Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Uit LEO KLEINs aantekeningen

.

Leo Klein stelde mij een groot aantal aantekeningen ter hand die hij maakte tijdens zijn vrijeschoolleraarschap. <1>   <2>

Ik geef ze op deze blog door, zodat ook anderen er wat aan kunnen hebben.

Bij de aantekeningen bevinden zich ook ‘persoonlijke overdenkingen’ n.a.v. antroposofische inhouden

.

Vrijeschool in beeldLeo Klein  [1]  [2]

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

3201-3013

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De wereld is waar….(4)

.

Algemene menskunde voordracht 9 [9-5-3-3]*

.

Hoe WAAR is de wereld voor de opgroeiende mens vanaf 12 jaar?
Zie de inleidende gezichtspunten.

Waar kun je als leerkracht enthousiast over worden en als ideaal aan je leerlingen laten zien?

Je kan – dat overkwam mij bij het lezen van zo’n artikel – van binnen warm worden, je dankbaar voelen ‘dat er zulke mensen zijn’.

Iets positiefs ervaren: als we dat onze leerlingen eens konden meegeven.

.

 N.a.v. artikel in Motief nr. 214 juli-aug. 2017

.

op grond van de toekomst
.

Manfred van Doorn baseert zich bij zijn leiderschapstrainingen op de ‘Reis van de held‘.
In zijn analyses onderscheidt hij twaalf fases. Onder de titel DNA van duurzaamheid heeft hij onlangs het huidige tijdsgewricht van de mensheid in deze twaalf fases geanalyseerd.
De eerste fase – de proloog – begint bij het industriële tijdperk. Inmiddels zijn we in de negende fase – de dolk – aangekomen.

De dolk gaat over de ontdekking van het kwaad. In het geval van de mensheid is dat het verlies van biodiversiteit, smelten van permafrost, geen vertrouwen meer in media en overheid, destabilisatie door grote vluchtelingenstromen en de opkomst van extremisme. Als reactie daarop verkeert de mensheid in wanhoop en wil de weg terug naar het licht zien te vinden. Maar welke kant is dat op? Gaan we terug naar het nationalisme en komt er een nieuwe grote oorlog? Of krijgt de transitie naar duurzaamheid definitief vorm?

Timebinders

Welke kant we opgaan, hebben we volgens Manfred zelf in de hand: “Daarin zijn we vrij. Maar als we de weg van duurzaamheid willen inslaan, is het onze opdracht om zes kloven te overbruggen. Het mooie is dat we daarvoor een laagdrempelig vliegwiel hebben: de landbouw. Het eten van biologische voeding en het vrij maken van landbouwgrond zijn namelijk revolutionaire gebaren richting een duurzame wereld.” De eerste kloof die Manfred ziet, is die tussen het nu en de toekomst: “Door te leven in het nu zeggen we eigenlijk: na mij de zondvloed. We verteren de pot met roofbouw en kortetermijnwinst. Mensen die op zelfverrijking uit zijn, worden echter gekweld door een innerlijke leegte. De kloof tussen het nu en de toekomst kunnen we overbruggen door als timebinders te leven: verbonden met onze voorouders én rekening houdend met onze ongeboren kinderen. De biologische landbouw is daarvan een goed voorbeeld: biologische boeren gaan respectvol om met het levenswerk van hun voorgangers en geven vruchtbare landbouwgrond door aan de generaties na hen.”

Ratrace

De tweede kloof die overbrugd moet worden, is die tussen vrijheid en noodlot. Manfred: “Het is heel Amerikaans om te roepen dat je alles kunt worden, als je maar wilt. Ook ons lichaam wordt gezien als maakbaar en we verbouwen het met borstimplantaten en botox. Dat ervaren we als vrijheid, maar het is nepvrijheid. Mensen die dit als succes en schoonheid zien, laten zich namelijk manipuleren door de industrie. Dit is overigens een gevaarlijke kloof omdat het de solidariteit verder uitholt. Mensen met een zwaarder lot worden weggezet als zwak en mislukt. De kloof tussen vrijheid en noodlot kunnen we overbruggen door verantwoordelijkheid te nemen voor ons eigen lot en empathie te hebben voor het lot van anderen. In de landbouw wordt dit solidariteitsprincipe toegepast op zorgboerderijen. Mensen die uit de ratrace zijn gevallen, kunnen herstellen door mee te werken in het natuurlijke ritme van de seizoenen. Ook wijst de biologische landbouw genetische manipulatie af.”

Aardbeien in de winter

De derde kloof naar een duurzame wereld is die tussen welzijn en lijden. “Met name in de rijke landen besteden wij ons lijden graag uit,” aldus Manfred. “Voor ons eigen voordeel laten we anderen schade oplopen. Met het eten van goedkoop vlees schuiven we ons lijden af op dieren. En door in de winter aardbeien met een vliegtuig te importeren, schuiven we luchtvervuiling door naar de generaties na ons. Deze derde kloof kunnen we overbruggen door parasitair gedrag terug te draaien. In de biologische landbouw wordt daaraan vormgegeven door zorgvuldig om te gaan met dieren en leefomgeving. Dat kost echter veel meer tijd en energie. Met die noeste arbeid schuift een biologische boer zijn eigen lijden niet door, maar neemt het op zich.”

Ecosystemen versterken

Tussen informatie en waarheid zit de vierde kloof, aldus Manfred. “Door internet en social media zijn we verslaafd geraakt aan het eten van informatie. Al deze prikkels leiden ons af waardoor we niet meer toekomen aan wat echt belangrijk is in het leven. Deze kloof kunnen we overbruggen door ons weer te verbinden met de natuur. De biologische landbouw doet aan waarheidsvinding door de samenhang in het ecosysteem te versterken. Op die manier voegt een biologische boer waarden toe aan de aarde, in plaats van ze te onttrekken. En daarmee kom ik naadloos aan bij de vijfde kloof, die tussen materie en geest. Een biologische boer neemt de moeite om te kijken wat een gewas is en wat de grond wil, omdat hij weet dat alles bezield is. Zonder bezieling blijft alleen de materie over en kunnen we gewetenloos de planten, dieren en de bodem tot onze slaven maken.”

Schenken en delen

De laatste kloof is die tussen onszelf en de ander. Manfred: “Ik zag laatst een filmpje van een aboriginal die zei: het grootste verdriet van de westerse wereld is dat jullie voor jezelf zorgen en niet voor de ander. Daarmee vat hij deze zesde kloof mooi samen. Door onszelf centraal te zetten, zijn we gestagneerd in schenken en delen. Dat heeft ons in een isolement gebracht, waardoor we met de ander ook onszelf tekort doen. De biologische boer heeft deze kloof overbrugd door enorm goed voor zijn land te zorgen, en het paradoxale is dat het land daarmee ook enorm goed voor hem zorgt.”

Echo in de eeuwigheid

Willen we een happy end met een transitie naar duurzaamheid? Dan is er werk aan de winkel. “Het overbruggen van de zes kloven vraagt om een immense spirituele ontwikkeling,” aldus Manfred. “Het vrij maken van grond is een spirituele daad waarmee je in één klap een aantal kloven overbrugt. Je zegt daarmee: ik wil dat dit stukje aarde van ons allemaal is en voor de toekomst geschikt blijft. Je bevrijdt niet alleen de grond uit het oude systeem, maar je bevrijdt ook jezelf door het lijden op je te nemen dat jouw voorgangers op de aarde hebben afgewenteld. Het is een homeopathisch gebaar – er is nog amper 2% biologische landbouw in Nederland – maar dit gebaar is een echo in de eeuwigheid. Het industriële tijdperk is ooit klein begonnen dus het is logisch dat de oplossing ook vanuit de kiem begint.” 

De twaalf fases en zes kloven van de DNA van duurzaamheid heeft Manfred van Doorn in samenwerking met Stichting Grondbeheer uitgewerkt in een poster, te bestellen via www.doublehealix.com.

Wat is vrije grond?

Vrije grond is gekocht met schenkgeld en obligaties van burgers. Daardoor is het geen particulier eigendom meer. Bij natuurgebieden vinden we dit al heel gewoon. Het behoud van landbouwgrond is echter minstens zo belangrijk: het is de bron van ons voedsel. Door landbouwgrond vrij te maken, wordt het uit het economische verkeer gehaald. Het mooie van deze aanpak is dat het een langetermijnoplossing biedt voor het behoud van vruchtbare landbouwbodems. De indianen dachten zeven generaties vooruit bij beslissingen. Grondbeheer garandeert bodemvruchtbaarheid voor minstens zeven generaties na ons. Als spin-off van de biodynamische landbouw neemt de biodiversiteit en kwaliteit van onze leefomgeving toe.

Stichting Grondbeheer

De oprichting van Stichting Grondbeheer in 1978 was een initiatief van de Studiegroep Economie van de Antroposofische Vereniging, en is een uitwerking van de sociale driegeleding naar de praktijk. De productiedruk in de landbouw, die ten koste gaat van het milieu, wordt opgelost door landbouwgrond met schenkgeld en leengeld uit het economische verkeer te halen. Inmiddels beheert Stichting Grondbeheer ruim 220 hectare vitale landbouwgrond verspreid over 15 biodynamische bedrijven.

Meer info: www.bdgrondbeheer.nl

.

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Algemene menskunde voordracht 9: v.a. [9-5]* alle artikelen over ‘de wereld is waar’

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3192-3004

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-8)

.

John Hogervorst, Motief nr. 192, mei 2015
.

samen delen
.

Over broederschap in het economisch leven
.

Uitgever en ondernemer John Hogervorst heeft een hoog ideaal: broederschap onder alle mensen ter wereld. Niet als moreel vereiste, want moraliteit kunnen we niet van elkaar eisen. Broederschap kan wel georganiseerd worden. In de economie is de broederschap deels al werkelijkheid, zegt hij, wij zien het alleen niet. Nog niet. En dus handelen we er ook niet naar. Over het juiste prijsbegrip als thermometer voor broederschap in de economie.

Wat versta jij onder broederschap?

“In het groot gezien zijn er twee vormen van broederschap. Eén daarvan wordt gerealiseerd, maar zonder dat we daar erg in hebben. Het economisch leven is de natuurlijke biotoop van broederschap. Neem de mensen die in de economie werkzaam zijn: wat zij maken, maken zij niet voor zichzelf. Zij maken de dingen waar anderen behoefte aan hebben. Je kunt elk willekeurig product onder de loep nemen, kijk maar eens rond op je ontbijttafel. Als je onderzoekt waar het vandaan komt en wie daaraan hebben meegewerkt, kom je letterlijk in aanraking met mensen over de hele wereld. Neem een ogenschijnlijk zo eenvoudig product als pindakaas: laten we aannemen dat de pinda’s in Indonesië geteeld worden. Na de oogst worden ze daar gedopt, vervolgens worden ze verscheept en in Nederland geroosterd, vermalen en vermengd met andere stoffen, zoals suiker en vet. Waar komen die suiker en dat vet vandaan en wie hebben daaraan meegewerkt? Wie hebben meegewerkt aan de fabricage van het glazen potje waar de pindakaas in gestopt wordt, wie werkten mee aan het transport van de pinda’s en de pindakaas, wie waren betrokken bij de fabricage van de gebruikte transportmiddelen en de grondstoffen waarvan die gemaakt zijn? Het potje pindakaas bij mij op de ontbijttafel is het resultaat van het samenwerken van duizenden mensen. En dat wat zij feitelijk doen, is niet voor henzelf maar voor ‘de ander’, bijvoorbeeld voor mij. Heel feitelijk beschouwd is het de waarheid dat mensen niet voor zichzelf, maar voor ‘de ander’ werken, en daar hebben we de ene vorm van broederschap: werken voor andere mensen. De tragiek is dat we weliswaar beginnen waar te nemen dat dit een feit is, maar er nog niet de consequenties uit trekken. Samen werken in de economie is de ene vorm van broederschap; samen delen de andere.”

Wat houdt dat samen delen in?

“Dat wat de economie aan producten opbrengt, ook voor alle mensen ter wereld beschikbaar wordt gemaakt. We hebben de natuurlijke neiging om broederschap dicht bij onszelf te zoeken, in onze eigen kring, om met elkaar nette morele mensen te zijn.
Dat is heel goed, en dat blijven we hopelijk oprecht proberen. Maar in mijn ogen sluit broederschap de hele mensheid in. En in onze tijd is het de economie die de mensheid over de hele wereld op de meest concrete manier met elkaar verbindt. Daarom is de economie het gebied waar broederschap thuis hoort.”

Hoe kom je meer tot delen?

“Aan de prijzen van producten in de winkel kun je aflezen of de economie gezond is. Dat betekent: of de economie recht doet aan de mensen. Rudolf Steiner spreekt over het juiste prijsbegrip, als een soort thermometer in de economie. Het prijsniveau laat zien of de prijs van een product zodanig is dat iedereen die aan het product heeft meegewerkt in ruil daarvoor voldoende heeft gekregen om in al zijn behoeften te kunnen voorzien tot op het moment dat er weer een nieuw product is ontstaan. Daarbij geldt dit niet alleen de behoeften van die mensen zelf, maar ook van degenen die van hen afhankelijk zijn, voor wie zij de zorg dragen. Wanneer de juiste prijs gehanteerd wordt, kan ieder mens op een menswaardige manier leven. De prijs is als een thermometer die aangeeft in hoeverre we elkaar een menswaardig bestaan bieden. De moderne economie heeft echter de nare karaktertrek – ik bedoel: zo hebben we de economie ingericht – dat we bij nagenoeg elke aankoop andere mensen tekort doen. Ik wil dat niet moreel beoordelen, maar er gewoon nuchter naar kijken: de moderne economie is een misdadig systeem, waarbij we alle mensen onder druk zetten zo goedkoop mogelijk te leveren. Je hoeft daar niet opgewonden over te doen; het is gewoon een feit. Maar niet een feit dat we zouden moeten laten voortbestaan. Terug naar de vraag over het samen delen. Als alle dingen de juiste prijs hebben, komt niemand tekort. Waarom is dat nu nog niet zo? Dat komt door prijsvervuiling en prijsvervalsing. Die komen voort uit de manier waarop wij met eigendom omgaan. Grond en kapitaal zijn zaken die geen eigendom zouden moeten kunnen zijn: ze moeten onverhandelbaar worden gemaakt. In de huidige economie vormt het feit dat ze wél eigendom zijn het vehikel van eigenbelang. Onze omgang met eigendom geeft egoïsme (in de vorm van deelbelangen en groepsbelangen) in de economie ruim baan, met desastreuse gevolgen. Dat dit niet langer kan gebeuren, zou te regelen zijn met andere wetgeving. Dan zorg je ervoor dat een onderneming geen eigendom meer kan zijn: grond en kapitaal kun je niet meer bezitten en verkopen – je kunt alleen het recht krijgen ze tijdelijk te gebruiken. Daarmee wordt het egoïsme in de economie aan banden gelegd. In ons privéleven vindt ieder van ons hopelijk de juiste weg om met zijn egoïsme om te gaan. Maatschappelijk gezien zouden we met elkaar tot wetten, regels en afspraken moeten kunnen komen die geen ruimte geven aan het egoïsme. Daarmee maken we het onszelf moeilijk onze zwakke kanten uit te leven. Zulke afspraken maken is een concrete weg van verandering, vanuit gezond verstand. Het egoïsme in de economie laten verschrompelen door het eigendomsrecht te veranderen in een gebruiksrecht, is wat mij betreft een voorbeeld van zo’n afspraak op basis van inzicht.”

Kun je een voorbeeld geven?

“Wat gebeurt er bijvoorbeeld als een boer eigenaar van zijn grond is en op een gegeven moment wil stoppen? Dan zoekt hij een ander die zijn grond overneemt. Als dat lukt, zijn daar miljoenen mee gemoeid. En hoe dan ook: de nieuwe boer moet dat bedrag terugverdienen, en dan komt daar nog de rente bovenop. Wie betaalt deze rekening? Dat zijn alle betrokkenen: de boer, zijn medewerkers, zijn leveranciers en wij, zijn klanten. En over dertig, veertig jaar, wanneer de nieuwe boer zijn leningen, hopelijk, heeft afgelost, dan begint het verhaal weer opnieuw, want dan wil hij gaan stoppen en moet de volgende nieuwe boer aantreden. Maar de grond waarop de boer boert, die is er gewoon. Als die niet te koop zou zijn, wordt er – als de ene boer wil ophouden – een andere boer gezocht die capabel is en produceert naar behoefte van de gemeenschap. Enzovoort. Het is waanzin dat die grond steeds verhandeld wordt. Het is denkbaar om ‘een orgaan’ te vormen (bijvoorbeeld een stichting) dat één keer de grond aankoopt, voor de laatste keer, en deze in het vervolg in gebruik geeft aan de meest bekwame boer die ze kunnen vinden. Stichting Grondbeheer is hier een voorbeeld van, in Frankrijk, België en elders zijn er vergelijkbare organisaties. Dit principe, dat ook wel het neutraliseren van bedrijfseigendom wordt genoemd, kan bij elke onderneming. Mijn eigen onderneming (uitgeverij Nearchus en webshop abc-antroposofie.nl, red.) is ook op deze manier gevormd: het eigendom is ondergebracht bij Stichting Sleipnir*, waar ook verschillende andere bedrijven bij aangesloten zijn. Het grootste obstakel op weg naar de juiste prijs is het eigendomsrecht. Als we dat veranderen, komt broederschap een stuk dichterbij. Daarbij mogen we overigens bedenken dat we vaak ook zelf, zonder dat we het beseffen, mede-eigenaar van bedrijven zijn, bijvoorbeeld via pensioenregelingen, spaartegoed, beleggingen enzovoort. Dus wie serieus broederschap wil beoefenen, kan meteen aan de slag!

Bij Sleipnir, zo zou je het kunnen zeggen, is de ideële doelstelling de eigenaar van de aangesloten ondernemingen. Ik spreek over ‘mijn bedrijf, ik voel me er ook intens mee verbonden, maar het is niet mijn eigendom. Het heersende idee is dat je alleen ondernemer kunt zijn als de onderneming jouw eigendom is. Vanuit de ervaringen die wij bij Sleipnir opdoen, kan ik zeggen dat dat niet zo is. Sterker nog: omdat wij geen eigenaar van onze bedrijven zijn, kunnen we ons ten volle richten op het ondernemerschap – dat is het vervullen van de behoefte van de consument – en is het zinloos ons te laten leiden door egoïsme. En dit is misschien wel de bottom line van ondernemerschap: de behoefte van de andere mens op de meest efficiënte wijze vervullen.”

Het idee is dus dat je niet werkt voor jezelf, maar voor de ander? “We kunnen de door Steiner geformuleerde sociale hoofdwet niet onbesproken laten… We zijn in de economie totaal afhankelijk van elkaar. Iets in de moderne mens deinst daarvoor terug. We verdragen die afhankelijkheid niet, maar die is gewoon een feit. Mensen willen onafhankelijk zijn en vergaren bergen rijkdom; dat neemt vaak nare trekjes aan. Maar hoe rijk een mens ook is: wanneer morgen iedereen ophoudt te werken, dan is die rijkdom overmorgen niets meer waard. Want als de winkel leeg is, kun je niets kopen, hoeveel geld je ook hebt. We zijn permanent van elkaar afhankelijk, in de meest concrete zin van het woord. Kunnen we dit waarnemen? Dan kunnen we hier ook op bouwen en de wederzijdse afhankelijkheid bewust vorm geven: voor de ander werken en samen delen.

Mijn stelling is, en ik ben heel serieus: we kennen Rudolf Steiner als alleskunner op allerlei gebieden, maar Rudolf Steiner als econoom is het meest actueel. Zijn inzichten over economie en samenleving zijn voor onze tijd het belangrijkste, meest brisante en urgente van wat hij te brengen had! We zouden de economie te lijf moeten gaan met zijn ideeën, voor alle mensen op de wereld.” 

*Stichting Sleipnir

Stichting Sleipnir streeft naar een vernieuwing van de bestaande sociale verhoudingen. Zij doet dat op basis van de sociale impuls van de antroposofie. In het bijzonder de door Rudolf Steiner geformuleerde sociologische basiswet en sociale hoofdwet, en zijn ideeën over maatschappelijke driegeleding. De zeven betrokken ondernemers willen bijdragen aan een wereld waarin mensen vrij, gelijkwaardig en menswaardig kunnen leven en werken. 

Zie:  www.stichtingsleipnir.nl

Sociale hoofdwet (Steiner 1905)

“Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter, naarmate de enkeling minder aanspraak maakt op de opbrengsten van zijn prestaties, dat wil zeggen, naarmate hij meer van deze opbrengsten aan zijn medewerkers afstaat en naarmate meer van zijn eigen behoeften niet door zijn eigen prestaties, maar door de prestaties van de anderen worden bevredigd.”

Zie bv. ook: dit artikel   bij

Sociale driegeledingalle artikelen– waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3184-2996

.

.

.

VRIJESCHOOL – Pasen (48)

.

Pasen – oude volksgebruiken

.
Paasvuur

De Kerk plaatste de herdenking van Christus’ dood en verrijzenis op het grote heidense voorjaarsfeest. De voorjaarsvuren – ontstoken om hun vruchtbaarmakende kracht over te brengen op mens, dier en akker – kregen toen de naam van paasvuren. Men sprong door de vlammen en dreef het vee er doorheen en de neerslaande rook en het verkoolde hout schonken wasdom aan de velden. In christelijke herinterpretatie zouden de vuren moeten dienen om de doornenkroon van Jezus, het licht der wereld, te verbranden!
Deze vuren hebben een economisch neveneffect: men verbrandde daarin het oude en versleten gerei van de winter. Nog* brandt iedere Saksische hoeve hiervan zijn paasvuur, de paasbaak.
Reeds dagen vóór Pasen begint de jeugd de brandstof op te halen. Als de Drentse jongens daarvoor in de ‘stille week’ langs de boerderijen trekken, dan zingen zij:

He’j ook òlle wannen,
Die we paosken brannen?
He’j ook’n bossien stro of riet?

Aans he’ w’ paoskemoandag niet.

Zo komt het dat de zaterdag vóór Pasen in Borger ‘olle wannendag’ wordt genoemd. Werd er niets gegeven, dan hoorde men wel:

Wi’j oes niet wat geven;
Dan zu’j niet lang meer leven.
Wi’j oes niet wat doen, . .
Dan kom j’ op de schorstienkroen!

Op paasmaandag, tegen dat het donker wordt, begint men ‘voorvuurtjes’ te maken, vervolgens wordt met een brandende tak het grote vuur ontstoken. Soms is men er zich in Drenthe nog erg bewust van dat dit vuur door wrijving moet zijn ontstaan om ‘zuiver vuur’ te zijn. Ook gelooft men er nog wel, dat het paasvuur een hogere kracht heeft als het is gestolen. Daarom houdt de jeugd, ook in Gelderland en in de Overijsselse Achterhoek, de wacht bij de houtstapels voor het paasvuur, want het is een liefhebberij de paasbaken van anderen ontijdig in vlammen te doen opgaan. Met name in de buurtschap Dijkhoek bij Borculo wordt het paasvuur intensief bewaakt, omdat het nog onlangs* voortijdig in brand is gestoken. Bij voorkeur richt men het paasvuur aan op een hoogte (de Paasberg te Markelo, het hoogste punt van de es van Usselo) of op de Paasweide (Denekamp). Oorspronkelijk stond in het midden van de houtmijt een paal met aangebonden verticaal rad, voorstelling van het zonnerad. Evenals dit rad de zon bij haar nieuwe loop weer op gang moest helpen, zo moesten de voorjaarsvuren haar warmte toevoeren. Nu wordt het rad in de houtstapel gewoonlijk vervangen door een teerton. De oudste bewoner, als het goed is, ontsteekt het vuur met een fakkel, met ‘striekswevels’ (lucifers) of, wanneer het toegaat in de archaïsche trant, met ‘maagdelijk’ vuur (noodvuur), verwekt door vuursteen en staal.
Nog* loopt en springt men wel door het uitgedoofde vuur om gezondheid te verkrijgen en gelooft men dat de rook die over de velden trekt, deze vruchtbaar maakt. Ook moet het verkoolde hout het zaad op de akker doen gedijen en het huis tegen bliksem beschermen. Dat men de meisjes ermee zwart maakt, kan teruggaan op een oud vruchtbaarheidsgebruik.

‘Eindelijk is het slotbedrijf daar: het zwartmaken der gillende maagdekens, die het wel prettig vinden, als een sterke jongeman ze in het duister beetpakt en wat bijschildert,’ aldus meester H. W. Heuvel in zijn Oud-Achterhoeksch boerenleven, het geheele jaar rond.

Te Borne droeg men een roggeschoof om het paasvuur om zegen te bekomen op de oogst. Was het vuur uitgebrand, dan keerde men onder het zingen van oude liederen huiswaarts, maar bij de verkoolde overblijfselen bleef een wacht achter.

In sommige plaatsen is traditie dat een paasvuur niet groter mag zijn dan drie voer hout: één voor de Vader, één voor de Zoon en één voor de Heilige Geest. Doch voor het grote paasvuur te Usselo voerden in 1934 de bewoners wel zestig karrevrachten hout aan!

In Friesland ontsteekt men paasvuren van de Rottevalle tot Lemsterland, een gebied dat aansluit bij het grote paasvuurgebied van Drenthe en Overijssel. Ook bijvoorbeeld in Ouwsterhaule komen paasvuren voor, een gebied waar in de 18e en 19e eeuw Overijsselse (Gieterse) veenarbeiders zich vestigden, die er het paasvuur gebracht zullen hebben. Misschien is aan de invloed van de Stellingwerfse vuren toe te schrijven, dat de jeugd in dorpen als Oude- en Nijehorne, Katlijk en Mildam vuurtjes stookt, waarvoor zij reeds lang vóór Pasen brandstof inzamelt. Ook te Jubbega ontsteken zij een ‘peaskebult’. Van de noordelijke eilanden kende nog alleen Ameland en wellicht Vlieland het paasvuur, waaraan een naam als Paasduin de herinnering levend houdt.

Zeer omvangrijk, soms wel twaalf meter hoog, zijn de officiële paasvuren die men de laatste jaren in Twente bij de steden ontsteekt, waarvoor de bevolking zich een toegangsbewijs kan kopen. Men ziet echter een paasvuur liever in landelijke omgeving met boeren op klompen dan met de heren van de feestcommissie. Toch heeft dit officiële paasvuur zijn goede zijde: wegens meer toezicht op de samenstelling van de brandstapel wordt er minder natuurschoon vernield.

Paasei

Een grotere rol dan het paasvuur speelt vanouds het paasei, dat vooral in de Oosterse kerken van veel belang is: de uitdeling van rode eieren met Pasen is nu* zelfs een toeristische attractie in de grote Albanese vestiging boven Palermo. Er werden geverfde eieren gevonden in een stenen graf bij Worms, dat een meisjesskelet en munten uit 320 voor Christus bevat. De Romeinen hadden hun eierspelen, ter ere van Castor en Pollux, beiden gebroed uit twee eieren, gelegd door Leda.
Als kiem van nieuw leven bergt en schenkt het ei levenskracht. De primitief denkende mens hield deze kracht voor overdraagbaar: men at eieren om sterk te worden. Daarom was het een ‘must’ in het voorjaar eieren te eten. Het ei moest zijn kracht ook overbrengen op het land: daartoe verspreidde men eieren over de velden en groef men ze zelfs wel in. Daarna kon men ze opeten: zo werd de kracht eerst overgedragen op weide en akker, vervolgens op de mensen.

In het christendom werd het geloof aan de kracht van het ei nog versterkt, doordat men erin zag het witte gepleisterde graf, waaruit het leven (Christus) weer oprijst. Vandaar dat in oude kerken met plafondschilderingen het graf van Christus eivormig werd voorgesteld. Daarom werden de paaseieren, als eerste spijs na de vasten, in de kerk gewijd: hierdoor kregen zij genezende en onheilwerende kracht.

Na de lange onthouding werd het paasei met vreugde begroet: men gaf elkaar eieren ten geschenke. Met Pasen hield men een eiermaal: boerenmensen die in het dagelijks leven nooit eieren aten, aten ze dan om het meest. Volgens het kindergeloof gingen de kerkklokken, die op Schortelwoensdag, de woensdag voor Pasen, worden opgeschort, naar Rome om paaseieren te halen. Hebben zij op paaszaterdag, bij het ‘Gloria in excelsis’, weer hun galmende tonen doen horen, dan zoekt de jeugd in Limburg en Brabant naar de bontgekleurde eieren, die de klokken hebben meegebracht. Men verstopt ze in huis en tuin. Mogelijk gaat dit terug op een vroeger begraven in de akker om deze vruchtbaar te maken. Zolang de klokken als rouwbetoon bij de herdenking van Jezus’ gevangenneming zwijgen en door houten kleppers en ratels worden vervangen, trekken in Limburg de ‘klepperjongens’ rond, die door kleppers en ratels het begin van de Heilige Diensten en de Angeluskloktijd aankondigen. Het gebruik is de laatste jaren* enigszins uitgebreid: behalve in Thorn en Noorbeek komt het nu ook voor in Mechelen en Valkenburg.

Tegen Pasen gaan op het platteland de kinderen rond om eieren te vragen. Dan zingen zij, evenals op palmzondag:

Eén ei is geen ei,
Twee ei is een half ei,
Drie ei is een paasei.

In Limburg (Weert, Noorbeek) haalde de koster eieren op ‘voor de pastoor’: de pastoor ontving 30% en de koster 70%. Op het Vlaamse platteland was het gebruikelijk dat de koster of de misdienaars eieren ophaalden.

Algemeen werden deze eieren gekleurd. Dit doet men nog wel, maar de natuurlijke verfstoffen (uien, spinazie, rode kool) zijn nu merendeels door chemische vervangen.

Elk kind kreeg vroeger enige hardgekookte gekleurde eieren om ermee te gaan spelen op de paaswei of de paasbergen. Daar stonden dan kraampjes met koek, eieren, sinaasappels en noten, en werd de paaskermis gehouden, gewoonlijk op paasmaandag, ook wel op paasdinsdag, in vele plaatsen een rustdag. In Roermond wordt het eierzoeken, dat steeds minder voorkomt, in bepaalde buurten centraal geregeld. Ook in Wassenaar wordt het zo nu en dan beoefend.

Oudtijds trok de ganse bevolking van stad of dorp naar de paaskermis: men noemde deze uittocht wel de Emmaüsgang. Oorspronkelijk was dit de benaming van een grote processie, weleer op paasmaandag gehouden en ontbonden op de paasweide, waar men het grootste deel van de dag in kermisvreugde doorbracht. Aan deze processie zal een oudere ommegang tot bevordering van de wasdom vooraf zijn gegaan. Op de paaswei hielden de kinderen hun eierspelen. Op Schiermonnikoog trok de jeugd met gekleurde gekookte eieren naar het ‘Paeiskelaun’ (Paasland) en speelde daar het spel van ‘ooi-leiverjèn, ei-leveren. Men verkocht zijn paasei voor enkele centen en de koper wierp het weg met de bedoeling het stuk te gooien. Lukte dit, dan behield hij het ei zonder betaling; bleef het ei heel, dan kreeg de eerste eigenaar het terug en hield de centen.

Op Ameland vermaken kinderen zich ook nu* nog wel met ‘eismiten’ of‘eirollen’. Op het Nesker Paasduin, het Ballumer strand en het Eislaanderduin te Hollum laten zij hun gekleurde eieren van het duin afrollen en zien wiens ei het verst rolt. Het gebroken ei wordt terstond opgegeten. Dit spel gaat mogelijk terug op het vroegere gebruik eieren van een hoogte te rollen, opdat ze hun wasdom zouden overbrengen op de velden. Ongeveer dezelfde gebruiken zijn o.a. in de VS bekend als ’egg-picking’ en ‘egg-rolling’.

