VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf (GA 88)

.

Uit de voordrachten
GA 34    GA 52    GA 53   GA 54   GA 55   GA 56   GA 57    GA 58    GA 59   GA 88
nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam. Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit
GA 34   GA 52    GA 53   GA 54   GA 55   GA 56   GA 57   GA 58   GA 59
over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.

In deze artikelen vind je opmerkingen over het astraallijf:
GA 34   GA 52   GA 53   GA 54   GA 55   GA 56   GA 57   GA 58   GA 59

Over de astrale wereld

In GA 88, voordracht 1, benadert Steiner de mens meer vanuit ‘de wereld’: voor het fysieke lichaam vanuit de fysieke wereld; voor het astraallijf vanuit de astrale wereld. Daar komen we weer de begrippen ‘lust’ en ‘onlust’ tegen, maar we weten inmiddels dat het om ook andere gevoelens gaat, zoals je hier verder uitgewerkt vindt, doordat er verschillende vertalingen van zijn gegeven.

We worden dus geconfronteerd met een wereld die in ons werkzaam is, maar ook een die zich, zoals de fysieke wereld, om ons heen bevindt, maar die wij – als niet begiftigd met vermogens om het bovenzinnelijke te kunnen waarnemen – niet kunnen zien.

Vaak haalt Steiner de filosoof Fichte aan, die de mens, die niet in de ‘andere’ werelden kan kijken, vergelijkt met iemand die blind is en dus de hem omringende wereld niet kan zien, maar die dat wél kan, nadat hij is geopereerd aan zijn ogen. De mensen die al konden zien, a.h.w. ‘zieners’ waren, konden aan deze blinde mededelingen doen over wat deze blinde mens zelf niet kon zien, maar wél begrijpen kon.
Zo geeft Steiner ons dus oefeningen om ook ‘ziende’ te kunnen worden in die wereld waarvoor we nu blind zijn en tegelijkertijd doet hij er zelf mededelingen over die wij kunnen begrijpen, of wellicht ook niet of niet zo makkelijk.
Zo bijv.  GA 10  Vertaald: De weg tot inzicht in hogere werelden‘   

Aan het begin van voordracht 1 maakt hij een andere vergelijking – wellicht ervaar je dat als enigszins kleinerend – d.w.z. ik voel me wel wat vergeleken met die slak:

GA 88

Über die astrale Welt und das Devachan
Over de astrale en de mentale wereld

Voordracht 1, Berlijn 28 oktober 1903

Das Mysterium von Geburt und Tod
Het mysterieuze van de geboorte en de dood

Blz. 19

Wenn eine Schnecke durch einen Saal kriechen würde, in dem Beethovens Neunte Symphonie gespielt wird, so vernähme die Schnecke wohl nichts von alle dem, wovon die Menschen, die in demselben Saale sich befinden, in die schönsten Empfindungen versetzt werden. Die Töne der Symphonie drücken sich in den Luftwellen des Saales aus, diese Luftwellen verbreiten sich nach allen Seiten; sie sind der äußere Ausdruck des herrlichen Tonzusammenzuhanges. Dieser Tonzusammenhang geht durch den Organismus der Schnecke ebenso wie durch den Organismus des Menschen. In den Menschen ruft er Empfindungen der höchsten Art hervor, die Schnecke bleibt davon unberührt. Sie ist in demselben Medium, in demselben schwingenden Tongewoge darin wie der Mensch, sie weiß aber nichts von dem, was um sie her vorgeht. Eine Welt ist um sie herum, und sie ist in dieser Welt, sie hat aber keine Ahnung von dieser Welt. Und dennoch, diese Welt des Tongewoges ist nicht an einem anderen Ort, an dem sich die Schnecke nicht befindet, sondern an demselben Ort, an dem auch alles dasjenige ist, was die Schnecke braucht.

Wanneer er een slak door een zaal zou kruipen waarin de 9e symfonie van Beethoven wordt gespeeld, dan zou de slak waarschijnlijk niets meekrijgen van alles wat de mensen die zich in diezelfde zaal bevinden met de fijnste gevoelens ondergaan. De klanken van de symfonie drukken zich uit in de luchtgolven in de zaal, ze gaan naar alle kanten; het is de uiterlijke uitdrukking van deze heerlijke klankharmonieën. Dat gaat ook door het organisme van de slak heen, net zo als bij de mens. In de mens roept het de meest intense gevoelens op – het raakt de slak niet. Die bevindt zich in hetzelfde medium, in dezelfde vibrerende geluidsgolven als de mens, maar de slak weet niets van wat er zich om hem heen afspeelt. Er bevindt zich een wereld om hem heen, hij is in die wereld, maar hij heeft er geen flauw vermoeden van. En ondanks dat, deze wereld van tonen bevindt zich niet op een plaats waar de slak niet is, maar op dezelfde plaats, waar zich ook alles bevindt wat de slak nodig heeft.

Der Raum, in dem die Schnecke sich befindet, ist also ausgefüllt von den Tatsachen, die die Schnecke wahrnehmen kann, er ist aber auch ausgefüllt von einer Summe von Tatsachen, die die Schnecke nicht wahrnehmen kann. Wir haben damit festgestellt, daß um ein Wesen herum Erscheinungen leben können, ohne daß das Wesen eine Ahnung davon hat, und wir können die Frage aufwerfen, ob wir Menschen nicht vielleicht auch in einer Welt leben, die angefüllt ist von Tatsachen und Erscheinungen, von denen wir zunächst nichts wahrnehmen, von solchen Tatsachen und Erscheinungen, die sich zu unserer Welt so verhalten wie das Tongewoge der Neunten Symphonie zu dem, was eine Schnecke wahrzunehmen vermag. Die Frage muß

De ruimte waarin de slak zich bevindt, is vol met dingen die de slak kan waarnemen, maar er bevindt zich ook van alles wat de slak niet kan waarnemen.
Daarmee hebben we vastgesteld dat er om een wezen verschijnselen kunnen zijn, zonder dat het wezen daar een flauw vermoeden van heeft. We kunnen nu de vraag stellen of wij mensen wellicht niet ook in een wereld leven die gevuld is met feiten en verschijnselen waarvan we ons aanvankelijk niet bewust zijn, van feiten en verschijnselen die zich op dezelfde manier tot de wereld verhouden als het geluid van de 9e symfonie tot wat een slak kan waarnemen. Het moet

Blz. 20

uns also berühren, ob dasjenige, was wir in einem Ruume, in dem wir sind, empfinden und wahrnehmen, alles ist, was in unserer Umgebung vorkommt. Es könnten ja Tatsachen in unserer Umgebung sein, die für uns einfach deshalb nicht da sind, weil wir die Organe für die Wahrnehmung dieser Tatsachen nicht ausgebildet haben. Es könnten ja Wesen in unserer Welt sich befinden oder wir Menschen selbst könnten durch Entwicklung uns zu Wesen ausbilden, die imstande sind, noch weitaus anderes wahrzunehmen als das, was in unserer Welt um uns ist. Es könnte vergleichsweise ein ähnliches Verhältnis bestehen zwischen mehr oder minder entwickelten Menschen, wie zwischen der Schnecke und den Menschen. Das ist die Frage, welche in uns Vermutung über Vermutung erwecken muß über die uns umgebenden unbekannten Welten, und das ist auch die Frage, welche durch die theosophische Bewegung beantwortet werden soll. Es ist im wesentlichen die Aufgabe der theosophischen Bewegung, uns bekanntzumachen mit Welten, die uns täglich und stündlich umgeben, mit Welten, innerhalb derer wir leben, von denen wir aber unter gewöhnlichen Verhältnissen nichts wissen.

er ons bij de vraag om gaan of dat, wat er in een ruimte waarin wij ons bevinden, ervaren en waarnemen, alles is, wat er in onze omgeving aanwezig is. Er zouden dingen in onze omgeving kunnen zijn die er voor ons simpelweg niet zijn, omdat we voor het kunnen waarnemen van deze dingen, geen organen hebben ontwikkeld. Er zouden zich in onze wereld dus wezens kunnen bevinden of wij mensen zelf zouden door ontwikkeling ons tot wezens kunnen ontwikkelen, die in staat zijn nog veel andere dingen waar te nemen dan wat er in onze wereld om ons heen is. Er zou als vergelijking net zo’n relatie kunnen bestaan tussen meer of minder ontwikkelde mensen, zoals tussen de slak en de mens.
Dat is de vraag die bij ons het ene vermoeden na het andere moet doen ontstaan over de werelden die ons omringen, maar ons onbekend zijn en dat is ook een vraag die door de antroposofische beweging beantwoord moet worden.
Steiner zegt hier theosofische, maar door zijn latere overgang naar antroposofie, heb ik hier (en elders) antroposofisch vertaald.
In wezen is het eigenlijk de opdracht van de antroposofie ons bekend te maken met werelden die ons elke dag en elk uur omringen, met werelden waarbinnen we leven, waarvan we, onder normale omstandigheden echter geen weet hebben.

Nicht mit Welten, die jenseits der unsrigen liegen, will uns die Theosophie bekanntmachen, nicht mit Welten, die an uns unzugänglichen Orten zu finden sind, sondern mit denjenigen Welten, die in unsere Welt fortwährend hereinragen, die uns immer umgeben, die uns aber unbekannt bleiben, weil unsere Organe dafür nicht aufgeschlossen sind. Zunächst können wir von diesen Welten nur sprechen. Wir können auf sie nur hindeuten und dazu auffordern, teilzunehmen an denjenigen Arbeiten, durch welche sich dem Menschen die Sinne erschließen zu diesen höheren Welten, so daß er diese höheren Welten wahrzunehmen vermag, so wie er heute nur die gewöhnliche Welt wahrzunehmen imstande ist. ( )
Sie wird sich uns zeigen als eine Welt, die nicht fern von uns ist, die überall ist, wo wir uns befinden. In dem Räume, in dem wir uns gegenwärtig befinden, ist

De antroposofie wil ons niet bekendmaken met werelden die buiten ons liggen, niet met werelden die te vinden zijn op plaatsen die voor ons ontoegankelijk zijn, maar met die werelden die zich voortdurend tot in de onze uitstrekken, die ons steeds omringen, die ons echter onbekend blijven, omdat onze organen er niet voor open staan. In eerste instantie kunnen we over deze werelden alleen maar spreken. We kunnen er alleen op wijzen en u uitnodigen deel te nemen aan die activiteiten waardoor de zintuigen voor die hogere werelden zich voor de mens openen, zodat hij deze hogere werelden kan gaan waarnemen, net zoals hij nu de gewone wereld kan waarnemen. De astrale wereld zal zich aan ons voordoen als een wereld die niet ver van ons vandaan is, die overal is, waar wij zijn.
In de ruimte waarin we ons in deze tijd bevinden, is ze

Blz. 21

sie geradeso wirklich wie die Welt, die Sie sehen. Die astrale Welt ist eine höhere Welt, welche mit ihren Erscheinungen die Welt, in der Sie sich befinden, genauso durchwogt und durchwellt, wie das Symphonie-Tongewoge die Welt der Schnecke durchwogt, von ihr aber nicht wahrgenommen wird. Also wir sprechen nicht von etwas, was außerhalb unserer Welt zu finden ist, sondern wir sprechen von etwas, was unsere Welt in jedem Punkte ihres Daseins durchsetzt. Die theosophische Anschauung lehrt uns verschiedene solcher Welten erkennen; sie lehrt uns zunächst diejenige Welt erkennen, welche uns aus dem alltäglichen Leben bekannt ist: die physische Welt – diejenige Welt also, welche jeder Mensch mit seinen Sinnesorganen zu empfinden imstande ist, die Welt, die wir sehen, hören, riechen, schmecken, greifen, die Welt, in der wir die Naturgegenstände, die Mineralien, die Pflanzen und die Tiere finden. Diese Welt wird durchsetzt, durchgeistigt, wenn ich mich so ausdrücken darf, von einer höheren Welt, von der sogenannten Astralwelt, die wir nun kennenlernen wollen.

net zo werkelijk als de wereld die wij zien. De astrale wereld is een hogere wereld die met zijn verschijningsvormen de wereld waarin we ons bevinden net zo vervult en doorstroomt als de golf van symfonische tonen die door de wereld van de slak heengaat, maar door deze niet wordt waargenomen. We hebben het dus niet over iets wat buiten onze wereld te vinden is, maar over iets dat onze wereld op elk punt van haar bestaan doordringt. De antroposofische opvatting leert ons verschillende van die werelden kennen; allereerst die wereld die we uit het dagelijkse leven kennen: de fysieke wereld – dus die wereld die ieder mens met zijn zintuigorganen kan ervaren, de wereld die wij zien, horen, ruiken, proeven, aanraken, de wereld waarin we de natuurlijke voorwerpen, de mineralen, de planten en de dieren vinden. Deze wereld wordt doortrokken, met geest doortrokken als ik me zo mag uitdrukken, door een hogere wereld, door de zogenaamde astrale wereld die we nu willen leren kennen.

Genauso, wie sich eine Flüssigkeit mit einer anderen, feineren Flüssigkeit mischt, so daß die eine Flüssigkeit die andere in allen Teilen durchsetzt, so durchsetzt die astrale Welt unsere Welt des Physischen; und diese astrale Welt ist wiederum durchsetzt von einer noch höheren Welt, welche wir die mentale Welt nennen, das ist die eigentliche geistige Welt. So sind drei Welten ineinandergefügt, die eine immer die andere durchsetzend, von denen der Mensch mit seinen gegenwärtigen Organen aber nur die physische Welt wahrnimmt. Allmählich den Sinn aufzuschließen für die unsichtbaren und unter gewöhnlichen Umständen unhörbaren Welten, das ist die Aufgabe der Theosophie. Was ist die astrale Welt? Wenn wir von der astralen Welt sprechen, so kommen wir am schnellsten dadurch zum Verständnis, wenn wir innerhalb all der Weltanschauungen, die außer dem Physischen noch ein Geistiges erkannt haben, diejenigen aufsuchen, in welchen von der Astralwelt und ihrer Beziehung zum Menschen gesprochen wurde. Auch die christliche Weltanschauung kennt diese Astralwelt. In den ersten Jahrhunderten des Christentums hat man

Net zoals een vloeistof zich vermengt met een andere fijnere vloeistof, zodat de ene vloeistof de andere in al zijn delen doordringt, zo doordringt de astrale wereld onze fysieke wereld; en deze astrale wereld is op zijn beurt weer doortrokken door een nog hogere wereld die wij de mentale wereld noemen, dat is de eigenlijke geestelijke wereld.
Zo zijn drie werelden met elkaar verbonden, waarbij de een de ander steeds versterkt, waarvan de mens met zijn huidige organen alleen de fysieke wereld waarneemt.
De taak van de antroposofie is om geleidelijk het gevoel van de onzichtbare en onder normale omstandigheden ook onhoorbare werelden te ontsluiten.
Wat is de astrale wereld?
Wanneer we over de astrale wereld spreken, komen we het snelst tot begrip wanneer we binnen alle wereldbeschouwingen die behalve het fysieke ook het geestelijke kennen, op te zoeken bij welke over de astrale wereld en de relatie met de mens wordt gesproken.
Ook de christelijke wereldbeschouwing kent de astrale wereld. In de eerste eeuwen van het christendom heeft men

Blz. 22

bei dem Menschen nicht bloß zwei Naturen unterschieden, wie später und oberflächerlicher: Körper und Seele, sondern man unterschied drei: Körper, Seele und Geist. Seele und Geist hat man in allen tieferen Weltanschauungen seit Urzeiten immer als die Bestandteile des Menschen angesehen. ( )
Die körperliche Natur ist bekannt. Unter der seelischen Natur verstand man in allen tieferen Religionen und Weltanschauungen das, was wir in der theosophischen Weltanschauung das Astrale nennen. Unter dem Ausdruck «Geist» verstand man das eigentlich Ewige der Natur des Menschen. Körper, Seele und Geist machen die dreifache Natur des Menschen aus.

bij de mens niet alleen maar twee naturen onderscheiden, zoals later en oppervlakkiger: lichaam en ziel, maar men onderscheidde er drie: lichaam, ziel en geest. Sinds de oudheid zijn ziel en geest in alle diepere wereldbeschouwingen altijd gezien als wezensdelen van de mens. ( )
De lichamelijke natuur is bekend. Onder de zielennatuur verstond men in alle diepere religies en wereldbeschouwingen dat wat wij in de antroposofische wereldbeschouwing het astrale noemen. Onder de uitdrukking ‘geest’ verstond men het eigenlijk eeuwige van de mensennatuur. :Lichaam, ziel en geest vormen de drievoudige natuur van de mens.

Steiner heeft vaak het Concilie van Constantinopel genoemd waarop in 869 de geest werd afgeschaft, o.a. in GA 293: voordracht 3, op deze blog gesproken.

Nadat Steiner uitvoerig over het fysieke lichaam heeft gesproken,. vervolgt hij over de astrale wereld:

Blz. 24

Das führt uns dahin einzusehen, daß dieser physikalisch und chemisch aufgebaute Körper, weil er in nur physikalischer und chemischer Beziehung eine Unmöglichkeit ist, durchlebt und durchströmt sein muß von einem höheren Prinzip, welches das niedere durchorganisiert, durchseelt und durchlebt. Das nächste Prinzip, das unseren Körper durchseelt und durchlebt, ist das, was bewirkt, daß seine Teile nicht schon bei Lebzeiten auseinanderfallen; und das, was das bewirkt, nennen wir das astrale Element im Menschen.

Dit brengt ons ertoe te zien dat dit fysiek en chemisch geconstrueerde lichaam, omdat het alleen in fysieke en chemische termen een onmogelijkheid is, [zonder leven is het nl. een lijk!] doorleefd en doorstroomd moet worden door een hoger principe dat het lagere grondig organiseert, bezielt en doet leven. Het volgend fundamentele dat ons lichaam doorzielt en doorleeft, is wat als werking heeft dat de delen niet al tijdens het leven uit elkaar vallen; en wat daarvoor zorgt, noemen wij het astrale element in de mens.

Wanneer je dit leest, schrik je even, want we hadden nu net gezien dat dat ‘volgend fundamentele’ door Steiner ‘etherlijf wordt genoemd.
Dat komt omdat deze voordracht vooral gaat over lichaam, ziel en geest; Steiner stapt hier van lichaam naar ziel, wat zal blijken.

 Wir können ganz genau sagen, was das astrale Element im Menschen ist. Es ist das, was alle Menschen, die ein solches Element in sich haben, dazu veranlaßt, in sich etwas geschehen zu lassen, was wir im weitesten Sinne mit Lust und Unlust bezeichnen. Lust und Unlust ist etwas, was in unserem Körper und in den Körpern, welche in astraler Beziehung uns ähnlich sind, auftritt und was nicht bewirkt werden kann durch die chemischen und physikalischen Stoffe.

We kunnen vrij precies zeggen wat het astrale element in de mens is. Het zorg ervoor dat bij alle mensen die dit wezenlijke deel in zich hebben er iets gebeurt wat wij in de ruimste zin als lust en onlust kunnen bestempelen. [In de artikelen ‘Rudolf Steiner over het astraallijf’ vind je veel meer karakteriseringen bij ‘lust en onlust’: zie1-7-2/4-2

Nehmen Sie einen Kristall oder irgendeine andere aus chemischen Stoffen zusammengesetzte physische Substanz. Alles kann mit ihm vorgehen, was sonst im Physischen vorgeht, nicht aber Lust und Unlust. Das ist nur im Menschen selbst zu finden und in denjenigen Wesen, die so wie der Mensch organisiert sind. Diese Wesen sind durchsetzt von einem Elemente, welches Lust und Unlust empfinden kann. Wenn Sie einen Stein stoßen, so wird er weiterfliegen oder irgendwo auffallen und einen Eindruck machen. Wenn Sie ein solches Naturobjekt in dieser oder in einer anderen Weise beeindrucken, so können Sie das von außen sehen; sie können es sogar einem Vorgang unterwerfen, der es zerstört, aber es wird nie Lust oder Unlust empfinden. Lust und Unlust reichen so weit, wie die astrale Welt reicht. Und genauso, wie ich durch die in mir sich vollziehenden Prozesse chemischer und physikalischer Art der äußeren Welt angehöre, so habe ich wirklich und real alle die verschiedenen Nuancen von Lust und Unlust in mir, und durch diese verschiedenen Nuancen und Erscheinungen von Lust und Unlust gehöre ich einer Welt an, die unsere körperliche Welt durchsetzt und durchseelt und die ebenso außer mir ist und was uns fortwährend durchzieht und durchgeistigt.

Neem eens een kristal of een of ander uit chemische stoffen samengestelde fysieke substantie. Daar kan van alles mee gebeuren wat normaliter in de fysieke wereld voorvalt, maar er is geen lust en onlust. Die zijn alleen in de mens zelf te vinden en in de wezens die zoals de mens hun organisatie hebben. Deze wezens zijn doortrokken door een element dat lust en onlust kan ervaren. Wanneer je tegen een steen stoot, zal deze verder rollen of ergens vanaf vallen en een afdruk maken. Wanneer je op zo’n natuurvoorwerp druk uitoefent, kan je dat vanbuiten zien; je kan er zo mee omgaan dat je het vernielt, maar het zal nooit lust of onlust ervaren. Lust en onlust zijn er zo veel als de astrale wereld reikt. En net zoals ik door de processen in mij die van chemische en fysische aard zijn, bij de uiterlijke wereld hoor, heb ik echt en werkelijk al de verschillende nuances van lust en onlust in mij en door deze verschillende nuances en verschijnselen van lust en onlust behoor ik tot een wereld die onze fysieke wereld doordringt en bezielt en die net zo buiten mij is als in mij.

Blz. 25

Im Raume ist nicht nur Luft, die das körperliche physische Leben unterhält, sondern der Raum ist auch durchsetzt von einer astralen Welt, an der wir Menschen ebenso teilnehmen, wie wir an der äußeren physischen Welt teilnehmen. Und so, wie wir nicht leben könnten als physische Wesen, ohne daß wir die physische Kraft durch unseren Organismus fließen lassen, ebensowenig könnten wir als Lust- und Unlustwesen, als astrale Wesen leben, ohne daß wir an dem teilnehmen, was in der astralen Welt vorgeht, was in ihr lebt und webt und was uns fortwährend durchzieht und durchgeistigt. So, wie wir in der physischen Welt durch unsere Haut abgegrenzt und dadurch individualisiert sind, so sind wir auch in der allgemeinen astralen Welt abgeschlossen. Wir sind innerhalb derselben als einzelne astrale Wesenheiten individualisiert und nehmen teil an dieser astralen Welt um uns herum. Wir haben nun auf eine Welt hingedeutet, welche unsere physische Welt durchsetzt und durchzieht und durchwogt, wie die Tonwelt der Neunten Symphonie die Welt durchwogt, in welcher auch die Schnecke lebt.

In de kamer is er niet alleen lucht die het fysieke leven in stand houdt, maar de kamer is ook doordrongen van een astrale wereld waaraan wij mensen deelnemen, net zoals we deelnemen aan de fysieke buitenwereld. En net zoals we niet als fysieke wezens zouden kunnen leven zonder fysieke kracht door ons organisme te laten stromen, net zo min zouden we kunnen leven als wezens met lust en onlust, als astrale wezens, zonder deel te nemen aan wat er in de astrale wereld gebeurt, wat erin leeft en weeft en wat ons voortdurend doordringt en vergeestelijkt. Net zoals we in de fysieke wereld door onze huid worden begrensd en daardoor geïndividualiseerd, zijn we ook in de algemene astrale wereld afgesloten. Wij zijn daarin geïndividualiseerd als individuele astrale entiteiten en nemen deel aan de astrale wereld om ons heen. We hebben nu gewezen op een wereld die onze fysieke wereld doordringt en doorgolft, net zoals de tonale wereld van de Negende Symfonie de wereld doordringt waarin ook de slak leeft.

Im gewöhnlichen Leben nimmt der Mensch die Welt durch seine Sinne wahr, aber er ist nicht imstande, jene Welt wahrzunehmen, die ihn selbst durchgeistigt und durchwebt und seinen eigenen Astralorganismus ausmacht. Der Umstand, daß wir eine Welt nicht wahrnehmen, ist nun aber kein Grund zu sagen, daß diese Welt nicht da ist. Warum nehmen Sie jeden anderen hier sitzenden Menschen als physisches Wesen wahr? Weil Ihre Augen darauf eingerichtet sind, die physischen Lichtstrahlen durch Ihre Augen wahrzunehmen. Ihre Augen können die physischen Körper der anderen Menschen um Sie herum wahrnehmen. Diese physischen Körper sind für Sie wirklich. Sie wären für Sie nicht da, wenn Ihre Augen nicht da wären, sie zu sehen. Ebenso ist in jedem dieser anderen Menschen Lust und Unlust in unzähligen Nuancen vorhanden. Eine ebenso reiche Welt wie die, welche Sie mit Augen sehen, ist in jedem von Ihnen; es ist eine reiche Welt von Lust und Unlust. Und ebenso wirklich wie Ihr physischer Körper, ist ein zweiter Körper, der den physischen Körper durchsetzt, von dem dieser physische Körper ganz durchdrungen ist. Sie dürfen nicht

In het gewone leven neemt de mens de wereld waar via zijn zintuigen, maar hij is niet in staat die wereld waar te nemen die door hem heen vergeestelijkt en weeft en zijn eigen astrale organisme vormt. Het feit dat wij een wereld niet waarnemen is geen reden om te zeggen dat deze wereld er niet is. Waarom zie je iedere andere persoon die hier zit als een fysiek wezen? Omdat je ogen zijn ontworpen om de fysieke lichtstralen door je ogen waar te nemen. Je ogen kunnen de fysieke lichamen van andere mensen om je heen waarnemen. Deze fysieke lichamen zijn reëel voor je. Ze zouden er niet voor je zijn als je ogen er niet waren om ze te zien. Op dezelfde manier zijn plezier en ongenoegen in talloze nuances aanwezig bij elk van deze andere mensen. Een wereld zo rijk als wat je met je ogen ziet, zit in ieder van ons; het is een rijke wereld van plezier en pijn. En net zo werkelijk als je fysieke lichaam is een tweede lichaam dat het fysieke lichaam doordringt, waarmee dit fysieke lichaam volledig doordrongen is. Je mag niet

Blz. 26

sagen, daß nur das wirklich ist, was Sie sehen, was Sie physisch wahrnehmen können, denn jeder von Ihnen weiß, daß eine Welt von Lust und Unlust in ihm ebenso wirklich lebt, wie Muskelfleisch und Nervenfasern in ihm leben. Nur weil die geistigen Augen nicht aufgeschlossen sind, deshalb sehen Sie diese Wirklichkeiten nicht. Wären Ihre Augen dafür aufgeschlossen, dann würden Sie bei jedem anderen Menschen, ebenso wie Sie seine Hautfarbe und seine Kleider wahrnehmen, ihn auch wahrnehmen können durchströmt von Kräften und Substantialitäten, von Wesenheiten, die wirklich sind, die wir als Lust- und Unlustwesen bezeichnen können. Für denjenigen, dessen Sinn aufgeschlossen ist für diese Wirklichkeiten, ist diese Welt ebenso wirklich wie die körperliche Welt. In jedem Menschen ist so außer dem physischen Körper noch der astrale Körper, der so genannt wird, weil er für den Seher in einem hellen Lichte erglänzt, das ein Ausdruck ist für sein ganzes Lust- und Unlustleben, für alles, was als Gefühl in ihm lebt.

zeggen dat alleen wat je ziet, wat je fysiek kunt waarnemen reëel is, omdat jullie allemaal weten dat er een wereld van lust en onlust in je leeft, net zo reëel als spiervlees en zenuwvezels. Alleen omdat de spirituele ogen niet open zijn, zie je deze realiteiten niet. Als je ogen hiervoor open zouden zijn, zou je iedere andere persoon kunnen waarnemen, net zoals je hun huidskleur en hun kleding waarneemt, doorstroomd door krachten en substanties, van wezens die echt zijn, die we kunnen omschrijven als wezens van plezier en pijn . Voor degene wiens geest openstaat voor deze realiteiten, is deze wereld net zo reëel als de fysieke wereld. In ieder mens bevindt zich naast het fysieke lichaam ook het astrale lichaam, dat zo wordt genoemd omdat het voor de ziener straalt met een helder licht, dat een uitdrukking is van al zijn lust en onlustgevoelens, van alles wat als gevoel in hem leeft. 

Hier geeft Steiner een nieuwe karakteristiek over het woord ‘astraal’. (Zie hierboven in cursief)

Nu volgt er een passage waarin Steiner over zijn eigen helderziende waarnemingen vertelt. Ik heb die niet, dus enerzijds klinkt dit voor mij heel apart, anderzijds vind ik het daardoor niet meteen ‘onzin’.

So wie nicht nur Sie selbst wissen, daß Sie aus Fleisch und Blut bestehen, sondern die anderen Menschen dies auch wahrnehmen können, so sind die Lust- und Unlustgefühle nur solange für Sie allein da, als nicht ein anderer sie wahrnimmt. Etwas größer als Ihr physischer Körper ist Ihr astraler Organismus, etwas herausragend über denselben. Denken Sie sich einen Saal, in dem eine Versammlung abgehalten wird und in dem die verschiedenen Redner sprechen. Wenn ein Hellseher mit seinen Seheraugen den Saal durchschaut, nimmt er nicht nur die Worte wahr, die gesprochen werden, nicht nur die funkelnden Augen und die sprechenden Physiognomien, er sieht noch etwas anderes: er sieht, wie von dem Redner zu den anderen Menschen die Leidenschaften herüberspielen, er sieht, wie die Empfindungen und Gefühle in dem Redner aufleuchten, er sieht, ob ein Redner zum Beispiel aus Rache oder aus Enthusiasmus spricht. Bei dem Enthusiasten sieht er das Feuer des Astralkörpers ausströmen, und bei der großen Menge der Menschen sieht er eine Fülle von Strahlen; diese rufen wiederum in dem Redner Lust oder Unlust hervor. Da ist eine Wechselwirkung der

Net zoals jij niet alleen weet dat je van vlees en bloed bent, maar andere mensen dit ook kunnen waarnemen, zo zijn de gevoelens van lust en onlust er alleen voor jou zolang als niemand anders ze waarneemt. Iets groter dan je fysieke lichaam is je astrale organisme, iets daarbuiten uitstekend. Stel je een zaal voor waarin vergaderd wordt en waarin de verschillende sprekers aan het woord komen. Wanneer een helderziende met zijn zienerogen door de zaal kijkt, neemt hij niet alleen de woorden waar die worden gesproken, niet alleen de sprankelende ogen en de sprekende gezichtsuitdrukkingen, hij ziet nog iets anders: hij ziet hoe van de spreker naar de andere mensen diens gevoelens overgaan, hij ziet hoe de sensaties en gevoelens in de spreker oplichten, hij ziet of een spreker bijvoorbeeld uit wraak of enthousiasme spreekt. Bij wie enthousiast is, ziet hij het vuur van het astrale lichaam uitstromen, en in de grote menigte mensen ziet hij een overvloed aan stralen; deze roepen op hun beurt weer plezier of ongenoegen op in de spreker. Er is een wisselwerking van de 

Blz. 27

Temperamente, die offen und klar vor dem Seher sich abspielt. Das ist eine ebenso wirkliche Welt, von der wir ein Teil sind, wie die äußere Welt, in der wir leben. Nicht umsonst, nicht zwecklos hat die theosophische Bewegung den Menschen hingewiesen auf diese unsichtbaren Welten, von denen die Menschen ein Teil sind, in die wir fortwährend unsere Wirkungen hineinsenden. Sie können kein Wort sprechen, keinen Gedanken fassen, ohne daß Gefühle in den Raum hinauswirken. Wie unsere Handlungen in den Raum hinauswirken, so wirken auch die Gefühle; sie durchsetzen den Raum und beeinflussen die Menschen und die ganze astrale Welt. Der Mensch ist unter gewöhnlichen Verhältnissen sich nicht bewußt, daß ein Strom von Wirkungen von ihm ausgeht, daß er eine Ursache ist, deren Wirkungen überall in der Welt wahrzunehmen sind. Er ist sich nicht bewußt, daß er dadurch auch Unheil anrichten kann, daß er Ströme von Lust und Unlust, von Leidenschaften und Trieben in die Welt hinaussendet, die auf andere Menschen auf die schädlichste Weise wirken können.

temperamenten dat zich helder en open afspeelt voor de ziener. Dit is net zo’n reële wereld waarvan wij deel uitmaken als de buitenwereld waarin wij leven. Het is niet voor niets en niet zonder doel dat de antroposofische beweging de aandacht van mensen heeft gevestigd op deze onzichtbare werelden, waar mensen deel van uitmaken, waar wij voortdurend naartoe sturen wat ervan ons uitgaat. Je kunt geen woord spreken of een gedachte vormen zonder dat er gevoelens de kamer in stromen. Net zoals onze acties de ruimte beïnvloeden, geldt dat ook voor onze gevoelens; ze doordringen de ruimte en beïnvloeden mensen en de hele astrale wereld. Onder normale omstandigheden is de mens zich er niet van bewust dat er een stroom van invloeden van hem uitgaat, dat hij een oorzaak is waarvan de gevolgen overal ter wereld waarneembaar zijn. Hij is zich er niet van bewust dat hij ook schade kan aanrichten door stromen van plezier en pijn, van hartstochten en driften de wereld in te sturen, wat de meest schadelijke gevolgen voor andere mensen kan hebben.

Er ist sich nicht bewußt, was er mit seinem Gefühlsleben bewirkt. Unser Wissen ist nicht zu einem zwecklosen Dasein bestimmt; es ist nicht dazu da, um bloß zu erkennen, nicht um seiner selbst willen ist es da. Es ist eine schöne Phrase der abendländischen Gelehrsamkeit geworden, das Wissen sei um seiner selbst willen da. Wer sich in die morgenländische Weisheit vertieft, der findet noch etwas anderes als das Wissen um seiner selbst willen. Er weiß, daß es sich beim Wissen darum handelt, sich im Sinne dieses Wissens in der Welt zu betätigen. Wir lernen die physische Welt kennen, um in der physischen Natur nicht wie in einem Chaos zu wirtschaften. Und wir lernen die höhere Natur kennen, um in dieser höheren Natur in bewußter Weise zu wirken. Wer diese höhere Natur erkennt und beherrscht, lernt, in ihr bewußt zu wirken; er lernt, seine Gedanken zu beherrschen und sie nicht zufällig wirken zu lassen, sie auch nicht zufällig loszulassen, sondern sie im Zaume zu halten; er lernt, sein Innenleben zu beherrschen, sein Innenleben zu regeln, so daß es im idealsten Sinne auf die Umwelt veredelnd wirkt. 

