VRIJESCHOOL – Zintuigen (1-3)

.
Op deze blog staan veel artikelen over ‘de zintuigen’. Daaruit komt naar voren hoe belangrijk deze voor ons zijn. En wellicht nog belangrijker: hoe kunnen we ze bij de kinderen cultiveren. En dat kun je waarschijnlijk beter, wanneer je je er als opvoeder ook eens praktisch mee bezighoudt.
In onderstaand artikel wordt zo’n praktisch ‘zintuigenboek’ besproken.

Luc Ambagts, Motief 264, juli-augustus 2022
.

ZINTUIGENONTDEKKINGSREIS
.

Albert Soesman schreef in de jaren tachtig het boek De twaalf zintuigen, leraren van de mensheid. Daarin wordt de zintuigleer van Rudolf Steiner uitgebreid en uitputtend behandeld. Compleet met verwijzingen naar de dierenriem, de samenhang met de wezensdelen van de mens, los van elkaar en als polariteiten. Het is zo’n volledig boek – het is nog steeds te koop – dat het lijkt of sindsdien niemand meer de behoefte heeft gehad over de zintuigen te schrijven. Dat is jammer, want de antroposofische zintuigleer vormt een duidelijke en heldere aanvulling op het schamele aantal van vijf zintuigen dat ons als mens normaal gesproken toegedacht wordt: zien, horen, ruiken, proeven, tasten. Er is al niemand die daarmee uitkomt. Je voelt toch ook kou, of warmte? En pijn, wat is dat dan?

Wim Lips, creatief ontwerper van energetische tuinen, vroeg zijn voormalige leerling, Johanna Huiberts-van den Berg, om eens samen met die zintuigleer aan de gang te gaan. Wim ontwierp een zintuigentuin, een FeelGood Garden voor de Floriade in Almere. Johanna schreef er een zintuigenboek bij, geïllustreerd met eigen foto’s van planten, bloemen, insecten en ook van elektriciteitsdraden en flowforms om het verschil in energie navoelbaar te maken.

Energetische tuinen, het concept van de FeelGood Garden gaat over beleving en vitaliteit. ‘Evenwicht: De speels bewegende bladeren van de ratelpopulier ruisen bij het kleinste zuchtje wind.’ Bij die tekst staan pictogrammen van de levenszin, evenwichtszin, gezichtszin, temperatuurzin en gehoor. Zo opent het boek met concrete voorbeelden uit de tuin en uit de natuur. Een aansporing om al je zintuigen te openen en op te letten hoe je omgeving invloed op je heeft.

Twee ontwerpen laten zien hoe de uitgangspunten ‘gemak’ en ‘feelgood’ tot een totaal andere tuin leiden. Grind op worteldoek, kunstgras en bloembakken, versus bloemborders, beukenhaag en bomen. Het is een rode draad in het boek: “je kunt je eigen omgeving én je eigen leven zelf vormgeven. Als je je goed voelt en lekker in je vel zit, loop je rechtop. Als je het even niet ziet zitten loop je gebogen. Maar het werkt ook andersom. Probeer maar eens het verschil te ervaren. Hoe voel je je als je met een gebogen rug loopt en hoe voel je je als je rechtop loopt. Je beweegt zoals je je voelt, maar je gaat je ook voelen zoals je je beweegt.”

Onze twaalf zintuigen worden toegankelijk beschreven, met bij de meeste een korte uitleg van de anatomie, gevolgd door herkenbare ervaringen uit het dagelijks leven. Soms word je ineens tijdens het lezen op een hoger niveau wakker geschud:”… symbolen die te maken hebben met het goddelijke. Misschien wel juist omdat daar onze woorden tekortschieten,” staat er bij de beschrijving van de voorstellingszin, denk- of symboolzin. We begrijpen vaak al wat iemand bedoelt, voordat hij uitgesproken is. Op die manier kan iedereen een beetje gedachtenlezen. En zo is ook het hoofdstuk over bovenzintuiglijke ervaringen goed voorbereid. Een paar korte alinea’s laten je beleven datje in het contact met planten en dieren meer kunt ervaren, dan je op het eerste gezicht geneigd bent te geloven. De ‘gewone’ zintuigen heb je immers ook moeten leren gebruiken: “Voel jij het verschil tussen katoenen en synthetische stof? Je kan het verschil duidelijk voelen, maar het is een leerproces om te weten watje voelt.” Zo is er nu dus een nieuw boek over de antroposofische zintuigleer, dat als een introductie in dit onderwerp makkelijk wegleest. Met voorbeelden en inzichten die je direct herkent. En foto’s waarvan je wilde dat het er bij jou in de tuin zo uitzag. Dat kan dus ook… ||

Wim Lips en Johanna Huiberts-van de Berg, Zintuigenontdekkingsreis, 101 blz. met illustraties, ISBN 9789090359762. Eigen uitgave 2022.

.

Zintuigenalle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3136-2949

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschoolonderwijs doen? (1-8)

.

HET IMPONDERABELE

Vlinder en ziel

In zijn publicatie ‘Antroposofie doen?’ besteedt de auteur, Jesse Mulder, ook aandacht aan de vrijeschool: ‘Vrijeschoolonderwijs doen? 

In dit artikel kwamen zijn gedachten naar voren.

Nadat Mulder een hypothetische leerkracht heeft opgevoerd om duidelijk te maken dat het niet moeilijk is om aspecten van het vrijeschoolonderwijs ook toe te passen in niet-vrijeschoolonderwijs, stelt hij de vraag of er in dit geval ‘antroposofie gedaan’ wordt of niet:

‘Twee mensen kunnen precies dezelfde vertelstof in hun basisschoolklas hanteren, de verhalen misschien zelfs wel met eenzelfde enthousiasme vertellen. Maar toch is daarmee wat er ‘gedaan’ wordt niet in beide gevallen hetzelfde – niet in beide gevallen wordt er antroposofie gedaan.’

In verschillende pedagogische voordrachten bespreekt Steiner dit verschijnsel.
Dat doet hij bijna altijd met ‘de vlinder en de menselijke ziel’.

Toen ik zijn opmerkingen op me in liet werken, kreeg ik langzamerhand het gevoel dat er een appel werd gedaan op mijn moraliteit: hoe eerlijk ben je in wat je vertelt. Spel je het kind wat (iets moois) op de mouw, of is het jouw innerlijke eigendom. Hoe integer ben je. Hoe oprecht.
En dat – aldus Steiner – voelen de kinderen (en zij niet alleen).
Hij noemt wat zich op dit terrein tussen kind en oudere afspeelt het imponderabele, de onweegbare zaken.

Mulder zegt dan: ‘Zo beschouwd ligt de volgende conclusie nu voor de hand: Om te bepalen of ergens antroposofie gedaan wordt, is het niet voldoende om te bekijken wat er gedaan wordt; we moeten veeleer kijken naar waarom dat gedaan wordt.’

Maar daar zou ik nog aan toe willen voegenHOE – met welke intentie – wordt het gedaan.

Steiner:

GA 300A

 Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule                              Vergaderingen met de leerkrachten

Vergadering 29-09-1919

Dagegen kommt es überall darauf an, daß wir uns Vorstellungen ausbilden, durch die wir aus der Natur auf das Übersinnliche hinwei­sen. Zum Beispiel habe ich ja oftmals das eine erwähnt: Wir sprechen mit den Kindern über die Schmetterlingspuppe, wie der Schmetter­ling aus der Puppe kommt, und machen ihnen daran den Begriff der unsterblichen Seele klar, indem wir sagen: Ja, der Mensch stirbt, und dann geht aus ihm die Seele heraus wie ein unsichtbarer Schmetter­ling, so wie der Schmetterling aus der Puppe geht. Aber wirksam ist eine solche Vorstellung nur, wenn Sie selber daran glauben, wenn Ihnen selber die Vorstellung des Auskriechens des Schmetterlings aus der Puppe ein von göttlichen Mächten in die Natur hineingepflanztes Symbolum für die Unsterblichkeit ist. Man muß selber daran glauben, sonst glauben einem die Kinder nicht.

Aan de andere kant is het overal van belang dat we ideeën vormen waarmee we verwijzen naar het bovenzinnelijke uit de natuur. Eén ding heb ik bijvoorbeeld vaak genoemd: we praten met de kinderen over de vlinderpop, hoe de vlinder uit de pop komt, en daarmee leggen we hun de onsterfelijke ziel uit door te zeggen: ja, de mens sterft, en dan verlaat de ziel hem als een onzichtbare vlinder, net zoals de vlinder uit de pop tevoorschijn komt. Maar zo’n idee is alleen effectief als je er zelf in gelooft, als je zelf het idee ziet van de vlinder die uit de pop tevoorschijn komt als een symbool van onsterfelijkheid, door goddelijke krachten in de natuur geplant. Je moet er zelf in geloven, anders geloven de kinderen je niet.
GA 300/100
Niet vertaald

Meer over ‘het imponderabele’ in de artikelen over autoriteit

Vrijeschoolonderwijs doen? Alle plaatsen in de ped. voordrachten waarin Steiner over het imponderabele spreekt i.v.m. ‘vlinder en onsterfelijke ziel’.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3135-2948

.

.

.

.

Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 303/2)

.

Wanneer Steiner over handvaardigheid spreekt, gaat het enerzijds om de samenhang tussen het bewegen van de handen, de vingers en de ontwikkeling van het denken, anderzijds over ‘kunstzinnigheid’.

De ‘kunstzinnigheid’ komt in GA 294;  300A;   302;  303;   304;  307  aan de orde
De stoel die wordt gemaakt, zou zo kunstzinnig moeten zijn dat deze tot zitten uitnodigt.
In GA 302 komt zoiets ter sprake voor een kussen om op te slapen.

In GA 303 wordt dit thema weer opnieuw uitgewerkt:

GA 303

Die gesunde Entwickelung des Menschenwesens
Gezondmakend onderwijs

Dornach, 14e voordracht, 5 januari 1922

De esthetische opvoeding

Blz. 261      vert. 293-294

Und da, wenn man auf das wirkliche Leben, nicht auf Theorien hinsieht – wenn man sich eben vom Leben leiten läßt, nicht von den abstrakten Ideen -, wird man gerade, wenn man die Tendenz verfolgt, den Menschen praktisch zu machen, dazu geführt, in der Zeit vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife möglichst viel vom Schönen, vom wirklich künstlerischen Erfassen des Lebens an den Menschen heranzubringen. Je mehr man dem Menschen Verständnis beibringt für das Schöne, je mehr er sich durchdringt mit innerem Verständnis für das Schöne, desto besser wird er vorbereitet sein, im geschlechtsreifen Alter an das wirklich Praktische heranzutreten, ohne daß ihm für das ganze weitere Leben Schaden zugefügt wird. Man kann erst dann im Grunde genommen ungefährdet an das Verständnis eines Tramwaywagens, an das Verständnis einer Lokomotive herantreten, wenn man im richtigen Lebensalter sich das ästhetische Verständnis für ein Gemälde oder eine Plastik angeeignet hat.

En dan — wanneer we ons laten leiden door het leven en niet door abstracte theorieën – worden we juist als we de neiging volgen de mens praktisch te maken, ertoe gebracht in de tijd van tandenwisseling tot aan geslachtsrijpheid de mens zoveel mogelijk in contact te brengen met het schone, hem echt kunstzinnig begrip van het leven bij te brengen. Hoe meer we de mens begrip bij brengen voor het schone, hoe meer hij zich doordringt met innerlijk begrip voor het schone, des te beter zal hij wanneer hij geslachtsrijp is, voorbereid zijn om het leven werkelijk praktisch te benaderen zonder dat hem voor het hele verdere leven schade wordt berokkend. Je kunt je eigenlijk pas zonder gevaar een begrip vormen van een tram of een locomotief als je je op de juiste leeftijd het esthetische begrip voor een schilderij of een beeldhouwwerk hebt eigen gemaakt.

Das ist es,worauf vor allen Dingen gesehen werden muß. Aber es muß Schönheit als in das Leben hineingehörig betrachtet werden. Es muß überall ein Sinn dafür entwickelt werden, daß die Schönheit nichts für sich Abgeschlossenes, sondern etwas in das Leben Hineingestelltes ist. Und in dieser Beziehung muß unsere heutige Zivilisation gerade für Unterrichts- und Erziehungszwecke manches lernen.
Sie werden an einzelnen Beispielen, die ich möglichst auf das Ein­fachste reduzieren will, sehen, wie es eigentlich gemeint ist, das Kind in den lebensvollen, lebensgetränkten Schönheitssinn hineinzuführen. Sehen Sie, man kann zu irgendeinem häuslichen, manchmal auch einem schulmäßigen Handarbeitsunterricht hingeführt werden; da sitzen die Mädchen und haben irgendwelche Bänder und sticken auf diese Bän­der allerlei Muster drauf, wie man sagt. Sagen wir also, da sticken die Mädchen etwas auf ein Bändchen, etwa dieses (Zeichnung 2) – ich ma­che es möglichst einfach, nur zur Verdeutlichung. Wenn man dann frägt:

Daar moet vooral op gelet worden. Maar schoonheid moet als onderdeel van het leven beschouwd worden. Overal moet een zin ontwikkeld worden voor het feit dat de schoonheid niet iets is wat op zichzelf staat, maar onderdeel van het leven moet uitmaken. En in dit verband moet onze huidige beschaving juist op het gebied van opvoeding en onderwijs nog veel leren.
U zult aan enkele voorbeelden, die ik zo eenvoudig mogelijk wil houden, zien wat er bedoeld wordt met het kind in de levenskrachtige, van leven doordrenkte schoonheidszin binnen te leiden. Ziet u, je kunt een of andere huiselijke, soms ook een schoolse handwerkles bezoeken; daar zitten de meisjes en hebben een bepaald soort banden en op deze banden borduren zij allerlei patronen, zoals men dat noemt. Laten we zeggen, de meisjes borduren op een band zoiets als dit [tekening 2] — ik doe het zo eenvoudig mogelijk, alleen ter verduidelijking. Als je dan vraagt:

Deel van de originele bordtekening

Blz. 262  vert. 294

Wozu ist das? – dann kann man die Antwort bekommen: Das näht man da um den Halsausschnitt herum, um den Gürtel, und auch unten an die Säume des Kleides an. – Das ist zum Davonlaufen, wenn einem so etwas gesagt wird, denn das zeigt ein völliges Unverständnis für die Wirklichkeit des Lebens im Zusammenhange mit dem Schönheitssinn. Wenn man ein ganz lebendiges Empfinden hat für das, was lebenswirklich ist, und es wird einem ein junges Mädchen oder eine Dame vorgeführt, die solch ein Muster oben, in der Mitte und unten ange­näht hat, dann hat man ungefähr dasselbe Gefühl, als wenn sie von oben nach unten zusammengedrückt wäre! Man muß dann die Sache dadurch verbessern, daß man klarmacht, es müssen drei Verteilungen solcher Dinge gestickt werden. Es muß ein Band oben anders gestickt werden, und ein unteres Band wiederum anders.

‘Waar dient dat voor?’, dan kan het antwoord zijn: ‘Dat naaien we bij de jurk rondom de hals uitsnede, op de hoogte van de taille en onder aan de zoom.’ — Het is niet te harden als je zoiets hoort, want het laat zien dat men geen enkel benul heeft van de werkelijkheid van het leven in samenhang met de schoonheidszin. Als men een heel levendig gevoel heeft voor wat levensecht is en men ontmoet een jong meisje of een dame die zo’n patroon boven, in het midden en onder heeft opgebracht, dan heeft men ongeveer hetzelfde gevoel als wanneer zij van boven naar beneden samengedrukt was! Men moet dan de zaak verbeteren door duidelijk te maken dat zulke dingen in drieën ingedeeld geborduurd moeten worden. De band boven moet anders geborduurd worden dan de band onder.

Auf dieses Band (das obere) muß vielleicht dieses Muster gestickt werden (Zeichnung 1), wie gesagt, nur skizziert, und auf dieses Band (das untere), muß dieses Muster gestickt werden (Zeichnung 3). Dann kann diese werteste Persönlichkeit dieses (Zeichnung 1) oben am Hals annähen, denn das besagt, daß drüber der Hals ist, der Kopf. Das (Zeichnung 2) kann dann an den Gürtel genäht werden und das (Zeich­nung 3) unten an den Kleidersaum; denn das besagt, daß dies Unten und dies Oben ist. Denn der Mensch hat ein Unten und Oben, und das muß hervortreten, wenn man das künstlerisch Empfundene an das

Op deze band [de bovenste] moet misschien dit patroon geborduurd worden [tekening 1],

zoals gezegd alleen schetsmatig weergegeven en op deze band [de onderste], moet dit patroon geborduurd worden [tekening 3].

Dan kan deze alleraardigste persoonlijkheid dit [tekening 1] boven bij de hals aannaaien, want dat geeft aan dat boven de hals het hoofd zit. Dit [tekening 2]

kan dan op de hoogte van de taille genaaid worden en dit [tekening 3] onder aan de zoom van de jurk. Want dat duidt aan dat dit onder is en dat boven. De mens heeft tenslotte een bovenkant en een onderkant en

Blz. 263     vert.

Lebendige heranbringen will. Ich habe zum Beispiel einmal die Ent­deckung gemacht, daß Kopfkissen mit solchen Dingen versehen wor­den sind (Zeichnung 4), oder so ungefähr. Ja, da kann man sich doch nicht darauflegen mit seinem Kopfe, denn das in der Mitte sticht einen doch! Da kann man doch nicht liegen darauf! Das drückt doch un­möglich dasjenige aus, was wirklich mit dem Ding geschehen soll.

dat moet duidelijk gezien worden wanneer men het kunstzinnig gevoelde in het levende wil brengen. Ik heb bijvoorbeeld eens ontdekt dat hoofdkussens van dergelijke dingen voorzien zijn [tekening 4], of zo ongeveer. Ja daar kun je met je hoofd toch niet op gaan liggen, want dat daar in het midden prikt je toch! Daar kun je toch niet op liggen! Dat drukt toch onmogelijk uit waar zo’n ding echt voor gebruikt moet worden.

Man hat das natürlich so zu machen (Zeichnung 5); und jetzt, jetzt kann man sich auch nur da drauflegen, daß man mit dem Gesicht nach rechts liegt, und man muß eigentlich bei jedem solcher Kissen auf der anderen Seite liegen, und dasselbe muß man auf der linken Seite haben, wenn man es wirklich künstlerisch ausgestalten will (Zeichnungen 5 und 6).

Blz. 263    vert. 295/296

Dat moet je natuurlijk zo doen [tekening 5]. En nu, nu kun je daar ook alleen op gaan liggen als je met je gezicht naar rechts ligt, en je moet eigenlijk bij ieder kussen zoals dit op je andere zij liggen, en hetzelfde moet je aan de linkerkant hebben wanneer je het echt kunstzinnig vorm wil geven [tekeningen 5 en 6].

Tek. 5 boven, 6 onder

Nun, in Wirklichkeit macht man das nicht. Die Kunst enthält aber auch den Schein. Und so muß man eine Empfindung dafür haben, daß eigentlich ein Kopfkissen so gemacht sein müsse, daß es wirklich an die Lage des Menschen nach rechts und links angepaßt ist, daß die Fiktion vorausgesetzt ist, man hat das Kissen umgedreht.
Diese Dinge, die führen eben hinein, ich möchte sagen, in die Wirk­lichkeit der künstlerischen Scheinwelt. Und nur, wenn man in diese Wirklichkeit entsprechend hineingeführt wird, dann wird in einem der Sinn auch ausgebildet, der, ich möchte sagen, der Gegensinn ist für das bloß Praktische, das dann wirklich in der richtigen Weise erlebt wird, wenn man innerlich in den Schönheitssinn, aber in den lebensvollen Schönheitssinn hineingestellt ist.

Welnu, in werkelijkheid doet men dat niet. Maar de kunst houdt ook de schijn in. En zo moeten we er een gevoel voor krijgen dat een hoofdkussen eigenlijk zo gemaakt moet zijn dat het echt aan de houding van de mens naar rechts en links is aangepast, dat het lijkt alsof men het kussen heeft omgedraaid.
Deze dingen voeren ons binnen, laat ik zeggen, in de werkelijkheid van de kunstzinnige schijnwereld. En alleen als je in deze werkelijkheid goed ingevoerd wordt, dan wordt ook de zin in je ontwikkeld die, laat ik zeggen, de tegenovergestelde zin voor het louter praktische is, die dan echt op de juiste wijze ervaren wordt als je innerlijk de schoonheidszin hebt aangeleerd, maar dan wel de levenskrachtige schoonheidszin.

Blz. 264  vert. 296

Jetzt ist es ja besonders beliebt, Pompadours mit allerlei solchen Ausnähungen zu versehen. Bei einer ganzen Anzahl von solchen Pom­padours muß ich fragen: Ja, wo ist denn da oben und unten? – Man muß doch das äußerlich dem, was da als Verzierung dran ist, ansehen, wo etwas hineingesteckt wird, wo unten oder oben ist. Das ist ge­wöhnlich gar nicht irgendwie berücksichtigt, wie wir es bei unseren Büchern sehr selten so machen, daß man dem Buch ansieht, wo es auf­geschnitten wird. Da wird irgendein Motiv draufgemacht, das eigent­lich gebietet, das Buch zuzulassen, es nicht aufzumachen.
Ich will durch diese Beispiele eben, wie gesagt, nur andeuten, wie dasjenige, was Schönheitssinn ist, sich in das Leben wirklich hinein­stellen, wie das lebensvoll erfaßt werden muß. Denn nur dann, wenn wir in dieser Weise lebensvoll die Schönheit ausgebildet haben, können wir auch weiter so erzogen werden, daß wir uns in der heute gefor­derten Weise ins praktische Leben hineinzustellen verstehen.

In deze tijd is het bijzonder populair bepaalde handtassen van allerlei dergelijke borduursels te voorzien. Bij een groot aantal van dergelijke handtassen vraag ik mij wel af waar nu de bovenkant zit en waar de onderkant. We moeten toch bij dingen waar we iets instoppen aan de uiterlijke versiering kunnen zien waar onder en waar boven is. Daar is gewoonlijk helemaal geen rekening mee gehouden, zoals wij ook bij onze boeken zelden aan het boek kunnen zien waar het wordt opengesneden. Daar wordt een of ander motief op gezet dat eigenlijk dwingt het boek dicht te laten, het niet open te slaan.
Zoals gezegd, ik wil met deze voorbeelden juist aanduiden hoe echte schoonheidszin echt in het leven moet worden geplaatst, hoe die levenskrachtig opgepakt moet worden. Want alleen als we op deze manier levenskrachtig de schoonheid hebben ontwikkeld, kunnen we ook daarna zo opgevoed worden dat we ons op de tegenwoordig verlangde manier in het praktische leven kunnen opstellen.
GA 303/261-264 
Vertaald/293-296

In dezelfde voordracht gaat Steiner hiermee nog verder, nu over het vormgevoel bij het vormtekenen.
Dat staat hier.

In deze GA 303, voordracht 8 en 12 gaat het ook over ‘handen en intelligentie’.

.

Rudolf Steiner over handvaardigheid

Handvaardigheid: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3134-2947

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Driekoningen (23-2)

.

FOLKLORE
.

Het grote huiselijke feest van de winter was in vroeger eeuwen Driekoningen, want Sint-Nikolaas werd toen nog bijna uitsluitend door kinderen gevierd. Zelfs op het barre Nova Zembla vierde Willem Barentsz met zijn mannen het Driekoningenfeest!
In het evangelie van Mattheus gaat het echter niet om drie ‘koningen’ maar om wijzen, die Herodes inlichtten omtrent het tijdstip van de geboorte van Jezus (de joodse schriftgeleerden wisten de plaats). Later zijn zij ‘koningen’ genoemd en van namen voorzien (Caspar, Melchior en Balthasar), vanwege psalm 72: ‘De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken brengen – en de koningen van Sheba en Saba zullen hem dienen’, hetgeen men van toepassing achtte op het Nieuwe Testament.
Ook Jesaja 60,6 is van belang: ‘Zij allen uit Sheba zullen komen; goud en wierook zullen zij brengen’.
Men brengt het Kindeke ‘gout als een coninc, wijroeck als den warachtigen Godt, mirre als die sijnre begravinghe toe be-hoerde’, aldus een gebedenboek uit de vijftiende eeuw. Worden deze symbolische geschenken in de Bijbel vermeld, niet schriftuurlijk zijn de os en de ezel, die eerbiedig toekijken en zelfs neerknielen, zoals zij voorkomen op schilderijen en in liederen:

Die os ende ooc dat eselkijn,
Die aenbeden dat suete kindekijn.