Op het Oostfriese Waddeneiland Norderney is dit eiergebruik, blijkens een bericht in Ostfriesland, nr. 4, 1976, nog in volle fleur. Daar geschiedt het ‘Eiertrudeln’ aldus, dat vanaf de duinen en dijken ‘Rutschbanen’ worden aangelegd, waarlangs de eieren naar beneden ‘gekolderd’ worden. Er hoort een spreuk bij:

‘Eiertrüllen – Sönndag; Hicken – Bicken – Mandag; Upeeten – Dingstag; Utpupen – Mittwäk’.

Het meest verbreide eierspel is eiertikken. Men houdt het ei in de holte van de hand en tikt met het spitse of stompe uiteinde of met de zijkant. ‘Wie heeft er spits, wie stomp, wie zied?’ hoort men in het oosten des lands de kinderen buiten roepen; in Limburg, waar het eiertikken nu ook in huis plaatsheeft, spreekt men van kop en kont. Het gebarsten ei is voor de winnaar. Dit spel werd op het eind van de 18e eeuw nog door volwassenen beoefend.

Eiertikken en palmpasen. Uit: Vaderlandsche Kindervreugd, Amsterdam, omstreeks 1780.

Dat de paashaas de eieren zou brengen, door hem gelegd (!) is een absurde nieuwigheid, die uit Duitsland nog maar kort geleden werd geïmporteerd. Hij verstrekt vaker chocolade-eieren dan eieren van de kip. . .

Reeds lang voor de oorlogsjaren speelde men op vele plaatsen in plaats van met eieren met sinaasappelen en noten. Zo rolt men in Drenthe met sinaasappelen en speelt men met noten het spel van ‘dik en dun’.
In Groningen is het ‘neutenschaiten’ of ‘riesteren’ nog* steeds niet vergeten. Men beoefent het spel in allerlei vormen (zie K. ter Laan, Groninger Volksleven).

Op Terschelling ging men noten schieten op het strand, waar een soort kermis plaatshad. De paaskermis werd in het begin van deze eeuw nog op enkele plaatsen gehouden, o.a. te Zwolle op de Spoolderberg en te Tiel op de Hoogeweide. Te Deventer handhaafde zij zich op de Worp, maar het is een gewone kermis geworden.

Waarschijnlijk gaat de versierde paasos, nog niet zo lang geleden door de slager langs de straten geleid om bestellingen uit te lokken, terug tot een ver verleden, toen men hem in het voorjaar offerde. Uit de slagersuitstallingen verdween het speenvarken met sinaasappel in de bek, dat misschien het paaslam heeft vervangen. Vervallen is ook de gewoonte, dat de bakker aan zijn begunstigers een krentenbrood schonk, de boterboer hun lammetjes van grasboter, versierd met takjes buxusgroen, vereerde.

Paasos van taaitaai

In Twente hebben twee zeer merkwaardige eeuwenoude paasvieringen tot heden toe standgehouden: de paasstaak te Denekamp en het’vlöggelen’ te Ootmarsum. De nabijheid van deze plaatsen biedt het voordeel dat de honderden vreemdelingen die jaarlijks naar Twente trekken om dit schouwspel bij te wonen, de hoofdzaken van beide vieringen op één en dezelfde dag. Paaszondag, kunnen aanschouwen.

Paasstaak

Bij de paasviering te Denekamp leert men allereerst de Judas-figuur kennen, wellicht een gekerstende voorstelling van de winter of de dood. Oudtijds verbrandde men in het paasvuur vaak een pop. Judas genaamd; dit gebeurt nog* te Ulft en Huissen (Geld.). Doch de Twentse Judas is een levende jongen, die alles in orde maakt voor het paasvuur en de paasstaak en daar een gulden of wat aan verdient. Met zijn helper de Krioter, allicht een verbastering van Iskariot, en een troepje vriendjes begint hij op palmzondag zijn taak door, een grote mand aan de arm, het dorp af te lopen en overal om eieren of geld te vragen. Daarbij zingen de jongens de oude paasliederen ‘Christus is opgestanden’, ‘Daar nu het feest van Pasen is’ en ‘Heden is de grootste dag’, die ook met Pasen te Denekamp, Ootmarsum en Oldenzaal nog in de kerk worden gezongen, liederen die men in hun geheel (met de melodieën) kan aantreffen in dr. G. J. M. Bartelink, Twents volksleven, liederen en dansen, blz. 99-105, Wassenaar 1967. De eieren worden door Judas verkocht. Van de gezamenlijke opbrengst slaat hij het dennenhout in voor het paasvuur, terwijl ook de vriendjes hun aandeel krijgen of worden getrakteerd.

Op paaszondag heeft het ‘paasstaken halen’ plaats. Om één uur verzamelt zich een menigte jongens en mannen bij de rooms-katholieke kerk en vormt een stoet, waarbij zich tot voor enkele jaren ook de pastoor en de kapelaans aansloten. Onder onafgebroken zingen van de oude paasliederen trekt men nu in optocht naar de oude havezathe ‘het Singraven’, waarop de verplichting rust ‘den paasstaken’ te leveren. Als men dit verzoek één jaar oversloeg, zou deze verplichting vervallen, maar de Denekampers zorgen wel, dat dit niet gebeurt. De landeigenaar ontvangt het verzoek, staande voor zijn huis, en laat door de houtvester een boom aanwijzen, gewoonlijk een den. Judas klimt erin om een touw te bevestigen, en twee daarvoor aangewezen mannen hakken de boom om. Dit alles onder het wisselen van kwinkslagen, want dit is een vrolijk feest, al is het tevens plechtig door allerlei oude gebruiken: hoe meer voorschriften, des te plechtiger. Zo wordt de boom omgehakt met een daartoe bestemde bijl, die steeds in hetzelfde huis wordt bewaard. Men houwt de dikste zijtakken af, behalve aan het boveneind, en vervolgens wordt de boom, de kop vooruit, ‘met levende touwen’ (een lange rij van mannen en jongens) onder onafgebroken paasgezang, naar Denekamp gesleept. Daar legt men hem neer in de straat (vroeger gebeurde dit vóór de dorpstoren), waarna de deelnemers ter vesper gaan. Na de kerkdienst, om drie uur, slepen zij de boom, steeds met de kop vooruit, naar de oude Paasbult, waar het hout voor het paasvuur gereed ligt. Naast de houtstapel graaft men een diep gat en richt daarin de paasstaak, waaraan nu een teerton is bevestigd, met ladders omhoog. Dan

beklimt Judas de boom door middel van een ladder en gaat de paasstaak bij opbod verkopen. Hierbij valt het publiek hem voortdurend in de rede en plaagt en hoont hem, tot hij volgens traditie zijn plaats afstaat aan zijn medehelper, de Krioter, wie het eveneens vergaat; dit alles onder het maken van veel grappen. Als Judas de verkoop beëindigt, maakt hij bekend hoe laat de teerton zal branden, besteedt ook het aansteken van de teerton aan en nodigt tenslotte allen uit bij het paasvuur tegenwoordig te zijn. Hierop gaat men huiswaarts om het eiermaal te gebruiken en in de avond terug te keren. Dan wordt de teerton aangestoken en vlamt het paasvuur op, waarbij men, evenals bij het ‘eier-gadderen’, het afhalen, kappen, slepen en richten van de paasstaak, de oude paasliederen zingt. Vooral hoort men ’s avonds

‘Daar nu het feest van Pasen is,
Wij zingen van Heer Jesu Christ,
Alleluja, Alleluja, Alleluja’

aanheffen, met zijn als klokkengebeier klinkende melodie. De eigenlijke tekst wordt door een solostem gezongen en allen vallen in met het alleluja.

Het is duidelijk dat deze paasstaak verwant is aan de boom die in de nacht van 1 mei door de ganse bevolking uit het bos werd gehaald en waaraan allen meedroegen om deel te hebben aan de heilzame kracht die van hem uitstroomde.

Vlöggelen

Heel bijzonder is ook de paasviering in Ootmarsum, met zijn nauwe zijstraatjes en stegen. Zij wordt voor het eerst in 1840 vermeld, maar zij wortelt ongetwijfeld in de Middeleeuwen. In 1870, toen de burgemeester enkele huizen waar de stoet doortrekt liet verzegelen, brak het volk die met geweld open en het vlöggelen is toen fanatieker dan ooit toegegaan.

Als eerste begin van de feestelijkheden kan men er op zaterdag voor Pasen tegen de avond een drietal volgeladen wagens met hout voor het officiële paasvuur door het stadje naar de paasweide zien rijden. Dit hout is bijeengebracht door acht ongehuwde personen, de ‘paoskearls’, die ook de leiding hebben bij de verdere viering; deze commissie vult zichzelf gewoonlijk aan, door er ieder jaar twee te vervangen. Ze moeten rooms-katholiek zijn en in Ootmarsum geboren en getogen. Leeftijd: 20 tot 40 jaar.

Op paaszondag komen ’s ochtends tegen negen uur een vijftigtal katholieke mannen en jongens bijeen op het marktplein en heffen er het oude paaslied ‘Christus is opgestanden’ aan, hier op een wat andere wijs gezongen dan te Denekamp. Zingend trekken zij enige straten door en zijn tegen tien uur weer op de markt terug, waarna allen ter kerke gaan. Na afloop van de dienst, als de geestelijke is heengegaan, verzamelen de aanwezigen zich achter in de kerk en zingen ‘Christus is opgestanden’ onder begeleiding van het orgel. ’s Namiddags om half twee wordt dit gezang herhaald en door de middagdienst besloten. In de namiddag heeft dan het eigenlijke volksgebruik, het ‘vlöggelen’ plaats.

Uitgangspunt is de paasweide, waar de grote houtstapel ligt opgericht en kraampjes met lekkers staan. Heeft men zich daar enige tijd verlustigd, dan vormt zich een groepje mensen, waaronder de voorzanger, de held van het feest. Plotseling hoort men boven het kermisgewoel uit het opstandingslied klinken. De voorzanger zet iedere strofe in, waarna de overigen invallen. Al wandelend van de ene kant van de weide naar de andere groeit het troepje aan, tot tenslotte een paar honderd mensen, mannen, vrouwen, jongens en meisjes zich hebben aangesloten en in een ongeregelde troep van de paasweide naar de stad trekken. Bij de ingang daarvan legt de voorganger plechtig zijn linkerhand op de rug, welke onmiddellijk wordt gegrepen door zijn volger, die nu op zijn beurt de hand biedt aan wie achter hem staat, en in een ommezien lost de dichte mensendrom zich op in een reusachtige mensenketen van ‘vlöggelaars’. Getrouwde mannen en vrouwen, jongens en meisjes, boeren en burgers, katholieken, protestanten en vreemdelingen, zingen met luide stem de Allelujazang:

Alleluja, den blijden toon, Alleluja!
Wordt nu gezongen, zoet en schoon, Alleluja!
Alleluja, Alleluja, Alleluja!

Het lied telt negentien tweeregelige strofen. Geen overbodige voorzorg dus dat de vlöggelaars zich de tekst op de rechterschouder spelden, zodat ieder hem van zijn voorganger kan aflezen, mede om te herinneren aan de beide veranderingen in de tekst (in ‘al van de joden hun handen’ en ‘Dat deden de joden naar valsenraad’ werd ‘joden’ in ‘mensen’ veranderd, in 1968), maar nu, althans in 1978, waren de joden er weer bij. Als allen in plechtige tred de voorganger volgden langs de oude traditionele vlöggelweg, verschijnen alle bewoners aan deur of raam en sluiten velen zich bij de stoet aan. Zelfs trekt men door een aantal huizen heen, steeds door dezelfde, en wel huizen waarbij én voor- én achterdeur aan de straat uitkomen. De meeste van deze zijn herbergen, daar staat dan een rijtje borrels klaar, die de mannen ‘ in ’n gaank’ naar binnen slaan. Is een huis door vertimmering niet langer voor dit ‘deurvlöggelen’ geschikt, dan vervalt het. Maar nog altijd maakt de stoet een slinger op de plek waar eens een boerenhuis heeft gestaan – aldus een mededeling uit 1968. Vele huizen te Ootmarsum liggen nog, als vroeger alle Twentse huizen, met de grote achterdeur aan de straat. Deze ‘niendeur’ of benedendeur (zo geheten in tegenstelling tot de voordeur, de ‘bovendeur’) is een dubbele deur met een grote middenpaal, ‘stiepel’ genaamd. Met Pasen staan de deuren van de niendeur wijd open en trekt de mensenslinger om de stiepel heen. De stiepel (= steunpaal) is vanouds een gewichtig bouwelement met ‘eeuwige tekens’ versierd, dat het huis heiligt en beveiligt.

Bij vallende schemering bereikt men het marktplein, en trekt daar zolang in het rond tot alle deelnemers er bijeen zijn, zich als een spiraal opwindend, waarna men elkaar loslaat. Dan zet de voorzanger opnieuw in, en nog eenmaal wordt op het kleine, met mensen opgepropte marktpleintje, het gehele paaslied plechtig gezongen. Bij het laatste Alleluja-refrein worden alle kleine kinderen driemaal in de hoogte geheven. Soms wordt ook de voorzanger tot slot even in de hoogte getild, en hiermede is het ‘vlöggelen’ dan afgelopen. Doch nog niet de paasviering, want ’s avonds wordt op de paasweide het grote paasvuur ontstoken, waaromheen een mensenmenigte met luider stem de paasliederen in hun volle omvang staat te zingen, terwijl overal in de omtrek de vlammen van de kleine paasvuren opslaan.

Op paasmaandag wordt dit alles te Ootmarsum op dezelfde wijze herhaald, maar dan draagt de viering een minder plechtstatig karakter: het paaslied wordt meer in marstempo gezongen en de invloed van het bezoek aan de herbergen doet zich meer gelden.

Dat dit ‘vlöggelen’ teruggaat op een ommegang die de lentezegen van het veld moest overbrengen op de huizen (later gekerstend tot paasprocessie) ligt nogal voor de hand. De meest aannemelijke etymologie van ‘vlöggelen’ is de afleiding van ‘flagellare’, het zingend en biddend rondtrekken van boetelingen (flagellanten) in de Middeleeuwen, in lange rijen achter elkaar, zo genoemd omdat zij zich geselden met een ‘flagellum’ (= gesel, vgl. het landbouwwoord ‘vlegel’). Hoezeer geseling en zweepslag niet alleen de boetedoening en de versterving mag dienen, maar ook de ‘lusten’ opwekt, kan blijken uit begrippen als ‘flagellatie’ en ‘flagellantisme’, gangbaar in de seksuologie. Tevens mag de bijgedachte aan het spel geweest zijn aan ‘vleugelen’ of ‘veugelen’ (vogelen), in de betekenis van ‘beslapen’. Een dergelijke woordafleiding (met en benevens de associatie) zou de oorspronkelijke vruchtbaarheidsintentie van deze slingerende reidans nog eens te meer in het licht stellen en doet vermoeden dat het Ootmarsumse ‘vlöggelen’, in eerste aanleg een aangelegenheid van zes ongehuwde jongemannen!, in oude tijden inderdaad met gesels of zwepen geschiedde, zoals bijvoorbeeld ook de ‘Perchten’ in het Alpengebied die hanteerden.

Wat er ook van waar is: bij het heidendom voegde zich ook nu weer het christendom (en later de ‘fatsoenering’ van een meer rationele en burgerlijke samenleving), waardoor een eventuele zweep of gesel het veld moest ruimen. Inhoud en melodie van de in Ootmarsum gezongen liederen doen sterk denken aan een processie in de lijdenstijd: de oude paasprocessies zijn in het overwegend katholieke Twente langer dan elders blijven bestaan. Oorspronkelijk zal de lente-ommegang zijn uitgevoerd als een dans, een reidans: nog noemt men de voorzanger te Ootmarsum wel de voordanser! Het zal een dans geweest zijn als de ‘farendole’ in het zuiden van Frankrijk of de ‘kolo’ in Servië en ook oude Griekse vazen laten veelvuldig zulke dansen zien, hand in hand en achter elkaar.

Het ‘vlöggelen’ te Ootmarsum is niet zo uniek, of het heeft equivalenten in Westfalen (Lüdingshausen) en in Engeland. Te Helston in Cornwall werd tot 1800 op overeenkomstige wijze op 8 mei de Floradag gevierd (in de jongste tijd is dit gebruik herleefd). Bij deze Engelse ‘vlöggelgang’ is het danselement duidelijk aanwezig.

*Het artikel is tientallen jaren oud.

.

Palmpasen-PasenAlle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: Palmpasen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

3183-2995

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het kind rond het 9e jaar – alle artikelen

.

Inhoudsopgave van alle door Steiner in de pedagogische voordrachten en enkele andere gemaakte opmerkingen over de ontwikkeling van het kind tussen het zevende en het negende jaar.

[9-1-2-3/1]
Het kind vóór het 9e jaar.
Veranderingen niet zomaar waar te nemen; kind door de jaren heen bij één leerkracht; verandering rond 9e vergelijkbaar met rond 3e; zelfbewustzijn; kind vóór 9e nog veel meer verbonden met omgeving; lesinhoud moet kunstzinnig zijn; na 9e pas biologie; geen nadruk op intellect; vóór het 9e: de natuur is nog bezield.
Met bijdragen uit GA 293; 294; 311
Met door mij getrokken conclusies over de heemkunde in klas 1 en 2.

[9-1-2-3/2]
Het kind vóór het 9e jaar.
Menskundige opmerkingen over het 7-jarige kind maakt Steiner vooral wanneer hij over de tandenwisseling spreekt; kind vóór 9e nog een andere verhouding tot slaap, d.i. een andere verhouding tot geestelijke wereld; geen vast omlijnde begrippen; een uitgebreidere menskunde verklaring in GA 206; met verwijzingen naar GA 34; 297; 297A; 298; 301; (nog niet compleet)

[9-1-2-4/1]
Het kind in het 9e, à 10e levensjaar. Uit GA 206
Leeftijd bij benadering; bepaalde veranderingen in temperament; kind maakt onderscheid tussen zichzelf en de wereld; vanaf nu biologie; duidelijkere Ik-beleving, meer scherp omlijnde begrippen; ‘botsen’ van astraallijf met etherlijf; loslaten IK-astraal van ether-fysiek. 

[9-1-2-4/2]
Het kind in het 9e, à 10e levensjaar.  Uit GA 297
Vóór het 9e jaar bepaalde lesstof geven kan schadelijk zijn; met 9e jr. kan Ik-gevoel zich ontwikkelen; belangrijke tijd om religieuze en morele gevoelens te wekken; vind de juiste woorden en omgangsmaatregelen; verdiept Ik-bewustzijn vraagt meer objectief dan subjectief beschouwen van de lesstof; gevoelsleven wordt dieper; onderscheid Ik-wereld heeft ook betrekking op onderscheid Ik-opvoeder.

[9-1-2-4/3]
Het kind in het 9e, à 10e levensjaar. Uit GA 297A
Tussen 9e en 11e jaar een belangrijk moment in het leven van een kind; het begint vragen anders te formuleren; wij moeten dit goed waarnemen! daarvan hangt voor hem veel af in latere jaren; onuitgesproken vragen in het gevoelsleven; een bijzondere band is een soort religieuze kiem in het kind; verschil met de jaren vóór het 9e: van Ik-gevoel naar Ik-begrip.

 

Rudolf Steiner over ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3165-2977

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 311)

.

Wanneer Steiner over handvaardigheid spreekt, gaat het enerzijds om de samenhang tussen het bewegen van de handen, de vingers en de ontwikkeling van het denken, anderzijds over ‘kunstzinnigheid’.

In GA 311 gaat over ‘kunstzinnigheid.

Hij sprak over dit onderwerp eerder, in GA 302 en GA 303 en GA 307
(links naar vertaalde passages) en evenals in onderstaande tekst, gaat het hem om vorm en functie.

Die Kunst des Erziehens aus dem Erfassen der Menschenwesenheit
De kunst van het opvoeden vanuit het besef: wat is de mens

Voordracht 7, Torquay 19 augustus 1924

Blz. 126  vert. 126

Sie können sehen, wenn Sie in die Waldorfschule kommen, wie die Kinder ganz schön Bücher einbinden, allerlei Kartonarbeiten machen, auch wie sie angeleitet werden, wirklich künstlerisch Handarbeiten zu machen. Bei uns wird der weibliche Handarbeitsunterricht nicht so erteilt, wie man heute im allgemeinen die Dinge sieht.
Betrachten wir zum Beispiel, was von Frauen als Kleider getragen wird. Da wird kein Unterschied gemacht, sehen Sie, zwischen irgend etwas, was man hier oben trägt, als Gürtel oder unten als Besatz trägt. Es wird nicht darauf gesehen, daß in der entsprechenden Weise etwas, was man oben am Hals trägt, den Charakter dessen tragen muß, daß es oben am Hals getragen werden muß (siehe Zeichnung I);

Zo kunt u zien wanneer u op de vrijeschool komt, hoe de kinderen heel mooi kunnen boekbinden, allerlei van karton maken, ook hoe ze gestimuleerd worden echt kunstzinnig handwerk te maken. Bij ons wordt vrouwelijk handwerken niet zo gegeven zoals je tegenwoordig in het algemeen de dingen ziet. Laten we eens kijken naar wat de vrouwen aan kleding dragen. Men maakt geen onderscheid, kijk maar, tussen iets wat je hier aan de bovenkant draagt, als ceintuur of onderaan als een oplegsel. Men kijkt er niet naar of iets wat men boven bij de hals draagt, in overeenstemming is met wat karakteristiek is voor iets boven bij de hals dragen. (tek.1)

GA 311 blz. 126tek. 1                                                                             tek. 2

es ist nur schematisch gezeichnet. Es wird nicht darauf gesehen, daß man etwas, was man am Gürtel trägt, ansieht, da ist oben etwas, da ist unten etwas und so weiter (siehe Zeichnung II).
Oder man läßt Kinder niemals bei uns, sagen wir, ein Kissen machen, was auf der einen und auf der anderen Seite gleich ist, sondern man sieht dem Kissen an, wo man sich darauflegt. Man sieht es dem Kissen auch an, daß ein Unterschied ist zwischen rechts und links und so weiter. Also es wird auch in alles, was da gemacht wird, das Leben hineingewirkt und hineingewoben. Und daran lernen die Kinder sehr viel. So suchen wir auch wiederum die Kinder in das Leben hineinzustellen.

het is maar schematisch getekend. Er wordt geen rekening mee gehouden dat je aan iets wat je op een ceintuur draagt kan zien wat boven is en wat onder enz. (tek.2)
Of wij laten kinderen bij ons nooit, laten we zeggen, een kussen maken, dat aan de ene kant er hetzelfde uitziet als aan de andere, maar je kan aan het kussen zien waar je erop gaat liggen. Je ziet aan het kussen ook dat er verschil is tussen rechts en links enz. Dus ook in alles wat er wordt gemaakt, wordt het leven erin verwerkt, ermee vervlochten. En daar leren de kinderen erg veel van. Zo proberen we dus ook de kinderen een plaats in het leven te geven.
GA 311/126
Op deze blog vertaald/126

Met deze vormen wordt m.i. uitgedrukt waar de bovenkant zich bevindt, met de donkerder kleuren a.h.w. ook de onderkant.

Ik vergelijk deze ballen alleen maar om aan te duiden dat de ene bal maar de beweging, het rollende oproept, dan de ander:

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3153-2966

.

.

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde in klas 1 en 2 (1-2/1)

.
Artikel om meer inzicht te krijgen in
.

DE MENSKUNDIGE ACHTERGRONDEN VAN HET VAK HEEMKUNDE IN DE 1E EN 2E KLAS

.

Dat ziet er zwaarwichtig uit: menskundige achtergronden bij heemkunde.
Omdat de heemkundeperiode vaak de naam krijgt van het onderwerp dat wordt behandeld: bomenperiode, bijenperiode, gaat het zelfs een beetje in de richting van: nou, nou, menskundige achtergronden van een bijenperiode…..

De naam ‘heemkunde’ bestaat al lang en betekent simpelweg kennis over of van het ‘heem’ het thuis, van de naaste omgeving.
Er bestaan nog steeds ‘heemkundige kringen’ die van alles te weten willen komen over het ‘vroeger’ van de eigen woonplaats, in de ruimste zin van het woord.

De naam zelf doet nu wat gedateerd aan en in de jaren 1970 begon het in het onderwijs deel uit te maken van een meer bij de nieuwere tijd passend vak: wereldoriëntatie.

Inhoudelijk bleef de bedoeling: kinderen kennis bijbrengen over de eigen leefomgeving.

Wat opvalt op de vrijescholen is, dat er een inhoudelijk duidelijke periode heemkunde bestaat voor de 3e klas, maar dat de 1e en 2e klas het met aanzienlijk minder duidelijkheid moeten zien te doen. 

Over de heemkunde in de 3e klas zijn vele artikelen geschreven over wat je allemaal doen kan. 
Zowel in het Duitse vrijeschoolblad ‘Erziehungskunst’ als het Nederlandse ‘Vrije Opvoedkunst, vind je voor de 3e klas meer dan voor klas 1 en 2, ik kan ook zeggen: voor klas 1 en 2 vind je bijna niets.

Op deze blog staat een aantal artikelen met achtergronden.

Ook toen Steiner de vrijeschoolpedagogie, -didactiek -methodiek beschreef, kwam het vak heemkunde aan de orde.
Dat betekent dat het in zijn tijd een schoolvak was in het onderwijs in die tijd.

Maar zoals met veel vakken die gangbaar waren: Steiner geeft ze vrijwel allemaal een andere inhoud, een andere aanpak, een andere plaats in het leerplan.
Hierbij valt te denken aan mineralogie in klas 6, plantkunde in klas 5, dierkunde in klas 4, enz.

In GA 295, de leerplanvoordrachten, zegt hij er niet eens zoveel over.
En zoals je ziet, krijg je hier a.h.w. een soort stimulans om te kinderen dingen te leren, kennis te laten opdoen over de nabije omgevingwat later aardrijkskunde e.d. wordt‘.
Dan volgt er een kleine restrictie:
Maar het gaat er daarbij om, dat men juist in het allereerste schooljaar de kinderen in zekere zin wakker maakt voor de omgeving, dat de ziel gewekt wordt, zodat het kind leert zich werkelijk met de omgeving te verbinden.’

Voor de 2e klas zegt hij dan:
Wat de beschrijving, de denkende beschrijving van de omgeving betreft…..

Dus ook die opmerking is een soort rechtvaardiging voor het kenniselement van de heemkunde in deze 1e en 2e klas.

Wanneer Caroline von Heydebrand in 1925 het leerplan van die tijd beschrijft, heeft de omschrijving van de heemkunde voor klas 1 een ander karakter gekregen.
Steiner is namelijk in zijn latere voordrachten – zonder overigens het woord ‘heemkunde’ te gebruiken – op een andere manier gaan spreken over wat en hoe de kinderen vóór het 9e jaar – en nu komt het menskundige aspect erbij – over de omgeving moeten horen.
Het ‘kenniselement’ is vrijwel verdwenen.
Wat m.i. niet betekent dat de kinderen ‘kennend’ niets leren, want ze horen natuurlijk allerlei interessants. Maar de opzet is anders: niet het kennen is het doel, maar de beleving op een bijzonder manier.

In 1934 schrijft de Zwitserse vrijeschoolleerkracht Willi Aeppli over zijn ervaringen met het vrijeschoolonderwijs.
Hij besteedt ook een hoofdstuk aan de heemkunde in de 1e klas.
Je proeft in zijn beschrijving zijn worsteling hoe – met die latere aanwijzingen van Steiner – z’n periode te geven.
Ook hij heeft een soort ‘bomenperiode’, niet om als een vooruitlopende 5eklas-plantkundeperiode de bomen te behandelen, maar door het karakter van sommige bomen te betrekken op het temperamentskarakter van de kinderen. 
Je kan je afvragen of dit niet te gekunsteld is, anderzijds zitten er heel levendige dingen in.
Kortom: het blijft lastig – vooral als je zelf je periode vorm wil geven, met eigen vondsten, eigen verhaaltjes e.d.

De artikelen die er op deze blog over zijn verschenen, staan er in de eerste plaats als een stimulans, niet om klakkeloos te kopiëren (wat eigenlijk voor heel het vrijeschoolonderwijs moet gelden).

Om in de sfeer te komen waarom het gaat, volgen we de uitspraken van Steiner die hij over het kind van vóór en na het negende jaar deed. 

Rudolf Steiner over het kind rond het 9e jaar

.
Heemkunde 1e klas: alle artikelen

Heemkunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: ontwikkelingsfasen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Heinz Müller-Wiedemann: Mitte der Kindheit (niet vertaald)

Hermann Koepfe: Kind van negen

Over heemkunde bij ‘de vrije juf’

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3152-2965

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ahriman in het onderwijs (7-3/4)

.

Wie zich verdiept in het werk van Steiner – of het nu het geschreven werk is of in wat hij met zijn voordrachten bracht – het begrip ‘Ahriman’ komt – meestal in één adem met ‘Lucifer’ – veelvuldig voor.

Op deze blog gaat het om de pedagogische achtergronden van het vrijeschoolonderwijs. En omdat de menskundige achtergronden wortelen in het antroposofisch mensbeeld zou je kunnen verwachten dat ook in de pedagogische voordrachten over Ahriman (en Lucifer) wordt gesproken.

En dat is inderdaad zo: in bepaalde voordrachten roert Steiner het onderwerp aan.
Wat hij daarover zegt, zal op deze blog worden weergegeven.

Voor wie dit onderwerp ( bijna) nieuw is, is dit artikel  (1) een inleiding tot meer begrip en in dit artikel  (2) is o.a. sprake van ‘kunstmatige intelligentie’, 

Als leerkrachten/opvoeders krijgen wij te maken met wat ‘de tijd’ met zich meebrengt. 
Nu is ‘de tijd’ maar een heel abstract begrip. Als we echter daarbij aan ‘de tijdgeest’ denken, zoals dat in artikel (2 – zie boven) wordt gedaan, kunnen we in de kunstmatige intelligentie dus een inspiratie zien van de ahrimanische tijdgeest.
Die herkennen, leren kennen en doorzien is een van onze eerste opdrachten.

GA 302A

Erziehung und Unterricht aus Menschenerkenntnis
Menskunde innerlijk vernieuwd

Anregungen zur innerlichen Durchdringung des Lehr- und Erzieherberufes
Menskundige aanwijzingen voor het leraarschap 

Voordracht 7, Stuttgart 15 oktober 1923

Blz. 113/114        vert. 12

Sehen Sie, man kann viel Ahrimanisches in der Welt erfahren; viel
Ahrimanisches ist einfach durch die gesamte Weltentwickelung notwendig. Aber zu dem schrecklichsten Ahrimanischen gehört, wenn
jemand eine Abhandlung schreiben muß, um Privatdozent zu werden;
denn es gibt keinen Zusammenhang zwischen dem Schreiben der Abhandlung und dem Privatdozentwerden. Es ist ein durchaus äußerlicher, ganz verahrimanisierter Zusammenhang. Aber solche Dinge leben als etwas Ernsthaftes in unserer Zivilisation und dringen in das Erziehungswesen dadurch ein, daß das Erziehungswesen von oben her, das heißt, von den höchsten Unterrichtsanstalten beeinflußt wird, die im Grunde genommen ganz widersinnig eingerichtet sind. Dadurch, daß wir das aussprechen, ist das wenigste getan; wir machen uns dadurch nur unbeliebt und schaffen uns Gegner. Aber wenn wir hier wirken, sollen wir wissen, daß wir berufen sind, von anderen Gesichtspunkten aus zu wirken. 