Hij is zich niet bewust van wat hij met zijn emotionele leven teweeg brengt. Onze kennis is niet bestemd voor een doelloos bestaan; het is er niet alleen maar om te weten, het is er niet omwille van zichzelf. In de westerse wetenschap is het een mooie frase geworden dat kennis bestaat omwille van zichzelf. Iedereen die zich verdiept in de oosterse wijsheid zal iets anders vinden dan kennis omwille van de kennis. Hij weet dat kennis gaat over actief zijn in de wereld in de geest van deze kennis. We leren de fysieke wereld kennen, om niet in de fysieke natuur als in een chaos te handelen.  En we leren de hogere natuur kennen om bewust in deze hogere natuur te kunnen werken. Iedereen die deze hogere natuur kent en beheerst, leert er bewust in te werken; hij leert zijn gedachten te beheersen en ze niet willekeurig te laten werken, noch die zomaar te laten gaan, maar ze onder controle te houden; hij leert zijn gevoelsleven te beheersen, zijn gevoelsleven zo te reguleren dat het in de meest ideale zin een veredelende werking heeft op de omgeving.

Blz. 28

Dadurch erlangen die höheren Welten, die – lassen Sie mich das betonen – ebenso wirklich sind wie unsere physische Welt, ja noch wirklicher, eine immense Bedeutung für die physische Welt. Wer weiß, daß das, was in der astralen Welt vorgeht, viel wichtiger ist für den Weltprozeß als das, was Sie in der physischen Welt zu sehen und zu tun vermögen, der wird diese Welt auch richtig in ihrer Bedeutung einschätzen. Wenn Sie noch weiter hinaufsteigen, würden Sie Welten finden, die noch wichtiger sind als die astrale Welt. Davon spricht auch die christliche Religion. Was diese als «Seele» bezeichnet, ist die astrale Welt, was sie als «Geist» bezeichnet, ist das, was Sie in der Theosophie als «Mentalebene» kennen. Warum ist die höhere, die astrale Welt so unendlich viel wichtiger als die physische Welt? Weil die physische Welt nichts anderes ist als der Ausdruck dieser astralen Welt, als die Wirkung der astralen Welt. Ich möchte Ihnen als Erläuterung eine Erscheinung anführen, die Ihnen zeigen wird, wie unendlich viel bedeutsamer das ist, was in der astralen Welt vorgeht, als das, was in der physischen Welt sich abspielt.

Als gevolg hiervan krijgen de hogere werelden, die – laat ik dit benadrukken – net zo reëel als onze fysieke wereld, zelfs nog reëler, een enorme betekenis voor de fysieke wereld. Iedereen die weet dat wat er in de astrale wereld gebeurt veel belangrijker is voor het wereldproces dan wat je in de fysieke wereld kunt zien en doen, zal ook het belang van deze wereld correct inschatten. Als je nog hoger komt, zul je werelden vinden die nog belangrijker zijn dan de astrale wereld. Ook de christelijke religie spreekt hierover. Wat zij de ‘ziel’ noemt, is de astrale wereld; wat zij de ‘geest’ noemt, is wat u in de antroposofie kent als het ‘mentale gebied’. Waarom is de hogere, de astrale wereld zo oneindig veel belangrijker dan de fysieke wereld? Omdat de fysieke wereld niets anders is dan de uitdrukking van deze astrale wereld, als de uitwerking van de astrale wereld.

( )
Antroposofie en wetenschap

Nu houdt Steiner de (materialistische) wetenschapper nog een soort spiegel voor:

Ja, unbescheiden sind heute die Menschen in Bezug auf die Erkenntnis, unbescheiden deshalb, weil sie ablehnend sind gegenüber allem, was ihre Sinne und ihr Verstand nicht begreifen. Denken Sie sich, wenn die Schnecke sich

Ja, de mensen zijn vandaag de dag, als het om kennis gaat, onbescheiden omdat ze alles afwijzen wat hun zintuigen en hun verstand niet begrijpen. Denk je eens in dat de slak

Blz. 29

unterfinge zu sagen, hier im Saal sei nichts anderes als das, was sie wahrnehme -, müßten wir nicht von dieser Schnecke sagen, sie habe in Bezug auf die Erkenntnis eine große Unbescheidenheit? Täuschen Sie sich nicht. Im schlimmsten Sinne des Wortes ist es ebenso mit dem Menschen, wenn er sagt: Was mein Verstand nicht wahrnehmen und nicht begreifen kann, das gibt es nicht in dieser Welt.

durfde te zeggen dat er niets anders in de kamer is dan wat hij waarneemt – zouden we dan niet van deze slak moeten zeggen dat hij een grote onbescheidenheid aan de dag legt, als het om kennis gaat? Vergis je niet. In de slechtste zin van het woord is het hetzelfde met de mens als hij zegt: wat mijn verstand niet kan waarnemen en begrijpen, bestaat niet in deze wereld.

Was will der gewöhnliche Wissenschaftler, der stolz ist auf seine Kultur und unbescheiden ist in Bezug auf sein gewöhnliches Erkennen? Er will alles das, was er wahrnehmen und erkennen kann, weiter verfolgen, und er will seine Erkenntnisse auf unzählige Sachen verbreiten. Das ist so, wie wenn die Schnecke nach allen Seiten herumkriecht und wahrnimmt, was sie wahrnehmen kann – sie würde nichts wahrnehmen als das, was ihre Schneckenorgane wahrnehmen können. So ist es auch bei den Menschen.

Wat wil de gewone wetenschapper die trots is op zijn cultuur en onbescheiden is over zijn gewone kennis? Hij wil alles wat hij kan waarnemen en herkennen verder volgen, en hij wil zijn bevindingen over talloze onderwerpen uitbreiden. Het is alsof de slak in alle richtingen rondkruipt en waarneemt wat hij kan waarnemen; hij zou niets anders waarnemen dan wat zijn slakkenorganen kunnen waarnemen. Hetzelfde geldt voor mensen.

( )

So unterscheidet sich die Gesinnung des Theosophen von der des gewöhnlichen Wissenschaftlers dadurch, daß er sich entwickeln will, daß er ehrlich und rechtschaffen an die Entwicklung seiner Fähigkeiten glaubt und sich bemüht, an
sich selbst zu arbeiten. Das, verehrte Anwesende, ist theosophische Gesinnung: an sich zu arbeiten, damit uns höhere Organe aufgehen, damit wir in die Lage kommen, in dem, was uns umgibt, Bedeutungsvolles, Wichtiges wahrzunehmen. Das muß immer mehr und mehr abendländische Gesinnung werden, wenn die
abendländische Menschheit nicht ganz in der materialistischen

De houding van de antroposofen is t.o.v. de gewone wetenschapper in die zin verschillend dat de eerste zich verder wil ontwikkelen, dat hij eerlijk en oprecht in die ontwikkeling van zijn vermogens gelooft en er moeite voor doet om aan zichzelf te werken. Dat nu, geachte aanwezigen, is de antroposofische houding: werken aan jezelf, zodat je hogere organen ontsluit, zodat we in wat er om ons heen is, waar gaan nemen wat daarvan belangrijk ius, betekenis heeft. Dat zal steeds meer de houding moeten worden van het Avondland, als de westerse mensheid tenminste niet helemaal in de materialistische

Blz. 30

Strömung aufgehen will. Wenn diese theosophische Gesinnung sich immer mehr und mehr verbreitet, dann wird man einsehen, daß alles dasjenige, was äußere physische Tatsachen und Erscheinungen sind, die Folgen, die Wirkungen tieferliegender Ursachen sind, die in der astralen Welt oder in noch höheren Welten liegen.
Gewöhnlich ist die abendländische Wissenschaft damit zufrieden, den Körper in allen seinen Bestandteilen zu erforschen. Aber die theosophische Gesinnung fragt: Hat dieser Körper sich selbst zusammengefügt? Wo könnte der Grund dafür sein? Können wir glauben, daß die Kräfte draußen in der Natur das Bedürfnis fühlen, sich zum Menschen zusammenzufügen? Nein. Wer in der höheren Welt zu sehen vermag, der weiß, daß der Mensch, bevor er im physischen Organismus lebt, vor seiner Geburt in einem astralen Dasein lebte. So wahr wir vor unserem physischen Dasein, vor der Geburt, ein astrales Dasein hatten, so wahr haben wir ein astrales Dasein auch nach unserer Geburt, und dieses reicht weiter als unser physischer Körper. Alles das ist eingeschlossen in dem, was wir das Mysterium von Geburt und Tod nennen.

stroom wil opgaan. Als deze antroposofische houding zich steeds verder uitbreidt, zal ingezien worden dat alles wat uiterlijke fysieke feiten en verschijnselen zijn, de gevolgen zijn, de uitwerkingen van dieper liggende oorzaken die in de astrale wereld of in zelfs hogere werelden liggen. De westerse wetenschap is er doorgaans tevreden mee om het lichaam in al zijn componenten te onderzoeken. Maar de antroposofische manier van denken vraagt: heeft dit lichaam zichzelf samengesteld? Wat zou de reden hiervoor kunnen zijn? Kunnen we geloven dat de krachten buiten in de natuur de behoefte voelen een mens samen te stellen? Nee. Wie in staat is om in de hogere wereld waar te nemen, weet dat de mens vóór die in een fysiek organisme leeft, voor zijn geboorte in een astraal bestaan leefde. Zo waar het is dat we vóór onze geboorte een astraal bestaan hadden, zo waar is het ook dat we na onze geboorte een astraal bestaan hebben en dit strekt zich verder uit dan ons fysieke lichaam. Dat zit allemaal besloten in wat we het mysterie van geboorte en dood noemen.
GA 88/22-30
Niet vertaald

Voordracht 2, Berlijn 4 november 1903

Die höheren Welten und der Anteil des Menschen an ihnen
De hogere werelden en het aandeel van de mens daarin

 Blz. 35

Wir Menschen gehören der astralen Welt ebenso an, wie wir der physischen Welt angehören. Wir gehören auch noch anderen Welten an, aber das Dasein dieser Welten verstehen wir erst, wenn wir sehen, was für Kräfte aus dem höheren Dasein hereinspielen. Demjenigen, dessen Augen für die astrale Welt geöffnet werden, geht ein neues Dasein auf: die Welt, in der wir alle Triebe und Instinkte, alle Leidenschaften und Temperamente so vor uns sehen, wie wir die Dinge um uns herum in der physischen Welt sehen. Diese 88/36 astrale Welt ist aber nicht die höchste. Sie ist diejenige, welche um eine Stufe höher liegt als unsere physische Welt, sie ist eine feinere Welt, die unsere ganze Welt durchdringt. Dann ist unsere Welt auch durchdrungen von einer noch höheren Welt, der eigentlichen geistigen Welt, die wir in der Theosophie die devachanische oder die mentale Welt nennen und die, wenn wir den Blick dafür geöffnet haben, es uns möglich macht, die Gedanken, welche nicht von Gefühlen und Wünschen durchzogen sind, die also reine Gedanken sind, wie Dinge zu sehen.

Wij mensen behoren tot de astrale wereld, net zoals we tot de fysieke wereld behoren. Wij behoren ook tot andere werelden, maar we begrijpen het bestaan ​​van deze werelden pas als we zien welke krachten vanuit het hogere bestaan ​​een rol spelen. Voor degenen wier ogen zijn geopend voor de astrale wereld, gaat er een nieuw bestaan ​​open: de wereld waarin we alle driften en instincten, alle hartstochten en temperamenten voor ons zien, net zoals we de dingen om ons heen zien in de fysieke wereld. Maar deze

Blz. 36

astrale Welt ist aber nicht die höchste. Sie ist diejenige, welche um eine Stufe höher liegt als unsere physische Welt, sie ist eine feinere Welt, die unsere ganze Welt durchdringt. Dann ist unsere Welt auch durchdrungen von einer noch höheren Welt, der eigentlichen geistigen Welt, die wir in der Theosophie die devachanische oder die mentale Welt nennen und die, wenn wir den Blick dafür geöffnet haben, es uns möglich macht, die Gedanken, welche nicht von Gefühlen und Wünschen durchzogen sind, die also reine Gedanken sind, wie Dinge zu sehen.
Das sind die drei Welten, welchen der Mensch angehört, das sind die drei Welten, welche er durchläuft in seinen Leben von Verkörperung zu Verkörperung. Also nicht die höchste Welt ist es, mit der wir es bei der Astralwelt zu tun haben.

astrale wereld is niet de hoogste. Het is de wereld die één niveau hoger staat dan onze fysieke wereld, het is een subtielere wereld die onze hele wereld doordringt. Dan wordt onze wereld ook doordrongen van een nog hogere wereld, de werkelijke geestelijke wereld, die we in de antroposofie de devachanische of mentale wereld noemen en die, wanneer we onze ogen ervoor hebben geopend, het voor ons mogelijk maakt de gedachten die  niet zijn doordrongen van gevoelens en verlangens, die pure gedachten zijn, als dingen te zien.
Dat zijn de drie werelden waartoe de mens behoort, dat zijn de drie werelden waar hij in zijn leven van incarnatie naar incarnatie doorheen gaat. Bij de astraalwereld hebben we dus niet mede hoogste wereld te maken. 

Wir betrachten nun also diese Zwischenwelt, die aber, weil sie unserer physischen Welt zunächstliegt, für uns von ganz besonderer Wichtigkeit ist. Demjenigen, dessen Auge geöffnet ist für diese Sphäre, sprechen wir ein sogenanntes psychisches Sehen zu. Es erscheinen ihm nicht nur physische Dinge, sondern es erscheint ihm auch alles, was in den Menschen als Triebe, Wünsche und Leidenschaften lebt, als Dinge. Diese astrale Welt ist abgestuft. Sie ist so großartig, daß sich unsere physische Welt nicht damit vergleichen läßt. Nur eine skizzenhafte Schilderung kann ich davon geben. Wer das Auge dafür geöffnet hat, der sieht Dinge, die der gewöhnliche Mensch zwar wahrnimmt, die er aber sich noch nicht enträtseln kann. Das ist psychisches Sehen.

We beschouwen deze tussenwereld die echter, omdat deze het dichtst bij onze fysieke wereld staat, dus als een wereld die voor ons van groot belang is. Van degene die in deze wereld kan schouwen, zeggen we dat deze een zogeheten psychisch zien heeft. Er verschijnen aan hem niet alleen maar fysieke dingen, maar ook alles wat in de mens als drift, wens en hartstocht leeft, verschijnt aan hem als dingen. Deze astrale wereld verschijnt in niveaus. Deze is zo groots, dat je die niet kan vergelijken met de fysieke wereld. Ik kan er alleen maar een schets van geven. Wie er een open oog voor heeft, ziet dingen die de gewone mens weliswaar waarneemt, maar die hij nog niet ontraadselen kan. Dat is psychisch zien.
GA 88/35-36
Niet vertaald

.

Algemene menskunde: voordracht 1 –over het astraallijf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3125-2938

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (40)

.

Op deze blog vind je onder ‘Jaarfeesten – Kerstmis’ ook artikelen over de historie van dit feest. In wezen resultaten van onderzoek. De uitkomsten verschillen soms. 

In ‘Van Sinterklaas tot Sint-Maarten geeft  de schrijfster* ook een soort samenvatting:

Kerstfeest, vroeger en nu
.

Het kerstfeest werd het eerst gevierd in de Oosterse (Griekse) kerken, zonder dat er een vaste datum voor gold. In de tijd van keizer Julius de Eerste liet de bisschop van Jeruzalem een onderzoek instellen naar de juiste geboortedatum. Oosterse en Westerse theologen gingen aan het werk en de uitslag luidde: 25 december. Van toen af aan hield men het op die datum en het feest duurde vier dagen. Later vierde men het alleen op de 25ste en werd de 26ste gewijd aan St.- Stefanus, de eerste christelijke martelaar. Zo werd in de Westerse kerken vanaf de vierde eeuw het kerstfeest op de 25ste december gevierd, de dag waarop ook het heidense Julfeest begon. Het Julfeest is een oud Germaans feest. ‘Jul’ betekent ‘wiel’ en daarmee wordt de zon bedoeld, als een vurig rad. Twaalf nachten rustte de zon en moest ook de mens rusten. Geen spinnewiel mocht snorren, geen wapen worden opgeheven, het vee was veilig in de stal en de wintervoorraad geborgen. Het Jul-offer werd geslacht en het Jul-vuur ontstoken.

De kerstboom

Maarten Luther schijnt een der eersten geweest te zijn, die voor zijn kinderen een kerstboom plantte. Men vertelt: hij wandelde eens door een uitgestrekt, eenzaam woud, op de avond vóór Kerstmis. Aan de hemel twinkelden ontelbare sterren. Peinzend keek hij om zich heen en raakte diep onder de indruk van de statige dennen en sparren, wier kruinen, zo het leek, reikten tot in de hemel. Een hemel vol licht van de glanzende sterren. Hij kon de verleiding niet weerstaan iets mee te nemen naar huis. Een klein dennetje hakte hij om en, thuisgekomen, versierde hij het voor zijn kinderen en legde er kleine geschenken onder. En hij vertelde hun een prachtig verhaal over ‘het licht der wereld’ . . .

Omstreeks het jaar 1850 verscheen de kerstboom in Nederland. Eerst in de kerken en zondagsscholen, later ook in het gezin. De dichter Goethe kende hem al eerder. In een levensbeschrijving vinden we dat hij ‘op Kerstmis 1765 blij verrast zijn eerste kerstboom zag binnendragen’.

In een oude legende

wordt verteld hoe de Germaan Winfried, een der eerste predikers van het evangelie, in het jaar 725 onder de Saksers zijn werk deed. Maar het had niet veel zin. Men blééf geloven in de Dondergod. En trouw hield men de bijeenkomsten onder de ‘heilige eik’ die aan Donar gewijd was.
Winfried gaf het echter niet op. Dagelijks bad hij tot God of deze zijn werk wilde zegenen.
In een koude winternacht dwaalde hij door het woud en onverwacht stond hij voor de heilige, grote eik! Vlakbij hoorde hij een hevig tumult en hij zag hoe een aantal woestuitziende mannen bezig waren met iets op de grond . . . Zijn aandacht werd getrokken door een klein kind, dat, zo begreep hij, geofferd zou worden aan God Donar! In eerlijke verontwaardiging sprong hij naar voren, nam het kind in zijn armen en bracht het in veiligheid. Toen greep hij een bijl. Ontzet weken de mannen achteruit. Als deze brutale priester waarachtig hun heilige eik wilde vellen, zou Donar zijn boom wel onmiddellijk door de bliksem laten treffen. Maar vreemd – er gebeurde niets. Urenlang keken de mannen bevreesd toe. Eindelijk, eindelijk stortte de enorme boom ter aarde. En toen begrepen de mannen dat daar een mens stond die geen angst voelde voor hun oppergod en die niét gestraft werd daarvoor. En zij hadden plotseling eerbied voor de eenzame prediker.

Nu stond er vlak achter de gevelde boom een kleine, jonge spar. En onverwachts bereikte een manestraal het boompje en zette alle fijne naalden in een geheimzinnige zilverwitte glans!

De mannen zagen het en deinsden onwillekeurig terug. Dit was een wonder, een vreemd teken, dachten zij. Maar Winfried liep erheen en, naast het sparretje staande, zei hij: ‘Van nu af aan zal de spar Uw heilige boom zijn. Hij is de boom van de vrede, want van zijn hout worden Uw woningen gemaakt. En hij is het teken van de onsterfelijkheid, want hij blijft altijd groen. En hij is de boom van het Christuskind, want zijn takken wijzen naar de hemel!

Mistletoe

Vogellijm of maretak is de Nederlandse naam. Een woekerplant die niet op de grond groeit, maar met zijn wortels diep in de schors van een boom dringt. En zich dus voedt met de sappen van die boom.

Maretak – maren = boze geesten! Die zetten zich ’s nachts op de borst van een mens, belemmeren zijn ademhaling en bezorgen hem een boze droom. Wie zou hieraan denken als hij met Kerstmis de mooie, witte mistletoe-bloemetjes koopt? En hoe komen deze verhalen eigenlijk in de wereld? Om dit te weten moeten wij weer terug naar de oude Germanen en hun goden.
Baldur was de brenger van het licht en de grote strijder tegen de duisternis. Maar er was voorspeld dat hij ten val gebracht zou worden!

In allerijl liet zijn moeder, de godin Frigga, al wat bestond (dieren, planten, stenen, water, vuur, licht) een eed doen dat haar zoon geen kwaad zou overkomen. Maar … zij vergat de mistletoe, die zijn wortels immers niet in de aarde heeft. En daarbij diep in het verborgene leeft.

De boze god Loki maakte daarvan een slim gebruik. Baldur had nl. een blinde broeder en aan hem beval Loki, met een pijl gemaakt van het hout van de mistletoe, te schieten op zijn broer.
Dodelijk gewond stortte Baldur ter aarde. En de voorspelling was waarheid geworden! Het kwaad (de duisternis) had het licht overwonnen. Maar, dachten de Germanen, de mistletoe wordt toch gevonden op heilige plaatsen en gewijde bomen! Natuurlijk hebben de goden deze plantjes naar de aarde gebracht tot heil van de mens. En zo gebruikten zij de mistletoe als geneesmiddel tegen allerlei kwalen. En . . . als gelukbrenger.

Als bij de Kelten, in de oudheid, de priester in december de zegenbrengende mistletoe van de eiken sneed, was hij in het wit gekleed en gebruikte hij een gouden sikkel!

Nog steeds wordt de Maretak als een heilbrengende plant beschouwd.

Het kerstfeest

werd, in de middeleeuwen en ook nog daarna, door allen gevierd in de kerk. Zelfs de (vorige) Utrechtse Domkerk was hiervoor nauwelijks groot genoeg. Poorters, edelen, dorpers, allen verzamelden zich in de enorme ruimte en brachten de kerstnacht door met zang en muziek. Een hoogtepunt was: als priesters en koorknapen het kerstgebeuren vertelden, in beurtzang! Maar zij zongen Latijn en natuurlijk begrepen de meeste mensen daar bitter weinig van. Daarom werd het aanschouwelijk voorgesteld. Op het koor werd een kribbe geplaatst met een beeld van het Christuskind. Er kwamen herders en koningen bij en steeds werd de voorstelling uitgebreid. Op het laatst zongen zij zelfs de liederen in hun eigen taal! Zo ontwikkelde zich langzaam maar zeker uit die eenvoudige handeling in de kerk het toneelspel.

In de oudste spelen vinden we vooral de grote tegenstelling: de hevige vreugde van Maria over de geboorte van het Christuskind en het verdriet (geween) van de moeders na het vreselijke bevel van koning Herodes.

Het hoogtepunt was meestal: de gelukkige Maria tegenover de schreiende Rachel.

Het toneel was vaak verdeeld in drie verdiepingen: de hel – de aarde – de hemel.

Eerst werd op aarde de zondeval gespeeld – en alle ellende die daaruit volgde. Dan, in de hel, werden de profeten en aartsvaders gepijnigd door duivels! Brandend pek en gloeiende tangen waren hierbij heel gewoon. Ten slotte volgde ‘het pleidooi in de hemel’. Dit was soms een heel plastische voorstelling. Midden in de ellende van de tweede verdieping boort onverwachts een schone jonkvrouw (‘Gebed des mensen’ geheten) een gat in de vloer van de bovenste verdieping. Zij stijgt naar boven om God te verzoeken allen tot zich te nemen. Een heel mooie scène! Wij zien dan God, met vóór zich vier jonkvrouwen (Goedertierenheid, Gerechtigheid, Waarheid en onze ‘Gebed des mensen’). En ziet, op de tweede verdieping verschijnt de engel Gabriël aan Maria en nu volgen allerlei taferelen uit het kerstevangelie.

Maar de meeste kleine kerstspelen handelden alleen op aarde. En dan waren de voor ons zo bekende figuren te zien: Jozef, Maria, de herders en de koningen … En natuurlijk het Kind in de kribbe.

Over het onstaan van lekespelen ook in Rudolf Steiner ‘Toespraken bij de kerstspelen uit Oberufer 

*Van Sinterklaas tot Sint-Maarten – Marijke van Raephorst

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen       Over de kerstboom

VRIJESCHOOL in beeldkerstspel

.

3124-2937

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het fysieke lichaam – GA 88

.

HET FYSIEKE LICHAAM
.

In zijn pedagogische voordrachten roept Steiner veelvuldig op om ‘menskunde’ te studeren. Dat is immers voor zijn pedagogie – zijn onderwijsmethode – de basis.
‘Studeren’ is misleidend, want het gaat niet alleen om ‘kennis opdoen’, het gaat om veel meer: om een diep doorgronden wat de mens en vooral het opgroeiende kind voor wezen is.

Hij doet daar veel mededelingen over vanuit zijn geesteswetenschappelijk perspectief en we weten dat de meesten van ons dat niet op deze manier hebben. We zijn dus aangewezen op deze mededelingen en moeten er een persoonlijke verbinding mee krijgen.
Door deze mededelingen kan ons inzicht aanzienlijk worden verdiept.

In onderstaand artikel vind je deze mededelingen over een van de wezensdelen die Steiner aan de mens waarneemt en wat voor ons het makkelijkste wezensdeel is omdat we er veel zelf van kunnen waarnemen: het fysieke lichaam.
In dit artikel heb ik al enige opmerkingen van Steiner daarover gegeven.
Nu volgen zijn gezichtspunten uit andere voordrachten.

In zijn voordrachten heeft Steiner veelvuldig gesproken over de wezensdelen van de mens.
Telkens heeft hij ons voorgehouden dat we, wanneer we iets van een onderwerp willen begrijpen, dit van allerlei kanten moeten benaderen. Dat we veel kunnen leren van het in-tegenstellingen-denken; dat we niet moeten definiëren – dat is de dood in de pot – maar moeten karakteriseren. 
Wat ik hier nu doe, is in wezen in strijd met die aanwijzingen: ik heb a.h.w. ‘definitie-achtig’ Steiners karakteriseringen opgesomd.

Maar Steiner gaf ook veelvuldig aan dat wat hij geesteswetenschap noemt, net zo exact wil beschrijven als de natuurwetenschap haar onderwerpen beschrijft. 

Wat ik nu doe met ‘het fysieke lichaam’ is, benadrukken wat Steiner daar precies mee bedoelt. 
Door zijn vele karakteriseringen ontvouwt zich toch a.h.w. een uitgebreide, genuanceerde definitie. En die (of dat) hebben we nodig wanneer we zo precies mogelijk over de wezensdelen willen spreken.

GA 88

Über die astrale Welt und das Devachan
Over de astrale en de mentale wereld

Voordracht 1, Berlijn 28 oktober 1903

Das Mysterium von Geburt und Tod
Het mysterieuze van de geboorte en de dood

Blz. 22

Den Körper hat die moderne Naturwissenschaft ziemlich genau studiert. Durch ihn stehen wir mit allem, was um uns herum ist, in Verbindung. Wir sind nicht einzelne, abgeschlossene Wesen. Wir könnten nicht körperlich leben, wenn unsere Umgebung eine andere wäre. Denken Sie sich die Temperatur der physischen Welt um zehn bis zwanzig Grad höher, als die Temperatur unseres Luftkreises ist, so könnte der Mensch darin nicht leben. Nicht allein davon hängt unser Leben ab, was innerhalb unserer Hautbegrenzung vorgeht, sondern auch von dem Leben der Erscheinungen in der Natur um uns herum. In gewisser Beziehung sind wir nur ein Ergebnis dessen, was rings um uns herum vorgeht. Wären keine Pflanzen in der Welt, wir könnten uns nicht ernähren. Nur dadurch, daß wir den physischen Stoffwechsel unterhalten können, sind wir imstande, körperlich zu leben. Ganz abhängig ist der Mensch von seiner physischen Umgebung, das heißt, er ist ein physisches Wesen innerhalb der ganzen physischen Natur, er gehört zu dieser physischen Natur. Die Materialisten des 19. Jahrhunderts haben das mit Recht so gesehen. Unser Körper ist die Wirkung der physischen Umgebung. Wir leben in der physischen Welt mit der physischen Welt.

De moderne natuurwetenschap heeft het lichaam tamelijk precies bestudeerd. Hiermee staan wij met alles wat er om ons heen is, in verbinding. We zijn geen op zich staande, afgesloten wezens. We zouden lichamelijk niet kunnen leven als onze omgeving anders zou zijn. Denk je eens in dat de temperaturen van de natuurkundige wereld tien tot twintig graden hoger zouden zijn dan de temperatuur van onze atmosfeer, dan zouden we daarin niet kunnen leven. Ons leven hangt niet alleen maar af van wat er binnen de begrenzing van onze huid zich afspeelt, maar ook van het leven van de verschijnselen van de ons omringende natuur. 
In zekere zin zijn we een resultaat van wat er om ons heen zich afspeelt. Als er geen planten in de wereld zouden zijn, zouden we ons niet kunnen voeden. Alleen omdat wij de fysieke stofwisseling in stand kunnen houden, zijn we in staat lichamelijk te leven. De mens is volkomen afhankelijk van zijn fysieke omgeving, d.w.z. hij is een fysiek wezen binnen de hele fysieke natuur, hij hoort bij deze fysieke natuur. Dat hebben de materialisten van de 19e eeuw heel goed gezien. Ons lichaam is het resultaat van de fysieke omgeving. We leven in de fysieke wereld mét de fysieke wereld.

Blz. 23

Nun wissen Sie, daß für diesen Körper ein ganz bestimmter Augenblick eintritt, in dem er denjenigen Gesetzen nicht mehr gehorcht, denen er unter den gewöhnlichen Lebensverhältnissen gehorcht hat, das ist der Moment des Todes. Im Augenblick des Todes gehorcht der Körper, der uns angehört, nicht mehr denselben Gesetzen, denen er das ganze Leben hindurch gehorcht hat; und dennoch sind es Naturgesetze, denen er gehorcht. Wenn wir gestorben sind, kehrt unser körperlicher Organismus zu den Naturstoffen zurück, die während unseres Lebens in diesem Körper wirkten. Chemische und physikalische Kräfte wirken während unseres Lebens in unserem physischen Körper. Unsere Verdauung ist ein physischer Prozeß, unsere Atmung ist ein physischer Prozeß. Auch was beim Sehen in unserem Auge vorgeht, ist ein physischer Prozeß; es ist etwas ganz Ähnliches wie der Prozeß auf der photographischen Platte, wenn Sie sich photographieren lassen.

Nu weet u dat er voor dit lichaam een bepaald tijdstip komt, waarop het niet meer naar de wetten luistert zoals het dat deed onder de normale levensomstandigheden, dat is het moment van de dood.
Op het ogenblijk van de dood gehoorzaamt het lichaam dat van ons is, niet meer aan dezelfde wetmatigheden waaraan het het hele leven lang gehoorzaamd heeft; en toch zijn het natuurwetten waaraan het gehoorzaamt. Wanneer we gestorven zijn, keert onze lichamelijke organisatie terug naar de stoffen in de natuur die tijdens ons leven in dit lichaam werkzaam waren. Chemische en fysische krachten zijn gedurende ons leven in ons lichaam actief. Ons verteringsproces is een fysiek proces, onze adem een fysiek proces. Ook wat er in ons oog gebeurt, wanneer we zien, het is een fysiek proces; net zoiets als het proces op de fotografische plaat, als u zich laat fotograferen. [in die tijd, uiteraard]

Wir sind körperlich ein Zusammenfluß von physikalischen und chemischen Kräften, aber wir hören auf, ein Zusammenfluß von chemischen und physikalischen Kräften zu sein, wenn wir dem Tode anheimfallen. Dieser Körper hält dann nicht mehr zusammen; er fließt über in den Strom der allgemeinen physischen Erscheinungen. Der menschliche Körper als solcher ist aber unmöglich nur eine chemische und physikalische Zusammensetzung, denn in demselben Augenblick, in dem die chemischen und physikalischen Kräfte sich selbst überlassen sind, gehen sie ganz andere Bahnen, sie fügen sich in den Strom der allgemeinen chemischen und physikalischen Prozesse ein. Sie erzeugen nicht mehr die Seh-, Hör- und Denkprozesse, sondern sie gehen ganz andere Prozesse ein. Es muß also etwas dagewesen sein, was sie dazu aufgerufen hat, während unseres Lebens einen Organismus aufzustellen. Dieser Organismus ist eine Stunde vor dem Tode von keinen anderen Stoffen zusammengesetzt als eine Stunde nach dem Tode. Die physische Zusammensetzung ist genau dieselbe; es ist aber das Lebenselement nicht mehr da. Es ist das nicht mehr da, was diese physischen Stoffe aufruft zu einem mächtigen Wirken, wie sie niemals wirken würden, wenn sie sich selbst überlassen blieben.

Lichamelijk zijn we een samenloop van fysische en chemische krachten, maar dit samenvloeisel van chemische en fysische krachten in ons houdt op te bestaan, wanneer we de dood deelachtig worden. Dit lichaam houdt het dan niet meer bij elkaar; het gaat over in de stroom van de algemene fysieke verschijnselen. 
Het menselijk lichaam als zodanig kan onmogelijk louter een chemische en fysische samenstelling zijn, want op hetzelfde ogenblijk waarop de chemische en fysische krachten aan zichzelf overgelaten worden, volgen ze heel andere wegen, zij voegen zich in de stroom van de algemene chemische en fysische processen. Ze brengen de processen van zien, horen en denken niet meer tevoorschijn, maar gaan over tot heel andere processen.Er moet dus iets geweest zijn wat veroorzaakt heeft dat ze tijdens ons leven een organisme vormden. 
Dit organisme is een uur voor de dood niet van een andere samenstelling dan een uur erna. De fysieke samenstelling is precies hetzelfde; echter wat er niet meer is, is het levenselement. Niet meer aanwezig is dat wat deze fysieke stoffen opwekt tot een krachtige werkzaamheid, die ze nooit zou hebben als ze aan zichzelf overgelaten zouden zijn.

Blz. 24

Das führt uns dahin einzusehen, daß dieser physikalisch und chemisch aufgebaute Körper, weil er in nur physikalischer und chemischer Beziehung eine Unmöglichkeit ist, durchlebt und durchströmt sein muß von einem höheren Prinzip, welches das niedere durchorganisiert, durchseelt und durchlebt. Das nächste Prinzip, das unseren Körper durchseelt und durchlebt, ist das, was bewirkt, daß seine Teile nicht schon bei Lebzeiten auseinanderfallen; und das, was das bewirkt, nennen wir das astrale Element im Menschen.

Dat brengt ons ertoe dat we moeten inzien dat dit fysisch en chemisch opgebouwde lichaam, omdat het wat het fysische en chemische betreft een onmogelijkheid is, doorleefd en doorstroomd moet zijn door een hoger principe dat ons lichaam bezielt en doorleeft. Het volgend fundamentele dat ons lichaam doorzielt en doorleeft, is wat als werking heeft dat de delen niet al tijdens het leven uit elkaar vallen; en wat daarvoor zorgt, noemen wij het astrale element in de mens.

Wanneer je dit leest, schrik je even, want we hadden nu net gezien dat dat ‘volgend fundamentele’ door Steiner ‘etherlijf wordt genoemd. 
Dat komt omdat deze voordracht vooral gaat over lichaam, ziel en geest; Steiner stapt hier van lichaam naar ziel, wat zal blijken.