Uitgangspunt voor deze voorstelling is Jesaja 1, 3: ‘Een os kent zijn bezitter en een ezel de krib zijns heren’, welke tekst reeds in de eerste helft van de derde eeuw door Origines op de geboortekrib werd betrokken. Een foutieve vertaling van Habakuk 3, 2 (‘In het midden van twee dieren zult gij gekend worden’), die echter niet in de Vulgaat overgenomen werd, ondersteunde deze opvatting.

Evenals nu met Sinterklaas gaf men elkaar op Driekoningen geschenken. De bakkers zonden aan hun klanten, vrienden en bloedverwanten aan elkaar, een mooi rond ‘coninxbrood’; ieder kreeg van zijn peetje het ‘coninxgelt’; ook de armen en zelfs de gevangenen, werden ruim bedacht.

Alom vierde men op Dertienavond (vgl. het Engelse ‘Twelfth Night’ voor Driekoningenavond), d.i. op de avond van 5 januari, feest, koos men een koning door middel van het koningsbrood of de koningsbrief. De magistraat deed dit in een feestlokaal, waarbij de stad op wijn trakteerde, de kloosterlingen en schoolkinderen kregen een volle dag recreatie ‘om den coninck te kiesen’.
Dan grabbelde men naar een briefje van de konings- of trekbrief, een volksprent, verdeeld in een aantal, gewoonlijk zestien, kleine prentjes, die de koning, de koningin en de hofbeambten voorstelden, elk met een toepasselijk rijmpje als onderschrift:

Koningsbrief, tot in de 20e eeuw in Amsterdam gedrukt.

Zo kon men onder de afbeelding van de koning lezen:

Mits ik heden ben uw Koning,
Lieve vrienden in dees woning,
Het is mijn wil en mijn bevel,
Dat gij hier drinkt en sneukelt wel.       sneukelt (Vlaams) = snoept

Bij de medicijnmeester:

Mijne beste medecijnen
Tegen de ziekten en pijnen,
Medecijnen naar den dank,
Zijn gezonde kost en drank.

Bij de zot:

Ik ben de zot voor dese reijs;   (reijs = keer)
Al is ’t dat ik ben selden wijs,
Men vint’ er meer van al dit lot,
Al zijn sij niet in ’t sotte-cot.

Men knipte de zestien prentjes met hun rijmpjes uit en gebruikte er zoveel als er gasten waren. De uitgeknipte prentjes werden opgevouwen en gingen in een hoed, elk trok hierop het ambt, dat hij op Driekoningenavond zou hebben te vervullen. De vrouwelijke leden van het gezelschap deden in de Noordelijke Nederlanden niet, als in Vlaanderen, mee aan het trekken. Wél speelde de koningin mee en dikwijls een zottin, die door de zot werd gekozen. Na de trekking speldde ieder zijn prentje op de borst, op muts of hoed, opdat zijn rol aan ieder lid van het gezelschap kenbaar zou zijn.
Op de doeken van Jan Steen, die zoveel aardige bijzonderheden van het Driekoningenfeest heeft afgebeeld, kunnen wij ze nog onderscheiden. Ook werd de koning getrokken door middel van een koningsbrood of bonenkoek. Een gewichtig ogenblik brak aan, wanneer aan de gezellige dis van bloedverwanten en vrienden op Driekoningenavond de bonenkoek werd aangesneden en rondgedeeld: wie in zijn stuk de ‘coninckxbone’ of‘heilige bone’ trof, was koning van het feest.

Het mag zijn, dat ons ‘Hij is ook geen heilig boontje’ (waar Stoett en Ter Laan, in hun spreekwoordenboeken, andere verklaringen voor hebben) aan dit eens zo populaire volksfeest herinnert.

Aanstonds werd de gelukkige gehuldigd door hem met zetel en al in de hoogte te heffen en werd hij tot koning gekroond. Soms gebeurde dit met een eenvoudige puntige kroon van verguld bordpapier, gewoonlijk echter met een band van houtsneefiguren, al dan niet gekleurd in grillige kleurvlekken van wijnrood en diepblauw, hardgroen en okergeel; ook deze bedrukte rand werd op verguld bordpapier geplakt:

Konings- en Koninginnekroon. Museum voor Folklore,

Door uitgevers in de handel gebracht, werden ze langs de straten gevent:

Koningsbrieven en kroon, en kroon
Koningsbrieven en kroon.

Wij hebben een kostelijke afbeelding van zo’n straatventer uit de 17e eeuw, die een mand vol prenten aan de arm draagt en een stok met fladderende kronen in de hand houdt. Men zie Des Werelds Proefsteen van Antonius Burgundia (1673). Was de koning door de bonenkoek verkozen, dan mocht hij zichzelf een koningin kiezen.
Jan Steen heeft afgebeeld, hoe de koning de koningin uitverkiest door de boon aan te bieden. Waren de rollen verdeeld, dan gaf de koning de schenker het teken om de glazen te vullen en aan de hofmeester om de versnaperingen aan te bieden. Andermaal werd de koning daarna onder gezang in de hoogte geheven, en het spel kon beginnen.
De raadsman had steeds goede raad te geven, de kamerling kreeg de kamersleutel en moest de gasten binnenleiden, de kok de spijzen opdragen, de speelman muziek maken, de zot het gezelschap door zijn snakerijen vermaken. Bracht hij zijn glas aan de mond, dan moest het hele gezelschap uitroepen: ‘De koning drinkt!’, opstaan en zelf ook drinken; evenzo als de koningin dronk. Daarna riepen allen: ‘De koning en de koningin hebben gedronken’. Wie hierbij in gebreke bleef, kreeg van de zot een roetstreep in het gezicht. Bovendien moest de nalatige pand verbeuren, en de grootste pret begon als de panden werden ingelost. Zo vermaakten zich onze voorouders met dezelfde kunstjes als in later eeuwen de jeugd zou doen — ook in de Camera Obscura is het pandverbeuren nog een vermaak van volwassenen.

Al is het eten van de bonenkoek nog hier en daar volksgebruik (aldus koningt men nog wel in Limburg bijvoorbeeld), de grote glorie van het feest vindt men in de Gouden Eeuw, toen ook prins Willem III de rol van ‘koning’ ten deel viel (1668), ‘in het wecken’ (van de koningsbrief).

Hoe hoog toen de feestvreugde steeg, kunnen wij zien op de schilderijen van Jan Steen en nog meer bij Jordaens: hier is louter geschreeuw, geschater, eten en drinken, tot onmatigheid toe.
Terwijl de volwassenen van de tafelvreugde genoten, vermaakten de kinderen zich met springen over de drie kaarsjes, die in halve mangelwortels of aardappels gestoken, op de vloer stonden.

Kaarsies, kaarsies, drie aaneen,
Springen wij er over heen,
Al wie daar niet over kan,
Die en weet er nou niemendal van.

Buiten klonk het lied van de sterrenzangers over de donkers straten. Aan de deuren stonden zij stil om een gift te ontvangen, gehuld in een wit hemd, met verguldpapieren kronen op het hoofd. Deze drie elementen der Driekoningenviering zijn door Jan Steen op één doek vastgelegd. De sterrezangers staan er met hun grote verlichte ster aan de open voordeür Zo dadelijk zullen zij worden binnengelaten om hun deel te krijgen van de wafels en pannekoeken, waarom zij ook vragen:

Sterrenzangers. Uit: Jac. Buys, De twaalf maanden met voorstellingen uit het stadsleven, 1771-1773

Wij komen je Dertienavond bezoeken,
Heb je geen wafels of pannekoeken, ’
Een, twee, drie in ’t beuterpateel?  (pateel = platte schotel)
Mensen, geeft ons ons aandeel!

Dit feestgebak ontbreekt op geen Driekoningentafereel. Bij Jan Steen zien wij meermalen de dienstmaagd een tinnen schaal vol wafels op het hoofd binnendragen.

Huiselijke Driekoningenviering. Uit: Vaderlandsche Kindervreugd, Amsterdam, omstreeks 1780.

De eersten die in het openbaar de sterrenzangen zongen, waren waarschijnlijk de scholieren of koorknapen, die voor de geestelijke stand werden opgeleid. Het meest verspreide lied was:

Hier treden wij, Here, met onze sterre;
Wij zoeken Heer Jezus, wij hadden hem gerre.
Wij kloppen al aan Herodes zijn deur:
Herodes, de koning, kwam zelvers veur.
Hij sprak er al met een vals hart:
Hoe ziet er de jongste van drieën zo zwart?
Al ziet hij zo zwart, hij is er bekend:
Hij is er de Koning van Oriënt.
Wij kwamen de hoge berg opgegaan,
Daar bleef er de sterre stille staan.
O sterre, gij moet er zo stille niet staan,
Gij moet er met ons naar Bethlehem gaan,
Naar Bethlehem, in die schone stad,
Waar Maria met haar kindeke zat.
Hoe kleinder kind en hoe groter God,
Daar al de joden mee hebben gespot.
Wij offeren mirre, wierook en goud
En loven het kindeke menigvoud.

Ter beloning kregen de koorknapen aan de huizen een geldstukje, waarvan zij een vrolijke Driekoningenavond vierden. Doch reeds in de 17e eeuw werden zij meer en meer verdrongen door ‘het gemene volk’, dat met sterrenzingen geld zocht op te halen om dat in de herbergen te verteren. Mogelijk was het witte hemd, dat zij daarbij over hun kleren aantrokken, een nabootsing van het koorkleed van de scholieren. In elk geval zal hun vermomming het bedrijven van baldadigheid in de hand hebben gewerkt. Deze sterrenzangers hadden weinig eerbied voor het lied, vrijmoedig sprongen zij met de tekst om en maakten er zonderlinge refreinen bij, zoals in het Amsterdamse liederenboekje De Marsdrager of de nieuwe toverlantaarn (1754):

Wij komen getreden met onze starre,
Lauwerier de Cransio,
Wij zoeken heer Jezus, wij hadden hem gaarne.
Lauwerier de knier
Wij zijn Karel konings kinderen,
Pater bonne Franselijn.
Jeremie

Of zij zongen ronduit:

Wij zijn driekoningen, wij zoeken geen kind,
Maar een teugsken Lovens, dat ons beter dient,
Kaves of Lovens bier,
En daarom komen wij hier.

Een dergelijk lied werd te Antwerpen gezongen.

Driekoningen, volgens Cornelis Troost (1697-1750). Naar J. ter Gouw, De Volksvermaken (1871).

Deze rumoerige feestuitingen zijn weinig in overeenstemming met de eerbied verschuldigd aan de Heilige Koningen uit het Oosten. Deze hadden er ook feitelijk niet mee te maken: men had hen slechts tot beschermheren gemaakt van de luidruchtige pret.

Wij zagen reeds dat Driekoningen een Nieuwjaarsdag is, evenals 1 januari, die we als Nieuwjaarsdag van de Romeinen overnamen. De heerschappij van de Romeinen heeft in deze streken geduurd tot het einde van de 4e eeuw: onze voorouders waren dus ruimschoots in de gelegenheid de Romeinse Nieuwjaarsgebruiken te leren kennen. Deze Romeinse Nieuwjaarsdag van 1 januari kan weer gebruiken in zich hebben opgenomen van het grote Romeinse winterfeest der Saturnaliën, dat in de tweede helft van december werd gevierd en was gewijd aan Saturnus, de god van de akkerbouw. Dan werd een overvloedige maaltijd gehouden, waaraan de slaven aanzaten met hun heren en zelfs door dezen werden bediend. Door middel van een bonenkoek koos men de ‘rex bibendi’, de drink-koning of ceremoniemeester. Tijdens de Saturnaliën deelde men algemeen geschenken uit, vooral kaarsen, lichtbronnen bij het lichtfeest. In het Romeinse leger werd van deze viering veel werk gemaakt, terwijl Oosterse soldaten in Romeinse dienst, die gewoon waren om een Oudbabylonisch feest met narrenkoning te vieren, waarschijnlijk nog elementen van vermomming daarin brachten. Meermalen gaan gebruiken van de ene feestdag op de andere over; aldus zijn waarschijnlijk ook de Romeinse feestvormen van bonenkoning en kaarsverlichting verbonden geworden aan de Germaanse Driekoningenviering. Doch uitsluitend de vormen, de inhoud had zich gewijzigd: het godsdienstig ritueel werd tot vermaak, de vroegere drinkkoning tot narrenkoning, omringd door een troep komedianten. Aanvankelijk zullen volwassenen hebben gesprongen over de kaarsen, die de Germaanse wintervuren vervingen, waardoor men sprong om voorspoed te verkrijgen; later werd dit een kinderspel.

Zoals reeds de Romeinse kerkvaders hadden geijverd tegen de woeste feestviering der Saturnaliën, zo deden het de calvinistische predikanten in de 17e en 18e eeuw tegen de Driekoningenviering. Door hun drijven trad ook de Overheid streng op: het regende plakkaten tegen de sterrezanger, de koningsprenten, het branden van kaarsen, zelfs tegen de huiselijke viering.

In Brabant, waar de sterrenzangers zeer populair waren, dreigde de magistraat van ’s-Hertogenbosch hen in 1745 met een boete van drie gulden. Zelfs zouden sterrendragers van buiten de stad acht dagen op water en brood worden gezet.  Toch trokken de koningen met de ster op het einde van de 18e eeuw te Amsterdam nog rond.

Bijzonder had men het voorzien op de kaarsjes. Waarschijnlijk omdat de kaarsenmakers ze vóór de Hervorming meenamen naar de kerk en ze na de Hoogmis lieten wijden. De overheid betitelde ze als ‘superstitieuse koninckxkaarsjes’. Ze waren 25 tot 30 cm lang, de kruidenier placht ze te zamen met een koningsbrief aan zijn klanten te vereren. Deze kaarsen werden niet alleen voor het kaarsje-springen in katholieke gezinnen aangewend. In het Vlaamse deel van Noord-Frankrijk, waar geen Vlaming met Driekoningen op Franse bodem bleef, maar ieder naar het eigen huis terugkeerde om dit feest in de familiekring te vieren, begon de viering met het aansteken van de kaars. In sommige streken stond deze midden op de tafel, in andere op de schouw; elders gebruikte men bij het feest uitsluitend kaarsverlichting.

In de Noordelijke Nederlanden was de drie-armige koningskaars gebruikelijk, door Jan Steen meermalen op zijn doeken afgebeeld. Soms was de middelste kaars zwart en heette dan het Moorke of ‘Melchert’ (Melchior). Toen de onderschout van Amsterdam aan de kaarsenmakers de levering van deze kaarsen verbood, antwoordden zij dat hun klanten de kaarsjes, als zij ze niet goedschiks kregen, ‘op violente wyse afeyschden’. Het gevolg was, dat Amsterdam op 14 december 1714 een keur uitvaardigde, waarbij niet alleen het maken en verkopen, maar ook ‘het afeischen, afpersen of nemen van de kaarsjes werd verboden op een boete van honderd gulden, ‘te verbeuren zoo bij den gever als den afeischer’. Al deze verbodsbepalingen vervielen door de Franse revolutie; daarna zijn de bestreden gebruiken weer opgeleefd. Op het eind van de 18e eeuw speelden deze kaarsjes nog een rol bij de huiselijke viering van Driekoningenavond.

In Noord-Holland gebeurde het tot voor kort nog wel, dat mannen in hun gewone plunje met een ster of een gekleurde draaibare driehoek uit zingen gingen. De fraai beplakte ster van een van hen bevindt zich nu in het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen en twee van zijn drie kerstliederen vindt men o.a. in Simsalabim (1969), een liederenboek van Tjaard W. R. de Haan en Marie-Cécile Moerdijk. Ook in de buurt van Leiden, de gemeenten Alkemade en Noordwijkerhout is het sterrezingen nog niet vergeten.

In Noord-Brabant bepaalde het zich tot schamele resten in de kinderfolklore, met dreunzangetjes in de trant van:

Driekoningen, Driekoningen,
Koop mij een nieuwe hoed.
Mijn ouden is versleten,
Mijn moeder mag ’t niet weten,
Mijn vader heeft het geld
Op de rooster geteld.
(of: Op de spaarbank gezet).

Maar toen kwam er een herleving die massaal uitdijde. In de eerste uitgave van dit boek (1947) kon de schrijfster daar niet enthousiast over zijn. Zij heeft het over ‘een kunstmatige poging tot herstel, voor eenige jaren door de stad ’s-Hertogenbosch aangewend, toen honderden koninkjes, aangelokt door prijzen, zich door de straten bewogen’. S. J. van der Molen, in zijn Levend volksleven. Een eigentijdse volkskunde van Nederland (1961) vertelt dat o.a. Vincent Cleerdin, de stoot gaf tot herleving en hervorming van het Driekoningenlopen, dat ‘meer en meer tot vodderige schooipartijen van bedenkelijk allooi’ was afgezakt. En zo trokken, voor het eerst in 1924, meer dan 1500 koninkjes, blank en zwart, met lampion en draaiende ster, de liedjes zingend, ordelijk door de stad. Tilburg is Den Bosch hierin gevolgd, en het koninkjes-lopen is daar zo ingeburgerd, dat een lied over Tilburg (1971) er niet buiten kan:

Driekoningen volgens een Noordbrabantse kinderprent

De koninkjes lopen stoep op en stoep af;
Zij zoeken het kind dat de hemel ons gaf.
Zij kwamen van ’t Oosten, zij kwamen van ver,
Met kronen van goud en een draaiende ster.

Van de steden uit verovert dit vernieuwde gebruik meer en meer het platteland (als men dit in een tijd van ‘verstedelijking’ nog zo noemen kan). En het is niet, zoals in de nadagen van het gebruik, een aangelegenheid van bedelende armeluiskinderen: ook het nakroost der gegoeden doet er volop aan mee. Aldus komen ‘survivals’ (overleefsels) tot een nieuw uitbundig leven – hetgeen onderzoek verdient en veelal positieve waardering, ouderlijke en schoolse bemoeienis, massavorming en concurrentiezucht (de mooie prijzen!) ten spijt. Ook de kerstboom, de carnavalsviering en de intocht van Sinterklaas zijn, nog maar kort geleden, evenals deze vorm van ‘koninkjes-lopen’, van de stad naar het land gegaan.

Het beste dat ons van de oude Driekoningenviering is overgebleven, zijn de prenten met hout- en kopergravures. Tot in het begin van deze eeuw werden ze te Amsterdam langs de straten verkocht met de roep ‘Koningsbrieven en kroon’, en werd het koningsspel nog in de volksbuurten binnen de stad en over het IJ gespeeld. Weinige van deze prenten zijn bewaard gebleven; na het feest frommelde men ze ineen en wierp ze weg. Wat wij nog over hebben, is afkomstig van oude drukkerijen en dit bezit is in ons land veel geringer dan in de zuidelijke Nederlanden en toch ook daar betrekkelijk niet groot, als men bedenkt dat in een stad als Rijsel jaarlijks 50 000 koningsbrieven werden gedrukt. Te Gent berust de afgebeelde koningskroon, een fraaie houtsnede uit de 17e eeuw. De onderste strook was voor de koning, de bovenste, met kleiner medaillons van Maria met het Kind, de Drie Koningen en Jozef, diende voor de koningin. Beide kronen zijn gescheiden door een voorstelling van de koningen, die komen aanrijden op een paard, olifant en dromedaris, terwijl Maria rijdt op een ezel, Jozef op een os, de beide dieren die bij de Heilige Geboorte in de stal aanwezig waren.

De oudstbekende koningsbrief werd in 1577 te Brugge gedrukt. Oudere zijn ook nauwelijks te verwachten: de ‘trekbrief’ kon niet populair worden, voordat de leeskunst wat meer algemeen werd beoefend. Deze Brugse prent is niet volledig: de tekst ontbreekt en de prentjes zijn maar negen in getal. Maar hoe kostelijk is ieder hofbeambte daarop afgebeeld, hoeveel uitdrukking vertonen die gezichten ter grootte van een centimeter.

Ook het Rijksprentenkabinet te Amsterdam bezit een Antwerps exemplaar van een koningsbrief, getekend ‘Jan Jeghers fecit’. Hierop zijn zestien hofbeambten, allen te paard, voorgesteld en bovendien zestien vrouwen, staande of zittende; ongelukkig ontbreekt ook hier de tekst en bovendien het jaartal. Jan Jeghers leefde van 1618 tot 1666.

.
Een deel van de tekst is te vinden in Driekoningen (23-1)

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen – jaartafel

.

3133-2946

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (95)

.

“Op ooghoogte”

zo heet een boek van Emille van Opstall.
Kinderen hebben haar aan het denken gezet over grote filosofische vragen.
Op ‘ooghoogte’ zie je kinderen van 4 tot 11 jaar. 

Ze is classica en vindt het belangrijk dat volwassenen leren om-denken.
Anders denken, ont-denken, zoals ze het noemt.

De interviewer die haar vragen stelt, zegt op zeker ogenblik:

Uw stijl is rustig, zonder oneliners, voorzichtig, met ‘wellicht’, en ‘misschien’ en ‘zou kunnen’. Maar tussen de regels gloeit het vuur van ‘het móet anders!’.

De schrijfster: “Daar hebt u wel gelijk in. Het moet opgeschud worden. Zonder al te stellig te zijn wil ik mensen aan het denken zetten.”

Dat doet Van Opstall door haar specialisme in te zetten: ze is expert in de vertelkunst* in de Oudheid en de Middeleeuwen. Die kunst beoefent ze in Op ooghoogte ook voor de moderne lezer. Door het ophalen van smakelijke verhalen, zoals over Daphnis en Chloë die van een rijpere vrouw liefdesinstructies krijgen. En vaak vragenderwijs.

*vet en blauw van mij, phaw

‘Willen we dat verhalen een voorbeeld geven van een ideale wereld, waarin conflict en onrechtvaardigheid niet bestaan? Of moeten verhalen voorbereiden op een confrontatie met de duistere kanten van de werkelijkheid en van onszelf?’

In haar boek geeft Van Opstall zelf antwoord, want ze vertelt graag sprookjes.

Daarin gaat het er soms ruig aan toe. “Mag dat wel bij de kinderen van nu, met hun tere ziel?

“Zeker.”

‘Maria Montessori, voor wie u sympathie hebt, was faliekant tegen sprookjes.’

“Ja, wat een afknapper. Met al haar mooie ideeën… Ze wilde dat kinderen ervaring opdeden met de echte wereld. Ik heb me laten meeslepen door haar experimenten op scholen, bewonderde haar. Maar als je het beste uit kinderen wilt halen, hoe kun je dan de verbeelding en de fantasie overslaan? Dat is juist de sprankelendste manier om de wereld te ontdekken. Verbijsterend dat Montessori tegen was. Ze vond sprookjes niet geworteld in de werkelijkheid. Was ze bang voor de kracht van de verbeelding?”

Van Opstall is zelf overtuigd van die kracht. De kinderblik, schrijft ze ergens, kan ‘het huis van onze gedachten met al zijn aanbouwen omver werpen, al is het maar voor even’.

U woont in het gedachtenhuis dat wetenschap heet. Is dat wel fijn wonen?’

“Ha ha, nee, ik pas er niet meer helemaal in. De universiteit werkt als een machine, waar de intellectuele nieuwsgierigheid het verliest van de ingetreden marktwerking, waar je beurzen moet binnenhalen. Productie. Output.”

U nodigt de lezer uit om losser te kijken, meerdere perspectieven in te nemen en zo iets vastgeroests los te wrikken. Hebt u zichzelf door het schrijven van dit boek losgewrikt?

“Ik denk het wel, ja. Dat deel van mezelf, dat een breder publiek wil bereiken, buiten het kleine kringetje in academia, ontpopt zich met dit boek. Dat is mijn missie. Dat andere deel, dat met collega’s uit de hele wereld samenwerkt en onderzoek doet, voelt zich er wel uitstekend thuis.”

Interview in Trouw op 02-09-2023

Op ooghoogte

Opspattend grind: alle artikelen

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3132-2945

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – grafische vormgeving

.

Wie de aanwijzingen van Steiner voor bijv. het handwerken bestudeert, ziet dat hij ‘kunstzin’ belangrijk vindt.
Vormgeving is nooit ‘zomaar’, moet iets uitdrukken. De materie is voor Steiner ook uitdrukking: van de geest.
‘Iets’ geestelijks moet tot uitdrukking komen in wat in de materie, de vorm vast, hard geworden is, is gestold.

Wie zijn voordrachten als boekuitgave in de hand heeft, ziet vaak een typische grafische vorm op de voorkant.
Wat wilde hij daarmee dan tot uitdrukking brengen.

