Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Heemkunde in klas 1 en 2 (1-2/1)

.
Artikel om meer inzicht te krijgen in
.

DE MENSKUNDIGE ACHTERGRONDEN VAN HET VAK HEEMKUNDE IN DE 1E EN 2E KLAS

.

Dat ziet er zwaarwichtig uit: menskundige achtergronden bij heemkunde.
Omdat de heemkundeperiode vaak de naam krijgt van het onderwerp dat wordt behandeld: bomenperiode, bijenperiode, gaat het zelfs een beetje in de richting van: nou, nou, menskundige achtergronden van een bijenperiode…..

De naam ‘heemkunde’ bestaat al lang en betekent simpelweg kennis over of van het ‘heem’ het thuis, van de naaste omgeving.
Er bestaan nog steeds ‘heemkundige kringen’ die van alles te weten willen komen over het ‘vroeger’ van de eigen woonplaats, in de ruimste zin van het woord.

De naam zelf doet nu wat gedateerd aan en in de jaren 1970 begon het in het onderwijs deel uit te maken van een meer bij de nieuwere tijd passend vak: wereldoriëntatie.

Inhoudelijk bleef de bedoeling: kinderen kennis bijbrengen over de eigen leefomgeving.

Wat opvalt op de vrijescholen is, dat er een inhoudelijk duidelijke periode heemkunde bestaat voor de 3e klas, maar dat de 1e en 2e klas het met aanzienlijk minder duidelijkheid moeten zien te doen. 

Over de heemkunde in de 3e klas zijn vele artikelen geschreven over wat je allemaal doen kan. 
Zowel in het Duitse vrijeschoolblad ‘Erziehungskunst’ als het Nederlandse ‘Vrije Opvoedkunst, vind je voor de 3e klas meer dan voor klas 1 en 2, ik kan ook zeggen: voor klas 1 en 2 vind je bijna niets.

Op deze blog staat een aantal artikelen met achtergronden.

Ook toen Steiner de vrijeschoolpedagogie, -didactiek -methodiek beschreef, kwam het vak heemkunde aan de orde.
Dat betekent dat het in zijn tijd een schoolvak was in het onderwijs in die tijd.

Maar zoals met veel vakken die gangbaar waren: Steiner geeft ze vrijwel allemaal een andere inhoud, een andere aanpak, een andere plaats in het leerplan.
Hierbij valt te denken aan mineralogie in klas 6, plantkunde in klas 5, dierkunde in klas 4, enz.

In GA 295, de leerplanvoordrachten, zegt hij er niet eens zoveel over.
En zoals je ziet, krijg je hier a.h.w. een soort stimulans om te kinderen dingen te leren, kennis te laten opdoen over de nabije omgevingwat later aardrijkskunde e.d. wordt‘.
Dan volgt er een kleine restrictie:
Maar het gaat er daarbij om, dat men juist in het allereerste schooljaar de kinderen in zekere zin wakker maakt voor de omgeving, dat de ziel gewekt wordt, zodat het kind leert zich werkelijk met de omgeving te verbinden.’

Voor de 2e klas zegt hij dan:
Wat de beschrijving, de denkende beschrijving van de omgeving betreft…..

Dus ook die opmerking is een soort rechtvaardiging voor het kenniselement van de heemkunde in deze 1e en 2e klas.

Wanneer Caroline von Heydebrand in 1925 het leerplan van die tijd beschrijft, heeft de omschrijving van de heemkunde voor klas 1 een ander karakter gekregen.
Steiner is namelijk in zijn latere voordrachten – zonder overigens het woord ‘heemkunde’ te gebruiken – op een andere manier gaan spreken over wat en hoe de kinderen vóór het 9e jaar – en nu komt het menskundige aspect erbij – over de omgeving moeten horen.
Het ‘kenniselement’ is vrijwel verdwenen.
Wat m.i. niet betekent dat de kinderen ‘kennend’ niets leren, want ze horen natuurlijk allerlei interessants. Maar de opzet is anders: niet het kennen is het doel, maar de beleving op een bijzonder manier.

In 1934 schrijft de Zwitserse vrijeschoolleerkracht Willi Aeppli over zijn ervaringen met het vrijeschoolonderwijs.
Hij besteedt ook een hoofdstuk aan de heemkunde in de 1e klas.
Je proeft in zijn beschrijving zijn worsteling hoe – met die latere aanwijzingen van Steiner – z’n periode te geven.
Ook hij heeft een soort ‘bomenperiode’, niet om als een vooruitlopende 5eklas-plantkundeperiode de bomen te behandelen, maar door het karakter van sommige bomen te betrekken op het temperamentskarakter van de kinderen. 
Je kan je afvragen of dit niet te gekunsteld is, anderzijds zitten er heel levendige dingen in.
Kortom: het blijft lastig – vooral als je zelf je periode vorm wil geven, met eigen vondsten, eigen verhaaltjes e.d.

De artikelen die er op deze blog over zijn verschenen, staan er in de eerste plaats als een stimulans, niet om klakkeloos te kopiëren (wat eigenlijk voor heel het vrijeschoolonderwijs moet gelden).

Om in de sfeer te komen waarom het gaat, volgen we de uitspraken van Steiner die hij over het kind van vóór en na het negende jaar deed. 

Rudolf Steiner over het kind rond het 9e jaar

.
Heemkunde 1e klas: alle artikelen

Heemkunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: ontwikkelingsfasen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Heinz Müller-Wiedemann: Mitte der Kindheit (niet vertaald)

Hermann Koepfe: Kind van negen

Over heemkunde bij ‘de vrije juf’

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3152-2965

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ahriman in het onderwijs (7-3/4)

.

Wie zich verdiept in het werk van Steiner – of het nu het geschreven werk is of in wat hij met zijn voordrachten bracht – het begrip ‘Ahriman’ komt – meestal in één adem met ‘Lucifer’ – veelvuldig voor.

Op deze blog gaat het om de pedagogische achtergronden van het vrijeschoolonderwijs. En omdat de menskundige achtergronden wortelen in het antroposofisch mensbeeld zou je kunnen verwachten dat ook in de pedagogische voordrachten over Ahriman (en Lucifer) wordt gesproken.

En dat is inderdaad zo: in bepaalde voordrachten roert Steiner het onderwerp aan.
Wat hij daarover zegt, zal op deze blog worden weergegeven.

Voor wie dit onderwerp ( bijna) nieuw is, is dit artikel  (1) een inleiding tot meer begrip en in dit artikel  (2) is o.a. sprake van ‘kunstmatige intelligentie’, 

Als leerkrachten/opvoeders krijgen wij te maken met wat ‘de tijd’ met zich meebrengt. 
Nu is ‘de tijd’ maar een heel abstract begrip. Als we echter daarbij aan ‘de tijdgeest’ denken, zoals dat in artikel (2 – zie boven) wordt gedaan, kunnen we in de kunstmatige intelligentie dus een inspiratie zien van de ahrimanische tijdgeest.
Die herkennen, leren kennen en doorzien is een van onze eerste opdrachten.

GA 302A

Erziehung und Unterricht aus Menschenerkenntnis
Menskunde innerlijk vernieuwd

Anregungen zur innerlichen Durchdringung des Lehr- und Erzieherberufes
Menskundige aanwijzingen voor het leraarschap 

Voordracht 7, Stuttgart 15 oktober 1923

Blz. 113/114        vert. 12

Sehen Sie, man kann viel Ahrimanisches in der Welt erfahren; viel
Ahrimanisches ist einfach durch die gesamte Weltentwickelung notwendig. Aber zu dem schrecklichsten Ahrimanischen gehört, wenn
jemand eine Abhandlung schreiben muß, um Privatdozent zu werden;
denn es gibt keinen Zusammenhang zwischen dem Schreiben der Abhandlung und dem Privatdozentwerden. Es ist ein durchaus äußerlicher, ganz verahrimanisierter Zusammenhang. Aber solche Dinge leben als etwas Ernsthaftes in unserer Zivilisation und dringen in das Erziehungswesen dadurch ein, daß das Erziehungswesen von oben her, das heißt, von den höchsten Unterrichtsanstalten beeinflußt wird, die im Grunde genommen ganz widersinnig eingerichtet sind. Dadurch, daß wir das aussprechen, ist das wenigste getan; wir machen uns dadurch nur unbeliebt und schaffen uns Gegner. Aber wenn wir hier wirken, sollen wir wissen, daß wir berufen sind, von anderen Gesichtspunkten aus zu wirken. 

Je kunt in de wereld veel wat ahrimanisch is, ervaren. Veel wat ahrimanisch is, is gewoon nodig vanwege de totale wereldontwikkeling. Maar het behoort tot de verschrikkelijkste ahrimanische dingen wanneer iemand een verhandeling moet schrijven om privaatdocent te worden; want er bestaat geen verband tussen het schrijven van de verhandeling en het privaatdocent-worden. Het is een volstrekt uiterlijk, geheel verahrimaniseerd verband. Maar zulke dingen leven als een serieus iets in onze beschaving en dringen binnen in ons onderwijsstelsel, doordat het onderwijs van bovenaf wordt beïnvloed, dat wil zeggen door de hoogste onderwijsinstituten, die in wezen heel onzinnig zijn ingericht. Doordat uit te spreken doen we er allerminst iets aan; we maken ons daardoor alleen maar ongeliefd en maken tegenstanders. Maar als we hier werken, moeten we weten dat we geroepen zijn om vanuit andere gezichtspunten te werken.
GA 302A/113
Vertaald/12

Vanuit andere gezichtspunten‘ is in ieder geval ook: niet vanuit het intellectualisme ontstane leerstof aan de kinderen aanbieden. 
Leerstof komt voor een groot deel in de leerboeken terecht als een vereenvoudigde vorm van wat ‘wetenschappelijk’ wordt genoemd. Het is een eindresultaat, het is geworden.
Maar het gaat bij het kind niet om ‘geworden’, maar om wat ‘wordend’is, zoals hij zelf nog wordend is. Daarom leerstof die beeldend, fantasievol is en mee kan groeien naar een ‘eindpunt’. 
In zijn tijd had Steiner geen hoge dunk van de leerboeken en daarom zegt jij in deze voordracht ook:

Blz. 116  vert. 15

Wenn Sie diese vermaledeiten Schulbücher zugrunde legen, die gang und gäbe sind, verstehen die Kinder in Wirklichkeit gar nichts. Man quält die Kinder und langweilt sie und fordert ihren Spott heraus. Dasjenige aber, was man tun muß, ist, in sich selber das Verhältnis zur Welt lebendig und zugleich wirklichkeitsgemäß zu machen. Das ist, was gerade der Lehrer, der Erzieher braucht.

Als u die vervloekte schoolboeken die zo gebruikelijk zijn, als basis neemt, begrijpen de kinderen in wezen helemaal niets. Je kwelt de kinderen, je verveelt ze en je lokt hun spot uit. Wat je moet doen is in jezelf de verhouding tot de wereld levend en tegelijk werkelijkheidsgetrouw maken. Dat heeft juist de leraar, de opvoeder nodig.
GA 302A/116
Vertaald/15

Als we de woorden ‘levend‘ en ‘werkelijkheidsgetrouw‘ beschouwen en we nemen bijv. de steeds vaker te horen en te lezen opvatting: ‘de mens en de andere dieren‘, of zelfs ‘de mens is een dier punt uit! dan is dat niet werkelijkheidsgetrouw. Er is maar een gedeeltelijke verwantschap – de uitspraak is maar half-waar. Maar een halve waarheid wordt nog steeds als leugen bestempeld. En dan zijn we alweer bij ‘de leugen’, dus bij Ahriman. 

In rekenboekjes in Steiners tijd kwamen sommen voor die hij afwees als ‘geen werkelijkheid’, ‘buiten het leven staand’.
Hij geeft als voorbeeld dat het kind moet berekenen, als de leeftijden van drie mensen gegeven zijn, hoe oud ze gemiddeld zijn. 
Zie bijv. hier

Nog altijd vind je dit soort opgaven (en andere werkelijkheidsvreemde) in de huidige rekenboekjes. Daar vele vrijscholen deze inmiddels ook gebruiken, kan het niet anders of ook dit werkelijkheidsvreemde denken is de vrijschool binnengedrongen.

In GA 296 staat Steiner ook wat langer stil bij ‘het ahrimanische’.
Omdat we het als onze opdracht kunnen beschouwen Ahriman in zijn uitingen te leren doorgronden, is een bepaald houvast gegeven: een paar kernachtige opmerkingen als een soort licht waartegen we bepaalde fenomenen kunnen houden, waardoor deze in een bepaalde licht kunnen komen te staan.

Van de mens weg-leidende krachten zijn:

Mechanisierung des Geistes       mechanisering van de geest

Vegetarisierung der Seele          vegetarisering van de ziel

Animalisierung des Leibes         verdierlijking van het lichaam
GA 296/15
Vertaald/25

.

Ahriman in het onderwijsalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3147-2960

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (96)

.

Toets 2024

In ‘Opspattend grind‘ zijn de toetsen al vaker onderwerp geweest:
Zie:   [4]  [17]  [38]  [58]  [64]  [71]  [79]  [90]  [92].

Of alle kritiek erop van invloed is geweest, is moeilijk te achterhalen. 
Het lijkt erop of iedere nieuwe Minister van Onderwijs ook weer iets ‘moet willen’ en het is niet uitgesloten dat een minister in het nog te formeren Kabinet opnieuw veranderingen gaat doorvoeren (dat gebeurt op onderwijsgebied altijd, waardoor er steeds veranderingen – die nog geen verbeteringen betekenen -plaatsvinden en daarmee dus een soort constante onrust.

Wanneer je leest:

Groep 8 moet vooral kunnen lezen, rekenen en schrijven

zou je kunnen denken dat dit het dan is: het Nederlandse onderwijs.
Maar we weten dat vele leerkrachten dagelijks bezig zijn om het méér te laten zijn.

Dat ‘méér’ vind je in de vrijescholen vooral in de gezichtspunten van Rudolf Steiner waarvan je er een aantal vindt in ‘Wegwijzers’.

Nu is het zo geregeld:

De eindtoets in groep 8 is vervangen door de doorstroomtoets.
Deze moet plaatsvinden in de eerste twee weken van februari.

(Tot nu toe was dat vaak veel later, waardoor soms de inschrijving van een kind op een middelbare school moest worden teruggedraaid omdat uit de toets een ander schooladvies kwam rollen.)
Nu vallen de toetsen vóór de definitieve schoolkeuze.
In het schooladvies worden ze niet belangrijker. De inschatting van de basisschool van een leerling blijft leidend.
(Alleen als de leerling de doorstroomtoets beter maakt dan gedacht, kan het advies naar boven worden bijgesteld.)

Lezen, rekenen en taal zijn verplichte toetsvakken. Alleen deze tellen mee voor de eindscore.
De school mag verder toetsen wat ze wil, de uitslagen zijn voor de eindscore niet van belang.

Naast de Cito-toets zijn ook andere toetsen toegestaan.
Dat is al zo vanaf 2015.
De toezichthouder op de toetsen is het College voor Toetsen en Examens. Dit deed al het toezicht op de Cito-toets, maar de controle van de private toetsen lag tot nu toe elders. Door alle toetsen onder dezelfde noemer te brengen moet het ook makkelijker worden om ze onderling te vergelijken. Dat was tot nu toe niet te doen, is een veelgehoorde klacht.
.

Toetsen: alle artikelen

Opspattend grind: alle artikelen

Rudolf Steiner over getuigschriftenalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3141-2954

.

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen (1-3)

.
Op deze blog staan veel artikelen over ‘de zintuigen’. Daaruit komt naar voren hoe belangrijk deze voor ons zijn. En wellicht nog belangrijker: hoe kunnen we ze bij de kinderen cultiveren. En dat kun je waarschijnlijk beter, wanneer je je er als opvoeder ook eens praktisch mee bezighoudt.
In onderstaand artikel wordt zo’n praktisch ‘zintuigenboek’ besproken.

Luc Ambagts, Motief 264, juli-augustus 2022
.

ZINTUIGENONTDEKKINGSREIS
.

Albert Soesman schreef in de jaren tachtig het boek De twaalf zintuigen, leraren van de mensheid. Daarin wordt de zintuigleer van Rudolf Steiner uitgebreid en uitputtend behandeld. Compleet met verwijzingen naar de dierenriem, de samenhang met de wezensdelen van de mens, los van elkaar en als polariteiten. Het is zo’n volledig boek – het is nog steeds te koop – dat het lijkt of sindsdien niemand meer de behoefte heeft gehad over de zintuigen te schrijven. Dat is jammer, want de antroposofische zintuigleer vormt een duidelijke en heldere aanvulling op het schamele aantal van vijf zintuigen dat ons als mens normaal gesproken toegedacht wordt: zien, horen, ruiken, proeven, tasten. Er is al niemand die daarmee uitkomt. Je voelt toch ook kou, of warmte? En pijn, wat is dat dan?

Wim Lips, creatief ontwerper van energetische tuinen, vroeg zijn voormalige leerling, Johanna Huiberts-van den Berg, om eens samen met die zintuigleer aan de gang te gaan. Wim ontwierp een zintuigentuin, een FeelGood Garden voor de Floriade in Almere. Johanna schreef er een zintuigenboek bij, geïllustreerd met eigen foto’s van planten, bloemen, insecten en ook van elektriciteitsdraden en flowforms om het verschil in energie navoelbaar te maken.

Energetische tuinen, het concept van de FeelGood Garden gaat over beleving en vitaliteit. ‘Evenwicht: De speels bewegende bladeren van de ratelpopulier ruisen bij het kleinste zuchtje wind.’ Bij die tekst staan pictogrammen van de levenszin, evenwichtszin, gezichtszin, temperatuurzin en gehoor. Zo opent het boek met concrete voorbeelden uit de tuin en uit de natuur. Een aansporing om al je zintuigen te openen en op te letten hoe je omgeving invloed op je heeft.

Twee ontwerpen laten zien hoe de uitgangspunten ‘gemak’ en ‘feelgood’ tot een totaal andere tuin leiden. Grind op worteldoek, kunstgras en bloembakken, versus bloemborders, beukenhaag en bomen. Het is een rode draad in het boek: “je kunt je eigen omgeving én je eigen leven zelf vormgeven. Als je je goed voelt en lekker in je vel zit, loop je rechtop. Als je het even niet ziet zitten loop je gebogen. Maar het werkt ook andersom. Probeer maar eens het verschil te ervaren. Hoe voel je je als je met een gebogen rug loopt en hoe voel je je als je rechtop loopt. Je beweegt zoals je je voelt, maar je gaat je ook voelen zoals je je beweegt.”

Onze twaalf zintuigen worden toegankelijk beschreven, met bij de meeste een korte uitleg van de anatomie, gevolgd door herkenbare ervaringen uit het dagelijks leven. Soms word je ineens tijdens het lezen op een hoger niveau wakker geschud:”… symbolen die te maken hebben met het goddelijke. Misschien wel juist omdat daar onze woorden tekortschieten,” staat er bij de beschrijving van de voorstellingszin, denk- of symboolzin. We begrijpen vaak al wat iemand bedoelt, voordat hij uitgesproken is. Op die manier kan iedereen een beetje gedachtenlezen. En zo is ook het hoofdstuk over bovenzintuiglijke ervaringen goed voorbereid. Een paar korte alinea’s laten je beleven datje in het contact met planten en dieren meer kunt ervaren, dan je op het eerste gezicht geneigd bent te geloven. De ‘gewone’ zintuigen heb je immers ook moeten leren gebruiken: “Voel jij het verschil tussen katoenen en synthetische stof? Je kan het verschil duidelijk voelen, maar het is een leerproces om te weten watje voelt.” Zo is er nu dus een nieuw boek over de antroposofische zintuigleer, dat als een introductie in dit onderwerp makkelijk wegleest. Met voorbeelden en inzichten die je direct herkent. En foto’s waarvan je wilde dat het er bij jou in de tuin zo uitzag. Dat kan dus ook… ||

Wim Lips en Johanna Huiberts-van de Berg, Zintuigenontdekkingsreis, 101 blz. met illustraties, ISBN 9789090359762. Eigen uitgave 2022.

.

Zintuigenalle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3136-2949

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (95)

.

“Op ooghoogte”

zo heet een boek van Emille van Opstall.
Kinderen hebben haar aan het denken gezet over grote filosofische vragen.
Op ‘ooghoogte’ zie je kinderen van 4 tot 11 jaar. 

Ze is classica en vindt het belangrijk dat volwassenen leren om-denken.
Anders denken, ont-denken, zoals ze het noemt.

De interviewer die haar vragen stelt, zegt op zeker ogenblik:

Uw stijl is rustig, zonder oneliners, voorzichtig, met ‘wellicht’, en ‘misschien’ en ‘zou kunnen’. Maar tussen de regels gloeit het vuur van ‘het móet anders!’.

De schrijfster: “Daar hebt u wel gelijk in. Het moet opgeschud worden. Zonder al te stellig te zijn wil ik mensen aan het denken zetten.”

Dat doet Van Opstall door haar specialisme in te zetten: ze is expert in de vertelkunst* in de Oudheid en de Middeleeuwen. Die kunst beoefent ze in Op ooghoogte ook voor de moderne lezer. Door het ophalen van smakelijke verhalen, zoals over Daphnis en Chloë die van een rijpere vrouw liefdesinstructies krijgen. En vaak vragenderwijs.

*vet en blauw van mij, phaw

‘Willen we dat verhalen een voorbeeld geven van een ideale wereld, waarin conflict en onrechtvaardigheid niet bestaan? Of moeten verhalen voorbereiden op een confrontatie met de duistere kanten van de werkelijkheid en van onszelf?’

In haar boek geeft Van Opstall zelf antwoord, want ze vertelt graag sprookjes.

Daarin gaat het er soms ruig aan toe. “Mag dat wel bij de kinderen van nu, met hun tere ziel?

“Zeker.”

‘Maria Montessori, voor wie u sympathie hebt, was faliekant tegen sprookjes.’

“Ja, wat een afknapper. Met al haar mooie ideeën… Ze wilde dat kinderen ervaring opdeden met de echte wereld. Ik heb me laten meeslepen door haar experimenten op scholen, bewonderde haar. Maar als je het beste uit kinderen wilt halen, hoe kun je dan de verbeelding en de fantasie overslaan? Dat is juist de sprankelendste manier om de wereld te ontdekken. Verbijsterend dat Montessori tegen was. Ze vond sprookjes niet geworteld in de werkelijkheid. Was ze bang voor de kracht van de verbeelding?”

Van Opstall is zelf overtuigd van die kracht. De kinderblik, schrijft ze ergens, kan ‘het huis van onze gedachten met al zijn aanbouwen omver werpen, al is het maar voor even’.

U woont in het gedachtenhuis dat wetenschap heet. Is dat wel fijn wonen?’

“Ha ha, nee, ik pas er niet meer helemaal in. De universiteit werkt als een machine, waar de intellectuele nieuwsgierigheid het verliest van de ingetreden marktwerking, waar je beurzen moet binnenhalen. Productie. Output.”

U nodigt de lezer uit om losser te kijken, meerdere perspectieven in te nemen en zo iets vastgeroests los te wrikken. Hebt u zichzelf door het schrijven van dit boek losgewrikt?

“Ik denk het wel, ja. Dat deel van mezelf, dat een breder publiek wil bereiken, buiten het kleine kringetje in academia, ontpopt zich met dit boek. Dat is mijn missie. Dat andere deel, dat met collega’s uit de hele wereld samenwerkt en onderzoek doet, voelt zich er wel uitstekend thuis.”

Interview in Trouw op 02-09-2023

Op ooghoogte

Opspattend grind: alle artikelen

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3132-2945

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Maria-Lichtmis (5)

.
Daan Rot, Antroposofisch Magazine december 2019 nr. 16
.

Afsluiter van de reeks winterse lichtfeesten
.
VERLANGEN NAAR DE ZON MET MARIA-LICHTMIS
.

Als na de donkere dagen de lentekriebels weer beginnen op te borrelen, kijken we de bloembollen uit de grond. Her en der piepen er al groene sprietjes en sneeuwklokjes uit de donkere aarde.

Op 2 februari vieren we Maria-Lichtmis.
Ik kende het feest alleen van de processie die ’s morgens vroeg langs ons huis kwam, maar sinds de kinderen naar de vrijeschool gaan vieren we het ook thuis.

Vóór de christelijke viering van Maria-Lichtmis was 2 februari de dag van Vrouw Holle. Vrouw Holle komt voor het eerst voor in de Germaanse mythologie. Zij ontvangt de zielen van de gestorvenen en uit haar bron komen nieuwgeborenen voort.
Het christelijke verhaal vertelt dat Jezus, zoals gebruikelijk was in de Joodse traditie, veertig dagen na zijn geboorte in de tempel werd opgedragen aan God. Maria bracht daarbij een reinigingsoffer. Jezus werd bij deze gebeurtenis herkend als de Christus door de oude Simeon en Hanna. Toen Simeon baby Jezus in zijn armen nam, werd hij door licht omstraald.
In de katholieke kerk worden de kaarsen gezegend voor de mis, tijdens de processie ter ere van Maria worden de kaarsen aangestoken en blijven de hele mis branden, een heuse Lichtmis.

Licht naar buiten

Veertig dagen voor Kerst, met Sint-Maarten, brachten we het licht met onze lantaarns naar binnen. Met Maria-Lichtmis, veertig dagen na Kerst, brengen we het licht van binnen weer naar buiten. We hebben inmiddels weer één uur daglicht extra gewonnen. En kijk eens omhoog, want de hemel is in februari ook echt blauwer door de toegenomen zonnekracht.

Alle restjes van de kaarsen die we in de lichtfeestenperiode tussen Sint-Maarten en Maria-Lichtmis hebben gebrand, hebben we opgespaard. We smelten ze om en vullen walnootdoppen met de gesmolten was. De walnootkaarsjes doen we in een grote schaal met water waar ze in ronddobberen tijdens ons pannenkoekenmaal. Want Maria-Lichtmis is óók pannenkoekenfeest. Pannenkoeken zo rond en goudgeel als de zon waar we zo naar verlangen.

Reinigen

Maar voor we feest gaan vieren, is het tijd voor het grote opruimen van huis en haard.

Februari komt van het Latijnse februare, wat ‘reinigen’ betekent. Zo houden wij dus ook ons eigen reinigingsritueel, ieder ruimt zijn eigen kamer op, de dekens worden gewassen, de ramen gelapt, de haard leeggemaakt, oud papier weggebracht en als laatste een rondje door de tuin. Dan dekken we een feestelijke eettafel en komen alle kaarsen op tafel, met een grote berg pannenkoeken in het midden. Het laatste diner met kaarslicht van deze winter. Na het eten brengen we de kaarsjes naar de tuin voor wat extra warmte en kiemkracht. Het is weer tijd voor wortelen en groeien, plannen en bloeien.

Walnootkaarsjes maken

Nodig:

Restjes kaarsen
Walnoten
Leeg blik
Lont met aluminium voetje:
Hesje
Lege eierdoos

Maak de walnoten voorzichtig open. Als je met een scherp mesje in de achterkant van de walnoot prikt en voorzichtig wrikt, breekt de walnoot precies door de helft open.
Haal de nootjes eruit en bewaar ze voor bij de pannenkoeken.
Zet het lege blik met daarin de restjes kaars in een pan met kokend water en verwarm tot alles gesmolten is.
Zet de walnootdoppen vast in de lege eierdoos.
Doe een lont met aluminium voetje in een halve, lege walnootdop en giet het kaarsvet er voorzichtig in.
Laat het kaarsvet uitharden.

Als je echt veel restjes hebt, is het ook leuk om zelf kaarsjes te trekken. De zelfgetrokken kaarsjes zijn origineel als ‘bijna lente-cadeautje’, of je stopt ze in een mooi doosje met een strik om tegen Sint-Maarten weer open te maken.

Kaarsjes trekken

Nodig:

Oude pan
Hoog, waterdicht blik
Restjes kaars (eventueel aangevuld met bijenwaskorrels]
Lont

Vul de pan tot de helft met water en zet het blik met de restjes kaars erin. Verwarm de was tot deze helemaal gesmolten is.
Zorg dat alles goed stevig staat en blijf er te allen tijde bij. De was is heel heet.

Dompel de lont in de was en wacht tot de was droog is.
Trek de lont voorzichtig recht.
Dompel opnieuw in de was.
Doe dit niet te langzaam, want dan smelt de vorige laag.
Laat de laag weer drogen en herhaal dit tot het kaarsje dik genoeg is.
Snij de onderkant recht af.

Je kunt de kaarsjes extra mooi maken door ze te versieren met gekleurde bijenwas.

Pannenkoeken

Nodig:

250 gram bloem
500 ml melk
2 eieren
Snufje zout
Boter om in te bakken
Kaneel naar smaak

Met een speciale pannenkoekenpan zijn mislukte pannenkoeken verleden tijd.

Maak een luchtig en klontjesvrij beslag.
Zet het beslag, als het uitkomt, afgedekt met een theedoek voor een uurtje op kamertemperatuur weg. Zo breken de pannenkoeken minder snel en worden ze lekker soepel.
Laat de boter smelten en doe een schepje beslag in de pan.
Wacht tot het beslag overal droog is en keer op dat moment de pannenkoek.
Doe een wedstrijdje: wie kan ‘m het hoogst opgooien?
Bak pannenkoeken met appeltjes, rozijnen, spek, kaas enzovoort. 

Daan Rot en Lisa Wade schreven twee toegankelijke boeken over de jaarfeesten, getiteld Het hele jaar feesten
.

Maria-Lichtmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

3130-2943

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf (GA 88)

.

Uit de voordrachten
GA 34    GA 52    GA 53   GA 54   GA 55   GA 56   GA 57    GA 58    GA 59   GA 88
nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam. Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit
GA 34   GA 52    GA 53   GA 54   GA 55   GA 56   GA 57   GA 58   GA 59
over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.

In deze artikelen vind je opmerkingen over het astraallijf:
GA 34   GA 52   GA 53   GA 54   GA 55   GA 56   GA 57   GA 58   GA 59

Over de astrale wereld

In GA 88, voordracht 1, benadert Steiner de mens meer vanuit ‘de wereld’: voor het fysieke lichaam vanuit de fysieke wereld; voor het astraallijf vanuit de astrale wereld. Daar komen we weer de begrippen ‘lust’ en ‘onlust’ tegen, maar we weten inmiddels dat het om ook andere gevoelens gaat, zoals je hier verder uitgewerkt vindt, doordat er verschillende vertalingen van zijn gegeven.

