VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het OudeTestament (13)

.

AARDEWERK

.

leven O.T. 611. Grote kruik,
zonder oor en zonder hals, uit Jericho (voor-Israëlitische tijd tot ± 1600 voor Christus).

.

leven O.T. 622. Grote kruik met oor en handvat;
uit Jericho; voor-Israëlitisch. Kenmerkend is het handvat (a), dat horizontaal aan de zijde van het vat als een lap uitstulpt, met indrukken voor de vingers. Het oorspronkelijke doel van het handvat was een hulpmiddel te zijn bij het dragen op het hoofd.

.

leven O.T. 633. Kleine kruiken met oor,
uit Megiddo; voor-Israëlitisch.

.

leven O.T. 644. Mooi gevormde eivormige kruik
uit Jericho; vroeg-Israëlitisch; 16e—9e eeuw voor Christus.

.

leven O.T. 655. Kruik uit Tell Zakarije
(misschien het Bijbelsche Azeka). Vroeg-Israëlitisch. Deze kruik en die uit Jericho bewijzen tot welke hoogte de pottenbakkerskunst steeg; hierbij dient men rekening te houden met invloed van elders, misschien zelfs met import.

.

leven O.T. 666. Filistijnse kruik uit Gezer:
op een witte ondergrond met rode en zwarte verf beschilderd, gelijk deze „beugelkan” met vogelversiering.

.

leven O.T. 677. Flesje met ringen op buik en hals
(uit Thaanach; laat-Israëlitische periode; 9e—6e eeuw).

Het blijkt, dat het vaatwerk in de eeuwen van vorm verandert. Dus als men bij een opgraving potscherven vindt, kan men afleiden in welke tijd deze gemaakt zijn; en dus kan men de ouderdom van een nederzetting in een ruïneheuvel bepalen met behulp van de scherven. De kennis van de pottenbakkerskunst is daarom de onmisbare sleutel voor alle oudheidkundig onderzoek. De brokstukken van de aardewerkvaten hebben natuurlijk dan pas waarde, als deze één of ander van de typische elementen van de vorm weergeven (handvat, oor, buikwelving, halsrand) en versiering.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1065-987

.

.

.

VRIJESCHOOL – tekenen – zwart/wit (2-1)

.

Rudolf Steiner maakte tijdens zijn voordrachten soms bordtekeningen om zijn woorden te verduidelijken. 
Die zijn lang niet alle bewaard gebleven.
Sommige werden op zwart papier gemaakt. Daarvan zijn er wèl een aantal bewaard.
N.a.v. die schetsen zijn in de gedrukte uitgaven van de voordrachten tekeningen gemaakt door o.a. Assja Turgenieff. Ze deed dit op een speciale manier: ‘met schuine streepjes – schrafferend; arcerend.

Ze maakte met deze techniek vele illustraties:

6e klas zwartwit vb Turgenieff 1

bij de ‘Kindheitslegenden‘ die Jakob Streit navertelde, bijv.

In haar boek ‘Die Goetheanum-Fenster-Motive tekende ze herinneringen op aan Steiners aanwijzingen voor het zwart/wit tekenen.

Haar uiteenzettingen over kunst en wat ermee samenhangt vond ik altijd best lastig te doorgronden. 
De aanwijzingen die erin staan voor de techniek van het arceren, helpen wel mee je goed voor te bereiden op de lessen die je in de 6e, maar ook in hogere klassen, wilt geven 

Steiner:
“De strepen mogen nooit met de vorm meegaan, – ze moeten niets met de vorm van doen hebben. Kijk, zoals bij u, de strepen gaan, hoewel heel miniem, afbuigend mee met de plastische vorm. Dat is fout. Je moet leren arceren helemaal onafhankelijk van de vorm. Dus nooit dergelijke strepen maken:

6e klas zwartwit vb Turgenieff 2

anders ontstaat er een lijn; – maar de lijn is een leugen in het kunstzinnige. – De lijn mag je wel gebruiken bij de opbouw van een tekening, maar niet verder dan wanneer een architect een steiger gebruikt om een huis te bouwen. Wanneer het huis klaar is, zijn de steigers weg. U mag dus niet van de lijn uitgaan en op het eind van de tekening moet ieder spoor van contour verdwijnen.

De strepen moeten heel duidelijk zichtbaar zijn, vrij, karakteristiek,

6e klas zwartwit vb Turgenieff 3               zo                                                                                                         of zo
Het karakter moet in de strepen zelf liggen, zo gevarieerd mogelijk; smal of breed  enz. Dat maakt het kunstzinnig. Wanneer u een vlak donkerder wil maken, kunt u  wat mij betreft – wanneer u het niet anders voor elkaar krijgt – kruisen; maar schuin – nooit onder een hoek. Probeer het echter te bereiken door de strepen dunner te maken, nieuwe strepen daartussen waardoor de richting van de strepen altijd hetzelfde blijft.

6e klas zwartwit vb Turgenieff 4

Hiermee bevrijdt u het tekenen van de lijn, want de lijn in het kunstzinnige is nergens mooi.”

Om daarover meer zekerheid te krijgen, liet ik hem tijdens een euritmie-oefening een euritmievorm zien die hij zelf getekend had. Hier was het een en al lijn en toch was het kunstzinnig mooi.

“Dat denkt u maar, dat die mooi is,” antwoordde hij; “die is pas mooi wanneer ze in de ruimte wordt gelopen. Dit is bedoeld voor in de tijd. Een lijn is alleen kunstzinnig op zijn plaats,” voegde hij toe, “in een karikatuur; want de karikatuur is puur intellectueel. Daar is de lijn op zijn plaats.”

In gesprekken over deze techniek, vooral met kunstenaars die m.n. op het gebied van de grafiek werkzaam waren, stootte ik meer dan eens op weerstand. Dat kan zo samengevat worden:
Dat de kunstenaar zich niet hoeft te onderwerpen aan een opgedrongen wet, maar zijn temperament vrij moet volgen, – dat deze aanwijzingen geen nieuwe kunstzinnige impuls zijn, – veel meer een speciale techniek die – wanneer je die daadwerkelijk zou gaan toepassen – vervelend is, zelfs afstompend werkt. Dat er geen rechtvaardiging bestaat om een speciale streepjeslaag te kiezen; dat  het onmogelijk is om op deze manier tot werkelijke vormgeving te komen.

Omdat deze bezwaren steeds weer naar voren kwamen, geloof ik dat het op zijn plaats is, een paar ervaringen weer te geven die ik aan de hand van deze techniek opgedaan heb. Want Rudolf Steiner bedoelde hiermee geen dogma en geen kunsttheorie, maar concrete aanwijzingen waarmee je praktisch oefenend nieuwe dingen leerde, nieuwe dingen uitwerkte……..

Assja Turgenieff spreekt dan over een schets die Dr. Steiner voor de beeldhouwsters Miss Maryon maakte helemaal met deze streepjestechniek; ongeveer in de tijd toen Dr.Steiner met mij over de arceertechniek had gesproken.
De schets stelde een vrouw voor die zich naar een groep kinderen boog. Ik teken deze uit mijn herinnering. Slechts een zwakke afspiegeling, – maar de hele gestalte en beweging was er al. En toch kreeg je het gevoel: de gestalte kan nog veranderen, nog dieper buigen, de handen nog verder uitstrekken; ze liet de toeschouwer vrij. Ze liet ook aan de kunstenaar de volle vrijheid, tot het punt van afronding van het totaalplaatje, nog te veranderen; de vormgeving te zoeken. Dat had niet gekund bij een vastgelegde contour.  Het behoort ook tot de eerste ervaringen die je door deze methode opdoet: een van tevoren getrokken contourlijn ervaar je als dwang. Een kunstenaar die zijn beeld in lijnen vastlegt, neemt daarmee het puur kunstzinnige van tevoren weg; maakt zijn activiteit geringer. Door het zoeken naar de vorm zonder omtrekslijnen, heeft hij de mogelijkheid, tot het beeld klaar is, in het wordingsproces, bij het ontstaan zijn werk vorm te geven.

6e klas zwartwit vb Turgenieff 7

“U moet een vlak maken en daarop uw hele gevoel, uw aandacht richten en dan het andere vlak” – zei Dr. Steiner vaak tot ons bij het snijwerk aan de architraven in het Goetheanum, “en nieuwsgierig, gespannen erop wachten welke grenslijn tussen de beide vlakken ontstaat. Die moet je nooit van tevoren bepalen.”

In overdrachtelijke zin is deze uitspraak ook van toepassing op het tekenen. Afzien van een vastgelegde lijn brengt een onverwacht element met zich mee dat iemand tijdens het werk tegenkomt – je zou willen zeggen -; iets onbekends dat juist een grotere wakkerheid en innerlijke activiteit vereist. Het brengt met zich mee – als je er daadwerkelijk toe komt met deze methode te werken, – een bevrijding van het in het kunstzinnige zo storende vastpinnen van een intellectuele voorstelling, van die activiteit van het hoofd en concentreert, verinnerlijkt het bewustzijn op een activiteit in het gevoel zelf die de tegenstelling koud en warm, licht en zwaar meebeleeft en uit dit innerlijk tasten de vormen gestalte geeft – niet van te voren zich voorstellend, maar direct in het scheppen.

“Slechts in uw hoofd bent u sentimenteel”, zei Dr. Steiner aan ons euritmisten, ‘het hart weet het juiste al.”

Een soort ritme, een ritmische wetmatigheid waarin je met de arceertechniek komt, draagt ertoe bij om ons  ritmisch beleven bij het vormgeven te betrekken.

“Niet met de vorm meegaan”,- deze aanwijzing maakte mij erg ongelukkig bij het tekenen van bomen. De groeikrachten in hun bewegingen door stam en takken met het potlood te volgen, was toch zo vanzelfsprekend. In de tijd waarin ik mij met deze vraag bezighield, herinnerde ik mij een ets van Piranesi. Anders dan op de gewone manier gegraveerd, stond er midden in het beeld een boompje geheel met schuine arceerstrepen. Heel krachtig stond dat boompje daar, – alsof het gemaakt was door het nagaan van de vorm; maar veel levendiger, van licht en lucht doortrokken. Ook dat is één van de eerste ervaringen die je op dit gebied kan hebben, dat juist deze manier van tekenen de beste weg is bij het zoeken naar wat Rudolf Steiner de ‘intensieve’ werking, het van ‘binnen ook lichtende’ noemde.
Met een eenvoudig voorbeeld wil ik nog laten zien, dat met een schijnbaar zich beperken tot 1 genomen arceerrichting de kunstenaar inderdaad rijkere vormgevingsmogelijkheden krijgt, hoewel het eenvormige karakter van het geheel daardoor in de hoogste mate benadrukt wordt.

Laten we eens drie gelijke driehoeken nemen, in verschillende richtingen gedraaid, een keer met de omtreklijn en een keer met schuine arceerstrepen getekend.

6e klas zwartwit vb Turgenieff 5

In het eerste geval, hoe de driehoek ook gedraaid is, de vorm wordt op identieke manier weergegeven. In het tweede geval ontstaat de noodzaak iedere keer anders te vormen, al naar gelang de plaats die ze inneemt in de totaalcompositie. Zou je in plaats van een simpele driehoek bijv. een gezicht in verschillende richtingen op deze manier tekenen, dan zou je zien hoe eindeloos veelvuldig, hoe vrijheid bevorderend daar juist dit eenheidsprincipe een bewijs voor is.
Het is alleen maar een teken van een gebrek aan zelfvertrouwen te geloven dat een erkende wetmatigheid de vrijheid van de kunstenaar, zijn subjectieve beleven nadelig kan beïnvloeden. Veel meer nog dan de beeldend kunstenaar heeft de musicus de bronnen van zijn scheppen in zijn innerlijke beleving te zoeken; en toch is hij niet bang dat hij zijn beleven afzwakt wanneer hij de objectieve  wetmatigheden van de muzikale wereld bestuderend volgt. Ook een intensivering van het subjectief beleven betekent echter ook voor de beeldend kunstenaar het objectiveren van het beleven, – een innerlijke verrijking, wanneer hij het besluit neemt zijn temperament aan de wereld van de vorm te scholen; ook een veroveren van een grotere uitdrukkingsvrijheid, dan de persoonlijke willekeur ooit zou bereiken. Maar de weg van de kunstenaar eist “tussen expressionisme en impressionisme” een intensiever, maar ook een geduldiger studeren.

‘Vijftig keer moet U dit beeld schetsen, – dan wordt het goed”, hoorde ik Dr.Steiner tegen een kunstenares zeggen; en dat tegen een kunstenares die zeer beslist wel wat kon en talent had.

Wanneer je het karakter van de lijnvoering in de eerste eeuwen van het christendom, inclusief Byzantium en tot in de voor-renaissancetijd  vergelijkt met de onze, krijg je daarbij een heel verschillend gevoel. Het is of de middeleeuwse monnik uit een in het onbestemde, in een aan iets totaals  overgeleverd gevoel dit innerlijke leven of schouwen  wilde bevestigen, zich daarvan bewust wilde worden in de door de omtrek bepaalde lijn. Vanuit het goud-groen dat hij mediterend aftastte, lichtte zijn bewustzijn op aan de daarin geschreven tekens.
Wanneer bepaalde moderne richtingen weer proberen toegang te krijgen tot dit beleven van wat er getekend is, wordt hun lijnvoering gekunsteld; krijgt een gedwongen karakter; want het bewustzijn waaruit de kunstenaar nu kan scheppen, is diametraal tegenovergesteld aan dit voor de renaissance liggende bewustzijn. Van nature heeft het de neiging tot begrenzen, tot afscheiden – een abstract worden en een uitdrukking daarvan is de lijn:

“Slechts in het intellect is de lijn op zijn plaats”, meende Dr.Steiner.

Er hoort een wilsbesluit bij en werken met de beleving zelf om van voorwerpen waaraan we gehecht zijn, weer te komen bij ‘wat er tussen de dingen ligt.’
Uit dit gewonnen beleven van een totaliteit wordt ons de mogelijkheid gegeven de begrenzing weer als een teken van de geest te vinden. Gaan we echter in het arceren ‘mee met de vorm’, dan komen we er onwillekeurig toch toe de begrenzing als lijn te gebruiken. Daarmee hangt nog iets anders samen.

Richting wijzend wordt door Rudolf Steiner dikwijls aangegeven op alle gebied van de kunst, een zin van Goethe uit zijn ‘Spreuken in proza”; ‘wie begint het openbare geheim van de natuur te onthullen, voelt een onweerstaanbaar verlangen naar wie dit het waardigst kan uitleggen, de kunst.’ – Schoonheid is de uiting van verborgen natuurwetten die zonder haar verschijnen eeuwig verborgen waren gebleven,’ zei Goethe op een andere plaats.
Wanneer je de verborgen geheimen in het zwart-wit wil ontdekken, dan vind je tussen deze en de wereld van de kleuren een wezenlijk verschil.  Kleuren hebben de eigenschap een te worden met de vorm. Niet alleen de kleuren van de vaste vormen – bijv. die van het incarnaat of van de planten – maar ook de neiging één te worden, met de vorm en de beweging samen te vloeien, zie je bijv. aan de vluchtige verschijnselen aan de hemel. Kijk je echter naar een belicht gelaat dat zich in het licht langzaam beweegt, zie je onmiddellijk aan deze heel eenvoudige waarneming dat licht en schaduw niets gemeen hebben met de vorm. Alleen de werkingen bereiken het zichtbare, die brengen de dingen in verschijning, behoren echter zelf tot een wereld die met de vormen niets gemeenschappelijks heeft, die niet ‘met de vorm samengaat’.

Probeer je meer vertrouwd te raken met deze beide elementen van licht en donker, dan vind je allereerst, wat in de meest eenvoudige optische proeven bekend is, dat het lichte de neiging heeft zich uit te breiden, groter te lijken – het donkere echter werkt naar binnen, kleiner wordend.

6e klas zwartwit vb Turgenieff 6

Het groter worden van het lichte kun je tegelijkertijd als een tendens karakteriseren van het vluchtiger worden, van het licht worden, van wat naar boven streeft, – zoals het donkere als een zich sluitende, zich samenballende kracht kan worden ervaren, die naar onder in de zwaarte schiet.
Wanneer de mens probeert deze dualiteit in zichzelf mee te beleven, zich ermee uiteen te zetten, dan kan hij een gewaarwording hebben, dat zijn linker kant zich meer verwant voelt met de meer vluchtige krachten; de rechter meer met de vaster wordende krachten. Het innerlijke gebaar dat een relatie tot deze beide krachten vormt – het gebaar van een levendig, beweeglijk evenwicht, heeft voor de mens tot gevolg de schuine richting van boven links naar beneden rechts.

De ‘van boven rechts naar beneden links’- voor de kijker – toegepaste streep die de wisselwerking van licht en schaduw veroorzaakt, om het even of je vanuit het lichte naar het donkere toewerkt of omgekeerd, hangt samen met de ‘geheime natuurwetmatgheden’, waarvoor het kunstzinnige de opdracht heeft de uitlegger te kunnen zijn.

“Gelooft u dat je met deze methode nu iets grootsers in het licht-donker kan bereiken dan Rembrandt gedaan heeft?’- werd ik een paar keer gevraagd.
Zeer zeker niet.  Rembrandts kunstenaarschap als gave Gods is en blijft uniek. En tot een erkende, anders gezegd: in het bewuste gevoel waargenomen methode zo ver innerlijk verwerkt dat ze tot een nieuwe scheppingskracht zich in ons metamorfoseert, hoort nog een zeer lange weg van persoonlijke ervaringen; behoort een inspiratie die het werk tegemoet komt. Bovendien behoren deze kunstzinnige mogelijkheden, die we nog maar net kunnen bevroeden, misschien niet tot een toekomst die wij kunnen bepalen. We zouden slechts moeten afzien van deze toekomst van een in de werkelijkheid van de geest opnieuw gefundeerd kunstenaarsschap, was ons niet de mogelijkheid gegeven aan de geestelijke inhoud van de elementen zelf die een kunst tot kunst maken – of het nu het woord is, de klank, kleur of licht en schaduw – te leren die tot onze ‘leermeester te maken’, zoals Rudolf Steiner het eens onder woorden bracht.
Deze dingen kunnen hier slechts gebrekkig geschetst worden. Anderen kunnen aan deze kennis andere ervaringen opdoen. Hiermee wordt slechts aangeduid waarom het belangrijk leek de schijnbaar toevallige, eenvoudige opmerkingen van Rudolf Steiner zo goed als mogelijk weer te geven.

Voorbeelden van arceerwerk: VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas tekenen – zwart-wit (2)

6e klas: tekenen zwart-wit (1)

6e klas: alle artikelen

1064-986

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – tekenen – zwart/wit (1)

.

Met het 11e, 12e jaar komt het kind – de een wat eerder, de ander wat later – in een nieuwe ontwikkelingsfase.
Lichamelijk begint er van alles te veranderen. Opvallend is de verandering in de ledematen: armen en benen lijken overmatig te groeien: het kind ziet er ‘slungelig’ uit.
De blik wordt anders: scherper, maar tegelijkertijd kan het kind zich in ‘dagdromen’ verliezen.
Een uitvoerigere beschrijving van een zesde-klasser vind je hier 

Rudolf Steiner beschrijft deze ontwikkeling vanuit het 4-ledig mensbeeld zo, dat duidelijk wordt, dat in het kind iets nieuws geboren wordt: het astraallijf: de ziel als vermogen om de buitenwereld te verinnerlijken en de binnenwereld naar buiten te brengen.
Niet, natuurlijk, dat het kind daarvóór géén ziel had, maar deze was veel inniger verbonden met de levenskrachten. Nu wordt deze ziel veel zelfstandiger, maar ‘eigen’, met o.a tot gevolg: een eigen oordeelsvorming.
Die is uiteraard ook weer sterk aan de eigen zielenstemming gebonden, maar door het zelfstandiger worden, ontstaat ook de mogelijkheid tot objectiveren; tot het andere zien; maar ook de ander.

Zoals we dat kennen van de puber: het zijn stormachtige ontwikkelingsprocessen.

Het systeem van botten, de krachten van het mechanisch-dynamische krijgen overwicht op de ritmisch-bewegende krachten. De jonge mens stoot zich aan de materie en vanuit de ziel ontstaat passief en actief verzet. Sombere gedachten naast grote idealen;  alsof er een strijd begint tussen licht en duisternis.

Het vrijeschoolleerplan is a.h.w. een antwoord op de ontwikkeling van de kinderziel (anders is het geen vrijeschoolleerplan) en vanaf klas 6 worden daarom vakken geïntroduceerd die tegemoet komen aan wat het kind nu gaat doormaken.

Nu het kind echt aardeburger gaat worden, maakt hij kennis met de ‘aarde’vakken: natuurkunde, scheikunde, mineralogie, voeding.

En verrassend: om niet alleen maar ‘naar beneden’ te kijken: boven ons bevindt zich een wereld van grote schoonheid: de sterren: de 7e klas verdiept zich een periode lang in ‘de hemel’.

Dit ‘hemelhoog juichend, dodelijk bedroefd’ [1] wordt a.h.w. beantwoord met het zwart-wit tekenen.

Wie naar bovengenoemde vakken kijkt, zal zien dat het vooral vakgebieden zijn waarbij je moet waarnemen. Intensief moet waarnemen.
Terwijl er in het kind van alles aan gevoel opwelt, wat hem in beslag neemt, wordt bij deze vakken de aandacht verplaatst naar de buitenwereld en n.a.v. van wat het daar opmerkt, moeten nu oordelen worden geveld.
Je zou kunnen zeggen: in een wereld van grote subjectiviteit (eigen gevoelsleven) wordt de blik gericht op de wereld van grote objectiviteit: ‘zo is het – of je het nu mooi vindt of niet; of je het er mee eens bent of niet’.

Denken = oordelen, kan niet zonder waarnemen.

Rudolf Steiner:
In de tijd gaat het waarnemen aan het denken vooraf.
Waarnemen roept het denken op.
Met het waarnemen is niet gelijktijdig het begrip gegeven. Mijn denken voegt het begrip toe. [2]

Deze gezichtspunten zijn dus voor vakken als natuur- en scheikunde uitermate belangrijk. Niet allerlei al gevonden wetmatigheden uit het hoofd leren, maar door waarnemen zelf op de al bekende natuurwetten komen.

Bij het tekenen – dat is tenslotte een kunst – gaat het niet in de eerste plaats om het denken dat door waarnemen gevormd kan worden, maar door doen.

Wanneer het om ‘licht-donker’ gaat, gaat het zeker om ‘schaduw’. En de leerlingen moeten deze allereerst goed leren waarnemen.
Dan moet er een lichtbron zijn en een voorwerp waarop het licht valt en een schaduw geeft.

Hoe ziet de schaduw van een bol eruit, of een ander voorwerp.

In ‘Vrije opvoedkunst’ – staat een artikel waarin beschreven wordt hoe Rudolf Steiner in 1923 in een klas van de vrijeschool Den Haag tekenles geeft.
Het betreft hier een 4e klas:

‘Steiner nam een theekopje in de hand en toonde het de kinderen. ,.Dit is een theekopje. Wat zie je er nu aan?” zei hij, terwijl hij het gordijn voor het raam heen en weer schoof. De kinderen zagen nu het licht meer en minder sterk op het kopje vallen, zodat de schaduwzijde meer en minder duidelijk zichtbaar werd. Na enige tijd merkten ze waar het om ging en antwoordden: „schaduw”.
„Juist,” zei Dr. Steiner en tekende op het bord schaduw.

