VRIJESCHOOL – Klas 1-6 – handwerken in de onderbouw (5-2)

.
Interview: Evelien Nijeboer, Seizoener 2018

.

DENKEN MET JE HANDEN

.

Op het eerste gezicht lijkt het vreemd.
Waarom leren alle kinderen, meisjes én jongens, breien op de vrijeschool? En ook haken, weven en borduren?
Daar zit een leerplan achter.
Denk aan het ontwikkelen van de fijne motoriek en van de oog-handcoördinatie, of een goede werkhouding. En ervaring opdoen met tellen en rekenen.
Dan is er het belangrijke element van gevoel voor kleuren en patronen.
Maar ook de ervaring zelf.

Handwerkjuf Conny de Heer: ‘Het is zo’n vreugde om iets moois te maken met je eigen handen. Zelden zie je een trotser kind dan als het met veel moeite zijn werkstuk heeft afgemaakt!’ 

Handwerken als ontwikkelstof

Handwerken maakte al vanaf de allereerste vrijeschool in Stuttgart (1919) deel uit van het leerplan. De uitvoering verschilt per school, en bij Conny ook per kind, maar het gaat als volgt:

In de eerste klas leren de kinderen breien,
in de tweede klas haken,
in de derde wéér breien, maar nu met een averechtse steek erbij want die vraagt extra bewustzijn.

In de eerste klas vraagt de leerkracht de kinderen vaak om een lap van honderd pennen en vijfentwintig steken te breien. Zo verandert elk getal onder de honderd in ervaringsmateriaal. Daarnaast worden de steken steeds geteld en de kinderen oefenen hun doorzettingsvermogen. Van de lap maken ze dan een dier voor zichzelf.
Rond hun 9e breien ze een eigen muts – mooi beeld voor de fontanel, die dan definitief sluit.
Zo heeft handwerken steeds een plek in de ontwikkeling.

Conny: ‘In de vierde klas komt het moment dat kinderen hun ik sterker gaan beleven. Met vragen als: waar kom ik vandaan? of: waar eindigt het heelal? De kruissteek laat dan zien hoe je vanuit vier hoeken je centrum vindt.

In de vijfde klas maken ze wanten voor zichzelf en in de zesde sokken of sloffen, soms ook een bodywarmer. Zo krijgen ze bewustzijn voor hun eigen lichaam.’

Alles wat ze maken is mooi – en ook echt bruikbaar. ‘Zo geef je kinderen een optimaal gevoel van eigen kunnen.
Als ze na de zesde de wijde wereld in gaan. hebben ze al hun ledematen in mooie zelfgemaakte wollen kleding gehuld.’

Rust in het hoofd

Volgens juf Conny heb je rust in je hoofd nodig om tot leren te komen.
‘Als een kind chaotisch is. vliegt de aandacht overal naartoe – behalve naar waar hij moet zijn. Door het handwerken leren de kinderen dat je werk alleen goed gaat als je je aandacht er volledig bij hebt.’
Handwerken structureert je aandacht. en dat vormt de kinderen.
Onderzoek toont aan dat onze hersenen zich vooral ontwikkelen aan zinvolle handelingen, met name met onze handen.

Bij het handwerken is het hele kind betrokken:

de aandacht,
de lichaamsbeweging,
het gevoel van eigen kunnen, de ziel: daarmee wordt in het kind de basis gelegd voor een gezonde en bezielde logica.

‘Voor oen kind van zeven is het bijvoorbeeld een hele toer om de volgorde van handelingen van het breien te onthouden. Insteken, omslaan, doorhalen, af laten glijden. Precies die volgorde, anders krijg je geen moor breiwerk. Het mooie is dat het breiwerk zélf precies laat zien of het goed is gegaan. Kinderen leren zo wat het is om met aandacht ordening aan te brengen – het vol te houden om steeds opnieuw de juiste handeling op het juiste moment te doen. Zodra een kind het gevoel heeft van ‘ik kan het’, zie je dat de chaos verdwijnt. Ze raken betrokken bij hun werk. Ze zakken in zichzelf en zijn erg trots als hun mooie werk af is. Zo ontstaat er rust in de klas en kinderen ontwikkelen een leer- en werkhouding, die ook de andere vakken ten goede komt.’

Haken, weven, borduren

‘Elke techniek heeft ook zijn eigen functie. De kinderen beginnen meestal in de kleuterklas met een pompon of een weefwerkje – ik laat ze dat met hun vingers doen. Met een weeflat gaat het veel sneller, maar dan missen ze de gelegenheid om hun fijne motoriek te oefenen. Het gaat om het handig worden met je vingers.’
Ook de oog-handcoördinatie, zeer belangrijk voor onder andere het latere schrijven, wordt daarbij geoefend. ‘Later, bij het borduren wordt de oog-handcoördinatie nog meer geoefend. Als je niet alert bent, prik je in je vinger. De draad ligt los in de naald, dus je moot goed opletten hoe je de naald vastpakt – samen met de draad, anders trek je de naald van de draad.’

Door te breien m de eerste klas, leren kinderen hoe je een taak begint, erin volhardt en hem afmaakt.

Conny: ‘Bij het breien werken de linker- en de rechterhand samen. Wanneer kinderen duidelijk de linkerhand als voorkeur hebben, mogen ze de draad met de linkerhand omslaan.

Verder blijft het breien hetzelfde, want als het breien in spiegelbeeld wordt aangeleerd is mijn ervaring dat de draad gaat splijten – dat werkt niet prettig. Haken, naaien en borduren kunnen wel zonder problemen linkshandig aangeleerd worden. Dat is ook beter, want kinderen kunnen gaan stotteren wanneer ze worden gedwongen om met hun niet-voorkeurshand te werken.’

In de tweede klas is dan het haken aan de beurt. Waar in de eerste klas het rekenen nog veel op de vingers gebeurt, wordt in de tweede het schrijven belangrijker. Door te haken oefen je de pengreep – en ook de verfijnde, gerichte hand- en polsbewegingen die nodig zijn voor het schrijven.

Competentiegevoel

Als je de handwerklessen afschaft, geef je je goud weg’, zegt Conny. ‘Ik had een jongetje met ADHD. Hij ging naar een andere school – en zei dat hij de  handwerklessen erg zou gaan missen, omdat hij daar zo rustig van werd.
Ik heb zijn nieuwe juf aangeraden om hem twintig minuten te laten weven als hij het te kwaad krijgt.

Het is ook heel belangrijk dat elk project wordt afgemaakt. Alleen dan kan een kind trots zijn op z’n werk en krijgt zijn competentiegevoel een boost. Een onafgemaakt werkstuk ligt als een steen in je rugzak – dat is en blijft de ervaring van iets wat niet gelukt is. Dus ik zorg dat het af komt. Als het moet help ik een handje en als een kind vroegtijdig van school gaat, maak ik het werk af en stuur ik het na.

Maar fijn werken is het allerbelangrijkst. Over een werkstuk mag je zo lang doen als je wilt, maar wel vanuit respect voor het materiaal en de omgeving. In de manden waar de kinderen hun materiaal uit kiezen, liggen de bolletjes wol bijvoorbeeld altijd mooi op kleur.’

Bij Conny krijgt elke gebreide pen een high-five.
Ze biedt prachtige projecten aan en verzint nieuwe, met de kinderen.

‘Als ze een Minion willen maken, dan zoeken we samen uit hoe dat moet.

Als kinderen zelf kunnen kiezen wat ze willen maken, zijn ze supergemotiveerd.’ 

.
Conny de Heer: De verborgen kwaliteiten van handwerken
.

Handvaardigheid: alle artikelen

Rudolf Steiner over handvaardigheid: alle artikelen
(met opmerkingen over handen en intelligentie)

Meer over handen en intelligentie: [5]

Vrijeschool in beeld: alle beelden

In de trein

.

SEIZOENER

EVELIEN NIJEBOER

.

3353-3154

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-10-1)

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

*GA 293

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat. Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik bij alle voordrachten een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken. De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 29

In [1-10] ging het o.a. om ‘met welke gedachten stap je de klas binnen’. Ben je helemaal in beslag genomen door de zorgen van alle dag: in de thuissituatie bv., maar ook door de schoolzorgen, problemen met ouders, enz. Steiner roept ons op om dit soort stemmingen niet mee de klas in te nemen. Dat is natuurlijk makkelijker gezegd, dan gedaan: immers je ziel, vervuld van bepaalde zaken, schakel je niet zomaar uit. Daarvoor zou een andere vervulling moeten komen. (Van vervuiling naar vervulling’, fluisterde ik weleens voor mezelf) Die vervulling kan je krijgen door je intensief te verdiepen in de menskunde, in uitspraken die je a.h.w. ‘opheffen’ boven het alledaagse’. Niet alleen in de pedagogische voordrachten geeft Steiner ons daarvoor gezichtspunten, ook in andere:

GA 161

Wege der geistigen Erkenntnis und der Erneuerung künstlerischer Weltanschauung

Een weg tot kennis van de geest en voor het vernieuwen van een kunstzinnige wereldbeschouwing

In deze voordracht schetst hij een breed perspectief van de mens die geboren gaat worden en vanuit de geestelijke wereld zijn incarnatie op aarde begint. In veel vrijescholen wordt er – naast de weekspreuk – ook nog een anderspreukjegezegd om iedere dag te benadrukken waarmee we eigenlijk bezig zijn. In de 2e voordracht van de ‘Algemene menskunde’ gaat het verschillende keren over ‘een spiegeling’, in onderstaande voordracht over ‘een spiegeling vanuit de geestelijke wereld’, waarmee de opmerkingen in de Algemene menskunde duidelijker worden.
Deze 4e voordracht is in z’n geheel vertaald in
Uit de sterren. De lange weg weg naar een nieuwe geboorteals ‘Van kind tot volwassene – de levensloop in kosmisch perspectief’.

Het boek is als PDF te downloaden. Daarom slechts een klein citaat:

Voordracht 4, Dornach 2 februari 1915

Blz. 74   vert. 109

Was können wir am besten tun, um ein Kind aufzuziehen? Wie bei so vielen Sachen handelt es sich nicht so sehr darum, dass wir ein paar Grundsätze aufstellen, die wir in der Westentasche oder im Pompadour herumtragen, um uns danach richten zu können; es handelt sich darum, dass wir bei uns selber anfangen, dass wir uns bemühen, einen Fond übersinnlicher Vorstellungen in uns zu tragen, dass wir von einer ins Übersinnliche gehenden Gesinnung und Empfindung durchdrungen sind. Denn diese wirken viel mehr als dasjenige, was wir nach äußerlichen Verstandesgrundsätzen und nach einer Verstandespädagogik bewirken können. Ein liebevolles Gemüt, das durchdrungen ist von der übersinnlichen Welt und dadurch alle Empfindungen vertieft, kommt dadurch auch in die Lage, ich möchte sagen – bitte das Wort nicht misszuverstehen -, mit der Kindeserziehung einen gewissen Kultus zu treiben, der aber darin besteht, dass wir ein Wesen lieben, das uns aus der geistigen Welt geschickt worden ist, der in einer Vergeistigung der Kindesliebe besteht, in einem Durchdrungensein von dem Gefühl: Dadurch dass wir dem Kinde die Hände reichen, können wir uns sagen: Du reichst dem Kinde etwas durch die Hand, aber du musst ihm ein Repräsentant sein derjenigen Käfte, die nicht auf der Erde zu finden sind, sondern im Übersinnlichen.

Wat kunnen we het beste doen om een kind op te voeden? Het gaat er, als bij zoveel dingen, niet zozeer om dat we een aantal principes opstellen, die we dan in onze binnenzak of portefeuille steken en waarnaar we ons richten. Het gaat erom dat we bij onszelf beginnen, dat we een bodem van boven-materiële, bovenzinnelijke voorstellingen in ons aanleggen, dat we een attitude en een stemming ontwikkelen die in het bovenzinnelijke uitmonden. Want zoiets werkt veel sterker dan alles wat we met verstandelijke principes en een rationele pedagogie kunnen uitrichten. Een liefdevol hart, dat zich bewust is van een bovenzinnelijke wereld en daardoor alle indrukken en gevoelens meer diepte geeft, komt er daardoor ook toe – vat u deze woorden alstublieft niet verkeerd op – van de opvoeding van het kind als het ware een cultus te maken. Maar die cultus komt op niets anders neer dan dat wij van een wezen houden dat uit de geestelijke wereld naar ons toe gezonden is. Het is een vergeestelijking van onze liefde voor het kind, waarbij we doordrongen zijn van het gevoel dat we het kind de hand reiken. We voelen dan: mijn handen zorgen voor het kind, maar ik moet voor het kind een representant zijn van de krachten die niet op de aarde maar in het bovenzinnelijke te vinden zijn.
GA 161/74
Vertaald/109 .

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie

[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen

[3] GA 295 Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3352-3153

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.

In haarVerborgen wijsheid van oude rijmen‘ besteedt Mellie Uyldert ook aandacht aan ‘dansen’.
In de inleiding tot ‘de dans’ vind je haar gezichtspunten.

Ze behandelt een aantal kringspelen, w.o.:

‘T SCHIP GAAT ZEILEN
.

Ik ken het liedje al sinds mijn jeugd als ’t schip moet zeilen’.
Zo staat het bv. ook bij ‘Vrijeschoolliederen’.
Een kleine afwijking, evenals ‘we dansen maar’ t.o. ‘we dansen ja’.

De spelwijze is op ‘Vrijeschoolliederen’ veel eenvoudiger weer gegeven dan Uyldert doet.
Ook bij haar staan er twee rijen kinderen tegenover elkaar. Maar wel zo dat er tegenover een jongen, een meisje staat. In de rij staat er daardoor ook afwisselend een jongen naast een meisje.
(Wat er binnen de ‘inclusiviteit’ ook allemaal moet kunnen, laat ik achterwege, bovendien is dat ook de zorg van de kinderen meestal niet)

De 1e twee paren vormen met z’n vieren een molen.
De kinderen die naast elkaar staan geven elkaar de linker of de rechterhand.
(In andere speelwijzen hebben zij de handen in de zij).

Dan wordt het liedje gezongen.

Bij de eerste regel lopen de rijen naar elkaar toe: ‘het schip vaart immers uit’ en weer terug, dat wordt herhaald.

Bij de derde regel zou er een molen gevormd moeten worden van vier kinderen, de twee paren tegenover elkaar, die elkaar met de rechter duim en vinger bij de pols vasthouden terwijl ze naar rechts draaien.
Bij de 4e regel moet de molen weer links, wat betekent dat ook de armen moeten wisselen, dus de linker houdt nu vast.
Bij ‘alle scheepjes’ staan de kinderen weer tegenover elkaar en die tegenover elkaar staande haken hun arm in en maken een rondedans op de plaats. 
Op ‘een, twee, drie’ wordt geklapt. Op het eind doet ieder een stap naar links, zodat er nieuwe paren ontstaan. 
Je kan het tempo opvoeren.

Uyldert ziet in dit dansje een beeld voor de golfslag (het heen en terug) en de werveling, bij de molen.
Twee natuurritmen die ook in ons plaatsvinden: in het lichaam en in de ziel.
Ze vraagt zich af of we hier met een oud ritueel hebben te maken. (Om de wind op te wekken?)

.
Het wordt op nog andere manieren gedaan.

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3351-3152

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – De 6 schooljaren (1)

.

In de uitgave is een hoofdstuk opgenomen met een soort geschiedenis van de 6 schooljaren in het begin van de Waldorfschool in Stuttgart.
De tijd waarin Steiner de school van tijd t0t tijd bezocht en dan de lerarenvergadering voorzat en allerlei onderwerpen besprak, vaak n.a.v. vragen.

Blz. 42

1. Schuljahr September 1919 bis Juli 1920
Het 1e schooljaar september 1919 tot juli 1920

Durch die Unzahl der gestellten Fragen und behandelten Themen haben die Konferenzen eine schwer überschaubare Form. Sie sind nicht leicht als Ganzes zu lesen. Der Benutzer sucht oft nur Rudolf Steiners Äußerungen heraus zu den Themen, die ihn im Moment besonders interessieren.
Das ist aber unberechtigt, denn es ist sehr wohl ein durchgehender Duktus vorhanden. Er war gewiß niemandem von den Sprechenden bewußt, aber das Schicksal selbst hat eine Gesamtkomposition geschaffen. Um zur Erkenntnis dieser Komposition hinzuleiten, sollen hier für jedes Schuljahr die charakteristische Stimmung und die Hauptthemen herausgehoben werden. Weil die Aufgabe schwer ist, kann es sich dabei gewiß nur um einen Versuch handeln.

1. Schuljahr: 16. September 1919 bis 24. Juli 1920
8 Klassen
12 Lehrer
256 Kinder

Vanwege de talloze gestelde vragen en behandelde onderwerpen hebben de vergaderingen een vorm die moeilijk te overzien is. Ze zijn niet gemakkelijk om als geheel te lezen. De gebruiker is vaak alleen maar op zoek naar Rudolf
Steiners uitspraken over de kwesties die hem op dit moment in het bijzonder
interesseren. Maar dat is onterecht, omdat er zeer zeker een continue ductus aanwezig is. Niemand van de sprekers was zich daar kennelijk van bewust, maar het lot zelf heeft er een compositie in het algemeen van gemaakt.
Om u te helpen deze compositie te begrijpen, worden hier de karakteristieke stemming en de belangrijkste thema’s van ieder schooljaar belicht. Omdat die opgave moeilijk is, kan het alleen maar om een poging gaan.

1e schooljaar: 16 september 1919 tot 24 juli 1920
8 klassen
12 leerkrachten
256 kinderen

Alte Mitglieder der Anthroposophischen Gesellschaft versicherten oft, sie hätten Rudolf Steiner so ganz besonders strahlend gesehen, als die Waldorfschule eröffnet wurde. Dies Strahlen liegt, wie ein Nachklang des großen dreifachen Gründungskurses vom August 1919, auch noch über allen Konferenzen des ganzen ersten Jahres.
Und wie Rudolf Steiner bei Kursbeginn den tiefen Dank aussprach an die über der Schule waltenden geistigen Mächte, so richtete er in diesem ersten Jahre auch mehrere Male den Dank an Emil Molt und an die Lehrer der Schule (1/162 und in den Ansprachen, siehe „Rudolf Steiner in der Waldorfschule”, besonders S. 51/52, Liste Nr. 8).
Diese Stimmung trägt und beflügelt die Lehrer und schafft ihnen erstaunliche Kräfte. Mit Schwung und Begeisterung gehen sie an ihre Aufgaben heran und suchen sich noch neue hinzu. Rudolf Steiner feuert wohl die Lehrer mehrfach an zu Enthusiasmus (1/63) und Mut (1/95, 117), aber er ruft sie auch auf zum Bewußtsein und zur Besinnung (1/63) und warnt sie vor Zersplitterung ihrer Kräfte (1/84, 124).

Oudere leden van de Antroposofische Vereniging verklaarden vaak dat ze Rudolf Steiner op zo’n bijzonder stralende manier gezien hadden, toen de Waldorfschool werd geopend. Dit stralen ligt als een echo van de grote drie cursussen in augustus 1919, ook nog over alle vergaderingen van het hele eerste jaar.
En zoals Rudolf Steiner aan het begin van de cursus zijn diepe dankbaarheid uitte aan de geestelijke machten die over de school werkzaam zijn, zo richtte hij in het eerste jaar ook meerdere keren zijn dank aan Emil Molt en aan de leraren van de school (1/162 ) en in het bijzonder in de toespraken, zie “Rudolf Steiner in de vrijeschool”, [GA 298, vertaald], vooral p. 51/52.
Deze sfeer ondersteunt en inspireert de leraren en roept bij hen
verbazingwekkende krachten op. Zij benaderen hun taken met kracht en enthousiasme en zoeken nog naar nieuwe. Rudolf Steiner moedigt de leraren wel verschillende keren aan om enthousiast te zijn en moed te hebben (1/63) (1/95, 117), maar hij roept ze ook op tot bewustzijn en bezinning (1/63) en waarschuwt hen voor het versplinteren van hun krachten. (1/84, 124).

Blz. 43

Am 7. September 1919 fand die Eröffnungsfeier für die Freie Waldorfschule statt, in der Rudolf Steiner seine grundlegende Ansprache hielt (Liste Nr. 8).
Aber der Unterricht konnte noch nicht beginnen, weil die Räume des ehemaligen Kaffeerestaurants Uhlandshöhe, Kanonenweg 44, erst zum Teil fertig waren. In der „entscheidenden Konferenz im engsten Kreise” vom 8. September (1/65), die Rudolf Steiner im Seminarkurs zuletzt (S. 184) für „morgen oder übermorgen” schon angekündigt hatte, wurde zwar ein provisorischer Plan ausgearbeitet, wie man unter Zuhilfenahme von „Schichtunterricht” auch mit den noch zu wenigen Räumen zurechtkommen könnte (1/65, 66), aber der Unterrichtsbeginn verschob sich dann doch auf Dienstag den 16. September. Rudolf Steiner war nicht dabei anwesend.
Das Äußere war denkbar primitiv. Schulbänke wurden erst nach und nach geliefert. Die Kinder mußten in den ersten Wochen auf den vom Restaurant her vorhandenen Stühlen sitzen und auf den Knien schreiben.