We worden dus geconfronteerd met een wereld die in ons werkzaam is, maar ook een die zich, zoals de fysieke wereld, om ons heen bevindt, maar die wij – als niet begiftigd met vermogens om het bovenzinnelijke te kunnen waarnemen – niet kunnen zien.

Vaak haalt Steiner de filosoof Fichte aan, die de mens, die niet in de ‘andere’ werelden kan kijken, vergelijkt met iemand die blind is en dus de hem omringende wereld niet kan zien, maar die dat wél kan, nadat hij is geopereerd aan zijn ogen. De mensen die al konden zien, a.h.w. ‘zieners’ waren, konden aan deze blinde mededelingen doen over wat deze blinde mens zelf niet kon zien, maar wél begrijpen kon.
Zo geeft Steiner ons dus oefeningen om ook ‘ziende’ te kunnen worden in die wereld waarvoor we nu blind zijn en tegelijkertijd doet hij er zelf mededelingen over die wij kunnen begrijpen, of wellicht ook niet of niet zo makkelijk.
Zo bijv.  GA 10  Vertaald: De weg tot inzicht in hogere werelden‘   

Aan het begin van voordracht 1 maakt hij een andere vergelijking – wellicht ervaar je dat als enigszins kleinerend – d.w.z. ik voel me wel wat vergeleken met die slak:

GA 88

Über die astrale Welt und das Devachan
Over de astrale en de mentale wereld

Voordracht 1, Berlijn 28 oktober 1903

Das Mysterium von Geburt und Tod
Het mysterieuze van de geboorte en de dood

Blz. 19

Wenn eine Schnecke durch einen Saal kriechen würde, in dem Beethovens Neunte Symphonie gespielt wird, so vernähme die Schnecke wohl nichts von alle dem, wovon die Menschen, die in demselben Saale sich befinden, in die schönsten Empfindungen versetzt werden. Die Töne der Symphonie drücken sich in den Luftwellen des Saales aus, diese Luftwellen verbreiten sich nach allen Seiten; sie sind der äußere Ausdruck des herrlichen Tonzusammenzuhanges. Dieser Tonzusammenhang geht durch den Organismus der Schnecke ebenso wie durch den Organismus des Menschen. In den Menschen ruft er Empfindungen der höchsten Art hervor, die Schnecke bleibt davon unberührt. Sie ist in demselben Medium, in demselben schwingenden Tongewoge darin wie der Mensch, sie weiß aber nichts von dem, was um sie her vorgeht. Eine Welt ist um sie herum, und sie ist in dieser Welt, sie hat aber keine Ahnung von dieser Welt. Und dennoch, diese Welt des Tongewoges ist nicht an einem anderen Ort, an dem sich die Schnecke nicht befindet, sondern an demselben Ort, an dem auch alles dasjenige ist, was die Schnecke braucht.

Wanneer er een slak door een zaal zou kruipen waarin de 9e symfonie van Beethoven wordt gespeeld, dan zou de slak waarschijnlijk niets meekrijgen van alles wat de mensen die zich in diezelfde zaal bevinden met de fijnste gevoelens ondergaan. De klanken van de symfonie drukken zich uit in de luchtgolven in de zaal, ze gaan naar alle kanten; het is de uiterlijke uitdrukking van deze heerlijke klankharmonieën. Dat gaat ook door het organisme van de slak heen, net zo als bij de mens. In de mens roept het de meest intense gevoelens op – het raakt de slak niet. Die bevindt zich in hetzelfde medium, in dezelfde vibrerende geluidsgolven als de mens, maar de slak weet niets van wat er zich om hem heen afspeelt. Er bevindt zich een wereld om hem heen, hij is in die wereld, maar hij heeft er geen flauw vermoeden van. En ondanks dat, deze wereld van tonen bevindt zich niet op een plaats waar de slak niet is, maar op dezelfde plaats, waar zich ook alles bevindt wat de slak nodig heeft.

Der Raum, in dem die Schnecke sich befindet, ist also ausgefüllt von den Tatsachen, die die Schnecke wahrnehmen kann, er ist aber auch ausgefüllt von einer Summe von Tatsachen, die die Schnecke nicht wahrnehmen kann. Wir haben damit festgestellt, daß um ein Wesen herum Erscheinungen leben können, ohne daß das Wesen eine Ahnung davon hat, und wir können die Frage aufwerfen, ob wir Menschen nicht vielleicht auch in einer Welt leben, die angefüllt ist von Tatsachen und Erscheinungen, von denen wir zunächst nichts wahrnehmen, von solchen Tatsachen und Erscheinungen, die sich zu unserer Welt so verhalten wie das Tongewoge der Neunten Symphonie zu dem, was eine Schnecke wahrzunehmen vermag. Die Frage muß

De ruimte waarin de slak zich bevindt, is vol met dingen die de slak kan waarnemen, maar er bevindt zich ook van alles wat de slak niet kan waarnemen.
Daarmee hebben we vastgesteld dat er om een wezen verschijnselen kunnen zijn, zonder dat het wezen daar een flauw vermoeden van heeft. We kunnen nu de vraag stellen of wij mensen wellicht niet ook in een wereld leven die gevuld is met feiten en verschijnselen waarvan we ons aanvankelijk niet bewust zijn, van feiten en verschijnselen die zich op dezelfde manier tot de wereld verhouden als het geluid van de 9e symfonie tot wat een slak kan waarnemen. Het moet

Blz. 20

uns also berühren, ob dasjenige, was wir in einem Ruume, in dem wir sind, empfinden und wahrnehmen, alles ist, was in unserer Umgebung vorkommt. Es könnten ja Tatsachen in unserer Umgebung sein, die für uns einfach deshalb nicht da sind, weil wir die Organe für die Wahrnehmung dieser Tatsachen nicht ausgebildet haben. Es könnten ja Wesen in unserer Welt sich befinden oder wir Menschen selbst könnten durch Entwicklung uns zu Wesen ausbilden, die imstande sind, noch weitaus anderes wahrzunehmen als das, was in unserer Welt um uns ist. Es könnte vergleichsweise ein ähnliches Verhältnis bestehen zwischen mehr oder minder entwickelten Menschen, wie zwischen der Schnecke und den Menschen. Das ist die Frage, welche in uns Vermutung über Vermutung erwecken muß über die uns umgebenden unbekannten Welten, und das ist auch die Frage, welche durch die theosophische Bewegung beantwortet werden soll. Es ist im wesentlichen die Aufgabe der theosophischen Bewegung, uns bekanntzumachen mit Welten, die uns täglich und stündlich umgeben, mit Welten, innerhalb derer wir leben, von denen wir aber unter gewöhnlichen Verhältnissen nichts wissen.

er ons bij de vraag om gaan of dat, wat er in een ruimte waarin wij ons bevinden, ervaren en waarnemen, alles is, wat er in onze omgeving aanwezig is. Er zouden dingen in onze omgeving kunnen zijn die er voor ons simpelweg niet zijn, omdat we voor het kunnen waarnemen van deze dingen, geen organen hebben ontwikkeld. Er zouden zich in onze wereld dus wezens kunnen bevinden of wij mensen zelf zouden door ontwikkeling ons tot wezens kunnen ontwikkelen, die in staat zijn nog veel andere dingen waar te nemen dan wat er in onze wereld om ons heen is. Er zou als vergelijking net zo’n relatie kunnen bestaan tussen meer of minder ontwikkelde mensen, zoals tussen de slak en de mens.
Dat is de vraag die bij ons het ene vermoeden na het andere moet doen ontstaan over de werelden die ons omringen, maar ons onbekend zijn en dat is ook een vraag die door de antroposofische beweging beantwoord moet worden.
Steiner zegt hier theosofische, maar door zijn latere overgang naar antroposofie, heb ik hier (en elders) antroposofisch vertaald.
In wezen is het eigenlijk de opdracht van de antroposofie ons bekend te maken met werelden die ons elke dag en elk uur omringen, met werelden waarbinnen we leven, waarvan we, onder normale omstandigheden echter geen weet hebben.

Nicht mit Welten, die jenseits der unsrigen liegen, will uns die Theosophie bekanntmachen, nicht mit Welten, die an uns unzugänglichen Orten zu finden sind, sondern mit denjenigen Welten, die in unsere Welt fortwährend hereinragen, die uns immer umgeben, die uns aber unbekannt bleiben, weil unsere Organe dafür nicht aufgeschlossen sind. Zunächst können wir von diesen Welten nur sprechen. Wir können auf sie nur hindeuten und dazu auffordern, teilzunehmen an denjenigen Arbeiten, durch welche sich dem Menschen die Sinne erschließen zu diesen höheren Welten, so daß er diese höheren Welten wahrzunehmen vermag, so wie er heute nur die gewöhnliche Welt wahrzunehmen imstande ist. ( )
Sie wird sich uns zeigen als eine Welt, die nicht fern von uns ist, die überall ist, wo wir uns befinden. In dem Räume, in dem wir uns gegenwärtig befinden, ist

De antroposofie wil ons niet bekendmaken met werelden die buiten ons liggen, niet met werelden die te vinden zijn op plaatsen die voor ons ontoegankelijk zijn, maar met die werelden die zich voortdurend tot in de onze uitstrekken, die ons steeds omringen, die ons echter onbekend blijven, omdat onze organen er niet voor open staan. In eerste instantie kunnen we over deze werelden alleen maar spreken. We kunnen er alleen op wijzen en u uitnodigen deel te nemen aan die activiteiten waardoor de zintuigen voor die hogere werelden zich voor de mens openen, zodat hij deze hogere werelden kan gaan waarnemen, net zoals hij nu de gewone wereld kan waarnemen. De astrale wereld zal zich aan ons voordoen als een wereld die niet ver van ons vandaan is, die overal is, waar wij zijn.
In de ruimte waarin we ons in deze tijd bevinden, is ze

Blz. 21

sie geradeso wirklich wie die Welt, die Sie sehen. Die astrale Welt ist eine höhere Welt, welche mit ihren Erscheinungen die Welt, in der Sie sich befinden, genauso durchwogt und durchwellt, wie das Symphonie-Tongewoge die Welt der Schnecke durchwogt, von ihr aber nicht wahrgenommen wird. Also wir sprechen nicht von etwas, was außerhalb unserer Welt zu finden ist, sondern wir sprechen von etwas, was unsere Welt in jedem Punkte ihres Daseins durchsetzt. Die theosophische Anschauung lehrt uns verschiedene solcher Welten erkennen; sie lehrt uns zunächst diejenige Welt erkennen, welche uns aus dem alltäglichen Leben bekannt ist: die physische Welt – diejenige Welt also, welche jeder Mensch mit seinen Sinnesorganen zu empfinden imstande ist, die Welt, die wir sehen, hören, riechen, schmecken, greifen, die Welt, in der wir die Naturgegenstände, die Mineralien, die Pflanzen und die Tiere finden. Diese Welt wird durchsetzt, durchgeistigt, wenn ich mich so ausdrücken darf, von einer höheren Welt, von der sogenannten Astralwelt, die wir nun kennenlernen wollen.

net zo werkelijk als de wereld die wij zien. De astrale wereld is een hogere wereld die met zijn verschijningsvormen de wereld waarin we ons bevinden net zo vervult en doorstroomt als de golf van symfonische tonen die door de wereld van de slak heengaat, maar door deze niet wordt waargenomen. We hebben het dus niet over iets wat buiten onze wereld te vinden is, maar over iets dat onze wereld op elk punt van haar bestaan doordringt. De antroposofische opvatting leert ons verschillende van die werelden kennen; allereerst die wereld die we uit het dagelijkse leven kennen: de fysieke wereld – dus die wereld die ieder mens met zijn zintuigorganen kan ervaren, de wereld die wij zien, horen, ruiken, proeven, aanraken, de wereld waarin we de natuurlijke voorwerpen, de mineralen, de planten en de dieren vinden. Deze wereld wordt doortrokken, met geest doortrokken als ik me zo mag uitdrukken, door een hogere wereld, door de zogenaamde astrale wereld die we nu willen leren kennen.

Genauso, wie sich eine Flüssigkeit mit einer anderen, feineren Flüssigkeit mischt, so daß die eine Flüssigkeit die andere in allen Teilen durchsetzt, so durchsetzt die astrale Welt unsere Welt des Physischen; und diese astrale Welt ist wiederum durchsetzt von einer noch höheren Welt, welche wir die mentale Welt nennen, das ist die eigentliche geistige Welt. So sind drei Welten ineinandergefügt, die eine immer die andere durchsetzend, von denen der Mensch mit seinen gegenwärtigen Organen aber nur die physische Welt wahrnimmt. Allmählich den Sinn aufzuschließen für die unsichtbaren und unter gewöhnlichen Umständen unhörbaren Welten, das ist die Aufgabe der Theosophie. Was ist die astrale Welt? Wenn wir von der astralen Welt sprechen, so kommen wir am schnellsten dadurch zum Verständnis, wenn wir innerhalb all der Weltanschauungen, die außer dem Physischen noch ein Geistiges erkannt haben, diejenigen aufsuchen, in welchen von der Astralwelt und ihrer Beziehung zum Menschen gesprochen wurde. Auch die christliche Weltanschauung kennt diese Astralwelt. In den ersten Jahrhunderten des Christentums hat man

Net zoals een vloeistof zich vermengt met een andere fijnere vloeistof, zodat de ene vloeistof de andere in al zijn delen doordringt, zo doordringt de astrale wereld onze fysieke wereld; en deze astrale wereld is op zijn beurt weer doortrokken door een nog hogere wereld die wij de mentale wereld noemen, dat is de eigenlijke geestelijke wereld.
Zo zijn drie werelden met elkaar verbonden, waarbij de een de ander steeds versterkt, waarvan de mens met zijn huidige organen alleen de fysieke wereld waarneemt.
De taak van de antroposofie is om geleidelijk het gevoel van de onzichtbare en onder normale omstandigheden ook onhoorbare werelden te ontsluiten.
Wat is de astrale wereld?
Wanneer we over de astrale wereld spreken, komen we het snelst tot begrip wanneer we binnen alle wereldbeschouwingen die behalve het fysieke ook het geestelijke kennen, op te zoeken bij welke over de astrale wereld en de relatie met de mens wordt gesproken.
Ook de christelijke wereldbeschouwing kent de astrale wereld. In de eerste eeuwen van het christendom heeft men

Blz. 22

bei dem Menschen nicht bloß zwei Naturen unterschieden, wie später und oberflächerlicher: Körper und Seele, sondern man unterschied drei: Körper, Seele und Geist. Seele und Geist hat man in allen tieferen Weltanschauungen seit Urzeiten immer als die Bestandteile des Menschen angesehen. ( )
Die körperliche Natur ist bekannt. Unter der seelischen Natur verstand man in allen tieferen Religionen und Weltanschauungen das, was wir in der theosophischen Weltanschauung das Astrale nennen. Unter dem Ausdruck «Geist» verstand man das eigentlich Ewige der Natur des Menschen. Körper, Seele und Geist machen die dreifache Natur des Menschen aus.

bij de mens niet alleen maar twee naturen onderscheiden, zoals later en oppervlakkiger: lichaam en ziel, maar men onderscheidde er drie: lichaam, ziel en geest. Sinds de oudheid zijn ziel en geest in alle diepere wereldbeschouwingen altijd gezien als wezensdelen van de mens. ( )
De lichamelijke natuur is bekend. Onder de zielennatuur verstond men in alle diepere religies en wereldbeschouwingen dat wat wij in de antroposofische wereldbeschouwing het astrale noemen. Onder de uitdrukking ‘geest’ verstond men het eigenlijk eeuwige van de mensennatuur. :Lichaam, ziel en geest vormen de drievoudige natuur van de mens.

Steiner heeft vaak het Concilie van Constantinopel genoemd waarop in 869 de geest werd afgeschaft, o.a. in GA 293: voordracht 3, op deze blog gesproken.

Nadat Steiner uitvoerig over het fysieke lichaam heeft gesproken,. vervolgt hij over de astrale wereld:

Blz. 24

Das führt uns dahin einzusehen, daß dieser physikalisch und chemisch aufgebaute Körper, weil er in nur physikalischer und chemischer Beziehung eine Unmöglichkeit ist, durchlebt und durchströmt sein muß von einem höheren Prinzip, welches das niedere durchorganisiert, durchseelt und durchlebt. Das nächste Prinzip, das unseren Körper durchseelt und durchlebt, ist das, was bewirkt, daß seine Teile nicht schon bei Lebzeiten auseinanderfallen; und das, was das bewirkt, nennen wir das astrale Element im Menschen.

Dit brengt ons ertoe te zien dat dit fysiek en chemisch geconstrueerde lichaam, omdat het alleen in fysieke en chemische termen een onmogelijkheid is, [zonder leven is het nl. een lijk!] doorleefd en doorstroomd moet worden door een hoger principe dat het lagere grondig organiseert, bezielt en doet leven. Het volgend fundamentele dat ons lichaam doorzielt en doorleeft, is wat als werking heeft dat de delen niet al tijdens het leven uit elkaar vallen; en wat daarvoor zorgt, noemen wij het astrale element in de mens.

Wanneer je dit leest, schrik je even, want we hadden nu net gezien dat dat ‘volgend fundamentele’ door Steiner ‘etherlijf wordt genoemd.
Dat komt omdat deze voordracht vooral gaat over lichaam, ziel en geest; Steiner stapt hier van lichaam naar ziel, wat zal blijken.

 Wir können ganz genau sagen, was das astrale Element im Menschen ist. Es ist das, was alle Menschen, die ein solches Element in sich haben, dazu veranlaßt, in sich etwas geschehen zu lassen, was wir im weitesten Sinne mit Lust und Unlust bezeichnen. Lust und Unlust ist etwas, was in unserem Körper und in den Körpern, welche in astraler Beziehung uns ähnlich sind, auftritt und was nicht bewirkt werden kann durch die chemischen und physikalischen Stoffe.

We kunnen vrij precies zeggen wat het astrale element in de mens is. Het zorg ervoor dat bij alle mensen die dit wezenlijke deel in zich hebben er iets gebeurt wat wij in de ruimste zin als lust en onlust kunnen bestempelen. [In de artikelen ‘Rudolf Steiner over het astraallijf’ vind je veel meer karakteriseringen bij ‘lust en onlust’: zie1-7-2/4-2

Nehmen Sie einen Kristall oder irgendeine andere aus chemischen Stoffen zusammengesetzte physische Substanz. Alles kann mit ihm vorgehen, was sonst im Physischen vorgeht, nicht aber Lust und Unlust. Das ist nur im Menschen selbst zu finden und in denjenigen Wesen, die so wie der Mensch organisiert sind. Diese Wesen sind durchsetzt von einem Elemente, welches Lust und Unlust empfinden kann. Wenn Sie einen Stein stoßen, so wird er weiterfliegen oder irgendwo auffallen und einen Eindruck machen. Wenn Sie ein solches Naturobjekt in dieser oder in einer anderen Weise beeindrucken, so können Sie das von außen sehen; sie können es sogar einem Vorgang unterwerfen, der es zerstört, aber es wird nie Lust oder Unlust empfinden. Lust und Unlust reichen so weit, wie die astrale Welt reicht. Und genauso, wie ich durch die in mir sich vollziehenden Prozesse chemischer und physikalischer Art der äußeren Welt angehöre, so habe ich wirklich und real alle die verschiedenen Nuancen von Lust und Unlust in mir, und durch diese verschiedenen Nuancen und Erscheinungen von Lust und Unlust gehöre ich einer Welt an, die unsere körperliche Welt durchsetzt und durchseelt und die ebenso außer mir ist und was uns fortwährend durchzieht und durchgeistigt.

Neem eens een kristal of een of ander uit chemische stoffen samengestelde fysieke substantie. Daar kan van alles mee gebeuren wat normaliter in de fysieke wereld voorvalt, maar er is geen lust en onlust. Die zijn alleen in de mens zelf te vinden en in de wezens die zoals de mens hun organisatie hebben. Deze wezens zijn doortrokken door een element dat lust en onlust kan ervaren. Wanneer je tegen een steen stoot, zal deze verder rollen of ergens vanaf vallen en een afdruk maken. Wanneer je op zo’n natuurvoorwerp druk uitoefent, kan je dat vanbuiten zien; je kan er zo mee omgaan dat je het vernielt, maar het zal nooit lust of onlust ervaren. Lust en onlust zijn er zo veel als de astrale wereld reikt. En net zoals ik door de processen in mij die van chemische en fysische aard zijn, bij de uiterlijke wereld hoor, heb ik echt en werkelijk al de verschillende nuances van lust en onlust in mij en door deze verschillende nuances en verschijnselen van lust en onlust behoor ik tot een wereld die onze fysieke wereld doordringt en bezielt en die net zo buiten mij is als in mij.

Blz. 25

Im Raume ist nicht nur Luft, die das körperliche physische Leben unterhält, sondern der Raum ist auch durchsetzt von einer astralen Welt, an der wir Menschen ebenso teilnehmen, wie wir an der äußeren physischen Welt teilnehmen. Und so, wie wir nicht leben könnten als physische Wesen, ohne daß wir die physische Kraft durch unseren Organismus fließen lassen, ebensowenig könnten wir als Lust- und Unlustwesen, als astrale Wesen leben, ohne daß wir an dem teilnehmen, was in der astralen Welt vorgeht, was in ihr lebt und webt und was uns fortwährend durchzieht und durchgeistigt. So, wie wir in der physischen Welt durch unsere Haut abgegrenzt und dadurch individualisiert sind, so sind wir auch in der allgemeinen astralen Welt abgeschlossen. Wir sind innerhalb derselben als einzelne astrale Wesenheiten individualisiert und nehmen teil an dieser astralen Welt um uns herum. Wir haben nun auf eine Welt hingedeutet, welche unsere physische Welt durchsetzt und durchzieht und durchwogt, wie die Tonwelt der Neunten Symphonie die Welt durchwogt, in welcher auch die Schnecke lebt.

In de kamer is er niet alleen lucht die het fysieke leven in stand houdt, maar de kamer is ook doordrongen van een astrale wereld waaraan wij mensen deelnemen, net zoals we deelnemen aan de fysieke buitenwereld. En net zoals we niet als fysieke wezens zouden kunnen leven zonder fysieke kracht door ons organisme te laten stromen, net zo min zouden we kunnen leven als wezens met lust en onlust, als astrale wezens, zonder deel te nemen aan wat er in de astrale wereld gebeurt, wat erin leeft en weeft en wat ons voortdurend doordringt en vergeestelijkt. Net zoals we in de fysieke wereld door onze huid worden begrensd en daardoor geïndividualiseerd, zijn we ook in de algemene astrale wereld afgesloten. Wij zijn daarin geïndividualiseerd als individuele astrale entiteiten en nemen deel aan de astrale wereld om ons heen. We hebben nu gewezen op een wereld die onze fysieke wereld doordringt en doorgolft, net zoals de tonale wereld van de Negende Symfonie de wereld doordringt waarin ook de slak leeft.

Im gewöhnlichen Leben nimmt der Mensch die Welt durch seine Sinne wahr, aber er ist nicht imstande, jene Welt wahrzunehmen, die ihn selbst durchgeistigt und durchwebt und seinen eigenen Astralorganismus ausmacht. Der Umstand, daß wir eine Welt nicht wahrnehmen, ist nun aber kein Grund zu sagen, daß diese Welt nicht da ist. Warum nehmen Sie jeden anderen hier sitzenden Menschen als physisches Wesen wahr? Weil Ihre Augen darauf eingerichtet sind, die physischen Lichtstrahlen durch Ihre Augen wahrzunehmen. Ihre Augen können die physischen Körper der anderen Menschen um Sie herum wahrnehmen. Diese physischen Körper sind für Sie wirklich. Sie wären für Sie nicht da, wenn Ihre Augen nicht da wären, sie zu sehen. Ebenso ist in jedem dieser anderen Menschen Lust und Unlust in unzähligen Nuancen vorhanden. Eine ebenso reiche Welt wie die, welche Sie mit Augen sehen, ist in jedem von Ihnen; es ist eine reiche Welt von Lust und Unlust. Und ebenso wirklich wie Ihr physischer Körper, ist ein zweiter Körper, der den physischen Körper durchsetzt, von dem dieser physische Körper ganz durchdrungen ist. Sie dürfen nicht

In het gewone leven neemt de mens de wereld waar via zijn zintuigen, maar hij is niet in staat die wereld waar te nemen die door hem heen vergeestelijkt en weeft en zijn eigen astrale organisme vormt. Het feit dat wij een wereld niet waarnemen is geen reden om te zeggen dat deze wereld er niet is. Waarom zie je iedere andere persoon die hier zit als een fysiek wezen? Omdat je ogen zijn ontworpen om de fysieke lichtstralen door je ogen waar te nemen. Je ogen kunnen de fysieke lichamen van andere mensen om je heen waarnemen. Deze fysieke lichamen zijn reëel voor je. Ze zouden er niet voor je zijn als je ogen er niet waren om ze te zien. Op dezelfde manier zijn plezier en ongenoegen in talloze nuances aanwezig bij elk van deze andere mensen. Een wereld zo rijk als wat je met je ogen ziet, zit in ieder van ons; het is een rijke wereld van plezier en pijn. En net zo werkelijk als je fysieke lichaam is een tweede lichaam dat het fysieke lichaam doordringt, waarmee dit fysieke lichaam volledig doordrongen is. Je mag niet

Blz. 26

sagen, daß nur das wirklich ist, was Sie sehen, was Sie physisch wahrnehmen können, denn jeder von Ihnen weiß, daß eine Welt von Lust und Unlust in ihm ebenso wirklich lebt, wie Muskelfleisch und Nervenfasern in ihm leben. Nur weil die geistigen Augen nicht aufgeschlossen sind, deshalb sehen Sie diese Wirklichkeiten nicht. Wären Ihre Augen dafür aufgeschlossen, dann würden Sie bei jedem anderen Menschen, ebenso wie Sie seine Hautfarbe und seine Kleider wahrnehmen, ihn auch wahrnehmen können durchströmt von Kräften und Substantialitäten, von Wesenheiten, die wirklich sind, die wir als Lust- und Unlustwesen bezeichnen können. Für denjenigen, dessen Sinn aufgeschlossen ist für diese Wirklichkeiten, ist diese Welt ebenso wirklich wie die körperliche Welt. In jedem Menschen ist so außer dem physischen Körper noch der astrale Körper, der so genannt wird, weil er für den Seher in einem hellen Lichte erglänzt, das ein Ausdruck ist für sein ganzes Lust- und Unlustleben, für alles, was als Gefühl in ihm lebt.

zeggen dat alleen wat je ziet, wat je fysiek kunt waarnemen reëel is, omdat jullie allemaal weten dat er een wereld van lust en onlust in je leeft, net zo reëel als spiervlees en zenuwvezels. Alleen omdat de spirituele ogen niet open zijn, zie je deze realiteiten niet. Als je ogen hiervoor open zouden zijn, zou je iedere andere persoon kunnen waarnemen, net zoals je hun huidskleur en hun kleding waarneemt, doorstroomd door krachten en substanties, van wezens die echt zijn, die we kunnen omschrijven als wezens van plezier en pijn . Voor degene wiens geest openstaat voor deze realiteiten, is deze wereld net zo reëel als de fysieke wereld. In ieder mens bevindt zich naast het fysieke lichaam ook het astrale lichaam, dat zo wordt genoemd omdat het voor de ziener straalt met een helder licht, dat een uitdrukking is van al zijn lust en onlustgevoelens, van alles wat als gevoel in hem leeft. 

Hier geeft Steiner een nieuwe karakteristiek over het woord ‘astraal’. (Zie hierboven in cursief)

Nu volgt er een passage waarin Steiner over zijn eigen helderziende waarnemingen vertelt. Ik heb die niet, dus enerzijds klinkt dit voor mij heel apart, anderzijds vind ik het daardoor niet meteen ‘onzin’.

So wie nicht nur Sie selbst wissen, daß Sie aus Fleisch und Blut bestehen, sondern die anderen Menschen dies auch wahrnehmen können, so sind die Lust- und Unlustgefühle nur solange für Sie allein da, als nicht ein anderer sie wahrnimmt. Etwas größer als Ihr physischer Körper ist Ihr astraler Organismus, etwas herausragend über denselben. Denken Sie sich einen Saal, in dem eine Versammlung abgehalten wird und in dem die verschiedenen Redner sprechen. Wenn ein Hellseher mit seinen Seheraugen den Saal durchschaut, nimmt er nicht nur die Worte wahr, die gesprochen werden, nicht nur die funkelnden Augen und die sprechenden Physiognomien, er sieht noch etwas anderes: er sieht, wie von dem Redner zu den anderen Menschen die Leidenschaften herüberspielen, er sieht, wie die Empfindungen und Gefühle in dem Redner aufleuchten, er sieht, ob ein Redner zum Beispiel aus Rache oder aus Enthusiasmus spricht. Bei dem Enthusiasten sieht er das Feuer des Astralkörpers ausströmen, und bei der großen Menge der Menschen sieht er eine Fülle von Strahlen; diese rufen wiederum in dem Redner Lust oder Unlust hervor. Da ist eine Wechselwirkung der

Net zoals jij niet alleen weet dat je van vlees en bloed bent, maar andere mensen dit ook kunnen waarnemen, zo zijn de gevoelens van lust en onlust er alleen voor jou zolang als niemand anders ze waarneemt. Iets groter dan je fysieke lichaam is je astrale organisme, iets daarbuiten uitstekend. Stel je een zaal voor waarin vergaderd wordt en waarin de verschillende sprekers aan het woord komen. Wanneer een helderziende met zijn zienerogen door de zaal kijkt, neemt hij niet alleen de woorden waar die worden gesproken, niet alleen de sprankelende ogen en de sprekende gezichtsuitdrukkingen, hij ziet nog iets anders: hij ziet hoe van de spreker naar de andere mensen diens gevoelens overgaan, hij ziet hoe de sensaties en gevoelens in de spreker oplichten, hij ziet of een spreker bijvoorbeeld uit wraak of enthousiasme spreekt. Bij wie enthousiast is, ziet hij het vuur van het astrale lichaam uitstromen, en in de grote menigte mensen ziet hij een overvloed aan stralen; deze roepen op hun beurt weer plezier of ongenoegen op in de spreker. Er is een wisselwerking van de 

Blz. 27

Temperamente, die offen und klar vor dem Seher sich abspielt. Das ist eine ebenso wirkliche Welt, von der wir ein Teil sind, wie die äußere Welt, in der wir leben. Nicht umsonst, nicht zwecklos hat die theosophische Bewegung den Menschen hingewiesen auf diese unsichtbaren Welten, von denen die Menschen ein Teil sind, in die wir fortwährend unsere Wirkungen hineinsenden. Sie können kein Wort sprechen, keinen Gedanken fassen, ohne daß Gefühle in den Raum hinauswirken. Wie unsere Handlungen in den Raum hinauswirken, so wirken auch die Gefühle; sie durchsetzen den Raum und beeinflussen die Menschen und die ganze astrale Welt. Der Mensch ist unter gewöhnlichen Verhältnissen sich nicht bewußt, daß ein Strom von Wirkungen von ihm ausgeht, daß er eine Ursache ist, deren Wirkungen überall in der Welt wahrzunehmen sind. Er ist sich nicht bewußt, daß er dadurch auch Unheil anrichten kann, daß er Ströme von Lust und Unlust, von Leidenschaften und Trieben in die Welt hinaussendet, die auf andere Menschen auf die schädlichste Weise wirken können.

temperamenten dat zich helder en open afspeelt voor de ziener. Dit is net zo’n reële wereld waarvan wij deel uitmaken als de buitenwereld waarin wij leven. Het is niet voor niets en niet zonder doel dat de antroposofische beweging de aandacht van mensen heeft gevestigd op deze onzichtbare werelden, waar mensen deel van uitmaken, waar wij voortdurend naartoe sturen wat ervan ons uitgaat. Je kunt geen woord spreken of een gedachte vormen zonder dat er gevoelens de kamer in stromen. Net zoals onze acties de ruimte beïnvloeden, geldt dat ook voor onze gevoelens; ze doordringen de ruimte en beïnvloeden mensen en de hele astrale wereld. Onder normale omstandigheden is de mens zich er niet van bewust dat er een stroom van invloeden van hem uitgaat, dat hij een oorzaak is waarvan de gevolgen overal ter wereld waarneembaar zijn. Hij is zich er niet van bewust dat hij ook schade kan aanrichten door stromen van plezier en pijn, van hartstochten en driften de wereld in te sturen, wat de meest schadelijke gevolgen voor andere mensen kan hebben.