Wir können ganz genau sagen, was das astrale Element im Menschen ist. Es ist das, was alle Menschen, die ein solches Element in sich haben, dazu veranlaßt, in sich etwas geschehen zu lassen, was wir im weitesten Sinne mit Lust und Unlust bezeichnen. Lust und Unlust ist etwas, was in unserem Körper und in den Körpern, welche in astraler Beziehung uns ähnlich sind, auftritt und was nicht bewirkt werden kann durch die chemischen und physikalischen Stoffe.

We kunnen vrij precies zeggen wat het astrale element in de mens is. Het zorg ervoor dat bij alle mensen die dit wezenlijke deel in zich hebben er iets gebeurt wat wij in de ruimste zin als lust en onlust kunnen bestempelen. [In de artikelen ‘Rudolf Steiner over het astraallijf’ vind je veel meer karakteriseringen bij ‘,lust en onlust’: zie: 1-7-2/4-2

Nehmen Sie einen Kristall oder irgendeine andere aus chemischen Stoffen zusammengesetzte physische Substanz. Alles kann mit ihm vorgehen, was sonst im Physischen vorgeht, nicht aber Lust und Unlust. Das ist nur im Menschen selbst zu finden und in denjenigen Wesen, die so wie der Mensch organisiert sind. Diese Wesen sind durchsetzt von einem Elemente, welches Lust und Unlust empfinden kann. Wenn Sie einen Stein stoßen, so wird er weiterfliegen oder irgendwo auffallen und einen Eindruck machen. Wenn Sie ein solches Naturobjekt in dieser oder in einer anderen Weise beeindrucken, so können Sie das von außen sehen; sie können es sogar einem Vorgang unterwerfen, der es zerstört, aber es wird nie Lust oder Unlust empfinden. Lust und Unlust reichen so weit, wie die astrale Welt reicht. Und genauso, wie ich durch die in mir sich vollziehenden Prozesse chemischer und physikalischer Art der äußeren Welt angehöre, so habe ich wirklich und real alle die verschiedenen Nuancen von Lust und Unlust in mir, und durch diese verschiedenen Nuancen und Erscheinungen von Lust und Unlust gehöre ich einer Welt an, die unsere körperliche Welt durchsetzt und durchseelt und die ebenso außer mir ist und was uns fortwährend durchzieht und durchgeistigt 

Neem eens een kristal of een of ander uit chemische stoffen samengestelde fysieke substantie. Daar kan van alles mee gebeuren wat normaliter in de fysieke wereld voorvalt, maar er is geen lust en onlust. Die zijn alleen in de mens zelf te vinden en in de wezens die zoals de mens hun organisatie hebben. Deze wezens zijn doortrokken door een element dat lust en onlust kan ervaren. Wanneer je tegen een steen stoot, zal deze verder rollen of ergens vanaf vallen en een afdruk maken. Wanneer je op zo’n natuurvoorwerp druk uitoefent, kan je dat vanbuiten zien; je kan er zo mee omgaan dat je het vernielt, maar het zal nooit lust of onlust ervaren. Lust en onlust zijn er zo veel als de astrale wereld reikt. En net zoals ik door de processen in mij die van chemische en fysische aard zijn, bij de uiterlijke wereld hoor, heb ik echt en werkelijk al de verschillende nuances van lust en onlust in mij en door deze verschillende nuances en verschijnselen van lust en onlust behoor ik tot een wereld die onze fysieke wereld doordringt en bezielt en die net zo buiten mij is als in mij.
GA 88/22-24
Niet vertaald

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het fysieke lichaam

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3123-2936

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jargon

.
Als we ons verdiepen in de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie krijgen we te maken met het woordgebruik van Steiner. Telkens zal hij benadrukken dat de inhouden van de geestelijke wereld net zo exact beschreven moeten worden als de natuurwetenschap haar inhouden beschrijft. Daar horen nu eenmaal bepaalde woorden bij. Hoe hanteer je die.
Jesse Mulder heeft er interessante gezichtspunten over.
.

Jesse Mulder, Motief nr. 259, februari 2022
.

Mooie woorden jargon, en levende inhoud

In de antroposofische beweging (in brede zin) kun je allerlei mooie woorden tegenkomen. Zoals ‘hoofd, hart, en handen’, of ‘vitale voeding van een vruchtbare bodem’, of ‘antroposofie middenin de samenleving’. Daarnaast zijn daar ook moeilijke woorden te vinden, bijvoorbeeld ‘kamaloka’, ‘Oude Saturnus’, ‘pralaya’, of ‘maankarma’.

Menigeen stoort zich aan dergelijke moeilijke woorden, aan het antroposofisch ‘jargon’: dat schrikt af, en roept misschien zelfs wel het afschrikwekkende beeld van de wereldvreemde GA-kenner op! Is het niet veel beter om al dat jargon te schrappen, en de antroposofische inzichten om te zetten in mooie woorden, woorden waar mensen toegang toe hebben, woorden die niet meteen een belemmering vormen, woorden waar een veel bredere groep van mensen onmiddellijk blij van kan worden?

Mooie woorden kun je natuurlijk gebruiken om mensen aan te spreken op iets dat ze, meer of minder bewust, zoeken. Bijvoorbeeld een geneeskunde die niet uitsluitend materialistisch-technisch denkt, of een pedagogiek die verder gaat dan het aanleren van intellectuele vaardigheden en kennis.

Rudolf Steiner gebruikte zelf geregeld mooie woorden voor de titels van zijn openbare voordrachten, waarin mensen kennis konden maken met antroposofie. Woorden die de mensen konden aanspreken op vragen waar ze, meer of minder bewust, mee leven. Zoals “Geest en stof, leven en dood”, of “De eeuwige krachten van de mensenziel”, of “De verborgen diepten van het zielenleven”. [1] Rudolf Steiner bezigde in dergelijke openbare voordrachten ook niet zomaar het antroposofische ‘jargon’, maar introduceerde onbekende termen altijd zorgvuldig, aansluitend bij zijn publiek, niet in droge, abstracte definities, maar in levendige kenschetsen.

Zo kunnen mooie woorden inderdaad een belangrijke functie hebben ‘aan de poort’. Dat mensen aangesproken werden door Rudolf Steiners voordrachtstitels wil natuurlijk niet zeggen dat ze vervolgens ook iets met de inhoud van die voordrachten konden. Wie dat wel kon, ontdekte daarmee dat antroposofie hem verder kon helpen met de innerlijke vragen die door die mooie woorden waren aangesproken. Zo kan een verhouding tot antroposofie ontstaan en groeien. Wie dat niet kon, kon dan de antroposofie als irrelevant terzijde schuiven. Even goede vrienden, zou je kunnen zeggen.

Maar met het gebruik van mooie woorden komt ook een gevaar mee. Je kunt het gemakkelijk eens worden met anderen als je mooie woorden gebruikt. Je kunt zo de schijn oproepen van een inhoudelijke en gevoelsmatige overeenstemming.

Positief mensbeeld

Zo kun je ook spreken over het antroposofische mensbeeld als een ‘positief mensbeeld’, dat de spirituele kant van de mens volledig erkent, en ieder mens als een uniek, in wezen goed en sociaal individu ziet dat je niet kunt terugvoeren tot een of andere optelsom van nature en nurture. Strooi daar nog wat ‘persoonlijk leiderschap’, ‘innerlijke groei’, en ‘ontwikkelingspotentieel’ overheen, en je kunt er bij een heel breed publiek, en bij een breed scala aan maatschappelijke stromingen, mee aankomen. “Kijk”, zo kun je dan zeggen, “we liggen met ons antroposofische mensbeeld helemaal niet zo ver van al die bredere maatschappelijke stromingen af!” Zo lijkt het eerdere beeld zich te bevestigen: “antroposofen zijn te veel tot stoffige, wereldvreemde boekengeleerden geworden, en ja, dat schept afstand, maar als we ‘antroposofie doen’, de wereld in gaan, de juiste woorden zoeken om verbinding met de mensen te leggen, ja, dan zie je maar weer dat de wereld ons omarmt!”

Mooie woorden kunnen echter uitstekend maskeren waar het eigenlijk om gaat. Zij zijn eigenlijk niets meer dan frasen, waar iedereen zich fijn bij voelt, maar die eigenlijk geen levende inhoud hebben. Als iemand uitsluitend door mooie woorden in aanraking komt met antroposofie, dan kan het al gauw gebeuren dat de daadwerkelijke inhoud ervan ineens vreselijk afschrikt.

En – zeg nu zelf, wat heeft de wereld eigenlijk aan antroposofie, als die zich uiteindelijk alleen maar wil conformeren aan wat mensen toch al denken en voelen? [2] Is het niet juist de impuls van de antroposofie om “het leven van de wereld in zijn fundamenten te vernieuwen” zoals Rudolf Steiner het in een toespraak voor jongeren in Arnhem ooit kernachtig en daadkrachtig samenvatte?[3]  

Vier wezensdelen

Welke woorden ‘mooi’ zijn is afhankelijk van de context, en als dat een wetenschappelijke context is dan kunnen mooie woorden ook juist de vorm krijgen van een ander ‘jargon’, namelijk dat van de huidige wetenschap (in brede zin). Zo kun je, om de antroposofische ‘leer’ van de vier wezensdelen in een wetenschappelijke context te plaatsen, niet zonder meer gaan spreken van fysiek lichaam, etherlichaam, astraallichaam en ik. Maar je kunt, ogenschijnlijk, best een eind komen door in plaats daarvan te gaan spreken over ‘niveaus van organisatie’. Er is niet alleen fysieke organisatie, zo zeggen we dan, maar levende wezens doen ook aan zelforganisatie (biologische organisatie), en verder is er bij dieren sprake van het niveau van bewustzijn, dat je de organisatie van zintuigindrukken, lust en leed, en impulsen of instinct kunt noemen. En tot slot is er het reflectieve niveau van organisatie waar wij mensen als zelfbewuste wezens over beschikken. Met dergelijke fraseringen kun je algauw goede vrienden worden met een breed scala aan wetenschappers die zich op een of andere manier tegen het heersende materialistische paradigma willen verzetten. Het punt is alleen dat je ook hier dan weer hoogstens een schijnovereenstemming bereikt – in ieder geval doorgaans. Want (en hier spreek ik uit enige ervaring) dergelijke wetenschappers willen weliswaar weg van het materialisme en reductionisme, maar ze willen doorgaans eigenlijk vasthouden aan het beeld van wetenschap en wetenschappelijkheid dat nu heersend is. En in dat beeld past geen bovenzinnelijke wereld. Door die dan een ‘niveau van organisatie’ te noemen creëer je een rookgordijn: zo’n ‘niveau van organisatie’ klinkt geheel wetenschappelijk acceptabel, terwijl wat je onder die term verstaat resoluut afgewezen zal worden.

Mooie woorden zijn als het cadeaupapier waar je datgene waar het om gaat – de inhoud – in verpakt. Een mooi cadeaupapier kan veel mensen aanspreken. Maar de wezenlijke vraag is of ze dat wat ingepakt zit serieus willen nemen. “Antroposofie moet wachten”, zo schreef Rudolf Steiner eens, “of er iemand komt, die haar wil opnemen. Een dwang, of zelfs slechts de wil om de ander te overtuigen, mag hier geen rol spelen.” [4] En dat is wat hier eigenlijk aan de hand is: het is in wezen een poging om een ongewenst cadeau toch op het verjaardagsfeest naar binnen te smokkelen door het in een fleurig papiertje te verpakken en van een mooie strik te voorzien.

Zonder cadeaupapier

Wat dat betreft is het eigenlijk veel vruchtbaarder om ‘met de deur in huis te vallen’, als je benieuwd bent of je gesprekspartner misschien interesse heeft in concrete geesteswetenschap. Als je wilt weten of diegene echt openstaat voor antroposofie, levert een openhartige benadering, dus zonder cadeaupapier, meteen duidelijkheid. Is dat de insteek die je kiest, dan is de vier-ledigheid van de mens misschien juist niet de meest geschikte ingang. Dat lijkt misschien zo, precies omdat je die in algemeen acceptabele termen, zonder antroposofisch jargon, om lijkt te kunnen zetten. Maar als je met de deur in huis wilt vallen, kun je eigenlijk veel beter beginnen bij, bijvoorbeeld, reïncarnatie. Interessant genoeg laat de reïncarnatiegedachte zich namelijk helemaal niet zo gemakkelijk ‘mooi praten’ in termen van organisatieniveaus of iets dergelijks. Dat komt doordat je dan toch echt niet ontkomt aan de concrete voorstelling van de mens als een niet-fysiek maar toch concreet-individueel geestelijk wezen, dat zich na de dood ‘ergens’ in het niet-fysieke – de geestelijke wereld – moet ophouden, om dan later weer opnieuw te incarneren. En daarmee heb je ook meteen de gedachte op tafel gelegd van een concrete, geestelijke werkelijkheid die ingrijpt in de zichtbare, fysieke werkelijkheid – in ieder geval daar waar een mensenkind geboren wordt.

Voor de duidelijkheid: net zoals ik geen vlammend betoog wil houden voor stoffige boekengeleerdheid en wereldvreemdheid, wil ik ook geen vurig pleidooi leveren voor het ongebreideld hanteren van antroposofisch jargon. Want er is niets bekrompeners dan een misplaatst gebruik van jargon. Daar kun je hoogstens mee imponeren, of afschrikken, of pronken – maar niemand schiet er iets mee op, en de antroposofie zelf allerminst. Rudolf Steiner zelf was daar ook niet van gediend. Hij vond het al zeer bedenkelijk dat mensen steeds maar weer hun uitspraken vooraf lieten gaan door fraseringen als “Volgens de antroposofie …” [5] Liever wilde hij dat het woord ‘antroposofie’ überhaupt niet zo veel gebezigd werd.

Dat was alleen geen uitnodiging om in plaats daarvan ‘mooie woorden’ te gaan gebruiken. Het was een uitnodiging tot openhartigheid, een uitnodiging om je direct uit spreken, en je niet te verschuilen achter de kwalificatie “Volgens de antroposofie …” alsof je ‘alleen maar’ weergeeft wat de mening van ‘de antroposofie’ zou zijn. En het was vooral ook een uitnodiging om direct te zeggen waar het je om gaat, en niet in holle frasen te vervallen. “Alleen wie eigenlijk niet echt thuis is in de inhoud, is gebonden aan een of andere terminologie”, merkte Steiner in dit verband verderop. [6] Als je houvast in de woorden ligt, en niet in de inhoud, dan worden de woorden tot ‘jargon’ in de bedenkelijke zin van het woord, tot holle frasen. Als je houvast in de inhoud zelf ligt, dan kun je de woorden kiezen zoals je wilt, omdat je dan steeds kunt zorgen dat het wezenlijke daarin tot uitdrukking komt.

Zo vertelt Rudolf Steiner eens: “Wat denkt u, hoeveel welwillende mensen niet naar mij toe zijn gekomen om te zeggen: ‘ach, dat woord, etherlichaam, dat schrikt de mensen af! Kunnen we niet zeggen: het functionele in het menselijk organisme?’ – Nu heeft dat alleen geen enkele inhoud. Met de frase ‘het functionele in het menselijk organisme’ is helemaal niets gezegd. Terwijl als je spreekt van het etherlichaam, het onderscheid hierin bestaat: voor het fysieke lichaam zijn uiteindelijk alle krachten terug te voeren op krachten die de richting van de zwaartekracht hebben [dus richting de aarde], terwijl in het etherlichaam alle krachten terug te voeren zijn op de periferie [dus richting de kosmos]… Daar heeft u het onderscheid. Maar onder ‘het functionele in het menselijke organisme’ zal niemand dit fundamentele onderscheid verstaan.” [7]

Krachten uit de periferie

‘Het functionele in het menselijk organisme’ heeft, net als het ‘biologische niveau van organisatie’, vrijwel geen inhoud. Het zijn mooie woorden, van de wetenschappelijke variant. Het is uitermate interessant wat Rudolf Steiner in dit citaat als alternatief geeft: “krachten die terug te voeren zijn op de periferie”. Want het ligt erg voor de hand om daarbij te denken: “nou, aan die zinsnede heb ik toch eigenlijk ook niet zo veel!” En zo is het ook: wat met de term ‘etherlichaam’ bedoeld wordt is een inhoud die we vanuit ons zintuiglijke aardebewustzijn helemaal niet zomaar beschikbaar hebben – we nemen immers geen etherlichamen waar. Daarin onderscheiden antroposofische begrippen zich nu juist van de begrippen die we gewend zijn. Het kost moeite om je zulke begrippen eigen te maken. Voor zover dat lukt, kunnen we ons iets gaan voorstellen onder deze ‘krachten die terug te voeren zijn op de periferie’. Wat we ons daar kunnen gaan voorstellen, kunnen we dan ook met het woord ‘etherlichaam’ verbinden. En zodra we dat kunnen, kunnen we vrijelijk het jargon van het ‘etherlichaam’ gebruiken, of niet gebruiken, afhankelijk van de context – zonder dat we het wezenlijke, de inhoud die we ons met moeite verworven hebben, uit het oog verliezen.

Antroposofisch jargon vervangen door mooie woorden heeft geen waarde. Jargon ontstaat omdat woorden nodig zijn die een bepaalde inhoud omvatten. Waar het om moeilijke, gecompliceerde, of ongebruikelijke inhoud gaat, is er al snel het gevaar dat het jargon als holle frase gehanteerd wordt, dus zonder dat daarmee de bedoelde inhoud aan het licht komt. Dat is een kwalijke zaak, en het is zeker waar dat antroposofen zich daar geregeld schuldig aan maken. Datzelfde geldt overigens ook voor andere vormen van jargon, zoals wetenschappelijk jargon – het is bijvoorbeeld opvallend hoe vaak mensen ‘aan de haal gaan’ met neurowetenschappelijk jargon, of met terminologie uit de kwantumfysica. Daar is de antroposofie dus zeker niet uniek in. Het is een hele kunst om antroposofische inhoud in woorden te gieten, en natuurlijk is die inhoud niet essentieel afhankelijk van de ene of andere term, zoals ‘etherlichaam’. Ook dat geldt voor andere vormen van jargon: zo spreekt de atoomfysicus van ‘quarks’, een term die hij natuurlijk zou kunnen weglaten en omschrijven. Het is alleen wel erg handig om aan te sluiten bij het bestaande jargon, zodat mensen de nodige verbanden kunnen leggen, en zich niet onnodig hoeven af te vragen: “heeft hij het nou over quarks …?” Door jargon angstvallig te ontwijken kun je zo ook veel verwarring stichten. En mooie woorden kunnen die verwarring dan hoogstens verdoezelen.

Woorden, of ze nu mooi zijn of lelijk, krijgen hun leven niet vanzelf: het is onze levende mensenziel die de woorden tot levende uitdrukking van de geest kan maken – en dat geldt voor zowel spreker als luisteraar, voor zowel schrijver als lezer.

1 Dit zijn titels van voordrachten op respectievelijk 15 februari 1917 (in GA 66), 3 december 1915 (in GA 65), en 23 november 1911 (in GA 61). Ik kwam hierop door op goed geluk een aantal GA’s met openbare voordrachten open te slaan.

2 Of, zoals Steiner het zelf formuleert: “Als je voor de mensen de antroposofie gaat inkleden in ‘wat de pastoor ook zegt’, dan weten de mensen helemaal niet meer, wat je nu eigenlijk van ze wil.” (GA 260, p.90). De pastoor speelt intussen uiteraard niet meer de rol die deze in Steiners tijd en context speelde. Maar het principe is hetzelfde.

3 Deze uitspraak deed Steiner in een toespraak voor jonge mensen in Arnhem, op 20 juli 1924. In GA 217a (p.183).

4 GA 260a, p.42. “An die Mitglieder! II. Das rechte Verhältnis der Gesellschaft zur Anthroposophie”, in het Nachrichtenblatt, 27 januari 1924.

5 In dit verband vertelt Rudolf Steiner eens dat hij bij wijze van experiment in geen van zijn voordrachten tijdens het grote West-Oost-congres in Wenen in 1922 het woord ‘antroposofie’ gebruikt heeft (zie GA 257, p.136).

6 GA 260, p.89. Bij een vergadering van bestuur en secretarissen-generaal tijdens de Kerstbijeenkomst op 25 december 1923.

7 GA 260, p.90.

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3122-2935

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (91)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

.

DE KINDERKARAVAAN

De schrijfster las een krantenartikel over een groep kinderen die rond 1844 in de pioniersfase van het Wilde Westen een ongelofelijke trektocht hadden gemaakt. Zij ging op onderzoek uit en verzamelde meer feiten. Hiermee schreef ze haar ‘Kinderkaravaan’. 
Tijdens de ‘oversteek’ naar een toekomstig land sterven vader en moeder van het gezin van wie John de oudste is. Hij besluit verder te gaan. Een beslissing die bijna de dood wordt van zijn andere broer en zusjes, waaronder een baby.
De gevaren zijn groot: vijandige indianen, wilde beren, een ruige, soms ontoegankelijke natuur, wilde stromen en de winter met kou en sneeuw. En de vermoeidheid, de honger, de angst.
Hoe overleven ze dat allemaal. An Rutgers van der Loeff neemt je mee op deze spannende tocht en met haar schrijfstijl houdt ze je stevig in de greep van deze barre reis. 

An Rutgers van der Loeff
Ill. Carl Hollander

Boek

Uitgeverij Ploegsma

ca 11jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

3121-2934

.

.

.

Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 300B)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn ‘wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

Maar dat niet alleen!

In verschillende voordrachten – niet in alle – over handvaardigheid probeert Steiner ook een gevoel op te roepen voor wat ‘kunstzinnige vorm’ is, of zou kunnen/moeten zijn.
Als leerkracht kunnen we met zijn aanwijzingen ons gevoel daarvoor ontwikkelen. 
M.i. ligt er wel een gevaar op de loer, n.l. dat je hierin te star of te dogmatisch kan worden. Het is ook manoeuvreren tussen ‘kunst en kitsch’. 

In de vergaderingen met de leerkrachten worden aan Steiner allerlei vragen gesteld. Voor mij zijn niet alle antwoorden duidelijk.
Vaak krijg ik de indruk dat een preciezere context ontbreekt of dat niet alles op een duidelijke manier in aantekeningen terecht is gekomen.
M.a.w. de antwoorden roepen weer nieuwe vragen op.
Ook wordt dat nog versterkt doordat ik niet weet wat sommige begrippen van toen, nu daadwerkelijk inhouden.

GA 300B

Blz. 27    vergadering van 17-06-1921

Nun muß der Handfertigkeitsunterricht hinübergezogen werden nach dem wirklich Künstlerischen. Das haben Sie schon getan mit dem Modellieren. Das kann man abwechseln lassen mit Malen; daß Sie mit denen, die geschickt dazu sind, malen. Bei denjenigen, die jetzt in die 10. Klasse kommen, kann man Rücksicht nehmen, daß wir sie haben werden wie am Gymnasium; durch das können wir ins Künstlerische und Kunstgewerbliche hinüberkommen. Ich meine, daß wir da noch etwas wie eine Art Ästhetisches brauchen, und da könnte der Dr. Schwebsch eintreten, daß er die ästhetische Verbin­dung herstellt zwischen dem Plastisch-Malerischen und dem Musikalischen

Nu moet het handvaardigheidsonderwijs op het niveau komen van het echt kunstzinnige. Dat hebt u al gedaan met het boetseren. Dat kun je afwisselen met schilderen; dat u met degenen kan doen die dat kunnen. Bij degenen die nu in de 10e klas komen, kunnen we er rekening mee houden dat we ze hebben tot aan het gymnasium; daardoor kunnen we tot het kunstzinnige en het ambachtelijke komen. Ik ben van mening dat we daar nog iets esthetisch bij kunnen gebruiken en daar zou Dr. Schwebsch kunnen beginnen om de esthetische verbinding te leggen tussen het plastisch-schilderende en het muzikale.

Blz. 28

Mit dem Musikalischen hat er sich viel beschäftigt. In der Musikästhetik – was in den Elementen auftreten müßte -, da müßten Sie zusammen eine Art Subkollegium bilden: Handfertig­keitsunterricht, der ins Kunstgewerbliche hinübergeht und dann ins Musikalische, daß das Ästhetische, nicht das Musiktheoretische gepflegt wird. Ich würde doch meinen, daß man möglichst früh den Kindern den Begriff beibringt, wann ein Sessel schön ist, wann ein Tisch schön ist. Daß Sie es so machen, daß der Unfug aufhört, daß ein Stuhl schön sein soll für das Auge. Der Stuhl, man will ihn fühlen, wenn man sich darauf setzt, will seine Schönheit fühlen. Geradeso wie ich es gestern im Handarbeitsunterricht gesagt habe, daß die Kinder fühlen sollen, daß, wenn etwas aufgemacht wird nach der einen Seite, daß das auch in der Stickerei empfunden wird. Ich glaube überhaupt, es werden jetzt die Dinge etwas zusammenwach­sen. Sie werden etwas zusammenwachsen: Handarbeitsunterricht, Handfertigkeitsunterricht, das künstlerische Empfinden und Musik. Das muß natürlich ordentlich gemacht werden, daß man diese Dinge überwindet.

Hij is veel bezig geweest met het muzikale. Voor het esthetische in de muziek – wat in de wezenlijke onderdelen moet aanwezig moet zijn – zou u een soort deelcollege kunnen vormen: handvaardigheid die in het ambachtelijke overgaat en dan in het muzikale; dat het esthetische verzorgd wordt, niet het muziektheoretische. Ik bedoel toch dat je de kinderen zo mogelijk al snel het begrip bijbrengt wanneer een stoel mooi is, wanneer een tafel mooi is. Dat je het zo doet, dat de onzin verdwijnt dat een stoel mooi moet zijn voor het oog. Een stoel wil je voelen als je erop gaat zitten, je wil de schoonheid voelen. Net zo als ik gisteren in de handarbeidles heb gezegd dat de kinderen moeten voelen dat als je naar de ene kind een opening maakt, dat ook bij het borduren wordt ervaren. Ik geloof wel dat de dingen nu samenkomen. Ze zullen wel samenkomen: handarbeid, handvaardigheid, het kunstzinnige beleven en muziek. Dat moet natuurlijk op een goede manier gedaan worden, zodat deze dingen overwonnen worden. 
GA 300B/27-28
Niet vertaald

Blz. 51   vergadering van 16-1-1921

In een vergadering kunnen vragen (en antwoorden) door elkaar heen lopen. Wanneer Steiner hier antwoord geeft op onderdelen van het schilderen, noemt hij ook iets voor het handwerken.

Ein gründliches Farbenvertie­fen kommt dann heraus, wenn das Kind eine Farbe verändern muß und alles andere danach richten muß, zum Beispiel auf einer Tasche oder irgend etwas anderem, dieses dann ausnäht und ausstickt, so daß das Betreffende gerade am rechten Fleck sitzt.

Er ontstaat een grondige (belevings)verdieping van de kleur wanneer het kind een kleur moet veranderen en al het andere daarop moet richten, bijv. op een tasje of iets anders, dit dan naaiend of bordurend uitwerkt, zodat waar het om gaat op de juiste plaats zit. 
GA 300B/51
Niet vertaald

Blz. 290   vergadering 14-02-1923

X: Die Kinder haben oft gefragt, was der tiefere Sinn wäre des Spinnen-lernens.

De kinderen hebben al dikwijls gevraagd wat de diepere zin is van het leren spinnen.

Dr. Steiner: Das fügt sich in ihr Seelenleben ganz ausgezeichnet ein, und sie lernen dadurch das praktische Leben wirklich kennen. Man lernt nicht das praktische Leben wirklich kennen, wenn man sich eine Sache bloß anschaut, sondern wenn man es so ausführt, wie es in Wirklichkeit ausgeführt wird. Die Kinder sollen bloß bemerken: ein Paar Stiefel machen lernen kann man auch in acht Tagen, aber Schusterlehrling müßte man drei Jahre sein.

Dr.Steiner: dat past heel goed bij hun gevoelsleven en daardoor leren ze het praktische leven echt kennen. Dat leer je niet als je alleen maar naar de dingen kijkt, wél als je het zo doet als het in het echt gebeurt. De kinderen hoeven alleen maar te ervaren: een paar laarzen leren maken kan je ook in acht dagen, maar schoenmakersleerling moet je wel drie jaar zijn.
GA 300B/270
Niet vertaald

Rudolf Steiner over handvaardigheid

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3120-2933

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ahriman in het onderwijs (7-3/2-1)

.
In het artikel ‘Ahriman in het onderwijs’ (7-3/2) gaf ik de gezichtspunten van Steiner weer uit GA 296.
Hij merkt daarin op dat het tegenwicht tegen het ‘boos worden van de intelligentie’ is om ‘de Christus in je op te nemen’.

Voor mij – en voor velen met mij – is dat geen eenvoudige opgave. Hoe doe je dat.

Lezend in het tijdschrift ‘Motief’ van de Antroposofische Vereniging in Nederland kwam ik een boekbespreking tegen van het boek ‘Op weg naar priesterlijk handelen’ van wijlen de antroposofische arts Albert Smit.

De recensent zet het in een kader dat direct te maken heeft met de AViN, maar hij noemt ook andere aspecten die passen bij de vraagstelling n.a.v. GA 296:
.

Wim van Gorcum, Motief 261, april 2022
.

Die Mission der Geisteswissenschaft in unserer Zeit ist, zu eröffnen die Tore zu dem lebendigen Christus.

“Het is de missie (in de zin van opdracht) van de antroposofische geesteswetenschap om in onze tijd de deuren naar de levende Christus te openen.”
GA 152/166 –
Niet vertaald.

Van Gorcum: ‘Deze uitspraak is, hoe mooi ook, enigszins cryptisch. Want hoe doe je dat, je deuren openen naar de levende Christus? In dat licht is het zeer verheugend dat er recentelijk een boekje verschenen is dat poogt een antwoord op deze vraag te geven. De titel luidt: Op weg naar priesterlijk handelen. Het is geschreven door – de inmiddels overleden – Albert Smit die antroposofisch arts was, counselor en leraar menskunde aan een aantal (antroposofische) beroepsopleidingen.

Albert begint zijn boekje met uit te leggen dat wij mensen na het mysterie van Golgotha stap voor stap overgaan van de oude verticaal georiënteerde God-Vader wereld naar de nieuwe God-Zoon wereld, waarin de Christus-impuls vanuit het Ik van ieder individueel mens werkt. De basis van de Christus-impuls is wijsheid en liefde. Met die liefde en wijsheid kunnen we elkaar herkennen, bijstaan, aanvullen en adviseren om op weg te gaan naar het gemeenschappelijk doel: (naar) een nieuwe mensheid. Maar deze overgang kan niet zonder slag of stoot plaatsvinden. Zo ervaren wij mensen in deze tijd – die ook wel de tijd van transformatie genoemd wordt – een grote leegte (Godverlatenheid) die ons op zijn beurt veel zielsnood bezorgt. Om dat het hoofd te bieden, stelt Albert voor om te gaan oefenen met het ontwikkelen van een vorm van sociale kunst, waarin we het Goddelijke in de ander zoeken, zien, opwekken en tot bewustzijn brengen. Albert noemt dit ‘priesterlijk handelen’; een vorm van omgaan met elkaar waarmee we de intermenselijke ruimte met spirituele substantie vullen. Dit is nodig om te voorkomen dat de tegenmachten bezit van die ruimte nemen, hetgeen verarming van moraliteit en menselijkheid tot gevolg heeft. Albert noemt dit ‘Christusdrager’ worden, om zo tot middelaar te worden tussen de geestelijke en de aardewereld. Daarmee maak je jezelf dienstbaar aan het
mensheidsdoel en de ontwikkelingsweg van de ander. Anders gezegd, word je tot een ‘gevende’ in plaats van een ‘nemende’. Daartoe moet je wel de gerichtheid op jezelf in vrijheid offeren.

Voor de mensen van deze tijd lijkt het voorgaande een vrijwel onmogelijke opgave, maar Rudolf Steiner vraagt ons om nu reeds te beginnen met wat wél mogelijk is. Bijvoorbeeld door, heel eenvoudig, oogcontact met de ander te maken met de intentie de ander werkelijk te zien. Albert noemt dat ‘priesterlijk handelen’. Met die intentie kun je ook met de ander in gesprek gaan. Zorg dan datje gesprekspartner zich veilig voelt en laat merken datje zijn of haar Godverlatenheid begrijpt en meevoelt. Luister zodanig dat de ander zich bewust kan worden van zijn levensmotief, gaat inzien dat zijn leven zin heeft en dat hij er, ondanks zijn mislukkingen, mag zijn. Door met je hart te luisteren kun je de ander, die (nog) gevangen zit in de greep van de tegenmachten, helpen. Zo maken we van een onbewuste, mechanische handeling, een heilige.

Op die manier kan de ontmoeting met de ander tot een religieuze handeling worden, de eigenschappen van een sacrament verkrijgen. Wanneer we zo met onze medemensen omgaan zal de Christus-impuls in ons, ons de kracht schenken om elkaar te dragen. Daarmee wordt het karma niet langer alleen een privé-aangelegenheid, maar ook een sociaal-gemeenschappelijke. Een dergelijke priesterlijke manier van omgaan met elkaar ziet Albert als voorwaarde voor de toekomst van de antroposofische beweging en de mensheid.

Tot slot nog een advies. Om de inhoud van dit boekje goed tot je door te kunnen laten dringen, is het aan te raden om het langzaam, bijna meditatief te lezen. Ik kan dit boekje van harte aanbevelen.

Albert Smit, Op weg naar priesterlijk handelen.
Hardcover 119 blz. € 15.
ISBN 9789492326706. Uitgeverij Nearchus / Adventum

.

Ahriman in het onderwijsalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3119-2932

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschoolonderwijs doen? (1-6)

.

HET IMPONDERABELE

Vlinder en ziel

In zijn publicatie ‘Antroposofie doen?’ besteedt de auteur, Jesse Mulder, ook aandacht aan de vrijeschool: ‘Vrijeschoolonderwijs doen? 

In dit artikel kwamen zijn gedachten naar voren.

Nadat Mulder een hypothetische leerkracht heeft opgevoerd om duidelijk te maken dat het niet moeilijk is om aspecten van het vrijeschoolonderwijs ook toe te passen in niet-vrijeschoolonderwijs, stelt hij de vraag of er in dit geval ‘antroposofie gedaan’ wordt of niet:

‘Twee mensen kunnen precies dezelfde vertelstof in hun basisschoolklas hanteren, de verhalen misschien zelfs wel met eenzelfde enthousiasme vertellen. Maar toch is daarmee wat er ‘gedaan’ wordt niet in beide gevallen hetzelfde – niet in beide gevallen wordt er antroposofie gedaan.’

In verschillende pedagogische voordrachten bespreekt Steiner dit verschijnsel.
Dat doet hij bijna altijd met ‘de vlinder en de menselijke ziel’.

Toen ik zijn opmerkingen op me in liet werken, kreeg ik langzamerhand het gevoel dat er een appel werd gedaan op mijn moraliteit: hoe eerlijk ben je in wat je vertelt. Spel je het kind wat (iets moois) op de mouw, of is het jouw innerlijke eigendom. Hoe integer ben je. Hoe oprecht.
En dat – aldus Steiner – voelen de kinderen (en zij niet alleen).
Hij noemt wat zich op dit terrein tussen kind en oudere afspeelt het imponderabele, de onweegbare zaken.