De openingsceremonie van de Vrije Waldorfschool vond plaats op 7 september 1919, waarin Rudolf Steiner zijn fundamentele toespraak hield [GA 298/22, in deze uitgave vertaald]. Maar de lessen konden nog niet beginnen omdat de ruimten  van het voormalige koffierestaurant Uhlandshöhe, Kanonenweg 44, slechts gedeeltelijk klaar waren. In de “beslissende vergadering in de kleinste kring” op 8 september (1/65), die Rudolf Steiner al had aangekondigd in de seminarcursus (p. 184) voor “morgen of overmorgen”, werd weliswaar een voorlopig plan opgesteld met behulp van lessen aan de ene groep na de andere, om toch uit te komen met de te weinige ruimte. (1/65, 66), maar de start van de lessen werd uitgesteld naar dinsdag 16 september. Rudolf Steiner was daarbij niet aanwezig.
Het schoolmateriaal was uiterst primitief. Schoolbanken werden pas later afgeleverd. De eerste weken moesten de kinderen op de stoelen zitten die uit het restaurant kwamen en moesten ze op hun knieën schrijven.

Die Waldorfschule begann als „Volksschule”, das heißt mit nur acht Klassen. Sie hatte beim Beginn 256 Schüler; die einzelnen Klassen waren recht unterschiedlich besetzt, im Durchschnitt mit 32 Schülern, darunter meist ein wenig mehr Mädchen als Jungen. 191 Kinder waren „Waldorfkinder”, das heißt, sie hatten Eltern oder Verwandte in der Waldorf-Astoria-Zigarettenfabrik. Die übrigen Schüler waren fast ausschließlich Kinder von Anthroposophen.
Dem Lehrerkollegium gehörten an: Rudolf Steiner als Leiter der Schule, Frau Marie Steiner „als Leiterin der eurythmischen Abteilung”, Emil Molt als „Protektor der Schule”, Frau Bertha Molt als „Schulmutter” (1/198, 199) und anfangs zwölf Lehrer. Deren Zahl veränderte sich im Laufe des Schuljahres, weil einige vorübergehend oder dauernd die Schule verließen und andere hinzukamen; am Schuljahresende waren es vierzehn Lehrer.
An die Stelle der üblichen „regierungsmäßigen”, rektoralen Schulführung stellte Rudolf Steiner die Verantwortung jedes einzelnen Lehrers, die sich in den Konferenzen auswirkt (1/62). „Recht republikanisch!” (1/83). „Konferenzen sind freie republikanische Unterredungen. Jeder ist darin ein Souverän” (1/68). Nach über drei Jahren schlug er für die Schulverwaltung einen drei- bis vierköpfigen Verwaltungsrat vor, „damit nicht die republikanische Verfassung durchbrochen wird” (2/235).
Obwohl der Aufbau, die Gliederung und der Lehrplan des Unterrichtes in den pädagogischen Kursen von August und September von

De Waldorfschool begon als een ‘basisschool’, dat wil zeggen met slechts acht
klassen. Bij het begin waren er 256 leerlingen; de bezetting per klas verschillende aanzienlijk, met een gemiddelde van 32 leerlingen, waaronder meestal iets meer meisjes dan jongens. 191 kinderen waren ‘Waldorf-kinderen’, wat betekent dat ze ouders of familieleden hadden in de Waldorf-Astoria-sigarettenfabriek. De overige leerlingen waren bijna uitsluitend kinderen van antroposofen.
Het lerarencollege bestond uit: Rudolf Steiner als leider van de
school, mevrouw Marie Steiner “als hoofd van de euritmie-afdeling”, Emil Molt als “beschermer van de school”, mevrouw Bertha Molt als “Schoolmoeder” (1/198, 199) en aanvankelijk twaalf leraren. Hun aantal veranderde in de loop van het schooljaar, omdat sommige tijdelijk of definitief de school verlieten en andere er bij kwamen: op het einde van het schooljaar waren er veertien leerkrachten.
In plaats van de gebruikelijke, van rijkswege gestelde leiding met een rector, legde Rudolf Steiner de verantwoordelijkheid bij iedere individuele leraar, wat zichtbaar wordt in de vergaderingen (1/62). “Geheel republikeins!” (1/83). “Vergaderingen zijn republikeinse gesprekken. Iedereen is daarin soeverein” (1/68). Na meer dan drie jaar stelde hij een drie- tot vierhoofdig bestuur voor, opdat “niet het republikeinse doorbroken zou worden” (2/235).
Hoewel de structuur, de opbouw en het leerplan in de pedagogische cursussen van augustus en september

Blz. 44

Rudolf Steiner schon gegeben waren, war doch noch manches einzufügen, zu ändern oder genauer auszugestalten. Nicht alles, was im ersten Schuljahre versucht wurde, ließ sich auch schon für die Dauer ausführen.
Die 7. und 8. Klasse sollten abwechselnd von zwei Lehrern geführt werden, von Stockmeyer und Dr. Treichler (1/65). Weil Dr. Treichler nach einigen Wochen noch mehr Sprachunterricht zu übernehmen hatte, trat an seine Stelle als Klassenlehrer Dr. Stein (1/115, 122). Stockmeyer und Stein rückten dann jährlich mit ihren Klassen eine Stufe höher, bis in die Oberklassen hinein. Die späteren 7. und 8. Klassen hatten, wie die 1. bis 6., dann auch nur einen Klassenlehrer (3/25).
Über den neu einzurichtenden Freien Religionsunterricht ist schon gesprochen worden im Abschnitt 7, S. 35—41.
Über die Eingliederung der „weiblichen Handarbeiten” hatte Rudolf Steiner im Seminarkurs noch nichts gesagt, „weil einfach die Besetzung nicht da war” (Seminar S. 184). Deshalb wurde erst Ende Oktober mit diesem Unterricht begonnen, selbstverständlich für Jungen und Mädchen zusammen. Frau Bertha Molt und Fräulein Helene Rommel gaben den Unterricht lange gemeinsam; erst als zu viele neue Klassen hinzukamen, übernahmen sie ihre Klassen einzeln.
Bis in den Sommer 1922 wurde das Turnen von Paul Baumann und einzelnen Klassenlehrern schlecht und recht mitversehen

al door Rudolf Steiner gegeven waren, moest er toch nog het een en ander aan toegevoegd, gewijzigd of nader uitgewerkt worden. Niet alles wat in het eerste schooljaar werd geprobeerd, kon voor de langere duur worden uitgevoerd.
De klassen 7 en 8 moesten afwisselend geleid worden door twee leerkrachten, door Stockmeyer en dr. Treichler (1/65). Omdat dr. Treichler na een paar weken meer taallessen moest gaan geven, kwam in zijn plaats als klassenleraar dr. Stein. (1/115, 122). Stockmeyer en Stein gingen vervolgens elk jaar met hun klassen
mee naar de hogere klassen. De latere 7e en 8e klassen hadden, net als de 1e tot en met de 6e, slechts één klassenleraar (3/25).
Er werd al gesproken over het nieuw op te zetten godsdienstonderwijs in deel 7, pp. 35-41.
Rudolf had tijdens de seminarcursus nog niets gezegd over de plaats van het  “vrouwelijke handwerken”, “omdat er simpelweg nog geen bezetting was” (seminar p. 184). Daarom begonnen deze lessen pas in oktober, vanzelfsprekend met de jongens en meisjes samen. Mevrouw Bertha Molt en mevrouw Helene Rommel hebben lange tijd samen de lessen gegeven; pas toen er te veel klassen bijkwamen, namen ze ieder een klas.
Tot in de zomer van 1922 werd gymnastiek gegeven door Paul Baumann en
door een paar klassenleraren, zo goed en zo kwaad als het ging.

Die wenigen in dieser Zeit gemachten Angaben Rudolf Steiners zu diesem
Unterricht heben stark den von ihm gewünschten engen Zusammenhang mit dem Eurythmieunterricht hervor (vgl. Sachwortverzeichnis). Durch die Arbeit Graf Bothmers ergab sich später für Rudolf Steiner die Möglichkeit, so konkret Grundlegendes über das Turnen zu sagen, wie es in der Konferenz vom 1. März 1923 geschah (2/292 ff.).
Handwerk und Gartenbau wurden im methodisch-didaktischen Kurs und im Seminar nur ganz allgemein erwähnt, nicht als besondere Unterrichtsgegenstände. Während nun Rudolf Steiner von Ende September bis Mitte Dezember 1919 von Stuttgart abwesend war, wurde in der Waldorfschule eine Werkstatt mit Hobelbänken und einigem Schlosserwerkzeug eingerichtet, und es wurde ein junger Schlosser angestellt, zunächst um Apparate für den Physikunterricht herzustellen. Damit im Zusammenhang wurde Ende November, wie es scheint ohne Besprechung mit Rudolf Steiner, auch mit einem
anfänglichen Handwerksunterricht durch den Schlosser begonnen, in zwei einzelnen Stunden jede Woche für die 6. bis 8. Klasse. Nach

De weinige aanwijzingen die Rudolf Steiner hierover in deze tijd gaf, leggen sterk de nadruk op de nauwe samenhang die hij wenste met het euritmieonderwijs (zie verklarende woordenlijst). Door het werk van graaf Bothmer kreeg Rudolf Steiner later de kans om over de gymnastiek concrete, fundamentele gedachten te uiten, zoals gebeurde op de conferentie van 1 maart 1923 (2/292 ev).
Handwerken en tuinieren werden in de methodisch-didactische cursus
en in de werkbesprekingen alleen in algemene termen genoemd, niet als speciale onderwijsvakken.
Terwijl Rudolf Steiner van eind september tot half december 1919 niet in Stuttgart was, werd in school een werkplaats met een paar schaafbanken ingericht en wat gereedschappen en er werd een jonge [man aangesteld die ermee om kon gaan] het Duits heeft Schlosser, dat meerdere betekenissen heeft.
In eerste instantie om apparaten voor het natuurkundeonderwijs te maken.
In verband hiermee werd eind november, naar het lijkt zonder bespreking met Rudolf Steiner, door hem ook met de eerste handvaardigheidslessen begonnen, iedere week 2 uur voor de klassen 6 t/m 8.

Blz. 45

den Osterferien kam unter derselben Leitung Gartenarbeit hinzu, schon von der 5. Klasse ab, aber zunächst nur für Freiwillige, worauf Rudolf Steiner anordnete (1/121), dieser Unterricht solle für alle Kinder als obligatorisch gelten. Zu der Frage, in welchem Alter der Handwerks- und Gartenbauunterricht beginnen sollte, vgl. Hinweis zu S. 196. —
Vom Beginn des zweiten Schuljahres ab ging dieser Unterricht über an Max Wolffhügel, der Kunstmaler war und auch die Schreinerei erlernt hatte. Den Gartenbauunterricht konnte er im Herbst 1921 abgeben an Gertrud Michels, die Gärtnerin war.
Um der in der ersten Zeit der Schule reichlich vorhandenen Ungezügeltheit ein Gegengewicht zu geben, führte Rudolf Steiner einen „Unterricht für Takt und Moral” ein; er wurde meist „Anstandsunterricht” betitelt (1/125). Paul Baumann hatte ihn zu geben, und damalige Schüler berichten, er habe zum Beispiel eine Art Kulturgeschichte der Höflichkeit behandelt: „Höflichkeit” vom Worte Hof, Rittertum und so weiter. Im Laufe des zweiten Schuljahres ist dieser Unterricht dann eingeschlafen (1/268).
Hilfsklasse. Verständlicherweise hatten die Eltern aus der Waldorf-Astoria-Zigarettenfabrik besonders bereitwillig diejenigen Kinder für die neue Schule angemeldet, bei denen es in der öffentlichen Schule nicht recht vorangehen wollte. Deshalb waren in den Klassen meist vier bis sechs „schwierige”, zum Teil sogar sehr schwierige Kinder zu finden. Für die, die als wirkliche Psychopathen besondere Sorgenkinder waren, richtete Rudolf Steiner schon im April 1920 eine Hilfsklasse ein (1/123).

Na de paasvakantie kwam er tuinieren bij onder dezelfde leiding, vanaf het 5e leerjaar al, maar in eerste instantie alleen voor die kinderen die het wilden.
Rudolf Steiner stelde in (1/121) dat dit onderwijs voor alle kinderen verplicht werd.
Wat betreft de vraag vanaf welke leeftijd nu de handvaardigheid en tuinbouw zou moeten beginnen, wordt verwezen naar de opmerking voor p. 196.
Vanaf het begin van het tweede schooljaar gingen deze lessen naar Max Wolffhügel, die schilder was en ook timmerwerk had geleerd. Hij kon de tuinbouw in de herfst van 1921 aan Gertrud Michels overdragen, een tuinierster.
Om tegenwicht te bieden aan los geslagen gedrag dat in die begindagen van de school bestond, stelde Rudolf Steiner een onderwijs ‘in omgangsvorm en moraliteit’ in;  het werd gewoonlijk “fatsoenslessen” genoemd (1/125). Paul Baumann moest het geven, en leerlingen uit die tijd melden dat hij bijvoorbeeld  een soort cultuurgeschiedenis van beleefdheid behandelde: ‘Hoffelijkheid’ vanuit de woorden hof, ridderlijkheid, enzovoort. Tijdens het tweede schooljaar
kwamen deze lessen op een laag pitje te staan.  (1/268).

Hulpklas

Het is begrijpelijk dat vooral de ouders van de Waldorf-Astoria-sigarettenfabriek graag die kinderen bij de nieuwe school inschreven met wie het in het reguliere onderwijs niet zo goed ging. Daarom zaten er in de klassen meestal wel vier tot zes moeilijke, soms zelfs heel moeilijke kinderen. Vooral voor hen die als reële psychopathische kinderen echte zorgenkinderen waren, zette Rudolf Steiner in april 1920 al een hulpklas op(1/123).

Etwa zehn Kinder der 1.—6. Klasse wurden während des Hauptunterrichtes, also nur von acht bis zehn Uhr, aus ihren Klassen herausgenommen und „separat” unterrichtet. Es sollten dabei besonders langsam und eindringlich dieselben Dinge durchgenommen werden wie im Klassenunterricht sonst auch (1/125), aber außerdem sollten auch ganz spezielle Übungen gemacht werden (1/264). Zu den Stunden nach zehn Uhr sollten die Kinder alle wieder in ihre regulären Klassen zurückkehren. Diesen Hilfsunterricht übergab Rudolf Steiner an Karl Schubert.
Leider konnte diese Hilfsklasse zunächst nur bis zum Juni 1920 durchgeführt werden, weil Dr. Schubert für eine erkrankte Klassenlehrerin einspringen mußte, und die Hilfsklassenkinder gingen wieder ganz in ihre jeweilige Klasse zurück. Erst im September 1921 (2/37) konnte Dr. Schubert seine Hilfsklasse wieder übernehmen, Sie veränderte sich im Laufe der Jahre zunehmend in der Richtung, daß immer mehr auch ganz schwere Fälle, das heißt Kinder, die
überhaupt an keinem Klassenunterricht teilzunehmen in der Lage

Ongeveer tien kinderen uit de 1e tot en met 6e klas werden tijdens het hoofdonderwijs, dat wil zeggen alleen van acht tot tien uur, uit hun klas gehaald en “afzonderlijk” onderwezen. Dezelfde dingen die in de klas werden gedaan, werden hier bijzonder langzaam en indringend gedaan,  (1/125), maar er moesten ook heel specifieke oefeningen gedaan worden. (1/264). Na tien uur gingen de kinderen allemaal terug naar hun klas. Deze hulpklas gaf Rudolf Steiner aan Karl Schubert. Helaas kon deze hulpklas aanvankelijk slechts tot juni 1920 blijven bestaan, omdat dr. Schubert moest invallen voor een collega die ziek was, en de kinderen van de hulpklas gingen weer helemaal terug naar hun eigen klas. Pas in september 1921 (2/37) kon dr. Schubert zijn hulpklas weer overnemen. Door de jaren heen is het al maar meer in de richting veranderd dat er steeds meer zeer ernstige gevallen waren, namelijk kinderen die helemaal geen onderwijs konden volgen,

Blz. 46

waren, in die Hilfsklasse aufgenommen wurden. Dr. Schubert leitete dann die Hilfsklasse zum größten Segen für „seine”, aber auch für alle Kinder der Waldorfschule ununterbrochen, bis die Schule Ostern 1938 verboten wurde; ja es gelang ihm sogar, sie, im Verborgenen geduldet, auch dann noch bis 1945 weiterzuführen (vgl. Sachwortverzeichnis).
Ebenfalls im Frühjahr 1920 wurde ein Kindergarten (Vorschule, Vorklasse) unter Leitung von Elisabeth von Grunelius eröffnet (1/121). Rudolf Steiner gab Ratschläge dafür (1/133, 134, 146, 147). Leider mußte der Kindergarten wegen Geld- und Platzmangels schon nach wenigen Monaten wieder aufgegeben werden. Fräulein von Grunelius übernahm zeitweise andere Aufgaben an der Schule.
Ihr Kindergarten kam erst nach Rudolf Steiners Tode wieder zustande.
Ebensowenig konnte der Versuch durchgeführt werden, für Kinder,
die nachmittags unbeaufsichtigt waren und verwilderten, einen Hort
(1/112) einzurichten. Auch hier reichten die Räume und Geldmittel
nicht aus. Außerdem war das Interesse gerade der Eltern dieser Kinder doch nicht stark und zuverlässig genug.
Auch die Versuche, für schulentlassene Kinder eine Fortbildungsschule zu schaffen, mußten, allerdings aus anderen Gründen, immer
wieder aufgegeben werden.

en die in de hulpklas werden opgenomen. Dr. Schubert leidde dan de hulpklas tot de grootste zegen voor “zijn”, maar ook voor alle kinderen van de Waldorfschool doorlopend tot de school met Pasen 1938 verboden werd; ja, hij slaagde er zelfs in, zij  het in het geheim getolereerd om door te gaan tot 1945 (zie verklarende woordenlijst).
Ook in het voorjaar van 1920 werd er een kleuterschool (kleuterschool, voorschool, voorklas) geopend onder leiding van Elisabeth von Grunelius (1/121). Rudolf Steiner gaf hiervoor advies (1/133, 134, 146, 147). Helaas moest de kleuterschool al na een paar maanden weer gesloten worden wegens gebrek aan geld en ruimte. Mevrouw von Grunelius nam tijdelijk andere taken op  school op zich.
Haar kleuterklas werd pas heropend na de dood van Rudolf Steiner.
De poging om kinderen voor wie er ’s middags geen opvang was en die niet verzorgd werden, een naschoolse opvang te organiseren, kon niet worden gecontinueerd. (1/112). Ook hier waren de ruimte en de middelen niet toereikend. Daarnaast was vooral de belangstelling van de ouders van deze kinderen niet sterk en betrouwbaar genoeg.
Ook de pogingen om voor de kinderen die de school doorlopen hadden een vervolgschool in te richten, weliswaar om andere redenen, moesten steeds weer worden opgegeven.