6e klas zwartwit vb Steiner

Daarna nam hij een bordendoek.
„En hoe lopen hier de schaduwen?” vroeg hij. De kinderen wezen met de handen aan: vertikaal.
„Zo!” zei Dr. Steiner en tekende bruine schaduwstrepen.

6e klas zwartwit vb Steiner 2

Nu nam hij de spons en vergeleek die met het theekopje; aan de spons zijn n.l. nog afzonderlijke schaduwen door alle sponsgaten. Daarna sprak hij over de slagschaduw, die het theekopje op tafel wierp. En kleurde het bovenste groen, het onderste lichtbruin en stromend geel van links.

„Wat is dat nu?” vroeg hij de kinderen.

„Een boom!’’ riepen ze na enige tijd vol enthousiasme.

6e klas zwartwit vb Steiner 3

Steiner werkt in deze klas nog met kleur.

(In klas 4 kan zeer zeker al met houtskool worden gewerkt, bijv. wanneer er dieren worden getekend.)

Uit dit voorbeeld van Steiner is duidelijk dat hij hier de kinderen iets laat waarnemen, wat ze eigenlijk vanuit hun eigen leven al kennen: een boom. De contouren komen echter niet tot stand door het trekken van lijnen, maar door de werking van licht/donker. ‘Lijnen zijn abstracties’, zei Steiner meer dan eens.

Wat een fijne voorbereiding kan het zijn wanneer je met een 6e klas buiten gaat zien, hoe licht op een voorwerp en de daardoor geworpen schaduw eruit zien.

Voor een deel van de opmerkingen in dit artikel maakte ik gebruik van  ‘Der künstlerische Unterricht in der Waldorfschule – malen und zeichnen [2]

De leerkracht kan er niet omheen, zelf eerst op ontdekkingsreis te gaan om de wereld van de schaduw te bestuderen. De herfst is daarvoor heel geschikt. Wanneer op een heldere dag in oktober het licht door de bomen valt, vertonen zich op de bladeren bijzonder mooie licht-donkerschakeringen. Aan de boomstammen en takken zie je lichte en donkere schaduwpartijen die er elk naar gelang de boomsoort verschillend uitzien. De belichte kant van een berkenstam licht wit op; de niet-belichte grijs-wit.

de belichte kant van een goudenregen is goud-groen; de niet-belichte zwart.
Overal wordt door het licht/donker de plastiek van de boom zichtbaar.
De herfst is de tijd van de lange slagschaduwen. In de vroege namiddag zijn ze net zo lang als in de zomer op avond. Langs wegen en straten met bomen zie je brede en smalle; elkaar snijdende schaduwen.

Voor je met houtskool begint, kun je met de klas een gezamenlijke wandeling maken en de leerlingen de veelsoortige schaduwindrukken in zich laten opnemen.
Gaat de weg langs een watertje waaraan oude huizen staan met spitse daken en hoge schoorstenen, zie je een bijzondere hoeveelheid slagschaduwen. Ze vallen óveral op en maken zichtbaar of een voorwerp vlak, steil, spits of rond is.

Wanneer dan het eigenlijke tekenen begint, moeten de kinderen met het materiaal – houtskool of grafietstift, vertrouwd raken (dat kunnen ze vanaf klas 4 al zijn).

Eerst moeten ze nog eenvoudige oefeningen maken om de techniek te leren beheersen: er wordt met de lange kant gewerkt, niet met de punt.

Het fijnste werkt het wanneer het papier op de tekenplank vastzit, met plakband.

De kinderen kunnen ervaren dat het lichte groter lijkt; alles wat donker is kleiner.
Er zijn leerlingen die het moeilijk vinden om te differentiëren in lichter en donkerder: bij hen overheerst een zelfde grijstint. Ze schilderen nog meer dan ze tekenen.

Na dit ‘in-oefenen’ komt de volgende stap: bijv. het tekenen van een bol, een cilinder, een kegel.

Eerst demonstreer je het met een groot model, waaraan de kinderen zich ook oriënteren kunnen. Daarvoor moet je een (sterke) lamp hebben die je op het voorwerp richt.

Op het bord doe je dan voor hoe je het voorwerp uitspaart. Vanuit de omgeving moet je voorzichtig met grijs (dun) het voorwerp naderen. Wanneer dat dan zichtbaar is als uitgespaarde vorm, moet de plastiek aangebracht worden. Daarvoor is de lichtbron bepalend. De belichte zijde blijft wit. Vandaaruit moet je langzaam in fijne nuances naar het wat donkerder is. Als dat klaar is, kan de slagschaduw worden aangebracht.

Goed waarnemen. Niet te snel, voorzichtig werken. Veel oefenen. Het gaat om het leerproces, niet meteen om het resultaat. Sommige kinderen zullen moeten oefenen, oefenen en oefenen. Anderen zullen het sneller beheersen. Die hebben een andere, wat moeilijkere opgave nodig. Op den duur zal niet iedereen op hetzelfde niveau bezig zijn.

In plaats van 1 kegel staan er 2, wat van elkaar verwijderd, waarbij de schaduw van de een op de schaduw van de ander valt.
Op de blog: VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas – tekenen – zwart/wit vind je deze voorbeelden in het groot:

Om te beginnen:

6e klas zwartwit 3 6e klas zwartwit 2

.

meerdere:

6e klas zwartwit 6

6e klas zwartwit 5

6e klas zwartwit 8

.

andere vormen:

6e klas zwartwit 4

6e klas zwartwit 7

.

[1] Uit drama ‘Egmond’ Goethe: Klärchens Lied
[2] Rudolf Steiner: GA 4 Filosofie der vrijheid
[3] Jünemann/Weitman: ‘Die künstlerische Unterricht in der Waldorfschule’

Uitleg over ‘schaduw’ (Engels)

.

Vrijeschool in beeld: 6e klas tekenen

.

1063-985

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (12)

DE STAD EN DE MUREN

leven O.T. 561. Teil el-Hesi, een ruïneheuvel na gedeeltelijke afgraving.
Waar eens een oude stad was, verheft zich nu een ruïneheuvel. Zo’n ruïneheuvel heet in de Statenvertaling „hoop”; Jozua stelt Ai tot een teil of hoop (Joz. 8 : 28) en Jeremia zegt van Jeruzalem dat de stad herbouwd zal worden op haar hoop, op de ruïneheuvel (Jer. 30 : 18).
.
leven O.T. 572. Doorsnede van Teil el-Hesi,
waar de opgravers in opvolgende lagen de aanwezigheid van „acht steden” in onderscheiden tijden konden aflezen. Uit de cultuurresten kan men de ouderdom van een nederzetting bepalen. De stijl van het aardewerk is van belang: men kan aan de potscherven zien uit welke tijd een laag dateert. De opgraver Bliss vond in de 4e stad een kleitafeltje, dat men kon indelen bij de categorie van de Amarnabrieven en daarmee dateren als een product uit de 15e eeuw. Scarabeeën uit de 18e dynastie (zegelsteentjes in de vorm van een mestkever; typisch voor de Egyptische godsdienst) wezen er ook op, dat men zoeken moest in de richting van het jaar ± 1400 voor Christus. Zodat men de 4e stad, boven de aslaag a moet stellen rond 1400 voor Christus. Misschien is Teil el-Hesi het Bijbelsche Eglon (Jozua 10 : 3).
.

leven O.T. 583. Muur van Teil Beit Mirsim
(het oude Kirjath Sefer, „de boekenstad”, veroverd door Othniël; Richt. 1 : 12). De muren van de steden waren in die tijd een samengesteld bouwwerk, bestaande uit een wal van zand en puin, die aan de buitenzijde (a) is afgedekt door een bekleding van zware steenblokken. Aan de binnenzijde kan dan nog een tweede muur staan om de aarden vulling vast te houden.
De figuren van de man beneden en boven tonen duidelijk de hoogte van de muur; dit maakt verklaarbaar, dat de verspieders in benauwdheid spraken: de steden zijn groot en gesterkt tot in de hemel toe (Deut. 1 : 28).
.

leven O.T. 594. Poort geflankeerd door torens
In de stadsmuur van de kleinere steden was meest één poort [„de poort van de stad”, Luk. 7 : 12]. De deuren van de poort (d) waren met ijzer beslagen (Jes. 45 : 2). Ter weerszijden de poorttorens (a); volgens Prof. de Groot waren deze mogelijk 12 m. breed en sprongen een paar meter naar voren. De poorttoren had boven kantelen (b) (getand muurwerk); de tandvormige bovendelen zijn de tinnen ter verdediging. Boven de poort (c) was de plaats van de wachter (2 Sam. 18 : 24).
.

leven O.T. 605. Dubbele muur
Een stad als Jericho was omgeven door een dubbele muur; de binnenste (c) was 3,30—3,70 m. dik; en daarvoor een voormuur (a) (1,50—1,60 m. dik); zo’n voormuur heet in de Statenvert. ook wel „voorschans” (Jes. 26 : 1). Jeremia kon van Zion klagen: Hij heeft de voormuur (a) en de muur (c) tezamen treurig gemaakt (Klaagl. 2 : 8). De muren rusten op een grondslag van veldstenen; daarop was een muur van leemtegels. Op de hoek van de hoofdmuur is een sterke toren of burcht (b) de laatste plaats van de verdediging (Richt. 9 : 49, 51). Tussen de poort van de voormuur (b) en die van de binnenmuur (e) was de plaats tussen de twee poorten (2 Sam. 18 : 24). De poort is bij de bronvijver (g); het is een levensbelang, dat de stad water ter beschikking heeft en is dus bij een bron gebouwd (bijv. Rama; 1 Sam. 9 : 11). De uitbouwen (c) dienden als „schuttersplaatsen”.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1062-984

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 309 – voordracht 2

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom): pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 309: vertaling
inhoudsopgave
voordracht  [1]   [3]   [4]   [5]
vragenbeantwoording (1)
vragenbeantwoording  (2)
vragenbeantwoording (3}
toespraak

RUDOLF STEINER

UITGANGSPUNTEN VAN HET VRIJESCHOOLONDERWIJS

5 voordrachten gehouden in Bern van 13 t/m 17 april 1924, met beantwoording van vragen en een toespraak bij een pedagogische euritmie-opvoering.[1]

Inhoudsopgave 2e voordracht 14 april 1924:
Uit een natuurwetenschappelijke overtuiging kan geen echte menskunde komen. Wakker is een winteractiviteit in het organisme, slapen zomeractiviteit. Voorstellingsoefeningen om het denken te ontwikkelen.
Denken in het etherlijf.
Het kind is een nabootsend wezen; er leeft natuurreligie in hem.
Het neemt in gebaar en blik de moraliteit van de omgeving waar.

2e voordracht, Bern, 14 april 1924 [2]

blz.23:

Sie werden gesehen haben, daß es sich bei der Grundlegung einer pädago­gischen Kunst um eine Menschenerkenntnis handelt, die intimer an den Menschen herandringen kann als diejenige Menschenerkenntnis, die heute anerkannt wird dadurch, daß man jegliches Erkennen naturwis­senschaftlich begründen will. Da aber, wie wir gesehen haben, Natur­wissenschaft überhaupt nicht in Wirklichkeit an den Menschen und sein Wesen herandringen kann, so kann eben aus einer naturwissen­schaftlichen Gesinnung keine wirkliche Menschenerkenntnis kommen. Anthroposophie will wirkliche Menschenerkenntnis neben einer sol­chen Welterkenntnis liefern, die geistdurchdrungen ist, weil die Welt selbst geistdurchdrungen ist. Dadurch möchte Anthroposophie auch begründen können eine wirkliche Pädagogik. Man soll aber nun ja nicht glauben – dieser Irrtum kann leicht entstehen -, daß irgend bei denjenigen Persönlichkeiten, die sich zu Anthroposophie bekennen, der Drang besteht, anthroposophische Schulen zu begründen, Schulen, in denen Anthroposophie als Weltanschauung, wie es nun heute ein­mal ist, an die Stelle anderer, verstandesmäßiger, herzmäßiger Welt­anschauungen gesetzt werden soll.

We hebben gezien dat het bij de grondbeginselen van een pedagogische kunst om menskunde gaat die de mens subtieler benaderen kan dan de huidige menskunde, die erkend wordt doordat men alle kennis een natuurwetenschappelijke basis wil geven. Omdat echter, zoals we gezien hebben, de natuurwetenschap dus niet echt bij de mens en het wezenlijke van hem in de buurt kan komen, kan dan vanzelf uit natuurwetenschappelijke opvattingen geen echte menskunde komen. Antroposofie wil echte menskunde naast een dergelijke wereldbeschouwing aanreiken,waarin de geest volledig aanwezig is, omdat deze ook volledig aanwezig is in de wereld. Daarom zou antroposofie voor een echte pedagogie de basis kunnen leggen. Nu moet je echter niet geloven – die vergissing kan makkelijk gemaakt worden – dat bij deze of gene personen die achter de antroposofie staan, de behoefte gevoeld wordt, antroposofische scholen te stichten; scholen waarin de antroposofie als wereldbeschouwing zou moeten komen in plaats van andere wereldbeschouwingen, intellectuele, meer vanuit het hart, zoals dat tegenwoordig nu eenmaal gaat.

Das ist zunächst gar nicht die Ab­sicht, und es ist wichtig, daß man berücksichtige, daß das gar nicht die Absicht ist. Die Pädagogik, von der hier gesprochen wird, will in sich aufnehmen aus Anthroposophie lediglich die methodischen und didak­tischen Elemente im Erziehen und Unterrichten. Und nur weil die be­rechtigte Ansicht bestehen kann bei denjenigen, die in Anthroposophie wirklich eindringen, daß diese imstande ist, aus ihrer Menschenerkennt­nis heraus auch die entsprechenden wirklich praktischen Regeln zur Menschenbehandlung zu finden, deshalb darf auch angenommen wer­den, daß in die Handhabung, in die Methode, in das Wie des Lehrens und Erziehens durch die Anthroposophie dasjenige hineinkommt, was überhaupt notwendig ist.
Ich möchte nun wie als eine Anmerkung erwähnen, daß wir ja in Stuttgart, wo wir in der Lage sind, seit Jahren im Sinne der anthroposophischen

Dat is, om te beginnen, helemaal de bedoeling niet en het is belangrijk dat je er rekening mee houdt, dat dat helemaal de bedoeling niet is. De pedagogie waarover hier gesproken wordt, neemt uit de antroposofie enkel en alleen de methodische en didactische elementen bij het opvoeden en onderwijzen. En slechts omdat de gerechtvaardigde opvatting kan bestaan bij hen die daadwerkelijk in de antroposofie doordringen dat deze in staat is uit haar menskunde ook de adequate, werkelijk praktische regels bij de omgang met de mens te vinden, daarom ook mag worden aangenomen  dat in die omgang, in de methode, in het hoe van het onderwijzen en opvoeden door de antroposofie daarbij komt, wat daadwerkelijk nodig is.
Ik zou nu  willen opmerken, dat wij in Stuttgart, waar we in staat zijn, sinds jaren in de zin van de antroposofische

blz. 24:

Pädagogik in der Waldorfschule zu wirken, auch nach außen hin ganz klar erkennen ließen, daß es nicht darauf ankommt, Anthroposophie als solche in die Schule hineinzutragen. Wir haben einfach den Religionsunterricht als solchen übergeben für katholische Kinder dem katholischen Priester, für evangelische Kinder dern evan­gelischen Pfarrer, und nur für diejenigen Kinder, deren Eltern wün­schen, daß sie eine freie Religionslehre bekommen, für die werden freie Religionslehren aus der Anthroposophie heraus gegeben; so daß das Weltanschauungsmäßige in der Waldorfschule eigentlich nicht be­rührt wird.
Ferner ist das noch zu beachten, daß zunächst auch nicht gedacht werden soll, daß irgend die Begründung von Schulen im weitesten Umfange ein Ziel und Ideal sein muß desjenigen, was mit anthroposo­phischer Pädagogik erzielt wird. Gewiß, will man rein in anthroposo­phischer Methodik unterrichten, braucht man Musterschulen. Solche Musterschulen sind schon dringend notwendig. Aber da die anthro­posophische pädagogische Kunst zunächst ein Methodisch-Didaktisches sein soll, also das Wie des Unterrichts betont, so handelt es sich darum, daß sie überallhin, in jede Art von Schule, in jede Art des Unterrichts durch den einzelnen Lehrer gebracht werden kann.

pedagogie op de vrijeschoolte werken, ook naar de buitenwereld heel duidelijk lieten weten, dat het er niet op aankomt, antroposofie als zodanig in de school te introduceren. We hebben eenvoudig het godsdienstonderwijs als zodanig overgedragen aan de priester voor de katholieke kinderen en aan de evangelische dominee voor de evangelische kinderen en alleen voor die kinderen waarvan de ouders wilden dat ze een vrije godsdienstleer zouden krijgen, voor hen worden vrije godsdienstlessen gegeven vanuit de antroposofie; zodat wereldbeschouwing op de vrijeschool eigenlijk niet aan bod komt.
Verder moet je er nog rekening mee houden dat om te beginnen ook niet moet worden gedacht dat ergens de stichting van scholen in de ruimste zin van het woord een doel en ideaal moet zijn van wat met antroposofische pedagogie nagestreefd wordt. Zeker, wanneer je puur met antroposofische methodiek les wil geven, heb je modelscholen nodig. Dergelijke modelscholen zijn al dringend nodig. Maar omdat de antroposofische pedagogische kunst allereerst een methodisch-didactische moet zijn, dus het hoe van het onderwijs benadrukt, gaat het erom dat ze overal, in elke school, in elke vorm van onderwijs door de individuele leraar in praktijk gebracht kan worden.

Es handelt sich nicht darum, durch anthroposophische Pädagogik an den Anstalten Revolutionen oder dergleichen hervorzurufen, auch nicht im leise­sten Sinne, sondern darum, aus anthroposophischer Pädagogik und Menschenerkenntnis zunächst Richtlinien zu finden, wie unterrichtet und erzogen werden soll.
Nun haben Sie gesehen, daß es sich dabei handelt um ein intimeres Betrachten und Beobachten des Menschen, als es nun schon einmal heute üblich ist. Man lernt heute auf gewissen Gebieten recht exakt beobach­ten, und was nach dieser Richtung geleistet wird in sogenannter Nähe­rungsbeobachtung, sagen wir zum Beispiel bei Beobachtung der Sterne durch das Teleskop, oder sagen wir auf dem Felde der Meßkunst – es könnte für viele Dinge angeführt werden -, das ist etwas, was hervor­geht aus dem Gefühl, intim im mathematischen Sinne zu beobachten. Aber intim zu beobachten in dem Sinne, daß sich dadurch enthüllen feine Übergänge im Seelischen des Menschen oder auch feine Übergänge

Het gaat er niet om, door antroposofische pedagogie in de instellingen revoluties of iets dergelijks te ontketenen, ook niet in de minste mate, maar om vanuit de antroposofische pedagogie en menskunde eerst richtlijnen te vinden hoe er opgevoed en lesgegeven moet worden.
Je hebt gezien dat het daarbij gaat om een subtieler nadenken over en waarnemen van de mens zoals dat nu eenmaal gebruikelijk is. Men leert tegenwoordig op bepaalde terreinen goed exact waar te nemen en wat in deze richting gepresteerd wordt in de zgn. positioneringsinformatie, laten we bijv. zeggen bij het waarnemen van sterren door de telescoop, of op het gebied van metingen – je zou het voor veel dingen kunnen noemen -, dat is iets wat uit een gevoel komt om in wiskundige zin waar te nemen. Maar subtiele waarnemingen in die zin dat daardoor fijne overgangen in het zielenleven van de mens of ook fijne overgangen

*Waldorfschule=vrijeschool: schoolgemeenschap voor basis- en middelbaar onderwijs, 1919 door industrieel Dr.h.c. Emil Molt in Stuttgart opgericht in samenhang met de beweging voor driegeleding van het sociale organisme. De leiding van de school was in handen van Rudolf Steiner tot zijn dood (1925)

blz. 25

der menschlichen Organisation, das haben wir gerade aus jener naturwissenschaftlichen Gesinnung, die sich in den letzten drei bis vier Jahrhunderten herausgebildet hat, heute im allgemeinen Zivili­sationsleben doch nicht. Und deshalb werden auch die für das Erzie­hen so wichtigen Übergänge, wie sie vorliegen beim Zahnwechsel, bei der Geschlechtsreife und selbst noch nach dem 20. Jahr, nicht beob­achtet.
Gewiß, man redet von diesen Übergängen, aber man redet nur von dem, was sich in grobem Sinne im physischen Leib abspielt, und was im Seelischen zum Ausdruck kommt durch eine grobe Abhängigkeit der Seele vorn physischen Leib. Aber man weiß wenig zu sagen, wie das Kind vor dem Zahnwechsel in seiner ganzen leiblich-körperlichen Or­ganisation verschieden ist von dem, wie es sich darlebt in der zweiten Epoche, zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife. Zu die­sen Dingen gehört eben eine feinere Beobachtungsmethode. Und da Anthroposophie ausgeht auf Beobachtung des Geistigen in der Welt, wie es sich überall ausspricht in der Welt, und wie es die meisten Men­schen nicht anerkennen wollen, so hat sie die Kraft in sich, daß auch solche Persönlichkeiten, bei denen es durch ihr Schicksal noch nicht dahin kommen kann, daß sie nun gleich den Blick in die geistige Welt hinein bekommen, nun

in het menselijk organisme zichtbaar worden, dat hebben we nu juist door die natuurwetenschappelijke gezindheid die zich de laatste drie vierhonderd jaar ontwikkeld heeft, in het huidige culturele leven toch niet. En daarom worden de ook voor de opvoeding zo belangrijke overgangen zoals die van de tandenwisseling, bij de puberteit en zelfs nog daarna, niet opgemerkt.
Zeker er wordt wel over die overgangen gesproken, maar men praat alleen maar over wat zich ruwweg in het fysieke lichaam afspeelt en wat in het zielengebied tot uitdrukking komt door een vage afhankelijkheid van de ziel van het fysieke lichaam. Maar men heeft weinig te zeggen over hoe het kind vóór de tandenwisseling in zijn hele lichamelijke organisatie verschilt van hoe het zich gedraagt in de tweede leeftijdsfase, tussen de tandenwisseling en de puberteit. Voor deze dingen is nu eenmaal een subtielere methode van waarnemen vereist. En aangezien antroposofie uitgaat van het waarnemen van de geestelijke wereld, hoe deze zich overal in de wereld manifesteert, wat de meeste mensen niet willen onderkennen, heeft ze de kracht in zich dat ook die personen die door het lot nog niet zover konden komen, dat ze meteen een blik in de geestelijke wereld kunnen werpen, nu

doch, wenn sie beginnen, jene inneren Seelenübungen zu machen, welche nach und nach darauf hinauslaufen, einen wirklichen Einblick in die geistige Welt zu haben, eben durch den An­fang dieser Seelenübungen dazu kommen, eine feinere Menschenbeob­achtung zu entwickeln. Denn bedenken Sie, alles Forschen in der gei­stigen Welt beruht darauf, daß man in dem Geistig-Seelischen des Men­schen, in dem Übersinnlichen, in demjenigen, von dern ich gestern ge­sagt habe, daß es aus vorirdischem Dasein heruntersteigt und sich mit dern vererbten physischen Körper verbindet, daß man in diesem Über­sinnlichen übersinnliche Organformen, Augen und Ohren der Seele ent­wickelt hat, wie der Körper Augen und Ohren hat, so daß man unab­hängig vom Körper wahrnehmen kann.
Der Mensch ist jede Nacht im Schlaf unbewußt in dem Zustand, in dem man sein muß, wenn man geistig forscht. In dem Augenblicke, wo man einschläft, geht man mit seinem Geistig-Seelischen aus dem

toch, wanneer zij beginnen die innerlijke zielenoefeningen te doen, die er op de duur in uitmonden een werkelijk zien in de geestelijke wereld te bezitten, zelfs door het begin van deze zielenoefeningen ertoe komen, een subtieler waarnemen van de mens te ontwikkelen. Want bedenk wel, alle onderzoek in de geestelijke wereld berust erop dat je in de geest, de ziel van de mens, in het bovenzintuiglijke, in waarvan ik gisteren gezegd heb dat het uit het voorgeboortelijke incarneert en zich met het geërfde fysieke lichaam verbindt, je in dit bovenzintuiglijke voor dit bovenzintuiglijke, organen – ogen en oren van de ziel ontwikkelt, zoals het lichaam ogen en oren heeft, zodat je onafhankelijk van het lichaam kan waarnemen.
De mens is iedere nacht in zijn slaap onbewust in een toestand waarin je moet zijn wanneer je geestelijk onderzoek doet. Op het ogenblijk waarop je in slaap valt, ga je met je geest-zielenwezen weg van je

blz. 26

physischen Leibe heraus. In dem Augenblicke, wo wir aufwachen, gehen wir mit dem Geistig-Seelischen in den physischen Leib wieder­um hinein. Wir sehen beim wachenden Menschen, wie er sich seiner Augen und Ohren bedient, wie er seine Glieder in Regsamkeit versetzt. Sowohl das Sich-Bedienen der Sinnesorgane wie das In-Regsamkeit-Versetzen der Glieder geht aus von dem Geistig-Seelischen. Auch eine wahre Naturerkenntnis, wie wir sie heute noch nicht haben, lehrt, daß die physischen Außerungen während des Wachens gehandhabt werden von dem Geistig-Seelischen, und daß nur eine Unterbrechung dieser Tä­tigkeit des Geistig-Seelischen vorliegt vom Einschlafen bis zum Auf­wachen. Auch dieser Unterschied zwischen dem Schlafen und dem Wa­chen ist noch zu fein für das an den naturwissenschaftlichen Methoden heranerzogene heutige Denken, das wir heute schon mit der kindlichen Erziehung aufnehmen. Denn im Schlaf ist der Mensch ganz und gar denjenigen Tätigkeiten seiner Organisation hingegeben, denen Mineral und Pflanze hingegeben sind.
Man darf aber nicht sagen – gerade in der Geisteswissenschaft, in der Anthroposophie muß exakt und genau gesprochen werden -, der Mensch sei schlafend eine Pflanze; das ist er natürlich nicht.

