Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Spreektherapie – het antroposofisch mensbeeld

.

HET ANTROPOSOFISCH MENSBEELD EN DE SPREEKTHERAPIE

Het staan
Als we de menselijke gestalte zien, valt daaraan direct een bepaalde eleding op: het hoofd, de romp en de ledematen. Verder valt de verticale stand van de gestalte op, als we uitgaan van een staand mens.
Planten en bomen hebben meestal ook een verticale gestalte. Zij groeien immers uit de donkere aarde naar het licht en de warmte van de zon. De mens groeit niet naar de zon, maar richt zich op vanuit een innerlijke geestdrift, omdat hij van binnen uit de zwaartekracht overwint.

Aan een kind, dat zich gaat oprichten, is echt te merken, wélk een overwinning het is, als het kind van een “kruipend vloerkleedje” opklimt tot een “zuil in het landschap”.

Vrij te kunnen staan, zonder hulp van vader of moeder, dat is een mijlpaal in de ontwikkeling van het kind. Natuurlijk ben je als mensenkind nog niet tevreden met alleen rechtop te kunnen staan.
Als mens hoef je immers geen wortel te schieten!!

Dan begint het spannende spel tussen licht en zwaarte, voor en achte,  links en rechts en het evenwicht daartussen, dat we lopen noemen. De eerste tijd na de geboorte was het kind nog voornamelijk een zuigende, drinkende en iets later ook etende baby. Langzamerhand wordt het meer en meer een ledematen-mens, een pakkende, grijpende en lopende mens. De triomf van het staan is daarbij een belangrijk omslagpunt.

De stofwisseling en de ledematen
Alles wat met de voeding en de inwendige verwerking hiervan samenhangt noemen we de stofwisseling.
De stofwisseling en de ledematen zijn een soort binnen- en buitenkant van elkaar. De benen brengen de armen daarheen, waar de armen iets vinden om de inwendige mens mee te voeden.
We doen natuurlijk ook nog andere dingen met onze benen en armen, maar ik ga nu even uit van onze natuurlijke behoeften.
De voeding op zijn beurt geeft de ledematen weer de kracht en het uithoudingsvermogen om hun werk te doen. Stofwisseling vindt plaats in het hele lichaam, maar is geconcentreerd in de buik. De benen zitten hier min of meer direct aan vast. De armen hebben zich meer geëmancipeerd van de stofwisseling en vormen weer een eenheid met de borstkas. In de antroposofie noemen we dit het stofwisselings-ledematenstelsel. Hierin is ons wilsleven verankerd. Met wil bedoelen we dan hetgeen we echt in daden omzetten, zodat het handen en voeten krijgt.

Het spreken
In de tijd, dat het kind rechtop kan gaan zitten en als volgende stap rechtop kan gaan staan, gaat het meestal ook zijn eerste woordjes spreken. Aanvankelijk uit het zich in spontane brabbelklanken. Zijn enthousiasme, verdriet of boosheid uit het in een nog ongevormde brabbel-klanken-brei. Het kleine kind heeft het hart op de tong en alles wat het beleeft wordt direct zichtbaar in zijn bewegingen en hoorbaar in het aan- en afgolven van zijn gebrabbel. Als het kind woordjes gaat spreken dan begint het de dingen ook te benoemen en krijgt het spreken daardoor meer vorm en richting. Eigenlijk kunnen we nu pas zeggen, dat het echt gaat spreken. Tot dan toe worstelde en speelde het alleen met klanken.

Spreken doen we met de adem, de stem en de articulatie, maar de vreugde of het verdriet van het hart klinkt er voortdurend in mee. Het hart is door middel van de bloedstroom met het hele lichaam verbonden.

Het is een merkwaardig dubbel orgaan. Enerzijds brengt het ritme in de bloedstroom als pulserende holle spier. Anderzijds is het hart het centrum van het gevoelsleven.

Het hart klinkt!
Door middel van de longen, de in- en uitademing, staat het hart in verbinding met de wereld buiten het lichaam. Want al het bloed, dat van de longen de rest van het lichaam instroomt, passeert eerst de boezem en de kamer van de linker harthelft. Dit hangt samen met de inademing.

Al het bloed, dat naar de longen toestroomt, passeert ook de poort van het hart, maar nu via de rechter harthelft. Dit hangt samen met de uitademing en op deze uitademing spreken wij.

Het hart staat door middel van het bloed in verbinding met de binnen-mens, ook wel microkosmos genoemd en door middel van ademhaling met de buitenwereld, oftewel macrokosmos.

Tussen macrokosmos en microkosmos ligt het hart als poort en als centrum van het gevoelsleven.

De taal liegt er niet om!
We spreken van een gebroken hart; van een hart dat zich omdraait in het lijf; van harten die opspringen van vreugde; harten die begeren of verbitteren; van grote en kleine harten; hooghartig en laaghartig, zelfs van harteloos en van het hart op de goede plaats hebben zitten en niet te vergeten van het hart dat spreekt, ja, zelfs op de tong ligt! Al deze nuances drukken zich uit in de klank van de stem.

Het sterkst kan deze kwaliteit van de stem zich ontplooien als we zingen. Daarin kunnen we ons hart helemaal laten uitstromen, laten klinken. Dat dit mogelijk is hebben we te danken aan de muzikanten van de taal: de klinkers. De klinkers maken hoorbaar wat in het hart leeft.

De medeklinkers daarentegen zijn de werklieden van de taal. Zij scheppen beweging en vorm.

De medeklinker vormt
Iemand kan nog zo luid spreken, als hij slecht articuleert, d.w.z. vormloos spreekt, begrijp ik toch niet wat hij bedoelt. De medeklinker schept helderheid en zorgt ervoor, dat u begrijpt wat ik zeg. Maar ook wat ik schrijf. Want ook bij het lezen spreekt u innerlijk na wat ik innerlijk tegen mezelf sprak, toen ik dit neerschreef. Ik betoverde de woorden in schriftbeeld. U kunt het alleen weer uit zijn “letterschrift-ban” halen door het weer innerlijk te spreken, natuurlijk onbewust, omdat u leesvaardigheid heeft ontwikkeld.
De zanger hebben we besproken als de representant van de klinker. Bestaat er ook zo’n representant voor de medeklinker? Bestaan er mensen, die zo spreken, dat we wel begrijpen wat ze bedoelen, maar bij wie niet in de stem doorklinkt, wat ze erbij beleven?

Zo iemand is de doofstom geborene, die later het spreken heeft aangeleerd als een uiterlijke techniek. De dove hoort de gesproken taal niet en ontwikkelt daardoor ook niet de spreekvaardigheid van binnenuit. Hij of zij kan zijn of haar ziel dan ook nauwelijks uiten door de stem. Natuurlijk wel door mimiek en gebaren.

In het spreken overheerst de medeklinker en verdwijnt de klinker vergaand. (Als iemand niet doof geboren is en later doof is geworden, ligt dit heel anders) Voor de doofgeborene blijft het spreken een stuk buitenwereld. Daar zit een groot geheim in. De doofgeborene heeft namelijk de taal wel ingeademd, maar kan ze als het ware niet uitademen en tot klinken brengen. De vorming van taal, het articuleren hangt met het boetseren en modelleren van de uitademing samen. De uitademing wordt gestuwd, vernauwd, samengeperst en zodoende belemmerd in zijn verloop. Datgene wat de uitademing belemmert en daardoor vormt, zoals de handen de klei vormen, zou ik een inademingstendens in de uitademing willen noemen. Het resultaat hiervan zijn de medeklinkers.

Dit hangt samen met de longen als inademingsorgaan.

De long als ingestulpte vorm
Na de geboorte strekken de longen zich bij de eerste inademing. Ze stulpen zich letterlijk het lichaam in. Ze zijn een ingestulpte, met lucht gevulde ruimte. De lucht komt binnen door één luchtpijp, die vertakt zich dan in twee kleinere luchtpijpen, die zich ook weer vertakken en zo steeds verder – tot deze vertakkingen van vertakkingen uiteindelijk eindigen in de longblaasjes. Laatstgenoemden staan in direct contact met de bloedbaan door middel van een heel fijn netwerk van ontelbare haarvaatjes.

De longen zelf zijn volkomen passief en worden bewogen door het middenrif, een spierkoepel, die de ruimte waarin longen en hart zich bevinden, scheidt van de buikorganen en ook door de borstkasspieren.

De longen zijn praktisch pure vorm, een ingestulpte en fijn vertakte ruimte. Daarbij zijn ze het grootste orgaan dat we hebben. Hun inhoud is de adem. Zoals het hart met de uitademing samenhangt en de klinker intoneert, zo hangt de long met de inademing samen en met de medeklinker.

De medeklinker schept contouren, luchtvormen op de uitademing. De longen zijn als het ware zelf een het lichaam ingestulpte luchtvorm. De klank “K” maakt dit principe het meest beleefbaar. Spreekt u maar eens een “K” zonder hem uit te spreken. U houdt hem even vast, voordat u hem uitspreekt. Dan voelt u een stuwing, die zich het lichaam in beweegt. Dat is wat ik bedoel als ik over een inademingsprincipe spreek. Laat u de “K” weer los en spreekt hem uit: dan overheerst de uitademing weer.