Rudolf Steiner hatte ursprünglich gedacht an eine mit der Waldorfschule nur locker zu verbindende Schule für junge Leute von vierzehn bis fünfzehn Jahren ab, als Vorbereitung für den Eintritt in die spezielle Berufsausbildung im Handwerk oder in der Fabrik. Diese Aufgabe sollte Dipl. Ing. Alexander Strakosch (1/121, 126) übernehmen. Er war bis Herbst 1920 in Wien Vorstand eines Eisenbahnwerkstättenamtes und hatte durch Urlaub im August/September an den pädagogischen Kursen, und später auch an den naturwissenschaftlichen Kursen teilnehmen können. (Vgl. dazu: Alexander Strakosch, „Lebenswege mit Rudolf Steiner. 2. Teil.” Dornach 1952, S. 60.) Aber dieser erste Plan erwies sich als undurchführbar, weil die Bestimmungen über die staatlichen Fortbildungsschulen jede private Initiative auf diesem Felde ausschlössen.
Jetzt (1/121) im März 1920 trat der zweite Plan auf: für Schüler, die nach absolvierter Schulpflicht aus der 8. Klasse der Waldorfschule ausgetreten waren und nun schon in einer Berufsausbildung standen, eine solche Schule einzurichten. Sie sollte wirkliche „Lebenskunde” geben, und Rudolf Steiner wollte sie „Lebensschule für die Ältesten” nennen. Er gab sogar schon einen skizzenhaften Lehrplan

Rudolf Steiner had oorspronkelijk gedacht aan een school voor jongeren tussen de veertien en vijftien jaar die slechts losjes verbonden zou zijn met de Waldorfschool, als voorbereiding om toegelaten te worden tot de speciale beroepsopleiding voor een ambacht of voor in de fabriek. Deze taak zou ir. Alexander Strakosch (1/121, 126) op zich nemen. Hij was tot de herfst van 1920 hoofd van een spoorwegwerkplaats in Wenen en had omdat hij in augustus/september vakantie had, aan de pedagogische cursus en later ook aan de natuurwetenschappelijke cursussen kunnen deelnemen. (Zie: Alexander Strakosch, “Levenspaden met Rudolf Steiner. Deel 2.” Dornach 1952,
p. 60.) Maar dit eerste plan bleek onwerkbaar omdat de bepalingen met betrekking tot staatsscholen voor voortgezet onderwijs, elk particulier
initiatief op dit gebied uitsloten.
Nu (1/121) in maart 1920 kwam het tweede plan: voor leerlingen die na het voltooien van de leerplicht uit klas 8 van de Waldorfschool waren vertrokken en al een beroepsopleiding volgden, zo’n school op te richten. Het zou om echte ‘levenskennis’ moeten gaan en Rudolf Steiner wilde het een ‘levensschool voor de oudsten’ noemen. Hij gaf er zelfs een schetsmatig leerplan

Blz. 47

dafür (1/126). Aber auch dies scheiterte. Das Interesse der jungen Menschen selber war nicht nachhaltig genug, und die behördlichen Bestimmungen ließen keinerlei Spielraum. Strakosch übernahm dann im September 1920 als Klassenlehrer die 5. Klasse und war gleichzeitig in der Leitung des Forschungsinstitutes tätig (Einleitung S. 19).
In gewisser, freilich recht anderer Weise ist später der innerhalb des
Waldorflehrplanes von Strakosch gegebene Unterricht in Technologie (von der 10. Klasse ab) an diese Stelle getreten (1/286, 287, vgl. Sachwortverzeichnis).
Ganz aus der damals Deutschland ergreifenden Erregung über sozialemFragen und gleichzeitig aus der Begeisterung für die Dreigliederungsbewegung herausgeboren, waren die von Dr. Herbert Hahn für die 6. bis 8. Klasse unternommenen Unterweisungen in „sozialer Erkenntnis” (1/136). Es war das, wie Rudolf Steiner es nannte, ein „Unterricht abseits vom übrigen”, der mit dem Wiedereintreten „ruhiger” Verhältnisse sein natürliches Ende fand. (Vgl. Sachwortverzeichnis.)

voor (1/126). Maar ook dit mislukte. De interesse van de jongeren zelf was niet duurzaam genoeg, en de regelgeving van de overheid liet ook geen speelruimte. Strakosch nam daarna in september 1920 als klassenleraar de 5e klas over en was tegelijkertijd werkzaam in de leiding van het onderzoeksinstituut (inleiding
blz. 19).
Op een bepaalde, weliswaar heel andere manier, zijn later binnen het vrijeschoolleerplan de door Strakosch gegeven technologielessen (vanaf de 10e klas) daarvoor in de plaats gekomen. (1/286, 287, vgl. Verklarende woordenlijst).
Geheel vanwege de opwinding over sociale kwesties die Duitsland destijds in zijn greep hielden en tegelijkertijd uit het enthousiasme voor de driegeleding ontstonden de door Dr. Herbert Hahn voor de 6e tot en met de 8e klas gegeven instructies in “sociale kennis” (1/136). Het waren, zoals Rudolf Steiner het noemde, “lessen los van de rest” die met de terugkeer van weer “rustiger” omstandigheden, tot een natuurlijk einde kwamen. (Zie verklarende woordenlijst.)

Vier Dinge, die zu den besonders charakteristischen Lebensformen der Waldorfschule gehören, nahmen schon im ersten Schuljahr ihre bleibende Gestalt an.

1. Dem in Württemberg damals üblichen schulfreien ersten Montag im Monat gab Rudolf Steiner einen sinnvollen Inhalt. Er machte aus dem bloßen freien Tag, den er auf den Donnerstag als den geeigneten Wochentag verlegte, ein Schulfest, die „Monatsfeier” (1/112), indem er einerseits den Inhalt des Festes ganz aus dem pädagogischen Leben der Schule herauswachsen ließ — die Kinder sollten einander zeigen, was sie gearbeitet hatten — und andererseits darauf
hinwies, daß dieser Tag etwas sein sollte wie „ein Gedankensammeln über den Monatsinhalt”. Rudolf Steiners eigene Ansprachen bei diesen Monatsfeiern und ähnlichen Gelegenheiten, siehe in „Rudolf Steiner in der Waldorfschule”, Stuttgart 1958, S. 29, 45, 55, 99, 141,171 (Liste Nr. 8).

2. Auch bei den Feiern zum Anfang und Abschluß des Schuljahres
erfüllte Rudolf Steiner den bisher üblichen leeren Formalismus mit
pädagogischem Inhalt. Freilich war die Gestalt dieser Feiern, wie sie
heute noch in den Waldorfschulen lebendig ist, bei Rudolf Steiner
auch nicht mit einem Male vorhanden, sondern sie entwickelte sich
schrittweise. Man vergleiche dazu Seite 157, „etwas, was den Schulschluß eurythmisch darstellt” mit Seite 289, wo er über die Anspra-

Vier dingen die bijzonder kenmerkend zijn voor de levensvormen die bij de
Waldorfschool horen, kregen in het eerste schooljaar al een blijvende vorm.

1. De eerste maandag van de maand was er, zoals destijds gebruikelijk in Württemberg, geen school. Rudolf Steiner gaf een betekenisvolle inhoud
aan deze maandag, Hij maakte van deze alleen maar vrije dag die hij naar de donderdag verplaatste als een geschikte dag, een schoolfeest, de “maandelijkse viering” (1/112) een maandfeest. Aan de ene kant liet hij de inhoud van het feest volledig voortkomen uit het pedagogische leven van de school – de kinderen lieten aan elkaar zien waar ze aan gewerkt hadden – en aan de andere kant
wees hij erop dat deze dag zoiets zou moeten zijn als “een verzameling van ideeën over de inhoud van de maand”. Zie de eigen toespraken van Rudolf Steiner bij deze maandelijkse vieringen en soortgelijke gelegenheden in “Rudolf Steiner in de Waldorfschool”, Stuttgart 1958, blz. 29, 45, 55, 99, 141, 171 (lijst nr. 8).

2. Ook bij de feestelijke bijeenkomsten aan het begin en einde van het schooljaar
vulde Rudolf Steiner de voorheen gebruikelijke lege formaliteit met pedagogische inhoud. Natuurlijk was de vorm van deze vieringen zoals die op vrijescholen nog steeds leven, bij Rudolf Steiner ook niet meteen aanwezig, maar ontwikkelde zich dit geleidelijk. Vergelijk pagina 157, “iets dat euritmisch het einde van de schooltijd vertoont” met pagina 289, waar hij spreekt over de

Blz. 48

chen der Lehrer spricht. Er gab auch selbst Vorbilder für die Art, wie da zu sprechen sei, in seinen eigenen Ansprachen, von denen sich sechs erhalten haben. Vgl. in „Rudolf Steiner in der Waldorfschule”, S. 48,75,88 , 126,145,175.

3. Ein ähnlicher Prozeß des langsamen Wachsens einer Form zu innerer Realität hin ist bei der Frage der Zeugnisgebung und der Versetzung zu beobachten. Im Seminarkurs am 6. September 1919 (S. 183) ist noch von mehreren Zeugnissen die Rede, die im Laufe des Jahres zu geben seien, ,,als von der Außenwelt Gefordertes”; ähnlich auch noch in der Konferenz am 23. Dezember 1919 (1/116).
Aber am 14. Juni 1920 (1/147) wird wie selbstverständlich von nur
einem Jahreszeugnis gesprochen. Der Kopf der Zeugnisse wurde später von ihm so angegeben:

                                                             Dieses Zeugnis
wird______________________________________________
geboren am_______________ in_________________________
für die Klasse______ im Schuljahr 19__ /19__ gegeben

Über die Art, wie diese Zeugnisse innerlich zu gestalten seien, sollten
Rudolf Steiners mehrfache Äußerungen (vgl. Sachwortverzeichnis)
nachgelesen werden.

de toespraken van de leraren. Hij gaf ook voorbeelden van hoe je dit kunt doen
in zijn eigen toespraken waarvan er zes bewaard zijn gebleven. Zie “Rudolf Steiner in de Vrije School”, blz. 48,75,88, 126,145,175.

3. Een soortgelijk proces waarbij je langzaam een ​​vorm ziet groeien
naar de innerlijke werkelijkheid is de kwestie van het getuigschrift en het overgaan. In de seminarcursus op 6 september 1919 (p. 183) is er sprake van verschillende getuigschriften die in de loop van het jaar moesten worden gegeven “als iets dat door de buitenwereld wordt geëist”; eveneens tijdens de vergadering van 23 december 1919 (1/116).
Maar op 14 juni 1920 (1/147) werd als vanzelfsprekend maar over één getuigschrift gesproken. De kop van het getuigschrift werd later door hem zo aangegeven:

                                                                Dit getuigschrift
wordt_______________________________________________
geboren op_________ in_________________________________
gegeven voor de klas in het schooljaar 19__/19___

Over de manier waarop deze getuigschriften inhoudelijk vormgegeven moeten worden, kan bij de verschillende opmerkingen van Rudolf Steiner (zie verklarende woordenlijst) gelezen worden.
GA 300A/42-48

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3350-3151

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Van Sint-Maarten tot Maria-Lichtmis

.

Dieuwke Hessels, november 2024

.
Feestend van Sint-Maarten tot Maria-Lichtmis

.

Klein voorwoord van ondergetekende

Hierbij een schrijven over de feesten in de Grote Kersttijd en in die weken zijn er niet alleen christelijke feesten.
Een aantal feesten worden hier benoemd, zowel christelijke als een aantal die hun oorsprong vinden vanuit andere overtuigingen of geloofsrichtingen.
Wat al deze feesten bindt: licht, vreugde, samen herdenken en vieren, zorg dragen voor elkaar en de aarde, schenken en ontvangen. Anders gezegd: Als mens in verbinding staan/komen met aarde, alledag, de ander en in verbondenheid weten/komen met hogere machten, engelen, je beschermengel.

Het is niet de bedoeling alle feesten uitgebreid te benoemen maar juist óm ze te benoemen.
Meer informatie kun je zeker vinden op genoemde sites en ook meerdere artikelen van mijn hand. [1]

Grotendeels komt de tekst van mezelf, soms van sites als:

Waldorf Inspiration – Bewust ouderschap met de antroposofie ,
Welkom – Antroposofie en het Kind,
Het Zonnejaar,
Wereld Feesten Almanak

Waarvoor dank.

Foto’s komen van Pinterest: bijvoorbeeld van de seizoentafels in advent van
Vrijeschool in beeld/advent

Ansichtkaarten zijn voorzien van naam.

Liedjes zijn te vinden op Vrijeschoolliederen
Versjes zijn te vinden bij Tineke’s DoeHoek

In verbinding staan met het grote geheel en je overgeven aan het hogere wat je geleidt.

De Grote Kersttijd
In de grote Kersttijd is er een reeks aan jaarfeesten: lichtfeesten en enige mantelfeesten.
Sint-Maarten – 11 november – 40 dagen voor Kerst
Loi Kratong 15-16 november Thais
1e advent 01 december
Advent – vier zondagen/weken voor Kerst –
Sint-Nicolaas – 5 december pakjesavond
Luciafeest 13 december
Yule/midwinter 21 december
Kerstdagen 25 en 26 december
12 heilige nachten – 24 december- 6 januari
Chanoeka: donderdag 26 december 2024 t/m donderdag 2 januari
Drie Koningen – 6 januari
Lailat-ul-Meraj 27 januari
Chinees nieuwjaar 29 januari
Imbolc 1 februari
Maria-Lichtmis – 2 februari – 40 dagen na Kerst

Van Sint-Maarten naar Maria Lichtmis.
Op 2 februari, 40 dagen na Kerst, vieren wij het jaarfeest Maria Lichtmis. 40 dagen voor Kerst vieren we het Sint-Maartenfeest en ontsteken wij licht in een lampion van een suikerbiet of pompoen, die uit of op de aarde gegroeid is.
Dit lichtje dragen we door de donkere winternacht, gedurende een periode van 80 dagen…

“Hoog aan de hemel de sterrenschijn,
in mijn lantaren een lichtje klein.”

Die periode wordt de Grote Kersttijd genoemd: buiten donkert het meer en meer en binnen steken we lichtjes aan.
De aarde ademt in, natuur trekt zich terug, sapstromen stoppen, de eerste knoppen hebben zich aan boomtakken gevormd en bladeren dwarrelen in herfsttinten naar de aarde om beschutting te geven aan de aarde, kleine dieren, als voedselbron voor de aarde aangezien blad composteert in de winter….
Met Kerst, in de donkerste tijd van het jaar (21 december winterzonnewende, langste nacht en kortste dag), wordt het Jezuskind geboren welke symbool staat voor de geboorte van het licht in ieder mens, het innerlijke licht.
Met Maria-Lichtmis, het laatste lichtfeest, sluiten we de grote Kersttijd af. Het lengen van de dagen gaat steeds sneller, het licht buiten neemt weer toe. Het is tijd om het licht van de kaarsen symbolisch terug te geven aan moeder aarde.
We kunnen het licht missen en brengen het naar de voorzichtig ontluikende natuur.

Hier woont een rijk man,
Die mij heel veel geven kan
Lang zal hij (in mij) leven,
Veel zal hij geven
Zalig zal hij sterven,
De hemel zal hij erven
God zal hem lonen,
Met honderdduizend kronen
Met honderdduizend lichten aan,
Hier komt Sinte Maarten aan.

Sint-Maarten, begin van de grote Kersttijd: het is de tijd dat wij naar binnen trekken. Het is het laatste feest, dat we nog even buiten zijn. Zo is dat ook met het “zelf” van jou en mij. We gaan deze tijd gebruiken om ook bij onszelf naar binnen te gaan. Dat is niet altijd
gemakkelijk, je komt jezelf tegen en je ziet ook je tekortkomingen, verbeterpunten. En dat is de enige manier om aan jezelf te kunnen werken.
Het sprookje “de Sterrendaalders” laat in zijn eenvoud zien hoe je jezelf staande kan houden bij lastige momenten, veel vragende tijden, en je zal verrast en rijk worden ….

Ontvangen en schenken: Wat de ene schenkt ontvangt de ander: beide worden ze blij, warm vanbinnen.

“Er was eens een klein meisje; haar vader en haar moeder waren gestorven, en ze was zo arm dat ze niet eens een kamertje had om in te wonen, en ook geen bedje meer om in te slapen, en eindelijk helemaal niets meer dan de kleren die ze aanhad en een stukje brood in haar hand, dat een medelijdende ziel haar had gegeven. Maar ze was lief en vroom. En omdat ze zo door iedereen verlaten was, trok ze, in vertrouwen op de goede God, de wereld in.
Een arme man kwam haar tegen, en hij zei: “Och, geef me toch wat eten, ik heb zo’n honger.” Ze gaf hem het hele stuk brood en zei: “Ik hoop dat Gods zegen erop rust,” en ze ging weer verder.
Toen kwam een kind en dat huilde en zei: “Ik heb zo’n kou op mijn hoofd, geef me iets om op te zetten.” Toen nam ze haar mutsje af en gaf dat aan het kind.
En toen ze nog een eind gegaan was, kwam er weer een kind aan en dat had geen bloesje aan en het had het zo koud en toen gaf ze het hare weg; en nog verder vroeg iemand om haar rokje, en dat deed ze ook uit en gaf het weg.
Eindelijk kwam ze in een groot bos, en ’t was al donker geworden en toen kwam er nog iemand en vroeg om een hemd en het vrome meisje dacht:
“Het is toch donkere nacht, niemand ziet er iets van, je kunt het hemd best weggeven,” en ze trok haar hemd uit en gaf dat ook weg.
En toen ze zo stond en helemaal niets meer aan had, vielen er opeens sterren uit de hemel, en dat waren niets dan harde blanke daalders, en al had ze net haar hemd weggegeven, toch had ze een nieuw aan, en dat was van het allerfijnste linnen.
Toen raapte ze alle daalders bij elkaar en was rijk voor de rest van haar leven.”

Sint-Lucia van Syracuse vrijdag 13 december.
In de late Middeleeuwen werd ze door haar naam (Lucia=licht) verbonden met de terugkeer van het licht na hetwintersolstitium. Haar naamdag, 13 december, werd vóór de invoering van de Gregoriaanse kalender vaak beschouwd als kortste dag.
Een in het wit gekleed meisje met een kroon van brandende kaarsen, meestal de jongste dochter, gaat als Luciabruid alle kamers af en brengt, vaak geholpen door bruidsmeisjes, alle huisgenoten koffie en lekkernijen in de slaapkamer….
Waar ook de Luciadag gevierd wordt zijn de gebruiken vrijwel altijd te herleiden tot Midwintervieringen.
De optochten van de Luciabruid en haar gevolg zijn te vergelijken met de midwinteromgangen. In de loop der eeuwen zijn verschillende gebruiken rond Holda en Perchta [Keltische godinnen] door Lucia overgenomen.
In vrijescholen is het jongste meisje van klas 3 [groep 5] de Luciabruid. Zij gaat gevolgd door haar medeleerlingen in een rij door alle klassen van de school, al zingend en koekjes van saffraan uitdelend.
Alle leerlingen van die klas zijn in het wit gekleed, sommigen dragen een kaarsje anderen een schaal met sterren-zon-maankoekjes.
Dit vindt plaats in de vroege ochtend, als het nog donker is…

Loi Krathong 15 & 16 november
Loi Krathong is het feest van het licht, gevierd door de Thaise gemeenschap in Nederland. Dit feest wordt op de avond van de volle maan in november gevierd.
Als de maan opkomt, verzamelt iedereen zich bij de rivier, waar de krathong, een bootje of lampion in de vorm van een lotusbloem, in het water wordt gelegd. Hoe langer deze blijft branden en drijven, hoe meer geluk je zult hebben in het komende jaar. De wegdrijvende lichtjes nemen het ongeluk met zich mee.
Vervolgens wordt er een verhaal over één van de vorige levens van de Boeddha verteld: over prins Vessantara, die beroemd was om zijn medeleven en vrijgevigheid.

Dan komt St-Nicolaas, de derde herfstheilige, bij ons aan, in de adventtijd: vier zondagen voor Kerst.

“Donker is de aarde, de bomen zijn nu kaal.
Voor kwaad bewaar’ ons de dapp’re Michaël,
De dapp’re Michaël.

d’Heilige Sint-Maarten, Hij schonk ons offerkracht.
Advent is nu gekomen en heel de wereld wacht,
En heel de wereld wacht.

Nicolaas wil helpen Een beter mens te zijn.
Opdat het Kerstlicht strale in onze harten rein,
In onze harten rein.”

Het sinterklaasfeest is een feest waar veel van te vertellen is en dat bol staat van symbolen:
Het medeleven en medelijden hebben met je medemens.
Elkaar helpen en in liefde naar elkaar kijken is een aspect dat je bij Sinterklaas terugvindt.
Sint die over de daken rijdt is de verbinding tussen hemel en aarde, dat is ook zijn mijter, die immers aan de bovenkant open is.
Sinterklaas komt ieder jaar met de boot uit Spanje. Hij komt van over het water, dat wil zeggen vanuit de andere wereld.
Waarom Spanje? Dat is niet helemaal eenduidig. In het Frans betekent een ‘chateau d’Espagne’ een luchtkasteel en heeft dezelfde gevoelswaarde als
Engel-land: de andere wereld.
Zijn baard is de wijsheid en zijn ouderdom refereert aan de laatste maand van het jaar..
Het grote boek staat vol met zowel goede als minder goede daden van ons mensenkinderen
Hij komt met zijn knecht, die ons nog eens op onze tekortkomingen wijst, zoals wij dat doen met onze surprises.
Dan de geschenken in de schoen, de schoen het symbool van onze levensweg. De schoen die we dragen en waarmee we de wereld in willen gaan.
En zo zijn er nog veel meer symbolen op te noemen.
Sint leert ons blij te zijn met datgene dat je geschonken wordt om dan op jouw beurt te leren een ander iets te schenken. Het is niet alleen maar een kinderfeest, het heeft ons veel meer te zeggen.
Dit feest staat aan het begin van advent: tijd van stilte. De stilte waaraan we ons meer zouden moeten overgeven als voorbereiding op het kerstfeest.
Dag voor dag dichter bij de langste en soms donkerste nacht, geboorte van het Kerstkind en het begin van de 12 heilige nachten. Nachten waarin voorspellende dromen, inzichten kunnen geven: de hemel is nabij…..

Het bij elkaar brengen van Advent en Sinterklaas en Kerst is op het oog wellicht lastig, maar hulpmiddelen als liedjes, prentenboeken, tijd nemen, in rust kunnen gaan, laten weten aan je kind[eren] dat “het goed komt”, en door onderstaand verhaaltje te vertellen wil het bij elkaar brengen van deze feesten echt wel lukken.

