VRIJESCHOOL – Opspattend grind (21)

opspattend grind

Toen ik op de vrijeschool Den Haag mijn werk voor de klas begon, zaten alle klassen van 1 t/m 12 onder één dak. Ook de kleuters waren heel dichtbij.

Leerkrachten van de bovenbouw (de middelbare school) gaven ook les in de lagere klassen en zo leerde je als 1e-klasser je ‘muziekmeneer’ kennen bij wie je later in het bovenbouwkoor zong.

Dat ‘later’ was voor de kleinere kinderen iets om eerbiedig naar te kijken: in de 10e klas mocht je bij een maandfeest op het grote podium salto’s maken en met advent stonden de ‘grote meisjes en jongens’ (11e, 12e klas) langs de trap en zongen zacht prachtige liederen, terwijl de ‘kleintjes’ stilletjes aan hen voorbij liepen naar de grote zaal.

De leerlingen van de bovenbouw kregen de vrijeschoolvakken optimaal; er werd laat gesplitst naar mavo/havo/vwo; vroege keuzes voor een ‘pakket’ hoefden niet te worden gemaakt; de examendruk was mild: er was een ’13e klas’ waarin je eindexamen deed.

Maar het spook van de onderwijsvernieuwing (die steeds maar bleek geen echte vernieuwing te zijn) ging ook niet aan de vrijescholen voorbij: in Den Haag bijv. verdween het ‘alles-onder-één-dak’ principe.

En wat vermeldt Trouw op 27-02-2016:

amsterdam wil school voor 0 – 18-jarigen

“Amsterdam wil meer experimenteren met nieuwe schoolvormen. De onderwijsplannen van het kabinet gaan niet ver genoeg, zei het gemeentebestuur gisteren. Zo wil Amsterdam kijken of een school kan worden opgezet voor nul tot achttien jaar.
‘Dat is een behoefte van ouders en schoolmakers. Geen scheiding tussen kinderopvang en basisschool en tussen basisschool en middelbaar onderwijs. Kinderen hoeven geen vroege keuze te maken. Ze hebben hun hele jeugd dezelfde leraren in dezelfde omgeving’, zegt een woordvoerder.”

alle grindjes

1050-973

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (9)

.

HUIS IN UR UIT DE DAGEN VAN ABRAHAM

leven O.T. 51De tekening stelt een huis voor uit de dagen van Abraham, zoals de geleerde Woolley zich dit voorstelt op grond van opgravingen in het Bijbelse Ur.
Deze huizen, na 2100 gebouwd en verwoest in 1885 voor Christus, tonen hoe Abraham en zijn vaderen, in Ur een stad gekend hebben, die een hoge beschaving toonde: de huizen spreken van behaaglijkheid en weelde.
De ingezetenen van Ur woonden in huizen opgebouwd uit tegels, overdekt met een pleisterlaag en witte kalk. De vertrekken waren om een binnenplaats: daardoor kreeg het huis licht en lucht. Want langs de nauwe, hoekige, ongeplaveide straten hadden de huizen blinde muren zonder vensters. Door de voordeur ging men van de straatkant in een voorvertrek (v) waarin een watergoot was, opdat de bezoeker zich handen en voeten kon wassen en vandaar kwam men op de binnenplaats (b), of binnenhof. Deze was belegd met gebakken tichelsteen (a, a); het voegwerk was in Babylonië vaak asfalt; in de Statenvertaling genoemd lijm (Genesis 11 : 3). Terzijde, rechts was de trap (c) die naar de galerij (e) leidde, welke toegang gaf tot de vertrekken van de bovenverdieping. Het geheel werd afgedekt met een plat dak (ƒ), waarbij gezorgd was, het dak in de richting van de binnenhof een weinig te laten hellen. De galerij rustte op houten palen (p), die soms steunden op neuten (n).
[Ook de grote huizen der aanzienlijken in Israël hadden zulke palen, in de Statenvertaling genoemd balken (Hab. 2 : 11) of pilaren (Spr. 9 : 1)].
Op de vloer van de binnenhof staan twee grote kruiken (d), die blijkens het onderzoek van de vorm gemaakt zijn op de draaischijf van de pottenbakker (en dus niet uit de hand gevormd zijn).
Bij het onderzoek van de vloeren bleek, dat men vaak de doden hier begraven had onder een leemkist in de vorm van een omgekeerde badkuip. Deze gewoonte: iemand begraven in zijn huis heeft een parallel in 1 Samuël 25 : 1 en 1 Kon. 2 : 34. Prof. De Groot schrijft in zijn verklaring: Bij de opgravingen te Gezer en te Jericho heeft men dit ook geconstateerd; in Gezer voor de Kanaänitische, in Jericho zelfs voor de Joodse tijd.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1049-972

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Willem de Veroveraar

.

Willem de Veroveraar

Het linkerprofiel van Willem de Veroveraar op een zilveren penny. De munt werd waarschijnlijk in 1068 geslagen. Het ontwerp is toegeschreven aan Theodoric.

Willem, hertog van Normandië, was een van de veroveraars die in de 11e eeuw de kaart van Europa drastisch wijzigde. De Normandiërs waren de afstammelingen van de Vikingen, die aan het begin van de 10e eeuw het hertogdom hadden gesticht. Tegen 1100 hadden ze Zuid-Italië op de vroegere Longobardische en Byzantijnse overheersers veroverd. Ze begonnen na de Eerste Kruistocht al nieuwe staten te stichten in Syrië en Palestina.

Deze harde en oorlogszuchtige mannen hadden een groot talent voor regeren. Na de slag bij Hastings in 1066 werd Willem heer en meester van één van de best bestuurde koninkrijken in Europa. Hij bouwde op deze basis verder. Toen hij stierf, liet hij een voor die tijd op unieke wijze georganiseerde staat na.

Willem was de onwettige zoon van Robert I van Normandië en Herleva, de dochter van een rijke inwoner van Falaise. Hertog Robert stierf toen zijn zoon nog maar acht jaar was. Onmiddellijk ontstond er rond de jongen een golf van geweld en intrige. Drie van zijn raadslieden werden vermoord en aan datzelfde lot kon de jonge Willem ternauwernood ontsnappen.

Op zijn zestiende jaar kreeg de jonge hertog Willem al te maken met een algemene opstand. Het was duidelijk, dat hij op militair gebied zeer begaafd was. Maar toch moest hij de hulp inroepen van koning Hendrik I van Frankrijk. Tijdens de vijf jaar daarna kwam Willem naar voren als een kundig leider.

In plaats van met een dankbare trouwe vazal, zag Hendrik zich geconfronteerd met een machtige buur. Zijn pogingen om de Normandische staat te ontmantelen faalden. Na de dood van de Franse koning Hendrik I in 1060 breidde Willem zijn gebied uit met het aangrenzende graafschap Maine. Hij had bewezen, dat hij de meester was in het roerigste gebied van Frankrijk. Zijn Engelse avontuur stond op het punt te beginnen.

Engeland werd geregeerd door Eduard de Belijder. Deze koning was kinderloos. Tijdens de regering van Kanoet had Eduard als banneling in Normandie geleefd. Toen hij koning werd, had hij Normandiërs als raadsheren aangesteld. In 1051 wees hij Willem officieel als zijn troonopvolger aan. In 1053 trouwde Willem met Matilda, die afstamde van Alfred de Grote van Engeland. Maar er waren in Engeland allerlei ontwikkelingen waardoor Harold Godwinson op de voorgrond kwam. In de 60-er jaren van de elfde eeuw had hij een goede kans, door middel van verkiezingen tot koning te worden gekozen. Toen leed Harold in 1064 voor de kust van Normandië schipbreuk. Hij werd als ‘gast’ meegenomen naar het hof van Willem. Volgens zeggen werd hij daar door een list overgehaald om te zweren, dat hij Willems aanspraken op de Engelse troon zou steunen. Koning Eduard stierf en in januari 1066 werd Harold tot koning gekozen.

Ondanks de tegenstand van zijn eigen raadgevers begon Willem op grote schaal voorbereidingen te treffen voor de invasie van Engeland. Hij bouwde een vloot om zijn manschappen te vervoeren. Hij rekruteerde huursoldaten uit Bretagne, Vlaanderen en uit andere streken. Hij kreeg voor zijn oorlog tegen een ‘meineed-plegende overweldiger’ de pauselijke zegen. Door de harde tegenwind werden zijn troepen gedwongen om de hele zomer van 1066 in Normandië te blijven.

Intussen had Harold langs de hele Engelse Kanaalkust mannen en schepen geposteerd. In september kreeg hij het bericht dat Noorse troepen in het noorden aan land waren gegaan. Hij marcheerde met zijn leger zo snel noordwaarts, dat hij de Noren en hun bondgenoten kon verrassen. Hij vernietigde hen op 25 september 1066 in de slag van Stamford Bridge. Maar in het zuiden was de wind gedraaid. Willem kon zonder tegenstand bij Pevensey aan land gaan.

Harold en zijn keurtroepen haastten zich terug naar Londen. Op 13 oktober 1066 sloegen ze hun kamp op bovenop een heuvel in de buurt van de tegenwoordige stad Battle. Daar hadden ze moeten wachten op versterkingen die onderweg waren. Harolds mannen waren eigenlijk ook te moe om direct weer ten strijde te trekken. Maar Harold besloot, de volgende ochtend om negen uur het gevecht met de indringers aan te gaan. De Engelsen hielden de hele dag stand. Tegen het vallen van de avond deden de legers van Willem alsof ze op de vlucht sloegen. De Engelsen verlieten hun slagorde om hen te achtervolgen. Maar de troepen van Willem verzamelden zich weer. De list slaagde. De Engelsen werden overwonnen en Harold sneuvelde.

De veertigjarige overwinnaar was wreed, hebzuchtig, meedogenloos en mateloos ambitieus. Maar hij was ook een dapper en vindingrijk leider. Hij werd één van Engelands grootste koningen. Vanaf Hastings rukte hij op naar Londen. In de zuidelijke streken liet hij een spoor van verwoesting en dood achter. Hij werd op Kerstdag 1066 in de Abdij van Westminster tot koning gekroond. Er volgden opstanden in 1069, 1072 en 1075, die allemaal werden neergeslagen. Midden-Engeland en het noorden werden door Willem de Veroveraar zo verwoest, dat het land 50 jaar nodig had om zich weer enigszins te herstellen. Willem verdeelde het land en de bezittingen van de verslagen Engelse adel onder zijn volgelingen. Maar de nieuwe Normandische machthebbers kregen maar heel kleine leengoeden, waardoor het voor hen heel moeilijk werd machtsblokken te vormen. Er werden kastelen gebouwd om vandaaruit het vijandige land in bedwang te houden. De grootste van die kastelen waren dat van de koning in Windsor en de Tower van Londen. Aan het eind van zijn regering gaf Willem het bevel om overal landmetingen te verrichten en daarvan aantekeningen te maken. Dit werd bij de Engelsen bekend als het Domesday Book. Het was een omvangrijk en uniek document. Het had zonder het bestuurlijk apparaat dat Willem van zijn voorgangers erfde, nooit tot stand kunnen komen. Willem sneuvelde terwijl hij zijn vijanden in Normandië bestreed. Tijdens zijn regering had de Engelse samenleving een nieuwe vorm gekregen.

Bayeux

Een deel van het beroemde wandkleed van Bayeux. Het toont de Normandiërs die op weg zijn naar de zuidkust van Engeland, enige tijd voor de Slag bij Hastings. Na de nederlaag van de Engelsen en de dood van koning Harold bij Hastings, trokken de troepen van Willem de Veroveraar een spoor van dood en verwoesting door Zuid-Engeland. Daarna werd Londen veroverd. Het wandkleed van Bayeux werd waarschijnlijk aan het eind van de 11e eeuw door Engelse naaisters geweven in opdracht van Odo, de bisschop van Bayeux en halfbroer van Willem de Veroveraar.

alle biografieën

1048-971

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 309 – inhoudsopgave

RUDOLF STEINER

UITGANGSPUNTEN VAN HET VRIJESCHOOLONDERWIJS

5 voordrachten gehouden in Bern van 13 tot 17 april 1924, met beantwoording van vragen en een toespraak bij een uitvoering van pedagogische euritmie.
Dornach 1972 [1]

Inhoudsopgave 1e voordracht 13 april 1924:
Om uit de sociale chaos te geraken, moeten we de ziel van mens spiritueel opvoeden. Het geërfde lichaam als model voor het nieuwe organisme.
Het kind is helemaal zintuig.
Bij het kind gaat al het zielsmatige over in het lichaam.
Circulatiestoornissen in het 40e, 50e jaar als gevolg van een cholerisch temperament van de opvoeder.
Hersenzwakte als gevolg van flegma.
Gebrek aan vitaliteitskracht als gevolg van het sanguinische temperament.
We moeten het kind levende begrippen bijbrengen.

Inhoudsopgave 2e voordracht 14 april 1924:
Uit een natuurwetenschappelijke overtuiging kan geen echte menskunde komen. Wakker is een winteractiviteit in het organisme, slapen zomeractiviteit. Voorstellingsoefeningen om het denken te ontwikkelen. Denken in het etherlijf. Het kind is een nabootsend wezen; er leeft natuurreligie in hem. Het neemt in gebaar en blik de moraliteit van de omgeving waar.

Inhoudsopgave 3e voordracht 15 april 1924:
Metamorfosen in het leven. Opleiding: boetseren ontwikkelt gevoel voor ruimte. Begrijpen van het astraallijf door innerlijk muziek te begrijpen. Begrijpen van het Ik door innerlijk begrijpen van spraak. De scheiding van geheugenvorming het etherlijf bij de tandenwisseling. Nu moet in het onderwijs werkzaam zijn wat beeldend is.

Inhoudsopgave 4e voordracht 16 april 1924:
Het zelfstandig worden van ziel en geest in het kind. Na de tandenwisseling werkt de autoriteit van de leerkracht. Uitgaan van het geheel bij optellen. Na de puberteit wordt het lot beleefd. Plant- en dierkunde.

Inhoudsopgave 5e voordracht 17 april 1924:
Tegen het 12e jaar ontwikkelt zich pas het gevoel voor causaliteit; nu kan natuurkunde/scheikunde aangeleerd worden. Met de puberteit ontwaakt pas het intellect. Invloed van maan- en zonnekracht op de plantengroei.

Vragenbeantwoording na de voordracht van 15 april 1924

Vragenbeantwoording na de voordracht van 16 april 1924

Vragenbeantwoording na de voordracht ‘Pedagogie en geneeskunde’ door Dr.Kolisko op 17 april 1924

Toespraak voor een opvoering van pedagogische euritmie op 14 april 1924

Verwijzingen
Deze worden bij de vertaling per bladzijde weergegeven.

[1] Anthroposophische Pädagogik und ihre Voraussetzungen GA309)

Steiner: alle pedagogische voordrachten

Steiner: alle artikelen op deze blog

.

1047-970

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 309 – voordracht 1

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom): pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

alle pedagogische voordrachten

GA 309: vertaling
inhoudsopgave;  voordracht  [2]   [3]  [4]  [5]
vragenbeantwoording (1)
vragenbeantwoording  (2)
vragenbeantwoording (3}
toespraak 

RUDOLF STEINER

UITGANGSPUNTEN VAN HET VRIJESCHOOLONDERWIJS

5 voordrachten gehouden in Bern van 13 t/m 17 april 1924, met beantwoording van vragen en een toespraak bij een pedagogische euritmie-opvoering.(1)

Inhoudsopgave 1e voordracht 13 april 1924:
Om uit de sociale chaos te geraken, moeten we de ziel van de mens spiritueel opvoeden. Het geërfde lichaam als model voor het nieuwe organisme. Het kind is helemaal zintuig. Bij het kind gaat alles van de ziel over op het lichaam. Circulatiestoornissen in het 40e, 50e jaar als gevolg van een cholerisch temperament van de opvoeder. Hersenzwakte als gevolg van flegma. Gebrek aan vitaliteitskracht als gevolg van het sanguinische temperament. We moeten het kind levende begrippen bijbrengen.

1e voordracht, Bern, 13 april 1924 (2)

blz.7:
.
Sehr verehrte Anwesende, vor allen Dingen möchte ich für die freund­liche und liebevolle Begrüßung meinen herzlichen Dank aussprechen. Ich durfte ja gerade aus dem Gebiet anthroposophischer Weltanschau­ung heraus von diesem Ort hier in Bern seit vielen Jahren reden. Und es ist ja auch hier eine Gruppe anthroposophischer Freunde, welche für die Pflege anthroposophischer Weltanschauung ihre Opfer bringen und ihre Persönlichkeit einsetzen. Das alles scheint mir in die Empfin­dungen aufgenommen werden zu müssen, wenn ich für die liebevollen Worte, die hier gesprochen worden sind, herzlichen Dank sage. Denn es gewährt mir schon eine ganz besondere Befriedigung, nachdem ich so oftmals hier in Bern über Anthroposophie im allgemeinen gespro­chen habe, über das pädagogische Gebiet aus dem Geiste der Anthro­posophie heraus nunmehr sprechen zu können, jenes Gebiet, das ja vor allen Dingen den Menschen auf dem Herzen liegen muß. Denn wieviel hängt ab davon, daß tatsächlich gewonnen werden könne eine solche Kunst der Erziehung und des Unterrichts, daß die Menschen erstens über manches hinauskommen, was ja in deutlicher Weise zeigt, wie sehr wir in den letzten Jahren und Jahrzehnten in eine Art sozialen Chaos hineingekommen sind.

Geachte aanwezigen, allereerst zou ik mijn hartelijke dank uit willen spreken voor de vriendelijke en liefdevolle begroeting.
Ik mocht op het gebied van de antroposofische wereldbeschouwing hier in Bern vanaf deze plaats al sinds jaren spreken.
En ook hier is er een groep antroposofische vrienden die voor het onderhouden van de antroposofische wereldbeschouwing hun offers brengen en hun persoonlijkheid inzetten. Dat alles lijkt mij in het gevoel opgenomen te moeten worden, wanneer ik voor de liefdevolle woorden die hier gesproken zijn, van harte dank zeg.
Want het geeft mij een heel tevreden gevoel dat ik, nadat ik hier in Bern dikwijls over antroposofie in het algemeen gesproken heb, nu meer op pedagogisch gebied vanuit de antroposofische gedachtewereld te kunnen spreken, het gebied dat bovenal de mens na aan het hart moet liggen. Want hoeveel hangt er niet vanaf, dat daadwerkelijk een dergelijke opvoed- en onderwijskunst ontwikkeld wordt; zodat de mensen weer veel te boven komen van wat op een duidelijke manier laat zien hoe zeer we de laatste jaren en decennia in een soort sociale chaos terecht zijn gekomen.

Und aus diesem sozialen Chaos wird ja kaum etwas anderes herausführen können, ja man möchte sagen, ganz gewiß nicht etwas anderes herausführen können, als lediglich, wenn es uns gelingt, in die Seelen der Menschen Geistigkeit hinein zu erziehen, so daß die Menschen aus dem Geiste heraus den Weg finden zum Fort­schritt, zur Fortentwickelung der Zivilisation aus dem Geiste heraus; was uns so vertrauensvoll aus dem Grunde ansprechen muß, weil ja schließlich die Welt im Geiste und aus dem Geiste heraus geschaffen ist, und so auch menschliches Schaffen nur aus dem Urquell des Geistes heraus fruchtbar geschehen kann. Will aber der Mensch zu solchem fruchtbaren Schaffen aus dem Geiste heraus kommen, so muß er im Geiste erzogen und unterrichtet werden. Weil ich nun glaube, daß An­throposophie in der Tat manches zu sagen hat über Erziehungs- und

En wat ons uit deze sociale chaos zou kunnen leiden, kan nauwelijks iets anders zijn – ik zou willen zeggen – kan zeker niet iets anders zijn – dan enkel en alleen, als het ons lukt, de mens bij de opvoeding, voor zijn ziel iets van de geest mee te geven, zodat de mensen vanuit de geest de weg kunnen vinden naar vooruitgang, naar een verdere ontwikkeling van de cultuur, vanuit de geest; wat ons vanuit zo’n vertrouwd gevoel zou moeten aanspreken, omdat tenslotte de wereld in en vanuit de geest geschapen is en derhalve ook het menselijk scheppen slechts uit de oerbron van de geest vruchtbaar kan gebeuren. Wil echter de mens tot zo ’n vruchtbaar creëren vanuit de geest komen, dan moet hij in deze geest opgevoed en onderwezen worden. Omdat ik erin geloof dat antroposofie inderdaad veel te zeggen heeft over opvoeding en

blz 8:

Unterrichtswesen, gereicht es mir zur tiefen Befriedigung, hier diesen Kursus halten zu können, und aus dieser Befriedigung heraus ist mein Dank für die freundlichen, liebevollen Begrüßungsworte ausgesprochen.
Nun, es fühlen heute zahlreiche Menschen überall in der Welt, daß das Erziehungs-, das Unterrichtswesen in einem gewissen Sinne einen neuen Einschlag erhalten muß. Nicht, als ob nicht außerordentlich viel geschehen wäre im Laufe des an Fortschritten so fruchtbaren 19. Jahr­hunderts gerade für das Unterrichts- und Erziehungswesen, sondern vielmehr aus dem Grunde, weil die neuere Zivilisation eine Richtung genommen hat, welche eigentlich den Menschen wenig an den Men­schen herankommen läßt. Wir haben seit Jahrhunderten die großartig­sten Fortschritte zu verzeichnen auf dem Gebiet der Naturwissenschaft und auf den Gebieten der Technik, die aus den Naturwissenschaften heraus erblühten. Wir haben auch gesehen, wie eine Art Weltanschau­ung aus diesen naturwissenschaftlichen Fortschritten heraus sich all­mählich in der Zivilisation niedergeschlagen hat. Wir haben auch ge­sehen, wie eine Art Weltanschauung aus diesen naturwissenschaftlichen Fortschritten heraus sich allmählich in der Zivilisation niedergeschla­gen hat.

onderwijs, verschaft het mij een diepe tevredenheid hier deze cursus te kunnen houden en vanuit dit tevreden gevoel spreek ik mijn dank voor de vriendelijke, liefdevolle begroetingswoorden uit.
Welnu, tegenwoordig voelen talloze mensen overal in de wereld dat opvoeding en onderwijs in zekere zin een nieuwe impuls nodig heeft. Niet, dat er niet buitengewoon veel gebeurd zou zijn in de loop van de 19e eeuw wat vooruitgang betreft, m.n. op het gebied van opvoeding en onderwijs, maar veel meer omdat de nieuwere cultuur in een richting ging waarbij de mens eigenlijk maar weinig bij het menselijke uitkomt. We hebben sinds eeuwen de geweldigste vooruitgang te vermelden op het gebied van natuurwetenschap en techniek die opbloeiden vanuit de natuurwetenschappen. We hebben ook gezien hoe er langzamerhand een soort wereldbeschouwing uit deze natuurwetenschappelijke vooruitgang in de cultuur ontstaan is.

Wir haben gesehen, wie das Weltgebäude einschließlich des Menschen gedacht wird im Sinne desjenigen, was die Sinne über die Naturerscheinungen und Naturwesen lehren, und was der an das Ge­hirn gebundene Verstand über die Sinneswelt auszusagen vermag. Allein, was noch nicht eine klare, deutliche Erkenntnis heute ist, un­zählige Menschen fühlen es, wollen es sich oftmals nur nicht gestehen, daß man mit all denjenigen Erkenntnissen, die die neuere Zeit gewon­nen hat über den großen Umkreis der Natur, eigentlich nicht an den Menschen herankommen kann.
Und dieses Nicht-herankommen-Können, es muß ja ganz besonders gefühlt werden, wenn herangekommen werden soll an den werdenden Menschen, an das Kind. Daß etwas Fremdes sich gerade hineinschiebt zwischen den Lehrenden, Unterrichtenden und das Kind, das wird empfunden. Anthroposophie möchte auf der Grundlage wahrer und umfassender Menschenerkenntnis diesem Herzensruf, der von so vielen Seiten kommt, Rechnung tragen; Rechnung tragen in der Art, daß sie nicht irgendwie Theorien aufstellt über Pädagogik und Didaktik, sondern

We hebben gezien hoe er over de wereld, met inbegrip van de mens, gedacht wordt in de geest van wat de zintuigen over de natuurverschijnselen en natuurwezens zeggen en wat het aan de hersenen gebonden verstand over de zintuigelijke wereld te vertellen heeft. Alleen, wat tegenwoordig nog geen heldere, duidelijke kennis is, talloze mensen voelen dat, laten het vaak bij zichzelf niet toe, dat je met al de kennis die er in de nieuwe tijd ontstaan is op het grote gebied van de natuur, eigenlijk de mens niet kan bereiken.
En dit ‘er niet bij kunnen komen’ wordt men in het bijzonder gewaar, als men de wordende mens moet bereiken, het kind. Dat er iets vreemds tussen de leerkracht en het kind schuift, dat wordt gevoeld. Antroposofie zou op basis van echte en omvattende menskunde met die hartenkreet die van zo veel kanten komt, rekening kunnen houden, maar dan zo dat ze niet een of andere theorie over pedagogiek en didactiek opstelt, maar

blz. 9:

Rechnung tragen in dem Sinne, daß sie unmittelbar den Menschen dahin bringt, in die Schulpraxis einzugreifen. Anthroposophische Päd­agogik ist eigentliche Schulpraxis. Daher müßte man im Grunde ge­nommen, wenn man über anthroposophische Pädagogik reden will, die einzelnen praktischen Handhabungen im Unterricht vielleicht bei­spielsweise besprechen, allein da würde zunächst der Geist, aus dem das alles herausgeboren ist, sich nicht offenbaren können. Daher müs­sen Sie es mir schon gestatten, daß ich heute wenigstens einleitungs­weise spreche über diesen Geist anthroposophischer Pädagogik aus um­fassender Menschenerkenntnis heraus, aber auch aus eindringlicher Menschenerkenntnis aus dem anthroposophisch-pädagogischen Wirken.
Eindringliche Menschenerkenntnis! Was hat man sich darunter vor­zustellen? Wenn man dem Menschen, namentlich dem werdenden Men­schen, dern Kinde, wie ich schon sagte, gegenübertritt, kann man nicht auskommen damit, daß man gewisse Regeln hat darüber, wie es gut ist, zu erziehen und zu unterrichten, und dann sich etwa nach diesen Re­geln richten will, wie man die Sache in der Technik tun kann. Das führt niemals zu einer wirklichen Schulpraxis.

zo, dat ze meteen de mens zover brengt dat deze in de praktijk van het schoolleven kan iets kan doen. Antroposofische pedagogie is eigenlijk de manier van doen in de school. Daarom zou je, wanneer je basaal over antroposofische pedagogie wil spreken, de afzonderlijke praktische toepassingen in het onderwijs, wellicht als voorbeeld, moeten bespreken; alleen daarin kan de geest waaruit alles ontstaan is, zich niet meteen manifesteren. Vandaar dat u mij eerst moet toestaan dat ik vandaag op z’n minst als inleiding spreek over deze geest van de antroposofische pedagogie, vanuit een omvattende menskunde, maar ook vanuit een  diepgaande menskunde vanuit het antroposofisch-pedagogisch werk.
Diepgaande menskunde! Wat moet je je daarbij voorstellen? Wanneer je de mens, met name de wordende mens, het kind zoals ik zei, tegemoet treedt, heb je er niet genoeg aan dat je bepaalde regels hebt die bepalen dat het goed is om zó op te voeden, les te geven; dat je je dan aan deze regels wil houden om die technisch uit te voeren. Dat leidt nooit tot een echte praktijk op school.

Zur Schulpraxis braucht man im Handhaben des Unterrichts, im Handhaben der Erziehung inneres Feuer, inneren Enthusiasmus; man braucht Impulse, die nicht verstandesmäßig nach Regeln von dem Lehrenden und Erziehenden auf das Kind übergehen, sondern die in intimer Weise hinüberwirken von dem Erziehenden oder Lehrenden auf das Kind. Der ganze Mensch muß als Erzieher wirken, nicht bloß der denkende Mensch; der füh­lende Mensch muß es, der wollende Mensch muß es.
Die naturwissenschaftliche Gesinnung und Weltanschauung ist viel mehr der neueren Menschheit in die Glieder gefahren, als man denkt. Auch derjenige, der keine besondere Bildung in Naturwissenschaft hat, denkt, fühlt und will eigentlich, man möchte sagen, auf naturwissen­schaftliche Art. Das kann man in der Schule eben nicht; denn mit dieser naturwissenschaftlichen Art, mit dieser naturwissenschaftlichen Ge­sinnung erreicht man nur ein Glied der menschlichen Wesenheit: den physisch-sinnlichen Leib. Aber das ist eben nur ein Glied dieser mensch­lichen Wesenheit. Und gerade Anthroposophie zeigt, daß der ganze Mensch von einer wahren Menschenerkenntnis angeschaut werden

Voor de praktijk heb je in het geven van onderwijs, in het opvoedend bezig zijn, innerlijk vuur, innerlijk enthousiasme nodig; je hebt impulsen nodig die niet vanuit het verstand volgens regels van de opvoeder en onderwijsgevende op het kind overgaan, maar die op een intieme manier van de opvoeder of leerkracht op het kind werken. De hele mens moet opvoeder zijn, niet alleen de denkende mens; de voelende mens moet het zijn, de willende mens. De natuurwetenschappelijke gezindheid en wereldbeschouwing zit de nieuwere mensheid meer in het bloed dan je denkt. Ook degene die geen speciale natuurwetenschappelijke vorming heeft, denkt, voelt en wil eigenlijk, zou je kunnen zeggen, natuurwetenschappelijk. Dat gaat op school niet; want op deze natuurwetenschappelijke manier, met deze natuurwetenschappelijke gezindheid bereik je slechts een deel van het mensenwezen: het fysiek-zintuigelijke lichaam. Maar dat is maar een deel van het mensenwezen. En juist antroposofie laat zien, dat de hele mens door een echte menskunde gezien kan worden als

blz. 10:

kann nach drei deutlich voneinander unterschiedenen Gliedern: nach dem körperlichen, physischen Glied, nach dem seelischen Gliede, nach dem geistigen Gliede. Und nur dann sehen wir auf den ganzen Menschen hin, wenn wir ebensoviel Sinn und Erkenntnisfähigkeit haben, die Seele zu erkennen in ihrer ursprünglichen Eigenart wie den physischen Leib; und wenn wir weiter ebensoviel Sinn und Erkenntnisfähigkeit haben, den Geist im Menschen als selbständige Wesenheit zu erkennen. Aber im Kinde sind eben auf andere Art Leib, Seele und Geist miteinander verbunden als später beim erwachsenen Menschen. Und gerade dieses Heraustreten aus der Verbindung mit dem physischen Leibe läßt die Beobachtung von Seele und Geist am Kinde, ich möchte sagen, als das größte Erkenntnis- und lebenspraktische Wunder im menschlichen Da­sein erkennen. Sehen wir einmal auf das kleine Kind hin, wie es in die Welt her­eingeboren wird. Zauberhaft ist es, wie in die unbestimmten Gesichts­züge, in die chaotischen Bewegungen, in all dasjenige, was von dem Kinde ausgeht und noch nicht zusammenzugehören scheint, wie in all das, hervorquellend aus dem tiefsten Inneren, Geist getragen wird; wie Ordnung hineinkommt in den Blick, in die Bewegung der Gesichts-glieder und die anderen Glieder des menschlichen Leibes, wie immer ausdrucksvoller und ausdrucksvoller die Gesichtszüge werden; wie im­mer mehr in Auge und Gesichtszügen der aus dem Inneren an die Ober­fläche arbeitende Geist sich zeigt, die das ganze Leibliche durchdrin­gende Seele sich offenbart.

drie duidelijk van elkaar te onderscheiden delen: het lijfelijke, lichamelijke deel; het psychische deel en het geestelijke deel. En pas dan kijken we naar de totale mens, wanneer we evenveel bewustzijn en kenvermogen hebben om de ziel te kennen in haar oorspronkelijke eigenaard als het fysieke lichaam; en wanneer we tevens net zo veel bewustzijn en kenvermogen hebben de geest in de mens als een zelfstandig iets te kennen. Maar in een kind zijn wel lichaam, ziel en geest op een ander manier met elkaar verbonden dan later bij de volwassen mens. En juist het tevoorschijn komen uit de verbinding met het fysieke lichaam doet het waarnemen van ziel en geest bij het kind, ik zou willen zeggen, zich als het grootste wonder van kennis en het grootste wonder in de praktijk van het leven in het menselijk bestaan, kennen.
Laten we eens kijken naar het kleine kind, hoe het op de wereld geboren wordt. Prachtig is het, hoe in de ongevormde gezichtstrekken, in de chaotische bewegingen, in alles wat uit het kind komt en toch niet bij elkaar schijnt te horen; hoe in alles wat uit het diepste innerlijk opwelt, de geest zijn intrede doet, hoe er ordening komt in de blik, in de bewegingen van het gezicht en in de andere delen van het menselijk lichaampje; hoe de gezichtstrekken steeds meer uitdrukking krijgen; hoe steeds meer in de ogen en de gezichtstrekken de uit het innerlijk naar buiten toe werkende geest zich laat zien, hoe de ziel zich openbaart die heel het lichamelijke doordringt.

Wie das alles geschieht, das kann derjenige, der unbefangen und ernsten Sinnes solches zu betrachten vermag, nicht anders ansehen, als indem er gerade durch das, was das werdende Kind ihm sagt, mit scheuer Ehrfurcht hineinblickt in die Wunder und Rätsel des Welten- und des menschlichen Daseins.
Und wenn wir sehen, wie dieses Kind sich entwickelt, so zeigt sich uns wiederum, wie das Leben dieses Kindes gegliedert ist in einzelne Lebensepochen, die deutlich voneinander unterschieden sind, die nur gewöhnlich nicht unterschieden werden, weil sie in intimer Erkennt­nis unterschieden werden müssen, und weil man heute aus den groben naturwissenschaftlichen Begriffen heraus sich nicht gern zu solch in­timer Erkenntnis bequemt.

Hoe dat allemaal gebeurt, kan degene die onbevangen en met een ernstige stemming zoiets kan waarnemen, op geen andere manier zien dan wanneer hij, juist door wat het wordende kind hem te zeggen heeft, met gepaste eerbied zicht krijgt op de wonderen en raadsels van het wereld- en mensenbestaan.
En wanneer we zien hoe dit kind zich ontwikkelt, wordt ons opnieuw getoond hoe het leven van dit kind ingedeeld is in afzonderlijke levensfasen die duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn, die gewoonlijk niet onderscheiden worden, omdat ze met een subtiele kennis onderscheiden moeten worden en omdat men tegenwoordig vanuit de ongenuanceerde natuurwetenschappelijke begrippen zich niet zo graag opwerkt tot zo’n subtiele kennis.

blz. 11:

Ein erster bedeutsamer Umwandlungsprozeß geht mit dem Kinde vor sich ungefähr um das 7. Jahr herum, wenn das Kind die zweiten Zähne bekommt. Schon der äußere physische Prozeß dieses Zweite­Zähne-Bekommens ist ja interessant genug: wie sie da sind, die er­sten Zähne, die anderen sich nachschieben, wie die ersten ausgesto­ßen werden. Solange man nur oberflächlich diesen Vorgang ansieht, kann man beim Zahnwechsel stehenbleiben. Wenn man aber tiefer hin­einschaut mit den Mitteln, die gerade in diesem Kursus besprochen werden sollen, wird man gewahr, wie da, wenn auch in feinerer Weise als beim Zahnwechsel selber, in dieser Umwandlungsphase durch den ganzen Körper des Kindes etwas vorgeht. Dasjenige, was nur in gröb­ster, radikalster Weise im Zahnwechsel sich zeigt, das geht eigentlich im ganzen Körper vor sich. Denn, was geschieht da eigentlich? Sie kön­nen ja alle sehen, wie eigentlich der menschliche Organismus sich ent­wickelt: Sie schneiden sich die Nägel, Sie schneiden die Haare, Sie fin­den, daß die Haut abschuppt. Das alles zeigt, daß an der Oberfläche physische Substanz abgestoßen wird, und daß sie von innen heraus nachgeschoben wird.

Een belangrijk veranderingsproces vindt met het kind plaats ongeveer rond het 7e jaar, wanneer het kind zijn blijvende tanden krijgt. Alleen het uiterlijke fysieke proces van dit wisselen is al interessant genoeg: daar zijn ze, die eerste blijvende tanden, de andere komen later; hoe de eerste naar buiten gedrukt worden. Zolang je slechts oppervlakkig naar dit proces kijkt, kun je bij de tandenwisseling blijven stilstaan. Wanneer je echter verder kijkt met de middelen die m.n. in deze cursus besproken zullen worden, word je gewaar, hoe er, zij het op een veel genuanceerdere manier als het tandenwisselen zelf, in deze fase van verandering door heel het lichaam van het kind zich iets voltrtekt. Wat op de meest grove manier, radicale manier bij het tandenwisselen zichtbaar wordt, dat gebeurt eigenlijk in het hele lichaam. Want, wat gebeurt er eigenlijk? Je kan allemaal zien hoe het menselijk organisme zich ontwikkelt: je knipt je nagels, je knipt je haar; je ziet dat je huid schilfert. Dat laat zien dat aan de oppervlakte fysieke substantie afgestoten wordt en dat het van binnenuit aangevuld wordt.

Dieses Nachschieben, das wir beim Zahnwechsel sehen, ist beim ganzen Menschenleib vorhanden. Eine genauere Er­kenntnis zeigt uns, daß in der Tat das Kind den Leib, den es durch Vererbung mitbekommen hat, jetzt nach und nach ausgetrieben hat, ausgestoßen hat. So wie die ersten Zähne abgestoßen sind, so ist der ganze erste Leib abgestoßen. Und in der Epoche des Zahnwechsels steht das Kind vor uns mit einem gegenüber dem Geburtsleib völlig neuge­bildeten Leib. Der Geburtsleib ist wie die ersten Zähne abgestoßen, ein neuer Leib ist gebildet.
Was ist da im Intimeren geschehen? Den ersten Leib, den das Kind erhalten hat, hat es aus der Vererbung erhalten. Er ist sozusagen das Produkt desjenigen, was durch das Zusammenwirken von Vater und Mutter geschehen ist. Er bildet sich aus den physischen Erdenverhältnissen heraus. Aber was ist er, dieser physische Leib? Er ist das Modell, das die Erde dem Menschen gibt für seine eigentliche menschliche Ent­wickelung. Denn das Seelisch-Geistige des Menschen, es steigt ja her­unter aus einer seelisch-geistigen Welt, in der es war, bevor die Emp­fängnis und die Geburt eingetreten sind. Wir alle waren, bevor wir

Dit aanvullen dat we bij het tandenwisselen zien, gebeurt met het hele mensenlichaam. Preciezere kennis toont ons dat daadwerkelijk het kind het lichaam dat hij door de erfelijkheid heeft gekregen, beetje bij beetje naar de periferie heeft geduwd, afgestoten heeft. En in de periode van de tandenwisseling staat het kind voor ons met een lichaam dat t.o.v. het lichaam waarmee het geboren is, volledig nieuw gevormd is. Het geboortelichaam is net als de melktanden afgestoten, een nieuw lichaam is gevormd.
Wat is er in het verborgene gebeurd? Het eerste lichaam dat het kind heeft gekregen, kreeg het door erfelijkheid. Het is a.h.w.een product van wat door het samengaan van vader en moeder is gebeurd. Vanuit fysieke aardse verhoudingen wordt het gevormd. Maar wat is dit fysieke lichaam? Het is een model dat de aarde de mens geeft voor zijn eigenlijke menselijke ontwikkeling. Want ziel en geest van de mens incarneren uit de wereld van ziel en geest, waar ze zich bevonden vóór de conceptie en geboorte plaatsvonden. Wij allemaal, waren vóór

blz. 12:

Erdenmenschen geworden sind im physischen Leib, geistig-seelische Wesenheiten in einer geistig-seelischen Welt. Und dasjenige, was uns an physischer Vererbungssubstanz Vater und Mutter geben, das ver­einigt sich im Embryonalleben mit demjenigen, was rein geistig-seelisch aus einer höheren Welt heruntersteigt. Der geistig-seelische Mensch er­greift den physischen Leib, der aus der Vererbungsströmung herrührt. Der wird sein Modell, und nach diesem Modell wird jetzt ein völlig neuer menschlicher Organismus mit Abstoßung des vererbten Orga­nismus gebildet. So daß, wenn wir auf das Kind hinschauen zwischen der Geburt und dem Zahnwechsel, wir sagen müssen: Da arbeitet sich hinein in den physischen Leib, der lediglich der physischen Vererbung sein Dasein verdankt, das Ergebnis des Zusammenwirkens dessen, was der Mensch mitbringt auf die Erde, mit demjenigen, was er an Stoffen und Substanzen von der Erde aufnimmt. Mit dem Zahnwechsel hat der Mensch nach dem Modell des vererbten Leibes einen zweiten Leib sich gebildet; und dieser zweite Leib ist das Produkt des seelisch-geistigen Wesens des Menschen.

dat we aardeburgers werden in een fysiek lichaam, geest-zielenwezens in een geest-zielenwereld. En wat vader en moeder ons geven aan fysieke erfelijkheidssubstantie, verbindt zich in het embryonale leven met wat zuiver als geest-ziel uit een hogere wereld incarneert. De geest-zielenmens neemt bezit van het fysieke lichaam dat uit de erfelijkheidsstroom komt. Dat wordt zijn model en naar dit model wordt nu een volledig nieuw menselijk organisme door het afstoten van het geërfde organisme gevormd. Zodat, als we naar het kind kijken tussen de geboorte en de tandenwisseling, we moeten zeggen: in het fysieke lijf dat zijn bestaan uiteindelijk dankt aan de fysieke erfelijkheid werkt zich naar binnen het resultaat van het samenwerken van wat de mens meebrengt op aarde met wat hij aan stoffelijkheid van de aarde opneemt. Met de tandenwisseling heeft de mens naar het model van het geërfde  lichaam een tweede lichaam gevormd en dit tweede lichaam is het product van de ziel en geest van de mens.

Selbstverständlich kennt derjenige, der aus einer intimeren Men­schenbeobachtung heraus zu solchen Ergebnissen kommt, wie ich sie jetzt ausgesprochen habe, die Einwendungen, die dagegen gemacht werden können. Diese Einwendungen sind auf der Hand liegend. Man wird selbstverständlich sagen: Zeigt sich nicht in der Ahnlichkeit mit den Eltern, die oftmals nach dem Zahnwechsel auftritt, zeigt sich da nicht, wie der Mensch auch später, nach dem Zahnwechsel, den Ge­setzen der Vererbung auch weiter unterliegt? – So könnte man vieles einwenden. Aber nehmen Sie nur das Folgende: Wir haben ein Modell, das aus der Vererbungsströmung herrührt. Nach diesem Modell arbei­ten jetzt Geist und Seele den zweiten Menschen aus. Da ja auch sonst nicht die Tendenz besteht, dasjenige, was nach einem Modell ausgearbei­tet wird, just ganz unähnlich dem Modell auszugestalten, so ist es auch klar, daß das Geistig-Seelische die Anwesenheit des Modelles dazu be­nützt, den zweiten menschlichen Organismus ähnlich zu gestalten. Aber immerhin, wenn man Sinn und Erkenntnisfähigkeit hat für das, was da eigentlich vorgeht, wird man auf das Folgende kommen: Es gibt Kinder, die zeigen in ihrem 9., 10., ii. Lebensjahr, wie fast ganz ähnlich ihr zweiter

Vanzelfsprekend kent degene die uit een subtieler waarnemen van de mens tot dergelijke resultaten komt, zoals ik ze nu uitgesproken heb, de tegenwerpingen die gemaakt kunnen worden. Die tegenwerpingen liggen voor de hand. Men zal vanzelfsprekend zeggen: Toont zich juist niet in het lijken op de ouders, wat je dikwijls na de tandenwisseling ziet, hoe de mens ook later, na de tandenwisseling nog onderhevig is aan de wetten van de erfelijkheid? – Zo zou je vele tegenwerpingen kunnen maken. Maar neem nu eens het volgende: we hebben een model dat uit de erfelijkheidsstroom komt. Volgens dit model werken nu geest en ziel aan de tweede mens. Maar omdat bij het werken volgens een model anders ook niet de tendens bestaat helemaal anders te werken dan het model, moge het duidelijk zijn, dat de geest en de ziel het voorhanden zijn van een model gebruiken om de tweede mens erop lijkend vorm te geven. Maar telkens weer, wanneer je bewustzijn en kenvermogen hebt voor wat er eigenlijk gebeurt, zul je op het volgende komen: er zijn kinderen bij wie je in hun 9e, 10e jaar ziet hoe hun tweede

blz. 13:

Organismus – denn ein zweiter Organismus ist eben da – dem ersten, vererbten, ist. Andere Kinder zeigen, wie unähnlich dieser zweite Or­ganismus diesem ersten wird, wie etwas ganz anderes aus dem Zentrum des Menschenwesens heraus arbeitet, als vorerst vererbt war. Alle Va­rianten zwischen diesen beiden Extremen treten auf im menschlichen Leben. Denn indem das Geistig-Seelische den zweiten Organismus aus-arbeitet, will es vor allen Dingen der Wesenheit gehorchen, welche es mitbringt aus der geistig-seelischen Welt, wenn es heruntersteigt. Es entsteht ein Kampf zwischen dem, was den zweiten Organismus her-ausarbeiten soll, und dem, was der erste Organismus aus der Vererbung bekommen hat. Je nachdem der Mensch stärker oder schwächer ist -wir werden in den folgenden Vorträgen sehen, warum das so ist – aus dem geistig-seelischen Dasein, desto mehr kann er seinem zweiten Orga­nismus eine besonders durchseelte, individuelle Gestalt geben, oder aber, wenn er schwächer herabkommt, wird er sich möglichst genau an das Modell halten.
Aber bedenken Sie, womit wir es da zu tun haben, wenn wir das Kind erziehen sollen in seinem ersten Lebensalter von der Geburt bis zum Zahnwechsel hin!

organisme – want een tweede organisme is er al – bijna helemaal identiek is aan het eerste, geërfde. Bij andere kinderen zie je, hoe dit tweede organisme helemaal niet lijkt op het eerste, hoe heel iets anders uit het centrum van het mensenwezen zich naar buiten werkt, dan wat eerst geërfd was. Alle varianten tussen deze beide uitersten komen voor. Want als het geest-zielenwezen aan het tweede organisme werkt, wil het vooral luisteren naar het wezen dat dit meebrengt uit de geest-zielenwereld, wanneer het incarneert. Er ontstaat strijd tussen hetgeen het tweede organisme moet bewerken en datgene wat het eerste organisme uit de erfelijkheid meegekregen heeft. En al naar gelang de mens sterker of zwakker is – we zullen in de volgende voordrachten zien waarom dit zo is – vanuit zijn geest-zielenexistentie, des te meer kan hij zijn tweede organisme een bijzondere, bezielde individuele gestalte geven of dus, wanneer deze zwakker incarneert, zal hij zich zoveel mogelijk precies aan het model houden
Maar bedenk nu wel waar we mee te maken hebben, wanneer we een kind moeten opvoeden in zijn eerste levensfase vanaf de geboorte tot aan de tandenwisseling!