Voor de andere medeklinkers geldt hetzelfde, alleen is het moeilijker te ervaren. De klankvormen die hierdoor ontstaan, hebben tot gevolg dat u begrijpt wat er gezegd wordt. Er kan een licht bij u opgaan en het wordt u helder, wat er bedoeld wordt. De medeklinker schenkt u de mogelijkheid dat het in u begint te dagen; dat het innerlijk licht wordt.

Met de medeklinker ademen we onze harte-warmte of -koelte uit.

Kinderspel met woorden
Het kind worstelt met al deze elementen, als het leert spreken. Soms wisselt het ook klanken uit en maakt hele nieuwe woordscheppingen vanuit zijn spelen met de taal. Aanvankelijk verbindt het in zijn spel nog geen vaste begrippen met de woorden. “Pop” kan evengoed een stoel, een appel of de hond zijn. Het kind dat net woordjes gaat spreken, speelt nog met de klanken en vindt het nog niet van belang als wij zeggen, dat een stoel stoel heet en niet pop. Het wil even verblijven in de spelvrijheid, waarin nog alles mogelijk is. Heel bijzonder is daarbij dat onderzoek heeft uitgewezen, dat de kinderen in dit stadium van
lettergrepen-spel nog boven de taal staan. De woordjes van een kind in Japan, Rusland, Amerika of Nederland verschillen nog zo weinig van elkaar, dat we nog niet van een taalverschil kunnen spreken. Brabbelwoorden als pappa, mamma, baba, tata zijn nog universeel. Het kind leeft nog helemaal in het ritme tussen klinkers en medeklinkers, tussen hart en longen, tussen uit- en inademing.

Het ritmische systeem
Dit gebied, waarin de ademende en kloppende mens leeft in hart en longen, noemen we in de antroposofie: het ritmische systeem. Hierin leeft de voelende mens in eb en vloed van antipathie en sympathie, van uitstromende toewending en terugstromende afwending. Natuurlijk strekt dit ritmische systeem vanuit de haar omhullende borstkas zich door het bloed en de gasstofwisseling van zuurstof en koolzuur over het hele lichaam uit en doordringt alles! Het spreken en dus ook de spreektherapie vinden hun oorsprong in dit middengebied.

Moedertaal en begripsvorming
Als we het kind verder in zijn ontwikkeling volgen, treedt er een heel spannend ogenblik op.

Nadat het kind een tijdlang heeft gespeeld met de klank en de vorm van de taal, gaat het nu dingen veel concreter benoemen. We merken dat het kind de verbinding gaat leggen tussen woord en ding. “Pop” wordt nu écht de pop en is niet meer de stoel of de hond. Het is een langzaam proces, waarin we merken, dat het kind uit het universele taalgevoel, het universele lettergrepenspel zich gaat verbinden met de moedertaal. Eigenlijk is dit een verschrompelingsproces. Uit de oceaan van alle talen duikt het kind nu onder in de zee van één taal, wat een vernauwing betekent. Het is echter noodzakelijk om “aardeburger” te worden.

De volgende stap, die het kind doet tijdens zijn ontdekkingsreis is, dat het de woorden een begripswaarde gaat geven. Het spreekt niet alleen maar van de dingen, waarmee het bezig is, die het zo te zeggen kan aanwijzen en vastpakken. Nee, het kan nu ook gaan spreken over dingen, die niet direct in zijn gezichtsveld zijn. We merken dan dat het de juiste woordbegrippen gebruikt voor de dingen, die het bedoelt. Er volgen kleine zinnetjes en het kind begint nu langzamerhand hetgeen het heeft ervaren, in woorden te vertellen volgens de wetten van de taal, waarin het spreekt. Daarin ontkiemt pas het denken, zoals wij het als volwassenen kennen. Het denken dat een zinvolle samenhang tuseen onze binnen- en buitenwereld tot stand brengt.

Het kind neemt zeker al van alles waar, wanneer het nog in de wieg ligt, grijpt er met zijn handjes naar, maar begrijpen en zich begrippen vormen over de wereld, dat begint nu pas te ontwaken.

Denken en “IK” zeggen
Dan volgen de “waarom”-vragen. Alles wil het kind nu gaan begrijpen. Wanneer het eenmaal heeft ontdekt dat het mogelijk is iets te begrijpen, wil het dit nieuwe instrument ook ijverig gebruiken. Als hoogtepunt in dit proces gebeurt er iets wat op een bliksemslag lijkt. Sommigen van u kunnen het zich misschien nog herinneren. Plotseling merkt het kind, dat het niet papa is en niet mama, niet het popje, waar het zo van houdt. Het begrijpt zichzelf als een zelfstandig wezen. Tot dan toe zei het, sprekend over zichzelf: “Jantje gaat slapen” of “Marietje moet plassen”. Zoals alle dingen in zijn omgeving benoemde het zichzelf. Vanaf dat moment noemt het zich zoals het innerlijk ontwaakte lichtje in het kind het hem ingeeft: “IK”. IK wil eten, IK wil niet slapen!

Zenuw zintuigstelsel
Het waarnemen en denken hebben hun hoofdkwartier in het hoofd. Ze vormen géén vanzelfsprekende eenheid, maar zoeken elkaar voortdurend. Als we iets waarnemen zoeken we naar mogelijkheden het te begrijpen. Soms is dat heel moeilijk, soms doodeenvoudig. Als we iets bedacht hebben, zoeken we weer bewijzen in onze waarnemingen of herinneringen.

Ons zintuigstelsel strekt zich d.m.v. de huid uit over het hele lichaam. Het denken, dat met de hersenen als het centrale zenuwstelsel verbonden is, vindt hoofdzakelijk in het hoofd plaats. Ook dit zenuwstelsel strekt zich op zijn beurt uit over het gehele lichaam. In de antroposofie noemen we dit het
zenuw-zintuigstelsel.

Het denken gebruikt het spreken als instrument, want de meeste van onze gedachten spreken we innerlijk met onszelf in woorden, en wel in een bepaalde taal. Het denken in beelden of getallen vormt hier een uitzondering op. Het beeld is concreter, het getal abstracter dan de gedachten in woorden. De woorden gaan dikwijls samen met innerlijke beelden, bijvoorbeeld, als we iets beschrijven of een herinnering vertellen. De gedachte verbindt zich daarbij bijna uitsluitend met de medeklinker. Deze schenken ons innerlijk licht, helderheid en inzicht.

De drieledige mens
Uit het voorgaande ontstaat het innerlijke beeld van de drieledige mens:

– het stofwisselings-ledematenstelsel, waarin de wil rust en waarmee wij de wereld kunnen verteren (stofwisselend) en kunnen veranderen (handelend)

– het ritmische systeem, het gesprek tussen de ademhaling en de hartslag, waarin we voelend leven en waardoor we binnen- en buitenwereld ritmisch met elkaar in uitwisseling brengen.

– het zenuw-zintuigstelsel, dat onze waarnemingen en ons denken met elkaar in overeenstemming probeert te brengen. Alleen hierin kunnen we helemaal wakker zijn. In ons ademende gevoelsleven dromen we en leven in glijdende overgangen. In ons wilsgebied slapen we.

Zeker, ik kan bewust mijn hand optillen, maar wat er inwendig voor nodig is, onttrekt zich volkomen aan mijn bewustzijn. Zolang ik geen blessures heb of ziek ben, lijkt alles vanzelf te gaan en is mijn wilsleven in diepe slaap gehuld. Alleen de resultaten van mijn wilsimpulsen worden zichtbaar in mijn bewegingen.

Deze drie gebieden doordringen elkaar, duiken soms zo in elkaars werkzaamheden onder, dat ze lijken te versmelten en streven ook weer uit elkaar, zodat ze in hun driegeleding zichtbaar worden.

De spreektherapie heeft zijn brandpunt in het ritmische systeem en daarom zou ik willen afsluiten door u over één van de grote geheimen van het ritmische systeem te vertellen.

De ademhaling
Een ritme ontstaat pas als er een beweging is tussen twee tegenpolen, in dit geval tussen de uitademing, die met de klinkers samenhangt en de inademing, die met de medeklinkers samenhangt.

Deze twee zijn echter niet los van elkaar te zien. Het is veel meer zo dat de kwaliteit van de uitademing, waarmee ik spreek, een grote invloed heeft op de kwaliteit van de erop volgende inademing en omgekeerd.

We ademen koolzuur of kooldioxyde uit, dat in elk orgaan, in elke cel vrijkomt bij de verbrandingsprocessen, die daarin plaats vinden. Deze kooldioxyde wordt in het bloed opgenomen en stroomt via het hart naar de longen om daar te verdampen en op te stijgen naar het strottehoofd en de mond.

Dit is niet alleen een chemisch proces, maar ook een warmte- en luchtproces en óók een kwalitatief proces. De kwaliteit van uw uitademing wordt hoorbaar in uw manier van spreken. Daardoor worden hierin ook de ziektetendensen hoorbaar, die u in u draagt.