Je kunt in de wereld veel wat ahrimanisch is, ervaren. Veel wat ahrimanisch is, is gewoon nodig vanwege de totale wereldontwikkeling. Maar het behoort tot de verschrikkelijkste ahrimanische dingen wanneer iemand een verhandeling moet schrijven om privaatdocent te worden; want er bestaat geen verband tussen het schrijven van de verhandeling en het privaatdocent-worden. Het is een volstrekt uiterlijk, geheel verahrimaniseerd verband. Maar zulke dingen leven als een serieus iets in onze beschaving en dringen binnen in ons onderwijsstelsel, doordat het onderwijs van bovenaf wordt beïnvloed, dat wil zeggen door de hoogste onderwijsinstituten, die in wezen heel onzinnig zijn ingericht. Doordat uit te spreken doen we er allerminst iets aan; we maken ons daardoor alleen maar ongeliefd en maken tegenstanders. Maar als we hier werken, moeten we weten dat we geroepen zijn om vanuit andere gezichtspunten te werken.
GA 302A/113
Vertaald/12

Vanuit andere gezichtspunten‘ is in ieder geval ook: niet vanuit het intellectualisme ontstane leerstof aan de kinderen aanbieden. 
Leerstof komt voor een groot deel in de leerboeken terecht als een vereenvoudigde vorm van wat ‘wetenschappelijk’ wordt genoemd. Het is een eindresultaat, het is geworden.
Maar het gaat bij het kind niet om ‘geworden’, maar om wat ‘wordend’is, zoals hij zelf nog wordend is. Daarom leerstof die beeldend, fantasievol is en mee kan groeien naar een ‘eindpunt’. 
In zijn tijd had Steiner geen hoge dunk van de leerboeken en daarom zegt jij in deze voordracht ook:

Blz. 116  vert. 15

Wenn Sie diese vermaledeiten Schulbücher zugrunde legen, die gang und gäbe sind, verstehen die Kinder in Wirklichkeit gar nichts. Man quält die Kinder und langweilt sie und fordert ihren Spott heraus. Dasjenige aber, was man tun muß, ist, in sich selber das Verhältnis zur Welt lebendig und zugleich wirklichkeitsgemäß zu machen. Das ist, was gerade der Lehrer, der Erzieher braucht.

Als u die vervloekte schoolboeken die zo gebruikelijk zijn, als basis neemt, begrijpen de kinderen in wezen helemaal niets. Je kwelt de kinderen, je verveelt ze en je lokt hun spot uit. Wat je moet doen is in jezelf de verhouding tot de wereld levend en tegelijk werkelijkheidsgetrouw maken. Dat heeft juist de leraar, de opvoeder nodig.
GA 302A/116
Vertaald/15

Als we de woorden ‘levend‘ en ‘werkelijkheidsgetrouw‘ beschouwen en we nemen bijv. de steeds vaker te horen en te lezen opvatting: ‘de mens en de andere dieren‘, of zelfs ‘de mens is een dier punt uit! dan is dat niet werkelijkheidsgetrouw. Er is maar een gedeeltelijke verwantschap – de uitspraak is maar half-waar. Maar een halve waarheid wordt nog steeds als leugen bestempeld. En dan zijn we alweer bij ‘de leugen’, dus bij Ahriman. 

In rekenboekjes in Steiners tijd kwamen sommen voor die hij afwees als ‘geen werkelijkheid’, ‘buiten het leven staand’.
Hij geeft als voorbeeld dat het kind moet berekenen, als de leeftijden van drie mensen gegeven zijn, hoe oud ze gemiddeld zijn. 
Zie bijv. hier

Nog altijd vind je dit soort opgaven (en andere werkelijkheidsvreemde) in de huidige rekenboekjes. Daar vele vrijscholen deze inmiddels ook gebruiken, kan het niet anders of ook dit werkelijkheidsvreemde denken is de vrijschool binnengedrongen.

In GA 296 staat Steiner ook wat langer stil bij ‘het ahrimanische’.
Omdat we het als onze opdracht kunnen beschouwen Ahriman in zijn uitingen te leren doorgronden, is een bepaald houvast gegeven: een paar kernachtige opmerkingen als een soort licht waartegen we bepaalde fenomenen kunnen houden, waardoor deze in een bepaalde licht kunnen komen te staan.

Van de mens weg-leidende krachten zijn:

Mechanisierung des Geistes       mechanisering van de geest

Vegetarisierung der Seele          vegetarisering van de ziel

Animalisierung des Leibes         verdierlijking van het lichaam
GA 296/15
Vertaald/25

.

Ahriman in het onderwijsalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3147-2960

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (96)

.

Toets 2024

In ‘Opspattend grind‘ zijn de toetsen al vaker onderwerp geweest:
Zie:   [4]  [17]  [38]  [58]  [64]  [71]  [79]  [90]  [92].

Of alle kritiek erop van invloed is geweest, is moeilijk te achterhalen. 
Het lijkt erop of iedere nieuwe Minister van Onderwijs ook weer iets ‘moet willen’ en het is niet uitgesloten dat een minister in het nog te formeren Kabinet opnieuw veranderingen gaat doorvoeren (dat gebeurt op onderwijsgebied altijd, waardoor er steeds veranderingen – die nog geen verbeteringen betekenen -plaatsvinden en daarmee dus een soort constante onrust.

Wanneer je leest:

Groep 8 moet vooral kunnen lezen, rekenen en schrijven

zou je kunnen denken dat dit het dan is: het Nederlandse onderwijs.
Maar we weten dat vele leerkrachten dagelijks bezig zijn om het méér te laten zijn.

Dat ‘méér’ vind je in de vrijescholen vooral in de gezichtspunten van Rudolf Steiner waarvan je er een aantal vindt in ‘Wegwijzers’.

Nu is het zo geregeld:

De eindtoets in groep 8 is vervangen door de doorstroomtoets.
Deze moet plaatsvinden in de eerste twee weken van februari.

(Tot nu toe was dat vaak veel later, waardoor soms de inschrijving van een kind op een middelbare school moest worden teruggedraaid omdat uit de toets een ander schooladvies kwam rollen.)
Nu vallen de toetsen vóór de definitieve schoolkeuze.
In het schooladvies worden ze niet belangrijker. De inschatting van de basisschool van een leerling blijft leidend.
(Alleen als de leerling de doorstroomtoets beter maakt dan gedacht, kan het advies naar boven worden bijgesteld.)

Lezen, rekenen en taal zijn verplichte toetsvakken. Alleen deze tellen mee voor de eindscore.
De school mag verder toetsen wat ze wil, de uitslagen zijn voor de eindscore niet van belang.

Naast de Cito-toets zijn ook andere toetsen toegestaan.
Dat is al zo vanaf 2015.
De toezichthouder op de toetsen is het College voor Toetsen en Examens. Dit deed al het toezicht op de Cito-toets, maar de controle van de private toetsen lag tot nu toe elders. Door alle toetsen onder dezelfde noemer te brengen moet het ook makkelijker worden om ze onderling te vergelijken. Dat was tot nu toe niet te doen, is een veelgehoorde klacht.
.

Toetsen: alle artikelen

Opspattend grind: alle artikelen

Rudolf Steiner over getuigschriftenalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3141-2954

.

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen (1-3)

.
Op deze blog staan veel artikelen over ‘de zintuigen’. Daaruit komt naar voren hoe belangrijk deze voor ons zijn. En wellicht nog belangrijker: hoe kunnen we ze bij de kinderen cultiveren. En dat kun je waarschijnlijk beter, wanneer je je er als opvoeder ook eens praktisch mee bezighoudt.
In onderstaand artikel wordt zo’n praktisch ‘zintuigenboek’ besproken.

Luc Ambagts, Motief 264, juli-augustus 2022
.

ZINTUIGENONTDEKKINGSREIS
.

Albert Soesman schreef in de jaren tachtig het boek De twaalf zintuigen, leraren van de mensheid. Daarin wordt de zintuigleer van Rudolf Steiner uitgebreid en uitputtend behandeld. Compleet met verwijzingen naar de dierenriem, de samenhang met de wezensdelen van de mens, los van elkaar en als polariteiten. Het is zo’n volledig boek – het is nog steeds te koop – dat het lijkt of sindsdien niemand meer de behoefte heeft gehad over de zintuigen te schrijven. Dat is jammer, want de antroposofische zintuigleer vormt een duidelijke en heldere aanvulling op het schamele aantal van vijf zintuigen dat ons als mens normaal gesproken toegedacht wordt: zien, horen, ruiken, proeven, tasten. Er is al niemand die daarmee uitkomt. Je voelt toch ook kou, of warmte? En pijn, wat is dat dan?

Wim Lips, creatief ontwerper van energetische tuinen, vroeg zijn voormalige leerling, Johanna Huiberts-van den Berg, om eens samen met die zintuigleer aan de gang te gaan. Wim ontwierp een zintuigentuin, een FeelGood Garden voor de Floriade in Almere. Johanna schreef er een zintuigenboek bij, geïllustreerd met eigen foto’s van planten, bloemen, insecten en ook van elektriciteitsdraden en flowforms om het verschil in energie navoelbaar te maken.

Energetische tuinen, het concept van de FeelGood Garden gaat over beleving en vitaliteit. ‘Evenwicht: De speels bewegende bladeren van de ratelpopulier ruisen bij het kleinste zuchtje wind.’ Bij die tekst staan pictogrammen van de levenszin, evenwichtszin, gezichtszin, temperatuurzin en gehoor. Zo opent het boek met concrete voorbeelden uit de tuin en uit de natuur. Een aansporing om al je zintuigen te openen en op te letten hoe je omgeving invloed op je heeft.

Twee ontwerpen laten zien hoe de uitgangspunten ‘gemak’ en ‘feelgood’ tot een totaal andere tuin leiden. Grind op worteldoek, kunstgras en bloembakken, versus bloemborders, beukenhaag en bomen. Het is een rode draad in het boek: “je kunt je eigen omgeving én je eigen leven zelf vormgeven. Als je je goed voelt en lekker in je vel zit, loop je rechtop. Als je het even niet ziet zitten loop je gebogen. Maar het werkt ook andersom. Probeer maar eens het verschil te ervaren. Hoe voel je je als je met een gebogen rug loopt en hoe voel je je als je rechtop loopt. Je beweegt zoals je je voelt, maar je gaat je ook voelen zoals je je beweegt.”

Onze twaalf zintuigen worden toegankelijk beschreven, met bij de meeste een korte uitleg van de anatomie, gevolgd door herkenbare ervaringen uit het dagelijks leven. Soms word je ineens tijdens het lezen op een hoger niveau wakker geschud:”… symbolen die te maken hebben met het goddelijke. Misschien wel juist omdat daar onze woorden tekortschieten,” staat er bij de beschrijving van de voorstellingszin, denk- of symboolzin. We begrijpen vaak al wat iemand bedoelt, voordat hij uitgesproken is. Op die manier kan iedereen een beetje gedachtenlezen. En zo is ook het hoofdstuk over bovenzintuiglijke ervaringen goed voorbereid. Een paar korte alinea’s laten je beleven datje in het contact met planten en dieren meer kunt ervaren, dan je op het eerste gezicht geneigd bent te geloven. De ‘gewone’ zintuigen heb je immers ook moeten leren gebruiken: “Voel jij het verschil tussen katoenen en synthetische stof? Je kan het verschil duidelijk voelen, maar het is een leerproces om te weten watje voelt.” Zo is er nu dus een nieuw boek over de antroposofische zintuigleer, dat als een introductie in dit onderwerp makkelijk wegleest. Met voorbeelden en inzichten die je direct herkent. En foto’s waarvan je wilde dat het er bij jou in de tuin zo uitzag. Dat kan dus ook… ||

Wim Lips en Johanna Huiberts-van de Berg, Zintuigenontdekkingsreis, 101 blz. met illustraties, ISBN 9789090359762. Eigen uitgave 2022.

.

Zintuigenalle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3136-2949

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (95)

.

“Op ooghoogte”

zo heet een boek van Emille van Opstall.
Kinderen hebben haar aan het denken gezet over grote filosofische vragen.
Op ‘ooghoogte’ zie je kinderen van 4 tot 11 jaar. 

Ze is classica en vindt het belangrijk dat volwassenen leren om-denken.
Anders denken, ont-denken, zoals ze het noemt.

De interviewer die haar vragen stelt, zegt op zeker ogenblik:

Uw stijl is rustig, zonder oneliners, voorzichtig, met ‘wellicht’, en ‘misschien’ en ‘zou kunnen’. Maar tussen de regels gloeit het vuur van ‘het móet anders!’.

De schrijfster: “Daar hebt u wel gelijk in. Het moet opgeschud worden. Zonder al te stellig te zijn wil ik mensen aan het denken zetten.”

Dat doet Van Opstall door haar specialisme in te zetten: ze is expert in de vertelkunst* in de Oudheid en de Middeleeuwen. Die kunst beoefent ze in Op ooghoogte ook voor de moderne lezer. Door het ophalen van smakelijke verhalen, zoals over Daphnis en Chloë die van een rijpere vrouw liefdesinstructies krijgen. En vaak vragenderwijs.

*vet en blauw van mij, phaw

‘Willen we dat verhalen een voorbeeld geven van een ideale wereld, waarin conflict en onrechtvaardigheid niet bestaan? Of moeten verhalen voorbereiden op een confrontatie met de duistere kanten van de werkelijkheid en van onszelf?’

In haar boek geeft Van Opstall zelf antwoord, want ze vertelt graag sprookjes.

Daarin gaat het er soms ruig aan toe. “Mag dat wel bij de kinderen van nu, met hun tere ziel?

“Zeker.”

‘Maria Montessori, voor wie u sympathie hebt, was faliekant tegen sprookjes.’

“Ja, wat een afknapper. Met al haar mooie ideeën… Ze wilde dat kinderen ervaring opdeden met de echte wereld. Ik heb me laten meeslepen door haar experimenten op scholen, bewonderde haar. Maar als je het beste uit kinderen wilt halen, hoe kun je dan de verbeelding en de fantasie overslaan? Dat is juist de sprankelendste manier om de wereld te ontdekken. Verbijsterend dat Montessori tegen was. Ze vond sprookjes niet geworteld in de werkelijkheid. Was ze bang voor de kracht van de verbeelding?”

Van Opstall is zelf overtuigd van die kracht. De kinderblik, schrijft ze ergens, kan ‘het huis van onze gedachten met al zijn aanbouwen omver werpen, al is het maar voor even’.

U woont in het gedachtenhuis dat wetenschap heet. Is dat wel fijn wonen?’

“Ha ha, nee, ik pas er niet meer helemaal in. De universiteit werkt als een machine, waar de intellectuele nieuwsgierigheid het verliest van de ingetreden marktwerking, waar je beurzen moet binnenhalen. Productie. Output.”

U nodigt de lezer uit om losser te kijken, meerdere perspectieven in te nemen en zo iets vastgeroests los te wrikken. Hebt u zichzelf door het schrijven van dit boek losgewrikt?

“Ik denk het wel, ja. Dat deel van mezelf, dat een breder publiek wil bereiken, buiten het kleine kringetje in academia, ontpopt zich met dit boek. Dat is mijn missie. Dat andere deel, dat met collega’s uit de hele wereld samenwerkt en onderzoek doet, voelt zich er wel uitstekend thuis.”

Interview in Trouw op 02-09-2023

Op ooghoogte

Opspattend grind: alle artikelen

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3132-2945

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Maria-Lichtmis (5)

.
Daan Rot, Antroposofisch Magazine december 2019 nr. 16
.

Afsluiter van de reeks winterse lichtfeesten
.
VERLANGEN NAAR DE ZON MET MARIA-LICHTMIS
.

Als na de donkere dagen de lentekriebels weer beginnen op te borrelen, kijken we de bloembollen uit de grond. Her en der piepen er al groene sprietjes en sneeuwklokjes uit de donkere aarde.

Op 2 februari vieren we Maria-Lichtmis.
Ik kende het feest alleen van de processie die ’s morgens vroeg langs ons huis kwam, maar sinds de kinderen naar de vrijeschool gaan vieren we het ook thuis.

Vóór de christelijke viering van Maria-Lichtmis was 2 februari de dag van Vrouw Holle. Vrouw Holle komt voor het eerst voor in de Germaanse mythologie. Zij ontvangt de zielen van de gestorvenen en uit haar bron komen nieuwgeborenen voort.
Het christelijke verhaal vertelt dat Jezus, zoals gebruikelijk was in de Joodse traditie, veertig dagen na zijn geboorte in de tempel werd opgedragen aan God. Maria bracht daarbij een reinigingsoffer. Jezus werd bij deze gebeurtenis herkend als de Christus door de oude Simeon en Hanna. Toen Simeon baby Jezus in zijn armen nam, werd hij door licht omstraald.
In de katholieke kerk worden de kaarsen gezegend voor de mis, tijdens de processie ter ere van Maria worden de kaarsen aangestoken en blijven de hele mis branden, een heuse Lichtmis.

Licht naar buiten

Veertig dagen voor Kerst, met Sint-Maarten, brachten we het licht met onze lantaarns naar binnen. Met Maria-Lichtmis, veertig dagen na Kerst, brengen we het licht van binnen weer naar buiten. We hebben inmiddels weer één uur daglicht extra gewonnen. En kijk eens omhoog, want de hemel is in februari ook echt blauwer door de toegenomen zonnekracht.

Alle restjes van de kaarsen die we in de lichtfeestenperiode tussen Sint-Maarten en Maria-Lichtmis hebben gebrand, hebben we opgespaard. We smelten ze om en vullen walnootdoppen met de gesmolten was. De walnootkaarsjes doen we in een grote schaal met water waar ze in ronddobberen tijdens ons pannenkoekenmaal. Want Maria-Lichtmis is óók pannenkoekenfeest. Pannenkoeken zo rond en goudgeel als de zon waar we zo naar verlangen.

Reinigen

Maar voor we feest gaan vieren, is het tijd voor het grote opruimen van huis en haard.

Februari komt van het Latijnse februare, wat ‘reinigen’ betekent. Zo houden wij dus ook ons eigen reinigingsritueel, ieder ruimt zijn eigen kamer op, de dekens worden gewassen, de ramen gelapt, de haard leeggemaakt, oud papier weggebracht en als laatste een rondje door de tuin. Dan dekken we een feestelijke eettafel en komen alle kaarsen op tafel, met een grote berg pannenkoeken in het midden. Het laatste diner met kaarslicht van deze winter. Na het eten brengen we de kaarsjes naar de tuin voor wat extra warmte en kiemkracht. Het is weer tijd voor wortelen en groeien, plannen en bloeien.

Walnootkaarsjes maken

Nodig:

Restjes kaarsen
Walnoten
Leeg blik
Lont met aluminium voetje:
Hesje
Lege eierdoos

Maak de walnoten voorzichtig open. Als je met een scherp mesje in de achterkant van de walnoot prikt en voorzichtig wrikt, breekt de walnoot precies door de helft open.
Haal de nootjes eruit en bewaar ze voor bij de pannenkoeken.
Zet het lege blik met daarin de restjes kaars in een pan met kokend water en verwarm tot alles gesmolten is.
Zet de walnootdoppen vast in de lege eierdoos.
Doe een lont met aluminium voetje in een halve, lege walnootdop en giet het kaarsvet er voorzichtig in.
Laat het kaarsvet uitharden.

Als je echt veel restjes hebt, is het ook leuk om zelf kaarsjes te trekken. De zelfgetrokken kaarsjes zijn origineel als ‘bijna lente-cadeautje’, of je stopt ze in een mooi doosje met een strik om tegen Sint-Maarten weer open te maken.

Kaarsjes trekken

Nodig:

Oude pan
Hoog, waterdicht blik
Restjes kaars (eventueel aangevuld met bijenwaskorrels]
Lont

Vul de pan tot de helft met water en zet het blik met de restjes kaars erin. Verwarm de was tot deze helemaal gesmolten is.
Zorg dat alles goed stevig staat en blijf er te allen tijde bij. De was is heel heet.

Dompel de lont in de was en wacht tot de was droog is.
Trek de lont voorzichtig recht.
Dompel opnieuw in de was.
Doe dit niet te langzaam, want dan smelt de vorige laag.
Laat de laag weer drogen en herhaal dit tot het kaarsje dik genoeg is.
Snij de onderkant recht af.

Je kunt de kaarsjes extra mooi maken door ze te versieren met gekleurde bijenwas.

Pannenkoeken

Nodig:

250 gram bloem
500 ml melk
2 eieren
Snufje zout
Boter om in te bakken
Kaneel naar smaak

Met een speciale pannenkoekenpan zijn mislukte pannenkoeken verleden tijd.

Maak een luchtig en klontjesvrij beslag.
Zet het beslag, als het uitkomt, afgedekt met een theedoek voor een uurtje op kamertemperatuur weg. Zo breken de pannenkoeken minder snel en worden ze lekker soepel.
Laat de boter smelten en doe een schepje beslag in de pan.
Wacht tot het beslag overal droog is en keer op dat moment de pannenkoek.
Doe een wedstrijdje: wie kan ‘m het hoogst opgooien?
Bak pannenkoeken met appeltjes, rozijnen, spek, kaas enzovoort. 

Daan Rot en Lisa Wade schreven twee toegankelijke boeken over de jaarfeesten, getiteld Het hele jaar feesten
.

Maria-Lichtmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

3130-2943

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf (GA 88)

.

Uit de voordrachten
GA 34    GA 52    GA 53   GA 54   GA 55   GA 56   GA 57    GA 58    GA 59   GA 88
nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam. Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit
GA 34   GA 52    GA 53   GA 54   GA 55   GA 56   GA 57   GA 58   GA 59
over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.

In deze artikelen vind je opmerkingen over het astraallijf:
GA 34   GA 52   GA 53   GA 54   GA 55   GA 56   GA 57   GA 58   GA 59

Over de astrale wereld

In GA 88, voordracht 1, benadert Steiner de mens meer vanuit ‘de wereld’: voor het fysieke lichaam vanuit de fysieke wereld; voor het astraallijf vanuit de astrale wereld. Daar komen we weer de begrippen ‘lust’ en ‘onlust’ tegen, maar we weten inmiddels dat het om ook andere gevoelens gaat, zoals je hier verder uitgewerkt vindt, doordat er verschillende vertalingen van zijn gegeven.

We worden dus geconfronteerd met een wereld die in ons werkzaam is, maar ook een die zich, zoals de fysieke wereld, om ons heen bevindt, maar die wij – als niet begiftigd met vermogens om het bovenzinnelijke te kunnen waarnemen – niet kunnen zien.

Vaak haalt Steiner de filosoof Fichte aan, die de mens, die niet in de ‘andere’ werelden kan kijken, vergelijkt met iemand die blind is en dus de hem omringende wereld niet kan zien, maar die dat wél kan, nadat hij is geopereerd aan zijn ogen. De mensen die al konden zien, a.h.w. ‘zieners’ waren, konden aan deze blinde mededelingen doen over wat deze blinde mens zelf niet kon zien, maar wél begrijpen kon.
Zo geeft Steiner ons dus oefeningen om ook ‘ziende’ te kunnen worden in die wereld waarvoor we nu blind zijn en tegelijkertijd doet hij er zelf mededelingen over die wij kunnen begrijpen, of wellicht ook niet of niet zo makkelijk.
Zo bijv.  GA 10  Vertaald: De weg tot inzicht in hogere werelden‘   

Aan het begin van voordracht 1 maakt hij een andere vergelijking – wellicht ervaar je dat als enigszins kleinerend – d.w.z. ik voel me wel wat vergeleken met die slak:

GA 88

Über die astrale Welt und das Devachan
Over de astrale en de mentale wereld

Voordracht 1, Berlijn 28 oktober 1903

Das Mysterium von Geburt und Tod
Het mysterieuze van de geboorte en de dood

Blz. 19

Wenn eine Schnecke durch einen Saal kriechen würde, in dem Beethovens Neunte Symphonie gespielt wird, so vernähme die Schnecke wohl nichts von alle dem, wovon die Menschen, die in demselben Saale sich befinden, in die schönsten Empfindungen versetzt werden. Die Töne der Symphonie drücken sich in den Luftwellen des Saales aus, diese Luftwellen verbreiten sich nach allen Seiten; sie sind der äußere Ausdruck des herrlichen Tonzusammenzuhanges. Dieser Tonzusammenhang geht durch den Organismus der Schnecke ebenso wie durch den Organismus des Menschen. In den Menschen ruft er Empfindungen der höchsten Art hervor, die Schnecke bleibt davon unberührt. Sie ist in demselben Medium, in demselben schwingenden Tongewoge darin wie der Mensch, sie weiß aber nichts von dem, was um sie her vorgeht. Eine Welt ist um sie herum, und sie ist in dieser Welt, sie hat aber keine Ahnung von dieser Welt. Und dennoch, diese Welt des Tongewoges ist nicht an einem anderen Ort, an dem sich die Schnecke nicht befindet, sondern an demselben Ort, an dem auch alles dasjenige ist, was die Schnecke braucht.

Wanneer er een slak door een zaal zou kruipen waarin de 9e symfonie van Beethoven wordt gespeeld, dan zou de slak waarschijnlijk niets meekrijgen van alles wat de mensen die zich in diezelfde zaal bevinden met de fijnste gevoelens ondergaan. De klanken van de symfonie drukken zich uit in de luchtgolven in de zaal, ze gaan naar alle kanten; het is de uiterlijke uitdrukking van deze heerlijke klankharmonieën. Dat gaat ook door het organisme van de slak heen, net zo als bij de mens. In de mens roept het de meest intense gevoelens op – het raakt de slak niet. Die bevindt zich in hetzelfde medium, in dezelfde vibrerende geluidsgolven als de mens, maar de slak weet niets van wat er zich om hem heen afspeelt. Er bevindt zich een wereld om hem heen, hij is in die wereld, maar hij heeft er geen flauw vermoeden van. En ondanks dat, deze wereld van tonen bevindt zich niet op een plaats waar de slak niet is, maar op dezelfde plaats, waar zich ook alles bevindt wat de slak nodig heeft.

Der Raum, in dem die Schnecke sich befindet, ist also ausgefüllt von den Tatsachen, die die Schnecke wahrnehmen kann, er ist aber auch ausgefüllt von einer Summe von Tatsachen, die die Schnecke nicht wahrnehmen kann. Wir haben damit festgestellt, daß um ein Wesen herum Erscheinungen leben können, ohne daß das Wesen eine Ahnung davon hat, und wir können die Frage aufwerfen, ob wir Menschen nicht vielleicht auch in einer Welt leben, die angefüllt ist von Tatsachen und Erscheinungen, von denen wir zunächst nichts wahrnehmen, von solchen Tatsachen und Erscheinungen, die sich zu unserer Welt so verhalten wie das Tongewoge der Neunten Symphonie zu dem, was eine Schnecke wahrzunehmen vermag. Die Frage muß

De ruimte waarin de slak zich bevindt, is vol met dingen die de slak kan waarnemen, maar er bevindt zich ook van alles wat de slak niet kan waarnemen.
Daarmee hebben we vastgesteld dat er om een wezen verschijnselen kunnen zijn, zonder dat het wezen daar een flauw vermoeden van heeft. We kunnen nu de vraag stellen of wij mensen wellicht niet ook in een wereld leven die gevuld is met feiten en verschijnselen waarvan we ons aanvankelijk niet bewust zijn, van feiten en verschijnselen die zich op dezelfde manier tot de wereld verhouden als het geluid van de 9e symfonie tot wat een slak kan waarnemen. Het moet

Blz. 20

uns also berühren, ob dasjenige, was wir in einem Ruume, in dem wir sind, empfinden und wahrnehmen, alles ist, was in unserer Umgebung vorkommt. Es könnten ja Tatsachen in unserer Umgebung sein, die für uns einfach deshalb nicht da sind, weil wir die Organe für die Wahrnehmung dieser Tatsachen nicht ausgebildet haben. Es könnten ja Wesen in unserer Welt sich befinden oder wir Menschen selbst könnten durch Entwicklung uns zu Wesen ausbilden, die imstande sind, noch weitaus anderes wahrzunehmen als das, was in unserer Welt um uns ist. Es könnte vergleichsweise ein ähnliches Verhältnis bestehen zwischen mehr oder minder entwickelten Menschen, wie zwischen der Schnecke und den Menschen. Das ist die Frage, welche in uns Vermutung über Vermutung erwecken muß über die uns umgebenden unbekannten Welten, und das ist auch die Frage, welche durch die theosophische Bewegung beantwortet werden soll. Es ist im wesentlichen die Aufgabe der theosophischen Bewegung, uns bekanntzumachen mit Welten, die uns täglich und stündlich umgeben, mit Welten, innerhalb derer wir leben, von denen wir aber unter gewöhnlichen Verhältnissen nichts wissen.

er ons bij de vraag om gaan of dat, wat er in een ruimte waarin wij ons bevinden, ervaren en waarnemen, alles is, wat er in onze omgeving aanwezig is. Er zouden dingen in onze omgeving kunnen zijn die er voor ons simpelweg niet zijn, omdat we voor het kunnen waarnemen van deze dingen, geen organen hebben ontwikkeld. Er zouden zich in onze wereld dus wezens kunnen bevinden of wij mensen zelf zouden door ontwikkeling ons tot wezens kunnen ontwikkelen, die in staat zijn nog veel andere dingen waar te nemen dan wat er in onze wereld om ons heen is. Er zou als vergelijking net zo’n relatie kunnen bestaan tussen meer of minder ontwikkelde mensen, zoals tussen de slak en de mens.
Dat is de vraag die bij ons het ene vermoeden na het andere moet doen ontstaan over de werelden die ons omringen, maar ons onbekend zijn en dat is ook een vraag die door de antroposofische beweging beantwoord moet worden.
Steiner zegt hier theosofische, maar door zijn latere overgang naar antroposofie, heb ik hier (en elders) antroposofisch vertaald.
In wezen is het eigenlijk de opdracht van de antroposofie ons bekend te maken met werelden die ons elke dag en elk uur omringen, met werelden waarbinnen we leven, waarvan we, onder normale omstandigheden echter geen weet hebben.