Wir müssen gestehen, wir schauen ehrfurchts­voll hin, wie die göttlich-geistigen Mächte herunterarbeiten aus über­sinnlichen Welten. Wir sehen sie von Tag zu Tag, von Woche zu Woche, von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr in den ersten Lebensepochen herausarbeiten, so weit herausarbeiten, daß sie einen besonderen zwei­ten Leib bilden. Und indem wir erziehen, nehmen wir teil an dieser Arbeit des Geistig-Seelischen; wir setzen fort für das physische Men­schendasein dasjenige, was die göttlich-geistigen Mächte eingeleitet haben. Wir nehmen an göttlicher Arbeit teil.
Solche Dinge dürfen nicht bloß mit dem Verstande erfaßt werden. Solche Dinge müssen mit dem ganzen Menschen erfaßt werden. Dann bekommt man vor allen Dingen ein Gefühl von der ganzen Größe der Aufgabe gegenüber den schaffenden Mächten der Welt, welche die Er­ziehung insbesondere im ersten kindlichen Lebensalter hat. Aber ich möchte sagen, dieser erste Anhub, den das Geistig-Seelische unter­nimmt, um einen zweiten menschlichen Organismus zu schaffen, der zeigt uns wirklich, wie beim Kinde körperliches Gestalten, seelisches

Eerlijk gezegd, we kijken met grote eerbied toe hoe de goddelijk-geestelijke krachten vanuit bovenzintuigelijke werelden werkzaam zijn. We zien hoe zij dag na dag, week na week, maand na maand, jaar na jaar werkzaam zijn in deze eerste levensfase, en een eigen tweede lichaam creëren. En wanneer we opvoeden, hebben we deel aan dit geest-zielenwerk; wij gaan verder met wat de goddelijk-geestelijke krachten begonnen zijn vóór het fysieke bestaan van de mens. We doen mee met goddelijk werk.
Dit soort dingen mogen niet alleen maar verstandelijk opgevat worden. Deze dingen moet je met je hele mensenwezen begrijpen. Dan krijg je vooral het gevoel van de grootsheid van de opdracht die je t.o.v. de scheppende wereldkrachten hebt, die de opvoeding in het bijzonder in de eerste levensfase van het kind heeft.
Maar, ik zou willen zeggen, deze eerste aanzet die de geest-ziel geeft om een tweede menselijk organisme te scheppen, toont ons inderdaad hoe bij het kind de vorming van de fysieke gestalte, de werkzaamheid van

blz. 14:

Wirken, geistiges Schaffen eine Einheit sind. Alles das, was da geschieht im Bilden des neuen Organismus, im Abstoßen des alten, ist beim Kinde Einheit von Geist, Seele und Leib.
Daher zeigt sich das Kind in einer ganz anderen Art als später der Erwachsene. Das kann an einzelnen Erscheinungen durchaus beob­achtet werden. Im erwachsenen Zustand bekommen wir irgend etwas Süßes in den Mund, unsere Zunge, unser Gaumen nimmt das Süße wahr. Allein diese Geschmackswahrnehmung hört auf, wenn die süße Sub­stanz in einer gewissen Weise an eine gewisse Stelle des Organismus hin­gekommen ist. Den weiteren Verlauf verfolgen wir als erwachsene Menschen nicht mehr mit dem Geschmack. Im Kinde geht das anders. Beim Kinde geht der Geschmack durch den ganzen Organismus; es schmeckt nicht nur mit Zunge und Gaumen, es schmeckt mit dem gan­zen Organismus; es zieht die Süßigkeit durch den ganzen Organismus. Das Kind ist eben ganz Sinnesorgan.
Worin besteht das Wesen eines Sinnesorganes? Nehmen wir das menschliche Auge. Farbeneindrücke werden auf das menschliche Auge gemacht. Wer dasjenige, was der Mensch beim Sehen vollbringt, richtig ansieht, der sagt: Wille und Wahrnehmung ist im Auge eines; das bleibt an der Oberfläche, an der Peripherie des Menschen.

de ziel, het scheppen van de geest een eenheid vormen. Alles wat er gebeurt bij het vormen van het nieuwe organisme, bij het afstoten van het oude, is bij het kind een eenheid van geest, ziel en lichaam.
Vandaar dat een kind zich op een heel andere manier laat zien dan later de volwassene. Dat kan allereerst waargenomen worden aan een paar verschijnselen. Als wij als volwassene iets zoets in onze mond hebben, neemt onze tong, ons gehemelte dit zoets waar. Alleen, deze smaakwaarneming houdt op, wanneer de zoete substantie in zekere zin op een bepaalde plaats in het organisme is gekomen. Het verdere verloop volgen we als volwassen mens niet meer met de smaak. Bij het kind gaat dat anders. Bij het kind gaat de smaak door het hele organisme; het proeft niet alleen met de tong en het gehemelte, het proeft met het hele lichaam; het zoete doortrekt het hele organisme. Het kind is één zintuigorgaan.
Wat is het essentiële van een zintuigorgaan? Neem eens het menselijke oog. Op het menselijke oog worden kleurindrukken gemaakt. Wie op de juiste manier kijkt naar wat er bij de mens gebeurt bij het zien, zegt: wil en waarneming is in het oog hetzelfde; het blijft aan de oppervlakte, aan de periferie van de mens.

Im ersten Kindes­alter, von der Geburt bis zum Zahnwechsel, geht das – allerdings in feiner Weise – durch den ganzen Organismus. Der ganze Organismus des Kindes schaut sich an wie ein umfassendes Sinnesorgan. Und daher machen alle Eindrücke, die aus der Umgebung auf das Kind wirken, ganz andere Wirkungen im kindlichen Menschen als im erwachsenen Menschen. Dasjenige, was in der Umgebung vor sich geht, was mit dem Auge geschaut werden kann, ist im Menschen der Ausdruck des mensch­lich Seelenhaften, der menschlichen Moralität. Das Kind hat ganz un­terbewußt oder unbewußt, allerdings nicht im Bewußtsein, ein feines, intimes Wahrnehmungsvermögen für dasjenige, was sich ausspricht in jeder Bewegung, jeder Regung bei den Menschen der Umgebung. Wenn ein Jähzorniger in der Umgebung des Kindes aus dem Jähzorn heraus seine Regungen durchmacht, und in der äußeren Sinneswahrnehmung das Kind in solcher unbewußten Art schauen läßt, was er tut: oh, man täuscht sich sehr, wenn man glauben würde, daß das Kind nur diese

In de prille kindertijd, vanaf de geboorte tot de tandenwisseling, gaat dat – maar wel op een subtiele manier – door het hele organisme. Het hele organisme van een kind laat zich aanzien als een omvattend zintuigorgaan. En daarom hebben alle indrukken die uit de omgeving op het kind inwerken, een heel andere uitwerking op het kind dan op de volwassen mens. Wat er in de omgeving gebeurt, wat met de ogen wordt waargenomen, is voor de mens de uiting van wat in de menselijke ziel leeft, de menselijke moraliteit. Het kind heeft totaal onderbewust of onbewust, in ieder geval niet bewust, een fijn, subtiel waarnemingsvermogen voor wat zich in iedere beweging, bij iedere emotie tot uitdrukking komt bij de mens in zijn omgeving. Wanneer er in de omgeving van het kind een opvliegend iemand geëmotioneerd is en het kind dat uiterlijk laat waarnemen met zijn onbewust manier van kijken, wat daar gebeurt: oh, dan vergis je je erg als je denkt dat het kind alleen maar

blz. 15:

Bewegungen sieht. Das Kind hat einen deutlichen Eindruck von dem, was in den moralischen Regungen drinnen liegt, wenn auch nicht be­wußt. Das Auge hat auch keinen bewußten Sinneseindruck, sondern einen unbewußten. Alles, was sich moralisch-seelisch in unsinnlicher Weise offenbart, strömt in das Kind ein wie die Farben in das Auge, weil der ganze kindliche Organismus Sinnesorgan ist.
Aber dieser Organismus ist fein organisiert. Deshalb setzt sich jeder Eindruck fort in dem ganzen kindlichen Organismus. Zunächst ist der Eindruck, den das Kind empfindet von dem, was sich moralisch offen­bart, ein seelischer Eindruck. Aber bei dem Kinde geht alles Seelische in das Leibliche hinunter. Wenn das Kind einen Schreck erfährt an den Eindrücken der Umgebung, aber ebenso alles, was an Freude und Erhebung lebt, geht über, wenn auch nicht in so grober Art, sondern in feiner Weise, in die Wachstums-, Zirkulations- und Verdauungspro­zesse. Ein Kind, das jede Stunde zu fürchten hat die Eindrücke, die von einem Jähzornigen ausgehen, der jeden Augenblick einen Zorn be­kommt, erlebt etwas Seelisches, das sogleich eindringt in Atmung und Blutzirkulation und auch in seine Verdauungstätigkeit.

bewegingen waarneemt. Het kind heeft een duidelijke indruk van de moraliteit in die emoties, ook al is dat niet bewust. Het oog heeft ook geen bewuste zintuigindrukken, maar onbewuste. Alles wat morele zielenkwaliteit heeft en op een niet zintuiglijke manier tot uiting komt, gaat bij een kind naar binnen, zoals de kleuren bij het oog, omdat heel het kinderlijk organisme zintuig is. Maar dit organisme zit fijntjes in elkaar. Daarom gaat iedere indruk verder naar binnen in heel dit kinderlijke organisme. Meteen al is de indruk die het kind van iets wat zich moreel uit, ervaart, een indruk op zijn ziel. Maar bij een kind gaat alles wat ziel is over op het lichamelijke. Wanneer het kind schrikt door indrukken uit de omgeving, maar ook net zo bij plezier en een verheven stemming, gaat dat door, weliswaar niet op zo’n ruwe manier, maar subtiel, tot in de groeikrachten, de circulatie en stofwisselingsprocessen. Een kind dat ieder uur bang moet zijn voor de indrukken die een opvliegend mens op hem maken; die ieder ogenblik een woede-aanval krijgt, beleeft iets in zijn ziel wat tegelijkertijd in adem- en bloedcirculatie en ook in de stofwisseling binnenkomt.

Das ist das Be­deutsame, daß wir für das kindliche Alter gar nicht sprechen können bloß von körperlicher Erziehung, weil die Seelenerziehung eine körper­liche ist, weil alles Seelische sich metamorphosiert in das Körperliche, ein Körperliches wird.
Und was das für eine Bedeutung hat, wird einem erst klar, wenn man aus wirklicher Menschenerkenntnis heraus nicht bloß auf das Kind hinschaut und Erziehungs- und Unterrichtsgrundsätze prägt, sondern wenn man hinschaut auf das ganze menschliche Erdenleben. Das ist nicht so bequem wie ein bloße Beobachtung des Kindes. Eine Beobach­tung des Kindes: nun, man registriert, wie das Gedächtnis ist, das Denk­vermögen, die Sinneswahrnehmungen des Auges, des Ohres und so weiter; man registriert für den Augenblick oder doch für eine kurze Zeit. Aber damit hat man gar nichts getan für die Erkenntnis des Men­schen. Denn geradeso wie bei der Pflanze in dem Samen, der zur Wur­zel wird, schon darin liegt, was nach langer Zeit in Blüte und Frucht zum Vorschein kommt, so liegt in dem Kinde bis zum Zahnwechsel hin, weil es für alles Seelische körperlich empfänglich ist, der Keim für

En dat is nu zo belangrijk, we kunnen met het oog op de kinderleeftijd helemaal niet spreken van alleen maar lichamelijke opvoeding, omdat de opvoeding van de ziel een lichamelijke is, omdat alles wat ziel is, omgezet wordt in iets lichamelijks, iets fysieks.
En wat daarvan het belang is, zie je pas duidelijk, wanneer je uit echte menskunde het kind niet alleen maar bekijkt en opvoedings- en onderwijsbeginselen formuleert, maar wanneer je kijkt naar het gehele aardse leven van de mens. Dat is niet zo makkelijk als alleen maar het waarnemen van een kind. Waarnemen van een kind: vooruit, je registreert hoe het geheugen is, het denkvermogen, de waarnemingen van het oog, van het oor enz; je tekent het aan voor het ogenblik zelf of wellicht voor een korte tijd. Maar daarmee heb je nog niets gedaan om de mens te kennen. Want net zo als bij de plant in het zaad, dat wortel schiet, besloten ligt wat er na langere tijd als bloem en vrucht tevoorschijn komt, zo ligt ook in het kind tot de tandenwisseling, omdat het voor alles wat ziel is lichamelijk gevoelig is, de kiem voor 

blz. 16:

Glück und Unglück, für Gesundheit und Krankheit für das ganze Er­denleben bis zum Tode hin. Und dasjenige, was wir als Lehrer oder Erzieher in das Kind einströmen lassen in der ersten Lebensepoche, die hinunterwirkt in Blut und Atmung und Verdauung, das ist wie ein Keim, der manchmal erst aufgeht in Form von Gesundheit und Krank­heit des Menschen im 40., 50. Lebensjahr. Ja, so ist es: Wie der Erzie­hende sich benimmt gegenüber dem kleinen Kinde, damit veranlagt er es zum innerlichen Glück oder Unglück, zu Gesundheit oder Krankheit.
Das zeigt sich ja insbesondere, wenn wir im einzelnen diese Wir­kungen des Erziehenden auf das Kind aus den Tatsachen des Lebens heraus beobachten. Diese Tatsachen lassen sich ebenso beobachten wie die physikalischen Tatsachen im Laboratorium oder wie die Pflanzen-tatsachen im botanischen Kabinett; aber man tut es gewöhnlich nicht. Nehmen wir einzelne Fälle heraus. Sagen wir einmal, wir wollen rein betrachten zunächst, wie der Lehrer neben dem Kinde in der Schule steht. Betrachten wir zunächst den Lehrer, und betrachten wir ihn nach seinem Temperament.

geluk en tegenspoed, voor gezondheid en ziekte in heel het aardse leven tot de dood. En wat wij als leerkracht of opvoeder in de eerste levensfase het kind meegeven wat doorwerkt tot in bloed en ademhaling en stofwisseling, is als zaad dat vaak pas ontkiemt in de vorm van gezondheid of ziekte van de mens in zijn 40e, 50e levensjaar. Ja, het is zo: met zijn gedrag tegenover het kleine kind legt de opvoeder iets aan  wat voor zijn innerlijk, geluk of ongeluk, gezondheid of ziekte betekent. Dat zie je met name wanneer we in detail deze werking van de opvoeder op het kind eens bekijken vanuit wat er in feite in het leven gebeurt. Deze dingen kan je net zo bekijken als natuurkundige zaken in een laboratorium of als plantkundige zaken in een botanische onderzoeksruimte; maar dat doet men gewoonlijk niet. We pikken er een paar gevallen uit. Laten we zeggen, we willen eerst puur bekijken hoe de leerkracht op school naast het kind staat. Eerst kijken we naar de leerkracht en letten op zijn temperament.

Wir wissen, nach dem Temperament kann der Mensch sein ein energischer, aber auch zornmutiger, jähzorniger Mensch, ein Choleriker, oder ein innerlich sich in sich zusammenzie­hender und mehr auf sich hinschauender, nur in sich empfindender, die Welt meidender Melancholiker; oder ein für äußere Eindrücke rasch Empfänglicher, der von Eindruck zu Eindruck eilt, ein Sangui­niker; oder einer, der alles gehen läßt, dem alles gleichgültig ist, der nicht gedrückt ist von äußeren Eindrücken, der alles vorübergehen läßt, ein Phlegmatiker.
Nehmen wir zunächst an, die Lehrerbildungsstätte hätte nicht dafür gesorgt, solche Temperamente abzuschleifen und in richtiger Weise in die Schule hineinzustellen, sondern solche Temperamente wirkten sich aus, sie schössen in die Zügel mit einem gewissen Radikalismus. Neh­men wir das cholerische Temperament: ein Kind im Lebensalter bis zum Zahnwechsel ist ausgesetzt dein cholerischen Temperament. Wenn der Lehrende, der Erziehende sich ganz gehen läßt in diesem seinem cholerischen Temperament, dann wird fortdauernd auf das Kind ein seelischer Eindruck ausgeübt, welcher dahin geht, daß dieses Kind in bezug auf sein Zirkulationssystem, in bezug auf alles das, was innerlicher

Wij weten, wat zijn temperament betreft, de mens een wilskrachtig, maar ook een mens kan zijn die snel driftig is, een opvliegend mens, een cholericus of iemand die zich in zijn binnenste terugtrekt en meer een binnenvetter is, meer zichzelf ervaart, de melancholicus die de wereld uit de weg gaat; of iemand die snel gevoelig is voor indrukken van buitenaf, vlug van de ene indruk naar de andere gaat, een sanguinicus; of iemand die alles maar laat gebeuren, voor wie het allemaal wel goed is, die niet gebukt gaat onder indrukken van buitenaf, die alles aan zich voorbij laat gaan, een flegmaticus.
Laten we eens aannemen dat er in de lerarenopleiding niet voor gezorgd werd dat de scherpe kantjes van deze temperamenten afgeslepen werden om op school de juiste houding te hebben, maar dat zulke temperamenten zich kunnen uitleven; dat men zich op een zekere rigoureuze manier kan laten gaan. Neem de cholericus: een kind in de leeftijdsfase tot de tandenwisseling krijgt te maken met een cholerisch temperament. Wanneer de leerkracht, de opvoeder zich met zijn cholerisch temperament helemaal laat gaan, dan wordt er voortdurend op de ziel van het kind indruk gemaakt wat ertoe leidt dat het kind wat zijn circulatiesysteem betreft, wat betreft alles wat innerlijk

blz. 17:

Rhythmus ist, starke Eindrücke erhält. Diese Eindrücke, die gehen zunächst nicht sehr tief, aber sie sind eben auch erst ein Keim; und dieser Keim wächst und wächst, wie alle Keime wachsen. Es kann zuweilen so im 40., 50. Lebensjahr in Zirkulationsstörungen des rhyth­mischen Systems die Wirkung ungezügelten cholerischen Temperamen­tes beim Erziehenden auftreten. Wir erziehen eben das Kind nicht bloß für das kindliche Alter; wir erziehen es für das ganze Erdendasein und, wie wir später sehen werden, auch noch für die Zeit darüber hinaus.
Oder nehmen wir an, der Melancholiker läßt seinem Temperament die Zügel schießen; er habe nicht mit der Seminarbildung aufgenommen den Impuls, es zu harmonisieren, es in der richtigen Weise an das Kind herantreten zu lassen; er gibt sich seiner Melancholie hin in dem Ver­kehr mit dem Kinde. Dadurch, daß er eine solche Melancholie in sich lebt, fühlt und denkt, dadurch entzieht er fortwährend dem Kinde dasjenige, was eigentlich vom Lehrer auf das Kind überströmen sollte:
Wärme.

ritme is, sterke indrukken ontvangt. In het begin gaan deze indrukken nog niet zo ver, ze zijn eerst ook nog maar een kiem; deze kiem groeit en groet zoals alle kiemen groeien; en er kunnen soms in het 40e, 50e levensjaar in het ritmische systeem circulatiestoornissen optreden als gevolg van het ongebreidelde cholerische temperament van de opvoeder. We voeden het kind niet alleen maar op voor de kinderleeftijd; we voeden het op voor het hele aardse bestaan en zoals we later zullen zien, ook nog voor de tijd daarna.
Of laten we er eens vanuit gaan dat een melancholicus zich helemaal laat gaan; hij heeft tijdens zijn opleiding niet de impuls in zich opgenomen meer harmonie te ontwikkelen  om het kind op een goede manier tegemoet te treden; in de omgang met het kind geeft hij zich over aan zijn melancholie. Omdat hij zo melancholisch is in wat hij voelt en denkt onttrekt hij voortdurend iets aan het kind, wat eigenlijk van de leerkracht naar het kind zou moeten stromen: warmte.

Der Erziehung fehlt häufig jene Wärme, die zunächst als Seelenwärme wirkt, die aber beim Kinde heruntergeht vorzugsweise in das Verdauungssystem und Keimanlagen darin hervorruft, die in spä­terem Lebensalter auftreten in allerlei Störungen, krankhaften Störun­gen des Blutes oder wenigstens in krankhaften Anlagen des Blutes und so weiter.
Nehmen wir den Phlegmatiker, dem alles gleichgültig ist, was er mit dem Kinde tut. Ein ganz besonderes Verhältnis spinnt sich an zwi­schen ihm und dem Kinde. Es ist etwas nicht Kaltes, aber furchtbar Wässeriges im seelischen Sinne zwischen einem solchen Erzieher und dem Kinde. Es wird nichts so stark entwickelt, daß ein richtiges Hin-­und-Herströmen des Seelischen zwischen dem Erziehenden und dem Kinde da ist; das Kind wird nicht genügend innerlich regsam gemacht. Verfolgt man ein Menschenkind, das unter dem Einfluß des Phlegmas, eines phlegmatischen Temperamentes sich entwickeln mußte bis in ein höheres Lebensalter, so merkt man oftmals, wie Anlage zur Gehirn­schwäche, Blutleere im Gehirn, Stumpfheit der Gehirntätigkeit im spä­teren Lebensalter auftritt.
Sehen wir, wie ein Sanguiniker, der seinem Sanguinismus die Zügel schießen läßt, auf das Kind wirkt. Er ist jedem Eindrucke hingegeben,

Aan de opvoeding ontbreekt dan vaak die warmte die eerst als warmte voor de ziel werkt, die echter bij een kind vooral dieper gaat, tot in de stofwisseling en daar worden kiemen gelegd die op latere leeftijd tevoorschijn komen in allerlei stoornissen, ziekelijke verstoringen van het bloed of op zijn minst in een verstoorde opbouw van het bloed enz.
Dan de flegmaticus voor wie alles om het even is wat hij met het kind doet. Tussen hem en het kind komt een bijzondere verhouding tot stand. Er is niet iets kouds, maar verschrikkelijk waterig – zo opgevat voor de ziel – tussen zo’n opvoeder en het kind. Er wordt niets zo sterk ontwikkeld dat er tussen de opvoeder en het kind een pendelende zielenstroom bestaat; het kind wordt vanbinnen niet voldoende actief. Volg je een mensenkind dat onder invloed van flegma, een flegmatisch temperament zich heeft moeten ontwikkelen tot op latere leeftijd, dan bemerk je vaak dat er in het latere leven een aanleg voor hersenzwakte, bloedeloosheid in de hersenen, dofheid in het werken van de hersenen ontstaat.
En kijk eens hoe een sanguinicus die zich in het sanguinisch-zijn laat gaan, op een kind werkt. Hij moet iedere indruk volgen,

blz. 18:

aber die Eindrücke gehen schnell vorüber. Er lebt auf besondere Art auch in sich, aber mit sich in den äußeren Dingen. Das Kind kann nicht mitgehen; die Reize, die gerade dadurch, daß der Lehrer von Eindruck zu Eindruck eilt, auf das Kind ausgeübt werden, sie greifen nicht an, denn das Kind braucht liebevolles Gehaltenwerden bei einem Eindruck, wenn es wirklich innerlich regsam genug gemacht werden soll. Verfol­gen wir ein Kind, das unter übertrieben sich gehenlassendem Sangui­nismus aufwächst, so zeigt es sich im späteren Alter, daß der erwach­sene Mensch, der sich aus dem Kinde entwickelt hat, Mangel an Vitalkraft hat, zu wenig Lebenskraft zeigt, wenig Gehalt zeigt und derglei­chen. So daß man eigentlich, wenn man dafür den Blick hat – und Er­ziehen beruht auf Intimität des seelischen Blickes -, an dem Typus, den ein Mensch angenommen hat, noch im 40., 50. Lebensjahr sagen kann:
auf diesen Menschen hat ein melancholisches, phlegmatisches, chole­risches oder sanguinisches Lehrertemperament eingewirkt.
Ich sage das in der Einleitung nicht, um etwa Angaben zu machen, wie diese Dinge für die Lehrerausbildung fruchtbar zu machen sind; ich möchte zunächst hinweisen, wie dasjenige, was wir mit dem Kinde vornehmen, nicht etwa bloß, wenn es ein Seelisches ist, Seelisches bleibt, sondern daß es durchaus in das Körperliche übergeht. Seelisch das Kind erziehen, heißt, es für das ganze Erdenleben auch körperlich erziehen.

maar indrukken komen en gaan. Hij blijft wel op een aparte manier bij zichzelf, maar gaat ook mee in de uiterlijkheden. Het kind kan daarin niet mee; de impulsen die van invloed zijn op het kind omdat de leerkracht snel van de ene indruk naar de andere leeft, beklijven niet, want een kind heeft nodig dat het op een liefdevolle manier bij een indruk kan blijven staan, wil het daadwerkelijk innerlijk actief genoeg worden. Wanneer we een kind volgen dat opgroeit bij een sanguinicus die zich overdreven laat gaan, blijkt dat op latere leeftijd de volwassen mens die uit het kind geworden is, een gebrek aan levenskracht heeft, te weinig levenskracht toont, weinig geestelijke bagage en zo. Zodat je, wanneer je daarvoor een blik hebt – en opvoeding berust op het subtiele kijken met de ziel – over het type mens dat iemand is geworden, op z’n 40e, 50e nog kan zeggen: op deze mens heeft een melancholisch, flegmatisch, cholerisch of sanguinisch temperament gewerkt.
Ik zeg dit in deze inleiding niet om aanwijzingen te geven hoe deze dingen in een lerarenopleiding vruchtbaar gemaakt zouden kunnen worden; ik wil slechts wijzen op hetgeen wij met het kind doen, wanneer het iets is voor zijn ziel, dat niet alleen maar voor zijn ziel blijft, maar dat het juist iets is wat in het lichamelijke terecht komt. De ziel van het kind opvoeden, betekent voor zijn hele aardse leven ook een lichamelijk opvoeden.

Der Anthroposophie sagt man sehr oft nach, daß sie zu dem See­lischen den Geist suche. Mancher Mensch wird heute schon sehr kri­tisch und ablehnend, wenn ihm überhaupt vom Geist gesprochen wird; und daher glaubt man leicht, nun ja, Anthroposophie ist so eine Phan­tasterei. Da wird aus dem Wirklichen, das für die Sinne erscheint, ein Dunst und Nebel heraus abstrahiert; der im Geiste Vernünftige braucht sich nicht einzulassen auf diesen Dunst und Nebel. – Aber gerade An­throposophie in ihren pädagogischen Auswirkungen möchte, daß im richtigen Sinne die Grundsätze für körperliche Erziehung Anwendung finden, weil sie weiß, daß gerade beim Kinde in der ersten Lebensepoche das Körperliche überall von den seelischen Impulsen beeinflußt wird. Ich möchte sagen: Man suche einmal die Grundlage bewußt, daß ein Seelisch-Geistiges überall zugrunde liegt dem körperlichen Wirken; dann kann man für die Entwicklung des Kindes von der Geburt bis

Antroposofie wordt dikwijls nagedragen dat ze bij wat de ziel betreft, de geest zou zoeken. Velen worden tegenwoordig al heel kritisch en afwijzend, wanneer er maar wordt gesproken over geest; en vandaar dat men makkelijk gelooft, ach, antroposofie is een of andere fantasterij. Die abstraheert uit de realiteit die zich voordoet aan de zintuigen een soort mist en laaghangende bewolking; degene die ze op een rijtje heeft hoeft zich met deze mist niet bezig te houden – . Maar juist antroposofie, omgewerkt tot pedagogie, wil nu juist dat er op een goede manier principes voor lichamelijke opvoeding toegepast worden, omdat ze weet dat juist bij het kind in de eerste levensfase het lichaam bij alles door impulsen vanuit de ziel beïnvloed wordt. Ik zou willen zeggen: men zou eens bewust de basis moeten zoeken van wat ziel en geest is, dat overal ten grondslag ligt aan het fysieke functioneren; dan kun je voor de ontwikkeling van het kind vanaf de geboorte tot

blz. 19

zum Zahnwechsel ganz gut Materialist sein und bloß auf das Stoff­liche wirken, denn so wie das Stoffliche im Kinde wirkt, ist es eine Einheit von Seele und Geist. Niemand versteht das Stoffliche im Kinde, der nicht so Seele und Geist ästimiert. Aber es offenbaren sich Seele und Geist durchaus in dem, was äußerlich stofflich zutage tritt.
Zum Erziehen gehört Verantwortlichkeitsgefühl. Dieses Verant­wortlichkeitsgefühl, es tritt einem aus einer solchen Betrachtung wirk­lich recht stark vor das Seelenauge und ergreift das menschliche Herz. Denn geht man an die Erziehung heran, indem man weiß, dasjenige, was man an dem Kinde bewirkt, lebt fort als Glück, Unglück, Gesund­heit, Krankheit im ganzen Erdenleben: es lastet zunächst auf der Seele, aber es spornt auch an, diejenigen Kräfte und Fähigkeiten und vor allen Dingen diejenige Seelenverfassung als Erzieher in sich auszubilden, die stark genug sein wird, jene Seelenkeime im kindlichen Alter zu pflan­zen, die erst im späteren, manchmal im sehr späten Alter aufgehen.
So ist diejenige Menschenerkenntnis, die Anthroposophie zur Grund­lage der pädagogischen Kunst macht. Sie ist nicht bloß die Erkenntnis dessen, was gerade in einem bestimmten Lebensstadium, zum Beispiel im kindlichen, vor uns steht, sondern sie ist hervorgegangen aus der Anschauung des ganzen menschlichen Erdenlebens.

tot de tandenwisseling heel goed een materialist zijn en alleen maar op het stoffelijke inwerken, want zoals het stoffelijke in een kind werkt, is het een eenheid van ziel en geest. Niemand begrijpt het stoffelijke in het kind die niet ook respect heeft voor ziel en geest. Maar ziel en geest uiten zich nu eenmaal in wat uiterlijk stoffelijk zichtbaar wordt.
Bij opvoeden hoort verantwoordelijkheidsgevoel. Dit verantwoordelijkheidsgevoel ziet iemand met zo’n beschouwingswijze heel sterk voor zich en dat beleeft een mens ook in zijn hart. Want wanneer je begint op te voeden als je weet dat wat je aan een kind doet, verder leeft als geluk of tegenspoed, gezondheid, ziekte in heel het aardse bestaan: dan drukt dat op je ziel, maar het stimuleert je ook om die krachten en vaardigheden en vooral je zielenstemming als opvoeder zo te ontwikkelen dat die sterk genoeg zijn om in de ziel van het kind kiemen te leggen die pas later, dikwijls pas op een veel latere leeftijd opbloeien.
Antroposofie maakt die menskunde tot basis van de pedagogische kunst. Dat is niet alleen maar kennis van wat we, juist in een bepaalde leeftijdsfase, bijv. die van het kind, voor ons hebben, maar deze kennis is naar voren gekomen uit het waarnemen van heel het aardeleven van de mens.

Denn der Mensch, was ist er denn seinem Erdenleben nach? Sehen Sie, wenn wir den Men­schen anschauen, wie er vor uns steht in jedem Augenblick, so sagen wir, er sei ein Organismus. Warum ist er das? Weil alles, alles einzelne an ihm in Harmonie mit der ganzen Bildung des Organismus steht. Wer sich einen Blick aneignet für die inneren Beziehungen in Gestalt, Größe und so weiter der einzelnen Glieder des menschlichen Organis­mus, wie sie zusammenpassen, sich aneinander harmonisieren, eine Einheit bilden, eine Mannigfaltigkeit in der Einheit bilden, wer sich dafür den Blick aneignet, schaut sich den kleinen Finger des Menschen an. Wenn er das Ohrläppchen auch nicht sieht, weiß er ungefähr, wie das Ohrläppchen gestaltet ist; denn bei einer gewissen Gestaltung des kleinen Fingers wird das Ohrläppchen in einer gewissen Weise gestal­tet sein und so weiter. Es ist so, daß das kleinste und das größte Glied des menschlichen Organismus nach dem Ganzen gebildet ist, aber daß es auch nach jedem anderen Glied gebildet ist, so daß wir ein Organ

Want wat is de mens eigenlijk, wat zijn aardse leven betreft? Kijk, wanneer we de mens waarnemen zoals die  ieder ogenblik voor ons staat, dan zeggen we: hij is één geheel. Waarom is dat zo? Omdat alle details aan hem in harmonie zijn met de gehele bouw van het organisme. Wie zijn blik geschoold heeft voor de innerlijke samenhang in gestalte, grootte enz. van de aparte delen van het menselijk organisme, hoe die bij elkaar horen, in harmonie zijn met elkaar, een eenheid vormen, een veelvuldigheid binnen een eenheid vormen; wie daarvoor zijn blik geschoold heeft, zou eens naar de pink van een mens kunnen kijken. Ook wanneer hij het oorlelletje niet ziet, weet hij min of meer hoe dat er uitziet; want bij een bepaalde vorm van de pink is het oorlelletje ook op een bepaalde manier gevormd enz. Het is zo dat het kleinste en het grootste deel van het menselijk organisme gevormd is naar het geheel, maar ook dat het naar ieder ander deel gevormd is, zodat wij een orgaan

blz. 20

im Kopfe nicht verstehen, wenn wir es nicht in Einklang, in Beziehung zu schauen vermögen mit einem Organ am Bein oder Fuße. Das ist der Fall für den Raumesorganismus, den Organismus, der im Raume aus­gebreitet ist. Aber der Mensch hat nicht nur den Raumesorganismus, er hat auch den Zeitorganismus. Und ebenso wie das Ohrläppchen gebil­det ist nach der Bildung des Ganzen und auch nach der Bildung, sagen wir des kleinen Fingers oder des Knies und so weiter, so steht dasjenige, was der Mensch im 50. Lebensjahr erlebt an physischer Gesundheit, an Krankheit, an seelischem Aufgeräumtsein oder Niedergeschlagensein, an geistiger Klarheit oder Dumpfheit, diese seelische Konfiguration des Menschen im 50. Lebensjahr steht im innigsten Verhältnis mit dem, was der Mensch im 10., 7. oder 4. Lebensjahr in dieser Beziehung in sich trug. So wie die Glieder im Raumesorganismus, so stehen die zeitlich voneinander getrennten Glieder im Zeitenorganismus in Beziehung zueinander. In gewisser Beziehung können wir sagen: Wenn wir 5 Jahre geworden sind – natürlich, der triviale Einwand gilt nicht, daß wir eher sterben können, da liegen andere Verhältnisse vor -, wenn wir 5 Jahre alt geworden sind, ist das, was in uns ist, schon im Einklang mit dem, was wir sein werden, wenn wir 40 Jahre alt sein werden.

in het hoofd niet begrijpen wanneer we het niet in overeenstemming met, in relatie tot een orgaan aan been of voet kunnen waarnemen. Dat is het geval bij het organisme in de ruimte, het organisme dat zich in de ruimte uitstrekt. Maar de mens heeft niet alleen zijn organisme in de ruimte, hij heeft het ook in de tijd. En net zoals het oorlelletje gevormd is naar de bouw van het geheel of laten we zeggen naar de pink of de knie enz, zo is wat de mens in zijn vijftiger jaren doormaakt aan fysieke gezondheid, ziekte, wat zijn ziel betreft, opgeruimd of juist terneergeslagen, aan geestelijke wakkerheid of dofheid, deze zielenconstellatie van de mens in zijn vijftiger jaren staat in een subtiele relatie tot wat de mens op zijn 10e, 7e of 4e jaar wat dit betreft, in zich meedroeg. Zoals de lichaamsdelen in de ruimte met elkaar in verbinding staan, zo ook de van elkaar gescheiden fasen in de tijd. In zekere zin kunnen we zeggen: wanneer we 5 jaar zijn geworden – natuurlijk, de triviale tegenwerping dat we eerder dood kunnen gaan, geldt niet – dan gaat het om andere dingen – wanneer we 5 jaar zijn geworden is wat we in ons hebben al in overeenstemming met wat we worden wanneer we 40 zullen zijn.

Der Mensch ist außerdem, daß er ein Raumesorganismus ist, ein Zeitenor­ganismus. Und wenn jemand einen Finger findet, so müßte schon dieser Finger eben erst abgeschnitten sein, damit er überhaupt einem Finger ähnlich sein kann: er wird sehr bald nicht mehr ein Finger sein; wenn er lange vom Organismus getrennt ist, verschrumpft er, wird er etwas anderes als ein menschliches Glied. Ein vom menschlichen Organismus getrennter Finger ist kein Finger; er könnte niemals leben, abgetrennt von seinem Leibe, und das ist nichts, ist kein in sich Beständiges, ist gar keine Wirklichkeit; er ist nur eine Wirklichkeit mit dem ganzen Erdenleib zwischen Geburt und Tod zusammen.
Wenn wir dies betrachten, werden wir uns auch klar sein darüber, daß wir in alldem, was wir an das Kind heranbringen, den Zeitenorga­nismus berücksichtigen müssen. Denken Sie sich nur einmal, wenn der Mensch ebenso beeinflussen könnte den Raumesorganismus, wie er den Zeitenorganismus oftmals beeinflußt, was dann aus diesem Raumes-organismus würde! Nehmen wir an, wir führten in den Menschenmagen

De mens is behalve dat hij een ruimte-organisme is, een tijdorganisme. En wanneer iemand een vinger vindt, dan moet die vinger van te voren afgesneden zijn om ook maar identiek te kunnen zijn aan een vinger: weldra is het geen vinger meer; wanneer die gescheiden wordt van het lichaam verschrompelt hij en wordt iets anders dan een deel van de mens. Een vinger die van het mensenorganisme gescheiden is, is geen vinger; die zou nooit kunnen leven, zo gescheiden van zijn lichaam en het is niets, is geen zelfstandig iets, is zelfs geen werkelijkheid; hij is alleen werkelijkheid samen met het hele aardse lichaam tussen geboorte en dood.
Wanneer we dit zien, zal het ons ook duidelijk zijn dat wij in alles wat we het kind aanbieden  rekening moeten houden met het tijdorganisme. Denk je eens in wanneer de mens net zo zijn ruimtewezen kon beïnvloeden zoals hij zijn tijdorganisme vaak beïnvloedt, wat er dan van zijn ruimte-organisme zou worden! Laten we eens aannemen dat we de mensenmaag

blz. 21:

eine Substanz ein, die den Kopf zerstört. Wir schauten nur auf den Magen, wir schauten nicht auf das, was aus dieser Substanz wird, wenn sie sich im Organismus verteilt und bis zum Kopfe kommt. Der­jenige, der den menschlichen Organismus verstehen will, muß sagen können aus dem, was vorgeht mit einer Substanz im menschlichen Ma­gen, was dieser Vorgang für eine Bedeutung für den Kopf hat. Die Substanz muß vom Magen bis zum Kopf fortwährend Veränderungen, Metamorphosen durchmachen, muß beweglich sein. Beim Zeitenorga­nismus versündigen wir uns dem Kinde gegenüber häufig. Wir sehen darauf, daß das Kind uns schon entgegenbringe so klare, scharfe Be­griffe, Begriffe mit scharfen Konturen; wir werden unwillig, wenn das Kind elastische Begriffe hat, die nicht recht scharf sind. Wir arbei­ten dahin, dem Kinde etwas beizubringen, das es dann so in der Seele behält, daß es uns das wieder vorschwatzen kann. Wir sind oftmals besonders glücklich, wenn wir einem ganz jungen Kinde etwas bei­bringen, das es nach Jahren in derselben Gestalt wieder vorschwatzt. Aber das ist gerade so, wie wenn wir einem Kinde mit 3 Jahren Stiefel machen lassen und verlangen, daß es mit 10 Jahren diese Stiefel an-ziehe und sie ihm noch passen. In Wahrheit handelt es sich darum, daß wir dem Kinde beibringen lebendige, biegsame, elastische Begriffe, die, wie die äußeren physischen Glieder wachsen, so seelisch mit dem Men­schen heranwachsen.

een substantie geven die het hoofd in de war maakt. Dan keken we naar de maag; we keken niet naar wat uit die substantie wordt, wanneer deze zich in het organisme verspreidt en in het hoofd terechtkomt. Wie het menselijk organisme begrijpen wil, moet kunnen zeggen wat met een stof gebeurt in de maag en wat dat betekent voor het hoofd. De stof moet van maag tot hoofd voortdurend veranderingen, metamorfosen ondergaan, moet beweeglijk zijn. Tegen het tijdsorganisme van het kind zondigen we erg vaak. We willen dat het kind ons klare, begrensde begrippen levert; afgemeten begrippen; we voelen wrevel, wanneer het kind rekbare begrippen heeft, die niet zo vastomlijnd zijn. We werken eraan het kind iets bij te brengen wat het jaren later precies hetzelfde weer ophoest. Maar dat is hetzelfde als wanneer we een kind van 3 laarzen geven en dan verlangen dat het op z’n 10e die laarzen aantrekt en dat ze nog passen. In waarheid gaat het erom dat wij het kind levendige, rekbare, meebewegende begrippen bijbrengen die. zoals de uiterlijke ledematen groeien, als inhoud voor de ziel mee kunnen groeien.

Das ist unbequemer, als dem Kinde Definitionen zu geben von dem und jenem, die es sich merken muß, die bleiben sollen, wie wenn man verlangen würde, daß Stiefel eines Kindes von 3 Jahren passen sollen für Füße eines Kindes von 10 Jahren. Man muß mit den Regungen des Kindes mitleben, muß eine Freude haben, dem Kinde etwas zu geben, was innerlich biegsam und elastisch ist, damit das Kind, so wie es mit den physischen Gliedern wächst, mit diesen Begriffen, Empfindungen, Gefühlsregungen heranwächst, so daß es in kurzer Zeit etwas anderes macht aus dem, was wir ihm gegeben haben. Da braucht man innige Freude am Werden und Wachsen; man kann nicht Pedantis­mus brauchen, nicht das Leben in zu scharf konturierten Begriffen brauchen. Man kann nur gebrauchen dasjenige, was regsames, sich ge­staltendes, wachsendes, gedeihendes Leben ist. Und derjenige, der für solches wachsende, gedeihende Leben etwas an Sinn hat, der ist schon

Dat is lastiger dan het kind definities geven van dit of dat, die het onthouden moet, die moeten blijven, alsof je zou eisen dat de laarzen van een kind van 3 ook nog passen aan de voeten van een 10-jarige. Je moet meebewegen met de belevingen van een kind, moet blij zijn het kind iets te geven wat innerlijk meebewegen kan, opdat het kind, zoals het met zijn fysieke ledematen groeit, ook mee kan groeien met deze begrippen, ervaringen, gevoelens, zodat het op korte termijn uit wat wij het aangereikt hebben, iets anders kan maken. Je hebt innerlijk plezier nodig bij ontwikkeling en groei; pedanterie kun je niet gebruiken; het leven in te vast omlijnde begrippen niet. En wie voor dat groeiende, gedijende leven een bepaald zintuig heeft, heeft als

blz. 22:

verwandt als Erzieher mit dem Kinde, weil Leben in ihm ist und das Leben von ihm auf das Leben verlangende Kind übergeht. Und das brauchen wir vor allen Dingen, daß vieles Totes, das in unserer Didak­tik und Pädagogik ist, in Leben umgewandelt werde. Daher brauchen wir eine Menschenerkenntnis, die nicht sagt: so und so und so ist der Mensch bloß, das und das ist der Mensch; wir brauchen eine Menschenerkenntnis, die auf den ganzen Menschen wirkt, wie die physische Nahrung auf das Blut wirkt. Das Blut zirkuliert im Menschen. Wir brauchen eine Menschenerkenntnis, die uns seelisches Blut gibt, die uns nicht nur gescheit und verständig und vernünftig machen kann, son­dern die uns enthusiastisch machen kann, innerlich beweglich machen kann, die Liebe entzünden kann. Denn liebegetragen muß dasjenige an Pädagogik sein, was aus wahrer Menschenerkenntnis hervorquillt.
Damit wollte ich zunächst nur einleitende Andeutungen geben über die Voraussetzungen, welche der Pädagogik aus der Anthroposophie heraus gegeben werden sollen. Es wird sich im weiteren darum han­deln, wie nun in der Schulpraxis im einzelnen dieser Geist anthropo­sophischer Pädagogik verwirklicht werden kann. Davon darf ich dann morgen und die folgenden Tage weiter sprechen. 

opvoeder al veel gemeen met het kind, omdat hij vol leven is en het leven van hem op het naar leven verlangende kind overgaat. En boven alles hebben we nodig dat het vele doodse dat in onze didactiek en pedagogiek zit, in leven veranderd wordt.
Daarvoor hebben we menskunde nodig; niet een die zegt: zus en zo en zo zit de mens dus in elkaar, dit en dat is de mens; we hebben een menskunde nodig die op de hele mens werkt, zoals de fysieke voeding op het bloed. Het bloed circuleert door de mens. Wij hebben een menskunde nodig die ons bloed voor de ziel geeft; die ons niet alleen maar slim en verstandig en knap kan maken, maar die ons ook enthousiast kan maken, innerlijk beweeglijk kan maken, die liefde kan doen ontbranden. Want wat aan pedagogie uit echte menskunde in je opkomt, moet liefdevol gedragen worden.
Daarmee wilde ik slechts inleidende aanwijzingen geven voor de uitgangspunten die de pedagogie vanuit de antroposofie moeten worden aangereikt. In het verdere verloop zal het erom gaan hoe nu in de schoolpraktijk in detail de geest van de antroposofische pedagogie kan worden verwezenlijkt. Hierover mag ik dan morgen en de dagen daarna verder spreken.
.