Ik kan echt niet meteen horen, als ik met u spreek, of u pijn hebt aan uw grote teen. In overleg met de arts kan ik wel met u gaan oefenen en zo dingen op het spoor komen.

Andersom is het zo, dat de spreekoefeningen en teksten, waarmee ik werk, de genezende krachten in taal en adem versterken.

Een eenvoudig voorbeeld is, als u sterker en gevormder uitademt in het spreken, dat u als vanzelf – dat doet het ritme voor u – ook beter inademt en u zich daardoor sterker met uw lichaam verbindt en er ook orgaanfuncties worden versterkt. Het kan evenwel ook zijn, dat u van nature te sterk inademt en niet genoeg uitademt. Daar zijn dan weer andere oefeningen voor.

Een arts noemde mijn therapie eens “de innerlijke massage”, want de adem masseert en stimuleert het lichaam van binnenuit.

Dat zijn de geheimen van het ritmisch systeem.

Spreektherapie
Een ziekte is altijd een verstoord evenwicht, dat zich zowel lichamelijk als psychisch uit.

Het ritmische systeem is een uitbalancerende kracht, die door middel van het ritme weer evenwicht kan brengen.

Daarbij komt, dat ik in mijn therapie samen met het spreken ook altijd werk met lopen, gebaren maken, ballen werpen of met stokken, zodat heel de mens wordt aangesproken en in gang gezet wordt.

De meeste bewegingen, die ik gebruik in mijn therapie, zijn afgeleid van de klassieke Griekse vijfkamp: lopen, springen, discus- en speerwerpen. Deze disciplines bereiden het spreken op lichamelijk niveau al voor en daar wordt in de spreektherapie, als echte oefentherapie, dankbaar gebruik van gemaakt!

Xandor Koesen-York, ledenbrief 60, nadere gegevens ontbreken

.

Spreektherapie

Spraakoefeningen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Drieledige mens

1135-1056

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – impressie (1)

.

‘Uit de oude doos’.
Een artikel uit 1930, maar met nog springlevende menskundige opvattingen. 

HET ONDERWIJS IN DE TWEEDE KLASSE

Het juiste tijdstip, waarop het schoolonderwijs voor het kind aanvangen kan, is dat, waarop de tandwisseling plaats heeft. Het wezen, dat, uit geestelijke werelden komende, bij de geboorte in het aarde-leven treedt, vangt aan, zijn lichaam, het hulsel, waarin het zijn aardeleven moet doorbrengen, op te bouwen. Gedurende ongeveer zeven jaren moet het daaraan werken, met alle krachten, waarover het in dien tijd beschikt. In deze jaren brengt het zijn zielelevcn het sterkst tot uiting door de beweging zijner ledematen. Ook de volwassene drukt zijn innerlijk leven uit in zijn gestes en gebaren. Het kind nu wil, tot het negende jaar, alles nadoen en door nadoen zich eigen maken, wat zijn opvoeders in hunne gebaren en gestes aan zieleleven uiten.

Wanneer dan de geërfde tanden worden uitgestooten en de eigen, blijvende tanden verschijnen, is het tijdstip aangebroken, waarop de lichaamsbouw klaar is. De lichaam-opbouwende krachten komen nu vrij en zijn te gebruiken als voorstellings- en geheugenkrachten. Zonder de gezondheid van het kind te schaden, kan nu het schoolonderwijs aanvangen. Zonder de gezondheid van het kind te schaden, d. w. z., wanneer het zóó gegeven wordt, dat aan het kind zelf afgelezen wordt, wat het behoeft; wanneer uitsluitend en geheel voldaan wordt aan de eischen, gesteld door de wetten van de zich, ontwikkelende menschennatuur; wanneer de opvoeder er zich rekenschap van geeft, met welke krachten hij werkt.

Een kunstwerk van de allerhoogste orde is het menschenlichaam. Plastische, boetseerende, kunstzinnige krachten zijn het, die het lichaam bouwden en waarmee nu de opvoeder en onderwijzer te werken heeft. Kunstzinnig moet het onderwijs zijn, in alle vakken. Vandaar, dat eurhythmie, schilderen en teekenen, niet alleen op zichzelf belangrijke leervakken zijn, maar bij het leeren lezen, schrijven en rekenen een groote rol spelen.

Na het zevende jaar begint het kind zijn zieleleven meer tot uiting te brengen in het rhythme van ademhaling en bloedsomloop. Vandaar, dat veel moet worden gereciteerd; dat met rhythmisch bewegen, loopen, klappen, springen, het kind rekenen leert.

Is, met inachtneming van al het boven gezegde, het onderwijs in de eerste klas van onze school aangevangen, in de tweede klasse is het zoo voortgezet. Iets afgeslotens is niet bereikt. Tegen het achtste levensjaar bereikt ook de ontwikkeling van het zieleleven van het kind nog geen grens.

Van het schilderen en teekenen van groote Latijnsche hoofdletters, zijn de kinderen-in het afgeloopen jaar gekomen tot het lezen en schrijven van het gewone latijnsche druk- en schrijf schrift. De vier hoofdbewerkingen met getallen tot 100 zijn geleerd. Groote getallen zijn bekend; rhythmisch tellen met getallen tot millioenen b.v. De tafels van vermenigvuldiging zijn tot en met die van zes geleerd. Veel is uit het hoofd gerekend, ’t Is van zeer groot belang, dat de geheugenkrachten van het kind gebruikt worden in den tijd, waarin deze het sterkst zijn.

Hiervan wordt ook profijt getrokken bij het leeren van Fransch en Duitsch. De neiging van het kind tot nadoen en de plasticiteit der spraakorganen zijn hierbij ook van belang. Het laten verkommeren van krachten, welke in een bepaalde levensperiode aanwezig zijn, werkt fnuikend voor de geheele verdere ontwikkeling van den mensch. Liedjes, spelletjes, gedichtjes, welke het kind rhythme, melodie en klank der spraak in ’t gehoor brengen, zijn geleerd.

In het muziekonderwijs is dit jaar voor het eerst het fluitspelen ingevoerd, dat door de kinderen met zeer veel animo wordt beoefend.

Over het onderwijs in handwerken, ’t welk jongens en meisjes meemaken en dat ook medewerkt aan de opwekking van de intellectuele vermogens, alsmede over het eurhythmie-onderwijs, kan misschien door een andere hand nog iets geschreven worden.

H.Kwindt, Ostara, 3 jrg. 5/6, okt.1930, vrijeschool Den Haag
.

2e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

.

1123-1044

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (23)

.

Frans de Waal heeft veel geschreven over mens- en diergedrag. Zijn boeken zijn bestsellers.

In Trouw van 23-04-2016 staat een interview met hem.

Het blijkt dat hij niet veel op heeft met dieren vergelijken om te zeggen welke het meest bijzonder is. Maar als hij een prijs zou moeten uitreiken voor uniciteit, zou die naar de octopus gaan.

‘Dat is een heel vreemd beest. Hij heeft ongewoon grote centrale hersenen, zeker voor een weekdier. Maar hij heeft ook nog eens zenuwknopen in al zijn acht armen en elk van zijn tweeduizend zuignappen. Die zijn allemaal verbonden, als een soort servers, waardoor hij op het internet lijkt. De octopus denkt met zijn hele lichaam, en dan kan hij ook nog licht waarnemen met zijn huid en communiceren door van kleur te veranderen.’

De mens zou de prijs zeker niet winnen.

‘Wij lijken qua lichaamsbouw en hersenen op een heleboel andere landzoogdieren.’

Steiner over de inktvis:
‘Beschrijft u de inktvis dus zo, dat het kind door de manier waarop u hem beschrijft de sensi­tiviteit van de inktvis voelt, zijn fijne waarnemingsvermogen voor de dingen om hem heen. U zult een kunstzinnige beschrijving van de inktvis moeten ontwikkelen, opdat de kinderen het wezen van de inktvis daarin kunnen herkennen. (  )  De inktvis daarentegen, die in feite geheel en al hoofd is en ver­der niets, beweegt zich vrij in het water. U moet eigenlijk bewerkstel­ligen dat de kinderen het gevoel krijgen dat de lagere dieren hoofden zijn die zich vrij kunnen bewegen, maar nog niet zulke volmaakte hoofden zijn als het menselijk hoofd.

‘(  ) Ons hoofd is het in de hoogste mate gevormde lagere dier. We moeten – als we het menselijk hoofd, met name de ze­nuworganisatie gaan waarnemen – niet naar de zoogdieren kijken, niet naar de apen, maar we moeten teruggaan juist tot de laagste dieren.’

En wat de lichaamsbouw betreft: in de dierkunde wordt de mens o.a. vergeleken met de leeuw, de koe, de muis, het paard.

Uit de uitspraken van de Waal kun je concluderen dat de dierkunde op de vrijeschool gebaseerd is op inzichten, door Steiner verwoord, die zeer van deze tijd zijn.

Rudolf Steiner over dierkunde

Dierkunde: alle artikelen
over inktvis, leeuw, koe enz. En hoe het in de praktijk wordt gegeven

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas – dierkunde

Opspattend grind: alle artikelen

.

1092-1013

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (17)

.

