verandert er iets: moeders geven hun ervaringen door, richten consultatiebureaus op, begeven zich in de publiciteit en dringen met hun argumenten ook door in de bolwerken van de kunstmatige zuigelingenvoeding: de grote kraamklinieken. ‘La Lêche League’ heet die vereniging van moeders. Dit schijnt door te dringen tot meer kritische groepen van de bevolking. Moge die ontwikkeling ook spoedig merkbaar worden in de andere lagen van de bevolking en uiteindelijk ook de derde wereld bereiken.

Maar dan moeten er ook consequenties getrokken worden: niet alleen het zogen, ook de substantie moedermelk moet worden gered. De insecticiden van onze voeding hopen zich op in het menselijke organisme en verlaten via de moedermelk in vermeerderde mate het lichaam. Er is eigenlijk niemand, die zich aan deze vervuiling van zijn organisme kan onttrekken. In de tropen met de daar bestaande ongeremde toepassing van insecticiden is dat nog in grotere mate het geval dan bij ons in Midden-Europa, waar inmiddels stringentere voorschriften gelden. De bevolking moet leren om naar voedingsmiddelen te vragen, die zonder insecticiden zijn verbouwd en de wetenschap en de techniek moeten mogelijkheden ter beschikking stellen om op vele plaatsen eenvoudige controles te verrichten omtrent de verontreiniging door pesticiden. De verantwoording kan niet meer op anonieme instanties zoals industrie, bonden en regeringen worden afgewenteld, leder afzonderlijk moet zich hiertoe aangespoord voelen.

Door de blik, die wij op de omringende wereld hebben geworpen, zien wij nu duidelijker wat moedermelk is: een substantie, die onzelfzuchtig is! Wij kunnen dit zo omschrijven: eerst moet de moeder de bereidheid hebben. Door de kracht van de overgave in de ziel kan in het moederlijke organisme diep onderbewust die wonderbaarlijke labiele substantie worden gevormd welke door het kind tot een omvattende opbouwende activiteit wordt gewekt en zomede voor zijn ziel en geest het instrument schept om zichzelf te verwezenlijken.

Laat ons dat zielsgebied van de moeder en die substantie beschermen!

.

Andere artikelen bij [11-5]

Rudolf Steiner: Algemene menskunde: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

.

2736-2565

.

.

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Spel (1-3-2)

.
Bewerking van opvattingen van Melly Uyldert
.

HET GANZENBORD
.

Toen men wellicht niet meer wist wat voor diepe inhoud dit spel  heeft, kondigde men een nieuwe uitgave aan als ’het nieuw vermakelijk ganzenspel’.
Toen men zich weer wat meer begon te bezinnen op oude waarden, heette het
’Oud-Hollands ganzenbord’.
Maar hoe ook aangediend, het ganzenbord is een spel van alle tijden.
Want we hebben te maken met de ontwikkelingsweg van de mensenziel en tegelijkertijd de gang van het menselijk leven. De eenvoudige mens herkent het laatste alleen – de beschouwende wordt getroffen door de juistheid van de zinnebeelden van wat er met de ziel gebeurt.
Hier ligt voor ons de spiraalvormige levensweg, met de kansen die men benutten kan, de verleidingen, waarvoor men vatbaar is: de kinderlijke mens, die zich graag onttrekken zou aan zijn persoonlijke verantwoordelijkheid, die zich in zijn onmondigheid laat beschermen door een Moederkerk, een vadertje Staat, moet toch eenmaal over de brug komen om deel te hebben aan het werkelijke leven en innerlijk te groeien. Wie lang aarzelt, raakt achter bij zijn lotgenoten. En het bruggengeld moet men betalen als tol voor het binnentreden van het nieuwe stadium: het paradijs van het zijn als een kind, gaat verloren.

De genieter van het materiële leven wordt naar  de herberg gelokt en zijn genotzucht kost hem geld of ook zijn gezondheid, terwijl hij later zijn weg vervolgt, zodat anderen hem voorbijschieten.