1) GA 309: Anthroposophische Pädagogik und ihre Voraussetzungen
De uitgave op de site is van 1972 – die is hier gebruikt.

2) 1e voordracht Duits

Steiner: alle pedagogische voordrachten

Steiner: alle artikelen op deze blog

over de begrippen ‘fysiek, lijf(elijk), ziel, geest, wil, ritme enz

1046-970

VRIJESCHOOL – 7e klas – ‘bericht uit de 7e klas’

.

Zo af en toe vind ik nog een artikel van wel heel lang geleden.
Telkens blijkt dat – afgezien van de spelling – de inhoud voor een groot gedeelte nog actueel is, vooral waar het de menskundige visie betreft.

Zoals het toen verscheen in de schoolkrant “Ostara’ van de vrijeschool in Den Haag:

DE 7e KLASSE

Met het begin van den puberteitsleeftijd treden de kinderen in een nieuw levenstijdperk binnen. Krachten, die vroeger voor den opbouw van het physieke, ether- en astraallichaam noodig waren, komen vrij en bevorderen de ontwikkeling van het intellect. Zooals men kan zeggen, dat met het 7e jaar zekere plastische krachten in den mensch tot een afsluiting komen van hun werkzaamheid, zoo komen met het veertiende jaar muzikale krachten in den mensch vrij. Zoodat, meer dan men tegenwoordig beseft, de muzikale ontwikkeling, aan den klank van het goedgesproken woord, van den kunstzinnigen, stijlvollen zin een gunstig verloop van dezen overgangsleeftijd bevordert.

Het styleeren wordt dan ook in deze jaren ter hand genomen. Het uitdrukken van gevoelens van bewondering, verwondering, vrees, afgunst, enz-., enz. moeten door de kinderen niet alleen in de woordkeus, maar vooral in de structuur van hun zinnen tot uitdrukking komen. Zoodat hun stijl expressief wordt en zij hem steeds bewuster leeren gebruiken.

In de puberteitsjaren ontwaakt in den mensch de liefde tot de wereld en de menschheid, waarvan de liefde tot het andere geslacht slechts een klein onderdeel is.

Nu staat het kind dus ook open voor het sterker beleven van sociale samenhangen in het wereldverkeer, b.v. in de Aardrijkskunde, te behandelen.

Met zijn ontwakend bewustzijn gaat zijn belangstelling uit naar de machtige ontdekkingen der Renaissance, waarin de mensch bezit nam van de aarde en het aardsche ontdekte. Uitvoerig worden in de geschiedenislessen de uitvindingen, ontdekkingsreizen, de ontwikkeling van kunst en wetenschap, de groote hervormers en het begin van den 80-jarigen oorlog, onzen vrijheidsoorlog, behandeld.

In de rekenkunde krijgt men speciaal de verhoudingen, in de algebra de vergelijkingen met één onbekende, in de meetkunde de. gelijkvormigheid.

In deze klasse begint men met de chemie, uitgaande van de verbranding en de eenvoudigste chemische begrippen. Met behulp van de chemische, natuurkundige en aardrijkskundige leerstof, ontwikkelt men voor de kinderen de samenhangen in ’t bedrijfs- en verkeersleven. Als leerstof voor de natuurlijke historie staat voor dit leerjaar de menschkunde, met voedingsleer, ziekte en gezondheidsleer op ’t programma.

En in de vreemde talen moet naast het grammaticale, de behandeling van het specifieke karakter der taal, het doen en laten van het andere volk, een allereerste kennismaking met de literatuur en het lezen en vrij weergeven van het gelezene op den voorgrond staan.

Zoo past zich ook in dit leerjaar de te behandelen leerstof geheel aan de ontwikkeling van het kind aan. Alles wordt behandeld van een groote centrale gedachte uit, die een brug slaat van vak tot vak, het ééne doet zien als aanvulling en ondersteuning van het andere, zoodat er van geen verbrokkeling in item zooveel vakken sprake is. En door de liefde en eerbied, waarmee de leerstof behandeld wordt, bloeit zij in den loop van een jaar op tot een machtig groot bouwwerk, tot stand gebracht door de samenwerking van leeraren en kinderen.

C. J. GISGHLER, Ostara 3e jrg. 5/6, oct. 1930

7e klas: alle artikelen

1045-969

VRIJESCHOOL – 3e klas – heemkunde – alle artikelen

.

Rudolf Steiner over heemkunde
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311
.

Klas 3

[1] Heemkunde klas 3
Ambachten, boerderij, huizenbouw
Uit ‘Het binnenste buitenover: lesvoorbeeld hoe je zou kunnen beginnen – Grimm: Pief Paf Polleken; bezoek boerderij, molen, bouwplaats enz.; gedichtjes over graan en bakken; gedichtjes huizenbouw.

[2] Een periode heemkunde in de 3e klas
Martin Stoop
over oude ambachten: hoe de 3e-klasser meer zicht krijgt op het aardse leven; eerst kijken naar wat je begrijpt, later de techniek; op bezoek bij de boer – ploegen – en vele andere ambachten; wat kun je in de klas doen: gedichtjes over dieren (varken, geit); gedichtjes over het zaaien.

[3] Van zoet tot brood
Onbekend over: van graan tot brood; eerbied wekken voor het dagelijks brood.

[4-1] Huizenbouw in de 3e klas (huizenbouwspel)
Onbekend over: waarom heemkunde in de 3e klas: het veranderende kind; de betekenis van ‘huis’; wat er allemaal bij het bouwen komt kijken.

[4-2] Van holen tot paalwoningen
Onbekend over: het wonen in paalwoningen; hoe werden ze gebouwd, waarom; voorbeelden uit de geschiedenis, met illustraties.

[4-3] Huizenbouw in de 3e klas
Tine Timmermans-van Merwijk over: wat kun je de kinderen echt laten beleven: naar het bos: hutten; naar een technische school: metselen; naar een steenfabriek; en in de klas.

[4-4] Huizen bouwen
Frans Geus over: wat er nodig is om een huis te bouwen; activiteit in de klas.

[5] De ambachtenperiode van de 3e klas
Ria Buscop over: ambachten: molenaar, bakker, nettenboetster;  e boer, zaaien, graan, molen; beroepsmensen in de klas.

[5-2] Over de molen
Iets over molentaal; doorsnede van standaardmolen; gedichtjes rond de molen; en extra: gedichtje over de smid.

[6 ] Over ‘hand’elingen
Pieter Witvliet
over: de menselijke hand; samenhang van hand en andere lichaamsdelen met het ontstaan van gereedschappen.

[7] 3e klas heemkunde
M.Brouwer over: de belevingswereld van de 3e-klasser; over de vakken; over heemkunde.

[8] De ploeg in de heemkundeperiode van de 3e klas
Reinhard Ziller:
een uitgebreide geschiedenis van de ploeg; met vele illustraties, waaronder die je zelf met de kinderen zou kunnen maken; ontstaan en gebruik.

[9] Papier maken
Franka Paul
: papier maken met 3e klas: benodigdheden en werkwijze.

Heemkunde: alle artikelen

Ook de vertelstof: het Oude Testament biedt aanknopingspunten voor het heemkunde-onderwijs: het leven in het Oude Testament

3e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

1044-968

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (8)

.

HUIZEN

leven O.T. 48

1. Grotere huizen in een Oosterse stad.
Bij opgravingen heeft men op verschillende plaatsen gezien hoe binnenmuren (die de indeling van de woning in meerdere vertrekken aangeven) duidelijk zich onderscheiden van de zwaardere buitenmuren.
Sellin en Watzinger vonden in Jericho een huis met vijf kamers, gegroepeerd om een binnenhof en Macalister te Gezer een huis uit de latere Griekse tijd met twaalf vertrekken. Bij zo’n groot huis gaf de deur (a) toegang tot een vertrek, dat naar de binnenhof (b) voerde: zo’n binnenhof wordt in de Statenvertaling ook wel „voorhof” genoemd (Nehemia 8 : 17). Een galerij, rustende op balken of pilaren, omgaf de hof. De trap (d) voerde naar het platte dak; dit was omgeven door een borstwering (ƒ) in de Statenvert. “leuning” genoemd. (Deut. 22 : 8). Het huis links heeft nog een opkamer (h) op het dak; in het verhaal van Ehud genoemd een „koele opperzaal” (Richt. 3 : 20); overigens kwamen zulke optrekjes ook wel voor op het dak van meer eenvoudige huizen (1 Kon. 17 : 19). Een aanzienlijk huis kon voor het vrouwenvertrek een venster hebben met traliën (g) ; vgl. Richt. 5 : 28. Bij het bouwen werden vooral de hoekstenen (e) met grote zorg behouwen en samengevoegd om te zijn tot een hoofd des hoeks (Psalm 118 : 22).

leven O.T. 49

2. Een dorpshuis in Palestina.
Een boerenhuis in Palestina bestaat in de regel slechts uit één vertrek: alles woont op de vastgestampte vloer genoeglijk bijeen (2 Sam. 12 : 3). Alleen ligt het verblijf der dieren (b) iets lager: een paar ruwe treden in ’t midden geven toegang tot het verhoogde gedeelte (a) waar de mensen verblijf houden. Aan weerszijden van die treden zijn voederbakken of kribben (c), goed bekend bij het rund (d) en de ezel (e) gelijk Jesaja 1 : 3 zegt. Rechts de geit (ƒ), die om de melk gehouden wordt (Spr. 27 : 27). Op het midden van het verhoogde gedeelte is een vuurplaat, ’s nachts ligt men op de vloer met de voeten naar de vuurplaat (g) gekeerd. Daarom is het wel bezwaarlijk om in de nacht op te staan, teneinde aan een vriend drie broden te lenen (Lukas 11 : 7); want bij deze wijze van slapen loopt men gevaar op de anderen te trappen en de familie wakker te maken. De vrouw zit bij de handmolen (h). Het kind dat in de hangmat ligt, is in windselen (i) gewonden (Ezechiël 16 : 4).

leven O.T. 50

3. Instrument van lava voor het gladstrijken van een
muurbepleistering.
(Gevonden bij de opgraving van Teleilat Ghassoel in het Jordaandal).
De wanden van een „woning waren met leem en kalk bepleisterd” („dat de één een lemen wand bouwt en de anderen die pleisteren met loze kalk” Ezech. 13 : 10).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1043-968

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Karel de Grote

.

Karel de Grote 742-814

Karel de Grote

Karel de Grote te paard. Hij draagt zijn keizerskroon en zijn wapenuitrusting.

‘Wanneer ik de bedoeling van de paus had geweten, dan had ik nooit een voet in deze kerk gezet.’
Volgens de overlevering deed Karel de Grote, koning der Franken, deze uitspraak na een kerstmis in Rome in 800.
Tijdens deze mis werd hij door de paus tot keizer van het Westen gekroond. Door Karels toedoen was de paus niet langer in de macht van de Byzantijnse keizers in het Oosten. Hij had de kerk van Rome onverbrekelijk met Europa verbonden.

De Franken hadden heel wat bereikt. Op het hoogtepunt van de Romeinse macht waren ze niet meer dan een barbaars volk. Ze leefden in het Rijndal, net buiten de grens van het Romeinse Rijk. Terwijl de macht van de Romeinse keizers afnam, breidden de Franken hun gebied uit. Clovis, de eerste koning van de Franken, versloeg de Romeinse legioenen bij Soissons. In 486 maakte hij een einde aan de Romeinse heerschappij over het grootste deel van Gallië. Clovis nam het christelijke geloof aan. Ook bekeerde hij zijn volk tot zijn nieuwe geloof. Hij legde de grondslag voor de dynastie van de Merovingers, die het rijk van de Franken meer dan 250 jaar zouden regeren. Aan het eind van die periode hadden de Merovingers alleen nog de koninklijke titel. De echte macht was in de verschillende gebieden van het rijk overgegaan in handen van hofmeiers. Eén van hen was Karel Martel. Hij verdiende een blijvende plaats in de geschiedenis door bij Tours de Arabieren te verslaan en hun opmars in Europa tot staan te brengen. Zijn zoon en opvolger, Pippijn de Korte, onttroonde de Merovingers en riep zichzelf in 751 uit tot koning van de Franken. Hij kreeg daarvoor de toestemming van de paus, omdat die zijn steun nodig had in de strijd tegen de Longobarden, een ander barbaars volk dat gebieden in Italië bezet hield. Ze bedreigden het gebied van de kerkvorst. Pippijn stierf in 768. Zijn twee zoons, Karel en Karloman, erfden het rijk. Dit omvatte het grootste deel van het huidige Duitsland, Frankrijk, Nederland, België, Zwitserland en Oostenrijk. Karel werd de enige heerser, omdat zijn broer in 771 overleed.
Het werk van Pippijn werd door zijn zoon Karel voortgezet. Hij breidde zijn rijk uit met het koninkrijk Lombardije in Noord-Italië, Beieren en Saksen. Ook werd hij koning over de Avaren en Slaven.
De Franken ondernamen ook een poging om Spanje aan hun rijk toe te voegen. In 778 belegerden ze Saragossa. Ze slaagden er niet in de stad in te nemen en trokken zich terug. Op de terugweg gingen ze dwars door de Pyreneeën. Daar werden ze aangevallen door de Basken. De legeraanvoerder Roeland sneuvelde. Hij werd later onsterfelijk in het heldendicht het Roelandslied.
Karel maakte zijn plannen voor de vele veldslagen en het in stand houden van zijn legers altijd alleen. Daarbij stond hij ook nog vaak aan het hoofd van zijn strijdmacht. Ook het bestuur over zijn immense rijk voerde hij vrijwel alleen uit. Karel beschikte in tegenstelling tot de Romeinse keizers niet over ambtenaren. Het rijk was niet in provincies onderverdeeld, er waren geen wegen en goede verbindingsmogelijkheden en er was geen algemene wetgeving. Het centrale bestuur was Karels hof. Dat bestond uit zijn familie en een kleine groep wereldlijke en geestelijke leiders. Alle gebieden behielden hun eigen wetten en werden bestuurd door een plaatselijke edelman en een bisschop. Ze kregen  hun instructies van twee koninklijke boodschappers, een kerkelijke en een bestuurlijke. Ongeveer eens per jaar ontmoetten Karel en zijn hof de plaatselijke bestuurders in een algemene vergadering. Daar werden niet alleen de burgerlijke, maar ook de godsdienstige en militaire aangelegenheden besproken.

Hoewel het bekend is dat Karel ruwe manieren had en een slechte opleiding had gekregen, hongerde hij naar kennis. Hij liet geleerden uit alle delen van zijn rijk aan zijn hof in Aken wonen.

Om het onderwijs in zijn rijk te stimuleren en de godsdienstbeoefening te verbeteren, stichtte hij overal scholen, in het bijzonder in de kloosters en kerken. Die inspanningen leidden tot de zogenaamde Karolingische Renaissance, die niet alleen een belangstelling voor scholing omvatte, maar ook nieuwe kunstvormen en een nieuwe architectuur.
Het rijk van Karel de Grote had een enorme omvang bereikt. Het bevatte ook een deel van het vroegere Westromeinse Rijk. Daardoor werd het de rivaal van het Byzantijnse Rijk, dat in plaats van het Oostromeinse Rijk was gekomen. Byzantium bezat nog een aantal gebieden in Italië, hoewel het grootste deel in handen van de barbaren was. Ook beweerden de Byzantijnen zeggenschap te hebben over de paus en de Kerkelijke Staat. Maar de pausen gaven de voorkeur aan de Franken. Dat kwam omdat ze voor een deel werden beschouwd als betere beschermers en voor een deel omdat de Westerse Kerk een andere mening had over een aantal leerstellingen die door de orthodoxe bisschoppen waren aanvaard. In 799 vluchtte paus Leo III naar het hof van Karel de Grote om aan zijn vijanden te ontsnappen. Karel liet hem veilig naar Rome terugbrengen. Het jaar daarna kwam Karel zelf naar Rome. Daar werd hij met veel pracht en praal ontvangen. Tijdens de kerstmis werd hij door de paus tot keizer gekroond. Na een lange strijd werd hij in 812 door de Byzantijnen als keizer erkend. Ze gaven daarmee ook hun rechten op Rome en de paus op. Karels rijk bleef na zijn dood nog maar één generatie bestaan. Daarna versplinterde het in kleinere delen. Toch had het een diepgaande invloed op het middeleeuwse en tegenwoordige Europa. Want Karel de Grote gaf de Europeanen een gemeenschappelijke erfenis, die was gebaseerd op Romeinse, christelijke en barbaarse grondvesten. Hij was de eerste, die binnen de regering de wereldlijke en kerkelijke autoriteiten samenbracht. Hij zorgde voor een politieke traditie, waardoor later Duitsland en Frankrijk zijn ontstaan.

alle biografieën

6e klas geschiedenis: alle artikelen
Karel de Grote

1042-967

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (7)

.

WERKTUIGEN
.

leven O.T. 401. Stenen messen
(a, b en c) uit de heuvel el ‘Oreme (aan het Meer Gennesareth). Aan de metaaltijd gaat de steentijd vooraf; deze vuursteenmessen zijn uit de jongere steentijd of neolithicum. Zulke vuursteenmessen gebruikte Jozua toen hij stenen messen nam voor de besnijdenis (Jozua 5:3). Ook Zippora nam een stenen mes voor de besnijdenis van haar zoon (Ex. 4 : 25).
.
leven O.T. 412. Mes
In de loop der geschiedenis gebruikte men messen van steen, brons of ijzer; het handvat is van hout of hoorn.

3. Priem
(o. m. gebruikt bij de zelfmarteling der Baälspriesters; 1 Kon. 18 : 28).

4. Sikkel
De sikkel werd gebruikt om het staande koren (Deut. 16 : 9) met de rechterhand af te snijden; in de linkerhand hield de maaier de halmen vast (Ps. 129 : 7; Jes. 17 : 5).

5. Hamer
De hamers waren vaak van behakte steen; het maken van een opening voor het houten handvat eist veel geduld. De hamer is in Israël het werktuig van de smid (Jes. 44 : 12).

6. Zaag
Zagen zijn gevonden gemaakt van steen, brons en ijzer. De zaag werd getrokken (Jes. 10 : 15) door de timmerman; echter ook bij dwangarbeid in tichelovens volgens 2 Sam. 12 : 31 naar de vertaling van Prof. de Groot: „De manschappen die erin waren liet hij wegvoeren en zette hen aan het werk bij de steenzagen, bij de ijzeren houwelen en bij de ijzeren bijlen.”
(2—6 naar R. A. S. Macalister).
.
leven O.T. 427. Stenen gewichten
(volgens foto van Prof. Böhl) gevonden bij de opgravingen in Teil beit Mirsim = Kirjath Sefer. Eerlijkheid met weegstenen was goddelijk voorschrift (Deut. 25 : 13; Spr. 16 : 11).
.
leven O.T. 438. Afwegen van gouden ringen
op een weegschaal volgens Egyptische voorstelling. Rechts de ringen (a) links het gewicht (b); deze gewichten (b en c) hadden een diervorm.
.
leven O.T. 449. Zonnewijzer,
een instrument dat de ware zonnetijd aangeeft door de richting waarin de schaduw van een stang op een vast vlak valt.

Een staande stift wierp de schaduw op een vlak, dat met behulp van een schaalverdeling, de lengte en de richting van de schaduw aangeeft. In het midden bij a is het gat voor de stift aangegeven; rechts ziet men bij b de schaalverdeling; links bij c: in een boot de godheid Re-Harmachis met valkenkop en scepter in de hand; voor hem knielt Farao Merenp’tha. Boven de godheid en de koning een zonneschijf met adders; daarnaast rechts en links ringen met de namen van de koning.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

1041-966

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schrijven en lezen (6)

.

MENSKUNDIGE ACHTERGRONDEN
.

tekst in blauw van mij; in groen van Steiner; in zwart de vertaling daarvan. ‘Niet vertaald’ wil zeggen: er is geen officiële vertaling; deze vertaling is dan van mij. Verbetersuggesties welkom: vspedagogie at gmailpuntcom
.

Steiner wijst op veel plaatsen in zijn pedagogische voordrachten op het belang van het beeld van een lettervorm als voorloper van deze lettervorm. Hij brengt dit in verband met hoe de lettervorm die ooit beeld was, tot afspraak, tot conventie is geworden.
Hij wil geen kopie van dit verleden wat de oorspronkelijke beelden betreft.

Vanuit zijn menskundige inzichten beschrijft hij het schoolkind dat moet gaan schrijven en lezen o.a. als een wezen dat op deze leeftijd beschikt over  een grote mate aan fantasiekracht, aan bewegingsdrang, aan wil. Kort gezegd: aan wordende kracht. Bij deze krachten sluit hij aan. Bij de natuur van het kind; bij het wezen van het kind. Hij begint niet met de dode letter, met de conventionele afspraak, maar met wat eraan voorafging: het fantasievolle, het uit het leven(de) voortgekomen beeld.
Dat verbindt hij met de bewegingsdrang van het kind; de nadruk ligt dan ook eerst op het doen, met de ledematen dus, en pas later op het hoofd, het kennen en kunnen reproduceren.

Uiteraard motiveert Steiner dit ook.

Interessant is ook dat hij in iedere voordracht met dit onderwerp het hoofdthema met net weer andere woorden, nieuwe nuances, kortom: steeds opnieuw karakteriserend, bespreekt.

Hieronder volgen de passages die het menskundige aspect belichten.
Geraadpleegde GA’s: 34; 293; 294; 294 allerfysiekst e.d.; 294 boven-onder; 297; 302; 

GA 34/328   vert. 39
Wie das Kind auf die Nachahmung aus ist, davon kann man sich überzeugen, wenn man beobachtet, daß es Schriftzeichen nachmalt, lange bevor es sie versteht. Es ist sogar ganz gut, wenn das Kind zuerst die Schriftzeichen nachmalt, und dann erst später ihren Sinn verstehen lernt. Denn die Nachahmung gehört der Entwicklungsepoche des physischen Leibes an, während der Sinn zu dem Ätherleib spricht, und auf diesen sollte man erst nach dem Zahnwechsel einwirken, wenn seine äußere Ätherhülle von ihm gefallen ist.

Men kan zich ervan overtuigen, hoe het kind er op uit is te imiteren, als men ziet, dat de kleuter de letters natekent, lang voordat hij ze begrijpt. Het is zelfs heel goed, wanneer hij de letters eerst met kleuren nabootst en dan pas later hun betekenis leert kennen. Want de nabootsing behoort tot de ontwikkelingsfase van het fysieke lichaam, terwijl de betekenis tot het etherlichaam spreekt en daar moet men pas na de tandenwisseling op inwerken, wanneer de etherische omhulling is afgevallen.

=

GA 293/167  vertaald/160

Dasjenige, was in der Sprache und im Schreiben enthalten ist, ist Kulturkonvention. Das lebt hier auf der Erde. Und nur dann, wenn wir nicht bloß diese Kulturkonvention, dieses Lesen und Schreiben, dem Kinde beibringen durch den Kopf, sondern wenn wir dem Kinde dieses Lesen und Schreiben beibringen auch durch Brust und Gliedmaßen, dann tun wir ihm Gutes. Natürlich, wenn das Kind sieben Jahre alt geworden ist und zur Volksschule kommt – wir haben es ja nicht immer in die Wiege gelegt, sondern es hat etwas getan, es hat sich selbst durch Nachahmung der Alten fortgeholfen, es hat dafür gesorgt, daß sein Kopfgeist aufgewacht ist in einer gewissen Beziehung -, dann können wir das, was es sich selbst im Kopfgeist aufgeweckt hat, dazu benützen, um ihm Lesen und Schreiben in konventioneller Weise beizubringen; aber dann beginnen wir, diesen Kopfgeist durch unseren Einfluß zu schädigen. Deshalb habe ich Ihnen gesagt: Es darf der Lese- und Schreib- unterricht nicht anders erteilt werden, im guten Unterrichten, als von der Kunst her. – Die ersten Elemente des Zeichnens und Malens, die ersten Elemente des Musikalischen, die müssen vorangehen. Denn die wirken auf den Gliedmaßen- und auf den Brustmenschen und nur mittelbar auf den Kopfmenschen. Dann aber wecken sie dasjenige auf, was im Kopfmenschen drinnen ist. Sie malträtieren nicht den Kopfmenschen, wie wir ihn malträtieren, wenn wir bloß das Lesen und Schreiben so, wie sie konventionell geworden sind, auf intellektuelle Weise dem Kinde beibringen. Lassen wir das Kind erst zeichnen und dann aus dem, was es gezeichnet hat, die Schriftformen entwickeln, so erziehen wir es durch den Gliedmaßenmenschen zum Kopfmenschen hin. Wir machen dem Kinde vor, sagen wir ein F. Muß es dann das F anschauen und nachfahren, dann wirken wir im Anschauen zunächst auf den Intellekt, und dann dressiert sich der Intellekt den Willen. Das ist der verkehrte Weg. Der richtige Weg ist, soviel als möglich durch den Willen den Intellekt zu wecken. Das können wir nur, wenn wir vom Künstlerischen übergehen in die intellektuelle Bildung. So müssen wir schon in diesen ersten Jahren des Unterrichts, wo uns das Kind übergeben wird, so verfahren, daß wir Schreiben und Lesen in künstlerischer Art dem Kinde beibringen.
.

Spreken en schrijven berusten op conventie. Dat leeft hier op aarde. En we doen het kind alleen goed wanneer we het niet alleen via het hoofd het conventionele van het lezen en schrijven bijbrengen, maar het ook via borst en ledematen leren lezen en schrijven.
Nu heeft een kind al heel wat zelf gedaan als het op zijn zevende op de lagere school komt. We hebben het immers niet al die tijd in de wieg gelegd, het heeft zichzelf verder geholpen door de ouderen om hem heen na te bootsen. Het heeft ervoor gezorgd dat de geest in zijn hoofd in zekere zin wakker is gewor­den. Dan kunnen we gebruik maken van het geestelijke dat het zelf in zijn hoofd gewekt heeft, om het op conventionele wijze lezen en schrijven bij te brengen. Maar dan beginnen we door onze invloed deze geest ook schade te berokkenen. Daarom heb ik u gezegd dat in goed onderwijs het lezen en schrijven alleen via de kunst geleerd mag worden. – De eerste beginselen van het tekenen en schilderen én van de muziek moeten daaraan voorafgaan. Want die werken op de ledematen- en borstmens en slechts indirect op de hoofdmens. En dan wekt u op wat er in de hoofdmens is. U mishandelt de hoofdmens dan niet, zoals we hem mishandelen wanneer we het kind de conventies van lezen en schrijven alleen via het intellect bijbrengen. Laten we een kind eerst tekenen en dan uit de tekening de schrifttekens* ontwikkelen, dan werken we via de ledematenmens naar de hoofdmens toe. We doen bijvoorbeeld voor hoe je een F maakt. Moet het kind de F dan bekijken en nadoen, dan werken we door dat bekijken in eerste instantie op het intellect en dan dresseert het intellect de wil. Dat is de verkeerde weg. De juiste weg is om zoveel mogelijk via de wil het intellect te wekken. Dat kunnen we alleen wanneer we het intellect vormen via het kunstzinnige. Zodoende moeten we de kinderen al in de aller­eerste jaren van het onderwijs het schrijven en lezen op kunst­zinnige wijze bij brengen.

*de schrifttekens ontwikkelen: Zie GA 294, eerste en vijfde voordracht

=

Dat ‘op een kunstzinnige manier brengen’ kom je hier voortdurend tegen. Het ‘schilderend tekenen of het tekenend schilderen’ wordt vrijwel steeds benadrukt.
Steiner karakteriseert dan nader wat met ‘conventie’ óók wordt bedoeld: het is klaar. Afgebakend. Het leven is eruit. Doods. Dit zijn ook de karakteriseringen van het gesteente. Van het meest aardse. En zo noemt Steiner het ook:
.
GA 294/8     vertaald/10  (1)

Also was Sie dem Kinde beibringen als Lesen und Schreiben, beruht auf Konvention; das ist etwas, was entstanden ist innerhalb des physischen Lebens. Wir unterrichten im Gebiete des Allerphy­sischsten, indem wir den Kindern Lesen und Schreiben beibringen. Ganzphysischen im Lesen und Schreiben.
Die Schrift der Menschen ist durch die Tätigkeit, durch die Konvention der Menschen auf dem physischen Plan entstan­den.
.
Het lezen en schrijven wat u een kind leert, berust dus op conventie; het is ontstaan op het fysieke plan. We bewegen ons op het gebied van het meest fysieke, wanneer we leren lezen en schrijven.
Het schrift van de mens is op het fysieke plan ontstaan door menselijk handelen en door de conventie.

=

FYSIEK, HALF-FYSIEK, NIET-FYSIEK/
BOVEN-BENEDEN

Allerphysischst, weniger physisch, überphysisch

Naast het ‘meest fysieke’ onderscheidt Steiner ook een ‘minst fysieke’ en iets daartussen.
In het Duits wordt het meest fysieke het ‘Allerphysischste’ genoemd;  weniger physisch’ wordt bv. het rekenen genoemd en het minst fysieke, zo noemt hij het gebied van het kunstzinnige, het Überphysische.
Hoewel je snel geneigd bent om het hoofd, waar het denken zetelt, het minst fysiek te noemen, gaat het Steiner hier om meer dan het denken, nl. om de ‘geest-ziel’. Het spiegelende denken, is het letterlijke ‘na’ denken: wat al gedacht is, tegenover het creatieve denken, het hebben van een idee die nog geen werkelijkheid, d.i. fysiek waarneembaar, is geworden. En het uitvoeren, het uitwerken van zo’n idee is veel meer de activiteit van de ledematen, inzonderheid de handen. Die zijn dus hier de instrumenten van de geest-ziel en vanuit deze optiek het minst fysiek. Het kunstzinnige (de idee) dat nog gerealiseerd moet worden zweeft a.h.w. nog boven het fysieke, is er nog buiten: ‘überphysisch. Het rekenen bv. bevindt zich tussen het een en het ander. Steiner spreekt hier van halbüberphysisch; je zou ook kunnen zeggen het gebied tussen geest/ziel en fysiek, en dat is het gebied van het ritme, dat o.a. de basis van het tellen is. En vergeleken met de letters die door conventie zijn ontstaan, gaat het bij het rekenen niet om de vorm van de cijfers, maar om de realiteit die in deze vormen leeft en die realiteit is al een realiteit op zich: kwaliteit van de getallen; wiskundige wetmatigheden die a.h.w. ook buiten de mens om, realiteit zijn.

GA 294/8-9     vertaald/8-9  (1)
.
Also was Sie dem Kinde beibringen als Lesen und Schreiben, beruht auf Konvention; das ist etwas, was entstanden ist innerhalb des physischen Lebens.
Etwas ganz anderes ist es, wenn Sie dem Kinde Rechnen beibringen. Sie werden fühlen, daß da die Hauptsache nicht liegt in den Ziffer-formen, sondern in dem, was in den Zifferformen von Wirklichkeit lebt. Und dieses Leben hat schon mehr Bedeutung für die geistige Welt, als was im Lesen und Schreiben lebt. Und wenn wir gar dazu über­gehen, gewisse künstlerisch zu nennende Betätigungen dem Kinde bei­zubringen, dann gehen wir damit in die Sphäre hinein, die durchaus eine ewige Bedeutung hat, die hinaufragt in die Betätigung des Geistig-Seelischen des Menschen. Wir unterrichten im Gebiete des Allerphy­sischesten, indem wir den Kindern Lesen und Schreiben beibringen; wir unterrichten schon weniger physisch, wenn wir Rechnen unter­richten, und wir unterrichten eigentlich den Seelengeist oder die Geist-seele, indem wir Musikalisches, Zeichnerisches und dergleichen dem Kinde beibringen.
Nun können wir aber im rationell betriebenen Unterricht diese drei Impulse des Überphysischen im Künstlerischen, des Halbüberphysi­schen im Rechnen und des Ganzphysischen im Lesen und Schreiben miteinander verbinden, und gerade dadurch werden wir die Harmoni­sierung des Menschen hervorrufen.

Het lezen en schrijven wat u een kind leert berust dus op conventie; het is ontstaan op het fysieke plan.
Iets heel anders is het rekenen. U zult voelen dat de hoofdzaak van het rekenen niet ligt in de vormen van de cijfers, maar in de realiteit die leeft in deze vormen. En deze realiteit heeft al meer betekenis voor de geestelijke wereld dan die van het lezen en schrijven. En gaan we er zelfs toe over om een kind bepaalde kunstzinnig te noemen activi­teiten aan te leren, dan komen we daarmee in een sfeer die zeer zeker een eeuwige betekenis heeft, die reikt tot in de activiteit van de geest- ziel van de mens. We bewegen ons op het gebied van het meest fysie­ke, wanneer we leren lezen en schrijven; we bewegen ons op een min­der fysiek gebied bij het rekenen; en wanneer we een kind iets bij bren­gen op het gebied van bijvoorbeeld muziek of tekenen, dan onderwij­zen we eigenlijk de zielengeest of geestziel. En nu kunnen we in een weloverwogen vorm van onderwijs deze drie impulsen met elkaar verbinden: het niet-fysieke in het kunstzin­nige, het half-fysieke in het rekenen en het fysieke in het lezen en schrijven. Door deze drie met elkaar te verbinden zullen we een har­monisering van de mens tot stand brengen.

=

BOVEN – BENEDEN
Naast deze drie: allerphysischt – en überphysisch: (aards en geestelijk) en daar tussenin halbüberphysisch, gebruikt Steiner ook  de woorden ‘oberen en unteren Menschen’. Deze ‘boven-‘ en ‘beneden’mens kunnen we letterlijk nemen: het hoofd en de ledematen. Het hoofd noemt Steiner ook wel ‘het meest lichamelijk’ (am meisten Leib): dat valt dus min of meer samen met ‘allerphysischt’). De ledematenmens, waar de wil zetelt, is de ondermens, de benedenmens. De wil hier bezien als het meest geestelijke. (Ook vanuit het gezichtspunt dat de wil pas na de dood realiteit wordt, kan er over ‘überphysisch’ gesproken worden – de wil is nu nog geen fysieke werkelijkheid)
Wanneer de kinderen de beelden van de letters tekenend/schilderend, dus in de sfeer van het kunstzinnige, maken, verbindt hun wil zich met wat ze doen en in het beeld in wording kondigt zich de abstractie van de letter aan. die tot weten moet worden. Dan wordt de opmerking ‘dat je de geest-ziel op deze manier in de bovenmens brengt’ wat begrijpelijker.
Dit is een belangrijk onderdeel  van heel de vrijeschoolpedagogie: harmonie, evenwicht, brengen in wat het kind als denkend, voelend en willend wezen is.

In GA 302 vind je nog een aanduiding van deze drie gebieden, al doet Steiner dit weer iets anders dan hierboven beschreven; je zou kunnen zeggen: weer een (nieuwe) karakterisering. Ook interessant zijn zijn opmerkingen over de hersenen.
.
GA 302/57      vertaald/57

Wenn wir nun dasjenige treiben, was wir den Kindern auf den verschiedensten Gebieten beibringen müssen, also ich will sagen, was wir ihnen beibringen, während wir mit ihnen lesen oder ihnen das vermitteln, was zum Lesen führt, was wir ihnen beibringen als das Gedankliche im Rechnen, was wir ihnen beibringen auch in der Naturgeschichte oder Naturlehre – durch all das, was in Gedanken sich ausspricht, bringen wir eben Vorstellungen an sie heran. Und Vorstellungen an die Kinder heranbringen, das ist im Grunde eine ganz andere Betätigung gegenüber dem kindlichen Organismus, als diejenige ist, die sich ja allerdings in die anderen zum Teil hineinmischt, aber zum Teil selbständig getrieben wird. Nicht wahr, ganz selbständig wird das Körperlich-Leibliche getrieben bei Eurythmie, beim Musik unterricht, beim Turnunterricht, in einer gewissen Weise beim Instrumentalunterricht, nicht mehr aber beim Gesangunterricht. Natürlich ist alles nur relativ. Aber es ist durchaus polarisch verschieden, was wir in diesen Fächern an die Kinder heranbringen, auch was das Kind beim Lesen, beim Schreiben lernt, wo wir stark an die körperliche Tätigkeit appellieren, von den Fächern, wo dies viel weniger der Fall ist, etwa beim Rechnen, wo die körperliche Tätigkeit eine untergeordnete Rolle spielt; während gerade beim Schreiben die körperliche Betätigung eine sehr großeRolle spielt.
.

Nu leren we de kinderen dingen op de meest uiteenlopende gebieden; als we met ze lezen, of ze leren lezen, als we ze leren rekenen, ook als we ze dingen leren in de plant- en dierkundeIes, dingen over de natuur,- door alles wat in gedachtevorm wordt uitgedrukt benaderen we ze met voorstellingen. En de kinderen benaderen met voorstellingen is een fundamenteel andere activiteit ten opzichte van het kinderlijke organisme dan dat wat deels zelfstandig bedreven wordt, maar wat zich hier wel ten dele mee vermengt. Geheel zelfstandig wordt het fysieke lichaam aangespro­ken bij euritmie, bij muziek, bij gymnastiek, en tot op zekere hoogte bij het instrumentale muziekonderwijs; maar niet meer bij het zingen. Natuurlijk is alles slechts relatief. Maar het is volstrekt tegenover gesteld: wat we in déze vakken met de kinderen doen, ook wat de kinderen leren bij het lezen en schrijven, waarbij we sterk appelleren aan de lichamelijke activiteit, staat in tegenstelling tot de vakken waarbij dat veel minder het geval is, bijvoorbeeld bij het rekenen, waarbij de lichamelijke activiteit een ondergeschikte rol speelt; terwijl bij het schrijven de lichamelijke activiteit juist een zeer grote rol speelt.

=
GA 302/58-59-60    vertaald/58-59-60

Blz. 58

Man sollte eigentlich das malende Schreiben an den Menschen herankommen lassen. Es ist das weit hygienischer, weit gesünder. Wenn man nun so schreibt, daß man zu gleicher Zeit das Auge auf seine Schrift gerichtet hält und ästhetisches Behagen hat an seinen Schriftzeichen, also malerisch schreibt, dann wird das Mechanische mehr in den Körper

Blz. 59    vert 58

zurückgedrängt. Es schreibt nicht das Handgelenk, es schreibt mehr der innere Organismus. Und das ist außerordentlich wichtig,denn es wird viel mehr das Mechanische von der Peripherie abgelenkt und auf den ganzen Menschen zurückgelenkt. Sie werden auch bemerken: wenn es Ihnen gelingt, jemanden ganz gut auf dieses malende Schreiben hinzuführen, so lernt er zuletzt auch mit den Zehen schreiben. Und das wäre ein gewisser Triumph, wenn man es dahin bringen könnte, daß Buchstaben durch Haltung eines Bleistiftes zwischen der großen Zehe und der nächsten Zehe richtig geformt werden könnten. Ich meine nicht, daß das artistisch ausgebildet werden sollte; aber es ist darinnen dieses Übertragen der mechanischen Tätigkeit auf den ganzen Menschen.

Nun, in dieser Beziehung sind ja die Menschen außerordentlich ungeschickt, sie können sich nicht einmal, wenn ihnen vom Waschtisch etwas herunterfällt, es mit den Zehen aufheben wie mit der Hand, und das müßten die Menschen doch wenigstens können. Das sieht grotesk aus, wenn man das sagt. Aber Sie werden verstehen, daß es auf etwas Bedeutsames hindeutet. Man müßte also das malende Schreiben pflegen, denn dadurch wird auf der einen Seite die eigentliche mechanische Tätigkeit in den Körper zurückgedrängt, und es wird an die Oberfläche heraufgebracht, außerhalb der Oberfläche herausgebracht die Beziehung des Menschen zum Geschriebenen.

Eigenlijk zou je de mensen het schrijven al schilderend moeten leren. Dat is veel gezonder. Wanneer je op zó’n manier schrijft dat je tegelijk je schrift bekijkt en in je schrifttekens een esthetisch genoegen schept, dus schilderend schrijft, dan wordt het mechani­sche meer in het lichaam teruggedrongen. Dan schrijft niet de pols, maar het innerlijk organisme. En dat is buitengewoon belangrijk, want daarmee wordt het mechanische van de periferie afgeleid en op de gehele mens teruggevoerd.
U zult ook merken, als het u lukt iemand sterk in dit schilderende schrijven te krijgen, dat hij uiteindelijk ook met zijn tenen leert schrijven. En het zou bepaald een triomf betekenen als je het voor elkaar zou krijgen dat iemand met een potlood tussen zijn grote en zijn tweede teen goed gevormde letters zou kunnen schrijven. Ik bedoel niet dat dat als kunst beoefend zou moeten worden, maar daarin zie je het overdragen van de mechanische activiteit op de gehele mens.
Welnu, in dit opzicht zijn de mensen buitengewoon onhandig; ze kunnen niet eens iets wat van de wastafel is gevallen, op dezelfde manier met hun tenen oprapen als met hun hand. Dat zouden ze toch op z’n minst moeten kunnen. Het klinkt idioot als je dat zo zegt. Maar u zult begrijpen dat het op iets belangrijks wijst. Je zou dus het schilderende schrijven moeten beoefenen, want daardoor wordt enerzijds de feitelijk mechanische activiteit in het lichaam teruggedrongen, en anderzijds wordt de verhouding van de mens tot het geschrevene naar de oppervlakte gebracht, zelfs buiten de oppervlakte gebracht.

Es wird der Mensch in seine Umgebung hineingefügt. Der Mensch sollte sich eigentlich daran gewöhnen, alles, was er tut, auch zu sehen, es nicht bloß gedankenlos mitzumachen, sondern es zu sehen; und gedankenlos wird zumeist geschrieben.
Das Schreiben ist nun also eine solch verschiedenseitige Tätigkeit.
Aber  gerade deshalb wird man es in gewissem Sinne auch als etwas Bedeutsames im Unterricht betrachten können. Beim Rechnen kommt ja die eigentliche Schreibtätigkeit nicht in Betracht, weil der Mensch zu sehr in Anspruch genommen ist durch die Gedankenarbeit; da tritt die Schreibarbeit mehr oder weniger zurück.
Nun müssen wir uns klar sein, was da eigentlich im Menschen vorgeht, wenn Sie mit dem Kinde etwas lesen. Es ist das allerdings – im Bilde – aber doch eben eine zunächst geistige Betätigung. Die setzt sich  in die Körperlichkeit hinein fort.

De mens wordt ingevoegd in zijn omgeving. Eigenlijk zouden de mensen er een gewoonte van moeten maken, alles wat ze doen ook te zien, het niet alleen maar gedachteloos mee te maken, maar het te zien. En meestal vindt het schrijven gedachteloos plaats.
Schrijven is dus een activiteit met heel verschillende kanten. Maar juist daarom zal men het in een bepaald opzicht ook kunnen beschouwen als een belangrijk element in het onderwijs. Bij het rekenen valt de schrijfactiviteit als zodanig niet op omdat de mens daarbij teveel in beslag genomen wordt door het denkwerk; dan treedt het schrijven min of meer op de achtergrond.
Nu moet ons duidelijk voor ogen staan wat er eigenlijk gebeurt wanneer we met de kinderen iets lezen. Dat is immers in eerste instantie een – zij het met het beeld verbonden – geestelijke activiteit. Die zet zich vervolgens voort in de lichamelijkheid.

Blz. 60      blz. 60 vert.