“Eens reed Sint-Nicolaas over de wolken van Spanje naar Holland. Daarboven in de hemel ontmoette hij Maria, die het Kerstkind in haar armen droeg. Zij vertelde aan Sint-Nicolaas dat zij het Kind juist weer voor een poosje naar de aarde wilde brengen. Daar mocht het dan weer met de kinderen spelen.
Toen kwamen dadelijk van alle kanten de sterren naderbij en vroegen of ze mee
mochten gaan.
Dat mag, zei Maria, als de Maan jullie de weg wil wijzen want jullie passen niet allemaal onder mijn warme mantel.

Dat hoorde Sint-Nicolaas en hij reed op zijn paard snel naar de maan: Goedenavond Maan! Goedenavond Sint- Nicolaas, zei de Maan. Maan, wil je de sterrenkinderen die met Maria mee naar de aarde willen de weg wijzen? Natuurlijk, zei de Maan, als de Zon dan overdag wil helpen…
Sint-Nicolaas reed naar de Zon. Zon, wilt u Maria helpen om de
sterrenkinderen de weg naar de aarde te wijzen, de Maan helpt in de
nacht, kunt u overdag helpen?.
Wat willen de sterrenkinderen op de aarde doen Sint-Nicolaas? De
sterrenkinderen willen spelen met het Kerstkind en de aardekinderen. Ik
help graag mee, zei de Zon.
Toen kwam de Zon naast Maria staan en de Maan aan de andere kant.
Maria nam vele sterrenkinderen onder haar mantel en de sterrenkinderen zagen de glans van het Kerstkind dat Maria op haar arm droeg. De Zon liet zijn stralen lichten op het pad dat Maria ging…
Sint-Nicolaas reed ondertussen op zijn paard met rasse schreden vooruit over de wolken en kwam als eerste op de aarde aan.
Daar aangekomen vertelde hij aan eenieder die het maar wilde horen dat het Kerstkind weldra op aarde zou komen.
Sint-Nicolaas gaf de kinderen speelgoed zodat zij straks met het Kerstkind konden spelen. Toen Maria met het Kind op aarde aankwam, sprongen vele sterrenkinderen van haar schoot en waren mensenkinderen geworden. Ze speelden samen.
Na een poosje keerde Maria terug naar de Hemel en vele mensenkinderen mochten met haar mee om daar dicht bij de Zon, Maan en Sterren te zijn…”

En dan dit:
“Zachtjes gaan Maria’s voeten langs de lichte sterrenbaan.
Alle sterrenkind’ren groeten, allen willen haar ontmoeten,
Ook de glanzend zilv’ren maan.
En zo stil en zo zacht zweven eng’len bij nacht:
Hoor, zij zingen zo fijn voor het Kindeke klein!”
En dit lied te zingen…..
“Stil nu, stil nu, maak nu geen gerucht.
Stil nu, stil nu, het ruist al door de lucht.
Het wonder komt heel zachtjes aan, ’t kerstkind wil naar binnen gaan.”

1e advent, viering met adventtuintje lopen.

De adventstijd voor kleine kinderen op vrijescholen begint met het lopen van de
adventsspiraal.
Dat is een spiraal van dennengroen, of zilverzand, met in het midden een grote
kaars. Al zachtjes zingend of onder begeleiding van muziek, lopen de kinderen om de beurt de spiraal naar binnen. Zijn ze helemaal naar binnen gekeerd en
aangekomen bij de kern, dan steken zij daar hun eigen lichtje aan. Op de terugweg (met de klok mee) mogen de kinderen hun kaarsje een plekje geven in de spiraal.
Door het groeiende aantal kaarsjes in de spiraal, groeit het licht.
De weg naar binnen is de weg die ook wij in deze steeds donker wordende en stille tijd van het jaar gaan. Door het groeiende licht in de spiraal en de komst van het goddelijke (of het spirituele) nieuwe licht, kan er een nieuwe impuls ontstaan die het menselijke met het goddelijke verbindt.

Hieronder een verhaal over het adventtuintje.

“Er was eens heel lang geleden een oude man. Hij heette Jacob en woonde helemaal alleen in een groot bos dicht bij een klein dorpje. Zijn kleine, ietwat vervallen huisje stond diep verscholen tussen de hoge bomen en het dichte
struikgewas. Jacob hield er niet van om tussen de mensen in het dorp te leven, want hij wilde in het bos tussen de dieren zijn en elke dag het ruisen van de wind door de bomen horen. Hij hield van de koele aarde aan zijn voeten en het hemelgewelf met daarin bij dag de stralende zon, en bij nacht de lieve maan en de glinsterende sterren, die hem op zijn levenspad begeleidde.
In de zomer verzamelde Jacob bijzondere kruiden met geneeskrachtige werking. Soms kwamen de mensen uit het dorp naar Jacob toe om hem te vragen naar zijn kruiden om daarmee de zieken in het dorp weer beter te kunnen maken. Jacob gaf graag zijn kruiden en zijn wijsheid aan de mensen – het maakte hem tot een zeer geliefd mens onder de mensen van het dorp.
Op de dag trok de hemel dicht met donkere wolken. De wolken waren de voorbode van een onstuimig onweer dat over de aarde uitbarstte. De regen stortte uit de hemel zoals het lange tijd niet meer had gedaan. De bliksemschichten verlichtten de donkere aarde en de donder rolde over het kleine dorpje en het grote bos. De oude Jacob zat rustig en stil in zijn fijne huisje en luisterde naar het onweer buiten. Zijn geitje had hij naar binnen gehaald omdat het zo klagelijk aan het mekkeren was. En terwijl hij daar zo zat en stil voor zich uit keek, berustend in zijn gedachten zag hij opeens in de hoek van de kamer een groene slang met een gouden kroon op het kopje en allemaal glanzende stippen verspreid over de huid.
Meteen toen Jacob van verbazing wilde opstaan, begon de slang tegen hem te spreken. “Jacob, het is donker op de wereld en de mensen hebben de deuren van hun hart gesloten. Je moet iets doen!”
Jacob wist eerst geen woord uit te brengen, maar toen hij bijgekomen was van de verbazing, zei hij: “Het is niet eenvoudig om de mensen te helpen. Hoe zou ik dat moeten doen?”
De slang antwoordde: “Jacob, de kinderen hebben een adventstuintje nodig, zodat zij een lichtje kunnen aansteken en naar buiten kunnen dragen zodat het weer lichter wordt in de wereld. Kijk naar mij!”
De slang bewoog zich over de grond en vormde met zijn lichaam een spiraal. Toen stak hij zijn kopje in het midden van de spiraal omhoog zodat het gouden kroontje nog meer glansde als daarvoor. Ook de lichtende punten op de huid
leken nog meer te stralen.
Toen wist Jacob wat hem te doen stond. Hij wilde de slang danken, maar nog voordat hij een woord kon spreken, was de slang alweer verdwenen en lag op de grond nog enkel een laagje gouden stof.
Intussen was buiten de storm gaan liggen. De wind had de wolken uiteengedreven en de zon scheen met voorzichtige stralen weer op de vochtige aarde. Jacob trok zijn jas aan, vulde zijn tas vol met kruiden, trok de deur stevig achter zich dicht en ging op pad. Bij het dorp aangekomen klopte hij op alle deuren en vroeg om appels en kaarsen. De mensen keken verbaasd naar Jacob, maar gaven hem natuurlijk de appels en kaarsen waar hij om vroeg. Hij vertelde de mensen dat morgen op de eerste adventszondag alle kinderen, ja, alleen de kinderen aan het eind van de dag als het al buiten begon te schemeren naar hem toe mochten komen.
Bij het laatste huis aangekomen vroeg Jacob de mensen die daar woonden om een extra grote en mooie kaars. Toen hij die had gekregen ging hij weer naar huis. Zijn tas was nu ook leeg, hij had alle kruiden aan de mensen gegeven als
dank voor de appels en kaarsen. Met een hart vol blijdschap vertrok Jacob weer richting het bos. Thuis aangekomen ging hij meteen vlijtig aan het werk.
Hij ruimde zijn huisje leeg en legde in het midden van de ruimte een grote spiraal gemaakt van dennentakken en mos uit het bos. In het midden zette hij een grote wortel van een boom neer met daarop de bijzondere, grote kaars en stak die aan. De kleine kaarsjes stak hij in de appels en zette hij voor de kinderen klaar.
De volgende dag bij het invallen van de avond vertrokken alle kinderen uit het dorp naar het bos. Op de weggetjes die tussen de hoge bomen door leiden naar het kleine huisje, renden en dansten de kinderen luidruchtig, Ze lachten en
maakten samen pret. Maar hoe dichter ze bij het huisje kwamen, hoe rustiger de kinderen werden. Toen Jacob de deur opendeed en de kinderen naar binnen liep waren de kinderen muisstil geworden. In het midden brandde de kaars, verder was het helemaal donker binnen. De kinderen gingen in een grote kring om het adventstuintje zitten en begonnen samen de mooiste adventsliederen te zingen.
Elk kind mocht nu om de beurt een appel met een kaarsje pakken en naar binnen in de spiraal lopen. Vol aandacht ontstaken de kinderen hun kleine kaarsje aan de grote kaars. Op de spiraalweg naar buiten zocht elk kind een plekje voor hun kleine lichtje om het neer te zetten tussen de takken en het mos. Oh wat straalden al de gezichten van de kinderen.
Steeds lichter en lichter en lichter werd het in het kleine huisje en steeds lichter werd het in de harten van de kinderen”.

Advent
In de natuur is het stil en rustig rond de 1e advent.
De seizoentafel is getooid in de kleur blauw [de kleur van verwachting].
Week voor week wordt er aan je seizoentafel iets toegevoegd van de wereld:
1e week= mineralen, 2e week= plantenrijk, 3e week = dierenrijk en 4e week= mensenrijk.

Kerstfeest
Het feest van de geboorte van Christus,
De geboorte van het licht dat wij ieder jaar weer mogen ontvangen,

Zijn licht.
Wij vieren het nieuwe leven, de geboorte van een kind en
Het keerpunt in het jaar waar het eindelijk weer lichter wordt.

 

 

Zoals elk feest, is ook het kerstfeest een feest met vele symbolen.
De kerstboom is tegenwoordig vooral mooi als decoratie, waarbij voor ons de geur van dennengroen in huis, de geur van kerstmis is.
Maar de boom is ook een verwijzing naar de boom van goed en kwaad uit het paradijs.
De kerstballen die wij erin hangen zijn het beeld van de appels die Adam en Eva niet mochten eten, maar toch aten met als gevolg dat zij uit het paradijs werden verdreven.
25 december is Adam-en-Evadag, niet gek dus dat er zoveel verwijzingen zijn naar Bijbelse verhalen rondom de oorsprong van de mens.
De piek of ster boven in de boom verwijst naar de heldere ster die boven de stal in Bethlehem stond.
De boodschap die het kerstfeest ons brengt, is het terugkeren naar de kern,
het zorg dragen voor anderen en vrede voor iedereen.
Onwillekeurig denk je met kerst extra aan de mensen die niet gelukkig of eenzaam zijn.
Laten we ook hen niet vergeten; stuur een lief bericht, maak een extra plekje vrij aan tafel, steek een kaarsje voor ze aan, of breng een kort bezoekje met heerlijke koekjes.

Yule of Midwinter (21 december)
Yule vindt plaats tijdens het wintersolstitium (de langste nacht van het jaar, ook wel de zonnewende genoemd). Hierna wint de zon weer aan kracht. Yule wordt ook wel het Midwinterfeest genoemd, waarbij het terugkeren van het licht wordt gevierd.
Thema’s: overdenking, aanvaarding (dat het donker bij het leven hoort), rust, afscheid, wijsheid, mysterie.
Gebruiken: bouw kampvuren, hang wintergroene takken zoals hulst, klimop of maretakken in huis, versier een naaldboom (die we tegenwoordig kerstboom noemen), steek kaarsen aan als symbool van het licht dat de duisternis zal overwinnen. Kom samen rond de donkerste dagen van het jaar, deel je midwinterwensen en drink warme wijn.

Chanoeka: donderdag 26 december 2024 t/m donderdag 2 januari 2025
Joodse families steken in een speciale kandelaar op de eerste avond één kaarsje aan.
Chanoeka is een zogenaamd ‘half-feest’. Het hoort niet bij de belangrijkste dagen van het joodse jaar, maar herinnert wel aan een voorval uit de geschiedenis van de joden. In dit geval gaat het over trouw blijven aan jezelf, ook al wil je omgeving iets anders. Chanoeka is een vrolijk en nog altijd populair feest, ook al is de tempel in het jaar 70 na Christus verwoest. Het is dan ook een echt familiefeest: mensen komen iedere avond thuis bij elkaar om te eten, te zingen, cadeautjes uit te delen en spelletjes te spelen.

Met Sint-Maarten maken we ons klaar verder te gaan op de weg die we na de zomer met Sint-Michaël zijn begonnen.
Om mijn lichtje brandende te houden en te laten stralen, zodat het kan verlichten daar waar het op dat moment het hardst nodig is, kies je er wellicht voor om wat langzamer te gaan lopen. [Letterlijk én figuurlijk…..]
Alle groeikrachten van de aarde zijn de aarde ingetrokken en toch bloeit de Kerstroos buiten in de winter, de skimnia ook, en binnen de Kerstcactus…. Alsof ze weten dat ze met Kerst moeten bloeien ter verwelkoming van het
Jezuskindje…. Wonderlijk.

Driekoningen. Wonderlijk ook de nieuwe ster aan de hemel die de drie wijzen uit het Oosten zagen: ze kwamen van ver! Van afstand was te zien dat er iets heel bijzonders had plaatsgevonden boven Israël, het was al heel lang geleden
beschreven dat dit ging gebeuren. Gelukkig wisten de wijze koningen dit….

“Waarheen leidt het licht? Waarheen voert de ster?
Door wouden zo dicht, langs wegen zo ver?
Door regen en wind en bij vinnige kou?
Wie volgen gezwind? Wie volgen getrouw?
Drie wijzen van ver Drie koningen gaan.
Zij volgen de ster, langs lichtende baan.
Zij volgen gezwind, en komen dan aan,
Bij ’t heilige Kind, Waar de Sterre bleef staan.”

Volgens oude afbeeldingen en beschrijvingen gelden voor de gewaden van de koningen speciale kleuren.
Rood voor koning Melchior die het goud offerde. Hij vertegenwoordigt het denken, de macht en de wijsheid.
Blauw voor koning Balthasar, die wierook bracht. Hij representeert het voelen, het liefdevolle hart.
Groen voor koning Casper, de Moor, die mirre aanbood. Hij is het willen, bestendigt en overwint de dood.
De offergaven van de drie koningen kan men ook als symbolische gaven zien. Zo wordt het goud verbonden met een inzicht in de goddelijke geestelijke wereld, wierook met de offerbereidheid en de menselijke deugd en de mirre voor de
verbinding van de mensenziel met het eeuwige, onsterfelijke.
Elke gave past zo bij zijn koning en kan ons een voorbeeld zijn.
Driekoningen is een feest van betekenis. Met dit feest gaan we weer op weg met de nieuw geschonken kracht of het licht dat we met Kerstmis in ons opnieuw geboren hebben laten worden en ons eigen kleine licht weer gevoed kon worden om op te lichten op de nog te zetten stappen op onze levensweg en waar we de afgelopen dagen ideeën, inspiratie en kracht voor hebben opgedaan.
De tijd van werken en uitvoeren komt er (bijna) aan.
“Hoog aan de hemel de sterrenschijn, waar zou het land van Egypte zijn…”
De vlucht van Jozef, Maria en hun Kind…
De reis naar hun land van herkomst zal niet makkelijk geweest zijn. De gedachte geeft troost dat vele engelen hun ongetwijfeld door de donkere tijden loodsten door steeds zichtbaar en volgbaar te zijn…
Net als bij ons eigenlijk: altijd is je beschermengel bij je.
Klinkt als niet te vergelijken en dat is ook niet de bedoeling, maar vergeet je engel niet.

27 januari 2025 Lailat-ul-Meraj
Hemelvaart van de Profeet herdenken moslims de wonderbaarlijke reis van de profeet Mohammed naar de hemel.
Net als Jezus heeft Mohammed een wonderbaarlijke reis naar de hemel
gemaakt. Ze zijn elkaar zelfs tegengekomen, ook al zat er zeshonderd jaar tussen
hun levens in!
Rond het jaar 620 lag Mohammed ’s nachts te slapen voor de moskee in Mekka,
in wat nu Saudi-Arabië is. Daar werd hij gewekt door Djibriel. Dat is de Arabische naam voor de engel Gabriël, die ook Maria (Maria-Boodschap) kwam vertellen dat zij de moeder van Jezus zou worden.
Djibriel nam Mohammed bij de arm en bracht hem naar de poort van de moskee.
Daar stond Boeraak, een wit paard met vleugels aan zijn hoeven. Samen met
Boeraak en Djibriel vloog Mohammed naar Jeruzalem. Ze landden op de berg
waar ooit de joodse tempel (Chanoeka) stond. Daar ontmoette Mohammed allemaal mensen die net als hij profeten waren, boodschappers van God. Daar waren ook Mozes, Jesaja en Jezus bij. Nadat ze samen hadden gebeden klom
Mohammed naar de hemel met een ladder, een ‘mi’raadj’.
Er waren zeven hemelen en in de hoogste hemel ontmoette hij God. Toen keerde hij terug naar Mekka. Daar geloofde niemand zijn verhaal…
Op de tempelberg in Jeruzalem verrees de El Aksamoskee. Jeruzalem werd door deze hemelvaart ook voor moslims een heilige stad.
Nu herdenken moslims deze wonderlijke nacht tijdens een avonddienst in de moskee.

Chinees Nieuwjaar/ Lunar new year 29 januari 2025 een nieuw jaar begin je met een schone lei
Twee keer in één jaar Oud en Nieuw vieren, kan dat? Jazeker! In China en verschillende andere Aziatische landen wordt ook tussen 21 januari en 20 februari feest gevierd, bij de start van het nieuwe maanjaar.
Een nieuw jaar moet je met een schone lei beginnen. Dus wordt al weken van tevoren het huis gepoetst en kopen mensen nieuwe schoenen en kleren. Ook leggen ze ruzies bij en proberen ze schulden af te lossen. Want aan het eind van het jaar geeft de Keuken-god een verslag over elk huishouden aan de Hemelgod.
De feestrituelen van Chinees Nieuwjaar hebben te maken met geluk en overvloed. Er is een groot diner voor de hele familie met negen gerechten. Het getal negen staat voor de eeuwigheid. Zoete gebakjes van rijstebloem worden aan zoveel mogelijk mensen uitgedeeld.
Kinderen en ongetrouwde mensen krijgen rode envelopjes met geld. Winkeliers geven envelopjes en kroppen sla aan felgekleurde leeuwenpoppen die dansers in een optocht ronddragen. Zo hopen ze op goede zaken. En natuurlijk is er vuurwerk. Heel veel vuurwerk, om kwade geesten weg te jagen.

Imbolc (1 of 2 februari)
‘Ik bereid me voor en zuiver om al wat passend is te kunnen verwelkomen.’
Dit feest wordt Imbolc genoemd, naar het Keltische bolc (buik), dat verwijst naar de buik van Moeder Aarde. Alles wat in de grond ligt te sluimeren wordt gewekt door het toenemende licht en glimpen van onverwachte warmte al kan het nog ijzig koud zijn. Het feest hangt samen met het reinigen en ploegen van de aarde om de akkers na de winter weer vruchtbaar te maken.
Thema’s: reiniging, zuivering (het Latijnse februa betekent zuivering),
voorbereiding.
Gebruiken: plant bloembollen, steek kaarsen en vuren aan om het licht
aan te moedigen, reinig je huis door de bezem erdoorheen te halen (tegen de klok in), met salie te beroken en met rozenwater te besprenkelen, volg een vastenkuur of sapkuur, probeer oude vastgeroeste gewoonten en remmingen te doorbreken.