Nicht mit Welten, die jenseits der unsrigen liegen, will uns die Theosophie bekanntmachen, nicht mit Welten, die an uns unzugänglichen Orten zu finden sind, sondern mit denjenigen Welten, die in unsere Welt fortwährend hereinragen, die uns immer umgeben, die uns aber unbekannt bleiben, weil unsere Organe dafür nicht aufgeschlossen sind. Zunächst können wir von diesen Welten nur sprechen. Wir können auf sie nur hindeuten und dazu auffordern, teilzunehmen an denjenigen Arbeiten, durch welche sich dem Menschen die Sinne erschließen zu diesen höheren Welten, so daß er diese höheren Welten wahrzunehmen vermag, so wie er heute nur die gewöhnliche Welt wahrzunehmen imstande ist. ( )
Sie wird sich uns zeigen als eine Welt, die nicht fern von uns ist, die überall ist, wo wir uns befinden. In dem Räume, in dem wir uns gegenwärtig befinden, ist

De antroposofie wil ons niet bekendmaken met werelden die buiten ons liggen, niet met werelden die te vinden zijn op plaatsen die voor ons ontoegankelijk zijn, maar met die werelden die zich voortdurend tot in de onze uitstrekken, die ons steeds omringen, die ons echter onbekend blijven, omdat onze organen er niet voor open staan. In eerste instantie kunnen we over deze werelden alleen maar spreken. We kunnen er alleen op wijzen en u uitnodigen deel te nemen aan die activiteiten waardoor de zintuigen voor die hogere werelden zich voor de mens openen, zodat hij deze hogere werelden kan gaan waarnemen, net zoals hij nu de gewone wereld kan waarnemen. De astrale wereld zal zich aan ons voordoen als een wereld die niet ver van ons vandaan is, die overal is, waar wij zijn.
In de ruimte waarin we ons in deze tijd bevinden, is ze

Blz. 21

sie geradeso wirklich wie die Welt, die Sie sehen. Die astrale Welt ist eine höhere Welt, welche mit ihren Erscheinungen die Welt, in der Sie sich befinden, genauso durchwogt und durchwellt, wie das Symphonie-Tongewoge die Welt der Schnecke durchwogt, von ihr aber nicht wahrgenommen wird. Also wir sprechen nicht von etwas, was außerhalb unserer Welt zu finden ist, sondern wir sprechen von etwas, was unsere Welt in jedem Punkte ihres Daseins durchsetzt. Die theosophische Anschauung lehrt uns verschiedene solcher Welten erkennen; sie lehrt uns zunächst diejenige Welt erkennen, welche uns aus dem alltäglichen Leben bekannt ist: die physische Welt – diejenige Welt also, welche jeder Mensch mit seinen Sinnesorganen zu empfinden imstande ist, die Welt, die wir sehen, hören, riechen, schmecken, greifen, die Welt, in der wir die Naturgegenstände, die Mineralien, die Pflanzen und die Tiere finden. Diese Welt wird durchsetzt, durchgeistigt, wenn ich mich so ausdrücken darf, von einer höheren Welt, von der sogenannten Astralwelt, die wir nun kennenlernen wollen.

net zo werkelijk als de wereld die wij zien. De astrale wereld is een hogere wereld die met zijn verschijningsvormen de wereld waarin we ons bevinden net zo vervult en doorstroomt als de golf van symfonische tonen die door de wereld van de slak heengaat, maar door deze niet wordt waargenomen. We hebben het dus niet over iets wat buiten onze wereld te vinden is, maar over iets dat onze wereld op elk punt van haar bestaan doordringt. De antroposofische opvatting leert ons verschillende van die werelden kennen; allereerst die wereld die we uit het dagelijkse leven kennen: de fysieke wereld – dus die wereld die ieder mens met zijn zintuigorganen kan ervaren, de wereld die wij zien, horen, ruiken, proeven, aanraken, de wereld waarin we de natuurlijke voorwerpen, de mineralen, de planten en de dieren vinden. Deze wereld wordt doortrokken, met geest doortrokken als ik me zo mag uitdrukken, door een hogere wereld, door de zogenaamde astrale wereld die we nu willen leren kennen.

Genauso, wie sich eine Flüssigkeit mit einer anderen, feineren Flüssigkeit mischt, so daß die eine Flüssigkeit die andere in allen Teilen durchsetzt, so durchsetzt die astrale Welt unsere Welt des Physischen; und diese astrale Welt ist wiederum durchsetzt von einer noch höheren Welt, welche wir die mentale Welt nennen, das ist die eigentliche geistige Welt. So sind drei Welten ineinandergefügt, die eine immer die andere durchsetzend, von denen der Mensch mit seinen gegenwärtigen Organen aber nur die physische Welt wahrnimmt. Allmählich den Sinn aufzuschließen für die unsichtbaren und unter gewöhnlichen Umständen unhörbaren Welten, das ist die Aufgabe der Theosophie. Was ist die astrale Welt? Wenn wir von der astralen Welt sprechen, so kommen wir am schnellsten dadurch zum Verständnis, wenn wir innerhalb all der Weltanschauungen, die außer dem Physischen noch ein Geistiges erkannt haben, diejenigen aufsuchen, in welchen von der Astralwelt und ihrer Beziehung zum Menschen gesprochen wurde. Auch die christliche Weltanschauung kennt diese Astralwelt. In den ersten Jahrhunderten des Christentums hat man

Net zoals een vloeistof zich vermengt met een andere fijnere vloeistof, zodat de ene vloeistof de andere in al zijn delen doordringt, zo doordringt de astrale wereld onze fysieke wereld; en deze astrale wereld is op zijn beurt weer doortrokken door een nog hogere wereld die wij de mentale wereld noemen, dat is de eigenlijke geestelijke wereld.
Zo zijn drie werelden met elkaar verbonden, waarbij de een de ander steeds versterkt, waarvan de mens met zijn huidige organen alleen de fysieke wereld waarneemt.
De taak van de antroposofie is om geleidelijk het gevoel van de onzichtbare en onder normale omstandigheden ook onhoorbare werelden te ontsluiten.
Wat is de astrale wereld?
Wanneer we over de astrale wereld spreken, komen we het snelst tot begrip wanneer we binnen alle wereldbeschouwingen die behalve het fysieke ook het geestelijke kennen, op te zoeken bij welke over de astrale wereld en de relatie met de mens wordt gesproken.
Ook de christelijke wereldbeschouwing kent de astrale wereld. In de eerste eeuwen van het christendom heeft men

Blz. 22

bei dem Menschen nicht bloß zwei Naturen unterschieden, wie später und oberflächerlicher: Körper und Seele, sondern man unterschied drei: Körper, Seele und Geist. Seele und Geist hat man in allen tieferen Weltanschauungen seit Urzeiten immer als die Bestandteile des Menschen angesehen. ( )
Die körperliche Natur ist bekannt. Unter der seelischen Natur verstand man in allen tieferen Religionen und Weltanschauungen das, was wir in der theosophischen Weltanschauung das Astrale nennen. Unter dem Ausdruck «Geist» verstand man das eigentlich Ewige der Natur des Menschen. Körper, Seele und Geist machen die dreifache Natur des Menschen aus.

bij de mens niet alleen maar twee naturen onderscheiden, zoals later en oppervlakkiger: lichaam en ziel, maar men onderscheidde er drie: lichaam, ziel en geest. Sinds de oudheid zijn ziel en geest in alle diepere wereldbeschouwingen altijd gezien als wezensdelen van de mens. ( )
De lichamelijke natuur is bekend. Onder de zielennatuur verstond men in alle diepere religies en wereldbeschouwingen dat wat wij in de antroposofische wereldbeschouwing het astrale noemen. Onder de uitdrukking ‘geest’ verstond men het eigenlijk eeuwige van de mensennatuur. :Lichaam, ziel en geest vormen de drievoudige natuur van de mens.

Steiner heeft vaak het Concilie van Constantinopel genoemd waarop in 869 de geest werd afgeschaft, o.a. in GA 293: voordracht 3, op deze blog gesproken.

Nadat Steiner uitvoerig over het fysieke lichaam heeft gesproken,. vervolgt hij over de astrale wereld:

Blz. 24

Das führt uns dahin einzusehen, daß dieser physikalisch und chemisch aufgebaute Körper, weil er in nur physikalischer und chemischer Beziehung eine Unmöglichkeit ist, durchlebt und durchströmt sein muß von einem höheren Prinzip, welches das niedere durchorganisiert, durchseelt und durchlebt. Das nächste Prinzip, das unseren Körper durchseelt und durchlebt, ist das, was bewirkt, daß seine Teile nicht schon bei Lebzeiten auseinanderfallen; und das, was das bewirkt, nennen wir das astrale Element im Menschen.

Dit brengt ons ertoe te zien dat dit fysiek en chemisch geconstrueerde lichaam, omdat het alleen in fysieke en chemische termen een onmogelijkheid is, [zonder leven is het nl. een lijk!] doorleefd en doorstroomd moet worden door een hoger principe dat het lagere grondig organiseert, bezielt en doet leven. Het volgend fundamentele dat ons lichaam doorzielt en doorleeft, is wat als werking heeft dat de delen niet al tijdens het leven uit elkaar vallen; en wat daarvoor zorgt, noemen wij het astrale element in de mens.

Wanneer je dit leest, schrik je even, want we hadden nu net gezien dat dat ‘volgend fundamentele’ door Steiner ‘etherlijf wordt genoemd.
Dat komt omdat deze voordracht vooral gaat over lichaam, ziel en geest; Steiner stapt hier van lichaam naar ziel, wat zal blijken.

 Wir können ganz genau sagen, was das astrale Element im Menschen ist. Es ist das, was alle Menschen, die ein solches Element in sich haben, dazu veranlaßt, in sich etwas geschehen zu lassen, was wir im weitesten Sinne mit Lust und Unlust bezeichnen. Lust und Unlust ist etwas, was in unserem Körper und in den Körpern, welche in astraler Beziehung uns ähnlich sind, auftritt und was nicht bewirkt werden kann durch die chemischen und physikalischen Stoffe.

We kunnen vrij precies zeggen wat het astrale element in de mens is. Het zorg ervoor dat bij alle mensen die dit wezenlijke deel in zich hebben er iets gebeurt wat wij in de ruimste zin als lust en onlust kunnen bestempelen. [In de artikelen ‘Rudolf Steiner over het astraallijf’ vind je veel meer karakteriseringen bij ‘lust en onlust’: zie1-7-2/4-2

Nehmen Sie einen Kristall oder irgendeine andere aus chemischen Stoffen zusammengesetzte physische Substanz. Alles kann mit ihm vorgehen, was sonst im Physischen vorgeht, nicht aber Lust und Unlust. Das ist nur im Menschen selbst zu finden und in denjenigen Wesen, die so wie der Mensch organisiert sind. Diese Wesen sind durchsetzt von einem Elemente, welches Lust und Unlust empfinden kann. Wenn Sie einen Stein stoßen, so wird er weiterfliegen oder irgendwo auffallen und einen Eindruck machen. Wenn Sie ein solches Naturobjekt in dieser oder in einer anderen Weise beeindrucken, so können Sie das von außen sehen; sie können es sogar einem Vorgang unterwerfen, der es zerstört, aber es wird nie Lust oder Unlust empfinden. Lust und Unlust reichen so weit, wie die astrale Welt reicht. Und genauso, wie ich durch die in mir sich vollziehenden Prozesse chemischer und physikalischer Art der äußeren Welt angehöre, so habe ich wirklich und real alle die verschiedenen Nuancen von Lust und Unlust in mir, und durch diese verschiedenen Nuancen und Erscheinungen von Lust und Unlust gehöre ich einer Welt an, die unsere körperliche Welt durchsetzt und durchseelt und die ebenso außer mir ist und was uns fortwährend durchzieht und durchgeistigt.

Neem eens een kristal of een of ander uit chemische stoffen samengestelde fysieke substantie. Daar kan van alles mee gebeuren wat normaliter in de fysieke wereld voorvalt, maar er is geen lust en onlust. Die zijn alleen in de mens zelf te vinden en in de wezens die zoals de mens hun organisatie hebben. Deze wezens zijn doortrokken door een element dat lust en onlust kan ervaren. Wanneer je tegen een steen stoot, zal deze verder rollen of ergens vanaf vallen en een afdruk maken. Wanneer je op zo’n natuurvoorwerp druk uitoefent, kan je dat vanbuiten zien; je kan er zo mee omgaan dat je het vernielt, maar het zal nooit lust of onlust ervaren. Lust en onlust zijn er zo veel als de astrale wereld reikt. En net zoals ik door de processen in mij die van chemische en fysische aard zijn, bij de uiterlijke wereld hoor, heb ik echt en werkelijk al de verschillende nuances van lust en onlust in mij en door deze verschillende nuances en verschijnselen van lust en onlust behoor ik tot een wereld die onze fysieke wereld doordringt en bezielt en die net zo buiten mij is als in mij.

Blz. 25

Im Raume ist nicht nur Luft, die das körperliche physische Leben unterhält, sondern der Raum ist auch durchsetzt von einer astralen Welt, an der wir Menschen ebenso teilnehmen, wie wir an der äußeren physischen Welt teilnehmen. Und so, wie wir nicht leben könnten als physische Wesen, ohne daß wir die physische Kraft durch unseren Organismus fließen lassen, ebensowenig könnten wir als Lust- und Unlustwesen, als astrale Wesen leben, ohne daß wir an dem teilnehmen, was in der astralen Welt vorgeht, was in ihr lebt und webt und was uns fortwährend durchzieht und durchgeistigt. So, wie wir in der physischen Welt durch unsere Haut abgegrenzt und dadurch individualisiert sind, so sind wir auch in der allgemeinen astralen Welt abgeschlossen. Wir sind innerhalb derselben als einzelne astrale Wesenheiten individualisiert und nehmen teil an dieser astralen Welt um uns herum. Wir haben nun auf eine Welt hingedeutet, welche unsere physische Welt durchsetzt und durchzieht und durchwogt, wie die Tonwelt der Neunten Symphonie die Welt durchwogt, in welcher auch die Schnecke lebt.

In de kamer is er niet alleen lucht die het fysieke leven in stand houdt, maar de kamer is ook doordrongen van een astrale wereld waaraan wij mensen deelnemen, net zoals we deelnemen aan de fysieke buitenwereld. En net zoals we niet als fysieke wezens zouden kunnen leven zonder fysieke kracht door ons organisme te laten stromen, net zo min zouden we kunnen leven als wezens met lust en onlust, als astrale wezens, zonder deel te nemen aan wat er in de astrale wereld gebeurt, wat erin leeft en weeft en wat ons voortdurend doordringt en vergeestelijkt. Net zoals we in de fysieke wereld door onze huid worden begrensd en daardoor geïndividualiseerd, zijn we ook in de algemene astrale wereld afgesloten. Wij zijn daarin geïndividualiseerd als individuele astrale entiteiten en nemen deel aan de astrale wereld om ons heen. We hebben nu gewezen op een wereld die onze fysieke wereld doordringt en doorgolft, net zoals de tonale wereld van de Negende Symfonie de wereld doordringt waarin ook de slak leeft.

Im gewöhnlichen Leben nimmt der Mensch die Welt durch seine Sinne wahr, aber er ist nicht imstande, jene Welt wahrzunehmen, die ihn selbst durchgeistigt und durchwebt und seinen eigenen Astralorganismus ausmacht. Der Umstand, daß wir eine Welt nicht wahrnehmen, ist nun aber kein Grund zu sagen, daß diese Welt nicht da ist. Warum nehmen Sie jeden anderen hier sitzenden Menschen als physisches Wesen wahr? Weil Ihre Augen darauf eingerichtet sind, die physischen Lichtstrahlen durch Ihre Augen wahrzunehmen. Ihre Augen können die physischen Körper der anderen Menschen um Sie herum wahrnehmen. Diese physischen Körper sind für Sie wirklich. Sie wären für Sie nicht da, wenn Ihre Augen nicht da wären, sie zu sehen. Ebenso ist in jedem dieser anderen Menschen Lust und Unlust in unzähligen Nuancen vorhanden. Eine ebenso reiche Welt wie die, welche Sie mit Augen sehen, ist in jedem von Ihnen; es ist eine reiche Welt von Lust und Unlust. Und ebenso wirklich wie Ihr physischer Körper, ist ein zweiter Körper, der den physischen Körper durchsetzt, von dem dieser physische Körper ganz durchdrungen ist. Sie dürfen nicht

In het gewone leven neemt de mens de wereld waar via zijn zintuigen, maar hij is niet in staat die wereld waar te nemen die door hem heen vergeestelijkt en weeft en zijn eigen astrale organisme vormt. Het feit dat wij een wereld niet waarnemen is geen reden om te zeggen dat deze wereld er niet is. Waarom zie je iedere andere persoon die hier zit als een fysiek wezen? Omdat je ogen zijn ontworpen om de fysieke lichtstralen door je ogen waar te nemen. Je ogen kunnen de fysieke lichamen van andere mensen om je heen waarnemen. Deze fysieke lichamen zijn reëel voor je. Ze zouden er niet voor je zijn als je ogen er niet waren om ze te zien. Op dezelfde manier zijn plezier en ongenoegen in talloze nuances aanwezig bij elk van deze andere mensen. Een wereld zo rijk als wat je met je ogen ziet, zit in ieder van ons; het is een rijke wereld van plezier en pijn. En net zo werkelijk als je fysieke lichaam is een tweede lichaam dat het fysieke lichaam doordringt, waarmee dit fysieke lichaam volledig doordrongen is. Je mag niet

Blz. 26

sagen, daß nur das wirklich ist, was Sie sehen, was Sie physisch wahrnehmen können, denn jeder von Ihnen weiß, daß eine Welt von Lust und Unlust in ihm ebenso wirklich lebt, wie Muskelfleisch und Nervenfasern in ihm leben. Nur weil die geistigen Augen nicht aufgeschlossen sind, deshalb sehen Sie diese Wirklichkeiten nicht. Wären Ihre Augen dafür aufgeschlossen, dann würden Sie bei jedem anderen Menschen, ebenso wie Sie seine Hautfarbe und seine Kleider wahrnehmen, ihn auch wahrnehmen können durchströmt von Kräften und Substantialitäten, von Wesenheiten, die wirklich sind, die wir als Lust- und Unlustwesen bezeichnen können. Für denjenigen, dessen Sinn aufgeschlossen ist für diese Wirklichkeiten, ist diese Welt ebenso wirklich wie die körperliche Welt. In jedem Menschen ist so außer dem physischen Körper noch der astrale Körper, der so genannt wird, weil er für den Seher in einem hellen Lichte erglänzt, das ein Ausdruck ist für sein ganzes Lust- und Unlustleben, für alles, was als Gefühl in ihm lebt.

zeggen dat alleen wat je ziet, wat je fysiek kunt waarnemen reëel is, omdat jullie allemaal weten dat er een wereld van lust en onlust in je leeft, net zo reëel als spiervlees en zenuwvezels. Alleen omdat de spirituele ogen niet open zijn, zie je deze realiteiten niet. Als je ogen hiervoor open zouden zijn, zou je iedere andere persoon kunnen waarnemen, net zoals je hun huidskleur en hun kleding waarneemt, doorstroomd door krachten en substanties, van wezens die echt zijn, die we kunnen omschrijven als wezens van plezier en pijn . Voor degene wiens geest openstaat voor deze realiteiten, is deze wereld net zo reëel als de fysieke wereld. In ieder mens bevindt zich naast het fysieke lichaam ook het astrale lichaam, dat zo wordt genoemd omdat het voor de ziener straalt met een helder licht, dat een uitdrukking is van al zijn lust en onlustgevoelens, van alles wat als gevoel in hem leeft. 

Hier geeft Steiner een nieuwe karakteristiek over het woord ‘astraal’. (Zie hierboven in cursief)

Nu volgt er een passage waarin Steiner over zijn eigen helderziende waarnemingen vertelt. Ik heb die niet, dus enerzijds klinkt dit voor mij heel apart, anderzijds vind ik het daardoor niet meteen ‘onzin’.

So wie nicht nur Sie selbst wissen, daß Sie aus Fleisch und Blut bestehen, sondern die anderen Menschen dies auch wahrnehmen können, so sind die Lust- und Unlustgefühle nur solange für Sie allein da, als nicht ein anderer sie wahrnimmt. Etwas größer als Ihr physischer Körper ist Ihr astraler Organismus, etwas herausragend über denselben. Denken Sie sich einen Saal, in dem eine Versammlung abgehalten wird und in dem die verschiedenen Redner sprechen. Wenn ein Hellseher mit seinen Seheraugen den Saal durchschaut, nimmt er nicht nur die Worte wahr, die gesprochen werden, nicht nur die funkelnden Augen und die sprechenden Physiognomien, er sieht noch etwas anderes: er sieht, wie von dem Redner zu den anderen Menschen die Leidenschaften herüberspielen, er sieht, wie die Empfindungen und Gefühle in dem Redner aufleuchten, er sieht, ob ein Redner zum Beispiel aus Rache oder aus Enthusiasmus spricht. Bei dem Enthusiasten sieht er das Feuer des Astralkörpers ausströmen, und bei der großen Menge der Menschen sieht er eine Fülle von Strahlen; diese rufen wiederum in dem Redner Lust oder Unlust hervor. Da ist eine Wechselwirkung der

Net zoals jij niet alleen weet dat je van vlees en bloed bent, maar andere mensen dit ook kunnen waarnemen, zo zijn de gevoelens van lust en onlust er alleen voor jou zolang als niemand anders ze waarneemt. Iets groter dan je fysieke lichaam is je astrale organisme, iets daarbuiten uitstekend. Stel je een zaal voor waarin vergaderd wordt en waarin de verschillende sprekers aan het woord komen. Wanneer een helderziende met zijn zienerogen door de zaal kijkt, neemt hij niet alleen de woorden waar die worden gesproken, niet alleen de sprankelende ogen en de sprekende gezichtsuitdrukkingen, hij ziet nog iets anders: hij ziet hoe van de spreker naar de andere mensen diens gevoelens overgaan, hij ziet hoe de sensaties en gevoelens in de spreker oplichten, hij ziet of een spreker bijvoorbeeld uit wraak of enthousiasme spreekt. Bij wie enthousiast is, ziet hij het vuur van het astrale lichaam uitstromen, en in de grote menigte mensen ziet hij een overvloed aan stralen; deze roepen op hun beurt weer plezier of ongenoegen op in de spreker. Er is een wisselwerking van de 

Blz. 27

Temperamente, die offen und klar vor dem Seher sich abspielt. Das ist eine ebenso wirkliche Welt, von der wir ein Teil sind, wie die äußere Welt, in der wir leben. Nicht umsonst, nicht zwecklos hat die theosophische Bewegung den Menschen hingewiesen auf diese unsichtbaren Welten, von denen die Menschen ein Teil sind, in die wir fortwährend unsere Wirkungen hineinsenden. Sie können kein Wort sprechen, keinen Gedanken fassen, ohne daß Gefühle in den Raum hinauswirken. Wie unsere Handlungen in den Raum hinauswirken, so wirken auch die Gefühle; sie durchsetzen den Raum und beeinflussen die Menschen und die ganze astrale Welt. Der Mensch ist unter gewöhnlichen Verhältnissen sich nicht bewußt, daß ein Strom von Wirkungen von ihm ausgeht, daß er eine Ursache ist, deren Wirkungen überall in der Welt wahrzunehmen sind. Er ist sich nicht bewußt, daß er dadurch auch Unheil anrichten kann, daß er Ströme von Lust und Unlust, von Leidenschaften und Trieben in die Welt hinaussendet, die auf andere Menschen auf die schädlichste Weise wirken können.

temperamenten dat zich helder en open afspeelt voor de ziener. Dit is net zo’n reële wereld waarvan wij deel uitmaken als de buitenwereld waarin wij leven. Het is niet voor niets en niet zonder doel dat de antroposofische beweging de aandacht van mensen heeft gevestigd op deze onzichtbare werelden, waar mensen deel van uitmaken, waar wij voortdurend naartoe sturen wat ervan ons uitgaat. Je kunt geen woord spreken of een gedachte vormen zonder dat er gevoelens de kamer in stromen. Net zoals onze acties de ruimte beïnvloeden, geldt dat ook voor onze gevoelens; ze doordringen de ruimte en beïnvloeden mensen en de hele astrale wereld. Onder normale omstandigheden is de mens zich er niet van bewust dat er een stroom van invloeden van hem uitgaat, dat hij een oorzaak is waarvan de gevolgen overal ter wereld waarneembaar zijn. Hij is zich er niet van bewust dat hij ook schade kan aanrichten door stromen van plezier en pijn, van hartstochten en driften de wereld in te sturen, wat de meest schadelijke gevolgen voor andere mensen kan hebben.

Er ist sich nicht bewußt, was er mit seinem Gefühlsleben bewirkt. Unser Wissen ist nicht zu einem zwecklosen Dasein bestimmt; es ist nicht dazu da, um bloß zu erkennen, nicht um seiner selbst willen ist es da. Es ist eine schöne Phrase der abendländischen Gelehrsamkeit geworden, das Wissen sei um seiner selbst willen da. Wer sich in die morgenländische Weisheit vertieft, der findet noch etwas anderes als das Wissen um seiner selbst willen. Er weiß, daß es sich beim Wissen darum handelt, sich im Sinne dieses Wissens in der Welt zu betätigen. Wir lernen die physische Welt kennen, um in der physischen Natur nicht wie in einem Chaos zu wirtschaften. Und wir lernen die höhere Natur kennen, um in dieser höheren Natur in bewußter Weise zu wirken. Wer diese höhere Natur erkennt und beherrscht, lernt, in ihr bewußt zu wirken; er lernt, seine Gedanken zu beherrschen und sie nicht zufällig wirken zu lassen, sie auch nicht zufällig loszulassen, sondern sie im Zaume zu halten; er lernt, sein Innenleben zu beherrschen, sein Innenleben zu regeln, so daß es im idealsten Sinne auf die Umwelt veredelnd wirkt. 

Hij is zich niet bewust van wat hij met zijn emotionele leven teweeg brengt. Onze kennis is niet bestemd voor een doelloos bestaan; het is er niet alleen maar om te weten, het is er niet omwille van zichzelf. In de westerse wetenschap is het een mooie frase geworden dat kennis bestaat omwille van zichzelf. Iedereen die zich verdiept in de oosterse wijsheid zal iets anders vinden dan kennis omwille van de kennis. Hij weet dat kennis gaat over actief zijn in de wereld in de geest van deze kennis. We leren de fysieke wereld kennen, om niet in de fysieke natuur als in een chaos te handelen.  En we leren de hogere natuur kennen om bewust in deze hogere natuur te kunnen werken. Iedereen die deze hogere natuur kent en beheerst, leert er bewust in te werken; hij leert zijn gedachten te beheersen en ze niet willekeurig te laten werken, noch die zomaar te laten gaan, maar ze onder controle te houden; hij leert zijn gevoelsleven te beheersen, zijn gevoelsleven zo te reguleren dat het in de meest ideale zin een veredelende werking heeft op de omgeving.

Blz. 28

Dadurch erlangen die höheren Welten, die – lassen Sie mich das betonen – ebenso wirklich sind wie unsere physische Welt, ja noch wirklicher, eine immense Bedeutung für die physische Welt. Wer weiß, daß das, was in der astralen Welt vorgeht, viel wichtiger ist für den Weltprozeß als das, was Sie in der physischen Welt zu sehen und zu tun vermögen, der wird diese Welt auch richtig in ihrer Bedeutung einschätzen. Wenn Sie noch weiter hinaufsteigen, würden Sie Welten finden, die noch wichtiger sind als die astrale Welt. Davon spricht auch die christliche Religion. Was diese als «Seele» bezeichnet, ist die astrale Welt, was sie als «Geist» bezeichnet, ist das, was Sie in der Theosophie als «Mentalebene» kennen. Warum ist die höhere, die astrale Welt so unendlich viel wichtiger als die physische Welt? Weil die physische Welt nichts anderes ist als der Ausdruck dieser astralen Welt, als die Wirkung der astralen Welt. Ich möchte Ihnen als Erläuterung eine Erscheinung anführen, die Ihnen zeigen wird, wie unendlich viel bedeutsamer das ist, was in der astralen Welt vorgeht, als das, was in der physischen Welt sich abspielt.

Als gevolg hiervan krijgen de hogere werelden, die – laat ik dit benadrukken – net zo reëel als onze fysieke wereld, zelfs nog reëler, een enorme betekenis voor de fysieke wereld. Iedereen die weet dat wat er in de astrale wereld gebeurt veel belangrijker is voor het wereldproces dan wat je in de fysieke wereld kunt zien en doen, zal ook het belang van deze wereld correct inschatten. Als je nog hoger komt, zul je werelden vinden die nog belangrijker zijn dan de astrale wereld. Ook de christelijke religie spreekt hierover. Wat zij de ‘ziel’ noemt, is de astrale wereld; wat zij de ‘geest’ noemt, is wat u in de antroposofie kent als het ‘mentale gebied’. Waarom is de hogere, de astrale wereld zo oneindig veel belangrijker dan de fysieke wereld? Omdat de fysieke wereld niets anders is dan de uitdrukking van deze astrale wereld, als de uitwerking van de astrale wereld.

( )
Antroposofie en wetenschap

Nu houdt Steiner de (materialistische) wetenschapper nog een soort spiegel voor:

Ja, unbescheiden sind heute die Menschen in Bezug auf die Erkenntnis, unbescheiden deshalb, weil sie ablehnend sind gegenüber allem, was ihre Sinne und ihr Verstand nicht begreifen. Denken Sie sich, wenn die Schnecke sich

Ja, de mensen zijn vandaag de dag, als het om kennis gaat, onbescheiden omdat ze alles afwijzen wat hun zintuigen en hun verstand niet begrijpen. Denk je eens in dat de slak

Blz. 29

unterfinge zu sagen, hier im Saal sei nichts anderes als das, was sie wahrnehme -, müßten wir nicht von dieser Schnecke sagen, sie habe in Bezug auf die Erkenntnis eine große Unbescheidenheit? Täuschen Sie sich nicht. Im schlimmsten Sinne des Wortes ist es ebenso mit dem Menschen, wenn er sagt: Was mein Verstand nicht wahrnehmen und nicht begreifen kann, das gibt es nicht in dieser Welt.

durfde te zeggen dat er niets anders in de kamer is dan wat hij waarneemt – zouden we dan niet van deze slak moeten zeggen dat hij een grote onbescheidenheid aan de dag legt, als het om kennis gaat? Vergis je niet. In de slechtste zin van het woord is het hetzelfde met de mens als hij zegt: wat mijn verstand niet kan waarnemen en begrijpen, bestaat niet in deze wereld.

Was will der gewöhnliche Wissenschaftler, der stolz ist auf seine Kultur und unbescheiden ist in Bezug auf sein gewöhnliches Erkennen? Er will alles das, was er wahrnehmen und erkennen kann, weiter verfolgen, und er will seine Erkenntnisse auf unzählige Sachen verbreiten. Das ist so, wie wenn die Schnecke nach allen Seiten herumkriecht und wahrnimmt, was sie wahrnehmen kann – sie würde nichts wahrnehmen als das, was ihre Schneckenorgane wahrnehmen können. So ist es auch bei den Menschen.

Wat wil de gewone wetenschapper die trots is op zijn cultuur en onbescheiden is over zijn gewone kennis? Hij wil alles wat hij kan waarnemen en herkennen verder volgen, en hij wil zijn bevindingen over talloze onderwerpen uitbreiden. Het is alsof de slak in alle richtingen rondkruipt en waarneemt wat hij kan waarnemen; hij zou niets anders waarnemen dan wat zijn slakkenorganen kunnen waarnemen. Hetzelfde geldt voor mensen.