In onderstaand artikel wordt een antwoord gefomuleerd.

Piet Sieperda, Motief 263,juni 2022
.

100 jaar grafische impuls –
Rudolf Steiner, Assja Turgenieff
.

Dynamische communicatie-kunst

Steiners impuls voor een communicatieve grafische vormgeving is een van zijn meest geheimzinnige nalatenschappen. Hij begint hiermee pas rond 1920 als de sociale driegeleding met brochures en boeken wereldkundig wordt gemaakt en een goede herkenbaarheid van deze nieuwe beweging wordt nagestreefd.

Aan de omslag van een boek moet je kunnen zien waar het geopend wordt. Zo niet, dan zou je het boek ook niet moeten openen. Dit krachtige gezichtspunt van Rudolf Steiner, trof ik aan in het boek van Hedwig Hauck, voor kunstenaars en pedagogen. [1]
Met deze voorkennis stapte ik bij een van mijn bezoeken aan Dornach de boekwinkel van het Goetheanum binnen. Was dit niet bij uitstek het centrum van het antroposofische boek? Aandachtig bekeek ik de uitgestalde boeken en concludeerde dat geen van de uitgevers zich ooit had verdiept in de overwegingen van Steiner op dit punt. Deze boeken konden vanuit dit gezichtspunt, nooit met fatsoen worden geopend.

Toen viel mijn oog op die ene uitzondering. Het was een kleine pocket, een roman van een mij onbekende schrijver, midden op een van de tafels. Dit werd spannend. Was hier iemand doorgedrongen tot het boek van Hauck? Wie had deze omslag gemaakt? De naam van de ontwerper stond linksonder op de eerste pagina: Rudolf Steiner!

Linksboven

Kenmerkend voor Steiners ontwerpen is wel dat het accent ligt op de linkerbovenhoek, [2] waarbij de overige ruimte wordt vrijgelaten voor de titel en de overige tekst. De opbouw van de meeste ontwerpen kent een bepaalde overeenkomst: een lijn die de linker rand van het papier volgt en daarna de bovenrand en een tweede lijn die haar spoor trekt aan de binnenkant daarvan (afbeelding 1).

1. Ontwerp briefhoofd van Rudolf Steiner (uit Roggenkamp, p.45).

Tussen deze twee lijnen kan nu gemakkelijk een ruimte ontstaan voor een invulling met een passend motief (afbeelding 2).

2. Plantenmotief, ontwerp van Rudolf Steiner (uit Roggenkamp p.77).

Kenmerkend bij de uiteenlopende ontwerpen is dat de gebruikte lijnen voortdurend veranderen in dikte. Dit brengt dynamiek in alle onderdelen van het ontwerp.

In de illustraties zelf is in de jaren daarna een ontwikkeling zichtbaar van strakke, rechte lijnen naar meer dynamische arceringen en vlakken, waarin een beweging van linksonder naar rechtsboven zichtbaar wordt. Soms zijn daarin dierlijke of menselijke silhouetten herkenbaar. Incidenteel maakt zelfs de titel deel uit van de illustratie, zoals het bekende ontwerp van het titelblad van Das Goetheanum. Ook zien we bij herhaling gebruik van kleuren. Het valt op dat het beeld zich vanaf 1922 nog meer concentreert in de linkerbovenhoek en dat de uitlopende lijnen linksonder en rechtsboven korter en minder scherp worden. Een aparte categorie is het uit 1921 stammende uiterst modern ogende ontwerp voor de verpakking van Weleda-medicijnen. Deze krachtige combinatie van rood en blauw, laat zien dat de mogelijkheden van deze impuls niet beperkt zijn tot de beschikbare voorbeelden.

Vignet Weleda (niet afgebeeld in artikel)

Vormgeving nu

Grafische ontwerpers stellen zich in het algemeen dienstbaar op. Hun basisexpertise is de letter: de verschillende lettertypes, groottes en diktes, vet of cursief. Hun domein is de huisstijl, het bedrijfslogo, briefpapier, interne- en externe communicatiestromen en bijvoorbeeld ook verpakkingen. Op een hoger niveau maken de grafische ontwerpers boeken, theater- en filmposters en doen ze de opmaak van tijdschriften. Ze zijn overal actief waar tekst en beeld in samenhang verschijnen.

Karakteristiek voor deze letterwereld is haar uiterst systematische, gedisciplineerde en statische karakter. De letters moeten te allen tijde in het gelid staan, op een volstrekt horizontale lijn. Een voorbeeld daarvan zijn boekomslagen. We zien vaak dat een uitgever vooral geïnteresseerd is in de titel: die komt – in uiteenlopende kleuren en vormen – strak bovenaan te staan. Die is voor hem belangrijker dan door een ontwerper aangeleverde illustratie. Alleen in die genres waarin beelden sterker communiceren, wijken ze daar weleens van af, bijvoorbeeld bij reis- en kunstboeken met opvallende afbeeldingen die veel zeggen over de inhoud van het boek.

Theater

De balans tussen beeld en tekst treffen we bij uitstek aan in de ontwerpen van Steiner. Toch voegt hij nog enkele accenten toe in zijn beperkte grafische oeuvre. Dat zijn subtiele menskundige gezichtspunten. In het domein van het theater vinden we bij herhaling dat Steiner een sterk onderscheid postuleert tussen links en rechts. Dat bepaalde attributen en handelingen een plek krijgen op het toneel waar dat het meest effectief is. Steiner zegt hierover:

“Het rechteroog is meer gericht op begrijpen wat het ziet, het linkeroog is meer afgestemd op interesse in het waargenomene. (…) Als je met een beweging de interesse van de kijker wil wekken, dan moet je als toneelspeler van rechts naar links gaan. Als je daarentegen met een beweging iets wil uitdrukken, iets wil bespreken dat begrepen wordt, dan moet de toneelspeler van links naar rechts bewegen.” [3]

Actuele media

In zijn ontwerpen zet Steiner het kunstzinnige element uitdrukkelijk in de linksboven positie. Het kunstzinnige, het beeldende draagt de interesse. Zo nieuw is dat niet: in de actuele praktijk wordt dit intuïtief herkend. Ontwerpers van bijvoorbeeld commerciële websites voelen intuïtief de ruimtelijke posities van interesse en begrip.
Op allerlei websites waar we iets kunnen boeken, veilen of (ver) kopen, vinden we in de linker kolom het management van de interesse en wordt de koop afgerond in de rechterkolom. Zo wordt onze interesse gewekt en via onze begeerte geleid naar de boeking, het bod of de koop rechtsonder. Links wordt het begeerde meestal getoond met een grote foto en rechts daarvan een toelichting en de prijs.

Op YouTube zien we een vergelijkbare links-rechts-indeling, tot in detail doorgevoerd. Zo kunnen we in het lopende filmpje rechtsonder klikken om de advertentie over te slaan of om over te schakelen naar volledig scherm.

Ook in drukwerkland is het links-rechts-fenomeen op te merken. Het opengeslagen tijdschrift heeft altijd een linker- en rechterpagina in het volle zicht van de nieuwsgierige lezer. Veel ontwerpers kennen intuïtief de wetmatigheid dat interesse links beter voelt en begrip rechts. Een artikel opent met een interesse wekkende illustratie en idem titel plaatsen we dan op die linker pagina en aan het einde liefst nog vervolgacties rechtsonder, precies zoals we dat zagen bij de websites. Beschouwen we een tijdschrift van kaft tot kaft dan zou het een verdienstelijke opzet kunnen zijn om te openen met een enthousiasmerend en kunstzinnig voorste deel en af te sluiten met nuchtere opsommingen, uitgebreide agendering en acties die de lezer kan gaan doen.

Boekomslagen

Voor een boekomslag geldt bij Steiner nog een extra regel. Het onderscheid tussen links en rechts wordt hier nog versterkt doordat het boek links tot een eenheid gebonden is en aan de rechterkant geopend wordt. Juist hier blijkt Steiners scherpe blik op hoe dingen concreet en precies functioneren in onze werkelijkheid en wat daarvan dan de consequenties moeten zijn. Dat blijkt ook bij het bijzondere boekje dat ik in handen kreeg in de boekhandel van het Goetheanum. Dit betrof de toekomstroman Vril van de negentiende-eeuwse Britse schrijver Sir Edward Bulwer Lytton. [4] De omslagtekening van de hand van Rudolf Steiner vormt een inleiding op het verhaal en toont met name de figuren die daarin een rol spelen. Deze zijn gericht naar de rechterkant van de omslag: daar kan dit boek immers opengemaakt worden en dus begint daar het verhaal. Rechts onderaan is ruimte vrijgehouden voor de linkerhand om het boek te openen (afbeelding 3).

3. Omslagontwerp Vril (uit Das graphische Werk, afb. 246, p.128).*

Dat de meeste boeken niet uitnodigen om te openen heeft een heel eenvoudige reden. De gangbare en veel gebruikte lettertypen hebben vanuit hun eigen functionaliteit een statische karakteristiek, elke letter is feitelijk ingesloten in een blokje. Vorm je van deze letters een woord, dan maak je daar een balk van. Zo’n letterbalk sluit elke beweging uit tussen de rug en de openingskant van het boek. Voeg je daar dan nog een afbeelding in blokvorm aan toe dan is de blokkade volledig. Nu is het niet zo verwonderlijk dat de letters vrijwel altijd keurig op een rechte lijn staan. Het hele ontwerp- en productieapparaat is daar nu eenmaal omheen gebouwd. Daaraan ontsnappen is vrijwel onmogelijk. Een fraaie en functionele uitzondering die deze regel bevestigt is de welbekende poster van The Sound of Music.
De drukkers waar Steiner in de eerste jaren mee werkte konden waarschijnlijk niet overweg met de combinatie van de gebruikelijke drukletters en Steiners nieuwe ontwerpen. Daarom is Steiner rond 1922 zelf letters aan zijn ontwerpen gaan toevoegen.

Turgenieff

Bij de bouw van het Goetheanum was er een goede samenwerking tussen Rudolf Steiner en grafisch ontwerper Assja Turgenieff. [5]  Vanaf de jaren dertig wordt zij een trouwe medewerker van Marie Steiner bij de uitgave van Steiners werken en voordrachten. Zij ontwikkelt een nieuw letterschrift dat een goede opvolging geeft aan Steiners mogelijke intenties om de lettergestalten mee te betrekken in het kunstzinnige domein.

In afbeelding 4 zien we de door Turgenieff ontworpen omslag van de bundeling van vijf voordrachten van Steiner van oktober 1914 over de Dornacher Bau.

4. Omslag Der Dornacher Bau, ontwerp van Assja Turgenieff.

Hoewel het beeldende motief linksboven vrij klein is, verhoudt het zich tot de letters als een solist tot een orkest en beheerst dit motief door haar vorm zowel de bovenrand als de rug van de hele boekomslag. Het letterschrift beweegt hier in mee. Mooi zijn de grotere letters in het middendeel. Rechtsonder houdt ze onopvallend een kleine ruimte vrij voor de linkerhand om het boek te kunnen openslaan. De in beweging gebrachte letterstijl doorbreekt onze eerder vastgestelde, normale statische letterblokkade. De andere kenmerken van de grafische vormgeving blijven in stand: het systematische en de gedisciplineerdheid. De omslagen van delen uit de Gesamtausgabe bevestigen onze indruk (afbeelding 5).

5. Drie omslagen van delen uit de Gesamtausgabe, ontwerpen van Assja Turgenieff.

Belangrijk is dat het beeldmotief vrij in het vlak is geplaatst, wat we als een basiselement in het grafische werk van Steiner mogen beschouwen. Bedoeld om de geest ruimte en vrijheid te geven in de kunstzinnige ervaring. Een kader zet de geest gevangen. De letters worden in de ruimte rechtsonder geplaatst in een vrije vorm, een prachtige uitvinding van de kunstenaar, helemaal rechtsonder wordt ruimte vrijgelaten voor de vingers van de linkerhand als zij daar landen bij het openen van het boek. Zij mogen daarbij – volgens het gezichtspunt waar dit artikel mee begon – geen letters of cijfers beroeren.

Wat Steiner in een open proces – geleidelijk en schijnbaar pretentieloos – stapsgewijs ontwikkelt, brengt Turgenieff zo tot bloei dat haar ontwerpen in stijl uitnodigen om ons open te stellen voor de spirituele wereld die het boek ontsluit.

Juist in een tijd waarin we overspoeld worden met bewegende, maar oppervlakkige beelden, kunnen we ons afvragen of we nog wel open staan voor de taal van het beeld, voor de dynamiek die zich in beelden uitdrukt. Het is deze kunstzinnige waarneming, deze activiteit van de ziel waar de ontwerpen van Steiner en Turgenieff een beroep op doen. ||

Noten

1 Hedwig Hauck, Handarbeit und Kunstgewerbe., Angaben von Rudolf Steiner für Padagogen und Künstler (1961, Stuttgart), p.46,47.

2 Zie hierover: Walther Roggenkamp en Hildegard Gerbert, Bewegung und Form in der Graphik Rudolf Steiners (1979, Stuttgart).
Werner Teichert, Rudolf Steiner als illustrierender Künstler (1941, Dornach). Rudolf Steiner, Das graphische Werk (2005, Dornach).

3 Rudolf Steiner, Sprachgestaltung und Dramatische Kunst, GA 282, (1981, Dornach), p.197.

*4 Sir Edward Bulwer Lytton, Vril, oder eine Menschheit der Zukunft (1922, Stuttgart).

5 Assja Turgenieff, Erinnerungen an Rudolf Steiner und die Arbeit am ersten Goetheanum (1972, Stuttgart).

Ik vond nog een boek van Howard hierover.

Rudolf Steiner over handvaardigheid

Iets over het thema in vormtekenen

Over organische bouw

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3131-2944

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Maria-Lichtmis (5)

.
Daan Rot, Antroposofisch Magazine december 2019 nr. 16
.

Afsluiter van de reeks winterse lichtfeesten
.
VERLANGEN NAAR DE ZON MET MARIA-LICHTMIS
.

Als na de donkere dagen de lentekriebels weer beginnen op te borrelen, kijken we de bloembollen uit de grond. Her en der piepen er al groene sprietjes en sneeuwklokjes uit de donkere aarde.

Op 2 februari vieren we Maria-Lichtmis.
Ik kende het feest alleen van de processie die ’s morgens vroeg langs ons huis kwam, maar sinds de kinderen naar de vrijeschool gaan vieren we het ook thuis.

Vóór de christelijke viering van Maria-Lichtmis was 2 februari de dag van Vrouw Holle. Vrouw Holle komt voor het eerst voor in de Germaanse mythologie. Zij ontvangt de zielen van de gestorvenen en uit haar bron komen nieuwgeborenen voort.
Het christelijke verhaal vertelt dat Jezus, zoals gebruikelijk was in de Joodse traditie, veertig dagen na zijn geboorte in de tempel werd opgedragen aan God. Maria bracht daarbij een reinigingsoffer. Jezus werd bij deze gebeurtenis herkend als de Christus door de oude Simeon en Hanna. Toen Simeon baby Jezus in zijn armen nam, werd hij door licht omstraald.
In de katholieke kerk worden de kaarsen gezegend voor de mis, tijdens de processie ter ere van Maria worden de kaarsen aangestoken en blijven de hele mis branden, een heuse Lichtmis.

Licht naar buiten

Veertig dagen voor Kerst, met Sint-Maarten, brachten we het licht met onze lantaarns naar binnen. Met Maria-Lichtmis, veertig dagen na Kerst, brengen we het licht van binnen weer naar buiten. We hebben inmiddels weer één uur daglicht extra gewonnen. En kijk eens omhoog, want de hemel is in februari ook echt blauwer door de toegenomen zonnekracht.

Alle restjes van de kaarsen die we in de lichtfeestenperiode tussen Sint-Maarten en Maria-Lichtmis hebben gebrand, hebben we opgespaard. We smelten ze om en vullen walnootdoppen met de gesmolten was. De walnootkaarsjes doen we in een grote schaal met water waar ze in ronddobberen tijdens ons pannenkoekenmaal. Want Maria-Lichtmis is óók pannenkoekenfeest. Pannenkoeken zo rond en goudgeel als de zon waar we zo naar verlangen.

Reinigen

Maar voor we feest gaan vieren, is het tijd voor het grote opruimen van huis en haard.

Februari komt van het Latijnse februare, wat ‘reinigen’ betekent. Zo houden wij dus ook ons eigen reinigingsritueel, ieder ruimt zijn eigen kamer op, de dekens worden gewassen, de ramen gelapt, de haard leeggemaakt, oud papier weggebracht en als laatste een rondje door de tuin. Dan dekken we een feestelijke eettafel en komen alle kaarsen op tafel, met een grote berg pannenkoeken in het midden. Het laatste diner met kaarslicht van deze winter. Na het eten brengen we de kaarsjes naar de tuin voor wat extra warmte en kiemkracht. Het is weer tijd voor wortelen en groeien, plannen en bloeien.

Walnootkaarsjes maken

Nodig:

Restjes kaarsen
Walnoten
Leeg blik
Lont met aluminium voetje:
Hesje
Lege eierdoos

Maak de walnoten voorzichtig open. Als je met een scherp mesje in de achterkant van de walnoot prikt en voorzichtig wrikt, breekt de walnoot precies door de helft open.
Haal de nootjes eruit en bewaar ze voor bij de pannenkoeken.
Zet het lege blik met daarin de restjes kaars in een pan met kokend water en verwarm tot alles gesmolten is.
Zet de walnootdoppen vast in de lege eierdoos.
Doe een lont met aluminium voetje in een halve, lege walnootdop en giet het kaarsvet er voorzichtig in.
Laat het kaarsvet uitharden.

Als je echt veel restjes hebt, is het ook leuk om zelf kaarsjes te trekken. De zelfgetrokken kaarsjes zijn origineel als ‘bijna lente-cadeautje’, of je stopt ze in een mooi doosje met een strik om tegen Sint-Maarten weer open te maken.

Kaarsjes trekken

Nodig:

Oude pan
Hoog, waterdicht blik
Restjes kaars (eventueel aangevuld met bijenwaskorrels]
Lont

Vul de pan tot de helft met water en zet het blik met de restjes kaars erin. Verwarm de was tot deze helemaal gesmolten is.
Zorg dat alles goed stevig staat en blijf er te allen tijde bij. De was is heel heet.

Dompel de lont in de was en wacht tot de was droog is.
Trek de lont voorzichtig recht.
Dompel opnieuw in de was.
Doe dit niet te langzaam, want dan smelt de vorige laag.
Laat de laag weer drogen en herhaal dit tot het kaarsje dik genoeg is.
Snij de onderkant recht af.

Je kunt de kaarsjes extra mooi maken door ze te versieren met gekleurde bijenwas.

Pannenkoeken

Nodig:

250 gram bloem
500 ml melk
2 eieren
Snufje zout
Boter om in te bakken
Kaneel naar smaak

Met een speciale pannenkoekenpan zijn mislukte pannenkoeken verleden tijd.

Maak een luchtig en klontjesvrij beslag.
Zet het beslag, als het uitkomt, afgedekt met een theedoek voor een uurtje op kamertemperatuur weg. Zo breken de pannenkoeken minder snel en worden ze lekker soepel.
Laat de boter smelten en doe een schepje beslag in de pan.
Wacht tot het beslag overal droog is en keer op dat moment de pannenkoek.
Doe een wedstrijdje: wie kan ‘m het hoogst opgooien?
Bak pannenkoeken met appeltjes, rozijnen, spek, kaas enzovoort. 

Daan Rot en Lisa Wade schreven twee toegankelijke boeken over de jaarfeesten, getiteld Het hele jaar feesten
.

Maria-Lichtmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

3130-2943

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Algebra en rekenen in de 7e en 8e klas (5)

.

algebra

In de leerplanbesprekingen van Steiner vinden we in GA 295 aanwijzingen voor de introductie van de algebra aan de hand van renteberekeningen.
In die context is er aan de 6e klas gedacht en ook Caroline von Heydebrand noemt het in haar leerplan ook voor de 6e klas.
In andere artikelen vinden we algebra beschreven voor klas 7 en 8.

Zelf weet ik ook nog heel goed hoe ik aanvankelijk de sprong van een concrete rekenbewerking naar ‘letterrekenen’ niet echt begreep: ik moest er a.h.w. naartoe groeien en ouder wordend verdwenen de moeilijkheden om tot begrip te komen. Je moet er dus ook ‘rijp’ voor zijn.

Over de vergelijking


Elisabeth Klein in ‘Der Elternbrief, nadere gegevens onbekend
.

In blauw heb ik toegevoegd, hier en daar heb ik iets uitvoeriger vertaald.

Eigenlijk kan ieder kind plezier beleven aan rekenen. Allesbepalend is echter de manier waarop ‘het nieuwe’ geïntroduceerd wordt: het kind zou er iets bij moeten ervaren en wel zo dat het voorbeeld, als een soort oer-voorbeeld voor het kind het licht doet opgaan.

Als het leren rekenen met breuken zo gedaan is, dat het blijvend is, komt de algebra dichterbij en daarmee de vergelijking.
Hierbij is een heel belangrijk aspect dat ‘iets’ van de ene kant (van het = gelijkteken) naar de andere kant wordt gebracht.

Om te voorkomen dat de kinderen meteen afhaken, is het belangrijk niet te snel met de letters te komen, maar eerst nog grondig allerlei vergelijkingen met cijfers te maken die de kinderen allemaal moeten beheersen, maar nu nog eens bewuster onder ogen gaan zien. Als iets niet met plezier gedaan gaat worden, heeft het een verlammende werking.
Je kan heel eenvoudig beginnen – in wezen zijn sommen vergelijkingen:

3  +  5  =  8;   3 = 8  –  5; of  5  = 8  –  3;
(Dit zijn sommen uit klas 1 die je daar zo vaak en zo gevarieerd moet hebben gedaan dat de kinderen de antwoorden a.h.w. kunnen dromen of m.a.w. simpelweg uit hun hoofd kennen. Hoofdrekenen i.p.v. veel te veel schriftelijke sommen uit rekenmethodes)

6 X 3 = 18; 18 = 3 X 6; of 18 : 6 = 3; 12 : 4 = 3. Maar 12 = 3 X 4.

Dan kan het uit de kinderen zelf komen: het = gelijkteken is een grens. Wat aan de ene kant en naar de andere gaat, wisselt van rekenteken: plus wordt min, min wordt plus, keer wordt gedeeld door en gedeeld door wordt keer.
Als je daar veel voorbeelden van hebt, kun je de samenvatting maken dat je voor al die verschillende cijfers/getallen simpelweg een letter kan zetten.
Dat weer oefenen: concreet, gevolgd door letters, als vanzelf volgt een keer:

uit bijv.  4 x 3 = 12    en  4 = 12 : 3       a X b = c     a = c : b 

Het is opvallende dat bijna alle kinderen een onbewuste angst hebben voor de bewerking waarbij het getal dat ze kunnen beleven, verwisseld wordt door een letter waarbij er geen beleving meer is. Een belangrijke overgang van een beleving naar een abstractie.
(Er zijn wellicht kinderen die Mr.X kennen; dan krijgt de letter weer meer inhoud en maakt tegelijkertijd duidelijk dat ‘de onbekende’ bestaat, en dat die toch een naam moet hebben)

Dus de introductie van de letters is een heel belangrijk ogenblik. In de vrijescholen gaat dat aan de hand van een concreet iets uit de praktijk van het leven: rekenen met procenten bij rente. 
Veel kinderen hebben moeite met procentberekeningen omdat ze het woord ‘pro cent’ niet goed kunnen duiden. Daarmee moeten ze eerst echt vertrouwd zijn. Je kan er niet genoeg op hameren dat pro  cent betekent ‘per 100’.
6% rente betekent: 100 euro geven 6 euro rente; 200: 12, want: 2 x 6.