Und gerade bei denjenigen Dingen, die auf der gedanklichen, geistigen Tätigkeit beruhen, bei denen nimmt man feine Teile der menschlichen physischen Organisation ganz besonders in Anspruch. Sie können auch als Physiologe darauf kommen, wenn Sie sich ein Bild machen von dem tiefer gelegenen Teil des Gehirnes, von der weißen Masse. Diese ist eigentlich die vollkommener organisierte. Sie ist diejenige, die mehr auf das Funktionelle hingeht, während die oberflächliche graue Masse, die also beim Menschen ganz besonders ausgebildet ist, auf einer sehr zurückgebliebenen Stufe der Entwicklung steht; sie ist Nahrungsvermittlerin des Gehirns. Der Entwicklung nach ist nicht der Gehirnmantel das Vollkommenere, sondern die darunterliegenden Teile sind das Vollkommenere. Und wenn wir nun einem Kinde namentlich zu Beobachtendes beibringen, oder dasjenige, was es beim Lesen erlebt, so nehmen wir sehr stark seine Graugehirnmasse in Anspruch, und es findet ein feiner Stoffwechselprozeß im Menschen statt. Dieser feine Stoffwechselprozeß, der da im Menschen stattfindet, dehnt sich, wenn auch in einer sehr feinen Weise, auf den ganzen Organismus aus.

En juist bij die dingen die op denkactiviteit, op geestelijke activiteit berusten, doet men heel speciaal een beroep op fijne onderdelen van de menselijke fysieke organisatie.
Ook als fysioloog zou u dat kunnen signaleren, als u zich een beeld vormt van het dieper gelegen deel van de hersenen, de zogeheten witte hersenmassa. Dat is in feite het meest volmaakt georganiseerde deel. Het is het deel dat meer met de diverse functies te maken heeft, terwijl de aan de oppervlakte gelegen grijze cellen, die overigens bij de mens heel speciaal ontwikkeld zijn, op een veel lagere trap van ontwikkeling staan; die vormen de voedingsbodem van de hersenen. Wat ontwikkeling betreft vormt niet de hersen­schors het meest volmaakte deel, maar de daaronder gelegen delen
En als we nu een kind iets leren waarbij de nadruk op het waarne­men valt, of op dat wat met de ervaring van het lezen verbonden is, dan doen wij een sterk appèl op zijn grijze hersenmassa en vindt er in de mens een fijn stofwisselingsproces plaats. Dit fijne stofwisse­lingsproces dat zich in de mens afspeelt, breidt zich, zij het op een heel fijne manier, uit over het hele organisme.

Und gerade wenn wir meinen, das Kind am geistigsten zu beschäftigen, wirken wir eigentlich leiblich-physisch am allerstärksten auf dasselbe. Es ist ein Hineindrängen in den Stoffwechsel beim Beobachten, beim Lesen, beim Erzählenhören. Da ist das Kind außerordentlich stark in Anspruch genommen. Das ist dasjenige, was man nennen könnte: die Einprägung des Geistigen in die Leiblichkeit. Es ist eine Art Verkörperung desjenigen notwendig, was wir im Beobachten, im Erzählenhören entwickeln. Es muß sich etwas wie ein körperliches Phantom bilden, was sich in den ganzen Organismus eingliedert. Es ist im Organismus so, daß feine Salze abgesetzt werden. Man darf sich das nicht allzu grob vorstellen. Es wird dem ganzen Organismus ein Salzphantom eingegliedert, und es ist dann die Notwendigkeit vorhanden, daß das wiederum durch den Stoffwechsel aufgelöst wird. Das ist der Prozeß, den wir vollziehen beim Lesen oder beim Erzählenhören. Wir rufen schon, wenn wir glauben, Geistig~Seelisches in Anspruch zu nehmen, am meisten Stoffwechsel hervor im Unterricht. Und das ist eben im Unterricht durchaus zu berücksichtigen.
.
En juist als we denken in de meest geestelijke zin met de kinderen bezig te zijn, werken we eigenlijk het allermeest op hun lichamelijk-fysieke wezen. Waarnemen, lezen, luisteren naar verhalen betekenen een binnen­dringen in de stofwisseling. Daardoor wordt een buitengewoon appèl op de kinderen gedaan. Het is wat je zou kunnen noemen: het inprenten van het geestelijke in de lichamelijkheid. Er is een soort belichaming nodig van wat we ontwikkelen in het waarnemen, in het opnemen van verhalen. Er moet zoiets als een lichamelijk fantoombeeld gevormd worden, dat zich in het organisme als geheel incorporeert. In het organisme zetten zich fijne zouten af. Je moet je dat niet al te grof voorstellen. In het gehele organisme wordt een soort zout-fantoombeeld afgezet, en dat moet vervolgens weer door de stofwisseling worden opgelost.
Dit is het proces dat we voltrekken bij het lezen of bij het luisteren naar verhalen. Terwijl we geest en ziel denken aan te spreken, roepen we juist het sterkst de stofwisseling op in het onderwijs. En daar dienen we bij ons onderwijs goed rekening mee te houden.

=

Dan geeft Steiner een voorbeeld van aanpak voor de F-klank (voorbeeld 1)
In hetzelfde artikel vind je alle voorbeelden van de door hem behandelde letters (voor zover ik ze tot nog toe tegenkwam)
.  

GA 294/10-11  vertaald/11-12

Wenn Sie in dieser Weise beginnen, an die Natur des Kindes zu appellieren, so versetzen Sie das Kind richtig zurück in frühere Kulturepochen, denn so ist das Schreiben ursprünglich entstanden. Später ist der Vorgang nur in Konvention übergegangen, so daß wir heute nicht mehr den Zusammenhang erkennen zwischen den abstrakten Buch­stabenformen und den Bildern, die rein zeichnerisch hervorgegangen sind aus der Anschauung und aus der Nachahmung der Anschauung. Alle Buchstabenformen sind aus solchen Bildformen entstanden. Und nun denken Sie sich, wenn Sie dem Kinde nur die Konvention bei­bringen: Du sollst das f so machen! – dann bringen Sie ihm etwas ganz Abgeleitetes bei, herausgehoben aus dem menschlichen Zusammenhang. Dann ist das Schreiben herausgehoben aus dem, woraus es entstanden ist: aus dem Künstlerischen. Und daher müssen wir, wenn wir Schreiben unterrichten, mit dem künstlerischen Zeichnen der Formen, der Laut-­Buchstabenformen beginnen, wenn wir so weit zurückgehen wollen, daß das Kind ergriffen wird von dem Unterschiede der Formen. Es genügt nicht, daß wir das dem Kinde bloß mit dem Munde vorsagen, denn das macht die Menschen zu dem, wozu sie heute geworden sind. Indem wir die Schriftform herausheben aus dem, was heute Konven­tion ist und zeigen, woraus sie hervorgequollen ist, ergreifen wir den ganzen Menschen und machen aus ihm etwas ganz anderes, als wir aus ihm machen würden, wenn wir bloß an sein Erkennen appellieren.Daher dürfen wir nicht bloß in abstracto denken. Wir müssen Kunst lehren im Zeichnen und so weiter, wir müssen Seelisches lehren im Rechnen, und wir müssen auf künstlerische Art Konventionelles lehren im Lesen und Schreiben: wir müssen den ganzen Unterricht durch­dringen mit einem künstlerischen Element. Daher werden wir von An­fang an einen großen Wert darauf zu legen haben, daß wir das Künst­lerische im Kinde pflegen. Das Künstlerische wirkt ja ganz besonders auf die Willensnatur des Menschen. Dadurch dringen wir zu etwas vor, das mit dem ganzen Menschen zusammenhängt, während das, was mit dem Konventionellen zusammenhängt, nur mit dem Kopfmenschen zu tun hat. Daher werden wir so vorgehen, daß wir jedes Kind etwas Zeichnerisches und etwas Malerisches pflegen lassen. Wir beginnen also mit dem Zeichnerischen und Zeichnerisch-Malerischen in der ein­fachsten Weise. Aber auch mit Musikalischem beginnen wir, so daß das Kind sich von Anfang an gewöhnt, gleich irgendein Instrument zu handhaben, damit künstlerisches Gefühl in dem Kinde belebt werde. Dann wird es auch Gefühl dafür bekommen, etwas aus dem ganzen Menschen heraus zu fühlen, was sonst nur konventionell ist.
.

Wanneer u op deze wijze eerst appelleert aan de natuur van een kind, dan verplaatst u het werkelijk naar vroegere cultuurtijdperken, want zo is het schrijven oorspronkelijk ontstaan. Later is dit proces overgegaan in conventie, zodat we tegenwoordig het verband niet meer kennen tussen de abstracte vormen van de letters en de getekende beelden die ontstaan zijn uit de waarneming en de nabootsing van de waarneming. Alle lettervormen zijn uit zulke afbeeldingen ontstaan. En bedenkt u wel, als u een kind alleen de conventie bijbrengt en zegt: je moet de v zó maken, dan brengt u het iets bij wat afgeleid is, wat losgemaakt is uit de samenhang met de mens. Dan staat het schrijven los van dat waaruit het is ontstaan: het kunstzinnige. Daarom moeten we, als we schrijven aanleren, beginnen met het kunstzinnig tekenen van de vormen, van de lettervormen van de klanken, als we zo ver terug willen gaan dat het kind gegrepen wordt door het verschil in vorm. Het is niet voldoende om de kinderen dat verbaal mee te delen, want dat maakt de mensen tot dat wat ze tegenwoordig geworden zijn. Maken we de vorm van de letters los uit de conventie van deze tijd en laten we zien waaruit die vormen zijn ontstaan, dan spreken we de gehele mens aan en dan maken we iets heel anders uit hem dan wanneer we slechts appelleren aan zijn intellect. Daarom mogen we niet slechts in abstracto denken: we moeten kunst leren met het tekenen enzovoort, we moeten zielenkrachten leren met het rekenen en we moeten op kunstzinnige wijze de conventie leren met het lezen en schrijven; we moeten het gehele onderwijs vervullen met een kunstzinnig element. Daarom zullen we van meet af aan grote waarde hechten aan de ontwikkeling van het kunstzinnige in het kind. Het kunstzinnige werkt namelijk bijzonder in op de wil van de mens. Daardoor bereiken we iets, dat met de gehele mens samenhangt, terwijl het conventionele alleen met het hoofd te maken heeft. Daarom zullen we ervoor zorgen dat we ieder kind laten tekenen en schilderen. We beginnen dus op de allereenvoudigste wijze met tekenen en schilderen. Maar dat doen we ook met het muzikale, zodat het kind er van het begin af aan aan went een of ander instrument te bespelen. Daardoor kan het kunstzinnig gevoel in het kind opgewekt worden. Dan zal het er ook gevoel voor krijgen om iets vanuit de gehele mens te voelen wat anders slechts conventie is.

=

Al sinds tientallen jaren blijkt uit allerlei hersenonderzoek en -experimenten dat activiteit van handen, armen en benen in de hersenen ‘sporen’ nalaat. Steiner wees daar al op in de twintiger jaren van de vorige eeuw. In dit artikel staan onderzoeken van eind vorige eeuw.
Hoewel wij aan de ene kant worden gewezen op het feit dat wij ons brein zouden zijn, blijkt uit onderzoek dat dit slechts gedeeltelijk zo is.
.

‘In 1958, toen hij 65 jaar oud was, kreeg Pedro Bach-Y-Rita, professor Spaans aan de Universiteit van New York en dichter, een beroerte, ‘a massive stroke’. Hij kon niet meer bewegen of spreken. Hij werd opgenomen in het ziekenhuis, waar hij vier weken in bed werd gehouden, waarna hij weer in precies dezelfde toestand thuis werd afgeleverd. Daar haalde een van zijn twee zoons, de latere psychiater George, die toen nog medisch student was, hem weg en bracht hem naar zijn huis in Mexico. Gelukkig had George nog niet geleerd dat aan deze toestand niets was te doen. George bedacht dat zijn vader alles opnieuw moest leren zoals een baby dat doet. Dat betekende: eerst kruipen. In het mannenhuishouden – vader was weduwnaar – was men niet zachtzinnig voor elkaar. George gooide bijvoorbeeld iets op de grond en zei dan: ‘Dad, go get it.’ Ze hadden een tuin, waar vader Pedro erg op was gesteld, en George liet zijn vader daarom bij voorkeur in de tuin kruipen, tot afgrijzen van de buren. Maar vader maakte vorderingen en kon na een tijdje, met steun van een muur, rechtop leren lopen. Hij leerde ook weer praten, afwassen en typen en kon na drie jaar weer aan het werk. Hij kreeg de beschikking over al zijn functies terug: hij hertrouwde zelfs en bleef nog 5 jaar aan het werk. Hij stierf in 1969,73 jaar oud, aan een hartaanval terwijl hij 9000 voet hoog in de bergen van Colombia aan het klimmen was. De neuropatholoog die de obductie deed, publiceerde het verslag ervan later in de American Journal of Physical Medicine.
Het bleek dat de verwoesting die de beroerte in de hersenstam had aangericht nog steeds aanwezig was en veel groter dan verwacht: 97% van de verbindingen tussen hersenschors en ruggenmerg was blijvend vernield en ook een groot deel van de motorische schors bleek te zijn afgestorven! En dat had zich niet hersteld, zodat zijn herstel te danken moest zijn geweest aan een reorganisatie van het overgebleven functionerende hersenweefsel. Dat staat nu bekend als plasticiteit van de hersenen. Zijn andere zoon Paul, neuroloog, is zich naar aanleiding hiervan gaan toeleggen op neuroplasticiteit en de revalidatie van mensen met hersenbeschadigingen. Het bovenstaande verhaal is te vinden in het uiterst interessante boek met de titel The brain that changes itself’ van Norman Doidge. Die titel is overigens geheel in overeenstemming met de gebruikelijke formulering in de neurowetenschappelijke literatuur: ‘the brain rewires itself Maar klopt dat wel? Pedro Bach-Y-Rita kwam immers net zo gehandicapt uit het ziekenhuis als hij erin ging. Zijn brein nam echt geen enkel initiatief om iets te veranderen, totdat George zich ermee ging bemoeien. De vader werd door hem enorm gestimuleerd en mobiliseerde zelf een groot doorzettingsvermogen om zijn hersenen te veranderen. En daarmee repareerde hij zijn dode hersencellen niet, maar kreeg hij waarschijnlijk de gebieden die geen speciale taak hebben, de zogenaamde ‘stille gebieden’ waar de neurochirurg ongestraft weefsel kan weghalen, zo ver om nieuwe taken op zich te nemen. Het is zo’n voor de hand liggende conclusie: wanneer er een gebied uitvalt in de hersenen en je kunt niet meer bewegen, dan moet het dat gebied zijn dat zorgt voor beweging. Maar dit verhaal leert iets anders. Hoe kan iemand iets oefenen waarvoor het hersengebied is uitgevallen? Hoe kan hij leren spreken met verwoeste spraakcentra? Dat zou nooit mogelijk zijn als die hersenschors een voorwaarde zou zijn voor die activiteit, als hij ‘zijn brein zou zijn’. Het zijn dus zijn activiteiten die zijn hersenen veranderen en niet andersom.’
.

Uit  Arie Bos: ‘Mijn brein denkt niet, ik wel’ blz.30
.

Die ‘activiteiten’ zijn voor Steiner o.a. kunstzinnige activiteiten, scheppende, creërende bezigheden die, wanneer ze zinvol zijn, = dat zou je moeten lezen als in overeenstemming met de van nature gegeven wordende kracht in de mens = de ontwikkeling tot mens ondersteunen. Vanaf de conceptie is de mens al mens en wordt het steeds meer. Zie bijv. ‘wegwijzer’ 62, 73, 75
.
GA 297/108  Vertaald op deze blog/108

Wir müssen den Menschen allmählich zum Schreiben und Lesen hinführen. Denn wer sähe nicht, daß die Buchstaben, wie wir sie heute haben, etwas Konventionelles sind? Bei der ägyptischen Bilderschrift war das noch anders. Das bedingt aber, daß wir den Schreibunterricht so erteilen, daß wir ihn vom Zeichenunterricht ausgehen lassen, daß wir zunachst nicht auf Buchstaben Rücksicht nehmen, sondern Formen zeichnen lassen; daß wir überhaupt das elementare Zeichnen und Malen – neben Musik – schon in den untersten Schulstufen beginnen, daß wir den ganzen Unterricht und die Erziehung aus dem Kindlich-Künstleri­schen herausarbeiten.
.

We moeten de mens langzaam maar zeker tot schrijven en lezen brengen. Maar wie ziet niet dat de letters die we tegenwoordig hebben, iets conventioneels zijn? Bij het Egyptische beeldschrift was dat nog anders. Dat brengt echter met zich mee dat we het schrijfonderwijs zo geven, dat we dat van het tekenen uit laten gaan; dat we niet als eerste naar de letters kijken, maar vormen laten tekenen; dat we beslist met het basale tekenen en schilderen – naast muziek – al in de laagste klassen beginnen, dat we met heel de opvoeding en het onderwijs vanuit het kinderlijk kunstzinnige werken.
GA 297/108
Vertaald op deze blog/108

=

Het opnieuw kunnen leren van Pedro Bach-Y-Rita had dus voor een deel te maken met beweging; kruipen, met ledematenactiviteit. Met ‘wil’. (
Zie bijv. ook ‘De menselijke hand’ van Dr. Mesker)
Bij het tekenen/schilderen van de vormen is eveneens sprake van wilsactiviteit die samengaat met een meer of minder sterk beleven van het beeld dat geschilderd, getekend wordt. Daaruit ontstaat steeds meer het kennen van de letter. Hieronder noemt Steiner dat het ‘wekken van het intellect’. Dat is dus een wekken van binnenuit en niet, wat zo vaak gebeurt, dat tegen de kinderen wordt gezegd: dit is de b, die gaat zo: (stokje naar beneden, bolletje eraan) wat vervolgens door de kinderen nagedaan wordt. Dat is meteen de weg van het ‘na’ denken, i.p.v. de door Steiner omgekeerde weg van het ontdekken van de lettervorm vanuit het beeld.
Hand en intelligentie
.

Denn das Kindlich-Künstlerische ergreift den ganzen Menschen, Wille und Gemüt, und durch Wille und  Gemüt erst den Intellekt. Und dann gehen wir, indem wir Zeich­nen und Malen pflegen, indem wir den Willen durch künstlerischen Unterricht angeregt haben, zum Schreiben über, indem wir die Schriftformen sich aus den Zeichenformen heraus entwickeln las­sen. Und dann kommt erst das Lesen, das noch intellektualistischer ist als das Schreiben; dann wird das Lesen aus dem Schreiben ent­wickelt. Ich führe die Einzelheiten an, damit Sie sehen, daß anthro­posophisch orientierte Geisteswissenschaft nicht herumredet im Wolkenkuckucksheim, sondern daß sie in die Praxis des Unter­richtens bis in alle Einzelheiten hineinführt.
.

Want het kinderlijk-kunstzinnige neemt bezit van de hele mens: wil en gevoel en via de wil en het gevoel, van het intellect. En dan gaan we, als we het tekenen en schilderen verzorgen, als we de wil door kunstzinnig onderwijs gestimuleerd hebben, over tot het schrijven, wanneer we de schrijfvorm uit de tekenvorm laten ontstaan. En dan komt het lezen pas, dat nog intellectualistischer is als het schrijven; dan wordt het lezen uit het schrijven ontwikkeld. Ik geeft het in detail aan, zodat je kan inzien dat antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap niet maar wat in een ivoren toren zit te kletsen, maar dat deze in de praktijk van het lesgeven tot in de details voert.
GA 297/108-109
Vertaald op deze blog/108-109

=

Von einem gewissen künstlerisch-ästhe­tischen Elemente kann man aber wirklich ausgehen. Man kann zum Beispiel nicht mit jenem Beibringen des Schreibens und Lesens beginnen, bei dem eigentlich ein rechter Zusammenhang zwischen dem, was man beibringt, und den Kräften, die aus dem Seelenzentrum des Kindes herauskommen, nicht besteht.
.

Je kan echt uitgaan van een zeker kunstzinnig-esthetisch element.
Je kunt niet met het bijbrengen van schrijven en lezen beginnen, waarbij eigenlijk een echte samenhang tussen wat je bijbrengt en de krachten die uit het gevoelsmidden van het kind komen bijvoorbeeld, niet bestaat.
GA 297/168
Vertaald op deze blog/168

=

Wir können aber wiederum zurückgehen zu dem un­mittelbaren, elementaren Verhältnis, das der Mensch zu dem hat, was dann das Schreiben geworden ist. Mit anderen Worten, statt den Schreibunterricht abstrakt zu treiben, können wir beginnen mit einer Art zeichnerischem Schreibunterricht, aber nicht mit einem willkürlich zeichnerischen Schreibunterricht, sondern mit einem solchen, der wirklich aus dem künstlerischen Empfinden des Menschen heraus dasjenige formt, was später umgebildet wird für das werdende Kind zu den abstrakten Schriftzeichen, aber eben formt im künstlerischen Sinne.
Man beginne also, wie ich sagen möchte mit einer Art Schreib-Zeichnen oder Zeichnen-Schreiben und verbreite sich überhaupt so von diesem Schreib-Zeichnen aus, daß man wirklich Elemente der bildenden Kunst, des Malerischen, auch des Plastischen an das Kind heranbringt.
Wer ein wirklicher Psychologe ist, der weiß, daß dasjenige, was in dieser Weise an das Kind herangebracht wird, nicht bloß den  Kopf erfaßt, sondern daß es den ganzen Menschen erfaßt. Dasjeni­ge, was intellektualistische Färbung ist, dasjenige, was nur vom Verstande und namentlich von der Konvention durchdrungen ist wie die gewöhnlichen Lese-Buchstaben oder Schreib-Buchstaben, das erfaßt auch nur den Kopf.
Wenn wir den Unterricht für diese Dinge in ein künstlerisches Element tauchen, dann erfassen wir den ganzen Menschen. Daher wird eine zukünftige Pädagogik ver­suchen, das intellektualistische Element, auch den Anschauungs­unterricht, aus einem zunächst Künstlerischen herzuleiten.

.

We kunnen dus weer teruggaan naar de directe, elementaire verhouding die de mens heeft tot datgene wat het schrijven is geworden. M.a.w. in plaats van het schrijfonderwijs abstract te geven, kunnen wij beginnen met een soort tekenende schrijfles, maar niet met zomaar een tekenende schrijfles, nee, eentje die werkelijk uit het kunstzinnig beleven van de mens vormgeeft, wat later  voor het opgroeiende kind omgevormd wordt tot het abstracte schriftteken; maar dus vormgegeven op een kunstzinnige manier.
Zoals ik zeg, je zou dus moeten beginnen met een soort schrijftekenen of tekenschrijven en dan vanuit dit schrijftekenen zo verder gaan dat je daadwerkelijk elementen van de beeldende kunst, van het schilderen, ook van het plastische het kind aanreikt.
Wie een echte psycholoog is, weet dat wanneer je op deze manier een kind iets bijbrengt, je niet alleen het hoofd aanspreekt, maar heel de mens. Wat een intellectualistische tendens heeft, wat alleen door het verstand heen gaat, juist bij die conventionele, gewone lees- of schrijfletters, spreekt alleen het hoofd aan.
Wanneer we het onderwijs wat dit betreft in een kunstzinnig element onderdompelen, spreken we de hele mens aan. Daarom moet de pedagogie van de toekomst proberen, het intellectualistische element, ook het aanschouwelijkheidsonderwijs, vanaf het eerste begin een kunstzinnige basis te geven.
GA 297/168
Vertaald op deze blog

=

Die ersten Handlungen in der Volksschule müssen sich auf den Willen, nicht auf die Intellektualität einstellen. Auf dem Umwege über die Kunst dringt man zum Konventionellen vor. So entwickelt man das Schreiben am besten aus dem Zeichnen und Malen heraus.
.

De eerste activiteit die zich op de basisschool moet voltrekken moet gericht zijn op de wil, niet op het intellectuele. Via de kunst kom je bij het conventionele. Dus ontwikkel je het schrijven het beste uit tekenen en schilderen.
GA 297/194
Vertaald op deze blog/194

=

Nun haben wir aus ganz wesentlichen Erkenntnissen der Men­schennatur heraus für unseren Waldorf-Lehrplan das in Aussicht genommen, daß das Kind, indem es gerade im Anfang volksschul­mäßig erzogen und unterrichtet wird, aus dem künstlerischen Er­fassen der Schrift heraus das Schreiben lernt und dann aus dem Schreiben das Lesen. Also wir bringen an das Kind nicht die fremdartigen Schriftzeichen heran, sondern wir suchen aus der Kindesnatur – die uns geisteswissenschaftlich die Anleitung gibt, sie genauer zu erkennen – heraus die Art und Weise: Wie möchte sich die Hand bewegen? Was erlebt die Hand, wenn sie einen Strich, eine Handlung vollzieht? Wir lassen das Kind zeichnen. Wir lassen das Kind dasjenige entwickeln, was mit seinem Elementari­schen zusammenhängt; und daraus entwickeln wir erst die Schrift­zeichen. Also wir gehen vom Leben aus und führen zum Abstrak­ten hin. Wir vermeiden überall, das Intellektualistische irgendwie in den Vordergrund zu stellen. Wir gehen vom Leben aus.
.

We hebben nu uit heel wezenlijke kennis van de mensennatuur voor ons vrijeschoolleerplan in ogenschouw genomen dat het kind wanneer het met name in het begin van de basisschool opgevoed wordt en onderwijs krijgt, het schrijven leert uit een kunstzinnig begrijpen van het schrift en van daaruit schrijven en lezen leert. Dus we geven het kind niet de vreemde schrifttekens, maar we zoeken vanuit de natuur van het kind – die wij vanuit de geesteswetenschap preciezer willen leren kennen – het hoe en waarom. Hoe zou de hand zich moeten bewegen? Wat beleeft de hand wanneer die een lijn trekt, een handeling verricht? We laten het kind tekenen. We laten het kind ontwikkelen wat in essentie bij hem hoort; en daaruit ontwikkelen we pas het letterteken. Dus we gaan van het leven uit en komen bij het abstracte uit. We vermijden overal dat het intellectualistische op de eerste plaats komt. We gaan van het leven uit.
GA 297/210
Vertaald op deze blog/210

=

Wir beginnen nicht etwa damit, daß wir dem Kinde das Schreiben so beibringen, daß wir es die Buchstaben lehren. Diese heutigen Buchstaben, die sprechen eigentlich nur zum Intellekt. Das sind konventionelle Zeichen schon geworden. Da muß einseitig der Kopf angestrengt werden. Wir lehren daher schreiben, indem wir ausgehen vom Zeichnen oder gar vom Malen von anschaubaren Formen. Wir bringen zunächst etwas, was ein künstlerisches Element ist, an das Kind heran und entwickeln dann aus dem Künstlerischen heraus, aus dem Zeichnen, aus dem Malen, die Formen der Buchstaben.Es ist ja nicht so wichtig, daß man etwa zurückgeht auf das Studium wilder Völker und Urvölker, die ja auch in ähnlicher Weise die Schrift ausgebildet haben, sondern man kann da durchaus die einzelnen Buchstaben auf dasjenige, was man selber aus ihnen machen kann in malerischer, in zeichnerischer Beziehung, zurückführen. Aber das Wesentliche ist, daß man methodisch ausgeht von demjenigen, was den ganzen Menschen ergreift, worüber nicht bloß nachgedacht werden soll, sondern wo der Wille zum Ausdruck kommt. In dem, was das Kind malerisch vollbringt, da lebt der ganze Mensch, da wird der ganze Mensch gewissermaßen eins mit dem, was das Kind schaffen kann. Dann kann man auf der einen Seite auch dasjenige, was den Kopf inter­essieren soll, aus dem entwickeln, was den ganzen Menschen in Anspruch nimmt.So gehen wir aus von demjenigen, was zunächst auf die Willensnatur des Kindes wirkt. Und auch, was intellektualistisch im Schreibunterricht sich äußert, entwickeln wir erst aus dem Willen heraus. Es wirkt dann ganz besonders das Gemüt mit. Das Kind fühlt etwas, indem es erst die Form entwickelt, und dann die For­men übergehen läßt in die bestehenden Zeichen. Dann erst entwik­keln wir aus dem, was das Schreiben geworden ist, wieder mehr das Lesen.So daß wir, wie gesagt, an den ganzen Menschen appellieren, nicht bloß an den Kopf. Und es zeigt sich, wenn wir so etwas durchführen, was das für einen Unterschied macht, ob man einfach nach dem Standpunkte des gegenwärtigen äußeren sozialen Lebens den Menschen eben unterrichtet in demjenigen, wozu er noch kei­nen Bezug hat, oder dasjenige heranbringt, was man herausholt aus seinem inneren ganzen Menschen, was in ihm innerlich veranlagt ist.
.

Wanneer we het kind het schrijven aanleren, beginnen we niet met zoiets als het aanleren van letters. De letters zoals we die nu hebben, spreken eigenlijk alleen het intellect aan. Het zijn al conventionele tekens geworden. Daarbij moet eenzijdig nagedacht worden. Vandaar dat wij het schrijven aanleren door uit te gaan van het tekenen of zelfs van het schilderen van aanschouwelijke vormen. We geven het kind vanaf het begin iets kunstzinnigs en dan ontwikkelen we vanuit dit kunstzinnige, uit het tekenen of schilderen de vormen van de letters. Het is niet zo belangrijk dat je een studie over primitieve volken of oervolken hoeft te beginnen die op dezelfde manier het schrift ontwikkeld hebben; je kan de afzonderlijke letters terugvoeren op iets wat je schilderend, tekenend zelf van hen maken kan. Het wezenlijke is dat je als methode uitgaat van wat de hele mens aanspreekt; niet iets waarover alleen nagedacht hoeft te worden, maar waarbij de wil aangesproken wordt.

In wat het kind schilderend doet, leeft de hele mens, daar valt heel de mens samen met wat het kind kan creëren. En voor wat de hele mens aanspreekt, kun je iets ontwikkelen waarvoor het hoofd ook enerzijds wel interesse moet hebben. Dus gaan we uit van wat allereerst op de wil van het kind werkt. En ook wat intellectualistisch uit het schrijven tevoorschijn komt, ontwikkelen we eerst vanuit de wil. Dan doet ook het gevoel heel bijzonder mee. Het kind beleeft iets, wanneer het eerst de vorm ontwikkelt en daarna de vormen laat overlopen in de bestaande tekens. Dan pas ontwikkelen we uit het schrijven weer meer het lezen.
Zodat we, zoals gezegd, de hele mens aanspreken, niet alleen het hoofd. En het blijkt dat wanneer we zoiets doen, het groot verschil maakt of we simpelweg volgens de opvatting van het huidige sociale leven de mens lesgeven in iets waar hij nog geen verbinding mee heeft of dat we uit zijn totale innerlijke leven halen wat daar als aanleg aanwezig is.
GA 297/258-259
niet vertaald

=

Daher wird eine Pädagogik und Didaktik, die wirklich aus voller Menschenerkenntnis herausgeholt ist, nicht das Lesen und Schreiben lehren, wie man das gewöhnlich tut, sondern wir gehen bei unserer Methode von dem Kindlich-Künstlerischen aus. Wir beginnen überhaupt nicht mit dem Lesen, nicht einmal mit dem Schreiben im gewöhnlichen Sinne des Wortes, sondern mit einer Art malendem Zeichnen, zeichnendem Malen.
Wir führen das Kind dazu, daß es nicht bloß aus dem Kopf heraus Buchstaben formen lernt, sondern aus dem ganzen Menschen heraus Linien und For­men, in farbiger Zeichnung sogar, auf das Papier oder sonst auf eine Fläche bringt; Linien und Formen, die durchaus naturgemäß aus dem menschlichen Organismus herausfließen.
Dann führen wir all­mählich das, was aus dem Künstlerischen herausgeholt ist, über in die Buchstabenformen zuerst durch das Schreiben, und vom Schrei­ben aus gehen wir erst zum Lesen über. Das ist unser Ideal.
.

Vandaar dat in een pedagogie en didactiek die daadwerkelijk uit totale menskunde is ontwikkeld, niet het lezen en schrijven aangeleerd wordt zoals dat gewoonlijk gebeurt, maar dat wij met onze methode van het kinderlijk-kunstzinnige uitgaan. We beginnen dus niet met het lezen, zelfs niet met schrijven in de gewone zin van het woord, maar met een soort schilderend tekenen, tekenend schilderen. We brengen het kind ertoe dat het niet alleen met het hoofd de letters leert vormen, maar dat het vanuit de totale mens lijnen en vormen in een kleurige tekening zelfs op papier of anders op een vlak zet; lijnen en vormen die volledig van nature uit het menselijk organisme voortkomen.
Dan leiden we stap voor stap wat uit het kunstzinnige gehaald is over naar de lettervormen, eerst door het schrijven en vanuit het schrijven gaan we over tot het lezen. Dat is ons ideaal.
GA 297A/25
niet vertaald

=

Nun ergibt sich auch, wie man unterscheiden muß zwischen dem, was man an das Kind heranzubringen hat vor diesem wichti­gen Lebenspunkte zwischen dem neunten und zehnten und einem halben Jahr und nachher. Da muß man vor allen Dingen beachten, daß wir in unserer jetzigen, vorgerückten Zivilisation etwas haben, was äußerlich, abstrakt und zeichenhaft geworden ist. Gehen Sie zurück in alte Zivilisationen, nehmen Sie irgendwelche Bilderschrif­ten, da wurde dasjenige fixiert, was der Sinn noch faßte. Das wurde zum Bilde gemacht, mit dem der Mensch zusammenhing, womit der Mensch durch Empfindung und Gefühl lebte. Heute ist das alles zum Zeichen geworden. Wir dürfen nicht wie etwas Frem­des das Lesen und Schreiben an das Kind heranbringen, weil es mit seiner Umgebung vor dem neunten Jahr verwachsen will; wir dür­fen es nicht aus jenem Abstrakten heraus lehren, wie das heute geschieht.
In der Waldorfschule beginnen wir den Unterricht durchaus künstlerisch, indem wir das Kind Formen zuerst zeich­nen, sogar farbig zeichnen, malen lassen, die sich aus dem vollen Menschentum heraus ergeben. Wir lassen das Kind zunächst dies machen, und dann, wenn wir das Kind weiterführen in dieser zeich­nerisch-malerischen Weise, entwickeln wir aus diesem Zeichnen die Buchstabenformen, das Schreiben. Aus dem Künstlerischen gehen wir vor, aus dem Künstlerischen holen wir zuerst das Schreiben, dann das Lesen heraus. Dadurch entsprechen wir wirklich dem, was im Kind liegt.
.

Nu wordt het ook duidelijk hoe je een onderscheid moet maken tussen wat je het kind aanleert vóór dit belangrijke punt in zijn leven tussen het 9e en 10½ jaar en daarna. Boven alles moet je in de gaten hebben dat wij in onze hedendaagse maatschappij iets hebben wat uiterlijk abstract en lineair is geworden. Ga je terug in oude beschavingen, neem je een of ander beeldschrift, dan werd daarin iets vastgelegd wat de zin ervan nog bewaarde. Dat werd tot beeld gemaakt; daarmee had de mens nog een verbinding, daarmee leefde de mens nog gevoelsmatig. Nu zijn dat tekens geworden. We mogen lezen en schrijven niet als iets vreemds aan de kinderen leren, omdat het vóór het 9e jaar nog één wil zijn met zijn omgeving; we mogen het niet vanuit die abstractie iets aanleren, zoals dat tegenwoordig gebeurt.
Op de vrijeschool beginnen we het onderwijs nu juist kunstzinnig wanneer we het kind eerst vormen laten tekenen, zelfs kleurige vormen laten schilderen die uit de totale mens te voorschijn komen. We laten het kind eerst dit doen en daarna, wanneer we het kind verder leiden op deze tekenend-schilderende manier, ontwikkelen we uit dit tekenen de lettervormen, het schrijven. Uit het kunstzinnige doen we dat, uit het kunstzinnige halen we eerst het schrijven, dan het lezen. Daardoor komen we echt tegemoet aan wat in het kind leeft.
GA 297A/57
niet vertaald

=

So gehen wir in der Stuttgarter Waldorfschule nicht vom Lesen-lernen oder gewöhnlichen Schreibenlernen aus, sondern künst­lerisch von einem Malerischen, von einem Zeichnerischen. Wir ent­wickeln die Buchstabenformen erst aus diesem Zeichnerischen heraus, entwickeln überhaupt zuerst auf diese Weise aus dem Künstlerischen heraus. Wir lassen das Kind auch mit Farben hantie­ren – wenn das auch schwieriger ist und erst aus dem Schmutzigen heraus entwickelt werden muß. So beginnen wir mit dem Künst­lerischen und entwickeln daraus das Schreiben und dann erst das Lesen. Und so soll überhaupt ein Künstlerisches über den ganzen Unterricht ausgegossen werden.
.

Dus gaan we op de vrijeschool in Stuttgart niet van het leren lezen uit of van het gewone leren schrijven, maar kunstzinnig vanuit het schilderen, het tekenen. We ontwikkelen de lettervormen eerst uit dit tekenen; ontwikkelen over het algemeen allereerst iets vanuit het kunstzinnige. We laten het kind ook met verf werken – ook al is dat lastiger en moest dat eerst met wat knoeierij* geleerd worden. Dus we beginnen met het kunstzinnige en ontwikkelen van daaruit het schrijven en dan pas het lezen. En zo moet in het algemeen het kunstzinnige over het hele onderwijs gedrapeerd worden.
GA 297A/148
niet vertaald

=

Man kann nicht mit dem Lesen beginnen und nicht mit den Buchstabenformen, die in ihrer heutigen Gestalt dem inne­ren Erleben des Menschen fremd sind. Man muß mit einer Art malendem Zeichnen beginnen. Das Kind muß Formen malen und zeichnen, die so ähnlich gewissen Vorgängen und Dingen sind, wie die Zeichen in der Bilderschrift vorzeitiger Völker waren. Bild muß zuerst sein, was das Kind von den Dingen und Vorgängen der Welt fixiert.
Dann sollte man vom Bilde zum Buchstabenformen überge­hen, wie die Bilderschrift sich in die abstrakte Zeichenschrift hinein entwickelt hat.
Erst wenn das Kind auf diese Art vom malenden Zeichnen zum Schreiben gekommen ist, sollte man zum Lesen übergehen. Denn in diesem wird nur ein Teil des menschlichen Wesens betätigt: das an 297a/169 die Kopforganisation gebundene Auffassen. Im malenden Zeichnen und Schreiben wird auch ein umfassenderer Teil der menschlichen Organisation beteiligt. Man erzieht so den ganzen Menschen, nicht einseitig das Kopfsystem.
.

Je kunt niet met het lezen beginnen en niet met de lettervormen die wat hun vorm van nu betreft voor het innerlijk beleven van de mens vreemd zijn. Je moet met een soort schilderend tekenen beginnen. Het kind moet vormen schilderen en tekenen die lijken op bepaalde processen en dingen zoals de symbolen in het beeldschrift van volken uit de oudheid. Eerst moet het beeld er zijn van wat het kind van de dingen en processen in de wereld vastlegt.
Dan moet je van dit beeld overgaan op de lettervormen, zoals het symboolschrift zich ontwikkeld heeft tot abstracte lettervormen.
Pas wanneer het kind op deze manier van het schilderend tekenen tot schrijven is gekomen, moet je naar het lezen overstappen. Want hierbij wordt slechts een klein deel van het mensenwezen aangesproken: het opnemen met wat aan de hoofdorganisatie is gebonden. Op deze manier voed je de hele mens op, niet eenzijdig zijn hoofd.
GA 297A/168
niet vertaald

=

Man wird das Kind bis zum vollendeten neunten Lebensjahre in allem, was durch die Kulturentwicklung in das menschliche Leben eingeflossen ist, bis auf eine gewisse Stufe gebracht haben müssen. Man wird gerade die ersten Schuljahre deshalb mit Recht zum Schreibe- und Leseunterricht verwenden müssen; aber man wird diesen Unterricht so gestalten müs­sen, daß die Wesenheit der Entwicklung in diesem Lebensabschnitt ihr Recht findet. Lehrt man die Dinge so, daß einseitig der Intellekt des Kindes und nur ein abstraktes Aneignen von Fertigkeiten in Anspruch genommen werden, so verkümmert die Willens- und Gemütsnatur.
Lernt dagegen das Kind so, daß sein ganzer Mensch an seiner Betätigung Anteil hat, so entwickelt es sich allseitig. Im kindlichen Zeichnen, ja selbst im primitiven Malen kommt der ganze Mensch zur Entfaltung eines Interesses an dem, was er tut. Man sollte deshalb das Schreiben aus dem Zeichnen heraus entstehen lassen. Aus Formen, an denen der kindlich-künstlerische Sinn des Kindes zur Geltung kommt, entwickle man die Buchstabenformen. Aus einer Beschäftigung, die als künstle­risch den ganzen Menschen zu sich heranzieht, entwickle man das Schreiben, das zum Sinnvoll-Intellektuellen hinführt. Und erst aus dem Schreiben heraus lasse man das Lesen erstehen, das die Aufmerksamkeit stark in das Gebiet des Intellektuellen zusammenzieht.
.

Je moet het kind tot en met het negende jaar met alles wat door de cultuurontwikkeling in het leven van de mensen ontstaan is, tot een zeker niveau hebben gebracht. Daarom moet je de eerste schooljaren juist gebruiken voor het schrijf- en leesonderwijs; maar je moet dit onderwijs zo vormgeven dat het wezen van de ontwikkeling  in dit deel van het leven recht gedaan wordt. Leer je dingen zo aan dat eenzijdig het intellect van het kind aangesproken wordt en slechts een abstract eigen maken van kennis, dan verkommert de wils- en gevoelsnatuur.
Wanneer het kind daarentegen zo leert dat zijn hele menszijn deel heeft aan wat hij doet, dan ontwikkelt het zich veelzijdig. In het kinderlijke tekenen, ja zelfs in het onbeholpen schilderen komt de hele mens tot ontplooiing van belangstelling voor wat hij doet. Daarom moet je het schrijven uit het tekenen laten ontstaan. uit vormen waardoor de kinderlijke kunstzin tot zijn recht komt moet je de lettervormen ontwikkelen. Uit bezig zijn dat kunstzinnig dicht bij de hele mens staat moet je het schrijven ontwikkelen dat tot het zinvol intellectuele leidt. En pas uit het schrijven moet je het lezen laten ontstaan, waarbij de aandacht sterk geconcentreerd wordt in het gebied van het intellectuele.
GA 298/13
niet vertaald

=

Das frühe Lesen- und Schreibenlernen in anderen Schulen ist in vieler Beziehung ein Fehler. Denn nicht darum handelt es sich, daß man die Kinder so schnell wie möglich zu gewissen Fertigkeiten bringt, sondern darum, daß man sie dazu bringt, daß sie einmal im späteren Leben tüchtige Menschen werden, die sich das Dasein nicht selber versauern, es sich nicht selber schwierig machen. Die äußeren Verhältnisse können das Leben schon schwer genug für viele Menschen machen, es braucht nicht noch das innere Schwächegefühl, das innere Unfähigkeitsgefühl aufzutauchen, um das Leben erst recht sauer zu machen. Es muß eine Methode gefunden werden, um in ganz sorgfältiger Weise aus den natürlichen Neigungen und Geschicklichkei­ten der Kinder lesen und schreiben zu lehren.
Wir gehen – ich will das nur erwähnen – davon aus, daß wir das Kind zuerst gewisse Formen zeichnen lassen, damit sich aus diesen Formen diejenigen entwickeln, die in den Buchstaben liegen. Wir lassen das Kind vom Schreiben ausgehen, um ins Lesen hineinzukommen. Denn je mehr man ausgeht von dem, was im ganzen Menschen begründet ist, desto besser ist es für die Entwicklung des Kindes.
.

Het vroeg leren lezen en schrijven op andere scholen is fout. Het gaat er niet om dat je de kinderen zo snel mogelijk bepaalde vaardigheden bijbrengt, maar dat je ze zo ver krijgt dat ze op latere leeftijd capabele mensen worden die hun bestaan niet zelf verpesten; het zichzelf niet moeilijk maken.

De uiterlijke verhoudingen kunnen het leven voor veel mensen al zwaar genoeg maken, daar hoeft nog ook niet een innerlijk zwak gevoel, een innerlijk gevoel van onvermogen bij te komen om het leven pas echt bitter te maken. Er moet een methode gevonden worden om op een heel zorgvuldige manier vanuit de natuurlijke neigingen en aanleg van de kinderen lezen en schrijven aan te leren.
We gaan – ik wil het alleen maar aanstippen – ervan uit dat we het kind eerst bepaalde vormen laten tekenen, zodat zich uit deze vormen die vormen kunnen ontwikkelen die in de letters zitten. We laten het kind van het schrijven uitgaan om bij het lezen uit te komen. Want hoe meer je uitgaat van wat in de hele mens als aanleg aanwezig is, des te beter dat voor de ontwikkeling van een kind is.
GA 298/73
niet vertaald

=

Von dem, was das Kind gerne hinzeichnet, was es aus seinem ganzen Wesen heraus macht, muß man es vernünftig, verständig hinüberführen zu den Buchstabenformen. Dann erst kann man das Lesen daraus entwickeln.
Wenn man dagegen in der richtigen Weise vorgegangen ist, dann hat das Kind erst mit acht Jahren lesen und schreiben gelernt, aber so, daß im Lernen Lebenskräfte in ihm entstanden sind. Und das wollen wir. Wir wollen, daß das Kind Lebenskraft aus der Schule heraus erlangt, die immer wieder und wiederum in dem Kinde das ganze Leben hindurch nachwirkt.
.