fysieke lichaam. Op het ogenblik dat we wakker worden, verbindt onze geest-ziel zich weer met het fysieke lichaam. Wij zien bij de mens die wakker is, hoe hij zijn ogen en oren gebruikt, hoe hij zijn ledematen beweegt. Zowel het gebruiken van de zintuigorganen als ook het bewegen van de ledematen gaat uit van de geest, de ziel. Ook een echte kennis van de natuur die we nu nog niet hebben, leert ons dat de ziel, de geest zich fysiek uiten tijdens dat we wakker zijn en dat die activiteit van  ziel en geest alleen onderbroken wordt tijdens het inslapen tot het wakker worden. Ook het verschil tussen slapen en wakker zijn is nog te subtiel voor het huidige denken dat door de natuurwetenschappelijke methoden ontwikkeld is, en wat we tegenwoordig al als kind met onze opvoeding in ons opnemen. Want slapend is de mens helemaal overgeleverd aan de activiteit van zijn organisme, waaraan ook het mineraal en de plant overgeleverd zijn. Echter mag je niet zeggen – juist in de geesteswetenschap, in de antroposofie moet exact en zorgvuldig gesproken worden -, dat de mens slapend een plant is, dat is hij natuurlijk niet.

Er ist es seiner Organisation nach nicht. Er ist in seiner Organisation so, daß die mineralischen und pflanzlichen Substanzen herauforganisiert sind bis zum Tierisch-Menschlichen. Die Pflanze hat keine Muskeln, hat keine Nerven. Nerven und Muskeln sind natürlich auch während des Schlafes im Menschen. Und das Bedeutsame für den Menschen – in gewisser Beziehung auch für die Tiere, aber darum kann es sich jetzt nicht handeln – ist, daß die rein vegetative Tätigkeit, die sonst in der Pflanze nichts mit Muskeln und Nerven zu tun hat, daß die jetzt mit Muskeln und Nerven über das Substantielle kommt, so daß auch die Schlaftätigkeit des Menschen nicht eine bloße Pflanzentätigkeit ist. Aber der Impuls ist derselbe wie der, der in der Pflanze ist.
Daher geschieht auch während des Schlafes im Menschen etwas an­deres als in der Pflanze. Aber um sich eine Vorstellung von dem zu machen, was da eigentlich vorgeht, muß man das Folgende sagen: Wäh­rend des Wachens ist dem menschlichen Organismus das Geistig-See­lische eingegliedert. Dieses Geistig-Seelische zeigt, wenn man es beobachtet,

Wat zijn organisme betreft is hij dat niet. Hij is als organisme zo dat de minerale en vegetatieve substanties tot het dierlijk-menselijke opgeklommen zijn. De plant heeft geen spieren, heeft geen zenuwen. Zenuwen en spieren zijn er natuurlijk ook tijdens de slaap van de mens. En belangrijk voor de mens – in zekere zin ook voor het dier, maar daar kan het nu niet over gaan – is, dat de puur vegetatieve activiteit die anders in de plant niets met spieren en zenuwen van doen heeft, juist met spieren en zenuwen boven dit substantiële uitgaat, zodat ook de activiteit van de mensenslaap niet alleen maar een plantenactiviteit is. Maar de impuls is dezelfde als bij de plant. Daarom gebeurt er ook tijdens de slaap bij de mens wat anders dan bij de plant. Maar om je er een voorstelling van te maken wat er gebeurt, moet je het volgende zeggen: tijdens het wakker zijn, vormt de geest-ziel een deel van het menselijk organisme. Deze geest-ziel laat , wanneer je ze waarneemt, weliswaar

blz. 27:

zwar eine gewisse Ahnlichkeit mit dem ganzen Universum, dem ganzen Kosmos, aber eben nur eine Ahnlichkeit, so daß, wenn wir das Pflanzenwachstum beobachten, sich das Folgende herausstellt: Wir se­hen im Frühling, wenn der Schnee zurückgegangen ist, von der Erde heraussprießen und sprossen die Pflanzen, sehen sie ihr Wesen entfal­ten. Wir sehen gewissermaßen das Pflanzenwachstum, das angewiesen war bis dahin auf die Kräfte, die sich seit dem vorjährigen Sonnendasein als Sonnenschein in der Erde angesammelt haben. Aus diesen in der Erde angesammelten Sonnenkräften – man kann es so sagen – werden die Pflanzenwesen im Frühjahr entlassen und vom äußeren Sonnen­schein in Empfang genommen, durchgeführt durch die Sommerzeit, bis der Same herangereift ist. Dann geht im wesentlichen das Wachs­tum wieder über auf die Erde. Während des Sommers kommt dasjenige, was sonst Kraft der Sonne ist, in die Erde hinein, sammelt sich dort. In der Erde hat man fortwährend die angesammelte Sonnenkraft. Man braucht nur daran zu erinnern, daß man eigentlich jetzt die Kraft der Sonne, die einmal vor Jahrmillionen die zu Steinkohlen gewordenen Pflanzen beschienen hat, in den heutigen Öfen heizt. Kürzere Zeit be­wahrt wird die Sonnenkraft in jedem Jahr in der Erde.

een bepaalde overeenkomstigheid met het hele universum, met de hele kosmos zien, maar slechts een overeenkomstigheid, zodat, als we de plantengroei waarnemen, het volgende blijkt: we zien in de lente wanneer de sneeuw is verdwenen, uit de grond de planten ontkiemen en uitlopen, we zien ze hun wezen ontvouwen. We zien in zekere zin de plantengroei die tot dan toe aangewezen was op de krachten die sinds de zonnige tijd van het jaar daarvoor zich als zonneschijn in de aarde verzamelden. Uit deze in de aarde verzamelde zonnekracht – zo kun je het zeggen – werden de planten in het voorjaar vrijgelaten en door de zonneschijn van buiten ontvangen; door de zomer heen, tot het zaad gerijpt was. Dan gaat kort samengevat, de groeikracht weer de aarde in, verzamelt zich daar. In de aarde heb je voortdurend verzamelde zonnekracht. Je hoeft er alleen maar aan te denken dat je eigenlijk de kracht van de zon, die eens miljoenen jaren geleden de tot steenkool geworden planten heeft beschenen, nu in de kachel verbrandt. Een korte tijd wordt ieder jaar de zonnekracht in de aarde bewaard.

So saugt die Pflanze während der Zeit bis zum Frühling hin noch Sonnenkraft von der Erde, wo sie bewahrt worden ist. Während des Sommers be­kommt sie die Sonnenkraft direkt aus dem Kosmos. Dadurch tritt Rhythmus ein. Man kann sagen, der Rhythmus verläuft so für das Pflanzenleben: Erden-Sonnenkraft, kosmische Sonnenkraft; Erden-­Sonnenkraft, kosmische Sonnenkraft und so weiter. Wie der Pendelschlag der Uhr wechselt die Pflanze mit kosmischen und irdischen Son­nenkräften.
Und wenn wir nun den Menschen anschauen: er schläft ein; er läßt zunächst dasjenige, was nur mineralisch und dasjenige, was pflanz­lich ist, in seinem Körper, der aber im Gegensatz zur Pflanze für das Geistig-Seelische organisiert ist. Wenn der Mensch einschläft, dann sprießt und sproßt das vegetative Leben, sich selber überlassen, auf; und es wird tatsächlich im Beginne des Schlafens im Menschen Frühling. Aber diese vegetative Kraft wird wiederum zurückgetrieben im Er­wachen. Es wird im Erwachen im Menschen Herbst innerlich in der

Zo zuigt de plant gedurende de tijd tot de lente nog zonnekracht uit de aarde, waar deze werd bewaard. Tijdens de zomer krijgt ze de zonnekracht direct uit de kosmos. Daardoor ontstaat ritme. Je kunt zeggen, dat het ritme voor het plantenleven zo verloopt: aarde-zonnekracht, kosmische zonnekracht; aarde-zonnekracht, kosmische zonnekracht, enz. Als de pendelslag van een klok wisselt de plant kosmische en aardse zonnekracht met elkaar af.
En wanneer we nu de mens beschouwen: hij slaapt in: achter blijft het minerale en plantaardige in zijn lichaam, dat in tegenstelling tot de plant gebouwd is voor de geest-ziel. Wanneer de mens inslaapt, ontkiemt, groeit het vegetatieve leven, aan zichzelf overgelaten en aan het begin van de slaap wordt het feitelijk lente in de mens. Maar dit vegetatieve wordt bij het wakker worden weer teruggedrongen. Bij het wakker worden begint innerlijk in de mens de herfst

blz. 28:

vegetativen Tätigkeit. Gerade beim Aufgehen des Geistig-Seelischen im Erwachen wird es Herbst. In diesen Dingen sieht man die Ähnlich­keit oftmals – natürlich wenn man in äußeren Analogien denkt – so, daß man meint, daß es mit dem Erwachen Frühling wird, beim Ein­schlafen Herbst. So ist es nicht. Für wirkliche geistige Einsicht in den Menschen sieht man gerade sprießendes, sprossendes Frühlingsleben im ersten Schlaf aufkommen. Ganz Herbst, untergehendes Leben, wie untergehende Sonne nimmt sich aus dasjenige, was während des Wa­chens über ihn kommt. Während der Mensch wacht, während jede sei­ner Seelentätigkeiten in ihm wirkt, ist es für die vegetative Tätigkeit in seinem Inneren Winter. Da sehen wir wiederum einen Rhythmus wie im Pflanzenwachstum auftreten. Im Pflanzenwachstum unter­scheiden wir Erdentätigkeit, Sonnentätigkeit. Im Menschen dieselbe Tätigkeit im Grunde genommen, der Pflanzentätigkeit nachgebildet:
Einschlafen = Sommertätigkeit; Aufwachen = Wintertätigkeit; wie­derum Sommertätigkeit, Wintertätigkeit und so weiter, aber im Kreis­lauf von 24 Stunden. Dasjenige, was draußen im Kosmos im Jahr ab­läuft, hat der Mensch zusammengezogen in den Kreislauf von 24 Stun­den. Das ist eine Ähnlichkeit, aber es ist keine Gleichheit. Und das wird im Menschen dadurch bewirkt, daß an ihm noch tätig ist sein Geistig-­Seelisches, das anders ist im Naturdasein draußen, wo es ganz andere Lebensdauer hat.

in de vegetatieve activiteit. Juist wanneer de geest, ziel bij het wakker worden weer actief wordt, wordt het herfst. Hierin ziet men dikwijls een overeenkomst – natuurlijk wanneer je in uiterlijke analogieën denkt – dat het bij het wakker worden lente wordt en bij het inslapen herfst. Zo is het niet. Als je echt geestelijk inzicht hebt in de mens, zie je juist bij het inslapen dat opbloeiende, uitbottende voorjaarsleven. Helemaal herfst, verdwijnend leven, als ging de zon onder, wordt het wanneer hij wakker wordt. En tijdens de periode van wakker zijn, wanneer alle zielenactiviteiten functioneren, is het voor het vegetatieve leven in hem winter. We zien opnieuw een ritme optreden zoals in de plantengroei. In de plantengroei onderscheiden we aarde-activiteit, zonne-activiteit. In de mens dezelfde activiteit in wezen, identiek aan de plantengroei: inslapen=zomeractiviteit; wakker worden=winteractiviteit; opnieuw zomeractiviteit, winteractiviteit enz.. maar in een kringloop van 24 uur. Wat buiten in de kosmos tijdens een jaar zich afspeelt, is in de mens samengebald tot een kringloop van 24 uur. Het lijkt erop, maar is niet hetzelfde. Dat komt, omdat in de mens zijn geest en ziel actief zijn; het andere is in het natuurleven buiten, waar dat een heel andere levensduur heeft.

Da ist ein Jahr gleich einem Tag in der Lebensdauer jener Geistwesen, die den Kosmos durchdringen und den Jahreskreis­lauf durchdringen, so, wie die Geistseele im Menschen den Tageskreis­lauf bewirkt.
Wenn wir das bedenken, so werden wir auch einsehen, was ich jetzt als rein hypothetisch annehmen möchte. Ich sage das vorher, weil ich Sie davor bewahren möchte, zu erschrecken, weil es phantastisch er­scheint, aber das doch verständlich machen kann, was eigentlich ge­meint ist. Nehmen wir an, ein Mensch schläft ein; da tritt das ein, was als Sommertätigkeit charakterisiert worden ist. Er setzt den Schlaf fort, er schläft ein und wacht nicht auf, er schläft immerfort. Dann würde dasjenige, was im Menschen das Vegetative ist, was nicht das Geistig-Seelische ist, wenn es so fortgehen würde, wie es jetzt im Schlafe ist, das würde den wirklichen Kreislauf nehmen, den das Pflanzenleben

Daar staat een jaar gelijk aan een dag in de levensduur van die geestelijke wezens die de kosmos doordringen en de kringloop van het jaar doordringen, zo, als de geest-ziel in de mens de kringloop van de dag veroorzaakt.
Wanneer we dat overdenken, zullen we ook inzien, wat ik nu als iets zuiver hypothetisch zou willen aannemen. Ik zeg dat van tevoren, omdat ik u voor schrikken wil behoeden, omdat het nogal ‘fantastisch’ lijkt, maar ik toch begrijpelijk kan maken, wat ik bedoel. Laten we aannemen dat een mens inslaapt; dan begint wat als zomeractiviteit gekarakteriseerd werd. Hij slaapt verder, hij slaapt in en wordt niet wakker, hij slaapt steeds maar door. Dan zou dat wat in de mens het vegetatieve is, wat niet geest-ziel is, wanneer dat zo verder zou gaan zoals dan in de slaap, zou het de hele kringloop nemen die het plantenleven

blz. 29:

nimmt: den Jahreskreislauf. Der ist natürlich nicht da, ist nicht veranlagt im Menschen. Daher würde der Mensch, wenn er so im Ein­schlafen herausgeht aus dern physischen Leib und wenn dieser physische Leib so fortschlafen würde, ihn nicht erhalten können: es träte der Tod ein; der Leib würde in anderer Weise von der Natur in Anspruch genommen werden, wenn nur vegetative Tätigkeit in ihm wäre. Wäre nur vegetative Tätigkeit in ihm, so müßte der Menschenkörper abfallen von Geist und Seele, er würde einfach den Jahreskreislauf annehmen und vegetativ werden. Man schaut hin auf den physischen Tod, der zur Zerstörung des Organismus führt, und man sagt: Das, was beim Men­schen geschehen ist beim Herausgeborenwerden aus dem Weltenall, das ist ein Übergang vom großen Kreislauf in den kleinen Kreislauf. Wenn er sich selbst überlassen ist, wenn er nicht das Geistig-Seelische in sich regsam machen kann, muß er, da er sich nicht unmittelbar in den kosmischen Kreislauf eingliedern kann, der Zerstörung anheim fallen.
Und so sieht man, wie der Mensch dadurch, daß er zu einer inti­meren Beobachtung kommt, in das eigentlich Wesenhafte des Daseins, namentlich des menschlichen Daseins hineinschauen kann.

neemt: de kringloop van het jaar. Dat is er natuurlijk niet, dat heeft de mens als aanleg niet. Maar dan zou de mens wanneer hij bij het inslapen zijn fysieke lichaam verlaat en wanneer dit fysieke lichaam dus verder zou slapen, dat niet kunnen houden: de dood zou intreden; het lichaam zou door de natuur op een andere manier in beslag genomen worden, wanneer er slechts vegetatieve activiteit in hem zou plaats hebben. Zou dat zo zijn, dan zou de mens buiten geest en ziel komen, hij zou simpelweg in de kringloop van het jaar gekomen zijn en vegetatief worden. Je kijkt naar de fysieke dood die tot verstoring van het organisme leidt en je zegt: Wat bij de mens gebeurd is bij de geboorte vanuit het wereldal, dat is een overgang van de grote kringloop in de kleine kringloop. Wanneer hij aan zichzelf overgelaten is, wanneer hij zijn geest, ziel niet in zich tot activiteit kan brengen, moet hij, daar hij zich niet direct in de grote kosmische kringlooop kan scharen, ten prooi vallen aan de verstoring.
En zo zie je hoe de mens wanneer hij tot subtieler waarnemen kan komen, inzicht krijgt in de eigenlijke essentie van het bestaan, inzicht namelijk in het bestaan van de mens

Ich sagte deshalb jenen Persönlichkeiten, die auch noch nicht so weit sind, daß sie unmittelbar das Geistige sehen: Wenn sie den Weg ange­treten haben, um das geistige Schauen zu erreichen, kann sich schon innerlich ein feineres Impulsieren der Kräfte zeigen, die sie dann dazu bringen, das Geistige jener Kräfte zu schauen, die uns Leiter und Ver­mittler sind aller im Weltenall wirkender Geister. Da ist Geist vorhan­den, da sind die Wesenheiten, die den Jahreskreislauf lenken und da­her ein anderes Lebensalter haben als der Mensch. Da müssen wir in eine ganz andere Welt eintreten. Wir treten aber in eine uns ganz be­kannte Welt ein, wenn wir den Menschen beobachten, und im Men­schenleben beobachten, wie da auch durchaus Geistig-Seelisches vor­handen ist. Daher kommen wir früher dazu, jene intime Tätigkeit aus­zuüben, die notwendig ist, um den Menschen zu beobachten seinen gei­stig-seelischen Qualitäten nach, als dazu, das geistige Wirken in der Welt selber zu beobachten.
Wenn wir im gewöhnlichen Leben denken – man möchte sagen, dieses Denken, dieses Vorstellen entflieht einem ja fortwährend. Man

Ik zei daarom dat de personen die ook nog niet zo ver zijn dat ze direct in het geestelijke kunnen zien: wanneer ze de weg opgegaan zijn om het geestelijk schouwen te kunnen bereiken, kan zich innerlijk al een subtieler impulseren van krachten vertonen die je er dan toe brengen die geestelijke krachten waar te nemen die voor ons leider en bemiddelaar zijn van alle werkende geestelijke wezens in het wereldal. Daar is geest aanwezig, daar zijn de wezens die de kringloop van het jaar sturen en daarom een andere leeftijd hebben dan de mens. We moeten een compleet nieuwe wereld binnentreden. We treden echter een wereld binnen die ons heel goed bekend is, wanneer we de mens waarnemen en in het leven van de mens waarnemen hoe ook daarin duidelijk geest, ziel aanwezig is. Vandaar dat we er eerder toe komen deze subtiele activiteit uit te oefenen die nodig is om de mens wat zijn geest-zielenkwaliteiten betreft, waar te nemen. Wanneer we in het dagelijks leven denken – zou je wel willen zeggen, dat dit denken, dit voorstellen voortdurend aan je ontsnapt. Je

blz.30:  

spürt, wenn man irgendwie an etwas anstößt, man spürt, wenn man den Finger über Samt oder Seide führt, die Konfiguration des Gegen­standes an der Oberfläche. Man weiß, daß man da in menschliche Be­rührung gekommen ist mit der Umgebung. Aber wenn der Mensch denkt, spürt er nicht, wie er durch das Denken in Berührung kommt mit den umliegenden Gegenständen. Aber er sagt, wenn er an etwas ge­dacht hat und es sein geistiges Eigentum geworden ist, in der deutschen Sprache, er habe es «begriffen». Was ist das? Wenn ich so fremd bleibe den Dingen, wie man es gewöhnlich beim Denken hat, sagt man nicht:
Ich habe es begriffen. – Wenn die Kreide hier liegt und ich bleibe hier stehen und bewege so meine Hand, wie das sonst beim Reden geschieht, da sagt man nicht: Ich habe die Kreide begriffen. – Aber wenn man so die Kreide wirklich mit der Hand anfaßt, kann man sagen: Ich habe die Kreide begriffen. – Weil in früheren Zeiten die Menschen noch ge­wußt haben, um was es sich handelt beim Denken, deshalb ist in die Sprache eingeflossen, was die Sache mehr ausdrückt, als heute in un­serem Geistesleben die Abstraktlinge gewahr werden. Wir sagen, wenn wir eine Vorstellung aufgenommen haben, wir haben eine Sache be­griffen. Damit ist gemeint, daß man in Berührung gekommen ist mit der Sache, daß man die Sache erfaßt hat.

merkt, wanneer je op de een of andere manier iets aanraakt, je merkt wanneer je met je vinger langs de buitenkant over fluweel of zijde strijkt, waarvan het voorwerp gemaakt is. Dan weet je dat daarbij menselijk contact tot stand gekomen is met de omgeving. Maar wanneer de mens denkt, merkt hij niet hoe  hij door het denken in contact komt met de omringende voorwerpen. Maar hij zegt, wanneer hij aan iets heeft gedacht en het zijn geestelijk bezit is geworden, in het Duits, dat hij het heeft ‘begrepen’. Wat is dat? Wanneer de dingen vreemd voor mij blijven, zoals gewoonlijk bij het denken, zeg je niet : Ik heb het begrepen – Wanneer hier een krijtje ligt en ik blijf hier staan en beweeg mijn hand zoals dat bij het spreken gebeurt, dan zeg ik niet: Ik heb het krijtje begrepen. [3] Maar wanneer je het krijtje daadwerkelijk met de hand pakt, kun je zeggen: ‘Ik heb het krijtje begrepen’- Omdat in tijden van weleer de mensen nog wisten waarom het bij het denken ging, is in onze taal gekomen wat de zaak meer tot uitdrukking brengt als tegenwoordig in ons geestesleven de abstractelingen gewaar worden. Wij zeggen als we een voorstelling opgenomen hebben, dat we de zaak hebben begrepen. Daarmee wordt bedoeld dat je in contact gekomen bent met de zaak, dat je de zaak gepakt hebt.