Er ist sich nicht bewußt, was er mit seinem Gefühlsleben bewirkt. Unser Wissen ist nicht zu einem zwecklosen Dasein bestimmt; es ist nicht dazu da, um bloß zu erkennen, nicht um seiner selbst willen ist es da. Es ist eine schöne Phrase der abendländischen Gelehrsamkeit geworden, das Wissen sei um seiner selbst willen da. Wer sich in die morgenländische Weisheit vertieft, der findet noch etwas anderes als das Wissen um seiner selbst willen. Er weiß, daß es sich beim Wissen darum handelt, sich im Sinne dieses Wissens in der Welt zu betätigen. Wir lernen die physische Welt kennen, um in der physischen Natur nicht wie in einem Chaos zu wirtschaften. Und wir lernen die höhere Natur kennen, um in dieser höheren Natur in bewußter Weise zu wirken. Wer diese höhere Natur erkennt und beherrscht, lernt, in ihr bewußt zu wirken; er lernt, seine Gedanken zu beherrschen und sie nicht zufällig wirken zu lassen, sie auch nicht zufällig loszulassen, sondern sie im Zaume zu halten; er lernt, sein Innenleben zu beherrschen, sein Innenleben zu regeln, so daß es im idealsten Sinne auf die Umwelt veredelnd wirkt. 

Hij is zich niet bewust van wat hij met zijn emotionele leven teweeg brengt. Onze kennis is niet bestemd voor een doelloos bestaan; het is er niet alleen maar om te weten, het is er niet omwille van zichzelf. In de westerse wetenschap is het een mooie frase geworden dat kennis bestaat omwille van zichzelf. Iedereen die zich verdiept in de oosterse wijsheid zal iets anders vinden dan kennis omwille van de kennis. Hij weet dat kennis gaat over actief zijn in de wereld in de geest van deze kennis. We leren de fysieke wereld kennen, om niet in de fysieke natuur als in een chaos te handelen.  En we leren de hogere natuur kennen om bewust in deze hogere natuur te kunnen werken. Iedereen die deze hogere natuur kent en beheerst, leert er bewust in te werken; hij leert zijn gedachten te beheersen en ze niet willekeurig te laten werken, noch die zomaar te laten gaan, maar ze onder controle te houden; hij leert zijn gevoelsleven te beheersen, zijn gevoelsleven zo te reguleren dat het in de meest ideale zin een veredelende werking heeft op de omgeving.

Blz. 28

Dadurch erlangen die höheren Welten, die – lassen Sie mich das betonen – ebenso wirklich sind wie unsere physische Welt, ja noch wirklicher, eine immense Bedeutung für die physische Welt. Wer weiß, daß das, was in der astralen Welt vorgeht, viel wichtiger ist für den Weltprozeß als das, was Sie in der physischen Welt zu sehen und zu tun vermögen, der wird diese Welt auch richtig in ihrer Bedeutung einschätzen. Wenn Sie noch weiter hinaufsteigen, würden Sie Welten finden, die noch wichtiger sind als die astrale Welt. Davon spricht auch die christliche Religion. Was diese als «Seele» bezeichnet, ist die astrale Welt, was sie als «Geist» bezeichnet, ist das, was Sie in der Theosophie als «Mentalebene» kennen. Warum ist die höhere, die astrale Welt so unendlich viel wichtiger als die physische Welt? Weil die physische Welt nichts anderes ist als der Ausdruck dieser astralen Welt, als die Wirkung der astralen Welt. Ich möchte Ihnen als Erläuterung eine Erscheinung anführen, die Ihnen zeigen wird, wie unendlich viel bedeutsamer das ist, was in der astralen Welt vorgeht, als das, was in der physischen Welt sich abspielt.

Als gevolg hiervan krijgen de hogere werelden, die – laat ik dit benadrukken – net zo reëel als onze fysieke wereld, zelfs nog reëler, een enorme betekenis voor de fysieke wereld. Iedereen die weet dat wat er in de astrale wereld gebeurt veel belangrijker is voor het wereldproces dan wat je in de fysieke wereld kunt zien en doen, zal ook het belang van deze wereld correct inschatten. Als je nog hoger komt, zul je werelden vinden die nog belangrijker zijn dan de astrale wereld. Ook de christelijke religie spreekt hierover. Wat zij de ‘ziel’ noemt, is de astrale wereld; wat zij de ‘geest’ noemt, is wat u in de antroposofie kent als het ‘mentale gebied’. Waarom is de hogere, de astrale wereld zo oneindig veel belangrijker dan de fysieke wereld? Omdat de fysieke wereld niets anders is dan de uitdrukking van deze astrale wereld, als de uitwerking van de astrale wereld.

( )
Antroposofie en wetenschap

Nu houdt Steiner de (materialistische) wetenschapper nog een soort spiegel voor:

Ja, unbescheiden sind heute die Menschen in Bezug auf die Erkenntnis, unbescheiden deshalb, weil sie ablehnend sind gegenüber allem, was ihre Sinne und ihr Verstand nicht begreifen. Denken Sie sich, wenn die Schnecke sich

Ja, de mensen zijn vandaag de dag, als het om kennis gaat, onbescheiden omdat ze alles afwijzen wat hun zintuigen en hun verstand niet begrijpen. Denk je eens in dat de slak

Blz. 29

unterfinge zu sagen, hier im Saal sei nichts anderes als das, was sie wahrnehme -, müßten wir nicht von dieser Schnecke sagen, sie habe in Bezug auf die Erkenntnis eine große Unbescheidenheit? Täuschen Sie sich nicht. Im schlimmsten Sinne des Wortes ist es ebenso mit dem Menschen, wenn er sagt: Was mein Verstand nicht wahrnehmen und nicht begreifen kann, das gibt es nicht in dieser Welt.

durfde te zeggen dat er niets anders in de kamer is dan wat hij waarneemt – zouden we dan niet van deze slak moeten zeggen dat hij een grote onbescheidenheid aan de dag legt, als het om kennis gaat? Vergis je niet. In de slechtste zin van het woord is het hetzelfde met de mens als hij zegt: wat mijn verstand niet kan waarnemen en begrijpen, bestaat niet in deze wereld.

Was will der gewöhnliche Wissenschaftler, der stolz ist auf seine Kultur und unbescheiden ist in Bezug auf sein gewöhnliches Erkennen? Er will alles das, was er wahrnehmen und erkennen kann, weiter verfolgen, und er will seine Erkenntnisse auf unzählige Sachen verbreiten. Das ist so, wie wenn die Schnecke nach allen Seiten herumkriecht und wahrnimmt, was sie wahrnehmen kann – sie würde nichts wahrnehmen als das, was ihre Schneckenorgane wahrnehmen können. So ist es auch bei den Menschen.

Wat wil de gewone wetenschapper die trots is op zijn cultuur en onbescheiden is over zijn gewone kennis? Hij wil alles wat hij kan waarnemen en herkennen verder volgen, en hij wil zijn bevindingen over talloze onderwerpen uitbreiden. Het is alsof de slak in alle richtingen rondkruipt en waarneemt wat hij kan waarnemen; hij zou niets anders waarnemen dan wat zijn slakkenorganen kunnen waarnemen. Hetzelfde geldt voor mensen.

( )

So unterscheidet sich die Gesinnung des Theosophen von der des gewöhnlichen Wissenschaftlers dadurch, daß er sich entwickeln will, daß er ehrlich und rechtschaffen an die Entwicklung seiner Fähigkeiten glaubt und sich bemüht, an
sich selbst zu arbeiten. Das, verehrte Anwesende, ist theosophische Gesinnung: an sich zu arbeiten, damit uns höhere Organe aufgehen, damit wir in die Lage kommen, in dem, was uns umgibt, Bedeutungsvolles, Wichtiges wahrzunehmen. Das muß immer mehr und mehr abendländische Gesinnung werden, wenn die
abendländische Menschheit nicht ganz in der materialistischen

De houding van de antroposofen is t.o.v. de gewone wetenschapper in die zin verschillend dat de eerste zich verder wil ontwikkelen, dat hij eerlijk en oprecht in die ontwikkeling van zijn vermogens gelooft en er moeite voor doet om aan zichzelf te werken. Dat nu, geachte aanwezigen, is de antroposofische houding: werken aan jezelf, zodat je hogere organen ontsluit, zodat we in wat er om ons heen is, waar gaan nemen wat daarvan belangrijk ius, betekenis heeft. Dat zal steeds meer de houding moeten worden van het Avondland, als de westerse mensheid tenminste niet helemaal in de materialistische

Blz. 30

Strömung aufgehen will. Wenn diese theosophische Gesinnung sich immer mehr und mehr verbreitet, dann wird man einsehen, daß alles dasjenige, was äußere physische Tatsachen und Erscheinungen sind, die Folgen, die Wirkungen tieferliegender Ursachen sind, die in der astralen Welt oder in noch höheren Welten liegen.
Gewöhnlich ist die abendländische Wissenschaft damit zufrieden, den Körper in allen seinen Bestandteilen zu erforschen. Aber die theosophische Gesinnung fragt: Hat dieser Körper sich selbst zusammengefügt? Wo könnte der Grund dafür sein? Können wir glauben, daß die Kräfte draußen in der Natur das Bedürfnis fühlen, sich zum Menschen zusammenzufügen? Nein. Wer in der höheren Welt zu sehen vermag, der weiß, daß der Mensch, bevor er im physischen Organismus lebt, vor seiner Geburt in einem astralen Dasein lebte. So wahr wir vor unserem physischen Dasein, vor der Geburt, ein astrales Dasein hatten, so wahr haben wir ein astrales Dasein auch nach unserer Geburt, und dieses reicht weiter als unser physischer Körper. Alles das ist eingeschlossen in dem, was wir das Mysterium von Geburt und Tod nennen.

stroom wil opgaan. Als deze antroposofische houding zich steeds verder uitbreidt, zal ingezien worden dat alles wat uiterlijke fysieke feiten en verschijnselen zijn, de gevolgen zijn, de uitwerkingen van dieper liggende oorzaken die in de astrale wereld of in zelfs hogere werelden liggen. De westerse wetenschap is er doorgaans tevreden mee om het lichaam in al zijn componenten te onderzoeken. Maar de antroposofische manier van denken vraagt: heeft dit lichaam zichzelf samengesteld? Wat zou de reden hiervoor kunnen zijn? Kunnen we geloven dat de krachten buiten in de natuur de behoefte voelen een mens samen te stellen? Nee. Wie in staat is om in de hogere wereld waar te nemen, weet dat de mens vóór die in een fysiek organisme leeft, voor zijn geboorte in een astraal bestaan leefde. Zo waar het is dat we vóór onze geboorte een astraal bestaan hadden, zo waar is het ook dat we na onze geboorte een astraal bestaan hebben en dit strekt zich verder uit dan ons fysieke lichaam. Dat zit allemaal besloten in wat we het mysterie van geboorte en dood noemen.
GA 88/22-30
Niet vertaald

Voordracht 2, Berlijn 4 november 1903

Die höheren Welten und der Anteil des Menschen an ihnen
De hogere werelden en het aandeel van de mens daarin

 Blz. 35

Wir Menschen gehören der astralen Welt ebenso an, wie wir der physischen Welt angehören. Wir gehören auch noch anderen Welten an, aber das Dasein dieser Welten verstehen wir erst, wenn wir sehen, was für Kräfte aus dem höheren Dasein hereinspielen. Demjenigen, dessen Augen für die astrale Welt geöffnet werden, geht ein neues Dasein auf: die Welt, in der wir alle Triebe und Instinkte, alle Leidenschaften und Temperamente so vor uns sehen, wie wir die Dinge um uns herum in der physischen Welt sehen. Diese 88/36 astrale Welt ist aber nicht die höchste. Sie ist diejenige, welche um eine Stufe höher liegt als unsere physische Welt, sie ist eine feinere Welt, die unsere ganze Welt durchdringt. Dann ist unsere Welt auch durchdrungen von einer noch höheren Welt, der eigentlichen geistigen Welt, die wir in der Theosophie die devachanische oder die mentale Welt nennen und die, wenn wir den Blick dafür geöffnet haben, es uns möglich macht, die Gedanken, welche nicht von Gefühlen und Wünschen durchzogen sind, die also reine Gedanken sind, wie Dinge zu sehen.

Wij mensen behoren tot de astrale wereld, net zoals we tot de fysieke wereld behoren. Wij behoren ook tot andere werelden, maar we begrijpen het bestaan ​​van deze werelden pas als we zien welke krachten vanuit het hogere bestaan ​​een rol spelen. Voor degenen wier ogen zijn geopend voor de astrale wereld, gaat er een nieuw bestaan ​​open: de wereld waarin we alle driften en instincten, alle hartstochten en temperamenten voor ons zien, net zoals we de dingen om ons heen zien in de fysieke wereld. Maar deze

Blz. 36

astrale Welt ist aber nicht die höchste. Sie ist diejenige, welche um eine Stufe höher liegt als unsere physische Welt, sie ist eine feinere Welt, die unsere ganze Welt durchdringt. Dann ist unsere Welt auch durchdrungen von einer noch höheren Welt, der eigentlichen geistigen Welt, die wir in der Theosophie die devachanische oder die mentale Welt nennen und die, wenn wir den Blick dafür geöffnet haben, es uns möglich macht, die Gedanken, welche nicht von Gefühlen und Wünschen durchzogen sind, die also reine Gedanken sind, wie Dinge zu sehen.
Das sind die drei Welten, welchen der Mensch angehört, das sind die drei Welten, welche er durchläuft in seinen Leben von Verkörperung zu Verkörperung. Also nicht die höchste Welt ist es, mit der wir es bei der Astralwelt zu tun haben.

astrale wereld is niet de hoogste. Het is de wereld die één niveau hoger staat dan onze fysieke wereld, het is een subtielere wereld die onze hele wereld doordringt. Dan wordt onze wereld ook doordrongen van een nog hogere wereld, de werkelijke geestelijke wereld, die we in de antroposofie de devachanische of mentale wereld noemen en die, wanneer we onze ogen ervoor hebben geopend, het voor ons mogelijk maakt de gedachten die  niet zijn doordrongen van gevoelens en verlangens, die pure gedachten zijn, als dingen te zien.
Dat zijn de drie werelden waartoe de mens behoort, dat zijn de drie werelden waar hij in zijn leven van incarnatie naar incarnatie doorheen gaat. Bij de astraalwereld hebben we dus niet mede hoogste wereld te maken. 

Wir betrachten nun also diese Zwischenwelt, die aber, weil sie unserer physischen Welt zunächstliegt, für uns von ganz besonderer Wichtigkeit ist. Demjenigen, dessen Auge geöffnet ist für diese Sphäre, sprechen wir ein sogenanntes psychisches Sehen zu. Es erscheinen ihm nicht nur physische Dinge, sondern es erscheint ihm auch alles, was in den Menschen als Triebe, Wünsche und Leidenschaften lebt, als Dinge. Diese astrale Welt ist abgestuft. Sie ist so großartig, daß sich unsere physische Welt nicht damit vergleichen läßt. Nur eine skizzenhafte Schilderung kann ich davon geben. Wer das Auge dafür geöffnet hat, der sieht Dinge, die der gewöhnliche Mensch zwar wahrnimmt, die er aber sich noch nicht enträtseln kann. Das ist psychisches Sehen.

We beschouwen deze tussenwereld die echter, omdat deze het dichtst bij onze fysieke wereld staat, dus als een wereld die voor ons van groot belang is. Van degene die in deze wereld kan schouwen, zeggen we dat deze een zogeheten psychisch zien heeft. Er verschijnen aan hem niet alleen maar fysieke dingen, maar ook alles wat in de mens als drift, wens en hartstocht leeft, verschijnt aan hem als dingen. Deze astrale wereld verschijnt in niveaus. Deze is zo groots, dat je die niet kan vergelijken met de fysieke wereld. Ik kan er alleen maar een schets van geven. Wie er een open oog voor heeft, ziet dingen die de gewone mens weliswaar waarneemt, maar die hij nog niet ontraadselen kan. Dat is psychisch zien.
GA 88/35-36
Niet vertaald

.

Algemene menskunde: voordracht 1 –over het astraallijf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3125-2938

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ahriman in het onderwijs (7-3/2)

.

Wie zich verdiept in het werk van Steiner – of het nu het geschreven werk is of in wat hij met zijn voordrachten bracht – het begrip ‘Ahriman’ komt – meestal in één adem met ‘Lucifer’ – veelvuldig voor.

Op deze blog gaat het om de pedagogische achtergronden van het vrijeschoolonderwijs. En omdat de menskundige achtergronden wortelen in het antroposofisch mensbeeld zou je kunnen verwachten dat ook in de pedagogische voordrachten over Ahriman (en Lucifer) wordt gesproken.

En dat is inderdaad zo: in bepaalde voordrachten roert Steiner het onderwerp aan.
Wat hij daarover zegt, zal op deze blog worden weergegeven.

Voor wie dit onderwerp ( bijna) nieuw is, is dit artikel  (1) een inleiding tot meer begrip en in dit artikel  (2) is o.a. sprake van ‘kunstmatige intelligentie’, 

Als leerkrachten/opvoeders krijgen wij te maken met wat ‘de tijd’ met zich meebrengt. 
Nu is ‘de tijd’ maar een heel abstract begrip. Als we echter daarbij aan ‘de tijdgeest’ denken, zoals dat in artikel (2 – zie boven) wordt gedaan, kunnen we in de kunstmatige intelligentie dus een inspiratie zien van de ahrimanische tijdgeest.
Die herkennen, leren kennen en doorzien is een van onze eerste opdrachten. 

Op 21 augustus 1919 begint Steiner in Stuttgart met de cursus voor de eerste leerkrachten van de eerste Waldorfschool.
Op 1 augustus 1919 sluit hij een voordrachtenreeks in Dornach af die – wellicht verrassend – al over de Waldorfschool gaat:

   Die spirituellen, kulturgeschichtlichen und sozialen Hintergründe                                    der Waldorfschul-Pädagogik

Ook bekend onder de titel:
Die Erziehungsfrage als soziale Frage

Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave

6 voordrachten in Dornach van 9 t/m 17 augustus 1919

De opmerkingen die ik (in blauw) n.a.v. deze voordracht maak, moet je in samenhang met de totale tekst zien. Daarom is deze als vertaling onder aan het artikel weergegeven. Die zou je eigenlijk eerst moeten lezen.

Het lijkt erop of Steiner hier over het dagelijkse werk in de klas een machtige boog wil spannen, met aan de ene kant het (verre) verleden en aan de andere kant de (verre) toekomst.

In de 5e voordracht komt de intelligentie ter sprake, eveneens in een wijds verband:

Die Metamorphosen der menschlichen Intelligenz. Der Ägypter erfaßte das Kosmische durch seine Intelligenz; der Grieche das Tote. In der Gegenwart hat die Intelligenz die Neigung, sich mit dem Bösen zu verbinden. Verwandlung der Intelligenzkräfte durch das Christus-Mysterium.

De metamorfose van de menselijke intelligentie. De Egyptenaar begreep het kosmische door zijn intelligentie; de Griek de dood. In deze tijd heeft de intelligentie de neiging zich met het kwaad te verbinden. Omwerking van de intelligentiekrachten door het mysterie van Christus.

Door deze overkoepelende blik krijgen we een indruk hoe het met de ontwikkeling van de intelligentie is gegaan. En zoals ‘bewustzijn’ voor Steiner niet het bewustzijn is zoals we daar nu over spreken, maar een bewustzijn dat voortdurend in ontwikkeling is, zo spreekt hij ook over de intelligentie.

Voordracht 5, Dornach 16 augustus 1919

Blz. 85/86  vert. 97/98

Wenn man gegenwärtig von Intelligenz spricht, dann hat man eben eine Seelenkraft im Auge, die man sich in einer bestimmten Weise vorstellt, und von der man nur denkt, daß sie so sein könne und sein müsse, wie man
gewohnt worden ist, sie sich vorzustellen. Nun, es haben Intelligenz, wenn auch Intelligenz von anderer Form, auch gehabt die Menschen früherer Entwicklungsepochen, und will man die Bedeutung der sogenannten Intelligenz für den Menschen der Gegenwart voll kennenlernen, dann muß man schon die
Frage auf werfen: Wie sah die Intelligenz der Menschen früherer
Entwicklungsepochen aus und wie hat sich diese Intelligenz der Menschheit von früheren Zeiten bis in unsere Zeiten herein allmählich verändert?

Wanneer men het tegenwoordig over intelligentie heeft, dan wordt daarmee een innerlijke kracht bedoeld, die men zich op een bepaalde manier voorstelt en waarvan men denkt dat die alleen zo kan en moet zijn, zoals men gewend is zich die voor te stellen.
Maar ook de mensen uit vroegere ontwikkelingsstadia bezaten intelligentie, al was het een andere vorm van intelligentie. Wanneer men de betekenis van wat de moderne mens intelligentie noemt ten volle wil leren kennen, dan moet men de vraag stellen: hoe zag de intelligentie van mensen uit vroegere ontwikkelingstijdperken eruit en hoe is deze intelligentie van de mensheid uit vroegere tijden geleidelijk veranderd?

[ ]wenn man denkt, Intelligenz ist einmal Intelligenz, ist nur auf eine Art möglich; wer unsere Intelligenz hat, ist eben intelligent, wer unsere Intelligenz nicht hat, ist eben unintelligent. Das ist nicht richtig. Die Intelligenz geht Metamorphosen durch, die Intelligenz verwandelt sich.

wanneer men denkt dat intelligentie gewoon intelligentie is en maar in één vorm bestaat; wie onze intelligentie bezit is intelligent, wie onze intelligentie niet bezit is onintelligent. Dat klopt niet. De intelligentie ondergaat metamorfosen, ze verandert.

Steiner schetst dan de intelligentie van de Chaldeeuwse en Egyptische mens, hoe zijn intelligentie kosmisch georiënteerd was. Daarmee a.h.w. het leven, het scheppende leven, begreep. I.t.t. de Griekse mens die met zijn intelligentie de dood ging begrijpen. 

Durch das Nachdenken, durch die Intelligenz wußte er, lernte er nur kennen diejenigen Gesetzmäßigkeiten, diejenigen Regeln, welche zugrunde liegen all dem, was auf der Erde dem Tode unterliegt, was stirbt. Will ich das Lebendige verstehen, muß ich schauen – so sagten sich die Plato-Schüler; indem
ich nur nachdenke, begreife ich bloß das Tote.

Hij wist dat hij door het nadenken, door de intelligentie, alleen de wetmatigheden, de regels leerde kennen die ten grondslag liggen aan alles wat op aarde aan de dood onderhevig is, alles wat sterft. Wanneer ik het leven wil begrijpen, zo wisten de leerlingen van Plato, dan moet ik schouwen; wanneer ik nadenk, begrijp ik alleen het dode. 

In de Algemene menskunde is dit nader uiteengezet in voordracht 2.

Als we in onze tijd aankomen zegt Steiner over de ontwikkeling van de intelligentie: 

Blz. 89  vert. 101

Aber wiederum mit dem Übergänge durch die Mitte des 15. Jahrhunderts verändert sich neuerdings die Intelligenz, und wir stehen im Anfange dieser Veränderung, dieser Umwandlung der Intelligenz.
Unsere Intelligenz geht einen gewissen Weg; heute sind wir noch sehr stark in einer solchen Entwickelung der Intelligenz darinnen, wie sie die Griechen hatten. Wir begreifen durch unsere Intelligenz dasjenige, was dem Tode unterliegt. Aber auch diese Art von Intelligenz, die das Tote begreif t, verwandelt sich. Und in den nächsten Jahrhunderten und Jahrtausenden wird diese Intelligenz etwas anderes, etwas weit weit anderes werden. Sie hat heute schon eine gewisse Anlage, unsere Intelligenz. Wir werden als Menschheit einlaufen in eine Entwickelung der Intelligenz so, daß die Intelligenz wird die Neigung haben, nur das Falsche, den Irrtum, die Täuschung zu begreifen und auszudenken nur das Böse

Met de overgang in het midden van de 15e eeuw verandert de intelligentie opnieuw, en we staan aan het begin van deze verandering, deze metamorfose van de intelligentie. Onze intelligentie gaat een bepaalde weg; tegenwoordig verkeren we nog sterk in een ontwikkeling van de intelligentie zoals de Grieken die hadden. Door onze intelligentie begrijpen wij dat wat aan de dood onderhevig is. Maar ook deze vorm van intelligentie die het dode begrijpt, verandert. In de komende eeuwen en millennia zal deze intelligentie iets totaal anders worden. Onze intelligentie heeft nu al een bepaalde aanleg. De mensheid zal terechtkomen in een ontwikkeling van de intelligentie waarin deze de neiging zal hebben alleen het onware, de dwaling, het bedrog te begrijpen, en alleen het kwade uit te denken. 

Die Menschheit ist heute in diesem Übergänge. Wir können sagen: Gerade noch gelingt es den Menschen, wenn sie ihre Intelligenz anstrengen und nicht in sich ganz besonders wilde Instinkte tragen, nach dem Lichte des Guten etwas hinzuschauen. Aber diese menschliche Intelligenz wird immer mehr und mehr die Neigung bekommen, das Böse auszudenken und das Böse dem Menschen einzufügen im Moralischen, das Böse in der Erkenntnis, den Irrtum.

De mensheid verkeert nu nog in deze overgang. Wij zouden kunnen zeggen: het lukt de mens nog net, wanneer hij zijn intelligentie gebruikt en geen buitengewoon wilde instincten in zich heeft, enigszins naar het licht van het goede op te zien. Maar deze menselijke intelligentie zal steeds sterker de neiging vertonen, het kwade uit te denken, het kwade in te voegen in het morele en in het kennen, de dwaling.

Wie alle artikelen over ‘Ahriman en het onderwijs‘ heeft gelezen, voorvoelt al uit deze woorden, dat het over ‘de leugengeest’ gaat.

Blz. 90  vert. 102

Und würde der Mensch nichts anderes ausbilden als seine Intelligenz, dann würde er auf der Erde ein böses Wesen werden. Wir dürfen nicht rechnen, wenn wir mit der Zukunft der Menschheit rechnen und diese Zukunft uns als heilsam denken wollen, wir dürfen nicht rechnen auf die einseitige Ausbildung
der Intelligenz.

Wanneer de mens niets anders zou ontwikkelen dan zijn intelligentie, dan zou hij op aarde een boos wezen worden. Wanneer wij vertrouwen willen hebben in de toekomst van de mensheid en deze toekomst als een vruchtbare toekomst willen zien, dan mogen wij niet vertrouwen op de eenzijdige ontwikkeling van de intelligentie.

Het antwoord op de vraag hoe wij ons kunnen beschermen tegen deze eenzijdige ontwikkeling van de intelligentie is niet makkelijk te begrijpen.
Het antwoord is nl. niet gevonden d.m.v. de intelligentie, maar door het schouwen in de geestelijke wereld, uiteraard door Steiner. 
De mensen zouden al veel meer tot het kwaad zijn vervallen als zich niet een gebeurtenis in de wereld had voltrokken, die Steiner veelal het mysterie van Golgotha noemt. Voor hem is die gebeurtenis iets objectiefs:

Aber ein Objektives ist dazu notwendig. Und hier tritt man vor ein tiefes Geheimnis gerade der christlich-esoterischen Entwickelung.
Wäre das Mysterium von Golgatha nicht im Laufe der Erdenentwickelung geschehen, dann wäre es unvermeidlich, daß die Menschen nach und nach durch ihre Intelligenz böse und in den Irrtum verfallende Wesen werden müßten. Sie wissen ja, mit dem Mysterium von Golgatha ist nicht nur eine Lehre, eine Theorie, eine Weltanschauung, eine Religion in die Entwicklung der Menschheit eingeflossen, sondern mit dem Mysterium von Golgatha ist etwas Tatsächliches geschehen.
In dem Menschen Jesus von Nazareth hat gewohnt das außerirdische Wesen, der Christus. Dadurch, daß der Christus in dem Jesus von Nazareth gewohnt hat, der Jesus von Nazareth gestorben ist, ist das Christus-Wesen übergegangen in die irdische Entwicklung, da ist das Christus-Wesen darinnen. Wir müssen uns nur bewußt sein, daß

Maar daarvoor is iets objectiefs noodzakelijk. En daarmee staan we dan voor een diep geheim van de christelijk-esoterische ontwikkeling. Wanneer het Mysterie van Golgotha niet zou hebben plaatsgevonden, dan zou het onvermijdelijk zijn geweest dat de mensen door hun intelligentie langzaam maar zeker tot boze en in dwaling verkerende wezens moesten worden. U weet dat met het Mysterie van Golgotha niet slechts een leer, een theorie, een wereldbeschouwing of een godsdienst in de ontwikkeling van de mensheid binnenstroomde, maar dat met het Mysterie van Golgotha een concrete gebeurtenis plaatsvond. In de mens Jezus van Nazareth leefde het wezen dat niet van de aarde afkomstig was, de Christus. Doordat de Christus in Jezus van Nazareth leefde, en Jezus van Nazareth is gestorven, is het Christus-wezen overgegaan in de aardse ontwikkeling, daarin is het Christus-wezen binnengegaan. Wij moeten ons er echter bewust van zijn dat dit een

Blz. 91  vert. 103

das eine objektive Tatsache ist, daß das eine Tatsache ist, die mit dem, was wir subjektiv erkennen, was wir subjektiv empfinden, als solches nichts zu tun hat. Wir müssen es erkennen um unseres Erkennens willen. Wir müssen es aufnehmen in unser Ethos, um dieses unseres Ethos willen. Aber der Christus ist ausgeflossen in die Menschheitsentwickelung, da ist er seitdem darinnen – was man die Auferstehung nennt – und er ist vor allen Dingen in unseren eigenen Seelenkräften.
Fassen Sie nur einmal diese Tatsache in ihrer ganzen Tiefe auf!

objectief feit is, dat dit een feit is dat met ons subjectieve begrijpen, met ons subjectieve beleven helemaal niets te maken heeft. We moeten het begrijpen, ter wille van ons inzicht. We moeten het opnemen in onze levenshouding, ter wille van onze levenshouding. De Christus is uitgestroomd in de mensheidsontwikkeling, daar bevindt Hij zich sindsdien dat noemen we de Opstanding en Hij is bovenal in onze eigen innerlijke kracht. Neemt u dit feit maar eens diep in uw innerlijk op!