Mulder zegt dan: ‘Zo beschouwd ligt de volgende conclusie nu voor de hand: Om te bepalen of ergens antroposofie gedaan wordt, is het niet voldoende om te bekijken wat er gedaan wordt; we moeten veeleer kijken naar waarom dat gedaan wordt.’

Maar daar zou ik nog aan toe willen voegen: HOE – met welke intentie – wordt het gedaan.

Steiner:

GA 297A   op deze blog vertaald

Erziehung zum Leben
Opvoeding voor het leven

Voordracht 1, Utrecht 24 februari 1921

Erziehungs-, Unterrichts- und praktische lebensfragen vom Gesichtspunkte antrhoroposophischer Geisteswissenschaft.

Opvoedings-, onderwijs- en praktische levensvragen vanuit het standpunt van antroposofische geesteswetenschap

Blz. 23   vert. 23

Man kommt allerdings durch diese Dinge darauf, in welcher, man kann sagen übersinnlichen Art von einer solchen autoritativen Persönlichkeit gewirkt wird. Dafür ein Beispiel. Man könnte sich ausdenken ein Bild – und in Bildern soll man vorzugsweise zu den Kindern vom siebenten bis zum vierzehnten Jahr, namentlich aber bis zum zehnten Jahr sprechen. Nehmen wir irgendein Bild, durch das wir dem Kinde eine Vorstellung, eine Empfindung beibringen wollen über die Unsterblichkeit der Seele. Man kann sich dieses Bild ausdenken. Man kann aber auch das Kind hinweisen auf die Schmetterlingspuppe, wie der Schmetterling auskriecht aus der Puppe. Und man sagt dem Kind: Wie die Puppe ist der menschliche Leib. Der Schmetterling fliegt aus der Puppe heraus. Wenn der Mensch durch den Tod geht, geht die unsterbliche Seele aus dem Leib heraus wie der Schmetterling aus der Schmetterlingspuppe. Sie geht in die geistige Welt über. – Aus einem solchen Bild ist viel zu gewinnen. Aber eine wirkliche Empfindung von der Unsterblich­keit der Seele wird man einem Kind durch ein solches Bild nur unter ganz bestimmten Voraussetzungen beibringen. – Sehen Sie, wenn man sich als Lehrer etwa denkt: Ich bin gescheit, das Kind ist dumm, es muß erst gescheit werden – und man denkt so etwas aus, um dem Kind etwas begreiflich zu machen -, so wird man vielleicht einiges erreichen, aber was das Kind wirklich zur Empfindung der Unsterblichkeit bringt, das erreicht man ganz sicher nicht. Denn nur das wirkt auf das Kind, was man selber glaubt, in dem man selber ganz drinnen steht. Anthroposophisch orientierte Geistes­wissenschaft gibt einem die Möglichkeit, zu sagen: Ich glaube selbst

Je komt door deze dingen op wat op bovenzintuiglijke manier van zo’n persoonlijkheid als autoriteit uitgaat. Daartoe een voorbeeld. Je zou een beeld kunnen bedenken – want je moet een kind van zeven tot veertien, met name tot het tiende jaar voornamelijk in beelden een voorstelling, een gevoel voor iets willen bijbrengen over de onsterfelijkheid van de ziel. Je zou op dit beeld kunnen komen. Je kan het kind ook wijzen op de vlindercocon, hoe de vlinder uit de cocon kruipt. En dan tegen het kind zeggen: de menselijke ziel is als de pop.
De vlinder vliegt uit de pop. Wanneer de mens sterft, verlaat de onsterfelijke ziel het lichaam zoals de vlinder de cocon. Die gaat naar de geestelijke wereld.
Uit zo’n beeld is veel te halen. Maar een echt gevoel voor de onsterfelijkheid van de ziel kan je een kind door zo’n beeld alleen maar onder heel bepaalde voorwaarden meegeven. Wanneer je als leerkracht denkt: ik ben intelligent, het kind onnozel, dat moet nog intelligent worden – en je denkt zo iets uit om het kind iets begrijpelijk te maken – dan zul je misschien wel wat bereiken, maar waardoor een kind werkelijk een gevoel krijgt voor de onsterfelijkheid bereik je er niet mee. Want op een kind werkt alleen waaraan je zelf gelooft, wat helemaal van jou is. Antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap geeft iemand de mogelijkheid om te zeggen: ik geloof zelf

Blz. 24   vert. 24

an dieses Bild; für mich ist dieses Auskriechen des Schmetterlings aus der Puppe durchaus dasjenige, was nicht ich mir ausgedacht habe, sondern was die Natur selber auf einer niedrigeren Stufe hin­stellt für dieselbe Tatsache, die auf einer höheren Stufe das Hervor­gehen der unsterblichen Seele aus dem Leibe ist. Glaube ich selber an das Bild, stehe ich in dem Inhalt des Bildes drinnen, dann wirkt mein Glaube glaubens-, vorstellungs- und empfindungsweckend auf das Kind. Diese Dinge sind durchaus imponderabel.  

in dit beeld; voor mij is de vlinder die uit de cocon kruipt, nu juist niet iets wat ik zelf uitgedacht heb, maar wat door de natuur zelf op een lager niveau is geplaatst voor hetzelfde feit dat op een hoger niveau, het loskomen van de onsterfelijke ziel uit het lichaam is. Wanneer ik zelf in dit beeld geloof, leef ik in de inhoud van het beeld, dan werkt mijn geloof daarin zo dat het bij het kind ook het geloof wekt, de voorstelling en het gevoel. Dit zijn de dingen die zo onweegbaar zijn.
GA 297A/23-24
Op deze blog vertaald/23-24 

Fragenbeantwortungen am pädagogisdche Abend, Darmstadt 28 Juli 1921

Vragenbeantwoording bij de pedagogische avond Darmstadt, 28 juli 1921

Blz. 74/75  vert. 74/75

Ich gebrauche sehr häufig ein solches Beispiel wie dieses: Neh­men wir an, wir wollen dem Kinde beibringen einen Begriff – man kann das rein aus der Erkenntnis der Psychologie des Kindes heraus in einem bestimmten Lebensalter -: den Begriff der Unsterblichkeit. Man kann das versinnlichen an Naturvorgängen, zum Beispiel an dem Schmetterling in der Puppe. Man kann sagen: So steckt die unsterbliche Seele im Menschen darinnen, wie der Schmetterling in er Puppe, nur daß sie sich in eine geistige Welt hinein entwickelt, wie sich der Schmetterling aus der Puppe entwickelt. – Das ist ein Bild. Man wird dieses Bild dem Kinde beibringen können auf zwei verschiedene Weisen. Die erste ist diese, daß man sich denkt: Ich bin der Lehrer, ich bin ungeheuer gescheit; das Kind ist jung und furchtbar dumm. Ich werde dem Kinde also dieses Symbolum hin­stellen für diesen Begriff. Ich bin selbstverständlich über die Sache längst hinaus, aber das Kind soll auf diese Weise die Unsterblichkeit der Seele begreifen. Nun expliziere ich das in intellektualistischer Weise. – Das ist die Weise, durch die das Kind nichts lernt; nicht weil das Vorgebrachte falsch wäre, sondern weil man nicht in der richtigen Weise eingestellt ist auf das Kind. Wenn ich mich in an­throposophische Geisteswissenschaft einlebe, so ist das nicht ein Bild, durch das ich mich gescheiter fühle als das Kind, sondern eine Wahrheit. Die Natur selber hat auf einer niedrigeren Stufe den Schmetterling, der sich aus der Puppe entwickelt, hingestellt, auf einer höheren Stufe den Durchgang durch die Pforte des Todes. Bringe ich das, was in mir so lebendig lebt, zum Kinde, dann hat das Kind etwas davon.
Man kann nicht bloß sagen, man solle das so oder so machen, sondern auf Imponderabilien kommt es an, auf eine gewisse Seelen-verfassung, die man selber hat als Lehrer – die ist das Wichtige.

Ik gebruik heel vaak dit beeld: laten we eens aannemen dat we het kind  – dat kan je zuiver kinderpsychologisch gezien op een bepaalde leeftijd doen – een begrip bij willen brengen van de onsterfelijkheid. Dat kan je in een beeld uit de natuur kleden, bv. in dat van de vlinder en de cocon. Je kan zeggen: ‘De onsterfelijke ziel zit net zo in de mens als de vlinder in cocon, zij het dat die zich in een geestelijke wereld ontwikkelt, zoals de vlinder zich vanuit de cocon ontwikkelt. Dat is een beeld. Je kan dit beeld op twee verschillende manieren aan een kind geven. De eerste is deze: je denkt dan: ‘Ik ben de leerkracht, ik ben heel intelligent, het kind is jong en vreselijk onnozel. Ik zal het kind dan dus maar dit symbool voorleggen voor dit begrip. Ik ben vanzelfsprekend al veel verder dan zoiets, maar het kind moet op deze manier de onsterfelijkheid van de ziel dan maar begrijpen.’ Ik leg het intellectualistisch uit.
Dat is een manier waardoor het kind niets leert, niet omdat het onderwerp verkeerd is, maar omdat de instelling naar het kind niet juist is. Wanneer ik mij inleef in de antroposofische geesteswetenschap, is dit geen beeld waarmee ik me slimmer voel dan het kind, maar een waarheid. De natuur zelf heeft de vlinder die zich uit de cocon ontwikkelt, op een lager niveau gezet; op een hoger niveau het door de poort van de dood gaan. Wanneer ik iets wat in mij zo leeft, overbreng aan een kind, dan neemt een kind daarvan iets op.
Je kan niet simpelweg zeggen dit of dat moet je zus of zo doen, maar het gaat om het imponderabele, om een bepaalde zielenstemming die je als leraar hebt, die is het belangrijkste.
GA 297A/74-75
Op deze blog vertaald/74-75

Voordracht 5, Den Haag 4 november 1922

Die religiöse und sittliche Erziehung im Lichte der Anthroposophie
Het morele en religieuze in de opvoeding

Blz. 150/151   vert.

Ich möchte Ihnen wiederum durch ein Beispiel illustrieren, was ich sagen will. Nehmen wir einmal an, ein Lehrer hätte die Aufgabe, einem Kinde in kindlicher, einfacher Form etwas beizubringen über die Unsterblichkeit der Menschenseele. Das muß man dem Kinde, das zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife vorzugs­weise auf die Entgegennahme von Bildern – noch nicht von abstrak­ten Begriffen – eingestellt ist und das alles auf selbstverständliche Autorität hinnehmen will, eben durch ein Bild beibringen.
Nun kann man dieses Bild in einer zweifachen Weise an das Kind herantreten lassen. Man kann sagen: Ich, der Lehrer, bin furchtbar gescheit. Das Kind ist noch furchtbar töricht. Ich habe es zu unterrichten über die Unsterblichkeit der Seele. Ich werde ein Bild gebrauchen. Ich werde dem Kinde sagen: Sieh dir einmal die Schmetterlingspuppe an, da kriecht der Schmetterling heraus. Der kriecht als ein sichtbares Wesen heraus. Ebenso, wie der Schmetter­ling als ein sichtbares Wesen aus der Schmetterlingspuppe her­auskriecht, so löst sich deine Seele im Tode von dem physischen Leib wie aus dem Puppenzustande, fliegt in die geistige Welt.
Ich sage selbstverständlich nicht, daß das ein philosophischer Beweis ist. Das ist er ganz gewiß nicht. Aber eine Anschauung kann man dadurch dem Kinde beibringen. Ich kann das – wie gesagt – so machen, wie ich es eben beschrieben habe. Ich sage, ich weiß das alles gut, denn ich bin gescheit, das Kind ist dumm. Ich bringe das dem Kinde bei. Es ist ein törichter Vergleich, aber das Kind soll daran glauben.
Nun, meine verehrten Anwesenden, man wird nichts erreichen, wenn man in dieser Weise an das Kind herankommt, denn das Kind wird sich vielleicht gedächtnismäßig das merken; aber dasjenige, was man erreichen soll, Hebung des Seelenniveaus, Erfüllung der Seele mit einem lebenskräftigen Inhalte, das kann man auf diese Weise nicht. Aber man kann es auf andere Weise, wenn man sich jetzt nicht sagt: Du bist gescheit als Lehrer, das Kind ist töricht, sondern wenn man sich sagt – verzeihen Sie, wenn ich so paradox spreche -: Vielleicht ist das Kind sogar in den unterbewußten Tie­fen seiner Seele viel gescheiter als du bist. Vielleicht bist du der Tö­richte, und das Kind ist gescheiter. – In gewisser Beziehung stimmt das ja, denn wer weiß, wie die noch unausgebildeten inneren Orga­ne, namentlich das Gehirn, von der noch unbewußten Seele, träu­menden Seele des Kindes gestaltet werden, wie da eine ungeheuer bedeutsame Weisheit gerade in den frühesten Kindesjahren gestal­tet. Wer eine Einschätzung für solche Dinge hat, wer nicht ein plumper Philister ist und für solche Dinge keine Schätzung haben kann, der sagt sich dennoch: Alle unsere Weisheit, die wir uns im

Ik wil u weer door een voorbeeld laten zien, wat ik wil zeggen. Laten we eens aannemen dat een leerkracht de taak heeft om een kind op het niveau van een kind, op een eenvoudige manier, iets te leren over de onsterfelijkheid van de mensenziel. Dat moet aan het kind dat tussen de tandenwisseling en de puberteit voornamelijk ingesteld is op het opnemen van beelden – nog niet van abstracte begrippen – en dat alles wil aannemen op gezag van een vanzelfsprekende autoriteit, dus door een beeld gegeven worden.
Nu kun je op tweeërlei manier met een beeld bij het kind aankomen. Je kan zeggen: ik, de leerkracht, ik ben ontzettend intelligent. Het kind is nog ontzettend onnozel. Ik moet het wat bijbrengen over de onsterfelijkheid van de ziel. Ik zal een beeld gebruiken. Ik ga tegen het kind zeggen: Kijk eens naar de pop van een vlinder, daar kruipt een vlinder uit. 
Die komt eruit en die is zichtbaar. Net zoals de vlinder als een zichtbaar iets uit de pop kruipt, zo maakt je ziel zich los van je lichaam als je doodgaat, net als uit een toestand van de pop, en vliegt de geestelijke wereld in. 
Vanzelfsprekend zeg ik niet dat het een filosofisch bewijs is. Dat is het zeker niet. Maar je kan het kind er wel een weergave van geven. Dat kan ik – zoals gezegd – zo doen, als ik net heb beschreven. Ik zeg, dat ik dit allemaal goed weet, want ik ben knap, het kind is dom. Ik leer dit aan het kind. Het is een stomme vergelijking, maar het kind moet het wel geloven. 
Nu, beste aanwezigen, je zal niets bereiken wanneer je je zo naar het kind richt, misschien dat het kind het nog onthoudt, maar wat je moet bereiken, de ziel op een hoger plan brengen, de ziel vervullen met inhoud die levenskracht in zich bergt, dat gaat op deze manier niet. Maar het kan wél op een andere manier. Dan moet je niet zeggen: jij bent als leraar knap, het kind is dom, maar dan moet je zeggen – neem me niet kwalijk dat ik zo paradoxaal spreek – het kind zou in de onderbewuste diepte van zijn ziel nog weleens veel knapper kunnen zijn dan jij. Misschien ben jij de dommerik wel en is het kind knapper. 
Op een bepaalde manier is dat ook zo, want wie weet heeft hoe hoe de inwendige organen die nog niet gevormd zijn, m.n. de hersenen, door de onbewuste, dromende ziel van het kind gevormd worden, hoe daar een ontzaglijk betekenisvolle wijsheid juist in de eerste kinderjaren vormend werkt. Wie deze dingen naar waarde kan schatten, wie geen droge schoolfrik is en voor deze dingen geen ontzag kan hebben, zegt juist: al onze wijsheid die wij in ons

Blz. 152

Leben erwerben, mag sie noch so schöne Maschinen erzeugen, sie ist noch nicht so weit, wie die unbewußte Weisheit des Kindes ist.
Wer als Lehrer auf anthroposophischem Boden steht, der glaubt nämlich selber an das Ausschlüpfen des Schmetterlings aus der Pup­pe, denn er sagt sich: Nicht ich mache diesen Vergleich, sondern die Natur selber macht diesen Vergleich. Was auf einer höheren Stufe das Auslösen, das Loslösen der unsterblichen Seele vom Leibe ist, das hat die Gottheit selber in der Natur in dem aus der Puppe aus­kriechenden Schmetterling vorgebildet. Durchdringe ich mit dem eigenen Gefühle, was ich als Bild dem Kinde vorhalte, dann gebe ich dem Kinde das Rechte, dann gebe ich ihm Lebenskraft damit. Nichts, an das ich nicht selber mit aller Gewalt glaube, wirkt auf das Kind im rechten Sinne. Das sind die Imponderabilien, die zwischen dem Unterrichtenden, Lehrenden und dem Kinde wirken sollen, das Unausgesprochene, dasjenige, was nur im Gefühlsaustausch liegt, das Übersinnliche im Unterrichten. Ist das nicht da, dann wirkt, ich möchte sagen nur das Grobgewichtige, nicht das Impon­derabile, dann geben wir dem Menschen nicht das Rechte auf den Lebensweg mit.

leven verwerven, ook al komen daar de bewonderingswaardige machines mee tot stand, is nog niet zo ver als de onbewuste wijsheid van het kind.
Wie als leerkracht de antroposofie als basis heeft, gelooft namelijk zelf in de vlinder die uit de cocon tevoorschijn komt, want hij zegt: ik maak deze vergelijking niet, maar de natuur zelf. Wat op een hoger niveau het losraken van de onsterfelijke ziel van het lichaam veroorzaakt, heeft het goddelijke zelf in de natuur in de vlinder die uit de pop komt, als voorbeeld gegeven. Als ik met mijn eigen gevoel verdiep, wat ik als beeld aan het kind geef, geef ik het kind het juiste, dan geef ik het daarmee levenskracht. Niets werkt op het kind op de juiste manier door, wanneer ik daar zelf niet intens in geloof. Dat zijn de onweegbare krachten die tussen de leerkracht en het kind moeten werken, dat, wat niet uitgesproken wordt, dat wat alleen in de wisselende werking van de gevoelens aanwezig is, het bovenzintuiglijke in het onderwijs. Als dat er niet is, dan werkt, ik zou willen zeggen, alleen maar het triviale, niet het imponderabele, dan geven we de mens op zijn levensweg niet het juiste mee. (Eigen vertaling.)
GA 297A/150-152
Vertaald: Het morele en religieuze in de opvoeding

.

Meer over ‘het imponderabele’ in de artikelen over autoriteit

Vrijeschoolonderwijs doen? Alle plaatsen in de ped. voordrachten waarin Steiner over het imponderabele spreekt i.v.m. ‘vlinder en onsterfelijke ziel’.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3118-2931

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-1-1/24)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Wanneer Rudolf Steiner in deze 9e voordracht over ontwikkelingsfasen van het kind’ spreekt, is dat niet voor de eerste keer.
Al in 1907 schrijft hij erover in een artikel in het tijdschrift Lucifer-Gnosis nr.34 1907.: ‘Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft”. [4] 
Oorspronkelijk heette het artikel…vom Gesichtspunkte der Theosophie,  – inmiddels was het artikel als boekje verschenen – maar Steiner veranderde ‘theosofie’ (na zijn breuk met de theosofische beweging in 1909) in ‘geesteswetenschap’

In GA 59:

Metamorphosen des Seelenlebens Pfade der Seelenerlebnisse

Metamorfose van de ziel Ervaringen van de ziel

in voordracht 16, Berlijn 28 maart 1910

Irrtum und Irresein

Van het pad af en de weg kwijt

verwijst Steiner naar zijn artikel in GA 34: ‘De opvoeding van het kind’ en heeft het dan m.n. over de nabootsing en het autoriteitsprincipe.
Al vaker heeft hij gewezen op een samenhang tussen opvoeding en latere lichamelijke klachten en in deze voordracht doet hij met de ziekte die hij hier dementia praecox noemt.
In de loop van de tijd tussen 1910 en nu heeft het begrip betekenisveranderingen ondergaan. 
Ik kan het hier alleen maar als mededeling weergeven.

Blz. 232

Nehmen wir eines, was immer betont worden ist, und was Sie nachlesen können in der kleinen Schrift «Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft». Da ist gesagt worden, daß das Kind bis zum siebenten Jahre bei allem, was es tut, vorzugsweise den Impuls fühlt, es unter Nachahmung zu verrichten; daß es dann in der Zeit vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife in der Entwickelung unter dem Zeichen dessen steht, was man

Nehmen wir eines, was immer betont worden ist, und was Sie nachlesen können in der kleinen Schrift «Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft». Da ist gesagt worden, daß das Kind bis zum siebenten Jahre bei allem, was es tut, vorzugsweise den Impuls fühlt, es unter Nachahmung zu verrichten; daß es dann in der Zeit vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife in der Entwicklung unter dem Zeichen dessen steht, was man

Laten we iets nemen waar steeds de nadruk op gelegd is en wat u kan nalezen in mijn kleine artikel ‘De opvoeding van het kind’. Daarin wordt gezegd dat het kind tot aan zijn zevende jaar bij alles wat het doet, vooral de impuls voelt het na te bootsen; en dat het tussen de tijd van tandenwisseling tot aan de puberteit in zijn ontwikkeling onder het teken staat van wat we zouden kunnen noemen: een zich richten op een autoriteit of een zich richten op wat door de levenshouding van een ander mens indruk op ons maakt. Laten we aannemen dat daar geen aandacht aan geschonken wordt, dat deze impuls van de ziel – tot aan het zevende jaar ingesteld op nabootsing en in de tijd van de tandenwisseling tot aan de puberteit op het zich overgeven aan een autoriteit -verkeerd beoordeeld wordt

nennen könnte: Sich-Richten nach einer Autorität oder Richten nach dem, was durch das Darleben eines andern Menschen Eindruck auf uns macht. Nehmen wir an, es wird dem keine Beachtung geschenkt; es wird dagegen gesündigt, daß der Impuls der Seele bis zum siebenten Jahre auf Nachahmung eingestellt ist und in der Zeit vom siebenten Jahre bis zur Geschlechtsreife auf Autoritätsunterwerfung. Wird dem keine Rechnung getragen, so wird die äußere Körperlichkeit, anstatt sich zu einem normalen Instrument für die Seele zu entwickeln, sich in Unregelmäßigkeit entwickeln, und es wird dann die Seele in den folgenden Epochen der menschlichen Entwicklung nicht mehr die Möglichkeit haben, auf ein unregelmäßiges Äußeres in der richtigen Weise zu wirken und damit in Wechselwirkung zu treten. Dann sehen wir, wenn der Mensch in Wendepunkten des menschlichen Lebens in ein neues Stadium tritt, daß in einem gewissen Grade ein Glied des

Als dat niet serieus wordt genomen dan wordt de uiterlijke lichamelijkheid in plaats dat deze zich tot een normaal instrument voor de ziel kan ontwikkelen, onregelmatig ontwikkeld en de ziel zal dan in een volgende fase van de menselijke ontwikkeling niet meer de mogelijkheid hebben op een goede manier in te werken op deze uiterlijke onregelmatigheden en daarmee een interactie aan te gaan. Dan zien we wanneer de mens op kenteringsmomenten in zijn leven een nieuwe fase binnengaat, dat op een bepaalde manier een deel van de

Blz. 232

Menschen zurückgeblieben sein kann, wenn diese Regel nicht beobachtet wird. Und man würde leicht finden, daß nichts anderes demjenigen zugrunde liegt, was gewöhnlich als Jugendblödsinn, Dementia praecox, auftritt, als das Unterlassen der Beobachtung dieser Gesetze. Durch das Außerachtlassen der richtigen Vorschriften in früheren Epochen tritt dann in dem Zusammenwirken zwischen äußerem und innerem Menschen als Disharmonie dasjenige auf, was als Jugendblödsinn, Dementia praecox, bekannt ist, als Symptom für eine verspätete Nachahmung.

mens achtergebleven kan zijn, als hiermee geen rekening wordt gehouden. En dan zal je vinden dat er niets anders ten grondslag ligt aan wat gewoonlijk als zwakte*, dementia praecox, optreedt, dan het nalaten om deze wetmatigheden serieus te nemen. Door het verwaarlozen van die juiste principes in die voorafgaande fasen, treedt dan in het samengaan tussen de uiterlijke en innerlijke mens als disharmonie op, wat we onder jeugdzwakte*, dementia praecox verstaan, als symptoom van een verlate nabootsing.
GA 59/232
Niet vertaald

*het Duits heeft ‘Jugendblödsinn’ waarbij ‘blödsinn’ een ruimere betekenis heeft dan we nu in het woordenboek vinden. 

Meer over dementia praecox.
Als voetnoot bij ‘dementia preacox’ in GA 96:
Met deze uitdrukking werd in de tijd waarin deze voordrachten werden gehouden, een complex van ziekteverschijnselen benoemd die we nu (1989) schizofrenie noemen.

Steiner noemt het nog in GA 297, als er een vraag wordt gesteld of je met kinderen geestelijke scholingsoefeningen kan doen. 

Ook in GA 348 – niet vertaald – komt het ter sprake op blz. 172, weer in een ander verband: nu met voeding.  

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] GA 34
Die Erziehung des Kindes
De opvoeding van het kind

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3117-2930

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ahriman in het onderwijs (7-3/2)

.

Wie zich verdiept in het werk van Steiner – of het nu het geschreven werk is of in wat hij met zijn voordrachten bracht – het begrip ‘Ahriman’ komt – meestal in één adem met ‘Lucifer’ – veelvuldig voor.

Op deze blog gaat het om de pedagogische achtergronden van het vrijeschoolonderwijs. En omdat de menskundige achtergronden wortelen in het antroposofisch mensbeeld zou je kunnen verwachten dat ook in de pedagogische voordrachten over Ahriman (en Lucifer) wordt gesproken.

En dat is inderdaad zo: in bepaalde voordrachten roert Steiner het onderwerp aan.
Wat hij daarover zegt, zal op deze blog worden weergegeven.

Voor wie dit onderwerp ( bijna) nieuw is, is dit artikel  (1) een inleiding tot meer begrip en in dit artikel  (2) is o.a. sprake van ‘kunstmatige intelligentie’, 

Als leerkrachten/opvoeders krijgen wij te maken met wat ‘de tijd’ met zich meebrengt. 
Nu is ‘de tijd’ maar een heel abstract begrip. Als we echter daarbij aan ‘de tijdgeest’ denken, zoals dat in artikel (2 – zie boven) wordt gedaan, kunnen we in de kunstmatige intelligentie dus een inspiratie zien van de ahrimanische tijdgeest.
Die herkennen, leren kennen en doorzien is een van onze eerste opdrachten. 

Op 21 augustus 1919 begint Steiner in Stuttgart met de cursus voor de eerste leerkrachten van de eerste Waldorfschool.
Op 1 augustus 1919 sluit hij een voordrachtenreeks in Dornach af die – wellicht verrassend – al over de Waldorfschool gaat:

   Die spirituellen, kulturgeschichtlichen und sozialen Hintergründe                                    der Waldorfschul-Pädagogik

Ook bekend onder de titel:
Die Erziehungsfrage als soziale Frage

Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave

6 voordrachten in Dornach van 9 t/m 17 augustus 1919

De opmerkingen die ik (in blauw) n.a.v. deze voordracht maak, moet je in samenhang met de totale tekst zien. Daarom is deze als vertaling onder aan het artikel weergegeven. Die zou je eigenlijk eerst moeten lezen.

Het lijkt erop of Steiner hier over het dagelijkse werk in de klas een machtige boog wil spannen, met aan de ene kant het (verre) verleden en aan de andere kant de (verre) toekomst.

In de 5e voordracht komt de intelligentie ter sprake, eveneens in een wijds verband:

Die Metamorphosen der menschlichen Intelligenz. Der Ägypter erfaßte das Kosmische durch seine Intelligenz; der Grieche das Tote. In der Gegenwart hat die Intelligenz die Neigung, sich mit dem Bösen zu verbinden. Verwandlung der Intelligenzkräfte durch das Christus-Mysterium.

De metamorfose van de menselijke intelligentie. De Egyptenaar begreep het kosmische door zijn intelligentie; de Griek de dood. In deze tijd heeft de intelligentie de neiging zich met het kwaad te verbinden. Omwerking van de intelligentiekrachten door het mysterie van Christus.

Door deze overkoepelende blik krijgen we een indruk hoe het met de ontwikkeling van de intelligentie is gegaan. En zoals ‘bewustzijn’ voor Steiner niet het bewustzijn is zoals we daar nu over spreken, maar een bewustzijn dat voortdurend in ontwikkeling is, zo spreekt hij ook over de intelligentie.

Voordracht 5, Dornach 16 augustus 1919

Blz. 85/86  vert. 97/98

Wenn man gegenwärtig von Intelligenz spricht, dann hat man eben eine Seelenkraft im Auge, die man sich in einer bestimmten Weise vorstellt, und von der man nur denkt, daß sie so sein könne und sein müsse, wie man
gewohnt worden ist, sie sich vorzustellen. Nun, es haben Intelligenz, wenn auch Intelligenz von anderer Form, auch gehabt die Menschen früherer Entwicklungsepochen, und will man die Bedeutung der sogenannten Intelligenz für den Menschen der Gegenwart voll kennenlernen, dann muß man schon die
Frage auf werfen: Wie sah die Intelligenz der Menschen früherer
Entwicklungsepochen aus und wie hat sich diese Intelligenz der Menschheit von früheren Zeiten bis in unsere Zeiten herein allmählich verändert?

Wanneer men het tegenwoordig over intelligentie heeft, dan wordt daarmee een innerlijke kracht bedoeld, die men zich op een bepaalde manier voorstelt en waarvan men denkt dat die alleen zo kan en moet zijn, zoals men gewend is zich die voor te stellen.
Maar ook de mensen uit vroegere ontwikkelingsstadia bezaten intelligentie, al was het een andere vorm van intelligentie. Wanneer men de betekenis van wat de moderne mens intelligentie noemt ten volle wil leren kennen, dan moet men de vraag stellen: hoe zag de intelligentie van mensen uit vroegere ontwikkelingstijdperken eruit en hoe is deze intelligentie van de mensheid uit vroegere tijden geleidelijk veranderd?

[ ]wenn man denkt, Intelligenz ist einmal Intelligenz, ist nur auf eine Art möglich; wer unsere Intelligenz hat, ist eben intelligent, wer unsere Intelligenz nicht hat, ist eben unintelligent. Das ist nicht richtig. Die Intelligenz geht Metamorphosen durch, die Intelligenz verwandelt sich.

wanneer men denkt dat intelligentie gewoon intelligentie is en maar in één vorm bestaat; wie onze intelligentie bezit is intelligent, wie onze intelligentie niet bezit is onintelligent. Dat klopt niet. De intelligentie ondergaat metamorfosen, ze verandert.

Steiner schetst dan de intelligentie van de Chaldeeuwse en Egyptische mens, hoe zijn intelligentie kosmisch georiënteerd was. Daarmee a.h.w. het leven, het scheppende leven, begreep. I.t.t. de Griekse mens die met zijn intelligentie de dood ging begrijpen. 

Durch das Nachdenken, durch die Intelligenz wußte er, lernte er nur kennen diejenigen Gesetzmäßigkeiten, diejenigen Regeln, welche zugrunde liegen all dem, was auf der Erde dem Tode unterliegt, was stirbt. Will ich das Lebendige verstehen, muß ich schauen – so sagten sich die Plato-Schüler; indem
ich nur nachdenke, begreife ich bloß das Tote.

Hij wist dat hij door het nadenken, door de intelligentie, alleen de wetmatigheden, de regels leerde kennen die ten grondslag liggen aan alles wat op aarde aan de dood onderhevig is, alles wat sterft. Wanneer ik het leven wil begrijpen, zo wisten de leerlingen van Plato, dan moet ik schouwen; wanneer ik nadenk, begrijp ik alleen het dode. 

In de Algemene menskunde is dit nader uiteengezet in voordracht 2.

Als we in onze tijd aankomen zegt Steiner over de ontwikkeling van de intelligentie: 

Blz. 89  vert. 101

Aber wiederum mit dem Übergänge durch die Mitte des 15. Jahrhunderts verändert sich neuerdings die Intelligenz, und wir stehen im Anfange dieser Veränderung, dieser Umwandlung der Intelligenz.
Unsere Intelligenz geht einen gewissen Weg; heute sind wir noch sehr stark in einer solchen Entwickelung der Intelligenz darinnen, wie sie die Griechen hatten. Wir begreifen durch unsere Intelligenz dasjenige, was dem Tode unterliegt. Aber auch diese Art von Intelligenz, die das Tote begreif t, verwandelt sich. Und in den nächsten Jahrhunderten und Jahrtausenden wird diese Intelligenz etwas anderes, etwas weit weit anderes werden. Sie hat heute schon eine gewisse Anlage, unsere Intelligenz. Wir werden als Menschheit einlaufen in eine Entwickelung der Intelligenz so, daß die Intelligenz wird die Neigung haben, nur das Falsche, den Irrtum, die Täuschung zu begreifen und auszudenken nur das Böse

Met de overgang in het midden van de 15e eeuw verandert de intelligentie opnieuw, en we staan aan het begin van deze verandering, deze metamorfose van de intelligentie. Onze intelligentie gaat een bepaalde weg; tegenwoordig verkeren we nog sterk in een ontwikkeling van de intelligentie zoals de Grieken die hadden. Door onze intelligentie begrijpen wij dat wat aan de dood onderhevig is. Maar ook deze vorm van intelligentie die het dode begrijpt, verandert. In de komende eeuwen en millennia zal deze intelligentie iets totaal anders worden. Onze intelligentie heeft nu al een bepaalde aanleg. De mensheid zal terechtkomen in een ontwikkeling van de intelligentie waarin deze de neiging zal hebben alleen het onware, de dwaling, het bedrog te begrijpen, en alleen het kwade uit te denken. 

Die Menschheit ist heute in diesem Übergänge. Wir können sagen: Gerade noch gelingt es den Menschen, wenn sie ihre Intelligenz anstrengen und nicht in sich ganz besonders wilde Instinkte tragen, nach dem Lichte des Guten etwas hinzuschauen. Aber diese menschliche Intelligenz wird immer mehr und mehr die Neigung bekommen, das Böse auszudenken und das Böse dem Menschen einzufügen im Moralischen, das Böse in der Erkenntnis, den Irrtum.

De mensheid verkeert nu nog in deze overgang. Wij zouden kunnen zeggen: het lukt de mens nog net, wanneer hij zijn intelligentie gebruikt en geen buitengewoon wilde instincten in zich heeft, enigszins naar het licht van het goede op te zien. Maar deze menselijke intelligentie zal steeds sterker de neiging vertonen, het kwade uit te denken, het kwade in te voegen in het morele en in het kennen, de dwaling.

Wie alle artikelen over ‘Ahriman en het onderwijs‘ heeft gelezen, voorvoelt al uit deze woorden, dat het over ‘de leugengeest’ gaat.