Maria-Lichtmis. De dagen lengen, het licht buiten groeit, grassprietjes, winterakoniet, sneeuwklokjes, de toverhazelaar zoeken de warmer wordende zonnestralen op om zich te laten verwarmen.
Tijd voor mensenkinderen om meer naar buiten te gaan.
’s Morgens vroeg een wandeling maken, of je aankleden in het donker, steeds op dezelfde tijd en je merkt dat de zon steeds vroeger komt, alles van de grote Kersttijd breng je je huis uit, grote schoonmaak, ramen wassen, maar ook
gesmolten kaarsvet [van de restanten van alle gebrande kaarsen] in kuiltjes in de aarde te gieten, te laten branden tot het licht bijna letterlijk in de aarde opgenomen is en ook kinderen met kleine belletjes rond te laten lopen om de wortelkindjes en de bolletjes onder de grond te wekken en ook pannenkoeken bakken [zo rond als de zon die pannenkoeken…]
Door zo bewust je te verbinden met de natuur, geef je aandacht en bewustzijn aan onze aarde, die net als elk ander levend organisme liefde en zorg nodig heeft.
Wellicht staan we niet meer zo dicht bij de natuur bij moeder aarde, weet dan dat het goed is om af en toe bewúst stil te staan bij alles wat onze mooie aarde ons te bieden heeft en wat zij ons geeft.
Ook hier past: schenken en ontvangen. Zij schenkt ons veel aan mooite en voeding en wij mogen dat ontvangen in aandacht en dankbaarheid….
Zeg nou zelf: het is een Wonder dat de natuur elk jaar opnieuw trouw, vanuit de ingetogen winter een nieuwe levenscyclus start…

“Sterrenlichtjes neem ik mee
In de lieve, lichte dag,
Als ik uit de wijde nacht
hier weer wakker worden mag.
Sterrenlichtjes breng ik mee
als de zon mij weer komt halen,
In de wereld overal z
ie ’k dan kleine lichtjes stralen.”

Met kinderen de feesten van het jaar beleven is als het zien van de regenboog;
de ene kleur is nog niet vervaagd of de volgende verschijnt.
En zonder kinderen (of de kinderlijke blik) ervaren we de regenboog vaak niet eens, omdat we niet verder kijken dan de regen of het grijs van lucht en grond.
Ceremonies die diep in het verleden van de mensheid wortelen, bloeien op in het dagelijks leven van gezin en klas en plaatst onze relaties tot elkaar in ander licht.
Naast het feestelijke, oplichtende karakter, kan een feest of ceremonie een bron van genezing, bewustwording en spirituele groei zijn.
Ze hoeven geen kerkelijk karakter te hebben, wel een open karakter, dat van je innerlijk kind, daarmee zien we de regenboog beter en voelen we de kleurige hemelomhulling in dankbaarheid en warmte….

“Hoog aan de hemel de sterrenschijn, in onze handen een
lichtje klein”…

Dieuwke Hessels

 

[1] Bij de verschillende jaarfeesten hier te vinden
.

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

3349-3150

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kunstzinnige inrichting v/h lokaal – alle artikelen

.
[1-1] Rudolf Steiner over de kunstzinnige inrichting van een klas 
Uit GA 266 waarom er in de basisschoolklassen de prachtigste kunstwerken zouden moeten hangen; uit GA 192 waarom een kunstzinnige omgeving zo belangrijk is.

[1-2] Rudolf Steiner over de kunstzinnige inrichting van een klas
In de vergadering van 22 november 1920 spreekt Steiner voor het eerst wat uitvoeriger over de muurdecoratie; hij stelt wat voorwaarden aan de kwaliteit.

[1-3] Rudolf Steiner over de kunstzinnige inrichting van een klas
Kort uit de vergadering van 15 oktober 1920; veel uitgebreider uit de vergadering van 23 januari 1923, met concrete aanwijzingen voor alle klassen, gemeenschappelijke ruimten; een opmerking over de schilderijlijst; aanvulling in vergadering van 31 januari 1923.

[2-1] De kunstzinnige inrichting van een klas 
Ernst Weissert over: de aanwijzingen van Steiner uit [1-3] nader uitgewerkt.
Door mij gecombineerd met de opvattingen van Clausen/Riedel voor de klassen 1 t/m 6; veel voorbeelden gezocht van de schilders en hun werk die hier worden genoemd.

[2-2] De kunstzinnige inrichting van een klas
Ernst Weissert
over: de aanwijzingen van Steiner uit [1-3] nader uitgewerkt.
Door mij gecombineerd met de opvattingen van Clausen/Riedel voor de klassen 7 t/m 12, euritmielokaal, gymzaal, lerarenkamer; veel voorbeelden gezocht van de schilders en hun werk die hier worden genoemd.

[3] Over kleuren en wandversiering in vrijescholen
Oene Schreuder over: kunst en een kunstzinnige omgeving; de aanwijzingen van Steiner [1-3] doorgenomen en van gezichtspunten voorzien.

.

Organische architectuur

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

,

3348-3149

,

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het fysieke lichaam – GA 89

.

HET FYSIEKE LICHAAM
.

In zijn pedagogische voordrachten roept Steiner veelvuldig op om ‘menskunde’ te studeren. Dat is immers voor zijn pedagogie – zijn onderwijsmethode – de basis.
‘Studeren’ is misleidend, want het gaat niet alleen om ‘kennis opdoen’, het gaat om veel meer: om een diep doorgronden wat de mens en vooral het opgroeiende kind voor wezen is.

Hij doet daar veel mededelingen over vanuit zijn geesteswetenschappelijk perspectief en we weten dat de meesten van ons dat niet op deze manier hebben. We zijn dus aangewezen op deze mededelingen en moeten er een persoonlijke verbinding mee krijgen.
Door deze mededelingen kan ons inzicht aanzienlijk worden verdiept.

In onderstaand artikel vind je deze mededelingen over een van de wezensdelen die Steiner aan de mens waarneemt en wat voor ons het makkelijkste wezensdeel is omdat we er veel zelf van kunnen waarnemen: het fysieke lichaam.
In dit artikel heb ik al enige opmerkingen van Steiner daarover gegeven.
Nu volgen zijn gezichtspunten uit andere voordrachten.

In zijn voordrachten heeft Steiner veelvuldig gesproken over de wezensdelen van de mens.
Telkens heeft hij ons voorgehouden dat we, wanneer we iets van een onderwerp willen begrijpen, dit van allerlei kanten moeten benaderen. Dat we veel kunnen leren van het in-tegenstellingen-denken; dat we niet moeten definiëren – dat is de dood in de pot – maar moeten karakteriseren. 
Wat ik hier nu doe, is in wezen in strijd met die aanwijzingen: ik heb a.h.w. ‘definitie-achtig’ Steiners karakteriseringen opgesomd.

Maar Steiner gaf ook veelvuldig aan hij, wat hij geesteswetenschap noemt, net zo exact wil beschrijven als de natuurwetenschap haar onderwerpen beschrijft. 

Wat ik nu doe met ‘het fysieke lichaam’ is, benadrukken wat Steiner daar precies mee bedoelt. 
Door zijn vele karakteriseringen ontvouwt zich toch a.h.w. een uitgebreide, genuanceerde definitie. En die (of dat) hebben we nodig wanneer we zo precies mogelijk over de wezensdelen willen spreken.

GA 89

Bewußtsein – Leben – Form
Bewustzijn – leven – vorm

                   (Grundprinzipien der geisteswissenschaftlichen Kosmologie)
(Basisprincipes van de geesteswetenschappelijke kosmologie)

Voordracht 6, (2e van 3) Berlijn 2 juni 1904

Blz. 94

Was ist nun der physische Mensch? Wenn Sie anatomisch den physischen Menschen studieren, dann werden Sie finden, daß er aus verschiedenen Systemen besteht: aus dem Knochen- und dem Muskelsystem, aus dem Nervensystem, das sich zu einem Gehirn geformt hat, und so weiter. Sie wissen auch, daß das Gehirn das Organ des Denkens ist.

Wat is de fysieke mens? Wanneer je de fysieke mens anatomisch bestudeert, zal je zien dat hij uit verschillende stelsels bestaat: uit het beender- en spierstelsel, uit het zenuwstelsel dat zich tot een brein heeft gevormd enz. U weet toch dat de hersenen het orgaan zijn voor het denken.
GA 89/94
Niet vertaald.

Blz. 98

Wenn Sie einen Bergkristall, ein Stück Kalkspat, ein Stück Steinsalz, eine Pflanze, ein Tier ansehen und sie chemisch und physikalisch untersuchen, so werden Sie finden, daß die ganze physische Natur, insofern sie mit Augen gesehen, mit Händen gegriffen werden kann, in gleichartiger Weise aus denselben chemischen und physikalischen Kräften besteht, die eben im Mineralreich, im Pflanzen- und im Tierreich wirken.

Als je naar een bergkristal, een stuk calsiet, een stuk steenzout, een plant, een dier kijkt en ze chemisch en fysisch onderzoekt, zul je merken dat de hele fysieke natuur, voor zover die met de ogen kan worden gezien en met de handen kan worden vastgepakt, op een vergelijkbare manier uit dezelfde chemische en fysische krachten bestaat die in het mineralen-, planten- en dierenrijk werkzaam zijn.
GA 89/98
Niet vertaald

Voor Steiner staat het onomstotelijk vast dat er een geestelijke wereld is en dat deze invloed heeft op de mens. Hij maakt ‘de geestelijke wereld’ hier bijna aanschouwelijker door over ‘groepen geestelijke wezens’ te spreken.
Door over ‘scheppende wereld’ te spreken, komt het ‘begrijpen’, wat voor mij niet meer is dan ‘inleven’, wel wat dichterbij.

                                     Die planetarische Entwicklung
                                        De planetaire ontwikkeling

Voordracht 1, 17 oktober 1904

Blz. 123

Ohne daß der jetzige Geistmensch mitbauen konnte, haben Scharen erhabener Wesen gebaut an diesem körperlich-seelischen Organismus. Dieser ist in weisheitsvoller Weise aufgebaut. Der vollkommenste photographische Apparat würde nur ein Kinderspiel sein gegenüber dem Weisheitsbau des Auges oder der Bau eines Klaviers gegenüber dem Weisheitsbau des Ohres. Das Knochensystem ist auf die weisheitsvollste Weise eingerichtet. Jeder Knochen ist aufgebaut aus einer unzähligen Anzahl kleiner Balken, die sich gegenseitig stützen. Viel tiefer ist solche Weisheit als alle Weisheit, zu der der Mensch es in seinem äußeren Schaffen gebracht hat.

Zonder dat de huidige geestmenseen deel van de zevenledige mens waarover hier meer uitleg staateraan mee kon scheppen, hebben groepen van verheven wezens aan dit (= ons) fysiek-psychische organisme gebouwd. Dit is op een heel wijsheidsvolle manier opgebouwd.
Het meest geavanceerde fototoestel is maar een fluitje van een cent t.o.v. de wijsheid van de bouw van het oog of de bouw van een pianovleugel t.o.v. de wijsheidsvolle bouw van het oor. 
Het bottenstelsels is wel op de meest wijze manier opgebouwd. Ieder bot is opgebouwd uit een onnoembaar aantal kleine balkjes die elkaar over en weer ondersteunen. 
Deze wijsheid is veel dieper dan alle wijsheid die de mens in zijn scheppingen heeft gelegd. 
GA 89/123
Niet vertaald

Voordracht 2, Berlijn 19 oktober 1904

Blz. 129

Das Mineralischste an dem Menschen ist sein Knochensystem. Das hat auch bei
dem jetzigen physischen Menschen die vollkommenste Gestalt.

Het meest minerale deel aan de mens is zijn beendergestel. Ook bij de fysieke mens in deze tijd is dit het meest optimaal van vormgeving. 
GA 89/129
Niet vertaald.

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het fysieke lichaam

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3347-3149

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over de kunstzinnige inrichting van een klas (klas 1 t/m 6) [2-1]

.
De tekst in blauw is van mij (phaw)

De kunstzinnige inrichting van een klas

Uit de vele pedagogische voordrachten weten we wat metkunstzinnig onderwijswordt bedoeld.
M.n. dus de manier waarop de kinderen de lesstof wordt aangeleerd, aansluitend bij hun ontwikkelingsfase en ter ondersteuning van die fase.
Met het duidelijke voorbeeld van het leren van de tafels van vermenigvuldigen: het kind, 7 à 8 jaar heeft vanuit zijn innerlijk, behoefte aan (ritmische) beweging (het leeft meer in de wil, dan in het denken).
De getallenreeksen in een tafel die geleerd moeten worden, worden door het kind, klappend, lopend enz. bijna letterlijk, van nature opgenomen.

Dan is er nog het aspect van ‘bezig zijn met kunst’, d.w.z. dat er met een bepaald doel wordt geschilderd, getekend en geboetseerd.

Minder in het oog springend is de omgeving waarin het kind zich dagelijks bevindt, in eerste instantie dus het klassenlokaal.
Sommige scholen hebben hun ‘organische bouw‘ waarbij er rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind en de vorm van het lokaal.
En daar hoort een bepaalde muurkleur bij. En daar weer een bepaalde kleur gordijnen.

Maar ook over ‘wat hangt er aan de muur’ gaf Steiner aanwijzingen.
En daarmee worden niet bv. de schilderwerkjes van de kinderen bedoeld.
Dat die ook op ‘kunstzinnige = meer esthetische manier’ opgehangen kunnen worden, kwam hier al eens aan de orde.
In dit verband kun je ook nog denken aan: hoe staan de planten ervoor; hoe liggen de bordkrijtjes bij het bord;  hoe opgeruimd is de tafel van juf of meester en in het verlengde daarvan: de kastjes van de kinderen; hoe hangen hun jassen aan de kapstok, hoe staan hun regenlaarzen daaronder. En wat je nog meer kan bedenken.

In hun boek ‘Künstlerisches Gestalten mit Farben’ hebben Clausen/Riedel een heel schema opgenomen met wat er in de klassen aan beeldmateriaal kan hangen.
Ze doen dat in de kolom ‘Bildschmuck’ – de decoratie met de grotere afbeeldingen. Die kolom noem ik [1].
Ze hebben een 2e kolom met voorstellen voor grotere reproducties waarvan ze hierin naar kunstkaarten verwijzen. Die noem ik [2].
In een 3e kolom doen ze voorstellen voor ‘Friese’, een soort wissellijst of anderszins waarin kleinere afbeeldingen kunnen worden getoond die samenhangen met het jaarthema of met de lesstof en er is een suggestie om dat naar ‘meesterwerken’ te ‘vertalen’. Die kolom is [3].
Opmerkelijk is zeker ook dat je zou verwachten dat het belangrijkste muurmateriaal de voorstellingen zijn uit de vertelstof, m.a.w. dat die in kolom 1 zouden staan, maar die staan bij 3.

Ernst Weissert, Erziehungskunst jrg.  nr 5/6 1952*

.

WAT HANGT ER AAN DE MUuR
.

De vraag in welke omgeving het kind opgroeit, hoe de ruimten
ingericht zijn waarin het de schooljaren doorbrengt is nu* nog belangrijker geworden dan voorheen. Tegenwoordig dringen zich al in zijn prilste kindertijd een veelheid aan visuele indrukken op. Die ervaringen veroorzaken een snelle waarneming; de intensiteit van de waarneming  gaat daarmee al te gemakkelijk verloren.
Vragen die Rudolf Steiner in medisch en pedagogisch opzicht stelde, worden daardoor steeds duidelijkere vragen voor de tijd van nu. [dat geldt zeer zeker ook in 2024].
Kan je, door de ruimte op de juiste manier vorm te geven de vormende krachten in het van kind stimuleren; kun je door transparante kleuren in de ruimte rustgevend of stimulerend op het kind werken.
Wat beeldende inhoud heeft, krijgt een buitengewone betekenis.
Als het de ontwikkeling van het kind tijdens de leerjaren op de juiste manier begeleidt, kan het een therapeutisch effect hebben op de talloze beeldimpressies, op de magische fascinatie van moderne reclame en op de vele, eindeloze kunstzinnig waardeloze stroom van zoveel illustraties of tijdschriftinhoud.
Het is belangrijk om te kijken naar de ‘zintuiglijk-ethische‘ werking van het beeld
waar een kind een jaar lang in het betreffende leerjaar a.h.w. dromend bij aanwezig is.
Het is niet het juiste, om alleen maar beeldinhoud te nemen als illustratie bij de lesstof – bijvoorbeeld voor geschiedenis – en pas dan als de betreffende stof in de les aan de beurt komt. Dit leidt tot een intellectualisering van de beeldinhoud. Je kan waarnemen hoe de kinderen met een bepaalde trots naar de beelden kijken die bij hen horen, wanneer ze in een nieuwe klas komen.
Het gaat dus eigenlijk om een element dat veel dieper ligt, als het lukt die beelden te kiezen die bij de leeftijd horen.
Daarbij moet je behoedzaam te werk gaan en niet handelen vanuit een volwassenen-intellectualisme of een eenzijdige hobby. Het kan niet zo zijn dat je, omdat je er zelf enthousiast voor bent, een moderne stijl tot in de laagste klassen inbrengt; omgekeerd is heel goed mogelijk als vorm en inhoud van het beeld universeel menselijk zijn, zelfs in de lagere klassen, met de grootste onbevangenheid een van Gogh of een Frans Marc op te hangen.

Rudolf Steiner deed in de vergadering van de vrijeschool Stuttgart in 1923 voorstellen vanuit de menskunde, vanuit het waarnemen van wat er in het kind aan behoefte aan beelden bestaat.
Onderstaande gedachten worden aan de inhoud van dit onderdeel van die vergadering ontleend.

Door genuanceerd naar de zielentoestand van het kind in de verschillende klassen te kijken, zijn de aanwijzingen van Steiner anders dan de zeer lovenswaardige pogingen om beeldmateriaal in de scholen te gebruiken, zoals we dat zagen sinds het begin van de 20e eeuw.
[ ] Ze spreken kunstzinnig wel aan, maar er overheerst toch een gemoedelijk-illustratief element. Dit overheerst echter niet op elk leeftijdsniveau van het kind. In moderne scholen kun je ruimtes zien die door de leraar kunstvakken stijlvol zijn ingericht en op een gelijksoortige manier zijn gedecoreerd (bijvoorbeeld met de prachtige reproducties van de figuren in de dom van Naumburg e.a.);

maar in die klaslokalen krijg je wel het gevoel van een zekere esthetische oververfijning, een gevoel van ‘in het luchtledige’, geen verbinding met de praktijk.

Welke niveaus onderscheidt Steiner bij de beeldbeleving in de verschillende leeftijden.
Hij maakt een duidelijke scheiding tussen de tijd van 6 tot 12 jaar (klas 1 t/m 6) en wat de 13 – 18-jarigen (klas 7 t/m 12) vragen.
In de lagere klassen kan en moet in de voorstelling het thema, het illustratieve en het poëtische de boventoon voeren. Het kind neemt het beeld nog op vanuit de inhoud. En daarom moet hier het artistieke ontwerp het allerbeste zijn. Je mag omdat het je inhoudelijk aanspreekt vanwege dat ze op kinderlijk niveau gemaakt zijn, geen armzalige beelden ophangen.
In de hogere klassen is dan een onderscheid tussen het eigenlijk kunstzinnige en het esthetische van het beeld, steeds meer op zijn plaats en dat tussen de praktische zaken van het leven dat zich in kaarten, overzichtsplannen, technische tekeningen e.d. ook terecht een plaats in de klas moet krijgen zodat het gezien wordt.
Je zal hiervoor nauwelijks geschikte reproducties vinden.
Het spreekt voor zich dat in elk van deze klassen een grote reproductie van Rafael moet hangen. [dat vinden we in die vergadering niet]

Maar voor afbeeldingen van sprookjes, legende en van fabels die bij deze klassen horen, is er nauwelijks iets geschikts te krijgen. Dan zou het nog het allermooist zijn als in de betreffende klassen op de muren zelf een kleurrijke schildering zou komen waar de leerkracht steeds weer op terug kan komen, i.p.v. een ingelijste in de grond van de zaak, onkunstzinnige afbeelding aan de muur.

Weissert heeft het over een schildering op de muur. In veel scholen is dat ook gerealiseerd. Zie hier

gebouw 8

Het is echt wel een belangrijke opdracht.
Bij alles klinkt de oproep van Steiner: de dingen mogen alleen niet de platen van een prentenboek zijn, maar ze moeten kunstzinnig gevormd zijn.

1e klas

Sprookjesbeelden

De aanwijzingen zijn verre van concreet. We hadden al: het moet niet op een prentenboek lijken.
Maar over welke prentenboeken gaat het. Uit Steiners tijd, maar hoe waren die dan. Anno nu hebben we prentenboeken met illustraties die duidelijk gemaakt zijn met ‘het kinderlijk niveau’. Je krijgt vaak de indruk dat de illustrator naar kindertekeningen heeft gekeken. In hun stijl wordt er dan geïllustreerd.
Is dat dan wat ‘rustig maakt of stimuleert?
Is het ‘esthetisch’.
Zou je zoiets ophangen?:


Steiner:
De vormgeving moet kunstzinnig zijn. Wanneer er geen kleurplaten zijn, dan liever zwart-witte die goed zijn, liever dan een slechte kleurplaat. 

Met verschillende gezichtspunten van Steiner toog vrijeschoolleraar Max Wolfhügel aan het werk. Hij maakte veel religieuze voorstellingen, ook veel bordtekeningen.
Deze Christoforus lijkt mij op grond van de criteria heel goed in de 2e klas te passen:

In die tussentijd hebben vele illustratoren met en aan deze techniek verder gewerkt.
We vinden hier de ‘eis’ voor het kunstzinnige, het esthetische:

Cartolina: Cappuccetto Rosso nel boscoRoodkapje – Hilde Langen

Assepoester – Gabriela de Carvalho

Sneeuwwitje – Berthilde Günter

Deze reproducties – en vele andere – zijn te vinden bij ABC-boeken.