De gewetensvolle, moraliserende mens wacht een ander gevaar: de put van de wanhoop, van de melancholie, het ontroostbare zondebesef. Daaruit kan men zichzelf niet verlossen. De sombergestemde draait rond in zijn vicieuze cirkel, hij ziet nergens uitkomst en daardoor gaan inderdaad de kansen aan hem voorbij. Terwijl anderen slagen, zinkt hij dieper en dieper in zijn minderwaardigheidsgevoel, tot een helpende hand, een onbaatzuchtige liefde, hem uit zijn waan bevrijdt door zelfverloochening en plaatsvervangend lijden.

Dc rusteloze zoeker naar waarheid komt terecht in de doolhof van problemen, levensbeschouwingen en alleenzaligmakende stelsels, die hem van alle kanten aanroepen. Nu komt het erop aan, geleid door een innerlijk richtsnoer de juiste weg te kiezen en zodoende geen tijd en kracht te verspillen aan het onderzoeken van bedrieglijke zijpaden, die niet naar het middelpunt voeren. Tot men midden in de doolhof zichzelf aantreft in de spiegel om te ervaren dat zelfkennis het begin van alle wijsheid is.

De wetenschappelijk denkende mens vermijdt door zijn objectiviteit vele gevaren, maar hem dreigt de gevangenis, die hij zelf heeft opgebouwd uit logische gedachtereeksen: vooronderstellingen en systemen waarin geen plaats blijft voor God. Vernuftig gevonden en kunstig opgezet zijn deze wanen hem te dierbaar om ze op te geven en zijn ziel vindt geen uitweg, tot een ander hem verlost. Evenals bij de put blijkt ook hier hoe de mens is aangewezen op een leven in gemeenschap met de elkaar, de een de ander helpend en steunend waar hij hem in moeilijkheden aantreft, en zich zo nodig voor de ander opoffert.

De een streeft de ander voorbij en wordt later zelf weer voorbij gesneld. De ontwikkeling gaat niet bij ieder even snel: wat de een reeds weet, moet de ander nog met schade en schande leren. En terwijl de een de gelegenheid weet aan te grijpen, mist de ander zijn kansen.
Op de mystieke getallen vijf en negen, en afwisselend die, welke als som van de cijfers deze getallen opleveren (14, 18, 23, 27, 32, 36, 41, 45, 50, 54, verder 59 als 5 en 9) staat de gans, beurtelings heen en terug wijzend. Als heilbrenger voert hij ons naar een volgend stadium – maar het kan nodig zijn dat wij ons eerst een eindweegs terugtrekken, tot op het punt waar onze ontwikkeling zich werkelijk bevindt onder de uiterlijke schijn. Daar is nog noodzakelijke ervaring op te doen, die ieder voor zich zelf verzamelen moet. Vandaar de omkijkende gansjes.

Verrijkt met deze ervaringen zet men het leven voort en gaat wellicht door de dood om terug te keren met de verworvenheden, afkomstig uit de verwerking van de ervaringen. De oudere zielen komen dus ter wereld met talenten en gaven, die hen in staat stellen de eerste ontwikkelingsfasen van het leven snel achter zich te laten, immers deze betekenen voor hen slechts een herhaling, terwijl de jongere zielen ze nog moeizaam stap voor stap moeten doorworstelen. Wie vier en vijf (samen negen) gooit bij zijn eerste worp, heeft het geluk (doch een zelfverdiend geluk) dat hij meteen op nummer drie en vijftig mag gaan staan. Wie zes en drie (samen negen) werpt, komt op zes en twintig. De begaafden beginnen dus dichter bij het doel, de volmaking, dan de anderen. Het blijft echter de vraag, of zij dit doel ook eerder zullen bereiken. Want — kort daarvoor dreigt de dood. Het is slechts een bedreiging: de ene speler overwint het doodsgevaar en verovert het onvergankelijk geluk reeds in dit leven: een andere wordt door de dood verrast vóór hij het levensdoel heeft bereikt – en begint opnieuw. Hieruit spreekt duidelijk de innerlijke overtuiging van onze verre voorouders, dat het uiteindelijk geluk niet ligt in het hiernamaals waar het door ieder bereikt wordt door de poort van de dood, maar dat het hemels geluk een zielentoestand is, onafhankelijk van leven en dood.