Blz. 90  vert. 102

Und würde der Mensch nichts anderes ausbilden als seine Intelligenz, dann würde er auf der Erde ein böses Wesen werden. Wir dürfen nicht rechnen, wenn wir mit der Zukunft der Menschheit rechnen und diese Zukunft uns als heilsam denken wollen, wir dürfen nicht rechnen auf die einseitige Ausbildung
der Intelligenz.

Wanneer de mens niets anders zou ontwikkelen dan zijn intelligentie, dan zou hij op aarde een boos wezen worden. Wanneer wij vertrouwen willen hebben in de toekomst van de mensheid en deze toekomst als een vruchtbare toekomst willen zien, dan mogen wij niet vertrouwen op de eenzijdige ontwikkeling van de intelligentie.

Het antwoord op de vraag hoe wij ons kunnen beschermen tegen deze eenzijdige ontwikkeling van de intelligentie is niet makkelijk te begrijpen.
Het antwoord is nl. niet gevonden d.m.v. de intelligentie, maar door het schouwen in de geestelijke wereld, uiteraard door Steiner. 
De mensen zouden al veel meer tot het kwaad zijn vervallen als zich niet een gebeurtenis in de wereld had voltrokken, die Steiner veelal het mysterie van Golgotha noemt. Voor hem is die gebeurtenis iets objectiefs:

Aber ein Objektives ist dazu notwendig. Und hier tritt man vor ein tiefes Geheimnis gerade der christlich-esoterischen Entwickelung.
Wäre das Mysterium von Golgatha nicht im Laufe der Erdenentwickelung geschehen, dann wäre es unvermeidlich, daß die Menschen nach und nach durch ihre Intelligenz böse und in den Irrtum verfallende Wesen werden müßten. Sie wissen ja, mit dem Mysterium von Golgatha ist nicht nur eine Lehre, eine Theorie, eine Weltanschauung, eine Religion in die Entwicklung der Menschheit eingeflossen, sondern mit dem Mysterium von Golgatha ist etwas Tatsächliches geschehen.
In dem Menschen Jesus von Nazareth hat gewohnt das außerirdische Wesen, der Christus. Dadurch, daß der Christus in dem Jesus von Nazareth gewohnt hat, der Jesus von Nazareth gestorben ist, ist das Christus-Wesen übergegangen in die irdische Entwicklung, da ist das Christus-Wesen darinnen. Wir müssen uns nur bewußt sein, daß

Maar daarvoor is iets objectiefs noodzakelijk. En daarmee staan we dan voor een diep geheim van de christelijk-esoterische ontwikkeling. Wanneer het Mysterie van Golgotha niet zou hebben plaatsgevonden, dan zou het onvermijdelijk zijn geweest dat de mensen door hun intelligentie langzaam maar zeker tot boze en in dwaling verkerende wezens moesten worden. U weet dat met het Mysterie van Golgotha niet slechts een leer, een theorie, een wereldbeschouwing of een godsdienst in de ontwikkeling van de mensheid binnenstroomde, maar dat met het Mysterie van Golgotha een concrete gebeurtenis plaatsvond. In de mens Jezus van Nazareth leefde het wezen dat niet van de aarde afkomstig was, de Christus. Doordat de Christus in Jezus van Nazareth leefde, en Jezus van Nazareth is gestorven, is het Christus-wezen overgegaan in de aardse ontwikkeling, daarin is het Christus-wezen binnengegaan. Wij moeten ons er echter bewust van zijn dat dit een

Blz. 91  vert. 103

das eine objektive Tatsache ist, daß das eine Tatsache ist, die mit dem, was wir subjektiv erkennen, was wir subjektiv empfinden, als solches nichts zu tun hat. Wir müssen es erkennen um unseres Erkennens willen. Wir müssen es aufnehmen in unser Ethos, um dieses unseres Ethos willen. Aber der Christus ist ausgeflossen in die Menschheitsentwickelung, da ist er seitdem darinnen – was man die Auferstehung nennt – und er ist vor allen Dingen in unseren eigenen Seelenkräften.
Fassen Sie nur einmal diese Tatsache in ihrer ganzen Tiefe auf!

objectief feit is, dat dit een feit is dat met ons subjectieve begrijpen, met ons subjectieve beleven helemaal niets te maken heeft. We moeten het begrijpen, ter wille van ons inzicht. We moeten het opnemen in onze levenshouding, ter wille van onze levenshouding. De Christus is uitgestroomd in de mensheidsontwikkeling, daar bevindt Hij zich sindsdien dat noemen we de Opstanding en Hij is bovenal in onze eigen innerlijke kracht. Neemt u dit feit maar eens diep in uw innerlijk op!

Nu houdt Steiner ons voor dat we de schadelijke kant van de boosaardige wordende intelligentie alleen kunnen weerstaan wanneer we Christus in ons leven opnemen.

Blz. 92  vert. 104

Er kann den Funken des Christus in sich selber finden, wenn er sich anstrengt durch sein Leben.
Und in dieser Wiedergeburt, in diesem Finden des ChristusFunkens in sich, in diesem aufrichtigen und ehrlichen Sich-sagenKönnen: «Nicht ich, sondern der Christus in mir», liegt die Möglichkeit, den Intellekt nicht in Täuschung und in das Böse verfallen zu lassen. Und das ist im esoterisch-christlichen Sinne der höhere Begriff der Erlösung.

Hij kan de vonk van de Christus in zichzelf vinden, wanneer hij zich daarvoor inspant. En in deze wedergeboorte, in het vinden van de Christus-vonk in zichzelf, wanneer men oprecht en eerlijk tegen zichzelf kan zeggen: “Niet ik, maar de Christus in mij”, ligt de mogelijkheid het intellect niet in dwaling en in het boze te laten vervallen.

Wir müssen unsere Intelligenz ausbilden, denn wir können ja nicht unintelligent werden; aber wir stehen, indem wir anstreben unsere Intelligenz auszubilden, vor der Versuchung, dem Irrtum und dem Bösen zu verfallen. Wir können der Versuchung, dem Irrtum und dem Bösen zu verfallen, nur entgehen, wenn wir uns aneignen die Empfindung von dem, was das Mysterium von Golgatha in die Menschheitsentwickelung hineingebracht hat.

We moeten onze intelligentie ontwikkelen, want we kunnen niet onintelligent worden. Maar wanneer we ernaar streven onze intelligentie te ontwikkelen, staan we voor de verleiding in dwaling en in het kwade te vervallen. Deze verleiding kunnen we alleen weerstaan wanneer we in onszelf kunnen beleven wat het Mysterie van Golgotha in de mensheidsontwikkeling gebracht heeft.

Es ist schon so, daß der Mensch in dem Christus-Bewußtsein, in dem Vereinigtsein mit dem Christus findet die Möglichkeit, dem Bösen, dem Irrtum zu entrinnen.

Het is namelijk zo, dat de mens in het Christus-bewustzijn, in het verenigd zijn met de Christus, de mogelijkheid vindt om aan het kwade, aan de dwaling te ontkomen.

Vragen die opkomen en waarop ik geen antwoord heb, zijn voor mij bijv.

Kan dit alleen door ‘in Christus te leven’ – hoe leef je dan, wat moet er dan in je plaatsvinden?
Kan het door anderen? Kan het als je atheïst bent, agnost, moslim, boeddhist?
(Over de atheïst en agnost zegt hij in deze voordracht ook iets – zie de totale vertaling onder aan het artikel.)

Is dit dan de enige richting?:

Ganz und gar ahrimanisch würde die Intelligenz der Menschen,
wenn das Christus-Prinzip die Seelen der Menschen nicht durchdränge.

De menselijke intelligentie zal volledig ahrimanisch worden wanneer het Christusprincipe de zielen van de mensen niet zal doordringen.

Nu zouden we dit allemaal nog voor ons persoonlijk leven kunnen laten gelden, maar Steiner trekt het ook door naar het (vrijeschool)onderwijs.

Das ist auch etwas, wovon ein Bewußtsein entwickelt werden muß bei denjenigen Menschen, die für die Menschenzukunft Erzieher und Unterrichter werden. Die Kinder sind heute anders, als sie waren vor Jahrzehnten. Das ergibt sich schon einer oberflächlichen Betrachtung sehr deutlich. Man muß sie anders erziehen und anders unterrichten, als man sie vor Jahrzehnten unterrichtet hat. Man muß mit dem Bewußtsein unterrichten, daß man eigentlich bei jedem Kinde eine Rettung zu vollziehen hat, daß man jedes Kind dahin bringen muß, im Lauf des Lebens den Christus-Impuls in sich zu finden, eine Wiedergeburt in sich zu finden.

Ook hiervoor moeten de mensen die opvoeder en onderwijzer voor de menselijke toekomst willen worden, een bewustzijn ontwikkelen. De kinderen van nu zijn anders dan die van tientallen jaren geleden, dat is zelfs met een oppervlakkige waarneming al duidelijk vast te stellen. Zij moeten anders opgevoed en onderwezen worden dan tot nog toe gebeurde. Men moet onderwijzen in het bewustzijn dat men eigenlijk bij elk kind een redding moet volbrengen, dat men elk kind zover moet brengen dat het in de loop van zijn leven de Christusimpuls in zich vindt, dat het in zichzelf een wedergeboorte beleeft.

Solche Dinge, sie lebt man da, wo man sie zum Beispiel nötig hat als Lehrer, als Erzieher, nicht aus, wenn man sie einfach nur theoretisch kennt; sie lebt man nur aus, man führt sie nur ein in die Erziehung, in das Unterrichten, wenn man in der Seele stark erfaßt ist von diesen Dingen. Von der Lehrerschaft insbesondere muß es gefordert werden, daß sie in ihrer Seele stark erfaßt wird von diesem Sorgenvollen für die Menschheit, welche Versuchung der Intellekt mit sich bringt! Der Stolz, den die gegenwärtige Menschheit auf den Intellekt entwickelt, dieser Stolz, er könnte sich schwer rächen an der Menschheit, wenn er nicht durch dasjenige abgelähmt würde, was ich eben auseinandergesetzt habe, wenn er nicht abgelähmt würde durch ein starkes, energisches Bewußtsein: das Beste in mir als Mensch dieser

Dergelijke dingen kan men, als leraar of opvoeder niet verwerkelijken waar dat nodig is, wanneer men ze slechts als theorie kent. Alleen wanneer de ziel sterk betrokken is bij deze dingen, kunnen ze ook verwerkelijkt en toegepast worden in opvoeding en onderwijs. Juist van de leraren moet verlangd worden dat ze in hun ziel de bezorgdheid beleven voor de mensheid, die staat voor de verleiding die het intellect met zich meebrengt. De trots die de moderne mensheid aan zijn intellect ontleent, kan de mensheid duur komen te staan wanneer die trots niet wordt afgezwakt door een sterk en energiek besef: het beste in mij als mens in deze en volgende incarnaties is wat ik in mijzelf als de Christus-impuls vind. 

Zou Steiner alleen ‘opvoeder’ hebben gezegd, dan hadden we het nog als iets voor ‘thuis’ kunnen zien, maar hij gebruikt bewust ook ‘onderwijzer’.
En dat roept weer nieuwe vragen op. Hoe vaak heeft Steiner niet gezegd dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn. Nu krijg je de indruk dat de vrijeschool een christelijke school moet zijn. Niet in de traditionele zin van christelijk:

Blz. 95  vert. 107/108

Nun muß man sich klar sein darüber, daß dieser Christus-Impuls nicht sein darf die Dogmatik irgendeiner Religionsgemeinschaft. Die Religionsgemeinschaften haben seit der Mitte des 15. Jahrhunderts in ihrer Entwicklung mehr beigetragen, den Christus-Impuls von der Menschheit zu entfernen, als ihn der Menschheit nahe zu bringen. Die Religionsgemeinschaften machen den Menschen allerlei vor; aber indem sie ihnen dies oder jenes vormachen, bringen sie sie dem Christus-Impuls nicht nahe. Notwendig ist, daß der Mensch fühlt,
daß alles dasjenige, was sich ihm eröffnen und offenbaren kann in seinem Innern nach dem Mysterium von Golgatha hin, zusammenhängt mit dem, was für die Erde durch das Mysterium von Golgatha geworden ist. Empfindet man den Sinn der Erde in dem Mysterium von Golgatha, kann man sich aufraffen dazu, sich zu sagen: Die Entwicklung der Erde wäre sinnlos, wenn die Menschen durch ihre Intelligenz dem Bösen, dem Irrtum verfallen würden. Empfindet
man so den Sinn des Mysteriums von Golgatha, dann empfindet man
als sinnlos die Erdenentwickelung ohne das Mysterium von Golgatha.

Nu moet het duidelijk zijn dat deze Christus-impuls niet de dogmatiek van een of andere religieuze gemeenschap kan zijn. Vanaf het midden van de 1 5e eeuw hebben religieuze gemeenschappen er in hun ontwikkeling meer toe bijgedragen de Christus-impuls van de mensen te vervreemden, dan hem dichterbij te brengen. Zij maken de mensen van alles wijs, maar brengen de Christus-impuls daarmee niet dichterbij. Het is noodzakelijk dat de mens beseft dat alles waardoor hij innerlijk open kan staan voor wat het Mysterie van Golgotha hem kan openbaren, samenhangt met wat het Mysterie van Golgotha voor de aarde betekent. Ervaart men dat de betekenis van de aarde in het Mysterie van Golgotha ligt, dan kan men er toe komen om tegen zichzelf te zeggen: de ontwikkeling van de aarde zou zinloos zijn wanneer de mens door zijn intelligentie tot het boze, de dwaling vervalt. Wanneer men de betekenis van het Mysterie van Golgotha zo ervaart, dan ervaart men de aarde-ontwikkeling zonder het Mysterie van Golgotha als zinloos.

Het betekent dus dat wij dit innerlijk, met ons hele wezen, denk ik, zouden moeten kunnen ervaren, zo dat het volledig ons besef is of wordt.
Dat wordt nogmaals benadrukt:

Damit muß man sich stark, sehr stark durchdringen, wenn man heute und in der Zukunft etwas tun will, um den Menschen zu erziehen, den Menschen zu unterrichten. Diese großen Gesichtspunkte müssen eingenommen werden.

Dit besef moet men zeer diep tot zich door laten dringen wanneer men nu en in de toekomst iets wil doen om de mens op te voeden en te onderwijzen. Men moet zich deze grote gezichtspunten eigen maken.
GA 296/v.a. 85
Vertaald/v.a. 97

Het past bij de beschouwingen van deze dagen dat we steeds dieper ingaan op de nieuwste geschiedenis, door na te gaan hoe de wereldkrachten zich invoegen in de ontwikkelingsstroom van onze tijd en hoe ze de grondslagen vormen voor het menselijk leven. Uit de uiteenzetting van gisteren heeft u kunnen opmaken dat het steeds noodzakelijker wordt om de starre, abstracte begrippen waaraan de moderne mens gewend is, te veranderen in vloeiende, beweeglijke, levende begrippen, wanneer de mensheid verder wil komen. Een nadere beschouwing van het menselijke zielenvermogen dat we intelligentie noemen, werpt een bijzonder licht op de feiten, die in dit verband relevant zijn. U weet dat de moderne mens bijzonder trots is op zijn intelligentie. Hij beschouwt zijn intelligentie als iets zeer uitzonderlijks dat hij zich in de loop der tijd met moeite verworven heeft.
Wanneer de moderne mens terugkijkt naar vroegere tijden en ziet hoe de mensen in het verleden zich van alles in beelden voorstelden en door mythen en legenden probeerden door te dringen in dat wat de moderne mens nu, door zijn intelligentie en door de wetenschap, werkelijk meent te kennen, dan noemt de moderne mens deze vroegere geestes- en zielengesteldheid kinderlijk. Hij kijkt dan terug op kinderlijke fasen in de ontwikkeling en voelt zich heel wat omdat hij het zover gebracht heeft, zeker in de ontwikkeling van de intelligentie. De uiteenzetting van vandaag zullen we wijden aan de eigenaardigheid van de menselijke intelligentie en we zullen deze innerlijke kracht, waarop de moderne mens zo trots is, eens nader beschouwen. Wanneer men het tegenwoordig over intelligentie heeft, dan wordt daarmee een innerlijke kracht bedoeld, die men zich op een bepaalde manier voorstelt en waarvan men
97 

 denkt dat die alleen zo kan en moet zijn, zoals men gewend is zich die voor te stellen.
Maar ook de mensen uit vroegere ontwikkelingsstadia bezaten intelligentie, al was het een andere vorm van intelligentie. Wanneer men de betekenis van wat de moderne mens intelligentie noemt ten volle wil leren kennen, dan moet men de vraag stellen: hoe zag de intelligentie van mensen uit vroegere ontwikkelingstijdperken eruit en hoe is deze intelligentie van de mensheid uit vroegere tijden geleidelijk veranderd?
We zullen vandaag niet verder teruggaan dan tot de tijd, die wij gewoonlijk de derde na-Atlantische cultuurperiode noemen; de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd, waarop de Grieks-Latijnse tijd en vervolgens onze tijd volgde. Wij zullen de bijzondere kenmerken van de intelligentie bij de oude Egyptenaren en Chaldeeërs in ogenschouw nemen, dan die van de Grieken en Romeinen en vervolgens richten we de blik op de specifieke vorm van intelligentie die de mens van het vijfde na-Atlantische tijdperk eigen is. U hoort wel dat ik ervan uitga dat het niet juist is – en het is ook niet juist -, wanneer men denkt dat intelligentie gewoon intelligentie is en maar in één vorm bestaat; wie onze intelligentie bezit is intelligent, wie onze intelligentie niet bezit is onintelligent. Dat klopt niet. De intelligentie ondergaat metamorfosen, ze verandert. De intelligentie van de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd was anders dan die van onze tijd. Van de andersoortige intelligentie van de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd kan men zich het beste een voorstelling vormen wanneer men beseft dat de oude Egyptenaar, zoals ook de oude Chaldeeër, door zijn intelligentie instinctief de verwantschap voelde, de verwantschap begreep van zijn eigen menselijk wezen met de hele kosmos.
Over dat waarover de moderne mens met behulp van zijn intelligentie nadenkt, dachten de Egyptisch-Chaldeeuwse mensen niet of nauwelijks na. Want deze vorm van intelligentie was hun vreemd. Wanneer zij dachten, wanneer zij hun intel-
98 

intelligentie in beweging brachten, dan leefde in deze intelligentie hun verbondenheid met de kosmos. De oude Egyptenaar of Chaldeeër wist hoe hij met het ene of het andere dierenriemteken in verbinding stond. Hij wist welke invloed de maan, de zon en de planeten op zijn innerlijke en lichamelijke gesteldheid uitoefenden. Hij wist hoe de opeenvolging van de jaargetijden op het menselijk wezen werkte. Dat nam hij allemaal in zich op door zijn intelligentie. Door zijn intelligentie kreeg hij een volledig innerlijk beeld van zijn verwantschap met de kosmos.
Deze intelligentie veranderde toen de Egyptisch-Chaldeeuwse mensheidsperiode in de 8e eeuw vóór de stichting van het Christendom afliep. Geleidelijk werd de intelligentie iets geheel anders dan het in de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd was. In de intelligentie drong het begrip van de verbinding met de kosmos niet meer volledig binnen, zoals dat vóór de 8e eeuw voor Christus nog wel het geval was. Men wist nog wel van deze verbinding met de kosmos maar dat was meer als een soort naklank, een soort herinnering aan dat wat men hierover vroeger wist. In de Griekse tijd begon de mens meer over zichzelf te denken, over de mens als aardebewoner en minder over de samenhang van mens en kosmos. De Griek had echter een duidelijk gevoel, een duidelijke gewaarwording, juist wanneer hij zijn intelligentie gebruikte; dan begreep hij met name het aardse element dat aan de dood onderhevig is.
Dit gevoel is weer verloren gegaan door de ontwikkeling van de intelligentie sinds het midden van de 15e eeuw, sinds de vijfde na-Atlantische cultuurperiode. De Griek wist dat hij zich, wanneer hij het bovenzintuiglijke wilde begrijpen, moest richten op het schouwen1 dat in de voor-Christelijke tijd nog min of meer atavistisch aanwezig was. Hij wist dat hij door het nadenken, door de intelligentie, alleen de wetmatigheden, de regels leerde kennen die ten grondslag liggen aan alles wat
99 

op aarde aan de dood onderhevig is, alles wat sterft. Wanneer ik het leven wil begrijpen, zo wisten de leerlingen van Plato, dan moet ik schouwen; wanneer ik nadenk, begrijp ik alleen het dode.
In de Griekse esoterische scholen werden over deze samenhang heel bepaalde dingen verteld. De leerlingen van deze scholen kregen ongeveer het volgende te horen: alles is geestelijk, ook het schijnbaar materiële is onderworpen aan geestelijke wetmatigheden. Dat wat zich als aards-materieel aan je voordoet, wordt in wezen ook door geestelijke wetten beheerst. Er zijn geestelijke wetten waaraan je onderworpen bent voor zover je lichamelijk bent. Voor zover je lichamelijk bent en door de poort van de dood gaat, is je lichaam onderworpen aan de materiële krachten en stoffen van de aarde. Maar deze zijn slechts schijnbaar materieel. Ook zij zijn in wezen geestelijk, maar ze zijn doordrongen met geestelijke kracht, die zich aan jou voordoet als de dood. Wanneer je met je intelligentie bepaalde wetten begrijpt, dan zijn het de wetten van het dode. Het zijn de wetten van dat wat de graven bevatten, die de lichamen in zich opnemen. Het werd de overtuiging van vele Griekse leerlingen van de esoterische scholen, dat de menselijke intelligentie alleen kan begrijpen, wat de graven, die de lichamen in zich opnemen, bevatten. Wanneer je wilt weten -zo zei de leraar tot de leerling van de esoterische school -, in welke geestelijke werelden je leeft wanneer je hier op aarde bent, of wanneer je ziel vrij is van het lichaam tussen de dood en een nieuwe geboorte, dan moet je dat wat “geschouwd” is als overtuiging in je opnemen. Wanneer je dat niet doet en alleen met je intelligentie begrippen en ideeën ontwikkelt, dan begrijp je alleen de geest van de materie, waaruit je lichaam is opgebouwd.
Terwijl de Egyptisch-Chaldeeuwse mens in zijn intelligentie zijn verwantschap met de kosmos voelde en waarnam, nam de Griekse mens door zijn intelligentie dat waar, wat de graven beheerst. Ook wij nemen door onze intelligentie slechts dat waar, wat de gra-
100 

graven beheerst, alleen zijn we ons daarvan niet bewust. Daarom gaan we – althans diegenen onder ons die dat moeten leren – naar de snijzaal, onderzoeken het lijk en houden de wetmatigheid van het lijk, die we door onze intelligentie begrijpen, voor de wetmatigheid van de mens. Maar het is slechts de wetmatigheid van het graf; zoals ook dat wat onze intelligentie begrijpt, de wetmatigheid van het graf is.
Met de overgang in het midden van de 15e eeuw verandert de intelligentie opnieuw, en we staan aan het begin van deze verandering, deze metamorfose van de intelligentie. Onze intelligentie gaat een bepaalde weg; tegenwoordig verkeren we nog sterk in een ontwikkeling van de intelligentie zoals de Grieken die hadden. Door onze intelligentie begrijpen wij dat wat aan de dood onderhevig is. Maar ook deze vorm van intelligentie die het dode begrijpt, verandert. In de komende eeuwen en millennia zal deze intelligentie iets totaal anders worden. Onze intelligentie heeft nu al een bepaalde aanleg. De mensheid zal terechtkomen in een ontwikkeling van de intelligentie waarin deze de neiging zal hebben alleen het onware, de dwaling, het bedrog te begrijpen, en alleen het kwade uit te denken.
De leerlingen van de esoterische scholen, en met name de ingewijden, wisten vanaf een bepaalde tijd dat de menselijke intelligentie een ontwikkeling naar het kwade doormaakt en dat het steeds moeilijker zal worden alleen door intelligentie het goede te herkennen. De mensheid verkeert nu nog in deze overgang. Wij zouden kunnen zeggen: het lukt de mens nog net, wanneer hij zijn intelligentie gebruikt en geen buitengewoon wilde instincten in zich heeft, enigszins naar het licht van het goede op te zien. Maar deze menselijke intelligentie zal steeds sterker de neiging vertonen, het kwade uit te denken, het kwade in te voegen in het morele en in het kennen, de dwaling.
101 

Dat was een van de redenen waarom de ingewijden zich de mannen van zorg noemden, omdat de ontwikkeling van de mensheid in de eenzijdigheid, zoals ik die zojuist uiteengezet heb, inderdaad zorgen baart; zorgen juist om de ontwikkeling van de intelligentie. Het is tenslotte niet voor niets dat de intelligentie de moderne mens zozeer met trots en hoogmoed vervult. Dat is, zo zou ik het willen noemen, een voorproefje 90 voor het kwaad-worden van de intelligentie in de vijfde na-Atlantische periode, waarin wij nog maar aan het begin staan. Wanneer de mens niets anders zou ontwikkelen dan zijn intelligentie, dan zou hij op aarde een boos wezen worden. Wanneer wij vertrouwen willen hebben in de toekomst van de mensheid en deze toekomst als een vruchtbare toekomst willen zien, dan mogen wij niet vertrouwen op de eenzijdige ontwikkeling van de intelligentie. In de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd was deze intelligentie nog iets goeds, maar daarna is zij tot iets geworden dat verwant is met de krachten van de dood. Deze intelligentie zal een verbinding aangaan met de krachten van bedrog, van dwaling en van het boze.
Hierover zou de mensheid zich vooral geen illusies moeten maken. We moeten er in alle openheid rekening mee houden dat we ons moeten beschermen tegen de eenzijdige ontwikkeling van de intelligentie. Niet voor niets zal er juist door de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap iets anders kunnen komen: namelijk het opnemen van dat wat door een vernieuwd schouwen uit de geestelijke wereld kan worden verworven, wat niet door intelligentie begrepen kan worden maar pas begrepen kan worden wanneer men accepteert wat de wetenschap van de inwijding door middel van het schouwen uit de geestelijke wereld haalt.
Maar daarvoor is iets objectiefs noodzakelijk. En daarmee staan we dan voor een diep geheim van de christelijk-esoterische ontwikkeling. Wanneer het Mysterie van Golgotha niet zou hebben plaatsgevonden, dan zou het onvermijdelijk zijn
102 

geweest dat de mensen door hun intelligentie langzaam maar zeker tot boze en in dwaling verkerende wezens moesten worden. U weet dat met het Mysterie van Golgotha niet slechts een leer, een theorie, een wereldbeschouwing of een godsdienst in de ontwikkeling van de mensheid binnenstroomde, maar dat met het Mysterie van Golgotha een concrete gebeurtenis plaatsvond. In de mens Jezus van Nazareth2 leefde het wezen dat niet van de aarde afkomstig was, de Christus. Doordat de Christus in Jezus van Nazareth leefde, en Jezus van Nazareth is gestorven, is het Christus-wezen overgegaan in de aardse ontwikkeling, daarin is het Christus-wezen3 binnengegaan. Wij moeten ons er echter bewust van zijn dat dit een objectief feit is, dat dit een feit is dat met ons subjectieve begrijpen, met ons subjectieve beleven helemaal niets te maken heeft. We moeten het begrijpen, ter wille van ons inzicht. We moeten het opnemen in onze levenshouding, ter wille van onze levenshouding. De Christus is uitgestroomd in de mensheidsontwikkeling, daar bevindt Hij zich sindsdien – dat noemen we de Opstanding – en Hij is bovenal in onze eigen innerlijke kracht. Neemt u dit feit maar eens diep in uw innerlijk op!
Kijkt u eens naar het verschil tussen de mens die vóór het Mysterie van Golgotha leefde, en de mens die na het Mysterie van Golgotha leefde. Natuurlijk zijn het dezelfde mensen, want de zielen gaan immers door een reeks van aarde-levens heen. Maar wanneer we de mens als aarde-mens beschouwen, moeten we onderscheid maken tussen de mens die vóór het Mysterie van Golgotha leefde en de mens die na het Mysterie van Golgotha leefde.
Wanneer men tot een algemeen Godsbegrip komt, dan is dit algemene Godsbegrip niet het Christus-begrip. Men kan tot een algemeen Godsbegrip komen door de natuur in haar verschijningen te volgen, door het menselijke fysieke wezen, voor zover dat uiterlijk te bestuderen is, te volgen. Het Christus-wezen is zodanig dat het alleen te benaderen is wanneer
103 

men in de loop van het aardeleven iets in zichzelf ontdekt. Het algemene Godsbegrip kan men vinden, wanneer men tegen zichzelf zegt: vanuit de krachten van de wereld ben je ontstaan. Het Christus-begrip kan men in zichzelf vinden, wanneer men verder komt dan de natuur je laat komen. Vindt de mens die in de wereld leeft het godsbegrip niet, dan is dit een vorm van ziekte. Een gezond mens is nooit werkelijk atheïstisch. In dat geval moet men lichamelijk of innerlijk ziek zijn. Deze ziekte uit zich vaak door niets anders dan dat men atheïst is.
Wanneer men Christus niet kent, is dat niet een ziekte maar een ongeluk, het is een gemiste kans in het leven. Door zich te bezinnen op het feit dat de mens uit de natuur en de krachten van de natuur geboren wordt, kan men, wanneer men dit geboorteproces met een gezonde ziel volgt, tot een Godsbegrip komen. Wanneer men in de loop van het leven iets als een wedergeboorte beleeft, kan men tot een Christus-begrip komen. De geboorte leidt tot God, de wedergeboorte tot Christus. Tot deze wedergeboorte, waardoor de Christus als werkelijkheid in de mens ervaren kan worden, kon de mens vóór het Mysterie van Golgotha niet komen. En dit is het verschil waarop ik uw aandacht wil richten: vóór het Mysterie van Golgotha kon de mens deze wedergeboorte niet beleven. Hij kon niet beseffen dat de Christus in hem leeft omdat het Christus-wezen nog niet was uitgestroomd in de mensheid. Na het Mysterie van Golgotha kan de mens dat wel. Hij kan de vonk van de Christus in zichzelf vinden, wanneer hij zich daarvoor inspant.
En in deze wedergeboorte, in het vinden van de Christus-vonk in zichzelf, wanneer men oprecht en eerlijk tegen zichzelf kan zeggen: “Niet ik, maar de Christus in mij”4, ligt de mogelijkheid het intellect niet in dwaling en in het boze te laten vervallen. In Christelijk-esoterische zin is dat het hogere begrip van de verlossing. We moeten onze intelligentie ontwikkelen, want we kunnen niet onintelligent worden. Maar
104
Maar wanneer we ernaar streven onze intelligentie te ontwikkelen, staan we voor de verleiding in dwaling en in het kwade te vervallen. Deze verleiding kunnen we alleen weerstaan wanneer we in onszelf kunnen beleven wat het Mysterie van Golgotha in de mensheidsontwikkeling gebracht heeft.
Het is namelijk zo, dat de mens in het Christus-bewustzijn, in het verenigd zijn met de Christus, de mogelijkheid vindt om aan het kwade, aan de dwaling te ontkomen. De Egyptisch-Chaldeeuwse mens had de wedergeboorte in Christus niet nodig, omdat hij door zijn natuurlijke intelligentie nog de verwantschap met de kosmos beleefde. De Griek had in wezen de ernst van de dood voor zich, wanneer hij zich aan zijn intelligentie overgaf. En nu staat de mens aan het begin van een tijdperk waarin de intelligentie in het kwade zal verkeren, wanneer de menselijke ziel zich niet met de Christus-kracht zal doordringen. Probeert u zich eens voor te stellen hoe ernstig dit is. Het laat zien hoe men bepaalde dingen, die zich in onze tijd reeds aankondigen, moet opvatten, hoe men moet bedenken dat in onze tijd de mensen de neiging tot het kwade krijgen, juist omdat hun intelligentie zich verder ontwikkelt. Het zou natuurlijk volstrekt onjuist zijn om te denken dat de intelligentie onderdrukt zou moeten worden. De intelligentie mag niet onderdrukt worden maar de mensen met inzicht in de toekomst hebben een zekere moed nodig om zich aan hun intelligentie over te geven, omdat de intelligentie tot het kwade en de dwaling verleidt, terwijl we in het doordringen van deze intelligentie met het Christus-principe de mogelijkheid moeten vinden de intelligentie om te vormen. De menselijke intelligentie zal volledig ahrimanisch5 worden wanneer het Christusprincipe de zielen van de mensen niet zal doordringen.
U weet hoeveel er juist in deze tijd al duidelijk zichtbaar is in de ontwikkeling van de mensheid, waaraan mensen met inzicht kunnen aflezen dat de dingen zullen gaan zoals ik zojuist geschetst heb. Bedenkt u maar eens wat er door het
105 

derde van de ontwikkelingsperspectieven, die door het materialisme de mensheid bedreigen, nu al over de mensen wordt uitgestort. Wanneer u bedenkt met hoeveel wreedheden de huidige cultuurontwikkeling al doortrokken is, die zich nauwelijks laten vergelijken met de wreedheden uit de barbaarse tijden, dan zult u er nauwelijks aan kunnen twijfelen dat het begin van de val van de intelligentie al duidelijk zichtbaar is. Men moet de zogenaamde cultuurverschijnselen van onze tijd niet oppervlakkig bekijken, men moet er waarachtig niet aan twijfelen dat de mensen van nu zich moeten inspannen om de Christus-impuls werkelijk te begrijpen, wanneer zij een vruchtbare toekomst tegemoet willen gaan. Twee dingen zijn nu al duidelijk merkbaar: mensen die zeer intelligent zijn en die een duidelijke neiging naar het boze hebben; en anderzijds is te merken dat veel mensen deze hang naar het boze onderdrukken, en niet bestrijden, door hun intelligentie te laten slapen. Slaperigheid van de zielen, of bij wakkere zielen een sterke hang naar het boze en de dwaling, dat is tegenwoordig al duidelijk waarneembaar.
Denkt u nog eens terug aan een avond voor mijn laatste vertrek7, toen ik hier uiteengezet heb hoe sinds vijf, zes, zeven, acht jaar de kinderen die worden geboren er anders uitzien, men zou kunnen zeggen, met een zweem van melancholie in hun gezicht, duidelijk zichtbaar voor degene die dit soort dingen kan waarnemen. En ik heb verteld dat dat komt omdat de zielen in deze tijd niet graag afdalen in onze van materialisme vervulde wereld. Men zou kunnen zeggen dat de zielen vóór hun geboorte een zekere vrees en angst voelen om de wereld te betreden, waarin de intelligentie de hang, de neiging tot het boze heeft en in een neerdalende ontwikkeling terecht gekomen is.
Ook hiervoor moeten de mensen die opvoeder en onderwijzer voor de menselijke toekomst willen worden, een bewustzijn ontwikkelen. De kinderen van nu zijn anders dan die van
106 