Om te reciteren:

WOLVENJACHT

Over de stille, besneeuwde vlakte –
Schieten schimmen, grijs en grauw.
Wolven jagen, wolven jachten
Door de bitt’re winterkou.
Rennen rust’loos, speuren en spieden,
Honger drijft hen steeds maar voort,
’t Spoor te volgen, als maar verder,
Gretig, grimmig, onverstoord.
*

DE WOLVEN

Grauwend en grommend
In grimmige groepen
Volgen wij wolven
Het rendierenspoor.

Hongerig hollen wij,
Haasten hardnekkig,
Huilen bloeddorstig
En wreed dan in koor.

Wij vliegen het vluchtende vee
Naar de kelen.
Verscheuren vraatzuchtig
En gulzig het wild.

Dan spieden en speuren wij
Andere sporen,
Want wolvenhonger
Wordt nimmer gestild.
J.K.

DE ZWIJNEN

Gruf, gruf, gruf, gruf
Wij zwijnen, wij wroeten
met woelende snoeten.
WIJ happen en smekken
met smakkende Bekken.

Wij went’len ons rond
in de modderige grond.
Wat een lekker gevoel
zo’n kledderige poel.

WIJ vreten eikels,
wormen en slakken,
muizen en vruchten
schillen en takken.

Alles gaat met
gulzig gesmek
In onze happende klappende bek.

En we maken daarvan
een vel met spek
Lekker spek
Smak smek
Lekker spek.
*

ZWIJN

Hij ploegt en zwoegt,
Hij snuift en stuift,
Hij husselt en frusselt
De rommel in ’t rond.
Hij wroet met zijn snoet,
Hij doet het wat goed,
Hij knort en hij port
En gromt in de grond.
„Zo is het fijn,”
Knort het zwijn.
L. K.

VOGELVLUCHT

Wij adelaars vliegen
in brede vlucht
In wijde kringen zweven wij
hoog in de lucht.

Wij kieviten buit’len
omhoog en omlaag.

Wij kraaien vliegen
zwart en traag.

Wij vlugge valken
schieten snel voorbij.

Wij zwaluwen zwieren en zwenken
al over de zee.

Wij mussen fladd’ren
van het dak.

Wij meeuwen zweven
over ’t wijde watervlak.

Zo vliegen wij vogels
in vrije vlucht
onze vleugels dragen ons
ver door de lucht.
*

DE KOEIEN

Wij zijn de koeien
langzaam aan
dag aan dag
stap voor stap
grazen wij
tijden en tijden
het malse gras
van de welige weiden.

Ja , wij eten graag
de kop omlaag
en vullen gestaag
onze grote maag.

En zijn wij verzadigd
vol en rond
dan gaan wij liggen
zwaar en loom
op de weidegrond.

Liggen wij dan
dromerig neer
dan kauwen wij ’ t gras
nog eens een keer
dat onze malende kaken
een smeuïge brij ervan maken.

Na nog wat rusten
gaan wij weer staan
om weer opnieuw
langzaam aan
stap voor stap
aan ’t grazen te gaan
op de malse welige weiden.
*

DE INKTVIS

Wij grijpen, wij graaien,
wij wuiven, wij waaien,
Wij tasten, wij haken
en laten ’t ons smaken!
Het mooist is een kop
met grijpers erop.

OCTOPUS

Langs rotsige kusten
In holten en spleten
Wacht hij met acht
Tastend naar eten.
Plots –
Pakt en knakt hij,
Knijpt en grijpt hij,
Gif spuit hij uit,
Lam ligt zijn buit.
Dreigt gevaar –
Dan kan hij verdwijnen
Achter inktgordijnen.
L. K.

HET MUISJE

Knibbel knabbelgraag
Bijt- en grabbelgraag
Komt uit het gat gekropen
’t Neusje heeft iets goeds geroken.

Zie de rappe pootjes grijpen
Zie de felle tandjes bijten
’t Staartje, lang en glad
Steunt hem bij het zitten wat

Vangt het oortje een gerucht
Fluks is het weer weggevlucht
Naar het veilig muizengat
‘Piep’, zegt hij,
‘wie doet me wat!’
J.L.

DE MENS

Met mijn voeten stevig op de aarde staan
flink mijn eigen weg te gaan.

Door mijn handen
Voor anderen te leven
Hun mijn beste kracht te geven

Met het hoofd omhooggericht
Naar het helder zonnelicht

Zo te zijn is mensenplicht.

DE MENS

Drieledig is het mensenbeeld
In hoofd, romp en ledematen
Zie je het verdeeld.

Het wakkere hoofd
Waar het verstand in woont
Hoe trots het op het lichaam troont
Zintuigen heeft het
Ogen, oren, neus en mond
Waarmee de wereld in ons komt.

Dromend draagt de romp ons hoofd
Bewegen ritmisch hart en longen
Levend ademen
Ademend leven wij.

Slapend onbewust
Kent het onderlijf geen rust
De stofwisseling werkt er dag en nacht
Uit het voedsel wordt de kracht.

Handen kunnen verzorgen, beschermen en geven
Zij helpen mij als medemens te leven.

* † Oscar Klinkenberg (vrijeschool Den Haag ca jaren 1970)
L.K. is mij onbekend; J.L. is hoogstwaarschijnlijk † Jaant Loos, werkzaam in Den Haag en Nijmegen

De verzen van L.K en J.L staan in ‘Gedichten, speuken, oefeningen van Lena Struik

4e klas dierkunde: alle artikelen

4e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas dierkunde

.

1076-998

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (14)

.

WATER EN MELK

leven O.T. 681. Vrouw bij de bron
Het water, dat het meest op prijs gesteld wordt is levend water, het bewegende, frisse water van borrelende bronnen en beken (Hooglied 4 : 15). Een levendig tafereel is het, als de vrouwen bij de bron komen, „op de avondtijd, ten tijde als de putsters het water halen” (Gen. 24 : 11). Als zij naderen, hebben zij de ledige kruik op de schouder, als Rebekka (Gen. 24 : 15). De volle kruik (a) wordt op het hoofd gezet. De bron (b) op de voorgrond is in een diep in de bodem gegraven gat, dikwijls tot op de rotsbodem toe. De geulen in de bronrand zijn inkervingen ontstaan door de touwen van degenen, die de putemmers optrekken. De vrouw draagt een witte hoofddoek (c) die als sluier gebruikt kan worden (zij bedekt haar mond!). Voorts is zij gesierd met armband (d) en voorhoofdsiersel (e) en een enkelring (g), zij draagt een lang kleed, dat echter hier gegord is: het is wat opgetrokken tot aan de kniestreek, doordat zij het tussen de gordel (ƒ) heeft opgenomen.

leven O.T. 692. Emmer
De lederen putemmer (c) die men beter schepbuidel zou kunnen noemen, hangt aan een houten kruis (b) dat ten doel heeft de zak open te houden. In het midden van het houten kruis is het puttouw of scheptouw (a). Zo waren de emmers ook in de oudheid (Numeri 24 : 7, Jesaja 40 : 15).

leven O.T. 703. Waterdrager
Mannen dragen het water in lederen zakken (Jozua 9:4); een man, die een kruik draagt is een zeldzame figuur, die de aandacht trekt (Lukas 22 : 10). De lederen zak (a) wordt met een touw op de rug gedragen; de stukken van de poten (b) steken vreemd omhoog. De waterdrager draagt op het hoofd een gewonden doek (c); verder heeft hij een broek (d), een hemdachtig overkleed (e) en sandalen (ƒ). De met riempjes (Gen. 14 : 23) vastgemaakte sandalen waren in de oudheid het schoenwerk, die behoorden tot de normale kleding (1 Kon. 2:5; Ezech. 24 : 17, 23; 2 Kron. 28 : 15).

leven O.T. 714. Boterbereiding
In F. J. Bruijel, Bijbel en Natuur leest men: De zoete melk, zoals wij die kennen, wordt zeer weinig gebruikt, daar ze gedurende een groot deel van het jaar spoedig bederft. Zij is vrijwel alleen van belang voor jonge kinderen. Wanneer wij in het O. T. lezen over chalab (Statenvert. „melk”) moet in het algemeen gedacht worden aan een met behulp van stukjes lebmaag gestremde en door gisting verzuurde melk, min of meer te vergelijken met de ons bekende yoghurt. Uit deze chalab wordt de chem’a, boter, bereid. Daartoe neemt men drie stokken (a) die schuin in de grond worden gestoken en waartussen een zak, van geitenhuid (b) vervaardigd gevuld met chalab wordt opgehangen. Dan gaat de vrouw erbij zitten en de zak wordt nu het doel van de welgemikte vuistslagen. (Het werkw. drukken in Spr. 30 : 33 is beter te vertalen door „het stoten” of „het stompen”). Zo komt de inhoud in voortdurend schuddende beweging en dit „stoten” heeft de vorming van boter als gevolg. Naast de dikke verzuurde melk, kent men ook zoete gestremde melk. Door verwijdering van het water wordt kaas verkregen (Job 10 : 10 … en mij als een kaas doen runnen). De vrouw draagt een lang kleed, tob (c), een jakje (d) en een van voren open mantel (e); op het hoofd heeft zij de hoofddoek (ƒ) door een hoofdband vastgemaakt.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1067-989

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen (9-8)

.