Deze opvatting staat dus lijnrecht tegenover die, welke de aarde als een tranendal ziet, waar men maar zo spoedig mogelijk lijdzaam en braaf doorheen moet zien te komen, vervuld van een doorlopend heimwee, en de schatten van de aarde als die van een oord van ballingschap verachtend. En tegelijkertijd staat zij even lijnrecht tegenover de waardering van het aardse leven als een kans tot genieten en tot presteren, tot het spelen van een grote rol, die maar eenmaal komt – deze levenskijk die van het gehele leven een koortsachtige jacht maakt ter verkrijging van begeerde waarden, of een tomeloos genieten ‘omdat het leven maar zo kort en men maar ééns jong is!’ Het intuïtieve weten van de onsterfelijkheid van de ziel en de steeds weer nieuwe levens- en ervaringskansen op aarde, haar verleend, schonk de Ouden hun zielsrust en hun levensmoed, hun gelijkelijk thuis zijn in de gemeenschap van de levende zowel als in die van de gestorven leden van de stam. Een zielsrust en een levensmoed die wel scherp afsteken tegen de levensangst en de doodsangst van de huidige cultuurmens, die op zijn vermeende éne leven o zo zuinig moet zijn en daarom niets durft wagen en aan de grootheid van het leven voorbijgaat. Hij, wiens innerlijke blik de hemelladder heeft gezien, de spiraalgang, waarlangs de mensenziel in vele levens opklimt tot de vereniging met God, die heeft de tijd om het leven ten volle te beamen, zonder de richting naar het doel te verliezen, en zonder angst voor de dood, want op een nieuwe ronde zal hij kunnen verder gaan. Maar ook zal hij de dood niet zoeken, want daarachter lokt geen nabije hemel, maar een voortzetting van de ontwikkelingstaak op aarde, de opgave waaraan de ziel zich niet kan onttrekken.

Hoe dichter bij het einddoel, hoe moeilijker de weg wordt. Wie, begerig naar de prijs, te hoog gooien, moeten terug en komen misschien op de dood, zoals zij, die in kloosters het werkelijke leven met zijn ervaringskansen ontvluchten, om het heil eerder te grijpen dan de anderen, door versnellende oefeningen en methoden, en in hun verbeeldingen zichzelf bedriegen, terwijl hun eigenlijke ontwikkeling tot stilstand is gekomen. Maar wie, berustend in het besef dat hij ook deel is van een geestelijke wereld, zijn lot volgt, zijn tol betalend aan de ervaringen van het leven, komt schijnbaar arm, maar op de juiste tijd, aan het eindpunt van de reis. Hij wint — en wat hij gaf als levensinzet en als prijs voor verworven levenswijsheid, dat ontvangt hij daarbij terug. En door zijn beëindiging van het spel verlost hij allen, elk uit zijn eigen nood: de heilige, de heilbrenger, verlost de gemeenschap. Wat ligt er een diepe wijsheid in dit eenvoudig spel. Wat een rijkdom lag er in het onbewuste van de mens die het spel ‘bedacht’; wat een wijsheid aangaande de levensgang van de ziel door de bestaansgebieden van het heelal bezaten de zieners, die hem leidden.

Als een geheime boodschap komen de zinnebeelden uit die oertijd in runen en oeleborden, in het oude ganzenspel, tot ons. Opdat wij de boodschap zullen verstaan en haar zin herstellen in de eer die er aan toekomt. Het ganzenbord behoort tot ons volksbezit – laten wij het hoeden voor verbastering, er lering uit trekken en deze doorgeven aan het nieuwe geslacht. Opdat dit zal opgroeien in zielsrust en levensbeaming, zonder vrees voor de dood – vreugdevol de taak vervullend die door het hart gekend wordt!

Een soortgelijk artikel

Spel: alle artikelen

Meer symboliek in bijv. de sprookjes

.

2735-2564

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie

.
Het drieledig mensbeeld dat o.a. een rol speelt bij het vrijeschoolonderwijs, wijst ons op ‘de stofwisseling’, in samenhang met ‘de ledematenmens’.
In dit artikel wordt ingegaan op een speciale kant van onze stofwisseling.