Sogar «erfaßt» sagt man. Heute weiß das der Mensch nicht mehr, daß der Mensch in innige Be­rührung kommen kann – auch wenn er nur in geistiger Äußerung lebt -mit den Dingen, die in seiner Umgebung liegen. So haben wir zum Bei­spiel heute ein Wort, welches ganz merkwürdig heuchlerisch sich aus­nimmt in unserer Sprache. Es ist, wie wenn geheuchelt würde; man sagt «Begriff»; ich habe einen «Begriff». Da liegt das Wort «greifen» drin! Ich habe etwas, was ich angegriffen habe. Nur das Wort haben wir, aber das Leben nicht mehr in demjenigen, was uns das Wort andeutet.
Das sind solche Dinge, die aus dem äußeren Leben schon darauf hin­deuten können, wozu solche Übungen führen, wie Sie sie geschildert finden als anthroposophische Forschungsmethoden in meinem Buche «Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?» oder im zweiten Teil der «Geheimwissenschaft im Umriß» und anderen Büchern. Wir werden da hingewiesen auf solche Übungen, die man macht, zum Bei­spiel Vorstellungsübungen. Man läßt Vorstellungen in ganz bestimmter

Men zegt zelfs ‘erfasst’ (grijpen/begrijpen/(aan)vatten [3]. Tegenwoordig weet de mens niet meer dat de hij in een intens contact kan komen – ook wanneer hij het slechts geestelijk uit – met de dingen in zijn omgeving. We hebben bijv. tegenwoordig een woord dat zich eigenlijk heel merkwaardig huichelachtig gedraagt in onze taal. Het is alsof je huichelt als je zegt ‘begrip’; ik heb een ‘begrip’. Daar zit het woord ‘grijpen’ in! Ik heb iets, wat ik gegrepen heb. We hebben echter alleen het woord, maar wat er aan betekenis in dit woord leeft, niet meer.
Dat zijn van die dingen uit het dagelijks leven die er al op kunnen wijzen waartoe zulke oefeningen leiden die je geschetst vindt als antroposofische onderzoeksmethode in mijn boek ‘De weg tot inzicht in hogere werelden‘ of in het tweede deel van ‘Wetenschap van de geheimen der ziel‘ en andere boeken.Daar wordt je gewezen op dingen die je kunt doen, bijv. voorstellingsoefeningen. Op een bepaalde manier neem je voorstellingen

*en andere boeken: Zie ‘Theosofie‘. 

blz. 31:

Art in die Seele hinein, damit das Seelenleben erstarkt in der Konzen­tration der Vorstellungen. Dadurch, daß die Seele solche Übungen macht, kommt der Mensch, ganz ohne Aberglaube, ohne Phantasterei, bei einer exakten Besonnenheit, wie man sie sonst nur in der Mathe­matik anwendet, dazu, seine Denkfähigkeit so auszubilden, daß sie eine viel regere Fähigkeit ist, als es unter den heutigen Abstraktlingen der Fall ist. Wenn die heutigen Abstraktlinge viel mit Händen und Beinen gearbeitet haben am Tage, wollen sie sich ausschlafen, weil das ja als nötig von ihnen empfunden wird; da weiß man, daß er sich regt, daß es der eigene Mensch ist, der die Arme und Beine so regt. Wenn man denkt, weiß man nicht, daß es der eigene Mensch ist, der sich regt. Man sieht nicht, was sich ausstreckt, was die Dinge angreift. Warum nicht? Weil man schon das erste übersinnliche Glied der menschlichen Natur nicht sieht: den Ätherleib, der in unserem physischen Leib so drinnen ist, wie der physische Leib in der äußeren Welt drinnen ist. In dem Augenblicke, wo man anfängt, dadurch, daß man solche Übungen macht, ein seelisches Auge, ein geistiges Ohr zu erhalten, in demselben Augenblick fängt man an, dieses erste Glied des Menschen, den Äther-leib, wirklich zu sehen. In diesem Augenblicke weiß man, daß das Denken, das vorzugsweise ausgeführt wird von diesem ätherischen Leibe, ein Begreifen ist, ein Befühlen, aber ein geistiges Begreifen, ein geistiges Befühlen der Dinge.

in je ziel op, zodat de ziel sterker wordt door zich te concentreren op een voorstelling. Omdat de ziel dergelijke oefeningen doet, komt de mens in het geheel zonder bijgeloof, zonder fantasterij, ertoe, bij een precies bezinnen zoals je dat anders alleen doet wanneer je wiskundig bezig bent, zijn denkvermogen zo te ontwikkelen dat dit veel levendiger wordt dan onder de abstractelingen van tegenwoordig het geval is. Wanneer deze veel met hun handen en benen gewerkt hebben overdag, willen ze uitslapen, dat vinden ze nodig; men weet dat hij het is die actief is, dat hij het zelf is als mens die zijn armen en benen beweegt. Wanneer je denkt, weet je niet dat jij het zelf bent die actief is. Je ziet niet wat uitgestoken wordt, wat de dingen pakt. Waarom niet? Omdat je het eerste bovenzintuiglijke wezensdeel van de menselijke natuur niet ziet: het etherlijf dat net zo in ons fysieke lichaam zit, als het fysieke lichaam aanwezig is in de wereld. Op het ogenblik waarop je begint door dergelijke oefeningen een zielenoog, een geestelijk oor te krijgen, op dat ogenblik begin je dit eerste wezensdeel, het etherlijf, daadwerkelijk te zien. Op dit ogenblik weet je, dat het denken dat voornamelijk voltrokken wordt door dit etherlijf, een begrijpen is, een betasten, maar een geestelijk begrijpen, een geestelijk tasten van de dingen.

Aber das Geistige fühlt man so an, wenn man die Gedanken gewissermaßen verdichtet hat durch solche Übun­gen, daß man nicht jenes abstrakte Gefühl hat des Fernstehens der Dinge, wie es im gewöhnlichen Leben der Fall ist, sondern ein wirk­liches Gefühl, das sich herausbildet durch das geübte, verdichtete Den­ken. Dann wird man aber schon auch vom Denken müde. Dann will man sich dem Denken gegenüber erst recht ausschlafen.
Die heutige materialistische Zeit zieht nicht bloß materialistische Gesinnung als Folge des Materialismus heran: das wäre im Grunde genommen nicht das allerschlimmste. Die Erziehung soll auf das an­dere hinschauen. Dem Erzieher kann es nicht ganz, aber doch bis zu einem gewissen Grade gleichgültig sein, ob eine Mensch müde oder nicht müde wird bei seiner Tätigkeit. Das gleicht sich schon wieder aus, wenn die Menschen wieder etwas vernünftig werden. Das schlimmste ist,

Maar het geestelijke voel je, wanneer je de gedachten in zekere zin geconcentreerder hebt door zulke oefeningen, dat je niet dat abstracte gevoel hebt dat de dingen ver van je af staan, zoals dat in het dagelijks leven het geval is, maar een reëel gevoel dat ontstaan is door het denken dat geoefend heeft, zich verdicht heeft. Dan word je ook moe van het denken. Dan wil je wat het denken betreft pas echt uitslapen.
De huidige materialistische tijd brengt niet alleen een materialistische gezindheid met zich mee als gevolg van het materialisme; dat zou in de aard der zaak niet het ergste zijn. Opvoeding moet naar het andere kijken. De opvoeder kan er niet helemaal, misschien toch tot op zekere hoogte onverschillig voor zijn of een mens moe of niet moe wordt van zijn werk. Dat wordt wel weer recht getrokken als de mensen wat verstandiger worden. Het ergste is,

blz. 32

wenn wir es sehen bei einem Menschen, der von Kindheit auf durch das Volksschulzeitalter nur diejenige geistig-seelische Nahrung aufgenom­men hat, die geprägt worden ist von der Naturwissenschaft, das heißt von materiellen Dingen. Und das geht natürlich nicht bloß diejenigen Menschen an, die irgend etwas von Naturwissenschaft lernen, sondern das Naturwissenschaftliche steckt heute drin vom ersten Volksschuljahr an durch die ganze Erziehung. Es steckt überall drinnen, und da wird es aufgenommen von dem Kinde, wächst heran mit dern Kinde, wirkt in seiner physischen Organisation so, daß wir später diejenigen Krank­heitszustände kennenlernen, wo die Menschen nicht schlafen können. Die gewisse Schlaflosigkeit in unserem materialistischen Zeitalter, wo­her rührt sie? Sie rührt daher, daß die Gedankentätigkeit, diese Gedan­kengriffe, dieses Gedankenfühlen der Umgebung, wenn wir bloß mate­rialistisch denken, nicht müde werden läßt die entsprechenden Organe des Ätherleibes. Nur unser physischer Leib allein wird müde; so schla­fen wir ein, nachdem wir nur materialistisch gedacht haben während des Wachens: der physische Leib kann einschlafen, der Ätherleib kann nicht einschlafen, der fängt an zu zappeln, innerlich unruhig zu wer­den, schlaflos zu werden.

wanneer we het zien bij een mens die van kinds af aan gedurende de basisschooltijd alleen maar voedsel voor ziel en geest opgenomen heeft, die door de natuurwetenschap gekleurd werd, d.w.z. door materiële dingen. En dat gaat natuurlijk niet alleen die mensen aan die iets van de natuurwetenschap leren, maar natuurwetenschap zit tegenwoordig vanaf het eerste jaar basisschool in de hele opvoeding. Het zit overal in en het wordt door het kind aangenomen, het groeit met het kind mee, werkt door in zijn fysieke organisme zo, dat we later de ziekelijke toestand zien waarbij de mens niet kan slapen. Waar komt die duidelijke slapeloosheid in onze materialistische tijd vandaan? Dat komt, omdat de denkactiviteit, wat de gedachten (be)grijpen[3], het gevoelsmatig over de omgeving denken, wanneer we alleen materialistisch denken, de daartoe behorende organen van het etherlijf niet moe laat worden. Alleen ons fysieke lichaam wordt moe; zo slapen we in, nadat we alleen maar tijdens de tijd dat we wakker waren, materialistisch gedacht hebben: het fysieke lichaam kan inslapen, het etherlijf kan het niet, dat begint druk te worden, innerlijk onrustig te worden, slapeloos te worden.

Er zieht das Geistig-Seelische herein, und es tritt jener Zustand ein, der nach und nach eine Epidemie werden muß. Er ist es heute schon fast im materialistischen Zeitalter. Erst wenn wir auf dieses hinschauen, kommen wir auf die Bedeutung des mate­rialistischen Zeitalters. Daß die Menschen theoretisch materialistisch denken, das ist schlimm, aber nicht gar so arg; daß die Menschen im moralisch-wirtschaftlichen Handeln zu den Konsequenzen des Mate­rialismus kommen, ist schon schlimmer; daß die Menschen aber durch den Materialismus ihre ganze Kindheit zuschanden richten und dann überhaupt nicht mehr herankommen können an moralisch-geistige Im­pulse, das ist das Schlimmste.
Und das ist dasjenige, was gewußt werden muß von dem, der heute hineinschauen will in die Notwendigkeit einer Umwandlung des Er­ziehens und Lehrens. Denn solche Übergänge, wie sie stattfinden beim Zahnwechsel, bei der Geschlechtsreife, können nur durchschaut wer­den, wenn wir intim die Menschen beobachten: wie da der Mensch innerlich regsam wird, so daß der Mensch sich fühlt – wie sonst im

Hij trekt de geest-ziel naar zich toe en de toestand treedt in die langzaam een epidemie moet worden. In het materialistische tijdperk is die dat bijna al. Pas als we hier naar kijken, komen we op de betekenis van het materialistische tijdperk. Dat de mensen theoretisch materialistisch denken, is erg, maar niet zo; dat de mensen bij hun moreel-economische activiteit tot de consequenties van het materialisme komen, is al erger; maar dat de mensen door het materialisme hun hele kindertijd schaden en daarna helemaal geen moreel-geestelijke impulsen kunnen opnemen, dat is het ergste.
En degene die in deze tijd inzicht wil krijgen in de noodzaak van een vernieuwing van onderwijs en opvoeding, moet dit weten. Want dergelijke overgangen zoals ze plaatsvinden bij de tandenwisseling en de puberteit kun je alleen inzien wanneer je de mens subtiel kan waarnemen: hoe de mens dan innerlijk actief wordt, zodat de mens voelt – zoals anders in

blz. 33:

physischen Körper – im Ätherleibe; und weiß, daß, wenn er über einen Gegenstand nachdenkt, er eigentlich im ätherischen Leibe dasjenige immerfort ausführt, was sonst im physischen Leibe vom Menschen aus­geführt wird, wenn er eine Sache befühlt. Wenn ich wissen will, wie eine Sache ist, befühle ich sie, setze ich mich mit ihr in Verbindung, be­komme dadurch eine Kenntnis von ihrer Oberfläche. Wenn ich dann darüber nachdenke, mache ich dasselbe im Ätherleibe. Dasjenige, was ich begreifen will, wovon ich mir einen Begriff machen will, befühle ich ätherisch-übersinnlich. Der Ätherleib ist in so regsamer Tätigkeit wie sonst der physische Leib. Und aus diesem Wissen, diesem Bewußt­sein von der Tätigkeit des Ätherleibes gehen die richtigen Erkenntnisse über den Menschen und namentlich über die menschliche Entwickelung erst aus.
Wenn man mit einem so innerlich regsam gemachten Denken das ganz kleine Kind verfolgt, dann schaut man, wie wirklich jede Re­gung in der Umgebung in das Kind hinein fortströmt, wie jeder irgend­ein Moralisches ausdrückende Blick – denn in dem Moralischen, in dem Moralisiertsein des Blickes liegt dasjenige, was auf das Kind als im­ponderable Kraft übergeht – in dem Kinde weiterwirkt bis in die At­mung und die Blutzirkulation hinein.

het fysieke lichaam, in zijn etherlijf en weet dat, wanneer hij over iets nadenkt, hij eigenlijk in het etherlijf steeds dat verricht, wat anders door de mens in het fysieke lichaam verricht wordt, wanneer hij iets bevoelt. Wanneer ik wil weten hoe iets is, voel ik eraan, stel mij ermee in verbinding, dan krijg ik daardoor weet van de oppervlakte. Wanneer ik daarover nadenk, doe ik hetzelfde in het etherlijf. Wat ik begrijpen wil, waarvan ik een begrip voor mezelf wil maken, bevoel ik etherisch-bovenzintuiglijk. Het etherlijf is op deze manier actief zoals anders het fysieke lichaam. En vanuit dit weten, dit bewustzijn van de activiteit van het etherlijf stamt het juiste weten over de mens en met name over de ontwikkeling van de mens.
Wanneer je nu met het denken dat innerlijk actief is geworden het heel klein kind volgt, zie je hoe werkelijk iedere beweging bij het kind naar binnengaat, hoe iedere blik die iets van moraliteit uitdrukt – want in het morele, in de blik die iets moreels heeft, zit wat op het kind als iets onweegbaars overgaat – in het kind verder werkt tot in het ademen en de bloedsomloop toe.

Man schaut ein ganz Bewußtes, ein ungeheuer Konkretes, wenn man übergehen kann zu dem Aus­spruch: Das Kind ist durch und durch ein nachahmendes Wesen für seine Umgebung. – Wie das Kind atmet im feineren Verlauf, wie das Kind verdaut im feineren Verlauf, ist ein Reflex desjenigen, wie sich die Menschen seiner Umgebung verhalten. Das Kind ist ganz hinge­geben an seine Umgebung. Während das Kind ganz hingegeben ist an seine Umgebung, so können wir sagen, daß wir im späteren, erwach­senen Zustand dieses Hingegebensein des Menschen an die Umgebung nur kennen in seiner geistig-seelischen Offenbarung im religiösen Le­ben. Da sind wir geistig an die Umgebung hingegeben. Das religiöse Leben entwickelt sich richtig, wenn wir mit dem Geistigen aus uns her­ausgehen und uns an eine geistige Weltordnung hingeben können, ge­wissermaßen überfließen können in eine göttliche Weltordnung. Für den erwachsenen Menschen ist dieses religiöse Gefühl dadurch vorhan­den, daß sein Geistig-Seelisches emanzipiert ist vom Leiblichen, daß

Je ziet iets heel overtuigends, iets ongekend concreets, wanneer je de uitspraak kan doen: het kind is door en door een wezen dat zijn omgeving nabootst. – Hoe subtiel de adem van het kind verloopt, zijn stofwisseling: het is een reflex van hoe de mensen zich in zijn omgeving gedragen. Over de tijd dat het kind zo openstaat voor zijn omgeving, kunnen we zeggen dat we later als volwassene dit zich geven aan de omgeving alleen nog zien als een uiting van zijn ziel en geest in zijn religieuze leven. Dan openen we ons geestelijk voor de omgeving. De ontwikkeling van een religieus leven verloopt juist, wanneer we geestelijk los komen van ons zelf en ons kunnen openstellen voor een geestelijke wereldordening; in zekere zin op kunnen gaan in een goddelijke wereldordening. Voor de volwassen mens is dit religieuze gevoel aanwezig daar zijn geest-zielenwezen zich los kan maken van het fysieke, dat

blz. 34:

Aber weil in der Umgebung des Kindes nicht nur Gutes lebtalso das Geistig-Seelische sich hingibt an das Geistig-Göttliche der Welt. Beim Kind ist der ganze Mensch hingegeben. Blutkreislauf, Verdau­ung, Atmungstätigkeit, die beim erwachsenen Menschen innerlich le­ben, von der äußeren Welt abgeschnürt, sind hingegeben an die Um­gebung. Und so lebt in den Naturäußerungen des Kindes ein natur­haftes Religiöses. Das ist das Wesentliche, was man einsehen muß für alle Erziehung bis zum Zahnwechsel, daß eigentlich ein naturhaft Re­ligiöses in dem Kinde lebt, daß der Körper selber in religiöser Stim­mung ist., an das der Mensch sich hingeben kann, wenn er erwachsen ist und nun die eigene Seele an das Göttliche hingibt, weil in der Umgebung nicht nur gutes, sondern auch böses Geistiges ist, böses Geistiges, das von Menschen ausgeht und das von anderen geistigen Gewalten in der Welt ausgeht, so kann dieses naturhaft Religiöse im kindlichen Körper auch an das Böse hingegeben sein. Böses kann heraufstoßen. Wenn ich ge­sagt habe, daß im Kinde schon körperlich eine Stimmung von natur­haft Religiösem ist, brauchen wir das nicht als Widerspruch aufzufas­sen, daß manche Kinder furchtbar dämonisch sind.

geest en ziel zich dus kunnen openstellen voor het goddelijk-geestelijke van de wereld. In het kind stelt heel de mens zich open. Bloedsomloop, stofwisseling, adem die bij de volwassen mens inwendig functioneren, van de buitenwereld afgezonderd, zijn gericht op de omgeving. En op deze manier leeft in hoe het kind zich van nature uit, een vorm van natuurreligie. Dit is het meest wezenlijke wat je moet inzien bij alle opvoeding tot de tandenwisseling; het kind heeft eigenlijk iets in zich van een natuurreligie; het lichaam zelf leeft in een religieuze stemming.
Maar omdat er in de omgeving van het kind niet alleen maar goedheid bestaat waarvoor de mens zich kan openstellen wanneer hij volwassen is en zijn eigen ziel voor het goddelijke opent; omdat er in zijn omgeving niet alleen maar goedheid, maar ook geestelijke kwaadaardigheid is die van de mens uitgaat, maar ook van andere geestelijke krachten in de wereld, kan het natuurreligieuze in het lichaam van het kind zich ook openstellen voor het slechte. Ook boosheid kan opwellen. Toen ik zei dat er in het kind lichamelijk al een stemming is van natuurreligie, hoeven we het niet als tegenspraak op te vatten, dat sommige kinderen ook vreselijk naar zijn.

Sie sind es deshalb, weil sie an das böse Geistige hingegeben sind, das wir heraustreiben müssen, das wir besiegen müssen dadurch, daß wir die geeigneten Me­thoden anwenden müssen, solange sie angewendet werden können. So­lange das Kind ein nachahmend religiöses Wesen ist, hilft es durchaus nicht, wenn ich das Kind ermahne. Zum Achtgeben auf Worte gehört schon, daß die Seele in gewisser Weise emanzipiert ist. Da muß schon das Seelische auf sie aufpassen. Beim Kinde helfen Worte nicht. Es hilft aber alles das, was wir dem Kinde so vormachen, daß das Kind es sieht, daß es in ihm als eine Wahrnehmung fortfließt. Nur muß auch das Moralische in dem drinnen liegen, was wir dem Kinde vormachen. Man wird es schon bemerken: geradeso wie, sagen wir, der Farben­blinde sich irgendwo eine Farbenfläche anschaut und alles so grau in grau sieht, nicht die Farben sieht, so schaut der Erwachsene die Gesten der Menschen, ihre Blicke, ihre Mienen, die Schnelligkeit oder Lang­samkeit ihrer Bewegungen, das Eckige ihrer Bewegungen. Er schaut das Physische, aber er nimmt nicht mehr das Moralische darin wahr.

Ze zijn het omdat ze openstaan voor wat geestelijk slecht is, wat wij er zouden moeten zien uit te krijgen, waarvan wij het zouden moeten winnen door de juiste methoden te hanteren, zolang dat kan. Zolang het kind een nabootsend religieus wezen is, helpt het zeer zeker niet het kind vermanend toe te spreken. Om woorden serieus te kunnen nemen hoort nu eenmaal een zekere zelfstandigheid van de ziel. Dan kan de ziel ze pas serieus nemen. Bij een kind helpen woorden niet. Maar alles helpt wat we het kind zo voordoen dat het dat ziet en het als waarneming bij hem verder gaat. Maar in wat we voordoen moet ook moraliteit aanwezig zijn. Je zal wel merken dat net zoals, laten we zeggen, iemand die kleurenblind is en naar een bepaald kleurvlak kijkt alles als grijstinten ziet, ook de volwassen mens de menselijke gebaren ziet, hun blik, hun gelaatstrekken, of hun bewegingen vlug of langzaam zijn, de hoekigheid van de bewegingen. Het ziet het fysieke, maar hij neemt niet meer de moraliteit erin waar.

blz. 35:

Das Kind schaut das Moralische, wenn auch auf unterbewußte Art. Deshalb müssen wir uns klar sein darüber, daß wir in der Umgebung des Kindes nicht bloß aus dem Sichtbaren heraushalten müssen alles dasjenige, was das Kind nicht nachahmen soll, sondern daß wir aus dem Unsichtbaren heraushalten müssen auch alle Gedanken in der Nähe des Kindes, welche nicht in die kindliche Seele hineinkommen sollen. Und diese Gedankenerziehung, die ist sogar für das kindliche Alter bis zum Zahnwechsel hin das Allerwichtigste: wenn wir uns auch nicht gestatten, unreine, häßliche, zornwütige Gedanken zu haben in der Nähe des Kindes. Denn Sie werden zwar sagen: Ich kann ja hier denken, was ich will, da ändere ich mich äußerlich nicht; da sieht das Kind nichts, es kann also auch nicht beeinflußt werden. – Sehen Sie, in dieser Beziehung, muß ich sagen, liegt eigentlich dasjenige, was man in interessanter Weise wahrnehmen konnte bei den wirklich recht laien­haft dilettantisch angestellten Versuchen mit den denkenden Pferden, den rechnenden Pferden oder mit anderen Intelligenz äußernden Tie­ren. Solche Dinge waren schon interessant, nur nicht nach der Rich­tung, nach der es die Welt genommen hat.
Sehen Sie, die Elberfelder Pferde habe ich selber zum Beispiel nicht gesehen.