tientallen jaren geleden, dat is zelfs met een oppervlakkige waarneming al duidelijk vast te stellen. Zij moeten anders opgevoed en onderwezen worden dan tot nog toe gebeurde. Men moet onderwijzen in het bewustzijn dat men eigenlijk bij elk kind een redding moet volbrengen, dat men elk kind zover moet brengen dat het in de loop van zijn leven de Christusimpuls in zich vindt, dat het in zichzelf een wedergeboorte beleeft.
Dergelijke dingen kan men, als leraar of opvoeder niet verwerkelijken waar dat nodig is, wanneer men ze slechts als theorie kent. Alleen wanneer de ziel sterk betrokken is bij deze dingen, kunnen ze ook verwerkelijkt en toegepast worden in opvoeding en onderwijs. Juist van de leraren moet verlangd worden dat ze in hun ziel de bezorgdheid beleven voor de mensheid, die staat voor de verleiding die het intellect met zich meebrengt. De trots die de moderne mensheid aan zijn intellect ontleent, kan de mensheid duur komen te staan wanneer die trots niet wordt afgezwakt door een sterk en energiek besef: het beste in mij als mens in deze en volgende incarnaties is wat ik in mijzelf als de Christus-impuls vind.
Nu moet het duidelijk zijn dat deze Christus-impuls niet de dogmatiek van een of andere religieuze gemeenschap kan zijn. Vanaf het midden van de 1 5e eeuw hebben religieuze gemeenschappen er in hun ontwikkeling meer toe bijgedragen de Christus-impuls van de mensen te vervreemden, dan hem dichterbij te brengen. Zij maken de mensen van alles wijs, maar brengen de Christus-impuls daarmee niet dichterbij. Het is noodzakelijk dat de mens beseft dat alles waardoor hij innerlijk open kan staan voor wat het Mysterie van Golgotha hem kan openbaren, samenhangt met wat het Mysterie van Golgotha voor de aarde betekent. Ervaart men dat de betekenis van de aarde in het Mysterie van Golgotha ligt, dan kan men er toe komen om tegen zichzelf te zeggen: de ontwikkeling van de aarde zou zinloos zijn wanneer de mens door zijn intelligentie tot het
107 

boze, de dwaling vervalt. Wanneer men de betekenis van het Mysterie van Golgotha zo ervaart, dan ervaart men de aarde-ontwikkeling zonder het Mysterie van Golgotha als zinloos.
Dit besef moet men zeer diep tot zich door laten dringen wanneer men nu en in de toekomst iets wil doen om de mens op te voeden en te onderwijzen. Men moet zich deze grote gezichtspunten eigen maken. Maar u weet hoe ver de moderne mens hiervan verwijderd is. Het is daarom niet alleen noodzakelijk om steeds weer te wijzen op het belang van de geesteswetenschap, het is ook noodzakelijk om te wijzen op de ernst die zich van de ziel meester moet maken wanneer we de betreffende feiten in de ontwikkeling van de mensheid door de geesteswetenschap leren kennen. Want niet alleen onze kennis maar ons hele leven moet door de geesteswetenschap een impuls krijgen; zonder dat men deze ernst voelt is men niet werkelijk een geesteswetenschapper.
En ik vraag u om aan deze bijzondere openbaring vanuit de geesteswetenschap zeer zorgvuldig aandacht te schenken. De menselijke intelligentie zal, wanneer zij aan zichzelf wordt overgelaten, de weg van het ahrimanische inslaan en zal alleen naar het goede kunnen tenderen door de ware Christus-impuls in zich op te nemen. Ik geloof dat degene die het volle gewicht van deze waarheid tot zich door laat dringen, deze ernst ook zal laten meespreken in de verhouding die hij zal ontwikkelen tot de verschillende wereldbeschouwingen en wereldbeschouwelijke stromingen van deze tijd. Want daar is nog heel veel te doen.
Zo vertellen mensen die nu uit verschillende gebieden van Oost-Europa komen met verbijstering over een feit dat niet bepaald op het voortschrijden op de weg naar een bijzondere beschaving wijst; ik doel op het bestaan van de zogenaamde ‘geweervrouwen’. Dit is een heel aparte mensenklasse die zich in het oosten van Europa ontwikkelt, Oost-Europese vrouwen die daar worden ingezet door de huidige revolutionaire
108 

bewegingen, waar steeds diegene die niet tot de regerende partij behoort in de gevangenis belandt of na enige tijd gedood wordt…, in elk geval steeds in levensgevaar verkeert. In bepaalde gebieden in het oosten, worden vooral jongere vrouwen uitverkoren, zij worden uitgerust met uit de oorlog overgebleven geweren en hebben de taak de mensen die tegenstanders zijn van de nieuwe regering neer te schieten. Deze geweervrouwen lopen rond in gestolen kleding, versierd met opsmuk en snuisterijen en ze beleven er voldoening aan om het geweer te dragen en om mensen neer te schieten. Ze vinden het goed te verenigen met de moderne menselijkheid er prat op te gaan dat zij er geleidelijk een gevoel voor ontwikkelen hoe het bloed van jonge mensen vloeit en hoe het bloed van oudere mensen eruit ziet. Zo leren we heel speciale uitingen van onze moderne beschaving kennen! En het instituut ‘geweervrouwen’ is tenslotte een verworvenheid van de moderne tijd.
Het is nodig dat er op dergelijke verschijnselen wordt gewezen. Zij zijn er om in zekere zin de keerzijde, de andere kant van de ernst van onze tijd waar te kunnen nemen. Natuurlijk is het niet per se nodig om deze verschrikkelijke uitwassen van onze zogenaamde hoogontwikkelde cultuur te kennen, om werkelijk de ernst te ervaren, waaraan men zich in deze tijd moet wijden. Uit het inzicht in de ontwikkeling van de mensheid zelf zou ons deze ernst moeten blijken. Men zou wensen dat de slaap die de moderne mensheid geleidelijk in zijn greep heeft, overgaat in een ontwaken. Dit zo noodzakelijke ontwaken kan er alleen uit bestaan dat de mens gegrepen wordt door de ernst van de opgave die hem als mens van deze tijd wacht, en de verwijzing naar het gevaar van het eenzijdig aan zichzelf overgelaten, in het ahrimanische terechtkomende intellect. Dat moet de impuls zijn die ons met deze ernst vervult.
109 

 Meer over Allah uit antroposofische bronnen.

Ahriman in het onderwijsalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3116-2929

.

.

.

VRIJESCHOOL – Driekoningenspel in jip-en-janneketaal

Pieter HA Witvliet
.

DRIEKONINGENSPEL IN JIP-EN-JANNEKETAAL
.

Nee, dit is ABSOLUUT GEEN PLEIDOOI om voortaan een andere taal in het Driekoningenspel uit Oberufer te gaan gebruiken.

Iedere vorm van aanpassing – hoe mooi verder van taal – haalt het niet bij wat Sanne Bruinier destijds maakte van het Oberuferer dialect.
Zij was onnavolgbaar – onnavolgbaar! in staat het klankrijke, sappige, boerse, van het dialect over te brengen in een bepaalde vorm Nederlands waarin ze allerlei elementen uit de taal van vervlogen jaren gebruikte.
Het is dus geen bestaand (oud) dialect, noch Middeleeuws, noch Middelnederlands.

Het Driekoningenspel – maar dat geldt ook voor het Paradijsspel en het Kerstspel– is qua taal niet te verbeteren zonder dat de diepe gemoedsbeleving van de dialectklanken verloren gaat.
Altijd zal – ook al is de taal nog zo bloemrijk vervangen – er meer intellect, dus minder leven, het spel binnendringen.
(Een interessante ervaring van een groep spelers)

Ook onze bestaande dialecten willen ‘vertalen’ naar het Nederlands zou aan de zeggingskracht van die dialecten veel afbreuk doen. Uitdrukkingswijze, intonatie, beleving gaan bij de dialectsprekende mens dieper dan bij de mens die de grootste gemene deler van de taal: het ABN spreekt.
Als spreker van beide kom ik (ook) uit ervaring tot die conclusie.

Mijn jip-en-janneketaal verhoudt zich tot de taal van de Kerstspelen als een grijsgrauwe regenboog tot de werkelijke pracht van de regenboogkleuren.

Waarom ‘vertaal’ ik de woorden dan naar begrijpelijk Nederlands?
Omdat er telkens maar weer opmerkingen zijn over ‘hoe moeilijk die teksten te begrijpen zijn’.
Dat tekent onze huidige situatie: we willen weten, kennen; we leven tenslotte in een intellectualistische tijd. En natuurlijk: als de woorden je niets zeggen, moet je het hebben van het beeld. Ook dat heeft het vermogen om tot je te spreken: beeldentaal!
Dat geldt vooral bij kinderen; zij hebben een veel mindere behoefte bij deze spelen ‘alles’ te begrijpen, omdat ze ook een groot deel langs een andere weg verstaan.

Maar goed, voor de mensen dus die de tekst moeilijk vinden, hier een huis-tuin-en keukenversie.
Maak er een folder van, zet die tekst in de schoolkrant, kortom verspreid die onder de mensen die er behoefte aan hebben, zodat ze van tevoren – thuis! – zich kunnen voorbereiden op de inhoud.

Daarmee zouden de klachten over ‘het begrijpen’ tot het verleden moeten gaan behoren.

En wie dat heeft begrepen, slaat niet de tot veruiterlijking leidende weg van de meer intellectualistische hertaling in!

DRIEKONINGENSPEL

Engel

‘k Treet voor uluyden sonder spot,
Zonder te spotten sta ik voor u!
goên avond saamen gheve u god,
God geve u hier samen een goede avond,
een goên avond ende geseghende tyt,
een goede avond en een gezegende tijd
mooch ons van daarboven syn toegeseyt.
mag ons van daarboven toegezegd zijn.
Agtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren,
Geachte, zeer wijze, welgezinde heren
oock deugtsaame vrouwen
ook deugdzame vrouwen
ende jonckvrouwen in alle eere,
en jongedames met alle eer,
wilt altegaer niet euvel duyden
neem allen het ons niet kwalijk
dat wy ons spel vertoonen voor uluyden,
dat wij ons spel voor jullie opvoeren,
Tgeen dat ghy voor u ooch sult sien
Wat u hier gaat bekijken
is niet versintsel van onsliên,
hebben wij niet bedacht,
noch oock van heidens uytgedocht
en ook niet door ongelovigen
maer deur de heylige scrift gebrocht:
maar door de Bijbel gebracht:
van hoe Christus quam, ons menschen ten troost,
over hoe Christus kwam, als troost voor de mensen,

oock van d’albekende wysen van oost –
ook over de bekende wijzen uit het Oosten
Sy synder gecomen een varre toght-
Ze hebben een lange reis gemaakt
so als elck reysersman wel kennen moght –
zoals iedere reiziger dat wel weet –
Sy synder nae Hierusalem geteghen
ze zijn op weg gegaan naar Jeruzalem
en vraegden naet kindeken alder weghen.
en vroegen overal naar het Kind.
Herodes heytet mit droefnis vernomen
Herodes vernam het en werd bedroefd
en liet de geleerde priesters comen;
en hij liet de geleerde priesters komen;
die sullen hem segghen sonder verlaet
die moeten hem dadelijk zeggen
wat inder heylighen scrifte staet.
wat erover in de Bijbel staat.
So ghy bereyt syt en het aen wilt hooren,
Dus als u bereid bent om ernaar te luisteren
swyght stil en opent wyt u ooren.
wees dan stil en luister goed.

Melchior

Myn gattercompas end instrumenten goet
Page, breng mij eens snel mijn 
haestelyc, pagie, hende bringhen doet,
sterrenkundige instrumenten,
der heemlen gloria, reickt boven dien
en geef ook – de naam van een ander instrument –    voor meer info zie dit artikel
gins blinckt een star so noyt en wiert gesien:
daarginder straalt een ster die nog nooit gezien is:
daor Venus mit Sonne doet consamaneren
nu Venus met de zon samengaat
staet iet veurt oogh als nimmer te veuren:
gaat er iets gebeuren dat nog nooit gebeurd is:
een overschone helle schyn !
wat een prachtig helder schijnsel!
van waer mach dit gestarnt wel syn?
waar komt dit gesternte vandaan?
’t en is niet byster veer geleghen,
het staat niet eens zover weg,
dit is certeyn een heyligh teken,
dit is zeker een heilig teken,
te middenst sienick eene maagt,
in het midden zie ik een jonkvrouw
die claorelyc een kindeken draegt,
die overduidelijk een kind draagt
de helle glans van heur gelaet,
de heldere glans van haar gezicht
het ligt der starre te boven gaet;
is sterker dan het licht van de ster;
oock doet sy nieuwers stille staon
het staat nergens stil
doch sneller ende sneller rontsomme gaon.
maar draait steeds sneller rond.
Het kind dwelc de joncvrou draegt
Het kind dat de jonkvrouw draagt
ick schou’t beweeght hem telken staeg.
Ik zie dat het zich ook steeds beweegt.
Te duyden wat wonder verschynt aldus,
Om erachter komen wat voor wonder daar verschijnt
roept, pagie den mathematicus
haal page, de wiskundige eens.
of hy mogt verclaeren wattet bediet
misschien kan hij uitleggen wat het betekent
dat men de maegt met een kindeken siet.
dat we de jonkvrouw met een kind zien.

Page

Ghenadighe coninck, u woort ic wel verstae;
genadige koning, ik begrijp u wel
ic bringh u schielken Viligratia.
ik haal meteen Viligratia (de wiskundige)

Melchior

Myn Viligratia., duydt ghy my ginse sterre ?
Viligratia wat betekent die ster daar, leg eens uit?

Viligratia

Ghenadighe coninck, dit sy van my verre,
Genadige koning, hier weet ik niets vanaf,
doch willic de profeten consamaneren
maar ik wil er wel de profeten op naslaan
oftic uyt haor welligt iet deducere.
misschien kan ik daaruit iets afleiden.
Jesaia den profeet spreeckt inderdaat
Jesaja  de profeet spreekt inderdaad over
van dat in Betlem te geschieden staet:
wat er in Bethlehem te gebeuren staat:
Een coninck daer alras geboren worden sal,
Daar zal weldra een koning geboren worden.
Messias van der aert ent gants heelal.
Verlosser van de aarde en het hele heelal.

Melchior

’t Coomt my te veur oft woort van den profeet
Mij lijkt het of het woord van de profeet
alree in Betlem sich vervullen deet,
al in Bethlehem in vervulling is gegaan.
dies willic naerstelyc bedencken
nu wil ik snel bedenken
wattic het kindeken sal schencken ?
wat ik het kind zal schenken
een somme gouts houdic bereyt,
een som goud neem ik ervoor
gout voegt eens coninghs majesteyt,
goud hoort bij een koninklijke majesteit
den coningh oock der aert ent gants heelal,
en het is ook de koning van de aarde en het hele heelal.
ic hope hy my des ghenadich wesen sal.
ik hoop dat hij mij daarom genadig zal zijn.
Gaet hene ende sorght mit vlyt, myn pagie,
ga page en zorg snel
dat al bereyt wort veur de pelgrimagie;
dat alles voor de pelgrimstocht in orde wordt gemaakt.
en voert ghy, Viligratia ’t regiment
en jij, Viligratia, neem het bestuur op je
tottic die reyse heb gebrogt ten end.
tot de reis ten einde zal zijn.

Viligratia:

Ghenadighe coninck, nae u content
Genadige koning ik zal tot uw tevredenheid
willic hier voeren het regiment.
hier het bestuur op me nemen.

Balthasar:

Huy morghen bragt myn hofstoet my de konde
Vanmorgen bracht men mij vanuit het hof de boodschap
hoe dat sich deuse nagt een wonder toonde.
hoe er vannacht een wonder zichtbaar was
Een vreemt gestarnt van selsaem claeren schyn
Een vreemde ster met een zeldzaam helder schijnsel
daor in een joncvrou deet verschenen syn,
en daar verscheen een jonkvrouw in,
mit haor een coninck vander aert ent gants heelal;
bij haar een koning van de aarde en het hele heelal;
het voeght dat men hem wieroock offren sal;
het past dat we hem wierook aanbieden;
een kindelingh so lieflyc teer,
een kindje, zo liefelijk en teer,
voorwaar sulck dingh en sach men nemmermeer.
echt waar, zoiets is nog nooit vertoond.
Doet op de weghen ende straeten gaen
Ga de wegen en de straten op
en deuse star ent wonder gaode slaen
om deze ster en het wonder te aanschouwen
so speurt ghy alte wel dattet waorlyc leyt
en dan merk je snel genoeg dat het echt zo is
gelyck myn hofstoet my heeft an geseyt.
als ze mij aan het hof hebben gezegd.
O nimmer en hoordic, veur ofte nae
O, nog nooit heb ik gehoord
dat bewaerheyt wierd sulcke historia:
dat een dergelijke boodschap waarheid wordt.
een joncvrou reyn, moeder te selfder tyt,
een jonkvrouw die maagd is en tegelijkertijd moeder,
heur kindelingh coninck arm ende ryc !
haar kind koning, arm en rijk tegelijk!
Nae Betlehem doet het gestarnt ons wysen
De ster wijst ons naar Bethlehem
als souden wy algaoder daor henen reysen.
alsof we daar allen naar toe moeten reizen.
Niet en deurgront ic sulck geheimenis
Zo’n geheim doorgrond ik niet
dwelc bij den scriftgeleerden claer te vinden is:
dat bij de schriftgeleerden wel duidelijk te vinden is:
sonder man geboren een kindekyn,
zonder man is er een kind geboren,
een coninck der joetsen sal hy syn.
een koning van de Joden zal hij zijn.
Dies willic op staon morghen mitten dach
Dus zal ik morgen vroeg opstaan
ende sien offic het kindeken vinden mach,
en zien of ik het kind kan vinden.

Kaspar

O wonder groot, hoochste verheuchenis,
O groot wonder, intens verheugen
diewyl eenmael de tyt gecomen is
omdat nu de tijd gekomen is
en den messias, langh begeert, nu is geboren
en de messias, waar men lang naar verlangde, nu is geboren
van eener maegde uytvercoren.
bij een uitverkoren maagd.
Aldus doet een gestarnt ons leren,
Zo leert een ster ons,
welc teken men sal respecteren
en dat teken moet men respecteren
mids de historie hier deur wiert vervult
omdat de boodschap hierdoor waarheid wordt

die by den joetsen als verdightsel geldt
die de Joden als een verzinsel beschouwen.
Sy soeken alder weghen mit groot misbaer
Zij zoeken overal met veel ophef
offet oock ieuwerinc te vinden waer.
of het ook wel ergens gevonden kan worden.
Wat efter salt geschenck end offer syn
Maar wat moet het geschenk en offer zijn
daor met het kinde wel te vre mogt syn?
waarmee het kind wel tevreden kan zijn?
wyl hy een coninck is der aert ent gants heelal
omdat hij koning is van de aarde en het ganse heelal
is mir de gave so men brenghen sal.
moet ik als gave de mirre brengen.
Mit alsulck offer willic tot hem gaen
Met zo’n offer wil ik naar hem toe gaan
en hope voor het kind daor met bestaen.
en hopen dat ik daarmee in de ogen van het kind mag bestaan.

Lied 1

Der wysen starre blinckt ons claer,
De ster van de wijzen straalt helder voor ons
den hoochsten coninck moet voorwaer
de hoogste koning moet – dat is duidelijk –
op aertryc syn gecomen.
op aarde gekomen zijn
Och wysen, goede, wysen, seght
O wijzen, goede wijzen zeg het,
de waerheyt ons voor oghen leght
openbaar ons de wijsheid
vanwaer hebt ghy vernomen ?
waar heeft u dit vernomen?
ylt nu, ylt
haast u, haast u
van hende en verre
van heinde en verre
mitter sterre
met de ster
tottet kinde,
naar het kind
ylt den coninck der ere* vinden.
haast u om de erekoning te vinden.
*de oorspronkelijke dialecttekst uit Oberufer heeft hier 
het woord ‘erdn’ = aarde?

Page:

Ghenadigste coningh, vreemt volleck sonder tal,
Genadige koning, heel veel vreemd volk
welcs doelwit onbekent, u dra gemoeten sal,
waarvan we niet weten waar ze naar op weg zijn
zal u weldra ontmoeten,
het schynt daor sy een coninck mit haorlieden
het lijkt een koning met zijn gevolg
als over ons doet heerschen ende gebieden.
alsof die over ons heersen en gebieden kan.

Melchior:

So willic toeven een cort termyn
Dan blijf ik hier even
tot sy alhier sullen gecomen syn.
tot ze hier aangekomen zijn.

Myn eedle heren, weest gegroet,
Edele heren, ik groet u,
waor hene staet u sin, hert ende moet?
waar wilt u zo graag heen gaan?

Balthasar:

Weest gegroet myn here, end u hofstoet daor neven, 
Ik groet u, mijn heer en uw gevolg eveneens.
waor dogt u caravaen haor henen begheven?
waar dacht uw stoet heen te gaan?

Melchior:

Myn eedle here, heuschelyck danck
Mijn edele heer, oprecht dank.   
tot Hierusalem gaet onsen ganck
wij zijn op weg naar Jeruzalem

Kaspar:

Soot u ghelieve, seght my aen
Als u zo vriendelijk wil zijn, zeg me dan
Wat doet u nae Hierusalem op gaen ?
Waarom gaat u naar Jeruzalem?

Melchior:

In Jesaia men claerlyc gescreven vint
In Jesaja staat duidelijk geschreven
hoe dat een schoon ende arrom kint
hoe een mooi en arm kind
in Bethlehem geboren worden sal,
in Bethlehem zal worden geboren,
een coninck seffens vander aert ent gants heelal
een aardse koning, maar ook van het gans heelal
Nu wiertet deur de sterre openbaer,
nu wordt het door de ster geopenbaard
hoe oft geschiet is wonderbaer,
hoe dat wonder is gebeurd,
naedien geringhe tyt te voren
nadat een korte tijd daarvoor
bereyts dit kinde is geboren.
dit kind al is geboren.

Balthasar:

Mit waorheyt magh ic segghen ist al gelyck
Ik spreek de waarheid als ik zeg
toe gegaon in myn coninckryck.
dat het in mijn koninkrijk net zo gegaan is.
Een star is ons aldaor verschenen
Er verscheen een ster
daor in een joncvrou stond, een kint mit eenen
waar een  jonkvrouw in stond, samen met een kind
hier deur coomt aen den lighten dach
hiermee wordt duidelijk
tgeen onder den heydens verborghen lagh.
wat bij de heidenen nog onzichtbaar was.

Kaspar

Dit selve heeft my op de baen gebragt,
Dit heeft mij ook op reis doen gaan,
dat hoochelyc een wonder wort geagt,
dat moeten we als een groot wonder beschouwen
hier omme wy van herten seere –
daarom moeten we – mocht het zo zijn
mogtet so syn – het vinden begeren.
het echt willen vinden.

Melchior:

Doch, nu de starre schier verdween
Maar nu de ster bijna verdwenen is
dwelc ons ten teken blonck voorheen
die eerst nog als een teken voor ons blonk
en wy in deusen weghen ende straeten
en wij op deze wegen en straten
op geen middelen ons en dorren verlaeten,
geen verdere hulpmiddelen hebben
oock niet en weten nae wellecken kant
ook niet weten welke kant we op moeten
in dit gants onbekende lant,
in dit totaal onbekende land,
so en willenme de reyse niet beënden
zo willen we de reis niet beëindigen
en nae Hierusalem ons heen wenden,
en naar Jeruzalem gaan,
of wy in gintser stede welligt
misschien kunnen we in die stad
niet en vernamen een naeder berigt.
nader bericht vernemen.

Lied 2

Drie coninghen tyen, de starre veur an,
Drie koningen trekken verder, de ster voorop
tot Bctlehem isser de starre gegaen
tot Bethlehem is de ster gegaan
en heytse beduyt
en die heeft hen laten zien
waer ’t kindeken leyt,
waar het kindje ligt,
daer bleve de starre stil staen.
daar bleef de ster stilstaan.

Lied 3

Ter tyt Herodis regiment
In de tijd van het bestuur van Herodes 
syn wysen uyten orient
zijn wijzen uit het Oosten
gecomen veur Hierusalem an
in Jeruzalem aangekomen
toen Christus reets op aerden quam,
toen Christus al op aarde was gekomen
en vraegden alder weghen snel
en overal vroegen ze gehaast
waer geboren sy die in Israël
waar in Israël geboren zou zijn
nae de joetse profety’n
die volgens de Joodse voorspelling
de nieuw coninck soude syn.

de nieuwe koning zou zijn.

Herodes:

Bin ick eerst regt op een verbolghen
Als ik eenmaal boos ben op iemand,
hy wagte hem veur de gevolghen!
dan moet hij oppassen voor de gevolgen!
aerts ende gheestlyc hoochste hant
de hoogste wereldlijke en geestelijke machthebbers
heeft myn hier in der joetsen lant
hebben mij hier in het land van de Joden
gemaakt tot coninck al temet
bijgeval tot koning benoemd
ende op de hoochste plaets geset.
en de hoogste plaats gegeven.
Wy willen huyden regtspraak houden,
Nu willen we rechtspraak houden
spreecken mit jonghen ende mit ouden,
spreken met jongeren en ouderen
die sullen treden al te mael
die zullen hier allemaal in mijn
tot myn in myne conincks sael
koninklijke zaal bij mij komen
waorc nae se wagt.
waar ik op ze wacht.
Het klopt lackey,
Er wordt geklopt, lakei
gaot sien wie daor gecomen syn.
ga kijken wie er gekomen zijn.

Lakei:

Gehenadighste coninck, vreemt volc schier sonder tal 
Genadige koning, heel veel vreemd volk
welcs doelwit onbekent, comt hende tot u sael,
met een onbekend doel, komt hierheen naar uw zaal,
veul heren ende coninghen doense bringhen,
er zijn veel koningen en heren bij
sy moghten ons wel gants omringhen.
ze zouden ons wel helemaal kunnen omringen
Mit costlycke kleedingh synse an gedaon,
Ze hebben kostbare kleding aan
vol stacie doense daor henen gaon.
en ze bewegen zich vol statie.

Herodes:

Vraegt opterstont van waor sy comen
Vraag onmiddellijk waar ze vandaan komen
ende wat sy haor hebben veur genomen 
en wat hun bedoeling is.

Lakei:

Ghy heren, conincklyc majesteyt
Heren, koninklijke hoogheid
mogt weten waor veur ghy gecomen syt
zou graag willen weten waarom u gekomen bent
in deuse stadt, alsoock het oort,
naar deze stad, en ook de plaats
lant end geslaght daor toe ghy behoort.
het land en het geslacht waartoe u behoort.

Melchior:

Wy syn al tsaam van conincklycken standt,
Wij zijn allemaal van koninklijke stand
twee onser uyt Scheba, eenen uyt morenlandt;
twee van ons uit Scheba, een uit het land der Moren.
isset coningh Herodi nae den sin,
als het koning Herodes schikt
so quamen wy gheern tot syn edelheyt in.
zouden wij graag naar de vorst toegaan.

Lakei:

Sy syn al tsaem van coninclyken standt,
Zij zijn allemaal van koninklijke stand
twee hunner uyt Scheba, eenen uyt morenlandt
twee van hen uit Scheba, een uit het land der Moren.
isset coningh Herodi nae den sin
als het koning Herodes schikt
so quamen sy gheern tot syn’ edelheyt in
zouden zij graag naar de vorst toegaan.

Herodes:

Laotse in myn losament sonder verdrach
Laat hen zonder meer binnen
dattic haorlie an heuren mach
zodat ik naar hen kan luisteren.

Lakei:

Myn ghenadigst heer coninck begeert u precencie
Mijn genadige koning stelt uw aanwezigheid op prijs
en dat ghy hem bloot leght u saek end intencie.
en dat u uw zaak en bedoelingen duidelijk maakt.

Herodes:

Weest willecom heren, hoe dientet verstaon
Welkom Heren, hoe moet ik begrijpen
dat ghy van veer tot mynwaerts coomt gegaon ?
dat u van zo ver naar mij gekomen bent?

Kaspar:

U edelheyt meughe ons verschonen
Edele heer, neem ons niet kwalijk
so wilc de oorsaek cortlyc ane toonen:
ik zal de oorzaak in het kort aangeven
In Scheba onsen landen var
In Scheba, onze verre landen
verscheen een sonderlycke star,
verscheen een wonderlijke ster
daor in eene maegt een kind doet draeghen,
waarin een maagd een kind draagt
merckt wel waor van wy u gewaghen.
let wel wat wij u vertellen
Hier deur wier ’t eerst ons openbaer
Hierdoor werd het ons pas duidelijk
hoe dat den messias gecomen waer,
hoe de Messias was gekomen
een coninck geboren over al
geboren een koning over iedereen
soot heir der joetsen dienen sal;
die het leger van de Joden zal dienen.
hem soecken wy vlytigh uyt alle magt,
hem zoeken we zo goed we kunnen
dit heeft ons op de reyse gebragt
dat heeft ons op reis doen gaan.

Herodes:

Hoe, hier te lande heyt sulx geschiet,
Hoe is dit in dit land gebeurd?
vreemden bekent, myn egter niet?
Vreemdelingen weten het, maar ik niet?
so tyt nae Betlem te deuser stonde,
ga dit uur nog naar Bethlehem
so danich kint en wort hier niet gevonden.
hier is zo’n kind niet te vinden
Reyst henen ’t soecken. En daor ghy sult
Ga op pad om het te zoeken. En als u 
hebben anbeden end seffens bedeelt,
het hebt aanbeden en geschenken gegeven
bootschapt het myn, op dattic het weet,
laat het mij dan weten
dattic als eersten mach syn bereet,
dat ik de eerste mag zijn
dattic oock tottet kint mogt reysen
dat ik ook op reis mag gaan naar het kind
hetzelve aanbidden gelycker wysen
en het ook zo mag aanbidden.
Doet sulx ghy heren te mynen gerief,
Doe dat voor mij, heren
’t kint met vereren waor’  my lief.
ik zou het heel fijn vinden het kind ook te eren.

Kaspar:

U edelheyt, soo wyt mogten vinden,
Hoogheid, als we het kind mogen vinden
brenghemme u kondschap van het kinde
laten we u dat weten.

Melchior:

Nu wel aan
wy tyen van Hierusalem van daen.
Kom, dan verlaten we Jeruzalem.

Balthasar:

Siet an, de sterre gaot veur ons uyt
Kijk, de ster gaat voor ons uit
dwelc ons reets heeft geleyt
die ons al heeft geleid 
int ryc van orient
in het rijk van de Oriënt
daor wy ’t kindeken hebben erkent.
omdat wij het kind herkend hebben.

Herodes:

Die maor en ontroert my niet weinigh den sin
die boodschap brengt me danig in de war
wylc slechts een vreemden coningh bin
omdat ik maar een vreemde koning ben
en geenen regten. Gaot lakey
en geen echte. Vooruit lakei,
roept ras de schriftgeleerden tot my
roep snel de schriftgeleerden bij mij
end overpriesters, op dattic hore
en de overpriesters, zodat ik kan horen
waor den nieuen coninck sal worden geboren,
waar de nieuwe koning geboren zal worden
soot heir der joetsen dienen sal.
die het leger van de Joden zal dienen.

Lakei:

Ghenadighe coningh, ‘k verstae u wél,
Genadige koning, ik begrijp u goed,
wil sonder dralen end also snel
ik zal zonder gedraal en dus snel
uytet gantse lant van hende en varre
uit het hele land, van heinde en verre
de overpriesters byeen vergaeren.
de overpriesters samenbrengen.

Kaifas:

Heer, ic Kaifas, myn eygenste lief,
Heer, ik, Kaifas, ik houd van mijzelf,
heer, ic en doen u geen ongerief,
heer, ik doe niets tot uw nadeel
ic wilt al segghen op een haor,
ik zal het op een haar na precies zeggen
wen coninghlycke majesteyt
als u, koninklijke hoogheid
het geenderley wyse niet euvel en duydt.
het mij op geen enkele manier kwalijk neemt.

Herodes:

Spreeckt heer, doet ongestraft gewagh
Spreek, heer, zeg het ongestraft
schoonet my grootlyc mishaegen mach
hoewel het mij zeer onwelkom is
ic en hout u niet ten quade
dan neem ik het u niet kwalijk
mids ic my gheern van u liet raeden,
omdat ik mij toch graag door u raad laat geven
wesweghen toch ic om u sont.
daarom liet ik u toch halen
So seght my aen wat ghy bevont
dus zeg mij wat u ervan weet,

De schriftgeleerden:

Ghenadighe coningh, tleyt claor veurder hant,
Genadige koning, het is overduidelijk
in de stadt Betlem int joetse lant,
in de stad Bethlehem in het joodse land
so as de scriften wysenet uyt,
zoals de Schriften het vermelden
so asset veers vanden psalmmeester luyt:
zoals het vers van de psalmmeester luidt:
de soon sal boven syne vianden gaan,
de zoon zal boven zijn vijanden staan
boven allen so teughen hem op sellen staon,
boven allen die tegen hem in opstand komen,
veul vollecke hem volghen sal op aarde!
veel mensen zullen hem volgen op aarde
sy sullen in hem geseghend worden!
en zullen zijn zegen ontvangen.
Syn naom sal hieten Immanuel! 
Hij zal Immanuel heten
doet claorlyc vermelden Ezechiel:
dat zegt Ezechiël overduidelijk
want boter ende honingh sal hy eten
want hij zal boter en honing eten
ent goeje verkiesen, het quaaje vergeten
het goede verkiezen en het kwade vergeten.

Herodes:

Hoe cost ende mogt dit efter syn:
Hoe kan dat in ’s hemels naam
uyt de maegde geboren een kindekyn ?
dat de maagd een kind baart?

Kaifas:

Het saat der vroue sal der slanghe den kop vermorselen.
Het zaad van de vrouw zal de slang de kop vermorzelen.
en alt verlorene sal hy weeromme bringhen.
en alles wat verloren is gegaan zal hij weer terug brengen.

Herodes:

Een maghtich coningh sprack tot my
Een machtige koning sprak tot mij
en sonder schroom vermonde hy:
en zonder aarzeling zei hij
in Betlehem wiert van haor vernomen
dat hij vernomen had dat in Bethlehem
sy ons tot solaes een verlosser gecomen,
tot onze troost een verlosser is gekomen,
geregten heerscher en herder goet
een rechtvaardig heerser en een goede herder
welc ons algaeder regeren moet.
die over ons allemaal zal regeren.
Nu mogtic seker syn ende gewis 
nu zou ik er zeker van willen zijn
oft hiermet eene waorheyt is:
of het hier de waarheid betreft
Myn ryck staet hier in groot gevaor
Mijn rijk is hier in groot gevaar
wattic u segghe dat is waor
wat ik tegen u zeg is waar!

Kaifas:

Heer, so en dorfment niet verstaen
Heer, zo mag je dat niet opvatten
als soude u ryck te gronde gaen:
als zou uw rijk te gronde gaan:
een coninck sal hy worden geagt
hij wordt geacht als koning
maor niet en heerschen mit conincklycke magt,
maar niet heersen met koninklijke macht,
verwesen sal hy syn ter doot,
hij wordt tot de dood veroordeeld,
syn eygenst volleck tot een spot.
zijn eigen volk zal hem bespotten.