.
Dr. med. Otto Wolff, Weledaberichten nr.111, april 1977

STOFWISSELINGSPROCESSEN ALS GRONDSLAG VOOR HET LEVEN
.

De vraag ‘wat is leven?’ houdt vele onderzoekers op de wereld bezig en zou eigenlijk ieder mens moeten interesseren. Iedereen weet dat planten en dieren levend zijn en stenen dood, maar daarmee laat zich nog niet verklaren waaruit het leven dan bestaat. Men kent het leven door de groei van de plant en door de beweging van het dier, maar toch zijn groei en beweging niet voldoende als karakteristiek van het leven. Ook kristallen kunnen ‘groeien’ en elke auto, elke vlam vertoont beweging en reacties, maar die hebben zeker niets met leven te maken. Wij kennen veel verschijningsvormen van het leven, maar het wezen is daarmee niet te vatten. 

Voorwaarden voor het leven

Vraagt men echter verder, waarop de genoemde beweging of de groei berusten, dan kan men vaststellen, dat daarbij altijd stofwisseling een rol speelt, ja, dat het leven zich helemaal niet uiten kan als daar niet op een of andere manier stofwisseling bij plaats vindt.
Vanzelfsprekend is stofwisseling niet identiek met leven, want in elke motor en in elke vlam vinden enorme stofwisselingsprocessen plaats, zonder enige betrekking op leven.
Aan de andere kant zijn er ook levende substanties, die geen noemenswaardige stofwisseling vertonen. Aan het zaad van een plant bijv. kan men niet zonder meer zien of het nog leeft of niet meer. In het zaad zijn immers de omzettingen zó gering, dat men ze nauwelijks meer vast kan stellen. In het zaad is het leven in een rusttoestand, het uit zich niet en komt niet te voorschijn.
Het wordt echter direct weer werkzaam als het zaad in de aarde wordt gelegd, d.w.z. met water en warmte in aanraking komt; dan begint het te ontkiemen, dan vindt ontwikkeling van leven plaats.

Water en warmte zijn dus twee voorwaarden die het leven stelt om zich te kunnen ontwikkelen. Bij beide is het echter zó, dat ze het leven niet altijd bevorderen. Tot op zekere hoogte is de groei en de opbrengst van de oogst afhankelijk van regen, d.w.z. van water, maar bij een teveel wordt het leven benadeeld. Hetzelfde geldt voor de warmte. Hoe warmer het is, hoe gunstiger de omstandigheden voor het leven — tot een bepaalde graad. Met hogere temperaturen kan men al het leven vernietigen.
Zowel water als warmte hebben dus duidelijk een optimum.

En deze optima zijn voor verschillende levenssoorten verschillend. Er zijn waterplanten en daarnaast woestijnplanten, die met een minimum aan water genoegen nemen, maar ook planten en dieren, die in de tropen leven of aan de pool en waarvoor juist deze omstandigheden optimaal zijn.

Ook voor de mens zijn water en warmte voorwaarden voor de levensontwikkeling. Het lichaam van de mens bestaat voor ongeveer de helft uit water. Hoe jonger de mens, hoe meer water het lichaam bevat. Dit neemt in de loop van het leven af, in overeenstemming met de vitaliteit of de levensomstandigheden.

Nergens in het lichaam bevindt zich echter ‘zuiver’ water. Dat geldt principieel voor alle levende wezens. Alle levende, of uit levende organismen afkomstige vloeistoffen zoals plantensappen, bloed, afscheidingsproducten zijn nooit alleen maar water, maar bevatten in ieder geval zouten en andere substanties. Het leven doet zich voor als een eenheid, doch omvat een veelheid van stoffen. Zeker neemt het water als drager van het leven een bijzondere plaats in. Men moet daarbij echter niet aan het chemische begrip water denken, maar aan het ‘vloeibare’, waarin het leven zich kan ontwikkelen. Het dient als drager en alle substanties zijn eraan ondergeschikt. Zo kan men uit een levend wezen een ‘nog’ levende vloeistof halen, maar men kan nooit door samenvoeging van de bestanddelen, al zijn ze nog zo nauwkeurig bepaald, een overeenkomstige ‘levende’ vloeistof maken.