Nu houdt Steiner ons voor dat we de schadelijke kant van de boosaardige wordende intelligentie alleen kunnen weerstaan wanneer we Christus in ons leven opnemen.

Blz. 92  vert. 104

Er kann den Funken des Christus in sich selber finden, wenn er sich anstrengt durch sein Leben.
Und in dieser Wiedergeburt, in diesem Finden des ChristusFunkens in sich, in diesem aufrichtigen und ehrlichen Sich-sagenKönnen: «Nicht ich, sondern der Christus in mir», liegt die Möglichkeit, den Intellekt nicht in Täuschung und in das Böse verfallen zu lassen. Und das ist im esoterisch-christlichen Sinne der höhere Begriff der Erlösung.

Hij kan de vonk van de Christus in zichzelf vinden, wanneer hij zich daarvoor inspant. En in deze wedergeboorte, in het vinden van de Christus-vonk in zichzelf, wanneer men oprecht en eerlijk tegen zichzelf kan zeggen: “Niet ik, maar de Christus in mij”, ligt de mogelijkheid het intellect niet in dwaling en in het boze te laten vervallen.

Wir müssen unsere Intelligenz ausbilden, denn wir können ja nicht unintelligent werden; aber wir stehen, indem wir anstreben unsere Intelligenz auszubilden, vor der Versuchung, dem Irrtum und dem Bösen zu verfallen. Wir können der Versuchung, dem Irrtum und dem Bösen zu verfallen, nur entgehen, wenn wir uns aneignen die Empfindung von dem, was das Mysterium von Golgatha in die Menschheitsentwickelung hineingebracht hat.

We moeten onze intelligentie ontwikkelen, want we kunnen niet onintelligent worden. Maar wanneer we ernaar streven onze intelligentie te ontwikkelen, staan we voor de verleiding in dwaling en in het kwade te vervallen. Deze verleiding kunnen we alleen weerstaan wanneer we in onszelf kunnen beleven wat het Mysterie van Golgotha in de mensheidsontwikkeling gebracht heeft.

Es ist schon so, daß der Mensch in dem Christus-Bewußtsein, in dem Vereinigtsein mit dem Christus findet die Möglichkeit, dem Bösen, dem Irrtum zu entrinnen.

Het is namelijk zo, dat de mens in het Christus-bewustzijn, in het verenigd zijn met de Christus, de mogelijkheid vindt om aan het kwade, aan de dwaling te ontkomen.

Vragen die opkomen en waarop ik geen antwoord heb, zijn voor mij bijv.

Kan dit alleen door ‘in Christus te leven’ – hoe leef je dan, wat moet er dan in je plaatsvinden?
Kan het door anderen? Kan het als je atheïst bent, agnost, moslim, boeddhist?
(Over de atheïst en agnost zegt hij in deze voordracht ook iets – zie de totale vertaling onder aan het artikel.)

Is dit dan de enige richting?:

Ganz und gar ahrimanisch würde die Intelligenz der Menschen,
wenn das Christus-Prinzip die Seelen der Menschen nicht durchdränge.

De menselijke intelligentie zal volledig ahrimanisch worden wanneer het Christusprincipe de zielen van de mensen niet zal doordringen.

Nu zouden we dit allemaal nog voor ons persoonlijk leven kunnen laten gelden, maar Steiner trekt het ook door naar het (vrijeschool)onderwijs.

Das ist auch etwas, wovon ein Bewußtsein entwickelt werden muß bei denjenigen Menschen, die für die Menschenzukunft Erzieher und Unterrichter werden. Die Kinder sind heute anders, als sie waren vor Jahrzehnten. Das ergibt sich schon einer oberflächlichen Betrachtung sehr deutlich. Man muß sie anders erziehen und anders unterrichten, als man sie vor Jahrzehnten unterrichtet hat. Man muß mit dem Bewußtsein unterrichten, daß man eigentlich bei jedem Kinde eine Rettung zu vollziehen hat, daß man jedes Kind dahin bringen muß, im Lauf des Lebens den Christus-Impuls in sich zu finden, eine Wiedergeburt in sich zu finden.

Ook hiervoor moeten de mensen die opvoeder en onderwijzer voor de menselijke toekomst willen worden, een bewustzijn ontwikkelen. De kinderen van nu zijn anders dan die van tientallen jaren geleden, dat is zelfs met een oppervlakkige waarneming al duidelijk vast te stellen. Zij moeten anders opgevoed en onderwezen worden dan tot nog toe gebeurde. Men moet onderwijzen in het bewustzijn dat men eigenlijk bij elk kind een redding moet volbrengen, dat men elk kind zover moet brengen dat het in de loop van zijn leven de Christusimpuls in zich vindt, dat het in zichzelf een wedergeboorte beleeft.

Solche Dinge, sie lebt man da, wo man sie zum Beispiel nötig hat als Lehrer, als Erzieher, nicht aus, wenn man sie einfach nur theoretisch kennt; sie lebt man nur aus, man führt sie nur ein in die Erziehung, in das Unterrichten, wenn man in der Seele stark erfaßt ist von diesen Dingen. Von der Lehrerschaft insbesondere muß es gefordert werden, daß sie in ihrer Seele stark erfaßt wird von diesem Sorgenvollen für die Menschheit, welche Versuchung der Intellekt mit sich bringt! Der Stolz, den die gegenwärtige Menschheit auf den Intellekt entwickelt, dieser Stolz, er könnte sich schwer rächen an der Menschheit, wenn er nicht durch dasjenige abgelähmt würde, was ich eben auseinandergesetzt habe, wenn er nicht abgelähmt würde durch ein starkes, energisches Bewußtsein: das Beste in mir als Mensch dieser

Dergelijke dingen kan men, als leraar of opvoeder niet verwerkelijken waar dat nodig is, wanneer men ze slechts als theorie kent. Alleen wanneer de ziel sterk betrokken is bij deze dingen, kunnen ze ook verwerkelijkt en toegepast worden in opvoeding en onderwijs. Juist van de leraren moet verlangd worden dat ze in hun ziel de bezorgdheid beleven voor de mensheid, die staat voor de verleiding die het intellect met zich meebrengt. De trots die de moderne mensheid aan zijn intellect ontleent, kan de mensheid duur komen te staan wanneer die trots niet wordt afgezwakt door een sterk en energiek besef: het beste in mij als mens in deze en volgende incarnaties is wat ik in mijzelf als de Christus-impuls vind. 

Zou Steiner alleen ‘opvoeder’ hebben gezegd, dan hadden we het nog als iets voor ‘thuis’ kunnen zien, maar hij gebruikt bewust ook ‘onderwijzer’.
En dat roept weer nieuwe vragen op. Hoe vaak heeft Steiner niet gezegd dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn. Nu krijg je de indruk dat de vrijeschool een christelijke school moet zijn. Niet in de traditionele zin van christelijk:

Blz. 95  vert. 107/108

Nun muß man sich klar sein darüber, daß dieser Christus-Impuls nicht sein darf die Dogmatik irgendeiner Religionsgemeinschaft. Die Religionsgemeinschaften haben seit der Mitte des 15. Jahrhunderts in ihrer Entwicklung mehr beigetragen, den Christus-Impuls von der Menschheit zu entfernen, als ihn der Menschheit nahe zu bringen. Die Religionsgemeinschaften machen den Menschen allerlei vor; aber indem sie ihnen dies oder jenes vormachen, bringen sie sie dem Christus-Impuls nicht nahe. Notwendig ist, daß der Mensch fühlt,
daß alles dasjenige, was sich ihm eröffnen und offenbaren kann in seinem Innern nach dem Mysterium von Golgatha hin, zusammenhängt mit dem, was für die Erde durch das Mysterium von Golgatha geworden ist. Empfindet man den Sinn der Erde in dem Mysterium von Golgatha, kann man sich aufraffen dazu, sich zu sagen: Die Entwicklung der Erde wäre sinnlos, wenn die Menschen durch ihre Intelligenz dem Bösen, dem Irrtum verfallen würden. Empfindet
man so den Sinn des Mysteriums von Golgatha, dann empfindet man
als sinnlos die Erdenentwickelung ohne das Mysterium von Golgatha.

Nu moet het duidelijk zijn dat deze Christus-impuls niet de dogmatiek van een of andere religieuze gemeenschap kan zijn. Vanaf het midden van de 1 5e eeuw hebben religieuze gemeenschappen er in hun ontwikkeling meer toe bijgedragen de Christus-impuls van de mensen te vervreemden, dan hem dichterbij te brengen. Zij maken de mensen van alles wijs, maar brengen de Christus-impuls daarmee niet dichterbij. Het is noodzakelijk dat de mens beseft dat alles waardoor hij innerlijk open kan staan voor wat het Mysterie van Golgotha hem kan openbaren, samenhangt met wat het Mysterie van Golgotha voor de aarde betekent. Ervaart men dat de betekenis van de aarde in het Mysterie van Golgotha ligt, dan kan men er toe komen om tegen zichzelf te zeggen: de ontwikkeling van de aarde zou zinloos zijn wanneer de mens door zijn intelligentie tot het boze, de dwaling vervalt. Wanneer men de betekenis van het Mysterie van Golgotha zo ervaart, dan ervaart men de aarde-ontwikkeling zonder het Mysterie van Golgotha als zinloos.

Het betekent dus dat wij dit innerlijk, met ons hele wezen, denk ik, zouden moeten kunnen ervaren, zo dat het volledig ons besef is of wordt.
Dat wordt nogmaals benadrukt:

Damit muß man sich stark, sehr stark durchdringen, wenn man heute und in der Zukunft etwas tun will, um den Menschen zu erziehen, den Menschen zu unterrichten. Diese großen Gesichtspunkte müssen eingenommen werden.

Dit besef moet men zeer diep tot zich door laten dringen wanneer men nu en in de toekomst iets wil doen om de mens op te voeden en te onderwijzen. Men moet zich deze grote gezichtspunten eigen maken.
GA 296/v.a. 85
Vertaald/v.a. 97

Het past bij de beschouwingen van deze dagen dat we steeds dieper ingaan op de nieuwste geschiedenis, door na te gaan hoe de wereldkrachten zich invoegen in de ontwikkelingsstroom van onze tijd en hoe ze de grondslagen vormen voor het menselijk leven. Uit de uiteenzetting van gisteren heeft u kunnen opmaken dat het steeds noodzakelijker wordt om de starre, abstracte begrippen waaraan de moderne mens gewend is, te veranderen in vloeiende, beweeglijke, levende begrippen, wanneer de mensheid verder wil komen. Een nadere beschouwing van het menselijke zielenvermogen dat we intelligentie noemen, werpt een bijzonder licht op de feiten, die in dit verband relevant zijn. U weet dat de moderne mens bijzonder trots is op zijn intelligentie. Hij beschouwt zijn intelligentie als iets zeer uitzonderlijks dat hij zich in de loop der tijd met moeite verworven heeft.
Wanneer de moderne mens terugkijkt naar vroegere tijden en ziet hoe de mensen in het verleden zich van alles in beelden voorstelden en door mythen en legenden probeerden door te dringen in dat wat de moderne mens nu, door zijn intelligentie en door de wetenschap, werkelijk meent te kennen, dan noemt de moderne mens deze vroegere geestes- en zielengesteldheid kinderlijk. Hij kijkt dan terug op kinderlijke fasen in de ontwikkeling en voelt zich heel wat omdat hij het zover gebracht heeft, zeker in de ontwikkeling van de intelligentie. De uiteenzetting van vandaag zullen we wijden aan de eigenaardigheid van de menselijke intelligentie en we zullen deze innerlijke kracht, waarop de moderne mens zo trots is, eens nader beschouwen. Wanneer men het tegenwoordig over intelligentie heeft, dan wordt daarmee een innerlijke kracht bedoeld, die men zich op een bepaalde manier voorstelt en waarvan men
97 

 denkt dat die alleen zo kan en moet zijn, zoals men gewend is zich die voor te stellen.
Maar ook de mensen uit vroegere ontwikkelingsstadia bezaten intelligentie, al was het een andere vorm van intelligentie. Wanneer men de betekenis van wat de moderne mens intelligentie noemt ten volle wil leren kennen, dan moet men de vraag stellen: hoe zag de intelligentie van mensen uit vroegere ontwikkelingstijdperken eruit en hoe is deze intelligentie van de mensheid uit vroegere tijden geleidelijk veranderd?
We zullen vandaag niet verder teruggaan dan tot de tijd, die wij gewoonlijk de derde na-Atlantische cultuurperiode noemen; de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd, waarop de Grieks-Latijnse tijd en vervolgens onze tijd volgde. Wij zullen de bijzondere kenmerken van de intelligentie bij de oude Egyptenaren en Chaldeeërs in ogenschouw nemen, dan die van de Grieken en Romeinen en vervolgens richten we de blik op de specifieke vorm van intelligentie die de mens van het vijfde na-Atlantische tijdperk eigen is. U hoort wel dat ik ervan uitga dat het niet juist is – en het is ook niet juist -, wanneer men denkt dat intelligentie gewoon intelligentie is en maar in één vorm bestaat; wie onze intelligentie bezit is intelligent, wie onze intelligentie niet bezit is onintelligent. Dat klopt niet. De intelligentie ondergaat metamorfosen, ze verandert. De intelligentie van de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd was anders dan die van onze tijd. Van de andersoortige intelligentie van de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd kan men zich het beste een voorstelling vormen wanneer men beseft dat de oude Egyptenaar, zoals ook de oude Chaldeeër, door zijn intelligentie instinctief de verwantschap voelde, de verwantschap begreep van zijn eigen menselijk wezen met de hele kosmos.
Over dat waarover de moderne mens met behulp van zijn intelligentie nadenkt, dachten de Egyptisch-Chaldeeuwse mensen niet of nauwelijks na. Want deze vorm van intelligentie was hun vreemd. Wanneer zij dachten, wanneer zij hun intel-
98 

intelligentie in beweging brachten, dan leefde in deze intelligentie hun verbondenheid met de kosmos. De oude Egyptenaar of Chaldeeër wist hoe hij met het ene of het andere dierenriemteken in verbinding stond. Hij wist welke invloed de maan, de zon en de planeten op zijn innerlijke en lichamelijke gesteldheid uitoefenden. Hij wist hoe de opeenvolging van de jaargetijden op het menselijk wezen werkte. Dat nam hij allemaal in zich op door zijn intelligentie. Door zijn intelligentie kreeg hij een volledig innerlijk beeld van zijn verwantschap met de kosmos.
Deze intelligentie veranderde toen de Egyptisch-Chaldeeuwse mensheidsperiode in de 8e eeuw vóór de stichting van het Christendom afliep. Geleidelijk werd de intelligentie iets geheel anders dan het in de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd was. In de intelligentie drong het begrip van de verbinding met de kosmos niet meer volledig binnen, zoals dat vóór de 8e eeuw voor Christus nog wel het geval was. Men wist nog wel van deze verbinding met de kosmos maar dat was meer als een soort naklank, een soort herinnering aan dat wat men hierover vroeger wist. In de Griekse tijd begon de mens meer over zichzelf te denken, over de mens als aardebewoner en minder over de samenhang van mens en kosmos. De Griek had echter een duidelijk gevoel, een duidelijke gewaarwording, juist wanneer hij zijn intelligentie gebruikte; dan begreep hij met name het aardse element dat aan de dood onderhevig is.
Dit gevoel is weer verloren gegaan door de ontwikkeling van de intelligentie sinds het midden van de 15e eeuw, sinds de vijfde na-Atlantische cultuurperiode. De Griek wist dat hij zich, wanneer hij het bovenzintuiglijke wilde begrijpen, moest richten op het schouwen1 dat in de voor-Christelijke tijd nog min of meer atavistisch aanwezig was. Hij wist dat hij door het nadenken, door de intelligentie, alleen de wetmatigheden, de regels leerde kennen die ten grondslag liggen aan alles wat
99 

op aarde aan de dood onderhevig is, alles wat sterft. Wanneer ik het leven wil begrijpen, zo wisten de leerlingen van Plato, dan moet ik schouwen; wanneer ik nadenk, begrijp ik alleen het dode.
In de Griekse esoterische scholen werden over deze samenhang heel bepaalde dingen verteld. De leerlingen van deze scholen kregen ongeveer het volgende te horen: alles is geestelijk, ook het schijnbaar materiële is onderworpen aan geestelijke wetmatigheden. Dat wat zich als aards-materieel aan je voordoet, wordt in wezen ook door geestelijke wetten beheerst. Er zijn geestelijke wetten waaraan je onderworpen bent voor zover je lichamelijk bent. Voor zover je lichamelijk bent en door de poort van de dood gaat, is je lichaam onderworpen aan de materiële krachten en stoffen van de aarde. Maar deze zijn slechts schijnbaar materieel. Ook zij zijn in wezen geestelijk, maar ze zijn doordrongen met geestelijke kracht, die zich aan jou voordoet als de dood. Wanneer je met je intelligentie bepaalde wetten begrijpt, dan zijn het de wetten van het dode. Het zijn de wetten van dat wat de graven bevatten, die de lichamen in zich opnemen. Het werd de overtuiging van vele Griekse leerlingen van de esoterische scholen, dat de menselijke intelligentie alleen kan begrijpen, wat de graven, die de lichamen in zich opnemen, bevatten. Wanneer je wilt weten -zo zei de leraar tot de leerling van de esoterische school -, in welke geestelijke werelden je leeft wanneer je hier op aarde bent, of wanneer je ziel vrij is van het lichaam tussen de dood en een nieuwe geboorte, dan moet je dat wat “geschouwd” is als overtuiging in je opnemen. Wanneer je dat niet doet en alleen met je intelligentie begrippen en ideeën ontwikkelt, dan begrijp je alleen de geest van de materie, waaruit je lichaam is opgebouwd.
Terwijl de Egyptisch-Chaldeeuwse mens in zijn intelligentie zijn verwantschap met de kosmos voelde en waarnam, nam de Griekse mens door zijn intelligentie dat waar, wat de graven beheerst. Ook wij nemen door onze intelligentie slechts dat waar, wat de gra-
100 

graven beheerst, alleen zijn we ons daarvan niet bewust. Daarom gaan we – althans diegenen onder ons die dat moeten leren – naar de snijzaal, onderzoeken het lijk en houden de wetmatigheid van het lijk, die we door onze intelligentie begrijpen, voor de wetmatigheid van de mens. Maar het is slechts de wetmatigheid van het graf; zoals ook dat wat onze intelligentie begrijpt, de wetmatigheid van het graf is.
Met de overgang in het midden van de 15e eeuw verandert de intelligentie opnieuw, en we staan aan het begin van deze verandering, deze metamorfose van de intelligentie. Onze intelligentie gaat een bepaalde weg; tegenwoordig verkeren we nog sterk in een ontwikkeling van de intelligentie zoals de Grieken die hadden. Door onze intelligentie begrijpen wij dat wat aan de dood onderhevig is. Maar ook deze vorm van intelligentie die het dode begrijpt, verandert. In de komende eeuwen en millennia zal deze intelligentie iets totaal anders worden. Onze intelligentie heeft nu al een bepaalde aanleg. De mensheid zal terechtkomen in een ontwikkeling van de intelligentie waarin deze de neiging zal hebben alleen het onware, de dwaling, het bedrog te begrijpen, en alleen het kwade uit te denken.
De leerlingen van de esoterische scholen, en met name de ingewijden, wisten vanaf een bepaalde tijd dat de menselijke intelligentie een ontwikkeling naar het kwade doormaakt en dat het steeds moeilijker zal worden alleen door intelligentie het goede te herkennen. De mensheid verkeert nu nog in deze overgang. Wij zouden kunnen zeggen: het lukt de mens nog net, wanneer hij zijn intelligentie gebruikt en geen buitengewoon wilde instincten in zich heeft, enigszins naar het licht van het goede op te zien. Maar deze menselijke intelligentie zal steeds sterker de neiging vertonen, het kwade uit te denken, het kwade in te voegen in het morele en in het kennen, de dwaling.
101 

Dat was een van de redenen waarom de ingewijden zich de mannen van zorg noemden, omdat de ontwikkeling van de mensheid in de eenzijdigheid, zoals ik die zojuist uiteengezet heb, inderdaad zorgen baart; zorgen juist om de ontwikkeling van de intelligentie. Het is tenslotte niet voor niets dat de intelligentie de moderne mens zozeer met trots en hoogmoed vervult. Dat is, zo zou ik het willen noemen, een voorproefje 90 voor het kwaad-worden van de intelligentie in de vijfde na-Atlantische periode, waarin wij nog maar aan het begin staan. Wanneer de mens niets anders zou ontwikkelen dan zijn intelligentie, dan zou hij op aarde een boos wezen worden. Wanneer wij vertrouwen willen hebben in de toekomst van de mensheid en deze toekomst als een vruchtbare toekomst willen zien, dan mogen wij niet vertrouwen op de eenzijdige ontwikkeling van de intelligentie. In de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd was deze intelligentie nog iets goeds, maar daarna is zij tot iets geworden dat verwant is met de krachten van de dood. Deze intelligentie zal een verbinding aangaan met de krachten van bedrog, van dwaling en van het boze.
Hierover zou de mensheid zich vooral geen illusies moeten maken. We moeten er in alle openheid rekening mee houden dat we ons moeten beschermen tegen de eenzijdige ontwikkeling van de intelligentie. Niet voor niets zal er juist door de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap iets anders kunnen komen: namelijk het opnemen van dat wat door een vernieuwd schouwen uit de geestelijke wereld kan worden verworven, wat niet door intelligentie begrepen kan worden maar pas begrepen kan worden wanneer men accepteert wat de wetenschap van de inwijding door middel van het schouwen uit de geestelijke wereld haalt.
Maar daarvoor is iets objectiefs noodzakelijk. En daarmee staan we dan voor een diep geheim van de christelijk-esoterische ontwikkeling. Wanneer het Mysterie van Golgotha niet zou hebben plaatsgevonden, dan zou het onvermijdelijk zijn
102 

geweest dat de mensen door hun intelligentie langzaam maar zeker tot boze en in dwaling verkerende wezens moesten worden. U weet dat met het Mysterie van Golgotha niet slechts een leer, een theorie, een wereldbeschouwing of een godsdienst in de ontwikkeling van de mensheid binnenstroomde, maar dat met het Mysterie van Golgotha een concrete gebeurtenis plaatsvond. In de mens Jezus van Nazareth2 leefde het wezen dat niet van de aarde afkomstig was, de Christus. Doordat de Christus in Jezus van Nazareth leefde, en Jezus van Nazareth is gestorven, is het Christus-wezen overgegaan in de aardse ontwikkeling, daarin is het Christus-wezen3 binnengegaan. Wij moeten ons er echter bewust van zijn dat dit een objectief feit is, dat dit een feit is dat met ons subjectieve begrijpen, met ons subjectieve beleven helemaal niets te maken heeft. We moeten het begrijpen, ter wille van ons inzicht. We moeten het opnemen in onze levenshouding, ter wille van onze levenshouding. De Christus is uitgestroomd in de mensheidsontwikkeling, daar bevindt Hij zich sindsdien – dat noemen we de Opstanding – en Hij is bovenal in onze eigen innerlijke kracht. Neemt u dit feit maar eens diep in uw innerlijk op!
Kijkt u eens naar het verschil tussen de mens die vóór het Mysterie van Golgotha leefde, en de mens die na het Mysterie van Golgotha leefde. Natuurlijk zijn het dezelfde mensen, want de zielen gaan immers door een reeks van aarde-levens heen. Maar wanneer we de mens als aarde-mens beschouwen, moeten we onderscheid maken tussen de mens die vóór het Mysterie van Golgotha leefde en de mens die na het Mysterie van Golgotha leefde.
Wanneer men tot een algemeen Godsbegrip komt, dan is dit algemene Godsbegrip niet het Christus-begrip. Men kan tot een algemeen Godsbegrip komen door de natuur in haar verschijningen te volgen, door het menselijke fysieke wezen, voor zover dat uiterlijk te bestuderen is, te volgen. Het Christus-wezen is zodanig dat het alleen te benaderen is wanneer
103 

men in de loop van het aardeleven iets in zichzelf ontdekt. Het algemene Godsbegrip kan men vinden, wanneer men tegen zichzelf zegt: vanuit de krachten van de wereld ben je ontstaan. Het Christus-begrip kan men in zichzelf vinden, wanneer men verder komt dan de natuur je laat komen. Vindt de mens die in de wereld leeft het godsbegrip niet, dan is dit een vorm van ziekte. Een gezond mens is nooit werkelijk atheïstisch. In dat geval moet men lichamelijk of innerlijk ziek zijn. Deze ziekte uit zich vaak door niets anders dan dat men atheïst is.
Wanneer men Christus niet kent, is dat niet een ziekte maar een ongeluk, het is een gemiste kans in het leven. Door zich te bezinnen op het feit dat de mens uit de natuur en de krachten van de natuur geboren wordt, kan men, wanneer men dit geboorteproces met een gezonde ziel volgt, tot een Godsbegrip komen. Wanneer men in de loop van het leven iets als een wedergeboorte beleeft, kan men tot een Christus-begrip komen. De geboorte leidt tot God, de wedergeboorte tot Christus. Tot deze wedergeboorte, waardoor de Christus als werkelijkheid in de mens ervaren kan worden, kon de mens vóór het Mysterie van Golgotha niet komen. En dit is het verschil waarop ik uw aandacht wil richten: vóór het Mysterie van Golgotha kon de mens deze wedergeboorte niet beleven. Hij kon niet beseffen dat de Christus in hem leeft omdat het Christus-wezen nog niet was uitgestroomd in de mensheid. Na het Mysterie van Golgotha kan de mens dat wel. Hij kan de vonk van de Christus in zichzelf vinden, wanneer hij zich daarvoor inspant.
En in deze wedergeboorte, in het vinden van de Christus-vonk in zichzelf, wanneer men oprecht en eerlijk tegen zichzelf kan zeggen: “Niet ik, maar de Christus in mij”4, ligt de mogelijkheid het intellect niet in dwaling en in het boze te laten vervallen. In Christelijk-esoterische zin is dat het hogere begrip van de verlossing. We moeten onze intelligentie ontwikkelen, want we kunnen niet onintelligent worden. Maar
104
Maar wanneer we ernaar streven onze intelligentie te ontwikkelen, staan we voor de verleiding in dwaling en in het kwade te vervallen. Deze verleiding kunnen we alleen weerstaan wanneer we in onszelf kunnen beleven wat het Mysterie van Golgotha in de mensheidsontwikkeling gebracht heeft.
Het is namelijk zo, dat de mens in het Christus-bewustzijn, in het verenigd zijn met de Christus, de mogelijkheid vindt om aan het kwade, aan de dwaling te ontkomen. De Egyptisch-Chaldeeuwse mens had de wedergeboorte in Christus niet nodig, omdat hij door zijn natuurlijke intelligentie nog de verwantschap met de kosmos beleefde. De Griek had in wezen de ernst van de dood voor zich, wanneer hij zich aan zijn intelligentie overgaf. En nu staat de mens aan het begin van een tijdperk waarin de intelligentie in het kwade zal verkeren, wanneer de menselijke ziel zich niet met de Christus-kracht zal doordringen. Probeert u zich eens voor te stellen hoe ernstig dit is. Het laat zien hoe men bepaalde dingen, die zich in onze tijd reeds aankondigen, moet opvatten, hoe men moet bedenken dat in onze tijd de mensen de neiging tot het kwade krijgen, juist omdat hun intelligentie zich verder ontwikkelt. Het zou natuurlijk volstrekt onjuist zijn om te denken dat de intelligentie onderdrukt zou moeten worden. De intelligentie mag niet onderdrukt worden maar de mensen met inzicht in de toekomst hebben een zekere moed nodig om zich aan hun intelligentie over te geven, omdat de intelligentie tot het kwade en de dwaling verleidt, terwijl we in het doordringen van deze intelligentie met het Christus-principe de mogelijkheid moeten vinden de intelligentie om te vormen. De menselijke intelligentie zal volledig ahrimanisch5 worden wanneer het Christusprincipe de zielen van de mensen niet zal doordringen.
U weet hoeveel er juist in deze tijd al duidelijk zichtbaar is in de ontwikkeling van de mensheid, waaraan mensen met inzicht kunnen aflezen dat de dingen zullen gaan zoals ik zojuist geschetst heb. Bedenkt u maar eens wat er door het
105 