Herodes:

Twaor beter sulx te veure comen
’t Is beter dat maar te voorkomen
dat jonck hem tleven wier benomen
beter dat hij jong vermoord wordt.
eert volck hem schaerde an syne syde
voordat het volk zaan zijn kant gaat staan
ent ghaf ten lest een bloedigh stryden
dat zou op ’t laatst een bloedige strijd betekenen
so altemets een coningh quam tot myn.
toevallig kwam er dus een koning bij mi.

Pilatus:

Conincklyck majesteyt, wilt nog verduldich syn
Koninklijke hoogheid, wees toch geduldig
en blyft in uwen moet getroost
en vertrouw erop
tot dat de coninghen van oost
tot de koningen uit de Oriënt
weder keeren en brenghen u konde
terugkeren en u berichten
of syt aldus hebben bevonden
dat ze dit zo hebben gezien.

Herodes:

Int joetse lant – so staet te vresen
In het land van de Joden – is te vrezen –
mogtet te veuren ruchtbaor wesen.
zou het eerder bekend kunnen worden.
Nog gisterdaegs wiert ons gemeld
Gisteren nog werd ons gemeld
hoe een engel quam totten schaepers opt veldt
hoe er een engel kwam bij de herders op het veld
en bootschapte haor dat geboren was
en die bracht hen de boodschap
een nieucn coningh, Heer Kaifas,   
dat er een nieuwe koning was geboren. Heer Kaifas, 
seght waer geboren wort mit al
zeg waar geboren wordt 
wient heir der joetsen dienen sal
die het leger van de Joden zal dienen.
wat segghen hier van U profeten ?
wat zeggen uw profeten hiervan?

Jonas:

Sy doene allen een parighlyc weten:
zonder uitzondering laten ze allen weten
Christus den coninck is uytvercoren
Christus de koning is uitverkoren
in Betlem sal hy worden geboren,
hij zal in Bethlehem worden geboren,
de stadt dwelc in Judea leyt.
de stad die in Judea lig.t
Soo ist van profeten ane geseyt
Zo hebben de profeten het verkondigd.

Herodes:

Algoet
Al goed
laet af en swyght alsnu
houd op en zwijg nu
ick heurde alree genogh van u;
ik hoorde van u al genoeg;
maekt u van hier.
verdwijn.
ic will te deghen
ik wil die zaak
en regts die saeke overweghen
terdege overwegen
en rigt myn sin en mynen moet
met hart en ziel denk ik eraan
op dattic vergiete het kint syn bloet;
het bloed van het kind te vergieten.
des lacht den duyvel inder hel,
nu lacht de duivel in de hel
past het hem wel, den qua ghesel ? 
heeft hij daar schik in, die slechte vriend?
o mostic geraeken in sullicke noot
als ik toch in zo’n ellende terecht kom
het waor my liever ic lagh er reets doot.
dan had ik liever dat ik al dood lag.
Wat staet te doen in deusen daghen
wat is er deze dagen te doen,
te spreken? laes, ic moet vertsaeghen
te zeggen? helaas, ik zal de moed verliezen
ende versincken in sulck ellend
en in zo’n ellende zinken
al eer ick eone an myn end.
voor ik aan m’n end kom.
Hoe loonics als daor van myn hooft  
hoe wreek ik het als van mijn hoofd
de coninghscrone wort gerooft?
de koningskroon wordt geroofd?
Is geen die my de hant wil reyken?
Is er niemand die een helpende hand wil bieden
oft geesten syn of myns ghelycken
of het geesten zijn of mensen zoals ik
ic had my gheerne haor verkocht
ik zou me graag aan hen uitleveren
ofc se veur immer volghen mogt
of ze voor altijd volgen
0 wee, is nyemant soot vermogt?
ach, is er dan niemand die dat kan
is geen daor so my by wilt staon?
is er niemand die mij wil helpen?

Duivel:

Wie daor, wie hier? wat schort er an?
Wie daar, wie hier, wat is er aan de hand
ic en laet van u te ghener tyt!
ik laat je nooit in de steek
seght aen, wat is u swaericheyt
zeg op, wat zijn de problemen
dat ghe u noot so fel doet claeghen?
dat je zo heftig je nood zit te klagen?

Herodes:

Van anghsten soudic vast vertsaeghen,
van angst verlies ik zeker de moed,
wyl een nieuen coninck geboren is
omdat er een nieuwe koning is geboren
over ’t lant der joetsen vercoren is: 
uitverkoren in het land van de Joden:
waor heen ic armen duyvel, ach!  
waar moet ik, arme duivel, heen?

Duivel:

Swyght stil, ic bin vant selfden slagh!
Zwijg, ik ben net zo!
geen duyvel en laet oyt syns gelycken,
geen duivel laat zijns gelijken in de steek,
ic hellep u oogmerck flucx bereycken,
ik help je je doel snel te bereiken
op stel ende spronck isset gedaon:
op stel en sprong is ’t voor elkaar:
den nieuen coninck sal ons niet ontgaon:
de nieuwe koning zal ons niet ontkomen
’ck bin hem so wel gesint als ghy,
ik ben hem net zo goed gezind als jij.
volgeeren schaffic raet hier by!
hier geef ik heel graag raad bij
dies maekt u op, geen uur gewagt.
dus kom op, geen uur meer gewacht.

Herodes:

Ghesel, op iet bin ‘ck noch bedacht;
Vriend, ik zit nog met één ding
so ic se alle ylinc doe deursteken,
als ik ze nou allemaal vlug dood laat steken
men mogtet op my selven wreken;
zou men zich op mij kunnen wreken
sulck quat en wort wis niet verschoont
zoiets kwaads wordt echt niet vergeven
doch mit gelycker daet beloont
maar met gelijke munt betaalt
Hoe mogtic my daor teughen keeren
Hoe voorkom ik dat?

Duivel:

Een oghenslach – en ‘ck salt u leren;
In een oogwenk zal ik het je leren
wilt ghy oock duyvel syn, so merckts, so merckts;
wil je ook duivel zijn, let op dan, let dan op:
in toren ende gramschap onvervaert
moedig met woede en haat
de ongeborenen selfs niet en spaert,
de ongeborenen zelfs niet sparend
noch wyf noch kints u niet ontferm,
geen medelijden met vrouw en kind,
sy meughen syn ryck, sy meughen syn erm
of ze nu rijk zijn of arm
ghy sult ombringhen alle knegtjes kleyn
je moet alle kleine jongens ombrengen
so tweujaorigh en daor onder syn;
die twee jaar of jonger zijn.
dan doenic laghen in myne vuyst
dan lach ik in mijn vuist
kreck of den vos een gansjen muyst.
net of de vos een gans rooft.
Dies maekt u op, geen uer gewagt;
Kom op, geen uur gewacht
ic vaor in naeme Bix Bax
ik ga in de naam van Bix Bax  (oude toverspreuk)
tot mynen ghesellen roek ende rat.
naar mijn vrienden, roek en rat.

Lied 4:

Mit God so willenme ons liedeken vrolyck doen klincken:
Met God willen we ons lied vrolijk laten klinken:
deet nu Herodes dit woort vernemen,
toen Herodes deze woorden had vernomen,
gedrieën synse gegaen,
zijn ze met z’n drieën weggegaan
de star blonck veurse henen,
de ster scheen voor hen uit,
in Betlehem bleve de star stil staen.
in Bethlehem bleef de ster stilstaan.

Lied 5:

Geboren is in Bethlehem
Geboren is in Bethlehem
al in den stal
in de stal
een kind dwelcs ryk niet en eynden sal.
een kind aan wiens rijk geen einde zal komen.
Dies juight van ‘t jaer Hierusalem,
Daarom juicht dit jaar Jeruzalem,
ja, Christus de heer wy singen hem
ja, Christus de heer bezingen wij
lof syner moeder reyn
lof aan zijn reine moeder
al met haer kindekyn.
ook aan haar kindje.
Christus de heer wy prysen hem
Christus de heer hem prijzen wij
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang,
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang.

2

Het lyt van ‘t jaer in Bethlehem
In dit jaar ligt het in Bethlehem
in krebbe kleyn,
in een klein kribje,
syns rycks en sal geen eynde syn.
aan zijn rijk zal geen einde komen.
Dies juight van ‘t jaer Hierusalem,
Daarom juicht dit jaar Jeruzalem,
ja, Christus de heer wy singen hem
ja, Christus de heer bezingen wij
lof syner moeder reyn
lof aan zijn reine moeder
al met haer kindekyn.
met haar kindje.
Christus de heer wy prysen hem
Christus de heer hem prijzen wij
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang,
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang.

Kaspar:

Verlaet o heer
Verlaat o heer
ons nemmermeer !
ons nooit meer
verlight onse oghen inder noot
verlicht onze ogen in onze nood
dat wy niet en eynden in de doot,
dat we niet in de dood eindigen
geley ons, heer op regte baen
begeleid ons heer, op de juiste weg
dat wy alhier niet en dwaligh gaen
dat we hier niet verdwalen
en leert ons de gheboden dyn. 
en leer ons uw geboden.

Melchior:

Welc deuser twee paden macht regte syn ?
Wat van deze twee wegen is nu de juiste?

Balthasar:

Siet, hier de star doet stille staen,
Kijk, hier staat de ster stil,
laet ons inden stal tottet kinde gaen
laten we tot het kindje in de stal gaan.
Got moet u groeten, lief maegdelyn,
God moet u groeten, lieve maagd
is hier dien wy soecken, het kindekyn?
ligt hier die wij zoeken, het kindje?

Lied 6:

Maria:

Hier leyt dien ghy soeckt, goe heren myn,
hier ligt die u zoekt, mijn goede heren,
in doecken gewonnen het kindekyn.
in doeken gewikkeld, het kindje.

Melchior:

Nu welaen!
Welnu dan
opgedaan ons geschenck ende offer
gegeven ons geschenk en offer
wieroock, mirre endet rode gout
wierook, mirre en het rode goud.

Melchior:

Psallite unigenito
Prijs de eengeborene
Christo, dei fillio
Christus, de zoon van god
psallite redemptori,
Prijs de Heer,
domino puerulo,
de verlosser, het kindje
jacenti in praesepio.
geboren in een stal.

Koningen:

Wie onser sal den eersten syn ?
Wie van ons gaat als eerste?

Kaspar:

Als oudsten sy aan U die ere;
Als oudste komt u die eer toe;
treet toe wy volleghen u gheren
treed binnen, wij volgen u graag.

Balthasar:

U coomt sy toe, gae ghy te veuren.
U komt die eer toe, gaat u eerst

Melchior:

An ere en is my niet geleghen;
ik geef niet om eer,
ic gae mit Got, niet langh gewagt
ik ga in naam van God, niet lang gewacht
en ’t kinde nieue jaer gebragt.
en het kind een geboortegroet gebracht.

Melchior:

Gegroet syt ghy o heiligh kint,
Wees gegroet, o heilig kind
gelooft sy Got dattic u vindt,
geloofd zij god, dat ik u vind.
van verre reyse comen wy
we hebben een verre reis gemaakt
u ane treffen te regter ty,
om u op het juiste ogenblik te vinden.
Ic wil u offeren ’t rode gout,  
Ik wil u het rode goud schenken
ic bid my in genae behout. 
Ik bid u, bewaar mij in genade.
Brenght troulyck groot het kinde teer
Breng het tere kind met trouw, groot
en hebt het oudren hooch in eer.
en geef het, ouders, veel eer.
Voorwaer, gh’en sultet niet beclaghen
Echt, daar zal u geen spijt van hebben
en neemt voor lief myn luttel gave
en neem mijn kleine gave voor lief.

Kaspar:

O edel coningh, o edel heldt,
O, edele koning, o edele held
hoe is u woningh so arrem bestelt,
waarom is uw woning zo armelijk
wie mogt u soecken in den stal,
wie zou u in de stal zoeken
is dit u conincklycke sael ?
Is dit uw koninklijke zaal?
een star heeft my tot u geleyt
een ster heeft me tot u geleid
dien lof en ere moet syn geseyt.
u, die moet ik loven en prijzen.
Veel edel coningh t’aller stond
Grote edele koning, elk uur
sallic u prysen mit mijnen mond
zal ik u met mijn mond prijzen
en roemen wyt ende breit u name;
en wijd en zijd uw naam roemen.
so wilt veel edel heldt ontvaen
alzo, edele held, wil ontvangen
de vrugt myns lands, de mirre goet
de vrucht uit mijn land, de goede mirre.
nu bidde ic dat ghy my behoet
nu vraag ik u of u mij wil beschermen
bewaert int regte Betlem my,
behoed mij in het ware Bethlehem,
in uwen naeme ic henen ty.
in uw naam vertrek ik.

Balthasar:

O coningh teer aensiet oock my,
O, liefelijke koning, zie ook op mij
daor en is geen hoghe heldt als ghy,
er is geen hogere held als u
u begere ic uyt ’s herten gront,
uit de grond van mijn hart verlang ik naar u
een star ginck veur tottic u vont;
een ster ging voorop tot ik u vond
neemt aan het offer, de wieroock goet,
neem het offer aan, de goede wierook
daormot men coninghen eren moet,
daarmee moet men koningen eren.
heer, wen ic dickmaels coma na deusen
heer, wanneer ik hierna nog dikwijls kom
wilt myns oock immer ghenadich wesen.
wil mij dan ook steeds genadig zijn.

Jozef:

Myn goede heren, vergelde Got
Mijn goede heren, dat God u zal belonen
dat ghy tot ons quaamt in onse noot
omdat u in onze nood bij ons kwam
en mit u giften hebt bedaght,
en ons uw gaven hebt geschonken
Got hebbe u in syne wagt,
Dat god over u waakt
ons kindeken van gaven ryc
ons kind, met zulke rijke gaven
sallet u lonen mildelyck
zal u er rijk voor belonen.

Lied 7

Maria:

Goe heren, van herten danck geseyt
Goede here, hartelijk dank
van gaven end offerveerdicheyt,
voor de gaven en de offerbereidheid.
spoet ende jonst moogh’t u verlenen
voorspoed en geluk mag het u geven
op uwen verd’ren wegh van henen.
op uw verdere weg van hier.

Kaspar:

Nu welaan, goe Josef myn
Nu, mijn goede Jozef
bevolen sy u het kindekyn,
het kindje is aan u toevertrouwd
geen vlyt noch sorghen niet en schoont,
spaar vlijt noch zorg
van Got de heer worde u gheloont.
God de heer zal u belonen.

Balthasar:

Nu bewaere u den almaghtigen Got
Dat de almachtige God u zal beschermen
van kommer, anghst end aller noot,
voor leed, angst en alle ellende,
u eeuwighen vader doe u bewaeren
uw eeuwige vader beschermt u.
mit Got so moetenme henen vaeren
met God moeten we vertrekken

Melchior:

Nu willenme weerom tot Herodes reysen
Nu zullen we weer naar Herodes gaan
ende plaats van het kinde ane wysen,
en de plaats van het kind bekendmaken
doch willenne hier wylen over nagt
maar laten we hier vannacht blijven
want alree heyt den avent het duyster gebragt
want de avond heeft de duisternis al gebracht

Koningen:

Ic laghe in eene nagt en sliep.
Ik lag in een nacht te slapen.

Engel:

Ghy heylghe coninghen van orient,
U, heilige koningen uit het Oosten
Got den almaghtighen my tot u sent,
God de almachtige stuurt mij naar u
dat u door myn wiert openbaer
zodat u door mij te weten komt
dat ghy vermyden mooght alsulck gevaer,
dat u dat gevaar moet vermijden
dat ghy niet en wederkeert de baen
niet terug te keren op de weg 
tot coningh Herodes den tyran.
naar koning Herodes, de tiran
Want Herodes toornt heimelick sonder maeten,
Want Herodes is in zijn paleis grenzeloos boos
Got leyde u huyswaert op anderen straeten.
God leidt u naar huis langs andere wegen.

Melchior:

Een sonderlicken droom ic horen waende,
Ik dacht dat ik een wonderlijke droom meende te horen
als of een inghel my vermaende
alsof een engel mij waarschuwde
dat wy souden myden Herodes huys
om het huis van Herodes te mijden
en deur andere weghen volbrenghen de reys;
en de reis langs andere wegen af te leggen
want Herodes draegt in synen moet
want Herodes is vast van plan
hoe hy soude vergieten het kinde syn bloet.
om het bloed van het kind te vergieten

Baltahsar:

Desgelyek heb oock ic vernomen
Dat heb ik ook zo gehoord
van den inghel, in onse slaepstee gecomen,
van de engel die naar onze slaapplaats is gekomen
dat Herodes gerigt heeft synen sin ende moet
Herodes heeft zich met hart en ziel erop gericht
op dat hy vergiete het kinde syn bloet.
het bloed van het kindje te vergieten.
Herodes, is sulcx u beus begeren
Herodes wil je zoiets kwaadaardigs,
so wagten wy ons tot u weder keeren.
dan passen wij er wel voor op naar je terug te keren.

Lied 9

Koningen zingen:

Balthasar, coninck, daelt van den berrigh neder
Balthasar, koning, daalt de berg af
daer hy dat kindeken vinden dede,
omdat hij het kindje had gevonden,
ja also vinden dede, ja dede, ja dede.
ja, hij vond het dus, hij vond het.

Engel:

Josef, Josef, gotvruchtig man
Jozef, Jozef, gelovige man
merckt wattic u wil segghen aen
Let op wat ik u ga zeggen
van Gode die my tuwaert sont:
namens God die mij naar u toestuurde
Maria neemt tot u terstont
Neem dadelijk Maria mee en ook het kind
metgaoder ’t kinde hooch van naem,
dat hoog in aanzien staat
vliedt naet Egyptelant te saem
en vlucht samen naar Egypte
en weest aldaor tot op de tyt
en blijf daar tot die tijd
dat ic ’t sal hebben aen geseyt.
die ik zal aangeven.

Jozef:

O waor sullenme henen inder nagt
O, waar moeten we in de nacht naartoe
wie hadde oyt sulck ellend gedagt,
wie had er nu aan deze ellende gedacht
wy en kennen nae dit ofgeleghen
wij kennen naar dit afgelegen
Egyptenland geen straet noch weghen,
Egypteland geen enkele weg
daor ons belaghen boven dien
bovendien worden we door wilde dieren 
gedierte wildt ende roverslien
en rovers belaagd
’t Is vol perycklen, oock maghtigh veer.
’t Is vol gevaar en ook heel ver.

Lied 10

Maria:

Ons sal geleyden Got den heer
God de Heer zal ons leiden
voert de synen veylighe straeten,
brengt de zijnen over veilige wegen,
salse nimmermeer verlaeten,
zal hen nooit min steek laten,
sal syn enghel mit ons senden,
zal zijn engel met ons meesturen
ons regeren sonder ende.     
ons voor altijd leiden. 
Hier om staet op, syt wel gemeyt
Sta daarom op en heb goede moed
en maektet eselken bereyt.
en maak het ezeltje klaar.

Jozef:

O heemstee goet, dat Got u hoet
O goed huis, dat God u behoedt
nu het eenmaal so wesen moet;
nu het eenmaal zo is;
in Godes wil sallic my gheven
ik geef mij aan de wil van God over
om nae syn eerst ghebot te leven.
om naar zijn eerste gebod te leven.

Lied 11

Maria:

Ade, ade, nu leyt ons Godes hant
Vaarwel, vaarwel, nu leidt Gods hand ons
van hier en tot het veer Egyptenlant.
van hier tot het verre land van Egypte.

Herodes:

Schoon ic met sorghen deet bedencken
Hoewel ik met zorg heb bedacht
hoe dat ic rycklic sou beschencken
hoe ik de wijzen uit het Oosten
de wysen uytet oostenlant
listig en voortvarend rijkelijk  beloon
mit sluwheyt en mit rapper hant
als oock den nieuen coninck goet,
en ook de nieuwe koning,
so speur ic doch in mynen moet
heb ik toch het gevoel
dattic van haorlie ben bedroghen
dat ik door hen ben bedrogen
en sy my hebben veur geloghen.
en dat ze me hebben voorgelogen.
In anghsten leef ic gruwbaorlyck
Ik leef met gruwelijke angst
dat also dra myn coninckryck
dat dus weldra mijn koninkrijk
gering wort en heyt ofgedaan.
klein wordt en verdwijnt.
Nu ist van node ras beraen
Nu moet ik snel nadenken
hoe offic deuse saeken wend
hoe ik dit afwend
dat ic behouden magh myn regiment,
dat ik mijn heerschappij kan behouden.
ick sin het eene en voort het aer,
dan denk ik aan dit, dan aan da,t
’ck wick ende weegh hoe ic dien coninck daer
ik wik en weeg hoe ik die koning daar
mogt vatten, en gestaegh bedenck
te pakken kan krijgen en langzaam maar zeker bedenk
wat ic hem bieden sal veur een geschenck.
wat voor geschenk ik hem zal geven.
’ck wilt soetjens an ende oock mit loosheyt doen
ik wil het voorzichtig en ook slim doen
gelyck de vos besluypt een malsch kapoen,
net als een vos die een mals haantje besluipt
dan dryft hy listighlic syn spel
dan speelt hij listig zijn spelletje
en doet het vanghen alte wel;
en dan grijpt hij hem;
gelyck de kat do muys verslindt,
net zoals de kat de muis verslindt
soo willic om gaon mittet kint.
wil ik met het kind doen.
Seer plotslyc staot my nu veurt oogh
Nu zie ik ineens duidelijk
hoe of ict kinde vatten moogh:
hoe ik het kind te pakken kan krijgen
met myn krygsvolck willick gezwind
met mijn soldaten wil ik snel
om brenghen so menich cleyne kint,
menig klein kind ombrengen,
in gantse Judea brengh ic voorwaer
in heel Judea breng ik zeker
de knegtkens om ’t leven alle te gaor;
de jongentjes allemaal om het leven;
wat deert my of int gantse lant
wat kan mij het schelen of in het hele land
de moeders kryten moord ende brand,
de moeders moord en brand huilen,
soo ick myn ryck slechts cost beerven
als ik mijn rijk maar kan behouden
niet en geraecke int verderven.
en het niet slecht met mij afloopt.

Lied 11:

Maria:

Maghtighe coningh, gedenckt aan barmherticheyt,
Machtige koning, denk aan barmhartigheid,
dat ghyt eenmaal niet rouigh en syt
dat u er ooit spijt van heeft
so ghy vergiet der onschuldighen bloet,
als u het bloed van onschuldigen vergiet
bedenkt, maghtighe coninck, wat ghy doet.
bedenk, machtige koning, wat u doet.

Packt u gezwind van hier, dwazin!
Verdwijn meteen, dwazin!
wat laot ghe u mit mynen saeken in?
waar bemoei je je mee?
benomen wort my ’t regiment
het regeren wordt van mij afgenomen
sooc niet en spoede dit onheyl wend.
als ik dit onheil niet meteen afwend.
Wout ghy my dan verordineren?
wil je mij dan bevelen?
een coninck en salmen niet regeren!
een koning moet men niet willen regeren.
siet hier het conincklyc mandaat
hier is het koninklijke bevel
soo’ck opterstont uytveerdighen laet;
dat ik onmiddellijk laat uitgaan
tot alle landpaelen condighet af,
kondig het aan tot alle landsgrenzen
elk hem er nae righte op swaerste straf.
Ieder moet zich eraan houden, anders volgt de zwaarste straf

Hoofdman:

Haor conincklycke majesteyt
Zijne koninklijke majesteit
deur een gestrengh mandaat bevolen heyt
heeft door een streng bevel bevolen
dat men om brenghe alle knegtkens cleyn
dat men ombrengt alle kleine jongetjes
so twoujaerigh en daor onder syn.
die twee jaar of jonger zijn
Hier en sal niet baeten goet noch geldt,
geld en goederen zullen hier niet helpen
also heytet onsen heer coninck bestelt.
zo heeft onze koning beslist
Een yeder die het ghebot sal weerstreven
Ieder die tegen het gebod is
salt boeten mit haaf, goet ende leven.
zal boeten met zijn bezit, goederen en leven.

Judas:

O, wee o, wee het felle mandaat!
Owee, o wee, het strenge bevel
des coninghs magt over ons leven gaet,
de macht van de koning gaat over ons leven
onse kinderkens moetens worren gedoot?
moeten onze kinderen worden gedood?
ach, wat salt gheven smert, pyn ende noot!
ach, wat zal dat een verdriet, pijn en ellende geven!

Herodes:

Dit woort sy aenstonts mitter doot bekocht
Dit woord moet hij meteen met de dood bekopen
grypt hem, hy worde int prisoen gebrogt
grijp hem, hij wordt naar de gevangenis gebracht.

Hoofdman:

Ghy booswicht, wildy den coningh weerstreven,
Jij, boef, wil jij de koning tegenwerken
tsal u costen haaf goet ende leven,
dat kost je je bezit, goederen en leven,
ist niet beter de kinderkens sturven alleene,
is het niet beter dat alleen de kinderen sterven
als dat wy algaeder verdurven mit eenen?
dan dat wij nu helemaal in het verderf raken?

Herodes:

Loopt lackey, bringht my opt termyn
Ga lakei, breng straks
den also getrouen hooftman myn.
mijn trouwe hoofdman bij me.

Herodes:

Siet hier, hooftman, neemter dit sweert
Kijk eens hier,  hoofdman, neem dit zwaard
ende vier dusend manschap mit haor best gheweer
en vier duizend man met hun beste wapens
ende gaot heen overt geberregt mit spoet
en trek snel de bergen over
end’ alle knegtkens cleyn ombringhen doet!
en doodt alle jongentjes!
Neemt, segghic u, geenderlei steeckpenninck an,
Ik zeg je, neem geen steekpenningen aan,
want op straffe des levens comtet u staen:
dat kost je je leven;
doodt ghy de kinderkens alle ghelyck,
dood de kinderen allemaal tegelijk,
meughense erm syn, jonc ofte ryck;
of ze nu arm, jong of rijk zijn;
soldye schenck ic u tweevoud,
ik geef je een dubbel soldij
lonen salc u mittet rode gout.
ik zal je belonen met het rode goud.

Hoofdman:

Dat conincklycke majesteyt
Wat koninklijke majesteit
te deuser uer bevolen heyt
dit uur heeft bevolen
hebbic mit vreuchden ane geheurt,
heb ik met plezier aangehoord,
oock wel vernomen weurt veur weurt:
en ook woord voor woord begrepen
Ic doent u sweren by hoochste trou,
ik zweer het u bij mijn hoogste trouw
volgaeren sulcx volbrenghen sou
dat ik heel graag zoiets wil volbrengen
want myn gantse sin ende moet
want al mijn zinnen en mijn hart
rigtig hier nae haeken doet.
verlangen hier echt naar.
Ic wilde ic hadse veur my staen.
ik wou dat ik ze voor me had.
‘ck en soude wis niet ledich staen
ik zou zeker niet werkeloos toekijken,
doch met dit sweert soudic gezwind
maar met dit zwaard zou ik bliksemsnel
ombrenghen so menigh cleyne kint!
menig klein kind ombrengen!
het hert int lyf my lagchen doet
mijn hart lacht in mijn lijf
als ic sien druypen ’t rode bloet;
als ik het rode bloed zie druipen;
dan lykentet een brulochte
dan lijkt het wel een bruiloft
daorse veul kalvers en koebeesten slogten.
waar ze veel kalveren en koeien slachten.
Wel an, mit haesten ic my bereyt
Wel aan, ik ben snel bereid 
te doen dat my conincklycke majesteyt
om te gaan doen wat de koninklijke majesteit
ernstlyc gheboden hcyt. Lackey, ccomt ras,
ernstig heeft bevolen. Lakei kom snel mee,
slaot ghy mit myn er oock op los:
sla jij er met mij ook op los:

Lakei:

Ja heer, van stond aen willic houen ende steken
Ja heer, vanaf ’t begin wil ik slaan en steken
so veul ic can; ‘ck laot my niet besteken.
zoveel als ik kan; ik neem geen steekpenningen aan.

Hoofdman:

Ic sien een drom knegten ende trawant,
Ik zie een troep helpers en handlangers, 
Ic meen tsy een colfjen nae haorlie hant:
ik denk dat het een kolfje naar hun hand is:
wel nu, heer coninck, hebt goeden moet,
wel, heer koning, heb goede moed
wy sellen vergieten het kinde syn bloet.
we zullen het kind zijn bloed vergieten.

Hoofdman:

Conincklyc majesteyt, nu gheeft wel agt;
Koninklijke majesteit, luister goed
een maol hondert dusend vier en veertigh en acht
in één keer 144.000 en let op
heb ic mit eyger hand omt lyf gebrogt,
die heb ik met eigen hand om het leven gebracht,
wel nu, heer coninck hebt goeden moet,
wel nu heer, koning, heb goede moed,
wy deden vergieten het kinde syn bloet
we hebben het bloed van het kind vergoten.

Soldaat:

Tagentig dusend is myn getal
Tachtig duizend is mijn aantal
die ic bragt om tleven over al,
die ik overal om het leven bracht,
den deusen deet ic ’t lesten packen
deze pakte ik het laatst
en deet hem wip! synen kop af hacken.
en hakte hem, wip! zijn kop af.

Lakei:

conincklyc majesteyt, merckt an dit wigt
Koninklijke majesteit, aan dit kind kan u zien
hoe ic desselfs mandaat hebt uyt gerigt:
hoe ik uw bevel opgevolgd heb:
twee dusend heb ic er gebragt omt leven
twee duizend heb ik er om het leven gebracht
en deusen an syns moeders borst gegrepen.
en deze aan zijn moeders borst gegrepen.

Herodes:

Hebt danck ghy knegten al drieën ghelyck,
Bedankt, knechten, alle drie,
ic wil u schencken myn halleve ryck!
ik wil jullie mijn halve rijk schenken!

Duivel:

Ghenadighe coninck, bin oock weerom gecomen
Genadige koning, ik ben ook weer gekomen
en heb myn kinders oock mit genomen,
en ik heb mijn kinderen ook meegenomen,
die hebben haorselfs dorren vermeten
die zijn zo brutaal geweest
uut minen sack de braetworst te eten;
uit mijn zak de braadworst op te eten;
eer dat ics gonne een bete brood,
voor dat ik ze een korst brood gun
eer slanic ’t neer en ’t leyt morsdood.
sla ik het liever neer en het ligt morsdood.

Hoofdman:

Coninclyc majesteit, ic bid om verschoningh:
Koninklijke majesteit, ik vraag vergiffenis:
wy en vonden niet den nieu geboren coningh,
we vonden de pas geboren nieuwe koning niet,
of wy oock sochten naer ende veur,
of we nu in alle uithoeken zochten,
van den coninck en hebben me niet geheurt;
over de koning hebben we niets gehoord;
alevel alle knegtkens cleyn
niettemin hebben we alle kleine jongens
so tweujaorigh en daor onder syn
van twee jaar en jonger
bragtenme om nae ’s heren woorden;
omgebracht volgens de woorden van onze heer
ic meene ’t is volbragt geworden.
ik denk dat we eraan voldaan hebben.

Herodes:

Daor ghy hem niet en hebt gedood
Als je hem niet hebt gedood
staet vast dat hy uytet ryck ontvlood.
is het duidelijk dat hij uit het rijk is gevlucht.
Nu is myn leven schier verloren   
Nu is mijn leven bijna verloren   
mids dat een nieuen Got hier is geboren!
omdat hier een nieuwe God is geboren!
selfs willic sien waorc hem can vinden,
zelf wil ik zien waar ik hem kan vinden
ay, costic hem in Bethlem in den stalle vinden!
ach, kon ik hem maar in Bethlehem in de stal vinden!
0 smart, o bittere smart
o smart, o bittere smart
hoe is my bangh omt hart.
wat ben ik bang.

Lakei:

Een appel end een mes bringht haestiglyc
breng gauw een appel en een mes
dattic myn here laefenis reick.
zodat ik mijn heer een versterking kan geven.

Lied 12:

Engel:

Herodes, Herodes, ghy snoode tyran,
Herodes, Herodes, jij kwaadaardige tiran,
wat deden d’onnoosle kindjens u an,
wat hebben de onschuldige kinderen je aangedaan,
dat ghy so deet verderven ?
dat je ze zo in het verderf hebt gestort?
wagt, nu coomt ghy de doot te sterven
wacht maar, nu zal je sterven.

Herodes:

Wat helle glans heeft my omvaen,
Wat voor lichte glans is er om mij heen
ach, ach, myn leven heyt gedaen,
ach, ach, mijn leven is voorbij,
loopt, lackey, bringht my opt termyn
ga, lakei, haal zo dadelijk
den also getrouen hooftman myn.
mijn trouwe hoofdman.
Siet aan hooftman, neemt dit present
Kijk hoofdman, neem dit geschenk
wilt u vereren al veur myn end
dat ik je nog wil geven voor mijn einde
het tydlic goet hebbic te seer geagt
ik was te veel gehecht aan de tijdelijke dingen
dies heeft den duyvel my ten val gebragt:
daarom heeft de duivel me ten val gebracht:
nu vaer ic henen in abrahams hof.
nu ga ik naar Abrahams hof

Engel:

Ghy hellegheesten wagt hem of,
Jullie, geesten van de hel, wacht op hem
en voert hem ’t uwaert, tot u nest,
en breng hem naar jullie nest,
die staeg u diener is gheweest
die steeds jullie knecht is geweest
en kleedt hem als een coninck schoon
en kleed hem aan als een mooie koning
en set hem op de hellecroon.
en zet hem de hellekroon op.

Hoofdman, lakei, soldaat:

Wat baet de hoghe troon
Wat voor nut heeft de hoge troon
wat schepter ende croon
wat de scepter en de kroon
schepter en regiment
scepter en regeren
tgaet alles ras ten end.
alles gaat snel voorbij.

Duivel:

Buckt u Joostjen, buckt u,
Buk je, Joostje, buk je,
Doet u an suere melleck versaeden
Doe je je tegoed aan zure melk
en hebtet vet in de kan gelaten.
en heb je vet in de kan laten zitten.

Herodes:

O duyvel, laet my langher leven,
O, duivel, laat mij langer leven,
een juck swart ossen sallic u gheven!
ik zal u een paar zwarte ossen geven!

Duivel:

Neen ic, neen u wilc alleen
Nee, nee, ik wil alleen jou.

Herodes:

0 duyvel, laet my langher leven, 
o duivel, laat mij langer leven,
een span swart rossen sallic u gheven!
ik zal u een span zwarte rossen geven!

Duivel:

Neen ic, neen u wilc alleen
Nee, nee, ik wil alleen jou.

Herodes:

0 duyvel, laet my langher leven,
o duivel, laat mij langer leven,
myn halve coninckryck sallic u gheven!
mijn halve koninkrijk zal ik u geven!

Duivel:

Ei, wat sullemne stryen gins en weer,
Ach, wat zullen we ruziën over en weer
onser syt ghe maor alte seer!
je bent helemaal van ons!
daor comen er meerdere nogh by myn in de hellepyn,
er komen er nog meer bij mij in de pijn van de hel
ghy en sultet alleenlich niet syn!
je bent niet de enige!
Wagt, efkens sien of ghe oock swaor syt.
Wacht, eens even kijken of je ook zwaar bent.
Span ic an een paor katten
Ik span een paar katten aan
Span ic an een paor ratten
ik span een paar ratten aan
Span ic an een muysenpaar
ik span een paar muizen aan
rits, rats, mit hem ter helle vaor.
rits, rats, naar de hel met hem.