( )

So unterscheidet sich die Gesinnung des Theosophen von der des gewöhnlichen Wissenschaftlers dadurch, daß er sich entwickeln will, daß er ehrlich und rechtschaffen an die Entwicklung seiner Fähigkeiten glaubt und sich bemüht, an
sich selbst zu arbeiten. Das, verehrte Anwesende, ist theosophische Gesinnung: an sich zu arbeiten, damit uns höhere Organe aufgehen, damit wir in die Lage kommen, in dem, was uns umgibt, Bedeutungsvolles, Wichtiges wahrzunehmen. Das muß immer mehr und mehr abendländische Gesinnung werden, wenn die
abendländische Menschheit nicht ganz in der materialistischen

De houding van de antroposofen is t.o.v. de gewone wetenschapper in die zin verschillend dat de eerste zich verder wil ontwikkelen, dat hij eerlijk en oprecht in die ontwikkeling van zijn vermogens gelooft en er moeite voor doet om aan zichzelf te werken. Dat nu, geachte aanwezigen, is de antroposofische houding: werken aan jezelf, zodat je hogere organen ontsluit, zodat we in wat er om ons heen is, waar gaan nemen wat daarvan belangrijk ius, betekenis heeft. Dat zal steeds meer de houding moeten worden van het Avondland, als de westerse mensheid tenminste niet helemaal in de materialistische

Blz. 30

Strömung aufgehen will. Wenn diese theosophische Gesinnung sich immer mehr und mehr verbreitet, dann wird man einsehen, daß alles dasjenige, was äußere physische Tatsachen und Erscheinungen sind, die Folgen, die Wirkungen tieferliegender Ursachen sind, die in der astralen Welt oder in noch höheren Welten liegen.
Gewöhnlich ist die abendländische Wissenschaft damit zufrieden, den Körper in allen seinen Bestandteilen zu erforschen. Aber die theosophische Gesinnung fragt: Hat dieser Körper sich selbst zusammengefügt? Wo könnte der Grund dafür sein? Können wir glauben, daß die Kräfte draußen in der Natur das Bedürfnis fühlen, sich zum Menschen zusammenzufügen? Nein. Wer in der höheren Welt zu sehen vermag, der weiß, daß der Mensch, bevor er im physischen Organismus lebt, vor seiner Geburt in einem astralen Dasein lebte. So wahr wir vor unserem physischen Dasein, vor der Geburt, ein astrales Dasein hatten, so wahr haben wir ein astrales Dasein auch nach unserer Geburt, und dieses reicht weiter als unser physischer Körper. Alles das ist eingeschlossen in dem, was wir das Mysterium von Geburt und Tod nennen.

stroom wil opgaan. Als deze antroposofische houding zich steeds verder uitbreidt, zal ingezien worden dat alles wat uiterlijke fysieke feiten en verschijnselen zijn, de gevolgen zijn, de uitwerkingen van dieper liggende oorzaken die in de astrale wereld of in zelfs hogere werelden liggen. De westerse wetenschap is er doorgaans tevreden mee om het lichaam in al zijn componenten te onderzoeken. Maar de antroposofische manier van denken vraagt: heeft dit lichaam zichzelf samengesteld? Wat zou de reden hiervoor kunnen zijn? Kunnen we geloven dat de krachten buiten in de natuur de behoefte voelen een mens samen te stellen? Nee. Wie in staat is om in de hogere wereld waar te nemen, weet dat de mens vóór die in een fysiek organisme leeft, voor zijn geboorte in een astraal bestaan leefde. Zo waar het is dat we vóór onze geboorte een astraal bestaan hadden, zo waar is het ook dat we na onze geboorte een astraal bestaan hebben en dit strekt zich verder uit dan ons fysieke lichaam. Dat zit allemaal besloten in wat we het mysterie van geboorte en dood noemen.
GA 88/22-30
Niet vertaald

Voordracht 2, Berlijn 4 november 1903

Die höheren Welten und der Anteil des Menschen an ihnen
De hogere werelden en het aandeel van de mens daarin

 Blz. 35

Wir Menschen gehören der astralen Welt ebenso an, wie wir der physischen Welt angehören. Wir gehören auch noch anderen Welten an, aber das Dasein dieser Welten verstehen wir erst, wenn wir sehen, was für Kräfte aus dem höheren Dasein hereinspielen. Demjenigen, dessen Augen für die astrale Welt geöffnet werden, geht ein neues Dasein auf: die Welt, in der wir alle Triebe und Instinkte, alle Leidenschaften und Temperamente so vor uns sehen, wie wir die Dinge um uns herum in der physischen Welt sehen. Diese 88/36 astrale Welt ist aber nicht die höchste. Sie ist diejenige, welche um eine Stufe höher liegt als unsere physische Welt, sie ist eine feinere Welt, die unsere ganze Welt durchdringt. Dann ist unsere Welt auch durchdrungen von einer noch höheren Welt, der eigentlichen geistigen Welt, die wir in der Theosophie die devachanische oder die mentale Welt nennen und die, wenn wir den Blick dafür geöffnet haben, es uns möglich macht, die Gedanken, welche nicht von Gefühlen und Wünschen durchzogen sind, die also reine Gedanken sind, wie Dinge zu sehen.

Wij mensen behoren tot de astrale wereld, net zoals we tot de fysieke wereld behoren. Wij behoren ook tot andere werelden, maar we begrijpen het bestaan ​​van deze werelden pas als we zien welke krachten vanuit het hogere bestaan ​​een rol spelen. Voor degenen wier ogen zijn geopend voor de astrale wereld, gaat er een nieuw bestaan ​​open: de wereld waarin we alle driften en instincten, alle hartstochten en temperamenten voor ons zien, net zoals we de dingen om ons heen zien in de fysieke wereld. Maar deze

Blz. 36

astrale Welt ist aber nicht die höchste. Sie ist diejenige, welche um eine Stufe höher liegt als unsere physische Welt, sie ist eine feinere Welt, die unsere ganze Welt durchdringt. Dann ist unsere Welt auch durchdrungen von einer noch höheren Welt, der eigentlichen geistigen Welt, die wir in der Theosophie die devachanische oder die mentale Welt nennen und die, wenn wir den Blick dafür geöffnet haben, es uns möglich macht, die Gedanken, welche nicht von Gefühlen und Wünschen durchzogen sind, die also reine Gedanken sind, wie Dinge zu sehen.
Das sind die drei Welten, welchen der Mensch angehört, das sind die drei Welten, welche er durchläuft in seinen Leben von Verkörperung zu Verkörperung. Also nicht die höchste Welt ist es, mit der wir es bei der Astralwelt zu tun haben.

astrale wereld is niet de hoogste. Het is de wereld die één niveau hoger staat dan onze fysieke wereld, het is een subtielere wereld die onze hele wereld doordringt. Dan wordt onze wereld ook doordrongen van een nog hogere wereld, de werkelijke geestelijke wereld, die we in de antroposofie de devachanische of mentale wereld noemen en die, wanneer we onze ogen ervoor hebben geopend, het voor ons mogelijk maakt de gedachten die  niet zijn doordrongen van gevoelens en verlangens, die pure gedachten zijn, als dingen te zien.
Dat zijn de drie werelden waartoe de mens behoort, dat zijn de drie werelden waar hij in zijn leven van incarnatie naar incarnatie doorheen gaat. Bij de astraalwereld hebben we dus niet mede hoogste wereld te maken. 

Wir betrachten nun also diese Zwischenwelt, die aber, weil sie unserer physischen Welt zunächstliegt, für uns von ganz besonderer Wichtigkeit ist. Demjenigen, dessen Auge geöffnet ist für diese Sphäre, sprechen wir ein sogenanntes psychisches Sehen zu. Es erscheinen ihm nicht nur physische Dinge, sondern es erscheint ihm auch alles, was in den Menschen als Triebe, Wünsche und Leidenschaften lebt, als Dinge. Diese astrale Welt ist abgestuft. Sie ist so großartig, daß sich unsere physische Welt nicht damit vergleichen läßt. Nur eine skizzenhafte Schilderung kann ich davon geben. Wer das Auge dafür geöffnet hat, der sieht Dinge, die der gewöhnliche Mensch zwar wahrnimmt, die er aber sich noch nicht enträtseln kann. Das ist psychisches Sehen.

We beschouwen deze tussenwereld die echter, omdat deze het dichtst bij onze fysieke wereld staat, dus als een wereld die voor ons van groot belang is. Van degene die in deze wereld kan schouwen, zeggen we dat deze een zogeheten psychisch zien heeft. Er verschijnen aan hem niet alleen maar fysieke dingen, maar ook alles wat in de mens als drift, wens en hartstocht leeft, verschijnt aan hem als dingen. Deze astrale wereld verschijnt in niveaus. Deze is zo groots, dat je die niet kan vergelijken met de fysieke wereld. Ik kan er alleen maar een schets van geven. Wie er een open oog voor heeft, ziet dingen die de gewone mens weliswaar waarneemt, maar die hij nog niet ontraadselen kan. Dat is psychisch zien.
GA 88/35-36
Niet vertaald

.

Algemene menskunde: voordracht 1 –over het astraallijf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3125-2938

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ahriman in het onderwijs (7-3/2)

.

Wie zich verdiept in het werk van Steiner – of het nu het geschreven werk is of in wat hij met zijn voordrachten bracht – het begrip ‘Ahriman’ komt – meestal in één adem met ‘Lucifer’ – veelvuldig voor.

Op deze blog gaat het om de pedagogische achtergronden van het vrijeschoolonderwijs. En omdat de menskundige achtergronden wortelen in het antroposofisch mensbeeld zou je kunnen verwachten dat ook in de pedagogische voordrachten over Ahriman (en Lucifer) wordt gesproken.

En dat is inderdaad zo: in bepaalde voordrachten roert Steiner het onderwerp aan.
Wat hij daarover zegt, zal op deze blog worden weergegeven.

Voor wie dit onderwerp ( bijna) nieuw is, is dit artikel  (1) een inleiding tot meer begrip en in dit artikel  (2) is o.a. sprake van ‘kunstmatige intelligentie’, 

Als leerkrachten/opvoeders krijgen wij te maken met wat ‘de tijd’ met zich meebrengt. 
Nu is ‘de tijd’ maar een heel abstract begrip. Als we echter daarbij aan ‘de tijdgeest’ denken, zoals dat in artikel (2 – zie boven) wordt gedaan, kunnen we in de kunstmatige intelligentie dus een inspiratie zien van de ahrimanische tijdgeest.
Die herkennen, leren kennen en doorzien is een van onze eerste opdrachten. 

Op 21 augustus 1919 begint Steiner in Stuttgart met de cursus voor de eerste leerkrachten van de eerste Waldorfschool.
Op 1 augustus 1919 sluit hij een voordrachtenreeks in Dornach af die – wellicht verrassend – al over de Waldorfschool gaat:

   Die spirituellen, kulturgeschichtlichen und sozialen Hintergründe                                    der Waldorfschul-Pädagogik

Ook bekend onder de titel:
Die Erziehungsfrage als soziale Frage

Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave

6 voordrachten in Dornach van 9 t/m 17 augustus 1919

De opmerkingen die ik (in blauw) n.a.v. deze voordracht maak, moet je in samenhang met de totale tekst zien. Daarom is deze als vertaling onder aan het artikel weergegeven. Die zou je eigenlijk eerst moeten lezen.

Het lijkt erop of Steiner hier over het dagelijkse werk in de klas een machtige boog wil spannen, met aan de ene kant het (verre) verleden en aan de andere kant de (verre) toekomst.

In de 5e voordracht komt de intelligentie ter sprake, eveneens in een wijds verband:

Die Metamorphosen der menschlichen Intelligenz. Der Ägypter erfaßte das Kosmische durch seine Intelligenz; der Grieche das Tote. In der Gegenwart hat die Intelligenz die Neigung, sich mit dem Bösen zu verbinden. Verwandlung der Intelligenzkräfte durch das Christus-Mysterium.

De metamorfose van de menselijke intelligentie. De Egyptenaar begreep het kosmische door zijn intelligentie; de Griek de dood. In deze tijd heeft de intelligentie de neiging zich met het kwaad te verbinden. Omwerking van de intelligentiekrachten door het mysterie van Christus.

Door deze overkoepelende blik krijgen we een indruk hoe het met de ontwikkeling van de intelligentie is gegaan. En zoals ‘bewustzijn’ voor Steiner niet het bewustzijn is zoals we daar nu over spreken, maar een bewustzijn dat voortdurend in ontwikkeling is, zo spreekt hij ook over de intelligentie.

Voordracht 5, Dornach 16 augustus 1919

Blz. 85/86  vert. 97/98

Wenn man gegenwärtig von Intelligenz spricht, dann hat man eben eine Seelenkraft im Auge, die man sich in einer bestimmten Weise vorstellt, und von der man nur denkt, daß sie so sein könne und sein müsse, wie man
gewohnt worden ist, sie sich vorzustellen. Nun, es haben Intelligenz, wenn auch Intelligenz von anderer Form, auch gehabt die Menschen früherer Entwicklungsepochen, und will man die Bedeutung der sogenannten Intelligenz für den Menschen der Gegenwart voll kennenlernen, dann muß man schon die
Frage auf werfen: Wie sah die Intelligenz der Menschen früherer
Entwicklungsepochen aus und wie hat sich diese Intelligenz der Menschheit von früheren Zeiten bis in unsere Zeiten herein allmählich verändert?

Wanneer men het tegenwoordig over intelligentie heeft, dan wordt daarmee een innerlijke kracht bedoeld, die men zich op een bepaalde manier voorstelt en waarvan men denkt dat die alleen zo kan en moet zijn, zoals men gewend is zich die voor te stellen.
Maar ook de mensen uit vroegere ontwikkelingsstadia bezaten intelligentie, al was het een andere vorm van intelligentie. Wanneer men de betekenis van wat de moderne mens intelligentie noemt ten volle wil leren kennen, dan moet men de vraag stellen: hoe zag de intelligentie van mensen uit vroegere ontwikkelingstijdperken eruit en hoe is deze intelligentie van de mensheid uit vroegere tijden geleidelijk veranderd?

[ ]wenn man denkt, Intelligenz ist einmal Intelligenz, ist nur auf eine Art möglich; wer unsere Intelligenz hat, ist eben intelligent, wer unsere Intelligenz nicht hat, ist eben unintelligent. Das ist nicht richtig. Die Intelligenz geht Metamorphosen durch, die Intelligenz verwandelt sich.

wanneer men denkt dat intelligentie gewoon intelligentie is en maar in één vorm bestaat; wie onze intelligentie bezit is intelligent, wie onze intelligentie niet bezit is onintelligent. Dat klopt niet. De intelligentie ondergaat metamorfosen, ze verandert.

Steiner schetst dan de intelligentie van de Chaldeeuwse en Egyptische mens, hoe zijn intelligentie kosmisch georiënteerd was. Daarmee a.h.w. het leven, het scheppende leven, begreep. I.t.t. de Griekse mens die met zijn intelligentie de dood ging begrijpen. 

Durch das Nachdenken, durch die Intelligenz wußte er, lernte er nur kennen diejenigen Gesetzmäßigkeiten, diejenigen Regeln, welche zugrunde liegen all dem, was auf der Erde dem Tode unterliegt, was stirbt. Will ich das Lebendige verstehen, muß ich schauen – so sagten sich die Plato-Schüler; indem
ich nur nachdenke, begreife ich bloß das Tote.

Hij wist dat hij door het nadenken, door de intelligentie, alleen de wetmatigheden, de regels leerde kennen die ten grondslag liggen aan alles wat op aarde aan de dood onderhevig is, alles wat sterft. Wanneer ik het leven wil begrijpen, zo wisten de leerlingen van Plato, dan moet ik schouwen; wanneer ik nadenk, begrijp ik alleen het dode. 

In de Algemene menskunde is dit nader uiteengezet in voordracht 2.

Als we in onze tijd aankomen zegt Steiner over de ontwikkeling van de intelligentie: 

Blz. 89  vert. 101

Aber wiederum mit dem Übergänge durch die Mitte des 15. Jahrhunderts verändert sich neuerdings die Intelligenz, und wir stehen im Anfange dieser Veränderung, dieser Umwandlung der Intelligenz.
Unsere Intelligenz geht einen gewissen Weg; heute sind wir noch sehr stark in einer solchen Entwickelung der Intelligenz darinnen, wie sie die Griechen hatten. Wir begreifen durch unsere Intelligenz dasjenige, was dem Tode unterliegt. Aber auch diese Art von Intelligenz, die das Tote begreif t, verwandelt sich. Und in den nächsten Jahrhunderten und Jahrtausenden wird diese Intelligenz etwas anderes, etwas weit weit anderes werden. Sie hat heute schon eine gewisse Anlage, unsere Intelligenz. Wir werden als Menschheit einlaufen in eine Entwickelung der Intelligenz so, daß die Intelligenz wird die Neigung haben, nur das Falsche, den Irrtum, die Täuschung zu begreifen und auszudenken nur das Böse

Met de overgang in het midden van de 15e eeuw verandert de intelligentie opnieuw, en we staan aan het begin van deze verandering, deze metamorfose van de intelligentie. Onze intelligentie gaat een bepaalde weg; tegenwoordig verkeren we nog sterk in een ontwikkeling van de intelligentie zoals de Grieken die hadden. Door onze intelligentie begrijpen wij dat wat aan de dood onderhevig is. Maar ook deze vorm van intelligentie die het dode begrijpt, verandert. In de komende eeuwen en millennia zal deze intelligentie iets totaal anders worden. Onze intelligentie heeft nu al een bepaalde aanleg. De mensheid zal terechtkomen in een ontwikkeling van de intelligentie waarin deze de neiging zal hebben alleen het onware, de dwaling, het bedrog te begrijpen, en alleen het kwade uit te denken. 

Die Menschheit ist heute in diesem Übergänge. Wir können sagen: Gerade noch gelingt es den Menschen, wenn sie ihre Intelligenz anstrengen und nicht in sich ganz besonders wilde Instinkte tragen, nach dem Lichte des Guten etwas hinzuschauen. Aber diese menschliche Intelligenz wird immer mehr und mehr die Neigung bekommen, das Böse auszudenken und das Böse dem Menschen einzufügen im Moralischen, das Böse in der Erkenntnis, den Irrtum.

De mensheid verkeert nu nog in deze overgang. Wij zouden kunnen zeggen: het lukt de mens nog net, wanneer hij zijn intelligentie gebruikt en geen buitengewoon wilde instincten in zich heeft, enigszins naar het licht van het goede op te zien. Maar deze menselijke intelligentie zal steeds sterker de neiging vertonen, het kwade uit te denken, het kwade in te voegen in het morele en in het kennen, de dwaling.

Wie alle artikelen over ‘Ahriman en het onderwijs‘ heeft gelezen, voorvoelt al uit deze woorden, dat het over ‘de leugengeest’ gaat.

Blz. 90  vert. 102

Und würde der Mensch nichts anderes ausbilden als seine Intelligenz, dann würde er auf der Erde ein böses Wesen werden. Wir dürfen nicht rechnen, wenn wir mit der Zukunft der Menschheit rechnen und diese Zukunft uns als heilsam denken wollen, wir dürfen nicht rechnen auf die einseitige Ausbildung
der Intelligenz.

Wanneer de mens niets anders zou ontwikkelen dan zijn intelligentie, dan zou hij op aarde een boos wezen worden. Wanneer wij vertrouwen willen hebben in de toekomst van de mensheid en deze toekomst als een vruchtbare toekomst willen zien, dan mogen wij niet vertrouwen op de eenzijdige ontwikkeling van de intelligentie.

Het antwoord op de vraag hoe wij ons kunnen beschermen tegen deze eenzijdige ontwikkeling van de intelligentie is niet makkelijk te begrijpen.
Het antwoord is nl. niet gevonden d.m.v. de intelligentie, maar door het schouwen in de geestelijke wereld, uiteraard door Steiner. 
De mensen zouden al veel meer tot het kwaad zijn vervallen als zich niet een gebeurtenis in de wereld had voltrokken, die Steiner veelal het mysterie van Golgotha noemt. Voor hem is die gebeurtenis iets objectiefs:

Aber ein Objektives ist dazu notwendig. Und hier tritt man vor ein tiefes Geheimnis gerade der christlich-esoterischen Entwickelung.
Wäre das Mysterium von Golgatha nicht im Laufe der Erdenentwickelung geschehen, dann wäre es unvermeidlich, daß die Menschen nach und nach durch ihre Intelligenz böse und in den Irrtum verfallende Wesen werden müßten. Sie wissen ja, mit dem Mysterium von Golgatha ist nicht nur eine Lehre, eine Theorie, eine Weltanschauung, eine Religion in die Entwicklung der Menschheit eingeflossen, sondern mit dem Mysterium von Golgatha ist etwas Tatsächliches geschehen.
In dem Menschen Jesus von Nazareth hat gewohnt das außerirdische Wesen, der Christus. Dadurch, daß der Christus in dem Jesus von Nazareth gewohnt hat, der Jesus von Nazareth gestorben ist, ist das Christus-Wesen übergegangen in die irdische Entwicklung, da ist das Christus-Wesen darinnen. Wir müssen uns nur bewußt sein, daß

Maar daarvoor is iets objectiefs noodzakelijk. En daarmee staan we dan voor een diep geheim van de christelijk-esoterische ontwikkeling. Wanneer het Mysterie van Golgotha niet zou hebben plaatsgevonden, dan zou het onvermijdelijk zijn geweest dat de mensen door hun intelligentie langzaam maar zeker tot boze en in dwaling verkerende wezens moesten worden. U weet dat met het Mysterie van Golgotha niet slechts een leer, een theorie, een wereldbeschouwing of een godsdienst in de ontwikkeling van de mensheid binnenstroomde, maar dat met het Mysterie van Golgotha een concrete gebeurtenis plaatsvond. In de mens Jezus van Nazareth leefde het wezen dat niet van de aarde afkomstig was, de Christus. Doordat de Christus in Jezus van Nazareth leefde, en Jezus van Nazareth is gestorven, is het Christus-wezen overgegaan in de aardse ontwikkeling, daarin is het Christus-wezen binnengegaan. Wij moeten ons er echter bewust van zijn dat dit een

Blz. 91  vert. 103

das eine objektive Tatsache ist, daß das eine Tatsache ist, die mit dem, was wir subjektiv erkennen, was wir subjektiv empfinden, als solches nichts zu tun hat. Wir müssen es erkennen um unseres Erkennens willen. Wir müssen es aufnehmen in unser Ethos, um dieses unseres Ethos willen. Aber der Christus ist ausgeflossen in die Menschheitsentwickelung, da ist er seitdem darinnen – was man die Auferstehung nennt – und er ist vor allen Dingen in unseren eigenen Seelenkräften.
Fassen Sie nur einmal diese Tatsache in ihrer ganzen Tiefe auf!

objectief feit is, dat dit een feit is dat met ons subjectieve begrijpen, met ons subjectieve beleven helemaal niets te maken heeft. We moeten het begrijpen, ter wille van ons inzicht. We moeten het opnemen in onze levenshouding, ter wille van onze levenshouding. De Christus is uitgestroomd in de mensheidsontwikkeling, daar bevindt Hij zich sindsdien dat noemen we de Opstanding en Hij is bovenal in onze eigen innerlijke kracht. Neemt u dit feit maar eens diep in uw innerlijk op!

Nu houdt Steiner ons voor dat we de schadelijke kant van de boosaardige wordende intelligentie alleen kunnen weerstaan wanneer we Christus in ons leven opnemen.

Blz. 92  vert. 104

Er kann den Funken des Christus in sich selber finden, wenn er sich anstrengt durch sein Leben.
Und in dieser Wiedergeburt, in diesem Finden des ChristusFunkens in sich, in diesem aufrichtigen und ehrlichen Sich-sagenKönnen: «Nicht ich, sondern der Christus in mir», liegt die Möglichkeit, den Intellekt nicht in Täuschung und in das Böse verfallen zu lassen. Und das ist im esoterisch-christlichen Sinne der höhere Begriff der Erlösung.

Hij kan de vonk van de Christus in zichzelf vinden, wanneer hij zich daarvoor inspant. En in deze wedergeboorte, in het vinden van de Christus-vonk in zichzelf, wanneer men oprecht en eerlijk tegen zichzelf kan zeggen: “Niet ik, maar de Christus in mij”, ligt de mogelijkheid het intellect niet in dwaling en in het boze te laten vervallen.

Wir müssen unsere Intelligenz ausbilden, denn wir können ja nicht unintelligent werden; aber wir stehen, indem wir anstreben unsere Intelligenz auszubilden, vor der Versuchung, dem Irrtum und dem Bösen zu verfallen. Wir können der Versuchung, dem Irrtum und dem Bösen zu verfallen, nur entgehen, wenn wir uns aneignen die Empfindung von dem, was das Mysterium von Golgatha in die Menschheitsentwickelung hineingebracht hat.

We moeten onze intelligentie ontwikkelen, want we kunnen niet onintelligent worden. Maar wanneer we ernaar streven onze intelligentie te ontwikkelen, staan we voor de verleiding in dwaling en in het kwade te vervallen. Deze verleiding kunnen we alleen weerstaan wanneer we in onszelf kunnen beleven wat het Mysterie van Golgotha in de mensheidsontwikkeling gebracht heeft.

Es ist schon so, daß der Mensch in dem Christus-Bewußtsein, in dem Vereinigtsein mit dem Christus findet die Möglichkeit, dem Bösen, dem Irrtum zu entrinnen.

Het is namelijk zo, dat de mens in het Christus-bewustzijn, in het verenigd zijn met de Christus, de mogelijkheid vindt om aan het kwade, aan de dwaling te ontkomen.

Vragen die opkomen en waarop ik geen antwoord heb, zijn voor mij bijv.

Kan dit alleen door ‘in Christus te leven’ – hoe leef je dan, wat moet er dan in je plaatsvinden?
Kan het door anderen? Kan het als je atheïst bent, agnost, moslim, boeddhist?
(Over de atheïst en agnost zegt hij in deze voordracht ook iets – zie de totale vertaling onder aan het artikel.)

Is dit dan de enige richting?:

Ganz und gar ahrimanisch würde die Intelligenz der Menschen,
wenn das Christus-Prinzip die Seelen der Menschen nicht durchdränge.

De menselijke intelligentie zal volledig ahrimanisch worden wanneer het Christusprincipe de zielen van de mensen niet zal doordringen.

Nu zouden we dit allemaal nog voor ons persoonlijk leven kunnen laten gelden, maar Steiner trekt het ook door naar het (vrijeschool)onderwijs.

Das ist auch etwas, wovon ein Bewußtsein entwickelt werden muß bei denjenigen Menschen, die für die Menschenzukunft Erzieher und Unterrichter werden. Die Kinder sind heute anders, als sie waren vor Jahrzehnten. Das ergibt sich schon einer oberflächlichen Betrachtung sehr deutlich. Man muß sie anders erziehen und anders unterrichten, als man sie vor Jahrzehnten unterrichtet hat. Man muß mit dem Bewußtsein unterrichten, daß man eigentlich bei jedem Kinde eine Rettung zu vollziehen hat, daß man jedes Kind dahin bringen muß, im Lauf des Lebens den Christus-Impuls in sich zu finden, eine Wiedergeburt in sich zu finden.

Ook hiervoor moeten de mensen die opvoeder en onderwijzer voor de menselijke toekomst willen worden, een bewustzijn ontwikkelen. De kinderen van nu zijn anders dan die van tientallen jaren geleden, dat is zelfs met een oppervlakkige waarneming al duidelijk vast te stellen. Zij moeten anders opgevoed en onderwezen worden dan tot nog toe gebeurde. Men moet onderwijzen in het bewustzijn dat men eigenlijk bij elk kind een redding moet volbrengen, dat men elk kind zover moet brengen dat het in de loop van zijn leven de Christusimpuls in zich vindt, dat het in zichzelf een wedergeboorte beleeft.

Solche Dinge, sie lebt man da, wo man sie zum Beispiel nötig hat als Lehrer, als Erzieher, nicht aus, wenn man sie einfach nur theoretisch kennt; sie lebt man nur aus, man führt sie nur ein in die Erziehung, in das Unterrichten, wenn man in der Seele stark erfaßt ist von diesen Dingen. Von der Lehrerschaft insbesondere muß es gefordert werden, daß sie in ihrer Seele stark erfaßt wird von diesem Sorgenvollen für die Menschheit, welche Versuchung der Intellekt mit sich bringt! Der Stolz, den die gegenwärtige Menschheit auf den Intellekt entwickelt, dieser Stolz, er könnte sich schwer rächen an der Menschheit, wenn er nicht durch dasjenige abgelähmt würde, was ich eben auseinandergesetzt habe, wenn er nicht abgelähmt würde durch ein starkes, energisches Bewußtsein: das Beste in mir als Mensch dieser

Dergelijke dingen kan men, als leraar of opvoeder niet verwerkelijken waar dat nodig is, wanneer men ze slechts als theorie kent. Alleen wanneer de ziel sterk betrokken is bij deze dingen, kunnen ze ook verwerkelijkt en toegepast worden in opvoeding en onderwijs. Juist van de leraren moet verlangd worden dat ze in hun ziel de bezorgdheid beleven voor de mensheid, die staat voor de verleiding die het intellect met zich meebrengt. De trots die de moderne mensheid aan zijn intellect ontleent, kan de mensheid duur komen te staan wanneer die trots niet wordt afgezwakt door een sterk en energiek besef: het beste in mij als mens in deze en volgende incarnaties is wat ik in mijzelf als de Christus-impuls vind. 

Zou Steiner alleen ‘opvoeder’ hebben gezegd, dan hadden we het nog als iets voor ‘thuis’ kunnen zien, maar hij gebruikt bewust ook ‘onderwijzer’.
En dat roept weer nieuwe vragen op. Hoe vaak heeft Steiner niet gezegd dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn. Nu krijg je de indruk dat de vrijeschool een christelijke school moet zijn. Niet in de traditionele zin van christelijk:

Blz. 95  vert. 107/108

Nun muß man sich klar sein darüber, daß dieser Christus-Impuls nicht sein darf die Dogmatik irgendeiner Religionsgemeinschaft. Die Religionsgemeinschaften haben seit der Mitte des 15. Jahrhunderts in ihrer Entwicklung mehr beigetragen, den Christus-Impuls von der Menschheit zu entfernen, als ihn der Menschheit nahe zu bringen. Die Religionsgemeinschaften machen den Menschen allerlei vor; aber indem sie ihnen dies oder jenes vormachen, bringen sie sie dem Christus-Impuls nicht nahe. Notwendig ist, daß der Mensch fühlt,
daß alles dasjenige, was sich ihm eröffnen und offenbaren kann in seinem Innern nach dem Mysterium von Golgatha hin, zusammenhängt mit dem, was für die Erde durch das Mysterium von Golgatha geworden ist. Empfindet man den Sinn der Erde in dem Mysterium von Golgatha, kann man sich aufraffen dazu, sich zu sagen: Die Entwicklung der Erde wäre sinnlos, wenn die Menschen durch ihre Intelligenz dem Bösen, dem Irrtum verfallen würden. Empfindet
man so den Sinn des Mysteriums von Golgatha, dann empfindet man
als sinnlos die Erdenentwickelung ohne das Mysterium von Golgatha.

Nu moet het duidelijk zijn dat deze Christus-impuls niet de dogmatiek van een of andere religieuze gemeenschap kan zijn. Vanaf het midden van de 1 5e eeuw hebben religieuze gemeenschappen er in hun ontwikkeling meer toe bijgedragen de Christus-impuls van de mensen te vervreemden, dan hem dichterbij te brengen. Zij maken de mensen van alles wijs, maar brengen de Christus-impuls daarmee niet dichterbij. Het is noodzakelijk dat de mens beseft dat alles waardoor hij innerlijk open kan staan voor wat het Mysterie van Golgotha hem kan openbaren, samenhangt met wat het Mysterie van Golgotha voor de aarde betekent. Ervaart men dat de betekenis van de aarde in het Mysterie van Golgotha ligt, dan kan men er toe komen om tegen zichzelf te zeggen: de ontwikkeling van de aarde zou zinloos zijn wanneer de mens door zijn intelligentie tot het boze, de dwaling vervalt. Wanneer men de betekenis van het Mysterie van Golgotha zo ervaart, dan ervaart men de aarde-ontwikkeling zonder het Mysterie van Golgotha als zinloos.

Het betekent dus dat wij dit innerlijk, met ons hele wezen, denk ik, zouden moeten kunnen ervaren, zo dat het volledig ons besef is of wordt.
Dat wordt nogmaals benadrukt:

Damit muß man sich stark, sehr stark durchdringen, wenn man heute und in der Zukunft etwas tun will, um den Menschen zu erziehen, den Menschen zu unterrichten. Diese großen Gesichtspunkte müssen eingenommen werden.