Kinderen gebruiken zintuigen lang niet bewust genoeg

‘De overstelpende veelheid aan — vooral vluchtige — beelden en klanken die kinderen krijgen te verwerken, zonder dat ze nog in staat zijn ze werkelijk te verwerken, maakt de gevoeligheid voor indrukken geringer, waardoor de zo noodzakelijke ontwikkeling van de zintuigen verstoord wordt.

De klachten over een gebrekkige concentratie, het nauwelijks kunnen reproduceren van eigen belevingen, de onmacht om eenvoudige gebruiksvoorwerpen als een schaar of een potlood op een redelijke manier te hanteren, de achteruitgang van de in aanleg volop aanwezige fantasie bij veel kinderen, hebben direct te maken met de verwaarlozing van het gebruik en de gebruiksmogelijkheden van de zintuigen. Die verwaarlozing heeft tot gevolg dat indrukken of helemaal niet of weinig intens-bewust worden ervaren en ’ingeprent’, waardoor de vergroving en daarmee tegelijkertijd de vervlakking van het gevoelsleven toeneemt.

Als er dan eens sprake is van een gerichte, geïsoleerde opdracht aan bijvoorbeeld kinderen in een klas om de zintuigen ’aan het werk te zetten’, ontstaat dikwijls een soort schokeffect, waarmee ze geen raad weten. Het werkelijk luisteren naar geluiden van de stilte, het geconcentreerd aanhoren van een brokje muziek, het met de ogen dicht betasten van voorwerpen of in stilte gericht kijken naar wat een wolk doet, vinden ze dan ’gek’ of’vreemd’.

Dat ongewoon vinden van iets doodgewoons toont aan dat veel kinderen niet (meer) gewend zijn hun zintuigen bewust te gebruiken.

Nu spreekt het vanzelf dat ook dat moet worden aangeleerd, maar de bedreigingen van buiten af zijn zo groot dat het opgroeiende kind als een nog lang niet weerbaar wezen een grote kans loopt murw geslagen te worden in zijn gevoelsleven door een ontoelaatbare overspoeling van over-prikkels van geluiden en visuele waarnemingen.

De uiterlijke, materiële zorg en aandacht van de grote-mensen-maatschappij voor het kind in het algemeen mag de laatste decennia veel en veel groter zijn geworden, de voor het kind negatieve invloeden en bedreigingen zijn eveneens in niet geringe mate toegenomen, zodanig zelfs dat bescherming en wapening daartegen, in veel gevallen een haast onmogelijke opgave lijkt te worden. Bovendien lijkt voor de aandacht van de zintuiglijke ontwikkeling als essentieel onderdeel van de opvoeding weinig plaats meer te zijn.

Dat de zintuiglijke ontwikkeling onmisbaar is voor de ontplooiing van het kind tot een bewuste, veelzijdig ontwikkelde persoonIijkheid, hoeft geen betoog.

Maar de vluchtigheid, de gejaagdheid, de eenzijdig gerichte belangstelling, het gebrek aan wezenlijk diepe belangstelling, het gebrek aan tijd, het weinig bewust bezig-zijn met kinderen, dat alles is weinig bevorderlijk voor de stimulering van de zintuiglijke ontwikkeling.

Veel kinderen dreigen in hun ontplooiing belemmerd te worden of worden belemmerd juist in een ontwikkelingsperiode waarin het concrete en bewuste voelen-horen-ruiken-proeven-kijken de ontwikkeling van de fantasie, de creativiteit, de concentratie, het kritisch vermogen, de eigen ervaringswereld, het bewustzijn, het gevoelsleven op gang brengt en stimuleert.

Dat die belemmering in hun ontplooiing op latere leeftijd hun gedrag, hun gevoelsleven en hun levenswijze zullen beïnvloeden en meebepalen, is zonneklaar. Het is daarom werkelijk van het allergrootste belang om kinderen te behoeden voor over-prikkels en dus voor afstomping en vervlakking en te proberen de basis te leggen voor een bewuster en ’rijker’ leven, als kind en als latere volwassene. Die basis wordt gelegd als dwars tegen de absurde stroom van over-prikkelbedreigingen in het kind tegen zichzelf beschermd wordt door hem te leren zijn zintuigen te gebruiken, door hem zijn eigen wereld te laten ontdekken met zijn eigen onmisbare en altijd bij de hand zijnde hulpmiddelen. Leren geconcentreerd en genuanceerd kijken, waarnemen, luisteren, ruiken, voelen, is leren ontdekken en genieten, is leren verwonderen en bewonderen, is leren werkelijk beleven. De betekenis van de ontwikkeling en training van de zintuigen reikt echter verder dan de beleving van zintuiglijke waarnemingen alleen.

De wijze waarop een kind of een volwassene door zijn levenswijze, zijn gedrag, zijn instelling, zijn houding tegenover zichzelf en anderen in zijn omgeving functioneert, is voor een groot deel meebepaald doof de aandacht die aan zijn zintuiglijke ontwikkeling is besteed.’

Nee, dit is geen artikel uit 2016 – waarin het maar zo geschreven had kunnen zijn;- nee, het is ook niet geschreven door een vrijeschoolleerkracht – al had het maar zo gekund, want als er in een onderwijsvorm visie bestaat op ‘zintuigen’ is het wel in het vrijeschoolonderwijs -.
Op deze blog zijn al diverse artikelen over ‘zintuigen’ verschenen. Van meer theoretische aard, maar ook vanuit de praktijk. Wat kun je doen; hoe doe je het.

En vanuit de inhoud van bovenstaand artikel en vanuit ‘hoe is het vandaag de dag met de ‘zenuw-zintuigprikkels’, is de vraag misschien wel al veel meer: ‘wat moet je doen’.

Rudolf Steiner heeft scherp, helder geformuleerd hoe waarnemen en denken samenhangen, m.n. in zijn ‘Filosofie van de vrijheid‘.

Wij zijn woorden serieus overdenkt, zal tot geen andere conclusie kunnen komen dat het de hoogste tijd is voor een weloverwogen opvoeding van de zintuigen – vooral van oog en oor.

Artikel verschenen in ‘Nieuwsblad van het Noorden’29-08-1978, door WvT

.

In het Archeon in Alphen aan den Rijn bevindt zich een kruidentuin. Daarin kun je ‘speuren naar geuren”
.

Zintuigen: alle artikelen

1060-982

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het OudeTestament (10)

.

TORENS, BURCHTEN, HUIZEN

leven O.T. 521. Israëlitische vestingtoren in Samaria
Samaria was gebouwd op een heuvel (1 Kon. 16 : 24) op „het hoofd der zeer vette vallei” (Jes. 28 : 1). Aan alle zijden geïsoleerd, leende de plaats zich voor vesting. Condor beweerde dat deze vesting voor de uitvinding van het buskruit onneembaar moet zijn geweest. — De versterking geschiedde door muren, en torens of burchten. Kenmerkend voor deze na-Salomonische bouwwijze is de stapelligging van grote rechthoekige steenblokken (a) die aan de voorzijde (b) zijn gladgeslepen; de zware goed gehouwen stenen sluiten precies op elkaar, het zijn „drie rijen van gehouwen steen”. Dit stuk vestingwerk is zo indrukwekkend, dat het als een nationaal-monument zal bewaard blijven en ter bezichtiging gesteld is door de regering van Palestina.

2. Reconstructie van de vesting Sichem
tussen Ebal en Gerizim. De stad Sichem (c) was niet, gelijk de meeste andere plaatsen van Palestina gebouwd op de top van een natuurlijke heuvel, maar in de dalweg tussen de Gerizim (a) en de Ebal (b). De oudste nederzetting lag op een haast vlakke uitloper van de Ebal, op een terras gelijk een schouder (want dat betekent de naam Sichem) tegen het hoofd van de hoge berg Ebal aan (Prof. Böhl).
Vermoedelijk is hier opgegraven „de sterkte (c) in het huis van de god Berith” (Richt. 9 : 46); de Sichemtoren met de verschansing.

leven O.T. 533. De Westburcht van Thanach
(reconstructie van Prof. Thiersch). De muur op de achtergrond is de stadsmuur (a); de burcht lag aan de binnenzijde. Deze burcht b-b) was een groot, bijna vierkant gebouw; 20 bij 21,80 m. Voor ons zien wij rechts een binnenhof (c). In het midden daarvan is een cisterne (d), een gegraven waterbak; in de Statenvert. van het O. T. bakken genoemd (Spr. 5 : 15), in de Statenvert. van het N. T. gracht (Matth. 12 : 11). Om de hof liggen kamers; deze worden gestut door houten balken; de muren zijn opgetrokken van leemtegels (e). Van de hof liep een trap, die recht naar de bovenverdieping en het dak van de burcht voerde; daarboven was dan de plaats voor den wachter op de muur (ƒ).

leven O.T. 544. Huizen met platte daken binnen de stadsmuur
De meeste huizen in de stad waren klein; met één verdieping; vier wanden op een onderbouw van keien en veldstenen, opgebouwd van leemtegels, gemaakt in tichelvorm (e). De deur was ter zijden begrensd door stenen zijposten (d), een bovendorpel (e) genoemd in Exodus 12 ; 7 en beneden (ƒ) een dorpel (1 Kon. 14 : 17). Wanneer men al een venster (g) had, stelde men zich met één tevreden (Jozua 2 : 18). Een trap (a) leidde naar het platte dak (b). Omdat de huizen dikwijls dezelfde hoogte hebben en tegen elkaar zijn gebouwd, is het gemakkelijk om van het ene dak op het andere te komen (Matth. 24 : 17).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1055-978

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – heemkunde – alle artikelen

.