 

Het kind neemt de moraliteit waar, zij het dan onderbewust. Daarom moet het voor ons duidelijk zijn dat we in de omgeving van het kind niet alleen maar weghouden wat zichtbaar is en dat niet moet nabootsen, maar dat we uit wat niet zichtbaar is ook alle gedachten die niet in de kinderziel moeten komen, uit zijn omgeving weg moeten houden. En deze gedachte-opvoeding is voor de kinderleeftijd tot de tandenwisseling zelfs het allerbelangrijkste: wanneer wij onszelf niet toestaan onhygiënische, lelijke en van woede vervulde gedachten te hebben in de omgeving van een kind. Want je zou nog kunnen zeggen: ik kan hier denken wat ik wil, daar verander ik uiterlijk niet door; het kind zier er niets van, dus kan het er ook niet door beïnvloed worden. – Kijk, wat dat betreft moet ik zeggen, hier vind je nou wat op een interessante manier waargenomen kon worden bij die echt dilettantische lekenproeven met de denkende paarden, de rekenende paarden of met andere intelligentie vertonende dieren. Zulke zaken waren wel interessant, alleen niet in de richting waarin de wereld ze heeft opgevat.
Kijk, de paarden uit Elberfeld heb ik zelf niet gezien.

Ich möchte immer nur über dasjenige reden, was meiner eigenen Beobachtung unterliegt, wie zum Beispiel das Pferd des Herrn von Osten; ich konnte sehen, wie es seinem Herrn Antworten gab. Er stellte ihm Rechnungsaufgaben; es waren nicht besonders komplizierte Aufgaben, aber für ein Pferd doch. Ich konnte sehen, wie es addiert und subtrahiert hat und mit seinem Fuß aufstoßend das richtige Rech­nungsresultat angegeben hat. Über diese Vorgänge konnte ein natur­wissenschaftlich gebildeter Mensch der Gegenwart nachdenken wie etwa jener Privatdozent, der ein dickes Buch geschrieben hat über das Pferd, oder man konnte nachdenken auf anthroposophische Art. Was war der Sinn des Buches, das der Privatdozent geschrieben hat? Alles, was die Laien geglaubt haben, hat er ausgeschaltet. Sie dürfen nicht glauben, daß ich das geringste gegen die Naturwissenschaft sprechen will. Ich weiß sie genau zu schätzen. Der Privatdozent sagt zum Schlusse: Da liegt zugrunde, daß das Pferd feine Bewegungen, ein feines Zwinkern in den Augen oder ein sonstiges feines Vibrieren von Muskeln

Ik zou echter alleen willen spreken over wat ik zelf heb waargenomen, zoals bijv. het paard van mijnheer Van Oosten; ik kon zien hoe het zijn baas antwoorden gaf. Die gaf hem een rekensom op; het waren geen gecompliceerde opdrachten, maar voor een paard toch heel wat. Ik kon zien hoe het optelde en aftrok en met zijn voet stampend het juiste antwoord gaf. Over deze processen kon een natuurwetenschappelijk gevormd mens van tegenwoordig nadenken zoals bijv. die privaatdocent die een dik boek geschreven heeft over het paard of je zou op een antroposofische manier erover kunnen nadenken. Wat was de strekking van het boek dat de privaatdocent schreef? Alles wat de leken geloofden, schoof hij terzijde. Je mag niet geloven dat ik het maar het minste tegen de natuurwetenschap zou hebben. Ik weet die heel precies te waarderen. De privaatdocent zei ten slotte: wat eraan ten grondslag ligt is dat het paard kleine bewegingen, een onopvallend knipperen met de ogen of een of ander miniem trillen van spieren

Blz. 36

wahrgenommen hat an dern Herrn von Osten und allmählich gelernt hat, wie die vibrierende Bewegung im Augenmuskel ist, wenn das Rechnungsresultat so oder so ist; dann folgte das Aufstoßen mit dem Fuße. Er hat da eine sehr geistreiche, geistvolle Hypothese aufgestellt. Er kommt dann doch zu der Frage, die man stellen muß: Hat man diese Dinge etwa selber gesehen, ist das ein Beobachtungsresultat? – Gewiß, er stellt sich diese Frage; man lernt sehr verantwortungsvoll forschen. Er beantwortet sie dadurch, daß er sagt: Dazu sind unsere Sinne nicht organisiert, um diese feinen äußeren Bewegungen wahrzunehmen; das Pferd aber kann dieses. – Damit wird nur konstatiert, daß ein Pferd am Menschen mehr sehen kann als ein Privatdozent.
Aber mir war etwas anderes wichtig: das Pferd hat seine Rechnungs­resultate nur dann erzielt, wenn Herr von Osten danebenstand und mit dem Pferde sprach. Während er sprach, nahm er so ein kleines Zuckerstückchen, steckte es dem Pferde ins Maul. Das Pferd hatte fortwährend einen süßen Geschmack, der es ganz durchdrang. Das ist das Wesentliche. Es fühlte sich innerlich in der Süßigkeit angeregt; da wird man auch als Pferd fähig, durch diese Verinnerlichung dasjenige zu erleben, was man sonst nicht erlebt. Eigentlich möchte ich sagen: In dem Süßigkeitspferd, das da als ätherisches Pferd

bij de heer Van Oosten heeft waargenomen en langzamerhand heeft het geleerd hoe de trillende beweging in de oogspier is, wanneer het antwoord zus of zo is; gevolgd door het stampen met de voet. Hij heeft daarmee een zeer geestrijke, geestvolle hypothese opgesteld. Hij komt dan ook nog tot de vraag die je moet stellen: heb je die dingen dan zelf gezien, is het een resultaat van waarneming? Zeker, hij stelt de vraag; je leert zeer verantwoordelijk onderzoeken. Hij beantwoordt deze en zegt; onze zintuigen zijn niet zo gebouwd dat we deze fijne uiterlijke bewegingen zouden kunnen waarnemen; het paard kan het wel. Daarmee wordt alleen maar geconstateerd dat een paard meer ziet aan een mens dan een privaatdocent.
Maar voor mij was iets anders belangrijk: het paard kwam alleen maar tot het antwoord, wanneer mijnheer Van Oosten naast hem stond en met het paard sprak. Terwijl hij sprak, nam hij een suikerklontje en stopte dat in het paard zijn mond. Het paard had steeds een zoete smaak die helemaal door hem heenging. Dat is het wezenlijke. Het voelde zich innerlijk door het zoete aangespoord; dan kun je ook als paard beleven, door deze verinnerlijking, wat je anders niet beleeft. Eigenlijk zou ik willen zeggen: in het ‘paard met de zoetigheid’ dat als etherisch paard

durchzogen hat das physische Pferd, da lebte fortwährend Herr von Osten, darinnen leb­ten seine Gedanken wie sonst im eigenen Leibe und breiteten sich aus. Im Pferde lebten sie fort nicht dadurch, daß das Pferd feiner beob­achten kann als ein Privatdozent, sondern weil es noch nicht so hoch organisiert ist und daher den fremden Einfluß aufnimmt, während der Körper fortwährend Süßigkeit aufnimmt.
Es gibt solche Wirkungen von Mensch zu Mensch, die hervorgerufen werden durch Dinge, für die man sonst nur schwer oder unempfäng­lich ist. Sie treten namentlich auf im Verkehr zwischen Mensch und Tier; aber sie können im hohen Grad vorhanden sein, wenn das Geistig-Seelische noch nicht emanzipiert ist vom Körperlichen, wie das beim Kinde der Fall ist, so daß das Kind wirklich in Geste und Blick das Moralische in der Umgebung wahrnimmt, wenn auch der Erwachsene das nicht mehr beobachten kann. Daher dürfen wir uns nicht häßliche Gedanken in der Umgebung des Kindes gestatten; die leben nicht nur

het fysieke paard doortrekt, leeft voortdurend mijnheer Van Oosten; daarin leven zijn gedachten, zoals anders in zijn eigen lichaam en die verspreiden zich. In het paard gaan ze verder, niet omdat het paard genuanceerder kan waarnemen dan een privaatdocent, maar omdat het nog niet zo ver ontwikkeld is en vandaar de vreemde invloed in zich opneemt, terwijl zijn lichaam steeds zoetigheid opneemt. Dit soort werkingen zijn er ook van mens tot mens; ze worden opgeroepen door dingen waarvoor je anders maar moeilijk of helemaal niet toegankelijk bent. Ze vinden wel plaats in de omgang tussen mens en dier; maar ze kunnen in hoge mate aanwezig zijn, wanneer geest en ziel nog niet vrij geworden zijn van het lichamelijke, zoals dat bij een kind het geval is. zodat het kind werkelijk in gebaar en blik de moraliteit van de omgeving waarneemt, ook al kan de volwassene dat niet meer waarnemen. Daarom mogen we ons geen lage gedachten permitteren in de omgeving van het kind; die leven niet alleen

blz. 37:

im Seelischen des Kindes fort, sondern die leben in der physischen Or­ganisation des Kindes fort.
Gewiß, dasjenige, was heute zum Beispiel geleistet wird in mancher medizinischen oder sonstigen Dissertation, wie sie abgeliefert wird nach dem heutigen Stande der wissenschaftlichen Erkenntnis, ist sehr interessant. Aber es wird die Zeit kommen, wo noch ganz anderes kom­men wird, wo zum Beispiel – lassen Sie mich das so anschaulich schil­dern, es wird vielleicht gerade dadurch einleuchtend -, sagen wir, in Doktorschriften, die gemacht werden, um den Doktorgrad zu erlangen, das Thema behandelt wird: Ein Krankheitsfall im 48.Jahr mit diesen oder jenen Symptomen führt zurück auf häßliche Gedanken von einer bestimmten Art, die im 4. oder 5. Lebensjahr an das Kind herangetreten sind. Mit solchen Einsichten wird man in Wirklichkeit an den Men­schen herankommen, und dadurch wird man dann das ganze mensch­liche Leben überschauen.
So handelt es sich darum, daß wir allmählich lernen, nicht nur Dinge an das Kind heranzubringen, die wir nach unserem abstrakten Ver­stande als Stäbchenlegen und allerlei solche Arbeiten ausdenken, daß das Kind es machen könne: das Kind tut es nicht von sich aus. Es muß seine eigene Seelenkraft erregt werden; dann ahmt es die Dinge nach, die es bei den Erwachsenen sieht.

verder in de ziel van het kind, maar die leven verder in het fysieke organisme.
Zeker, hetgeen wat bijv. tegenwoordig gepresteerd wordt in sommige dissertaties, medicijnen of andere, hoe die uitgegeven worden volgens de huidige stand van de wetenschappelijke kennis, is zeer interessant. Maar de tijd zal komen, waarin het nog heel anders zal gaan, waarin bijv. – laat me dat eens aanschouwelijk schetsen, daardoor wordt het misschien juist duidelijk – laten we zeggen, in de dissertatie die geschreven wordt om de doctorstitel te verkrijgen, het thema behandeld wordt: een ziektegeval in het 48ste jaar met die en die symptomen is terug te voeren op bepaalde slechte gedachten die bij het kind op zijn 4e of 5e jaar zijn binnengekomen. Met zulke inzichten zou men de mens werkelijk recht doen en daardoor wordt het hele menselijke leven overzichtelijk.
Het gaat erom dat we langzaam maar zeker leren het kind niet alleen dingen te geven die wij met ons abstracte verstand uitdenken, als staafjes leggen en al dat soort werkjes zodat het kind het maar zal doen: van zich uit doet een kind dat niet. Zijn eigen zielenkracht moet aangevuurd worden; dan doet het de dingen na, die het bij de volwassene ziet.

Es spielt mit der Puppe, weil es die Mutter das Kind pflegen sieht. Im Kinde lebt ganz und gar das­jenige, was bei den Erwachsenen ist, als Tendenz zur Nachahmung. Dieser Tendenz muß Rechnung getragen werden bei der Erziehung des Kindes bis zum Zahnwechsel. Nur ist all das, was da heranerzogen werden soll, einer Veränderung unterworfen im kindlichen Organis­mus, der alles lebendiger macht, beseelter macht, als es beim erwach­senen Menschen durchgeführt wird, weil das Kind noch eine Einheit ist von Leib, Seele und Geist. Beim erwachsenen Menschen ist der Kör­per emanzipiert vom Seelisch-Geistigen; das Seelisch-Geistige ist eman­zipiert vom Körperlichen. Körper, Seele und Geist stehen vereinzelt da. Nur beim Kinde ist eine strenge Einheit im Körperlich-Seelisch-­Geistigen. Bis in das Denken hinein ist diese Einheit da. Dies kann man leicht bemerken, wenn man dem Kinde zum Beispiel, bevor es den Zahnwechsel durchgemacht hat, eine recht schöne Puppe gibt, die

Het speelt met een pop, omdat het moeder ziet die het kind verzorgt. In een kind leeft helemaal de tendens tot nabootsing van wat er bij de volwassenen is. In de opvoeding van het kind moet met deze tendens rekening worden gehouden tot de tandenwisseling. Maar alles wat er aan opvoeding gedaan moet worden, is in het kind aan een verandering onderhevig die alles levendiger maakt, bezielder maakt dan bij de volwasse gebeurt, omdat het kind nog een eenheid is van lichaam, ziel en geest. Bij de volwassen mens is het lichaam vrij geworden van ziel en geest en deze van het lichaam. Lichaam, ziel en geest staan ieder op zich. Alleen bij het kind bestaat er een sterke eenheid van lichaam, ziel en geest. Tot in het denken toe is er deze eenheid. Dit zie je gauw genoeg wanneer je het kind bijv., voor het de tanden is gaan wisselen, een echt mooie pop geeft, die

blz. 38:

wunderbar bemalt ist, menschenähnlich ist, sogar gläserne Augen hat. Es gibt solche Puppen: wenn man sie niederlegt, verdrehen sie die Augen und schlafen; wenn man sie aufhebt, schaut das Ding. Viele andere Vorrichtungen gibt es da, wodurch solch kleine Ungetüme ent­stehen, die man dem Kinde in die Hand gibt als «schöne Puppen». Ja, scheußlich sind diese Dinge schon vom künstlerischen Gesichtspunkt aus, aber darauf möchte ich nicht eingehen. Aber betrachten Sie ein­mal den Unterschied, der mit dem Kinde selber vorgeht, wenn Sie dem Kinde eine schöne Puppe geben, die sogar die Augen verdrehen kann. Zuerst wird es natürlich Freude haben, weil das Ding eine Sensation ist; aber nach und nach vergeht dies. Vergleichen Sie das, was mit dem Kinde vorgeht, wenn Sie einfach ein Wischtuch nehmen, oben einen Kopf daraus formen, indem Sie es zusammenziehen, zwei Punkte ma­chen als Augen, vielleicht auch noch eine große Nase. Da hat das Kind Gelegenheit, in seiner Phantasie, in seinem Seelisch-Geistigen, das mit dem Körperlichen verbunden ist, das andere dazu zu phantasieren. Da lebt das Kind jedesmal, wenn es die Puppe vorstellen soll, innerlich auf, da bleibt es lebendig. Macht man diese Versuche, so wird man sehen, wie es etwas ganz anderes bedeutet, der Phantasie, der Seelen­tätigkeit beim kindlichen Spiel möglichst viel zu überlassen, oder das Spielzeug so zu formen, daß es nichts mehr für die innere Regsamkeit übrig läßt.

prachtig geschminkt is, op een mens lijkt, zelfs glazen ogen heeft. Er zijn van die poppen: wanneer je ze neerlegt, draaien ze hun ogen en slapen; wanneer je het oppakt, kijkt het ding, Er zitten nog veel meer dingen aan, waardoor die monstertjes ontstaan die men de kinderen geeft als ‘mooie pop’. Van kunstzinnig standpunt uit zijn ze echt verschrikkelijk, maar daarop ga ik nu niet in. Maar kijk eens naar het verschil, met wat er met het kind gebeurt, wanneer je het kind een mooie pop geeft, die zelfs met haar ogen kan draaien. Eerst beleeft het er natuurlijk plezier aan, omdat het ding een sensatie is, maar dat gaat langzamerhand over. Vergelijk dat eens met wat er met een kind gebeurt, wanneer je eenvoudigweg een stofdoek neemt, er vanboven een hoofd van maakt wanneer je het wat naar elkaar trekt, twee punten maakt als de ogen, misschien ook nog een grote neus. Nu krijgt het kind de kans, in zijn fantasie, in zijn ziel-geest die met het lichaam verbonden zijn, het andere erbij te fantaseren. Dan veert het kind iedere keer wanneer het zich de pop voorstelt, innerlijk op, dan blijft het levendig. Wanneer je deze experimenten doet, zal je zien, hoe het iets heel anders betekent wanneer je veel aan de fantasie, de activiteit van de ziel bij het kinderlijke spel over laat of het speelgoed zo vorm geeft dat er niets meer voor de innerlijke activiteit overblijft.

Daher ist es von allergrößtem Nutzen für das Kind, wenn wir die Kinderhandarbeiten so einrichten, daß sie möglichst nur andeu­tend sind, wenn noch viel der Phantasietätigkeit übrigbleibt. Fertig ge­staltete Tätigkeit, die so bleiben kann, wie sie ist, ist nicht anregend, weil die Phantasie nicht hinausgehen kann über das, was sinnlich vorliegt.
Das wirft Licht auf die Art und Weise, wie wir gerade als Lehrende, als Erziehende sein müssen, wenn wir in richtiger Weise an das Kind herankommen wollen. Wir brauchen da eine Pädagogik, die auf Men­schenerkenntnis, auf Erkenntnis des Kindes beruht. Und wiederum, eine wirkliche Pädagogik, die auf Menschenerkenntnis beruht, wird in demjenigen Zeitalter vorhanden sein, wo man zum Beispiel erleben wird Doktorarbeiten von der Art: Ein Fall von Diabetes bei einem Vierzigjährigen zurückgeführt auf die Schädlichkeit des kindlichen Spieles im 3., 4. Lebensjahr. Dann wird man sehen, was es heißt: der

Daarom is het van het allergrootste nut voor het kind, wanneer we het kinderspeelgoed zo vormgeven dat het zo veel mogelijk slechts dingen aanduidt; wanneer er nog veel overblijft voor de fantasie. Kant-en-klaar dat zo blijven kan als het is, is niet stimulerend, omdat de fantasie niet naar buiten kan komen naar wat daar concreet is.
Dat werpt licht op de manier waarop wij als leerkracht, als opvoeder moeten zijn, wanneer we het kind op de juiste manier willen benaderen. We hebben een pedagogiek nodig die op menskunde, op het kennen van het kind, berust. En nog eens: een echte pedagogiek die op menskunde berust, zal er zijn in die tijd dat je bijv mee kan maken dat er dergelijke dissertaties zijn: een geval van diabetes bij een 40-jarige, herleid tot het aanrichten van schade door het kinderspel in het 3e, 4e levensjaar. Dan zal je zien wat het betekent: de

ganze Mensch besteht aus Körper, Seele und Geist, und beim Kinde ist Körper, Seele und Geist noch eine Einheit. Geist und Seele werden später vom Körper frei, dann sind sie ein Dreifaches. Dann sind sozu­sagen im erwachsenen Menschen Geist, Seele und Leib auseinandergeschoben, und nur der Leib behält dasjenige, was in ihm während der Zeit der kindlichen Entwickelung eingezogen ist als Keim für das spä­tere Leben. Nun ist das Eigentümliche: In der Seele erleben wir Fol­gen, die eben in das Unterbewußte hineingezogen sind, bald; physisch im Körper erleben wir es sieben- bis achtmal später. Wenn Sie das Kind seelenhaft erziehen, das Seelenhafte im 4., 5. Lebensjahr so gel­tend machen, daß das Kind es aufgenommen hat und sein Seelenleben unter dem Einflusse steht, so kommt dieses zum Beispiel im 8. Lebens­jahr zum Vorschein. Die Leute sehen noch darauf, daß man im 4., 5. Lebensjahr das nicht beibringt, was es nicht gesund macht im 8., 9. Le­bensjahr. Die Seelenwirkung zeigt sich im 8., im 7. Lebensjahr. Die körperliche Wirkung zeigt sich – weil sich der Körper emanzipiert -langsamer, zeigt sich sieben- bis achtmal später. Für die seelische Ent­wickelung zeigen sich die Früchte eines Einflusses aus dem 5. Lebens-jahr im 8. Lebensjahr; im Körper zeigen sie sich nach 35 Jahren, nach einer Zeit, die siebenmal größer ist. 5 mal 7 ist 35. So daß Krankheits­erscheinungen, die auftreten infolge einer falschen, durch Spielen be­wirkten seelischen Einwirkung im 3., 4. Lebensjahr, im Beginne der Vierziger- oder Ende der Dreißigerjahre auftreten.

hele mens bestaat uit lichaam, ziel en geest en bij het kind zijn lichaam, ziel en geest nog één. Geest en ziel worden later vrij van het lichaam, dan is er een driedeling.  Dan zijn zogezegd bij de volwassen mens geest, ziel en lichaam uit elkaar geschoven en alleen het lichaam behoudt als een kiem voor het latere leven wat er tijdens de ontwikkeling van het kind in terecht is gekomen. Nu is het opvallende: in de ziel ervaren we al gauw de gevolgen die dus in het onderbewuste binnen gekomen zijn; fysiek, in het lichaam beleven we ze zeven à acht keer later. Wanneer we het kind wat zijn ziel betreft, opvoeden, het wat zijn ziel betreft in het 4e, 5e levensjaar het zo laten voelen dat het kind het in zich heeft opgenomen en het van invloed is op zijn gevoel, dan komt dit bijv. in zijn 8ste levensjaar tevoorschijn. De mensen zien er nog wel op toe dat ze in het 4e, 5e levensjaar niet dat bijbrengen, wat het kind niet gezond maakt op zijn 8ste, 9e levensjaar. Hoe het op de ziel uitwerkt, vertoont zich in het 7e, 8ste jaar. De uitwerking op het lichaam vertoont zich – omdat het lichaam zich vrijmaakt – langzamer, vertoont zich zeven of acht keer later. Voor de ontwikkeling van de ziel vertonen de vruchten van de invloed uit het 5e jaar zich in het 8ste; in het lichaam vertonen ze zich na 35 jaar, na een tijd die zeven keer langer is. 5 keer 7 is 35. Zodat ziekteverschijnselen, die zich openbaren als gevolg van een verkeerde, door spelen veroorzaakte invloed op de ziel in het 3e, 4e jaar, zich in het begin van de veertig of eind 30 manifesteren.