Dit besef moet men zeer diep tot zich door laten dringen wanneer men nu en in de toekomst iets wil doen om de mens op te voeden en te onderwijzen. Men moet zich deze grote gezichtspunten eigen maken.
GA 296/v.a. 85
Vertaald/v.a. 97

Het past bij de beschouwingen van deze dagen dat we steeds dieper ingaan op de nieuwste geschiedenis, door na te gaan hoe de wereldkrachten zich invoegen in de ontwikkelingsstroom van onze tijd en hoe ze de grondslagen vormen voor het menselijk leven. Uit de uiteenzetting van gisteren heeft u kunnen opmaken dat het steeds noodzakelijker wordt om de starre, abstracte begrippen waaraan de moderne mens gewend is, te veranderen in vloeiende, beweeglijke, levende begrippen, wanneer de mensheid verder wil komen. Een nadere beschouwing van het menselijke zielenvermogen dat we intelligentie noemen, werpt een bijzonder licht op de feiten, die in dit verband relevant zijn. U weet dat de moderne mens bijzonder trots is op zijn intelligentie. Hij beschouwt zijn intelligentie als iets zeer uitzonderlijks dat hij zich in de loop der tijd met moeite verworven heeft.
Wanneer de moderne mens terugkijkt naar vroegere tijden en ziet hoe de mensen in het verleden zich van alles in beelden voorstelden en door mythen en legenden probeerden door te dringen in dat wat de moderne mens nu, door zijn intelligentie en door de wetenschap, werkelijk meent te kennen, dan noemt de moderne mens deze vroegere geestes- en zielengesteldheid kinderlijk. Hij kijkt dan terug op kinderlijke fasen in de ontwikkeling en voelt zich heel wat omdat hij het zover gebracht heeft, zeker in de ontwikkeling van de intelligentie. De uiteenzetting van vandaag zullen we wijden aan de eigenaardigheid van de menselijke intelligentie en we zullen deze innerlijke kracht, waarop de moderne mens zo trots is, eens nader beschouwen. Wanneer men het tegenwoordig over intelligentie heeft, dan wordt daarmee een innerlijke kracht bedoeld, die men zich op een bepaalde manier voorstelt en waarvan men
97 

 denkt dat die alleen zo kan en moet zijn, zoals men gewend is zich die voor te stellen.
Maar ook de mensen uit vroegere ontwikkelingsstadia bezaten intelligentie, al was het een andere vorm van intelligentie. Wanneer men de betekenis van wat de moderne mens intelligentie noemt ten volle wil leren kennen, dan moet men de vraag stellen: hoe zag de intelligentie van mensen uit vroegere ontwikkelingstijdperken eruit en hoe is deze intelligentie van de mensheid uit vroegere tijden geleidelijk veranderd?
We zullen vandaag niet verder teruggaan dan tot de tijd, die wij gewoonlijk de derde na-Atlantische cultuurperiode noemen; de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd, waarop de Grieks-Latijnse tijd en vervolgens onze tijd volgde. Wij zullen de bijzondere kenmerken van de intelligentie bij de oude Egyptenaren en Chaldeeërs in ogenschouw nemen, dan die van de Grieken en Romeinen en vervolgens richten we de blik op de specifieke vorm van intelligentie die de mens van het vijfde na-Atlantische tijdperk eigen is. U hoort wel dat ik ervan uitga dat het niet juist is – en het is ook niet juist -, wanneer men denkt dat intelligentie gewoon intelligentie is en maar in één vorm bestaat; wie onze intelligentie bezit is intelligent, wie onze intelligentie niet bezit is onintelligent. Dat klopt niet. De intelligentie ondergaat metamorfosen, ze verandert. De intelligentie van de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd was anders dan die van onze tijd. Van de andersoortige intelligentie van de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd kan men zich het beste een voorstelling vormen wanneer men beseft dat de oude Egyptenaar, zoals ook de oude Chaldeeër, door zijn intelligentie instinctief de verwantschap voelde, de verwantschap begreep van zijn eigen menselijk wezen met de hele kosmos.
Over dat waarover de moderne mens met behulp van zijn intelligentie nadenkt, dachten de Egyptisch-Chaldeeuwse mensen niet of nauwelijks na. Want deze vorm van intelligentie was hun vreemd. Wanneer zij dachten, wanneer zij hun intel-
98 

intelligentie in beweging brachten, dan leefde in deze intelligentie hun verbondenheid met de kosmos. De oude Egyptenaar of Chaldeeër wist hoe hij met het ene of het andere dierenriemteken in verbinding stond. Hij wist welke invloed de maan, de zon en de planeten op zijn innerlijke en lichamelijke gesteldheid uitoefenden. Hij wist hoe de opeenvolging van de jaargetijden op het menselijk wezen werkte. Dat nam hij allemaal in zich op door zijn intelligentie. Door zijn intelligentie kreeg hij een volledig innerlijk beeld van zijn verwantschap met de kosmos.
Deze intelligentie veranderde toen de Egyptisch-Chaldeeuwse mensheidsperiode in de 8e eeuw vóór de stichting van het Christendom afliep. Geleidelijk werd de intelligentie iets geheel anders dan het in de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd was. In de intelligentie drong het begrip van de verbinding met de kosmos niet meer volledig binnen, zoals dat vóór de 8e eeuw voor Christus nog wel het geval was. Men wist nog wel van deze verbinding met de kosmos maar dat was meer als een soort naklank, een soort herinnering aan dat wat men hierover vroeger wist. In de Griekse tijd begon de mens meer over zichzelf te denken, over de mens als aardebewoner en minder over de samenhang van mens en kosmos. De Griek had echter een duidelijk gevoel, een duidelijke gewaarwording, juist wanneer hij zijn intelligentie gebruikte; dan begreep hij met name het aardse element dat aan de dood onderhevig is.
Dit gevoel is weer verloren gegaan door de ontwikkeling van de intelligentie sinds het midden van de 15e eeuw, sinds de vijfde na-Atlantische cultuurperiode. De Griek wist dat hij zich, wanneer hij het bovenzintuiglijke wilde begrijpen, moest richten op het schouwen1 dat in de voor-Christelijke tijd nog min of meer atavistisch aanwezig was. Hij wist dat hij door het nadenken, door de intelligentie, alleen de wetmatigheden, de regels leerde kennen die ten grondslag liggen aan alles wat
99 

op aarde aan de dood onderhevig is, alles wat sterft. Wanneer ik het leven wil begrijpen, zo wisten de leerlingen van Plato, dan moet ik schouwen; wanneer ik nadenk, begrijp ik alleen het dode.
In de Griekse esoterische scholen werden over deze samenhang heel bepaalde dingen verteld. De leerlingen van deze scholen kregen ongeveer het volgende te horen: alles is geestelijk, ook het schijnbaar materiële is onderworpen aan geestelijke wetmatigheden. Dat wat zich als aards-materieel aan je voordoet, wordt in wezen ook door geestelijke wetten beheerst. Er zijn geestelijke wetten waaraan je onderworpen bent voor zover je lichamelijk bent. Voor zover je lichamelijk bent en door de poort van de dood gaat, is je lichaam onderworpen aan de materiële krachten en stoffen van de aarde. Maar deze zijn slechts schijnbaar materieel. Ook zij zijn in wezen geestelijk, maar ze zijn doordrongen met geestelijke kracht, die zich aan jou voordoet als de dood. Wanneer je met je intelligentie bepaalde wetten begrijpt, dan zijn het de wetten van het dode. Het zijn de wetten van dat wat de graven bevatten, die de lichamen in zich opnemen. Het werd de overtuiging van vele Griekse leerlingen van de esoterische scholen, dat de menselijke intelligentie alleen kan begrijpen, wat de graven, die de lichamen in zich opnemen, bevatten. Wanneer je wilt weten -zo zei de leraar tot de leerling van de esoterische school -, in welke geestelijke werelden je leeft wanneer je hier op aarde bent, of wanneer je ziel vrij is van het lichaam tussen de dood en een nieuwe geboorte, dan moet je dat wat “geschouwd” is als overtuiging in je opnemen. Wanneer je dat niet doet en alleen met je intelligentie begrippen en ideeën ontwikkelt, dan begrijp je alleen de geest van de materie, waaruit je lichaam is opgebouwd.
Terwijl de Egyptisch-Chaldeeuwse mens in zijn intelligentie zijn verwantschap met de kosmos voelde en waarnam, nam de Griekse mens door zijn intelligentie dat waar, wat de graven beheerst. Ook wij nemen door onze intelligentie slechts dat waar, wat de gra-
100 

graven beheerst, alleen zijn we ons daarvan niet bewust. Daarom gaan we – althans diegenen onder ons die dat moeten leren – naar de snijzaal, onderzoeken het lijk en houden de wetmatigheid van het lijk, die we door onze intelligentie begrijpen, voor de wetmatigheid van de mens. Maar het is slechts de wetmatigheid van het graf; zoals ook dat wat onze intelligentie begrijpt, de wetmatigheid van het graf is.
Met de overgang in het midden van de 15e eeuw verandert de intelligentie opnieuw, en we staan aan het begin van deze verandering, deze metamorfose van de intelligentie. Onze intelligentie gaat een bepaalde weg; tegenwoordig verkeren we nog sterk in een ontwikkeling van de intelligentie zoals de Grieken die hadden. Door onze intelligentie begrijpen wij dat wat aan de dood onderhevig is. Maar ook deze vorm van intelligentie die het dode begrijpt, verandert. In de komende eeuwen en millennia zal deze intelligentie iets totaal anders worden. Onze intelligentie heeft nu al een bepaalde aanleg. De mensheid zal terechtkomen in een ontwikkeling van de intelligentie waarin deze de neiging zal hebben alleen het onware, de dwaling, het bedrog te begrijpen, en alleen het kwade uit te denken.
De leerlingen van de esoterische scholen, en met name de ingewijden, wisten vanaf een bepaalde tijd dat de menselijke intelligentie een ontwikkeling naar het kwade doormaakt en dat het steeds moeilijker zal worden alleen door intelligentie het goede te herkennen. De mensheid verkeert nu nog in deze overgang. Wij zouden kunnen zeggen: het lukt de mens nog net, wanneer hij zijn intelligentie gebruikt en geen buitengewoon wilde instincten in zich heeft, enigszins naar het licht van het goede op te zien. Maar deze menselijke intelligentie zal steeds sterker de neiging vertonen, het kwade uit te denken, het kwade in te voegen in het morele en in het kennen, de dwaling.
101 

Dat was een van de redenen waarom de ingewijden zich de mannen van zorg noemden, omdat de ontwikkeling van de mensheid in de eenzijdigheid, zoals ik die zojuist uiteengezet heb, inderdaad zorgen baart; zorgen juist om de ontwikkeling van de intelligentie. Het is tenslotte niet voor niets dat de intelligentie de moderne mens zozeer met trots en hoogmoed vervult. Dat is, zo zou ik het willen noemen, een voorproefje 90 voor het kwaad-worden van de intelligentie in de vijfde na-Atlantische periode, waarin wij nog maar aan het begin staan. Wanneer de mens niets anders zou ontwikkelen dan zijn intelligentie, dan zou hij op aarde een boos wezen worden. Wanneer wij vertrouwen willen hebben in de toekomst van de mensheid en deze toekomst als een vruchtbare toekomst willen zien, dan mogen wij niet vertrouwen op de eenzijdige ontwikkeling van de intelligentie. In de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd was deze intelligentie nog iets goeds, maar daarna is zij tot iets geworden dat verwant is met de krachten van de dood. Deze intelligentie zal een verbinding aangaan met de krachten van bedrog, van dwaling en van het boze.
Hierover zou de mensheid zich vooral geen illusies moeten maken. We moeten er in alle openheid rekening mee houden dat we ons moeten beschermen tegen de eenzijdige ontwikkeling van de intelligentie. Niet voor niets zal er juist door de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap iets anders kunnen komen: namelijk het opnemen van dat wat door een vernieuwd schouwen uit de geestelijke wereld kan worden verworven, wat niet door intelligentie begrepen kan worden maar pas begrepen kan worden wanneer men accepteert wat de wetenschap van de inwijding door middel van het schouwen uit de geestelijke wereld haalt.
Maar daarvoor is iets objectiefs noodzakelijk. En daarmee staan we dan voor een diep geheim van de christelijk-esoterische ontwikkeling. Wanneer het Mysterie van Golgotha niet zou hebben plaatsgevonden, dan zou het onvermijdelijk zijn
102 

geweest dat de mensen door hun intelligentie langzaam maar zeker tot boze en in dwaling verkerende wezens moesten worden. U weet dat met het Mysterie van Golgotha niet slechts een leer, een theorie, een wereldbeschouwing of een godsdienst in de ontwikkeling van de mensheid binnenstroomde, maar dat met het Mysterie van Golgotha een concrete gebeurtenis plaatsvond. In de mens Jezus van Nazareth2 leefde het wezen dat niet van de aarde afkomstig was, de Christus. Doordat de Christus in Jezus van Nazareth leefde, en Jezus van Nazareth is gestorven, is het Christus-wezen overgegaan in de aardse ontwikkeling, daarin is het Christus-wezen3 binnengegaan. Wij moeten ons er echter bewust van zijn dat dit een objectief feit is, dat dit een feit is dat met ons subjectieve begrijpen, met ons subjectieve beleven helemaal niets te maken heeft. We moeten het begrijpen, ter wille van ons inzicht. We moeten het opnemen in onze levenshouding, ter wille van onze levenshouding. De Christus is uitgestroomd in de mensheidsontwikkeling, daar bevindt Hij zich sindsdien – dat noemen we de Opstanding – en Hij is bovenal in onze eigen innerlijke kracht. Neemt u dit feit maar eens diep in uw innerlijk op!
Kijkt u eens naar het verschil tussen de mens die vóór het Mysterie van Golgotha leefde, en de mens die na het Mysterie van Golgotha leefde. Natuurlijk zijn het dezelfde mensen, want de zielen gaan immers door een reeks van aarde-levens heen. Maar wanneer we de mens als aarde-mens beschouwen, moeten we onderscheid maken tussen de mens die vóór het Mysterie van Golgotha leefde en de mens die na het Mysterie van Golgotha leefde.
Wanneer men tot een algemeen Godsbegrip komt, dan is dit algemene Godsbegrip niet het Christus-begrip. Men kan tot een algemeen Godsbegrip komen door de natuur in haar verschijningen te volgen, door het menselijke fysieke wezen, voor zover dat uiterlijk te bestuderen is, te volgen. Het Christus-wezen is zodanig dat het alleen te benaderen is wanneer
103 

men in de loop van het aardeleven iets in zichzelf ontdekt. Het algemene Godsbegrip kan men vinden, wanneer men tegen zichzelf zegt: vanuit de krachten van de wereld ben je ontstaan. Het Christus-begrip kan men in zichzelf vinden, wanneer men verder komt dan de natuur je laat komen. Vindt de mens die in de wereld leeft het godsbegrip niet, dan is dit een vorm van ziekte. Een gezond mens is nooit werkelijk atheïstisch. In dat geval moet men lichamelijk of innerlijk ziek zijn. Deze ziekte uit zich vaak door niets anders dan dat men atheïst is.
Wanneer men Christus niet kent, is dat niet een ziekte maar een ongeluk, het is een gemiste kans in het leven. Door zich te bezinnen op het feit dat de mens uit de natuur en de krachten van de natuur geboren wordt, kan men, wanneer men dit geboorteproces met een gezonde ziel volgt, tot een Godsbegrip komen. Wanneer men in de loop van het leven iets als een wedergeboorte beleeft, kan men tot een Christus-begrip komen. De geboorte leidt tot God, de wedergeboorte tot Christus. Tot deze wedergeboorte, waardoor de Christus als werkelijkheid in de mens ervaren kan worden, kon de mens vóór het Mysterie van Golgotha niet komen. En dit is het verschil waarop ik uw aandacht wil richten: vóór het Mysterie van Golgotha kon de mens deze wedergeboorte niet beleven. Hij kon niet beseffen dat de Christus in hem leeft omdat het Christus-wezen nog niet was uitgestroomd in de mensheid. Na het Mysterie van Golgotha kan de mens dat wel. Hij kan de vonk van de Christus in zichzelf vinden, wanneer hij zich daarvoor inspant.
En in deze wedergeboorte, in het vinden van de Christus-vonk in zichzelf, wanneer men oprecht en eerlijk tegen zichzelf kan zeggen: “Niet ik, maar de Christus in mij”4, ligt de mogelijkheid het intellect niet in dwaling en in het boze te laten vervallen. In Christelijk-esoterische zin is dat het hogere begrip van de verlossing. We moeten onze intelligentie ontwikkelen, want we kunnen niet onintelligent worden. Maar
104
Maar wanneer we ernaar streven onze intelligentie te ontwikkelen, staan we voor de verleiding in dwaling en in het kwade te vervallen. Deze verleiding kunnen we alleen weerstaan wanneer we in onszelf kunnen beleven wat het Mysterie van Golgotha in de mensheidsontwikkeling gebracht heeft.
Het is namelijk zo, dat de mens in het Christus-bewustzijn, in het verenigd zijn met de Christus, de mogelijkheid vindt om aan het kwade, aan de dwaling te ontkomen. De Egyptisch-Chaldeeuwse mens had de wedergeboorte in Christus niet nodig, omdat hij door zijn natuurlijke intelligentie nog de verwantschap met de kosmos beleefde. De Griek had in wezen de ernst van de dood voor zich, wanneer hij zich aan zijn intelligentie overgaf. En nu staat de mens aan het begin van een tijdperk waarin de intelligentie in het kwade zal verkeren, wanneer de menselijke ziel zich niet met de Christus-kracht zal doordringen. Probeert u zich eens voor te stellen hoe ernstig dit is. Het laat zien hoe men bepaalde dingen, die zich in onze tijd reeds aankondigen, moet opvatten, hoe men moet bedenken dat in onze tijd de mensen de neiging tot het kwade krijgen, juist omdat hun intelligentie zich verder ontwikkelt. Het zou natuurlijk volstrekt onjuist zijn om te denken dat de intelligentie onderdrukt zou moeten worden. De intelligentie mag niet onderdrukt worden maar de mensen met inzicht in de toekomst hebben een zekere moed nodig om zich aan hun intelligentie over te geven, omdat de intelligentie tot het kwade en de dwaling verleidt, terwijl we in het doordringen van deze intelligentie met het Christus-principe de mogelijkheid moeten vinden de intelligentie om te vormen. De menselijke intelligentie zal volledig ahrimanisch5 worden wanneer het Christusprincipe de zielen van de mensen niet zal doordringen.
U weet hoeveel er juist in deze tijd al duidelijk zichtbaar is in de ontwikkeling van de mensheid, waaraan mensen met inzicht kunnen aflezen dat de dingen zullen gaan zoals ik zojuist geschetst heb. Bedenkt u maar eens wat er door het
105 

derde van de ontwikkelingsperspectieven, die door het materialisme de mensheid bedreigen, nu al over de mensen wordt uitgestort. Wanneer u bedenkt met hoeveel wreedheden de huidige cultuurontwikkeling al doortrokken is, die zich nauwelijks laten vergelijken met de wreedheden uit de barbaarse tijden, dan zult u er nauwelijks aan kunnen twijfelen dat het begin van de val van de intelligentie al duidelijk zichtbaar is. Men moet de zogenaamde cultuurverschijnselen van onze tijd niet oppervlakkig bekijken, men moet er waarachtig niet aan twijfelen dat de mensen van nu zich moeten inspannen om de Christus-impuls werkelijk te begrijpen, wanneer zij een vruchtbare toekomst tegemoet willen gaan. Twee dingen zijn nu al duidelijk merkbaar: mensen die zeer intelligent zijn en die een duidelijke neiging naar het boze hebben; en anderzijds is te merken dat veel mensen deze hang naar het boze onderdrukken, en niet bestrijden, door hun intelligentie te laten slapen. Slaperigheid van de zielen, of bij wakkere zielen een sterke hang naar het boze en de dwaling, dat is tegenwoordig al duidelijk waarneembaar.
Denkt u nog eens terug aan een avond voor mijn laatste vertrek7, toen ik hier uiteengezet heb hoe sinds vijf, zes, zeven, acht jaar de kinderen die worden geboren er anders uitzien, men zou kunnen zeggen, met een zweem van melancholie in hun gezicht, duidelijk zichtbaar voor degene die dit soort dingen kan waarnemen. En ik heb verteld dat dat komt omdat de zielen in deze tijd niet graag afdalen in onze van materialisme vervulde wereld. Men zou kunnen zeggen dat de zielen vóór hun geboorte een zekere vrees en angst voelen om de wereld te betreden, waarin de intelligentie de hang, de neiging tot het boze heeft en in een neerdalende ontwikkeling terecht gekomen is.
Ook hiervoor moeten de mensen die opvoeder en onderwijzer voor de menselijke toekomst willen worden, een bewustzijn ontwikkelen. De kinderen van nu zijn anders dan die van
106 

tientallen jaren geleden, dat is zelfs met een oppervlakkige waarneming al duidelijk vast te stellen. Zij moeten anders opgevoed en onderwezen worden dan tot nog toe gebeurde. Men moet onderwijzen in het bewustzijn dat men eigenlijk bij elk kind een redding moet volbrengen, dat men elk kind zover moet brengen dat het in de loop van zijn leven de Christusimpuls in zich vindt, dat het in zichzelf een wedergeboorte beleeft.
Dergelijke dingen kan men, als leraar of opvoeder niet verwerkelijken waar dat nodig is, wanneer men ze slechts als theorie kent. Alleen wanneer de ziel sterk betrokken is bij deze dingen, kunnen ze ook verwerkelijkt en toegepast worden in opvoeding en onderwijs. Juist van de leraren moet verlangd worden dat ze in hun ziel de bezorgdheid beleven voor de mensheid, die staat voor de verleiding die het intellect met zich meebrengt. De trots die de moderne mensheid aan zijn intellect ontleent, kan de mensheid duur komen te staan wanneer die trots niet wordt afgezwakt door een sterk en energiek besef: het beste in mij als mens in deze en volgende incarnaties is wat ik in mijzelf als de Christus-impuls vind.
Nu moet het duidelijk zijn dat deze Christus-impuls niet de dogmatiek van een of andere religieuze gemeenschap kan zijn. Vanaf het midden van de 1 5e eeuw hebben religieuze gemeenschappen er in hun ontwikkeling meer toe bijgedragen de Christus-impuls van de mensen te vervreemden, dan hem dichterbij te brengen. Zij maken de mensen van alles wijs, maar brengen de Christus-impuls daarmee niet dichterbij. Het is noodzakelijk dat de mens beseft dat alles waardoor hij innerlijk open kan staan voor wat het Mysterie van Golgotha hem kan openbaren, samenhangt met wat het Mysterie van Golgotha voor de aarde betekent. Ervaart men dat de betekenis van de aarde in het Mysterie van Golgotha ligt, dan kan men er toe komen om tegen zichzelf te zeggen: de ontwikkeling van de aarde zou zinloos zijn wanneer de mens door zijn intelligentie tot het
107 

boze, de dwaling vervalt. Wanneer men de betekenis van het Mysterie van Golgotha zo ervaart, dan ervaart men de aarde-ontwikkeling zonder het Mysterie van Golgotha als zinloos.
Dit besef moet men zeer diep tot zich door laten dringen wanneer men nu en in de toekomst iets wil doen om de mens op te voeden en te onderwijzen. Men moet zich deze grote gezichtspunten eigen maken. Maar u weet hoe ver de moderne mens hiervan verwijderd is. Het is daarom niet alleen noodzakelijk om steeds weer te wijzen op het belang van de geesteswetenschap, het is ook noodzakelijk om te wijzen op de ernst die zich van de ziel meester moet maken wanneer we de betreffende feiten in de ontwikkeling van de mensheid door de geesteswetenschap leren kennen. Want niet alleen onze kennis maar ons hele leven moet door de geesteswetenschap een impuls krijgen; zonder dat men deze ernst voelt is men niet werkelijk een geesteswetenschapper.
En ik vraag u om aan deze bijzondere openbaring vanuit de geesteswetenschap zeer zorgvuldig aandacht te schenken. De menselijke intelligentie zal, wanneer zij aan zichzelf wordt overgelaten, de weg van het ahrimanische inslaan en zal alleen naar het goede kunnen tenderen door de ware Christus-impuls in zich op te nemen. Ik geloof dat degene die het volle gewicht van deze waarheid tot zich door laat dringen, deze ernst ook zal laten meespreken in de verhouding die hij zal ontwikkelen tot de verschillende wereldbeschouwingen en wereldbeschouwelijke stromingen van deze tijd. Want daar is nog heel veel te doen.
Zo vertellen mensen die nu uit verschillende gebieden van Oost-Europa komen met verbijstering over een feit dat niet bepaald op het voortschrijden op de weg naar een bijzondere beschaving wijst; ik doel op het bestaan van de zogenaamde ‘geweervrouwen’. Dit is een heel aparte mensenklasse die zich in het oosten van Europa ontwikkelt, Oost-Europese vrouwen die daar worden ingezet door de huidige revolutionaire
108 

bewegingen, waar steeds diegene die niet tot de regerende partij behoort in de gevangenis belandt of na enige tijd gedood wordt…, in elk geval steeds in levensgevaar verkeert. In bepaalde gebieden in het oosten, worden vooral jongere vrouwen uitverkoren, zij worden uitgerust met uit de oorlog overgebleven geweren en hebben de taak de mensen die tegenstanders zijn van de nieuwe regering neer te schieten. Deze geweervrouwen lopen rond in gestolen kleding, versierd met opsmuk en snuisterijen en ze beleven er voldoening aan om het geweer te dragen en om mensen neer te schieten. Ze vinden het goed te verenigen met de moderne menselijkheid er prat op te gaan dat zij er geleidelijk een gevoel voor ontwikkelen hoe het bloed van jonge mensen vloeit en hoe het bloed van oudere mensen eruit ziet. Zo leren we heel speciale uitingen van onze moderne beschaving kennen! En het instituut ‘geweervrouwen’ is tenslotte een verworvenheid van de moderne tijd.
Het is nodig dat er op dergelijke verschijnselen wordt gewezen. Zij zijn er om in zekere zin de keerzijde, de andere kant van de ernst van onze tijd waar te kunnen nemen. Natuurlijk is het niet per se nodig om deze verschrikkelijke uitwassen van onze zogenaamde hoogontwikkelde cultuur te kennen, om werkelijk de ernst te ervaren, waaraan men zich in deze tijd moet wijden. Uit het inzicht in de ontwikkeling van de mensheid zelf zou ons deze ernst moeten blijken. Men zou wensen dat de slaap die de moderne mensheid geleidelijk in zijn greep heeft, overgaat in een ontwaken. Dit zo noodzakelijke ontwaken kan er alleen uit bestaan dat de mens gegrepen wordt door de ernst van de opgave die hem als mens van deze tijd wacht, en de verwijzing naar het gevaar van het eenzijdig aan zichzelf overgelaten, in het ahrimanische terechtkomende intellect. Dat moet de impuls zijn die ons met deze ernst vervult.
109 

 Meer over Allah uit antroposofische bronnen.

Ahriman in het onderwijsalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3116-2929

.

.

.

VRIJESCHOOL – Driekoningenspel in jip-en-janneketaal

Pieter HA Witvliet
.

DRIEKONINGENSPEL IN JIP-EN-JANNEKETAAL
.

Nee, dit is ABSOLUUT GEEN PLEIDOOI om voortaan een andere taal in het Driekoningenspel uit Oberufer te gaan gebruiken.

Iedere vorm van aanpassing – hoe mooi verder van taal – haalt het niet bij wat Sanne Bruinier destijds maakte van het Oberuferer dialect.
Zij was onnavolgbaar – onnavolgbaar! in staat het klankrijke, sappige, boerse, van het dialect over te brengen in een bepaalde vorm Nederlands waarin ze allerlei elementen uit de taal van vervlogen jaren gebruikte.
Het is dus geen bestaand (oud) dialect, noch Middeleeuws, noch Middelnederlands.

Het Driekoningenspel – maar dat geldt ook voor het Paradijsspel en het Kerstspel– is qua taal niet te verbeteren zonder dat de diepe gemoedsbeleving van de dialectklanken verloren gaat.
Altijd zal – ook al is de taal nog zo bloemrijk vervangen – er meer intellect, dus minder leven, het spel binnendringen.
(Een interessante ervaring van een groep spelers)

Ook onze bestaande dialecten willen ‘vertalen’ naar het Nederlands zou aan de zeggingskracht van die dialecten veel afbreuk doen. Uitdrukkingswijze, intonatie, beleving gaan bij de dialectsprekende mens dieper dan bij de mens die de grootste gemene deler van de taal: het ABN spreekt.
Als spreker van beide kom ik (ook) uit ervaring tot die conclusie.

Mijn jip-en-janneketaal verhoudt zich tot de taal van de Kerstspelen als een grijsgrauwe regenboog tot de werkelijke pracht van de regenboogkleuren.

Waarom ‘vertaal’ ik de woorden dan naar begrijpelijk Nederlands?
Omdat er telkens maar weer opmerkingen zijn over ‘hoe moeilijk die teksten te begrijpen zijn’.
Dat tekent onze huidige situatie: we willen weten, kennen; we leven tenslotte in een intellectualistische tijd. En natuurlijk: als de woorden je niets zeggen, moet je het hebben van het beeld. Ook dat heeft het vermogen om tot je te spreken: beeldentaal!
Dat geldt vooral bij kinderen; zij hebben een veel mindere behoefte bij deze spelen ‘alles’ te begrijpen, omdat ze ook een groot deel langs een andere weg verstaan.

Maar goed, voor de mensen dus die de tekst moeilijk vinden, hier een huis-tuin-en keukenversie.
Maak er een folder van, zet die tekst in de schoolkrant, kortom verspreid die onder de mensen die er behoefte aan hebben, zodat ze van tevoren – thuis! – zich kunnen voorbereiden op de inhoud.

Daarmee zouden de klachten over ‘het begrijpen’ tot het verleden moeten gaan behoren.

En wie dat heeft begrepen, slaat niet de tot veruiterlijking leidende weg van de meer intellectualistische hertaling in!

DRIEKONINGENSPEL

Engel

‘k Treet voor uluyden sonder spot,
Zonder te spotten sta ik voor u!
goên avond saamen gheve u god,
God geve u hier samen een goede avond,
een goên avond ende geseghende tyt,
een goede avond en een gezegende tijd
mooch ons van daarboven syn toegeseyt.
mag ons van daarboven toegezegd zijn.
Agtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren,
Geachte, zeer wijze, welgezinde heren
oock deugtsaame vrouwen
ook deugdzame vrouwen
ende jonckvrouwen in alle eere,
en jongedames met alle eer,
wilt altegaer niet euvel duyden
neem allen het ons niet kwalijk
dat wy ons spel vertoonen voor uluyden,
dat wij ons spel voor jullie opvoeren,
Tgeen dat ghy voor u ooch sult sien
Wat u hier gaat bekijken
is niet versintsel van onsliên,
hebben wij niet bedacht,
noch oock van heidens uytgedocht
en ook niet door ongelovigen
maer deur de heylige scrift gebrocht:
maar door de Bijbel gebracht:
van hoe Christus quam, ons menschen ten troost,
over hoe Christus kwam, als troost voor de mensen,

oock van d’albekende wysen van oost –
ook over de bekende wijzen uit het Oosten
Sy synder gecomen een varre toght-
Ze hebben een lange reis gemaakt
so als elck reysersman wel kennen moght –
zoals iedere reiziger dat wel weet –
Sy synder nae Hierusalem geteghen
ze zijn op weg gegaan naar Jeruzalem
en vraegden naet kindeken alder weghen.
en vroegen overal naar het Kind.
Herodes heytet mit droefnis vernomen
Herodes vernam het en werd bedroefd
en liet de geleerde priesters comen;
en hij liet de geleerde priesters komen;
die sullen hem segghen sonder verlaet
die moeten hem dadelijk zeggen
wat inder heylighen scrifte staet.
wat erover in de Bijbel staat.
So ghy bereyt syt en het aen wilt hooren,
Dus als u bereid bent om ernaar te luisteren
swyght stil en opent wyt u ooren.
wees dan stil en luister goed.