Heel belangrijk is weer goed te oefenen hoe vaak 100 in een getal zit. Bij 4000 is dat 40, bij 700.000 is het 700 enz.
En dan: hoeveel rente bij 6% als je 4000 euro hebt. Nu, daar zitten 40 ‘honderden’ in    4000 = 40,  dus 40 x 6  = 240; 
                                100
Kan je het nu anders schrijven: 4000 X  6 =  240 X 100 of  6 = 240 X 100
                                                                                                       4000

Pas wanneer deze gang van zaken met overzichtelijke getallen vertrouwd is, zeg je: we gaan het nu simpeler doen, we gaan e.e.a., in een formule zetten.
We geven het kapitaal de letter K, de rente de letter R en de procenten de letter P.
En steeds geldt: K x P = R      
                               100
Het kan ook omgekeerd:  R = K x P
                                                  100

Dan vind je ook: K = R x 100     en P =  R x 100
                                    P                              K

Als dat dan allemaal duidelijk is, begint het denkproces.
Er zijn dus 3 basissommen waarmee je rente- en procentberekeningen kan maken.
1.Hoeveel rente brengt een kapitaal van 4000 euro op tegen een percentage van 6%:   4000 x 6 = 240
               100

2. Hoe groot is het kapitaal dat bij 6%  240 euro rente oplevert? Met de formule: 
K = 240 x 100 = 4000
               6
Het denkproces: zo vaak in 240  6% rente zit, zo vaak zit in het kapitaal 100 euro.
3. Een laatste vorm, hoewel die in de praktijk n iet vaak voorkomt: Tegen hoerveel procent brengt een kapitaal van 4000 euro 240 euro aan rente op?
Met de formule  P = 240 x 100 = 6
                                           4000
Eigenlijk is de opgave dus: hoeveel euro werd per 100 gegeven, als 4000 euro 240euro rente oplevert. In 4000 zitten 40 x 100, dus 240: 40 = 6 

Pas als ook deze berekeningen door het kind goed begrepen worden, kun je er met de fomules lustig op los rekenen. 
Maar zo eenvoudig als het klinkt: wanneer je hier een deel weglaat, heb je de zaak niet vol overzichtelijk opgebouwd en daar krijg je later altijd problemen mee.

Tekstvergelijkingen

In de algebra hebben de tekstvergelijkingen een grote magie om zich heen. Hier is het vooral belangrijk dat de tekstvergelijking met een voorbeeld overzichtelijk moet worden gemaakt en door de kinderen volledig begrepen.

Bij het rekenen met breuken is er een eerste kans dat kinderen daar tekortschieten. En rekenen is een bouwwerk dat instort als er een steen ontbreekt. De overstap van getal naar letter en de vergelijkingen zijn een tweede mogelijkheid waarop het mis kan gaan.

Elisabeth Klein slaat nu – ze zegt het zelf – een stap over, omdat ze niet alles aan de orde kan stellen en ze behandelt hier een vergelijking met 2 onbekenden.

Ze heeft gezocht naar zinvolle opgaven.
We kunnen ons herinnerd voelen aan opmerkingen van Steiner dat er in de rekenboekjes (van toen, maar nu vandaag de dag nog steeds) sommen gegeven worden die absoluut buiten het leven staan. Bijv. de sommen waarbij een gemiddelde leeftijd gevonden moet worden. 

Veel van de vergelijkingssommen die je via tekst moet oplossen, beschrijven situaties die eigenlijk niet voorkomen, soms niet kunnen voorkomen en in andere gevallen duidelijk opgevoerd worden ter wille van het abstracte denken.
In dit artikel bijv.:

Hans en Frits hoeden schapen. Hans zegt tegen Frits:  ‘Geef mij een van jouw schapen, dan heb ik er dubbel zoveel als jij.’ Frits zegt: ‘Nee, geef mij er liever een van jou, dan hebben we er allebei evenveel.’
Hoeveel schapen heeft elk of Hans of Frits.

Als ik zelf dit soort sommen moet oplossen, moet ik met veel aandacht lezen, het me goed voorstellen. Ik denk dat dit ook voor de meeste leerlingen geldt. Dus vóór je begint met rekenen, moet je eerst zeker weten of ieder kind de tekst ook snapt. 
Laat bijv. 2 kinderen voor de klas Hans en Frits zijn die – nadat de som door ieder is gelezen – de vragen aan elkaar stellen. Dan komt de probleemstelling dieper te zitten en zie je al meer.

Klein wijst erop dat duidelijk schrijven ook een voorwaarde is.

Dus: Hans heeft X schapen
Frits heeft Y schapen. 

Nu komt er voor de kinderen iets moeilijks, want ze moeten door getallen en letters iets tot uitdrukking brengen. Dat lukt beter naarmate je het probleem helder ziet. 
Frits zegt eigenlijk: zijn schapen + 1  staat gelijk aan de schapen van Hans – 1, dus
Y + 1 = X – 1

Bij Hans is het al moeilijker: geef mij 1 schaap, dan heb ik er 2x zoveel als jij, dus Frits – 1  is Y -1 en dat staat gelijk aan 2x wat Hans heeft, dus Hans heeft 2 keer Y-1

Dat moet duidelijk bij of onder elkaar staan:
verg. 1:   Y + 1 = X – 1 = 
verg. 2:   X + 1 = 2(Y + 1)

De leerlingen moeten al geleerd hebben hoe je zo’n vermenigvuldiging schrijft:  

Dan kun je schrijven:
X + 1 = 2Y + 2

In vergelijking 1 gaan we Y nader bepalen: = Y = X – 1 -1, dus Y = X -2 of 
X = Y + 2
Dat voegen we in vergelijking 2:
Y + 2 + 1 = 2Y – 2, omgekeerd: 2Y – 2 = Y + 3, of 2Y – Y = 3 + 2. 
Y = 5; X = Y + 2, X = 7

Hans heeft dus 7 schapen en Frits 5. Geeft Frits er een aan Hans: Hans 8, Frits 4; geeft Hans er een aan Frits: Hans 6, Frits 6. 

De kinderen begrijpen het pas, als ze zelf eenvoudige sommen kunnen bedenken! De vergelijking moet gevoeld worden en de overgang van vergelijking naar tekst moet inleefbaar zijn. 

We kunnen nooit helemaal uitsluiten dat bepaalde kinderen problemen hebben met rekenen en andere niet. Maar een groot deel van de problemen kan worden opgelost, als alle overgangen, vooral bij de breuken, en bij van cijfer naar letter, en de vergelijking, op een tastbare manier worden uitgevoerd aan de hand van een eenvoudig voorbeeld.
.

Algebra en rekenen: alle artikelen, waaronder meer die bovenstaand onderwerp behandelen

7e klas: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

3129-2942

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschoolonderwijs doen? (1-7)

.

HET IMPONDERABELE

Vlinder en ziel

In zijn publicatie ‘Antroposofie doen?’ besteedt de auteur, Jesse Mulder, ook aandacht aan de vrijeschool: ‘Vrijeschoolonderwijs doen? 

In dit artikel kwamen zijn gedachten naar voren.

Nadat Mulder een hypothetische leerkracht heeft opgevoerd om duidelijk te maken dat het niet moeilijk is om aspecten van het vrijeschoolonderwijs ook toe te passen in niet-vrijeschoolonderwijs, stelt hij de vraag of er in dit geval ‘antroposofie gedaan’ wordt of niet:

‘Twee mensen kunnen precies dezelfde vertelstof in hun basisschoolklas hanteren, de verhalen misschien zelfs wel met eenzelfde enthousiasme vertellen. Maar toch is daarmee wat er ‘gedaan’ wordt niet in beide gevallen hetzelfde – niet in beide gevallen wordt er antroposofie gedaan.’

In verschillende pedagogische voordrachten bespreekt Steiner dit verschijnsel.
Dat doet hij bijna altijd met ‘de vlinder en de menselijke ziel’.

Toen ik zijn opmerkingen op me in liet werken, kreeg ik langzamerhand het gevoel dat er een appel werd gedaan op mijn moraliteit: hoe eerlijk ben je in wat je vertelt. Spel je het kind wat (iets moois) op de mouw, of is het jouw innerlijke eigendom. Hoe integer ben je. Hoe oprecht.
En dat – aldus Steiner – voelen de kinderen (en zij niet alleen).
Hij noemt wat zich op dit terrein tussen kind en oudere afspeelt het imponderabele, de onweegbare zaken.

Mulder zegt dan: ‘Zo beschouwd ligt de volgende conclusie nu voor de hand: Om te bepalen of ergens antroposofie gedaan wordt, is het niet voldoende om te bekijken wat er gedaan wordt; we moeten veeleer kijken naar waarom dat gedaan wordt.’

Maar daar zou ik nog aan toe willen voegen: HOE – met welke intentie – wordt het gedaan.

Steiner:

GA 298      gedeeltelijk vertaald

Stuttgart, 07-09-1919

Ansprache Rudolf Steiners bei der Eröffnung der
Freien Waldorf schule
Toespraak bij de opening van de Waldorfschool

Blz. 30

Nur diejenige Erziehungs- und Unterrichtskunst aber kann fruchtbar sein, durch die der Lehrer von dem Momente an, wo er das Schulzimmer betritt, auf das Kind wirkt wie aus einem einheitlichen Empfinden heraus. Eins muß sein Kindesseele und Lehrerseele durch ein unterbewußtes geheimnisvolles Band, das vom Lehrergeist übergeht in den Kindergeist. Das gibt der Schule ihr soziales Gepräge. Dazu muß der Lehrer fähig sein, in das Kind sich wirklich
hineinzuversetzen. Was tun wir heute oftmals? Ja, wir bemühen uns, unser Denken in solche Formen zu bringen, daß wir dem Kinde etwas erklären können. Wir sagen vielleicht dem Kinde: Sieh einmal, hier hast

Maar alleen die kunst van het opvoeden en lesgeven kan vruchtbaar zijn, waardoor de leraar vanaf het ogenblijk waarop hij de klas binnenkomt, op het kind werkt als was zijn gevoel met dat van het kind één. De ziel van het kind en die van de leerkracht moet een eenheid zijn door een onderbewuste geheimzinnige band, die vanuit de mentale stemming overvloeit naar het kind. Dat geeft de school haar sociale gezicht. Daarvoor moet de leerkracht zich echt kunnen inleven in het kind. Wat doen we tegenwoordig vaak? Ja, we proberen ons denken in zulke vormen te gieten dat we iets aan het kind kunnen overbrengen. We zouden tegen het kind kunnen zeggen: Kijk, hier heb je

Blz. 31

du eine Puppe, aus der wird ein Schmetterling herauskommen. Man zeigt ihm vielleicht den Schmetterling und die Puppe, vielleicht auch, wie das eine sich aus dem anderen entwickelt. Dann sagt man ihm weiter vielleicht: Deine unsterbliche Seele ruht in deinem Leibe wie der Schmetterling in der Puppe. Und so wie der Schmetterling die Puppe verläßt, so wird deine unsterbliche Seele einmal den Leib verlassen, wenn du durch des Todes Pforte gehst. – Man hat sich ein Naturbild ausgedacht, um etwas an diesem Bilde dem Kinde klarzumachen; aber man ist sich bewußt, daß man nur einen Vergleich gebraucht hat, daß man die ganze Sache ja auf eine andere Art weiß. Man hat sich angestrengt, für das Kind etwas zurechtzurichten. Aber es gibt ein geheimnisvolles Gesetz, wonach man, wenn man so die Dinge zurechtrichtet, nichts richtig im Unterricht erreichen kann. Denn man kann wirklich nur das auf das Kind übertragen, woran man selbst glaubt aus tiefster Seele heraus. Erst wenn man sich dazu durchgerungen hat, zu empfinden, daß in dem Bilde von Puppe und Schmetterling nicht ein äußerlich zusammengeschusterter Vergleich gegeben ist, sondern ein solcher, den uns die göttlich-geistige Natur selber hinstellt,

een cocon, daar zal een vlinder uitkomen. Misschien laat je een vlinder en de cocon zien, misschien ook hoe het een uit het ander verschijnt. Dan zeg je verder misschien: je onsterfelijke ziel rust in je lichaam zoals de vlinder in de pop. En zoals de vlinder de pop verlaat, zo zal eenmaal je onsterfelijke ziel je lichaam verlaten, wanneer je door de poort van de dood gaat. 
Dan heb je een natuurbeeld bedacht om iets met dit beeld aan het kind uit te leggen; maar je bent je bewust dat je maar een vergelijking hebt gebruikt, dat je de hele gebeurtenis op een andere manier kent. Je hebt je best gedaan om voor het kind een en ander duidelijk te maken. 
Maar er is een mysterieuze wet die bepaalt, dat als je dingen op deze manier aankaart, in de klas niets goeds kan bereiken. Want alleen dat kan je echt op het kind overbrengen, waarin je zelf gelooft. Pas wanneer je jezelf zover gebracht hebt, dat je beleeft dat er in het beeld van de pop en de vlinder niet een uiterlijk bij elkaar geharkte vergelijking gegeven is, maar een die ons de goddelijk-geestelijke natuur zelf toont,

in dem Augenblick, wo wir glauben können an die Wahrheit des Bildes, wie das Kind daran glauben soll, in dem Augenblick erst gelingt es uns, lebendigen Geist auf das Kind zu übertragen. Wir müssen sprechen, wir müssen wirken können aus dem Geiste der Wahrheit heraus. Wir dürfen niemals aus dem heraus wirken, was heute in der Kulturentwickelung eine so große Rolle spielt: aus dem Geiste der Phrase heraus. Das können wir nur, wenn wir verbunden sind, innerlichst verbunden sind mit allem Menschlichen; wenn wir aufgehen können, noch wenn wir die allerweißesten Haare schon erlangt haben, in dem, was der werdende Mensch seinem Wesen nach ist. Innerlich müssen wir verstehen können den werdenden Menschen.

op het ogenblik waarop wij in de waarheid van het beeld kunnen geloven, zoals het kind erin moet geloven, op dat ogenblik lukt het ons pas, een levende geest op het kind over te brengen. We moeten kunnen spreken, kunnen werken vanuit de geest van de waarheid. Nooit mogen we werken vanuit wat in de ontwikkeling van de cultuur zo’n grote rol speelt: uit de geest van de frase. Dat kunnen we alleen, wanneer we verbonden zijn, innerlijk het diepst verbonden met al het menselijke; wanneer we kunnen opgaan, ook al zijn we zilverwit grijs geworden, in wat de wordende mens wat zijn wezen betreft, is. Innerlijk moeten we de wordende mens kunnen begrijpen.
GA 298/30-31
Niet vertaald

Meer over ‘het imponderabele’ in de artikelen over autoriteit

Vrijeschoolonderwijs doen? Alle plaatsen in de ped. voordrachten waarin Steiner over het imponderabele spreekt i.v.m. ‘vlinder en onsterfelijke ziel’.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3128-2941

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ahriman in het onderwijs (7-3/3)

.

 

Wie zich verdiept in het werk van Steiner – of het nu het geschreven werk is of in wat hij met zijn voordrachten bracht – het begrip ‘Ahriman’ komt – meestal in één adem met ‘Lucifer’ – veelvuldig voor.

Op deze blog gaat het om de pedagogische achtergronden van het vrijeschoolonderwijs. En omdat de menskundige achtergronden wortelen in het antroposofisch mensbeeld zou je kunnen verwachten dat ook in de pedagogische voordrachten over Ahriman (en Lucifer) wordt gesproken.

En dat is inderdaad zo: in bepaalde voordrachten roert Steiner het onderwerp aan.
Wat hij daarover zegt, zal op deze blog worden weergegeven.

Voor wie dit onderwerp ( bijna) nieuw is, is dit artikel  (1) een inleiding tot meer begrip en in dit artikel  (2) is o.a. sprake van ‘kunstmatige intelligentie’, 

Als leerkrachten/opvoeders krijgen wij te maken met wat ‘de tijd’ met zich meebrengt. 
Nu is ‘de tijd’ maar een heel abstract begrip. Als we echter daarbij aan ‘de tijdgeest’ denken, zoals dat in artikel (2 – zie boven) wordt gedaan, kunnen we in de kunstmatige intelligentie dus een inspiratie zien van de ahrimanische tijdgeest.
Die herkennen, leren kennen en doorzien is een van onze eerste opdrachten.

Ook in de vergaderingen met leraren (GA 300 A -C) komt Ahriman ter sprake.GA 300BGA 300C

GA 300A

Vergadering van 9 juni 1920

Blz. 130

X. fragt nach der Wesenheit Allahs.

Dr. Steiner: Es ist schwer, die übersinnlichen Wesen zu charakterisieren, indem man sie einregistriert.
Der Mohammedanismus ist die erste ahrimanische Manifestation, die
erste ahrimanische Offenbarung nach dem Mysterium von Golgatha.
Der Gott Mohammeds, Allah, Eloha, ist ein ahrimanischer Abklatsch oder Abglanz der elohistischen Wesenheiten, der Elohim, aber
monotheistisch erfaßt. Er bezeichnet sie immer in einer Einheit. Die
mohammedanische Kultur ist ahrimanisch, aber die Gemütsverfassung der Islamiten ist luziferisch.

X vraagt naar het wezen Allah

Steiner: Het is moeilijk om bovenzintuiglijke wezens te karakteriseren door ze ergens te willen indelen.
Het mohammedanisme is de eerste ahrimanische manifestatie, de eerste ahrimanische openbaring na het mysterie van Golgotha. De god van Mohammed, Allah, Eloha, is een ahrimanische [Duits heeft hier Abklatsch, dat een negatieve inhoud heeft, in de vorm van ‘slechte imitatie, surrogaat, wat dan nog eens klinkt met Abglanz, o.a. ‘armzalige rest’, weerspiegeling zoals het licht van de maan: geen echt licht, maar weerkaatst zonnelicht] van elohistische wezens [de Elohim], maar monotheïstisch opgevat. Het mohammedanisme ziet ze steeds als eenheid [In GA 122vertaald – zegt Steiner dat er in het Bijbelse scheppingsverhaal niet staat dat God de wereld schiep, maar de goden – dat zijn de 7 Elohim; een ervan ‘wordt’ later Jahve].
De mohammedaanse cultuur is ahrimanisch, maar de zielenconstellatie van de islamieten is luciferisch.

Ahriman, ahrimanisch komt in de GA nog tweemaal voor:

In dezelfde vergadering als boven vraagt iemand naar ‘Bafomet’.
Dat is volgens Steiner een ahrimanisch wezen.
Deze mededeling heeft verder niets met het onderwijs te maken.
GA 300A/130
Niet vertaald

In de vergadering van 24-07-1920 houdt Steiner als inleiding min of meer een pedagogische voordracht – die zal op deze blog vertaald worden – nog niet oproepbaar. Daarin wordt het materialisme in verband gebracht net Ahriman.
GA 300A/162
Niet vertaald

In de vergadering van 22-11-1920 gaat Steiner langer in op de toestand van de maatschappij waarin de Waldorfschool dan functioneert. Het gaat dan ook over de driegeleding van het sociale leven. Steiner signaleert pogingen om de maatschappij te hervormen, maar noemt deze ahrimanisch.
GA 300A/ 251
Niet vertaald

GA 300B

Vergadering van 16-11-1921

Blz. 53

In deze vergadering wordt door iemand een vraag gesteld. De vraag zelf is niet afgedrukt, maar moet wel over stenografie zijn gegaan, want Steiner antwoordt:

Dr. Steiner: Stenographie sollte man lernen wie im Schlafe, ohne besondere Konzentration. Daß man überhaupt Stenographie lernt, ist im Grunde eine Barbarei, der Gipfel des Ahrimanismus. Daher wäre es ideal, Stenographie wie im Schlafe zu lernen. Da man das nicht kann, so ist es von großer Bedeutung, daß man es ganz verfuselt, wie wenn gar nicht darauf konzentriert würde, daß es gelernt würde. Weil es Unfug ist. Es ist ein Kulturunfug, daß stenographiert
wird.

Je zou stenografie moeten leren alsof je slaapt, zonder speciale concentratie. Het feit dat je überhaupt stenografie leert is in wezen barbarij, het toppunt van ahrimanisme. Daarom zou het ideaal zijn om steno te leren alsof je slaapt. Omdat dat dit niet kan, is het heel belangrijk dat je het helemaal vergeet, alsof je je er helemaal niet op concentreert om het te leren. Omdat het onzin is. Het is culturele onzin dat steno wordt gebruikt.
GA 300B/53
Niet vertaald

Tegen de achtergrond van wat Steiner over Ahriman opmerkte in GA 296, is nog wel te begrijpen dat steno, als een vorm van intelligente/intellectualistische tekstverwerking beschouwd kan worden. 
Een opmerkelijke gedachte zou kunnen zijn, dat wanneer Steiner dit werkelijk diep gemeend zou hebben, hij toch niet zou hebben toegelaten dat zijn voordrachten werden gestenografeerd!

GA 300C

Vergadering 05-02-1924

Steiner houdt in deze vergadering een lang betoog over de relatie Waldorfschool-Antroposofische Vereniging en dan komt het op zeker ogenblik over bepaalde tijdsfenomenen:

Blz. 113

Es ist ja wunderbar, wie wenig gedankenvoll die Menschheit heute ist, so daß sie die wichtigsten Symptome gedankenlos vorbeigehen läßt. Daß mit einer jahrhundertealten Tradition jetzt in England gebrochen worden ist durch das System Macdonald, das ist etwas so Einschneidendes, das ist wirklich etwas so Bedeutungsvolles, daß es ganz wunderbar ist, daß die Welt so etwas nicht bemerkt. Auf der anderen Seite sollte wiederum auf anthroposophischer Seite gut bemerkt werden, wie die äußeren Ereignisse deutlich zeigen, daß jenes Zeitalter aufgehört hat, dessen Geschichte bloß vom physischen Plan aus geschrieben werden kann. Wir müssen uns klar sein, daß die ahrimanischen Mächte überall immer mehr Einbruch halten in das geschichtliche Werden.

Het is wonderbaarlijk hoe weinig de mensen tegenwoordig diep nadenken, zo erg zelfs dat ze de belangrijkste symptomen voorbij laten gaan zonder na te denken. Het feit dat in Engeland nu een eeuwenoude traditie doorbroken is door het Macdonald-systeem is zo ingrijpend, werkelijk zo veelbetekenend dat het eigenlijk wonderbaarlijk is dat de wereld zoiets niet opmerkt. Aan de andere kant moet men aan de antroposofische kant goed opmerken hoe externe gebeurtenissen duidelijk aantonen dat het tijdperk waarvan de geschiedenis alleen vanuit het fysieke vlak kan worden geschreven, is geëindigd. Het moet duidelijk zijn dat de ahrimanische machten overal steeds meer ingrijpen in de historische ontwikkeling.

En uit het vervolg blijkt dat dit dan zo’n ingreep zou zijn geweest:

Zwei leitende Persönlichkeiten, Wilson und Lenin, sind unter den gleichen Krankheitssymptomen gestorben, beide an Paralyse, das heißt, beide boten ein Tor für die ahrimanischen Mächte. Diese Dinge zeigen doch, daß die Weltgeschichte aufhört, Erdengeschichte zu sein, sondern anfängt, eine kosmische Geschichte zu werden.

Twee leidende figuren, Wilson en Lenin, stierven met dezelfde symptomen, beiden door verlamming, dat wil zeggen, beiden boden een toegangspoort voor de ahrimanische machten. Deze dingen laten toch zien dat de wereldgeschiedenis ophoudt een aardse geschiedenis te zijn, maar begint een kosmische geschiedenis te worden.
GA 300C/113-114
Niet vertaald

Ahriman in het onderwijsalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3127-2940

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 302/2)

.

Wanneer Steiner over handvaardigheid spreekt, gaat het enerzijds om de samenhang tussen het bewegen van de handen, de vingers en de ontwikkeling van het denken, anderzijds over ‘kunstzinnigheid’. O.a. in GA 294300A304307.
De stoel die wordt gemaakt, zou zo kunstzinnig moeten zijn dat deze tot zitten uitnodigt.
In GA 302 komt zoiets ter sprake voor een kussen om op te slapen.