Onveranderd geldt nog de uitspraak van FRANCESCO REDI (1627-1697) ‘Omne vivum e vivo’ ofwel, al het levende kan slechts uit het levende ontstaan. Zoals een levend wezen slechts van een ander levend wezen kan afstammen, zo kan het leven slechts onderhouden worden door levende stoffen.

Weliswaar weet een ieder tegenwoordig dat mens en dier niet van stenen kunnen leven, maar men vraagt niet verder, wat dan werkelijk het leven in het organisme opwekt en onderhoudt. Men spreekt niet meer van levensmiddelen, maar van voedingsmiddelen. Niet alles wat in de voeding aanwezig is bevat echter leven. Een levensmiddel is een voedingsmiddel voor zo verre het leven bevat. Alle bepalingen van calorieën, vitaminen, sporenelementen enz. zijn onvolledige pogingen om ergens het leven te grijpen, te wegen of te meten. Dit is ook principieel niet mogelijk. Al de zo bepaalde waarden kunnen slechts een deel van het leven betreffen. Zo kan ook een geïsoleerde stof, een vitamine bijv. nooit het levende vervangen of vertegenwoordigen. Daarom kent men ook zoveel vitaminen en geen onderzoeker zal willen geloven, dat men alle vitaminen nu wel kent of ze in alle bijzonderheden zal kennen.

Wil men het leven in een plant begrijpen, dan moet men ook van deze uitgaan. De wijze van groeien, standplaats, soort e.d. geven uitsluitsel over de levensomstandigheden, die er in tot uiting komen. Bij een juiste bereiding van preparaten van de plant komt het er op aan om de levenskrachten te bewaren.

De rol van de lever in de stofwisseling

Levende stoffen kunnen niet direct in de bloedbaan opgenomen worden. Zou dit toch gebeuren dan kunnen ernstige ziekteverschijnselen het gevolg zijn. Daarom moet alles wat gegeten wordt, eerst grondig verteerd, d.w.z. omgezet worden. Dit proces, dat zich in het maagdarmkanaal afspeelt is eigenlijk een stofvernietiging. Om te zorgen dat weer nieuwe ‘levende’ stof kan ontstaan — die natuurlijk anders moet zijn dan de levende voedingsstof — is een orgaan nodig dat het ‘levend maken’ uitvoert. Dat is de opgave van de lever. Het is geen toeval dat de woorden leven en lever in alle Germaanse talen verwant of vrijwel gelijk zijn.

In de lever vinden zowel omzettingen plaats van eiwitten, vetten en koolhydraten, als de regeling van de zout- en waterhuishouding. Terecht kan men daarom de lever als het centrale orgaan van de stofwisseling beschouwen. De aard van de omzettingen in de lever is voornamelijk opbouwend, dus leven en groei veroorzakend. Is de lever ziek, dan heeft de mens te weinig levenskrachtige stoffen ter beschikking — hij voelt zich moe en zwak en krachteloos. Is echter de voeding onvoldoende van kwaliteit, dan kan deze de maag wel vullen en een gevoel van verzadiging geven, maar dat er de levenskrachten aan ontbreken dat bemerkt de mens niet direct. Eerst na maanden of jaren kunnen de tekorten op dit gebied duidelijk worden — zonder dat men dan de samenhang ziet. Helaas verkeren zeer vele van onze voedingsmiddelen in deze toestand. Dat kan zelfs de aangeboden — en gegeten — hoeveelheid niet goedmaken. In Amerika spreekt men van ‘malnutrition in the midst of plenty’ ofwel van ondervoeding te midden van overvloed.

Het is duidelijk dat daarbij niet alleen te hoge eisen aan de lever gesteld kunnen worden, maar dat deze ook beschadigd kan worden. Ten slotte moet de door de darmwand opgenomen voeding door de poortader de lever passeren. En het is een van de opgaven van de lever om alle vreemde bestanddelen hieruit af te zonderen en om vergiften te ontgiften, hetgeen natuurlijk een belasting voor de lever betekent. Wil men het proces ondersteunen en de lever — en daarmee het hele organisme — werkelijk helpen dan moet men niet alleen de negatieve zijde vermijden d.w.z. de gifstoffen in de voeding, maar vooral levenskrachten toevoeren, zoals die door het plantenrijk opgenomen worden. Het toedienen van enkelvoudige vitaminen in hoge doses ofwel combinaties van alle bekende vitaminen kunnen het leven net zo min vervangen als dat het leven voortgebracht kan worden door een nog zo nauwkeurige nabootsing van stoffen uit de natuur. Het leven zelf is een organisme en dat is meer dan de som van alle bestanddelen, zoals bekend verondersteld mag worden. Daarom is het juister en voor het menselijk organisme ook doeltreffender om van het levende en zijn wetten uit te gaan in plaats van uit de bestanddelen.