derde van de ontwikkelingsperspectieven, die door het materialisme de mensheid bedreigen, nu al over de mensen wordt uitgestort. Wanneer u bedenkt met hoeveel wreedheden de huidige cultuurontwikkeling al doortrokken is, die zich nauwelijks laten vergelijken met de wreedheden uit de barbaarse tijden, dan zult u er nauwelijks aan kunnen twijfelen dat het begin van de val van de intelligentie al duidelijk zichtbaar is. Men moet de zogenaamde cultuurverschijnselen van onze tijd niet oppervlakkig bekijken, men moet er waarachtig niet aan twijfelen dat de mensen van nu zich moeten inspannen om de Christus-impuls werkelijk te begrijpen, wanneer zij een vruchtbare toekomst tegemoet willen gaan. Twee dingen zijn nu al duidelijk merkbaar: mensen die zeer intelligent zijn en die een duidelijke neiging naar het boze hebben; en anderzijds is te merken dat veel mensen deze hang naar het boze onderdrukken, en niet bestrijden, door hun intelligentie te laten slapen. Slaperigheid van de zielen, of bij wakkere zielen een sterke hang naar het boze en de dwaling, dat is tegenwoordig al duidelijk waarneembaar.
Denkt u nog eens terug aan een avond voor mijn laatste vertrek7, toen ik hier uiteengezet heb hoe sinds vijf, zes, zeven, acht jaar de kinderen die worden geboren er anders uitzien, men zou kunnen zeggen, met een zweem van melancholie in hun gezicht, duidelijk zichtbaar voor degene die dit soort dingen kan waarnemen. En ik heb verteld dat dat komt omdat de zielen in deze tijd niet graag afdalen in onze van materialisme vervulde wereld. Men zou kunnen zeggen dat de zielen vóór hun geboorte een zekere vrees en angst voelen om de wereld te betreden, waarin de intelligentie de hang, de neiging tot het boze heeft en in een neerdalende ontwikkeling terecht gekomen is.
Ook hiervoor moeten de mensen die opvoeder en onderwijzer voor de menselijke toekomst willen worden, een bewustzijn ontwikkelen. De kinderen van nu zijn anders dan die van
106 

tientallen jaren geleden, dat is zelfs met een oppervlakkige waarneming al duidelijk vast te stellen. Zij moeten anders opgevoed en onderwezen worden dan tot nog toe gebeurde. Men moet onderwijzen in het bewustzijn dat men eigenlijk bij elk kind een redding moet volbrengen, dat men elk kind zover moet brengen dat het in de loop van zijn leven de Christusimpuls in zich vindt, dat het in zichzelf een wedergeboorte beleeft.
Dergelijke dingen kan men, als leraar of opvoeder niet verwerkelijken waar dat nodig is, wanneer men ze slechts als theorie kent. Alleen wanneer de ziel sterk betrokken is bij deze dingen, kunnen ze ook verwerkelijkt en toegepast worden in opvoeding en onderwijs. Juist van de leraren moet verlangd worden dat ze in hun ziel de bezorgdheid beleven voor de mensheid, die staat voor de verleiding die het intellect met zich meebrengt. De trots die de moderne mensheid aan zijn intellect ontleent, kan de mensheid duur komen te staan wanneer die trots niet wordt afgezwakt door een sterk en energiek besef: het beste in mij als mens in deze en volgende incarnaties is wat ik in mijzelf als de Christus-impuls vind.
Nu moet het duidelijk zijn dat deze Christus-impuls niet de dogmatiek van een of andere religieuze gemeenschap kan zijn. Vanaf het midden van de 1 5e eeuw hebben religieuze gemeenschappen er in hun ontwikkeling meer toe bijgedragen de Christus-impuls van de mensen te vervreemden, dan hem dichterbij te brengen. Zij maken de mensen van alles wijs, maar brengen de Christus-impuls daarmee niet dichterbij. Het is noodzakelijk dat de mens beseft dat alles waardoor hij innerlijk open kan staan voor wat het Mysterie van Golgotha hem kan openbaren, samenhangt met wat het Mysterie van Golgotha voor de aarde betekent. Ervaart men dat de betekenis van de aarde in het Mysterie van Golgotha ligt, dan kan men er toe komen om tegen zichzelf te zeggen: de ontwikkeling van de aarde zou zinloos zijn wanneer de mens door zijn intelligentie tot het
107 

boze, de dwaling vervalt. Wanneer men de betekenis van het Mysterie van Golgotha zo ervaart, dan ervaart men de aarde-ontwikkeling zonder het Mysterie van Golgotha als zinloos.
Dit besef moet men zeer diep tot zich door laten dringen wanneer men nu en in de toekomst iets wil doen om de mens op te voeden en te onderwijzen. Men moet zich deze grote gezichtspunten eigen maken. Maar u weet hoe ver de moderne mens hiervan verwijderd is. Het is daarom niet alleen noodzakelijk om steeds weer te wijzen op het belang van de geesteswetenschap, het is ook noodzakelijk om te wijzen op de ernst die zich van de ziel meester moet maken wanneer we de betreffende feiten in de ontwikkeling van de mensheid door de geesteswetenschap leren kennen. Want niet alleen onze kennis maar ons hele leven moet door de geesteswetenschap een impuls krijgen; zonder dat men deze ernst voelt is men niet werkelijk een geesteswetenschapper.
En ik vraag u om aan deze bijzondere openbaring vanuit de geesteswetenschap zeer zorgvuldig aandacht te schenken. De menselijke intelligentie zal, wanneer zij aan zichzelf wordt overgelaten, de weg van het ahrimanische inslaan en zal alleen naar het goede kunnen tenderen door de ware Christus-impuls in zich op te nemen. Ik geloof dat degene die het volle gewicht van deze waarheid tot zich door laat dringen, deze ernst ook zal laten meespreken in de verhouding die hij zal ontwikkelen tot de verschillende wereldbeschouwingen en wereldbeschouwelijke stromingen van deze tijd. Want daar is nog heel veel te doen.
Zo vertellen mensen die nu uit verschillende gebieden van Oost-Europa komen met verbijstering over een feit dat niet bepaald op het voortschrijden op de weg naar een bijzondere beschaving wijst; ik doel op het bestaan van de zogenaamde ‘geweervrouwen’. Dit is een heel aparte mensenklasse die zich in het oosten van Europa ontwikkelt, Oost-Europese vrouwen die daar worden ingezet door de huidige revolutionaire
108 

bewegingen, waar steeds diegene die niet tot de regerende partij behoort in de gevangenis belandt of na enige tijd gedood wordt…, in elk geval steeds in levensgevaar verkeert. In bepaalde gebieden in het oosten, worden vooral jongere vrouwen uitverkoren, zij worden uitgerust met uit de oorlog overgebleven geweren en hebben de taak de mensen die tegenstanders zijn van de nieuwe regering neer te schieten. Deze geweervrouwen lopen rond in gestolen kleding, versierd met opsmuk en snuisterijen en ze beleven er voldoening aan om het geweer te dragen en om mensen neer te schieten. Ze vinden het goed te verenigen met de moderne menselijkheid er prat op te gaan dat zij er geleidelijk een gevoel voor ontwikkelen hoe het bloed van jonge mensen vloeit en hoe het bloed van oudere mensen eruit ziet. Zo leren we heel speciale uitingen van onze moderne beschaving kennen! En het instituut ‘geweervrouwen’ is tenslotte een verworvenheid van de moderne tijd.
Het is nodig dat er op dergelijke verschijnselen wordt gewezen. Zij zijn er om in zekere zin de keerzijde, de andere kant van de ernst van onze tijd waar te kunnen nemen. Natuurlijk is het niet per se nodig om deze verschrikkelijke uitwassen van onze zogenaamde hoogontwikkelde cultuur te kennen, om werkelijk de ernst te ervaren, waaraan men zich in deze tijd moet wijden. Uit het inzicht in de ontwikkeling van de mensheid zelf zou ons deze ernst moeten blijken. Men zou wensen dat de slaap die de moderne mensheid geleidelijk in zijn greep heeft, overgaat in een ontwaken. Dit zo noodzakelijke ontwaken kan er alleen uit bestaan dat de mens gegrepen wordt door de ernst van de opgave die hem als mens van deze tijd wacht, en de verwijzing naar het gevaar van het eenzijdig aan zichzelf overgelaten, in het ahrimanische terechtkomende intellect. Dat moet de impuls zijn die ons met deze ernst vervult.
109 

 Meer over Allah uit antroposofische bronnen.

Ahriman in het onderwijsalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3116-2929

.

.

.

VRIJESCHOOL – Driekoningenspel in jip-en-janneketaal

Pieter HA Witvliet
.

DRIEKONINGENSPEL IN JIP-EN-JANNEKETAAL
.

Nee, dit is ABSOLUUT GEEN PLEIDOOI om voortaan een andere taal in het Driekoningenspel uit Oberufer te gaan gebruiken.

Iedere vorm van aanpassing – hoe mooi verder van taal – haalt het niet bij wat Sanne Bruinier destijds maakte van het Oberuferer dialect.
Zij was onnavolgbaar – onnavolgbaar! in staat het klankrijke, sappige, boerse, van het dialect over te brengen in een bepaalde vorm Nederlands waarin ze allerlei elementen uit de taal van vervlogen jaren gebruikte.
Het is dus geen bestaand (oud) dialect, noch Middeleeuws, noch Middelnederlands.

Het Driekoningenspel – maar dat geldt ook voor het Paradijsspel en het Kerstspel– is qua taal niet te verbeteren zonder dat de diepe gemoedsbeleving van de dialectklanken verloren gaat.
Altijd zal – ook al is de taal nog zo bloemrijk vervangen – er meer intellect, dus minder leven, het spel binnendringen.
(Een interessante ervaring van een groep spelers)

Ook onze bestaande dialecten willen ‘vertalen’ naar het Nederlands zou aan de zeggingskracht van die dialecten veel afbreuk doen. Uitdrukkingswijze, intonatie, beleving gaan bij de dialectsprekende mens dieper dan bij de mens die de grootste gemene deler van de taal: het ABN spreekt.
Als spreker van beide kom ik (ook) uit ervaring tot die conclusie.

Mijn jip-en-janneketaal verhoudt zich tot de taal van de Kerstspelen als een grijsgrauwe regenboog tot de werkelijke pracht van de regenboogkleuren.

Waarom ‘vertaal’ ik de woorden dan naar begrijpelijk Nederlands?
Omdat er telkens maar weer opmerkingen zijn over ‘hoe moeilijk die teksten te begrijpen zijn’.
Dat tekent onze huidige situatie: we willen weten, kennen; we leven tenslotte in een intellectualistische tijd. En natuurlijk: als de woorden je niets zeggen, moet je het hebben van het beeld. Ook dat heeft het vermogen om tot je te spreken: beeldentaal!
Dat geldt vooral bij kinderen; zij hebben een veel mindere behoefte bij deze spelen ‘alles’ te begrijpen, omdat ze ook een groot deel langs een andere weg verstaan.

Maar goed, voor de mensen dus die de tekst moeilijk vinden, hier een huis-tuin-en keukenversie.
Maak er een folder van, zet die tekst in de schoolkrant, kortom verspreid die onder de mensen die er behoefte aan hebben, zodat ze van tevoren – thuis! – zich kunnen voorbereiden op de inhoud.

Daarmee zouden de klachten over ‘het begrijpen’ tot het verleden moeten gaan behoren.

En wie dat heeft begrepen, slaat niet de tot veruiterlijking leidende weg van de meer intellectualistische hertaling in!

DRIEKONINGENSPEL

Engel

‘k Treet voor uluyden sonder spot,
Zonder te spotten sta ik voor u!
goên avond saamen gheve u god,
God geve u hier samen een goede avond,
een goên avond ende geseghende tyt,
een goede avond en een gezegende tijd
mooch ons van daarboven syn toegeseyt.
mag ons van daarboven toegezegd zijn.
Agtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren,
Geachte, zeer wijze, welgezinde heren
oock deugtsaame vrouwen
ook deugdzame vrouwen
ende jonckvrouwen in alle eere,
en jongedames met alle eer,
wilt altegaer niet euvel duyden
neem allen het ons niet kwalijk
dat wy ons spel vertoonen voor uluyden,
dat wij ons spel voor jullie opvoeren,
Tgeen dat ghy voor u ooch sult sien
Wat u hier gaat bekijken
is niet versintsel van onsliên,
hebben wij niet bedacht,
noch oock van heidens uytgedocht
en ook niet door ongelovigen
maer deur de heylige scrift gebrocht:
maar door de Bijbel gebracht:
van hoe Christus quam, ons menschen ten troost,
over hoe Christus kwam, als troost voor de mensen,

oock van d’albekende wysen van oost –
ook over de bekende wijzen uit het Oosten
Sy synder gecomen een varre toght-
Ze hebben een lange reis gemaakt
so als elck reysersman wel kennen moght –
zoals iedere reiziger dat wel weet –
Sy synder nae Hierusalem geteghen
ze zijn op weg gegaan naar Jeruzalem
en vraegden naet kindeken alder weghen.
en vroegen overal naar het Kind.
Herodes heytet mit droefnis vernomen
Herodes vernam het en werd bedroefd
en liet de geleerde priesters comen;
en hij liet de geleerde priesters komen;
die sullen hem segghen sonder verlaet
die moeten hem dadelijk zeggen
wat inder heylighen scrifte staet.
wat erover in de Bijbel staat.
So ghy bereyt syt en het aen wilt hooren,
Dus als u bereid bent om ernaar te luisteren
swyght stil en opent wyt u ooren.
wees dan stil en luister goed.

Melchior

Myn gattercompas end instrumenten goet
Page, breng mij eens snel mijn 
haestelyc, pagie, hende bringhen doet,
sterrenkundige instrumenten,
der heemlen gloria, reickt boven dien
en geef ook – de naam van een ander instrument –    voor meer info zie dit artikel
gins blinckt een star so noyt en wiert gesien:
daarginder straalt een ster die nog nooit gezien is:
daor Venus mit Sonne doet consamaneren
nu Venus met de zon samengaat
staet iet veurt oogh als nimmer te veuren:
gaat er iets gebeuren dat nog nooit gebeurd is:
een overschone helle schyn !
wat een prachtig helder schijnsel!
van waer mach dit gestarnt wel syn?
waar komt dit gesternte vandaan?
’t en is niet byster veer geleghen,
het staat niet eens zover weg,
dit is certeyn een heyligh teken,
dit is zeker een heilig teken,
te middenst sienick eene maagt,
in het midden zie ik een jonkvrouw
die claorelyc een kindeken draegt,
die overduidelijk een kind draagt
de helle glans van heur gelaet,
de heldere glans van haar gezicht
het ligt der starre te boven gaet;
is sterker dan het licht van de ster;
oock doet sy nieuwers stille staon
het staat nergens stil
doch sneller ende sneller rontsomme gaon.
maar draait steeds sneller rond.
Het kind dwelc de joncvrou draegt
Het kind dat de jonkvrouw draagt
ick schou’t beweeght hem telken staeg.
Ik zie dat het zich ook steeds beweegt.
Te duyden wat wonder verschynt aldus,
Om erachter komen wat voor wonder daar verschijnt
roept, pagie den mathematicus
haal page, de wiskundige eens.
of hy mogt verclaeren wattet bediet
misschien kan hij uitleggen wat het betekent
dat men de maegt met een kindeken siet.
dat we de jonkvrouw met een kind zien.

Page

Ghenadighe coninck, u woort ic wel verstae;
genadige koning, ik begrijp u wel
ic bringh u schielken Viligratia.
ik haal meteen Viligratia (de wiskundige)

Melchior

Myn Viligratia., duydt ghy my ginse sterre ?
Viligratia wat betekent die ster daar, leg eens uit?

Viligratia

Ghenadighe coninck, dit sy van my verre,
Genadige koning, hier weet ik niets vanaf,
doch willic de profeten consamaneren
maar ik wil er wel de profeten op naslaan
oftic uyt haor welligt iet deducere.
misschien kan ik daaruit iets afleiden.
Jesaia den profeet spreeckt inderdaat
Jesaja  de profeet spreekt inderdaad over
van dat in Betlem te geschieden staet:
wat er in Bethlehem te gebeuren staat:
Een coninck daer alras geboren worden sal,
Daar zal weldra een koning geboren worden.
Messias van der aert ent gants heelal.
Verlosser van de aarde en het hele heelal.

Melchior

’t Coomt my te veur oft woort van den profeet
Mij lijkt het of het woord van de profeet
alree in Betlem sich vervullen deet,
al in Bethlehem in vervulling is gegaan.
dies willic naerstelyc bedencken
nu wil ik snel bedenken
wattic het kindeken sal schencken ?
wat ik het kind zal schenken
een somme gouts houdic bereyt,
een som goud neem ik ervoor
gout voegt eens coninghs majesteyt,
goud hoort bij een koninklijke majesteit
den coningh oock der aert ent gants heelal,
en het is ook de koning van de aarde en het hele heelal.
ic hope hy my des ghenadich wesen sal.
ik hoop dat hij mij daarom genadig zal zijn.
Gaet hene ende sorght mit vlyt, myn pagie,
ga page en zorg snel
dat al bereyt wort veur de pelgrimagie;
dat alles voor de pelgrimstocht in orde wordt gemaakt.
en voert ghy, Viligratia ’t regiment
en jij, Viligratia, neem het bestuur op je
tottic die reyse heb gebrogt ten end.
tot de reis ten einde zal zijn.

Viligratia:

Ghenadighe coninck, nae u content
Genadige koning ik zal tot uw tevredenheid
willic hier voeren het regiment.
hier het bestuur op me nemen.

Balthasar:

Huy morghen bragt myn hofstoet my de konde
Vanmorgen bracht men mij vanuit het hof de boodschap
hoe dat sich deuse nagt een wonder toonde.
hoe er vannacht een wonder zichtbaar was
Een vreemt gestarnt van selsaem claeren schyn
Een vreemde ster met een zeldzaam helder schijnsel
daor in een joncvrou deet verschenen syn,
en daar verscheen een jonkvrouw in,
mit haor een coninck vander aert ent gants heelal;
bij haar een koning van de aarde en het hele heelal;
het voeght dat men hem wieroock offren sal;
het past dat we hem wierook aanbieden;
een kindelingh so lieflyc teer,
een kindje, zo liefelijk en teer,
voorwaar sulck dingh en sach men nemmermeer.
echt waar, zoiets is nog nooit vertoond.
Doet op de weghen ende straeten gaen
Ga de wegen en de straten op
en deuse star ent wonder gaode slaen
om deze ster en het wonder te aanschouwen
so speurt ghy alte wel dattet waorlyc leyt
en dan merk je snel genoeg dat het echt zo is
gelyck myn hofstoet my heeft an geseyt.
als ze mij aan het hof hebben gezegd.
O nimmer en hoordic, veur ofte nae
O, nog nooit heb ik gehoord
dat bewaerheyt wierd sulcke historia:
dat een dergelijke boodschap waarheid wordt.
een joncvrou reyn, moeder te selfder tyt,
een jonkvrouw die maagd is en tegelijkertijd moeder,
heur kindelingh coninck arm ende ryc !
haar kind koning, arm en rijk tegelijk!
Nae Betlehem doet het gestarnt ons wysen
De ster wijst ons naar Bethlehem
als souden wy algaoder daor henen reysen.
alsof we daar allen naar toe moeten reizen.
Niet en deurgront ic sulck geheimenis
Zo’n geheim doorgrond ik niet
dwelc bij den scriftgeleerden claer te vinden is:
dat bij de schriftgeleerden wel duidelijk te vinden is:
sonder man geboren een kindekyn,
zonder man is er een kind geboren,
een coninck der joetsen sal hy syn.
een koning van de Joden zal hij zijn.
Dies willic op staon morghen mitten dach
Dus zal ik morgen vroeg opstaan
ende sien offic het kindeken vinden mach,
en zien of ik het kind kan vinden.

Kaspar

O wonder groot, hoochste verheuchenis,
O groot wonder, intens verheugen
diewyl eenmael de tyt gecomen is
omdat nu de tijd gekomen is
en den messias, langh begeert, nu is geboren
en de messias, waar men lang naar verlangde, nu is geboren
van eener maegde uytvercoren.
bij een uitverkoren maagd.
Aldus doet een gestarnt ons leren,
Zo leert een ster ons,
welc teken men sal respecteren
en dat teken moet men respecteren
mids de historie hier deur wiert vervult
omdat de boodschap hierdoor waarheid wordt

die by den joetsen als verdightsel geldt
die de Joden als een verzinsel beschouwen.
Sy soeken alder weghen mit groot misbaer
Zij zoeken overal met veel ophef
offet oock ieuwerinc te vinden waer.
of het ook wel ergens gevonden kan worden.
Wat efter salt geschenck end offer syn
Maar wat moet het geschenk en offer zijn
daor met het kinde wel te vre mogt syn?
waarmee het kind wel tevreden kan zijn?
wyl hy een coninck is der aert ent gants heelal
omdat hij koning is van de aarde en het ganse heelal
is mir de gave so men brenghen sal.
moet ik als gave de mirre brengen.
Mit alsulck offer willic tot hem gaen
Met zo’n offer wil ik naar hem toe gaan
en hope voor het kind daor met bestaen.
en hopen dat ik daarmee in de ogen van het kind mag bestaan.

Lied 1

Der wysen starre blinckt ons claer,
De ster van de wijzen straalt helder voor ons
den hoochsten coninck moet voorwaer
de hoogste koning moet – dat is duidelijk –
op aertryc syn gecomen.
op aarde gekomen zijn
Och wysen, goede, wysen, seght
O wijzen, goede wijzen zeg het,
de waerheyt ons voor oghen leght
openbaar ons de wijsheid
vanwaer hebt ghy vernomen ?
waar heeft u dit vernomen?
ylt nu, ylt
haast u, haast u
van hende en verre
van heinde en verre
mitter sterre
met de ster
tottet kinde,
naar het kind
ylt den coninck der ere* vinden.
haast u om de erekoning te vinden.
*de oorspronkelijke dialecttekst uit Oberufer heeft hier 
het woord ‘erdn’ = aarde?

Page:

Ghenadigste coningh, vreemt volleck sonder tal,
Genadige koning, heel veel vreemd volk
welcs doelwit onbekent, u dra gemoeten sal,
waarvan we niet weten waar ze naar op weg zijn
zal u weldra ontmoeten,
het schynt daor sy een coninck mit haorlieden
het lijkt een koning met zijn gevolg
als over ons doet heerschen ende gebieden.
alsof die over ons heersen en gebieden kan.

Melchior:

So willic toeven een cort termyn
Dan blijf ik hier even
tot sy alhier sullen gecomen syn.
tot ze hier aangekomen zijn.

Myn eedle heren, weest gegroet,
Edele heren, ik groet u,
waor hene staet u sin, hert ende moet?
waar wilt u zo graag heen gaan?

Balthasar:

Weest gegroet myn here, end u hofstoet daor neven, 
Ik groet u, mijn heer en uw gevolg eveneens.
waor dogt u caravaen haor henen begheven?
waar dacht uw stoet heen te gaan?

Melchior:

Myn eedle here, heuschelyck danck
Mijn edele heer, oprecht dank.   
tot Hierusalem gaet onsen ganck
wij zijn op weg naar Jeruzalem

Kaspar:

Soot u ghelieve, seght my aen
Als u zo vriendelijk wil zijn, zeg me dan
Wat doet u nae Hierusalem op gaen ?
Waarom gaat u naar Jeruzalem?

Melchior:

In Jesaia men claerlyc gescreven vint
In Jesaja staat duidelijk geschreven
hoe dat een schoon ende arrom kint
hoe een mooi en arm kind
in Bethlehem geboren worden sal,
in Bethlehem zal worden geboren,
een coninck seffens vander aert ent gants heelal
een aardse koning, maar ook van het gans heelal
Nu wiertet deur de sterre openbaer,
nu wordt het door de ster geopenbaard
hoe oft geschiet is wonderbaer,
hoe dat wonder is gebeurd,
naedien geringhe tyt te voren
nadat een korte tijd daarvoor
bereyts dit kinde is geboren.
dit kind al is geboren.

Balthasar:

Mit waorheyt magh ic segghen ist al gelyck
Ik spreek de waarheid als ik zeg
toe gegaon in myn coninckryck.
dat het in mijn koninkrijk net zo gegaan is.
Een star is ons aldaor verschenen
Er verscheen een ster
daor in een joncvrou stond, een kint mit eenen
waar een  jonkvrouw in stond, samen met een kind
hier deur coomt aen den lighten dach
hiermee wordt duidelijk
tgeen onder den heydens verborghen lagh.
wat bij de heidenen nog onzichtbaar was.

Kaspar

Dit selve heeft my op de baen gebragt,
Dit heeft mij ook op reis doen gaan,
dat hoochelyc een wonder wort geagt,
dat moeten we als een groot wonder beschouwen
hier omme wy van herten seere –
daarom moeten we – mocht het zo zijn
mogtet so syn – het vinden begeren.
het echt willen vinden.

Melchior:

Doch, nu de starre schier verdween
Maar nu de ster bijna verdwenen is
dwelc ons ten teken blonck voorheen
die eerst nog als een teken voor ons blonk
en wy in deusen weghen ende straeten
en wij op deze wegen en straten
op geen middelen ons en dorren verlaeten,
geen verdere hulpmiddelen hebben
oock niet en weten nae wellecken kant
ook niet weten welke kant we op moeten
in dit gants onbekende lant,
in dit totaal onbekende land,
so en willenme de reyse niet beënden
zo willen we de reis niet beëindigen
en nae Hierusalem ons heen wenden,
en naar Jeruzalem gaan,
of wy in gintser stede welligt
misschien kunnen we in die stad
niet en vernamen een naeder berigt.
nader bericht vernemen.

Lied 2

Drie coninghen tyen, de starre veur an,
Drie koningen trekken verder, de ster voorop
tot Bctlehem isser de starre gegaen
tot Bethlehem is de ster gegaan
en heytse beduyt
en die heeft hen laten zien
waer ’t kindeken leyt,
waar het kindje ligt,
daer bleve de starre stil staen.
daar bleef de ster stilstaan.

Lied 3

Ter tyt Herodis regiment
In de tijd van het bestuur van Herodes 
syn wysen uyten orient
zijn wijzen uit het Oosten
gecomen veur Hierusalem an
in Jeruzalem aangekomen
toen Christus reets op aerden quam,
toen Christus al op aarde was gekomen
en vraegden alder weghen snel
en overal vroegen ze gehaast
waer geboren sy die in Israël
waar in Israël geboren zou zijn
nae de joetse profety’n
die volgens de Joodse voorspelling
de nieuw coninck soude syn.

de nieuwe koning zou zijn.

Herodes:

Bin ick eerst regt op een verbolghen
Als ik eenmaal boos ben op iemand,
hy wagte hem veur de gevolghen!
dan moet hij oppassen voor de gevolgen!
aerts ende gheestlyc hoochste hant
de hoogste wereldlijke en geestelijke machthebbers
heeft myn hier in der joetsen lant
hebben mij hier in het land van de Joden
gemaakt tot coninck al temet
bijgeval tot koning benoemd
ende op de hoochste plaets geset.
en de hoogste plaats gegeven.
Wy willen huyden regtspraak houden,
Nu willen we rechtspraak houden
spreecken mit jonghen ende mit ouden,
spreken met jongeren en ouderen
die sullen treden al te mael
die zullen hier allemaal in mijn
tot myn in myne conincks sael
koninklijke zaal bij mij komen
waorc nae se wagt.
waar ik op ze wacht.
Het klopt lackey,
Er wordt geklopt, lakei
gaot sien wie daor gecomen syn.
ga kijken wie er gekomen zijn.

Lakei:

Gehenadighste coninck, vreemt volc schier sonder tal 
Genadige koning, heel veel vreemd volk
welcs doelwit onbekent, comt hende tot u sael,
met een onbekend doel, komt hierheen naar uw zaal,
veul heren ende coninghen doense bringhen,
er zijn veel koningen en heren bij
sy moghten ons wel gants omringhen.
ze zouden ons wel helemaal kunnen omringen
Mit costlycke kleedingh synse an gedaon,
Ze hebben kostbare kleding aan
vol stacie doense daor henen gaon.
en ze bewegen zich vol statie.

Herodes:

Vraegt opterstont van waor sy comen
Vraag onmiddellijk waar ze vandaan komen
ende wat sy haor hebben veur genomen 
en wat hun bedoeling is.

Lakei:

Ghy heren, conincklyc majesteyt
Heren, koninklijke hoogheid
mogt weten waor veur ghy gecomen syt
zou graag willen weten waarom u gekomen bent
in deuse stadt, alsoock het oort,
naar deze stad, en ook de plaats
lant end geslaght daor toe ghy behoort.
het land en het geslacht waartoe u behoort.

Melchior:

Wy syn al tsaam van conincklycken standt,
Wij zijn allemaal van koninklijke stand
twee onser uyt Scheba, eenen uyt morenlandt;
twee van ons uit Scheba, een uit het land der Moren.
isset coningh Herodi nae den sin,
als het koning Herodes schikt
so quamen wy gheern tot syn edelheyt in.
zouden wij graag naar de vorst toegaan.

Lakei:

Sy syn al tsaem van coninclyken standt,
Zij zijn allemaal van koninklijke stand
twee hunner uyt Scheba, eenen uyt morenlandt
twee van hen uit Scheba, een uit het land der Moren.
isset coningh Herodi nae den sin
als het koning Herodes schikt
so quamen sy gheern tot syn’ edelheyt in
zouden zij graag naar de vorst toegaan.

Herodes:

Laotse in myn losament sonder verdrach
Laat hen zonder meer binnen
dattic haorlie an heuren mach
zodat ik naar hen kan luisteren.

Lakei:

Myn ghenadigst heer coninck begeert u precencie
Mijn genadige koning stelt uw aanwezigheid op prijs
en dat ghy hem bloot leght u saek end intencie.
en dat u uw zaak en bedoelingen duidelijk maakt.

Herodes:

Weest willecom heren, hoe dientet verstaon
Welkom Heren, hoe moet ik begrijpen
dat ghy van veer tot mynwaerts coomt gegaon ?
dat u van zo ver naar mij gekomen bent?

Kaspar:

U edelheyt meughe ons verschonen
Edele heer, neem ons niet kwalijk
so wilc de oorsaek cortlyc ane toonen:
ik zal de oorzaak in het kort aangeven
In Scheba onsen landen var
In Scheba, onze verre landen
verscheen een sonderlycke star,
verscheen een wonderlijke ster
daor in eene maegt een kind doet draeghen,
waarin een maagd een kind draagt
merckt wel waor van wy u gewaghen.
let wel wat wij u vertellen
Hier deur wier ’t eerst ons openbaer
Hierdoor werd het ons pas duidelijk
hoe dat den messias gecomen waer,
hoe de Messias was gekomen
een coninck geboren over al
geboren een koning over iedereen
soot heir der joetsen dienen sal;
die het leger van de Joden zal dienen.
hem soecken wy vlytigh uyt alle magt,
hem zoeken we zo goed we kunnen
dit heeft ons op de reyse gebragt
dat heeft ons op reis doen gaan.