Van wat het kind graag tekent, van wat het vanuit zijn hele wezen maakt, moet je het weloverwogen, verstandig bij de lettervormen brengen. Dan pas kan je het lezen daaruit ontwikkelen.
Wanneer je echter op de juiste manier gehandeld hebt, leert het kind pas met acht jaar lezen en schrijven, maar wel zo dat met het leren levenskracht in hem ontstaan is. En dat willen we. We willen dat het kind levenskracht krijgt op school, die in het kind een heel leven lang telkens weer zijn nawerking heeft.
GA 298/74-75
niet vertaald

=

Im kindlichen Zeich­nen, ja selbst im primitiven Malen kommt der ganze Mensch zur Entfaltung eines Interesses an dem, was er tut. Man sollte deshalb das Schreiben aus dem Zeichnen heraus entstehen lassen. Aus Formen, an denen der kindlich-künstlerische Sinn des Kindes zur Geltung kommt, entwickele man die Buchstabenformen. Aus einer Beschäf­tigung, die als künstlerisch den ganzen Menschen zu sich heranzieht, entwickele man das Schreiben, das zum Sinnvoll-Intellektuellen hin­führt. Und erst aus dem Schreiben heraus lasse man das Lesen erste­hen, das die Aufmerksamkeit stark in das Gebiet des Intellektuellen zusammenzieht.
.

In het kinderlijke tekenen, ja zelfs in het eenvoudige schilderen komt heel de mens tot ontplooiing van zijn belangstelling voor wat hij doet. Je moet daarom het schrijven uit het tekenen laten ontstaan. Uit vormen waardoor de kinderlijke kunstzin tot zijn recht komt, ontwikkel je de lettervormen. Uit een activiteit die als iets kunstzinnigs de hele mens in zich concentreert, ontwikkel je het schrijven, dat leidt tot het zinvolle intellectuele. En pas uit het schrijven laat je het lezen ontstaan dat de aandacht sterk in het gebied van het intellectuele concentreert.
GA 300B/13
niet vertaald

=

Durchschaut man, wie der Nach­ahmungstrieb und der Impuls, unter die Autorität sich zu stellen, beim Kinde in den ersten Volksschuljahren ineinanderwirken, so weiß man, wie man für diese Jahre zum Beispiel den Schreibunter­richt zu gestalten hat. Baut man ihn auf die Intellektualität, so arbei­tet man gegen die Kräfte, die sich durch den Nachahmungstrieb offenbaren; geht man von einer Art Zeichnen aus, das man allmäh­lich in das Schreiben überführt, so entwickelt man, was sich zu ent­wickeln strebt. In dieser Art läßt sich der Lehrplan ganz aus der Natur der kindlichen Entwicklung heraus gewinnen.
.

Doorzie je hoe de drang tot nabootsen en de impuls een autoriteit te accepteren bij het kind in de eerste jaren van de basisschool samengaan, dan weet je hoe je voor deze jaren bijv. schrijfonderwijs moet geven. Doe je dat intellectueel, dan werk je de krachten die zich door de nabootsingsdrang manifesteren, tegen; ga je van een bepaalde vorm van tekenen uit dat je stap voor stap in schrijven over laat gaan, dan ontwikkel je hetgeen graag ontwikkeld wil worden. Op deze manier kun je het hele leerplan uit de aard van de ontwikkeling van een kind halen.
GA 300C/12
niet vertaald

=

In GA 301 krijgt het ‘tekenen’ en ‘schilderen’ nog een extra dimensie:
.

Eine umfassende Betrachtung des Menschenwesens, vor allen Dingen eine wirklich geschulte Beobachtung des kindlichen Sprechens selbst zeigt, wie das Gemüt des Menschen ganz anders engagiert ist beim Lernen der sogenannten Selbstlaute. Die Dinge werden ja gefühlsmäßig ge­lernt. Aber schult man sich seine Beobachtung, so sieht man, wie alles Selbstlautliche, alles Vokalische dadurch entsteht, daß das Innere des Menschen in gewisse Erlebnisse kommt, die so sind, wie einfache oder komplizierte Interjektionen, Gefühlsausbrüche, innere Erlebnisse. Im Vokalischen lebt sich das Innere des Menschen aus. Im Konsonantischen zeichnet der Mensch äußere Vorgänge nach. Er zeichnet äußere Vor­gänge nach durch seine eigenen Organe; aber er zeichnet sie nach. Es ist schon das Sprechen selber ein Nachzeichnen der äußeren Vorgänge durch das Konsonantische, und ein Tingieren, ein Durchmalen dieses Nachzeichnens mit dem Vokalischen. So ist auch das Schreiben ur­sprünglich so ein Nachmalen, ein Nachzeichnen.
 

Een omvattende waarneming van het mensenwezen, vooral een werkelijk geschoolde waarneming van het spreken van kinderen zelf, toont hoe het gemoed van de mens heel anders betrokken is bij het leren van de zogenaamde klinkers. Die worden gevoelsmatig geleerd. Maar wanneer je je waarneming schoolt, dan zie je hoe alles van de klinker, alles van de vocaal ontstaat omdat het innerlijk van de mens tot bepaalde belevingen komt die dan zo zijn als eenvoudige of gecompliceerde interjecties (taalkundig: tussenwerpsel). Uitbarstingen van gevoel, innerlijke belevingen. In het vocale drukt zich het innerlijke van de mens uit. In wat met de consonanten samenhangt tekent de mens uiterlijke processen na. Hij tekent uiterlijke processen na met zijn eigen organen; maar hij tekent ze na. Het spreken zelf is al een natekenen van uiterlijke processen door het consonantische en alles wat met het vocale samenhangt kleurt deze tekening. Oorspronkelijk is ook het schrijven op deze wijze een naschilderen, natekenen.   (zie Steiner over schrijven 3)
GA 301/79
niet vertaald

=

Bringen wir deshalb an das Kind, so wie es heute ist, das heran, was nun schon unsere konventionelle Schrift geworden ist, so wirken wir doch nur auf den Intellekt. Deshalb sollen wir ausgehen nicht vom eigentlichen Schreibenlehren, sondern ausgehen von einem gewissen künstlerischen Erfassen derjenigen Formen, die dann in der Schrift, auch in der Druckschrift, zum Ausdrucke kommen.
.

Bieden we het kind het conventionele schrift aan zoals het tegenwoordig is, dan werken we op het intellect. Daarom moeten wij niet uitgaan van het eigenlijke schrijfonderwijs, maar van een bepaald kunstzinnige vormen dat dan in het schrift, ook in het drukschrift, tot uitdrukking komen.
GA 301/79
niet vertaald

=

Wenn wir selber ver­suchen, in den heutigen Buchstabenformen solche Linien zu entdecken, die uns die Möglichkeiten bieten, in dem Kinde zur Ubung zu bringen diese oder jene Hand- oder Fingerbewegung, wenn wir die Kinder diese oder jene Linien zeichnen lassen, ganz abgesehen davon, daß sie Buchstaben werden sollen, wenn wir die Kinder Rundungen, Eckiges, Horizontales, Vertikales innerlich gefühlsmäßig durch den ganzen Menschen verstehen lernen lassen, dann werden wir das Kind zu einer auf die Welt hingeordneten Geschicklichkeit bringen.
Und dadurch erreichen wir etwas psychologisch außerordentlich Wichtiges. Wir leh­ren zunächst noch gar nicht schreiben, aber wir richten ein gewisses künstlerisch geleitetes Zeichnen ein, das sich sogar bis zum Malen ver­steigen kann, wie wir es in der Waldorfschule machen, damit die Kin­der zugleich ein lebendiges Verhältnis auch zur Farbe und zur Farben­harmonik in der Jugend erhalten, für die sie ganz besonders empfäng­lich sind im 7. und 8. Lebensjahr. Wenn man, ganz abgesehen von dem, daß zuletzt das Schreiben daraus werden soll, das Kind diesen künst­lerisch geleiteten Zeichenunterricht genießen läßt, so merkt man, wie dadurch, daß ja das Kind genötigt ist, seine Finger, seinen ganzen Arm in einer gewissen Weise zu bewegen, nicht etwa bloß vom Denken auszugehen, sondern von der Geschicklichkeit auszugehen, daß dadurch das Ich dazukommt, den Intellekt als etwas, was wie eine Konsequenz erscheint des ganzen Menschen, in sich entwickeln zu lassen.
Je weniger man den Intellekt dressiert, je mehr man darauf ausgeht, den ganzen Menschen zu behandeln so, daß aus den Gliederbewegungen, aus der Geschicklichkeit der Intellekt wird – und er wird -, desto besser ist es.
Insbesondere ist dann der Moment von einer ganz besonderen erzieherischen Wichtigkeit, durch den man die Schriftformen herausspringen läßt aus dem, was man rein künstlerisch geleitet hat, und aus den Schriftformen erst die Formen, die dem Lesen zugrunde liegen. So daß also der Unterricht in der Waldorfschule ausgeht von einem rein Künstlerischen. Er entwickelt aus dem Künstlerischen zum Beispiel -neben anderem, ich will das alles nur illustrieren – das Schreiben, aus dem Schreiben heraus erst das Lesen. Dadurch entwickelt man das Kind ganz im Sinne derjenigen Kräfte, die nach und nach aus der kindlichen Natur wirklich heraus wollen. Dadurch trägt man in Wahr­heit gar nichts Fremdes in das Kind hinein, und es ergibt sich ganz von selbst, daß man bis gegen das 9. Jahr hin es erreichen kann, daß das Kind das Zeichnen zum Schreiben und auch zum Lesen gebracht hat. Das ist von einer ganz besonderen Wichtigkeit, weil in den Fällen, wo man das gegen die Kräfte der Menschennatur, nicht mit den Kräften der Menschennatur erzieherisch entwickelt, man dem Menschen für das ganze Leben schadet.
.

Wanneer we zelf proberen in de huidige letters lijnen te ontdekken die ons de mogelijkheid geven het kind te laten oefenen met een of andere hand- of vingerbeweging, wanneer we de kinderen deze of die lijn laten tekenen, geheel afgezien ervan dat het letters moeten worden; wanneer we kinderen ronde, hoekige vormen, horizontalen, verticalen innerlijk gevoelsmatig door de hele mens leren te begrijpen, dan zullen we het kind tot een op de wereld betrokken vaardigheid bengen. En daarmee bereiken we iets wat psychologisch gezien uiterst belangrijk is. We leren eerst nog helemaal het schrijven niet aan, maar we maken een zeker kunstzinnig geleid tekenen mogelijk, dat zelfs in schilderen kan uitmonden, zoals we dat op de vrijeschool doen, opdat de kinderen in hun jeugd tegelijkertijd een levende verhouding krijgen tot kleur en kleurenharmonie, waarvoor ze op hun 7e, 8e jaar bijzonder open staan.
Wanneer je, geheel afgezien van het feit dat ten slotte daaruit het schrijven moet worden ontwikkeld, het kind laat genieten van dit kunstzinnig geleide tekenonderwijs, dan merk je hoe het kind niet anders kan dan zijn vingers, zijn hele arm op een bepaalde manier te bewegen, niet alleen maar van het denken uit te gaan, maar van de vaardigheid uit te gaan en dat daardoor het Ik erbij komt om het intellect als iets wat als een logisch vervolg van de hele mens verschijnt, in zich te laten ontwikkelen. Hoe minder je het intellect dressiert, hoe meer je je toelegt om met de hele mens zo om te gaan dat vanuit de bewegingen van de ledematen, uit de handigheid het intellect ontstaat – en dat doet het – des te beter is het.
Met name is dan het ogenblik waarop je de schrijfvormen tevoorschijn laat komen uit wat je puur kunstzinnig geleid hebt, van een bijzonder pedagogisch belang en uit de schrijfvormen dan de vormen die de basis vormen voor het lezen. Zodat dus het onderwijs op de vrijeschool uitgaat van een puur kunstzinnig iets. Uit dit kunstzinnige bijv. wordt – naast andere dingen, ik wil het slechts illustreren – het schrijven en daaruit pas het lezen ontwikkeld. Daardoor ontwikkel je het kind geheel in overeenstemming met die krachten die zich beetje voor beetje uit de natuur van het kind daadwerkelijk willen manifesteren. Daardoor zadel je het kind niet op met iets wezensvreemd en het gaat helemaal vanzelf dat je tegen het 9e jaar kan bereiken dat het kind het tekenen tot schrijven en ook tot lezen heeft gebracht. Dat is heel belangrijk, omdat je in die situaties waarin je tegen de krachten van de mensennatuur werkt en niet met deze krachten, de mensennatuur opvoedend ontwikkelt, de mens voor zijn hele leven tekort doet.
GA 301/80-81
niet vertaald

=

( ) es ist durchaus notwendig, gerade um das siebente, achte Lebensjahr nicht von einer intellektuellen Erziehung auszugehen, sondern von einer mehr ins Künstlerische hineingehenden Erziehung. So daß man zum Beispiel nicht das Schreiben auf intellektuelle Weise beibringt aus den Buchstabenformen heraus, sondern beibringt nach und nach aus einer Art primitiven Zeichnens. Man entwickelt dadurch mehr den Willen als den Intellekt, während man beim heutigen Schreiben zu stark zum Intellekt spricht, und da­durch nimmt man den ganzen Menschen in Anspruch. Dadurch werden einzelne einseitige Begabungen in einer gewissen Weise ausgeglichen.
.

Het is echt nodig, juist rond het 7e, 8e jaar om niet van een intellectuele opvoeding uit te gaan, maar van een die meer naar het kunstzinnige gaat. Zodat je bijv. het schrijven niet op een intellectuele manier aanleert vanuit de lettervormen, maar het geleidelijk aanleert vanuit een soort eenvoudig tekenen. Je ontwikkelt daardoor meer de wil dan het intellect, terwijl je bij het huidige schrijven te sterk het intellect aanspreekt; door de wil spreek je de hele mens aan. Daardoor wordt een bepaalde eenzijdige aanleg in zekere zin in evenwicht gebracht.
GA 301.234
niet vertaald

                                                                                 =
Denken Sie jetzt, wir bringen das Kind dazu, wenn es uns in die Schule hereingebracht wird, einfach in der gewöhnlichen Weise sich an dasjenige anpassen zu müssen, was zunächst ganz äußerlich an die Menschennatur herangetreten ist: Lesen und Schreiben. Dieses Lesen und Schreiben in unserer heutigen Form tritt ja ganz äußerlich an die Menschennatur heran. Dasjenige, was man da anschaut, was man macht im Schreiben, das wurde in verhältnismäßig nicht so weit zurückliegenden Zeiten noch ganz anders gemacht: es wurden Bilder gemacht; es erinnerte also nicht bloß in Zeichenart an die Wirklichkeit, sondern es bildete die Wirklichkeit ab. Wir führen die Kinder heute, wenn wir sie ohne weiteres an das Lesen und Schreiben heranführen, in ein ganz fremdes Element hinein. Sie können da nicht mehr nachahmen. Wenn wir sie so hineinführen, daß wir ihnen Bilder vorführen, künstlerische, bildhafte Formen beibringen, und wenn wir sie dazu anleiten, sich selber zu Abbildern der Welt zu machen durch ein der kindlichen Natur angepaßtes Musikalisches und so weiter, dann setzen wir dasjenige fort, was das Kind von selber tut, bis es in die Schule gebracht wird. Wenn wir das so machen, daß wir ihm einfach in der philiströsen Weise sagen: es muß ein I so machen und ein O so machen, so liegt kein Grund vor, sich für so etwas zu interessieren, mit so etwas sich zu 302/129 verbinden. Das Kind muß in einer gewissen Weise verbunden sein mit demjenigen, was es tut. Und dasjenige, was jetzt an die Stelle des Nachahmungssinnes tritt, das kann nur der Schönheitssinn sein. Wir müssen beginnen von allen Seiten her zu arbeiten, daß es in der richtigen Weise sich von seiner Nachahmung loslöst, daß seine Nachahmung hineinwächst in ein richtiges, mehr äußerliches Verhältnis zur Außenwelt. Es muß hineinwachsen in die schöne Nachbildung. Von der Nachahmung muß es hineinwachsen in die schöne Nachbildung der Außenwelt. Und es muß eigentlich noch ziemlich undifferenziert dasjenige auftreten, was wir ihm in bezug auf die mehr nach der Betätigung arbeitenden Dinge beibringen und dasjenige, was wir ihm beibringen in bezug auf die mehr der Erkenntnis zugehenden Dinge.
Und wenn wir dann nicht zum abstrakten Zeichen, sondern zum Bild gehen im Schreiben- und Lesenlernen, so entfernen wir uns dadurch, daß es sein Wesen betätigen muß, nicht von seinem Wesen; wir lassen es nicht sich ganz entfernen von dem, was sein Wesen ist. Wir bringen übend und anstrengend das dem ganzen Menschen bei.
Wenn das Kind sich künstlerisch betätigt und die Buchstaben und alles aus der Form, dem Bilde heraus bekommt, dann ist das ein und dieselbe Betätigung, die nur mehr seelisch-geistig nuanciert ist, wenn wir eurythmisieren, oder mit dem eigenen Bewußtsein vollzogen wird, wie beim Singenanhören. Wir bringen die Dinge zusammen. Wir lassen das Kind eine Einheit sein.
.

Stelt u zich nu voor dat we een kind ertoe brengen, als het onze school binnenkomt, zich op de gewone manier aan te passen aan dat wat zich als eerste heel uiterlijk tot de menselijke natuur richt: lezen en schrijven. Dit lezen en schrijven in de huidige vorm benadert de menselijke natuur heel uiterlijk. Wat je daar ziet, wat er bij het schrijven wordt gedaan, dat werd in tijden die relatief niet zo lang geleden zijn, heel anders gedaan: er werden afbeeldingen gemaakt; dat herinnerde de mens dus niet alleen op tekenachtige wijze aan de werkelijkheid, maar het beeldde die werkelijkheid af.
Tegenwoordig leiden we de kinderen, als we ze zonder meer leren lezen en schrijven, binnen in een totaal vreemd element; ze kunnen dan niet meer nabootsen. Als we hen zó daarin binnenlei­den dat we hun beelden voor ogen zetten, kunstzinnige, beeld-achtige vormen aanbieden, en als we hun een aanleiding geven om zichzelf tot afbeelding van de wereld te maken door middel van een aan de aard van het kind aangepast muzikaal element enzovoort, dan zetten we voort wat de kinderen vanzelf al deden voordat ze naar school gingen.

Als we gewoon op de kleinburgerlijke manier tegen hen zeggen: ‘Zó moet je een I maken, en zó een O’, dan is er voor hen geen enkele reden om zich voor zoiets te interesseren, om zich met zoiets te verbinden. Een kind moet op een bepaalde manier verbonden zijn met wat het doet. Datgene wat nu in de plaats komt van de nabootsingsdrang, kan alleen maar de schoonheidszin zijn. We moeten beginnen van alle kanten eraan te werken dat het zich op de juiste wijze losmaakt van zijn nabootsing, dat zijn nabootsing toegroeit naar een goede, meer uiterlijke relatie tot de buitenwereld. Het moet naar een mooie, esthetische nabootsing van de buitenwe­reld toe groeien. Van de nabootsing moet het groeien naar de esthetische uitbeelding van de buitenwereld. En eigenlijk moet datgene nog tamelijk ongedifferentieerd optreden wat we hem bijbrengen met betrekking tot de meer naar de activiteit toe werkende dingen en datgene wat we hem bijbrengen in relatie tot de dingen die meer naar het inzicht toe gaan.
Als we dan niet naar abstracte tekens toe gaan, maar naar het bééld bij het leren schrijven en lezen, dan verwijderen we ons door het feit dat hij zijn wezen actief moet inzetten niet van zijn wezen; we laten hem zich niet geheel en al verwijderen van wat zijn wezen is. Oefenend en door inspanning brengen we hem de gehele mens bij.
Als een kind kunstzinnig bezig is en de letters en alle dingen vanuit de vorm, vanuit het beeld krijgt, dan is dat een en dezelfde activiteit, die alleen meer naar ziel en geest toe genuanceerd is wanneer we euritmiseren, of het eigen
bewust­zijn wordt uitgevoerd, zoals bij het luisteren naar het zingen. We brengen de dingen bij elkaar; we laten het kind een eenheid zijn.
GA 302/128-129-130
vertaald/125-126-127

=

Will man in einer menschlichen Art das Schreiben an das Kind heran­bringen, dann hat man durchaus von demjenigen auszugehen, was das Kind erleben kann als Zusammenhang des Gesehenen und dem durch den Willen hervorgebrachten Gesehenen – wir nennen das die Schrift. Das ist dasjenige, was das Kind nun triebhaft entgegenbringt als Be­dürfnis, aus dem Willen heraus zu erleben. Das Kind bringt einem nun einmal diese künstlerischen Tendenzen in die Schule herein, und es muß diesen künstlerischen Tendenzen zum Beispiel dadurch Rech­nung getragen werden, daß man ein Kind, sagen wir zunächst, herum­laufen läßt in dieser Kurve (siehe Zeichnung). Dann bringt man ein Gefühl davon hervor, was bei einem so gearteten Herumlaufen inner­lich erlebt wird. Man geht dann dazu über, das Kind aufmerksam zu machen, daß es da diese Linie am Fußboden beschrieben hat. Man kann es dann überleiten, diese Linie entsprechend mit der Hand nach­zumachen. Nun läßt man es dann so laufen, daß es so seinen Weg vollführt, läßt es auch das wiederum mit der Hand nachahmen. Was so der ganze Körper in der künstlerischen Erziehung aus dem ganzen vollführt, läßt es auch das wiederum mit der Hand nachahmen. Was so der ganze Körper in der künstlerischen Erziehung aus dem ganzen Organismus gebildet hat, läßt man nun einseitig mit der Hand nach­formen. Und dann leitet man es dazu hin, Worte auszusprechen, die mit L beginnen. Man leitet es dahin, daß dasjenige, was solch ein Wort, das mit L beginnt, als Laut zunächst hat, in dem, was man aus dem Zeichnen, nicht aus dem abstrakten Nachbilden unserer L-Form herausgeholt hat, daß es das in dem hat.
Man kann auf diese Weise aus dem innerlich als Bewegung Erlebten zu dem Zeichnen der Buchstaben kommen. Man kann es auch anders machen. Das Kind ist ja nicht nur durch den Zahnwechsel ein inner­licher Musiker, es ist auch von früher her ein Plastiker. Nun kann man das Folgende machen:
.

Wil je het kind op een menselijke manier leren schrijven, dan moet je helemaal uitgaan van wat het kind kan beleven als de samenhang tussen wat het ziet en het door de wil voortge­brachte zichtbare — wij noemen dat de lettertekens. Dat is wat het kind nu instinctief toont als behoefte om vanuit de wil te beleven. Het kind brengt nu eenmaal deze kunstzinnige ten­densen de school binnen, en er moet met deze kunstzinnige tendensen rekening gehouden worden doordat je bijvoor­beeld een kind eerst deze bocht laat lopen [zie tekening]

GA 303 blz. 164 1

Dan laat je daardoor een gevoel ontstaan wat er bij het lopen van zo’n bocht innerlijk wordt beleefd. Dan ga je ertoe over het kind te wijzen op het feit dat het deze lijn op de vloer heeft beschreven. Vervolgens kun je ertoe overgaan deze lijn op dezelfde manier met de hand na te maken. [Bordtekening 6] Nu laatje het kind dan zo lopen dat het op deze manier zijn weg aflegt [zie tekening hieronder] en laat die dan ook weer met de hand nadoen.

GA 303 blz. 164 2

Wat zo het hele lichaam in de kunstzinnige opvoeding uit het hele organisme heeft gevormd, laat je nu eenzijdig met de hand navormen. En dan laat je het kind woorden uitspreken die met een L beginnen. Je zorgt ervoor dat het kind verin­nerlijkt wat zo’n woord, dat met een L begint, eerst als klank heeft en wat je uit het tekenen, niet uit het abstracte kopiëren van onze L-vorm gehaald hebt.

Je kunt op deze manier vanuit wat in het innerlijk als bewe­ging ervaren wordt, tot het tekenen van de letters komen. Je kunt het ook anders doen.
GA 303/164-165
Vertaald/177-178

=

Es kann nur frommen, wenn das Kind zuerst schreiben lernt auf die Weise, wie ich es zum Ausdrucke gebracht habe. Denn alle Entwickelung des Kindes geht vom Willen aus, und dieser Trieb zum Rhythmi­schen, zum Taktmäßigen geht aus dem Willen hervor, und diesem Willensdrängen des Kindes muß man entgegenkommen. Ihm kommt man entgegen zunächst mit der Betätigung, nicht mit dem Anschauen, nicht mit dem Vorstellen. Daher ist es unrecht, zuerst das Lesen dem Kinde zu übermitteln und dann das Schreiben. Das Lesen ist schon ein Übergang vom Willensmäßigen zum abstrakten Anschauen. Erst auf künstlerische Weise das Schreiben beibringen, und dann übergehen zuerst zum Lesen von Geschriebenem und dann allmählich zum Lesen, da es schon sein muß, von Gedrucktem.
.

Het kan alleen baten als het kind eerst schrijven leert op de manier die ik zojuist onder woorden heb gebracht. Want alle ontwikkelingen van het kind hebben de wil als uitgangspunt, en deze drijfveer tot het ritmische, tot het metrische komen uit de wil voort; en aan deze wilsdrang van het kind moet je tegemoet komen. Je komt daaraan in de eerste plaats tege­moet door het doen, niet door het waarnemen of het voor­stellen. Daarom is het niet juist om het kind eerst te leren lezen en dan pas schrijven. Het lezen is al een overgang van het wilsmatige naar het abstracte waarnemen. Eerst op kunst­zinnige wijze het schrijven aanleren, dan allereerst overgaan tot het lezen van het geschreven woord, en vervolgens langza­merhand tot het lezen — als dat dan zo nodig moet — van het gedrukte woord.
GA 303/170
Vertaald/184

=

Wir lassen das Kind zunächst sogar malen und zeichnen, mit Farben arbeiten, in Formen arbeiten. Da wird nicht bloß der Kopf beschäftigt, was eine große Schädlichkeit wäre für das Kind, sondern da wird der ganze Mensch beim Kinde beschäftigt. Aus diesen Formen, die sogar farbig sind, lassen wir dann die Buchstaben entstehen. Dadurch lernt das Kind schreiben, und nach dem Schreiben lernt es erst lesen, da ja unsere Lesebuchstaben noch abstrakter sind als unsere Schreibbuchstaben. So entwickeln wir aus dem Künstlerischen heraus, das dem Leben nahesteht, das abstrakte Element, das wir heute auch brauchen.
.

We laten het kind allereerst zelfs schilderen en tekenen, met kleur werken, vormen maken. Dan wordt niet alleen het hoofd aangesproken, wat een groot nadeel is voor het kind, maar dan wordt heel de mens bij het kind aangesproken. Uit deze vormen die zelfs gekleurd zijn, laten we dan de letters ontstaan. Daardoor leert het kind schrijven en na het schrijven leert het pas lezen, omdat onze leesletters nog abstracter zijn dan onze schrijfletters. Zo ontwikkelen we uit het kunstzinnige dat dicht bij het leven staat, het abstracte deel dat we tegenwoordig nodig hebben.
GA 304/48
niet vertaald

=

Onderstaande passage is lastig te vertalen. Hierbij moet je weten wat Steiner over de tandenwisseling zegt. Dit wisselen is een uiting van het feit dat de opbouwende, gestaltevormende krachten – de etherkrachten – niet meer uitsluitend nodig zijn voor de opbouw van het fysieke lichaam. Een deel ervan komt vrij voor o.a. geheugenvorming. Vandaar die splitsing: een deel komt beschikbaar voor andere kwaliteiten: leren, karakter: temperamenten (en meer); het meer fysiek deel blijft werken aan de instandhouding van het fysieke lichaam. Het vrijgekomen deel ‘weet’ a.h.w. nog wat opbouwen is en gaat dat nu doen op zijn eigen terrein. Toen het nog samen was met het meer fysiek-etherisch blijvende deel had het a.h.w. te maken met oervormen in de opbouw: rond/recht; horizontaal/verticaal/diagonaal e.d. Die vormen oefen je dus eigenlijk vóór je met diezelfde vormen de letters maakt.

=

Da stehen wir vor dem Kinde so, daß wir uns sagen: In diesem Momente, wo du das Kind bekomst, da zieht sich etwas geistig-seelisch gewissermaßen heraus aus dem Leiblich-Physischen. Ein Teil der organisierenden Kraft wird geistig-seelisch, hat gewissermaßen noch die Nachformen des physisch-Leiblichen; der ist noch eingewöhnt, in seinem ganzen Bilden das physisch-Leibliche nachzubilden. Du tust dem Kinde nichts Gutes wenn du ihm jetzt etwas ganz Fremdes beibringst, wenn du zum Beispiel ihm jetzt beibringst die Buchstabenformen, die dem Kinde ganz fremd sind, die schon viele Veränderungen durchgemacht haben von der alten gemalten Schrift.
Deshalb führen wir einen künstlerisch aufgefaßten Unterricht von der Waldorfschule ein, lehren das Kind nicht einfach schreiben, sondern lehren es zuerst zeichnend Malen, so daß es aus den Formen, wo es den ganzen Menschen in Bewegung bringt, dasjenige herausgestalten muß, was aus dem Zahnwechsel herausgestaltet ist; gewissermaßen in den ganzen Menschen in Gemäßheit seiner Leibesform verlegt wird, wo versucht wird, die Hände, die Finger in solche Bewegung zu bringen, indem sie zeichnen, indem sie malen, daß dasjenige, was in dem Seeli­schen gewebt hat, während das Seelische noch organisierend war, daß das weiter weben kann.
.

Dan staan we zodanig voor het kind, dat we tegen ons zelf zeggen: op dit ogenblik waarop je het kind krijgt, [in de 1e klas] komt in zekere zin iets van de geest-ziel uit het etherisch-fysieke. Een deel van de opbouwende krachten wordt meer geest-ziel, heeft in zeker zin nog iets van het opbouwen van het fysiek-etherische; het is nog gewend in alles wat het vormt, het fysiek-etherische na te vormen. Je doet het kind geen goed, wanneer je het bijv. de lettervormen aanleert die voor het kind totaal vreemd zijn; die al vaak anders zijn geworden t.o.v. het oude getekende schrift.
Daarom voeren wij een kunstzinnig opgevat vrijeschoolonderwijs in, leren het kind niet simpelweg schrijven, maar leren het allereerst tekenend schilderen, zodat het uit de vormen waarmee het de hele mens in beweging zet, dat vormgeven moet, wat met de tandenwisseling vrijgekomen is, in zekere zin in de hele mens is gekomen in overeenstemming met zijn lichaamsvorm; wanneer geprobeerd wordt de handen, de vingers zo in beweging te brengen als er getekend, geschilderd wordt, dat wat in de ziel werkzaam was toen dat nog aan de opbouw meewerkte, dat dat verder werken kan.
GA 304/77-78
niet vertaald

=

Da haben wir dann das, daß das Kind in die Schule gebracht wird und zunächst schreiben und nach und nach lesen lernen soll, vielleicht auch rechnen und so weiter; aber -nehmen wir zunächst das Lesen. Das Lesen ist zunächst etwas, das im heutigen Zustande, im heutigen Menschenleben dem Kind eigentlich recht fremd liegt. Wenn wir in Urzeiten, in frühere Zeiten zurückgehen, da haben wir noch eine Bilderschrift, da liegt noch in dem einzelnen Schriftzug etwas, was bildhaft zu dem Gegenstande, der bezeichnet werden soll, hinführt. In unserer Zeichenschrift haben wir nichts mehr, was in unmittelbarer Weise anknüpfend an die unmittelbaren Seelenkräfte, das Kind hinführen würde zu dem, was bezeichnet wird.
Daher darf man auch nicht, wenn das Kind mit dem sechsten, siebenten Jahre in die Schule kommt, anfangen, in dieser Weise die Schriftzüge beizubrin­gen. Bei uns in der Waldorfschule geht aller Unterricht, auch der des Schreibens, der dem Lesen vorangeht, aus von einem gewissen appellie­ren an den künstlerischen Sinn des Kindes. Wir bringen dem Kinde zunächst, und zwar von allem Anfang an eine gewisse Möglichkeit bei, sich zeichnerisch mit Farben, nicht bloß mit den Stiften malend zu betätigen, so daß wir aus dem Zeichnen, aus dem Malen, aus dem Künstlerischen, wie wir es in der einfachen Weise an das Kind heranbringen können, etwas geben, woraus wir dann die Buchstabenformen entstehen lassen. Gewiß, solche Dinge werden auch sonst schon beob­achtet; aber es kommt hier wiederum auf das Wie an. Vor allen Dingen kommt es darauf an, daß wir an dasjenige, was nicht auf den Intellekt wirkt, bei dem man sich etwas merken muß, sondern was vor allen Dingen auf den Willen wirkt, an das Kind heranbringen, und aus dem heraus, was Zeichnerisch und Malerisch ist, das Kind allmählich führen zu dem, was aus dem Willen aufsteigen kann zu dem intellektuellen Begreifen der Sache.
.

Dan hebben we het zo dat het kind op school wordt gebracht en dan moet het leren schrijven en langzamerhand lezen, ook wel rekenen enz.; maar, nemen we eens het lezen. Lezen is allereerst iets wat, zoals het nu is, in het leven van de mens van nu, voor het kind eigenlijk behoorlijk vreemd is. Ga je terug in de oertijd, in vroegere tijden, dan vind je nog een beeldschrift; daar vind je in de afzonderlijke tekenlijn iets wat verbeeldend uitkomt bij het voorwerp waarom het gaat. In onze schrifttekens hebben wij niets meer wat meteen aansluit bij wat direct beleefbaar is, bij wat het kind zou moeten brengen bij wat er mee bedoeld wordt.
Daarom mag je ook niet, wanneer het kind met 6, 7 jaar op school komt, beginnen op deze manier de lettertekens aan te leren. Bij ons op de vrijeschool gaat al het onderwijs, ook het leren schrijven dat vóór het lezen komt, uit van een bepaald appelleren aan de kunstzin van het kind. We geven het kind meteen vanaf het begin de mogelijkheid tekenend met kleur, niet alleen met [er staat ‘Stiften’: stiften, pennen of waren het griffels waarvan sprake is in GA 311/28) schilderend bezig te zijn, zodat we uit dit tekenen, uit het schilderen, uit het kunstzinnige, zoals wij dat op een simpele manier het kind kunnen aanbieden iets geven waaruit we dan de lettervormen laten ontstaan. Het is zeker zo, dat deze dingen ook elders zo worden gezien, maar het komt opnieuw weer aan op het ‘hoe’. Boven alles komt het erop aan dat we aan het kind niet iets geven wat op het intellect werkt, waarbij je iets moet snappen, maar dat we iets geven dat vooral op de wil werkt en uit wat getekend en geschilderd is, het kind langzamerhand leiden tot wat uit de wil kan opstijgen tot het intellectuele begrijpen van de zaak.
GA 304/110-111

=

Das führt dazu, wenn wir die Kinder hereinbekommen in die Wal­dorfschule, daß wir alles zunächst, was wir an die Kinder heranbringen, aus dem Künstlerischen heraus arbeiten. Konkret gesprochen : wir beginnen nun nicht beim Lesen, sondern beim Schreiben; allein das Schreiben darf nicht in irgendein intellektuelles Verhältnis zum Kinde gebracht werden, sondern wir beginnen zunächst damit, daß wir das Kind Formen malen und zeichnen lassen, die eigentlich aus seinem menschlichen Wollen wie von selbst hervorgehen.
Es würde manchen sonderbar anmuten, der sehen würde, wie die Waldorfkinder beginnen schreiben zu lernen!
Jeder Lehrer hat seine völlige Freiheit. Es handelt sich durchaus nicht darum, daß wir irgendwelche pädagogischen Dogmen aufstellen, son­dern daß wir die Lehrer in den ganzen Geist der anthroposophischen Pädagogik und Didaktik einführen. Da können Sie zum Beispiel, wenn Sie in die erste Volksschulklasse kommen, sehen, wie der Lehrer, der Erzieher die Kinder in gewissen Kreisen sich bewegen läßt und die Raumesbewegungen, die Bewegungen im Raume begleiten läßt mit gewissen taktmäßigen Bewegungen der Arme, wie dann sich daraus von selbst dasjenige bildet, was das Kind in eine einfache Zeichnung bringt.
Und indem wir so aus der Konfiguration des Organismus heraus, also aus dem Wollen herholen dasjenige, was als künstlerische Formen wie von selbst sich ergibt, wandeln wir dann diese künstlerischen Formen allmählich um auf die Buchstabenformen; alles ohne Abstraktion, son­dern so, wie es sich eigentlich imaginativ der Menschheitsentwickelung von selbst ergeben hat.
Die Menschheit hatte zuerst eine Bilderschrift, die sich durchaus aus der äußeren Realität konkret ergeben hat und die sich dann erst in unsere Zeichenschrift, die vollends abstrakt geworden ist, umgewandelt hat. So wird aus dem Künstlerischen heraus so etwas gearbeitet, was, wie die fertige Schrift, nurmehr zum Intellekt spricht. Und erst, wenn wir eine Weile das Kind aus dem Künstlerischen heraus zum Schreiben gebracht haben, bringen wir es an das Lesen heran.
Es zeigt sich ja klar, wenn man wirklich aus dem Künstlerischen heraus arbeitet, wirklich mit künstlerischen Intentionen an das Kind herantritt, so wirkt man zunächst auf die Willensbildung, auf jene Willensbildung, aus der im Grunde genommen alle Gemüts- und alle Verstandesbildung hervorgehen muß. Indem man vom Schreiben zum Lesen übergeht, merkt man ganz genau : Da geht es nun vom Wollen zum Fühlen. Indem man wirklich an den Einzelheiten die ganze seelisch-geistige Konfiguration des Kindes verfolgt bei der Handhabung jeder einzelnen Figur, die dann zum Buchstaben, zum Worte wird, die wiederum als Wort gelesen wird, wenn man das verfolgen kann, indem man durch Anthroposophie  Menschenerkenntnis,  Menschenbeobachtung sich angeeignet hat, dann wird eine wirkliche Erziehungspraxis daraus.
Und dann sieht man erst die ganze Bedeutung der Anwendung des Kunstprinzips auf die allerersten Volksschuljahre des Kindes.
.


Dat brengt ons ertoe, wanneer we de kinderen op de vrijeschool krijgen, dat we vanaf het begin alles wat we de kinderen aanbieden vanuit het kunstzinnige aanpakken. Concreet gezegd: we beginnen nu niet met het lezen, maar met het schrijven; alleen mag het schrijven niet in een of andere intellectuele verhouding tot het kind komen te staan, maar we beginnen er meteen mee de kinderen vormen te laten schilderen en tekenen die eigenlijk vanuit de menselijke wil als vanzelf tevoorschijn komen. Voor sommigen zou het er vreemd uitzien hoe de vrijeschoolkinderen beginnen met het leren schrijven.
Iedere leerkracht heeft de volledige vrijheid. Het gaat er zeker niet om dat we wat voor pedagogische dogma’s dan ook formuleren, maar dat de leerkrachten vertrouwd raken met wat de vrijeschoolpedagogie en -didactiek vanuit de antroposofie betekent.
Je ziet bijv. wanneer je in de 1e klas komt hoe de leerkracht, de opvoeder de kinderen in bepaalde cirkels laat bewegen en de ruimtelijke bewegingen, de bewegingen in de ruimte gepaard laat gaan met bepaalde bewegingen van de armen die de maat aangeven en hoe dan vanzelf daar zich iets uit vormt wat het kind in een eenvoudige tekening weergeeft. (zie GA 303 hierboven)
En wanneer we zo, vanuit het organisme, dus vanuit de wil, de kunstzinnige vormen naar boven halen die er vanuit zichzelf al zijn, veranderen we deze kunstzinnige vormen stap voor stap tot het lettervormen zijn, zonder abstractie, maar zo als ze eigenlijk beeldend als vanzelf in de ontwikkeling van de mensheid ontstaan zijn.
De mensheid had eerst een beeldschrift dat volledig uit de concreet uiterlijke werkelijkheid ontstaan is en dat daarna pas omgevormd werd in onze schrifttekens die volkomen abstract geworden zijn. Zo wordt vanuit het kunstzinnige iets bewerkt wat zoals het kant-en-klare schrift veel meer het intellect aanspreekt.
En pas wanneer we een tijd het kind vanuit het kunstzinnige tot het schrijven hebben gebracht, leggen we het lezen aan.
Het is overduidelijk dat wanneer je daadwerkelijk uit het kunstzinnige werkt, daadwerkelijk met kunstzinnige bedoelingen het kind benadert, dat je dan allereerst op de wilsvorming werkt, op die wilsvorming waaruit basaal genomen alle gevoels- en verstandsontwikkeling moet ontstaan.
Ga je van het schrijven naar het lezen, dan merk je heel duidelijk: nu ga je van willen naar voelen. Wanneer je daadwerkelijk aan de details het hele zielen-geestwezen van het kind volgt bij het oefenen van ieder apart figuur dat dan tot letter, tot woord wordt dat dan weer als woord gelezen wordt, wanneer je dat kan volgen – als je je door antroposofie menskunde, het waarnemen van mensen eigen hebt gemaakt, volgt daaruit de echte praktijk van het opvoeden. En dan zie je pas de totale betekenis van het toepassen van wat kunst is voor een kind in de eerste jaren van de basisschool.
GA 304/152-153
niet vertaald

=

Wir müssen daher vor allen Dingen darauf bedacht sein, den Aus­gangspunkt zu nehmen von Willenserziehung und Willensunterricht. Das gibt dann die Grundlage dafür ab, daß ausgegangen wird vom  Künstlerischen; daß das Schreiben zunächst nicht so an das Kind herangebracht wird, daß das der menschlichen Natur innerhalb unserer heuti­gen Zivilisation im Grunde genommen schon fremde Buchstabenzeich­nen unmittelbar an das Kind herangebracht werde, sondern daß das Kind eingeführt wird in Malerisches und Zeichnerisches, das sich aus­nimmt wie eine Fortsetzung des selbstverständlichen Willens, und dann herausgeholt wird aus dem Malerischen und Zeichnerischen dasjenige, was dann zum Schreiben führen soll. Man wird dabei sogleich zwei sehr verschiedene Anlagen bei den Kindern bemerken. Diese zwei verschiedenen Anlagen sollten durchaus beobachtet werden. Denn in ihrer Führung kann sich ein Wesentliches kundgeben zum Heil oder auch zum Unheil des Kindes. Man bekommt in bezug auf das Schreiben zweierlei Kinder. Gerade wenn man sie von einer Art von Malen zum Schreiben hinführt, bemerkt man dieses.
Die eine Art von Kindern lernt gewissermaßen Schreiben so, daß es beim Malen bleibt, daß auch geschrieben wird, ich möchte sagen, mit dem Auge, daß das Kind jeden Strich beobachtet, den es macht, daß es mit einem gewissen Schönheitsgefühl an der Herstellung des Geschriebenen arbeitet, daß etwas Zeichnerisch-Künstlerisches in die Schrift übergeht. Andere Kinder bringen es nur dahin, aus einem organischen Mechanis­mus heraus die Schriftzeichen mit einer gewissen Notwendigkeit aufs Papier zu bringen.
.


Voor alles moeten we erop bedacht zijn dat we het vertrekpunt nemen bij de wilsopvoeding en het wilsonderwijs. De basis is dat uitgegaan wordt van het kunstzinnige; dat het schrijven niet in de eerste plaats zo aan het kind geleerd wordt dat je de voor de menselijke natuur vreemde lettertekens al meteen aan het kind aanleert, maar dat met het kind begonnen wordt met schilderen en tekenen, dat een vorm van vanzelfsprekende wil is en dat uit wat geschilderd en getekend is datgene gehaald wordt wat dan tot schrijven moet voeren.
Je moet hierbij meteen bij de kinderen twee heel verschillende vormen van aanleg zien. Deze twee moeten in ieder geval worden gezien. Want uit wat daarbij leidend is, kan iets wezenlijks zichtbaar worden, tot zegen, maar ook tot nadeel van het kind. Wat het schrijven betreft, kom je twee typen kinderen tegen. Met name als je ze van het schilderen naar het schrijven brengt, merk je dat. Het ene type leert het schrijven zo, dat dit nog dicht bij het schilderen staat; dat er ook geschreven wordt met – ik zou willen zeggen – het oog; dat het kind iedere lijn die het zet, bekijkt en met een zeker gevoel voor schoonheid aan het schrijfwerk bezig is; dat er nog iets van de tekenkunstzinnigheid in het schrijven terechtkomt. Andere kinderen brengen het maar, vanuit een organisch automatisme tot het op papier zetten van de lettertekens, omdat het nou eenmaal zo moet.
.

Es müßte eigentlich ein jedes Kind dazu geführt werden, dieses Künstlerisch-Zeichnerische noch in die Schrift hineinzuführen; so daß eigentlich immer das Auge ruht auch auf dem Blatt Papier, das beschrie­ben wird, daß das Auge einen Eindruck bekommt von dem, was geschrieben wird. So daß der Mensch nicht nur aus einer inneren mechanischen Notwendigkeit heraus seine Handschrift schreibt, son­dern daß er auch das Echo seiner eigenen Schrift, seiner eigenen Buchsta­ben, wenn ich so sagen darf, wiederum erlebt. Dadurch – man wird es heute noch als ein Paradoxon auffassen, aber es ist doch so -, dadurch wird in dem Kinde herangebildet in viel größerem Maße eine gewisse Liebe zu seiner Umgebung, eine gewisse Verantwortlichkeit gegenüber der Umgebung. Ein gewisses Achtgeben auf alles dasjenige, was wir sonst tun im Leben, ist eine notwendige Folge dieser Art des Schreiben-lernens, wo nicht nur mit der Hand, sondern auch mit dem Auge schreiben gelernt wird. Und man sollte gar nicht unterschätzen, wie diese Intimitäten in das gesamte menschliche Leben hineinfließen. Mancher Mensch, der Mangel zeigt im späteren Leben an einem gewissen Verantwortlichkeitsgefühl, ja an einer gewissen liebevollen Hingabe an seine Umgebung, dem hätte geholfen werden können, wenn er in der richtigen Weise hätte Schreiben gelernt.
Dann, wenn man darauf bedacht ist, den Willen einfließen zu lassen in den Schreibunterricht, dann kann der Schreibunterricht solche Früchte zeitigen, wie ich sie eben gekennzeichnet habe. Nun geht man dann über zum Lese-Unterricht, der sich schon mehr auf das Gefühl gründet, der eigentlich aus dem Schreiben heraus entwik­kelt werden soll. Das Lesen ist ja mehr eine Anschauung, wenn ich mich etwas äußerlich ausdrücken darf; das Schreiben ist ein Mittun. Ausgehen soll die kindliche Erziehung vom Willenselement, von der Betätigung, nicht bloß vom Beobachten.
.