Zowel door een gezonde, d.w.z. levenskrachtige voeding, als door het geven van bijv. plantensappen, die leven in geconcentreerde vorm bevatten, is het mogelijk om de stofwisselingsprocessen en daarmee ook de leverfunctie zo aan te zetten dat het organisme van vormkrachten voorzien wordt, die nodig zijn voor de opbouw van een gezond mensenlichaam.

.

2732-2561

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsproblemen (2-5)

.

Johanna Behrens, Weledaberichten nr. 107 dec. 1975*
.

LEGASTHENIE — EEN ZIEKTE VAN DEZE TIJD?

Tot tien of vijftien jaar geleden* was het woord ‘legasthenie’ (woordblindheid) alleen aan de vakmensen bekend, de pedagogen en psychologen. Nu is het voor ouders en leraren een schrikbeeld geworden. Onderzoek over de gehele wereld heeft uitgewezen dat nu een op de vier à vijf kinderen in de basisschool woordblind is. Dit bemoeilijkt hun ontwikkeling in het leren en in het leven.

Wat is legasthenie? Men verstaat daaronder een duidelijke zwakte in het lezen en schrijven, een tekort aan herkennen van de lettertekens en van hun samenstelling tot een woord; anders gezegd, het vermogen om het verband tussen letterteken en klank te herkennen ontbreekt. Indien men bedenkt in welke mate heden ten dage de eisen, die het leerplan van de openbare scholen stelt, het leren lezen en schrijven vervroegen en het perfectioneren daarvan tot maatstaf wordt, dan kan men zich voorstellen, welk een lijdensweg dit voor het betrokken kind betekent. Communicatiestoringen kunnen daarvan het gevolg zijn. Vandaar dat legasthenie vaak onder ‘communicatiestoringen’ wordt gerangschikt, maar dat is het in oorsprong niet, het leidt alleen er toe. Het treedt pas in verschijning in de eerste schooljaren, in de tijd dat het kind een gevoel van eigenwaarde gaat ontwikkelen, zodat de ervaring van het niet-mee-kunnen gevoelig aankomt. Wanneer het dan om enkele kinderen uit de klas gaat is de onderwijzer, die immers aan onverbiddelijke prestatie-eisen is gebonden, in het belang van de gehele klas al spoedig niet meer in staat om op zulke individuele moeilijkheden in te gaan. Echter, het stempel ‘woordblinde’ wordt te spoedig aangebracht. In het beste geval geniet de kleine buitenstaander van zijn situatie om in het land der dromen te toeven. De ouders vrezen echter al spoedig dat voor hun kind elke mogelijkheid om zich te ontwikkelen, is afgesneden. Hoe kan men helpen? Het is zaak de oorzaken te kennen. Men moet allereerst weten, dat er slechts een zeer klein aantal echte woordblinden is. Orgaanbeschadigingen zijn dan de oorzaak, zoals o.a. een vroege encefalitis. In verreweg de meeste gevallen gaat het slechts om een schijn-woordblindheid en deze is te verhelpen, woordblindheid berust namelijk niet op een minder begaafd zijn, maar op een zwakte van het zintuig-organisme. En daar moet men dus aanknopen.