Herodes:

Hoe, hier te lande heyt sulx geschiet,
Hoe is dit in dit land gebeurd?
vreemden bekent, myn egter niet?
Vreemdelingen weten het, maar ik niet?
so tyt nae Betlem te deuser stonde,
ga dit uur nog naar Bethlehem
so danich kint en wort hier niet gevonden.
hier is zo’n kind niet te vinden
Reyst henen ’t soecken. En daor ghy sult
Ga op pad om het te zoeken. En als u 
hebben anbeden end seffens bedeelt,
het hebt aanbeden en geschenken gegeven
bootschapt het myn, op dattic het weet,
laat het mij dan weten
dattic als eersten mach syn bereet,
dat ik de eerste mag zijn
dattic oock tottet kint mogt reysen
dat ik ook op reis mag gaan naar het kind
hetzelve aanbidden gelycker wysen
en het ook zo mag aanbidden.
Doet sulx ghy heren te mynen gerief,
Doe dat voor mij, heren
’t kint met vereren waor’  my lief.
ik zou het heel fijn vinden het kind ook te eren.

Kaspar:

U edelheyt, soo wyt mogten vinden,
Hoogheid, als we het kind mogen vinden
brenghemme u kondschap van het kinde
laten we u dat weten.

Melchior:

Nu wel aan
wy tyen van Hierusalem van daen.
Kom, dan verlaten we Jeruzalem.

Balthasar:

Siet an, de sterre gaot veur ons uyt
Kijk, de ster gaat voor ons uit
dwelc ons reets heeft geleyt
die ons al heeft geleid 
int ryc van orient
in het rijk van de Oriënt
daor wy ’t kindeken hebben erkent.
omdat wij het kind herkend hebben.

Herodes:

Die maor en ontroert my niet weinigh den sin
die boodschap brengt me danig in de war
wylc slechts een vreemden coningh bin
omdat ik maar een vreemde koning ben
en geenen regten. Gaot lakey
en geen echte. Vooruit lakei,
roept ras de schriftgeleerden tot my
roep snel de schriftgeleerden bij mij
end overpriesters, op dattic hore
en de overpriesters, zodat ik kan horen
waor den nieuen coninck sal worden geboren,
waar de nieuwe koning geboren zal worden
soot heir der joetsen dienen sal.
die het leger van de Joden zal dienen.

Lakei:

Ghenadighe coningh, ‘k verstae u wél,
Genadige koning, ik begrijp u goed,
wil sonder dralen end also snel
ik zal zonder gedraal en dus snel
uytet gantse lant van hende en varre
uit het hele land, van heinde en verre
de overpriesters byeen vergaeren.
de overpriesters samenbrengen.

Kaifas:

Heer, ic Kaifas, myn eygenste lief,
Heer, ik, Kaifas, ik houd van mijzelf,
heer, ic en doen u geen ongerief,
heer, ik doe niets tot uw nadeel
ic wilt al segghen op een haor,
ik zal het op een haar na precies zeggen
wen coninghlycke majesteyt
als u, koninklijke hoogheid
het geenderley wyse niet euvel en duydt.
het mij op geen enkele manier kwalijk neemt.

Herodes:

Spreeckt heer, doet ongestraft gewagh
Spreek, heer, zeg het ongestraft
schoonet my grootlyc mishaegen mach
hoewel het mij zeer onwelkom is
ic en hout u niet ten quade
dan neem ik het u niet kwalijk
mids ic my gheern van u liet raeden,
omdat ik mij toch graag door u raad laat geven
wesweghen toch ic om u sont.
daarom liet ik u toch halen
So seght my aen wat ghy bevont
dus zeg mij wat u ervan weet,

De schriftgeleerden:

Ghenadighe coningh, tleyt claor veurder hant,
Genadige koning, het is overduidelijk
in de stadt Betlem int joetse lant,
in de stad Bethlehem in het joodse land
so as de scriften wysenet uyt,
zoals de Schriften het vermelden
so asset veers vanden psalmmeester luyt:
zoals het vers van de psalmmeester luidt:
de soon sal boven syne vianden gaan,
de zoon zal boven zijn vijanden staan
boven allen so teughen hem op sellen staon,
boven allen die tegen hem in opstand komen,
veul vollecke hem volghen sal op aarde!
veel mensen zullen hem volgen op aarde
sy sullen in hem geseghend worden!
en zullen zijn zegen ontvangen.
Syn naom sal hieten Immanuel! 
Hij zal Immanuel heten
doet claorlyc vermelden Ezechiel:
dat zegt Ezechiël overduidelijk
want boter ende honingh sal hy eten
want hij zal boter en honing eten
ent goeje verkiesen, het quaaje vergeten
het goede verkiezen en het kwade vergeten.

Herodes:

Hoe cost ende mogt dit efter syn:
Hoe kan dat in ’s hemels naam
uyt de maegde geboren een kindekyn ?
dat de maagd een kind baart?

Kaifas:

Het saat der vroue sal der slanghe den kop vermorselen.
Het zaad van de vrouw zal de slang de kop vermorzelen.
en alt verlorene sal hy weeromme bringhen.
en alles wat verloren is gegaan zal hij weer terug brengen.

Herodes:

Een maghtich coningh sprack tot my
Een machtige koning sprak tot mij
en sonder schroom vermonde hy:
en zonder aarzeling zei hij
in Betlehem wiert van haor vernomen
dat hij vernomen had dat in Bethlehem
sy ons tot solaes een verlosser gecomen,
tot onze troost een verlosser is gekomen,
geregten heerscher en herder goet
een rechtvaardig heerser en een goede herder
welc ons algaeder regeren moet.
die over ons allemaal zal regeren.
Nu mogtic seker syn ende gewis 
nu zou ik er zeker van willen zijn
oft hiermet eene waorheyt is:
of het hier de waarheid betreft
Myn ryck staet hier in groot gevaor
Mijn rijk is hier in groot gevaar
wattic u segghe dat is waor
wat ik tegen u zeg is waar!

Kaifas:

Heer, so en dorfment niet verstaen
Heer, zo mag je dat niet opvatten
als soude u ryck te gronde gaen:
als zou uw rijk te gronde gaan:
een coninck sal hy worden geagt
hij wordt geacht als koning
maor niet en heerschen mit conincklycke magt,
maar niet heersen met koninklijke macht,
verwesen sal hy syn ter doot,
hij wordt tot de dood veroordeeld,
syn eygenst volleck tot een spot.
zijn eigen volk zal hem bespotten.

Herodes:

Twaor beter sulx te veure comen
’t Is beter dat maar te voorkomen
dat jonck hem tleven wier benomen
beter dat hij jong vermoord wordt.
eert volck hem schaerde an syne syde
voordat het volk zaan zijn kant gaat staan
ent ghaf ten lest een bloedigh stryden
dat zou op ’t laatst een bloedige strijd betekenen
so altemets een coningh quam tot myn.
toevallig kwam er dus een koning bij mi.

Pilatus:

Conincklyck majesteyt, wilt nog verduldich syn
Koninklijke hoogheid, wees toch geduldig
en blyft in uwen moet getroost
en vertrouw erop
tot dat de coninghen van oost
tot de koningen uit de Oriënt
weder keeren en brenghen u konde
terugkeren en u berichten
of syt aldus hebben bevonden
dat ze dit zo hebben gezien.

Herodes:

Int joetse lant – so staet te vresen
In het land van de Joden – is te vrezen –
mogtet te veuren ruchtbaor wesen.
zou het eerder bekend kunnen worden.
Nog gisterdaegs wiert ons gemeld
Gisteren nog werd ons gemeld
hoe een engel quam totten schaepers opt veldt
hoe er een engel kwam bij de herders op het veld
en bootschapte haor dat geboren was
en die bracht hen de boodschap
een nieucn coningh, Heer Kaifas,   
dat er een nieuwe koning was geboren. Heer Kaifas, 
seght waer geboren wort mit al
zeg waar geboren wordt 
wient heir der joetsen dienen sal
die het leger van de Joden zal dienen.
wat segghen hier van U profeten ?
wat zeggen uw profeten hiervan?

Jonas:

Sy doene allen een parighlyc weten:
zonder uitzondering laten ze allen weten
Christus den coninck is uytvercoren
Christus de koning is uitverkoren
in Betlem sal hy worden geboren,
hij zal in Bethlehem worden geboren,
de stadt dwelc in Judea leyt.
de stad die in Judea lig.t
Soo ist van profeten ane geseyt
Zo hebben de profeten het verkondigd.

Herodes:

Algoet
Al goed
laet af en swyght alsnu
houd op en zwijg nu
ick heurde alree genogh van u;
ik hoorde van u al genoeg;
maekt u van hier.
verdwijn.
ic will te deghen
ik wil die zaak
en regts die saeke overweghen
terdege overwegen
en rigt myn sin en mynen moet
met hart en ziel denk ik eraan
op dattic vergiete het kint syn bloet;
het bloed van het kind te vergieten.
des lacht den duyvel inder hel,
nu lacht de duivel in de hel
past het hem wel, den qua ghesel ? 
heeft hij daar schik in, die slechte vriend?
o mostic geraeken in sullicke noot
als ik toch in zo’n ellende terecht kom
het waor my liever ic lagh er reets doot.
dan had ik liever dat ik al dood lag.
Wat staet te doen in deusen daghen
wat is er deze dagen te doen,
te spreken? laes, ic moet vertsaeghen
te zeggen? helaas, ik zal de moed verliezen
ende versincken in sulck ellend
en in zo’n ellende zinken
al eer ick eone an myn end.
voor ik aan m’n end kom.
Hoe loonics als daor van myn hooft  
hoe wreek ik het als van mijn hoofd
de coninghscrone wort gerooft?
de koningskroon wordt geroofd?
Is geen die my de hant wil reyken?
Is er niemand die een helpende hand wil bieden
oft geesten syn of myns ghelycken
of het geesten zijn of mensen zoals ik
ic had my gheerne haor verkocht
ik zou me graag aan hen uitleveren
ofc se veur immer volghen mogt
of ze voor altijd volgen
0 wee, is nyemant soot vermogt?
ach, is er dan niemand die dat kan
is geen daor so my by wilt staon?
is er niemand die mij wil helpen?

Duivel:

Wie daor, wie hier? wat schort er an?
Wie daar, wie hier, wat is er aan de hand
ic en laet van u te ghener tyt!
ik laat je nooit in de steek
seght aen, wat is u swaericheyt
zeg op, wat zijn de problemen
dat ghe u noot so fel doet claeghen?
dat je zo heftig je nood zit te klagen?

Herodes:

Van anghsten soudic vast vertsaeghen,
van angst verlies ik zeker de moed,
wyl een nieuen coninck geboren is
omdat er een nieuwe koning is geboren
over ’t lant der joetsen vercoren is: 
uitverkoren in het land van de Joden:
waor heen ic armen duyvel, ach!  
waar moet ik, arme duivel, heen?

Duivel:

Swyght stil, ic bin vant selfden slagh!
Zwijg, ik ben net zo!
geen duyvel en laet oyt syns gelycken,
geen duivel laat zijns gelijken in de steek,
ic hellep u oogmerck flucx bereycken,
ik help je je doel snel te bereiken
op stel ende spronck isset gedaon:
op stel en sprong is ’t voor elkaar:
den nieuen coninck sal ons niet ontgaon:
de nieuwe koning zal ons niet ontkomen
’ck bin hem so wel gesint als ghy,
ik ben hem net zo goed gezind als jij.
volgeeren schaffic raet hier by!
hier geef ik heel graag raad bij
dies maekt u op, geen uur gewagt.
dus kom op, geen uur meer gewacht.

Herodes:

Ghesel, op iet bin ‘ck noch bedacht;
Vriend, ik zit nog met één ding
so ic se alle ylinc doe deursteken,
als ik ze nou allemaal vlug dood laat steken
men mogtet op my selven wreken;
zou men zich op mij kunnen wreken
sulck quat en wort wis niet verschoont
zoiets kwaads wordt echt niet vergeven
doch mit gelycker daet beloont
maar met gelijke munt betaalt
Hoe mogtic my daor teughen keeren
Hoe voorkom ik dat?

Duivel:

Een oghenslach – en ‘ck salt u leren;
In een oogwenk zal ik het je leren
wilt ghy oock duyvel syn, so merckts, so merckts;
wil je ook duivel zijn, let op dan, let dan op:
in toren ende gramschap onvervaert
moedig met woede en haat
de ongeborenen selfs niet en spaert,
de ongeborenen zelfs niet sparend
noch wyf noch kints u niet ontferm,
geen medelijden met vrouw en kind,
sy meughen syn ryck, sy meughen syn erm
of ze nu rijk zijn of arm
ghy sult ombringhen alle knegtjes kleyn
je moet alle kleine jongens ombrengen
so tweujaorigh en daor onder syn;
die twee jaar of jonger zijn.
dan doenic laghen in myne vuyst
dan lach ik in mijn vuist
kreck of den vos een gansjen muyst.
net of de vos een gans rooft.
Dies maekt u op, geen uer gewagt;
Kom op, geen uur gewacht
ic vaor in naeme Bix Bax
ik ga in de naam van Bix Bax  (oude toverspreuk)
tot mynen ghesellen roek ende rat.
naar mijn vrienden, roek en rat.

Lied 4:

Mit God so willenme ons liedeken vrolyck doen klincken:
Met God willen we ons lied vrolijk laten klinken:
deet nu Herodes dit woort vernemen,
toen Herodes deze woorden had vernomen,
gedrieën synse gegaen,
zijn ze met z’n drieën weggegaan
de star blonck veurse henen,
de ster scheen voor hen uit,
in Betlehem bleve de star stil staen.
in Bethlehem bleef de ster stilstaan.

Lied 5:

Geboren is in Bethlehem
Geboren is in Bethlehem
al in den stal
in de stal
een kind dwelcs ryk niet en eynden sal.
een kind aan wiens rijk geen einde zal komen.
Dies juight van ‘t jaer Hierusalem,
Daarom juicht dit jaar Jeruzalem,
ja, Christus de heer wy singen hem
ja, Christus de heer bezingen wij
lof syner moeder reyn
lof aan zijn reine moeder
al met haer kindekyn.
ook aan haar kindje.
Christus de heer wy prysen hem
Christus de heer hem prijzen wij
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang,
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang.

2

Het lyt van ‘t jaer in Bethlehem
In dit jaar ligt het in Bethlehem
in krebbe kleyn,
in een klein kribje,
syns rycks en sal geen eynde syn.
aan zijn rijk zal geen einde komen.
Dies juight van ‘t jaer Hierusalem,
Daarom juicht dit jaar Jeruzalem,
ja, Christus de heer wy singen hem
ja, Christus de heer bezingen wij
lof syner moeder reyn
lof aan zijn reine moeder
al met haer kindekyn.
met haar kindje.
Christus de heer wy prysen hem
Christus de heer hem prijzen wij
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang,
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang.

Kaspar:

Verlaet o heer
Verlaat o heer
ons nemmermeer !
ons nooit meer
verlight onse oghen inder noot
verlicht onze ogen in onze nood
dat wy niet en eynden in de doot,
dat we niet in de dood eindigen
geley ons, heer op regte baen
begeleid ons heer, op de juiste weg
dat wy alhier niet en dwaligh gaen
dat we hier niet verdwalen
en leert ons de gheboden dyn. 
en leer ons uw geboden.

Melchior:

Welc deuser twee paden macht regte syn ?
Wat van deze twee wegen is nu de juiste?

Balthasar:

Siet, hier de star doet stille staen,
Kijk, hier staat de ster stil,
laet ons inden stal tottet kinde gaen
laten we tot het kindje in de stal gaan.
Got moet u groeten, lief maegdelyn,
God moet u groeten, lieve maagd
is hier dien wy soecken, het kindekyn?
ligt hier die wij zoeken, het kindje?

Lied 6:

Maria:

Hier leyt dien ghy soeckt, goe heren myn,
hier ligt die u zoekt, mijn goede heren,
in doecken gewonnen het kindekyn.
in doeken gewikkeld, het kindje.

Melchior:

Nu welaen!
Welnu dan
opgedaan ons geschenck ende offer
gegeven ons geschenk en offer
wieroock, mirre endet rode gout
wierook, mirre en het rode goud.

Melchior:

Psallite unigenito
Prijs de eengeborene
Christo, dei fillio
Christus, de zoon van god
psallite redemptori,
Prijs de Heer,
domino puerulo,
de verlosser, het kindje
jacenti in praesepio.
geboren in een stal.

Koningen:

Wie onser sal den eersten syn ?
Wie van ons gaat als eerste?

Kaspar:

Als oudsten sy aan U die ere;
Als oudste komt u die eer toe;
treet toe wy volleghen u gheren
treed binnen, wij volgen u graag.

Balthasar:

U coomt sy toe, gae ghy te veuren.
U komt die eer toe, gaat u eerst

Melchior:

An ere en is my niet geleghen;
ik geef niet om eer,
ic gae mit Got, niet langh gewagt
ik ga in naam van God, niet lang gewacht
en ’t kinde nieue jaer gebragt.
en het kind een geboortegroet gebracht.

Melchior:

Gegroet syt ghy o heiligh kint,
Wees gegroet, o heilig kind
gelooft sy Got dattic u vindt,
geloofd zij god, dat ik u vind.
van verre reyse comen wy
we hebben een verre reis gemaakt
u ane treffen te regter ty,
om u op het juiste ogenblik te vinden.
Ic wil u offeren ’t rode gout,  
Ik wil u het rode goud schenken
ic bid my in genae behout. 
Ik bid u, bewaar mij in genade.
Brenght troulyck groot het kinde teer
Breng het tere kind met trouw, groot
en hebt het oudren hooch in eer.
en geef het, ouders, veel eer.
Voorwaer, gh’en sultet niet beclaghen
Echt, daar zal u geen spijt van hebben
en neemt voor lief myn luttel gave
en neem mijn kleine gave voor lief.

Kaspar:

O edel coningh, o edel heldt,
O, edele koning, o edele held
hoe is u woningh so arrem bestelt,
waarom is uw woning zo armelijk
wie mogt u soecken in den stal,
wie zou u in de stal zoeken
is dit u conincklycke sael ?
Is dit uw koninklijke zaal?
een star heeft my tot u geleyt
een ster heeft me tot u geleid
dien lof en ere moet syn geseyt.
u, die moet ik loven en prijzen.
Veel edel coningh t’aller stond
Grote edele koning, elk uur
sallic u prysen mit mijnen mond
zal ik u met mijn mond prijzen
en roemen wyt ende breit u name;
en wijd en zijd uw naam roemen.
so wilt veel edel heldt ontvaen
alzo, edele held, wil ontvangen
de vrugt myns lands, de mirre goet
de vrucht uit mijn land, de goede mirre.
nu bidde ic dat ghy my behoet
nu vraag ik u of u mij wil beschermen
bewaert int regte Betlem my,
behoed mij in het ware Bethlehem,
in uwen naeme ic henen ty.
in uw naam vertrek ik.

Balthasar:

O coningh teer aensiet oock my,
O, liefelijke koning, zie ook op mij
daor en is geen hoghe heldt als ghy,
er is geen hogere held als u
u begere ic uyt ’s herten gront,
uit de grond van mijn hart verlang ik naar u
een star ginck veur tottic u vont;
een ster ging voorop tot ik u vond
neemt aan het offer, de wieroock goet,
neem het offer aan, de goede wierook
daormot men coninghen eren moet,
daarmee moet men koningen eren.
heer, wen ic dickmaels coma na deusen
heer, wanneer ik hierna nog dikwijls kom
wilt myns oock immer ghenadich wesen.
wil mij dan ook steeds genadig zijn.

Jozef:

Myn goede heren, vergelde Got
Mijn goede heren, dat God u zal belonen
dat ghy tot ons quaamt in onse noot
omdat u in onze nood bij ons kwam
en mit u giften hebt bedaght,
en ons uw gaven hebt geschonken
Got hebbe u in syne wagt,
Dat god over u waakt
ons kindeken van gaven ryc
ons kind, met zulke rijke gaven
sallet u lonen mildelyck
zal u er rijk voor belonen.

Lied 7

Maria:

Goe heren, van herten danck geseyt
Goede here, hartelijk dank
van gaven end offerveerdicheyt,
voor de gaven en de offerbereidheid.
spoet ende jonst moogh’t u verlenen
voorspoed en geluk mag het u geven
op uwen verd’ren wegh van henen.
op uw verdere weg van hier.

Kaspar:

Nu welaan, goe Josef myn
Nu, mijn goede Jozef
bevolen sy u het kindekyn,
het kindje is aan u toevertrouwd
geen vlyt noch sorghen niet en schoont,
spaar vlijt noch zorg
van Got de heer worde u gheloont.
God de heer zal u belonen.

Balthasar:

Nu bewaere u den almaghtigen Got
Dat de almachtige God u zal beschermen
van kommer, anghst end aller noot,
voor leed, angst en alle ellende,
u eeuwighen vader doe u bewaeren
uw eeuwige vader beschermt u.
mit Got so moetenme henen vaeren
met God moeten we vertrekken

Melchior:

Nu willenme weerom tot Herodes reysen
Nu zullen we weer naar Herodes gaan
ende plaats van het kinde ane wysen,
en de plaats van het kind bekendmaken
doch willenne hier wylen over nagt
maar laten we hier vannacht blijven
want alree heyt den avent het duyster gebragt
want de avond heeft de duisternis al gebracht

Koningen:

Ic laghe in eene nagt en sliep.
Ik lag in een nacht te slapen.

Engel:

Ghy heylghe coninghen van orient,
U, heilige koningen uit het Oosten
Got den almaghtighen my tot u sent,
God de almachtige stuurt mij naar u
dat u door myn wiert openbaer
zodat u door mij te weten komt
dat ghy vermyden mooght alsulck gevaer,
dat u dat gevaar moet vermijden
dat ghy niet en wederkeert de baen
niet terug te keren op de weg 
tot coningh Herodes den tyran.
naar koning Herodes, de tiran
Want Herodes toornt heimelick sonder maeten,
Want Herodes is in zijn paleis grenzeloos boos
Got leyde u huyswaert op anderen straeten.
God leidt u naar huis langs andere wegen.

Melchior:

Een sonderlicken droom ic horen waende,
Ik dacht dat ik een wonderlijke droom meende te horen
als of een inghel my vermaende
alsof een engel mij waarschuwde
dat wy souden myden Herodes huys
om het huis van Herodes te mijden
en deur andere weghen volbrenghen de reys;
en de reis langs andere wegen af te leggen
want Herodes draegt in synen moet
want Herodes is vast van plan
hoe hy soude vergieten het kinde syn bloet.
om het bloed van het kind te vergieten

Baltahsar:

Desgelyek heb oock ic vernomen
Dat heb ik ook zo gehoord
van den inghel, in onse slaepstee gecomen,
van de engel die naar onze slaapplaats is gekomen
dat Herodes gerigt heeft synen sin ende moet
Herodes heeft zich met hart en ziel erop gericht
op dat hy vergiete het kinde syn bloet.
het bloed van het kindje te vergieten.
Herodes, is sulcx u beus begeren
Herodes wil je zoiets kwaadaardigs,
so wagten wy ons tot u weder keeren.
dan passen wij er wel voor op naar je terug te keren.

Lied 9

Koningen zingen:

Balthasar, coninck, daelt van den berrigh neder
Balthasar, koning, daalt de berg af
daer hy dat kindeken vinden dede,
omdat hij het kindje had gevonden,
ja also vinden dede, ja dede, ja dede.
ja, hij vond het dus, hij vond het.

Engel:

Josef, Josef, gotvruchtig man
Jozef, Jozef, gelovige man
merckt wattic u wil segghen aen
Let op wat ik u ga zeggen
van Gode die my tuwaert sont:
namens God die mij naar u toestuurde
Maria neemt tot u terstont
Neem dadelijk Maria mee en ook het kind
metgaoder ’t kinde hooch van naem,
dat hoog in aanzien staat
vliedt naet Egyptelant te saem
en vlucht samen naar Egypte
en weest aldaor tot op de tyt
en blijf daar tot die tijd
dat ic ’t sal hebben aen geseyt.
die ik zal aangeven.

Jozef:

O waor sullenme henen inder nagt
O, waar moeten we in de nacht naartoe
wie hadde oyt sulck ellend gedagt,
wie had er nu aan deze ellende gedacht
wy en kennen nae dit ofgeleghen
wij kennen naar dit afgelegen
Egyptenland geen straet noch weghen,
Egypteland geen enkele weg
daor ons belaghen boven dien
bovendien worden we door wilde dieren 
gedierte wildt ende roverslien
en rovers belaagd
’t Is vol perycklen, oock maghtigh veer.
’t Is vol gevaar en ook heel ver.

Lied 10

Maria:

Ons sal geleyden Got den heer
God de Heer zal ons leiden
voert de synen veylighe straeten,
brengt de zijnen over veilige wegen,
salse nimmermeer verlaeten,
zal hen nooit min steek laten,
sal syn enghel mit ons senden,
zal zijn engel met ons meesturen
ons regeren sonder ende.     
ons voor altijd leiden. 
Hier om staet op, syt wel gemeyt
Sta daarom op en heb goede moed
en maektet eselken bereyt.
en maak het ezeltje klaar.

Jozef:

O heemstee goet, dat Got u hoet
O goed huis, dat God u behoedt
nu het eenmaal so wesen moet;
nu het eenmaal zo is;
in Godes wil sallic my gheven
ik geef mij aan de wil van God over
om nae syn eerst ghebot te leven.
om naar zijn eerste gebod te leven.

Lied 11

Maria:

Ade, ade, nu leyt ons Godes hant
Vaarwel, vaarwel, nu leidt Gods hand ons
van hier en tot het veer Egyptenlant.
van hier tot het verre land van Egypte.

Herodes:

Schoon ic met sorghen deet bedencken
Hoewel ik met zorg heb bedacht
hoe dat ic rycklic sou beschencken
hoe ik de wijzen uit het Oosten
de wysen uytet oostenlant
listig en voortvarend rijkelijk  beloon
mit sluwheyt en mit rapper hant
als oock den nieuen coninck goet,
en ook de nieuwe koning,
so speur ic doch in mynen moet
heb ik toch het gevoel
dattic van haorlie ben bedroghen
dat ik door hen ben bedrogen
en sy my hebben veur geloghen.
en dat ze me hebben voorgelogen.
In anghsten leef ic gruwbaorlyck
Ik leef met gruwelijke angst
dat also dra myn coninckryck
dat dus weldra mijn koninkrijk
gering wort en heyt ofgedaan.
klein wordt en verdwijnt.
Nu ist van node ras beraen
Nu moet ik snel nadenken
hoe offic deuse saeken wend
hoe ik dit afwend
dat ic behouden magh myn regiment,
dat ik mijn heerschappij kan behouden.
ick sin het eene en voort het aer,
dan denk ik aan dit, dan aan da,t
’ck wick ende weegh hoe ic dien coninck daer
ik wik en weeg hoe ik die koning daar
mogt vatten, en gestaegh bedenck
te pakken kan krijgen en langzaam maar zeker bedenk
wat ic hem bieden sal veur een geschenck.
wat voor geschenk ik hem zal geven.
’ck wilt soetjens an ende oock mit loosheyt doen
ik wil het voorzichtig en ook slim doen
gelyck de vos besluypt een malsch kapoen,
net als een vos die een mals haantje besluipt
dan dryft hy listighlic syn spel
dan speelt hij listig zijn spelletje
en doet het vanghen alte wel;
en dan grijpt hij hem;
gelyck de kat do muys verslindt,
net zoals de kat de muis verslindt
soo willic om gaon mittet kint.
wil ik met het kind doen.
Seer plotslyc staot my nu veurt oogh
Nu zie ik ineens duidelijk
hoe of ict kinde vatten moogh:
hoe ik het kind te pakken kan krijgen
met myn krygsvolck willick gezwind
met mijn soldaten wil ik snel
om brenghen so menich cleyne kint,
menig klein kind ombrengen,
in gantse Judea brengh ic voorwaer
in heel Judea breng ik zeker
de knegtkens om ’t leven alle te gaor;
de jongentjes allemaal om het leven;
wat deert my of int gantse lant
wat kan mij het schelen of in het hele land
de moeders kryten moord ende brand,
de moeders moord en brand huilen,
soo ick myn ryck slechts cost beerven
als ik mijn rijk maar kan behouden
niet en geraecke int verderven.
en het niet slecht met mij afloopt.

Lied 11:

Maria:

Maghtighe coningh, gedenckt aan barmherticheyt,
Machtige koning, denk aan barmhartigheid,
dat ghyt eenmaal niet rouigh en syt
dat u er ooit spijt van heeft
so ghy vergiet der onschuldighen bloet,
als u het bloed van onschuldigen vergiet
bedenkt, maghtighe coninck, wat ghy doet.
bedenk, machtige koning, wat u doet.

Packt u gezwind van hier, dwazin!
Verdwijn meteen, dwazin!
wat laot ghe u mit mynen saeken in?
waar bemoei je je mee?
benomen wort my ’t regiment
het regeren wordt van mij afgenomen
sooc niet en spoede dit onheyl wend.
als ik dit onheil niet meteen afwend.
Wout ghy my dan verordineren?
wil je mij dan bevelen?
een coninck en salmen niet regeren!
een koning moet men niet willen regeren.
siet hier het conincklyc mandaat
hier is het koninklijke bevel
soo’ck opterstont uytveerdighen laet;
dat ik onmiddellijk laat uitgaan
tot alle landpaelen condighet af,
kondig het aan tot alle landsgrenzen
elk hem er nae righte op swaerste straf.
Ieder moet zich eraan houden, anders volgt de zwaarste straf

Hoofdman:

Haor conincklycke majesteyt
Zijne koninklijke majesteit
deur een gestrengh mandaat bevolen heyt
heeft door een streng bevel bevolen
dat men om brenghe alle knegtkens cleyn
dat men ombrengt alle kleine jongetjes
so twoujaerigh en daor onder syn.
die twee jaar of jonger zijn
Hier en sal niet baeten goet noch geldt,
geld en goederen zullen hier niet helpen
also heytet onsen heer coninck bestelt.
zo heeft onze koning beslist
Een yeder die het ghebot sal weerstreven
Ieder die tegen het gebod is
salt boeten mit haaf, goet ende leven.
zal boeten met zijn bezit, goederen en leven.

Judas:

O, wee o, wee het felle mandaat!
Owee, o wee, het strenge bevel
des coninghs magt over ons leven gaet,
de macht van de koning gaat over ons leven
onse kinderkens moetens worren gedoot?
moeten onze kinderen worden gedood?
ach, wat salt gheven smert, pyn ende noot!
ach, wat zal dat een verdriet, pijn en ellende geven!