Melchior

Myn gattercompas end instrumenten goet
Page, breng mij eens snel mijn 
haestelyc, pagie, hende bringhen doet,
sterrenkundige instrumenten,
der heemlen gloria, reickt boven dien
en geef ook – de naam van een ander instrument –    voor meer info zie dit artikel
gins blinckt een star so noyt en wiert gesien:
daarginder straalt een ster die nog nooit gezien is:
daor Venus mit Sonne doet consamaneren
nu Venus met de zon samengaat
staet iet veurt oogh als nimmer te veuren:
gaat er iets gebeuren dat nog nooit gebeurd is:
een overschone helle schyn !
wat een prachtig helder schijnsel!
van waer mach dit gestarnt wel syn?
waar komt dit gesternte vandaan?
’t en is niet byster veer geleghen,
het staat niet eens zover weg,
dit is certeyn een heyligh teken,
dit is zeker een heilig teken,
te middenst sienick eene maagt,
in het midden zie ik een jonkvrouw
die claorelyc een kindeken draegt,
die overduidelijk een kind draagt
de helle glans van heur gelaet,
de heldere glans van haar gezicht
het ligt der starre te boven gaet;
is sterker dan het licht van de ster;
oock doet sy nieuwers stille staon
het staat nergens stil
doch sneller ende sneller rontsomme gaon.
maar draait steeds sneller rond.
Het kind dwelc de joncvrou draegt
Het kind dat de jonkvrouw draagt
ick schou’t beweeght hem telken staeg.
Ik zie dat het zich ook steeds beweegt.
Te duyden wat wonder verschynt aldus,
Om erachter komen wat voor wonder daar verschijnt
roept, pagie den mathematicus
haal page, de wiskundige eens.
of hy mogt verclaeren wattet bediet
misschien kan hij uitleggen wat het betekent
dat men de maegt met een kindeken siet.
dat we de jonkvrouw met een kind zien.

Page

Ghenadighe coninck, u woort ic wel verstae;
genadige koning, ik begrijp u wel
ic bringh u schielken Viligratia.
ik haal meteen Viligratia (de wiskundige)

Melchior

Myn Viligratia., duydt ghy my ginse sterre ?
Viligratia wat betekent die ster daar, leg eens uit?

Viligratia

Ghenadighe coninck, dit sy van my verre,
Genadige koning, hier weet ik niets vanaf,
doch willic de profeten consamaneren
maar ik wil er wel de profeten op naslaan
oftic uyt haor welligt iet deducere.
misschien kan ik daaruit iets afleiden.
Jesaia den profeet spreeckt inderdaat
Jesaja  de profeet spreekt inderdaad over
van dat in Betlem te geschieden staet:
wat er in Bethlehem te gebeuren staat:
Een coninck daer alras geboren worden sal,
Daar zal weldra een koning geboren worden.
Messias van der aert ent gants heelal.
Verlosser van de aarde en het hele heelal.

Melchior

’t Coomt my te veur oft woort van den profeet
Mij lijkt het of het woord van de profeet
alree in Betlem sich vervullen deet,
al in Bethlehem in vervulling is gegaan.
dies willic naerstelyc bedencken
nu wil ik snel bedenken
wattic het kindeken sal schencken ?
wat ik het kind zal schenken
een somme gouts houdic bereyt,
een som goud neem ik ervoor
gout voegt eens coninghs majesteyt,
goud hoort bij een koninklijke majesteit
den coningh oock der aert ent gants heelal,
en het is ook de koning van de aarde en het hele heelal.
ic hope hy my des ghenadich wesen sal.
ik hoop dat hij mij daarom genadig zal zijn.
Gaet hene ende sorght mit vlyt, myn pagie,
ga page en zorg snel
dat al bereyt wort veur de pelgrimagie;
dat alles voor de pelgrimstocht in orde wordt gemaakt.
en voert ghy, Viligratia ’t regiment
en jij, Viligratia, neem het bestuur op je
tottic die reyse heb gebrogt ten end.
tot de reis ten einde zal zijn.

Viligratia:

Ghenadighe coninck, nae u content
Genadige koning ik zal tot uw tevredenheid
willic hier voeren het regiment.
hier het bestuur op me nemen.

Balthasar:

Huy morghen bragt myn hofstoet my de konde
Vanmorgen bracht men mij vanuit het hof de boodschap
hoe dat sich deuse nagt een wonder toonde.
hoe er vannacht een wonder zichtbaar was
Een vreemt gestarnt van selsaem claeren schyn
Een vreemde ster met een zeldzaam helder schijnsel
daor in een joncvrou deet verschenen syn,
en daar verscheen een jonkvrouw in,
mit haor een coninck vander aert ent gants heelal;
bij haar een koning van de aarde en het hele heelal;
het voeght dat men hem wieroock offren sal;
het past dat we hem wierook aanbieden;
een kindelingh so lieflyc teer,
een kindje, zo liefelijk en teer,
voorwaar sulck dingh en sach men nemmermeer.
echt waar, zoiets is nog nooit vertoond.
Doet op de weghen ende straeten gaen
Ga de wegen en de straten op
en deuse star ent wonder gaode slaen
om deze ster en het wonder te aanschouwen
so speurt ghy alte wel dattet waorlyc leyt
en dan merk je snel genoeg dat het echt zo is
gelyck myn hofstoet my heeft an geseyt.
als ze mij aan het hof hebben gezegd.
O nimmer en hoordic, veur ofte nae
O, nog nooit heb ik gehoord
dat bewaerheyt wierd sulcke historia:
dat een dergelijke boodschap waarheid wordt.
een joncvrou reyn, moeder te selfder tyt,
een jonkvrouw die maagd is en tegelijkertijd moeder,
heur kindelingh coninck arm ende ryc !
haar kind koning, arm en rijk tegelijk!
Nae Betlehem doet het gestarnt ons wysen
De ster wijst ons naar Bethlehem
als souden wy algaoder daor henen reysen.
alsof we daar allen naar toe moeten reizen.
Niet en deurgront ic sulck geheimenis
Zo’n geheim doorgrond ik niet
dwelc bij den scriftgeleerden claer te vinden is:
dat bij de schriftgeleerden wel duidelijk te vinden is:
sonder man geboren een kindekyn,
zonder man is er een kind geboren,
een coninck der joetsen sal hy syn.
een koning van de Joden zal hij zijn.
Dies willic op staon morghen mitten dach
Dus zal ik morgen vroeg opstaan
ende sien offic het kindeken vinden mach,
en zien of ik het kind kan vinden.

Kaspar

O wonder groot, hoochste verheuchenis,
O groot wonder, intens verheugen
diewyl eenmael de tyt gecomen is
omdat nu de tijd gekomen is
en den messias, langh begeert, nu is geboren
en de messias, waar men lang naar verlangde, nu is geboren
van eener maegde uytvercoren.
bij een uitverkoren maagd.
Aldus doet een gestarnt ons leren,
Zo leert een ster ons,
welc teken men sal respecteren
en dat teken moet men respecteren
mids de historie hier deur wiert vervult
omdat de boodschap hierdoor waarheid wordt

die by den joetsen als verdightsel geldt
die de Joden als een verzinsel beschouwen.
Sy soeken alder weghen mit groot misbaer
Zij zoeken overal met veel ophef
offet oock ieuwerinc te vinden waer.
of het ook wel ergens gevonden kan worden.
Wat efter salt geschenck end offer syn
Maar wat moet het geschenk en offer zijn
daor met het kinde wel te vre mogt syn?
waarmee het kind wel tevreden kan zijn?
wyl hy een coninck is der aert ent gants heelal
omdat hij koning is van de aarde en het ganse heelal
is mir de gave so men brenghen sal.
moet ik als gave de mirre brengen.
Mit alsulck offer willic tot hem gaen
Met zo’n offer wil ik naar hem toe gaan
en hope voor het kind daor met bestaen.
en hopen dat ik daarmee in de ogen van het kind mag bestaan.

Lied 1

Der wysen starre blinckt ons claer,
De ster van de wijzen straalt helder voor ons
den hoochsten coninck moet voorwaer
de hoogste koning moet – dat is duidelijk –
op aertryc syn gecomen.
op aarde gekomen zijn
Och wysen, goede, wysen, seght
O wijzen, goede wijzen zeg het,
de waerheyt ons voor oghen leght
openbaar ons de wijsheid
vanwaer hebt ghy vernomen ?
waar heeft u dit vernomen?
ylt nu, ylt
haast u, haast u
van hende en verre
van heinde en verre
mitter sterre
met de ster
tottet kinde,
naar het kind
ylt den coninck der ere* vinden.
haast u om de erekoning te vinden.
*de oorspronkelijke dialecttekst uit Oberufer heeft hier 
het woord ‘erdn’ = aarde?

Page:

Ghenadigste coningh, vreemt volleck sonder tal,
Genadige koning, heel veel vreemd volk
welcs doelwit onbekent, u dra gemoeten sal,
waarvan we niet weten waar ze naar op weg zijn
zal u weldra ontmoeten,
het schynt daor sy een coninck mit haorlieden
het lijkt een koning met zijn gevolg
als over ons doet heerschen ende gebieden.
alsof die over ons heersen en gebieden kan.

Melchior:

So willic toeven een cort termyn
Dan blijf ik hier even
tot sy alhier sullen gecomen syn.
tot ze hier aangekomen zijn.

Myn eedle heren, weest gegroet,
Edele heren, ik groet u,
waor hene staet u sin, hert ende moet?
waar wilt u zo graag heen gaan?

Balthasar:

Weest gegroet myn here, end u hofstoet daor neven, 
Ik groet u, mijn heer en uw gevolg eveneens.
waor dogt u caravaen haor henen begheven?
waar dacht uw stoet heen te gaan?

Melchior:

Myn eedle here, heuschelyck danck
Mijn edele heer, oprecht dank.   
tot Hierusalem gaet onsen ganck
wij zijn op weg naar Jeruzalem

Kaspar:

Soot u ghelieve, seght my aen
Als u zo vriendelijk wil zijn, zeg me dan
Wat doet u nae Hierusalem op gaen ?
Waarom gaat u naar Jeruzalem?

Melchior:

In Jesaia men claerlyc gescreven vint
In Jesaja staat duidelijk geschreven
hoe dat een schoon ende arrom kint
hoe een mooi en arm kind
in Bethlehem geboren worden sal,
in Bethlehem zal worden geboren,
een coninck seffens vander aert ent gants heelal
een aardse koning, maar ook van het gans heelal
Nu wiertet deur de sterre openbaer,
nu wordt het door de ster geopenbaard
hoe oft geschiet is wonderbaer,
hoe dat wonder is gebeurd,
naedien geringhe tyt te voren
nadat een korte tijd daarvoor
bereyts dit kinde is geboren.
dit kind al is geboren.

Balthasar:

Mit waorheyt magh ic segghen ist al gelyck
Ik spreek de waarheid als ik zeg
toe gegaon in myn coninckryck.
dat het in mijn koninkrijk net zo gegaan is.
Een star is ons aldaor verschenen
Er verscheen een ster
daor in een joncvrou stond, een kint mit eenen
waar een  jonkvrouw in stond, samen met een kind
hier deur coomt aen den lighten dach
hiermee wordt duidelijk
tgeen onder den heydens verborghen lagh.
wat bij de heidenen nog onzichtbaar was.

Kaspar

Dit selve heeft my op de baen gebragt,
Dit heeft mij ook op reis doen gaan,
dat hoochelyc een wonder wort geagt,
dat moeten we als een groot wonder beschouwen
hier omme wy van herten seere –
daarom moeten we – mocht het zo zijn
mogtet so syn – het vinden begeren.
het echt willen vinden.

Melchior:

Doch, nu de starre schier verdween
Maar nu de ster bijna verdwenen is
dwelc ons ten teken blonck voorheen
die eerst nog als een teken voor ons blonk
en wy in deusen weghen ende straeten
en wij op deze wegen en straten
op geen middelen ons en dorren verlaeten,
geen verdere hulpmiddelen hebben
oock niet en weten nae wellecken kant
ook niet weten welke kant we op moeten
in dit gants onbekende lant,
in dit totaal onbekende land,
so en willenme de reyse niet beënden
zo willen we de reis niet beëindigen
en nae Hierusalem ons heen wenden,
en naar Jeruzalem gaan,
of wy in gintser stede welligt
misschien kunnen we in die stad
niet en vernamen een naeder berigt.
nader bericht vernemen.

Lied 2

Drie coninghen tyen, de starre veur an,
Drie koningen trekken verder, de ster voorop
tot Bctlehem isser de starre gegaen
tot Bethlehem is de ster gegaan
en heytse beduyt
en die heeft hen laten zien
waer ’t kindeken leyt,
waar het kindje ligt,
daer bleve de starre stil staen.
daar bleef de ster stilstaan.

Lied 3

Ter tyt Herodis regiment
In de tijd van het bestuur van Herodes 
syn wysen uyten orient
zijn wijzen uit het Oosten
gecomen veur Hierusalem an
in Jeruzalem aangekomen
toen Christus reets op aerden quam,
toen Christus al op aarde was gekomen
en vraegden alder weghen snel
en overal vroegen ze gehaast
waer geboren sy die in Israël
waar in Israël geboren zou zijn
nae de joetse profety’n
die volgens de Joodse voorspelling
de nieuw coninck soude syn.

de nieuwe koning zou zijn.

Herodes:

Bin ick eerst regt op een verbolghen
Als ik eenmaal boos ben op iemand,
hy wagte hem veur de gevolghen!
dan moet hij oppassen voor de gevolgen!
aerts ende gheestlyc hoochste hant
de hoogste wereldlijke en geestelijke machthebbers
heeft myn hier in der joetsen lant
hebben mij hier in het land van de Joden
gemaakt tot coninck al temet
bijgeval tot koning benoemd
ende op de hoochste plaets geset.
en de hoogste plaats gegeven.
Wy willen huyden regtspraak houden,
Nu willen we rechtspraak houden
spreecken mit jonghen ende mit ouden,
spreken met jongeren en ouderen
die sullen treden al te mael
die zullen hier allemaal in mijn
tot myn in myne conincks sael
koninklijke zaal bij mij komen
waorc nae se wagt.
waar ik op ze wacht.
Het klopt lackey,
Er wordt geklopt, lakei
gaot sien wie daor gecomen syn.
ga kijken wie er gekomen zijn.

Lakei:

Gehenadighste coninck, vreemt volc schier sonder tal 
Genadige koning, heel veel vreemd volk
welcs doelwit onbekent, comt hende tot u sael,
met een onbekend doel, komt hierheen naar uw zaal,
veul heren ende coninghen doense bringhen,
er zijn veel koningen en heren bij
sy moghten ons wel gants omringhen.
ze zouden ons wel helemaal kunnen omringen
Mit costlycke kleedingh synse an gedaon,
Ze hebben kostbare kleding aan
vol stacie doense daor henen gaon.
en ze bewegen zich vol statie.

Herodes:

Vraegt opterstont van waor sy comen
Vraag onmiddellijk waar ze vandaan komen
ende wat sy haor hebben veur genomen 
en wat hun bedoeling is.

Lakei:

Ghy heren, conincklyc majesteyt
Heren, koninklijke hoogheid
mogt weten waor veur ghy gecomen syt
zou graag willen weten waarom u gekomen bent
in deuse stadt, alsoock het oort,
naar deze stad, en ook de plaats
lant end geslaght daor toe ghy behoort.
het land en het geslacht waartoe u behoort.

Melchior:

Wy syn al tsaam van conincklycken standt,
Wij zijn allemaal van koninklijke stand
twee onser uyt Scheba, eenen uyt morenlandt;
twee van ons uit Scheba, een uit het land der Moren.
isset coningh Herodi nae den sin,
als het koning Herodes schikt
so quamen wy gheern tot syn edelheyt in.
zouden wij graag naar de vorst toegaan.

Lakei:

Sy syn al tsaem van coninclyken standt,
Zij zijn allemaal van koninklijke stand
twee hunner uyt Scheba, eenen uyt morenlandt
twee van hen uit Scheba, een uit het land der Moren.
isset coningh Herodi nae den sin
als het koning Herodes schikt
so quamen sy gheern tot syn’ edelheyt in
zouden zij graag naar de vorst toegaan.

Herodes:

Laotse in myn losament sonder verdrach
Laat hen zonder meer binnen
dattic haorlie an heuren mach
zodat ik naar hen kan luisteren.

Lakei:

Myn ghenadigst heer coninck begeert u precencie
Mijn genadige koning stelt uw aanwezigheid op prijs
en dat ghy hem bloot leght u saek end intencie.
en dat u uw zaak en bedoelingen duidelijk maakt.

Herodes:

Weest willecom heren, hoe dientet verstaon
Welkom Heren, hoe moet ik begrijpen
dat ghy van veer tot mynwaerts coomt gegaon ?
dat u van zo ver naar mij gekomen bent?

Kaspar:

U edelheyt meughe ons verschonen
Edele heer, neem ons niet kwalijk
so wilc de oorsaek cortlyc ane toonen:
ik zal de oorzaak in het kort aangeven
In Scheba onsen landen var
In Scheba, onze verre landen
verscheen een sonderlycke star,
verscheen een wonderlijke ster
daor in eene maegt een kind doet draeghen,
waarin een maagd een kind draagt
merckt wel waor van wy u gewaghen.
let wel wat wij u vertellen
Hier deur wier ’t eerst ons openbaer
Hierdoor werd het ons pas duidelijk
hoe dat den messias gecomen waer,
hoe de Messias was gekomen
een coninck geboren over al
geboren een koning over iedereen
soot heir der joetsen dienen sal;
die het leger van de Joden zal dienen.
hem soecken wy vlytigh uyt alle magt,
hem zoeken we zo goed we kunnen
dit heeft ons op de reyse gebragt
dat heeft ons op reis doen gaan.

Herodes:

Hoe, hier te lande heyt sulx geschiet,
Hoe is dit in dit land gebeurd?
vreemden bekent, myn egter niet?
Vreemdelingen weten het, maar ik niet?
so tyt nae Betlem te deuser stonde,
ga dit uur nog naar Bethlehem
so danich kint en wort hier niet gevonden.
hier is zo’n kind niet te vinden
Reyst henen ’t soecken. En daor ghy sult
Ga op pad om het te zoeken. En als u 
hebben anbeden end seffens bedeelt,
het hebt aanbeden en geschenken gegeven
bootschapt het myn, op dattic het weet,
laat het mij dan weten
dattic als eersten mach syn bereet,
dat ik de eerste mag zijn
dattic oock tottet kint mogt reysen
dat ik ook op reis mag gaan naar het kind
hetzelve aanbidden gelycker wysen
en het ook zo mag aanbidden.
Doet sulx ghy heren te mynen gerief,
Doe dat voor mij, heren
’t kint met vereren waor’  my lief.
ik zou het heel fijn vinden het kind ook te eren.

Kaspar:

U edelheyt, soo wyt mogten vinden,
Hoogheid, als we het kind mogen vinden
brenghemme u kondschap van het kinde
laten we u dat weten.

Melchior:

Nu wel aan
wy tyen van Hierusalem van daen.
Kom, dan verlaten we Jeruzalem.

Balthasar:

Siet an, de sterre gaot veur ons uyt
Kijk, de ster gaat voor ons uit
dwelc ons reets heeft geleyt
die ons al heeft geleid 
int ryc van orient
in het rijk van de Oriënt
daor wy ’t kindeken hebben erkent.
omdat wij het kind herkend hebben.

Herodes:

Die maor en ontroert my niet weinigh den sin
die boodschap brengt me danig in de war
wylc slechts een vreemden coningh bin
omdat ik maar een vreemde koning ben
en geenen regten. Gaot lakey
en geen echte. Vooruit lakei,
roept ras de schriftgeleerden tot my
roep snel de schriftgeleerden bij mij
end overpriesters, op dattic hore
en de overpriesters, zodat ik kan horen
waor den nieuen coninck sal worden geboren,
waar de nieuwe koning geboren zal worden
soot heir der joetsen dienen sal.
die het leger van de Joden zal dienen.

Lakei:

Ghenadighe coningh, ‘k verstae u wél,
Genadige koning, ik begrijp u goed,
wil sonder dralen end also snel
ik zal zonder gedraal en dus snel
uytet gantse lant van hende en varre
uit het hele land, van heinde en verre
de overpriesters byeen vergaeren.
de overpriesters samenbrengen.

Kaifas:

Heer, ic Kaifas, myn eygenste lief,
Heer, ik, Kaifas, ik houd van mijzelf,
heer, ic en doen u geen ongerief,
heer, ik doe niets tot uw nadeel
ic wilt al segghen op een haor,
ik zal het op een haar na precies zeggen
wen coninghlycke majesteyt
als u, koninklijke hoogheid
het geenderley wyse niet euvel en duydt.
het mij op geen enkele manier kwalijk neemt.

Herodes:

Spreeckt heer, doet ongestraft gewagh
Spreek, heer, zeg het ongestraft
schoonet my grootlyc mishaegen mach
hoewel het mij zeer onwelkom is
ic en hout u niet ten quade
dan neem ik het u niet kwalijk
mids ic my gheern van u liet raeden,
omdat ik mij toch graag door u raad laat geven
wesweghen toch ic om u sont.
daarom liet ik u toch halen
So seght my aen wat ghy bevont
dus zeg mij wat u ervan weet,

De schriftgeleerden:

Ghenadighe coningh, tleyt claor veurder hant,
Genadige koning, het is overduidelijk
in de stadt Betlem int joetse lant,
in de stad Bethlehem in het joodse land
so as de scriften wysenet uyt,
zoals de Schriften het vermelden
so asset veers vanden psalmmeester luyt:
zoals het vers van de psalmmeester luidt:
de soon sal boven syne vianden gaan,
de zoon zal boven zijn vijanden staan
boven allen so teughen hem op sellen staon,
boven allen die tegen hem in opstand komen,
veul vollecke hem volghen sal op aarde!
veel mensen zullen hem volgen op aarde
sy sullen in hem geseghend worden!
en zullen zijn zegen ontvangen.
Syn naom sal hieten Immanuel! 
Hij zal Immanuel heten
doet claorlyc vermelden Ezechiel:
dat zegt Ezechiël overduidelijk
want boter ende honingh sal hy eten
want hij zal boter en honing eten
ent goeje verkiesen, het quaaje vergeten
het goede verkiezen en het kwade vergeten.

Herodes:

Hoe cost ende mogt dit efter syn:
Hoe kan dat in ’s hemels naam
uyt de maegde geboren een kindekyn ?
dat de maagd een kind baart?

Kaifas:

Het saat der vroue sal der slanghe den kop vermorselen.
Het zaad van de vrouw zal de slang de kop vermorzelen.
en alt verlorene sal hy weeromme bringhen.
en alles wat verloren is gegaan zal hij weer terug brengen.

Herodes:

Een maghtich coningh sprack tot my
Een machtige koning sprak tot mij
en sonder schroom vermonde hy:
en zonder aarzeling zei hij
in Betlehem wiert van haor vernomen
dat hij vernomen had dat in Bethlehem
sy ons tot solaes een verlosser gecomen,
tot onze troost een verlosser is gekomen,
geregten heerscher en herder goet
een rechtvaardig heerser en een goede herder
welc ons algaeder regeren moet.
die over ons allemaal zal regeren.
Nu mogtic seker syn ende gewis 
nu zou ik er zeker van willen zijn
oft hiermet eene waorheyt is:
of het hier de waarheid betreft
Myn ryck staet hier in groot gevaor
Mijn rijk is hier in groot gevaar
wattic u segghe dat is waor
wat ik tegen u zeg is waar!

Kaifas:

Heer, so en dorfment niet verstaen
Heer, zo mag je dat niet opvatten
als soude u ryck te gronde gaen:
als zou uw rijk te gronde gaan:
een coninck sal hy worden geagt
hij wordt geacht als koning
maor niet en heerschen mit conincklycke magt,
maar niet heersen met koninklijke macht,
verwesen sal hy syn ter doot,
hij wordt tot de dood veroordeeld,
syn eygenst volleck tot een spot.
zijn eigen volk zal hem bespotten.

Herodes:

Twaor beter sulx te veure comen
’t Is beter dat maar te voorkomen
dat jonck hem tleven wier benomen
beter dat hij jong vermoord wordt.
eert volck hem schaerde an syne syde
voordat het volk zaan zijn kant gaat staan
ent ghaf ten lest een bloedigh stryden
dat zou op ’t laatst een bloedige strijd betekenen
so altemets een coningh quam tot myn.
toevallig kwam er dus een koning bij mi.

Pilatus:

Conincklyck majesteyt, wilt nog verduldich syn
Koninklijke hoogheid, wees toch geduldig
en blyft in uwen moet getroost
en vertrouw erop
tot dat de coninghen van oost
tot de koningen uit de Oriënt
weder keeren en brenghen u konde
terugkeren en u berichten
of syt aldus hebben bevonden
dat ze dit zo hebben gezien.

Herodes:

Int joetse lant – so staet te vresen
In het land van de Joden – is te vrezen –
mogtet te veuren ruchtbaor wesen.
zou het eerder bekend kunnen worden.
Nog gisterdaegs wiert ons gemeld
Gisteren nog werd ons gemeld
hoe een engel quam totten schaepers opt veldt
hoe er een engel kwam bij de herders op het veld
en bootschapte haor dat geboren was
en die bracht hen de boodschap
een nieucn coningh, Heer Kaifas,   
dat er een nieuwe koning was geboren. Heer Kaifas, 
seght waer geboren wort mit al
zeg waar geboren wordt 
wient heir der joetsen dienen sal
die het leger van de Joden zal dienen.
wat segghen hier van U profeten ?
wat zeggen uw profeten hiervan?

Jonas:

Sy doene allen een parighlyc weten:
zonder uitzondering laten ze allen weten
Christus den coninck is uytvercoren
Christus de koning is uitverkoren
in Betlem sal hy worden geboren,
hij zal in Bethlehem worden geboren,
de stadt dwelc in Judea leyt.
de stad die in Judea lig.t
Soo ist van profeten ane geseyt
Zo hebben de profeten het verkondigd.

Herodes:

Algoet
Al goed
laet af en swyght alsnu
houd op en zwijg nu
ick heurde alree genogh van u;
ik hoorde van u al genoeg;
maekt u van hier.
verdwijn.
ic will te deghen
ik wil die zaak
en regts die saeke overweghen
terdege overwegen
en rigt myn sin en mynen moet
met hart en ziel denk ik eraan
op dattic vergiete het kint syn bloet;
het bloed van het kind te vergieten.
des lacht den duyvel inder hel,
nu lacht de duivel in de hel
past het hem wel, den qua ghesel ? 
heeft hij daar schik in, die slechte vriend?
o mostic geraeken in sullicke noot
als ik toch in zo’n ellende terecht kom
het waor my liever ic lagh er reets doot.
dan had ik liever dat ik al dood lag.
Wat staet te doen in deusen daghen
wat is er deze dagen te doen,
te spreken? laes, ic moet vertsaeghen
te zeggen? helaas, ik zal de moed verliezen
ende versincken in sulck ellend
en in zo’n ellende zinken
al eer ick eone an myn end.
voor ik aan m’n end kom.
Hoe loonics als daor van myn hooft  
hoe wreek ik het als van mijn hoofd
de coninghscrone wort gerooft?
de koningskroon wordt geroofd?
Is geen die my de hant wil reyken?
Is er niemand die een helpende hand wil bieden
oft geesten syn of myns ghelycken
of het geesten zijn of mensen zoals ik
ic had my gheerne haor verkocht
ik zou me graag aan hen uitleveren
ofc se veur immer volghen mogt
of ze voor altijd volgen
0 wee, is nyemant soot vermogt?
ach, is er dan niemand die dat kan
is geen daor so my by wilt staon?
is er niemand die mij wil helpen?

Duivel:

Wie daor, wie hier? wat schort er an?
Wie daar, wie hier, wat is er aan de hand
ic en laet van u te ghener tyt!
ik laat je nooit in de steek
seght aen, wat is u swaericheyt
zeg op, wat zijn de problemen
dat ghe u noot so fel doet claeghen?
dat je zo heftig je nood zit te klagen?

Herodes:

Van anghsten soudic vast vertsaeghen,
van angst verlies ik zeker de moed,
wyl een nieuen coninck geboren is
omdat er een nieuwe koning is geboren
over ’t lant der joetsen vercoren is: 
uitverkoren in het land van de Joden:
waor heen ic armen duyvel, ach!  
waar moet ik, arme duivel, heen?

Duivel:

Swyght stil, ic bin vant selfden slagh!
Zwijg, ik ben net zo!
geen duyvel en laet oyt syns gelycken,
geen duivel laat zijns gelijken in de steek,
ic hellep u oogmerck flucx bereycken,
ik help je je doel snel te bereiken
op stel ende spronck isset gedaon:
op stel en sprong is ’t voor elkaar:
den nieuen coninck sal ons niet ontgaon:
de nieuwe koning zal ons niet ontkomen
’ck bin hem so wel gesint als ghy,
ik ben hem net zo goed gezind als jij.
volgeeren schaffic raet hier by!
hier geef ik heel graag raad bij
dies maekt u op, geen uur gewagt.
dus kom op, geen uur meer gewacht.

Herodes:

Ghesel, op iet bin ‘ck noch bedacht;
Vriend, ik zit nog met één ding
so ic se alle ylinc doe deursteken,
als ik ze nou allemaal vlug dood laat steken
men mogtet op my selven wreken;
zou men zich op mij kunnen wreken
sulck quat en wort wis niet verschoont
zoiets kwaads wordt echt niet vergeven
doch mit gelycker daet beloont
maar met gelijke munt betaalt
Hoe mogtic my daor teughen keeren
Hoe voorkom ik dat?

Duivel:

Een oghenslach – en ‘ck salt u leren;
In een oogwenk zal ik het je leren
wilt ghy oock duyvel syn, so merckts, so merckts;
wil je ook duivel zijn, let op dan, let dan op:
in toren ende gramschap onvervaert
moedig met woede en haat
de ongeborenen selfs niet en spaert,
de ongeborenen zelfs niet sparend
noch wyf noch kints u niet ontferm,
geen medelijden met vrouw en kind,
sy meughen syn ryck, sy meughen syn erm
of ze nu rijk zijn of arm
ghy sult ombringhen alle knegtjes kleyn
je moet alle kleine jongens ombrengen
so tweujaorigh en daor onder syn;
die twee jaar of jonger zijn.
dan doenic laghen in myne vuyst
dan lach ik in mijn vuist
kreck of den vos een gansjen muyst.
net of de vos een gans rooft.
Dies maekt u op, geen uer gewagt;
Kom op, geen uur gewacht
ic vaor in naeme Bix Bax
ik ga in de naam van Bix Bax  (oude toverspreuk)
tot mynen ghesellen roek ende rat.
naar mijn vrienden, roek en rat.

Lied 4:

Mit God so willenme ons liedeken vrolyck doen klincken:
Met God willen we ons lied vrolijk laten klinken:
deet nu Herodes dit woort vernemen,
toen Herodes deze woorden had vernomen,
gedrieën synse gegaen,
zijn ze met z’n drieën weggegaan
de star blonck veurse henen,
de ster scheen voor hen uit,
in Betlehem bleve de star stil staen.
in Bethlehem bleef de ster stilstaan.

Lied 5:

Geboren is in Bethlehem
Geboren is in Bethlehem
al in den stal
in de stal
een kind dwelcs ryk niet en eynden sal.
een kind aan wiens rijk geen einde zal komen.
Dies juight van ‘t jaer Hierusalem,
Daarom juicht dit jaar Jeruzalem,
ja, Christus de heer wy singen hem
ja, Christus de heer bezingen wij
lof syner moeder reyn
lof aan zijn reine moeder
al met haer kindekyn.
ook aan haar kindje.
Christus de heer wy prysen hem
Christus de heer hem prijzen wij
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang,
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang.