Blz. 70 vert. 69/70

Denn gegenwärtig liegt es ein bißchen schon in der Artung, daß die Kinder im Handarbeitsunterricht vieles verkehrt machen. Man kann nach dieser Richtung hin ganz besonders günstig wirken. Ich habe es doch gleich bemerkt, wie die Kinder bei uns in Dornach Kissen gestickt haben, kleine Polster, auf die das und das darauf gemacht wird. Man müßte dafür sorgen, daß das wirklich Kissen werden. Es ist doch kein Kissen, wenn man auf ein Pölsterchen etwas Beliebiges darauf stickt. Man muß es dem darauf Gestickten ansehen, daß man sich darauf legen kann, daß sich ein Ohr darauf legen kann. Die Kinder scheinen ganz besonders solche Hauben, die man auf Tee- und Kaffeekannen setzt, gerne zu machen. Aber sie müssen das dann so machen, daß das auch darauf eingerichtet ist. Wenn ich es unten aufmache, so muß das, was ich mit den Händen ausführe, sich in der Zeichnung fortsetzen. Ich muß der Zeichnung ansehen, daß es da aufgemacht werden muß. Das Kind ist durch die Verhältnisse so verdorben, daß es da unten, wo es aufgemacht werden soll, eine Zeichnung hinmacht, die so geht:

Het zit een beetje in de aard van onze tijd dat de kinderen in het handwerkonderwijs* veel verkeerd doen. We kunnen in deze richting een bijzonder gunstige invloed uitoefenen. Het is me direct opgevallen hoe de kinderen bij ons in Dornach kussens genaaid hebben, kleine kussentjes, waarop dan dit of dat is aangebracht. Je moet er voor zorgen dat het werkelijk hoofdkussens worden. Als je op een kussentje iets willekeurigs naait, is het toch geen hoofdkussen. Aan wat erop genaaid is moet je kunnen zien dat je erop kunt gaan liggen, dat je er met een oor op liggen kunt. De kinderen blijken vooral graag koffie- of theemutsen te maken. Maar die moeten ze dan wel zo maken dat ze in overeenstemming zijn met het gebruik. Als ik hem van onderen geopend maak, dan moet zich dat wat ik met mijn handen uitvoer, in de tekening voortzetten. Ik moet aan de tekening zien dat het daar open gemaakt moet worden. De kinderen zijn in dit opzicht zó bedorven dat ze aan de onderkant, waar de opening zit, zo’n soort tekening maken:

Ja, das ist ja verkehrt. Man muß der Zeichnung ansehen, wo aufgemacht wird und wo zu ist, wo man nicht aufmachen kann. Ebenso ist es notwendig, daß das Kind wird unterscheiden lernen müssen, daß etwas, was um den Hals genommen wird, wenn es mit Bändchen benäht wird, so sein muß, daß das nach unten weiter wird und nach oben schmäler. Wenn ein Gürtel gemacht wird, so muß man es dem gleich ansehen, daß er sich nach beiden Seiten zugleich öffnet, daß in der

Dat is natuurlijk verkeerd. Aan het motief moet je kunnen zien waar je de muts opent en waar die dicht is, waar je die niet kunt openen.
Zo is het ook nodig dat de kinderen leren onderscheiden dat als iets wat je om je hals draagt, met band wordt versierd, het naar onderen toe breder en naar boven toe smaller moet worden. Als je een ceintuur maakt, dan moet je daar direct aan kunnen zien dat die naar twee kanten tegelijk open gaat doordat de tekening in het

Blz. 71  vert. 70/71

Mitte die Zeichnung am breitesten ist. Es ist so, daß die Kinder sich überall in die Formen hineinfinden sollen.
Gerade da kann ungeheuer viel bewirkt werden, und dabei erreichen Sie nur etwas, wenn Sie wirklich nicht auf das Auge hin arbeiten, sondern wenn Sie das im Gefühl erzeugen. Sie müssen das im Gefühl erzeugen, daß das Kind die Zeichnung so haben will, daß es gewissermaßen fühlt: es macht das unten auseinander und es drückt von oben, es strebt von oben nach unten. Man muß das ins Gefühl verwandeln; man muß in die Hand hineinbringen, was auch mit der Hand gearbeitet werden soll. Im Grund genommen ist der Mensch auch dabei durchaus ganz beteiligt mit seinem Wesen, und er denkt mit dem ganzen Leibe. Man muß also durchaus versuchen, daß da die Dinge gefühlt werden. Im Handarbeitsunterricht muß auf das Gefühl hingearbeitet werden. Es muß gewissermaßen das Kind, wenn es eine Ecke sticken soll, das Gefühl haben: Die Ecke muß so gestickt werden, daß ich, wenn ich dahinterfahre, nicht durch kann. – Wenn es anders ist, wenn man durch kann, dann muß dazu etwas gehören, dem man eben ansieht: da kann man durch. So muß es schon geniacht werden. Da kann der Handarbeitslehrer schon sagen: Ich mache die Sache so, indem ich gerade an der geistigen Betätigung des Kindes ganz besonders betätigt bin. Es braucht sich niemand durch irgendeine Partie des Unterrichtes zurückgesetzt fühlen.

midden het breedst is. Overal moeten de kinderen aan de vormen leren wennen.
Juist daarbij kan ongelooflijk veel worden bereikt. U bereikt echter pas iets als u niet alleen ‘op het oog’ werkt, maar als u dat in het gevoel van de kinderen laat ontstaan. U moet de kinderen stimuleren in het gevoel de tekening zó te willen hebben dat hij van onder uit elkaar gaat en van boven samengedrukt wordt, dat hij een beweging maakt van boven naar onder. Je moet dat omzetten in gevoel; je moet in de handen leggen wat met diezelfde handen moet worden gemaakt. In feite neemt de mens ook hieraan met zijn totale wezen deel en denkt hij met zijn hele lichaam. Dus moeten we er absoluut naar streven het gevoel bij de zaak te betrekken. Bij het handwerken moet het gevoel bij het werk betrokken worden. Als een kind een hoek moet naaien, moet het als het ware het gevoel hebben: die hoek moet zo zijn, als ik daar rijdt, dat ik er niet dóór kan. – Als het anders is, als je ergens wel dóór kunt, dan moet er iets zijn waaraan je kunt zien: daar kun je dóór. Zo moet het gemaakt worden. Dan kan de handwerkleerkracht zeggen: ik ga zó te werk omdat ik vooral sterk met de geestelijke activiteiten van de kinderen bezig ben. Niemand behoeft zich door zijn betreffende vakgebied achtergesteld te voelen.
GA 302/70-71
Vertaald/69-71

Ik heb nooit handwerken gegeven en me daarom ook nooit beziggehouden met Steiners aanwijzingen.
Nu ik zo zijn opmerkingen bij elkaar zet, rijzen er wel wat vragen, m.n. t.a.v. ‘het kunstzinnige’.

Want als hij ons stimuleert om bij de kinderen een bepaalde kunstzinnigheid te ontwikkelen, een kunstzinnig gevoel, zou ik, gelet op zijn opmerkingen over de theemuts hierboven, bijv. bij een fluitenzak wel kunnen denken aan: daar moet iets in, met een bepaalde beweging van boven naar beneden of eruit, omgekeerd.
Uiteraard heeft de zak al de vorm van de fluit. Die beweging van erin – naar de afgeslotenheid – of eruit: naar ‘het licht’, wordt hier – ik ben maar een leek – voor mijn gevoel mooi kunstzinnig verwerkt:

Met name de linker volgt dit motief heel mooi.

Dat vind ik bij de linker veel minder aanwezig; de rechter gaat ook van licht naar donker, maar de horizontale banden roepen niet het gevoel op dat daar iets in moet glijden.

Hier lijk je wel iets terug te zien van wat ik hierboven noem, individueel door de kinderen verwerkt.
Want dat is ook nog een vraag, denk ik, hoe voorkom je dat alles hetzelfde wordt, hoe krijg je de kinderen mee in wat dan kunstzinnigheid is, t.o. bijv. hun willekeurig gekozen kleuren. 

Dit tasje geeft door de versiering aan dat het boven open gaat – ik denk, in de zin die Steiner hierboven bedoelt.

Een motief individueel verwerkt.

Motief, nu geborduurd. (verzorgd uitgestald met de bijpassende ondergrond)

Hier ondersteunt de versiering niet de functie van de tas die boven opengaat.

En de muts – als naar boven afsluitends – benadrukt dit afsluiten hier door een donkerder kleur.

Het motief van de afbeelding hierboven lijkt mij hier niet gelden; maar welk motief dan om de onderrand ‘zwaar’ te maken?

En wat kan een motief voor sokken zijn?

*handwerkonderwijs: zie hiervoor
‘Künstlerische Handarbeiten nach Richtlinien und Entwürfen Rudolf Steiners’ von Luise van Blommestein, Dornach 1934; [geen gegevens kunnen vinden]
Handarbeit und Kunstgewerbe. Angaben von Rudolf Steiner’, samengesteld door Hedwig Hauck, uitgeverij Freies Geistesleben, Stuttgart 1969.

De verborgen kwaliteiten van handwerken -Conny de Heer

Rudolf Steiner over handvaardigheid

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3126-2939

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf (GA 88)

.

Uit de voordrachten
GA 34    GA 52    GA 53   GA 54   GA 55   GA 56   GA 57    GA 58    GA 59   GA 88
nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam. Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit
GA 34   GA 52    GA 53   GA 54   GA 55   GA 56   GA 57   GA 58   GA 59
over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.

In deze artikelen vind je opmerkingen over het astraallijf:
GA 34   GA 52   GA 53   GA 54   GA 55   GA 56   GA 57   GA 58   GA 59

Over de astrale wereld

In GA 88, voordracht 1, benadert Steiner de mens meer vanuit ‘de wereld’: voor het fysieke lichaam vanuit de fysieke wereld; voor het astraallijf vanuit de astrale wereld. Daar komen we weer de begrippen ‘lust’ en ‘onlust’ tegen, maar we weten inmiddels dat het om ook andere gevoelens gaat, zoals je hier verder uitgewerkt vindt, doordat er verschillende vertalingen van zijn gegeven.

We worden dus geconfronteerd met een wereld die in ons werkzaam is, maar ook een die zich, zoals de fysieke wereld, om ons heen bevindt, maar die wij – als niet begiftigd met vermogens om het bovenzinnelijke te kunnen waarnemen – niet kunnen zien.

Vaak haalt Steiner de filosoof Fichte aan, die de mens, die niet in de ‘andere’ werelden kan kijken, vergelijkt met iemand die blind is en dus de hem omringende wereld niet kan zien, maar die dat wél kan, nadat hij is geopereerd aan zijn ogen. De mensen die al konden zien, a.h.w. ‘zieners’ waren, konden aan deze blinde mededelingen doen over wat deze blinde mens zelf niet kon zien, maar wél begrijpen kon.
Zo geeft Steiner ons dus oefeningen om ook ‘ziende’ te kunnen worden in die wereld waarvoor we nu blind zijn en tegelijkertijd doet hij er zelf mededelingen over die wij kunnen begrijpen, of wellicht ook niet of niet zo makkelijk.
Zo bijv.  GA 10  Vertaald: De weg tot inzicht in hogere werelden‘   

Aan het begin van voordracht 1 maakt hij een andere vergelijking – wellicht ervaar je dat als enigszins kleinerend – d.w.z. ik voel me wel wat vergeleken met die slak:

GA 88

Über die astrale Welt und das Devachan
Over de astrale en de mentale wereld

Voordracht 1, Berlijn 28 oktober 1903

Das Mysterium von Geburt und Tod
Het mysterieuze van de geboorte en de dood

Blz. 19

Wenn eine Schnecke durch einen Saal kriechen würde, in dem Beethovens Neunte Symphonie gespielt wird, so vernähme die Schnecke wohl nichts von alle dem, wovon die Menschen, die in demselben Saale sich befinden, in die schönsten Empfindungen versetzt werden. Die Töne der Symphonie drücken sich in den Luftwellen des Saales aus, diese Luftwellen verbreiten sich nach allen Seiten; sie sind der äußere Ausdruck des herrlichen Tonzusammenzuhanges. Dieser Tonzusammenhang geht durch den Organismus der Schnecke ebenso wie durch den Organismus des Menschen. In den Menschen ruft er Empfindungen der höchsten Art hervor, die Schnecke bleibt davon unberührt. Sie ist in demselben Medium, in demselben schwingenden Tongewoge darin wie der Mensch, sie weiß aber nichts von dem, was um sie her vorgeht. Eine Welt ist um sie herum, und sie ist in dieser Welt, sie hat aber keine Ahnung von dieser Welt. Und dennoch, diese Welt des Tongewoges ist nicht an einem anderen Ort, an dem sich die Schnecke nicht befindet, sondern an demselben Ort, an dem auch alles dasjenige ist, was die Schnecke braucht.

Wanneer er een slak door een zaal zou kruipen waarin de 9e symfonie van Beethoven wordt gespeeld, dan zou de slak waarschijnlijk niets meekrijgen van alles wat de mensen die zich in diezelfde zaal bevinden met de fijnste gevoelens ondergaan. De klanken van de symfonie drukken zich uit in de luchtgolven in de zaal, ze gaan naar alle kanten; het is de uiterlijke uitdrukking van deze heerlijke klankharmonieën. Dat gaat ook door het organisme van de slak heen, net zo als bij de mens. In de mens roept het de meest intense gevoelens op – het raakt de slak niet. Die bevindt zich in hetzelfde medium, in dezelfde vibrerende geluidsgolven als de mens, maar de slak weet niets van wat er zich om hem heen afspeelt. Er bevindt zich een wereld om hem heen, hij is in die wereld, maar hij heeft er geen flauw vermoeden van. En ondanks dat, deze wereld van tonen bevindt zich niet op een plaats waar de slak niet is, maar op dezelfde plaats, waar zich ook alles bevindt wat de slak nodig heeft.

Der Raum, in dem die Schnecke sich befindet, ist also ausgefüllt von den Tatsachen, die die Schnecke wahrnehmen kann, er ist aber auch ausgefüllt von einer Summe von Tatsachen, die die Schnecke nicht wahrnehmen kann. Wir haben damit festgestellt, daß um ein Wesen herum Erscheinungen leben können, ohne daß das Wesen eine Ahnung davon hat, und wir können die Frage aufwerfen, ob wir Menschen nicht vielleicht auch in einer Welt leben, die angefüllt ist von Tatsachen und Erscheinungen, von denen wir zunächst nichts wahrnehmen, von solchen Tatsachen und Erscheinungen, die sich zu unserer Welt so verhalten wie das Tongewoge der Neunten Symphonie zu dem, was eine Schnecke wahrzunehmen vermag. Die Frage muß

De ruimte waarin de slak zich bevindt, is vol met dingen die de slak kan waarnemen, maar er bevindt zich ook van alles wat de slak niet kan waarnemen.
Daarmee hebben we vastgesteld dat er om een wezen verschijnselen kunnen zijn, zonder dat het wezen daar een flauw vermoeden van heeft. We kunnen nu de vraag stellen of wij mensen wellicht niet ook in een wereld leven die gevuld is met feiten en verschijnselen waarvan we ons aanvankelijk niet bewust zijn, van feiten en verschijnselen die zich op dezelfde manier tot de wereld verhouden als het geluid van de 9e symfonie tot wat een slak kan waarnemen. Het moet

Blz. 20

uns also berühren, ob dasjenige, was wir in einem Ruume, in dem wir sind, empfinden und wahrnehmen, alles ist, was in unserer Umgebung vorkommt. Es könnten ja Tatsachen in unserer Umgebung sein, die für uns einfach deshalb nicht da sind, weil wir die Organe für die Wahrnehmung dieser Tatsachen nicht ausgebildet haben. Es könnten ja Wesen in unserer Welt sich befinden oder wir Menschen selbst könnten durch Entwicklung uns zu Wesen ausbilden, die imstande sind, noch weitaus anderes wahrzunehmen als das, was in unserer Welt um uns ist. Es könnte vergleichsweise ein ähnliches Verhältnis bestehen zwischen mehr oder minder entwickelten Menschen, wie zwischen der Schnecke und den Menschen. Das ist die Frage, welche in uns Vermutung über Vermutung erwecken muß über die uns umgebenden unbekannten Welten, und das ist auch die Frage, welche durch die theosophische Bewegung beantwortet werden soll. Es ist im wesentlichen die Aufgabe der theosophischen Bewegung, uns bekanntzumachen mit Welten, die uns täglich und stündlich umgeben, mit Welten, innerhalb derer wir leben, von denen wir aber unter gewöhnlichen Verhältnissen nichts wissen.

er ons bij de vraag om gaan of dat, wat er in een ruimte waarin wij ons bevinden, ervaren en waarnemen, alles is, wat er in onze omgeving aanwezig is. Er zouden dingen in onze omgeving kunnen zijn die er voor ons simpelweg niet zijn, omdat we voor het kunnen waarnemen van deze dingen, geen organen hebben ontwikkeld. Er zouden zich in onze wereld dus wezens kunnen bevinden of wij mensen zelf zouden door ontwikkeling ons tot wezens kunnen ontwikkelen, die in staat zijn nog veel andere dingen waar te nemen dan wat er in onze wereld om ons heen is. Er zou als vergelijking net zo’n relatie kunnen bestaan tussen meer of minder ontwikkelde mensen, zoals tussen de slak en de mens.
Dat is de vraag die bij ons het ene vermoeden na het andere moet doen ontstaan over de werelden die ons omringen, maar ons onbekend zijn en dat is ook een vraag die door de antroposofische beweging beantwoord moet worden.
Steiner zegt hier theosofische, maar door zijn latere overgang naar antroposofie, heb ik hier (en elders) antroposofisch vertaald.
In wezen is het eigenlijk de opdracht van de antroposofie ons bekend te maken met werelden die ons elke dag en elk uur omringen, met werelden waarbinnen we leven, waarvan we, onder normale omstandigheden echter geen weet hebben.

Nicht mit Welten, die jenseits der unsrigen liegen, will uns die Theosophie bekanntmachen, nicht mit Welten, die an uns unzugänglichen Orten zu finden sind, sondern mit denjenigen Welten, die in unsere Welt fortwährend hereinragen, die uns immer umgeben, die uns aber unbekannt bleiben, weil unsere Organe dafür nicht aufgeschlossen sind. Zunächst können wir von diesen Welten nur sprechen. Wir können auf sie nur hindeuten und dazu auffordern, teilzunehmen an denjenigen Arbeiten, durch welche sich dem Menschen die Sinne erschließen zu diesen höheren Welten, so daß er diese höheren Welten wahrzunehmen vermag, so wie er heute nur die gewöhnliche Welt wahrzunehmen imstande ist. ( )
Sie wird sich uns zeigen als eine Welt, die nicht fern von uns ist, die überall ist, wo wir uns befinden. In dem Räume, in dem wir uns gegenwärtig befinden, ist

De antroposofie wil ons niet bekendmaken met werelden die buiten ons liggen, niet met werelden die te vinden zijn op plaatsen die voor ons ontoegankelijk zijn, maar met die werelden die zich voortdurend tot in de onze uitstrekken, die ons steeds omringen, die ons echter onbekend blijven, omdat onze organen er niet voor open staan. In eerste instantie kunnen we over deze werelden alleen maar spreken. We kunnen er alleen op wijzen en u uitnodigen deel te nemen aan die activiteiten waardoor de zintuigen voor die hogere werelden zich voor de mens openen, zodat hij deze hogere werelden kan gaan waarnemen, net zoals hij nu de gewone wereld kan waarnemen. De astrale wereld zal zich aan ons voordoen als een wereld die niet ver van ons vandaan is, die overal is, waar wij zijn.
In de ruimte waarin we ons in deze tijd bevinden, is ze

Blz. 21

sie geradeso wirklich wie die Welt, die Sie sehen. Die astrale Welt ist eine höhere Welt, welche mit ihren Erscheinungen die Welt, in der Sie sich befinden, genauso durchwogt und durchwellt, wie das Symphonie-Tongewoge die Welt der Schnecke durchwogt, von ihr aber nicht wahrgenommen wird. Also wir sprechen nicht von etwas, was außerhalb unserer Welt zu finden ist, sondern wir sprechen von etwas, was unsere Welt in jedem Punkte ihres Daseins durchsetzt. Die theosophische Anschauung lehrt uns verschiedene solcher Welten erkennen; sie lehrt uns zunächst diejenige Welt erkennen, welche uns aus dem alltäglichen Leben bekannt ist: die physische Welt – diejenige Welt also, welche jeder Mensch mit seinen Sinnesorganen zu empfinden imstande ist, die Welt, die wir sehen, hören, riechen, schmecken, greifen, die Welt, in der wir die Naturgegenstände, die Mineralien, die Pflanzen und die Tiere finden. Diese Welt wird durchsetzt, durchgeistigt, wenn ich mich so ausdrücken darf, von einer höheren Welt, von der sogenannten Astralwelt, die wir nun kennenlernen wollen.

net zo werkelijk als de wereld die wij zien. De astrale wereld is een hogere wereld die met zijn verschijningsvormen de wereld waarin we ons bevinden net zo vervult en doorstroomt als de golf van symfonische tonen die door de wereld van de slak heengaat, maar door deze niet wordt waargenomen. We hebben het dus niet over iets wat buiten onze wereld te vinden is, maar over iets dat onze wereld op elk punt van haar bestaan doordringt. De antroposofische opvatting leert ons verschillende van die werelden kennen; allereerst die wereld die we uit het dagelijkse leven kennen: de fysieke wereld – dus die wereld die ieder mens met zijn zintuigorganen kan ervaren, de wereld die wij zien, horen, ruiken, proeven, aanraken, de wereld waarin we de natuurlijke voorwerpen, de mineralen, de planten en de dieren vinden. Deze wereld wordt doortrokken, met geest doortrokken als ik me zo mag uitdrukken, door een hogere wereld, door de zogenaamde astrale wereld die we nu willen leren kennen.

Genauso, wie sich eine Flüssigkeit mit einer anderen, feineren Flüssigkeit mischt, so daß die eine Flüssigkeit die andere in allen Teilen durchsetzt, so durchsetzt die astrale Welt unsere Welt des Physischen; und diese astrale Welt ist wiederum durchsetzt von einer noch höheren Welt, welche wir die mentale Welt nennen, das ist die eigentliche geistige Welt. So sind drei Welten ineinandergefügt, die eine immer die andere durchsetzend, von denen der Mensch mit seinen gegenwärtigen Organen aber nur die physische Welt wahrnimmt. Allmählich den Sinn aufzuschließen für die unsichtbaren und unter gewöhnlichen Umständen unhörbaren Welten, das ist die Aufgabe der Theosophie. Was ist die astrale Welt? Wenn wir von der astralen Welt sprechen, so kommen wir am schnellsten dadurch zum Verständnis, wenn wir innerhalb all der Weltanschauungen, die außer dem Physischen noch ein Geistiges erkannt haben, diejenigen aufsuchen, in welchen von der Astralwelt und ihrer Beziehung zum Menschen gesprochen wurde. Auch die christliche Weltanschauung kennt diese Astralwelt. In den ersten Jahrhunderten des Christentums hat man

Net zoals een vloeistof zich vermengt met een andere fijnere vloeistof, zodat de ene vloeistof de andere in al zijn delen doordringt, zo doordringt de astrale wereld onze fysieke wereld; en deze astrale wereld is op zijn beurt weer doortrokken door een nog hogere wereld die wij de mentale wereld noemen, dat is de eigenlijke geestelijke wereld.
Zo zijn drie werelden met elkaar verbonden, waarbij de een de ander steeds versterkt, waarvan de mens met zijn huidige organen alleen de fysieke wereld waarneemt.
De taak van de antroposofie is om geleidelijk het gevoel van de onzichtbare en onder normale omstandigheden ook onhoorbare werelden te ontsluiten.
Wat is de astrale wereld?
Wanneer we over de astrale wereld spreken, komen we het snelst tot begrip wanneer we binnen alle wereldbeschouwingen die behalve het fysieke ook het geestelijke kennen, op te zoeken bij welke over de astrale wereld en de relatie met de mens wordt gesproken.
Ook de christelijke wereldbeschouwing kent de astrale wereld. In de eerste eeuwen van het christendom heeft men

Blz. 22

bei dem Menschen nicht bloß zwei Naturen unterschieden, wie später und oberflächerlicher: Körper und Seele, sondern man unterschied drei: Körper, Seele und Geist. Seele und Geist hat man in allen tieferen Weltanschauungen seit Urzeiten immer als die Bestandteile des Menschen angesehen. ( )
Die körperliche Natur ist bekannt. Unter der seelischen Natur verstand man in allen tieferen Religionen und Weltanschauungen das, was wir in der theosophischen Weltanschauung das Astrale nennen. Unter dem Ausdruck «Geist» verstand man das eigentlich Ewige der Natur des Menschen. Körper, Seele und Geist machen die dreifache Natur des Menschen aus.

bij de mens niet alleen maar twee naturen onderscheiden, zoals later en oppervlakkiger: lichaam en ziel, maar men onderscheidde er drie: lichaam, ziel en geest. Sinds de oudheid zijn ziel en geest in alle diepere wereldbeschouwingen altijd gezien als wezensdelen van de mens. ( )
De lichamelijke natuur is bekend. Onder de zielennatuur verstond men in alle diepere religies en wereldbeschouwingen dat wat wij in de antroposofische wereldbeschouwing het astrale noemen. Onder de uitdrukking ‘geest’ verstond men het eigenlijk eeuwige van de mensennatuur. :Lichaam, ziel en geest vormen de drievoudige natuur van de mens.

Steiner heeft vaak het Concilie van Constantinopel genoemd waarop in 869 de geest werd afgeschaft, o.a. in GA 293: voordracht 3, op deze blog gesproken.