Herodes:

Dit woort sy aenstonts mitter doot bekocht
Dit woord moet hij meteen met de dood bekopen
grypt hem, hy worde int prisoen gebrogt
grijp hem, hij wordt naar de gevangenis gebracht.

Hoofdman:

Ghy booswicht, wildy den coningh weerstreven,
Jij, boef, wil jij de koning tegenwerken
tsal u costen haaf goet ende leven,
dat kost je je bezit, goederen en leven,
ist niet beter de kinderkens sturven alleene,
is het niet beter dat alleen de kinderen sterven
als dat wy algaeder verdurven mit eenen?
dan dat wij nu helemaal in het verderf raken?

Herodes:

Loopt lackey, bringht my opt termyn
Ga lakei, breng straks
den also getrouen hooftman myn.
mijn trouwe hoofdman bij me.

Herodes:

Siet hier, hooftman, neemter dit sweert
Kijk eens hier,  hoofdman, neem dit zwaard
ende vier dusend manschap mit haor best gheweer
en vier duizend man met hun beste wapens
ende gaot heen overt geberregt mit spoet
en trek snel de bergen over
end’ alle knegtkens cleyn ombringhen doet!
en doodt alle jongentjes!
Neemt, segghic u, geenderlei steeckpenninck an,
Ik zeg je, neem geen steekpenningen aan,
want op straffe des levens comtet u staen:
dat kost je je leven;
doodt ghy de kinderkens alle ghelyck,
dood de kinderen allemaal tegelijk,
meughense erm syn, jonc ofte ryck;
of ze nu arm, jong of rijk zijn;
soldye schenck ic u tweevoud,
ik geef je een dubbel soldij
lonen salc u mittet rode gout.
ik zal je belonen met het rode goud.

Hoofdman:

Dat conincklycke majesteyt
Wat koninklijke majesteit
te deuser uer bevolen heyt
dit uur heeft bevolen
hebbic mit vreuchden ane geheurt,
heb ik met plezier aangehoord,
oock wel vernomen weurt veur weurt:
en ook woord voor woord begrepen
Ic doent u sweren by hoochste trou,
ik zweer het u bij mijn hoogste trouw
volgaeren sulcx volbrenghen sou
dat ik heel graag zoiets wil volbrengen
want myn gantse sin ende moet
want al mijn zinnen en mijn hart
rigtig hier nae haeken doet.
verlangen hier echt naar.
Ic wilde ic hadse veur my staen.
ik wou dat ik ze voor me had.
‘ck en soude wis niet ledich staen
ik zou zeker niet werkeloos toekijken,
doch met dit sweert soudic gezwind
maar met dit zwaard zou ik bliksemsnel
ombrenghen so menigh cleyne kint!
menig klein kind ombrengen!
het hert int lyf my lagchen doet
mijn hart lacht in mijn lijf
als ic sien druypen ’t rode bloet;
als ik het rode bloed zie druipen;
dan lykentet een brulochte
dan lijkt het wel een bruiloft
daorse veul kalvers en koebeesten slogten.
waar ze veel kalveren en koeien slachten.
Wel an, mit haesten ic my bereyt
Wel aan, ik ben snel bereid 
te doen dat my conincklycke majesteyt
om te gaan doen wat de koninklijke majesteit
ernstlyc gheboden hcyt. Lackey, ccomt ras,
ernstig heeft bevolen. Lakei kom snel mee,
slaot ghy mit myn er oock op los:
sla jij er met mij ook op los:

Lakei:

Ja heer, van stond aen willic houen ende steken
Ja heer, vanaf ’t begin wil ik slaan en steken
so veul ic can; ‘ck laot my niet besteken.
zoveel als ik kan; ik neem geen steekpenningen aan.

Hoofdman:

Ic sien een drom knegten ende trawant,
Ik zie een troep helpers en handlangers, 
Ic meen tsy een colfjen nae haorlie hant:
ik denk dat het een kolfje naar hun hand is:
wel nu, heer coninck, hebt goeden moet,
wel, heer koning, heb goede moed
wy sellen vergieten het kinde syn bloet.
we zullen het kind zijn bloed vergieten.

Hoofdman:

Conincklyc majesteyt, nu gheeft wel agt;
Koninklijke majesteit, luister goed
een maol hondert dusend vier en veertigh en acht
in één keer 144.000 en let op
heb ic mit eyger hand omt lyf gebrogt,
die heb ik met eigen hand om het leven gebracht,
wel nu, heer coninck hebt goeden moet,
wel nu heer, koning, heb goede moed,
wy deden vergieten het kinde syn bloet
we hebben het bloed van het kind vergoten.

Soldaat:

Tagentig dusend is myn getal
Tachtig duizend is mijn aantal
die ic bragt om tleven over al,
die ik overal om het leven bracht,
den deusen deet ic ’t lesten packen
deze pakte ik het laatst
en deet hem wip! synen kop af hacken.
en hakte hem, wip! zijn kop af.

Lakei:

conincklyc majesteyt, merckt an dit wigt
Koninklijke majesteit, aan dit kind kan u zien
hoe ic desselfs mandaat hebt uyt gerigt:
hoe ik uw bevel opgevolgd heb:
twee dusend heb ic er gebragt omt leven
twee duizend heb ik er om het leven gebracht
en deusen an syns moeders borst gegrepen.
en deze aan zijn moeders borst gegrepen.

Herodes:

Hebt danck ghy knegten al drieën ghelyck,
Bedankt, knechten, alle drie,
ic wil u schencken myn halleve ryck!
ik wil jullie mijn halve rijk schenken!

Duivel:

Ghenadighe coninck, bin oock weerom gecomen
Genadige koning, ik ben ook weer gekomen
en heb myn kinders oock mit genomen,
en ik heb mijn kinderen ook meegenomen,
die hebben haorselfs dorren vermeten
die zijn zo brutaal geweest
uut minen sack de braetworst te eten;
uit mijn zak de braadworst op te eten;
eer dat ics gonne een bete brood,
voor dat ik ze een korst brood gun
eer slanic ’t neer en ’t leyt morsdood.
sla ik het liever neer en het ligt morsdood.

Hoofdman:

Coninclyc majesteit, ic bid om verschoningh:
Koninklijke majesteit, ik vraag vergiffenis:
wy en vonden niet den nieu geboren coningh,
we vonden de pas geboren nieuwe koning niet,
of wy oock sochten naer ende veur,
of we nu in alle uithoeken zochten,
van den coninck en hebben me niet geheurt;
over de koning hebben we niets gehoord;
alevel alle knegtkens cleyn
niettemin hebben we alle kleine jongens
so tweujaorigh en daor onder syn
van twee jaar en jonger
bragtenme om nae ’s heren woorden;
omgebracht volgens de woorden van onze heer
ic meene ’t is volbragt geworden.
ik denk dat we eraan voldaan hebben.

Herodes:

Daor ghy hem niet en hebt gedood
Als je hem niet hebt gedood
staet vast dat hy uytet ryck ontvlood.
is het duidelijk dat hij uit het rijk is gevlucht.
Nu is myn leven schier verloren   
Nu is mijn leven bijna verloren   
mids dat een nieuen Got hier is geboren!
omdat hier een nieuwe God is geboren!
selfs willic sien waorc hem can vinden,
zelf wil ik zien waar ik hem kan vinden
ay, costic hem in Bethlem in den stalle vinden!
ach, kon ik hem maar in Bethlehem in de stal vinden!
0 smart, o bittere smart
o smart, o bittere smart
hoe is my bangh omt hart.
wat ben ik bang.

Lakei:

Een appel end een mes bringht haestiglyc
breng gauw een appel en een mes
dattic myn here laefenis reick.
zodat ik mijn heer een versterking kan geven.

Lied 12:

Engel:

Herodes, Herodes, ghy snoode tyran,
Herodes, Herodes, jij kwaadaardige tiran,
wat deden d’onnoosle kindjens u an,
wat hebben de onschuldige kinderen je aangedaan,
dat ghy so deet verderven ?
dat je ze zo in het verderf hebt gestort?
wagt, nu coomt ghy de doot te sterven
wacht maar, nu zal je sterven.

Herodes:

Wat helle glans heeft my omvaen,
Wat voor lichte glans is er om mij heen
ach, ach, myn leven heyt gedaen,
ach, ach, mijn leven is voorbij,
loopt, lackey, bringht my opt termyn
ga, lakei, haal zo dadelijk
den also getrouen hooftman myn.
mijn trouwe hoofdman.
Siet aan hooftman, neemt dit present
Kijk hoofdman, neem dit geschenk
wilt u vereren al veur myn end
dat ik je nog wil geven voor mijn einde
het tydlic goet hebbic te seer geagt
ik was te veel gehecht aan de tijdelijke dingen
dies heeft den duyvel my ten val gebragt:
daarom heeft de duivel me ten val gebracht:
nu vaer ic henen in abrahams hof.
nu ga ik naar Abrahams hof

Engel:

Ghy hellegheesten wagt hem of,
Jullie, geesten van de hel, wacht op hem
en voert hem ’t uwaert, tot u nest,
en breng hem naar jullie nest,
die staeg u diener is gheweest
die steeds jullie knecht is geweest
en kleedt hem als een coninck schoon
en kleed hem aan als een mooie koning
en set hem op de hellecroon.
en zet hem de hellekroon op.

Hoofdman, lakei, soldaat:

Wat baet de hoghe troon
Wat voor nut heeft de hoge troon
wat schepter ende croon
wat de scepter en de kroon
schepter en regiment
scepter en regeren
tgaet alles ras ten end.
alles gaat snel voorbij.

Duivel:

Buckt u Joostjen, buckt u,
Buk je, Joostje, buk je,
Doet u an suere melleck versaeden
Doe je je tegoed aan zure melk
en hebtet vet in de kan gelaten.
en heb je vet in de kan laten zitten.

Herodes:

O duyvel, laet my langher leven,
O, duivel, laat mij langer leven,
een juck swart ossen sallic u gheven!
ik zal u een paar zwarte ossen geven!

Duivel:

Neen ic, neen u wilc alleen
Nee, nee, ik wil alleen jou.

Herodes:

0 duyvel, laet my langher leven, 
o duivel, laat mij langer leven,
een span swart rossen sallic u gheven!
ik zal u een span zwarte rossen geven!

Duivel:

Neen ic, neen u wilc alleen
Nee, nee, ik wil alleen jou.

Herodes:

0 duyvel, laet my langher leven,
o duivel, laat mij langer leven,
myn halve coninckryck sallic u gheven!
mijn halve koninkrijk zal ik u geven!

Duivel:

Ei, wat sullemne stryen gins en weer,
Ach, wat zullen we ruziën over en weer
onser syt ghe maor alte seer!
je bent helemaal van ons!
daor comen er meerdere nogh by myn in de hellepyn,
er komen er nog meer bij mij in de pijn van de hel
ghy en sultet alleenlich niet syn!
je bent niet de enige!
Wagt, efkens sien of ghe oock swaor syt.
Wacht, eens even kijken of je ook zwaar bent.
Span ic an een paor katten
Ik span een paar katten aan
Span ic an een paor ratten
ik span een paar ratten aan
Span ic an een muysenpaar
ik span een paar muizen aan
rits, rats, mit hem ter helle vaor.
rits, rats, naar de hel met hem.

Hoofdman:

Ach, wat heeft myn heer coninck bedreven,
Ach, wat heeft mijn heer koning gedaan
dat hy de kinderkens stond nae ’t leven,
dat hij de kinderen naar het leven stond,
hadde ic het, lacie, eer bedacht,
helaas, had ik het maar eerder bedacht
ic en hadde se wis niet om gebragt,
dan had ik ze zeker niet omgebracht,
ach cost icx nogh erlanghen,
ach, kon ik nog terug,
an den hoochsten boom mogt ic wel hanghen!
dan zou ik wel aan de hoogste boom willen hangen!
ach cost icx nogh bedencken,
ach, kon ik me nog bedenken,
in de diepste see mogt ic wel sincken!
dan zou ik wil in de diepste zee willen verdrinken!
Doch wil ict op myn heer coninck wreken
maar ik wil het op mijn heer koning wreken
en met dit sweert my selven deursteken.
en met dit zwaard mezelf doodsteken.

Lied 13

Kompanij:

Wilt singhen end jubileren
Wil zingen en jubelen
Jesu den messiae,
Jezus, de Messias
die de wereldt doet regeren,
die de wereld regeert
is een soon Mariae
is een zoon van Maria
en leyt in het krebbeken
en ligt in het kribbetje
by ’t osjen end eselken.
bij de os en het ezeltje.
Suja, suja, suja, suja, kindekyn,
suja, suja, suja, suja, kindje klein,
ick ben u, ghy syt myn.
ik ben van u, u bent van mij.
Jubelt springhend, jubelt singhend
Jubelt springend, jubelt zingend
hodie, hodie, hodie
vandaag, vandaag, vandaag 
is geboorn Christus sone Mariae, Mariae
vandaag is Christus geboren, de zoon van Maria, Maria
en heeft van ons of genomen alle leed, alle leed, alle wee.
en heeft van ons weggenomen al het leed, al het leed, al de pijn.
Helpt ons spoede tot u comen
Help ons dat wij gauw bij u komen
Helpt ons spoede tot u comen
Help ons dat wij gauw bij u komen

O Christe
O Christus
O Christe.
O Christus.

Engel:

Agtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren,
Geachte, wijze, welgezinde heren,
oock deugtsaame vrouwen
ook deugdzame vrouwen
ende jonckvrouwen in alle eere,
en jongedames met alle eer,
wilt altegaer niet euvel duyden
neem ons alles bij elkaar niet kwalijk
dat wy ons spel vertoonden voor uluyden,
dat wij ons spel voor jullie opvoerden,
‘k Bid so wy quaamen veuls te cort
Ik vraag als we veel tekortschoten
tons niet en aengerekend wort,
het ons niet kwalijk te nemen,
maer alles dat wy schuldich bleven
maar alles wat we niet hebben kunnen doen
onse onkunde mach syn toegescreven.
door onze onkunde komt.
Hiermet elckeen het alderbest betracht,
iedereen heeft het allerbeste willen doen,
so wenschenme van God almagtig een goede nagt.
daarom wensen wij u in naam van de almachtige God een goede nacht.

.
Hier is ook een poging gedaan tot een begrijpelijke tekst.
De aanvankelijk bestaande speeltekst is in de loop van de tijd opnieuw getypt en gedrukt. Daarin zijn typefouten gemaakt. Die zijn dan ook weer terecht gekomen in de tekst bij de tekst hier.
Bv. gelyck de vos besluyt een malsch kapoen,
Precies zoals de vos een malse vetgemestte haan insluit
besluyt moet echter besluypt zijn.

en het kan zijn dat er in de hierboven door mij gebruikte tekst ook nog (kleine) typverschillen zitten.
In ieder geval: voor elke verbetering: mail   vspedagogie@gmail.com
.

Driekoningenspel: alle artikelen

Driekoningen: alle artikelen

Kerstspelen: alle artikelen

Vrijeschool in beeldkerstspelen alle beelden

.

3115-2928

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (94)

.

de 2e-kamerverkiezingen en vrijheid van onderwijs

Voor de vrijescholen kan het maar om één ding gaan:

VRIJHEID VAN INRICHTING of
ZO MIN MOGELIJK STAATSBEMOEIENIS

als het om de inhoud van het onderwijs gaat.

Of: gaat het om meer overheidsinvloed of het onderwijs overlaten aan de onderwijsgevenden.

Wat vinden de politieke partijen?

Hier (een deel van) hun onderwijsparagrafen uit hun verkiezingsprogramma.
Wat opvalt zijn de vele gezichtspunten in  hun  algemeenheid. Wat betekent in concreto een gedetailleerde uitwerking.
Zo vind je bij iedere partij punten waar je als vrijeschoolleerkracht ‘ja’ tegen zegt. En je weet ook dat nieuwe gezichtspunten in een bestaand ambtenarenapparaat niet zomaar gewoongoed zijn geworden.
Ik heb me voornamelijk gericht op de basisschool.
M.n. de ChristenUnie en Nederland met een Plan, de Partij voor de Sport en de Partij voor de Dieren hebben opvattingen die voor de vrijescholen positief zijn (natuurlijk ook weer niet op alle onderwijspunten).
Maar bij D66 en de VVD is dat allerminst zeker.

De partijen in alfabetische volgorde:

50Plus; BBB; Bij1; BVNL; CDA; CU; D66; DENK; FvD; Groenlinks/PvdA; Ja21; Lef; Nederland met een plan; NSC; Piratenpartij; PpvB; PvdD; PvdS; PVV; SGP; SVN; SP; Splinter; Volt; VVD
(Partijen die op kieslijst ’s Hertogenbosch staan)

Opmerkingen in blauw: phaw; het geeft te denken vanuit vrijeschoolperspectief

50Plus
nutsvoorzieningen zoals scholen en ziekenhuizen worden alleen gefinancierd voor zover ze openbaar zijn; de verzuiling van het onderwijs wordt afgebouwd. Het ministerie van onderwijs dient een onderzoek uit te voeren naar de mogelijkheden hiervan. Zwemmen wordt toegevoegd aan het bewegingsonderwijs op basisscholen. Extra inzet op verbeteren van laaggeletterdheid.
Het hele programma

BOERBURGERBEWEGING

Voor BBB is de kernvraag hoe we ons onderwijssysteem weer zo inrichten dat kinderen weer goed kunnen lezen, schrijven en rekenen. Wij willen een onderwijssysteem dat minder bloot staat aan bureaucratische elementen met minder managementlagen, waarbij onze onderwijzers, leraren en docenten zich met name bezighouden met hetgeen zij het liefste doen en het beste kunnen: lesgeven.
We kiezen bewust voor de ontwikkeling van het kind.  
De vrijheid van onderwijs dient behouden te worden.
We vinden het belangrijk dat jongeren beschikken over goede leesvaardigheid en voldoende kennis van de eigen taal en cultuur. Daarom moet er zowel op de basis- als middelbare school meer aandacht komen voor deze basisvaardigheden.
Er moet meer voorlichting en positieve aandacht komen voor de praktische sector binnen het onderwijs en daarom komen er meer techniek/praktijklessen op de basis- en middelbare school.
We praten niet meer over hoogopgeleiden of laagopgeleiden. We praten alleen nog over theoretisch opgeleiden en praktisch opgeleiden. Dit moet ook in de naamstelling naar voren komen, zoals bijvoorbeeld:
MBO wordt Praktisch Beroeps Onderwijs (PBO)
HBO wordt Theoretisch Beroeps Onderwijs (TBO)
WO blijft Wetenschappelijk Onderwijs (WO)
Op alle onderwijsniveaus, te beginnen in het basisonderwijs, dient voorlichting over de digitale samenleving plaats te vinden. Deze moet zowel aan docenten als aan leerlingen gegeven worden. De overheid heeft een rol om informatie over diverse onderwerpen zoals AI, social media gebruik en andere zaken te verstrekken.
Het aanleren van digitale geletterdheid in het onderwijs is essentieel om ervoor te zorgen dat alle leerlingen de vaardigheden ontwikkelen die nodig zijn om effectief en zelfverzekerd te kunnen navigeren in een steeds veranderende technologische samenleving.
Onderwijsassistenten moeten deelopleidingen met verkrijging van een certificaat op de PABO kunnen volgen. Zo maak je het mogelijk om docenten in het primair onderwijs te krijgen op vakniveau.
De administratielast voor leraren wordt verlaagd.
De hele onderwijsparagraaf  

BIJ1
Kennis is kracht. De selectie en toetsing van basisschoolleerlingen voor het
voortgezet onderwijs moet anders en op een later moment. Advies voor
vervolgonderwijs wordt voortaan gebaseerd op een overeenkomst
tussen leraar, ouders(s) of verzorger(s) en leerling.
We stimuleren brede brugklassen en scholengemeenschappen met verschillende schoolsoorten (VMBO, HAVO, VWO).
We dichten de loonkloof tussen het basisonderwijs, voortgezet onderwijs,
praktisch onderwijs, theoretisch onderwijs, en wetenschappelijk
onderwijs: alle docenten gaan hetzelfde verdienen.
We zorgen voor kleinere klassen en verlichten de administratieve lasten.
De overheid maakt extra budget vrij voor kunst- en cultuureducatie.
De hele onderwijsparagraaf  

BELANG VAN NEDERLAND
Meer aandacht voor rekenen en schrijven, meer aandacht voor basisvaardigheden en minder tijd besteden aan onnodige zaken en ideologisch gedreven curriculum.
• Het curriculum richt zich grotendeels op belangrijke basisvaardigheden zoals
rekenen, schrijven en spellen en de kwaliteit hiervan wordt verbeterd.
Muziekonderwijs en sport moeten meer gestimuleerd worden op scholen,
omdat dit bijdraagt aan de leerprestaties van kinderen.
De hele onderwijsparagraaf

Christen-Democratisch Appel
De grondwettelijk vastgelegde vrijheid van onderwijs is  een uitstekende waarborg. Het CDA wil deugdelijk onderwijs op alle niveaus. Dat gaat over meer dan goede cijfers voor rekenen en taal en het opleiden voor een beroep. Onderwijs is bij uitstek de plek om ieder talent tot bloei te brengen en te ontwikkelen tot een goede burger.
We willen het aantal kinderen dat naar de voorscholen komt fors verhogen
realiseren.
De bureaucratische top-downcultuur is dringend aan revisie toe.
Het beheersen van de basisvaardigheden is nog niet op orde. leesoffensief om achterstanden weg te werken; mobieltjesverbod in de klas.
Om te vroege schoolkeuze te voorkomen willen wij in het middelbaar onderwijs
meer ruimte voor gecombineerde schooladviezen en verlengde brugklassen.
Onderwijsteams krijgen veel meer mogelijkheden voor maatwerk in hun eigen
samenstelling.
Ook onnodige administratie vanuit de besturen moet stoppen.
Leerkrachten moeten zich volledig in kunnen zetten voor hun taak,
namelijk het lesgeven.
De hele onderwijsparagraaf 

ChristenUnie
Onderwijsvrijheid is een democratisch grondrecht, stelsel met scholen voor openbaar en bijzonder onderwijs moeten we koesteren. s.
Houd artikel 23 van de Grondwet hoog.
Garandeer de vrijheid van inrichtingGeen voorstander van nog meer deugdelijkheidseisen in de wet die de vrijheid van inrichting inperken.
Versterk de identiteit van scholen. De vrijheid om zelf scholen te stichten.
Ruimte voor thuisonderwijs.
Levensbeschouwelijk onderwijs als recht.
Rolvaste inspectieDe inspectie heeft tot taak de kwaliteit van het onderwijs te bewaken op grond van deugdelijkheidseisen. De inspectie heeft een eigen focus en is geen controleur van scholen. Daarin moet zo rolvast blijven. De inrichting van het onderwijs is nadrukkelijk de verantwoordelijkheid van de schoolgemeenschap zelf. Scholen kunnen eigen keuzes maken binnen de grenzen van de rechtsstaat, mits uitlegbaar vanuit onderwijskundig perspectief.
Meer
Meer voor de basisschool

Democraten66
Niet iedereen hoeft op hetzelfde moment door dezelfde hoepel.
In het onderwijs gebruiken we alleen effectief bewezen lesmethoden. Kwaliteit van het onderwijs staat voorop, met aandacht voor de basis: goed leren lezen, schrijven en rekenen. Mobiele telefoons en devices zoals smartwatches en tablets zijn niet toegestaan , tenzij …Ieder kind is anders; uitgangspunt niet de niveaus in het systeem zijn, maar het kind. Zodat iedere 12-jarige alle kansen krijgt. Meerjarige brugklassen en 10-14-scholen; in contact blijven met een brede groep leeftijdsgenoten; docenten en schoolleiders weer vertrouwen te geven en meer regie. Schaffen de vrijwillige ouderbijdrage in de huidige vorm af; zeggenschap en verantwoordelijkheid terug aan de school, onder toezicht van de ouders; de Inspectie blijft zich naast de besturen richten op de scholen. Als basis van beoordeling gelden de bevindingen van bezoeken en de toegevoegde waarde van het onderwijs voor het kind; stichten van een nieuwe school streng gecontroleerd wordt op de kwaliteit.

DENK
 Inzetten op een kenniseconomie; kinderen van verschillende niveaus samen met elkaar leren in brede scholen en brede (brug-)klassen; Vóór meer talen binnen het vroege talenonderwijs; meer brede brugklassen, brede scholen en het beperken van onomkeerbare vroege selectiemomenten; verminderen van de controle- en regeldruk;
de hele onderwijsparagraaf

Forum voor Democratie
Stoppen met de aanduidingenhoog’ en ‘laag’ opgeleid
Bijzonder onderwijs (artikel 23 Grondwet) behouden. Differentiatie op niveau behouden. Géén socialistische middenschool experimenten. Cultuur- en muziekeducatie een vaste plek geven in het curriculum. Fundamenten
van taal, rekenen en sociale omgang meekrijgen –
te weinig op kennisoverdracht. Eigen verantwoordelijkheid voor goed onderwijs. Nadruk terug op rekenen, taal, geschiedenis, aardrijkskunde en sport.
Meer eigen verantwoordelijkheid en vrijheid voor goed onderwijs bij de leer Minder administratieve rompslomp voor docenten zodat ze zich bezig kunnen houden met hun vak. Keuzevrijheid voor scholen om extra vakken aan te bieden behouden en verruimen. Bevordering van traditioneel onderwijs op basis van ‘directe instructie’: de leraar legt uit en de leerling luistert.
de hele onderwijsparagraaf

JuisteAntwoord21        Joost(Eerdmans)Annabel(Nanninga)
Meer ruimte voor oprichten niet-staatsgerelateerde scholen op elk onderwijsniveau; 1e plaats: kennis en kunde, 2e vorming individu
Hele onderwijsparagraaf  

LEF
Thuisonderwijs en zelfstandig leren makkelijker nieuweleerconcepten waar niet het curriculum en hoge cijfers halen belangrijk zijn, maar het leren van
levensvaardigheden en de interesses van de leerling zelf. Brede brugklas segregatie tegengaan.
De hele onderwijsparagraaf

NederLand met een PLAN
Op een natuurlijke manier leren ontwikkelen. Geen voorgekauwde leerboeken, Werkelijk onderwijs, werkelijke kunst, cultuur en wetenschap hebben te maken met resonantie. Wanneer een kind vanuit zijn/haar diepste wezen resoneert met de kennis die vanuit het hart gegeven wordt, is er een connectie mogelijk die leidt tot werkelijke inspiratie en creativiteit. Alleen dan is de gezonde ontwikkeling van een kritische en empathisch bewuste geest mogelijk, die zich in een volwassen leven weerbaar kan opstellen wanneer een afgestompte en voorgeschreven werkelijkheid plots wordt opgedrongen. Faciliterende overheid die zich niet te veel bemoeit met de inhoud. Vanaf het tweede levensjaar verplicht twee dagen per week opvang voor alle kinderen. Aansluiten op de ontwikkeling van kinderen. Kinderen mogen in hun eigen tempo en op hun eigen tijd ontdekken hoe zij zich met zichzelf en de wereld verbinden. Werkdruk verlagen. Basisonderwijs: bewegen en de wereld onderzoeken centraal staan naast taal en rekenen. Creativiteit stimuleren. Stoppen met het door de overheid opgelegde scoren; niet in vakjes plaatsen van de leerlingen op basis van een ‘toets’-cultuur. Er kan weer naar kinderen gekeken worden op basis van hun welzijn en ontwikkeling in plaats van hun toetsresultaten. Bijzonder onderwijs is een grondrecht. De diversificatie van de Nederlandse samenleving mag ook vorm krijgen in het onderwijs. Meer ruimte voor scholen van verschillende invalshoeken en nieuwe lesprogramma’s. Schoolgeld naar draagkracht. Brede ontwikkeling op het gebied van bewustwording, kunst, cultuur, sport en spel, praktisch (handenarbeid, koken, fotografie, smeden, handwerken etc.), technisch en cognitief onderwijs.
De hele onderwijsparagraaf

NieuwSociaalContract
Afnemen regeldruk en administratieve lasten; geen onderwijsvernieuwingen onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn.
Het basisniveau van rekenen en lezen moet omhoog. Goede balans cognitieve
ontwikkeling, kennis van de wereld en het ontwikkelen van creativiteit.
Mobiele telefoons en andere digitale communicatieapparatuur alleen toegestaan wanneer deze nodig zijn voor de les. Aanbod verschillende soorten scholen   is goed.
De hele onderwijsparagraaf

Piratenpartij
Thuisonderwijs mogelijk, met toetsing; bewaking schooleindniveau; keuze voortgezet onderwijs later; meer kunst, sport; niet alleen CITO; bijzonder onderwijs nodig; werkdruk verminderen; gelijke beloning basis/voortgezet;
de hele onderwijsparagraaf

Politieke Partij voor Basisinkomen
Geen onderwijsprogramma.