Ieder kind zou ertoe gebracht moeten worden dit kunstzinnig tekenen nog in het schrijven te verwerken; zo dat eigenlijk steeds het oog op het vel papier rust dat beschreven wordt; dat het oog een indruk krijgt van wat er geschreven wordt. Zodat de mens niet alleen maar uit een innerlijk noodzakelijk automatisme zijn handschrift schrijft, maar dat hij ook de nawerking van zijn eigen schrift, zijn eigen letters, als ik het zo zeggen mag, nog eens beleeft. Daardoor – men zal dit tegenwoordig nog wel paradoxaal opvatten, maar toch is het zo – vormt zich in het kind in een veel grotere mate, een zekere liefde voor zijn omgeving; een bepaalde verantwoordelijkheid tegenover de omgeving. Een bepaalde manier van letten op alles wat we nog meer in het leven doen, is een noodzakelijk gevolg van deze manier van leren schrijven, waarbij niet alleen maar met de hand, maar ook met het oog geleerd wordt te schrijven.Je moet echt niet onderschatten hoe deze verfijndheden in het totale menselijke leven binnenkomen. Sommige mensen die in het latere leven een gebrek aan een zekere verantwoordelijkheid tonen, zelfs aan een zekere liefdevolle benadering van zijn omgeving, zou geholpen zijn geweest, wanneer hij op de juiste manier had leren schrijven.

Wanneer je er rekening mee houdt, de wil bij het schrijfonderwijs te betrekken, kan het schrijfonderwijs die vruchten afwerpen, zoals ik net geschetst heb.
Dan ga je over tot het leesonderwijs dat meer op het gevoel steunt; dat eigenlijk vanuit het schrijven ontwikkeld zou moeten worden. Lezen is meer een waarnemen, wanneer ik me wat oppervlakkig mag uitdrukken, schrijven meer een meedoen. De opvoeding van het kind moet uitgaan van de wil; van het bezig zijn, niet alleen maar van het waarnemen.
GA 304/161-162-163-164
niet vertaald

=

Und ein künstlerisches Element ist es, das den Waldorfschul-Unter­richt vom siebenten bis zum vierzehnten Jahre durchaus durchzieht. Das Kind soll zu allem bildlich geführt werden.
Wir arbeiten sie in der Waldorfschule aus dem Bilde heraus. Wir lassen das Kind zunächst malen, zeichnen, und nähern dann dasje­nige, was aus der menschlichen Natur fließt im Malen, im Zeichnen, den Buchstabenformen an. Und dann erst, wenn der ganze Organismus nach Leib, Seele und Geist durch das Schreibenlernen, das aus der Kunst herausgeholt wird, ergriffen ist, dann gehen wir über zu demjenigen, was nur einen Teil des Menschen ergreift, zum Lesen. Denn das Lesen hat es nicht zu tun mit der ganzen menschlichen Totalität, sondern nur mit einem Teil; während das Schreiben herausgeholt wird aus der ganzen Totalität. Geht man so vor, dann hat man den Menschen richtig nach Leib, Seele und Geist betrachtet.
.

In het vrijeschoolonderwijs van het 7e tot het 14e jaar zit zeer beslist overal een kunstzinnig element. Het kind moet tot alles gebracht worden op een beeldende manier. We werken op de vrijeschool vanuit het beeld. We laten het kind allereerst schilderen, tekenen en zo komen we met wat uit de menselijke natuur in dit schilderen en tekenen binnenstroomt, bij de lettervormen uit. En pas dan, wanneer heel het organisme -lichaam, ziel en geest – door het leren schrijven dat uit de kunst wordt ontwikkeld, gepakt is, dan gaan we over op wat maar een deel van de mens pakt, tot het lezen. Want het lezen heeft niet van doen met de totale mens, slechts met een deel; terwijl het schrijven tevoorschijn gehaald wordt uit de totale mens. Als je zo te werk gaat, beschouw je de mens op de juiste manier als lichaam, ziel en geest.
GA 304A/99
niet vertaald

=

Der Buch­stabe ist heute abstrakt.  Wer unbefangen in das kindliche Gemüt hineinzusehen vermag, der weiß: Es ist ja dem Kinde so furchtbar fremd, was es da im zarten Alter als etwas lernen soll, das einstmals mit den Dingen zusammenhing, das aber heute von den Erwachsenen geübt wird – und nicht mehr mit den Dingen zusammenhängt
Das ist der Grund, warum wir in der Waldorfschule versucht haben, das Schreibenlernen – mit dem wir eigentlich beginnen, dann erst kommt für uns das Lesen – aus dem Malen und malenden Zeichnen herauszuho­len. Wir lassen das Kind gar nicht zunächst an die «Buchstaben» herankommen. Wir versuchen zum Beispiel, dem Kinde die Möglichkeit beizubringen, daß es etwa einen Fisch mit irgendwelchen Farben primi­tiv aufs Papier hinmalt. Nun hat es den Fisch gemalt. Dann wird es angehalten, mit Deutlichkeit sich klarzumachen, daß das, was da auf dem Papier gemalt ist, wenn man es spricht, «Fisch» klingt. Und nun werden Sie finden: mit Leichtigkeit kann man die Fischform in ein F verwan­deln, und wenn man den Anlaut «F» des Wortes Fisch nimmt, so ist da das F drinnen. Es ist das für das F zugleich historisch auch die Entste­hung. Aber darauf kommt es nicht an, sondern darauf, daß wir aus einer gemalten Bildform den Buchstaben herausholen. Das ist etwas, was selbstverständlich mit dem Menschen zusammenhängt, so daß wir dadurch das Kind dazu bringen, den Buchstaben herauszugestalten aus etwas, was auch wirklichkeitsgemäß empfunden werden kann. Das erfordert schon künstlerischen Sinn, und es erfordert auch die Überwin­dung einer gewissen Unbequemlichkeit. Denn wenn Sie in der Waldorfschule sehen würden, wie die Kinder dort mit ihren Pinseln herum­schmieren, so ist das zuweilen recht unbequem; man muß immer wieder sauber machen, und das erfordert eine gewisse Hingabe. Aber viel schneller, als man denkt, überwindet sich das.
Es ist merkwürdig, was an Künstlerischem auch die kleinen Kinder daran gewinnen: sie lernen sehr bald den Unterschied zwischen einer «aufgetragenen» Farbe, die so aufgetragen ist, wie wenn man einen Stoff über das Papier schmiert, und einer «leuchtenden» Farbe, die der Maler braucht, um das zu erreichen, was er erreichen will. Dieser Unerschied, der heute für viele Erwachsene sogar außerordentlich «okkult» ist, wird dem Kinde sehr bald klar, und etwas, was befruchtend auf das Kindesgemüt wirkt, ergibt sich im Laufe eines solchen Schreibenlernens; nur daß die Kinder etwas später schreiben lernen, weil sie das Schreibenlernen aus dem Malen heraus entwikkeln lernen.  Aber das ist gerade günstig. Wir leiden ja alle unter dem Umstande, daß wir zu früh zu der abstrakten Schreibkunst angeleitet worden sind. Kein größeres Glück für die Gesamtheit des Menschen, als wenn er erst im neunten, zehnten Jahre den Übergang zu den abstrakten Schriftzeichen findet, und vorher alles aus dem Lebendig-Malerischen herausgeholt wird.
Dieses Schreibenlernen hat etwas, was den ganzen Menschen beschäf­tigt. Der Mensch muß seine Arme anstrengen, aber er fühlt zugleich das, was seine Arme tun, an den ganzen Menschen gebunden. Daher ist es ein schöner Übergang von dem Lebensalter, wo das Kind mehr im Willen lebt, zu jenem Gefühlselement, das im zweiten Lebensalter besonders hervorragend ist – ein schöner Übergang ist es, daß wir das Schreibenler­nen in jenes Gefühlsmäßige herübernehmen. Wenn der Mensch liest, strengt er eigentlich nur noch das an, was dann Formen wahrnimmt, nicht mehr den ganzen Menschen. Daher wird von uns versucht, die Lesekunst aus der Schreibkunst hervorgehen zu lassen. Und das wird dann ausgedehnt auf alles, was dem Kinde beigebracht werden soll.
Es handelt sich also darum: aus der Natur des Kindes selbst abzulesen, was unterrichtend mit dem Kinde geschehen soll. Damit ist das gesagt, um was es sich bei der Waldorfschul-Pädagogik handelt: daß der Lehrer das Lesenlernen aus der ganzen kindlichen Wesenheit heraus gestaltet. Es hilft nichts, zu sagen: dies oder jenes soll so oder so gemacht werden; sondern darauf kommt es an, daß man das, was aus dem Kinde heraus will, auch wirklich bemerkt. Und das, was der Mensch später braucht, will immer einmal aus dem jugendlichen Kinde heraus.
.

De letter is tegenwoordig abstract. Wie onbevangen de kinderziel kan waarnemen, weet: het is voor het kind ontzettend vreemd wat het daar in een gevoelige leeftijdsfase moet leren; dat eens als zodanig met de dingen samenhing, dat echter tegenwoordig door de volwassenen gebruikt wordt – en niet meer met de dingen samenhangt. Dat is de reden waarom wij op de vrijeschool proberen de schrijflessen – waarmee we eigenlijk eerst beginnen, dan komt voor ons pas het lezen – uit het schilderen en het schilderende tekenen halen. We laten het kind nog helemaal niet in het begin bij de ‘letters’ uitkomen. We proberen bijv. bij het kind de mogelijkheid te ontwikkelen dat het zoiets als een vogel+ met wat kleur op het papier schildert. Nu heeft het de vogel geschilderd. Dan moet het daarbij stil blijven staan en zich duidelijk maken dat dat, wat daar op papier geschilderd is, wanneer je het uitspreekt, als ‘vogel’ klinkt. En nu zul je het zien: je kunt de vogel met gemak in een V veranderen en wanneer je dan de beginletter =V= van het woord vogel neemt, zit de V daarin. Dat is voor de (V) F+  historisch ook het ontstaan ervan. Maar daar komt het niet op aan, het komt erop aan dat we uit een geschilderde beeldvorm de letter halen. Dit is iets wat vanzelfsprekend met de mens samenhangt, zodat we daardoor het kind ertoe brengen de letters uit iets tevoorschijn te halen, wat ook als realiteit ervaren kan worden. Dat vraagt wel wat kunstzin en het vraagt ook het overwinnen van een zeker ongemak. Want als je eens op de vrijeschool zou kijken hoe de kinderen daar met hun penselen vlekken maken, dan is dat af en toe wel lastig; je moet het steeds weer schoon maken en dat eist tot een zekere zorg.* Maar veel sneller dan  je denkt, gaat zoiets beter.
Het is merkwaardig wat ook de kleine kinderen aan kunstzin kunnen verwerven: ze leren al gauw het verschil tussen een kleur die ‘opgebracht’ is, die zo op het papier gebracht wordt, als je een bepaalde stof over het papier uitsmeert en een ‘lichtende’ kleur, die de schilder nodig heeft om te bereiken wat hij bereiken wil. Dit verschil dat tegenwoordig voor veel volwassenen zelfs buitengewoon ‘occult’ is, kent het kind al heel gauw en is iets wat stimulerend op het kindergemoed werkt, het blijkt in het verloop van deze manier van leren schrijven, omdat ze dit uit het schilderen leren ontwikkelen. Deze manier van leren schrijven heeft iets wat de totale mens bezig laat zijn. Hij moet zijn armen gebruiken, en dan voelt hij tegelijk dat wat zijn armen doen, gebonden is aan heel de mens. Vandaar dat het een mooie overgang is van de leeftijd waarop het kind meer in de wil leeft, naar het gevoelsleven dat in de 2e leeftijdsfase overheerst – een mooie overgang is het, waarbij het het leren schrijven in die gevoelssfeer meeneemt. Wanneer de mens leest, spant hij zich eigenlijk alleen nog in om vormen waar te nemen; niet meer de hele mens. Vandaar dat we proberen de kunst van het lezen uit de kunst van het schrijven tevoorschijn te laten komen. En dat breiden we dan uit over alles wat het kind moet worden aangeleerd.
Het gaat dus hierom: uit de natuur van het kind zelf aflezen wat methodisch-didactisch met het kind moet gebeuren. Hiermee is gezegd waar het bij de vrijeschoolpedagogie om gaat: dat de leerkracht het aanleren van het lezen uit heel het wezen van het kind haalt. Het helpt niet om te zeggen dat dit of dat zus of zo gedaan moet worden, maar het komt erop aan dat je werkelijk waarneemt wat er uit het kind wil komen. En wat de mens later nodig heeft, wil altijd een keer uit het jeugdige kind naar buitenkomen.
GA 304A/113-114-115
niet vertaald
+Duits heeft ‘Fisch’, dus ‘F’.

=

Da handelt es sich darum, daß wir selber in Bildern leben können. Das geht so weit – ich kann nur Beispiele anführen -, nehmen Sie an, wir haben das Kind heranzubringen an das Lesen, ihm das Lesen zu zeigen. Bedenken Sie, was das heißt: das Kind soll lesen lernen. Das Kind soll Zeichen, die auf dem Papier stehen, entziffern lernen. Die sind ihm ganz fremd. Laute, Töne, die gefühlten, innerlich erlebten Buchstaben, die sind dem Kinde nicht fremd. Das Kind kennt die Verwunderung, wenn die Sonne aufgeht, A. Der Laut der Verwunderung: A, der Laut ist da. Aber was hat das Zeichen, das wir machen auf dem Papier, mit diesem Laut zu tun? Das Kind kennt die Furcht vor irgend etwas, was gruselig ist: U.
Aber was hat das Zeichen, das wir auf dem Papier haben zum Lesen, mit diesem Laut zu tun? Das Kind hat kein Verhältnis zu dem, wie die Schrift heute ist.
Wir müssen wieder dazu zurückkehren, dem Kinde zunächst dasjenige, was es auszudrücken hat, im Bilde auszudrücken. Das können wir nur, wenn wir nicht beim Schreiben beginnen, und auch nicht beim Lesen, sondern wenn wir beim Malen beginnen.
Und so unterrichten wir so, daß wenn das Kind in die Volksschule hereinkommt, wir es zunächst an die Farben heranbringen. Es ist unbequem, die Kinder machen alles schmierig, aber dem muß man sich fügen. Das Kind lernt die Farben behandeln, und man kann es über die Farbe hin zu den Formen bringen. Es kommen, wenn der Lehrer dazu die Fähigkeit hat, allmählich aus den Formen, die die Gegenstände bedeuten, allmählich die Formen der Buchstaben heraus. Dann bekommt das Kind dazu ein Verhältnis. Man kann das A, das U so entwickeln, daß, indem man zunächst die Verwunderung malt, zuletzt ein A draus wird! So wie auch aus der ersten bildlichen Darstellung der Verwunderung das A langsam geworden ist.
Künstlerisch, vom Bilde ausgehend muß der Unterricht sein. Zuerst muß der Mensch den ganzen Menschen anstrengen im Malen, das dann zum Schreiben übergeht; dann erst diejenige Fähigkeit entwickeln, die bloß mit dem Kopf an einen Teil des Menschen gebunden ist. Das Lesen kommt erst später. Zuerst kommt das malende Zeichnen, zeichnende Malen. Aus dem malenden Zeichnen, zeichnenden Malen wird das Schreiben hervorgeholt, aus dem Schreiben erst das Lesen.

.

Nu gaat het erom dat we zelf in beelden kunnen leven. Dat gaat zo ver – ik kan alleen maar voorbeelden geven – laten we aannemen dat we een kind moeten leren lezen, te laten zien hoe het lezen gaat. Denk eens in wat dat betekent: het kind moet leren lezen. Het kind moet tekens die op papier staan, leren ontcijferen. Die zijn hem totaal vreemd. Klanken, tonen, de letters die je innerlijk voelend beleeft, die zijn niet vreemd voor een kind. Het kind kent verwondering wanneer de zon opgaat, A. De klank van de verwondering A, de klank is er. Maar wat heeft het letterteken dat wij op papier zetten met deze klank te maken. Het kind kan bang zijn voor iets, wat griezelig is, OE (Duits U). Maar wat heeft het letterteken dat wij op papier zien om te lezen met deze klank van doen? Het kind heeft geen verbinding met het schrift van nu.

We moeten er weer naar teruggaan voor het kind dat wat het ’t allereerst wil uitdrukken, in een beeld uit te drukken. Dat kunnen we alleen wanneer we niet met schrijven beginnen en ook niet met lezen, maar wanneer we bij het schilderen beginnen.
En daarom geven we zo les dat wanneer het op de basisschool komt, wij het dan allereerst kennis laten maken met kleur. Het is lastig, de kinderen knoeien,* maar daar moet je je maar in schikken.Het kind leert met kleur omgaan en je kunt het via de kleur naar de vorm leiden. Wanneer de leerkracht de bekwaamheid heeft komen stap voor stap uit de vormen die de dingen, de voorwerpen verbeelden langzaam maar zeker de letters tevoorschijn. Daarmee krijgt het kind een verbinding. Je kan de A, de U zo ontwikkelen dat, als je dan vooraf de verwondering schildert, daar de A uit komt. Zoals langzaam uit de eerste beeldvoorstelling van de verwondering de A zich ontwikkeld heeft.Het onderwijs moet kunstzinnig -, van het beeld uitgaan. Eerst moet de mens, als totale mens zich inspannen bij het schilderen, dat dan in schrijven overgaat; dan pas die vaardigheid ontwikkelen die slechts met het hoofd aan een deel van de mens gebonden is. Het lezen komt pas later. Eerst komt het schilderende tekenen, het  tekenend schilderen. Hieruit wordt het schrijven ontwikkeld, pas uit het schrijven het lezen.
GA 304A/157-158
niet vertaald

=

Nun führen wir das Kind an die heutigen abstrakten Buchstaben heran, zu denen es gar kein Verhältnis hat! Was hat man zu tun? Das hat man zu tun, daß man das Kind zunächst gar nicht mit Schreiben und Lesen plagt, sondern malendes Zeichnen, zeichnendes Malen an das Kind heranbringt. Es betätigt dabei den ganzen Leib, wenn man es anfangen läßt zu malen, es an die Farben und Formen heranbringt. Man lasse es in den einzelnen Formen nachahmen dasjenige, was es schaut, was es sieht; dann führt man hinüber dasjenige, was im Bilde ist, in dem Laut.
Auf diese Weise lernen die Kinder vom siebenten, achten Lebensjahre ab malendes Zeichnen, zeichnendes Malen. Man muß allerdings mehr achtgeben; es ist nicht so bequem, man muß nachher aufräumen; die Kinder machen alles schmutzig mit den Farben, es muß gereinigt wer­den; aber diese Dinge werden eben hingenommen werden müssen. Und man lernt zuerst aus der Farbe und Form heraus Ähnlichkeiten schaffen mit den Dingen draußen. Dann geht man über auf das Schreiben. Zunächst lernt das Kind schreiben, weil es damit den ganzen Körper in Bewegung bringt, nicht einen Teil bloß. Und dann geht man über zu dem Lesen. Das Kind gelangt im neunten Jahre etwa dazu, aus dem Schreiben heraus, das es aus dem Malen gebildet hat, das Lesen zu lernen. Auf diese Weise schaut man der Natur des Kindes ab, wie man es zu führen hat, läßt es sich von dem Kinde selber diktieren. Dadurch aber ist man als Lehrer genötigt, selbst ein anderer Mensch zu sein, nicht bloß seine Lektionen zu lernen und dann in abstrakter Weise anzuwenden, sondern mit seinem ganzen Menschen vor der Klasse zu stehen und zu allem, was man zu treiben hat, das Bild zu finden, selber Phantasie zu haben. Dann geht in imponderabler Weise das von dem Lehrer auf das Kind über.

.

We geven het kind de abstracte letters van nu, waarmee het helemaal geen verbinding heeft. Wat staat je te doen? Wat je moet doen is het kind in het begin niet met schrijven en lezen lastig te vallen, maar met hem gaan schilderen en tekenen. Als je het laat beginnen met schilderen, het vormen en kleuren geeft, doet het hele lichaam mee. In aparte vormen laat je het nabootsen wat het ziet; dan breng je wat in het beeld zit over op de klank. Op deze manier leren de kinderen vanaf 7, 8 jaar schilderend tekenen, tekenend schilderen. Je moet er zeker meer aandacht aan besteden; het is niet zo eenvoudig, je moet naderhand opruimen; de kinderen knoeien* met de verf, het moet schoongemaakt worden, maar deze dingen moet je op de koop toenemen. En op deze manier leert het eerst vanaf de kleur en vorm dingen maken die op dingen in de buitenwereld lijken. Dan ga je over op het schrijven, omdat het daarmee zijn hele lichaam beweegt, niet maar een deel. En dan ga je tot het lezen over. Op z’n negende is het kind zover dat het vanuit het schrijven, dat het uit het schilderen heeft ontwikkeld, heeft leren lezen. Op deze manier kijk je van de natuur van het kind af hoe je het moet leiden, je laat je het vanuit het kind voorschrijven. Daardoor ben je als leerkracht verplicht een ander mens te zijn, niet alleen je lesje voor te bereiden om dat op een abstracte manier in praktijk te brengen, maar met je totale menszijn voor de klas te staan en bij alles wat je moet doen het beeld te vinden, zelf fantasie te hebben. Dan gaat dat op een imponderabele manier over van de leerkracht op het kind.
GA 304A/174
niet vertaald

=

Belebende Erziehung zwischen Zahnwechsel und Geschlechtsreife ist das, um was es sich handelt. Denn da wird der Ätherleib frei. Da müssen wir auch so recht lebendig alles gestalten. Zum Beispiel, nehmen Sie das Wort «Mund», das ja auch im Englischen «mouth» ist: ich spreche nur den Anfangsbuchstaben: M aus – ich komme auf das: Mund, mouth. Und so werden Sie überall aus dem Lebendigen heraus die Möglichkeit finden, zu schaffen dasjenige, was dann im Schreiben auftreten soll. Dann wachsen die in der Phantasie gebildeten Begriffe heran, wenn der Intellekt, der erst kommen soll mit der Geschlechtsreife, nicht zwei Jahre früher angesprochen wird; Definitionen sind für das Kind Gift.
.

Tot leven brengende opvoeding tussen tandenwisseling en puberteit: dáár gaat het om. In deze tijd wordt het etherlijf vrij. Dus moeten wij ook zo levendig mogelijk alles vormgeven.

voorbeeld 13

Zo zul je overal vanuit wat leeft de mogelijkheid vinden om iets te scheppen wat in het schrijven een rol kan spelen. Dan groeien de in de fantasie gevormde begrippen, als het intellect dat pas met de puberteit moet ontstaan, niet twee jaar eerder aangesproken wordt; definities zijn gif voor het kind.
GA 304A/176
niet vertaald

=

Erziehungskunst, die auf Menschenerkenntnis beruht, geht so vor, daß sie wirklich alles aus dem Kinde heraus entwickelt, nicht bloß sagt, es soll die Individualität entwickelt werden, sondern es auch wirklich tut. Das erreicht man dadurch, daß man zunächst überhaupt nicht vom Lesen ausgeht. Das Kind geht auch vom Zappeln aus, von Willensäußerungen, nicht vom Anschauen. Das Anschauen kommt erst später. Und so ist es nötig, nicht vom Lesen auszugehen, sondern vom Schreiben, aber das Schreiben auch so zu betreiben, daß es aus der gan­zen Menschenwesenheit als etwas Selbstverständliches herauskommt. Daher beginnen wir mit dem Schreibunterricht, nicht mit dem Lese-unterricht, und versuchen allmählich dasjenige, was das Kind in der Nachahmung selber entwickeln will durch seinen Willen, durch seine Hände, auch hinzuleiten zum Schreiben.
.

Opvoedkunst die berust op kennis omtrent de mens werkt zo dat werkelijk alles vanuit het kind ontwikkeld wordt. Ze zegt niet alleen dat de individualiteit ontwikkeld moet worden, ze doet het ook echt. Dat bereikt men alleen doordat men om te beginnen al volstrekt niet van het lezen uitgaat. Het kind begint ook met te spartelen, met uitingen van de wil, niet met het beschouwen. Het beschouwen komt pas later. Evenzo is het noodzakelijk niet van het lezen uit te gaan, maar van het schrijven. Schrijven echter, op een zodanige wijze dat het als iets vanzelfsprekends tevoorschijn komt vanuit het menselijk wezen. Daarom beginnen wij met het schrijfonderricht, niet met het leesonderricht, en proberen langzamerhand hetgeen het kind in de nabootsing zelf gaat ontwikkelen door middel van zijn wil, door middel van zijn handen, tot schrijven te laten worden.
GA 305/97-98
vertaald : Nu: opvoeding en kunst. Eerder: Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst/104 (3)

voorbeeld 15

=

Und so werden Sie, wenn Sie nicht intellektualistisch, sondern spiri­tuell, imaginativ vorzugehen versuchen, alles aus dem Kinde heraus­holen können, was nach und nach dazu führt, daß das Kind schreiben lernt. Es lernt langsamer schreiben, als es heute oftmals schreiben lernt. Aber wenn dann die Eltern kommen und sagen: Mein Kind ist acht Jahre alt, neun Jahre alt, und kann noch nicht gut schreiben! – so müssen wir ihnen immer sagen: Alles dasjenige, was langsamer gelernt wird in einem gewissen Lebensalter, das lebt sich sicherer und gesunder in den Lebensorganismus hinein, als was hineingepfropft wird.
Wichtig ist dabei, daß auf diese Weise durchaus auch die Indivi­dualität des Lehrers zum Ausdrucke kommt. Da wir in der Waldorf­schule schon viele Schüler haben, mußten wir Parallelklassen errichten, wir haben zwei 1. Klassen, zwei 2. und so weiter. Sie können, wenn Sie in die eine 1. Klasse kommen, sehen, wie da der Schreibunterricht aus dem Malen, aus dem Zeichnen herausgeholt wird, Sie können da sehen, wie die Lehrkraft das in einer gewissen Weise macht. Sagen wir, in der einen Klasse finden Sie, daß das gerade so gemacht wird, wie hier jetzt gezeigt worden ist. Sie gehen in die andere Klasse, in die 1. Klasse B hinein; Sie finden eine andere Lehrkraft; da wird derselbe Unterricht erteilt, Sie sehen aber etwas ganz anderes. Sie sehen, daß da die Lehr­kraft die Kinder in einer Art eurythmischer Bewegung herumlaufen läßt, aus der eigenen Körperbewegung heraus die Form entstehen läßt. Und dasjenige, was das Kind abläuft, das wird dann als Buchstabe fixiert. Und so ist eine dritte Art, eine vierte Art und so weiter möglich.
.

En zo zult u, wanneer u niet intellectualistisch, maar spiritueel, imaginatief tracht te handelen, alles vanuit het kind kunnen laten komen, wat er langzamerhand toe leidt dat het kind leert schrijven. Het duurt langer voordat het kan schrijven dan dat tegenwoordig vaak het geval is. Maar als dan de ouders komen klagen dat het kind op zijn achtste, negende jaar nog niet goed kan schrijven, dan moeten wij steeds tegen hen zeggen: Al hetgeen op een bepaalde leeftijd langzamer geleerd wordt, wordt op een zekerder en gezonder wijze in het levensorganisme ingevoerd dan hetgeen er ingestampt wordt.
Daarbij is ook belangrijk dat op deze wijze ook de individualiteit van de leraar tot uitdrukking komt. Omdat wij op de vrijeschool al veel leerlingen hebben, hebben wij parallelklassen moeten vormen; we hebben twee eerste klassen, twee tweede klassen enzovoorts. Als u in één van de eerste klassen komt kunt u zien hoe het schrijfon-derricht helemaal vanuit het schilderen, vanuit het tekenen ontstaat, u kunt daar zien hoe de leerkracht dat op een bepaalde manier doet. Laten we zeggen dat u dat in de ene klas precies zo gedaan vindt als het hier beschreven is geworden. Als u naar de andere klas, de 1 b-klas gaat, dan vindt u daar een andere leerkracht; daar wordt hetzelfde onderwijs gegeven, maar u ziet iets heel anders. Daar ziet u dat de leerkracht de kinderen in een soort euritmische beweging laat rondlopen, en vanuit de eigen li-chaamsbweging de vorm laat ontstaan. En de vorm die het kind loopt wordt dan als letter vastgelegd. En zo is een derde manier, een vierde manier enzovoorts mogelijk.
GA 305/99-100
vertaald : Nu: opvoeding en kunst. Eerder: Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst/105 (3)

=

So sind wir in der Waldorfschule in der Lage, aus dem Künstlerischen heraus das Schreiben zu lehren. Dann läßt sich das Lesen nachher wie von selbst lernen. Es kommt etwas später als gewöhnlich, aber es läßt sich wie von selbst lernen.
Und solch ein Unterricht schließt sich in der besten Weise dann an dasjenige an, was nun auch aus der Bild­haftigkeit heraus zum Schreiben und zum Lesen führt.

.

Zo zijn wij op de vrijeschool in de gelegenheid het schrijven aan te leren vanuit het kunstzinnige. Het leren lezen gaat daarna als vanzelf. Het komt wat later dan gewoonlijk, maar het gaat als vanzelf.
GA 305/101
vertaald : Nu: opvoeding en kunst. Eerder: Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst/106 (3)

=

So bringen wir das Kind ungefähr zwischen dem 9. und 10. Jahre dazu, daß es sich schreibend ausdrücken kann, daß es auch lesen kann, soviel es heilsam ist für dieses Lebensalter, und wir erreichen damit jenen wichtigen Punkt im Leben des Kindes, auf den ich schon hingedeutet habe, der so zwischen dem 9. und 10. Jahre liegt.
.

Zo brengen wij het kind ongeveer tussen het negende en het tiende jaar zover dat het zich schrijvend kan uitdrukken en ook kan lezen, zover dit heilzaam is voor deze leeftijd en wij bereiken daarmee dat belangrijke punt in het leven van het kind, zoals ik heb aangegeven, zo tussen het negende en tiende jaar ligt.
GA 305/109
vertaald : Nu: opvoeding en kunst. Eerder: Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst/106 (3)

=

Aber was das Kind nicht verlangt, was das Kind ganz gewiß im Zahnwechsel-Lebensalter zunächst nicht verlangt, was es innerlich mit starker Op­position zurückweist, das ist, daß es, wenn es gelernt hat, als mensch­lichen Ausdruck für Verwunderung A zu sagen, dann für dieses A solch ein komisches Zeichen auf die Tafel oder auf Papier schreiben soll! Das hat ja nicht das geringste zu tun mit dem, was das Kind eigentlich erlebt.Wenn das Kind eine Farbenzusammenstellung sieht, dann lebt es innerlich auf. Wenn man aber dem Kinde so etwas vorhält: VATER, und dann soll es das, was sein Vater ist, irgendwie mit dem in Zusammenhang bringen – da macht natürlich das innere Menschenwesen Opposition. Diese Dinge, wodurch sind sie denn entstanden? Denken Sie doch nur einmal, die alten Ägypter haben noch eine Bilderschrift gehabt. Da haben sie in dem, was sie bildhaft fixiert haben, eine Ähnlichkeit gehabt mit dem, was das bedeutet hat. Diese Bilderschrift hatte noch eine bestimmte Bedeutung – auch die Keilschrift hatte noch eine be­stimmte Bedeutung, nur drückte diese mehr das willkürliche Ele­ment aus, während das gemüthafte Element mehr in der Bilderschrift ausgedrückt wurde – ja, bei diesen älteren Schriftformen, namentlich wenn man sie lesen sollte, kam einem das zum Bewußtsein: die hat­ten noch etwas zu tun mit dem, was dem Menschen in der Außenwelt gegeben ist. Aber diese Schnörkel da an der Tafel, die haben nichts zu tun mit dem «Vater», und just damit soll nun das Kind anfangen sich zu beschäftigen. Es ist gar kein Wunder, daß es das ablehnt.
Nämlich mit dem Schreiben und Lesen ist im Zahnwechselalter die menschliche Natur am wenigsten verwandt, mit jenem Schreiben und Lesen, wie wir es jetzt in der Zivilisation haben – denn das hat sich entwickelt dadurch, daß die Erwachsenen das Ursprüngliche fortge­bildet haben. Nun soll das Kind, das erst jetzt in die Welt gekommen ist, das aufnehmen. Noch trat an das Kind nichts heran von all den Kulturfortschritten, und es soll sich jetzt plötzlich in ein späteres Sta­dium hineinfinden, das nichts damit zu tun hat, wo alles ausgelassen ist, was zwischen heute und Ägypten liegt. Ist es zu verwundern, daß das Kind sich da nicht hineinfinden kann?
.

Maar waar het kind niet naar verlangt, waar het kind zeer zeker nog niet verlangt in de fase van de tandenwisseling, waar het innerlijk grote weerstand tegen heeft, is, als het geleerd heeft als menselijke uitdrukking voor verwondering ‘a’ te zeggen, dat het dan voor deze ‘a’ zo’n komisch teken op het bord of op het papier moet schrijven! Dat heeft nu niet het minste te maken met wat het kind daadwerkelijk beleeft. Wanneer het kind allemaal kleuren bij elkaar ziet, leeft het innerlijk op. Wanneer je echter een kind zo iets dergelijks voor houdt: VADER en het moet dan wat zijn vader is op een of andere manier daarmee in samenhang brengen, dan voelt natuurlijk de innerlijke mens daar weerstand tegen. Waardoor zijn deze dingen dan ontstaan? Denk maar eens dat de oude Egyptenaren nog een beeldschrift hadden. Zij hadden in wat zij in beelden vast legden, nog een overeenkomst met wat het betekende. Dit beeldschrift heeft nog een bepaalde betekenis – ook het spijkerschrift had nog een bepaalde betekenis, alleen drukte dit iets meer iets willekeurigs uit, terwijl het gevoelselement meer wordt uitgedrukt in het beeldenschrift – bij deze oudere schijfvormen, wanneer men die moest lezen, was het voor diegene helder: ze hadden nog iets van doen met wat de mens in de buitenwereld kan vinden. Maar dat krulwerk op bord heeft niets te maken met ‘vader’ en daar zou het kind zich nu mee moeten bezighouden. Geen wonder dat het dat afwijst.
Met name met schrijven en lezen heeft de mensennatuur in de leeftijd van de tandenwisseling geen band – met dat lezen en schrijven zoals wij dit in onze cultuur hebben, want dat heeft zich ontwikkeld doordat de mens het oorspronkelijke schrijven verder ontwikkeld heeft. En dat moet een kind dat pas net op de wereld is, in zich opnemen. Het kind heeft nog niets meegekregen van al die cultuurstappen en plotseling zou het zich dan in een later stadium moeten thuisvoelen dat er niets mee van doen heeft, waarin alles weggelaten is tussen nu en Egypte. Is het dan verwonderlijk dat een kind zich daarbij niet thuisvoelt?
GA 306/65-66
Niet vertaald

=

Aber das Lesen und Schreiben ist zunächst um das 7. Jahr herum etwas der Menschennatur ganz Fremdes. Bitte zie­hen Sie jetzt nicht den Schluß, daß ich behauptet hätte, man solle die Kinder nicht lesen und schreiben lehren. Ich werde die wirklichen Konsequenzen des Gesagten in den nächsten Tagen ziehen, um dann 306/67 die Fragen sich beantworten zu lassen, wie man die Kinder schreiben und lesen lehrt. Denn man erzieht die Kinder ja nicht für sich, son­dern für das Leben; sie müssen schreiben und lesen lernen. Es han­delt sich bloß darum, wie man sie lehren soll, damit das der Men­schennatur nicht widerspricht.
.

Maar lezen en schrijven is vooralsnog rond het 7e jaar iets heel vreemds voor de mens. Trek a.u.b. niet de conclusie dit ik zou willen beweren dat je de kinderen niet moet leren lezen en schrijven. Ik zal de echte consequenties van wat ik zei de komende dagen trekken om dan de vragen te beantwoorden hoe je kinderen schrijven en lezen aanleert. Want je voedt de kinderen niet voor jou op, maar voor het leven; ze moeten leren schrijven en lezen. Het gaat er alleen om hoe je dat aanleert, zodat het niet tegen de natuur van de mens ingaat.
GA 306/67
Niet vertaald

=

Und wenn das Kind dann in die Schule hineinkommt, dann tritt einem eben das entgegen, daß das Kind am meisten Opposition hat gegen Lesen und Schreiben, wie ich es gestern gesagt habe. Denn nicht wahr, da ist ein Mann: er hat schwarze oder blonde Haare, er hat eine Stirne, Nase, Augen, hat Beine ; er geht, greift, sagt etwas, er hat diese oder jene Gedankenkreise – das ist der Vater. Nun soll das Kind aber das Zeichen da – VATER – für den Vater halten. Es ist gar keine Veranlassung, daß das Kind das für den Vater hält. Nicht die geringste Veranlassung ist dazu da. Das Kind bringt Bildekräfte mit, die aus seinem Organismus herauswollen, mit denen es sich ge­bracht hat innerlich bis zur wunderbaren Formung des Gehirnes und dessen, was im Nervensystem sonst sich daranschließt ; mit denen es sich gebracht hat bis zu jener wunderbaren Ausbildung der zweiten Zähne. Der Mensch sollte bescheiden werden und sollte sich fragen, was er da alles verstehen müßte, wenn er nur auf Grundlage der er­sten Zähne die zweiten Zähne aus seiner Kunst heraus bilden sollte ; was da für unbewußte Weisheit in alledem waltet! An diese unbe­wußte Weisheit in den Bildekräften war das Kind hingegeben. Das Kind lebt in Raum und Zeit – nun soll man das Kind zu Bedeutungen führen, wie sie im Lesen und Schreiben zutage treten. Man muß nicht das Kind einfach hinführen zu dem, was die vorgerückte Kultur in dieser Beziehung ausgebildet hat, man muß das Kind hinführen zu dem, was es selber aus seiner Wesenheit heraus will. Man muß es so an das Lesen und Schreiben heranführen, daß seine Bildekräfte, die bis zum 7. Jahr in ihm selbst gearbeitet haben, die sich jetzt freimachen und äußerliche seelische Betätigung werden, daß diese Bildekräfte eben sich betätigen. Wenn Sie einem Kinde zunächst nicht Buchstaben oder selbst Worte hinschreiben, sondern ihm aus den auch in seiner Seele existierenden Bildekräften heraus dasjenige hinzeichnen, was hier so aussieht:
.

En wanneer het kind dan op school komt, zie je dat het kind de meeste weerstand heeft tegen lezen en schrijven, zoals ik gisteren ook zei. Want, niet waar, er is een man: hij heeft zwart of blond haar, hij heeft een voorhoofd, neus, ogen, heeft benen; hij loopt, pakt, zegt wat, hij heeft een of andere gedachtegang – dat is vader. Nu moet het kind echter deze tekens hier – vader – voor zijn vader houden. Er is helemaal geen aanleiding voor het kind om dit voor zijn vader te houden. Niet de minste aanleiding ertoe. Het kind brengt vormkrachten mee die vanuit zijn organisme naar buiten willen, die het innerlijk tot de wonderbaarlijke vorming van de hersenen hebben gebracht en wat daarbij nog aansluit in het zenuwstelsel; die het gebracht hebben tot de wonderlijke vorming van de blijvende tanden. De mens zou bescheiden moeten worden en zich af moeten vragen, hoe hij dit alles zou moeten begrijpen, wanneer hij met als basis de melktanden daaruit als kunstwerk de blijvende tanden zou moeten vormen; wat daar wel niet voor een onbewuste wijsheid in doorwerkt! Het kind was overgeleverd aan deze onbewuste wijsheid in de vormkrachten. Het kind leeft in ruimte en tijd – en nu moet je het kind gaan duiden wat er in lezen en schrijven naar voren komt. Je moet het kind niet simpelweg kennis laten maken met wat er in de voortgeschreden cultuur in dit opzicht tot ontwikkeling is gekomen; je moet het kind kennis laten maken met wat het vanuit zijn wezen zelf wil. Je moet het met lezen en schrijven zo kennis laten maken, dat zijn vormkrachten die tot het 7e, 8e jaar aan hemzelf hebben gewerkt, dat deze vormkrachten actief kunnen zijn. Het kind was overgeleverd aan deze onbewuste wijsheid in de vormkrachten. Het kind leeft in ruimte en tijd – en nu moet je het kind gaan duiden wat er in lezen en schrijven naar voren komt. Je moet het kind niet simpelweg  kennis laten maken met wat er in de voortgeschreden cultuur in dit opzicht tot ontwikkeling is gekomen; je moet het kind kennis laten maken met wat het vanuit zijn wezen zelf wil.

Wanneer je voor een kind niet meteen letters of zelfs woorden opschrijft, maar voor hem tekent wat ook in de vormkrachten in zijn ziel aanwezig is,  (  ) ziet dat er zo uit:
GA 306/79-80
niet vertaald

voorbeeld 16 

=

So wenden wir uns an dasjenige, was das Kind will gerade im Zahnwechselalter und unmit­telbar darnach. Und schon daraus ergibt sich für Sie, daß man zuerst aus dem zeichnenden Malen und dem malenden Zeichnen – denn für das Kind ist es gut, wenn es gleich Farben verwendet, es lebt ja in der Farbe, das weiß jeder, der das Kind kennt -, wenn man aus dem malenden Zeichnen zum Schreiben übergeht und erst aus dem Schrei­ben das Lesen gewinnt. Denn das Schreiben ist eine Betätigung des ganzen Menschen. Da muß die Hand in Betracht kommen, da muß sich der ganze Leib in irgendeiner Weise, wenn auch fein, einfügen, da ist der ganze Mensch daran beteiligt. Das hat noch etwas Konkretes, das Schreiben, das aus dem malenden Zeichnen herausgeholt wird. Das Lesen, nun, da sitzt man schon dabei, da ist man schon ein richtiger Duckmäuser, da strengt sich nur noch ein Teil des Menschen an, der Kopf. Das Lesen ist schon abstrakt geworden. Das muß nach und nach als eine Teilerscheinung aus dem Ganzen heraus entwickelt werden.
.

Zo richten we ons op wat het kind wil, juist in de tijd dat het de tanden wisselt en de tijd die daarop volgt. En het gevolg is dat je eerst vanuit het tekenende schilderen en het schilderende tekenen – want voor het kind is het goed dat het meteen kleur gebruikt, het leeft in kleur, dat weet iedereen die het kind kent – wanneer je uit het schilderend tekenen overgaat op schrijven en pas uit het schrijven het lezen laat ontstaan. Want schrijven is een bezigheid van de hele mens. Dan moet de hand erbij te pas komen, dan moet het hele lichaam op de een of andere manier, zij het ook subtiel – meedoen, dan is de hele mens erbij betrokken.
Het heeft nog iets concreets, dit schrijven dat uit het schilderende tekenen wordt gehaald. Lezen echter, daar zit je alleen maar bij, dan houd je je gedeisd, dan is er alleen nog een deel van de mens actief, het hoofd. Het lezen is abstract geworden. Dat moet je geleidelijk als een deel van het geheel ontwikkelen.
GA 306/81
niet vertaald

=

Dann bleibt noch dieses Willensartige vorhan­den. Und dieses Willensartige erträgt nämlich zwischen dem Eintritt in die Volksschule und ungefähr dem 9. Jahr zunächst nur, daß man es in einer ganz menschlich-bildhaften Weise an alle Dinge der Natur und des Menschen heranführt. Daher arbeiten wir zum Beispiel so, daß wir in der Tat nicht ein ästhetisierendes, aber ein künstlerisches Element gerade in den ersten Unterricht hineinbringen ; daß wir das Kind zum Beispiel auch schon ganz von Anfang an mit Farben han­tieren lassen, trotzdem das manchmal in der Klasse recht unbequem wird. Aber wir lassen das Kind mit Farben hantieren, weil es damit seinen eigenen Bildekräften folgt im Nebeneinandersetzen der Far­ben, in dem Sich-Befriedigen daran, Farbe neben Farbe zu setzen, nicht bedeutungsvoll, sondern instinktiv-sinnvoll Farbe neben Farbe zu setzen. Das Kind entwickelt nämlich eine wunderbare instinktive Art, die Farben nebeneinanderzusetzen. Und man kann dann schon sehen, wie man dirigieren kann dieses Farbennebeneinandersetzen in das Zeichnen, und wie man dann aus dem Zeichnen heraus das Schrei­ben gewinnen kann.
.