Rudolf Steiner over heemkunde
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311
.

Klas 3

[1] Heemkunde klas 3
Ambachten, boerderij, huizenbouw
Uit ‘Het binnenste buitenover: lesvoorbeeld hoe je zou kunnen beginnen – Grimm: Pief Paf Polleken; bezoek boerderij, molen, bouwplaats enz.; gedichtjes over graan en bakken; gedichtjes huizenbouw.

[2] Een periode heemkunde in de 3e klas
Martin Stoop
over oude ambachten: hoe de 3e-klasser meer zicht krijgt op het aardse leven; eerst kijken naar wat je begrijpt, later de techniek; op bezoek bij de boer – ploegen – en vele andere ambachten; wat kun je in de klas doen: gedichtjes over dieren (varken, geit); gedichtjes over het zaaien.

[3] Van zoet tot brood
Onbekend over: van graan tot brood; eerbied wekken voor het dagelijks brood.

[4-1] Huizenbouw in de 3e klas (huizenbouwspel)
Onbekend over: waarom heemkunde in de 3e klas: het veranderende kind; de betekenis van ‘huis’; wat er allemaal bij het bouwen komt kijken.

[4-2] Van holen tot paalwoningen
Onbekend over: het wonen in paalwoningen; hoe werden ze gebouwd, waarom; voorbeelden uit de geschiedenis, met illustraties.

[4-3] Huizenbouw in de 3e klas
Tine Timmermans-van Merwijk over: wat kun je de kinderen echt laten beleven: naar het bos: hutten; naar een technische school: metselen; naar een steenfabriek; en in de klas.

[4-4] Huizen bouwen
Frans Geus over: wat er nodig is om een huis te bouwen; activiteit in de klas.

[5] De ambachtenperiode van de 3e klas
Ria Buscop over: ambachten: molenaar, bakker, nettenboetster;  e boer, zaaien, graan, molen; beroepsmensen in de klas.

[5-2] Over de molen
Iets over molentaal; doorsnede van standaardmolen; gedichtjes rond de molen; en extra: gedichtje over de smid.

[6 ] Over ‘hand’elingen
Pieter Witvliet
over: de menselijke hand; samenhang van hand en andere lichaamsdelen met het ontstaan van gereedschappen.

[7] 3e klas heemkunde
M.Brouwer over: de belevingswereld van de 3e-klasser; over de vakken; over heemkunde.

[8] De ploeg in de heemkundeperiode van de 3e klas
Reinhard Ziller:
een uitgebreide geschiedenis van de ploeg; met vele illustraties, waaronder die je zelf met de kinderen zou kunnen maken; ontstaan en gebruik.

[9] Papier maken
Franka Paul
: papier maken met 3e klas: benodigdheden en werkwijze.

Heemkunde: alle artikelen

Ook de vertelstof: het Oude Testament biedt aanknopingspunten voor het heemkunde-onderwijs: het leven in het Oude Testament

3e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

1044-968

.

VRIJESCHOOL – 3e klas: het leven in het Oude Testament (6)

.

JACHT EN VISSERIJ

leven O.T. 291. Jachtnetten (afb. op een monument te Hermel, in Syrië).
Een dier (a) dat bekneld raakt door een slagboom (b) en gevangen kan worden in een jachtnet (c) dat vastgehouden door twee stokken (d) over de kop van het dier kan worden geworpen. In Jesaja 51 : 20 is sprake van een dier (het Hebr. woord kan beduiden: antilope, of naar oudere opvattingen: onyx of wilde os) dat gevangen wordt in zo’n net; de profeet vergelijkt de in onmacht gevallen kinderen ermee, die op straat liggen gelijk een wilde os in het net. Zo’n jachtnet wordt uitgeworpen; de profeet Ezechiël spreekt Gods bedreigingen over Juda en zijn koning uit: Ik zal mijn net over hem heen werpen (Ezech. 12 : 13).

leven O.T. 302. Vogelvangst (Egyptische voorstelling).
Twee Egyptenaren trekken het slagnet (a) dicht waarin grotere en kleinere vogels gevangen zijn.
.
leven O.T. 313. Vissen met de angel (Egypt. voorstelling).
Een visser in lendenschort (a) heeft in de hand een hengelstok (b) waaraan een snoer (e) waaraan de angel is met het lokaas. (Verg. Jes. 19 : 8). Men viste niet alleen in de Nijl, maar ook in daartoe met sluizen afgesloten viswater („lustige staande wateren” Jes. 19 : 10).

leven O.T. 324. Vissers (Egyptische voorstelling).
De rustig voortvloeiende wateren van Egypte waren zeer visrijk; een veel opbrengende visserij was daarvan het gevolg: de Israëlieten in de woestijn behielden daaraan de herinnering („wij gedenken aan de vissen, die wij om niet aten, Numeri 11 : 5). Men ving met de vishaak (angel), men trachtte de vissen te steken met de speer, of men gebruikte een fuik, of een sleepnet. Aan lange touwen (a) werd het net (b) bezwaard met zinkstenen (c) neergelaten en daarna opgetrokken.

leven O.T. 335. Visvangst aan het Meer Gennesareth
Op de achtergrond rijst de rotswand uit het water: hier is het bergland van Golan of Gaulanitis (a). Links zien wij een visser in het water staan; hij staat bij de zegen, waarvan de kurken (b) op het water drijven. Op de voorgrond trekken de vissers de zegen (c) in. Het is bij dit net, dat niet van alle vissen hier en daar een enkele vangt, maar dat over een grote oppervlakte alle vissen omvat, dat het koninkrijk der hemelen vergeleken wordt in Matth. 13 : 47. De vissers waren in de oudheid licht gekleed, ja ze legden hun gewaad af (Joh. 21 : 7); wij lezen van Petrus dat hij zijn kort hemd, zoals nu nog de vissers dragen van zich wierp en in zee sprong.

leven O.T. 346. Visser met het werpnet
(a); een rond net;  ca 4 m. wijd; dat met een zwaai over het water wordt geworpen. (Ezech. 26 : 5; Matth. 4 : 18; Joh. 21 : 6).
.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

1037-962

.

VRIJESCHOOL – 8e klas: alle artikelen

.
Caroline von Heydebrand: over: het leerplan van de 8e klas

Rudolf Steiner over: het leerplan van de 8e klas

Algebra: zie rekenen

Biologie:
Evt. de huid: zie onder tastzin

Geschiedenis: alle artikelen

Meetkunde:
Meetkunde klas 8 t/m 12

[1-1] Regelmatige veelvlakken
Onbekend over: vier-, acht-, twaalf- en twintigvlak; voorbeelden om deze Platonische lichamen te kopiëren.

Natuurkunde
alle artikelen

Nederlandse taal
Een 8ste-klasser
Hoe is een 8-klasser? Literatuur: beschrijvingen leren maken; hoe doe je een boekbespreking; leren luisteren naar elkaar; poëzie; stijlfiguren; dictee; samengestelde zin; synoniemen; homoniemen; dubbelzinnigheid; vergelijkingen; subjectief-objectief;

voorbeelden van opstellen

Rekenen: alle artikelen
rekenraadsels

breinbrekers

Natuurkunde: alle artikelen

Vertelstof: biografieën

.

1022-947

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof – runen

Hoe ziet je naam eruit in runentekens?

Dat vinden de meeste kinderen heel interessant.
En dan zelf maken, natuurlijk.

Er zijn allerlei mogelijkheden:

runentekens

.
Runen
Runen zijn afgeleid van de letters van de alfabetten die rond 200 v. Chr. in Noord-Italië in gebruik waren.
Het Germaanse runenalfabet telde oorspronkelijk vierentwintig letters, maar later werd het aangepast aan de talen van de verschillende gebieden.

De runen waren hoekiger dan hun Italiaanse voorbeelden. Ze werden vooral op hout en steen gebruikt, waarin rechte lijnen makkelijker uit te snijden zijn dan ronde. Het runenalfabet wordt “futhark” genoemd, naar de eerste zes letters:
F,U, D (th), A, R en K.

Runen hadden veel praktische toepassingen. Ze werden gebruikt op graf- en gedenkstenen, maar tevens om wapens en kostbaarheden te merken met de naam van de maker of de eigenaar.

Runen hadden ook magische associaties; het woord betekent zelfs “geheim”. Tacitus beschrijft in hout gekerfde symbolen die voor wichelarij werden gebruikt, en in IJslandse gedichten en sagen wordt dankzij runen genezen, vervloekt en de zege behaald, worden wapens bot gemaakt en bevallingen bespoedigd en laten ze zelfs de doden spreken.

runentekens  1

deze runensteen uit ca.1000 na Chr. staat in het Nationaal Museum in Kopenhagen.