Derjenige, der den ganzen Menschen kennenlernen will, muß auch das wissen, daß diese Emanzipation des Seelisch-Geistigen, die beim Erwachsenen eintritt gegenüber dem Vereintsein beim Kinde, nicht et­was Abstraktes ist, sondern sehr konkret ist, indem sich sogar der Zeitverlauf verschieben kann. Immer mehr und mehr wird die Zeit, die der Körper mehr braucht als die Seele, um etwas auszubilden. Der Körper bleibt zurück, und Schädlichkeiten des Körpers treten viel später ein als Schädlichkeiten der Seele. So ist es wiederum bei manchen Ver­fehlungen im kindlichen Lebensalter, wo man sehen kann, wie in den Flegeljahren im Seelischen gar manches Schlimme ist; aber es gleicht sich aus. Denn man hat da verhältnismäßig leichte Mittel, um selbst Leute noch zurechtzubringen, die in den Flegeljahren, wie man es

Wie de hele mens wil leren kennen, moet ook weten dat het vrij worden van geest en ziel, dat bij de volwassene optreedt tegenover het eenzijn bij het kind, niet iets abstracts is, maar zeer concreet, waarbij zelfs het tijdsverloop kan verschuiven. De tijd die het lichaam meer nodig heeft dan de ziel om iets te ontwikkelen, wordt steeds langer. Het lichaam blijft achter en nadelige gevolgen voor het lichaam openbaren zich veel later als nadelige gevolgen voor de ziel. Dat is tevens zo bij sommige missers in de kinderjaren, waarbij je kan zien hoe in de vlegeljaren er soms van alles mis is; maar dat komt weer in evenwicht. Want naar verhouding heb je makkelijke middelen om mensen nog te corrigeren die in hun vlegeljaren, zoals men dat zegt,

blz. 40:

nennt, recht ausgelassen sind; die werden manchmal noch ganz brave Philister. Das ist nicht etwas so Schlimmes. Aber der Körper entwickelt sich allmählich immer langsamer und immer langsamer; und wenn man längst das, was in den Flegeljahren im Seelisch-Geistigen aufge­treten ist, überwunden hat, hat man als Ergebnis der Flegeljahre noch am Ende des Lebens zu kämpfen mit Podagra als physischer Wirkung, die in langsamer Weise sich ergibt.
Konkrete Menschenerkenntnis ist schon etwas, was eine große Be­deutung hat im menschlichen Leben. Diese konkrete Menschenerkennt­nis, die wirklich in den Menschen hineinschauen läßt, ist allein im­stande, Voraussetzungen zu liefern für eine wahre Erziehungskunst, die den Menschen hineinstellt in das Leben so, daß – nach seinem Schick­sal selbstverständlich bei dem einen mehr, bei dem anderen weniger -alles werden kann, was im Menschen veranlagt ist. Nicht darum kann es sich handeln, daß wir mit der pädagogischen Kunst gegen das Schick­sal handeln; aber man muß erreichen, was im Schicksal veranlagt ist. Heute bleibt man vielfach mit der Erziehung hinter dem zurück, was im Schicksal veranlagt ist. Wir müssen der Schicksalsveranlagung so­weit nachkommen, daß der Mensch im Denken die ihm für das Leben höchste mögliche Klarheit, im Fühlen die nach seinem Schicksal für ihn denkbar höchste liebevolle Vertiefung, und im Wollen die nach seinem Schicksal höchste mögliche Energie und Tüchtigkeit erringe.
Das kann nur eine auf wirklicher Menschenerkenntnis aufgebaute Pädagogik und Didaktik. Von ihr wollen wir dann in den nächsten Vorträgen weiter sprechen.

nogal uitgelaten doen; zij worden dikwijls toch nog heel burgerlijke figuren. Dat is niet zo erg. Maar het lichaam ontwikkelt zich gaandeweg steeds langzamer; en wanneer je allang overwonnen hebt, hoe je je in je vlegeljaren als geest-zielenwezen gedroeg, is het gevolg van die vlegeljaren dat je op het eind van het leven nog last hebt van jicht als fysieke uitwerking die zich langzaam voordoet.
Concrete menskunde is iets wat voor het mensenleven een grote betekenis heeft. Alleen deze concrete menskunde die je een echte blik gunt in de mens, is in staat voorwaarden te scheppen voor een echte opvoedkunst die de mens een plaats geeft in het leven, zodat vanzelfsprekend door het levenslot bij de een meer dan bij de ander alles wat in de mens er als aanleg is, tot wording kan komen. Het kan niet zo zijn dat wij met de opvoedkunst tegen het levenslot ingaan, maar wat in het lot verankerd ligt, moeten we bereiken. We moeten wat in het levenslot besloten ligt, in acht nemen. Tegenwoordig blijft men daarmee in de opvoeding veelvuldig achter. We moeten wat in het levenslot besloten ligt zover in acht nemen, dat de mens zich in zijn denken voor zijn leven de grootst mogelijke helderheid, zich in zijn gevoelsleven bij zijn levenslot behorend de denkbaar grootste liefdevolle verdieping en zich in zijn wilsleven de bij zijn levenslot behorend grootst mogelijke kracht en capaciteiten eigen maakt.
Dat kan alleen een pedagogie en didactiek die op echte menskunde stoelt. Daarover zullen we dan in de volgende voordrachten verder spreken.

1) GA 309: Anthroposophische Pädagogik und ihre Voraussetzungen
De uitgave op de site is van 1972 – die is ook hier gebruikt.

2) 2e voordracht Duits

3) bij sommige werkwoorden heeft het voorvoegsel =be=een intensiverende werking. Die maakt soms van een werkwoord dat letterlijk uitvoerbaar is =grijpen= een werkwoord waarbij het grijpen op een ander niveau (mentaal) komt te liggen =begrijpen.

nemen – benemen (de adem, de moed)
praten- bepraten (overhalen)
roeren – beroeren (ziel)
rusten – berusten
schouwen – beschouwen
enz.

Steiner: alle pedagogische voordrachten

Steiner: alle artikelen op deze blog

.

1061-983

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen (9-8)

.

Kinderen gebruiken zintuigen lang niet bewust genoeg

‘De overstelpende veelheid aan — vooral vluchtige — beelden en klanken die kinderen krijgen te verwerken, zonder dat ze nog in staat zijn ze werkelijk te verwerken, maakt de gevoeligheid voor indrukken geringer, waardoor de zo noodzakelijke ontwikkeling van de zintuigen verstoord wordt.

De klachten over een gebrekkige concentratie, het nauwelijks kunnen reproduceren van eigen belevingen, de onmacht om eenvoudige gebruiksvoorwerpen als een schaar of een potlood op een redelijke manier te hanteren, de achteruitgang van de in aanleg volop aanwezige fantasie bij veel kinderen, hebben direct te maken met de verwaarlozing van het gebruik en de gebruiksmogelijkheden van de zintuigen. Die verwaarlozing heeft tot gevolg dat indrukken of helemaal niet of weinig intens-bewust worden ervaren en ’ingeprent’, waardoor de vergroving en daarmee tegelijkertijd de vervlakking van het gevoelsleven toeneemt.

Als er dan eens sprake is van een gerichte, geïsoleerde opdracht aan bijvoorbeeld kinderen in een klas om de zintuigen ’aan het werk te zetten’, ontstaat dikwijls een soort schokeffect, waarmee ze geen raad weten. Het werkelijk luisteren naar geluiden van de stilte, het geconcentreerd aanhoren van een brokje muziek, het met de ogen dicht betasten van voorwerpen of in stilte gericht kijken naar wat een wolk doet, vinden ze dan ’gek’ of’vreemd’.

Dat ongewoon vinden van iets doodgewoons toont aan dat veel kinderen niet (meer) gewend zijn hun zintuigen bewust te gebruiken.

Nu spreekt het vanzelf dat ook dat moet worden aangeleerd, maar de bedreigingen van buiten af zijn zo groot dat het opgroeiende kind als een nog lang niet weerbaar wezen een grote kans loopt murw geslagen te worden in zijn gevoelsleven door een ontoelaatbare overspoeling van over-prikkels van geluiden en visuele waarnemingen.

De uiterlijke, materiële zorg en aandacht van de grote-mensen-maatschappij voor het kind in het algemeen mag de laatste decennia veel en veel groter zijn geworden, de voor het kind negatieve invloeden en bedreigingen zijn eveneens in niet geringe mate toegenomen, zodanig zelfs dat bescherming en wapening daartegen, in veel gevallen een haast onmogelijke opgave lijkt te worden. Bovendien lijkt voor de aandacht van de zintuiglijke ontwikkeling als essentieel onderdeel van de opvoeding weinig plaats meer te zijn.

Dat de zintuiglijke ontwikkeling onmisbaar is voor de ontplooiing van het kind tot een bewuste, veelzijdig ontwikkelde persoonIijkheid, hoeft geen betoog.

Maar de vluchtigheid, de gejaagdheid, de eenzijdig gerichte belangstelling, het gebrek aan wezenlijk diepe belangstelling, het gebrek aan tijd, het weinig bewust bezig-zijn met kinderen, dat alles is weinig bevorderlijk voor de stimulering van de zintuiglijke ontwikkeling.

Veel kinderen dreigen in hun ontplooiing belemmerd te worden of worden belemmerd juist in een ontwikkelingsperiode waarin het concrete en bewuste voelen-horen-ruiken-proeven-kijken de ontwikkeling van de fantasie, de creativiteit, de concentratie, het kritisch vermogen, de eigen ervaringswereld, het bewustzijn, het gevoelsleven op gang brengt en stimuleert.

Dat die belemmering in hun ontplooiing op latere leeftijd hun gedrag, hun gevoelsleven en hun levenswijze zullen beïnvloeden en meebepalen, is zonneklaar. Het is daarom werkelijk van het allergrootste belang om kinderen te behoeden voor over-prikkels en dus voor afstomping en vervlakking en te proberen de basis te leggen voor een bewuster en ’rijker’ leven, als kind en als latere volwassene. Die basis wordt gelegd als dwars tegen de absurde stroom van over-prikkelbedreigingen in het kind tegen zichzelf beschermd wordt door hem te leren zijn zintuigen te gebruiken, door hem zijn eigen wereld te laten ontdekken met zijn eigen onmisbare en altijd bij de hand zijnde hulpmiddelen. Leren geconcentreerd en genuanceerd kijken, waarnemen, luisteren, ruiken, voelen, is leren ontdekken en genieten, is leren verwonderen en bewonderen, is leren werkelijk beleven. De betekenis van de ontwikkeling en training van de zintuigen reikt echter verder dan de beleving van zintuiglijke waarnemingen alleen.

De wijze waarop een kind of een volwassene door zijn levenswijze, zijn gedrag, zijn instelling, zijn houding tegenover zichzelf en anderen in zijn omgeving functioneert, is voor een groot deel meebepaald doof de aandacht die aan zijn zintuiglijke ontwikkeling is besteed.’

Nee, dit is geen artikel uit 2016 – waarin het maar zo geschreven had kunnen zijn;- nee, het is ook niet geschreven door een vrijeschoolleerkracht – al had het maar zo gekund, want als er in een onderwijsvorm visie bestaat op ‘zintuigen’ is het wel in het vrijeschoolonderwijs -.
Op deze blog zijn al diverse artikelen over ‘zintuigen’ verschenen. Van meer theoretische aard, maar ook vanuit de praktijk. Wat kun je doen; hoe doe je het.

En vanuit de inhoud van bovenstaand artikel en vanuit ‘hoe is het vandaag de dag met de ‘zenuw-zintuigprikkels’, is de vraag misschien wel al veel meer: ‘wat moet je doen’.

Rudolf Steiner heeft scherp, helder geformuleerd hoe waarnemen en denken samenhangen, m.n. in zijn ‘Filosofie van de vrijheid‘.

Wij zijn woorden serieus overdenkt, zal tot geen andere conclusie kunnen komen dat het de hoogste tijd is voor een weloverwogen opvoeding van de zintuigen – vooral van oog en oor.

Artikel verschenen in ‘Nieuwsblad van het Noorden’29-08-1978, door WvT

.

In het Archeon in Alphen aan den Rijn bevindt zich een kruidentuin. Daarin kun je ‘speuren naar geuren”
.

Zintuigen: alle artikelen

1060-982

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – alle artikelen

.

TWAALF ZINTUIGEN

[1-1] De twaalf vensters naar de wereld
Annet Schukking
over: zintuigen ervaren in het dagelijks leven; de levenszin; verschil in beleving bij mens en dier; de onderste vier als nachtzintuigen gezien; de middelste groep tussen waken en slapen; de bovenste zijn gericht op de buitenwereld; ze vragen wakkerheid; sprookje Grimm: de twaalf vensters; Ik-zin;

[1-2] Verzorging en betekenis van de zintuigen
Erhard Fucke over: zintuigen en waarnemen voor begripsvorming; zintuigen geven ons informatie over de wereld en over onszelf; zintuigen moeten geholpen worden om zich te ontwikkelen; belang van schilderen voor de waarneming; tasten; balanceren;

[1-3] Zintuigenontdekkingsreis
Luc Ambagts over: het boek ‘Zintuigenontdekkingsreis’ waarin beschreven ‘de zintuigentuin’ geoefend kunnen worden in de natuur.

[1-4] De zintuigen: poorten naar de wereld – poorten naar de medemens
ChristophLindenberg: korte karakteristiek van alle zintuigen met voorbeelden uit het (samen)leven.
Karina Hendriks: kort overzicht.

[1-5] Hoe kan je de zgn ‘onderste zintuigen helpen ontwikkelen?
Pieter HA Witvliet over: foto’s van allerlei mogelijkheden om deze zintuigen te oefenen.

Zintuigen en organische architectuur

TASTZIN

[2/1] De tastzin: oefenen met spelletjes
Elisabeth van Cruijsen
over: blindemannetje; wat is de tastzin; boetseren als ‘slaapmiddel’; tastzin geeft lichamelijke grenzen aan; zelfgevoel; natuurlijke materialen; tastoefeningen met ogen dicht; tasten en geheugen.

[2/2] De tastzin: fysiek en psychisch; oefenen (o.a. in de leervakken)
[2/3] De tastzin als grensbeleving; over pijn

[2-4] De tastzin
Joyce Honing en Petra Weeda over: hoe leert de baby zijn eigen lijf kennen; de belangrijkheid daarvan voor later; hulp als dat niet goed lukt, ruimere kleding, spelletjes, huidolie.

[2-4-2] Het tasten en de tastzin
Norbert Glas over: wat is tastzin; waar te vinden; tasten en betasten; egoïsme; eerbied; voorbeelden wat je in klas kan doen.

[2-5/1] Bouw en functie van de huid
H.B. von Laue over: embryologische ontwikkeling van de huid; tendens tot verharding: hoorn/eeltvorming; tendens zich te openen: slijmvliesvorming; verschil bij handen en voeten; relatie tot licht; begrenzende, beschermende en waarnemende, bemiddelende functie;

[2-5/2] Huid en organisme
Olav Titze over: huid: spiegel inwendige organen; spiegel psychische toestanden; zenuw-zintuigorgaan; inwerkingen via de huid; warmte en kou; invloed etherische oliën en kompressen, baden; massage.

[2-5/3-1] Polaire processen in de huid (1)
René Lecluse
, huidarts over: huid en plantenblad; opperhuid, kiemlaag, hoornlaag; functies; polaire krachten en bemiddelaar; schilfering, verhoorning. 

[2-5/3-2] Polaire processen in de huid (2)
René Lecluse, huidarts over: huid en aardatmosfeer; lederhuid, functie; opperhuid, functie en hun polariteit.

[2-5/3-3] Polaire processen in de huid (3)
René Lecluse, huidarts over: vergelijking aardedoorsnee-huiddoorsnee; haarwortel; polariteit met onderhuids vet.

[2-5/3-4] Polaire processen in de huid (4)
René Lecluse, huidarts over: opperhuid: polariteit leven-dood; lederhuid: polariteit vorm-vloeibaar; subcutis: polariteit groei-vet; harmonisch samengaan nodig.

[2-5/4] De huid als zintuigorgaan
René Lecluse, huidarts over: huid als tastorgaan; scheiding tussen mens en wereld; door tast: bewust van weerstand; massage; fysieke gewaarwordingen van de huid.

[2-5/5] De huid als spiegel van je voeding
René Lecluse,
huidarts over: wat zie je bij gebrek aan bepaalde vitamines; hoe gaat de huid om met voedingsstoffen.

[2-5/6] De watervoorraad van de huid
René Lecluse, huidarts over: de vochthuishouding van de huid en het belang daarvan; droge huid; vochtige huid; transpireren; irisplant als hulp.

[2-6] Het haar als organische uitdrukking van de menselijke driegeleding
Wolfgang Schad over: samenhang haar-huid; verschil mens-dier m.b.t. de huid; functie huid; haar en tastzin; haar tijdens levensloop; driegeledingsfuncties van het haar; menstypen en haarvorming; haar als uitdrukking psychische gesteldheid.

In ‘ontwikkelingsfasen‘ [1-10] over de huid van de baby en de verzorging ervan

In opvoedingsvragen [16-4] over huidproblemen, eczeem, te dunne huid

LEVENSZIN

[3-1] Doe de levenszin
Carla Niphuis over: bewustzijn van het innerlijk welbevinden; kinderen geven signalen vanuit het levenszin: honger, pijn enz.; stimuleren van de positieve signalen; harmonie versterken d.m.v. vlechtvormen.

[3-2] De levenszin
Arie Bos over: de levenszin signaleert extremen; waar zit deze; Vaguszenuw en enterisch zenuwstelsel; vitaliteit; je prettig voelen of niet en uitdrukkingen in de taal;

EVENWICHTSZIN

[4-1] De evenwichtszin: oefenen in het zelf-standig zijn
Carla Niphuis over: op eigen benen; de mensen-verticaal beheersen; Odysseus tussen Scilla en Charybdis; evenwicht oefenen in sport, boetseren, schilderen; innerlijke rust.

[4-2] De evenwichtszin
Arie Bos over dit zintuig: fysieke basis, het orgaan; verbinding met kleine hersenen; evenwichtig zijn; het belang van evenwichtsoefeningen.

BEWEGINGSZIN

[5-1] De zin van het bewegen
Carla Niphuis
over: schaatsend bewegen; bewust bewegen; kinderlijke behoefte aan bewegen; 

[5-2] De bewegingszin

[5-3] Bewegen
Jaap van der Wal
over: ontwikkeling van beweging in het embryo; bij het jongere kind; ritme; eigenbewegingszin als waarnemingsorgaan; hyperactief.

[5-4] Balanceren met ballen en blokken
Willemijn Visser ’t Hooft over het belang van het oefenen van de onderste zintuigen met het jongste kind; bal, blokken (Kapla) 

[8-1] Luisteren door het oog
Guus van der Bie over: waarnemen, wat doet het oog; welke andere zintuigen ook betrokken; verschil zintuig – zin (voor).

 

 

 

[8] De noodzaak van zintuigopvoeding in deze tijd

[9] De 12 zintuigen: beschreven in ‘Het binnenste buiten’

[10] Oefeningen/spelletjes voor (bijna) blinde kinderen

menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1059-981

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (11)

.
GEZICHT OP DE STAD MEGIDDO

leven O.T. 55Gezicht op de stad Megiddo in de dagen van de eerste koningen (omstreeks de 10e eeuw voor Christus, gelijk de geleerden, die de ruïneheuvel Tell-el-Moetesellim opgraven, zich dit voorstellen).
Het grote gebouw (van a-c) noemen zij „het grote huis”; het was bij de noordoostelijke muur (waarbij men aanneemt, dat de „laag” waarin „het grote huis” voorkomt, dateert uit de 10e eeuw). Vermoedelijk was dit grote huis de standplaats van de commandant, mogelijk ook was het de residentie van de landvoogd Baäna (1 Kon. 4 : 12).
Bij dit grote huis was een geplaveide binnenhof (b); daar konden de soldaten zich verzamelen en over de trap naar de stadsmuur (g) gaan. Bij de trap is ook de uitkijktoren (c) van de commandant. De toren is opgebouwd uit bewerkte, effen gemaakte, hardsteen. Karakteristiek (dit is ook op de buitenmuur van de stad de bouwwijze) is de verhouding van een kopsteen naast twee strekse stenen, met een rij van strekse stenen in de volgende laag. — De muur van het grote huis is opgetrokken uit bewerkte steen; merkwaardigerwijze „drie rijen van gehouwen steen” (zie ook 1). Op een basis van onbewerkte steen (ƒ) was deze muur opgetrokken, gestut door cederen balken (e). Op de vloer van een binnenplaats vond men as van een verbrand huis; bij een brand werd het stenen metselwerk weinig aangetast, maar de houten balken werden een prooi der vlammen. De staande balken (e) droegen de balken van de zoldering (d). Het „grote huis” van Megiddo doet denken aan het paleis van Salomo: En het grote voorhof was rondom van drie rijen gehouwen stenen met een rij van cederen balken (1 Kon. 7 : 12). De bouwwijze van Megiddo is volgens de geleerden eenerzijds met die van Salomo te Jeruzalem te vergelijken, anderzijds met Hethietische bouwwerken. Het grote huis) van Megiddo vertoont ook gelijkenis met het paleis van Achab te Samaria. Het metselen en de gehele bouwwijze toont aan, dat het geschied is door bekwame vakmensen. — Bij de fundamenten heeft men het zeldzame geval geconstateerd van houten funderingen in de vorm van liggende balken. — Links van het gebouw is de grote zware stadsmuur van Megiddo; de breedte van de muur geeft op de kruin plaats voor de wacht en de verdediging. —• Van de muur gezien vertoont zich het stadsbeeld van huizen met platte daken op ongeveer dezelfde hoogte; en tussen de gebouwen vrij nauwe straten. — In de straat bij het grote huis ziet men een strijdwagen door twee paarden getrokken. In Megiddo zijn gevonden de beroemde paardenstallen van Salomo. Megiddo was een vesting: één van de wagensteden en „de steden der ruiteren” (2 Kron. 8 : 6; 1 Kon. 9 : 17—19) ; een vesting, die de sleutelpositie had tot de beroemde vallei van Megiddo. In die vallei zijn vele veldslagen geleverd; het woord Armageddon wordt wel vertaald als „Berg van Megiddo”. De leider van de opgraving heeft daarom zijn boek over hetgeen ontdekt was, genoemd: Nieuw licht van Armageddon.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1058-981

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Elizabeth 1

.

Elizabeth 1

Elizabeth I  1533-1603

Een portret van Elizabeth I. Het werd in 1585 geschilderd door Nicholas Hilliard. Hilliard was waarschijnlijk ook de maker van het Armada-juweel van 1588. Elizabeth stond toen op het hoogtepunt van haar macht. Aan het eind van de regeringsperiode van de ‘Virgin Queen’ was Engeland als wereldmacht naar voren gekomen.