Dit is onmiskenbaar een bepaalde stijl. Moet alles wat je ophangt in de stijl zijn.
Volgens Steiner niet.

Bij Clausen vinden we voor de 1e klas alleen de aanwijzing: ‘kunstzinnige sprookjesbeelden’. [kolom 1]
Kolom 2: leeg
Kolom 3: sprookjes

2e klas

Fabels en legenden

Clausen [kolom 1] stelt voor: Franciscus met de vogels van Giotto:


En Franciscus met de wolf:

David Newbatt
Verkrijgbaar bij ‘De nieuwe Boekerij
Meer van deze kunstenaar.

Kolom 2: Meister Bertram, de schepping van de dieren:

In kolom 3: dierfabels, dierverhalen, legenden.
Het ligt dus voor de hand ze zelf te zoeken en gezien de kwaliteitseis van ‘kunstzinnig’, ‘esthetisch’ kom je dan weer snel uit bij de sfeer die bovenstaande sprookjesbeelden hebben.
Maar is dat dan ook niet te veel van hetzelfde?

Als je een fabel hebt verteld en een poos later hang je een passende reproductie op, zullen veel kinderen een herkennende reactie geven.
Maar ook omgekeerd: als er al een plaat hangt van een fabel en je gaat die ooit eens vertellen, zijn er ineens een paar kinderen die de illustratie ‘zien’.
Maar wat is passend:
Ik denk dat deze wat de kunstzinnigheid betreft, zeker geschikt is:

De hond en zijn spiegelbeeld

En deze:

Deze zou ik dan weer nooit doen:

De vos en de kraai

Ook voor ‘De zon en de noordenwind’ is er keus:


Weissert:

3e klas

In het 3e schooljaar ontstaat er in het kind een sterker zich richten op de buitenwereld. Maar eigenlijk heeft het vóór het 9e jaar nog geen begrip voor wat er aan gevoel in een beeldende voorstelling kan zitten, meer voor het het vegetatief-levende. Als beeldmateriaal stelde Rudolf Steiner voor om rekening te houden met dit gevoelsleven en voorstellingen van planten te geven, bloemen, stillevens. Je zou aan de plantenvoorstellingen van Dürer kunnen denken en in de geschiedenis van de schilderkunst zijn vele geschikte beelden te vinden. Ook met de bloemen van Van Gogh zijn mooie ervaringen opgedaan.
De schilder van planten zal in de regel een mens zijn die in zichzelf iets van de organische vormkracht laat opbloeien en het stille overgeleverd zijn in het waarnemen oefent, dat klaarblijkelijk bij de gevoelsstemming van de kinderen in deze klas hoort. Zo zou je de laat-middeleeuwse voorstellingen van planten kunnen gebruiken, de bloemstillevens van de Hollanders, het beeld van de bloem in de Biedermeiertijd, maar ook zeker iets moderns.

Weissert geeft wel enig houvast, maar noemt weinig concrete voorbeelden:

De bloemen van Van Gogh zijn duidelijk.
En ook bij Dürer vind je wat in aanmerking komt.
De Hollandse meesters.
De Biedermeiertijd
Bij ‘iets moderns’ en toch bij de criteria blijvend, vond ik dit.

Clausen: kolom 1

Van Gogh: de zaaier

Landschap met schoven

En meer, dat in verband kan worden gebracht met de heemkundeperiode: boerderij.

Vanuit de vertelstof: Oude Testament:

Meister Bertram: schepping en andere bijbeltaferelen, hier een paar samen, maar ze zijn er ook ‘los’:

Er zijn zoals bekend veel meer schilderingen met als thema het Oude Testament.

Clausen noemt ze niet, maar wat te denken van Michelangelo en Rembrandt!

Als andere mogelijkheid wijst Clausen steeds op kunstkaarten die vergroot zouden kunnen worden: [kolom 2]

De steengroeve van Bibémus van Cezanne.
Ik zou die eerder in klas 6 ophangen – mineralogie.

De eenzame boom van Friedrich:Ik zie niet helemaal waarom dit in de 3e klas zou moeten/kunnen, eerder later, aardrijkskunde?

Dezelfde twijfel bij Altdorfer: Landschap met kerk:

Kolom 3: vertelstof, verhalen uit het Oude Testament; begin van wereld- en cultuurgeschiedenis; bij heemkunde: huizenbouw, akkerbouw, planten, dieren.

4e klas

Weissert:

In de 4e klas, na de ingrijpende verandering van het 9e levensjaar, is het op aanwijzing van Rudolf Steiner goed om afbeeldingen van de voelende wezens, de dieren, over te gaan. Belangrijk is het menskundige gezichtspunt: ‘Pas vanaf dit moment heeft het kind het gevoel dat het zelf gevoel heeft, ook al is het gevoel nog dof.’
Vaker sprak Steiner er al over hoe pas tussen het 9e en het 10e jaar het kind werkelijk een onderscheid gaat maken als het een koe ziet afgebeeld of die koe in een prentenboek een echte koe is of een speelgoedkoe van hout. 
Ook hier worden we terugverwezen naar de empathische en objectieve stijl van afbeelden aan het begin van de moderne tijd, zoals weerspiegeld in de dierafbeeldingen van de Renaissance: de dierstudies van Dürer, Cranach of ook de Italiaanse kunstenaars.
Hier is de kans het grootst dat we kleinburgerlijk-naturalistische afbeeldingen van dieren tegenkomen, zoals die aan het eind van de vorige of het begin van deze eeuw zijn gemaakt.
Met de diervoorstellingen van Frans Marc hebben ze beslist positieve ervaringen, maar de leerkracht moet daarbij wel teen zekere mate van voorzichtige waarneming in acht nemen.
De reproducties van de dieren van Hans Jenny zijn zeer stimulerend.

Weissert is ook hier niet zo concreet, bv. bij ‘Italiaanse kunstenaars’ en wat is een ‘kleinburgerlijk-naturalistische afbeelding.
Bij Frans Marc komen we al snel uit bij zijn paarden.
Misschien heeft de ‘voorzichtige waarneming’ iets te maken m et welke paarden je dan zou nemen: de blauwe, bv. – hoe prachtig ook – staan misschien nog te ver af van de beleving van de kinderen en zou je voor een meer naturalistische kleur kunnen kiezen.

Van Jenny vond ik hier en daar wat:

Clausen [kolom 1]:

Zij geeft alleen ‘diervormen’ aan en noemt Franz Marc.

Bij kolom 2:

Mu-Ch’i: zittende gans:

Franz Marc:
Herten in het bos:

Drie herten:

De blauwe vos:

Van Macke noemt ze ‘De ezelrijder’:

Kolom 3: Germaanse sagen en mythologie. De dierenwereld m.b.t. de mens.

5e klas

Weissert:

Tussen het 10e en het 11e levensjaar, de 5e klas, moeten de muurdecoraties om mensen gaan, maar nog geen individuen, maar groepen, en door er gezamenlijk naar te kijken, kan je dan als de gelegenheid zich voordoet, praten over menselijk-sociale dingen.
Steiner stelt voor: reidansen, dans, een straat waar mensen elkaar ontmoeten.
Dat kan gevonden worden in zowel de Hollandse schilderkunst bij Pieter Brueghel, in familie-interieurs (Pieter de Hooch, Terborch, Vermeer e.a., als ook in de schilderkunst van de 19e eeuw die buitengewoon goede voorbeelden biedt (Romantici, Thoma, Böcklin enz.)

Specifieke voorbeelden geeft Weissert ook hier niet.

Bij Pieter Brueghel, de jongere, vind je wel groepen mensen, ook dansend:


Op zijn schilderingen is heel veel te vinden van wat mensen, ook kinderen, met elkaar en onder elkaar doen. Daar is vanuit ‘het sociale’ van alles over te vertellen.
Hier vind je familie-interieurs van Pieter de Hoogh; van Terborch; van Vermeer.
‘Romantici’ is een ruim begrip; bij Thoma en Böcklin zie ik geen voorbeelden van wie hierboven bedoeld is.

Clausen: kolom 1

Bijmensengroepennoemt zij Nolde.
(Ik vind er niet iets bij dat ik op zou willen hangen)

Kolom 2::

Cézanne: die Schnitter.
Maar van Cézanne vind ik die niet, wel der Schnitter, de maaier, maar dat is geen groep.

C.D.Friedricht: Hafen von Greiswald

Segantini: Am Pflug:

Kokoschka: London Tower Bridge:

Kolom 3:

Sagen uit de klassieke tijd; broederlijke verbondenheid met alle gebieden op aarde wekken.

6e klas

Weissert:

Vanaf klas 6 moet de individuele mens op de reproducties staan, bv. in het landschap of bij zijn werk, zo dat de blik van het kind tegelijkertijd op een landschap met zon of met regen gevestigd wordt.
In de Romantiek heb je bv. von Schwind, en beeldmateriaal uit de 19e eeuw, maar ook Van Gogh.
Je kan ook naar borstbeelden overgaan of naar koppen, zoals bv. Erasmus van Rotterdam door Holbein of van Dürer, de Holzschuber.
Hier komen we bij de markering toen Steiner zei dat het thematische hier ophoudt.
Het beeld moet nu eigenlijk het esthetisch-kunstzinnige brengen en daarom raadde Steiner aan met de allergrootsten te beginnen.
Als het niet anders kan, moeten we maar goede zwart-wit kopieën nemen.
[dat zal in onze tijd niet meer nodig zijn]

Moritz von Schwind: er zit wel e.e.a. bij wat aan de criteria zou voldoen, maar – en dat is de vraag bij meer genoemde werken – ga je dat in onze tijd nog ophangen en waar zijn dan alternatieven die ook geschikt zijn.

Erasmus van Holbein is een concrete aanwijzing:

evenals Dürer: Holzschuher:


Dan rijst toch wel sterk de vraag of je dit in een klas van 12-jarigen zou hangen en waarom? Ja, een kop, maar van een (voor ons) totaal onbekende.

Verder wordt weer Van Gogh genoemd en van hem vind je zeker iets wat hier kan.

Clausen: kolom 1:

Ook zij noemt Van Gogh, i.z. ‘De boer’:


En van Segantini: De schapenhoedster:

En ook van Segantini: Boot met schapen:

Kolom 2:

Pieter Brueghel de oudere:

De hooioogst:


Ze noemt ook de winter en de herfst, maar onder deze namen bestaan die schilderijen niet.
Er is wel: winterlandschap:


De terugkeer van de kudde (herfst):

De zomer:

Van Gogh: De oogst:

Kokoschka: Boten bij Venetië:

Monet: Vissers op de Seine:

Kolom 3:

Vertelstof uit de volkerenkunde; geschiedenis van Rome tot het begin van de 15e eeuw.

Met de criteria die Steiner in z’n algemeenheid hanteert, heb je wel enige richtlijnen, maar het is – dat blijkt wel bij bovengenoemde auteurs – niet eenvoudig om ‘objectief’ vast te stellen wat dan wel of niet geschikt is. En welke (beroemde?) schilders kies je.
Wat de lesstof betreft of het jaarthema of de vertelstof, ligt het onderwerp vaster, maar ook daarbij komt weer de vraag: wat kies je. En eventueel: van wie.
.

Toen Steiner er in de vergadering over sprak, zei hij niets over de kleuterklas.
Sinds jaar en dag hangt er in menige vrijeschoolkleuterklas het schilderij van Rafaels ‘Madonna met kind’.

De Sixtijnse Madonna schilderij door Raffael (Rafaello Santi) - verkrijgbaar als kunstdruk, als poster, op canvas, als olieverfschilderij of op dibond/acrylglas

Omdat er geen aanwijzingen zijn, alleen de algemene, komt er veel neer op de kunstzin en fantasie van wie de kleuters begeleidt.

.
Dit artikel is niet af. De voorbeelden zijn er, denk ik, enkele uit vele.
Clausens vondsten zijn in vele gevallen haar voorstellen.
Het is ook goed dat ‘de stof in beweging’ blijft.
Wat is er na Weissert en Clausen bij gekomen wat ook bruikbaar is.
Of, wat beslist niet.

Over de kunstzinnige inrichting van een lokaal: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Algemene menskundealle artikelen 

Menskunde en pedagogie: alle artikelen 

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3346-3148

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (97)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

.

KLEIN VOGELBOEK

In vergelijking met veel kinderboekillustraties die m.i. voor het jonge kind niet mooi genoeg zijn, is wat Loes Botman schept, dat wél.
Ik weet het, over de vorm van illustreren is veel discussie mogelijk, maar voor
mij geldt toch in hoge mate: voor het jongste kind is het beste niet goed genoeg. Immers: de zich nog sterk ontwikkelende zintuigen nemen de wereld in zich op: de wereld van kleur en vorm zoals die in de wereld verschijnen – zonder ons toedoen. Waarom dan schreeuwende kleuren en karikaturale vormen?
De kunstzinnige afbeeldingen van Loes Botman zijn een weldaad voor het jonge kinderoog, denk ik.
Er is geen tekst, dus je moet als (groot)ouder zelf vertellen. En aanwijzen. Ieder die het ervaren heeft, weet dat er bijna niets fijners bestaat dan zo samen te zijn met je (klein)kind.
Gouden ogenblikken!
En wat betekent ‘aandacht

.

Loes Botman heeft het jonge kind nog meer prachtige boekjes geschonken:

Loes Botman

Uitgeverij Christofoor

Rond 2 jr.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

3345-3147

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.

In haarVerborgen wijsheid van oude rijmen‘ besteedt Mellie Uyldert ook aandacht aan ‘dansen’.
In de inleiding tot ‘de dans’ vind je haar gezichtspunten.

Ze behandelt een aantal kringspelen, w.o.:

TWEE EMMERTJES WATER HALEN

.
Bij dit spel staan de kinderen in twee lange rijen tegenover elkaar. De tussenruimte is ongeveer een meter.

Het lied:

Twee emmertjes water halen,
twee emmertjes pompen,
meisje op je klompen,
meisje op je houten been,
rij maar door het poortje heen!

Van je ras, ras, ras,
rij de koning door de plas!
Van je voort, voort, voort, rij de koning door de poort!
Van je sterk, sterk, sterk, rij de koning door de kerk!
Van je één, twee, drie!
Muziek

De kinderen die tegenover elkaar staan hadden elkaars handen vast, dus met gestrekte armen, maar kruiselings en met wat ‘ruimte over’, zodat er door wat naar zich toe te trekken en terug, een pompbeweging ontstaat.
Dan los en een stap achteruit. Belangrijk: het eerste paar blijft staan en houdt de handen nog vast. Zij huppelen nu door ‘de poort’ van de twee rijen naar de andere kant. En weer terug en weer terug: dat moet a.h.w. ‘getimed’ worden om precies aan de andere kant te eindigen. Daar laten ze de handen los en staan ook ‘als poort’.
Tijdens het huppelen klappen de andere kinderen de maat en zingen het lied. 

Dan het volgende paar, enz.

De rij verplaatst zich dus in een bepaalde richting en als leerkracht moet je dus rekening houden met de ruimte, en dat de kinderen ‘in een bocht’ toch nog ruimte houden om te pompen.

Verklaring

Uyldert denkt bij deze dans aan een regenbezwering, zoals men die zoveel tegenkomt in streken, die periodiek van te grote droogte te lijden hebben.

Toen ik het als kind nog speelde in de kleuterklas en in de 1e klas van mijn basisschool, bestond de ene rij uit jongens, de andere uit meisjes. Uyldert heeft dit waarschijnlijk ook voor ogen als ze zegt dat van het door het straatje rijdende paar het meisje waarschijnlijk een waternimf is.

Een houten been, ofwel één been, zou wijzen op een natuurwezen of engel; de jongen verbeeldt de koning.
Dat kon in oudere tijden ook de priester zijn, of de ‘priester-koning’, de levensgeest vertegenwoordigend.
Wordt hier de levensgeest uitgenodigd om zich met het water te verbinden?

Misschien heeft men in vroeger tijden wel de vorst of de priester met een priesteres van het water of van de maan tezamen naar een heilige plaats gereden, door water, door een poort en het heiligdom zelf (kerk) binnen, voor een heilig h u w e l ij k.

Uyldert zegt nog van het spel: Wijs en ritme van het liedje werken opwindend, elektriserend, mede door de beweging. De kinderen worden er uitgelaten van en men kan er zich werkelijk mee in trance dansen!

Wat me opvalt is, dat ik altijd heb gezongen ‘rijDT de koning door de plas’ – dat zie je in de meeste teksten – maar dat hierboven (en bv. hier) een gebiedende wijs staat: ‘rij de koning’. De ‘DT’ als spelling kan vanuit de D-klank van De geleid hebben tot ‘rijd’ en dan – de 3e persoon – tot rijdt. 
De veronderstelling dat de koning gereden werd, zou ‘rij’ verklaren. 

Meer
Meer

.

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3344-3146

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schilderen – GA 311

.

RUDOLF STEINER

.

GA 311

.

Die Kunst des Erziehens aus der Erfassung der Menschenwesenheit

De kunst van het opvoeden vanuit het besef: wat is de mens

Voordracht 4, Torquay, 15 augustus 1924

Blz. 76

Und aus dieser Menschenkenntnis heraus muß man versuchen, wirklich das einzurichten, was man an das Kind heranzubringen hat.
So kann man auch gewisse Harmonisierungen in den Farben er­reichen. Nehmen wir an, ich mache zunächst mit dem Kinde die Übung, daß ich solch eine Malerei bringe (siehe Zeichnung I). Jetzt bringen wir ihm bei, indern wir sein Gefühl erregen, daß neben die­ser roten Farbfläche (innen) eine grüne Farbfläche sich harmonischgut fühlen läßt. Das muß natürlich mit Farben ausgeführt werden, dann sieht man es besser. Jetzt versucht man dem Kinde klarzu­machen: Ich werde die Sache einmal umdrehen. Schau, ich mache hier (innen) das Grün (Zeichnung II); was wirst du mir da rund­herum machen? Dann wird das Kind rundherum rot malen. Man bekommt dadurch, daß man diese Dinge macht, das Kind dazu, all­mählich die Harmonik der Farben zu empfinden. Das Kind lernt wissen: wenn ich hier in der Mitte eine rote Fläche habe, ringsherum Grün (Zeichnung I), so muß ich, wenn nun das Rot grün wird, das Grüne rot machen. Dieses Sich-Entsprechen von Farbe und Form auf das Kind wirken lassen, das ist von einer ungeheuren Bedeutung ge­rade in diesem Lebensalter gegen das 8. Jahr hin.

En vanuit deze menskunde moet je proberen praktisch te organiseren wat je het kind aan te bieden hebt.
Op die manier kun je ook bepaalde kleurharmonieën bereiken. Laten we aannemen dat ik eerst met het kind zo’n soort schilderoefening doe:

GA 311 blz. 76  1

blz.76 tek.  l

Nu leren we hem, zijn gevoel stimulerend, dat naast dit rode vlak (vanbinnen) een groen vlak harmonisch goed voelt. Dit moet natuurlijk met kleur worden gedaan, dan zie je het beter. Nu probeer ik de kinderen duidelijk te maken: ik zal het eens omkeren. ‘Kijk, ik maak het hier (vanbinnen) groen:

GA 311 blz. 76  2

blz.76 tek. ll

wat zou je daar nu omheen zetten?’ Dan zal het daar rood omheen maken. Daardoor krijg je, wanneer je dit doet, het kind ertoe langzamerhand de harmonie van de kleuren gewaar te worden. Het kind leert: wanneer ik hier in het midden een rood vlak heb en daaromheen groen (tek.l) dan moet ik, wanneer het rood groen wordt, het groene rood maken. Dit tegengesteld bij elkaar passen van kleur en vorm, op het kind laten werken, is van enorme betekenis, juist op de leeftijd tegen het 8e jaar.

GA 311/76
Op deze blog vertaald/76

.

Rudolf Steiner over schilderenalle artikelen

Schilderenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3343-3145

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (99)

.

In ‘Opspattend grind’ ging het al wel vaker over muziekonderwijs op de basisschool.

In 2014 kon je in de krant een artikel vinden: ‘Zingende kinderen zijn socialer

In 2015 opnieuw een pleidooi omte zingen‘.

In 2016 is de kop van een artikel: ‘Muziekonderwijs verbroedert

Nu is het 2024 en als je dit artikel mag geloven, is er nog niet veel verbeterd:
.

Muziekonderwijs helpt leerling ook bij rekenen en taal

Twee Pabo-muziekdocenten merken op dat de resultaten van leerlingen voor de basisvakken taal en rekenen achteruit hollen. De keuze voor de oplossing is meestal: wekelijks extra uren inzetten voor deze vakken.

Maar volgens de schrijvers levert dat nauwelijks resultaten op, terwijl de oplossing voor het grijpen ligt: investeren in muziekonderwijs.