Meer informatie: Wikipedia

Runentekens

Namen in runentekens

Zelf maken

Ze leren lezen

4e klas: vertelstof

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas: Germaanse mythologie

1011-937

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Pericles

Pericles

Pericles ca. 490-429 v. Chr.

Tijdens de Gouden Eeuw van de Griekse democratie koos de Atheense bevolking Pericles meermalen voor hoge functies in de regering. Hij was een arrogant en emotieloos mens, maar iedereen wist dat hij diep geloofde in de democratie en in de vrijheid, die de mensen de kans gaf te denken, leren en scheppen. Dertig jaar lang maakte Pericles deel uit van het bestuur van Athene, dat onder zijn bewind een culturele bloeiperiode doormaakte. Doordat hij de Atheense ideeën overal verbreidde, bereikte de stad ook een hoogtepunt van politieke macht.

Pericles was een zoon uit een rijke en vooraanstaande Atheense familie. Hij trad voor het eerst op de voorgrond toen hij samen met een aantal anderen hervormingen wilde doorvoeren in de al zeer democratische grondwet. Ze wilden de politieke macht van de armen vergroten. Ze stelden voor om alle ambtenaren, van de hoogste tot de laagste leden van de volksvertegenwoordiging, te betalen. Dat was een uitstekende methode om de corruptie voor een deel onmogelijk te maken. Ook de leden van de rechtbank moesten voor hun verdiensten worden betaald. Kort na het aanvaarden van deze nieuwe hervormingen werd Pericles, in 461 v. Chr., gekozen tot een van de strategen (generaals). In die hoedanigheid werd hij vrijwel tot het eind van zijn leven jaarlijks herkozen.

In de tijd dat Pericles voor het eerst een regeringspositie bekleedde, was de onafhankelijke stad-staat Athene, samen met andere Griekse stad-staten, lid van de Delisch-Attische Bond. Dit bondgenootschap was tot stand gebracht om een eenheid te vormen tegen de overweldigende macht van het Perzische Rijk. Van alle steden in Griekenland had Athene de enige grote vloot, dus werden de meeste gevechten door Athene geleverd. De andere leden van de bond betaalden bijdragen. Het was niet verbazingwekkend, dat Athene de Delisch-Attische Bond geleidelijk aan begon te beheersen. Andere leden werden meer als vazalstaten dan als bondgenoten behandeld.

Pericles wilde Athene tot de politieke en culturele leider van de Griekse stad-staten maken. Door middel van het bondgenootschap verwierf hij de politieke macht. Om de culturele leiding te krijgen, liet hij een enorm bouwprogramma ten uitvoer brengen. In 480 v. Chr. hadden de Perzen de stad Athene geplunderd. Alle tempels die toen waren verwoest, liet hij herbouwen. De belangrijkste bouwplaats was de Acropolis. Er was een schitterende poort, de Propylaeën en een prachtige aan de godin Athene gewijde tempel, die later het Parthenon werd genoemd. Ook werd er een kleine tempel gewijd aan de godin van de overwinning, Nikè. Om deze en andere kostbare gebouwen te betalen, liet Pericles de schatkist van de Delisch-Attische Bond naar Athene brengen. De machtige stad-staat Sparta, ten zuiden van Athene, leverde heel wat meer problemen op dan de zwakke bondgenoten. Sparta was in het verleden even machtig geweest als Athene. Maar na de Perzische aanvallen tussen 490 en 480 v. Chr. was Sparta ernstig verzwakt. De stad had geen vloot waarmee de strijd kon worden voortgezet. De Spartanen verzetten zich tegen de groeiende Atheense macht en weigerden zich bij de Delisch-Attische Bond aan te sluiten en ze schonken geen geld voor de tempels. In plaats daarvan vormde Sparta een eigen bondgenootschap met de stadstaten die rond Sparta op de Peloponnesus lagen. Toen Athene probeerde haar invloed tot dit gebied uit te breiden, ontstond er tussen de twee staten een conflict. Na een aantal schermutselingen tussen de twee kampen sloten Sparta en Athene een overeenkomst. Het rijk van Athene moest beperkt blijven tot de eilanden en de Griekse steden overzee.  Het rijk van Sparta zou de steden op het vasteland en wel in het bijzonder die op de Peloponnesus omvatten.
Na het sluiten van dit verdrag volgden er vijftien  jaren van vrede, de enige vrede die Athene tijdens het leven van Pericles meemaakte. De inwoners hadden de vrijheid om te genieten van de meest creatieve en intellectueel stimulerende periode uit de hele geschiedenis.

De culturele vooruitgang zette zich tot in de volgende eeuw voort. Maar met de vrede was dat echter niet het geval. Tegen 431 v. Chr. ontstonden er grote spanningen tussen Athene en Sparta en er braken gevechten uit, die uiteindelijk uitliepen op de bittere en desastreuze Peloponnesische Oorlog. De Atheense vloot was oppermachtig en Pericles besloot de oorlog op zee uit te vechten. Hij liet alle Atheners naar de stad komen om hen achter de muren tegen het landleger van Sparta te beschermen. Maar het overbevolkte Athene werd zwaar getroffen door een pestepidemie. Duizenden bewoners stierven een ellendige dood. Niet lang daarna stierf Pericles zelf. De oorlog sleepte zich, met tussenpozen van vrede, nog 28 jaar voort. Uiteindelijk won Sparta. In de 4e eeuw v. Chr. herkreeg Athene voor korte tijd de macht. Uiteindelijk moest de stad zich, samen met de rest van Griekenland, overgeven aan de oprukkende legers van Philippus van Macedonië. Dit was in 338 v. Chr.

Andere naties hebben het veel langer volgehouden en waren rijker en machtiger dan het Athene van Pericles. Maar alles wat daarvan is overgebleven, zijn ruïnes, kunstvoorwerpen en onvolledige verslagen. Van Athene bleef veel meer bewaard. Het leeft voort, doordat het nog steeds invloed uitoefent op de regeringsvormen over de hele wereld. De reden is waarschijnlijk, dat Athene de eerste staat was die door het volk zelf werd geregeerd. En dat idee was te machtig om vernietigd te kunnen worden.

AtheneTerwijl Pericles Athene tot ontwikkeling bracht, werden er vele theaters zoals deze gebouwd. Dit theater had een van de eerste podiums ter wereld en bood plaats aan 14.000 toeschouwers. Het heeft een buitengewone akoestiek.

Athene 1De Acropolis, die Pericles liet bouwen. Vandaar heeft men een schitterend uitzicht over de tegenwoordige stad Athene. Het belangrijkste gebouw van de Acropolis is het enorme en smaakvolle Parthenon. Deze tempel werd gebouwd ter ere van de godin Pallas Athene. De tempel Erechteion was gewijd aan Athene Polias en Poseidon en genoemd naar de held Erechteus. Uiterst links op de foto de Propylaeën (poorthuis).

5e klas geschiedenis: alle artikelen

vertelstof: alle biografieën

vrijeschool in beeld: 5e klas geschiedenis: Griekenland

1008-934

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (17)

opspattend grind

‘GEZONDMAKEND ONDERWIJS’

Buikpijn door stress van school

ZWOLLE. Spanningen op school veroorzaken vooral in november en maart bij kinderen hoofdpijn, buikpijn en gewrichtsklachten. In die maanden kloppen fors meer leerlingen aan bij het ziekenhuis.

Dat kinderziektes zoals bronchitis en astma vooral tijdens de maanden voorkomen die eindigen op de ‘r’„ was bekend. Nu blijken ook klachten als hoofdpijn, migraine, buikpijn, vermoeidheid en gewrichtspijnen seizoensafhankelijk te zijn.

Dat stellen onderzoekers van het Amalia Kindercentrum in Zwolle. Zij spitten de patiëntdossiers van meer dan vijftigduizend kinderen tot 18 jaar door. Ze analyseerden met welke klachten de patiënten in het ziekenhuis kwamen en in welke maand. De onderzoekers zagen zes jaar achter elkaar een piek in november en maart van het aantal kinderen met onder meer buikpijn en hoofdpijn. Terwijl de spreekuren van de kinderartsen tijdens de zomermaanden juist opvallend rustig waren.

De kinderen krijgen gezondheidsklachten door spanningen op school, verklaren de onderzoekers. Want bij patiënten tussen o en 4 jaar ontbreken die seizoenspieken. „We zien de klachten echt bij schoolgaande kinderen”, concludeert Jolita Bekhof, een van de onderzoekers.

Maar waarom kloppen kinderen juist in november en maart bij de kinderartsen aan? „Stress bouwt zich op”, verklaart Bekhof. „Tijdens de zomermaanden zijn ze ontspannen. In november krijgen leerlingen meestal hun eerste rapport of horen ze of ze het gewenste niveau halen.” Ze krijgen zoveel stress dat ze ruim 13 procent vaker met klachten naar het ziekenhuis komen. Hét aantal jonge patiënten is in maart zelfs 34 procent hoger. „Dan merk je dat leerlingen stressen over de vraag of ze hun examen wel gaan halen of dat ze over mogen naar de volgende klas”, aldus Bekhof.