Dan nog iets over de wil. Dit wilsgebied verdraagt namelijk tussen het op school komen en ongeveer het 9e jaar alleen dat je het op een heel menselijk-beeldende manier met alle dingen van de natuur en van de mens kennis laat maken. Vandaar dat we bijv. dus geen esthetiserend, maar een kunstzinnig element in met name het beginonderwijs brengen; dat we dus het kind bijv. ook al vanaf het begin met kleur laten omgaan, hoewel dat soms in de klas heel lastig is. Maar we laten het kind met kleur omgaan, zodat het zijn eigen vormkrachten volgt wanneer het de kleuren naast elkaar zet, niet vanuit de voorstelling, maar vanuit het gevoel, zinvol kleur naast kleur. Het kind brengt namelijk een wonderbaarlijke, instinctieve manier tot ontwikkeling bij het naast elkaar zetten van kleur. En dan kun je al zien hoe je dit neerzetten van de kleuren bij elkaar, naar het tekenen kan leiden en hoe je dan uit het tekenen het schrijven kan ontwikkelen.
GA 306/96-97
niet vertaald

=

Nun gibt es aber einen sehr wichtigen prinzipiellen Regulator in dieser Beziehung. Lasse ich das Kind denken, lehre ich das Kind zum Beispiel schreiben rein denkerisch, indem ich mir sage: die Buchstaben sind da, das Kind muß diese Buchstaben lernen, dann beschäftige ich dieses Kind intellektualistisch, dann züchte ich in ihm die Sklerose, wenigstens die Neigung dazu; denn es gibt keine innere Beziehung des Menschen zu diesen jetzt entwickelten Buchstaben. Die sind kleine Dämonen für die menschliche Natur. Man muß erst die Brücke, den Übergang dazu finden.
Diese Brücke, diesen Übergang findet man, wenn man das Kind zunächst sich künstlerisch betätigend, mit künstlerischem Sinn malen, zeichnen läßt, was aus seiner innersten Natur an Linien, an Farben förmlich von selbst von dem Kinde aufs Papier geht. Dann entsteht immer, wenn man das Kind künstlerisch sich betätigen läßt, innerlich das Gefühl – und auf dieses Gefühl kommt es an -, daß man durch die künstlerische Betätigung zu reich ist als Mensch. Dürch den Verstand verarmt man seelisch, durch den Verstand wird man innerlich öde; durch das künstlerische Handhaben wird man innerlich reich, und man bekommt das Bedürfnis, nun diesen Reichtum etwas abzuschwächen. Und dann lenkt sich das Bildhaft-Künstlerische, das man erlebt, von selbst zu den ärmeren Begriffen und Ideenentwicklungen. Dann entsteht das innere Bedürfnis, das Künstlerische zu verarmen, es zu intellektualisieren.Und wenn man dann, nachdem man künstlerisch das Kind ergriffen hat, aus dem Künstlerischen das Intellektualistische hervorgehen läßt, dann hat dieses Künstlerische das richtige Maß, um in den Körper so einzugreifen, daß er nicht zu stark, sondern richtig verfestigt wird.
Sie halten sogar das Kind im Wachstum auf, wenn Sie es zu stark intellektualisieren. Dagegen geben Sie das Wachstum des Kindes frei, wenn Sie aus dem Künstlerischen heraus alles in das Intellektualistische erst hinüberleiten.
.

Nu bestaat er echter een zeer belangrijke principiële regu­lator in dit opzicht. Laat ik het kind denken, leer ik het kind bijvoorbeeld schrijven alleen maar denkmatig, doordat ik tegen mezelf zeg: de letters zijn daar, het kind moet deze let­ters leren -, dan houd ik dit kind intellektualistisch bezig, dan kweek ik in hem de sklerose, op zijn minst de neiging daartoe. Want er bestaat geen innerlijke relatie van de mens tot deze nu ontwikkelde letters. Dat zijn kleine demonen voor de menselijke natuur. Je moet eerst de brug, de over­gang er naartoe vinden.
Deze brug, deze overgang vind je als je het kind eerst kunstzinnige werkzaam, met kunstzinnige zin laat schilde­ren, laat tekenen wat uit zijn meest innerlijke natuur aan lij­nen, aan kleuren wat de vorm betreft vanzelf van het kind op het papier gaat. Dan ontstaat steeds wanneer je het kind kunstzinnig bezig laat zijn, innerlijk het gevoel – en op dit gevoel komt het aan – dat je door de kunstzinnige bezighe­den te rijk bent als mens. Door het verstand verarm je ziels-matig, door het verstand word je innerlijk kaal; door het kunstzinnige te hanteren word je innerlijk rijk, en je krijgt de behoefte om nu deze rijkdom enigszins af te zwakken. En dan richt zich het beeldend-kunstzinnige dat je beleeft vanzelf op de armere begrippen en ideeënontwikkelingen. Dan ontstaat de innerlijke behoefte om het kunstzinnige te verarmen, het te intellectualiseren. En wanneer je dan, na­dat je het kind kunstzinnig aangepakt hebt, uit het kunst­zinnige het intellectualistische te voorschijn laat komen, dan heeft dit kunstzinnige de juiste graad om in het lichaam zo in te grijpen dat het niet te sterk, maar op de juiste wijze wordt verhard.
GA 307/124-125
Vertaald/159-160

=

Vergegenwärtigen wir uns einmal durch einige charakteristische Beispiele, wie man aus dem Malerischen, aus dem Künstlerisch-Zeichnerischen das Schreiben heraus entwickeln kann. Ich habe schon gesagt, daß das Schreiben bei einem organisch-naturgemäßen Unterrichte vorangehen müsse dem Lesenlernen aus dem Grunde, weil das Schreiben mehr von dem ganzen Menschen in Anspruch nimmt als das Lesen.
Das Schreiben wird ausgeübt in einer Bewegung eines Organes, zu dem sich aber im Grunde genommen der ganze Mensch anschicken muß. Das Lesen nimmt nur den Kopf, den Intellekt in Anspruch, und man soll bei einem organischen Unterricht immer aus dem ganzen Menschen heraus dasjenige holen, was zu entwickeln ist.
.

Laten we ons eens voor de geest halen enkele karakteristieke voorbeelden hoe je uit het schilderkunstige, uit het kunstzinnig-tekenmatige het schrijven kunt ontwikkelen. Ik heb al gezegd dat het schrijven bij een organisch-natuurlijk onderwijs vooraf zou moeten gaan aan het leren lezen, omdat het schrijven meer op de gehele mens een beroep doet dan het lezen.
Schrijven wordt beoefend in een beweging van een or­gaan waarvoor in de grond van de zaak de hele mens zich klaar moet maken. Het lezen doet alleen maar een beroep op het hoofd, op het intellect, en je moet bij organisch on­derwijs steeds vanuit de gehele mens datgene te voorschijn halen wat moet worden ontwikkeld.
GA 307/154
Vertaald/198

voorbeeld 18

=

So kann man zu der Abstraktheit des Schreibens hingelangen aus dem ganz Konkreten des zeichnerischen Malens, des malenden Zeichnens, und man erlangt dadurch eben, daß das Kind immer von einem Gefühl im Bilde ausgegangen ist und den Buchstaben mit dem Seelischen des Gefühles in Verbindung hat bringen können, so daß das ganze Prinzip des Schreibens aus dem Gefühlsleben der menschlichen Seele hervorgeht.
Geht man dann über zum Lesen, so hat man ja im Grunde genommen nichts anderes zu tun, als darauf hinzuwirken, daß das Kind dasjenige durch den Kopf wiedererkennt, was es durch den ganzen Körper erarbeiten gelernt hat. So daß das Lesen ein Wiedererkennen einer Tätigkeit ist, die man selbst ausgeführt hat. Das ist von einer ungeheuren Wichtigkeit. Es verdirbt die ganze menschliche Entwicklung, wenn der Mensch zu einem Abstrakten direkt geführt wird, wenn er irgendeine Tätigkeit durch einen Begriff ausführen lernt. Dagegen führt es immer zu einer gesunden menschlichen Entwicklung, wenn zuerst die Tätigkeit angeregt wird und dann aus der Tätigkeit heraus der Begriff entwickelt wird.
Das Lesen ist durchaus in Begriffen lebend; daher hat man es als das zweite, nicht als das erste zu entwickeln. Sonst bringt man das Kind viel zu früh in eine Art von Kopfentwicklung hinein statt in eine vollmenschliche Entwicklung.
So sehen Sie ja, wie aller Unterricht im Grunde genommen in die Sphäre des ganzen Menschen, in die Sphäre des Künstlerischen dadurch gelenkt werden kann. Und dahin muß auch aller übrige Unterricht bis etwa zum Lebensalter von neuneinhalb Jahren zielen. Da muß alles auf das Bild, auf den Rhythmus, auf den Takt gehen. Alles andere ist verfrüht.
Es ist eine ungeheure Wohltat, wenn wir so gefühlsmäßig das Schreiben entwickeln und dann leise nur den Intellekt anklingen lassen, indem wir das Geschriebene wiedererkennen lassen im Lesen. Da klingt leise der Intellekt an. Wir führen so das Kind am besten gegen das neunte Lebensjahr heran.
So daß wir sagen müssen: zwischen dem siebenten und neunten oder neuneinhalbten Lebensjahr ist vor allen Dingen aller Unterricht so zu geben, daß er an das Gefühlsleben appelliert, daß das Kind wirklich alle Formen der Buchstaben in das Gefühl hineinbekommt.
Man tut damit ungeheuer Bedeutsames für das Leben des Kindes. Denn es verfestigt das Kind zu stark, macht es gewissermaßen zu stark in seinem Knochen- und Sehnen- und Knorpelsystem gegenüber dem übrigen Organismus, wenn wir ihm das Schreiben mechanisch beibringen, wenn wir ihm eine gewisse Linienführung für die Buchstaben beibringen, um dadurch an den Körpermechanismus zu appellieren, statt an das Auge mitzuappellieren.
Wenn man an das Auge mitappelliert, das in Verbindung steht mit der sich bewegenden Hand, dadurch daß man aus dem Künstlerischen die Buchstaben herausarbeitet, wird der Buchstabe nicht bloß mechanisch durch eine Handführung erzeugt, sondern er wird so erzeugt, daß das Auge mit Wohlgefallen auf dem Ergebnis der eigenen Tätigkeit ruht. Dadurch wird eben das Seelische in der richtigen Weise für den Menschen in Anspruch genommen; dadurch wird in der richtigen Weise in dem Lebensalter das Gefühlsleben entwickelt, in dem es gerade am allerbesten in den physischen Organismus gesundend hineinströmen kann.
Was würden Sie sagen, meine sehr verehrten Anwesenden, wenn jemand, dem ein Fisch auf den Teller gelegt worden ist, sorgfältig das Fischfleisch weglegen würde, sich die Gräten aussondern und diese verzehren würde! Sie würden wohl wahrscheinlich eine furchtbare Angst bekommen, daß ein solcher Mensch an den Fischgräten ersticken könnte. Außerdem würde er diese Fischgräten nicht in der richtigen Weise seinem Organismus einverleiben können.
Aber so ist es, ganz genau so, nur auf einem anderen Niveau, auf dem Niveau der seelischen Unterweisung, wenn wir einem Kinde statt der lebensvollen Bilder, statt desjenigen, was den ganzen Menschen beansprucht, trockene, abstrakte, nüchterne Begriffe beibringen. Diese trockenen, abstrakten, nüchternen Begriffe müssen bloß da sein, damit sie gewissermaßen stützen, was bildhaft in der menschlichen Seele wird.
.

Zo kun je in de abstractheid van het schrijven terechtko­men vanuit het heel concrete van het tekenende schilderen, van het schilderende tekenen, en je bereikt daardoor ge­woonweg dat het kind steeds van een gevoel in het beeld
uit­gegaan is en de letters in verbinding heeft kunnen brengen met het zielsmatige van het gevoel, zodat het hele principe van het schrijven uit het gevoelsleven van de menselijke ziel voortkomt.
Ga je dan over tot het lezen, dan heb je in feite niets an­ders te doen dan er naartoe te werken dat het kind datgene door het hoofd herkent wat het door het hele lichaam heeft leren verwerken. Zodat het lezen een herkennen van een
activiteit is die het zelf heeft uitgevoerd. Dat is van enorm groot belang. De hele menselijke ontwikkeling wordt be­dorven als de mens direct naar iets abstracts wordt geleid, als hij een of andere activiteit via een begrip leert uitvoeren. Daarentegen leidt het altijd tot een gezonde menselijke ont­wikkeling als eerst de activiteit wordt opgewekt en vervol­gens vanuit de activiteit het begrip ontwikkeld wordt.
Het lezen leeft helemaal in begrippen; daarom moet je dat als tweede, niet als eerste ontwikkelen. Anders breng je het kind veel te vroeg in een soort hoofdontwikkeling bin­nen in plaats van in een vol-menselijke ontwikkeling.
Zo ziet u dus hoe daardoor al het onderwijs in feite in de sfeer van de hele mens, in de sfeer van het kunstzinnige ge­leid kan worden. En daarop moet ook al het overige onder­wijs tot ongeveer de leeftijd van negen en een half jaar ge­richt zijn. Daar moet alles op het beeld, op het ritme, op de maat gericht zijn. Al het andere komt te vroeg.
Het is een reusachtige weldaad als we zo gevoelsmatig het schrijven ontwikkelen en dan zachtjes maar het intellect la­ten doorklinken doordat we het geschrevene herkennen la­ten in het lezen. Dan klinkt zachtjes het intellect door. We leiden zo het kind het beste naar het negende levensjaar.
We moeten dus zeggen: tussen het zevende en negende of negenenhalfde levensjaar moet met name al het onderwijs zo gegeven worden dat het aan het gevoelsleven appelleert, dat het kind werkelijk alle vormen van de letters binnen in zijn gevoel naar binnen krijgt. Je doet iets enorm belangrijks voor het leven van het kind. Want het verhardt het kind te sterk, maakt het in zekere zin te stevig in zijn botten- en pe­zen- en kraakbeensysteem ten opzichte van het overige orga­nisme als we hem het schrijven mechanisch bijbrengen, als we hem een zekere lijnvoering voor de letters bijbrengen om daardoor aan hel lichaamsmechanisme te appelleren in plaats van aan het oog mee te appelleren. Wanneer je aan het oog mee-appelleert, dat in verbinding staat met de bewegende hand doordat je uit het kunstzinni­ge de letters uitwerkt, wordt de letter niet louter mechanisch door de hand gestuurd voortgebracht, maar hij wordt zo voortgebracht dat het oog met welbehagen op het resultaat van de eigen activiteit rust. Daardoor wordt zo op de juiste wijze voor de mens een beroep gedaan op het zielsmatige; daardoor wordt op de juiste wijze het gevoelsleven ontwik­keld op die leeftijd waarop het juist op z’n allerbest in het fysieke organisme gezond makend kan binnenstromen.

Wat zou u zeggen, geachte aanwezigen, als iemand voor wie een vis op het bord is gelegd zorgvuldig het visvlees zou weg­leggen, de graten eruit zou selecteren en deze opeten zou! U zou waarschijnlijk wel bang worden dat zo’n mens door de visgraten zou kunnen stikken. Bovendien zou hij deze vis­graten niet op de juiste wijze bij zijn organisme kunnen in­lijven.

Maar zo is het, heel precies zo, alleen op een ander niveau, op het niveau van het zielsmatig onderwijs, als we een kind in plaats van de levendige beelden, in plaats van wat aanspraak maakt op de hele mens, droge, abstracte, saaie begrippen bijbrengen. Deze droge, abstracte, saaie begrippen moeten er alleen zijn opdat ze tot in zekere zin ondersteunen wat beeldend in de menselijke ziel ontstaat.
GA 307/157-158-159
Vertaald/201-202-203

=

Zunächst handelt es sich darum, zu bemerken, daß, wie ich ja des weiteren noch ausführen werde in den Vorträgen, der Unterricht für unsere Kinder auch im Schreiben und Lesen aus dem Künstlerischen hervorgeholt werden soll. Es handelt sich darum, daß in einer wirklich dem Menschen angemessenen Pädagogik eine Klippe, ein Abgrund überwunden werden muß, der gerade besteht mit Bezug auf die sozusagen lebenswichtigsten Unterrichtsfächer: Schreiben, Lesen. Wenn wir in irgendeiner Zivilisation dasjenige betrachten, was die Lettern, die Buchstaben sind, die gelernt werden müssen zum Schreiben und zum Lesen, so müssen wir uns doch sagen, daß in diesen Buchstaben, in alledem, was der Mensch aufs Papier bringen muß, nichts ist, was in einer ursprünglichen, elementaren Beziehung zum Menschen steht. Es ist im Laufe der Zeit dasjenige, was Schrift ist zum Beispiel, durchaus etwas Konventionelles geworden. Das war es nicht ursprünglich. Wir brauchen nur daran zu denken, wie aus der bildhaften Anschauung, aus der Imagination die Bilderschrift alter Völker hervorgegangen ist. Wir brauchen nur daran zu denken, wie die Keilschrift aus den Willensimpulsen der menschlichen Bewegungsglieder hervorgegangen ist und so weiter, und wir werden sehen, daß in jenen alten Zeiten, in denen die Zivilisation noch nicht so bis zum Konventionellen vorgerückt war, ein Abgrund, wie er heute besteht, zwischen dem, was der Mensch fixieren muß, wenn er schreibt, und dem, was er erlebt, nicht bestanden hat. Diesen Abgrund müssen wir für unsere Kinderwiederum überwinden. Denn das Kind findet schlechterdings keinen Zusammenhang zwischen dem, was es in seiner Seele erlebt hat, und dem, was es dann aufs Papier bringen soll als A, als B und so weiter. Das Kind weiß nicht warum, und es wird ihm, weil es nicht weiß, warum es solche geheimnisvolle Zeichen machen soll, der Unterricht selbstverständlich langweilig und unsympathisch erscheinen. Das alles wird überwunden, wenn man das Schreiben herausholt aus dem Malen – dem zeichnenden Malen, dem malenden Zeichnen -, wenn man das Kind zunächst überhaupt nicht an konventionell Buchstäbliches heranführt, sondern wenn man das Kind an Malerisches heranführt, und zwar an Malerisches, das möglichst demjenigen entspricht, was das Kind in seiner Seele erleben kann.
Nun kann man ja, wie die Erfahrung zeigt, das Kind gut Formen erleben lassen; aber weckender, aufweckender für die Seele ist es, wenn das Kind Farben erlebt.
.

Allereerst komt het erop aan op te merken dat, zoals ik verder nog zal uit­werken in de voordrachten, het onderwijs voor onze kinde­ren ook in het schrijven en lezen uit het kunstzinnige te voor­schijn gehaald moet worden. Het gaat erom dat in een pe­dagogie die werkelijk passend is voor de mens een klip, een kloof overwonnen moet worden die juist bestaat met betrek­king tot de die zogezegd voor het leven belangrijkste onder-wijsvakken: schrijven, lezen. Als we in een of andere civilisa­tie bekijken wat de lettertekens, de letters zijn geleerd moe­ten worden voor het schrijven en voor het lezen, dan moe­ten we toch zeggen dat in deze letters, in alles wat de mens op papier moet zetten, niets is wat in een oorspronkelijke, elementaire relatie tot de mens staat.In de loop van de tijd is wat schrift is bijvoorbeeld helemaal iets conventioneel geworden. Dat was het oorspronkelijk niet. We hoeven er alleen maar aan te denken hoe uit de beeldende aanschou­wing, uit de imaginatie het beeldschrift van oudere volkeren ontstond. We hoeven er alleen maar aan te denken hoe het spijkerschrift uit de wilsimpulsen van de menselijke bewe­gingsledematen ontstond enzovoort. En we zullen zien dat in die oude tijden, waarin de civilisatie nog niet zo tot in het conventionele gevorderd was, een kloof, zoals die tegen­woordig bestaat tussen dat wat de mens moet vastleggen wanneer hij schrijft en dat wat hij ervaart, niet bestond. De­ze afgrond moeten we voor onze kinderen weer overwinnen.
Want het kind vindt gewoon geen samenhang tussen wat het in zijn ziel ervaart en wat het dan op papier moet zetten als A, als B enzovoort. Het kind weet niet waarom, en om­dat het niet weet waarom het zulke geheimzinnige tekens moet maken zal het onderwijs voor hem vanzelfsprekend vervelend en onsympathiek lijken.
Dat alles wordt overwonnen als we het schrijven uit het schil­deren halen – het tekenende schilderen, het schilderende te­kenen -, als we het kind eerst überhaupt niet met het conventionele letters schrijven in aanraking laten komen, maar als we het kind met iets geschilderds in aanraking laten ko­men, en wel met iets geschilderds dat zoveel mogelijk beant­woordt aan wat het kind in zijn ziel kan beleven.
Nu kunnen we, zoals de ervaring laat zien, het kind goed vormen laten beleven; maar meer wakker makend voor de ziel is het als het kind kleuren beleeft.
GA 307/263-264
Vertaald/334-335

=

Irgendeine Lehrkraft macht einen Kinderreigen, ordnet die Kinder zu einem Reigen an. Sie bewegen sich in einer bestimmten Weise; da kommen die Kinder mit dem ganzen Menschen in eine Raumform hinein. Sie machen selber diese Raumform, aber sie sehen auch die Nachbarn und die anderen Kinder im Verhältnisse zu sich in einer solchen Raumform drinnen. Nun haben sie sich in einer solchen Raumform bewegt. Jetzt läßt man sie niedersitzen, und sie bringen diese Raumform nunmehr auf das Papier als bloße Form oder Malerei.
Bedenken Sie, was da geschehen ist: da hat der ganze Mensch, auch mit seinen Beinen, mit seinen Füßen, die Raumform erlebt; dann bildet er sie auf dem Papier zeichnerisch: das ganze geht aus dem ganzen Menschen in die Finger über. Man beschäftigt wirklich seelisch- geistig-körperlich den ganzen Menschen. Es wird nicht abstrakt gelehrt: du sollst mit deinen Fingern das A machen, sondern man lasse laufen dasjenige, was er zunächst selber als ganzer Mensch ausführt, in die Finger hinein. Das alles belebt und bewegt innerlich das Kind, und man kann dann aus den reinen zeichnerisch-malerischen Formen die Buchstaben entstehen lassen.
Und so arbeitet man – das wird bei uns systematisch getrieben, das, was die Kinder als okkulte Zeichen, zu denen sie kein Verhältnis haben, als Buchstabenformen sich aneignen sollen, das arbeitet man heraus aus dem Malerischen, aus dem Zeichnerischen, und auf diese Weise hat man eine menschliche Erziehung.
Sie sehen also, daß die Kinder aufsteigen in dem Ergreifen der Farben, in dem Herausholen der Form aus der Farbe zu ganz komplizierten Dingen.
.

U kunt bij ons het volgende aantreffen: iemand van de leerkrachten maakt een rondedans met kinderen, rang­schikt de kinderen voor een rondedans. Ze bewegen zich op een bepaalde manier; daarbij komen de kinderen als hele mens in een ruimtelijke vorm. Ze maken zelf deze ruimtelij­ke vorm, maar ze zien ook hun buren en de andere kinderen in verhouding tot henzelf binnen in zo’n ruimtelijke vorm. Nu hebben ze zich in zo’n ruimtelijke vorm bewogen. Dan laat je ze gaan zitten en ze brengen deze ruimtelijke vorm nu op het papier als alleen vorm of schildering.

Bedenkt u wat daar gebeurd is: daar heeft de gehele mens ook met zijn benen, met zijn voeten de ruimtelijke vorm be­leefd; dan vormt hij die op het papier door middel van teke­nen: het geheel gaat vanuit de gehele mens over in de vin­gers. De totale mens wordt werkelijk psychisch-geestelijk-lichamelijk aan het werk gezet. Er wordt niet abstract geleerd: je moet met je vingers de A maken, maar we laten dat in zijn vingers binnenstromen wat hij eerst zelf als totale mens uit­voert. Dat alles geeft het kind innerlijk leven en beweging, en we kunnen dan uit de zuivere teken-schildervormen de lettertekens laten ontstaan.
En zo werk je – dat wordt bij ons systematisch gedaan, wat de kinderen als okkulte tekens, waar ze geen verhouding toe hebben, als lettervormen zich eigen moeten maken, dat haal je te voorschijn uit vanuit het schilderen, vanuit het teke­nen, en op die manier krijg je een menselijke opvoeding.
GA 307/265-266 -267
Vertaald/341-345
.

voorbeeld 22

=

Gewiß sind wir in diese heutige Kultur hineingestellt.Wir lesen Bücher; da sind sinnvolle Inhalte vermittelt durch solche kleine Zeichen, die wir a, b, c und so weiter nennen. Wir denken gar nicht daran, wie wir malträtiert worden sind, um diese Zeichen zu lernen, denn sie stehen in gar keinem Verhältnis zu unserem inneren Leben. Warum sollte denn ein A oder ein E so sein, wie es heute ist? Es gibt keine innere Notwendigkeit. Man kann es nicht erleben, wenn man das, was man als Verwunderung, als ah! ausspricht, so aufschreiben soll, noch gar ein h dazu machen soll. Das war auch noch nicht vorhanden in einer älteren Menschheit. Da verbildlichte man in der äußeren Bilderschrift dasjenige, was äußere Vorgänge waren. Da hatte man, wenn man hinsah auf das Blatt, auf die Tafel, auf der man so etwas vergegenwärtigte, einen Nachklang des äußeren Prozesses oder äußeren Dinges.
Es handelt sich darum, daß wir vor allen Dingen das sechs-, siebenjährige Kind mit dem Erlernen der Schriftgestaltung, wie sie heute ist, verschonen; es handelt sich darum, daß wir an das Kind heranbringen dasjenige, was aus dem Kinde selber kommen kann, aus der Betätigung seiner Arme, aus der Betätigung seiner Finger. Es schaut mit seinen Augen irgendeinen glänzenden Gegenstand an. Es wird, wenn es den glänzenden Gegenstand anschaut, einen Eindruck haben, und man läßt es den Glanz durch eine Art glänzende Zeichnung fixieren. Dann weiß das Kind, worum es sich handelt.
.

Zeer zeker maken wij deel uit van de cultuur van nu. We lezen boeken: er wordt zinvolle inhoud weergegeven door die kleine tekens, die wij a, b, c enz. noemen. We denken er helemaal niet aan hoe we afgebeuld zijn om deze tekens te leren, want ze staan helemaal niet in relatie tot ons innerlijk leven. Waarom zou een A of een E eigenlijk zo moeten zijn, zoals die nu zijn. Daar is geen innerlijke noodzaak toe. Je kan niet beleven, wanneer je, wat je als verwondering als ‘ah!’ uitspreekt, zo moet opschrijven, en dan zelfs nog een h erbij. Dat bestond niet bij de oudere mensheid. Daar bracht men in een uiterlijk beeldenschrift naar buiten wat innerlijke processen waren. Daar had men, wanneer men naar een blad keek, naar een tablet waarop men zoiets als voorstelling weergaf, een naklinken van een uiterlijk proces of uiterlijk ding. Het gaat erom dat we voor alles het zes- zevenjarige kind bij het vormen van het schrift zoals dat nu is, ontzien; het gaat erom dat wij het kind laten doen wat uit het kind zelf komen kan, uit het bezigzijn met zijn armen, zijn vingers. Het ziet met zijn ogen een of ander glanzend voorwerp. Het zal, als het dit glanzende voorwerp bekijkt, er een indruk van hebben en je laat het de glans door een soort glanzende tekening vastleggen. Dan weet het kind waarom waarom het gaat.
GA 308/39-40
Niet vertaald
.
voorbeeld 23

=

So wird es jemandem, der so hineinschaut in das Wesen des Menschen, daß er sieht, wie zusammenklingt gerade in dem volksschulmäßigen Alter, in dem Alter zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, das Musikalische mit dem plastischen Bilden im Innern der Menschenwesenheit, ganz und gar nicht einfallen können, unrechte Wege zu wählen, um Schreiben und Lesen in der richtigen Weise an das Kind, an den werdenden Menschen heranzubringen. Er wird eine lebhafte Empfindung dafür haben: Schreiben, besonders wenn es so getrieben wird, wie es hier geschildert worden ist, das beschäftigt den ganzen Menschen, das geht über in die Handhabung namentlich von Armen und Händen, durchgeistigt Arme und Hände und ist eine Übung für den ganzen Menschen.
Gerade solches im Menschen wird lebhaft empfunden, wenn man von einer solchen Weltanschauung ausgeht, wie ich sie heute morgen beschrieben habe. Und ebenso wird man dann empfinden, wie das Lesen-Üben eine einseitige Beschäftigung des Kopfes ist und den Menschen vereinseitigt, und man wird fühlen: Zu solcher Einseitigkeit ist das Kind erst geeignet, wenn es zuerst in Anspruch genommen worden ist in bezug auf seine Totalität, in bezug auf sein ganzes Menschenwesen.
Daher wird ein Lehrer, der in dieser Weise mit Menscheneinsicht sich verbindet, darauf achten, aus dem zeichnenden Malen und malenden Zeichnen, wie ich es angedeutet habe, das Schreiben zu entwickeln, bis das Kind so weit ist, daß es dasjenige, was es innerlich als Wort, als Satz empfindet, aufschreiben kann.
Nun ist das Kind bei einer bestimmten Entwicklung angelangt. Es spricht, und dasjenige, was es spricht, kann es schriftlich fixieren.
Dann erst ist die Zeit gekommen, wo man zu Leseübungen übergeht, wo man anfängt, das Lesen zu lehren. Und es wird sich dieses Lesen leicht lehren lassen, wenn man zuerst das Schreiben bis zu einer wirklich in gewissem Sinne vollkommenen Stufe ausgebildet hat.
Dann, wenn das Kind dasjenige, was Inhalt des Geschriebenen und Gelesenen ist, erst in Übung gebracht hat bei sich selber, in seinem Menschenwesen, in dem motorischen System, in dem Bewegungssystem, wenn es innerlich beteiligt war an dem Entstehen dessen, was dann gelesen werden soll, dann ist es reif, vereinseitigt zu werden; dann kann der Kopf, ohne daß eine Gefahr eintritt für die menschliche Entwicklung, in Anspruch genommen werden, um nun dasjenige, was man erst selbst schreibend fixieren gelernt hat, umzusetzen in das Lesen.
.

Zo zal het iemand die zo in het wezen van de mens blikt, dat hij ziet hoe juist in de basisschoolleeftijd, in de leeftijd tussen tandenwisseling en puberteit, het muzikale harmonieert met het plastische vormgeven in het innerlijk van de mens, er totaal niet opkomen een verkeerde weg te bewandelen om het schrijven en lezen op een juiste manier aan het kind, aan de wordende mens, aan te bieden. Hij zal er een levendig gevoel voor hebben: schrijven, met name als het gedaan wordt zoals hier beschreven, dat spreekt de hele mens aan; dat gaat óver m.n. in armen en handen, dan komt er geest in de armen en handen en is het een oefening voor de mens in zijn geheel. Juist zoiets wordt door een mens levendig ervaren, als hij van een wereldbeschouwing uitgaat zoals ik die vanmorgen heb beschreven. En net zo zul je dan ervaren, dat het oefenen met lezen een eenzijdige bezigheid van het hoofd is en de mens eenzijdig maakt en je zal voelen: tot zo’n eenzijdigheid is het kind pas in staat, wanneer het als totaliteit aangesproken is m.b.t. zijn hele menszijn. Vandaar dat een leerkracht die zich op deze manier met het inzicht in de mens verbindt, erop letten uit het tekenend schilderen en schilderend tekenen, zoals ik het heb laten zien, het schrijven te ontwikkelen, tot het kind zover is, dat het wat het innerlijk als woord, als zin beleeft, kan opschrijven. Nu is het kind tot een bepaalde ontwikkeling gekomen. Het spreekt en wat het spreekt, kan het schriftelijk vastleggen. Dan is de tijd gekomen waarop je tot leesoefeningen overgaat, waarop je begint het lezen te leren. En dit lezen leer je makkelijk, wanneer je eerst het schrijven daadwerkelijk tot op een bepaalde volmaakte niveau geleerd hebt. Want, wanneer het kind zelf de inhoud van wat het schrijft en leest eerst aan zichzelf heeft geoefend, in zijn mensenwezen, in zijn motorisch systeem, in het bewegingssysteem, wanneer het innerlijk betrokken was bij het ontstaan van wat dan gelezen moet worden, dan is het eraan toe, eenzijdig te worden; dan kan het hoofd, zonder dat er gevaar dreigt voor de menselijke ontwikkeling, aangesproken worden om nu datgene wat het eerst zelf schrijvend heeft leren vastleggen, om te zetten in lezen.
GA 308/59-60
Niet vertaald

=

Dem Kinde soll das Lesen und Schrei­ben beigebracht werden; wenn es an die Schule herankommt, denkt man selbstverständlich, daß man mit dem Lesen beginnen muß und das Schreiben damit in Verbindung haben muß. Aber sehen Sie, was sind heute unsere Schriftzeichen, die wir mit der Hand auf das Pa­pier machen, wenn wir schreiben, um den Sinn von etwas, was in un­serer Seele lebt, auszudrücken? Und was sind unsere Lettern erst, die in Büchern stehen, zu einem ursprünglichen Bildempfinden? Wie wur­den diese Dinge uns beigebracht? Was hat denn in aller Welt dieses Zeichen «A», das dem Kinde beigebracht werden soll, oder gar dieses Zeichen «a», was hat das in aller Welt zu tun mit dem Laut A? Zunächst gar nichts. Es ist kein Zusammenhang zwischen diesem Zeichen und dem Laute A. Das war in jenen Zeiten, in denen das Schriftwesen entstanden ist, etwas ganz anderes.
Da waren in gewissen Gegenden die Zeichen bildhaft. Da wurde eine Art – wenn sie auch später kon­ventionell geworden ist – bildhafter Malerei gemacht, Zeichnungen, die die Empfindung, den Vorgang in gewisser Weise nachahmten, so daß man wirklich auf dem Papier etwas hatte, was wiedergab das­jenige, was in der Seele lebte. Daher ist es ja gekommen, daß, als dann primitivere Menschen diese sonderbaren Zeichen – für die Kinder sind sie ja natürlich sonderbar -, die wir heute als Schriftzeichen haben, zu Gesicht bekamen, sie ganz eigentümlich auf sie gewirkt haben. Als die europäischen Zivilisierten bei den Indianern in Amerika ankamen, wa­ren die Indianer ganz besonders betroffen über diese Zeichen, die da die Menschen auf das Papier machten, wodurch sie sich etwas vergegen­ständlichten. Die Indianer konnten das nicht begreifen; sie sahen das als Teufelswerk an, als kleine Dämonen. Wie Dämonen fürchteten sie diese kleinen Zeichen; sie hielten die Europäer für schwarze Magier. Immer, wenn man jemand nicht versteht, hält man ihn für einen schwarzen Magier.
Nun nehmen Sie die Sache so: Ich weiß, eine Verwunderung wird ausgedrückt, indem man ausbricht in den Laut A. Es ist nun etwas ganz Naturgemäßes, wenn der Mensch mit seiner vollen Körperlich­keit nachzumachen sucht dieses A und es so auszudrücken sucht mit dieser Geste der beiden Arme. Nun machen Sie das einmal nach. (Die beiden Arme schräg nach oben gehoben.) Da wird schon ein A daraus! Und wenn Sie ausgehen beim Kinde von der Verwunderung und an­fangen den Unterricht zu geben in malendem Zeichnen, dann können Sie inneres Erlebnis und äußeres Erlebnis in malendes Zeichnen und zeichnendes Malen hineinbringen.
.

Het kind moet lezen en schrijven bijgebracht worden; wanneer het op school komt, denkt men vanzelfsprekend dat men met lezen moet beginnen en dat het schrijven ermee verbonden moet worden. Maar, zie je, wat zijn vandaag-de-dag onze schrifttekens die wij met de hand op papier zetten, wanneer we schrijven om de zin van iets, wat in ons leeft, uit te drukken? En wat zijn nou onze letters die in de boeken staan in vergelijking met het oorspronkelijke beleven van een beeld. Hoe werden aan ons deze dingen aangeleerd? Wat heeft dan in ’s hemelsnaam dit teken ‘A’ dat het kind moet leren, of zelfs dit teken ‘a’, wat heeft dat in ’s hemelsnaam te maken met de klank A. Eerst helemaal niets. Er is geen samenhang tussen dit teken en de klank A. Dat was in de tijd waarin het schrift ontstaan is, heel anders. In bepaalde gebieden waren de tekens beeldend. Er werd een bepaalde vorm – ook al is deze later conventioneel geworden – van schilderkunst uitgeoefend, er werden tekeningen gemaakt die op een bepaalde manier een gevoel, een proces nabootsten, zodat je op papier echt iets had dat dan een weergave was van wat in de ziel leefde. En zo kwam het, dat als eenvoudige mensen deze vreemde tekens – voor kinderen zijn die natuurlijk vreemd – die we nu als schrifttekens hebben, onder ogen kregen, deze heel eigenaardig op hen inwerkten.Toen er uit de Europese beschaving mensen bij de Indianen in Amerika kwamen, waren deze nogal onthutst over de tekens die de mensen op papier zetten, waarmee ze iets concreet wilden maken. De Indianen konden dat niet begrijpen; zij vonden het duivelswerk, kleine demonen. Ze waren bang voor die duiveltjes,  deze kleine tekens; ze beschouwden de Europeanen als bedrijvers van zwarte magie.

Tenslotte houdt men steeds wel iemand die men niet begrijpt voor een zwarte magiër

Beschouw de zaak eens zo: ik weet dat als er verwondering tot uitdrukking komt, een mens zich uit in de klank A. Het is heel natuurlijk wanneer een mens deze A met zijn hele lichaam wil navormen, hij dan een gebaar maakt met alle twee zijn armen. Doe het ook eens. (De beide armen schuin omhoog gehouden) Nu is het al een A geworden! En wanneer je bij het kind uitgaat van de verwondering en les begint te geven in het schilderende tekenen, kun je de innerlijke beleving en de uiterlijke in het schilderend tekenen en tekenend schilderen leggen.
GA 309/55-56
Vertaald/55-56

voorbeeld 24

Und das Kind bleibt in fortwährender Lebendigkeit. Da lehrt man das Kind zuerst schreiben, indem sich die abstrakten Zeichen der heutigen Zivilisation aus dem Konkreten heraus entwickeln. Wenn man das Kind so an das Schrei­ben heranbringt, ist es als ganzer Mensch dabei beschäftigt. Läßt man es gleich lesen, so wird die Kopforganisation auch nur abstrakt be­schäftigt; man beschäftigt nur einen Teil des Menschen. Geht man zuerst an das Schreiben, so nimmt man die Hand mit; der ganze Mensch muß in Regsamkeit kommen. Das macht, daß der Unterricht, wenn er aus dem Schreiben hervorgeht – nämlich einem Schreiben, das aus zeichnendem Bilden, aus bildendem Zeichnen entwickelt wird -, an den ganzen Menschen herankommt. Dann geht man über zum Lesen-lernen, so daß dann auch wirklich mit dem Kopfe verstanden werden kann, was aus dem ganzen Menschen heraus im zeichnenden Malen, im malenden Zeichnen entwickelt worden ist. Da wird man etwas länger brauchen zum Schreiben- und Lesenlernen; allein es ist dabei auch die viel gesundere Entwicklung für das ganze Erdenleben von der Geburt bis zum Tode berücksichtigt.
.

En het kind blijft voortdurend levendig. Je leert het kind pas schrijven, als je de abstracte tekens van de huidige beschaving vanuit het concrete ontwikkelt. Wanneer je met het kind op deze manier begint, doet het als totale mens mee. Wanneer je meteen laat lezen, wordt het hoofd alleen maar abstract aangesproken; één deel van de mens doet maar mee. Begin je eerst met schrijven, dan doet de hand mee; heel de mens moet actief worden.
Dat maakt, dat het onderwijs wanneer het vanuit het schrijven komt – namelijk een schrijven dat uit tekenen van beelden, uit verbeelden van tekens wordt ontwikkeld – de hele mens aanspreekt. Dan ga je over op het leren lezen, zodat dan daadwerkelijk met het hoofd kan worden begrepen, wat uit de totale mens in het tekenende schilderen, in het schilderende tekenen ontwikkeld is.Dan heb je voor het leren schrijven en lezen wat meer tijd nodig; maar dan is hierbij wel rekening gehouden met een veel gezondere ontwikkeling voor het hele leven vanaf geboorte tot dood.
GA 309/57-58
Vertaald/57-58

=

Ook in GA 310 behandelt Steiner dat het schriftteken voor bijv. ‘A’ wezensvreemd is voor het kind, zoals in de voordrachten hiervoor. Voor de volledige passage

volgend daarop: voorbeeld 26 en 27

=

Dann habe ich auseinandergesetzt, wie das Schreiben bildhaft an das Kind herangebracht werden muß, wie aus dem zeichnenden Malen, aus dem malenden Zeichnen die Buchstabenformen herausgeholt wer­den müssen. Dies malende Zeichnen und zeichnende Malen muß von all den Künsten, die das Kind in die Zivilisation hineinführen, zualler­erst gepflegt werden. Alles was schon von vornherein auf die dem Kinde ja ganz fremden Buchstabenformen hinweist, ist eigentlich päd­agogisch ein Unfug; denn die fertigen Buchstabenformen einer heutigen Zivilisation wirken wie kleine Dämonen auf das Kind.
Nun muß im Sinne einer auf Menschenerkenntnis gebauten Pädago­gik das Schreibenlernen vorausgehen dem Lesenlernen. Warum? Nun, im Schreibenlernen wird ein gutes Stück von dem ganzen Menschen arbeitend in Anspruch genommen, nicht bloß einseitig der Kopf, wie es beim Lesenlernen ist. Wenn Sie an das Kind wirklich heran wollen, so müssen Sie in diesem Lebensalter, unmittelbar nach dem Zahnwechsel noch, an das ganze Kind womöglich herankommen. Das Kind, das beim Schreiben sich so betätigt, daß wenigstens der ganze Ober­körper daran beteiligt ist, das ist in ganz anderer Weise in innerer Reg­samkeit, als wenn man beginnt mit der Anschauung von Formen, die nur den Kopf beschäftigen. Die emanzipierte, selbständige Anwendung von Kopffähigkeiten ist erst in späteren Lebensaltern möglich. Daher kann man nur den Übergang machen, daß das Kind, wenn es geschrie­ben hat, sich auch das Geschriebene lesend einprägt.
Indem wir diese Art, den Unterricht fortzuführen, in der Waldorf­schule gepflegt haben, hat sich herausgestellt, daß unsere Kinder etwas später als sonst Lesen lernen, sogar etwas später erst zum Schreiben von Buchstaben kommen als die Kinder anderer Schulen. Da muß man aber wirklich wieder in die Menschennatur erkennend hineinschauen, wenn man das beurteilen will. Bei dem heute mangelnden Sinn für Menschenerkenntnis bemerken die Menschen eben durchaus nicht, wie nachteilig es für die Gesamtentwicklung des Menschen ist, wenn er zu früh so abgelegene Beschäftigungen lernt wie Lesen und Schreiben. Und niemand wird im späteren Leben einen Mangel in seiner Lese- und Schreibekunst zu haben brauchen, der etwas später als sonst mit dem Lesen und Schreiben fertig wird; dagegen wird jeder einen großen Mangel in dieser Beziehung haben, der zu früh Lesen und Schreiben lernt. Eine auf Menschenerkenntnis gebaute Pädagogik muß durchaus davon ausgehen, die Entwicklung, die Lebensbedingungen der Men­schennatur abzulesen und im Sinne dieses Ablesens der Lebensbedin­gungen so dem Kinde zu helfen, daß die eigene Natur des Kindes her­auskommt. Einzig und allein dann ist die Erziehungskunst wirklich gesund.
.

Verder heb ik uiteengezet hoe het kind het schrijven beeldend moet krijgen aangeleerd, hoe uit het tekenend-schilderen, uit het schilderend-tekenen de lettervormen moeten worden gehaald. Dit schilderend-tekenen en tekenend-schilderen is van al de kun­sten die het kind in de civilisatie binnenvoeren, het allereerste dat moet worden gedaan. Alles wat al bij voorbaat verwijst naar de voor het kind volkomen vreemde lettervormen, is pedagogisch gezien ongepast; want de kant en klare lettervormen van de huidige civilisatie werken als kleine demonen op het kind.
Als we de pedagogie vanuit menskundige gezichtspunten vorm willen geven, dan moeten we het leren schrijven vooraf laten gaan aan het leren lezen. Waarom? Bij het leren schrijven wordt al werkend een groot stuk van de hele mens betrokken, niet alleen eenzijdig het hoofd, zoals het geval is bij het leren lezen. Als u het kind echt wilt bereiken, dan moet u op deze leeftijd, nog onmid­dellijk na de tandenwisseling, voor zover mogelijk het héle kind benaderen. Een kind dat bij het schrijven zó te werk gaat dat tenminste zijn hele bovenlichaam erbij is betrokken, is op een totaal andere manier innerlijk actief dan een kind dat je vormen laat bekijken die alleen het hoofd bezighouden. Het geëmanci­peerde, zelfstandige gebruik van vermogens van het hoofd is pas op latere leeftijd mogelijk. Daarom kun je het kind slechts de overstap van het geschrevene naar het lezen van het geschrevene laten maken.