Zij beroepen zich op wetenschappers die keer op keer het positieve effect van muziekonderwijs op de hersenen aantonen.

Aan het samen musiceren worden nu nog meer kwaliteiten toegeschreven:
cognitieve functies zoals taalverwerving, leesvaardigheid, concentratievermogen, plannen en zelfbeheersing gaan erop vooruit. Kinderen die wekelijks muziekles krijgen, presteren beter op taken die executieve functies* vereisen.


* de denkfuncties die je nodig hebt om succesvol te kunnen functioneren in het dagelijks leven, met alle uitdagingen of veranderingen die dit dagelijks leven met zich mee brengt.

Daarnaast versterkt muziekonderwijs sociale vaardigheden zoals empathie en emotionele intelligentie, wat een positief effect heeft op het individu en de klas.

Dat van de sociale vaardigheden is voor vrijeschoolleerkrachten geen onbekend gegeven, in 1919 zei Steiner al:

Niet vergeten moet worden dat al het plastisch – beeldende werkt aan de individualiteit van de mens, maar al het muzikaal-dichterlijke daarentegen bevordert het sociale leven .
GA 294/46
Vertaald 

Dan trekken de auteurs een interessante conclusie:

In deze tijd, waarin het vaak gaat over burgerschap, kansengelijkheid en diversiteit, zou je daarom verwachten dat muziek een vaste plek in het basisschoolcurriculum heeft.

Maar, zoals uit alle artikeltjes blijkt waarnaar hierboven wordt verwezen: daar waar muziek een belangrijke factor zou moeten zijn: in de opleiding voor leerkracht, de PABO – daar wordt muziek nauwelijks van belang geacht.

Op 1 augustus stond in dagblad Trouw nog dat pabo’s aankomende leerkrachten vrijwel niets leren over muziekonderwijs. De meeste groepsleerkrachten in het basisonderwijs hebben maar een beperkte basis van het vak muziek . Als zij zich niet competent voelen, sneuvelt muziek in die klassen, met alle desastreuze gevolgen van dien.

Maar er is hoop:

Op diverse pabo’s in Nederland wordt de post-hbo-opleiding vakspecialist muziek aangeboden. Hierin worden huidige en toekomstige groepsleerkrachten opgeleid tot kartrekker voor muziek in een basisschoolteam. De vakspecialist muziek is onderdeel van het team en fungeert als bruggenbouwer in de school: geeft muzieklessen, ondersteunt teamleden, legt contacten met culturele instellingen, werkt samen met vakleerkrachten en is zo een echte spin in het web. Groepsleerkracht, vakleerkracht en vakspecialist muziek dragen zo samen zorg voor goed muziekonderwijs op school.

Als we het onderwijs op de basisschool willen versterken en verrijken, dan is die vakspecialist muziek een uitgelezen kans: de groepsleerkracht wordt ondersteund en alle leerlingen krijgen de kans zich cognitief, sociaal en muzikaal beter te ontwikkelen. Basisscholen, grijp die kans.

Belén Kerkhoven en Herman Weelink,
Netwerk Muziekdocenten Pabo

In Trouw, 18-10-2024

.

 Mens en muziek

Blokfluitspelen

Over het aanleren van het notenschrift

Opspattend grindalle artikelen

Vrijeschoolliederen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3342-3144

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Over de kunstzinnige inrichting van een klas (GA 300B) – [1-3]

.

Al in 1908 merkt Steiner iets op over ‘wat er in de scholen aan de muur zou moeten hangen’. Vanuit een bepaalde context wordt ook het waarom duidelijk.

In een vergadering met de leerkrachten op 22 november 1920 is er een aanleiding om erover te spreken.

In deze vergadering kondigt Steiner aan dat hij er nog verder over wil spreken.
Dat gebeurt (pas) op 23 januari 1923.
Wel maakt Steiner nog een korte opmerking op 15 oktober 1922:

Ich würde es gar nicht für schlimm finden, wenn Herr Wolffhügel etwas dafür sorgt, daß unsere Klassen nicht so schmucklos sind, sondern etwas künstlerischen Inhalt hätten. Amusisch wirkt noch unsere Schule.

Ik zou het niet erg vinden als meneer Wolffhügel ervoor zorgt dat onze klassen niet zo kaal zijn, maar van een artistiek gehalte. Onze school ziet er nog gebrekkig uit wat kunstzin betreft.
GA 300B/151
Niet vertaald

Vergadering van 23 januari 1923, ’s middags

Blz. 228

Dr. Steiner: Ich möchte einiges sagen in bezug auf die Dinge, die mir jetzt durch die Seele gezogen sind bei diesem Besuch in der Schule, und zwar mit Bezug auf die Wände. Nicht wahr, jetzt, wo alles in der neuen Umhüllung erscheint, ist es noch auffälliger als früher, daß es bei einer Schule nicht gut angeht, daß da und dort ein verlorenes und nicht gerade ausgezeichnetes Bildchen hängt. Es wäre schon notwendig, daß auch in dieser Beziehung unsere Schule nicht gerade
einen hervorragend unkünstlerischen Eindruck machen würde.
Nun ist es selbstverständlich, daß in diesem Stadium nicht Ideale erfüllt werden können, aber wenigstens scheint es mir gut zu sein, wenn wir Ideale so vor uns haben, daß wir uns in der Richtung nach ihnen bewegen können, wenigstens mit unserem Denken, so daß zuletzt irgend etwas nach dieser Richtung herauskommen könnte.
Ich meine, daß Sie das, was ich sage, nicht wiederum so auffassen sollen, wie manchmal solche Dinge aufgefaßt werden, wenn man zum Beispiel genötigt ist zu sagen: Das und dies ist der Unterschied zwischen Fleisch- und Pflanzennahrung, so ziehen die Leute gleich die Konsequenz des Agitierens.

Ik zou graag iets willen zeggen over de dingen die bij mij gevoelens opriepen tijdens dit schoolbezoek, namelijk wat de muren betreft. Niet waar, juist nu alles in een nieuwe jasje verschijnt, valt het nog meer op dan voorheen dat het op een school niet goed gaat als er hier en daar verloren een niet bepaald prachtige illustratie hangt. Ook op dit vlak zou onze school niets moeten doen om een uiterst onartistieke indruk te maken.
Het spreekt voor zich dat er in dit stadium geen idealen vervuld kunnen worden, maar het lijkt mij in ieder geval goed, wanneer we de idealen zo voor ons hebben, dat we ons in die richting kunnen bewegen, op z’n minst met ons denken, zodat op de duur er iets in deze richting kan ontstaan.
Ik denk dat wat ik zeg ook weer niet zo opvat hoeft te worden, zoals dat soms gebeurt, wanneer je bv. moet zeggen: dit en dat is het verschil tussen dierlijk en plantaardig voedsel, dat de mensen meteen conclusies trekken en beginnen te protesteren.

Nehmen Sie es also als die Hinstellung eines Ideales: Wie eigentlich aus unserer Pädagogik selbst heraus die künstlerische Ausgestaltung der Schulzimmer sein sollte. Es würde sich dann so zu erweitern haben, daß vielleicht auch dasjenige, was wir im Schulzimmer finden, in der Nähe des Schulzimmers auf den Wänden in ähnlicher Art zu finden wäre.
Eine gewisse Ausgestaltung durch Bildwerke ist in den Schulzimmern schon zweifellos notwendig. Nicht weil ich denke, daß wir das morgen einführen sollen, sondern damit wir eine Orientierung haben sollen, wie das im Sinne unserer Pädagogik sich ausnimmt, möchte ich dasjenige, was sich mir ergeben hat, mitteilen.
Wir haben die unteren Klassen; bei denen würde es sich tatsächlich mehr handeln müssen um das Stoffliche desjenigen, was bildhaft den Kindern geboten wird, während man allmählich zum Künstlerischen auf der einen Seite, wie zu den mehr praktischen Angelegenheiten des Lebens übergehen kann. Ich werde nur die Hauptsachen heute nennen, und es kann sich im Laufe der Zeit die Sache wesentlich vertiefen. Es wird sich darum handeln, daß auch da, wo das Stoffliche die Hauptrolle zu spielen hat in bezug auf die künstlerische Ausgestaltung, daß auch da selbstverständlich nicht irgendeine phili-

Beschouw het dus als het aangeven van een ideaal: hoe eigenlijk vanuit onze pedagogie zelf de kunstzinnige vormgeving van het lokaal zou moeten zijn.
Het zou dan zo verder ontwikkeld moeten worden dat wat we in het klaslokaal vinden, vlakbij het klaslokaal, aan de muur op een vergelijkbare manier te vinden is.
Een zekere mate van versiering door middel van afbeeldingen is in de schoollokalen ongetwijfeld noodzakelijk. Niet omdat ik denk dat we dat morgen moeten invoeren, maar opdat we enige oriëntatie hebben hoe dat eruit ziet in de zin van onze pedagogie, zou ik zoals ik erover denk, iets willen meedelen.
We hebben de lagere klassen; daar zou het eigenlijk meer moeten gaan om het thema van wat aan beeldmateriaal aan de kinderen wordt geboden,
terwijl je geleidelijk enerzijds tot het kunstzinnige, anderzijds tot de meer praktische zaken van het leven kan overgaan. Ik zal vandaag alleen de belangrijkste zaken behandelen en in de loop van de tijd kunnen we dat nog aanzienlijk verdiepen. Het zal erom gaan dat zelfs daar waar het thema de hoofdrol moet spelen in relatie tot de artistieke vormgeving, we vanzelfsprekend ook daarbij niet een of andere kleinburgerlijke

ströse Illustration da sein darf, sondern daß die Dinge künstlerisch
gestaltet sein müssen, und zwar nicht einseitig künstlerisch gestaltet,
sondern schon so, daß man nicht irgendwelche künstlerische Spezialmeinungen und Spezialstile zur Durchführung bringt, sondern dasjenige, was mehr allgemein menschlich erscheint.
Wenn wir die 1. Klasse nehmen, so würde es sich darum handeln, daß
wir unsere Wände schmücken mit Märchendarstellungen, welche,
wenn es geht, farbig gehalten sind. Nun muß ich betonen, wenn es
nicht geht, für die ganze Durchführung der Sache Farbiges zu haben, so muß manches dann in farblosen Reproduktionen hängen. Besser ist es, eine Reproduktion zu haben, die gut ist, die in der Technik, in der sie gehalten ist, gut ist, als irgendeine schlechte Kopie von den Dingen, die ich meine. In der 1. Klasse würde es sich um Märchendarstellungen handeln, in der 2. Klasse um Legendendarstellungen.
Das müßte streng eingehalten werden.
Sie können sich denken, daß dadurch in einer bestimmten Weise fortdauernd auf das kindliche Gemüt der richtige Impuls ausgeübt werden kann. Nur dürfen die Dinge nicht der Bildschmuck der Bilderbücher sein, sondern sie müssen künstlerisch durchgeführt werden. Da würde es sich lohnen, sich Aufgaben zu stellen, aber nicht in einer einseitigen Malmanier, sondern so, daß die Dinge allgemein menschlich sind

illustraties mogen hebben, maar dat de dingen kunstzinnig gemaakt zijn, maar ook niet weer niet te eenzijdig kunstzinnig vormgegeven, dat je niet een of ander kunstzinnig specialisme of een speciale stijl door gaat voeren, maar meer iets dat algemeen menselijk is.
Wanneer we de 1e klas nemen, gaat het erom dat we onze muren verfraaien met sprookjesvoorstellingen die, als het gaat, in kleur zijn. Nu moet ik er de nadruk op leggen, dat wanneer het niet lukt om iets met kleur te krijgen, we dan sommige dingen dan maar zonder kleur ophangen. Het is beter een reproductie te hebben die goed is met de techniek die gebruikt is, dan een of andere slechte kopie van de dingen die ik bedoel. In de 1e klas gaat het dus om sprookjesvoorstellingen, in de 2e om legenden.
We moeten ons daar streng aan houden.
U kan wel bedenken dat daardoor op een bepaalde manier steeds op het kinderlijke gevoel de juiste impuls uitgeoefend kan worden.
Nu moeten de dingen niet de prenten zijn uit prentenboeken, maar ze moeten kunstzinnig gemaakt zijn.
Het zou de moeite waard zijn om onszelf taken op te leggen, maar niet op een eenzijdige schildermanier, maar op zo’n manier dat dingen over het algemeen menselijk zijn.

Wenn wir in die 3. Klasse kommen, dann müssen wir dem Seelenzustand dadurch Rechnung tragen, daß man dasjenige an den Wänden hat, was man im philiströsen Leben Stilleben nennt, Pflanzendarstellungen, Blumendarstellungen; natürlich nicht die gewöhnlichen Stilleben, sondern wirklich Darstellungen des Lebendigen, aber noch nicht des Empfindenden. Es ist gut, wenn man das Kind nun so weit bringt, als es eigentlich mit der Seele mit kann, und die Darstellungen des Empfindenden, des Tierischen, die müßte man für die nächste Klasse, die 4. Klasse, aufbewahren, weil da die Seele des Kindes anfängt, nun schon die Darstellung auf das Empfinden zu beziehen. Das Kind hat erst von dieser Zeit an ein Gefühl davon, daß es selbst Empfindung hat, wenn das Gefühl auch noch dumpf ist.
Tierische Darstellungen, die früher auf das Kind in Kinderbüchern wirken, die wirken so, daß das Kind nicht unterscheidet, ob in der bildhaften Darstellung eine wirkliche Kuh wiedergegeben ist oder eine aus Holz gemachte Kuh. Es gibt für das Kind so ungefähr vor dem Lebensalter zwischen neun und zehn Jahren keine Möglichkeit zu unterscheiden, wirklich lebensvoll innerlich zu unterscheiden zwischen der Darstellung einer wirklichen und einer aus Holz

Als we bij de 3e klas komen, moeten we rekening houden met het gevoelsleven, door op de muren te hebben wat in het kleinburgerlijke stillevens genoemd worden, voorstellingen van planten, voorstellingen van bloemen; natuurlijk niet de gebruikelijke stillevens, maar echt voorstellingen van het levende, maar nog niet van het voelende. Het is goed om het kind zover te brengen als het daadwerkelijk met zijn ziel kan gaan en de voorstellingen van het voelende, van het dier, te bewaren voor de volgende klas, de 4e, omdat het kind nu met zijn gevoel de voorstelling in verband begint te brengen met wat het ervaart. Pas vanaf dit moment heeft het kind het gevoel dat het zelf gevoel heeft, ook al is het gevoel nog dof. Dierenvoorstellingen die vroeger in kinderboeken een werking hadden op het kind, werken zo dat het kind geen onderscheid maakt of op de prent een voorstelling van een echte koe staat of een van hout. Voor de leeftijd van ongeveer negen tot tien jaar is het voor het kind nog niet mogelijk onderscheid te maken, echt een levendig innerlijk onderscheid, tussen de afbeelding van een echte koe en een koe van hout,

Blz. 230

aber in diesem Lebensalter tritt das Unterscheidungsvermögen ein.
In der 5. Klasse, wo wir die Kinder zwischen zehn und elf Jahren haben, würde es sich darum handeln, Darstellungen zu wählen, die Menschengruppen der verschiedenen Lebensalter darstellen: Reigentänze, Sonstiges, sagen wir eine Straße, wo sich Menschen begegnen, wo man anknüpfend mit den Kindern sprechen kann; Menschengruppierungen, wo man über die Tatsachen, die sich zwischen den Menschen abspielen, mit den Kindern reden kann.
Dann kommen wir in die 6. Klasse; da soll eintreten der einzelne Mensch. Da kann man schon Köpfe, ganze Menschen als auch einzelne Menschen, zum Beispiel den Menschen in der Natur und dergleichen darstellen, wobei einem die Natur zu Hilfe kommen kann, indem man die Kinder schon aufmerksam machen kann darauf, was eine sonnenbeschienene Landschaft und was eine Regenlandschaft ist, aber den Menschen darin, und so, daß es auf den einzelnen Menschen ankommt; ein kleiner See, wo einer rudert zum Beispiel.
Da sind wir an der Grenze angelangt, wo es aufhört, auf das Stoffliche anzukommen, wo bereits begonnen werden soll, mit dem Bildschmuck einzutreten ins Künstlerische. Da soll man beginnen mit dem Allerkünstlerischsten! Natürlich kommt da in Betracht, daß man, wenn man keine guten Kopien haben kann, dann eben Schwarz-Weiß-Darstellungen haben muß.

maar op deze leeftijd ontstaat het vermogen om te onderscheiden.
In de vijfde klas, waar kinderen tussen de tien en elf jaar oud zijn, gaat het erom voorstellingen te kiezen die groepen mensen van verschillende leeftijden afbeelden: Rondedansen, andere dingen, laten we zeggen een straat waar mensen elkaar ontmoeten, waar je met de kinderen over kunt praten; groepen mensen, waar je met de kinderen kunt praten over de dingen die tussen mensen gebeuren .
Dan komen we bij de 6e klas, waar de individuele mens moet gaan komen. Hier kun je al hoofden nemen, hele mensen, ook individuele mensen, bijvoorbeeld mensen in de natuur en dergelijke, waarbij de natuur je te hulp kan schieten door de kinderen te wijzen op wat een zonovergoten landschap is en wat een regenachtig landschap is, maar de mensen erbij, en zodanig dat het op de individuele persoon aankomt; een meertje waar iemand aan het roeien is, bijvoorbeeld.

Hier hebben we de grens bereikt waar het niet meer van het materiaal afhangt, waar we dan moeten beginnen met het decoratieve naar het kunstzinnige te gaan. Daar moet je beginnen met het meest kunstzinnige! Natuurlijk, als je geen goede reproducties kan krijgen, moet je zwart-wit voorstellingen nemen.

Es ist gut, wenn man für dieses Lebensalter in der 7. Klasse Raffael und Leonardo hat, was auch bleiben kann flir die nächste, die 8. Klasse. Das kann man auf die beiden Klassen verteilen. Da soll es darauf ankommen, daß die
Kinder diese Bilder vor sich haben. Man muß bei dieser Ausschmückung nicht glauben, daß es richtig wäre, den Wandschmuck so zu gestalten, daß er parallel gehen würde dem Lehrplan, sondern es ist sogar von großer Bedeutung, daß die Kinder die Bilder früher vor sich haben, als im Kunstunterricht davon gesprochen wird. Vorher sollte gelegentlich einmal über die Bilder gesprochen werden. Im ganzen sollen sich die Augen des Kindes mit dem Künstlerischen
dieser Bilder beschäftigen; das Kind soll zunächst nur einen rein
sensuellen Eindruck empfangen und wissen, daß man diese Bilder für
etwas ganz besonders Schönes hält. Sie sind schon in der richtigen
Weise vorbereitet dadurch, daß man in bezug auf die Ausschmückung zuerst auf das Stoffliche den Hauptwert gelegt hat.
Nun bei den nächstfolgenden Klassen kommt es darauf an, daß man das Künstlerische zusammenbringt in einer taktvollen Weise mit dem Praktischen des Lebens, so daß das Kind die beiden Seiten fortwäh-

Het is goed om voor de leeftijdsgroep in klas 7, Raphael en Leonardo te hebben  die ook kunnen blijven voor het volgende jaar, klas 8. Dit kan verdeeld worden over de twee klassen. Het belangrijkste is dat de kinderen deze afbeeldingen voor zich hebben. Het is niet nodig om te denken dat het goed zou zijn om de muren zo te versieren dat het parallel loopt met het lesprogramma, het is zelfs van groot belang dat de kinderen de afbeeldingen eerder voor zich hebben dan dat er in de kunstlessen over gesproken wordt. De afbeeldingen moeten af en toe van tevoren worden besproken. Over het algemeen moeten de ogen van het kind bezig zijn met het artistieke aspect van deze afbeeldingen; het kind moet in eerste instantie alleen een puur zintuiglijke indruk krijgen en weten dat deze afbeeldingen als iets bijzonder moois worden beschouwd. Ze zijn al op de juiste manier voorbereid doordat de nadruk qua decoratie op het thema is gelegd.
Nu is het belangrijk om in de volgende klassen het artistieke op een tactvolle manier samen te brengen met de praktische kant van het leven, zodat het kind beide kanten voortdurend 

Blz. 231

rend vor sich hat, so daß man in der 9. Klasse auf der einen Seite künstlerische Bilder von Giotto oder Ähnliches hat, aber in derselben Klasse Situationsbilder, ganz technisch, eine Wiese, eine Hutweide, einen Laubwald, einen Nadelwald, aber jetzt nicht künstlerisch, sondern technisch, reine Musterbeispiele, wie man Situationspläne macht; die würden an einer Wand hängen, und die hintere Wand könnte zum Beispiel Giottos haben. Ebensogut könnte in der 9. Klasse eine Himmelskarte sein, wo man die einzelnen Sternbilder zusammenfaßt mit starken Figuren, mit stilisierten Himmelsfiguren, so wie es früher auf Himmelskarten vorhanden war.
In der 10. Klasse, wo man es mit Fünfzehn-bis Sechzehnjährigen zu tun hat, würde es sich darum handeln, nun etwa Holbein und Dürer nach der künstlerischen Seite zu haben, und nach der technischwissenschaftlichen Seite zum Beispiel — es kann auch anderes sein —, sagen wir: das Innere des Meeres, all die Tiere, die im Inneren des Meeres sind, das müßte in entsprechender Weise gemalt erscheinen, zugleich instruktiv in intellektueller Beziehung, und doch müßte es so sein, daß es künstlerisch auf das Kind wirkt. Dann bliebe für die 11. Klasse Holbein und Dürer, weiter vielleicht auch Rembrandt. Das würde für die folgenden Klassen immer sein; man kann aber auch Ältere dazwischen mischen. Da ist das Alter, wo das dem Unterricht parallel gehen kann. Für die 11. und 12. Klasse also Holbein, Rembrandt, Dürer.

voor zich heeft, zodat je in de 9e klas aan de ene kant artistieke afbeeldingen van Giotto of iets dergelijks hebt, maar in dezelfde klas zou je ook situatieschetsen kunnen hebben, heel technisch, van een weiland, een gemeenschappelijke weide om vee te hoeden, een loofbos, een naaldbos, maar nu niet artistiek, maar technisch, pure voorbeelden van hoe je situatieschetsen moet maken; ze zouden aan de ene muur kunnen hangen, en aan de achterwand zou bijvoorbeeld Giotto kunnen hangen. Er zou net zo goed een hemelkaart in de 9e klas kunnen hangen, waar de individuele sterrenbeelden worden samengevat met sterke figuren, met gestileerde hemelfiguren, net zoals ze vroeger op hemelkaarten stonden.
In de 10e klas, waar je te maken hebt met vijftien- tot zestienjarigen, zou het kunnen gaan om  bijvoorbeeld Holbein en Dürer aan de artistieke kant, en aan de technisch-wetenschappelijke kant, bijvoorbeeld – het kan ook iets anders zijn – laten we zeggen: het binnenste van de zee, alle dieren die zich in de zee bevinden, dat zou op een passende manier geschilderd moeten worden, tegelijkertijd intellectueel leerzaam, en toch zou het zo moeten zijn dat het een artistiek effect heeft op het kind.
Dan blijven Holbein en Dürer over voor klas 11, en misschien ook Rembrandt. Dat is voor de volgende klassen steeds zo, maar je kunt er ook oudere kunstenaars tussen mengen. Dat is de leeftijd waarop dit parallel aan de lessen kan lopen. Dus voor klas 11 en 12, Holbein, Rembrandt, Dürer.