De term ‘woordblindheid’ duidt reeds op het zintuigelijke. Maar het zien zelf is bij het kind in kwestie niet beschadigd, het ziet en identificeert een boom, een hond, de automerken, kortom, het verbindt elke waarneming met de juiste voorstelling. Ook het herkennen van een weergave in tekening of foto is normaal ontwikkeld. Indien onze letters een beeldschrift waren, zoals tot op zekere hoogte de oud-Egyptische hiërogliefen, dan lazen ze vlot. Maar onze lettertekens zijn een abstracte aangelegenheid, en het kunnen abstraheren ontwikkelt zich vaak eerst veel later. Komt dus legasthenie alleen bij zich langzaam ontwikkelende kinderen voor? Maar ook deze veronderstelling raakt de kern niet. Zoals gezegd, het kind ziet het letterteken wel en tekent het na, maar brengt het niet in verbinding met de erbij behorende klank. Het samenvoegen van wat gezien en van wat gehoord wordt lukt niet. Doch daar komt nog als extra belasting bij een storing in het overbrengen van het gehoorde of geziene in de wilsuitoefening, hier in die van het schrijven, dus het aan het werk zetten van de eigen hand, de gave van de bewegingszin.

Storingen in de coördinatie van de afzonderlijke zintuigwerkingen zijn terug te voeren op de orale fase van het kind, de zuigelingentijd. Volgens de zintuigenleer van Rudolf Steiner is de werking van een zintuig het opnemen van de indrukken der omgeving, het waarnemen ervan of ook het vasthouden; doch deze werking is bij het kleine kind nog gespreid over het gehele lichaam en niet, zoals bij de volwassene, strikt gelokaliseerd. Het totale zintuig-organisme differentieert zich eerst langzamerhand, zoals bijvoorbeeld ook de takken van een boom. Deze differentiatie vindt zijn afsluiting rond het derde jaar; de vorming van de geïndividualiseerde zintuigen duurt dan nog verscheidene jaren. Rudolf Steiner onderscheidt twaalf zintuigen, niet slechts vijf, verstaat onder zintuig niet alleen het anatomisch omschrijfbare orgaan, maar het bereik van de functie, dat voor het opnemen en de verwerking van de indruk in aanmerking komt. Deze zintuig-organisatie is in die eerste tijd uiterst teer, d.w.z. staat in hoge mate open. De meeste communicatiestoringen nu, waarover vele boeken handelen, zijn terug te voeren op een storing in de ontwikkeling van dit zintuigorganisme in deze eerste tijd van het kleine kind. Deze samenhang is niet genoeg bekend.

De zintuigen die het eerst hun vorm krijgen zijn de tastzin en de warmtezin. Al wat de lippen, de tong, vingers, huid, tastend aanraakt, deelt zijn hoedanigheid: warm of koud, ruw of glad, week of hard, aan het gehele fysieke wezentje mee, en wekt behagen of onbehagen. Hoe milder of zachter de aanraking, des te vreugdevoller is de reactie en des te groter het vertrouwen in het leven op aarde. De zuigeling reageert reeds na enkele dagen op geluiden. Hij verstaat nog niet de zin van het gesprokene, wel registreert hij de warmte en de welluidendheid van het woord, het lied of de klank. Hij luistert gespannen en ‘antwoordt’ met bewegingen en iets later met z’n keuvelgeluidjes.

Hoe staat ’t met het zien? Op lichtindrukken reageert de zuigeling even gevoelig als op geluiden. Overprikkeling van het oog leidt bij volwassenen tot nerveuze storingen, bij het heel kleine kind echter tot zware beschadiging van deze functie, en daarmee gepaard een afweerhouding om zich tegen de wereld te beschermen. Wanneer men bedenkt, hoe onbarmhartig het lawaai van de stad op prille zintuigen van het kleine kind werkt, om nog maar te zwijgen over de ‘babysit’-tv, dan begrijpt men dat door de ouders alles gedaan moet worden om het kind behoedzaam in het aarde leven binnen te leiden. De zintuigelijke ervaringen van de vroegste tijd komen gemetamorfoseerd in zielenkwaliteiten te voorschijn in het tweede zevental jaren. Wat als positieve indrukken werd opgedaan leidt tot gezonde reacties, tot een normale coördinatie van de verschillende zintuigen onderling. Negatieve — agressieve — indrukken brengen vervormingen teweeg, en remmen de ontwikkeling, van het kind.