Toen we deze manier om het onderwijs een stap verder te brengen, in de vrije school hebben toegepast, is gebleken dat onze kinderen iets later dan anders leren lezen, ja zelfs pas iets later komen tot het schrijven van letters dan kinderen van andere scholen. Maar als je dit goed wilt beoordelen, dan moet je er wederom echt met inzicht in de menselijke natuur naar kijken. Met hun huidige gebrekkige zin voor men menskundig inzicht merken de mensen helemaal niet hoe nadelig het voor de totale ontwik­keling van de mens is als hij zulke bezigheden als lezen en schrijven, die ver van hem af staan, te vroeg leert. En niemand hoeft in zijn latere leven een gebrek in zijn lees- en schrijfkunst te hebben als hij enigszins later dan normaal heeft leren lezen en schrijven. Daarentegen zal iedereen die te vroeg leert lezen en schrijven, in dit opzicht een groot gebrek hebben. Een op mens­kundig inzicht gebouwde pedagogie moet er absoluut van uit­gaan, de ontwikkeling, de levensvoorwaarden af te lezen aan de menselijke natuur. Als de opvoeder goed kan ‘aflezen’, kan hij het kind zó helpen, dat de eigen aard van het kind te voorschijn komt. Alleen dan is de opvoedkunst echt gezond.
GA 310/68-69
vertaald /71-72

=

Das Schreiben, das ein abstrakt gewordenes Zeichnen ist, soll sich aus dem malenden Zeichnen oder dem zeichnenden Malen heraus entwickeln.Aber man soll dabei wirklich berücksichtigen, daß das Kind ein ästhetisch empfindendes Wesen ist, daß in ihm ein rich­tiger kleiner Künstler steckt.
.

Schrijven, dat abstract geworden tekenen is, moet zich ontwikkelen uit het schilderend tekenen of het tekenend schilderen. Maar daarbij moet je er echt rekening mee houden dat het kind een esthetisch voelend wezen is, dat er in hem een echt kunstenaartje zit.
GA 310/113
vertaald/119

=

Das kann nur dann geschehen, wenn man den Unterricht und die Erziehung vom Zahnwechselalter an künstlerisch einrichtet. Da soll das Künstlerische alles durchdringen. Künstlerische Gestaltung des Schreibunterrichts, so daß er aus dem Malen hervorgeht – ich werde das morgen noch ausführlicher beschreiben -, künstlerische Gestal­tung in der Überführung des Schreibens, das aus dem Malen herauskommt zum Lesen, künstlerische Gestaltung des Lesens und Schrei­bens mit dem, was das Kind in einfacher Weise errechnen soll – das alles muß eine Einheit sein. Solche Dinge müssen erst herausgebildet werden wie «seelische Milch». Die brauchen wir für das Kind, wenn es in die Volksschule kommt.
.

(Zielenmelk – het begrip moet uitgevonden worden voor kinderen wanneer die op de basisschool komen.)
Dat kan alleen gebeuren wanneer je vanaf de tandenwisseling het onderwijs en de opvoeding kunstzinnig vormgeeft. Het kunstzinnige moet alles doordringen. Kunstzinnig gegeven schrijfonderwijs, zo, dat het uit het schilderen ontstaat – ik zal dat morgen nog uitgebreider beschrijven – kunstzinnig vormgegeven het schrijven dat uit het schilderen ontstaat, en overgaat in lezen, kunstzinnige vormgeving van lezen en schrijven, van wat het kind op simpele wijze moet leren uitrekenen -het moet allemaal één zijn. Dit soort dingen moeten ontwikkeld worden als ‘zielenmelk’. Die hebben we voor het kind nodig wanneer het op school komt.
GA 311/22-23
vertaald/22-23

=

Nun, am wenigsten kann in Bildern gearbeitet werden, wenn man an das Kind von vornherein etwas ganz Fremdes heranbringt. Ganz fremd aber ist für das Kind dasjenige, was wir heute zum Beispiel in unserer Schrift haben, ob in den geschriebenen oder in den gedruck­ten Buchstaben. Das Kind hat ja gar keine Beziehung zu so etwas wie einem A. Warum sollte das Kind eine Beziehung haben zu so etwas, wie ein A ist? Warum sollte das Kind irgendwie sich inter­essieren für ein L? Diese Buchstaben sind ihm ja etwas ganz Fremdes. Dennoch geht man einfach heran an das Kind, wenn es in die Schule kommt, und will ihm diese Dinge vermitteln. Die Folge davon ist, daß das Kind sich ganz und gar fremd fühlt dem, was es nun voll­bringen soll. Und wenn man gar vor dem Zahnwechsel mit diesen Dingen an das Kind herankommt, es in allerlei ausgeschnittene Formen Buchstaben hineinstopfen läßt, beschäftigt man ja das Kind mit Dingen, die ihm ganz ferne liegen, zu denen es nicht das ge­ringste Verhältnis hat.
Dagegen hat das Kind von vornherein künstlerischen Sinn, sinn-bildende Phantasie. An diese muß man appellieren, an diese muß man sich wenden. Und man muß versuchen, zunächst gar nicht an diese konventionellen Buchstaben heranzurücken, die in der Schrift und im Druck der zivilisierten Menschheit gegeben sind, sondern man muß zunächst versuchen, ich möchte sagen, in einer geistvollen Weise – verzeihen Sie, daß ich das Wort anwende – die Kulturent­wicklung der Menschheit mit dem Kinde durchzumachen.
Die Menschen haben ja früher Bilderschrift gehabt, das heißt, sie haben etwas auf das Blatt gemalt, was an den Gegenstand er­innerte. Wir brauchen nicht Kulturgeschichte zu studieren, aber wir können den Sinn und Geist desjenigen, was die Menschen mit der Bilderschrift wollten, vor das Kind hinbringen, dann wird sich das Kind dabei wie zu Hause fühlen.
.

Maar, het minst kan er met beelden worden gewerkt, wanneer je van meet af aan het kind iets vreemds aanbiedt. En heel vreemd voor een kind is wat wij bv. nu in ons schrift hebben of in de geschreven of gedrukte letters. Het kind heeft helemaal geen verbinding met zo iets als een A. Waarom zou het kind een verbinding met zo iets als een A hebben. Waarom zou een kind zich maar iets interesseren voor een L? Deze letters zijn voor hem iets heel vreemds. Desondanks benadert men het kind simpelweg wanneer het op school komt en wil men het deze dingen overdragen. Het gevolg daarvan is, dat dit voor het kind heel erg vreemd overkomt wat het nu met doen. En wanneer men vóór de tandenwisseling al met die dingen aankomt en het in allerlei uitgesneden vormen letters laat stoppen, houd je het kind bezig met dingen die verre van hem staan, waartoe het niet de minste verhouding heeft. Het kind heeft daarentegen van begin af aan een kunstzinnig gevoel, zingevende fantasie. Hieraan moet je appelleren; hierop moet je je richten. En je moet proberen eerst helemaal niet met die conventionele letters bezig te zijn die in schrift en druk van de geciviliseerde mensheid gegeven zijn, maar je moet eerst proberen, ik zou willen zeggen, op een geestrijke manier – neem me niet kwalijk dat ik het woord gebruik – de cultuurontwikkeling met het kind te doorlópen. De mensen hadden vroeger een beeldschrift, d.w.z. ze hebben iets op een blad getekend wat aan het voorwerp deed denken. Wij hoeven geen cultuurgeschiedenis te studeren, maar we kunnen de zin en de teneur van wat de mensen met het beeldenschrift wilden, aan het kind aanbieden, dan voelt het kind zich daarbij thuis.
GA 311/30-31
vertaald/30-31

voorbeeld 28 en 29

=
Als die Europäer, diese «besseren Menschen», nach Amerika ge­kommen sind, als noch Wilde da waren, die Indianer – noch in der Mitte des neunzehnten Jahrhunderts haben sich solche Dinge zuge­tragen -, und haben diesen Wilden Schriftzeichen, Gedrucktes vor­gewiesen, da sind die Indianer davongelaufen, weil sie das für kleine Teufelchen hielten, was da als Buchstaben vorhanden war, und sie haben gesagt: die Blaßgesichter – wie man die Europäer unter den Indianern nannte – verständigen sich durch kleine Teufelchen, durch Dämonen.
Aber das sind ja die Buchstaben auch für Kinder. Sie bedeuten ja gar nichts für die Kinder. Das Kind empfindet – und es hat recht -in den Buchstaben etwas Dämonisches; sie sind ja schon ein Zaubermittel geworden, weil sie Zeichen sind.
Man muß vom Bilde ausgehen. Das Bild ist kein Zauberzeichen, es ist etwas Reales, und so muß man aus dem heraus arbeiten.
.

Toen de Europeeërs, die ‘betere’ mensen, naar Amerika gekomen zijn , toen er nog natuurvolken leefden – de Indianen – nog in het midden van de negentiende eeuw vonden zulke dingen plaats -, en  aan deze stamleden schrifttekens,  gedrukt, hebben laten zien, toen zijn de Indianen weggelopen, omdat ze dachten dat het kleine duiveltjes waren wat daar aan letters bestond en ze hebben gezegd: de bleekgezichten – zoals de Europeanen door de Indianen genoemd werden – verwittigen elkaar door kleine duiveltjes, door demonen. Maar dat zijn de letters ook voor kinderen. Ze betekenen voor de kinderen helemaal niets. Het kind ervaart – en het heeft gelijk – in de letters iets bovennatuurlijks; ze zijn een tovermiddel geworden, omdat het tekens zijn.

Je moet van het beeld uitgaan. Het beeld is geen toverteken, het is iets werkelijks en dus moet je van daaruit werken.
GA 311/34
vertaald/34

=

Aber man kann dennoch viel, viel erreichen, wenn man die Dinge kennt. Ums Kennen handelt es sich dabei. Vor allen Dingen soll man durchdringend wissen, erken­nen, daß man nicht das Lesen-Lehren vor dem Schreiben-Lehren trei­ben soll, denn im Schreiben, insbesondere, wenn es aus dem malenden Zeichnen, zeichnenden Malen herausgeholt ist, betätigt sich der ganze Mensch. Die Finger sind dabei beteiligt, die Lage des Körpers, der ganze Mensch ist dabei beteiligt. Beim Lesen ist nur der Kopf beteiligt. Und man sollte möglichst spät dasjenige an das Kind heran­bringen, was nur einen Teil des Organismus in Tätigkeit versetzt und den anderen gleichgültig läßt. Das allerwichtigste ist, daß man zuerst den ganzen Menschen in Bewegung, in Regsamkeit bringt und dann einen Teil.
Allerdings, wenn man so vorgehen will, kann man nicht bis ins kleinste gehende Anweisungen bekommen, sondern nur eine Direk­tive, eine Richtung. Daher können Sie gerade bei dieser Unterrichts-methode, wie sie aus der Anthroposophie folgt, mit nichts anderm rechnen, als mit der absoluten Freiheit, aber auch mit der freien, schaffenden Phantasie des Lehrenden und Erziehenden.
.

Maar je kunt ondanks dat toch veel, veel bereiken, wanneer je de dingen weet. Het gaat om het weten. Boven alles moet je indringend weten, inzien, dat je het aanleren van het lezen niet voor het aanleren van het schrijven moet  behandelen, want bij het  schrijven, juist wanneer het uit het schilderende tekenen, het tekenende schilderen wordt ontwikkeld, is de hele mens betrokken. De vingers, de houding van het lichaam, de hele mens doet mee. Bij lezen doet alleen het hoofd mee. En je zou zo mogelijk het kind laat iets moeten geven, wat maar een deel van zijn organisme activeert en het andere buiten beschouwing laat. Het belangrijkste is, dat je eerst de hele mens in beweging brengt, actief maakt en dan een gedeelte.
Hoewel echter, wanneer je dat wil doen, kun je niet tot in detail gaande aanwijzingen krijgen, maar slechts een richtlijn, een richting. Vandaar dat je juist bij deze onderwijsmethode zoals die uit de antroposofie voortvloeit, met niets anders kan rekenen dan met de absolute vrijheid, maar ook met de vrije, scheppende fantasie van de leerkracht en de opvoeder.
GA 311/35
vertaald/35

=

Das ist der innere Drang, die innere Sehnsucht des Ätherleibes so plastisch-malerisch tätig zu sein. Daher kann man sehr leicht an diesen Drang, an diese Sehnsucht anknüpfen und so die Buchstaben aus den Formen hervorholen, die das Kind malt, oder auch aus den Formen, die das Kind plastisch ausbildet, weil man wirklich aus Menschenerkenntnis heraus dann den Unterricht gestaltet. Das muß auf jener Stufe geschehen.
.

Dat is de innerlijke drang, het innerlijke verlangen van het etherlijf, boetserend-schilderend bezig te zijn. Vandaar dat je helemaal kunt aansluiten bij deze drang, bij dit verlangen en zo de letters uit de vormen haalt die het kind schildert of ook uit de vormen die het kind plastisch vormt, omdat je dan daadwerkelijk uit menskunde het onderwijs vormgeeft. Dat moet op ieder niveau gebeuren.
GA 311 /98
vertaald/98

=

Sachgemäß pädagogisch-künstlerisch ist, das Kind erst mit dem Zahnwechsel in die Schule hereinzubekommen. Dann hat man es zunächst, wie ich angedeutet habe, mit dem Künstlerischen beginnend, damit zu tun, die Buch­stabenformen aus dem Künstlerischen herauszuarbeiten.
.

Zinvol pedagogisch-didactisch is, het kind pas met de tandenwisseling op school te laten komen. Dan moet je allereerst, zoals ik aangegeven heb, met het kunstzinnige beginnend, bezig gaan met de lettervormen uit het kunstzinnige te ontwikkelen;
GA 311 /104
vertaald/104

=

Ich habe gestern zu den Pädagogen, die hier sind, gesagt: Ja, wenn das Kind so ungefähr sieben Jahre alt wird, soll es etwas lernen. Es soll lernen, nachdem es sein ganzes Leben bisher gelernt hat, daß der Mensch, der vor ihm steht, den es kennt, der Vater ist – es soll jetzt lernen, daß das da hier (es wird geschrieben) «Vater» bedeutet. Das soll das Kind plötzlich lernen. Es hat ja gar nichts zu tun mit diesem «Vater». Das sind ja ganz merkwür­dige Zeichen, die mit dem Vater gar nichts zu tun haben! Das soll das Kind plötzlich lernen. Es sträubt sich dagegen. Denn der Vater, das ist der und der Mann, der solche Haare hat, eine solche Nase hat; das hat es immer gesehen. Das Kind sträubt sich dage­gen, daß das Geschriebene nun «Vater» bedeuten soll.
Das Kind hat «Ah!» rufen gelernt, wenn es sich verwunderte. Jetzt soll es plötzlich dazu kommen, daß das da hier A sein soll. Das ist eben ganz abstrakt, hat gar keinen Bezug zu dem, was das
#SE349-188
Kind bisher gekannt hat. Da muß man erst die Brücke schaffen, damit das Kind darauf kommt, so etwas doch zu lernen. Ich will Ihnen auch sagen, wie man die Brücke schaffen kann.

Ik heb gisteren (2) tegen de pedagogen gezegd die hier zijn: ‘Ja, wanneer het kind zo ongeveer 7 jaar wordt, moet hij wat leren. Hij moet leren, nadat hij al zijn hele leven geleerd heeft, dat de mens die voor hem staat, die hij kent als vader – hij moet nu leren dat wat hier staat (het wordt opgeschreven) ‘vader’betekent. Dat moet het kind plotseling leren. Het heeft niets te maken met deze ‘vader’. Het zijn heel merkwaardige tekentjes die met vader niets te maken hebben. Daar verzet hij zich tegen. Want vader is die en die man, met die haren en deze neus, dat heeft hij al die tijd gezien.Het kan verzet zich ertegen dat wat daar nu staat, vader zou moeten betekenen.
Het kind heeft ‘a’ leren roepen toen hij zich verwonderde. En nu moet hij plotseling zo ver zijn dat wat hier staat, een ‘a’ zou zijn. Dat is nogal abstract, heeft helemaal geen binding met wat het kind tot nog toe wist.Dan moet je eerst een brug bouwen, zodat het kind er toch toe komt het zo te leren. Ik zal u ook zeggen hoe je die brug maken kan.
GA 349/187-188
niet vertaald

voorbeeld 30

(1) uitgave 1987
(2) zie GA 306/65-66 hierboven
(3) uitgave 1977

*Dat hoeft helemaal niet. Wanneer je vanaf de eerste schilderles goede gewoonten aanleert, je les goed voorbereidt, zodat je weet wat van alles de volgorde is, kan er weinig misgaan. Wie eerst de waterpotten of de verf uitdeelt, vraagt om moeilijkheden, natuurlijk: die komen het allerlaatste en moeten zo worden neergezet dat ze niet van het tafeltje kunnen vallen of gestoten kunnen worden. Schilderkieltjes beschermen de kleding; echt nodig zijn ze niet: de verf gaat met het wassen makkelijk uit de kleren, behalve Pruisisch blauw, dat je ook snel van de vloer moet halen, want vlekken laten zich moeilijk(er) verwijderen.

Rudolf Steiner over schrijven en lezen:

[1]   onze huidige lettervormen zijn ontstaan in het verleden; de vormen staan niet meer in verband met hun oorsprong; voor kinderen zijn het (wezens-)vreemde tekens

[2] om aan kinderen de lettertekens aan te leren, daarbij uitgaand van een beeld, is het niet nodig om de historische beelden te gebruiken. Eigen fantasie is voldoende.

[3] om de beelden te kiezen die voor het kind een letter gaan worden, is het van het grootste belang het wezenlijke verschil tussen klinker en medeklinker in acht te nemen.

[4] hoofdletter of kleine letter
De hoofdletter uit het oorspronkelijke Latijnse schrift. Het eerste schrijven is meer een tekenen: het gaat om het beeld en de klank.

[5] de conventionele letter wordt aangeleerd vanuit een beeld, eerst schilderend/tekenend of tekenend/schilderend; Steiners voorbeelden daarvan uit alle pedagogische voordrachten.

[7] over de manier van leren lezen: van het geheel naar de delen – maar niet fanatiek; over leesmethodes (uit zijn tijd): spelmethode, klankmethode, normaalwoordenmethode; deze in verband gezien met het verschil klinker-medeklinker (zie [3])

[8] Steiners methode, mits consciëntieus gevolgd, kost meer tijd dan reguliere methodes. Dat wordt heden ten dage nog steeds schromelijk verward met ‘achter lopen’.

Schrijven en lezen: alle artikelen        o.a. vormtekeningen t.b.v. het schrijven

Rudolf Steiner: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: letterbeelden

1040-965

.

VRIJESCHOOL – Lopen, spreken, denken (13-1)

Dit is een artikel uit een reeks ‘Kind in ontwikkeling‘ die verscheen in het schoolblad van de Geert Grooteschool in Amsterdam.
.

Annet Schukking, maandbericht nov.1974
.

De reeks zetten we nu voort met een klein beeld van wat de periode van het gaan lopen, spreken en denken te zien geeft.
Er valt natuurlijk heel veel meer over te zeggen dan hier mogelijk is.
Wie hiervoor belangstelling heeft, zou bv. kunnen lezen wat Prof. Lievegoed over dit onderwerp gezegd heeft in zijnOntwikkelingsfasen van het kind“, waarin een heel hoofdstuk aan het lopen, spreken en denken gewijd is.

Lopen, spreken, denken

Op een dag is het zover – de baby die een tijdje geleden nog, tevreden op zijn rug liggend, kleine pruttel- en kraaigeluidjes maakte en met zijn zwevende handjes en beentjes speelde, heeft zich met grote inspanning aan de boxrand opgetrokken en staat-hangt nu op zwabberende beentjes en weke rose voetjes overeind. Zijn stevige bolle toetje – nog langer geleden kreeg hij hangwangetjes als je hem rechtop hield – straalt van een nog niet eerder gekende vreugdevolle beleving; die beleving moet iets inhouden van een eerste gevoel van persoonlijkheid-zijn, van eigen prestatie, van overwinning.

Want is het niet een fantastische prestatie om dat grote zware hoofd omhoog te krijgen en rechtop te houden op dat kleine lijfje en die nog zo tere en onvaste ledematen?

De vreugde is zo groot dat sommige kinderen haast niet meer omlaag te krijgen zijn. Ze blijven op wiegelende benen hangen tot ze letterlijk omrollen om zich daarna zo gauw mogelijk weer op te trekken
Zodra het staan geen moeilijkheden meer geeft, wordt weer iets nieuws geprobeerd:|de eerste stapjes worden gedaan, meestal ook weer langs de boxrand of anders langs de meubels of aan de hand en dan komt het volgende grote ogenblik: los! Weer wordt er onverdroten geoefend – vallen geeft even een schrik, maar vermag de vreugde niet te dempen.

Vanwaar die grote vreugde? De baby is nu geen baby meer. Hij is iets anders
geworden; kleuter of peuter of dreumes of hoe je het noemen wilt. Voor zijn eigen beleving moet het zo zijn, dat hij nu mens geworden is. Het passieve leventje is voorbij, hij kan nu actief deelnemen aan het leven, hij kan nu zelf zijn ontwikkeling ter hand nemen. Wat kun je lopend niet allemaal overzien en bereiken? Werelden gaan er voor je open! Je kunt nu overal achter je moeder aan en alles meedoen wat zij doet. Je kunt overal alles beetpakken en onderzoeken! De vrijheid kent geen grenzen! Toch wel. Er blijken dingen te zijn waar je over struikelt en punten waar je je hoofd aan stoot en deuren die dicht gaan en die je niet open kunt krijgen. De wereld blijkt in ruimten ingedeeld te zijn en waar het één is kan het ander niet zijn. Pijnlijke ervaringen voor lichaam en ziel: builen en schrammen en een onbereikbare moeder. Een wiegenkind of boxkind huilt wel even als het moeder uit zijn gezichtsveld ziet verdwijnen, maar troost zich dan met het dichtstbijzijnde speelgoedje. Een kind dat al loopt wordt driftig en duwt en trommelt tegen de gesloten deur. Het voelt zijn onmacht als een onrechtvaardigheid.

Lopen is beweging, beweging is iets op gang brengen. Wat komt er al lopend op gang? Het spreken! Vanuit de beweging van het lopen gaat het spreken vloeien. Sommige kinderen beginnen met hele verhalen te houden. Niemand verstaat er iets van, maar de intonatie en de voordracht zijn zo natuurlijk en overtuigend, dat je er wel op in moet gaan. ‘Ja, ja’, zeg je tegen het kind, ‘zo is het, je hebt helemaal gelijk’ – en het is tevreden, het is au serieux genomen. Het is als mens erkend en opgenomen onder de mensen.

Andere kinderen willen eerst alles exact horen. Met mijn oudste kleindochter, die toen anderhalf was, liep ik door de tuin, en weest haar op een grasje: ‘Kijk, een sprietje’, zei ik. Wel 20 keer moest ik dat woord herhalen, trok ze me aan de hand naar het bewuste grasje en bleef hardnekkig wachten tot ze het weer had gehoord: ‘sprietje’.

De koeterwaalse kinderen beginnen meestal vroeg, de exacte zijn vaak laat, maar zeggen dan ook ineens een heel duidelijk, keurig zinnetje. Dan volgt een tijd van steeds maar met de taal bezig zijn. Het kind zegt spontaan alles na wat het hoort. Komisch is vaak het herhalen van het laatste woord van iedere zin, die het opvangt, soms op een wat vragende toon en met een vragende blik, zo van: ik zeg het toch wel goed?

Geen woord zo gek of de echo volgt. Kleine papegaai, zeggen we dan, maar al gauw blijkt hoe geniaal de kleine papegaai is en hoe verbluffend snel hij een enorm aantal woorden en uitdrukkingen kent en … begrijpt. Je kunt soms zelfs de indruk krijgen dat het kind eigenlijk de taal al eens gekend heeft en die alleen vanuit de herinnering weer moet ophalen.

De zelfstandige naamwoorden, de namen van mensen en dingen, worden het eerst gezegd. Het kind gaat rond als Adam die de dieren hun namen geeft. Wat Adam intuïtief hoorde, hoort het kind van de mensen om hem heen. Maar soms geeft het ook zelf namen en die kunnen dan heel raak zijn.
Want namen en woorden zijn niet een willekeurige opeenvolging van klanken, van vocalen en consonanten. Er klinkt iets in van het karakter van datgene wat genoemd of gezegd wordt, dat zich in bepaalde klanken laat uitdrukken. Het gevoel van sympathie en instemming waarmee we ‘ja’ zeggen, ligt natuurlijkerwijs in de j en a besloten, evenzeer het gevoel van antipathie en afweer in ‘nee(n)’. ‘Mama’ is in zijn klank een oerwoord van sympathie en toegewend-zijn. Eerder dan het begripsmatige neemt het kind het gevoelsmatige van de taal waar; het heeft zeker evenveel plezier in woordspelletjes, in kinderrijmpjes en -liedjes, die weinig andere betekenis hebben dan het klankkarakter als in het ijverig leren duiden van de dingen. Een speciale aantrekkelijkheid van de liedjes en rijmpjes is daarbij het ritme. Heeft niet het spreken, dat zo nauw verbonden is met de ademhaling, daardoor al veel te maken met ritme?

Met het lopen begint het kind een verhouding te krijgen tot de fysieke ruimte. Het is niet langer één met de wereld om hem heen. Toen het nog op de arm of in de kinderwagen verplaatst werd, trok de wereld aan hem voorbij. En zoals wij ons opgenomen voelen in, óns één voelen met een bewegend beeld, waar we -lichamelijk passief- naar zitten te kijken, zou je je kunnen voorstellen dat dit met een klein kind ook het geval is. Pas als je zélf je moet gaan verplaatsen, krijg je een bewustzijn van afstand. Wat zich lichamelijk voltrekt bij het gaan lopen, gebeurt in het innerlijk wezen van het kind bij het gaan spreken. Ook hier gaan uit de eenheid van in elkaar vloeiende indrukken dingen zich los maken, zich markeren, ontstaat bij het noemen van de dingen een zekere ‘afstand’ hiertoe.

Ja, en wanneer begint een kind te denken?
Denken is een intieme bezigheid die je niet zo direct bij een ander kunt waarnemen als lopen of spreken. Het is ook niet iets waarvan je op een gegeven moment de indruk hebt dat iemand het al kan. Lopen is iets, dat gebeurt op zeker ogenblik en kan dan hoogstens nog wat verbeterd worden; spreken is iets waar je al veel minder gauw mee klaar bent, wat je lange tijd nog verder kunt ontwikkelen; met de ontwikkeling van het denken kun je tot het inzicht komen, dat er eigenlijk helemaal geen einde aan is.

Maar daarom kan er toch wel een begin zijn. En het lijkt mij dat denken pas mogelijk is als je, zowel fysiek als innerlijk je niet meer één voelt met de wereld om je heen, maar als die wereld zich van je gaat afscheiden, als je gaat beleven: ik en de wereld, als je er dus een beetje afstand van gaat nemen. En misschien komt die eerste aanzet tot denken wel te voorschijn in het zeggen van dat heel bijzondere woordje: ‘ik’.

Heel duidelijk kun je het zich tegenover de wereld plaatsen waarnemen als het kind koppig gaat worden (duidt het woordje ‘koppig’ soms ook al op denken?). Op een bepaalde leeftijd verzet het zich opeens tegen alles wat eerst vanzelfsprekend was; tot grote ontsteltenis van ouders (en grootouders) wordt de lieve kleine dreumes soms van de ene dag op de ander een lastig kind.

Voor mij ligt een aanwijzing van denken ook in de ‘waarom’-periode. Vragen is een uiting van denken. Hele kleintjes vragen nog niet, ze doen mededelingen over hun waarnemingen en als ze iets hebben willen, delen ze dat ook mee of proberen het te pakken. Maar als het vragen eenmaal losbarst, ligt het woordje ‘waarom?’ in de mond bestorven. Waarom doe je dit zo? Waarom is dat zus?

Het gaat er dan om het vraag- en antwoordspel met het kind zo te spelen dat het daardoor de wereld in al zijn kleurige bontheid van verschijnselen leert kennen en begrijpen. Het is vooreerst een directe belevingswereld; waarnemen en denken vloeien nog ineen. In deze wereld spreken mensen, dieren en dingen zichzelf uit en uit hun onderling gesprek, dat door wie spreken kan onder woorden gebracht wordt, blijkt hun onderlinge relatie. Het kind denkt deze mee en leert zo zijn waarnemingen te verbinden.

Je hoeft ook niet altijd op ieder ‘waarom’ een verklaring te geven. Abstracte redeneringen zijn in ieder geval waardeloos en zelfs afmattend voor het kind. Dikwijls is het schijnbaar flauwe, maar kernachtige ‘daarom’ ook voldoende; er zijn dingen die nu eenmaal zijn zoals ze zijn, die je voorlopig hebt te aanvaarden en dat geeft een zekere innerlijke stabiliteit.

Wat geef je trouwens voor antwoord op een vraag als deze: Sonja, 3 jaar, bij het horen van een kapotte knalpot: ‘Waarom maakt-ie nieuwjaartje?’

Het waarommen is als het ware een inleiding tot het echte vragen. En dat zijn dan vragen, die het kind eigenlijk zichzelf stelt, waarop het zelf de antwoorden zoekt, als denkoefening. Bv. de volgende: Peter, 4 jaar, bij een zonsondergang: ‘Mammie, wie laat de zon zakken, God of de engelen?’ Mammie: ‘Ik denk God.’ Stilte. Peter: ‘Ik denk de engelen, want die kunnen vliegen en God kan niet vliegen.’

Opvallend is steeds de onbedwingbare neiging van het kind om zich een bepaalde vaardigheid eigen te maken; een tijdlang is er één geliefde hoofdbezigheid waar het zich steeds in oefent. Je zou kunnen zeggen: het kind geeft zichzelf periode-onderwijs.*

Het wonderlijke is dat dit min of meer ‘vanzelf’ gaat. Het kind ‘weet’ onbewust wanneer het moment is aangebroken om iets te gaan proberen en ‘wil’, al even onbewust, zich dit iets dan eigen maken. Het grijpt daartoe als ‘leermiddel’ aan wat het in zijn omgeving ontmoet.

Hoe kun je het kind hierbij helpen?

Niets is zo stimulerend als het voor-beeld. Datgene wat de volwassenen in de omgeving van het kind doen en zeggen, is voor hem het model, waarnaar het zich in zijn onbewuste drang om mens te worden, steeds richt. Waarschijnlijk zou een kind niet gaan staan en lopen, als het niet mensen om zich heen zag staan en lopen. En spreken zou het zelfs niet kunnen leren zonder het horen van de taal. Met zijn grote zintuig-ontvankelijkheid neemt het kind indrukken uit zijn omgeving op en voelt een onweerstaanbare drang na te bootsen wat het waarneemt. Zo krachtig is deze drang, dat wanneer je een kind het nabootsen wil beletten, het een geweldige keel opzet. En terecht! Want je belemmert hem daarmee in zijn ontwikkeling.

Van twee kanten wordt dus eigenlijk de ontwikkeling op gang gebracht: vanuit het kind zelf door de impuls om iets te ondernemen (te kijken, zich op te richten, te lopen, te luisteren, te spreken) en vanuit de omgeving door oefenmogelijkheden te bieden, door het oefenen aan te moedigen. Steeds komen deze twee stromen bij elkaar: de ene vanuit het kind als een dwingende behoefte om zich te oefenen, de stroom die eigenlijk het geheim van de wijsheid en de liefde openbaart, waardoor het kind op een voor ons onzichtbare wijze geleid en begeleid wordt, en de andere vanuit de aardewereld aan deze behoefte tegemoet komt, die het kind zo veel ontwikkelingskansen geeft als maar mogelijk zijn, de stroom waarmee het geleid en begeleid wordt door het gezonde verstand en de warmte en liefde van zijn opvoeders.’

.

*periode-onderwijs

Lopen, spreken, denken (2)

Rudolf Steiner over: lopen, spreken, denken

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

1039-964

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – impressie (1)

Zo af en toe vind ik nog een artikel van wel heel lang geleden.
Telkens blijkt dat – afgezien van de spelling – de inhoud voor een groot gedeelte nog actueel is, vooral waar het de menskundige visie betreft.

Zoals het toen verscheen in de schoolkrant “Ostara’ van de vrijeschool in Den Haag:

BERICHT OVER DE ZESDE KLAS

Na de opening van het nieuwe gebouw in September 1929 vormde de zesde klas met de vijfde nog één geheel. Tegenslag bij het aanstellen van een nieuwe leerkracht maakte, dat deze toestand bestaan bleef tot December. Toen kwam de vijfde klas onder leiding van Mej. C. Enuma en kon de zesde haar eigen ontwikkelingsgang volgen. Dat de klas, wat het leerplan betreft, ver achter was, laat zich denken. Feitelijk stonden we pas aan het begin, van het vijfde leerjaar. Zaak was nu, het tempo zoodanig te versnellen, dat de achterstand op den duur kon worden ingehaald. En als ik nu naga, wat in het afgeloopen jaar bereikt is, geloof ik er op te kunnen vertrouwen, dat de klas bij het begin van het 8ste leerjaar gelijk zal zijn.

De intrede in het 12de jaar is van bizondere beteekenis. In dezen leeftijd komt het kind veel sterker in zijn skelet, dan dit voorheen het geval was. Het jongere kind bedient zich met vanzelfsprekende bevalligheid van zijn spieren, die gevoed worden door den rhytmisch bewegenden bloedstroom. Nu bemachtigt de jonge mensch zijn skelet, waarbij hij als het ware van de spieren via de zenuwen naar het beenderstelsel overgaat. Zijn bewegingen verliezen rhythme en bevalligheid; ze worden hoekig, onhandig, willekeurig. Het kind komt in de „vlegeljaren” en weet niet recht, wat het met zijn ledematen zal aanvangen.

Alles echter, wat in ’t leven en de wetenschap onderhevig is aan mechanische wetten, kan den scholier thans met nut en zonder schade nader gebracht worden, omdat zijn ziele-geesteswezen zich nu sterker met het mechanische van zijn beenderstelsel verbindt.

Een rij van nieuwe gebieden, waar zijn dorst naar weten bevrediging kan vinden, kan hem nu geopend worden en daarom werd met de vakken uit het leerplan der zesde klasse, die deze behoefte bevredigen, een begin gemaakt.

In twee perioden werd de meetkunde behandeld, waarbij, naast het maken van werkstukken, besproken werden: driehoeken, vierhoeken, veelhoeken, den regelmatigen zes- en achthoek.

In de Physica werd van het muzikale uit „het geluid” behandeld, terwijl, aansluitend bij het schilder- en teekenonderwijs, een periode werd gegeven over licht- en kleurverschijnselen. Een begin te maken met warmteleer, electriciteit en magnetisme moest worden uitgesteld tot de 7de klas. De bovengenoemde vakken vinden, volgens het leerplan, in de 7de klas een uitgebreider voortzetting. Bij rekenen en Ned. taal kon reeds veel uit het zesde klasse-leerplan behandeld worden. Werkelijk achter is de klas nog met Aardrijkskunde, Geschiedenis en kennis der Natuur (Nat. historie). —

Als men nu bedenkt, dat in deze klasse veel nieuwe leerlingen opgenomen werden, waarvan er tien het geheele leerjaar volgden, terwijl voor hen de school en de leerwijze en de leerstof, geheel of grootendeels nieuw waren, terwijl het onderwijs in Fransch, Duitsch en Engelsch voor vele dezer kinderen bizondere moeilijkheden opleverde, waarbij dan nog als geheel nieuw vak Latijn en Grieksch kwam (met 4 lesuren per week), kan er tevredenheid zijn met de resultaten, dit jaar bereikt en, gezien de opgewekte belangstelling der kinderen, met gerustheid de arbeid in de zevende klasse worden tegemoet gezien.

Als een factor van groote beteekenis, ook voor het verder werken in onze school, moet ik nog wijzen op de groote saamhoorigheid en de sterke verbinding met de „Vrije School”, die zich bij de nieuwe leerlingen op even gelukkige wijze ontwikkelde, als ze bij de andere bleef bestaan. Dit heeft me bizonder verheugd en diep bevredigd, als een belangrijk resultaat van Dr. Steiners paedagogiek.

J. P. SOETEKOUW, Ostara 3e jrg. 5/6, oktober 1930

6e klas: alle artikelen

1038-963

VRIJESCHOOL – 3e klas: het leven in het Oude Testament (6)

.

JACHT EN VISSERIJ

leven O.T. 291. Jachtnetten (afb. op een monument te Hermel, in Syrië).
Een dier (a) dat bekneld raakt door een slagboom (b) en gevangen kan worden in een jachtnet (c) dat vastgehouden door twee stokken (d) over de kop van het dier kan worden geworpen. In Jesaja 51 : 20 is sprake van een dier (het Hebr. woord kan beduiden: antilope, of naar oudere opvattingen: onyx of wilde os) dat gevangen wordt in zo’n net; de profeet vergelijkt de in onmacht gevallen kinderen ermee, die op straat liggen gelijk een wilde os in het net. Zo’n jachtnet wordt uitgeworpen; de profeet Ezechiël spreekt Gods bedreigingen over Juda en zijn koning uit: Ik zal mijn net over hem heen werpen (Ezech. 12 : 13).

leven O.T. 302. Vogelvangst (Egyptische voorstelling).
Twee Egyptenaren trekken het slagnet (a) dicht waarin grotere en kleinere vogels gevangen zijn.
.
leven O.T. 313. Vissen met de angel (Egypt. voorstelling).
Een visser in lendenschort (a) heeft in de hand een hengelstok (b) waaraan een snoer (e) waaraan de angel is met het lokaas. (Verg. Jes. 19 : 8). Men viste niet alleen in de Nijl, maar ook in daartoe met sluizen afgesloten viswater („lustige staande wateren” Jes. 19 : 10).

leven O.T. 324. Vissers (Egyptische voorstelling).
De rustig voortvloeiende wateren van Egypte waren zeer visrijk; een veel opbrengende visserij was daarvan het gevolg: de Israëlieten in de woestijn behielden daaraan de herinnering („wij gedenken aan de vissen, die wij om niet aten, Numeri 11 : 5). Men ving met de vishaak (angel), men trachtte de vissen te steken met de speer, of men gebruikte een fuik, of een sleepnet. Aan lange touwen (a) werd het net (b) bezwaard met zinkstenen (c) neergelaten en daarna opgetrokken.

leven O.T. 335. Visvangst aan het Meer Gennesareth
Op de achtergrond rijst de rotswand uit het water: hier is het bergland van Golan of Gaulanitis (a). Links zien wij een visser in het water staan; hij staat bij de zegen, waarvan de kurken (b) op het water drijven. Op de voorgrond trekken de vissers de zegen (c) in. Het is bij dit net, dat niet van alle vissen hier en daar een enkele vangt, maar dat over een grote oppervlakte alle vissen omvat, dat het koninkrijk der hemelen vergeleken wordt in Matth. 13 : 47. De vissers waren in de oudheid licht gekleed, ja ze legden hun gewaad af (Joh. 21 : 7); wij lezen van Petrus dat hij zijn kort hemd, zoals nu nog de vissers dragen van zich wierp en in zee sprong.

leven O.T. 346. Visser met het werpnet
(a); een rond net;  ca 4 m. wijd; dat met een zwaai over het water wordt geworpen. (Ezech. 26 : 5; Matth. 4 : 18; Joh. 21 : 6).
.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

1037-962

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën -Justinianus 1

.

Justinianus I de Grote 482-565

Justinianus 1

Een portret van Justinianus I op een munt, die tijdens zijn bewind werd uitgegeven. Zijn grootste bijdrage aan de geschiedenis was het vastleggen van de Romeinse wetgeving in een wetboek.

Net als vele andere grote leiders beschikte de Byzantijnse keizer Justinianus de Grote over goede raadslieden. Twee bekwame generaals, Belisarius en Narses, hielpen hem zijn rijk in stand te houden en uit te breiden. Tribonianus, een begaafd rechtsgeleerde, hielp hem een wetboek samen te stellen. Twee bekwame bestuurders, Johannes van Cappadocië en Peter Barsymes, gaven zijn heerschappij een eerlijke en doeltreffende vorm. Theodora, de vrouw van Justinianus, ondersteunde hem wanneer tegenstanders hem probeerden af te zetten. Maar het was de keizer zelf, met zijn scherpe geest, zijn aangeboren gevoel voor rechtvaardigheid, zijn kracht en inzicht, die de belangrijkste rol speelde. Onder zijn leiding beleefde het rijk tijdens zijn lange regering een gouden eeuw in het Byzantijnse tijdperk.

Justinianus begon zijn loopbaan als een gewaardeerd raadsman van zijn oom, keizer Justinus I. Hij kwam uit een boerengeslacht in een dorpje in het tegenwoordige Joegoslavië. Al spoedig bekleedde hij een belangrijke positie in het leger. Toen Justinus in 518 keizer werd, adopteerde hij zijn neef en gaf hem een aantal belangrijke taken binnen de regering. Justinianus werd een invloedrijk raadsman. Hij was verantwoordelijk voor een groot deel van de politieke beslissingen van zijn oom. In 527 werd hij door zijn oom als medekeizer aangesteld. Toen Justinus later dat jaar overleed, werd hij de enige heerser. Op het ogenblik van zijn troonsbestijging was Justinianus al in oorlog met de Perzen. De oorlog duurde tot ongeveer 561. Toen werd er na onderhandelingen tot een wapenstilstand van 50 jaar besloten. Perzië gaf bijna alle veroverde gebieden aan de Byzantijnen terug. In ruil daarvoor moesten ze 30.000 goudstukken per jaar aan de Perzen betalen. Justinianus was bij het verdedigen van de grenzen op het Balkanschiereiland tegen de barbaren heel wat minder succesvol. Op een gegeven ogenblik kon de trouwe generaal Belisarius de barbaren net buiten Constantinopel een halt toeroepen door de burgerbevolking te mobiliseren. Sommige van de indringers werden na verloop van tijd uit het rijk verdreven. Anderen vestigden zich op Byzantijns grondgebied. Een aantal van hen sloot zich zelfs bij het Byzantijnse leger aan om toekomstige invallen te helpen voorkomen.

6e klas Justinianus 1Het monogram van Justinianus, een soort gestileerde handtekening.
.

Ook met zijn pogingen om zijn rijk naar het westen uit te breiden, had Justinianus niet al te veel succes. Hij beschouwde het als zijn keizerlijke plicht, de macht over de westelijke provincies van het oude Romeinse Rijk weer in handen te krijgen. Hij ondernam een aantal aanvallen op Noord-Afrika en Italië om de barbaarse heersers daar te onttronen. Belisarius versloeg met veel gemak de Vandalen in Noord-Afrika. Dat was in Italië een stuk minder eenvoudig. De Byzantijnen namen Ravenna in. Ook veroverden ze het omliggende gebied op de Oostgoten. Maar hun opmars werd gestuit door de kundige Oostgotische leider Totila. Deze hield tot 552 stand. Toen sneuvelde hij in een veldslag tegen een enorme Byzantijnse strijdmacht onder aanvoering van Narses. Narses trok verder en veroverde Rome. In 562 hadden de Byzantijnen heel Italië ingenomen. Maar Italië was door de oorlog zodanig verwoest en ontwricht, dat het normale economische en politieke leven niet hersteld kon worden. Kort na de dood van Justinianus zouden de Byzantijnen het grootste deel ervan weer verliezen aan de binnentrekkende Longobarden.

Justinianus besteedde de meeste aandacht aan de hervormingen van het binnenlandse bestuur. Om het recht in zijn land zoveel mogelijk te bevorderen, liet hij door Tribonianus alle Byzantijnse en Romeinse wetten in een wetboek optekenen. Hij maakte ook de financiële administratie veel doelmatiger en kondigde strenge maatregelen af tegen belastingontduikers. Op overheidsuitgaven, waaronder de populaire arenaspektakels, werd bezuinigd.

Zowel de rijken als de armen waren niet tevreden over de belastinghervormingen van de keizer. Dit was voor een deel de oorzaak van een opstand in Constantinopel in 532. De andere oorzaak van de opstand was een meningsverschil over een christelijke leer. Een plunderende menigte benoemde een nieuwe keizer. Maar Theodora, de vrouw van Justinianus, haalde hem over zich te verzetten. Enkele trouwe generaals onderdrukten de opstand door duizenden opstandelingen te doden. Ondanks een bijna onafgebroken periode van oorlog en ontevredenheid, bloeide onder het bewind van Justinianus de Byzantijnse cultuur. De literatuur, de beeldende kunst en de architectuur bereikten een grote hoogte.

6e klas Theodora van ByzJustinianus’ vrouw, keizerin Theodora, en haar gevolg staan afgebeeld op dit mozaïek uit San Vitale, Ravenna. Het dateert uit de 6e eeuw. Theodora was misschien een sterkere persoonlijkheid dan haar echtgenoot. In 532 vervolgde Justinianus belastingontduikers en bezuinigde hij op de overheidsuitgaven, waaronder de populaire spektakelspelen. Rijken en armen waren woedend. Er kwam een opstand en de rebellen kozen een andere keizer. Theodora haalde Justinianus over zich te verzetten. De opstand werd door de strijdkrachten onder leiding van aan de keizer trouw gebleven generaals, op bloedige wijze gesmoord.
.

Veel van wat Justinianus bereikte, ging onder het bewind van zijn opvolgers weer verloren. Er zijn twee van zijn monumenten in stand gebleven. Ten eerste de Aya Sophia, dat nu een museum is en dat bezoekers een idee geeft van de verworvenheden van het Byzantijnse Rijk onder zijn regering. Nog belangrijker is het dat door het Wetboek van Justinianus de Romeinse wetgeving voor het nageslacht bewaard is gebleven. Het vormt nog steeds de basis van de wetgeving van vele landen in de Westerse wereld.

alle biografieën

6e klas geschiedenis

1036-961