Het Amalia Kindercentrum wil aanvullend onderzoek doen naar eventuele andere oorzaken. Want school is niet de enige factor die stress bij kinderen veroorzaakt, zo beseffen de onderzoekers. Bekhof: „Je ziet dat soms andere problemen spelen. Sommige ouders vragen bijvoorbeeld veel van hun kinderen, zonder dat ze het zelf door hebben. Dat kan ook meespelen.”

Eindhovens Dagblad 19-12-2015

Rudolf Steiner:
Ik zou u er allereerst op willen wijzen dat heel onze vrijeschoolpedagogie een therapeutisch karakter draagt. Heel de onderwijs- en opvoedingsmethode zelf is er op gericht dat deze een gezondmakende (gesundend) invloed op het kind heeft. Dat betekent wanneer je de pedagogische kunst zo vormgeeft dat op ieder ogenblik in de ontwikkeling van de menswording van het kind het juiste wordt gedaan, dat dan  in de opvoedkunst, in het pedagogisch omgaan met de kinderen iets gezondmakends zit.

Rudolf Steiner: gezondmakend onderwijs

opspattend grind: alle artikelen

1007-933

VRIJESCHOOL – 8e klas – geschiedenis – alle artikelen

[1] Industriële revolutie
Uit ‘IJzeren engelen’ over: ontwikkeling stoommachine; Newcomen, Smeaton, Savery, Trevithick, James Watt

[2] Industriële revolutie
Uit ‘IJzeren engelen’ over: verdere ontwikkeling stoommachine; Papi, Roebuck, Boulton, Murdock, James Watt (2); ijzer door de eeuwen heen; zwaard; Germaanse helden met zwaard; ontstaan kanon;

[3
Onbekend
over: Newcomens stoommachine als voorloper; Heron van Alexandrië; Savery; Hargreaves’ spinning jenny; schietspoel John Kay;   Cromptons spinning mule; Arkwrights water frame; James Watt; daarvan afbeeldingen

.

Biografieën: James Watt

1003-929

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Darius l

.

Darius I   

ca. 584-486 v. Chr.

De geschiedkundigen zijn het er niet over eens welke van de heersers uit het geslacht van de Achaemeniden in het Perzische Rijk de meeste betekenis heeft gehad. Velen vinden dat het Cyrus I, ‘Cyrus de Grote’, was. Hij stichtte een enorm rijk, het grootste dat de wereld tot die tijd had gekend. Hij was een befaamd krijgsman en hij werd door zijn volk aanbeden. Maar andere geschiedkundigen houden vol dat Darius I nóg machtiger was. Hij breidde het rijk uit tot in Europa en India en organiseerde het zo doeltreffend, dat het na zijn dood nog tweehonderd jaar bleef bestaan. Er kwam pas door toedoen van Alexander de Grote een einde aan.

In 522 v. Chr. werd Darius, na de dood van Cyrus en zijn zonen, tot koning verkozen. Hij liet het verhaal over zijn troonsbestijging graveren in een hoge rots in de buurt van het dorp Bisoetoen in het tegenwoordige Irak. Hij deed dit waarschijnlijk om elke twijfel over zijn recht op de troon weg te nemen. De meeste geschiedkundigen menen, dat het de waarheid is. Volgens Darius bestemde Cyrus zijn troon voor zijn oudste zoon Cambyses. Er was echter de voorwaarde aan verbonden, dat zijn jongere zoon Bardja een aantal van de oostelijke provincies moest besturen. De wrede Cambyses was jaloers op zijn populaire broer. Nadat hij koning was geworden, liet hij Bardja vermoorden. Dat gebeurde vlak voordat hij tegen Egypte optrok, om dat land te veroveren. Cambyses slaagde erin Egypte bij het rijk in te lijven. Hij vervulde daarmee de laatste wens van zijn vader. Op de thuisreis kreeg hij te horen, dat iemand die een sterke gelijkenis met Bardja scheen te hebben, de macht had gegrepen en veel steun kreeg.

Cambyses kwam niet lang daarna om het leven en liet de troon leeg achter. Darius was toen lid van de lijfwacht van Cambyses. Hij en zes andere jonge edelen wantrouwden de overweldiger. Ze slaagden erin het koninklijk paleis binnen te dringen en hem daar te vermoorden. Darius behoorde tot het geslacht van de Achaemeniden, waartoe ook Cyrus behoorde. Hij beschouwde zich als de rechtmatige troonopvolger en nam de macht in handen.

Als voorzorgsmaatregel tegen toekomstige wanorde reorganiseerde Darius het bestuur van zijn rijk. Onder het oude bestuur, dat van de Assyriërs was overgenomen, werd elke provincie door een satraap (gouverneur) bestuurd. Er was maar weinig controle en dat maakte het eenvoudiger om te rebelleren. Darius loste het probleem op door drie officiële ambtenaren aan het hoofd van elke vazalstaat of provincie te stellen: een satraap, een generaal en een minister. Ze waren onafhankelijk van elkaar en brachten ieder direct aan de koning verslag uit. Elke provincie werd met onregelmatige tussenpozen door inspecteurs bezocht. Op belangrijke plaatsen stationeerde Darius regeringsgetrouwe troepen, wat als voorzorgsmaatregel erg goed bleek te werken.

Darius verstevigde het centraal gezag door het vervoer en de handel binnen het rijk te verbeteren. Hij bouwde een koninklijke weg, die liep van Susa in Perzië tot aan Sardis in Klein-Azië. Er kwamen standaardmaten en gewichten.

Net als Cyrus moedigde Darius de plaatselijke bevolkingen binnen het rijk aan, hun eigen gewoonem taal en godsdiensten in stand te houden. In Egypte restaureerde hij bijvoorbeeld de aan de god Amon gewijde tempel. Hij gaf de plaatselijke satraap opdracht met de priesters samen te werken om de Egyptische wetten in een wetboek vast te leggen. De Griekse steden in Klein-Azië, dat toen door de Perzen werd beheerst, kregen speciale privileges voor het bouwen van heiligdommen. De Hebreeërs waren tijdens de regering van Cyrus naar hun land teruggekeerd. Ze kregen van Darius toestemming in Jeruzalem de tempel te herbouwen. Het was waarschijnlijk ook door toedoen van Darius, dat in Perzië de leer van Zarathoestra als staatsgodsdienst werd ingevoerd. Darius liet twee nieuwe hoofdsteden bouwen: een regeringsstad in Susa en een koninklijke residentie bij Persepolis. Hij maakte daarbij gebruik van de ideeën en vaardigheden van veel van de verschillende mensen die in zijn rijk woonden. Beide steden werden gekenmerkt door een nieuwe stijl, die ontstond door de vermenging van uitheemse invloeden en de oorspronkelijke vormen.

Een van de weinige fouten die Darius tijdens zijn zeer succesvolle koningschap maakte, werd uitgelokt door de Grieken. Het gebeurde aan het einde van zijn leven. De Griekse stad-staten Athene en Eretria hadden opstanden in de door de Perzen beheerste Griekse steden in Klein-Azië ondersteund. Darius stuurde in 492 v. Chr. zijn vloot om de twee steden te straffen. De vloot verging echter in een storm bij de berg Athos. Twee jaar later versloeg een Perzisch leger Eretria, maar verloor in de veldslag bij Marathon van het leger van Athene. Terwijl Darius zich voorbereidde op een derde aanval, kwamen op hun beurt de Egyp-tenaren in opstand. Hierdoor kon Darius geen aandacht meer aan Griekenland schenken. Hij stierf voordat hij kon terugkeren. Zijn zoon Xerxes hervatte de strijd van zijn vader, maar ook hij werd door de Grieken verslagen. Dat gebeurde in de zeeslag bij Salamis.

Hoewel na de dood van Darius de macht van de Perzen begon af te nemen, bestond het rijk nog bijna twee eeuwen. Het werd uiteindelijk in 331 v. Chr. door Alexander de Grote veroverd. Na de dood van Alexander werd Perzië achtereenvolgens door de Seleuciden, de Parthen en de Sassaniden geregeerd. De Sassaniden waren oorspronkelijk Perzen, die vanaf 224 v. Chr. de traditie van de Achaemeniden in ere herstelden. Ze bouwden een nieuw rijk op, dat alle gebieden tot aan de grens van Egypte omvatte. Bij Ctesiphon werd een prachtige nieuwe hoofdstad gebouwd. In 637 na Chr. begon de verovering van het rijk door de Arabieren. De islam werd in Perzië ingevoerd en later bracht men zeer veel schitterende islamitische kunst en architectuur voort. De Arabieren legden samen met de Achaemeniden de basis voor de tegenwoordige staat Iran.

Darius

Een afbeelding van Darius, die audiëntie verleent aan een priester. Het staat op een reliëf uit Persepolis. Dit beeldhouwwerk werd gemaakt toen Darius op het toppunt van zijn macht stond. Zijn opvolger, Xerxes, staat achter de troon af-gebeeld.

Vertelstof: alle biografieën

5e klas geschiedenis: alle artikelen

1001-928