Bekijken wij nu nog de coördinatie van zintuig en de wil. Ook de wil moet op de goede manier in het lijfelijke zijn plaats krijgen. De wil wordt naar binnen gehaald door de warmte-zin en de bewegingszin. Iedereen kan tegenwoordig vaststellen hoe het aan de orde van de dag is dat baby’s met verkeerde of te weinig kleertjes worden gekleed. Zij hebben het koud, en dit betekent een voortdurend in zichzelf terugkruipen, terugschrikken en bang zijn, — toestanden die zich in het zieltje nestelen. Maar niet alleen het warmhouden van het lijfje bevredigt de warmtezin. De baby heeft ook nestwarmte nodig. Met warmte toespreken in een harmonische omgeving is ook nodig bij de verzorging van de warmtezin. Storingen op het gebied van de tastzin en van de warmtezin leiden tot een zich afkeren, tot onverschilligheid. Storingen in de ‘gezichtszin’ en de gehoorzin hebben nervositeit tot gevolg, gebrek aan concentratie en een verminderd waarnemingsvermogen. Hiermee hebben wij de kernpunten van de woordblindheid verzameld, en daarmee is aangetoond dat de schrijf- en leeszwakte een beschadiging is van de zintuigen en niet een tekortschieten van de intelligentie.

Wil men een echt genezingsproces voor deze schijn-woordblindheid (en het is vrijwel altijd een schijn-woordblindheid) toepassen, dan zou men er dus mee moeten beginnen de prille zintuig-ontwikkeling te verzorgen: maar men kan dat kostbare eerste zevental jaren niet nog eens herhalen. Tot het negende, tiende levensjaar laat zich dit fijne organisme nog wel vormen. De effecten van de verkeerde indrukken kunnen dan nog door oefeningen gecorrigeerd worden. Deze oefeningen zijn niet alleen op het intellect gericht, doch allereerst op de wil en de zintuigen. l

De vrijeschoolpedagogie, ook wel, naar de naam van de eerste school,
Waldorfpedagogie genoemd, werd in het begin van deze eeuw door Rudolf Steiner ontwikkeld als een geneesmiddel tegen alle civilisatie- en opvoedingsbeschadigingen die hij zag komen in de loop van deze eeuw en vooral naar het einde toe, beschadigingen, die het wezen ‘Mens’ in gevaar brengen. Het leerplan van de vrijescholen omvat dan ook voor de eerste schooljaren een bijzonder rijke en veelzijdige verzorging van zintuig- en wilsontwikkeling.

Wie het bovenstaande gevolgd heeft, zal begrijpen waarom er zoveel tijd aan wordt besteed om in het onderwijs alles concreet vorm te geven: door voorbeeld en beeldspraak, en te leren waarnemen door schilderen, boetseren, luisteren (muziek!) en spreken, handen en voeten in altijd nieuwe oefeningen te coördineren met het gesproken woord, enz. enz. De zin voor het schone wordt verzorgd, het gevoel daarvoor gewekt, de bewegingszin in de euritmie op een heel bijzondere wijze bevorderd. Het schrijven wordt uit beelden, uit tekeningen ontwikkeld, en wel eerst de duidelijke drukletters. Gelezen wordt eerst wat de kinderen zelf aldus hebben geschapen. Aan het eigen, steeds doelgerichte doen van allerlei aard vat een veelzijdig enthousiasme vlam en daarmee een individuele inzet om te willen. Het niet kunnen beginnen bijvoorbeeld verdwijnt in het gemeenschappelijke doen. Waarnemen, kunnen en willen worden één, en daarmee is aan een beschadiging als de woordblindheid de grondoorzaak weggenomen. Er zijn gevallen waarin eerst de ingrijpende veranderingen van de puberteit de laatste remmingen wegnemen. Maar de breuk in de persoonlijkheid is reeds veel eerder weggenomen. Hopelijk worden deze uiteenzettingen niet zo opgevat als zouden de vrijescholen er alleen voor de woordblinden zijn. Bedoeld is aan te tonen, hoe een van de kwalijkste euvels van onze tijd met de hulp van de door de antroposofie van Rudolf Steiner verdiepte mensenkennis genezen en verholpen kan worden.

.

Leerproblemen: alle artikelen

Zintuigen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2729-2558

.

.

.