Nadat Steiner uitvoerig over het fysieke lichaam heeft gesproken,. vervolgt hij over de astrale wereld:

Blz. 24

Das führt uns dahin einzusehen, daß dieser physikalisch und chemisch aufgebaute Körper, weil er in nur physikalischer und chemischer Beziehung eine Unmöglichkeit ist, durchlebt und durchströmt sein muß von einem höheren Prinzip, welches das niedere durchorganisiert, durchseelt und durchlebt. Das nächste Prinzip, das unseren Körper durchseelt und durchlebt, ist das, was bewirkt, daß seine Teile nicht schon bei Lebzeiten auseinanderfallen; und das, was das bewirkt, nennen wir das astrale Element im Menschen.

Dit brengt ons ertoe te zien dat dit fysiek en chemisch geconstrueerde lichaam, omdat het alleen in fysieke en chemische termen een onmogelijkheid is, [zonder leven is het nl. een lijk!] doorleefd en doorstroomd moet worden door een hoger principe dat het lagere grondig organiseert, bezielt en doet leven. Het volgend fundamentele dat ons lichaam doorzielt en doorleeft, is wat als werking heeft dat de delen niet al tijdens het leven uit elkaar vallen; en wat daarvoor zorgt, noemen wij het astrale element in de mens.

Wanneer je dit leest, schrik je even, want we hadden nu net gezien dat dat ‘volgend fundamentele’ door Steiner ‘etherlijf wordt genoemd.
Dat komt omdat deze voordracht vooral gaat over lichaam, ziel en geest; Steiner stapt hier van lichaam naar ziel, wat zal blijken.

 Wir können ganz genau sagen, was das astrale Element im Menschen ist. Es ist das, was alle Menschen, die ein solches Element in sich haben, dazu veranlaßt, in sich etwas geschehen zu lassen, was wir im weitesten Sinne mit Lust und Unlust bezeichnen. Lust und Unlust ist etwas, was in unserem Körper und in den Körpern, welche in astraler Beziehung uns ähnlich sind, auftritt und was nicht bewirkt werden kann durch die chemischen und physikalischen Stoffe.

We kunnen vrij precies zeggen wat het astrale element in de mens is. Het zorg ervoor dat bij alle mensen die dit wezenlijke deel in zich hebben er iets gebeurt wat wij in de ruimste zin als lust en onlust kunnen bestempelen. [In de artikelen ‘Rudolf Steiner over het astraallijf’ vind je veel meer karakteriseringen bij ‘lust en onlust’: zie1-7-2/4-2

Nehmen Sie einen Kristall oder irgendeine andere aus chemischen Stoffen zusammengesetzte physische Substanz. Alles kann mit ihm vorgehen, was sonst im Physischen vorgeht, nicht aber Lust und Unlust. Das ist nur im Menschen selbst zu finden und in denjenigen Wesen, die so wie der Mensch organisiert sind. Diese Wesen sind durchsetzt von einem Elemente, welches Lust und Unlust empfinden kann. Wenn Sie einen Stein stoßen, so wird er weiterfliegen oder irgendwo auffallen und einen Eindruck machen. Wenn Sie ein solches Naturobjekt in dieser oder in einer anderen Weise beeindrucken, so können Sie das von außen sehen; sie können es sogar einem Vorgang unterwerfen, der es zerstört, aber es wird nie Lust oder Unlust empfinden. Lust und Unlust reichen so weit, wie die astrale Welt reicht. Und genauso, wie ich durch die in mir sich vollziehenden Prozesse chemischer und physikalischer Art der äußeren Welt angehöre, so habe ich wirklich und real alle die verschiedenen Nuancen von Lust und Unlust in mir, und durch diese verschiedenen Nuancen und Erscheinungen von Lust und Unlust gehöre ich einer Welt an, die unsere körperliche Welt durchsetzt und durchseelt und die ebenso außer mir ist und was uns fortwährend durchzieht und durchgeistigt.

Neem eens een kristal of een of ander uit chemische stoffen samengestelde fysieke substantie. Daar kan van alles mee gebeuren wat normaliter in de fysieke wereld voorvalt, maar er is geen lust en onlust. Die zijn alleen in de mens zelf te vinden en in de wezens die zoals de mens hun organisatie hebben. Deze wezens zijn doortrokken door een element dat lust en onlust kan ervaren. Wanneer je tegen een steen stoot, zal deze verder rollen of ergens vanaf vallen en een afdruk maken. Wanneer je op zo’n natuurvoorwerp druk uitoefent, kan je dat vanbuiten zien; je kan er zo mee omgaan dat je het vernielt, maar het zal nooit lust of onlust ervaren. Lust en onlust zijn er zo veel als de astrale wereld reikt. En net zoals ik door de processen in mij die van chemische en fysische aard zijn, bij de uiterlijke wereld hoor, heb ik echt en werkelijk al de verschillende nuances van lust en onlust in mij en door deze verschillende nuances en verschijnselen van lust en onlust behoor ik tot een wereld die onze fysieke wereld doordringt en bezielt en die net zo buiten mij is als in mij.

Blz. 25

Im Raume ist nicht nur Luft, die das körperliche physische Leben unterhält, sondern der Raum ist auch durchsetzt von einer astralen Welt, an der wir Menschen ebenso teilnehmen, wie wir an der äußeren physischen Welt teilnehmen. Und so, wie wir nicht leben könnten als physische Wesen, ohne daß wir die physische Kraft durch unseren Organismus fließen lassen, ebensowenig könnten wir als Lust- und Unlustwesen, als astrale Wesen leben, ohne daß wir an dem teilnehmen, was in der astralen Welt vorgeht, was in ihr lebt und webt und was uns fortwährend durchzieht und durchgeistigt. So, wie wir in der physischen Welt durch unsere Haut abgegrenzt und dadurch individualisiert sind, so sind wir auch in der allgemeinen astralen Welt abgeschlossen. Wir sind innerhalb derselben als einzelne astrale Wesenheiten individualisiert und nehmen teil an dieser astralen Welt um uns herum. Wir haben nun auf eine Welt hingedeutet, welche unsere physische Welt durchsetzt und durchzieht und durchwogt, wie die Tonwelt der Neunten Symphonie die Welt durchwogt, in welcher auch die Schnecke lebt.

In de kamer is er niet alleen lucht die het fysieke leven in stand houdt, maar de kamer is ook doordrongen van een astrale wereld waaraan wij mensen deelnemen, net zoals we deelnemen aan de fysieke buitenwereld. En net zoals we niet als fysieke wezens zouden kunnen leven zonder fysieke kracht door ons organisme te laten stromen, net zo min zouden we kunnen leven als wezens met lust en onlust, als astrale wezens, zonder deel te nemen aan wat er in de astrale wereld gebeurt, wat erin leeft en weeft en wat ons voortdurend doordringt en vergeestelijkt. Net zoals we in de fysieke wereld door onze huid worden begrensd en daardoor geïndividualiseerd, zijn we ook in de algemene astrale wereld afgesloten. Wij zijn daarin geïndividualiseerd als individuele astrale entiteiten en nemen deel aan de astrale wereld om ons heen. We hebben nu gewezen op een wereld die onze fysieke wereld doordringt en doorgolft, net zoals de tonale wereld van de Negende Symfonie de wereld doordringt waarin ook de slak leeft.

Im gewöhnlichen Leben nimmt der Mensch die Welt durch seine Sinne wahr, aber er ist nicht imstande, jene Welt wahrzunehmen, die ihn selbst durchgeistigt und durchwebt und seinen eigenen Astralorganismus ausmacht. Der Umstand, daß wir eine Welt nicht wahrnehmen, ist nun aber kein Grund zu sagen, daß diese Welt nicht da ist. Warum nehmen Sie jeden anderen hier sitzenden Menschen als physisches Wesen wahr? Weil Ihre Augen darauf eingerichtet sind, die physischen Lichtstrahlen durch Ihre Augen wahrzunehmen. Ihre Augen können die physischen Körper der anderen Menschen um Sie herum wahrnehmen. Diese physischen Körper sind für Sie wirklich. Sie wären für Sie nicht da, wenn Ihre Augen nicht da wären, sie zu sehen. Ebenso ist in jedem dieser anderen Menschen Lust und Unlust in unzähligen Nuancen vorhanden. Eine ebenso reiche Welt wie die, welche Sie mit Augen sehen, ist in jedem von Ihnen; es ist eine reiche Welt von Lust und Unlust. Und ebenso wirklich wie Ihr physischer Körper, ist ein zweiter Körper, der den physischen Körper durchsetzt, von dem dieser physische Körper ganz durchdrungen ist. Sie dürfen nicht

In het gewone leven neemt de mens de wereld waar via zijn zintuigen, maar hij is niet in staat die wereld waar te nemen die door hem heen vergeestelijkt en weeft en zijn eigen astrale organisme vormt. Het feit dat wij een wereld niet waarnemen is geen reden om te zeggen dat deze wereld er niet is. Waarom zie je iedere andere persoon die hier zit als een fysiek wezen? Omdat je ogen zijn ontworpen om de fysieke lichtstralen door je ogen waar te nemen. Je ogen kunnen de fysieke lichamen van andere mensen om je heen waarnemen. Deze fysieke lichamen zijn reëel voor je. Ze zouden er niet voor je zijn als je ogen er niet waren om ze te zien. Op dezelfde manier zijn plezier en ongenoegen in talloze nuances aanwezig bij elk van deze andere mensen. Een wereld zo rijk als wat je met je ogen ziet, zit in ieder van ons; het is een rijke wereld van plezier en pijn. En net zo werkelijk als je fysieke lichaam is een tweede lichaam dat het fysieke lichaam doordringt, waarmee dit fysieke lichaam volledig doordrongen is. Je mag niet

Blz. 26

sagen, daß nur das wirklich ist, was Sie sehen, was Sie physisch wahrnehmen können, denn jeder von Ihnen weiß, daß eine Welt von Lust und Unlust in ihm ebenso wirklich lebt, wie Muskelfleisch und Nervenfasern in ihm leben. Nur weil die geistigen Augen nicht aufgeschlossen sind, deshalb sehen Sie diese Wirklichkeiten nicht. Wären Ihre Augen dafür aufgeschlossen, dann würden Sie bei jedem anderen Menschen, ebenso wie Sie seine Hautfarbe und seine Kleider wahrnehmen, ihn auch wahrnehmen können durchströmt von Kräften und Substantialitäten, von Wesenheiten, die wirklich sind, die wir als Lust- und Unlustwesen bezeichnen können. Für denjenigen, dessen Sinn aufgeschlossen ist für diese Wirklichkeiten, ist diese Welt ebenso wirklich wie die körperliche Welt. In jedem Menschen ist so außer dem physischen Körper noch der astrale Körper, der so genannt wird, weil er für den Seher in einem hellen Lichte erglänzt, das ein Ausdruck ist für sein ganzes Lust- und Unlustleben, für alles, was als Gefühl in ihm lebt.

zeggen dat alleen wat je ziet, wat je fysiek kunt waarnemen reëel is, omdat jullie allemaal weten dat er een wereld van lust en onlust in je leeft, net zo reëel als spiervlees en zenuwvezels. Alleen omdat de spirituele ogen niet open zijn, zie je deze realiteiten niet. Als je ogen hiervoor open zouden zijn, zou je iedere andere persoon kunnen waarnemen, net zoals je hun huidskleur en hun kleding waarneemt, doorstroomd door krachten en substanties, van wezens die echt zijn, die we kunnen omschrijven als wezens van plezier en pijn . Voor degene wiens geest openstaat voor deze realiteiten, is deze wereld net zo reëel als de fysieke wereld. In ieder mens bevindt zich naast het fysieke lichaam ook het astrale lichaam, dat zo wordt genoemd omdat het voor de ziener straalt met een helder licht, dat een uitdrukking is van al zijn lust en onlustgevoelens, van alles wat als gevoel in hem leeft. 

Hier geeft Steiner een nieuwe karakteristiek over het woord ‘astraal’. (Zie hierboven in cursief)

Nu volgt er een passage waarin Steiner over zijn eigen helderziende waarnemingen vertelt. Ik heb die niet, dus enerzijds klinkt dit voor mij heel apart, anderzijds vind ik het daardoor niet meteen ‘onzin’.

So wie nicht nur Sie selbst wissen, daß Sie aus Fleisch und Blut bestehen, sondern die anderen Menschen dies auch wahrnehmen können, so sind die Lust- und Unlustgefühle nur solange für Sie allein da, als nicht ein anderer sie wahrnimmt. Etwas größer als Ihr physischer Körper ist Ihr astraler Organismus, etwas herausragend über denselben. Denken Sie sich einen Saal, in dem eine Versammlung abgehalten wird und in dem die verschiedenen Redner sprechen. Wenn ein Hellseher mit seinen Seheraugen den Saal durchschaut, nimmt er nicht nur die Worte wahr, die gesprochen werden, nicht nur die funkelnden Augen und die sprechenden Physiognomien, er sieht noch etwas anderes: er sieht, wie von dem Redner zu den anderen Menschen die Leidenschaften herüberspielen, er sieht, wie die Empfindungen und Gefühle in dem Redner aufleuchten, er sieht, ob ein Redner zum Beispiel aus Rache oder aus Enthusiasmus spricht. Bei dem Enthusiasten sieht er das Feuer des Astralkörpers ausströmen, und bei der großen Menge der Menschen sieht er eine Fülle von Strahlen; diese rufen wiederum in dem Redner Lust oder Unlust hervor. Da ist eine Wechselwirkung der

Net zoals jij niet alleen weet dat je van vlees en bloed bent, maar andere mensen dit ook kunnen waarnemen, zo zijn de gevoelens van lust en onlust er alleen voor jou zolang als niemand anders ze waarneemt. Iets groter dan je fysieke lichaam is je astrale organisme, iets daarbuiten uitstekend. Stel je een zaal voor waarin vergaderd wordt en waarin de verschillende sprekers aan het woord komen. Wanneer een helderziende met zijn zienerogen door de zaal kijkt, neemt hij niet alleen de woorden waar die worden gesproken, niet alleen de sprankelende ogen en de sprekende gezichtsuitdrukkingen, hij ziet nog iets anders: hij ziet hoe van de spreker naar de andere mensen diens gevoelens overgaan, hij ziet hoe de sensaties en gevoelens in de spreker oplichten, hij ziet of een spreker bijvoorbeeld uit wraak of enthousiasme spreekt. Bij wie enthousiast is, ziet hij het vuur van het astrale lichaam uitstromen, en in de grote menigte mensen ziet hij een overvloed aan stralen; deze roepen op hun beurt weer plezier of ongenoegen op in de spreker. Er is een wisselwerking van de 

Blz. 27

Temperamente, die offen und klar vor dem Seher sich abspielt. Das ist eine ebenso wirkliche Welt, von der wir ein Teil sind, wie die äußere Welt, in der wir leben. Nicht umsonst, nicht zwecklos hat die theosophische Bewegung den Menschen hingewiesen auf diese unsichtbaren Welten, von denen die Menschen ein Teil sind, in die wir fortwährend unsere Wirkungen hineinsenden. Sie können kein Wort sprechen, keinen Gedanken fassen, ohne daß Gefühle in den Raum hinauswirken. Wie unsere Handlungen in den Raum hinauswirken, so wirken auch die Gefühle; sie durchsetzen den Raum und beeinflussen die Menschen und die ganze astrale Welt. Der Mensch ist unter gewöhnlichen Verhältnissen sich nicht bewußt, daß ein Strom von Wirkungen von ihm ausgeht, daß er eine Ursache ist, deren Wirkungen überall in der Welt wahrzunehmen sind. Er ist sich nicht bewußt, daß er dadurch auch Unheil anrichten kann, daß er Ströme von Lust und Unlust, von Leidenschaften und Trieben in die Welt hinaussendet, die auf andere Menschen auf die schädlichste Weise wirken können.

temperamenten dat zich helder en open afspeelt voor de ziener. Dit is net zo’n reële wereld waarvan wij deel uitmaken als de buitenwereld waarin wij leven. Het is niet voor niets en niet zonder doel dat de antroposofische beweging de aandacht van mensen heeft gevestigd op deze onzichtbare werelden, waar mensen deel van uitmaken, waar wij voortdurend naartoe sturen wat ervan ons uitgaat. Je kunt geen woord spreken of een gedachte vormen zonder dat er gevoelens de kamer in stromen. Net zoals onze acties de ruimte beïnvloeden, geldt dat ook voor onze gevoelens; ze doordringen de ruimte en beïnvloeden mensen en de hele astrale wereld. Onder normale omstandigheden is de mens zich er niet van bewust dat er een stroom van invloeden van hem uitgaat, dat hij een oorzaak is waarvan de gevolgen overal ter wereld waarneembaar zijn. Hij is zich er niet van bewust dat hij ook schade kan aanrichten door stromen van plezier en pijn, van hartstochten en driften de wereld in te sturen, wat de meest schadelijke gevolgen voor andere mensen kan hebben.

Er ist sich nicht bewußt, was er mit seinem Gefühlsleben bewirkt. Unser Wissen ist nicht zu einem zwecklosen Dasein bestimmt; es ist nicht dazu da, um bloß zu erkennen, nicht um seiner selbst willen ist es da. Es ist eine schöne Phrase der abendländischen Gelehrsamkeit geworden, das Wissen sei um seiner selbst willen da. Wer sich in die morgenländische Weisheit vertieft, der findet noch etwas anderes als das Wissen um seiner selbst willen. Er weiß, daß es sich beim Wissen darum handelt, sich im Sinne dieses Wissens in der Welt zu betätigen. Wir lernen die physische Welt kennen, um in der physischen Natur nicht wie in einem Chaos zu wirtschaften. Und wir lernen die höhere Natur kennen, um in dieser höheren Natur in bewußter Weise zu wirken. Wer diese höhere Natur erkennt und beherrscht, lernt, in ihr bewußt zu wirken; er lernt, seine Gedanken zu beherrschen und sie nicht zufällig wirken zu lassen, sie auch nicht zufällig loszulassen, sondern sie im Zaume zu halten; er lernt, sein Innenleben zu beherrschen, sein Innenleben zu regeln, so daß es im idealsten Sinne auf die Umwelt veredelnd wirkt. 

Hij is zich niet bewust van wat hij met zijn emotionele leven teweeg brengt. Onze kennis is niet bestemd voor een doelloos bestaan; het is er niet alleen maar om te weten, het is er niet omwille van zichzelf. In de westerse wetenschap is het een mooie frase geworden dat kennis bestaat omwille van zichzelf. Iedereen die zich verdiept in de oosterse wijsheid zal iets anders vinden dan kennis omwille van de kennis. Hij weet dat kennis gaat over actief zijn in de wereld in de geest van deze kennis. We leren de fysieke wereld kennen, om niet in de fysieke natuur als in een chaos te handelen.  En we leren de hogere natuur kennen om bewust in deze hogere natuur te kunnen werken. Iedereen die deze hogere natuur kent en beheerst, leert er bewust in te werken; hij leert zijn gedachten te beheersen en ze niet willekeurig te laten werken, noch die zomaar te laten gaan, maar ze onder controle te houden; hij leert zijn gevoelsleven te beheersen, zijn gevoelsleven zo te reguleren dat het in de meest ideale zin een veredelende werking heeft op de omgeving.

Blz. 28

Dadurch erlangen die höheren Welten, die – lassen Sie mich das betonen – ebenso wirklich sind wie unsere physische Welt, ja noch wirklicher, eine immense Bedeutung für die physische Welt. Wer weiß, daß das, was in der astralen Welt vorgeht, viel wichtiger ist für den Weltprozeß als das, was Sie in der physischen Welt zu sehen und zu tun vermögen, der wird diese Welt auch richtig in ihrer Bedeutung einschätzen. Wenn Sie noch weiter hinaufsteigen, würden Sie Welten finden, die noch wichtiger sind als die astrale Welt. Davon spricht auch die christliche Religion. Was diese als «Seele» bezeichnet, ist die astrale Welt, was sie als «Geist» bezeichnet, ist das, was Sie in der Theosophie als «Mentalebene» kennen. Warum ist die höhere, die astrale Welt so unendlich viel wichtiger als die physische Welt? Weil die physische Welt nichts anderes ist als der Ausdruck dieser astralen Welt, als die Wirkung der astralen Welt. Ich möchte Ihnen als Erläuterung eine Erscheinung anführen, die Ihnen zeigen wird, wie unendlich viel bedeutsamer das ist, was in der astralen Welt vorgeht, als das, was in der physischen Welt sich abspielt.

Als gevolg hiervan krijgen de hogere werelden, die – laat ik dit benadrukken – net zo reëel als onze fysieke wereld, zelfs nog reëler, een enorme betekenis voor de fysieke wereld. Iedereen die weet dat wat er in de astrale wereld gebeurt veel belangrijker is voor het wereldproces dan wat je in de fysieke wereld kunt zien en doen, zal ook het belang van deze wereld correct inschatten. Als je nog hoger komt, zul je werelden vinden die nog belangrijker zijn dan de astrale wereld. Ook de christelijke religie spreekt hierover. Wat zij de ‘ziel’ noemt, is de astrale wereld; wat zij de ‘geest’ noemt, is wat u in de antroposofie kent als het ‘mentale gebied’. Waarom is de hogere, de astrale wereld zo oneindig veel belangrijker dan de fysieke wereld? Omdat de fysieke wereld niets anders is dan de uitdrukking van deze astrale wereld, als de uitwerking van de astrale wereld.

( )
Antroposofie en wetenschap

Nu houdt Steiner de (materialistische) wetenschapper nog een soort spiegel voor:

Ja, unbescheiden sind heute die Menschen in Bezug auf die Erkenntnis, unbescheiden deshalb, weil sie ablehnend sind gegenüber allem, was ihre Sinne und ihr Verstand nicht begreifen. Denken Sie sich, wenn die Schnecke sich

Ja, de mensen zijn vandaag de dag, als het om kennis gaat, onbescheiden omdat ze alles afwijzen wat hun zintuigen en hun verstand niet begrijpen. Denk je eens in dat de slak

Blz. 29

unterfinge zu sagen, hier im Saal sei nichts anderes als das, was sie wahrnehme -, müßten wir nicht von dieser Schnecke sagen, sie habe in Bezug auf die Erkenntnis eine große Unbescheidenheit? Täuschen Sie sich nicht. Im schlimmsten Sinne des Wortes ist es ebenso mit dem Menschen, wenn er sagt: Was mein Verstand nicht wahrnehmen und nicht begreifen kann, das gibt es nicht in dieser Welt.

durfde te zeggen dat er niets anders in de kamer is dan wat hij waarneemt – zouden we dan niet van deze slak moeten zeggen dat hij een grote onbescheidenheid aan de dag legt, als het om kennis gaat? Vergis je niet. In de slechtste zin van het woord is het hetzelfde met de mens als hij zegt: wat mijn verstand niet kan waarnemen en begrijpen, bestaat niet in deze wereld.

Was will der gewöhnliche Wissenschaftler, der stolz ist auf seine Kultur und unbescheiden ist in Bezug auf sein gewöhnliches Erkennen? Er will alles das, was er wahrnehmen und erkennen kann, weiter verfolgen, und er will seine Erkenntnisse auf unzählige Sachen verbreiten. Das ist so, wie wenn die Schnecke nach allen Seiten herumkriecht und wahrnimmt, was sie wahrnehmen kann – sie würde nichts wahrnehmen als das, was ihre Schneckenorgane wahrnehmen können. So ist es auch bei den Menschen.

Wat wil de gewone wetenschapper die trots is op zijn cultuur en onbescheiden is over zijn gewone kennis? Hij wil alles wat hij kan waarnemen en herkennen verder volgen, en hij wil zijn bevindingen over talloze onderwerpen uitbreiden. Het is alsof de slak in alle richtingen rondkruipt en waarneemt wat hij kan waarnemen; hij zou niets anders waarnemen dan wat zijn slakkenorganen kunnen waarnemen. Hetzelfde geldt voor mensen.