2

Het lyt van ‘t jaer in Bethlehem
In dit jaar ligt het in Bethlehem
in krebbe kleyn,
in een klein kribje,
syns rycks en sal geen eynde syn.
aan zijn rijk zal geen einde komen.
Dies juight van ‘t jaer Hierusalem,
Daarom juicht dit jaar Jeruzalem,
ja, Christus de heer wy singen hem
ja, Christus de heer bezingen wij
lof syner moeder reyn
lof aan zijn reine moeder
al met haer kindekyn.
met haar kindje.
Christus de heer wy prysen hem
Christus de heer hem prijzen wij
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang,
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang.

Kaspar:

Verlaet o heer
Verlaat o heer
ons nemmermeer !
ons nooit meer
verlight onse oghen inder noot
verlicht onze ogen in onze nood
dat wy niet en eynden in de doot,
dat we niet in de dood eindigen
geley ons, heer op regte baen
begeleid ons heer, op de juiste weg
dat wy alhier niet en dwaligh gaen
dat we hier niet verdwalen
en leert ons de gheboden dyn. 
en leer ons uw geboden.

Melchior:

Welc deuser twee paden macht regte syn ?
Wat van deze twee wegen is nu de juiste?

Balthasar:

Siet, hier de star doet stille staen,
Kijk, hier staat de ster stil,
laet ons inden stal tottet kinde gaen
laten we tot het kindje in de stal gaan.
Got moet u groeten, lief maegdelyn,
God moet u groeten, lieve maagd
is hier dien wy soecken, het kindekyn?
ligt hier die wij zoeken, het kindje?

Lied 6:

Maria:

Hier leyt dien ghy soeckt, goe heren myn,
hier ligt die u zoekt, mijn goede heren,
in doecken gewonnen het kindekyn.
in doeken gewikkeld, het kindje.

Melchior:

Nu welaen!
Welnu dan
opgedaan ons geschenck ende offer
gegeven ons geschenk en offer
wieroock, mirre endet rode gout
wierook, mirre en het rode goud.

Melchior:

Psallite unigenito
Prijs de eengeborene
Christo, dei fillio
Christus, de zoon van god
psallite redemptori,
Prijs de Heer,
domino puerulo,
de verlosser, het kindje
jacenti in praesepio.
geboren in een stal.

Koningen:

Wie onser sal den eersten syn ?
Wie van ons gaat als eerste?

Kaspar:

Als oudsten sy aan U die ere;
Als oudste komt u die eer toe;
treet toe wy volleghen u gheren
treed binnen, wij volgen u graag.

Balthasar:

U coomt sy toe, gae ghy te veuren.
U komt die eer toe, gaat u eerst

Melchior:

An ere en is my niet geleghen;
ik geef niet om eer,
ic gae mit Got, niet langh gewagt
ik ga in naam van God, niet lang gewacht
en ’t kinde nieue jaer gebragt.
en het kind een geboortegroet gebracht.

Melchior:

Gegroet syt ghy o heiligh kint,
Wees gegroet, o heilig kind
gelooft sy Got dattic u vindt,
geloofd zij god, dat ik u vind.
van verre reyse comen wy
we hebben een verre reis gemaakt
u ane treffen te regter ty,
om u op het juiste ogenblik te vinden.
Ic wil u offeren ’t rode gout,  
Ik wil u het rode goud schenken
ic bid my in genae behout. 
Ik bid u, bewaar mij in genade.
Brenght troulyck groot het kinde teer
Breng het tere kind met trouw, groot
en hebt het oudren hooch in eer.
en geef het, ouders, veel eer.
Voorwaer, gh’en sultet niet beclaghen
Echt, daar zal u geen spijt van hebben
en neemt voor lief myn luttel gave
en neem mijn kleine gave voor lief.

Kaspar:

O edel coningh, o edel heldt,
O, edele koning, o edele held
hoe is u woningh so arrem bestelt,
waarom is uw woning zo armelijk
wie mogt u soecken in den stal,
wie zou u in de stal zoeken
is dit u conincklycke sael ?
Is dit uw koninklijke zaal?
een star heeft my tot u geleyt
een ster heeft me tot u geleid
dien lof en ere moet syn geseyt.
u, die moet ik loven en prijzen.
Veel edel coningh t’aller stond
Grote edele koning, elk uur
sallic u prysen mit mijnen mond
zal ik u met mijn mond prijzen
en roemen wyt ende breit u name;
en wijd en zijd uw naam roemen.
so wilt veel edel heldt ontvaen
alzo, edele held, wil ontvangen
de vrugt myns lands, de mirre goet
de vrucht uit mijn land, de goede mirre.
nu bidde ic dat ghy my behoet
nu vraag ik u of u mij wil beschermen
bewaert int regte Betlem my,
behoed mij in het ware Bethlehem,
in uwen naeme ic henen ty.
in uw naam vertrek ik.

Balthasar:

O coningh teer aensiet oock my,
O, liefelijke koning, zie ook op mij
daor en is geen hoghe heldt als ghy,
er is geen hogere held als u
u begere ic uyt ’s herten gront,
uit de grond van mijn hart verlang ik naar u
een star ginck veur tottic u vont;
een ster ging voorop tot ik u vond
neemt aan het offer, de wieroock goet,
neem het offer aan, de goede wierook
daormot men coninghen eren moet,
daarmee moet men koningen eren.
heer, wen ic dickmaels coma na deusen
heer, wanneer ik hierna nog dikwijls kom
wilt myns oock immer ghenadich wesen.
wil mij dan ook steeds genadig zijn.

Jozef:

Myn goede heren, vergelde Got
Mijn goede heren, dat God u zal belonen
dat ghy tot ons quaamt in onse noot
omdat u in onze nood bij ons kwam
en mit u giften hebt bedaght,
en ons uw gaven hebt geschonken
Got hebbe u in syne wagt,
Dat god over u waakt
ons kindeken van gaven ryc
ons kind, met zulke rijke gaven
sallet u lonen mildelyck
zal u er rijk voor belonen.

Lied 7

Maria:

Goe heren, van herten danck geseyt
Goede here, hartelijk dank
van gaven end offerveerdicheyt,
voor de gaven en de offerbereidheid.
spoet ende jonst moogh’t u verlenen
voorspoed en geluk mag het u geven
op uwen verd’ren wegh van henen.
op uw verdere weg van hier.

Kaspar:

Nu welaan, goe Josef myn
Nu, mijn goede Jozef
bevolen sy u het kindekyn,
het kindje is aan u toevertrouwd
geen vlyt noch sorghen niet en schoont,
spaar vlijt noch zorg
van Got de heer worde u gheloont.
God de heer zal u belonen.

Balthasar:

Nu bewaere u den almaghtigen Got
Dat de almachtige God u zal beschermen
van kommer, anghst end aller noot,
voor leed, angst en alle ellende,
u eeuwighen vader doe u bewaeren
uw eeuwige vader beschermt u.
mit Got so moetenme henen vaeren
met God moeten we vertrekken

Melchior:

Nu willenme weerom tot Herodes reysen
Nu zullen we weer naar Herodes gaan
ende plaats van het kinde ane wysen,
en de plaats van het kind bekendmaken
doch willenne hier wylen over nagt
maar laten we hier vannacht blijven
want alree heyt den avent het duyster gebragt
want de avond heeft de duisternis al gebracht

Koningen:

Ic laghe in eene nagt en sliep.
Ik lag in een nacht te slapen.

Engel:

Ghy heylghe coninghen van orient,
U, heilige koningen uit het Oosten
Got den almaghtighen my tot u sent,
God de almachtige stuurt mij naar u
dat u door myn wiert openbaer
zodat u door mij te weten komt
dat ghy vermyden mooght alsulck gevaer,
dat u dat gevaar moet vermijden
dat ghy niet en wederkeert de baen
niet terug te keren op de weg 
tot coningh Herodes den tyran.
naar koning Herodes, de tiran
Want Herodes toornt heimelick sonder maeten,
Want Herodes is in zijn paleis grenzeloos boos
Got leyde u huyswaert op anderen straeten.
God leidt u naar huis langs andere wegen.

Melchior:

Een sonderlicken droom ic horen waende,
Ik dacht dat ik een wonderlijke droom meende te horen
als of een inghel my vermaende
alsof een engel mij waarschuwde
dat wy souden myden Herodes huys
om het huis van Herodes te mijden
en deur andere weghen volbrenghen de reys;
en de reis langs andere wegen af te leggen
want Herodes draegt in synen moet
want Herodes is vast van plan
hoe hy soude vergieten het kinde syn bloet.
om het bloed van het kind te vergieten

Baltahsar:

Desgelyek heb oock ic vernomen
Dat heb ik ook zo gehoord
van den inghel, in onse slaepstee gecomen,
van de engel die naar onze slaapplaats is gekomen
dat Herodes gerigt heeft synen sin ende moet
Herodes heeft zich met hart en ziel erop gericht
op dat hy vergiete het kinde syn bloet.
het bloed van het kindje te vergieten.
Herodes, is sulcx u beus begeren
Herodes wil je zoiets kwaadaardigs,
so wagten wy ons tot u weder keeren.
dan passen wij er wel voor op naar je terug te keren.

Lied 9

Koningen zingen:

Balthasar, coninck, daelt van den berrigh neder
Balthasar, koning, daalt de berg af
daer hy dat kindeken vinden dede,
omdat hij het kindje had gevonden,
ja also vinden dede, ja dede, ja dede.
ja, hij vond het dus, hij vond het.

Engel:

Josef, Josef, gotvruchtig man
Jozef, Jozef, gelovige man
merckt wattic u wil segghen aen
Let op wat ik u ga zeggen
van Gode die my tuwaert sont:
namens God die mij naar u toestuurde
Maria neemt tot u terstont
Neem dadelijk Maria mee en ook het kind
metgaoder ’t kinde hooch van naem,
dat hoog in aanzien staat
vliedt naet Egyptelant te saem
en vlucht samen naar Egypte
en weest aldaor tot op de tyt
en blijf daar tot die tijd
dat ic ’t sal hebben aen geseyt.
die ik zal aangeven.

Jozef:

O waor sullenme henen inder nagt
O, waar moeten we in de nacht naartoe
wie hadde oyt sulck ellend gedagt,
wie had er nu aan deze ellende gedacht
wy en kennen nae dit ofgeleghen
wij kennen naar dit afgelegen
Egyptenland geen straet noch weghen,
Egypteland geen enkele weg
daor ons belaghen boven dien
bovendien worden we door wilde dieren 
gedierte wildt ende roverslien
en rovers belaagd
’t Is vol perycklen, oock maghtigh veer.
’t Is vol gevaar en ook heel ver.

Lied 10

Maria:

Ons sal geleyden Got den heer
God de Heer zal ons leiden
voert de synen veylighe straeten,
brengt de zijnen over veilige wegen,
salse nimmermeer verlaeten,
zal hen nooit min steek laten,
sal syn enghel mit ons senden,
zal zijn engel met ons meesturen
ons regeren sonder ende.     
ons voor altijd leiden. 
Hier om staet op, syt wel gemeyt
Sta daarom op en heb goede moed
en maektet eselken bereyt.
en maak het ezeltje klaar.

Jozef:

O heemstee goet, dat Got u hoet
O goed huis, dat God u behoedt
nu het eenmaal so wesen moet;
nu het eenmaal zo is;
in Godes wil sallic my gheven
ik geef mij aan de wil van God over
om nae syn eerst ghebot te leven.
om naar zijn eerste gebod te leven.

Lied 11

Maria:

Ade, ade, nu leyt ons Godes hant
Vaarwel, vaarwel, nu leidt Gods hand ons
van hier en tot het veer Egyptenlant.
van hier tot het verre land van Egypte.

Herodes:

Schoon ic met sorghen deet bedencken
Hoewel ik met zorg heb bedacht
hoe dat ic rycklic sou beschencken
hoe ik de wijzen uit het Oosten
de wysen uytet oostenlant
listig en voortvarend rijkelijk  beloon
mit sluwheyt en mit rapper hant
als oock den nieuen coninck goet,
en ook de nieuwe koning,
so speur ic doch in mynen moet
heb ik toch het gevoel
dattic van haorlie ben bedroghen
dat ik door hen ben bedrogen
en sy my hebben veur geloghen.
en dat ze me hebben voorgelogen.
In anghsten leef ic gruwbaorlyck
Ik leef met gruwelijke angst
dat also dra myn coninckryck
dat dus weldra mijn koninkrijk
gering wort en heyt ofgedaan.
klein wordt en verdwijnt.
Nu ist van node ras beraen
Nu moet ik snel nadenken
hoe offic deuse saeken wend
hoe ik dit afwend
dat ic behouden magh myn regiment,
dat ik mijn heerschappij kan behouden.
ick sin het eene en voort het aer,
dan denk ik aan dit, dan aan da,t
’ck wick ende weegh hoe ic dien coninck daer
ik wik en weeg hoe ik die koning daar
mogt vatten, en gestaegh bedenck
te pakken kan krijgen en langzaam maar zeker bedenk
wat ic hem bieden sal veur een geschenck.
wat voor geschenk ik hem zal geven.
’ck wilt soetjens an ende oock mit loosheyt doen
ik wil het voorzichtig en ook slim doen
gelyck de vos besluypt een malsch kapoen,
net als een vos die een mals haantje besluipt
dan dryft hy listighlic syn spel
dan speelt hij listig zijn spelletje
en doet het vanghen alte wel;
en dan grijpt hij hem;
gelyck de kat do muys verslindt,
net zoals de kat de muis verslindt
soo willic om gaon mittet kint.
wil ik met het kind doen.
Seer plotslyc staot my nu veurt oogh
Nu zie ik ineens duidelijk
hoe of ict kinde vatten moogh:
hoe ik het kind te pakken kan krijgen
met myn krygsvolck willick gezwind
met mijn soldaten wil ik snel
om brenghen so menich cleyne kint,
menig klein kind ombrengen,
in gantse Judea brengh ic voorwaer
in heel Judea breng ik zeker
de knegtkens om ’t leven alle te gaor;
de jongentjes allemaal om het leven;
wat deert my of int gantse lant
wat kan mij het schelen of in het hele land
de moeders kryten moord ende brand,
de moeders moord en brand huilen,
soo ick myn ryck slechts cost beerven
als ik mijn rijk maar kan behouden
niet en geraecke int verderven.
en het niet slecht met mij afloopt.

Lied 11:

Maria:

Maghtighe coningh, gedenckt aan barmherticheyt,
Machtige koning, denk aan barmhartigheid,
dat ghyt eenmaal niet rouigh en syt
dat u er ooit spijt van heeft
so ghy vergiet der onschuldighen bloet,
als u het bloed van onschuldigen vergiet
bedenkt, maghtighe coninck, wat ghy doet.
bedenk, machtige koning, wat u doet.

Packt u gezwind van hier, dwazin!
Verdwijn meteen, dwazin!
wat laot ghe u mit mynen saeken in?
waar bemoei je je mee?
benomen wort my ’t regiment
het regeren wordt van mij afgenomen
sooc niet en spoede dit onheyl wend.
als ik dit onheil niet meteen afwend.
Wout ghy my dan verordineren?
wil je mij dan bevelen?
een coninck en salmen niet regeren!
een koning moet men niet willen regeren.
siet hier het conincklyc mandaat
hier is het koninklijke bevel
soo’ck opterstont uytveerdighen laet;
dat ik onmiddellijk laat uitgaan
tot alle landpaelen condighet af,
kondig het aan tot alle landsgrenzen
elk hem er nae righte op swaerste straf.
Ieder moet zich eraan houden, anders volgt de zwaarste straf

Hoofdman:

Haor conincklycke majesteyt
Zijne koninklijke majesteit
deur een gestrengh mandaat bevolen heyt
heeft door een streng bevel bevolen
dat men om brenghe alle knegtkens cleyn
dat men ombrengt alle kleine jongetjes
so twoujaerigh en daor onder syn.
die twee jaar of jonger zijn
Hier en sal niet baeten goet noch geldt,
geld en goederen zullen hier niet helpen
also heytet onsen heer coninck bestelt.
zo heeft onze koning beslist
Een yeder die het ghebot sal weerstreven
Ieder die tegen het gebod is
salt boeten mit haaf, goet ende leven.
zal boeten met zijn bezit, goederen en leven.

Judas:

O, wee o, wee het felle mandaat!
Owee, o wee, het strenge bevel
des coninghs magt over ons leven gaet,
de macht van de koning gaat over ons leven
onse kinderkens moetens worren gedoot?
moeten onze kinderen worden gedood?
ach, wat salt gheven smert, pyn ende noot!
ach, wat zal dat een verdriet, pijn en ellende geven!

Herodes:

Dit woort sy aenstonts mitter doot bekocht
Dit woord moet hij meteen met de dood bekopen
grypt hem, hy worde int prisoen gebrogt
grijp hem, hij wordt naar de gevangenis gebracht.

Hoofdman:

Ghy booswicht, wildy den coningh weerstreven,
Jij, boef, wil jij de koning tegenwerken
tsal u costen haaf goet ende leven,
dat kost je je bezit, goederen en leven,
ist niet beter de kinderkens sturven alleene,
is het niet beter dat alleen de kinderen sterven
als dat wy algaeder verdurven mit eenen?
dan dat wij nu helemaal in het verderf raken?

Herodes:

Loopt lackey, bringht my opt termyn
Ga lakei, breng straks
den also getrouen hooftman myn.
mijn trouwe hoofdman bij me.

Herodes:

Siet hier, hooftman, neemter dit sweert
Kijk eens hier,  hoofdman, neem dit zwaard
ende vier dusend manschap mit haor best gheweer
en vier duizend man met hun beste wapens
ende gaot heen overt geberregt mit spoet
en trek snel de bergen over
end’ alle knegtkens cleyn ombringhen doet!
en doodt alle jongentjes!
Neemt, segghic u, geenderlei steeckpenninck an,
Ik zeg je, neem geen steekpenningen aan,
want op straffe des levens comtet u staen:
dat kost je je leven;
doodt ghy de kinderkens alle ghelyck,
dood de kinderen allemaal tegelijk,
meughense erm syn, jonc ofte ryck;
of ze nu arm, jong of rijk zijn;
soldye schenck ic u tweevoud,
ik geef je een dubbel soldij
lonen salc u mittet rode gout.
ik zal je belonen met het rode goud.

Hoofdman:

Dat conincklycke majesteyt
Wat koninklijke majesteit
te deuser uer bevolen heyt
dit uur heeft bevolen
hebbic mit vreuchden ane geheurt,
heb ik met plezier aangehoord,
oock wel vernomen weurt veur weurt:
en ook woord voor woord begrepen
Ic doent u sweren by hoochste trou,
ik zweer het u bij mijn hoogste trouw
volgaeren sulcx volbrenghen sou
dat ik heel graag zoiets wil volbrengen
want myn gantse sin ende moet
want al mijn zinnen en mijn hart
rigtig hier nae haeken doet.
verlangen hier echt naar.
Ic wilde ic hadse veur my staen.
ik wou dat ik ze voor me had.
‘ck en soude wis niet ledich staen
ik zou zeker niet werkeloos toekijken,
doch met dit sweert soudic gezwind
maar met dit zwaard zou ik bliksemsnel
ombrenghen so menigh cleyne kint!
menig klein kind ombrengen!
het hert int lyf my lagchen doet
mijn hart lacht in mijn lijf
als ic sien druypen ’t rode bloet;
als ik het rode bloed zie druipen;
dan lykentet een brulochte
dan lijkt het wel een bruiloft
daorse veul kalvers en koebeesten slogten.
waar ze veel kalveren en koeien slachten.
Wel an, mit haesten ic my bereyt
Wel aan, ik ben snel bereid 
te doen dat my conincklycke majesteyt
om te gaan doen wat de koninklijke majesteit
ernstlyc gheboden hcyt. Lackey, ccomt ras,
ernstig heeft bevolen. Lakei kom snel mee,
slaot ghy mit myn er oock op los:
sla jij er met mij ook op los:

Lakei:

Ja heer, van stond aen willic houen ende steken
Ja heer, vanaf ’t begin wil ik slaan en steken
so veul ic can; ‘ck laot my niet besteken.
zoveel als ik kan; ik neem geen steekpenningen aan.

Hoofdman:

Ic sien een drom knegten ende trawant,
Ik zie een troep helpers en handlangers, 
Ic meen tsy een colfjen nae haorlie hant:
ik denk dat het een kolfje naar hun hand is:
wel nu, heer coninck, hebt goeden moet,
wel, heer koning, heb goede moed
wy sellen vergieten het kinde syn bloet.
we zullen het kind zijn bloed vergieten.

Hoofdman:

Conincklyc majesteyt, nu gheeft wel agt;
Koninklijke majesteit, luister goed
een maol hondert dusend vier en veertigh en acht
in één keer 144.000 en let op
heb ic mit eyger hand omt lyf gebrogt,
die heb ik met eigen hand om het leven gebracht,
wel nu, heer coninck hebt goeden moet,
wel nu heer, koning, heb goede moed,
wy deden vergieten het kinde syn bloet
we hebben het bloed van het kind vergoten.

Soldaat:

Tagentig dusend is myn getal
Tachtig duizend is mijn aantal
die ic bragt om tleven over al,
die ik overal om het leven bracht,
den deusen deet ic ’t lesten packen
deze pakte ik het laatst
en deet hem wip! synen kop af hacken.
en hakte hem, wip! zijn kop af.

Lakei:

conincklyc majesteyt, merckt an dit wigt
Koninklijke majesteit, aan dit kind kan u zien
hoe ic desselfs mandaat hebt uyt gerigt:
hoe ik uw bevel opgevolgd heb:
twee dusend heb ic er gebragt omt leven
twee duizend heb ik er om het leven gebracht
en deusen an syns moeders borst gegrepen.
en deze aan zijn moeders borst gegrepen.

Herodes:

Hebt danck ghy knegten al drieën ghelyck,
Bedankt, knechten, alle drie,
ic wil u schencken myn halleve ryck!
ik wil jullie mijn halve rijk schenken!

Duivel:

Ghenadighe coninck, bin oock weerom gecomen
Genadige koning, ik ben ook weer gekomen
en heb myn kinders oock mit genomen,
en ik heb mijn kinderen ook meegenomen,
die hebben haorselfs dorren vermeten
die zijn zo brutaal geweest
uut minen sack de braetworst te eten;
uit mijn zak de braadworst op te eten;
eer dat ics gonne een bete brood,
voor dat ik ze een korst brood gun
eer slanic ’t neer en ’t leyt morsdood.
sla ik het liever neer en het ligt morsdood.

Hoofdman:

Coninclyc majesteit, ic bid om verschoningh:
Koninklijke majesteit, ik vraag vergiffenis:
wy en vonden niet den nieu geboren coningh,
we vonden de pas geboren nieuwe koning niet,
of wy oock sochten naer ende veur,
of we nu in alle uithoeken zochten,
van den coninck en hebben me niet geheurt;
over de koning hebben we niets gehoord;
alevel alle knegtkens cleyn
niettemin hebben we alle kleine jongens
so tweujaorigh en daor onder syn
van twee jaar en jonger
bragtenme om nae ’s heren woorden;
omgebracht volgens de woorden van onze heer
ic meene ’t is volbragt geworden.
ik denk dat we eraan voldaan hebben.

Herodes:

Daor ghy hem niet en hebt gedood
Als je hem niet hebt gedood
staet vast dat hy uytet ryck ontvlood.
is het duidelijk dat hij uit het rijk is gevlucht.
Nu is myn leven schier verloren   
Nu is mijn leven bijna verloren   
mids dat een nieuen Got hier is geboren!
omdat hier een nieuwe God is geboren!
selfs willic sien waorc hem can vinden,
zelf wil ik zien waar ik hem kan vinden
ay, costic hem in Bethlem in den stalle vinden!
ach, kon ik hem maar in Bethlehem in de stal vinden!
0 smart, o bittere smart
o smart, o bittere smart
hoe is my bangh omt hart.
wat ben ik bang.

Lakei:

Een appel end een mes bringht haestiglyc
breng gauw een appel en een mes
dattic myn here laefenis reick.
zodat ik mijn heer een versterking kan geven.

Lied 12:

Engel:

Herodes, Herodes, ghy snoode tyran,
Herodes, Herodes, jij kwaadaardige tiran,
wat deden d’onnoosle kindjens u an,
wat hebben de onschuldige kinderen je aangedaan,
dat ghy so deet verderven ?
dat je ze zo in het verderf hebt gestort?
wagt, nu coomt ghy de doot te sterven
wacht maar, nu zal je sterven.

Herodes:

Wat helle glans heeft my omvaen,
Wat voor lichte glans is er om mij heen
ach, ach, myn leven heyt gedaen,
ach, ach, mijn leven is voorbij,
loopt, lackey, bringht my opt termyn
ga, lakei, haal zo dadelijk
den also getrouen hooftman myn.
mijn trouwe hoofdman.
Siet aan hooftman, neemt dit present
Kijk hoofdman, neem dit geschenk
wilt u vereren al veur myn end
dat ik je nog wil geven voor mijn einde
het tydlic goet hebbic te seer geagt
ik was te veel gehecht aan de tijdelijke dingen
dies heeft den duyvel my ten val gebragt:
daarom heeft de duivel me ten val gebracht:
nu vaer ic henen in abrahams hof.
nu ga ik naar Abrahams hof

Engel:

Ghy hellegheesten wagt hem of,
Jullie, geesten van de hel, wacht op hem
en voert hem ’t uwaert, tot u nest,
en breng hem naar jullie nest,
die staeg u diener is gheweest
die steeds jullie knecht is geweest
en kleedt hem als een coninck schoon
en kleed hem aan als een mooie koning
en set hem op de hellecroon.
en zet hem de hellekroon op.

Hoofdman, lakei, soldaat:

Wat baet de hoghe troon
Wat voor nut heeft de hoge troon
wat schepter ende croon
wat de scepter en de kroon
schepter en regiment
scepter en regeren
tgaet alles ras ten end.
alles gaat snel voorbij.

Duivel:

Buckt u Joostjen, buckt u,
Buk je, Joostje, buk je,
Doet u an suere melleck versaeden
Doe je je tegoed aan zure melk
en hebtet vet in de kan gelaten.
en heb je vet in de kan laten zitten.

Herodes:

O duyvel, laet my langher leven,
O, duivel, laat mij langer leven,
een juck swart ossen sallic u gheven!
ik zal u een paar zwarte ossen geven!

Duivel:

Neen ic, neen u wilc alleen
Nee, nee, ik wil alleen jou.

Herodes:

0 duyvel, laet my langher leven, 
o duivel, laat mij langer leven,
een span swart rossen sallic u gheven!
ik zal u een span zwarte rossen geven!

Duivel:

Neen ic, neen u wilc alleen
Nee, nee, ik wil alleen jou.

Herodes:

0 duyvel, laet my langher leven,
o duivel, laat mij langer leven,
myn halve coninckryck sallic u gheven!
mijn halve koninkrijk zal ik u geven!

Duivel:

Ei, wat sullemne stryen gins en weer,
Ach, wat zullen we ruziën over en weer
onser syt ghe maor alte seer!
je bent helemaal van ons!
daor comen er meerdere nogh by myn in de hellepyn,
er komen er nog meer bij mij in de pijn van de hel
ghy en sultet alleenlich niet syn!
je bent niet de enige!
Wagt, efkens sien of ghe oock swaor syt.
Wacht, eens even kijken of je ook zwaar bent.
Span ic an een paor katten
Ik span een paar katten aan
Span ic an een paor ratten
ik span een paar ratten aan
Span ic an een muysenpaar
ik span een paar muizen aan
rits, rats, mit hem ter helle vaor.
rits, rats, naar de hel met hem.

Hoofdman:

Ach, wat heeft myn heer coninck bedreven,
Ach, wat heeft mijn heer koning gedaan
dat hy de kinderkens stond nae ’t leven,
dat hij de kinderen naar het leven stond,
hadde ic het, lacie, eer bedacht,
helaas, had ik het maar eerder bedacht
ic en hadde se wis niet om gebragt,
dan had ik ze zeker niet omgebracht,
ach cost icx nogh erlanghen,
ach, kon ik nog terug,
an den hoochsten boom mogt ic wel hanghen!
dan zou ik wel aan de hoogste boom willen hangen!
ach cost icx nogh bedencken,
ach, kon ik me nog bedenken,
in de diepste see mogt ic wel sincken!
dan zou ik wil in de diepste zee willen verdrinken!
Doch wil ict op myn heer coninck wreken
maar ik wil het op mijn heer koning wreken
en met dit sweert my selven deursteken.
en met dit zwaard mezelf doodsteken.

Lied 13

Kompanij:

Wilt singhen end jubileren
Wil zingen en jubelen
Jesu den messiae,
Jezus, de Messias
die de wereldt doet regeren,
die de wereld regeert
is een soon Mariae
is een zoon van Maria
en leyt in het krebbeken
en ligt in het kribbetje
by ’t osjen end eselken.
bij de os en het ezeltje.
Suja, suja, suja, suja, kindekyn,
suja, suja, suja, suja, kindje klein,
ick ben u, ghy syt myn.
ik ben van u, u bent van mij.
Jubelt springhend, jubelt singhend
Jubelt springend, jubelt zingend
hodie, hodie, hodie
vandaag, vandaag, vandaag 
is geboorn Christus sone Mariae, Mariae
vandaag is Christus geboren, de zoon van Maria, Maria
en heeft van ons of genomen alle leed, alle leed, alle wee.
en heeft van ons weggenomen al het leed, al het leed, al de pijn.
Helpt ons spoede tot u comen
Help ons dat wij gauw bij u komen
Helpt ons spoede tot u comen
Help ons dat wij gauw bij u komen

O Christe
O Christus
O Christe.
O Christus.

Engel:

Agtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren,
Geachte, wijze, welgezinde heren,
oock deugtsaame vrouwen
ook deugdzame vrouwen
ende jonckvrouwen in alle eere,
en jongedames met alle eer,
wilt altegaer niet euvel duyden
neem ons alles bij elkaar niet kwalijk
dat wy ons spel vertoonden voor uluyden,
dat wij ons spel voor jullie opvoerden,
‘k Bid so wy quaamen veuls te cort
Ik vraag als we veel tekortschoten
tons niet en aengerekend wort,
het ons niet kwalijk te nemen,
maer alles dat wy schuldich bleven
maar alles wat we niet hebben kunnen doen
onse onkunde mach syn toegescreven.
door onze onkunde komt.
Hiermet elckeen het alderbest betracht,
iedereen heeft het allerbeste willen doen,
so wenschenme van God almagtig een goede nagt.
daarom wensen wij u in naam van de almachtige God een goede nacht.

.
Hier is ook een poging gedaan tot een begrijpelijke tekst.
De aanvankelijk bestaande speeltekst is in de loop van de tijd opnieuw getypt en gedrukt. Daarin zijn typefouten gemaakt. Die zijn dan ook weer terecht gekomen in de tekst bij de tekst hier.
Bv. gelyck de vos besluyt een malsch kapoen,
Precies zoals de vos een malse vetgemestte haan insluit
besluyt moet echter besluypt zijn.

en het kan zijn dat er in de hierboven door mij gebruikte tekst ook nog (kleine) typverschillen zitten.
In ieder geval: voor elke verbetering: mail   vspedagogie@gmail.com
.

Driekoningenspel: alle artikelen

Driekoningen: alle artikelen

Kerstspelen: alle artikelen

Vrijeschool in beeldkerstspelen alle beelden

.

3115-2928

.

.

.

.