Elizabeth I was een dochter van Hendrik VIII uit zijn tweede huwelijk, met Anna Boleyn. Hendrik VIII werd in 1547 opgevolgd door zijn zoon Eduard VI uit zijn derde huwelijk, met Jane Seymour. In 1553 kwam Maria (de Katholieke) aan het bewind, een halfzuster van Eduard VI, een dochter uit het huwelijk van Hendrik VIII en Catharina van Aragon. Hoe haar regering was, blijkt wel uit de bijnaam die ze kreeg, ‘Bloody Mary’ ofwel Maria de Bloedige. Toen Elizabeth betrokken raakte bij een mislukte opstand, werd ze door haar halfzuster opgesloten in de Tower van Londen. De 21-jarige prinses liet zich echter niet uit haar evenwicht brengen. Ze ging niet in op de beschuldigingen van haar ondervragers. Elizabeth was intelligent en bekwaam. Ze beheerste zeven vreemde talen. Maar bovendien bezat ze, wat voor iemand in haar positie onontbeerlijk was, de gave om zich te handhaven. In de gevaarlijke jaren die volgden, zou haar behoedzame gedrag haar in leven houden. Mogelijk kwam het daardoor, dat ‘Bloody Mary’ het niet aandurfde, haar halfzuster ter dood te laten brengen.

Toen Elizabeth als Elizabeth I koningin was geworden, kreeg ze met nog meer gevaar te kampen. Maar ze was gelukkig in de keus van haar ministers. Hun vooruitziende blik en trouw beschermden haar tegen haar vijanden.

Aan het hoofd van deze ministers stond William Cecil, de latere Lord Burghley. Evenals Elizabeth was Cecil van mening, dat welvaart alleen maar mogelijk was door het voeren van een voorzichtige financiële politiek en het vermijden van oorlog. Engeland kwam tot bloei. De industrie profiteerde van de stroom vakbekwame immigranten die naar Engeland vluchtten vanwege de godsdienstoorlogen op het vasteland van Europa. In 1571 opende Elizabeth de Koninklijke Beurs, gebouwd door de financier Sir Thomas Gresham. Een jaar tevoren was de protestantse Elizabeth door paus Pius V formeel in de ban gedaan. De pauselijke bul hield in, dat de Engelse katholieken hun koningin niet trouw hoefden te zijn. Erger nog: hij riep zelfs op tot ongehoorzaamheid. Deze passage zou overigens tien jaar later worden herroepen. Van dat ogenblik af was iedere katholiek voor wat de regering betrof een mogelijke verrader. Aanvankelijk had Elizabeths betrekkelijk verdraagzame politiek de katholieken (de helft van de bevolking) in staat gesteld hun geloof althans binnenskamers te belijden. Nu werden de wetten vervangen door strengere. Toen de jezuïeten in 1580 heimelijk het land begonnen binnen te komen, liet de regering van Elizabeth hen tot in hun verste schuilhoeken achtervolgen.

De ergste bedreiging voor de koningin was de aanwezigheid van haar nicht, Maria Stuart. Nadat de opstandige adel haar had gedwongen afstand van de Schotse troon te doen, was Maria Stuart naar Engeland gevlucht, in de hoop steun te krijgen van Elizabeth. Ze bleef er voortdurend bij de koningin op aandringen, haar tot haar opvolgster te benoemen. Daarbij was ze tactloos genoeg om te beweren dat zij – en niet Elizabeth – de rechtmatige koningin van Engeland was. Elizabeth liet haar onwelkome koninklijke bezoekster in verschillende kastelen opsluiten. Intussen werden zowel in Engeland als daarbuiten plannen beraamd om de katholieke Maria Stuart op de Engelse troon te krijgen.

Toen een aantal van deze samenzweringen aan het licht was gekomen, liet Elizabeth de samenzweerders terechtstellen. Haar ministers smeekten haar, zich ook van Maria te ontdoen, maar Elizabeth aarzelde om een gekroonde koningin te laten terechtstellen. Toen echter het bewijs werd geleverd dat Maria betrokken was geweest bij een samenzwering met als doel Elizabeth te doden, liet ze haar toch voor de rechter brengen. Zelf tekende ze Maria’s doodvonnis, maar toen het werd uitgevoerd, werd de koningin hysterisch en probeerde ze haar ministers de schuld te geven.

Elizabeth was onvermurwbaar wat een ander belangrijk punt betrof: haar huwelijk. Als kind had ze zich reeds voorgenomen, nooit te zullen trouwen. Mogelijk kwam haar angst voor het huwelijk voort uit het feit dat ze het met de dood in verband bracht. Gezien het lot van haar moeder, Anna Boleyn, en dat van haar vaders vijfde vrouw, Catherine Howard, was dat niet verwonderlijk. Een tweede factor die een rol speelde bij haar tegenzin aangaande het huwelijk was, dat zij er niets voor voelde haar macht met een eventuele echtgenoot te delen. Haar minnaars, die ze zelfs tot op middelbare leeftijd had, heeft ze waarschijnlijk nooit serieus genomen. Ze had hen vanwege hun strategische waarde. Zo bleef ze de hertog van Anjou bijvoorbeeld drie jaar lang aan het lijntje houden door hem een verbond met Frankrijk in het vooruitzicht te stellen. Op die manier zou de agressieve politiek van Filips II van Spanje binnen de perken kunnen worden gehouden. Filips ergerde zich aan de Engelse piraterij die door Elizabeth oogluikend werd toegestaan. Bovendien was hij van mening, dat hij recht had op de Engelse kroon, die Maria Stuart hem had nagelaten. In 1588 stuurde hij zijn Onoverwinnelijke Vloot, de Armada, naar het noorden. Elizabeth bleef er tot op het allerlaatst van overtuigd, dat het niet tot een werkelijke oorlog zou komen. Ze weigerde daarom, haar strijdkrachten van voldoende voorraden te voorzien. Toch slaagde de Engelse zeemacht (grotendeels een schepping van Elizabeth) erin, de Spanjaarden te verdrijven. Door deze overwinning groeide de nationale trots van de Engelsen en de genegenheid voor hun koningin nam toe. Gedurende de laatste vijftien jaar van haar regering werd Elizabeth bijna als een godin verheerlijkt. Vele dichters maakten lofzangen op haar verdiensten. Het toegenomen nationaal bewustzijn kwam tot uitdrukking in een golf van culturele activiteit. Daarvan werd het hoogtepunt wel gevormd door de toneelstukken van William Shakespeare (1564-1616). De oude vorstin, zwaar opgemaakt, voorzien van een pruik en gehuld in de meest fantastische kostuums, diende als levend symbool van de nieuwe grootheid van Engeland. Onder al die uiterlijke opschik ging een scherpzinnige vrouw schuil, die pas op haar sterfbed bekendmaakte wie haar opvolger zou worden: Jacobus VI van Schotland, Maria Stuarts zoon.

Elizabeth 1

Elizabeth I wordt op het hoogtepunt van haar regeringsperiode door haar hovelingen in een draagstoel gedragen. Ze eiste van haar hof totale trouw. Toen haar favoriet, Sir Walter Raleigh, in het geheim in het huwelijk trad, beschouwde Elizabeth dit als een belediging voor haar als vorstin en als vrouw. Dit schilderij wordt toegeschreven aan Robert Peake de Oudere.

7e klas geschiedenis: alle artikelen

alle biografieën

1057-980

VRIJESCHOOL – 7e klas – leerplan

Er was een tijd dat een vrijeschool de klassen kleuters t/m  12 onder één dak had. Deze scholen stonden alle in grote steden.

Toen het aantal basisscholen – vanaf 1975 – fors groeide in kleinere plaatsen, waren de leerlingen voor de middelbare afdeling aangewezen op bestaande scholen in de grotere stad.

De basisschool bestond toen uit kleuters t/m klas 7.

Maar ook klas 7 – die de wet niet kent – werd op zeker ogenblik bij de basisschool weggehaald en als een soort middenklas (samen met klas 8) opgenomen door de bovenbouw (de klassen 9 t/m 12).

Hoe zag het leerplan van de 7e klas eruit toen het nog een basisschoolklas was. 
Dat is hieronder te zien. 
Het wil niet zeggen dat de 7e klas anno 2016 dit leerplan heeft.

Waarom ik het dan toch hier weergeef?

Zie hiervoor:  ‘Verslag Informatiebijeenkomst Anders Verantwoorden 20 januari 2016 door Yvonne van Oorsouw en Saar Frieling’ in ‘Antroposofie in de pers’ 

voor scholen die na periodes van inspectiestress hun eigen concept willen terugveroveren

LEERPLAN KLAS VII

NEDERLANDSE TAAL

a. Vertelstof:
Land- en volkenkunde,
Middeleeuwse riddersagen,
het Finse Kalevala-epos
Geschiedenis van de 15e en 16e eeuw

b.Spreken:
Spraakoefeningen,
klassengesprek,
spreekbeurt,
temperamentsoefeningen,
reciteren van gedichten,
voordragen van prozastukken.

c.Schrijven:
Zuiver schrijven,
goed gestelde zakenbrieven,

d.Lezen:
Moeilijker stukken door stillezen opnemen en inhoud in vragende vorm weergeven

e. Spelling en interpunctie:
Moeilijke dictees.
Vervolmaking interpunctie,

f.Grammatica:
Behandeling van de samengestelde zin.
Nauwkeuriger behandeling van voornaamwoorden en voegwoorden.
Het kind moet door de taal de goede uitdrukkingen kunnen hanteren, die een wens, een verwondering, een gevoel van verbazing, ook van bewondering, kortom een hele configuratie van gevoelens uitdrukken. Vergelijken van een wenszin met een bewonderzin om de plastiek van de taal te beleven.

g. Opstellen:
Onderwerpen uit natuurkunde en biologie nauwkeurig weergegeven

h. Stijloefeningen:
In vier temperamentstijlen kunnen spreken en schrijven. In de Nederlandse literatuur voorbeelden bestuderen.

Middelen: Papier in verschillende soorten, schriften, periodeschriften, pennen, kleurkrijt, kleurpotloden, leesboeken, toneelattributen, toneel-kleding, hout, klei.

Werkvorm: Individueel, groep, temperamentsgroep, klassikaal.

FRANS OF DUITS EN ENGELS

Grammaticale regels worden uit het hoofd geleerd.
Grotere gedichten en balladen worden behandeld.
Brieven en korte opstellen gemaakt.
Globale vertalingen geoefend.
De onderwerpen komen uit land- en volkenkunde.

Middelen: Papier, schriften, leesboeken.

Werkvorm: Klassikaal, groep, temperamentsgroepen, individueel.

REKENEN/ ALGEBRA

Aan de orde komen:
Machtsverheffen,
worteltrekken,
de negatieve getallen,
vergelijkingen,
algebra in de vier hoofdbewerkingen.
Ook inhouds- en oppervlaktematen en vreemd geld.
E.e.a. aan de hand van praktische vraagstukken.

MEETKUNDE

De meetkunde wordt voortgezet tot en met de stelling van Pythagoras.

Dit is een van de kernstukken van de zevende klas.

Verder nog: Vermenigvuldigen van figuren,
gelijkvormigheid en congruentie.
Verhouding en evenredigheid van lijnstukken.
Eenvoudige bewijzen i.v.m. congruentie en gelijkvormige driehoeken.

Middelen:Papier, potloden, karton,passers,driehoeken, gradenbogen,klei.

Werkvorm: Klassikaal en individueel

VORMTEKENEN

Do meetkundige constructies met passer, liniaal en driehoek worden voortgezet.

Middelen: Papier, potloden, krijt.

Werkvorm: Klassikaal, in temperamentsgroepen, individueel.

SCHILDEREN EN TEKENEN

Voortzetting en herhaling van onderwerpen uit de vorige klassen.
Spiegeling (in water);
stemmingen in chemische processen (kristalliseren, verbranden e.d.); architectuur; coulissen. [1]

Middelen: Papier, waterverf, sponzen, penselen, waskrijt, kleurkrijt, kleurpotloden, karton, houtskool, waterbakjes.

werkvorm: Klassikaal, in temperamentsgroepen, individueel.

HANDENARBEID

De zevende klas staat in het teken van het beweeglijke speelgoed.

Het maken daarvan loopt parallel met de intrede van het vak mechanica, waarin de takels, de weegschaal, het hellende vlak, etc. worden behandeld.

Dat is op de leeftijd van 12 a 13 jaar, waarin het lichaam hoekiger gaat worden en de aanhechting van de spieren met het skelet vaster wordt (mechanischer) .

Rijdende en waggelende eenden verschijnen, voorzien van ingebouwde krukassen, apen die langs een stok klimmen, houthakkers die tot activiteit kunnen komen etc.

Nu moet de fantasie omgezet worden in denkend voorstellen en daarna met de realiteit laten wedijveren.

Het wordt een zeer bedrijvig jaar, vooral voor de leraar, die mede gestalte moet geven aan al die uitvindingen, waarvan de toepassingen veel denkkracht vereisen.

HANDWERKEN

De leerlingen naaien en versieren eenvoudige kledingstukken voor zichzelf

Middelen:Verschillende soorten natuurlijk materiaal.

Werkvorm: Klassikaal, in temperamentsgroepen, individueel

EURITIIMIE

In aansluiting’ op het taalonderwijs worden de uitdrukkingsvormen van wensen, bewonderen, zich verwonderen, e.d. door het gehele lichaam in bewegingen gedaan.

Er worden moeilijker geometrische vormen gelopen, begeleid door muziek.

De oefeningen, die de leerlingen helpen hun groeiende ledematen te beheersen, worden voortgezet. Bij de tooneuritmie treedt het mineurelement weer op de voorgrond. Er worden nu muziekstukken ingestudeerd, waarbij enkele kinderen uit deze klas op hun instrumenten spelen en de rest van de klas daarbij euritmiseert.

MUZIEK

Het behandelen van het octaaf krijgt een aparte betekenis door het begin van de stemwisseling van de jongens. Hun stem zakt nl. een octaaf, zodat in het bijzonder de negro-spirituals hun volle klank krijgen.

Laat men aan de ene kant de muziek der grote meesters horen, het is voor opgroeiende kinderen aantrekkelijk en op deze leeftijd zelfs noodzakelijk de grondbegrippen van de jazzmuziek te leren kennen. Daarbij vooral biografieën behandelen. Een eigen bandje naast het schoolorkest valt te overdenken.

BIOLOGIE/TUINBOUW

Gebaseerd op de plantkunde, dierkunde en mineralogie, wordt nu de menskunde behandeld i.v.m. voedings- en gezondheidsleer. Verschillende gezichtspunten worden besproken. Ook de stofwisseling, spijsvertering en ademhaling komen aan de orde.

In de tuinbouwlessen komt de kwaliteitsvraag naar voren: Hoe verzorg je de grond, de plant en hoe bewaart men en bereidt men hem. Dit wordt alles zoveel mogelijk in praktijk gebracht.

Middelen:Boeken, werkboeken en tuingereedschap.

Werkvorm: Klassikaal, in temperamentgroepen, individueel.

VOEDINGSLEER

Op deze jonge leeftijd kan het kind op niet-egoïstische wijze begrip krijgen voor voeding en gezondheid. Behalve theoretisch zijn de leerlingen ook praktisch bezig. Ook komt aan de orde hoe de voedingswijze in de loop der tijden is veranderd.

Middelen: Werkboekjes, kookgerei, boeken.

Werkvorm: Klassikaal, in temperamentsgroepen, individueel.

GESCHIEDENIS/VOLKENKUNDE

De periode in de zevende klas concentreert zich op de 14e, 15e en 16e eeuw. Van groot belang kan het worden geacht, dat de kinderen die nu in een zo andere ontwikkelingsfase van hun wezen komen, in aanraking worden gebracht met die ontwikkelingsfase van de West-Europese mens die wij Renaissance noemen. Evenals bij onze ongeveer 13-jarigen kenmerkt zich deze tijd door het zoeken naar een ontplooiing van het individu.

Het denken gaat een zelfstandige plaats eisen, en maakt zich daarbij vrij van oude waarden. Aan de hand van biografieën kunnen in kleurrijke beelden de levens geschilderd worden van de grote vernieuwers uit die tijd; de ontdekkingsreizen n.a.v.Hendrik de Zeevaarder, Columbus e.a.; de veranderde ideeën op het gebied van de godsdienst n.a.v. Johannes Hus, Maarten Luther e.a.

Schilders, beeldhouwers, uitvinders kunnen behandeld worden. Het ontstaan van nieuwe staatkundige ideeën vanuit de oude gildemaatschappij en de feodale overheersers wordt meebeleefd.

Centraal staat steeds dat de leerlingen innerlijk déél kunnen nemen aan het denken en worstelen van de mensen, die aan het begin van een nieuwe bewustzijnsstroom stonden, die uitmondt in onze huidige technocratische maatschappij waar kinderen nu met hun eigen, zich ontplooiende bewustzijn, in staan.

Middelen: Schriften, Boeken en Werkboeken.

Werkvorm: Klassikaal, in temperamentsgroepen, individueel.

AARDRIJKSKUNDE/STERRENKUNDE

De werelddelen en oceanen worden behandeld. Metalen en hun economische betekenis voor de mensen. Belangrijke volkeren en hun culturen worden behandeld voor wat betreft hun samenhang met materiële, economische en spirituele factoren.

Voorts worden de astronomische verschijnselen aan de hemel besproken: zon, maan, de zeven planeten en de twaalf sterrenbeelden van de dierenriem .

Middelen: Schriften, papier, atlassen, wandkaarten, sterrenkaart, telescoop.

Werkvorm: Klassikaal, in temperamentgroepen, individueel.

NATUURKUNDE

Geluidsleer, licht- en kleurenleer, warmteleer, magnetisme en elektriciteit worden uitgebreid; de belangrijkste mechanische elementen komen erbij: hefboom, katrol, takel, hellend vlak, schroef e.d.

Middelen: Materiaal voor het nemen van proeven, schriften, werkboeken.

SCHEIKUNDE

Uitgaande van de verbranding leren de kinderen de eenvoudigste chemische voorstellingen kennen: Zuren, basen, zouten in hun onderlinge verhouding en karakter, in hun gebruik en voorkomen in het dagelijkse leven en de techniek, worden aan de hand van de belangrijkste voorbeelden geleerd.

Middelen: Schriften, werkboekjes, materiaal voor het nemen van proeven.

GYMNASTIEK

Voor kinderen in de zevende klas geeft het ervaren van de zwaartekracht en de eigen kracht daar tegenin veel voldoening.

De vrije val in de ruimte wordt gepraktiseerd( vallen en opstaan): het springen over allerlei hindernissen.
Verschillende teamspelen.

VERKEER

Het verkeersonderwijs moet zo worden ingericht, dat het kind zich dusdanig leert gedragen, dat hij uit eigen verantwoordelijkheidsgevoel en uit eerbied voor het leven in de omgang met anderen speciaal in het verkeer zo weinig mogelijk zijn medemens en zichzelf in gevaar brengt. Het verkeersonderwijs omvat de volgende aspecten:

1. De praktische oefening van de verkeersregels.
2. De oefening in het waarnemen, oriënteren, concentreren en reageren.
3. Goede gewoontevorming t.a.v. de gestelde gedragsregels. Het gaat daarbij ook vooral om het aanleren van goede “verkeersregels” in en om de school.

In de midden- en hogere klassen komen de verkeersregels aan de orde, die bestemd zijn voor de fietser en voor de automobilist, voorzover deze tevens betrekking hebben op de fietser.

In de klassen kan worden gewezen op de verscheidenheid aan vervoersmiddelen en de daarmee samenhangende problemen.

nadere gegevens ontbreken

[1] (eind) 7e klas: zwart/wit arceren 

zie ook: Opspattend grind (21)

Van veel onderwerpen is op deze blog achtergrondinformatie gegeven; ook voorbeelden uit de praktijk.

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld:  7e klas: alle beelden

1056-979

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het OudeTestament (10)

.

TORENS, BURCHTEN, HUIZEN

leven O.T. 521. Israëlitische vestingtoren in Samaria
Samaria was gebouwd op een heuvel (1 Kon. 16 : 24) op „het hoofd der zeer vette vallei” (Jes. 28 : 1). Aan alle zijden geïsoleerd, leende de plaats zich voor vesting. Condor beweerde dat deze vesting voor de uitvinding van het buskruit onneembaar moet zijn geweest. — De versterking geschiedde door muren, en torens of burchten. Kenmerkend voor deze na-Salomonische bouwwijze is de stapelligging van grote rechthoekige steenblokken (a) die aan de voorzijde (b) zijn gladgeslepen; de zware goed gehouwen stenen sluiten precies op elkaar, het zijn „drie rijen van gehouwen steen”. Dit stuk vestingwerk is zo indrukwekkend, dat het als een nationaal-monument zal bewaard blijven en ter bezichtiging gesteld is door de regering van Palestina.

2. Reconstructie van de vesting Sichem
tussen Ebal en Gerizim. De stad Sichem (c) was niet, gelijk de meeste andere plaatsen van Palestina gebouwd op de top van een natuurlijke heuvel, maar in de dalweg tussen de Gerizim (a) en de Ebal (b). De oudste nederzetting lag op een haast vlakke uitloper van de Ebal, op een terras gelijk een schouder (want dat betekent de naam Sichem) tegen het hoofd van de hoge berg Ebal aan (Prof. Böhl).
Vermoedelijk is hier opgegraven „de sterkte (c) in het huis van de god Berith” (Richt. 9 : 46); de Sichemtoren met de verschansing.

leven O.T. 533. De Westburcht van Thanach
(reconstructie van Prof. Thiersch). De muur op de achtergrond is de stadsmuur (a); de burcht lag aan de binnenzijde. Deze burcht b-b) was een groot, bijna vierkant gebouw; 20 bij 21,80 m. Voor ons zien wij rechts een binnenhof (c). In het midden daarvan is een cisterne (d), een gegraven waterbak; in de Statenvert. van het O. T. bakken genoemd (Spr. 5 : 15), in de Statenvert. van het N. T. gracht (Matth. 12 : 11). Om de hof liggen kamers; deze worden gestut door houten balken; de muren zijn opgetrokken van leemtegels (e). Van de hof liep een trap, die recht naar de bovenverdieping en het dak van de burcht voerde; daarboven was dan de plaats voor den wachter op de muur (ƒ).

leven O.T. 544. Huizen met platte daken binnen de stadsmuur
De meeste huizen in de stad waren klein; met één verdieping; vier wanden op een onderbouw van keien en veldstenen, opgebouwd van leemtegels, gemaakt in tichelvorm (e). De deur was ter zijden begrensd door stenen zijposten (d), een bovendorpel (e) genoemd in Exodus 12 ; 7 en beneden (ƒ) een dorpel (1 Kon. 14 : 17). Wanneer men al een venster (g) had, stelde men zich met één tevreden (Jozua 2 : 18). Een trap (a) leidde naar het platte dak (b). Omdat de huizen dikwijls dezelfde hoogte hebben en tegen elkaar zijn gebouwd, is het gemakkelijk om van het ene dak op het andere te komen (Matth. 24 : 17).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1055-978

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Cortez

.

Cortez

Een portret van Hernan Cortez te paard. Het is afkomstig uit een boek van de Tlaxcalan-indianen, dat handelt over zijn verovering van Mexico. De Indiaanse kunstenaar beeldde Cortez af met een hoed, zoals die werd gedragen door hun god Quetzalcoatl. De verschijning van Cortez was voor de Indianen zeer vreemd. Het versterkte hun overtuiging, dat Cortez een god was, die uit ballingschap terugkeerde

HERNÀN CORTEZ  1485-1547

Hoe Hernàn Cortez erin slaagde om met niet meer dan 500 soldaten een rijk met verscheidene miljoenen inwoners te veroveren, zal wel altijd een raadsel blijven.