( )

So unterscheidet sich die Gesinnung des Theosophen von der des gewöhnlichen Wissenschaftlers dadurch, daß er sich entwickeln will, daß er ehrlich und rechtschaffen an die Entwicklung seiner Fähigkeiten glaubt und sich bemüht, an
sich selbst zu arbeiten. Das, verehrte Anwesende, ist theosophische Gesinnung: an sich zu arbeiten, damit uns höhere Organe aufgehen, damit wir in die Lage kommen, in dem, was uns umgibt, Bedeutungsvolles, Wichtiges wahrzunehmen. Das muß immer mehr und mehr abendländische Gesinnung werden, wenn die
abendländische Menschheit nicht ganz in der materialistischen

De houding van de antroposofen is t.o.v. de gewone wetenschapper in die zin verschillend dat de eerste zich verder wil ontwikkelen, dat hij eerlijk en oprecht in die ontwikkeling van zijn vermogens gelooft en er moeite voor doet om aan zichzelf te werken. Dat nu, geachte aanwezigen, is de antroposofische houding: werken aan jezelf, zodat je hogere organen ontsluit, zodat we in wat er om ons heen is, waar gaan nemen wat daarvan belangrijk ius, betekenis heeft. Dat zal steeds meer de houding moeten worden van het Avondland, als de westerse mensheid tenminste niet helemaal in de materialistische

Blz. 30

Strömung aufgehen will. Wenn diese theosophische Gesinnung sich immer mehr und mehr verbreitet, dann wird man einsehen, daß alles dasjenige, was äußere physische Tatsachen und Erscheinungen sind, die Folgen, die Wirkungen tieferliegender Ursachen sind, die in der astralen Welt oder in noch höheren Welten liegen.
Gewöhnlich ist die abendländische Wissenschaft damit zufrieden, den Körper in allen seinen Bestandteilen zu erforschen. Aber die theosophische Gesinnung fragt: Hat dieser Körper sich selbst zusammengefügt? Wo könnte der Grund dafür sein? Können wir glauben, daß die Kräfte draußen in der Natur das Bedürfnis fühlen, sich zum Menschen zusammenzufügen? Nein. Wer in der höheren Welt zu sehen vermag, der weiß, daß der Mensch, bevor er im physischen Organismus lebt, vor seiner Geburt in einem astralen Dasein lebte. So wahr wir vor unserem physischen Dasein, vor der Geburt, ein astrales Dasein hatten, so wahr haben wir ein astrales Dasein auch nach unserer Geburt, und dieses reicht weiter als unser physischer Körper. Alles das ist eingeschlossen in dem, was wir das Mysterium von Geburt und Tod nennen.

stroom wil opgaan. Als deze antroposofische houding zich steeds verder uitbreidt, zal ingezien worden dat alles wat uiterlijke fysieke feiten en verschijnselen zijn, de gevolgen zijn, de uitwerkingen van dieper liggende oorzaken die in de astrale wereld of in zelfs hogere werelden liggen. De westerse wetenschap is er doorgaans tevreden mee om het lichaam in al zijn componenten te onderzoeken. Maar de antroposofische manier van denken vraagt: heeft dit lichaam zichzelf samengesteld? Wat zou de reden hiervoor kunnen zijn? Kunnen we geloven dat de krachten buiten in de natuur de behoefte voelen een mens samen te stellen? Nee. Wie in staat is om in de hogere wereld waar te nemen, weet dat de mens vóór die in een fysiek organisme leeft, voor zijn geboorte in een astraal bestaan leefde. Zo waar het is dat we vóór onze geboorte een astraal bestaan hadden, zo waar is het ook dat we na onze geboorte een astraal bestaan hebben en dit strekt zich verder uit dan ons fysieke lichaam. Dat zit allemaal besloten in wat we het mysterie van geboorte en dood noemen.
GA 88/22-30
Niet vertaald

Voordracht 2, Berlijn 4 november 1903

Die höheren Welten und der Anteil des Menschen an ihnen
De hogere werelden en het aandeel van de mens daarin

 Blz. 35

Wir Menschen gehören der astralen Welt ebenso an, wie wir der physischen Welt angehören. Wir gehören auch noch anderen Welten an, aber das Dasein dieser Welten verstehen wir erst, wenn wir sehen, was für Kräfte aus dem höheren Dasein hereinspielen. Demjenigen, dessen Augen für die astrale Welt geöffnet werden, geht ein neues Dasein auf: die Welt, in der wir alle Triebe und Instinkte, alle Leidenschaften und Temperamente so vor uns sehen, wie wir die Dinge um uns herum in der physischen Welt sehen. Diese 88/36 astrale Welt ist aber nicht die höchste. Sie ist diejenige, welche um eine Stufe höher liegt als unsere physische Welt, sie ist eine feinere Welt, die unsere ganze Welt durchdringt. Dann ist unsere Welt auch durchdrungen von einer noch höheren Welt, der eigentlichen geistigen Welt, die wir in der Theosophie die devachanische oder die mentale Welt nennen und die, wenn wir den Blick dafür geöffnet haben, es uns möglich macht, die Gedanken, welche nicht von Gefühlen und Wünschen durchzogen sind, die also reine Gedanken sind, wie Dinge zu sehen.

Wij mensen behoren tot de astrale wereld, net zoals we tot de fysieke wereld behoren. Wij behoren ook tot andere werelden, maar we begrijpen het bestaan ​​van deze werelden pas als we zien welke krachten vanuit het hogere bestaan ​​een rol spelen. Voor degenen wier ogen zijn geopend voor de astrale wereld, gaat er een nieuw bestaan ​​open: de wereld waarin we alle driften en instincten, alle hartstochten en temperamenten voor ons zien, net zoals we de dingen om ons heen zien in de fysieke wereld. Maar deze

Blz. 36

astrale Welt ist aber nicht die höchste. Sie ist diejenige, welche um eine Stufe höher liegt als unsere physische Welt, sie ist eine feinere Welt, die unsere ganze Welt durchdringt. Dann ist unsere Welt auch durchdrungen von einer noch höheren Welt, der eigentlichen geistigen Welt, die wir in der Theosophie die devachanische oder die mentale Welt nennen und die, wenn wir den Blick dafür geöffnet haben, es uns möglich macht, die Gedanken, welche nicht von Gefühlen und Wünschen durchzogen sind, die also reine Gedanken sind, wie Dinge zu sehen.
Das sind die drei Welten, welchen der Mensch angehört, das sind die drei Welten, welche er durchläuft in seinen Leben von Verkörperung zu Verkörperung. Also nicht die höchste Welt ist es, mit der wir es bei der Astralwelt zu tun haben.

astrale wereld is niet de hoogste. Het is de wereld die één niveau hoger staat dan onze fysieke wereld, het is een subtielere wereld die onze hele wereld doordringt. Dan wordt onze wereld ook doordrongen van een nog hogere wereld, de werkelijke geestelijke wereld, die we in de antroposofie de devachanische of mentale wereld noemen en die, wanneer we onze ogen ervoor hebben geopend, het voor ons mogelijk maakt de gedachten die  niet zijn doordrongen van gevoelens en verlangens, die pure gedachten zijn, als dingen te zien.
Dat zijn de drie werelden waartoe de mens behoort, dat zijn de drie werelden waar hij in zijn leven van incarnatie naar incarnatie doorheen gaat. Bij de astraalwereld hebben we dus niet mede hoogste wereld te maken. 

Wir betrachten nun also diese Zwischenwelt, die aber, weil sie unserer physischen Welt zunächstliegt, für uns von ganz besonderer Wichtigkeit ist. Demjenigen, dessen Auge geöffnet ist für diese Sphäre, sprechen wir ein sogenanntes psychisches Sehen zu. Es erscheinen ihm nicht nur physische Dinge, sondern es erscheint ihm auch alles, was in den Menschen als Triebe, Wünsche und Leidenschaften lebt, als Dinge. Diese astrale Welt ist abgestuft. Sie ist so großartig, daß sich unsere physische Welt nicht damit vergleichen läßt. Nur eine skizzenhafte Schilderung kann ich davon geben. Wer das Auge dafür geöffnet hat, der sieht Dinge, die der gewöhnliche Mensch zwar wahrnimmt, die er aber sich noch nicht enträtseln kann. Das ist psychisches Sehen.

We beschouwen deze tussenwereld die echter, omdat deze het dichtst bij onze fysieke wereld staat, dus als een wereld die voor ons van groot belang is. Van degene die in deze wereld kan schouwen, zeggen we dat deze een zogeheten psychisch zien heeft. Er verschijnen aan hem niet alleen maar fysieke dingen, maar ook alles wat in de mens als drift, wens en hartstocht leeft, verschijnt aan hem als dingen. Deze astrale wereld verschijnt in niveaus. Deze is zo groots, dat je die niet kan vergelijken met de fysieke wereld. Ik kan er alleen maar een schets van geven. Wie er een open oog voor heeft, ziet dingen die de gewone mens weliswaar waarneemt, maar die hij nog niet ontraadselen kan. Dat is psychisch zien.
GA 88/35-36
Niet vertaald

.

Algemene menskunde: voordracht 1 –over het astraallijf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3125-2938

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (40)

.

Op deze blog vind je onder ‘Jaarfeesten – Kerstmis’ ook artikelen over de historie van dit feest. In wezen resultaten van onderzoek. De uitkomsten verschillen soms. 

In ‘Van Sinterklaas tot Sint-Maarten geeft  de schrijfster* ook een soort samenvatting:

Kerstfeest, vroeger en nu
.

Het kerstfeest werd het eerst gevierd in de Oosterse (Griekse) kerken, zonder dat er een vaste datum voor gold. In de tijd van keizer Julius de Eerste liet de bisschop van Jeruzalem een onderzoek instellen naar de juiste geboortedatum. Oosterse en Westerse theologen gingen aan het werk en de uitslag luidde: 25 december. Van toen af aan hield men het op die datum en het feest duurde vier dagen. Later vierde men het alleen op de 25ste en werd de 26ste gewijd aan St.- Stefanus, de eerste christelijke martelaar. Zo werd in de Westerse kerken vanaf de vierde eeuw het kerstfeest op de 25ste december gevierd, de dag waarop ook het heidense Julfeest begon. Het Julfeest is een oud Germaans feest. ‘Jul’ betekent ‘wiel’ en daarmee wordt de zon bedoeld, als een vurig rad. Twaalf nachten rustte de zon en moest ook de mens rusten. Geen spinnewiel mocht snorren, geen wapen worden opgeheven, het vee was veilig in de stal en de wintervoorraad geborgen. Het Jul-offer werd geslacht en het Jul-vuur ontstoken.

De kerstboom

Maarten Luther schijnt een der eersten geweest te zijn, die voor zijn kinderen een kerstboom plantte. Men vertelt: hij wandelde eens door een uitgestrekt, eenzaam woud, op de avond vóór Kerstmis. Aan de hemel twinkelden ontelbare sterren. Peinzend keek hij om zich heen en raakte diep onder de indruk van de statige dennen en sparren, wier kruinen, zo het leek, reikten tot in de hemel. Een hemel vol licht van de glanzende sterren. Hij kon de verleiding niet weerstaan iets mee te nemen naar huis. Een klein dennetje hakte hij om en, thuisgekomen, versierde hij het voor zijn kinderen en legde er kleine geschenken onder. En hij vertelde hun een prachtig verhaal over ‘het licht der wereld’ . . .

Omstreeks het jaar 1850 verscheen de kerstboom in Nederland. Eerst in de kerken en zondagsscholen, later ook in het gezin. De dichter Goethe kende hem al eerder. In een levensbeschrijving vinden we dat hij ‘op Kerstmis 1765 blij verrast zijn eerste kerstboom zag binnendragen’.

In een oude legende

wordt verteld hoe de Germaan Winfried, een der eerste predikers van het evangelie, in het jaar 725 onder de Saksers zijn werk deed. Maar het had niet veel zin. Men blééf geloven in de Dondergod. En trouw hield men de bijeenkomsten onder de ‘heilige eik’ die aan Donar gewijd was.
Winfried gaf het echter niet op. Dagelijks bad hij tot God of deze zijn werk wilde zegenen.
In een koude winternacht dwaalde hij door het woud en onverwacht stond hij voor de heilige, grote eik! Vlakbij hoorde hij een hevig tumult en hij zag hoe een aantal woestuitziende mannen bezig waren met iets op de grond . . . Zijn aandacht werd getrokken door een klein kind, dat, zo begreep hij, geofferd zou worden aan God Donar! In eerlijke verontwaardiging sprong hij naar voren, nam het kind in zijn armen en bracht het in veiligheid. Toen greep hij een bijl. Ontzet weken de mannen achteruit. Als deze brutale priester waarachtig hun heilige eik wilde vellen, zou Donar zijn boom wel onmiddellijk door de bliksem laten treffen. Maar vreemd – er gebeurde niets. Urenlang keken de mannen bevreesd toe. Eindelijk, eindelijk stortte de enorme boom ter aarde. En toen begrepen de mannen dat daar een mens stond die geen angst voelde voor hun oppergod en die niét gestraft werd daarvoor. En zij hadden plotseling eerbied voor de eenzame prediker.

Nu stond er vlak achter de gevelde boom een kleine, jonge spar. En onverwachts bereikte een manestraal het boompje en zette alle fijne naalden in een geheimzinnige zilverwitte glans!

De mannen zagen het en deinsden onwillekeurig terug. Dit was een wonder, een vreemd teken, dachten zij. Maar Winfried liep erheen en, naast het sparretje staande, zei hij: ‘Van nu af aan zal de spar Uw heilige boom zijn. Hij is de boom van de vrede, want van zijn hout worden Uw woningen gemaakt. En hij is het teken van de onsterfelijkheid, want hij blijft altijd groen. En hij is de boom van het Christuskind, want zijn takken wijzen naar de hemel!

Mistletoe

Vogellijm of maretak is de Nederlandse naam. Een woekerplant die niet op de grond groeit, maar met zijn wortels diep in de schors van een boom dringt. En zich dus voedt met de sappen van die boom.

Maretak – maren = boze geesten! Die zetten zich ’s nachts op de borst van een mens, belemmeren zijn ademhaling en bezorgen hem een boze droom. Wie zou hieraan denken als hij met Kerstmis de mooie, witte mistletoe-bloemetjes koopt? En hoe komen deze verhalen eigenlijk in de wereld? Om dit te weten moeten wij weer terug naar de oude Germanen en hun goden.
Baldur was de brenger van het licht en de grote strijder tegen de duisternis. Maar er was voorspeld dat hij ten val gebracht zou worden!

In allerijl liet zijn moeder, de godin Frigga, al wat bestond (dieren, planten, stenen, water, vuur, licht) een eed doen dat haar zoon geen kwaad zou overkomen. Maar … zij vergat de mistletoe, die zijn wortels immers niet in de aarde heeft. En daarbij diep in het verborgene leeft.

De boze god Loki maakte daarvan een slim gebruik. Baldur had nl. een blinde broeder en aan hem beval Loki, met een pijl gemaakt van het hout van de mistletoe, te schieten op zijn broer.
Dodelijk gewond stortte Baldur ter aarde. En de voorspelling was waarheid geworden! Het kwaad (de duisternis) had het licht overwonnen. Maar, dachten de Germanen, de mistletoe wordt toch gevonden op heilige plaatsen en gewijde bomen! Natuurlijk hebben de goden deze plantjes naar de aarde gebracht tot heil van de mens. En zo gebruikten zij de mistletoe als geneesmiddel tegen allerlei kwalen. En . . . als gelukbrenger.

Als bij de Kelten, in de oudheid, de priester in december de zegenbrengende mistletoe van de eiken sneed, was hij in het wit gekleed en gebruikte hij een gouden sikkel!

Nog steeds wordt de Maretak als een heilbrengende plant beschouwd.

Het kerstfeest

werd, in de middeleeuwen en ook nog daarna, door allen gevierd in de kerk. Zelfs de (vorige) Utrechtse Domkerk was hiervoor nauwelijks groot genoeg. Poorters, edelen, dorpers, allen verzamelden zich in de enorme ruimte en brachten de kerstnacht door met zang en muziek. Een hoogtepunt was: als priesters en koorknapen het kerstgebeuren vertelden, in beurtzang! Maar zij zongen Latijn en natuurlijk begrepen de meeste mensen daar bitter weinig van. Daarom werd het aanschouwelijk voorgesteld. Op het koor werd een kribbe geplaatst met een beeld van het Christuskind. Er kwamen herders en koningen bij en steeds werd de voorstelling uitgebreid. Op het laatst zongen zij zelfs de liederen in hun eigen taal! Zo ontwikkelde zich langzaam maar zeker uit die eenvoudige handeling in de kerk het toneelspel.

In de oudste spelen vinden we vooral de grote tegenstelling: de hevige vreugde van Maria over de geboorte van het Christuskind en het verdriet (geween) van de moeders na het vreselijke bevel van koning Herodes.

Het hoogtepunt was meestal: de gelukkige Maria tegenover de schreiende Rachel.

Het toneel was vaak verdeeld in drie verdiepingen: de hel – de aarde – de hemel.

Eerst werd op aarde de zondeval gespeeld – en alle ellende die daaruit volgde. Dan, in de hel, werden de profeten en aartsvaders gepijnigd door duivels! Brandend pek en gloeiende tangen waren hierbij heel gewoon. Ten slotte volgde ‘het pleidooi in de hemel’. Dit was soms een heel plastische voorstelling. Midden in de ellende van de tweede verdieping boort onverwachts een schone jonkvrouw (‘Gebed des mensen’ geheten) een gat in de vloer van de bovenste verdieping. Zij stijgt naar boven om God te verzoeken allen tot zich te nemen. Een heel mooie scène! Wij zien dan God, met vóór zich vier jonkvrouwen (Goedertierenheid, Gerechtigheid, Waarheid en onze ‘Gebed des mensen’). En ziet, op de tweede verdieping verschijnt de engel Gabriël aan Maria en nu volgen allerlei taferelen uit het kerstevangelie.

Maar de meeste kleine kerstspelen handelden alleen op aarde. En dan waren de voor ons zo bekende figuren te zien: Jozef, Maria, de herders en de koningen … En natuurlijk het Kind in de kribbe.

Over het onstaan van lekespelen ook in Rudolf Steiner ‘Toespraken bij de kerstspelen uit Oberufer 

*Van Sinterklaas tot Sint-Maarten – Marijke van Raephorst

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen       Over de kerstboom

VRIJESCHOOL in beeldkerstspel

.

3124-2937

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het fysieke lichaam – GA 88

.

HET FYSIEKE LICHAAM
.

In zijn pedagogische voordrachten roept Steiner veelvuldig op om ‘menskunde’ te studeren. Dat is immers voor zijn pedagogie – zijn onderwijsmethode – de basis.
‘Studeren’ is misleidend, want het gaat niet alleen om ‘kennis opdoen’, het gaat om veel meer: om een diep doorgronden wat de mens en vooral het opgroeiende kind voor wezen is.

Hij doet daar veel mededelingen over vanuit zijn geesteswetenschappelijk perspectief en we weten dat de meesten van ons dat niet op deze manier hebben. We zijn dus aangewezen op deze mededelingen en moeten er een persoonlijke verbinding mee krijgen.
Door deze mededelingen kan ons inzicht aanzienlijk worden verdiept.

In onderstaand artikel vind je deze mededelingen over een van de wezensdelen die Steiner aan de mens waarneemt en wat voor ons het makkelijkste wezensdeel is omdat we er veel zelf van kunnen waarnemen: het fysieke lichaam.
In dit artikel heb ik al enige opmerkingen van Steiner daarover gegeven.
Nu volgen zijn gezichtspunten uit andere voordrachten.

In zijn voordrachten heeft Steiner veelvuldig gesproken over de wezensdelen van de mens.
Telkens heeft hij ons voorgehouden dat we, wanneer we iets van een onderwerp willen begrijpen, dit van allerlei kanten moeten benaderen. Dat we veel kunnen leren van het in-tegenstellingen-denken; dat we niet moeten definiëren – dat is de dood in de pot – maar moeten karakteriseren. 
Wat ik hier nu doe, is in wezen in strijd met die aanwijzingen: ik heb a.h.w. ‘definitie-achtig’ Steiners karakteriseringen opgesomd.

Maar Steiner gaf ook veelvuldig aan dat wat hij geesteswetenschap noemt, net zo exact wil beschrijven als de natuurwetenschap haar onderwerpen beschrijft. 

Wat ik nu doe met ‘het fysieke lichaam’ is, benadrukken wat Steiner daar precies mee bedoelt. 
Door zijn vele karakteriseringen ontvouwt zich toch a.h.w. een uitgebreide, genuanceerde definitie. En die (of dat) hebben we nodig wanneer we zo precies mogelijk over de wezensdelen willen spreken.

GA 88

Über die astrale Welt und das Devachan
Over de astrale en de mentale wereld

Voordracht 1, Berlijn 28 oktober 1903

Das Mysterium von Geburt und Tod
Het mysterieuze van de geboorte en de dood

Blz. 22

Den Körper hat die moderne Naturwissenschaft ziemlich genau studiert. Durch ihn stehen wir mit allem, was um uns herum ist, in Verbindung. Wir sind nicht einzelne, abgeschlossene Wesen. Wir könnten nicht körperlich leben, wenn unsere Umgebung eine andere wäre. Denken Sie sich die Temperatur der physischen Welt um zehn bis zwanzig Grad höher, als die Temperatur unseres Luftkreises ist, so könnte der Mensch darin nicht leben. Nicht allein davon hängt unser Leben ab, was innerhalb unserer Hautbegrenzung vorgeht, sondern auch von dem Leben der Erscheinungen in der Natur um uns herum. In gewisser Beziehung sind wir nur ein Ergebnis dessen, was rings um uns herum vorgeht. Wären keine Pflanzen in der Welt, wir könnten uns nicht ernähren. Nur dadurch, daß wir den physischen Stoffwechsel unterhalten können, sind wir imstande, körperlich zu leben. Ganz abhängig ist der Mensch von seiner physischen Umgebung, das heißt, er ist ein physisches Wesen innerhalb der ganzen physischen Natur, er gehört zu dieser physischen Natur. Die Materialisten des 19. Jahrhunderts haben das mit Recht so gesehen. Unser Körper ist die Wirkung der physischen Umgebung. Wir leben in der physischen Welt mit der physischen Welt.

De moderne natuurwetenschap heeft het lichaam tamelijk precies bestudeerd. Hiermee staan wij met alles wat er om ons heen is, in verbinding. We zijn geen op zich staande, afgesloten wezens. We zouden lichamelijk niet kunnen leven als onze omgeving anders zou zijn. Denk je eens in dat de temperaturen van de natuurkundige wereld tien tot twintig graden hoger zouden zijn dan de temperatuur van onze atmosfeer, dan zouden we daarin niet kunnen leven. Ons leven hangt niet alleen maar af van wat er binnen de begrenzing van onze huid zich afspeelt, maar ook van het leven van de verschijnselen van de ons omringende natuur. 
In zekere zin zijn we een resultaat van wat er om ons heen zich afspeelt. Als er geen planten in de wereld zouden zijn, zouden we ons niet kunnen voeden. Alleen omdat wij de fysieke stofwisseling in stand kunnen houden, zijn we in staat lichamelijk te leven. De mens is volkomen afhankelijk van zijn fysieke omgeving, d.w.z. hij is een fysiek wezen binnen de hele fysieke natuur, hij hoort bij deze fysieke natuur. Dat hebben de materialisten van de 19e eeuw heel goed gezien. Ons lichaam is het resultaat van de fysieke omgeving. We leven in de fysieke wereld mét de fysieke wereld.

Blz. 23

Nun wissen Sie, daß für diesen Körper ein ganz bestimmter Augenblick eintritt, in dem er denjenigen Gesetzen nicht mehr gehorcht, denen er unter den gewöhnlichen Lebensverhältnissen gehorcht hat, das ist der Moment des Todes. Im Augenblick des Todes gehorcht der Körper, der uns angehört, nicht mehr denselben Gesetzen, denen er das ganze Leben hindurch gehorcht hat; und dennoch sind es Naturgesetze, denen er gehorcht. Wenn wir gestorben sind, kehrt unser körperlicher Organismus zu den Naturstoffen zurück, die während unseres Lebens in diesem Körper wirkten. Chemische und physikalische Kräfte wirken während unseres Lebens in unserem physischen Körper. Unsere Verdauung ist ein physischer Prozeß, unsere Atmung ist ein physischer Prozeß. Auch was beim Sehen in unserem Auge vorgeht, ist ein physischer Prozeß; es ist etwas ganz Ähnliches wie der Prozeß auf der photographischen Platte, wenn Sie sich photographieren lassen.