Hoofdman:

Ach, wat heeft myn heer coninck bedreven,
Ach, wat heeft mijn heer koning gedaan
dat hy de kinderkens stond nae ’t leven,
dat hij de kinderen naar het leven stond,
hadde ic het, lacie, eer bedacht,
helaas, had ik het maar eerder bedacht
ic en hadde se wis niet om gebragt,
dan had ik ze zeker niet omgebracht,
ach cost icx nogh erlanghen,
ach, kon ik nog terug,
an den hoochsten boom mogt ic wel hanghen!
dan zou ik wel aan de hoogste boom willen hangen!
ach cost icx nogh bedencken,
ach, kon ik me nog bedenken,
in de diepste see mogt ic wel sincken!
dan zou ik wil in de diepste zee willen verdrinken!
Doch wil ict op myn heer coninck wreken
maar ik wil het op mijn heer koning wreken
en met dit sweert my selven deursteken.
en met dit zwaard mezelf doodsteken.

Lied 13

Kompanij:

Wilt singhen end jubileren
Wil zingen en jubelen
Jesu den messiae,
Jezus, de Messias
die de wereldt doet regeren,
die de wereld regeert
is een soon Mariae
is een zoon van Maria
en leyt in het krebbeken
en ligt in het kribbetje
by ’t osjen end eselken.
bij de os en het ezeltje.
Suja, suja, suja, suja, kindekyn,
suja, suja, suja, suja, kindje klein,
ick ben u, ghy syt myn.
ik ben van u, u bent van mij.
Jubelt springhend, jubelt singhend
Jubelt springend, jubelt zingend
hodie, hodie, hodie
vandaag, vandaag, vandaag 
is geboorn Christus sone Mariae, Mariae
vandaag is Christus geboren, de zoon van Maria, Maria
en heeft van ons of genomen alle leed, alle leed, alle wee.
en heeft van ons weggenomen al het leed, al het leed, al de pijn.
Helpt ons spoede tot u comen
Help ons dat wij gauw bij u komen
Helpt ons spoede tot u comen
Help ons dat wij gauw bij u komen

O Christe
O Christus
O Christe.
O Christus.

Engel:

Agtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren,
Geachte, wijze, welgezinde heren,
oock deugtsaame vrouwen
ook deugdzame vrouwen
ende jonckvrouwen in alle eere,
en jongedames met alle eer,
wilt altegaer niet euvel duyden
neem ons alles bij elkaar niet kwalijk
dat wy ons spel vertoonden voor uluyden,
dat wij ons spel voor jullie opvoerden,
‘k Bid so wy quaamen veuls te cort
Ik vraag als we veel tekortschoten
tons niet en aengerekend wort,
het ons niet kwalijk te nemen,
maer alles dat wy schuldich bleven
maar alles wat we niet hebben kunnen doen
onse onkunde mach syn toegescreven.
door onze onkunde komt.
Hiermet elckeen het alderbest betracht,
iedereen heeft het allerbeste willen doen,
so wenschenme van God almagtig een goede nagt.
daarom wensen wij u in naam van de almachtige God een goede nacht.

.
Hier is ook een poging gedaan tot een begrijpelijke tekst.
De aanvankelijk bestaande speeltekst is in de loop van de tijd opnieuw getypt en gedrukt. Daarin zijn typefouten gemaakt. Die zijn dan ook weer terecht gekomen in de tekst bij de tekst hier.
Bv. gelyck de vos besluyt een malsch kapoen,
Precies zoals de vos een malse vetgemestte haan insluit
besluyt moet echter besluypt zijn.

en het kan zijn dat er in de hierboven door mij gebruikte tekst ook nog (kleine) typverschillen zitten.
In ieder geval: voor elke verbetering: mail   vspedagogie@gmail.com
.

Driekoningenspel: alle artikelen

Driekoningen: alle artikelen

Kerstspelen: alle artikelen

Vrijeschool in beeldkerstspelen alle beelden

.

3115-2928

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – Duits

.

Het is een mooi didactisch principe om vanuit verschillende kanten naar lesstof te kijken.
Wanneer de kinderen van de 3 klas de verhalen uit het Oude Testament horen, kun je bv. in de niet-Nederlandse talen een spel doen over z’n verhaal.

Hieronder het verhaal van Noach en de ark.
Al reciterend en spelend zullen de kinderen er veel plezier aan beleven en veel leren (tenminste, die ervaring heb ik wel)


.
De illustraties mag ik niet weergeven, maar ik heb er wel een scan van die ik je kan sturen via vspedagogie@gmail.com
Als je ze bv. op een harde ondergrond plakt, kun ze je makkelijk in de klas laten zien, of op de rand voor het bord, waar het krijt ligt, neerzetten.
Dan kun je aanwijzen, vragen stellen, de kinderen aan elkaar vragen laten stellen.
Bv. ‘Wo ist der Vater?’ Die kan op meerdere plaatjes worden aangewezen. ‘Da ist er, steht, läuft er
Of: ‘Wer ist der Vater?’ Kind wijst aan en zegt: ‘Er ist der Vater.’
Er zijn dierennamen; kleuren bij de regenboog, enz.
Wanneer er in de 4e klas geschreven gaat worden, kunnen de kinderen aan de hand van deze rijmen die de meesten na een jaar nog kennen, makkelijker instappen in het schrijven van Duits. Mogelijkheden te over!
.

Niet-Nederlandse talenalle artikelen

3e klas: vertelstof

3eklasalle artikelen

Vrijeschool in beeld: 3e klas heemkunde

.

3114-2927

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas grammatica (5)

.

In de 3e klas leren dekinderen iets uit de grammatica. Waarom en op welke manier dat kan, vind je in verschillende artikelen, zoals:

Nederlandse taal:
[1]
Werkplan Geert Grooteschool over: de psyche van de 3e-klasser; spreken; schrijven: stelopdrachten; grammatica en denken, voelen, willen; toneelspelen; schrijven met inkt; [met aantekening van mij: waarom drukletters schrijven]

[2]
Het ‘Binnenste buiten’ over: het belang van spraakoefeningen; grammatica: voorbeeld van doe-hoe-noemwoorden; leestekens; schrijven: lopend schrift [met aantekening van mij: waarom drukletters schrijven]; toneelspel

En in dit uitgebreidere artikel

Uit de praktijk van het lesgeven:

In de derde klas leren de kinderen over de schepping van de aarde en over Adam en Eva in het paradijs. Adam krijgt van God de opdracht om alles in het paradijs een naam te geven. Die spartelende beesten heten vissen en dat kwakende, springende wezen heet een kikker.
Eva voegt daar nog iets aan toe: De groene kikker, de snelle vis, de gladde kastanje.
Op die manier leren de kinderen vanuit het verhaal de verschillende woordsoorten.
 
Hoe leuk is het om daarover met elkaar een toneelstukje te spelen? Dus dat hebben we afgelopen vrijdag gedaan. En tegelijkertijd is het paradijsspelletje een vooraankondiging van advent en kerst.

Bron: vrijeschool Bussum ‘Schoolbel’ nov. 2023

3e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld3e klas: alle beelden

.

3113-2926

.

.

.

VRIJESCHOOL – De wereld is waar….(3)

.

Algemene menskunde voordracht 9 [9-5-3-2]*
.

Hoe WAAR is de wereld voor de opgroeiende mens vanaf 12 jaar?
Zie de inleidende gezichtspunten.

Waar kun je als leerkracht enthousiast over worden en als ideaal aan je leerlingen laten zien?

Je kan – dat overkwam mij bij het lezen van zo’n artikel – van binnen warm worden, je dankbaar voelen ‘dat er zulke mensen zijn’.

Iets positiefs ervaren: als we dat onze leerlingen eens konden meegeven.
.


Hester Anschütz, Antroposofisch Magazine, nr 2 juni 2018
.

Eigenhandig je bietjes uit de grond trekken
.

De Tuinen van Hartstocht

.

Een ideaal omzetten in realiteit betekent voor sommigen piekeren, afwegingen maken en dan mogelijk een knoop doorhakken. Voor anderen is het vooral doen! Want “als je alles van tevoren wilt bedenken, begin je nergens meer aan,” aldus Marieke Kitzen [36], die vorig jaar samen met Sam Batink [27] onder de rook van Amsterdam zelfpluk- en proeftuin de Tuinen van Hartstocht startte. Hier wordt onderzocht hoe je waarde kunt toevoegen aan de buurt, je medemens, de natuur en jezelf.

“We hadden elkaar denk ik zes keer ontmoet, toen Sam me vroeg of ik wilde meedoen met het opzetten van een groentetuin, en ik zei: ‘Ja, dat wil ik’.” Het daadkrachtige enthousiasme en de passie voor de zelfpluktuin en het tuinieren klinken door in Mariekes stem. “Het liefst ben ik nu de hele tijd op de tuin. Het is superleuk.”

Het begon voor Sam en Marieke op 11 mei 2015. “We hadden een stuk grasland van de boer van melkveehouderij de Hartstocht, dat we mochten gebruiken. Daar liepen tot voor kort nog koeien op. Dat moest worden omgezet om er een groentetuin van te maken. We hebben een trekkertje met een overtop-frees gehuurd en zijn aan het werk gegaan.” Hierna volgde het kopen van plantgoed. “Daar waren we eigenlijk te laat mee en dus moesten we het doen met wat er over was of wat we van andere tuinders konden kopen. Dan stop je van alles in de grond en een maand, anderhalve maand later kijk je om je heen en denk je: wat is hier gebeurd? Dat is precies wat ik zo leuk aan tuinieren vind,” zegt Marieke.

Groot enthousiasme

“Het enthousiasme van de mensen die vorig jaar bij ons langskwamen was groot. Van tevoren had ik niet gedacht dat ik dat zo leuk zou vinden, het contact met de mensen. Kinderen die blij bietjes uit de grond trekken en mannen die wat besmuikt met een lijstje van hun vrouw komen vragen waar de snijbonen staan. Een man van negentig kwam met drie euro binnen en vroeg of we prei hadden. ‘Ja, hebben we,’ antwoordde ik. ‘Mieters, mieters, mieters!’ riep hij vervolgens enthousiast.”

Op hun website beschrijven Marieke en Sam wat ze met hun tuin willen: “Wij doen dit omdat we geloven in een wereld waar wij samen bepalen wat er op ons bord ligt. Dat vraagt om ‘anders’, om ‘nieuw’, om ‘betrokkenheid met elkaar’. Duurzaamheid gaat niet alleen over biologisch, met respect voor mens, dier en milieu, maar vooral over kunnen overleven op lange termijn. Dat betekent dat het rendabel moet worden, vandaar onze overwegingen en keuzes.” Ze willen met hun werk aan hun tuin een inkomen kunnen verdienen. “Als je biologisch wilt eten, moet dat op alle niveaus waargemaakt worden. Je kunt hard roepen dat je duurzaamheid vertegenwoordigt, maar als wij van dit werk niet kunnen leven, is het voor ons als tuinders niet zo duurzaam.”

Zelfpluk-, zelfoogst- en proeftuinen in Nederland

Het idee van een tuin waar je lid van wordt en dan regelmatig zelf komt oogsten bestaat al enige tijd in Nederland, maar lijkt de laatste jaren sterk aan populariteit te winnen. De trends van lokaal en biologisch eten versterken dit. Wat is er nou leuker dan wekelijks je eigen groente van het land te halen om er een lekker maaltje van te koken? Zeker samen met kinderen! Het is gezond, vers, lekker en ook nog leerzaam. Je hebt de lusten van een moestuin, maar niet de lasten. En voor minder dan 10 euro heb je alle groente voor een hele week in huis.

Wil je weten of er een zelfoogst- of zelfpluktuin bij jou in de omgeving zit, google dan even op ‘zelfoogsttuin’ of ‘zelfpluktuin’, want helaas is er nog geen mooi overzicht van alle groentetuinderijen die de mogelijkheid tot zelfoogsten hebben. De meeste tuinen werken met een ledensysteem en zijn, al dan niet gecertificeerd, biologisch en vergelijkbaar in prijs. Hier is veel informatie te vinden, al is het slechts een greep uit het aanbod:

Omslag.nl

Kolen als bowlingballen

Dit jaar [2018] moet uitwijzen of ze dit voor elkaar krijgen, want op het moment is de tuin nog een echte proeftuin, letterlijk en figuurlijk. De jonge tuinders proberen van alles uit. “We zitten bijvoorbeeld op heel dikke klei en als het veel regent is het hier heel modderig. Dat merkten we vorig jaar en dan moet je onderzoeken hoe je daarmee omgaat. Dat hoort erbij. We hadden vorig jaar kolen als bowlingballen, maar een wortel wilde niet groeien.” De oplossing om toch een wat gevarieerder aanbod aan groente te kunnen verkopen, was een ruilactie met een andere tuinderij die wel wortels had. Marieke: “Bij zoiets kun je teleurgesteld in een hoekje gaan zitten of je kunt kijken waar ze wel wortelsucces hebben.”

Dit jaar werkt de tuin met een heus teeltplan. “We hebben een divers aanbod, om elk tweede groentebed staat wat anders. Zo staan in ons bonenbed bijvoorbeeld tuinbonen, peultjes, kapucijners, doperwten en straks snijbonen en  sperziebonen.” Op de tuin en via een nieuwsbrief horen de leden wat er op een bepaald moment te oogsten is en via een soort vlaggensysteem kan iedereen zien waarvan veel of juist wat minder mag worden geoogst. De tuinders laten het voor een groot deel vrij of iemand zich houdt aan de afgesproken hoeveelheid. “We vertrouwen op de eerlijkheid van de mensen.”

Dwars van hokjes

Doordat ze niet hun volledige inkomen uit de tuin kunnen halen, werken zowel Sam als Marieke elders parttime. Marieke als freelance tekstschrijver en Sam als melker, cameraman en timmerman. Hiernaast volgen [2018] beiden de deeltijdopleiding biologisch-dynamische landbouw aan de Warmonderhof in Dronten. Het is wat hen beiden samenbracht. Marieke: “Ik woon in Amsterdam en had al langer een volkstuin, waar ik heel gelukkig van werd. Op zeker moment werd ik gegrepen door het onderwerp landbouw, wat dat met de wereld doet en hoe de duurzame variant werkt. Ik wilde daar iets mee gaan doen.” Dankzij het Amsterdamse stadslandbouwnetwerk kwam ze bij de Warmonderhof uit en zo bij Sam, die op boerderij Hartstocht woont. Deze boerderij is een biologische stadsboerderij en staat bekend om zijn duurzame projecten.

De Tuinen van Hartstocht is zelf niet officieel biody-namisch, noch biologisch. “We tuinieren wel biologisch, maar we gaan ons niet certificeren. Alles wat in een hokje moet, daar word ik meteen wat dwars van,” zegt Marieke. Daarbij willen de tuinders vooral op de tuin bezig zijn. En Marieke gelooft niet zo in de preparaten. “Ik vind het mooi hoe ik op de landbouwschool leer om naar landbouw te kijken. Ik leer vooral met aandacht te kijken naar wat er gebeurt.” Vervolgens een uur lang linksdraaiend koemest met water vermengen om aan de grond toe te voegen, dat heeft bij Marieke geen prioriteit. “Ik zie wel dat je daardoor in een soort meditatieve toestand komt en meer met aandacht werkt, maar ik denk dat je dat ook op een andere manier kunt doen.” Voor hun leden maakt het momenteel niet uit of er Skal of Demeter op de groente mag staan. “Zij willen weten of we de boel niet bespoten hebben, dat is voor hen belangrijk, maar of ik nu wel of niet antroposofisch tuinier ben, dat maakt hun denk ik niet veel uit.” 

Wat zijn de Tuinen van Hartstocht?

De Tuinen van Hartstocht zijn te vinden op een stuk van ongeveer 3.000 m2 bij Stadsboerderij Hartstocht in Gein. De tuinders Sam en Marieke maken gebruik van een ledensysteem dat hun financiële stabiliteit geeft op basis van het CSA-concept: Community Supported Agriculture. Iedereen kan lid worden. Je betaalt dan aan het begin van het jaar een bedrag waarvoor je tijdens het oogstseizoen wekelijks verse groente kan komen oogsten, wanneer je maar wilt. De leden delen mee in de overvloed, maar ook in de mogelijke risico’s.

Om naast de leden anderen de mogelijkheid te geven van de mooie tuin te komen genieten, willen Marieke en Sam ook in het weekend workshops gaan organiseren.

 tuinenvanhartstocht.nl

.

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeledingalle artikelen

Algemene menskunde voordracht 9: v.a. *[9-5] alle artikelen over ‘de wereld is waar’

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3112-2925

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (94)

.

de 2e-kamerverkiezingen en vrijheid van onderwijs

Voor de vrijescholen kan het maar om één ding gaan:

VRIJHEID VAN INRICHTING of
ZO MIN MOGELIJK STAATSBEMOEIENIS

als het om de inhoud van het onderwijs gaat.

Of: gaat het om meer overheidsinvloed of het onderwijs overlaten aan de onderwijsgevenden.

Wat vinden de politieke partijen?

Hier (een deel van) hun onderwijsparagrafen uit hun verkiezingsprogramma.
Wat opvalt zijn de vele gezichtspunten in  hun  algemeenheid. Wat betekent in concreto een gedetailleerde uitwerking.
Zo vind je bij iedere partij punten waar je als vrijeschoolleerkracht ‘ja’ tegen zegt. En je weet ook dat nieuwe gezichtspunten in een bestaand ambtenarenapparaat niet zomaar gewoongoed zijn geworden.
Ik heb me voornamelijk gericht op de basisschool.
M.n. de ChristenUnie en Nederland met een Plan, de Partij voor de Sport en de Partij voor de Dieren hebben opvattingen die voor de vrijescholen positief zijn (natuurlijk ook weer niet op alle onderwijspunten).
Maar bij D66 en de VVD is dat allerminst zeker.

De partijen in alfabetische volgorde:

50Plus; BBB; Bij1; BVNL; CDA; CU; D66; DENK; FvD; Groenlinks/PvdA; Ja21; Lef; Nederland met een plan; NSC; Piratenpartij; PpvB; PvdD; PvdS; PVV; SGP; SVN; SP; Splinter; Volt; VVD
(Partijen die op kieslijst ’s Hertogenbosch staan)

Opmerkingen in blauw: phaw; het geeft te denken vanuit vrijeschoolperspectief

50Plus
nutsvoorzieningen zoals scholen en ziekenhuizen worden alleen gefinancierd voor zover ze openbaar zijn; de verzuiling van het onderwijs wordt afgebouwd. Het ministerie van onderwijs dient een onderzoek uit te voeren naar de mogelijkheden hiervan. Zwemmen wordt toegevoegd aan het bewegingsonderwijs op basisscholen. Extra inzet op verbeteren van laaggeletterdheid.
Het hele programma

BOERBURGERBEWEGING

Voor BBB is de kernvraag hoe we ons onderwijssysteem weer zo inrichten dat kinderen weer goed kunnen lezen, schrijven en rekenen. Wij willen een onderwijssysteem dat minder bloot staat aan bureaucratische elementen met minder managementlagen, waarbij onze onderwijzers, leraren en docenten zich met name bezighouden met hetgeen zij het liefste doen en het beste kunnen: lesgeven.
We kiezen bewust voor de ontwikkeling van het kind.  
De vrijheid van onderwijs dient behouden te worden.
We vinden het belangrijk dat jongeren beschikken over goede leesvaardigheid en voldoende kennis van de eigen taal en cultuur. Daarom moet er zowel op de basis- als middelbare school meer aandacht komen voor deze basisvaardigheden.
Er moet meer voorlichting en positieve aandacht komen voor de praktische sector binnen het onderwijs en daarom komen er meer techniek/praktijklessen op de basis- en middelbare school.
We praten niet meer over hoogopgeleiden of laagopgeleiden. We praten alleen nog over theoretisch opgeleiden en praktisch opgeleiden. Dit moet ook in de naamstelling naar voren komen, zoals bijvoorbeeld:
MBO wordt Praktisch Beroeps Onderwijs (PBO)
HBO wordt Theoretisch Beroeps Onderwijs (TBO)
WO blijft Wetenschappelijk Onderwijs (WO)
Op alle onderwijsniveaus, te beginnen in het basisonderwijs, dient voorlichting over de digitale samenleving plaats te vinden. Deze moet zowel aan docenten als aan leerlingen gegeven worden. De overheid heeft een rol om informatie over diverse onderwerpen zoals AI, social media gebruik en andere zaken te verstrekken.
Het aanleren van digitale geletterdheid in het onderwijs is essentieel om ervoor te zorgen dat alle leerlingen de vaardigheden ontwikkelen die nodig zijn om effectief en zelfverzekerd te kunnen navigeren in een steeds veranderende technologische samenleving.
Onderwijsassistenten moeten deelopleidingen met verkrijging van een certificaat op de PABO kunnen volgen. Zo maak je het mogelijk om docenten in het primair onderwijs te krijgen op vakniveau.
De administratielast voor leraren wordt verlaagd.
De hele onderwijsparagraaf  

BIJ1
Kennis is kracht. De selectie en toetsing van basisschoolleerlingen voor het
voortgezet onderwijs moet anders en op een later moment. Advies voor
vervolgonderwijs wordt voortaan gebaseerd op een overeenkomst
tussen leraar, ouders(s) of verzorger(s) en leerling.
We stimuleren brede brugklassen en scholengemeenschappen met verschillende schoolsoorten (VMBO, HAVO, VWO).
We dichten de loonkloof tussen het basisonderwijs, voortgezet onderwijs,
praktisch onderwijs, theoretisch onderwijs, en wetenschappelijk
onderwijs: alle docenten gaan hetzelfde verdienen.
We zorgen voor kleinere klassen en verlichten de administratieve lasten.
De overheid maakt extra budget vrij voor kunst- en cultuureducatie.
De hele onderwijsparagraaf  

BELANG VAN NEDERLAND
Meer aandacht voor rekenen en schrijven, meer aandacht voor basisvaardigheden en minder tijd besteden aan onnodige zaken en ideologisch gedreven curriculum.
• Het curriculum richt zich grotendeels op belangrijke basisvaardigheden zoals
rekenen, schrijven en spellen en de kwaliteit hiervan wordt verbeterd.
Muziekonderwijs en sport moeten meer gestimuleerd worden op scholen,
omdat dit bijdraagt aan de leerprestaties van kinderen.
De hele onderwijsparagraaf

Christen-Democratisch Appel
De grondwettelijk vastgelegde vrijheid van onderwijs is  een uitstekende waarborg. Het CDA wil deugdelijk onderwijs op alle niveaus. Dat gaat over meer dan goede cijfers voor rekenen en taal en het opleiden voor een beroep. Onderwijs is bij uitstek de plek om ieder talent tot bloei te brengen en te ontwikkelen tot een goede burger.
We willen het aantal kinderen dat naar de voorscholen komt fors verhogen
realiseren.
De bureaucratische top-downcultuur is dringend aan revisie toe.
Het beheersen van de basisvaardigheden is nog niet op orde. leesoffensief om achterstanden weg te werken; mobieltjesverbod in de klas.
Om te vroege schoolkeuze te voorkomen willen wij in het middelbaar onderwijs
meer ruimte voor gecombineerde schooladviezen en verlengde brugklassen.
Onderwijsteams krijgen veel meer mogelijkheden voor maatwerk in hun eigen
samenstelling.
Ook onnodige administratie vanuit de besturen moet stoppen.
Leerkrachten moeten zich volledig in kunnen zetten voor hun taak,
namelijk het lesgeven.
De hele onderwijsparagraaf 

ChristenUnie
Onderwijsvrijheid is een democratisch grondrecht, stelsel met scholen voor openbaar en bijzonder onderwijs moeten we koesteren. s.
Houd artikel 23 van de Grondwet hoog.
Garandeer de vrijheid van inrichtingGeen voorstander van nog meer deugdelijkheidseisen in de wet die de vrijheid van inrichting inperken.
Versterk de identiteit van scholen. De vrijheid om zelf scholen te stichten.
Ruimte voor thuisonderwijs.
Levensbeschouwelijk onderwijs als recht.
Rolvaste inspectieDe inspectie heeft tot taak de kwaliteit van het onderwijs te bewaken op grond van deugdelijkheidseisen. De inspectie heeft een eigen focus en is geen controleur van scholen. Daarin moet zo rolvast blijven. De inrichting van het onderwijs is nadrukkelijk de verantwoordelijkheid van de schoolgemeenschap zelf. Scholen kunnen eigen keuzes maken binnen de grenzen van de rechtsstaat, mits uitlegbaar vanuit onderwijskundig perspectief.
Meer
Meer voor de basisschool

Democraten66
Niet iedereen hoeft op hetzelfde moment door dezelfde hoepel.
In het onderwijs gebruiken we alleen effectief bewezen lesmethoden. Kwaliteit van het onderwijs staat voorop, met aandacht voor de basis: goed leren lezen, schrijven en rekenen. Mobiele telefoons en devices zoals smartwatches en tablets zijn niet toegestaan , tenzij …Ieder kind is anders; uitgangspunt niet de niveaus in het systeem zijn, maar het kind. Zodat iedere 12-jarige alle kansen krijgt. Meerjarige brugklassen en 10-14-scholen; in contact blijven met een brede groep leeftijdsgenoten; docenten en schoolleiders weer vertrouwen te geven en meer regie. Schaffen de vrijwillige ouderbijdrage in de huidige vorm af; zeggenschap en verantwoordelijkheid terug aan de school, onder toezicht van de ouders; de Inspectie blijft zich naast de besturen richten op de scholen. Als basis van beoordeling gelden de bevindingen van bezoeken en de toegevoegde waarde van het onderwijs voor het kind; stichten van een nieuwe school streng gecontroleerd wordt op de kwaliteit.

DENK
 Inzetten op een kenniseconomie; kinderen van verschillende niveaus samen met elkaar leren in brede scholen en brede (brug-)klassen; Vóór meer talen binnen het vroege talenonderwijs; meer brede brugklassen, brede scholen en het beperken van onomkeerbare vroege selectiemomenten; verminderen van de controle- en regeldruk;
de hele onderwijsparagraaf

Forum voor Democratie
Stoppen met de aanduidingenhoog’ en ‘laag’ opgeleid
Bijzonder onderwijs (artikel 23 Grondwet) behouden. Differentiatie op niveau behouden. Géén socialistische middenschool experimenten. Cultuur- en muziekeducatie een vaste plek geven in het curriculum. Fundamenten
van taal, rekenen en sociale omgang meekrijgen –
te weinig op kennisoverdracht. Eigen verantwoordelijkheid voor goed onderwijs. Nadruk terug op rekenen, taal, geschiedenis, aardrijkskunde en sport.
Meer eigen verantwoordelijkheid en vrijheid voor goed onderwijs bij de leer Minder administratieve rompslomp voor docenten zodat ze zich bezig kunnen houden met hun vak. Keuzevrijheid voor scholen om extra vakken aan te bieden behouden en verruimen. Bevordering van traditioneel onderwijs op basis van ‘directe instructie’: de leraar legt uit en de leerling luistert.
de hele onderwijsparagraaf

JuisteAntwoord21        Joost(Eerdmans)Annabel(Nanninga)
Meer ruimte voor oprichten niet-staatsgerelateerde scholen op elk onderwijsniveau; 1e plaats: kennis en kunde, 2e vorming individu
Hele onderwijsparagraaf  

LEF
Thuisonderwijs en zelfstandig leren makkelijker nieuweleerconcepten waar niet het curriculum en hoge cijfers halen belangrijk zijn, maar het leren van
levensvaardigheden en de interesses van de leerling zelf. Brede brugklas segregatie tegengaan.
De hele onderwijsparagraaf

NederLand met een PLAN
Op een natuurlijke manier leren ontwikkelen. Geen voorgekauwde leerboeken, Werkelijk onderwijs, werkelijke kunst, cultuur en wetenschap hebben te maken met resonantie. Wanneer een kind vanuit zijn/haar diepste wezen resoneert met de kennis die vanuit het hart gegeven wordt, is er een connectie mogelijk die leidt tot werkelijke inspiratie en creativiteit. Alleen dan is de gezonde ontwikkeling van een kritische en empathisch bewuste geest mogelijk, die zich in een volwassen leven weerbaar kan opstellen wanneer een afgestompte en voorgeschreven werkelijkheid plots wordt opgedrongen. Faciliterende overheid die zich niet te veel bemoeit met de inhoud. Vanaf het tweede levensjaar verplicht twee dagen per week opvang voor alle kinderen. Aansluiten op de ontwikkeling van kinderen. Kinderen mogen in hun eigen tempo en op hun eigen tijd ontdekken hoe zij zich met zichzelf en de wereld verbinden. Werkdruk verlagen. Basisonderwijs: bewegen en de wereld onderzoeken centraal staan naast taal en rekenen. Creativiteit stimuleren. Stoppen met het door de overheid opgelegde scoren; niet in vakjes plaatsen van de leerlingen op basis van een ‘toets’-cultuur. Er kan weer naar kinderen gekeken worden op basis van hun welzijn en ontwikkeling in plaats van hun toetsresultaten. Bijzonder onderwijs is een grondrecht. De diversificatie van de Nederlandse samenleving mag ook vorm krijgen in het onderwijs. Meer ruimte voor scholen van verschillende invalshoeken en nieuwe lesprogramma’s. Schoolgeld naar draagkracht. Brede ontwikkeling op het gebied van bewustwording, kunst, cultuur, sport en spel, praktisch (handenarbeid, koken, fotografie, smeden, handwerken etc.), technisch en cognitief onderwijs.
De hele onderwijsparagraaf

NieuwSociaalContract
Afnemen regeldruk en administratieve lasten; geen onderwijsvernieuwingen onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn.
Het basisniveau van rekenen en lezen moet omhoog. Goede balans cognitieve
ontwikkeling, kennis van de wereld en het ontwikkelen van creativiteit.
Mobiele telefoons en andere digitale communicatieapparatuur alleen toegestaan wanneer deze nodig zijn voor de les. Aanbod verschillende soorten scholen   is goed.
De hele onderwijsparagraaf

Piratenpartij
Thuisonderwijs mogelijk, met toetsing; bewaking schooleindniveau; keuze voortgezet onderwijs later; meer kunst, sport; niet alleen CITO; bijzonder onderwijs nodig; werkdruk verminderen; gelijke beloning basis/voortgezet;
de hele onderwijsparagraaf

Politieke Partij voor Basisinkomen
Geen onderwijsprogramma.

Partij voor de Dieren

 

Minder werkdruk, meer regie voor leraren. Cijfers zijn niet zaligmakend
Onderwijs gericht op ontwikkelen cognitieve vaardigheden, maar ook op de ontplooiing van overige talenten, zoals sociale, emotionele, motorische en creatieve vermogens, die niet in cijfers zijn uit te drukken. Niet gericht op rendement, maar ontwikkeling individuele leerling. Onderwijsinspectie gaat minder waarde op toetsen behaalde cijfers. Afscheid toetscultuur. Brede
brugklassen; keuze na twee tot drie jaar. Leraren, leerlingen en ouders krijgen veel meer autonomie bij het bepalen van het beleid. Deel curriculum zelf
invullen; vrijheid af te zien van  doorstroomtoets. Praktische en culturele vaardigheden worden handarbeid, schoolzwemmen, sportlessen, cultuurlessen (theater-, dans-, muziek-, schilderles, etc.) en schooltuinen. Kindgericht
onderwijs waarin persoonlijke ontwikkeling en eigen tempo vooropstaan.
De hele onderwijsparagraaf

PartijvoordeSport
Zwemlessen; minimaal twee keer
per week één uur beweegles krijgen; dagelijks beweegmoment in
het (basis)onderwijs; ‘bewegend leren’ als het nieuwe leren.
De hele onderwijsparagraaf

PartijVoordeVrijheidP
Pedagogiek van ‘directe instructie’.  B
ijzonder onderwijs en artikel 23 van de Grondwet behouden. Taal en rekenen weer centraal. Doorlopende leerlijnen van het vmbo naar het mbo en uiteindelijk het hbo
De hele onderwijsparagraaf

StaatkundigGereformeerdePartij
Kerndoelen dienen pedagogisch-didactische visie en werkwijze 
school ongemoeid te laten. Kerndoelen en beheersingsniveaus voor basisvaardigheden. Niet aan inspectie te beoordelen of scholen de juiste opvattingen hebben .Thuisonderwijs recht dat ouders hebben; leerplichtige leeftijd mag overigens niet verlaagd worden; eindtoets nuttig, meer gewicht dient deze toets niet te krijgen; meer vrijheid op eigen wijze ontwikkeling leerlingen te volgen; meer aandacht voor andere moderne vreemde talen dan het Engels, vooral het Duits en het Frans.
De hele onderwijsparagraaf

SamenVoorNederland
Leraren en docenten meer zeggenschap inrichting
en inhoud onderwijs; overheid heeft geen of minimaal invloed op de inhoud van het onderwijs.
(Negatief over inclusiviteit)
De hele onderwijsparagraaf

SocialistischePartij
meer gymlessen en sportbeoefening; zwemmen;
De hele onderwijsparagraaf

Splinter
Onderwijs meer dan cijfers. Toetscultuur teruggedraaid: geen toetsen om het toetsen. Meer ruimte zijn voor het ontwikkelen van individuele talenten; scholen niet afgerekend op hoe goed leerlingen scoren op een toets. Managers niet met h curriculum bemoeien. Grondige herziening van artikel 23 van de Grondwet: voorstander van algemeen openbaar seculier onderwijs, wel ruimte voor speciale scholen, maar niet op basis van religie. Seculier onderwijs voor alle kinderen. Aandacht voor beweging op school. Zwemlessen en sport. Typecursus.
De hele onderwijsparagraaf

VOLT
​Kinderen vanaf twee jaar voor minimaal drie dagen in de week naar school.
Geen financiering religieus onderwijs: aanpassing artikel 23 van de Grondwet Afschaffen Centrale Eindtoets. Stoppen onnodige administratie; later selectiemoment: brede brugklassen.
De hele onderwijsparagraaf

VolkspartijvoorVrijheidenDemocratie
Rekenen en taal voorop; nadruk op basisvaardigheden; tweederde van de onderwijstijd: basisvaardigheden. Alleen nog bewezen effectieve lesmethoden. Onderwijsinspectie controleert of gebruikte lesmethoden wetenschappelijk onderbouwd en bewezen effectief zijn; leerplicht naar het vierde levensjaar; met taalachterstand vanaf twee jaar verplicht naar voorschoolse educatie.
Goede scholen krijgen meer ruimte. Ze mogen afwijken van regels over bijvoorbeeld onderwijstijd en curriculum. Scholen die onvoldoende presteren houden we aan strenge regels.
De hele onderwijsparagraaf

.

Over de toets vanuit vrijeschoolperspectief:  [1]   [2]

Opspattend grindalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: alle beelden

.

3111-2924

.

.

.

.