Partij voor de Dieren

 

Minder werkdruk, meer regie voor leraren. Cijfers zijn niet zaligmakend
Onderwijs gericht op ontwikkelen cognitieve vaardigheden, maar ook op de ontplooiing van overige talenten, zoals sociale, emotionele, motorische en creatieve vermogens, die niet in cijfers zijn uit te drukken. Niet gericht op rendement, maar ontwikkeling individuele leerling. Onderwijsinspectie gaat minder waarde op toetsen behaalde cijfers. Afscheid toetscultuur. Brede
brugklassen; keuze na twee tot drie jaar. Leraren, leerlingen en ouders krijgen veel meer autonomie bij het bepalen van het beleid. Deel curriculum zelf
invullen; vrijheid af te zien van  doorstroomtoets. Praktische en culturele vaardigheden worden handarbeid, schoolzwemmen, sportlessen, cultuurlessen (theater-, dans-, muziek-, schilderles, etc.) en schooltuinen. Kindgericht
onderwijs waarin persoonlijke ontwikkeling en eigen tempo vooropstaan.
De hele onderwijsparagraaf

PartijvoordeSport
Zwemlessen; minimaal twee keer
per week één uur beweegles krijgen; dagelijks beweegmoment in
het (basis)onderwijs; ‘bewegend leren’ als het nieuwe leren.
De hele onderwijsparagraaf

PartijVoordeVrijheidP
Pedagogiek van ‘directe instructie’.  B
ijzonder onderwijs en artikel 23 van de Grondwet behouden. Taal en rekenen weer centraal. Doorlopende leerlijnen van het vmbo naar het mbo en uiteindelijk het hbo
De hele onderwijsparagraaf

StaatkundigGereformeerdePartij
Kerndoelen dienen pedagogisch-didactische visie en werkwijze 
school ongemoeid te laten. Kerndoelen en beheersingsniveaus voor basisvaardigheden. Niet aan inspectie te beoordelen of scholen de juiste opvattingen hebben .Thuisonderwijs recht dat ouders hebben; leerplichtige leeftijd mag overigens niet verlaagd worden; eindtoets nuttig, meer gewicht dient deze toets niet te krijgen; meer vrijheid op eigen wijze ontwikkeling leerlingen te volgen; meer aandacht voor andere moderne vreemde talen dan het Engels, vooral het Duits en het Frans.
De hele onderwijsparagraaf

SamenVoorNederland
Leraren en docenten meer zeggenschap inrichting
en inhoud onderwijs; overheid heeft geen of minimaal invloed op de inhoud van het onderwijs.
(Negatief over inclusiviteit)
De hele onderwijsparagraaf

SocialistischePartij
meer gymlessen en sportbeoefening; zwemmen;
De hele onderwijsparagraaf

Splinter
Onderwijs meer dan cijfers. Toetscultuur teruggedraaid: geen toetsen om het toetsen. Meer ruimte zijn voor het ontwikkelen van individuele talenten; scholen niet afgerekend op hoe goed leerlingen scoren op een toets. Managers niet met h curriculum bemoeien. Grondige herziening van artikel 23 van de Grondwet: voorstander van algemeen openbaar seculier onderwijs, wel ruimte voor speciale scholen, maar niet op basis van religie. Seculier onderwijs voor alle kinderen. Aandacht voor beweging op school. Zwemlessen en sport. Typecursus.
De hele onderwijsparagraaf

VOLT
​Kinderen vanaf twee jaar voor minimaal drie dagen in de week naar school.
Geen financiering religieus onderwijs: aanpassing artikel 23 van de Grondwet Afschaffen Centrale Eindtoets. Stoppen onnodige administratie; later selectiemoment: brede brugklassen.
De hele onderwijsparagraaf

VolkspartijvoorVrijheidenDemocratie
Rekenen en taal voorop; nadruk op basisvaardigheden; tweederde van de onderwijstijd: basisvaardigheden. Alleen nog bewezen effectieve lesmethoden. Onderwijsinspectie controleert of gebruikte lesmethoden wetenschappelijk onderbouwd en bewezen effectief zijn; leerplicht naar het vierde levensjaar; met taalachterstand vanaf twee jaar verplicht naar voorschoolse educatie.
Goede scholen krijgen meer ruimte. Ze mogen afwijken van regels over bijvoorbeeld onderwijstijd en curriculum. Scholen die onvoldoende presteren houden we aan strenge regels.
De hele onderwijsparagraaf

.

Over de toets vanuit vrijeschoolperspectief:  [1]   [2]

Opspattend grindalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: alle beelden

.

3111-2924

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – De wereld is waar……(1)

.

Algemene menskunde voordracht 9 [9-5-3/1]

.

In zijn ‘Algemene menskunde‘ spreekt Steiner in de 9e voordracht over ‘de wereld’, die voor het kind van 0 – 7 ‘goed’ is/moet zijn, voor het 7 – 14-jarige kind ‘mooi’ en voor de 14 – 21-jarige mens ‘waar’.

Wie op een bepaalde manier naar de wereld van nu kijkt, zal veel voorbeelden kunnen geven waaruit blijkt dat onze wereld nu net NIET goed, mooi en waar is, althans als we kijken naar het aandeel dat de mens in dit ‘goede, schone en ware’ heeft.

Om meer greep te krijgen op wat Steiner ermee bedoelt, is dit onderwerp hier behandeld. 

Op een bepaalde manier zal het nog wel lukken om de kinderen tot aan de puberteit, thuis en in ons onderwijs de wereld als goed en mooi te laten beleven; maar wat krijgen de kinderen ‘van de wereld’ mee via de middelen waarmee die wereld bij de kinderen kan binnenkomen. 

En zodra ze een mobieltje hebben, komt er een wereld binnen die voor de meeste kinderen de realiteit is. 
En nog wat ouder, zal die wereld hun gezichtspunten, hun oordelen beïnvloeden. Ze worden nu al zwaar beïnvloed door —juist, de influencers.

Maar dat is niet het enige. 

Wat, als ze nu de mensonwaardigheid in Israël en Gaza kunnen zien alsof ze erbij staan; is ‘goed, mooi en waar’ aan deze ontmenselijking?

Wat kun je of moet je als leerkracht doen. Wat kan nog ‘ideaal’ zijn?

Naast het zien en beleven van vernietiging en afbraak, kan er ook opbouw en ontwikkeling getoond worden.
Er bestaan zoveel initiatieven in de wereld waar een mens enthousiast van kan worden, dat de enthousiast geworden leerkracht hiermee een ideaal kan uitstralen waar hij achter staat.

Dat geven van ‘grotere, hogere’ idealen gebeurt al in het vertellen van biografieën, maar kan ook door de leerlingen vanaf een jaar of 12 te laten zien waartoe een mens met initiatiefkracht en bevlogenheid in staat is. 

Het zijn simpele voorbeelden, maar in een wereld die alleen nog lijkt te bestaan uit natuurrampen, oorlog, grote milieu- en schrijnende sociale problemen, m.i. voor de opgroeiende jonge mens de zo nodige lichtpunten.

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Algemene menskunde voordracht 9: v.a. [9-5] alle artikelen over ‘de wereld is waar’

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle artikelen

.

3106-2919

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kunstzinnig onderwijs

.

In dit artikel heb ik de verschillende kanten van het vrijeschoolonderwijs als kunstzinnig onderwijs belicht.

.

Op BLOGCOLLECTIEF ONDERZOEK ONDERWIJS is een artikel verschenen:

Als er tijd over is. Kunst en de verwaarlozing van het brein in het onderwijs.

De schrijver put uit het boek:

Hij geeft zijn eigen opmerkingen en citeert.
Een aantal citaten vanuit het Engels:

We hebben allemaal de neiging om kunst te zien als entertainment of als een ontsnapping. Een soort luxe. Maar wat dit boek je laat zien, is dat kunst zoveel meer is. Deze kan worden gebruikt om uw dagelijkse leven fundamenteel te veranderen, kan ernstige lichamelijke en geestelijke gezondheidsproblemen helpen aanpakken, met opmerkelijke resultaten. En deze kan je zowel helpen bij het leren als bij de ontwikkeling.

“Een groot deel van wat er gebeurt als je interactie hebt met een kunstwerk, of als je iets esthetisch aantrekkelijk vindt, is dat er een aha-moment is waarop je het gevoel hebt dat je de wereld op een nieuwe manier hebt gezien… Of dat je als maker van kunst op een nieuwe manier naar een probleem hebt kunnen kijken omdat kunst je in staat heeft gesteld dingen uit te drukken die je eerder niet kon”.

Het brein geeft er niet om om bubbels op te vullen bij gestandaardiseerde toetsen of verhitte debatten over curriculumbeoordelingen. Onze hersenen zijn gestructureerd om nieuwe verbindingen op te bouwen en voortdurend te evolueren, en de manier waarop we leren is niet hetzelfde als een maatschappelijk onderwijssysteem dat maar al te vaak is opgebouwd rond het onthouden van gegevens en het terughalen ervan.

En voor muziek maken geldt:

In één reeks gepubliceerde bevindingen toonde haar laboratorium aan dat wanneer jonge muzikanten intellectuele taken uitvoerden, ze een betere betrokkenheid vertoonden van een hersennetwerk dat betrokken is bij uitvoerende functies en besluitvorming. Ze concludeerden ook dat “muziektraining de volwassenheid van de hersenen versnelt in hersengebieden die verantwoordelijk zijn voor geluidsverwerking, taalontwikkeling, spraakperceptie en leesvaardigheid.” Muziek spelen stimuleert niet alleen meerdere hersengebieden – motorisch, auditief, visueel – het versterkt ook de neurale verbindingen ertussen, en verbetert daarbij het geheugen, het ruimtelijk redeneren en de leesvaardigheid.

het vermogen om muziek te leren spelen is zeer complex en stuurt de hippocampus en zijn vele verbindingen met andere hersengebieden aan. Vergeleken met niet-muzikanten hadden de muzikanten meer neurale verbindingen en grijze massa gevormd.

Omdat het meest effectieve leren het rekruteren van meerdere hersengebieden inhoudt, is dit waar de kunsten in beeld komen. De kunsten activeren de neurale verbindingen die verband houden met de uitvoerende functies en met andere hersengebieden en versterken deze actief.

Andere onderzoeken naar kunst in het onderwijs hebben door de jaren heen bewezen dat studenten die betrokken zijn bij kunst academisch goed zijn. Studenten die toegang hebben tot kunstonderwijs hebben vijf keer minder kans om de school te verlaten en hebben vier keer meer kans om erkend te worden voor hun goede prestaties.

Kinderen die zich bezighouden met kunst hebben minder problemen met hun leeftijdsgenoten, leraren en volwassenen, en het is minder waarschijnlijk dat ze een depressie ontwikkelen. Over het algemeen hebben ze een grotere kans om gezonder te leven en betere beslissingen te nemen.

Opvallendheid, aandacht, humor en spel. Uitvoerende functie en kennismaken. De kunsten die in de klas zijn geïntegreerd, ondersteunen het leren.

Magsamen, Susan, and Ivy Ross. Your Brain on Art: How the Arts Transform Us. Random House Publishing Group, 2023

Enkele uitspraken van Rudolf Steiner over kunstzinnig onderwijs:

Het hele onderwijs moet afgeleid zijn uit het kunstzinnige. Alle methodiek moet in een bad van kunstzinnigheid gedompeld zijn.

Es muß das Ganze des Unterrichts herausgeholt sein aus dem Künstlerischen. Ins Künstle­rische muß alle Methodik getaucht werden.
GA 294/11
Vertaald/12

Onze civilisatie kan alleen daardoor haar noodzakelijke opbloei, haar weg omhoog verkrijgen als we meer aan kunstzinnigs in de school binnenbrengen.

Unsere Zivilisation kann nur dadurch den ihr notwendigen Aufschwung, den Aufstieg erlangen, wenn wir mehr Künstlerisches in die Schule hineinbringen.
GA 307/225
Vertaald/287

Wanneer we door de kunst de hele mens aanspreken, ontwikkelen we in de mens een adequaat begrijpen van de wereld dat zich op de wereld als totaliteit richt.

Wenn wir durch die Kunst den ganzen Menschen ergreifen, bewirken wir in dem Menschen auch wiederum ein entsprechendes Weltverständnis, das auf das Ganze, auf das Totale der Welt geht.
GA.307/226
Vertaald/281

We moeten het kunstzinnige on­derwijs – zowel in de beeldende als in de muzikale kunsten – van meet af aan in de school verzorgen. Het abstracte mag er niet heer en meester zijn, maar het kunstzinnige moet er heersen. En vanuit het kunstzinnige moet het kind gebracht worden tot het begrijpen van de wereld.

Daher ist der künstlerische Unterricht, sowohl in den bildenden Künsten wie in den musikalischen Künsten, von Anfang an in der Schule zu pflegen. Nicht das Abstrakte darf da herrschen, sondern es muß das Künstlerische herrschen, und aus dem Künstlerischen muß das Kind hineingeführt werden in das Begreifen der Welt.
GA 310/72
vertaald/75

Bron

Rudolf Steineralle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle artikelen

.

3105-2918

.

.

.

VRIJESCHOOL – En verder nog…..alle artikelen

.

Sommige artikelen laten zich niet zo gemakkelijk indelen. Die zijn hier aangegeven:

[1] Ideeën en achtergronden
Het ‘Binnenste buiten over: kind-school-wereld; de drieledige taak van de school; een kind; ontwikkeling en vrijheid; school als gemeenschap; de maatschappij; onderwijsfilosofie; drieledige mens en driegelede maatschappij; ontwikkelingsfasen; lopen, spreken, denken; leerstof; de individualiteit; denken, voelen, willen;

[2-1] De ochtendspreuk
Rudolf Steiner over: de ochtendspreuk: het ontstaan ervan; in eerste instantie alleen voor het vrije godsdienstonderwijs? De spreuken voorklas 1 t/m 4 en die van klas 5 t/m 12. Op zeker ogenblik is in Nederland de laatste spreuk ook in klas 4 terecht gekomen.

[2-2]  De ochtendspreuk op de vrijeschool
Benediktus Hardorp over: de psyche van het kind en de 2 spreuken; vindt er indoctrinatie plaats; blik op de wereld, de eigen ziel, de eigen levensdoelen; aspecten van de spreuk toegelicht;

[2-3] De ochtendspreuk
Reinhard Fiedler
over: een eigen ervaring van de kennismaking met de spreuk; over de inhoud: de blikrichtingen; wat willen beide spreuken bewerkstelligen; zo specifiek vanuit het antroposofische mensbeeld en tegelijkertijd zo algemeen geldend.

[3] Vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

[4] Vanwaar de naam van onze schoolsoort
Maarten Zwakman over: de naam vrijeschool; hoe geschreven; de naam Waldorf, ontstaan; enkele spellingkwesties toegevoegd.

[5] Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

[6] Schoolgebouwen – organische bouw
[6-1] Het organische in de architectuur
B.C.J.Lievegoed
over: wat is organisch; wat is leven; tijd en ruimte; bouwen: meestal de kubus(kristalvorm) uit de stoffelijke natuur; beweging die in de ruimte treedt, laat organische vormen ontstaan; metamorfose; 12 zintuigen; levend(ig)e architectonische vormen en de mens in zijn omgeving.

[6-2/1] Grondslagen voor een levende bouwkunst
B.C.J.Lievegoed over: de inhoud is ongeveer gelijk aan [6-1]: dat was het verslag van een voordracht, dit is een geschreven artikel; statische en dynamische vormen; bouwen en menselijk bewustzijn; wat doet ruimte met je; bouwen als morele daad; zintuigleer van Révesz.

[6-2/2] Grondslagen voor een levende bouwkunst
B.C.J.Lievegoed
over: dit artikel bevat elementen uit [6-1] en bouwt verder op [6-2/1]; wat is ritme; ritme en ruimte; i.t.t. maat; metamorfose; Goetheanum; bouwen in de toekomst; kosten.

Thema-artikel over antroposofische architectuur

[7-1] Ahriman in het onderwijs
Hanneke de Leeuw
 over: Ahriman en materie; inperking van het geestelijke; mechanisering, technologisering en digitalisering; vrijheid; Lucifer.

[7-2/1] Ahriman in het onderwijs
Pieter HA Witvliet over: Ahriman in de Perzische cultuur; Ahriman en de duivel; in de Bijbel; in het Driekoningenspel; Steiner in GA 107; als tegenhanger: Michaël; hoe om te gaan met Ahriman; Ahriman en intelligentie; hét antwoord: kunstzinnig onderwijs.

[7-2/2] Ahriman in het onderwijs – Kunstmatige intelligentie
Jesse Mulder over: artificial intelligence en écht denken; kunnen computers slimmer zijn dan mensen?

[7-3/1Ahriman in het onderwijs
Rudolf Steiners opmerkingen over Ahriman in de pedagogische voordrachten GA 293 t/m 311. In GA 294 wijzen zijn opmerkingen over wat de tijdgeest aan ‘overheidsonderwijs’ creëert; een item uit het verkiezingsprogramma van een politieke partij (VVD) – 2023 – waarin de opmars van het intellectuele weer zichtbaarder wordt; de begrips- en definitiecultuur (kennis) heeft als tegenhanger het kunstzinnige nodig. Voor de vrijeschool: op basis van het kunstzinnige komen tot begrips- en voorstellingsvorming.

[7-3/2] Ahriman in het onderwijs
Rudolf Steiners 
opmerkingen over Ahriman in de pedagogische voordrachten GA 293 t/m 311. In GA 296 houdt Steiner een verhandeling over de ontwikkeling van de intelligentie door de culturen heen; Intelligentie heeft neiging zich met het kwaad te verbinden; het antwoord op het kwaad is Christus; vragen die bij mij opkwamen: is dit dan de essentie van de vrijeschool als christelijke school en kan je als atheïst of moslim daar dan werken?

[7-3/3] Ahriman in het onderwijs
Rudolf Steiners opmerkingen over Ahriman in de pedagogische voordrachten GA 293 t/m 311. In GA 300A beantwoordt hij de vraag wie Allah is: (een ahrimanische ‘schaduwgeest); een verwijzing naar Ahriman en het materialisme; en een ‘valse’ (ahrimanische) gedachte over de sociale driegeleding. In GA 300B: over stenografie; in GA 300C: ingrijpen Ahriman in historische ontwikkeling, Lenin en Wilson.

[7-3/4] Ahriman in het onderwijs
Rudolf Steiners
opmerkingen over Ahriman in de pedagogische voordrachten GA 293 t/m 311. In GA 302A worden we opgeroepen Ahriman te herkennen en vanuit andere gezichtspunten te werken; over schoolboeken en het werkelijke leven.

[7-3/5] Ahriman in het onderwijs
Rudolf Steiners opmerkingen over Ahriman in de pedagogische voordrachten GA 293 t/m 311. In GA 305 noemt Steiner Ahriman de macht van het kwaad, de list, de gewiekstheid, het bedrog.

[8] 100 jaar grafische impuls – Rudolf Steiner, Assja Turgenieff
Piet Sieperda over: Rudolf Steiners grafische vormgeving; beweging en vorm; de betekenis van links of rechts staand; verschillende voorbeelden.

[9] Interviews met oud-leerlingen

[10] Worden wie je bent
Jan Alfrink
over: wat betekent deze ‘slogan’; over ‘geboren worden’; het (diepere) wezen van het kind; de taak van de opvoeder.

Vrijeschool op Wikipedia: hoe een criticaster een artikel over de vrijeschool op Wikipedia plaatste om daarmee de vrijeschoolpedagogie te bekritiseren.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

3102-2915

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 310)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn ‘wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

In GA 305 zien we dat Steiner – wat bij ons vroeger de ‘nuttige handwerken’ heette, ‘Handarbeitsunterricht’ noemt en al het andere (houtbewerking bijv.) ‘Handfertigkeitsunterricht), wij zouden dus zeggen ‘handenarbeid’.

Het kan enigszins verwarrend zijn als ik de uitspraken van Steiner dan samenvat onder ‘handvaardigheidsonderwijs’, waarbij het dus én om handwerken gaat én om handenarbeid.

In GA 310 gaat het opnieuw over handen en denken:

Der pädagogische Wert der Menschenerkenntnis und der Kulturwert der Pädagogik
Menskunde, pedagogie en cultuur

Voordracht 9, Arnhem 24 juli 1924

Gymnast, Rhetor und Doktor
Gymnast, retor en doctor. – De betekenis van de pedagogie voor de wereld

Blz. 154      vertaling blz. 160/161

Alles was im Menschen sogenannte geistige und seelische Bildung ist, die zur Abstraktion hin will, die geht ja nur auf unnatürliche Weise hervor aus einem direkten Unterricht. Bildung sollte hervorgehen aus der Art und Weise, wie man sich mit dem Körper bewegen kann. Daher ist unsere Zivilisation ja so abstrakt geworden. Es gibt heute Männer, die können keinen Strumpf stricken, können nicht einmal einen Hosenknopf, wenn er abgerissen ist, wieder annähen. Bei uns in der Waldorfschule sitzen Knaben und Mädchen untereinander, und die Knaben bekommen einen richtigen Enthusias­mus zum Stricken und Häkeln; sie tun es – und dabei lernen sie ihre Gedanken handhaben. Es ist gar kein Wunder, daß ein Mensch, wenn

Alles wat in de mens aan geestelijke en psychische ontwikkeling naar het abstracte neigt, komt toch op onnatuurlijke wijze voort uit met name een bepaalde vorm van onderwijs. Ontwikkeling zou moeten voortkomen uit de manier waarop je je met je lichaam kunt bewegen. Daarom is onze beschaving immers zo abstract geworden. Je hebt tegenwoordig mannen die nog geen sok kunnen breien, ze kunnen niet eens een knoop die van hun broek afgegaan is, weer aannaaien. Bij ons in de vrijeschool zitten de jongens en de meisjes door elkaar heen, en de jongens worden echt enthousiast voor breien en haken. Ze doen het – en daarbij leren ze goed met hun gedachten om te gaan. Het is helemaal niet verwonderlijk dat iemand, al

Blz. 155    vert. 162

er noch so viel logisch geschult ist, nicht ordentlich denken kann, wenn er nicht weiß, wie man strickt. Dabei bemerken wir in unserer Zeit, wieviel leichter beweglich die Gedankenwelt der Frauen ist. Man gehe nur nach der Zulassung der Frauen an die Universität und schaue nach, wieviel leichter beweglich das Geistig-Seelische der Frauen ist als das der Männer, das versteift, abstrakt geworden ist an einer abgezogenen Tätigkeit. Und am schlimmsten ist das bemerkbar bei der kommer­ziellen Tätigkeit. Wenn man einem Kaufmanne zuschaut, wie er seine Dispositionen trifft, so möchte man an den Wänden heraufkriechen.
Das sind die Dinge, die man wieder verstehen muß. Man muß wis­sen, daß ein Knabe, selbst wenn ich noch so viel auf die Tafel zeichne, viel besser spitze und stumpfe Winkel unterscheiden lernt, man muß wissen, daß man viel besser als durch alles Begreiflichmachen die Welt verstehen lernt, wenn man den Kindern angewöhnt, zwischen der großen und der nächsten Zehe den Bleistift zu halten und auch da noch leidlich gutgeformte Buchstaben zustande zu bringen, das heißt also, wenn aus dem ganzen Körper heraus das Geistige des Menschen fließt.

heeft hij goed onderwijs in logica gehad, niet geordend kan denken als hij niet kan breien. Daarbij merken we in onze tijd hoeveel beweeglijker de gedachtewereld van vrouwen is. We hoeven maar te kijken naar de toelating van vrouwen aan de universiteit om te zien hoeveel beweeglijker het geestelijk-psychische is bij vrouwen dan bij mannen. Bij mannen is het verstijfd, abstract geworden door een geabstraheerde activiteit. Dat is nog het beste te zien bij verrichtingen op commercieel gebied. Als je soms ziet hoe een koopman zijn plannen maakt, dan zou je wel uit je vel kunnen springen!
Dat zijn dingen die men weer moet gaan begrijpen. Men moet weten dat het kind, zelfs al teken ik nog zoveel op het bord, veel beter scherpe en stompe hoeken zal leren onderscheiden, en veel beter dan door alle uitleg de wereld leert begrijpen, als je hem aanleert om het potlood tussen de grote teen en de teen ernaast vast te houden en ook dan nog redelijk goed gevormde letters te maken; dat wil zeggen, als uit het hele lichaam het geestelijke stroomt.

In der griechischen Kultur hat man darauf gesehen, wie ein Kind sich bewegen lernt, wie es Hitze und Kälte ertragen lernt, wie es sich hineinfügen lernt in die körperliche Welt, weil man ein Gefühl dafür hatte, wie aus einer richtig entwickelten Körperlichkeit auch das Geistig-Seelische richtig herauswächst. Der Grieche hat, als Gym­nast erzogen, den ganzen Menschen ergriffen und daraus die andern Fähigkeiten sich entwickeln lassen. Wir wissen heute mit unserer ab­strakten Wissenschaft eine sehr wichtige Wahrheit, aber wir wissen sie abstrakt: Wenn wir Kinder haben, die leicht mit der rechten Hand schreiben lernen, so weiß man heute, daß dies damit zusammenhängt, daß beim Menschen das Sprachzentrum in der linken Gehirnhälfte liegt; so daß also Sprechen und Schreibenlernen auf diese Weise inner­lich zusammenhängen. Wir merken den Zusammenhang der Handgesten mit dem Sprechen; ebenso können wir auch, wenn wir weiter­gehen, durch die Physiologie den Zusammenhang zwischen Bewegung und Denken kennenlernen. Also man weiß heute schon etwas abstrakt davon, wie aus der menschlichen Bewegungsfähigkeit Denken und Sprechen hervorgehen: der Grieche aber wußte das im umfänglichsten

In de Griekse cultuur lette men erop hoe een kind leert bewegen, hoe hij hitte en koude leert verdragen, hoe hij zich leert invoegen in de lichamelijke wereld. Want men had er gevoel voor hoe uit een goed ontwikkeld lichaam zich het geestelijk-psychische ook goed ontwikkelt. De Griek pakte, als gymnast opgevoed, de hele mens aan en daaruit ontwikkelde hij de andere vermogens. Wij kennen tegenwoordig met onze abstracte wetenschap een heel belangrijke waarheid, maar we kennen die op een abstracte manier: als we kinderen hebben die makkelijk met de rechterhand leren schrijven, dan weet men tegenwoordig dat dit samenhangt met het feit dat bij de mens het spraakcentrum in de
linker hersenhelft zit. Leren spreken en leren schrijven hangen op deze wijze innerlijk samen. We merken het verband tussen de gebaren van de hand en het spreken.
Net zo kunnen we, als we verdergaan, in de fysiologie het verband leren kennen tussen bewegen en denken. Tegenwoordig heeft men er al weet van hoe uit het menselijk bewegingsvermogen het denken en spreken voortkomen. Maar dat weten is nog abstract. Voor de Griek echter was dit iets vanzelfsprekends

Blz. 156  vert. blz. 163

Sinne. Daher sagte der Gymnast: Der Mensch wird schon ordentlich denken lernen, wenn er nur ordentlich gehen und springen lernt; wenn er ordentlich Diskus werfen lernt. – Und wenn er lernt, über das Ziel hinauszuwerfen, so wird er auch noch den Schildkrötenschluß lernen, wird auf all die merkwürdigen logischen Dinge kommen, die man in Griechenland aufgezählt hat. Und dadurch lernt man, sich in die Wirk­lichkeit hineinzustellen. Heute wird bei uns gewöhnlich so gedacht:
Hier ist ein Advokat, dort ein Klient, der Advokat weiß die Dinge, der andere weiß sie nicht. – Weil man aber in Griechenland gewohnt war, über das Ziel hinauszuwerfen, so wußte man: Wie ist es nun, wenn einer als Rechtskundiger einen Schüler hat in der Rechtskunde, und dieser Schüler wird von ihm so gut unterrichtet, daß er jeden Prozeß gewinnen muß? Dann entspinnt sich aber der Prozeß zwischen ihm und seinem Lehrer, und dann kommt die Sache heraus: Du wirst den Prozeß unter allen Umständen gewinnen und unter allen Umständen verlieren. – Sie kennen den Schluß: er steht in der Luft. So entwickelte sich also alles Denken und Sprechen aus der gymnastischen Erziehung; sie ging auf den ganzen Menschen.

Daarom zei hij, als gymnast: de mens zal behoorlijk leren denken als hij behoorlijk leert lopen en springen, en als hij behoorlijk leert discuswerpen. – En als hij leert verder te gooien dan het doel, dan zal hij ook nog de ‘paradox van de schildpad’ leren begrijpen,3 dan zal hij al die vreemde zaken uit de logica snappen die men in Griekenland maar kan bedenken. Door de gymnastische oefeningen leer je jezelf in de werkelijkheid te plaatsen. Vandaag de dag denken wij gewoonlijk als volgt: je hebt een advocaat en een cliënt. De advocaat is degene die de dingen weet, de cliënt niet. – Maar omdat men in Griekenland gewend was om verder dan het doel te gooien, wist men: hoe is het wanneer iemand als jurist een student in de rechten heeft,4 en die wordt door hem zó goed onderwezen dat hij elk proces moet winnen? Nu ontspint zich het gesprek tussen hem en zijn leraar. Daaruit komt voort: jij zult het proces onder alle omstandigheden winnen en onder alle omstandigheden verliezen. – U kent het slot: de rechter verdaagt de zitting en de uiteindelijke uitspraak hangt in de lucht. Zo ontwikkelde zich dus alle denken en spreken uit de gymnastische opvoeding; ze was op de gehele mens gericht.
GA 310/154-156
Vertaald/160-163

.

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3090-2904

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Mededeling Driegonaal

.

Denn die wirklich erzieherischen und unterrichtenden Kräfte des Lehrers können sich nur entwickeln in der freien Schule.

de echte opvoedkundige en onderwijskundige vermogens van de leerkracht kunnen zich alleen ontplooien in de vrije* school.

*Een vrije school is die school die alles voor de onderwijsgevenden en opvoeders mogelijk maakt om wat zij vanuit hun menskunde, vanuit hun kennis van de wereld, uit hun liefde voor het kind, voor het echt wezenlijke houden en dat dit geïntegreerd moet worden in ons onderwijs en onze opvoeding.
Een onvrije school is een school waarin de leraar moet vragen: wat is er voor de eerste klas voorgeschreven, wat voor de tweede, hoe moet ik het uur organiseren volgens de wet?
Een vrije school is een school waarin de leerkrachten een heel bepaalde kennis hebben die aan hun werk ten grondslag ligt, van hoe een kind zich ontwikkelt, over welke lichamelijke en psychische krachten het beschikt, welke lichamelijke en psychische krachten in het kind ontwikkeld moeten worden.
GA 298/126
Op deze blog vertaald

Bericht ‘Driegonaal’

John Hogervorst
Waar vrijheid begint

In een tijd waarin vrijheid onder druk staat, worden wij uitgenodigd scherper te krijgen wat wij onder vrijheid verstaan. Wat dat betreft leven wij in interessante tijden!

Vrijheid is als een onderaardse bron die we in onszelf moeten ontsluiten. In de artikelen die in deze uitgave zijn verzameld, wordt aan de hand van maatschappelijke verschijnselen een poging gedaan bloot te leggen ‘waar vrijheid begint’. Daarbij wordt ook beschreven wat wij voor elkaar, in de samenleving, kunnen doen opdat ieder in vrijheid kan bijdragen aan het geheel dat wij samen vormen.
ISBN 9789083325620
95p. / € 10,00

En dit was de eerste uitgave:

Marc Desaules / John Hogervorst / Rudolf Steiner
Basisinkomen – er is een beter alternatief

Met het basisinkomen, zo hopen de voorstanders, krijgt ieder mens een financiële bestaansbasis die hem/haar meer ruimte geeft voor eigen afwegingen over werk, ontplooiing, tijdsbesteding.
Dat zou je ook ieder mens toewensen.
Maar er is een betere weg om die gewenste situatie te scheppen. Die weg wordt beschreven in de artikelen in deze uitgave.
ISBN 9789492326874
67p. / € 10,00

Mail uw bestelling naar: info@driegonaal.nl

DRIEGONAAL

Sociale driegeleding: alle artikelen

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

.