Nu weet u dat er voor dit lichaam een bepaald tijdstip komt, waarop het niet meer naar de wetten luistert zoals het dat deed onder de normale levensomstandigheden, dat is het moment van de dood.
Op het ogenblijk van de dood gehoorzaamt het lichaam dat van ons is, niet meer aan dezelfde wetmatigheden waaraan het het hele leven lang gehoorzaamd heeft; en toch zijn het natuurwetten waaraan het gehoorzaamt. Wanneer we gestorven zijn, keert onze lichamelijke organisatie terug naar de stoffen in de natuur die tijdens ons leven in dit lichaam werkzaam waren. Chemische en fysische krachten zijn gedurende ons leven in ons lichaam actief. Ons verteringsproces is een fysiek proces, onze adem een fysiek proces. Ook wat er in ons oog gebeurt, wanneer we zien, het is een fysiek proces; net zoiets als het proces op de fotografische plaat, als u zich laat fotograferen. [in die tijd, uiteraard]

Wir sind körperlich ein Zusammenfluß von physikalischen und chemischen Kräften, aber wir hören auf, ein Zusammenfluß von chemischen und physikalischen Kräften zu sein, wenn wir dem Tode anheimfallen. Dieser Körper hält dann nicht mehr zusammen; er fließt über in den Strom der allgemeinen physischen Erscheinungen. Der menschliche Körper als solcher ist aber unmöglich nur eine chemische und physikalische Zusammensetzung, denn in demselben Augenblick, in dem die chemischen und physikalischen Kräfte sich selbst überlassen sind, gehen sie ganz andere Bahnen, sie fügen sich in den Strom der allgemeinen chemischen und physikalischen Prozesse ein. Sie erzeugen nicht mehr die Seh-, Hör- und Denkprozesse, sondern sie gehen ganz andere Prozesse ein. Es muß also etwas dagewesen sein, was sie dazu aufgerufen hat, während unseres Lebens einen Organismus aufzustellen. Dieser Organismus ist eine Stunde vor dem Tode von keinen anderen Stoffen zusammengesetzt als eine Stunde nach dem Tode. Die physische Zusammensetzung ist genau dieselbe; es ist aber das Lebenselement nicht mehr da. Es ist das nicht mehr da, was diese physischen Stoffe aufruft zu einem mächtigen Wirken, wie sie niemals wirken würden, wenn sie sich selbst überlassen blieben.

Lichamelijk zijn we een samenloop van fysische en chemische krachten, maar dit samenvloeisel van chemische en fysische krachten in ons houdt op te bestaan, wanneer we de dood deelachtig worden. Dit lichaam houdt het dan niet meer bij elkaar; het gaat over in de stroom van de algemene fysieke verschijnselen. 
Het menselijk lichaam als zodanig kan onmogelijk louter een chemische en fysische samenstelling zijn, want op hetzelfde ogenblijk waarop de chemische en fysische krachten aan zichzelf overgelaten worden, volgen ze heel andere wegen, zij voegen zich in de stroom van de algemene chemische en fysische processen. Ze brengen de processen van zien, horen en denken niet meer tevoorschijn, maar gaan over tot heel andere processen.Er moet dus iets geweest zijn wat veroorzaakt heeft dat ze tijdens ons leven een organisme vormden. 
Dit organisme is een uur voor de dood niet van een andere samenstelling dan een uur erna. De fysieke samenstelling is precies hetzelfde; echter wat er niet meer is, is het levenselement. Niet meer aanwezig is dat wat deze fysieke stoffen opwekt tot een krachtige werkzaamheid, die ze nooit zou hebben als ze aan zichzelf overgelaten zouden zijn.

Blz. 24

Das führt uns dahin einzusehen, daß dieser physikalisch und chemisch aufgebaute Körper, weil er in nur physikalischer und chemischer Beziehung eine Unmöglichkeit ist, durchlebt und durchströmt sein muß von einem höheren Prinzip, welches das niedere durchorganisiert, durchseelt und durchlebt. Das nächste Prinzip, das unseren Körper durchseelt und durchlebt, ist das, was bewirkt, daß seine Teile nicht schon bei Lebzeiten auseinanderfallen; und das, was das bewirkt, nennen wir das astrale Element im Menschen.

Dat brengt ons ertoe dat we moeten inzien dat dit fysisch en chemisch opgebouwde lichaam, omdat het wat het fysische en chemische betreft een onmogelijkheid is, doorleefd en doorstroomd moet zijn door een hoger principe dat ons lichaam bezielt en doorleeft. Het volgend fundamentele dat ons lichaam doorzielt en doorleeft, is wat als werking heeft dat de delen niet al tijdens het leven uit elkaar vallen; en wat daarvoor zorgt, noemen wij het astrale element in de mens.

Wanneer je dit leest, schrik je even, want we hadden nu net gezien dat dat ‘volgend fundamentele’ door Steiner ‘etherlijf wordt genoemd. 
Dat komt omdat deze voordracht vooral gaat over lichaam, ziel en geest; Steiner stapt hier van lichaam naar ziel, wat zal blijken.

Wir können ganz genau sagen, was das astrale Element im Menschen ist. Es ist das, was alle Menschen, die ein solches Element in sich haben, dazu veranlaßt, in sich etwas geschehen zu lassen, was wir im weitesten Sinne mit Lust und Unlust bezeichnen. Lust und Unlust ist etwas, was in unserem Körper und in den Körpern, welche in astraler Beziehung uns ähnlich sind, auftritt und was nicht bewirkt werden kann durch die chemischen und physikalischen Stoffe.

We kunnen vrij precies zeggen wat het astrale element in de mens is. Het zorg ervoor dat bij alle mensen die dit wezenlijke deel in zich hebben er iets gebeurt wat wij in de ruimste zin als lust en onlust kunnen bestempelen. [In de artikelen ‘Rudolf Steiner over het astraallijf’ vind je veel meer karakteriseringen bij ‘,lust en onlust’: zie: 1-7-2/4-2

Nehmen Sie einen Kristall oder irgendeine andere aus chemischen Stoffen zusammengesetzte physische Substanz. Alles kann mit ihm vorgehen, was sonst im Physischen vorgeht, nicht aber Lust und Unlust. Das ist nur im Menschen selbst zu finden und in denjenigen Wesen, die so wie der Mensch organisiert sind. Diese Wesen sind durchsetzt von einem Elemente, welches Lust und Unlust empfinden kann. Wenn Sie einen Stein stoßen, so wird er weiterfliegen oder irgendwo auffallen und einen Eindruck machen. Wenn Sie ein solches Naturobjekt in dieser oder in einer anderen Weise beeindrucken, so können Sie das von außen sehen; sie können es sogar einem Vorgang unterwerfen, der es zerstört, aber es wird nie Lust oder Unlust empfinden. Lust und Unlust reichen so weit, wie die astrale Welt reicht. Und genauso, wie ich durch die in mir sich vollziehenden Prozesse chemischer und physikalischer Art der äußeren Welt angehöre, so habe ich wirklich und real alle die verschiedenen Nuancen von Lust und Unlust in mir, und durch diese verschiedenen Nuancen und Erscheinungen von Lust und Unlust gehöre ich einer Welt an, die unsere körperliche Welt durchsetzt und durchseelt und die ebenso außer mir ist und was uns fortwährend durchzieht und durchgeistigt 

Neem eens een kristal of een of ander uit chemische stoffen samengestelde fysieke substantie. Daar kan van alles mee gebeuren wat normaliter in de fysieke wereld voorvalt, maar er is geen lust en onlust. Die zijn alleen in de mens zelf te vinden en in de wezens die zoals de mens hun organisatie hebben. Deze wezens zijn doortrokken door een element dat lust en onlust kan ervaren. Wanneer je tegen een steen stoot, zal deze verder rollen of ergens vanaf vallen en een afdruk maken. Wanneer je op zo’n natuurvoorwerp druk uitoefent, kan je dat vanbuiten zien; je kan er zo mee omgaan dat je het vernielt, maar het zal nooit lust of onlust ervaren. Lust en onlust zijn er zo veel als de astrale wereld reikt. En net zoals ik door de processen in mij die van chemische en fysische aard zijn, bij de uiterlijke wereld hoor, heb ik echt en werkelijk al de verschillende nuances van lust en onlust in mij en door deze verschillende nuances en verschijnselen van lust en onlust behoor ik tot een wereld die onze fysieke wereld doordringt en bezielt en die net zo buiten mij is als in mij.
GA 88/22-24
Niet vertaald

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het fysieke lichaam

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3123-2936

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jargon

.
Als we ons verdiepen in de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie krijgen we te maken met het woordgebruik van Steiner. Telkens zal hij benadrukken dat de inhouden van de geestelijke wereld net zo exact beschreven moeten worden als de natuurwetenschap haar inhouden beschrijft. Daar horen nu eenmaal bepaalde woorden bij. Hoe hanteer je die.
Jesse Mulder heeft er interessante gezichtspunten over.
.

Jesse Mulder, Motief nr. 259, februari 2022
.

Mooie woorden jargon, en levende inhoud

In de antroposofische beweging (in brede zin) kun je allerlei mooie woorden tegenkomen. Zoals ‘hoofd, hart, en handen’, of ‘vitale voeding van een vruchtbare bodem’, of ‘antroposofie middenin de samenleving’. Daarnaast zijn daar ook moeilijke woorden te vinden, bijvoorbeeld ‘kamaloka’, ‘Oude Saturnus’, ‘pralaya’, of ‘maankarma’.

Menigeen stoort zich aan dergelijke moeilijke woorden, aan het antroposofisch ‘jargon’: dat schrikt af, en roept misschien zelfs wel het afschrikwekkende beeld van de wereldvreemde GA-kenner op! Is het niet veel beter om al dat jargon te schrappen, en de antroposofische inzichten om te zetten in mooie woorden, woorden waar mensen toegang toe hebben, woorden die niet meteen een belemmering vormen, woorden waar een veel bredere groep van mensen onmiddellijk blij van kan worden?

Mooie woorden kun je natuurlijk gebruiken om mensen aan te spreken op iets dat ze, meer of minder bewust, zoeken. Bijvoorbeeld een geneeskunde die niet uitsluitend materialistisch-technisch denkt, of een pedagogiek die verder gaat dan het aanleren van intellectuele vaardigheden en kennis.

Rudolf Steiner gebruikte zelf geregeld mooie woorden voor de titels van zijn openbare voordrachten, waarin mensen kennis konden maken met antroposofie. Woorden die de mensen konden aanspreken op vragen waar ze, meer of minder bewust, mee leven. Zoals “Geest en stof, leven en dood”, of “De eeuwige krachten van de mensenziel”, of “De verborgen diepten van het zielenleven”. [1] Rudolf Steiner bezigde in dergelijke openbare voordrachten ook niet zomaar het antroposofische ‘jargon’, maar introduceerde onbekende termen altijd zorgvuldig, aansluitend bij zijn publiek, niet in droge, abstracte definities, maar in levendige kenschetsen.

Zo kunnen mooie woorden inderdaad een belangrijke functie hebben ‘aan de poort’. Dat mensen aangesproken werden door Rudolf Steiners voordrachtstitels wil natuurlijk niet zeggen dat ze vervolgens ook iets met de inhoud van die voordrachten konden. Wie dat wel kon, ontdekte daarmee dat antroposofie hem verder kon helpen met de innerlijke vragen die door die mooie woorden waren aangesproken. Zo kan een verhouding tot antroposofie ontstaan en groeien. Wie dat niet kon, kon dan de antroposofie als irrelevant terzijde schuiven. Even goede vrienden, zou je kunnen zeggen.

Maar met het gebruik van mooie woorden komt ook een gevaar mee. Je kunt het gemakkelijk eens worden met anderen als je mooie woorden gebruikt. Je kunt zo de schijn oproepen van een inhoudelijke en gevoelsmatige overeenstemming.

Positief mensbeeld

Zo kun je ook spreken over het antroposofische mensbeeld als een ‘positief mensbeeld’, dat de spirituele kant van de mens volledig erkent, en ieder mens als een uniek, in wezen goed en sociaal individu ziet dat je niet kunt terugvoeren tot een of andere optelsom van nature en nurture. Strooi daar nog wat ‘persoonlijk leiderschap’, ‘innerlijke groei’, en ‘ontwikkelingspotentieel’ overheen, en je kunt er bij een heel breed publiek, en bij een breed scala aan maatschappelijke stromingen, mee aankomen. “Kijk”, zo kun je dan zeggen, “we liggen met ons antroposofische mensbeeld helemaal niet zo ver van al die bredere maatschappelijke stromingen af!” Zo lijkt het eerdere beeld zich te bevestigen: “antroposofen zijn te veel tot stoffige, wereldvreemde boekengeleerden geworden, en ja, dat schept afstand, maar als we ‘antroposofie doen’, de wereld in gaan, de juiste woorden zoeken om verbinding met de mensen te leggen, ja, dan zie je maar weer dat de wereld ons omarmt!”

Mooie woorden kunnen echter uitstekend maskeren waar het eigenlijk om gaat. Zij zijn eigenlijk niets meer dan frasen, waar iedereen zich fijn bij voelt, maar die eigenlijk geen levende inhoud hebben. Als iemand uitsluitend door mooie woorden in aanraking komt met antroposofie, dan kan het al gauw gebeuren dat de daadwerkelijke inhoud ervan ineens vreselijk afschrikt.

En – zeg nu zelf, wat heeft de wereld eigenlijk aan antroposofie, als die zich uiteindelijk alleen maar wil conformeren aan wat mensen toch al denken en voelen? [2] Is het niet juist de impuls van de antroposofie om “het leven van de wereld in zijn fundamenten te vernieuwen” zoals Rudolf Steiner het in een toespraak voor jongeren in Arnhem ooit kernachtig en daadkrachtig samenvatte?[3]  

Vier wezensdelen

Welke woorden ‘mooi’ zijn is afhankelijk van de context, en als dat een wetenschappelijke context is dan kunnen mooie woorden ook juist de vorm krijgen van een ander ‘jargon’, namelijk dat van de huidige wetenschap (in brede zin). Zo kun je, om de antroposofische ‘leer’ van de vier wezensdelen in een wetenschappelijke context te plaatsen, niet zonder meer gaan spreken van fysiek lichaam, etherlichaam, astraallichaam en ik. Maar je kunt, ogenschijnlijk, best een eind komen door in plaats daarvan te gaan spreken over ‘niveaus van organisatie’. Er is niet alleen fysieke organisatie, zo zeggen we dan, maar levende wezens doen ook aan zelforganisatie (biologische organisatie), en verder is er bij dieren sprake van het niveau van bewustzijn, dat je de organisatie van zintuigindrukken, lust en leed, en impulsen of instinct kunt noemen. En tot slot is er het reflectieve niveau van organisatie waar wij mensen als zelfbewuste wezens over beschikken. Met dergelijke fraseringen kun je algauw goede vrienden worden met een breed scala aan wetenschappers die zich op een of andere manier tegen het heersende materialistische paradigma willen verzetten. Het punt is alleen dat je ook hier dan weer hoogstens een schijnovereenstemming bereikt – in ieder geval doorgaans. Want (en hier spreek ik uit enige ervaring) dergelijke wetenschappers willen weliswaar weg van het materialisme en reductionisme, maar ze willen doorgaans eigenlijk vasthouden aan het beeld van wetenschap en wetenschappelijkheid dat nu heersend is. En in dat beeld past geen bovenzinnelijke wereld. Door die dan een ‘niveau van organisatie’ te noemen creëer je een rookgordijn: zo’n ‘niveau van organisatie’ klinkt geheel wetenschappelijk acceptabel, terwijl wat je onder die term verstaat resoluut afgewezen zal worden.

Mooie woorden zijn als het cadeaupapier waar je datgene waar het om gaat – de inhoud – in verpakt. Een mooi cadeaupapier kan veel mensen aanspreken. Maar de wezenlijke vraag is of ze dat wat ingepakt zit serieus willen nemen. “Antroposofie moet wachten”, zo schreef Rudolf Steiner eens, “of er iemand komt, die haar wil opnemen. Een dwang, of zelfs slechts de wil om de ander te overtuigen, mag hier geen rol spelen.” [4] En dat is wat hier eigenlijk aan de hand is: het is in wezen een poging om een ongewenst cadeau toch op het verjaardagsfeest naar binnen te smokkelen door het in een fleurig papiertje te verpakken en van een mooie strik te voorzien.

Zonder cadeaupapier

Wat dat betreft is het eigenlijk veel vruchtbaarder om ‘met de deur in huis te vallen’, als je benieuwd bent of je gesprekspartner misschien interesse heeft in concrete geesteswetenschap. Als je wilt weten of diegene echt openstaat voor antroposofie, levert een openhartige benadering, dus zonder cadeaupapier, meteen duidelijkheid. Is dat de insteek die je kiest, dan is de vier-ledigheid van de mens misschien juist niet de meest geschikte ingang. Dat lijkt misschien zo, precies omdat je die in algemeen acceptabele termen, zonder antroposofisch jargon, om lijkt te kunnen zetten. Maar als je met de deur in huis wilt vallen, kun je eigenlijk veel beter beginnen bij, bijvoorbeeld, reïncarnatie. Interessant genoeg laat de reïncarnatiegedachte zich namelijk helemaal niet zo gemakkelijk ‘mooi praten’ in termen van organisatieniveaus of iets dergelijks. Dat komt doordat je dan toch echt niet ontkomt aan de concrete voorstelling van de mens als een niet-fysiek maar toch concreet-individueel geestelijk wezen, dat zich na de dood ‘ergens’ in het niet-fysieke – de geestelijke wereld – moet ophouden, om dan later weer opnieuw te incarneren. En daarmee heb je ook meteen de gedachte op tafel gelegd van een concrete, geestelijke werkelijkheid die ingrijpt in de zichtbare, fysieke werkelijkheid – in ieder geval daar waar een mensenkind geboren wordt.

Voor de duidelijkheid: net zoals ik geen vlammend betoog wil houden voor stoffige boekengeleerdheid en wereldvreemdheid, wil ik ook geen vurig pleidooi leveren voor het ongebreideld hanteren van antroposofisch jargon. Want er is niets bekrompeners dan een misplaatst gebruik van jargon. Daar kun je hoogstens mee imponeren, of afschrikken, of pronken – maar niemand schiet er iets mee op, en de antroposofie zelf allerminst. Rudolf Steiner zelf was daar ook niet van gediend. Hij vond het al zeer bedenkelijk dat mensen steeds maar weer hun uitspraken vooraf lieten gaan door fraseringen als “Volgens de antroposofie …” [5] Liever wilde hij dat het woord ‘antroposofie’ überhaupt niet zo veel gebezigd werd.

Dat was alleen geen uitnodiging om in plaats daarvan ‘mooie woorden’ te gaan gebruiken. Het was een uitnodiging tot openhartigheid, een uitnodiging om je direct uit spreken, en je niet te verschuilen achter de kwalificatie “Volgens de antroposofie …” alsof je ‘alleen maar’ weergeeft wat de mening van ‘de antroposofie’ zou zijn. En het was vooral ook een uitnodiging om direct te zeggen waar het je om gaat, en niet in holle frasen te vervallen. “Alleen wie eigenlijk niet echt thuis is in de inhoud, is gebonden aan een of andere terminologie”, merkte Steiner in dit verband verderop. [6] Als je houvast in de woorden ligt, en niet in de inhoud, dan worden de woorden tot ‘jargon’ in de bedenkelijke zin van het woord, tot holle frasen. Als je houvast in de inhoud zelf ligt, dan kun je de woorden kiezen zoals je wilt, omdat je dan steeds kunt zorgen dat het wezenlijke daarin tot uitdrukking komt.

Zo vertelt Rudolf Steiner eens: “Wat denkt u, hoeveel welwillende mensen niet naar mij toe zijn gekomen om te zeggen: ‘ach, dat woord, etherlichaam, dat schrikt de mensen af! Kunnen we niet zeggen: het functionele in het menselijk organisme?’ – Nu heeft dat alleen geen enkele inhoud. Met de frase ‘het functionele in het menselijk organisme’ is helemaal niets gezegd. Terwijl als je spreekt van het etherlichaam, het onderscheid hierin bestaat: voor het fysieke lichaam zijn uiteindelijk alle krachten terug te voeren op krachten die de richting van de zwaartekracht hebben [dus richting de aarde], terwijl in het etherlichaam alle krachten terug te voeren zijn op de periferie [dus richting de kosmos]… Daar heeft u het onderscheid. Maar onder ‘het functionele in het menselijke organisme’ zal niemand dit fundamentele onderscheid verstaan.” [7]

Krachten uit de periferie

‘Het functionele in het menselijk organisme’ heeft, net als het ‘biologische niveau van organisatie’, vrijwel geen inhoud. Het zijn mooie woorden, van de wetenschappelijke variant. Het is uitermate interessant wat Rudolf Steiner in dit citaat als alternatief geeft: “krachten die terug te voeren zijn op de periferie”. Want het ligt erg voor de hand om daarbij te denken: “nou, aan die zinsnede heb ik toch eigenlijk ook niet zo veel!” En zo is het ook: wat met de term ‘etherlichaam’ bedoeld wordt is een inhoud die we vanuit ons zintuiglijke aardebewustzijn helemaal niet zomaar beschikbaar hebben – we nemen immers geen etherlichamen waar. Daarin onderscheiden antroposofische begrippen zich nu juist van de begrippen die we gewend zijn. Het kost moeite om je zulke begrippen eigen te maken. Voor zover dat lukt, kunnen we ons iets gaan voorstellen onder deze ‘krachten die terug te voeren zijn op de periferie’. Wat we ons daar kunnen gaan voorstellen, kunnen we dan ook met het woord ‘etherlichaam’ verbinden. En zodra we dat kunnen, kunnen we vrijelijk het jargon van het ‘etherlichaam’ gebruiken, of niet gebruiken, afhankelijk van de context – zonder dat we het wezenlijke, de inhoud die we ons met moeite verworven hebben, uit het oog verliezen.

Antroposofisch jargon vervangen door mooie woorden heeft geen waarde. Jargon ontstaat omdat woorden nodig zijn die een bepaalde inhoud omvatten. Waar het om moeilijke, gecompliceerde, of ongebruikelijke inhoud gaat, is er al snel het gevaar dat het jargon als holle frase gehanteerd wordt, dus zonder dat daarmee de bedoelde inhoud aan het licht komt. Dat is een kwalijke zaak, en het is zeker waar dat antroposofen zich daar geregeld schuldig aan maken. Datzelfde geldt overigens ook voor andere vormen van jargon, zoals wetenschappelijk jargon – het is bijvoorbeeld opvallend hoe vaak mensen ‘aan de haal gaan’ met neurowetenschappelijk jargon, of met terminologie uit de kwantumfysica. Daar is de antroposofie dus zeker niet uniek in. Het is een hele kunst om antroposofische inhoud in woorden te gieten, en natuurlijk is die inhoud niet essentieel afhankelijk van de ene of andere term, zoals ‘etherlichaam’. Ook dat geldt voor andere vormen van jargon: zo spreekt de atoomfysicus van ‘quarks’, een term die hij natuurlijk zou kunnen weglaten en omschrijven. Het is alleen wel erg handig om aan te sluiten bij het bestaande jargon, zodat mensen de nodige verbanden kunnen leggen, en zich niet onnodig hoeven af te vragen: “heeft hij het nou over quarks …?” Door jargon angstvallig te ontwijken kun je zo ook veel verwarring stichten. En mooie woorden kunnen die verwarring dan hoogstens verdoezelen.

Woorden, of ze nu mooi zijn of lelijk, krijgen hun leven niet vanzelf: het is onze levende mensenziel die de woorden tot levende uitdrukking van de geest kan maken – en dat geldt voor zowel spreker als luisteraar, voor zowel schrijver als lezer.

1 Dit zijn titels van voordrachten op respectievelijk 15 februari 1917 (in GA 66), 3 december 1915 (in GA 65), en 23 november 1911 (in GA 61). Ik kwam hierop door op goed geluk een aantal GA’s met openbare voordrachten open te slaan.

2 Of, zoals Steiner het zelf formuleert: “Als je voor de mensen de antroposofie gaat inkleden in ‘wat de pastoor ook zegt’, dan weten de mensen helemaal niet meer, wat je nu eigenlijk van ze wil.” (GA 260, p.90). De pastoor speelt intussen uiteraard niet meer de rol die deze in Steiners tijd en context speelde. Maar het principe is hetzelfde.

3 Deze uitspraak deed Steiner in een toespraak voor jonge mensen in Arnhem, op 20 juli 1924. In GA 217a (p.183).

4 GA 260a, p.42. “An die Mitglieder! II. Das rechte Verhältnis der Gesellschaft zur Anthroposophie”, in het Nachrichtenblatt, 27 januari 1924.

5 In dit verband vertelt Rudolf Steiner eens dat hij bij wijze van experiment in geen van zijn voordrachten tijdens het grote West-Oost-congres in Wenen in 1922 het woord ‘antroposofie’ gebruikt heeft (zie GA 257, p.136).

6 GA 260, p.89. Bij een vergadering van bestuur en secretarissen-generaal tijdens de Kerstbijeenkomst op 25 december 1923.

7 GA 260, p.90.

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3122-2935

.

.

.