Hernàn Cortez was afkomstig uit de arme Spaanse provincie Estremadura, waar zijn ouders tot de lagere Castiliaanse adel behoorden. Hij nam deel aan de verovering van Cuba en was al op negentienjarige leeftijd een vooraanstaand lid van de koloniale samenleving daar. In 1517 kreeg hij van gouverneur-generaal Velazquez van Cuba opdracht, naar het westen te varen om gegevens te verzamelen over nieuwe gebieden. Cortez vertrok met 500 manschappen, 16 paarden, 10 kleine kanonnen en 48 geweren. Toen Velazquez, die spijt had gekregen van zijn opdracht, hem terug wilde roepen, waren Cortez en zijn mannen al op weg. Voor de kust van Yucatan werden ze verwelkomd door de plaatselijke Maya-bevolking. Eén van de vrouwen sprak een Azteekse taal en samen met een Spanjaard, die slaaf bij de Maya’s was geweest en die hun taal sprak, trad ze voor Cortez op als tolk. In april 1519 landden de Spanjaarden bij Cempoalla aan de Mexicaanse kust.

Nog geen honderd jaar tevoren hadden de Azteken enkele wrede oorlogen gevoerd, waarbij ze schatting, slaven en mensenoffers van de Maya’s geëist hadden. Het verslagen volk was ervan overtuigd, dat hun god Quetzalcoatl eens zou terugkeren om de vijand te verslaan. Toen Cortez met zijn ‘gevleugelde kano’s met hun donderstemmen’ (de kanonnen) aankwam, meende men dan ook dat de dag van de bevrijding was gekomen.

Voor velen was hij de god, wiens komst was voorspeld, de god van de winden, de goedheid en het licht.

Vlakbij Cempoalla bouwde Cortez een versterking, die hij Vera Cruz noemde. Vervolgens stuurde hij een van zijn schepen terug naar Spanje met een verslag over de gebeurtenissen, op de vijand veroverde voorwerpen en een geschilderd boek over de legende van Quetzalcoatl.

Het was augustus 1519, toen hij met 400 van zijn mannen, duizenden inlandse dragers en 7 kanonnen landinwaarts trok om zich te voegen bij de Tlaxcala, een bergvolk dat in oorlog was met de Azteken. De grote hoofdstad Tenochtitlan telde bijna een miljoen inwoners. Deze stad was gebouwd op een aantal eilanden in een meer dat was omgeven door bergen en vulkanen. Montezuma, de Azteekse keizer, die er niet in slaagde Cortez tegen te houden of hem uit de weg te ruimen, schonk hem een paleis binnen de stad.

Intussen waren in Vera Cruz manschappen vanuit Cuba aangekomen, met de opdracht van de jaloerse gouverneur-generaal, Cortez gevangen te nemen. Razendsnel keerde Cortez terug naar de kust, waar hij zijn tegenstanders versloeg en de overlevenden overhaalde, zich bij hem aan te sluiten.

In Tenochtitlan hadden de achtergebleven mannen inmiddels een groot aantal burgers vermoord, uit angst overvallen te worden. Toen Cortez terugkwam, begonnen de Azteken een beleg. Tijdens de gevechten die volgden werd Montezuma gedood, maar de Spanjaarden werden op de vlucht gedreven. Op de terugweg, die via een
verbindingsdam leidde, vonden vele Spanjaarden de dood in het meer.

Ondanks het grote verlies dat ze hadden geleden, wisten Cortez en zijn mannen een groot Azteeks leger bij Otumba te verslaan. Samen met de Tlaxcala en duizenden Azteekse opstandelingen, vereerden ze Tenochtitlan. Het beleg duurde drie maanden en na afloop stond er vrijwel geen gebouw meer overeind. De Spaanse soldaten maakten zich schuldig aan afschuwelijke wreedheden, hoewel een dergelijk gedrag bepaald niet paste bij Cortez’ godsdienstige opvattingen.

Hoewel er verschillende theorieën over bestaan, zal het waarschijnlijk altijd een raadsel blijven, hoe de 500 conquistadores (veroveraars) van Cortez erin slaagden een miljoenenvolk te verslaan. Sommige deskundigen menen dat er sprake moet zijn geweest van een ziekte die, meegebracht door de Europeanen, onder de Azteken een epidemie veroorzaakte. De ontevredenheid onder de bevolking die herhaaldelijk tot opstanden leidde, zal wellicht ook een rol hebben gespeeld. Cortez, die van de Spaanse regering de titel ‘Marquis de Valle des Oaxaca’ kreeg, zag zijn grootste wens, gouverneur van de nieuwe provincie te worden, niet in vervulling gaan. Hij ondervond voortdurend tegenstand van de koloniale regering en de onderkoning en hij stierf in 1547 als een verbitterd man.

Cortez

Cortez met de Indiaanse prinses Malinche, die zijn tolk werd. Zij vertaalt de woorden van een Azteek om Cortez van dienst te zijn.

alle biografieën

7e klas geschiedenis

VRIJESCHOOL in beeld:  7e klas alle beelden

1054-977

VRIJESCHOOL – 1e klas – impressie (3)

.

DE EERSTE KLAS

Nu ik een stukje wil gaan schrijven voor de Triangel over mijn klas, gaat er veel door mij heen.We zijn driekwart jaar bezig en ik moet onwillekeurig weer aan de eerste dag denken.
De helft van de kinderen kende elkaar van de kleuterschool, maar de andere helft kwam vanheinde en ver.
Daar komen ze binnen; de één vol bravoure, de ander verlegen, maar allemaal vol verwachting, want- dit is me toch even een ogenblik: we gaan naar de grote school. En dan gaat zo’n klas aan ‘t werk.

Het zijn allemaal individuutjes, die hun weg proberen te zoeken; sommige met veel vallen en opstaan. Ze leven nog allemaal voor zichzelf. ”Dat is van mij en daar mag je niet aankomen”. Of: tegen een tafeltje van een ander kind aanlopen, zodat de krijtjes eraf  vallen en dan gewoon doorlopen alsof er niets aan de hand is.
Of als ze iets niet kunnen, dan moet meneer helpen.
Maar na driekwart jaar zie je opeens dat ze een beetje ”klas” beginnen te worden. Enkele voorbeelden hiervan zijn: er komt een nieuw kindje in de klas en wordt door de anderen “ingewijd”. Je merkt dan zoiets van: ”wij zijn er al enne…… wil je erbij horen dan zo en zo….. ”
Of er valt een doosje met krijtjes op de vloer en twee kinderen gaan het samen oprapen.
Of ” Meneer, wil je m’n veters wel vast knopen?”, ”0, laat maar, meneer, ik zal dat wel even doen”. En daar sta je dan een beetje overbodig te zijn, maar zielsgelukkig, dat zoveel knokken en zwoegen zulke dingen tot resultaat hebben.

Eigenlijk is zo’n eerste jaar voor de kinderen een wennen aan het naar school gaan. In het begin zie je, dat er nog geen werkhouding is; ze zijn gauw afgeleid en kunnen zichzelf nog geen taak stellen.
Nu zie je dat de meeste kinderen proberen hun werk zo goed en zo mooi mogelijk te maken. Dat lukt echter niet altijd, want de boog kan niet altijd gespannen zijn.

Een van de mooiste thema’s in de eerste klas is het letterbeeld.

Het is m’n allereerste jaar dat ik vrijeschoolleraar mag zijn; de letterbeelden zijn voor mij net zo’n grote beleving als voor de kinderen. Ik vermoed dat enkele dingen me altijd bij zullen blijven.

Een voorbeeld is de “vogelletter”. Deze is voortgekomen uit.het sprookje “De gouden vogel” uit de Gebr.Grimm.

Ze hebben het fragment getekend, waarin de gouden vogel één van de gouden appels steelt, daarna de vogel alleen, waarna de kinderen spoedig ontdekten dat hier een letter uit moest komen. En jawel hoor, daar kwam de vogelletter. We zijn een heel eind gaan wandelen om te kijken, hoe mooi de vogels zelf de vogelletter maken.

We hebben veel vogels gezien en ze werden allemaal met gejuich begroet. Uiteindelijk liepen we over een bruggetje en we zagen drie eendjes zwemmen, die ook een vogelletter maakten. Daar werden we met z’n dertigen wel even stil van. Of dat nu toeval is weet ik niet.

Op bijgaande tekeningen kunt U het ontstaan van de F aflezen. Via de fakkeldrager en de fakkel zelf naar de fakkelletter.

schrijven klas 1 14

schrijven klas 1 15

Jammer genoeg zal de schoonheid van het werk voor een groot gedeelte wegvallen, omdat de kleur die toch zo belangrijk is, door het reproduceren verdwijnt. Het gaat er echter om, u een indruk te geven.

Toen een groot aantal letters bekend waren, zijn we overgegaan tot het oefenen van het schrijven van de letters. Eindeloos kan dat variëren: door er steeds een ander figuurtje tussen te zetten, door met kleuren te werken van rood naar blauw enzovoort.

De overgangsfase van het letterbeeld naar de abstracte letter is ook nog te zien. De reuzenletter heeft z’n hoed nog op en z’n laarzen nog aan.*

De klinkers (a-e-i-o-oe-u) hebben bij ons in de klas maar één kleur, namelijk geel. Ze worden engelen-letters genoemd. Ze zijn ook niet als beeld gegeven.

De medeklinkers komen uit een beeld; de klinkers komen uit de mens zelf: bijvoorbeeld de A als verwondering, de 0 als omhulling. Het zijn gebaren, die van binnen uit komen.

Tot slot wil ik nog enkele namen van letterbeelden geven: de Bontepelsletter, de Torenletter, de Waterletter en de Koningsletter.

schrijven klas 1 16

*die vond ik bij het artikel niet terug

schrijven: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: letterbeelden

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle beelden

P.Brouwer, vrijeschool Zutphen, Trinagel 7e jrg. nr 7. april (geen jaar)
1053-976

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-12/4)

.

Achter ‘computer‘ hadden ook nog meer woorden kunnen staan: tablet, i-phone e.d.

Ze zijn er en kinderen krijgen ermee te maken.

Wat wil je als opvoeder, thuis en op school.

En voor de vrijeschool geldt: ‘We moeten ons tot in de details bewust zijn van wat we doen’.[1]

Geen wonder dat er veel gediscussieerd wordt en werd.

Ik vond nog een artikel van een jaar of vijftien geleden. Met waardevolle gezichtspunten.
De visie kan m.i. ook nu een bijdrage zijn aan ‘tot in de details bewust zijn van wat we doen’.

.
*Maria Duif, vrijeschool De Driestroom, ‘s-Hertogenbosch, 2002
.

Gebruik van de computer op onze* school
.

Onderstaand stuk is naar de ouders van onze school gegaan in april 2002. Het is het resultaat van een aantal gesprekken in onze pedagogische vergadering en van een oriëntatie mijnerzijds buiten de school: met een collega heb ik de ICT-dag bezocht van Helicon in november 2000 en ben ik op bezoek geweest bij een bevriende vrijeschool. Hiervan heb ik verslag gedaan in onze pedagogische vergadering.

Daarnaast hebben we relevante informatie verzameld over dit onderwerp; zowel “vrijeschool-literatuur” als berichten uit de landelijke pers, zowel “voor” als “tegen”. Deze informatie was beschikbaar voor iedereen op school, die dat wilde.

Ook hebben we in maart 2001 een deel van de jaarlijkse algemene ouderavond gewijd aan het wel of niet introduceren van computeronderwijs.

Alle medewerkers van onze school die dat wilden, hebben maximaal drie modules van het Digitaal Rijbewijs gehaald.

Naar aanleiding van dit bericht hebben we de ouders uitgenodigd voor een extra algemene ouderavond om ons standpunt nader toe te lichten. Deze avond is niet doorgegaan wegens gebrek aan belangstelling. Uit de “wandelgangen” bleek, dat het overgrote deel van de ouders tevreden was met het besluit dat we genomen hadden.

De aanleiding was dat zowel de ouders als de inspectie de school om een standpunt vroegen inzake het gebruik van computers door de kinderen op onze school.

Conform de afspraken met de inspectie en de belofte aan de ouders zouden we in de loop van afgelopen schooljaar een besluit nemen.

In verschillende pedagogische vergaderingen hebben wij – de pedagogische medewerkers – onze ideeën en meningen uitgewisseld. Uiteindelijk kwamen we tot de conclusie, dat geen van ons een meerwaarde zag in het structureel gebruik van de computer door de kinderen tijdens de lessen.

Argumenten

Argumenten die daarbij als heel belangrijk genoemd zijn:

In de onderbouw is het trefwoord: beleven. Dat wil zeggen: we spreken bij de kinderen het denken, voelen en willen aan, zowel bij het individuele kind als bij de groep. Er zijn vakken, waarbij het gezamenlijke beleven voorop staat, zoals toneel, zang, fluit, euritmie. Daarnaast zijn er vakken waarbij het individuele beleven meer de nadruk krijgt, zoals bij de verwerking van de periodestof, de handvaardigheid, het creatieve in de taal.

• We spreken het totale wezen van het kind aan. Het gebruik van de computer nodigt in de eerste plaats uit tot heel individueel werken, alleen of met zijn tweeën, innerlijk afgesloten van de omgeving.

• Leerstof zien wij als ontwikkelstof, dus als een van de mogelijkheden waaraan het kind zich kan ontwikkelen. Daarvoor is de relatie tussen kind(eren) en de volwassene, in dit geval de leraar, die vertelt, op het bord tekent, met de klas nieuwe vaardigheden oefent, van groot belang.

• Als je de wil van het kind wilt aanspreken, is het nodig dat het zich de dingen verwerft door er moeite voor te doen; zelf op zoek gaan naar boeken voor een spreekbeurt, zelf schrijven en tekenen als het om een werkstuk gaat. Wij hechten er veel waarde aan, dat de kinderen leren breien en bijv. houtbewerken, dat ze daarbij leren om het juiste gereedschap goed en zorgvuldig te gebruiken. Ze bouwen zelf de fluiten, waarop ze gaan spelen, ze leren broodbakken en tuinieren. Dit zijn allemaal vaardigheden, waarbij het kind zelf de dingen ziet ontstaan en daarin kan meebewegen. Zeker tot en met de tweede levensfase is dit een heel belangrijk uitgangspunt van ons onderwijs. Een computer zou in dit proces geen goede bijdrage leveren.

Ook kunnen we de volgende zaken in overweging nemen.

• Inzichten omtrent didactiek en pedagogie zijn – terecht – voortdurend aan verandering onderhevig.

• Het gaat daarbij enerzijds om inhoudelijke standpunten, zoals: hoe ga je om met kinderen die bepaalde problemen hebben op cognitief gebied of gedragsmatig, hoe leer je de kinderen lezen en rekenen. Voorbeelden daarvan: officieel hebben we sinds 1984 geen kleuterklassen meer, maar groep 1 tot en met 8. Of: er wordt de laatste jaren verwacht dat we vanaf de lagere klassen bezig zijn met begrijpend lezen; ook dit is iets waarvan we zeggen: op deze manier met “informatie omgaan” verstoort het beeldende en fantasievolle dat we nu juist zo belangrijk vinden in ons aanbod. Liever besteden we aandacht aan het terugvertellen en de eigen wijze van verwerking, dan komt de reflectie uit het kind zelf, namelijk: wat heeft hem aangesproken?

• Anderzijds, gekeken naar de wijze waarop lesstof wordt aangeboden: al jaren was er het gebruik van audiovisuele middelen, zoals school-tv, diaprojector, werkboeken e.d., die wij nooit geïntroduceerd hebben omdat we deze wijze van aanbieden niet vonden passen in onze filosofie.

• Tegelijkertijd hebben we een aantal zaken wel degelijk veranderd: we spreken de kinderen directer aan, rapporteren veel concreter en gebruiken volop oefenstof uit bepaalde methodes. We hebben een beperkte toetskalender en zorgen voor een dossier zoals bedoeld wordt vanuit WSNS. We gebruiken echter voor geen enkel vak een “reguliere” methode in zijn geheel. Wel zijn vanuit de Bond** boeken verschenen over de verschillende vakken, die dienen ter ondersteuning van de periodes en vaklessen, waarvan ook wij dankbaar gebruik maken.

• De vrijescholen maken zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheden die de vrijheid van onderwijs in ons land biedt; uiteindelijk bepaalt de school de koers die ze volgt, welke pedagogische en didactische uitgangspunten ze hanteert. De teneur van de politiek van de laatste jaren is echter ook: invloed op het onderwijs krijgen, denk aan de kerndoelen en het pleidooi vanuit de Tweede Kamer voor een meer sturende rol van de inspectie.

Vervolgens gaat het bijzonder onderwijs weer wrikken waar de ruimte zit; vandaar ons overleg op landelijk niveau met de hoofdinspectie.

Enkele maanden geleden is het commentaar van de Bond verschenen op de herziene kerndoelen, die per 1-8-2003 van kracht zullen zijn. In dit stuk beschrijft Helmut van Renesse, bureaumedewerker van de Bond en verantwoordelijk voor de contacten met de inspectie, onze bedenkingen tegen kerndoel 15:

de leerling leert een tekst maken en bewerken met een tekstverwerkingsprogramma op de computer.

Het commentaar vanuit de Bond (door mij samengevat):

“Dit hoort zonder twijfel tot de vaardigheden die een leerling onder andere op school moet worden geleerd. Het is beter dit te leren in de onderbouw van het voortgezet onderwijs opdat leerlingen een voldoende aantal jaren de tijd krijgen om hun handschrift te ontwikkelen tot een leesbare en verzorgde stijl. Dit laatste krijgt onvoldoende kans als leerlingen vroegtijdig, in de basisschoolleeftijd, schrijven met de computer.”

Voor het eerst wordt er zo’n duidelijk appel aan de scholen gedaan; het gebruik van de computer in onderwijstijd is zeer breed gepropageerd; misschien heeft niet eerder een technisch hulpmiddel zo’n grote impact gehad op onze samenleving. De indruk wordt gewekt, dat het onderwijs door het gebruik van de computer ingrijpend zal veranderen, zowel de wijze van aanbieden als de inhoud.

Voor ons als pedagogisch verantwoordelijken geldt als belangrijke vraag: hoe kunnen we het beste werken volgens onze uitgangspunten, d.w.z. vanuit het mensbeeld dat we voorstaan voor de kinderen in de leeftijdsfasen waarmee wij te maken hebben? Zoals uit het bovenstaande duidelijk wordt, zien wij daarin op dit moment geen plaats voor het gebruik van de computer.
In de vergadering van onze schoolcommissie hebben we daarom besloten, de komende drie schooljaren geen gebruik te maken van de computer in ons onderwijs.

Dat betekent dat we ruim vóór het schooljaar 2005-2006 het punt opnieuw agenderen.

We realiseerden ons ook, dat het ministerie mogelijk geoormerkte gelden zou kunnen terugvorderen. Aangezien er echter veel geld is uitgegeven voor de cursussen van de medewerkers en computers op de administratie, bleek dat niet het geval te zijn.

**nu: vereniging van vrijescholen

[1] Rudolf Steiner:
GA 293/27
vertaald/27                         Rudolf Steiner: wegwijzer (3)

Met nadruk wijs ik erop dat bovenstaande standpunten niet voor alle vrijescholen (hoeven te) gelden; er zijn vrijebasisscholen die wél computers gebruiken.

Er is, ook nu, volop discussie en standpuntbepaling:

o.a. vrijeschool en media:

mediawijs: in dit artikel verwijzingen naar andere artikelen; samenvatting van ‘Digitale dementie’

Schoorel:  Beeldschermbeelden

.

1052-975

VRIJESCHOOL – 4e klas – ‘bericht uit de 4e klas’

.

Zo af en toe vind ik nog een artikel van wel heel lang geleden.
Telkens blijkt dat – afgezien van de spelling – de inhoud voor een groot gedeelte nog actueel is, vooral waar het de menskundige visie betreft.

Zoals het toen verscheen in de schoolkrant “Ostara’ van de vrijeschool in Den Haag:
.
OVER DE 4E KLAS 

In het vorige nummer van „Ostara” schreef ik al over den overgang, dien het kind doormaakt in ’t 10de levensjaar en over het dierkunde-onderwijs in de 4e klas in verband hiermede. Deze overgang maakt het mogelijk op de andere vakken ook dieper in te gaan. Het spreekt echter vanzelf, dat de leerstof, die nu meer van het intellect vraagt, zoo behandeld moet worden, dat het kind er geheel in op kan gaan, zoodat het doen (willen) en het plezier of de moeite (voelen) het opnemen met het intellect te hulp komen.

Het 4e leerjaar bracht den kinderen naast de herhaling van de cijferoefeningen het werken met de breuken. We begonnen aan de hand van munten, maten en gewichten met de tiendeelige. De klas, de gang, de school werden gemeten, er werd winkeltje gespeeld, waarbij ponden en onsen okkernoten guldens, dubbeltjes en centen opbrachten. In de tweede rekenperiode kwamen de gewone breuken. In de eurhythmiezaal werd een groote cirkel in halven, vierden en zesden verdeeld. In de klas knipten we tienden en twaalfden uit „geheelen” van teekenpapier, waarmee al spoedig gerekend werd. De eenvoudige gelijkwaardige breuken, zooals ½  =  2/4  =   4/8  enz. en ½  =   3/6     =   6/12  reciteerden we in koor om ze vast in het geheugen te prenten.

In de Ned. taal-periode zetten we het onderscheiden der werkwoorden voort. Met de ontleding van eenvoudige zinnetjes, door de kinderen zelf verzonnen en voor de klas gespeeld, werd begonnen. Werkwoorden, zwakke en sterke, leerden we vervoegen in tegenwoordigen en verleden tijd. De stof tot vertellen en navertellen omvatte de verhalen der Germaansche mythologie. Wodan, zittend op zijn troon, de adelaar op zijn helm, de ‘kraaien op zijn schouders, de wolven aan zijn voeten werden in klei geboetseerd, „Hoe Thor zijn hamer haalde”, „Balder’s dood” en enkele andere episoden klonken als koorrecitaties door de klas. Het lezen oefenden we aan „Niels Holgerson’s wonderbare reizen”. Dit boek biedt den kinderen, doordat het zoo boeiend en levendig verteld is en doordat het vrij klein gedrukt is, geen geringe moeilijkheden, maar ook is het voor hen een bron van vreugde.

De dierkunde nam een belangrijke plaats in dit leerjaar in. Van de meest verschillende diersoorten leerden we eenige kennen. Onze naaste vrienden: het paard en de koe, verschillende soorten vogels, den adelaar, den zwaan, den reiger, enkele amphibieën en reptielen. Allen genoten dezelfde aandacht en belangstelling van de kinderen. Met toewijding luisterden zij naar wat er over de dieren verteld werd en graag vulden zij, dit uit hun eigen ervaring aan, met liefde en zorg werd alles geteekend en gekleid.

In het onderwijs der moderne talen namen grammatica en schrijven een iets grootere plaats in. Ook hierbij werden werkwoorden vervoegd, meervoudsvormen geoefend, enz. De kinderliedjes maakten plaats voor schoonere (lyrische) gedichten.

Uit de eerste drie jaren werd veel gerepeteerd, zooals bijv. de tafels van vermenigvuldiging, maar in dit leerjaar werd de grondslag gelegd voor de leerstof, die in de volgende twee jaren steeds meer de ontwikkeling van het verstand vraagt.

H.Janssen van Raay, Ostara 3e jrg 5/6, oct.1930

4e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas alle beelden

1051-974