In der 11. Klasse da sollte man nach der technischen Seite an die Wand hängen so etwas wie Erddurchschnitte, geologische Durchschnitte und entsprechend künstlerisch ausgeführte Höhenkarten und Ähnliches.
Erst in der 12. Klasse würden an der Wand zu hängen haben Physiologica, Anatomisches neben Holbein, Dürer, Rembrandt.
Das würde dasjenige sein, was eigentlich hineingehört, was eben als das Ideal hineingehört. Jetzt sieht es greulich aus, aber wenn man solch ein Ideal vor sich hat, kann man sich unter Umständen doch, wenn es auch erst nach einem Jahrhundert erfüllbar ist, in der einen oder anderen Weise darnach richten. Es ist besser, ein richtiges Bild im Holzschnitt zu haben, als manches von dem, was jetzt darin hängt. Das sind die Dinge, die ich Ihnen als ein Kapitel der Pädagogik
vorlegen möchte. Es ist schon durchaus notwendig, daß wir unser Augenmerk darauf richten, daß das Künstlerische besonders gutbehandelt wird in unserer Pädagogik, denn es gehört das eigentlich ins Gesamtbild des anthroposophischen Behandelns des Menschheitsfortschrittes hinein.

In de 11e klas, zouden wat de technische kant betreft, er zoiets als aarddoorsneden, geologische doorsneden en navenant artistiek uitgevoerde hoogtekaarten en dergelijke aan de muur moeten hangen.
Pas in de 12e klas zouden fysiologische en anatomische werken aan de muur moeten hangen naast Holbein, Dürer en Rembrandt.

Dit hoort hier eigenlijk thuis, als ideaal.
Het ziet er nu afschuwelijk uit, maar als je zo’n ideaal voor je hebt, zelfs als het pas na een eeuw gerealiseerd kan worden, kun je je er toch op de een of andere manier door laten leiden. Het is beter om een echt beeld in houtsnede te hebben dan sommige dingen die er nu in hangen.
Dit zijn de dingen die ik aan u wil presenteren als een hoofdstuk uit de pedagogie. Het is absoluut noodzakelijk dat wij in onze pedagogie vooral het artistieke aspect goed behandelen, omdat het eigenlijk in het totaalbeeld van de antroposofische behandeling van de menselijke vooruitgang thuishoort.
GA 300B/228-231

Bij het lezen van deze gezichtspunten kunnen er – tenminste, zo vergaat het mij – talloze vragen rijzen: wat bedoelt Steiner precies, hoe maak je concreet wat hij bv. abstract: ‘mensengroepen, individuele koppen, technische schetsen,’ enz. noemt.
Wat is daarvan in de praktijk terecht gekomen?

Er is bij mijn weten ook niet veel over gepubliceerd.
Ik vond nog een artikel in Erziehungskunst en Clausen/Riedel hebben in hun boek ‘Schöpferisches Gestalten mit Farben’ een heel schema gegeven met mogelijkheden.

In een nog te verschijnen artikel worden die gezichtspunten gebundeld en de gezichtspunten van Steiner hierboven, meegenomen. 

In de vergadering van 31 januari 1923 volgen er nog een paar aanvullingen:

Blz. 240

Dr. Steiner: Ich hätte nur einiges nachzutragen zu dem, was ich neulich gesagt habe. Es handelt sich um die Beantwortung der Frage, wie bei der Bildausschmückung die musikalischen Räume zu behandeln wären. Da handelt es sich darum, daß man jedenfalls einen musikalischen Lehrsaal in keiner Weise ausschmücken kann mit irgendwelchen malerisch-figuralen Motiven. Einen musikalischen Saal könnte man höchstens plastisch ausschmücken durch die Aufstellung von Plastiken, oder aber, wenn man Malerisches anwenden will, so müßte man Farbenharmonien, reine Farbenwirkungen nehmen; Bildwerke, in denen reine Farbenwirkungen etwa in Betracht kommen.
Dann müßte es sich handeln um das bildhafte Ausschmücken der Eurythmiesäle. Das unterscheide ich vom Musikalischen. Es kann vielleicht bei uns kollidieren. Wir könnten unter Umständen im Eurythmiesaale etwas von musikalischem Unterricht haben, dann würde das ein Surrogat sein müssen. Der Eurythmiesaal selbst müßte ausgeschmückt sein mit Motiven, die aus der Dynamik des Menschen entnommen sind, aber aus der seelischen Dynamik; der ausdrucksvolle Mensch, künstlerisch erfaßt.

Ik wil graag een paar dingen toevoegen aan wat ik laatst heb gezegd. Het gaat om het antwoord op de vraag hoe het met de wanddecoratie in de muzieklokalen moet. Het punt is dat een muziekonderwijsruimte op geen enkele manier versierd kan worden met schilderachtig- figuratieve motieven. Een muziekzaal kan hoogstens gedecoreerd worden met het opstellen van beeldhouwwerk, of, als men schilderkunst zou willen gebruiken, met kleurharmonieën, zuivere kleureffecten; schilderkunstige werken waarin zuivere kleureffecten een rol spelen.
Dan gaat het om de decoratie van de euritmiezalen. Ik onderscheid dit van het muzikale. Het kan  bij ons misschien botsen. In de euritmiezaal zou door bepaalde omstandigheden ook muziekles kunnen zijn, maar dan zou  het  surrogaat zijn. De euritmiezaal zelf zou versierd moeten worden met motieven die ontleend zijn aan de dynamiek van de mens, maar dan aan de dynamiek van de ziel, de expressieve mens, artistiek opgevat.

Dann würde es sich beim Turnsaal darum handeln, daß man mit
entsprechender Übertragung achtet auf das mehr sich in die Welt
Hineinstellen. Bei der Eurythmie würde es sich darum handeln, daß
man eine Art findet, künstlerisch auszudrücken die seelische Dynamik; beim Turnen, daß man den Menschen mit Bezug auf seine Gleichgewichts- und Bewegungsverhältnisse in Beziehung zur Welt darstellt, daß man den Menschen zum Beispiel darstellt, sich wacker haltend über einem Abgrund und dergleichen. Das Verhältnis zur Welt, das würde der Bildschmuck sein für das Turnen.
Für die Handarbeitsräume würde man Interieurs brauchen, wo das
Gemütselement berücksichtigt wird.
Jetzt bliebe uns noch der Handfertigkeitssaal, den müßte man möglichst mit künstlerisch aufgefaßten Motiven des praktischen Lebens
und eventuell auch des Kunstgewerbes künstlerisch ausschmücken,
so daß man an den Wänden etwas hat, was wohlgefällig aufnimmt,
was in diesen Räumen getrieben wird.
Ich glaube, daß das Lehrerzimmer so ausgeschmückt werden muß,
wie es dem Geschmack und dem harmonischen Zusammenklange
der Lehrerseelen selbst entspricht, so daß das Lehrerzimmer keine

In de gymnastiekzaal gaat het erom dat je met aandacht op de juiste wijze weet over te brengen de manier waarop we onszelf meer in de wereld plaatsen.
In de euritmie zou het erom moeten gaan een manier te vinden om de dynamiek van de ziel artistiek uit te drukken; in de gymnastiek zou het erom gaan de mens in relatie tot de wereld uit te beelden in termen van zijn evenwicht en beweging, bijvoorbeeld de mens die zich dapper over een afgrond staande houdt en dergelijke. De relatie tot de wereld zou de decoratie voor gymnastiek moeten zijn.
Voor de handenarbeidlokalen zouden we interieurs nodig hebben waarin rekening wordt gehouden met het emotionele element.
Dan blijft het lokaal voor handenarbeid over, dat ingericht zou moeten worden met artistieke motieven uit het praktische leven en mogelijk ook uit de kunstnijverheid, zodat we iets aan de muren hebben dat een aangename afspiegeling is van wat er in deze ruimtes gebeurt.
Ik ben van mening dat de lerarenkamer zo ingericht moet worden dat het overeenkomt met de smaak en het harmonisch samengaan van de lerarenzielen zelf, zodat de lerarenkamer geen 

Blz. 241

Vorschrift haben soll, sondern ganz aus dem Geschmack und Zusammenstimmen der Lehrer selbst hervorgehen soll. Das soll eine Offenbarung sein einer besonders intimen Konferenz, die ins Künstlerische
ausläuft, ohne Expertise.
Für das Spinnen gilt dasselbe wie für das Handwerk.
Beim Musikalischen ist es besser, wenn man den Saal ganz einförmig
ohne Bild läßt, statt daß man irgendwelche Bilder anbringt, die
psychologisch nicht vereinbar sind mit dem, was musikalisch herrschen soll.
Bei den Rahmen ist die Sache diese, daß man den Rahmen nach dem
Bilde machen soll. Nun, die Farbe des Rahmens habe ich gewöhnlich
so angegeben, daß man eine Farbe, die auch auf dem Bilde ist oder
die öfter im Bilde ist, zum Rahmen verwendet. Die plastische Form
muß man nach dem Bilde machen.

voorschriften zal krijgen, maar uit de smaak en de afstemming van de leerkrachten zal moet komen. Het moet een uiting zijn van een bijzonder vertrouwelijke vergadering die uitmondt in iets kunstzinnigs, zonder speciale kennis.
Voor het spinnen geldt hetzelfde als voor de handvaardigheid.
Bij het muzikale is het beter wanneer de zaal hetzelfde blijft, zonder decoratie, in plaats van wat voor voorstellingen dan ook aan te brengen die psychologisch niet te verenigen zijn met wat bij het muzikale moet overheersen.
Wat de lijsten betreft, die zouden zo gemaakt moeten zijn dat ze bij de afbeeldingen passen. Wat de kleur ervan aangaat, heb ik gewoonlijk wel aangegeven dat je een kleur neemt die ook in de afbeelding zit of er meer in voorkomt. De plastische vorm ervan moet je passend bij de voorstelling maken.

Es wird gefragt nach dem Raum für die Sonntagshandlung.

Er wordt gevraagd hoe het voor de ruimte van de zondagshandeling moet zijn.

Dr. Steiner: Es handelt sich darum, daß ich eine weitere Handlung geben werde, und danach wird auch das Bild sich richten.
Auch die Hilfsklasse muß noch bekleidet werden. Das werden wir bei
der nächsten Konferenz besprechen.
Die Eurythmiefiguren müßten in einer Vitrine im Eurythmiesaal
aufgestellt werden.
Auf den Gängen müßte man sehen, daß man links und rechts von der
Tür etwas Ähnliches hat wie das, was man in der Klasse findet, daß
man sich anlehnt an das, was in der Klasse ist.

Het is zo dat ik daarover verder nog wat zeg en daarmee over de decoratie die erbij hoort.
Ook de hulpklassen moeten nog ingericht worden. Dat bespreken we op de volgende conferentie.
De euritmiefiguren zouden in een vitrine in het euritmielokaal moeten komen.
In de gangen zou je moeten zien dat links en rechts van de deur iets is wat je in de klas vindt, dat gebaseerd is op wat er in de klas is.

Es wird gefragt nach dem Physik- und dem Chemiesaal.

Er zijn vragen over de natuurkunde- en scheikundelokalen.

Dr. Steiner: Wir sind in solchen großen Sorgen darin, daß ich heute
dies nicht beantworten kann

We zijn zo bezorgd dat ik daar vandaag geen antwoord op kan geven.
GA 300B/240-241
Niet vertaald

Over de kunstzinnige inrichting van een lokaal: alle artikelen
.
Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blogAlgemene menskunde: alle artikelen 

Menskunde en pedagogie: alle artikelen 

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3341-3143

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Over de kunstzinnige inrichting van een klas (GA 300A)- [1-2]

.

Al in 1908 merkt Steiner iets op over ‘wat er in de scholen aan de muur zou moeten hangen’. Vanuit een bepaalde context wordt ook het waarom duidelijk.

In een vergadering met de leerkrachten op 22 november 1920 is er een aanleiding om erover te spreken:

GA 300A

Blz. 244

Dr. Steiner: Nun, nicht wahr, einiges möchte ich so sagen von den Eindrücken, die mir noch in diesen Tagen gekommen sind. Vor allen Dingen würde ich wünschen, daß man hätte so etwas besprechen können — ich fürchte, es wird während der diesmaligen Anwesenheit nicht mehr gehen; es ist früher nicht so arg gewesen, aber jetzt fällt es mir so auf, namentlich in den Klassen, die angebaut worden sind —, daß die Wände irgend etwas von Bildern haben
müßten. Die 4. Klasse ist eine greuliche Klasse in bezug auf die Bildlosigkeit. Und es fiel mir insbesondere so stark auf, ich sagte es Herrn U., als er die Religionsklasse hatte, da geht es stark ab. Man müßte dafür sorgen. Es ist auch die 5., die zu wünschen übrig läßt. Es ist mir aufgefallen, daß es notwendig wird, daß die Wände einem nicht als Wände entgegentreten, daß sie etwas von Bildern haben müßten. Es müßte sehr sorgfältig gemacht werden.

Welnu, ik zou nog een paar dingen willen zeggen over de indrukken die ik de laatste dagen kreeg. Allereerst had ik graag gewild dat we zoiets als dit nog hadden kunnen bespreken – ik ben bang dat dit deze keer nu ik er ben, niet meer zal gaan; voorheen is het niet zo erg geweest, maar nu valt het me zo op dat vooral in de klassen die aangebouwd zijn, de muren iets aan beeldmateriaal zouden moeten hebben. De 4e klas is een verschrikkelijke klas wat betreft het gebrek aan afbeeldingen. En het trof mij vooral zo sterk, dat ik het tegen mijnheer U zei, toen hij godsdienstles had, en het heel erg mis ging. We zouden er zorg aan moeten besteden. Ook de 5e laat te wensen over. Het is me opgevallen dat het noodzakelijk wordt dat de muren niet als muren op iemand afkomen, dat ze iets van afbeeldingen moeten krijgen. Het zou heel zorgvuldig moeten gebeuren.

Es wird ein Mitglied der Anthroposophischen Gesellschaft erwähnt, das für
Bilder sorgen will, Herr G.

Er wordt een lid van de Antroposofische Vereniging genoemd die voor beelden wil zorgen, de heer G.

Dr. Steiner: Davor habe ich eine kleine Angst. Es müßte ganz im
Sinne unserer Pädagogik geschehen. Deshalb kann es sich nicht vollziehen, bevor ich komme.
Wo sind Maler, die etwas machen könnten? Es müßten geradezu die
Anregungen von den betreffenden Klassenlehrern ausgehen. Und
dann müßte die Sache wirklich recht künstlerisch behandelt sein. Gar
nichts Unkünstlerisches darf vorhanden sein. Es müßte wirklich für
diese Schule Besonderes geschaffen werden.

Daar ben ik een beetje bang voor. Het moet helemaal in de zin van onze pedagogie gebeuren. Daarom kan het niet plaatsvinden voordat ik kom.
Waar zijn schilders die iets kunnen doen?  De suggesties zouden echt moeten komen van de betreffende klassenleraren. En dan zou het geheel eigenlijk zeer kunstzinnig moeten worden benaderd. Er mag niets onkunstzinnigs bij zitten. Voor deze school zou echt iets bijzonders gemaakt moeten worden.

Omdat er kennelijk weinig is dat in aanmerking komt, geeft Steiner nog een soort suggestie om tot iets te komen, vanuit de lessen.
Hij heeft bij ‘juffrouw L’ kennelijk gezien hoe zij een gedicht behandelde:

Es würde zum Beispiel von einer großen Bedeutung sein — heute morgen hat Fräulein L. durchgenommen das „Riesenspielzeug”, und nun, nicht wahr, ist von Chamisso das Gedicht so gemeint, daß man, sobald man es den Kindern in dieser Chamisso-Gesinnung vorbringt, leicht etwas ins Rationalistische kommt, und ihm leicht den Duft nehmen kann. Das Gedicht ist so — so hat man das aufzufassen —, daß die Burgriesen die alte Gutsaristokratie sind. Es ist ein
gründlich tief soziales Gedicht. Das Riesenspielzeug ist der Bauer, der von der Gutsaristokratie als Spielzeug benutzt wird. Ich würde heute morgen zurückgeschreckt sein, so etwas anzudeuten. Es wird so etwas leicht rationalistisch. Dagegen dies: da die Kinder es sehr lieb gehabt haben, sollte man versuchen, dies nun ins Malerische zu übersetzen, aber mit diesem Gedanken — wodurch es den Duft nich

Het zou bijvoorbeeld van groot belang zijn -[wat dat precies is, wordt niet gezegd] vanmorgen heeft juffrouw L. het “Reuzenpeelgoed” doorgenomen, en niet waar, het gedicht is door Chamisso zo bedoeld dat zodra je het in deze Chamisso-geest aan de kinderen geeft, er  gemakkelijk wat rationalistisch bijkomt, dat de essentie gemakkelijk verdwijnt.
Het gedicht is zo– zo moet het begrepen worden – dat de kasteelreuzen de oude landgoedaristocratie zijn. Het is een door en door diep sociaal gedicht. Het reuzenpeelgoed is de boer, die door de landgoedaristocratie als speelgoed wordt gebruikt. Ik zou vanochtend geaarzeld hebben om zoiets te zeggen. Het wordt dan makkelijk rationalistisch. Daartegenover: omdat de kinderen het erg leuk vonden, zou je kunnen proberen het te schilderen, maar met deze gedachte, dat de essentie niet verdwijnt.

Blz. 245

verliert —, mit diesem Gedanken des Spielens der untergehenden Gutsaristokratie, daß man das darin hat. Also gewissermaßen nicht
den Kindern das Gedicht in Prosa übersetzen, sondern es ins Bild
übersetzen. Das gibt einen tiefen Eindruck, wenn so etwas gerade da
hängt, was dem Unterricht entnommen ist und was die Kinder
durchgefühlt haben.
Ich habe mit Fräulein Waller am Anfang der Waldorfschule längst
davon gesprochen, daß man etwas schaffen müßte, was den Metamorphosegedanken durch die Reiche des Lebendigen hindurch gibt
in einem wirklichen Kunstwerk. So etwas Ähnliches, was durchgeführt ist in Dornach in den Übergängen von einem Architrav zum anderen. Dadurch würde es dem Lehrer ungemein erleichtert sein, in solchen Dingen etwas, was zum Unterricht gehört, gerade daran zu erklären. — Wenn uns G. etwas liefert, so liefert er Dinge, die ihm gefallen. Das ist etwas, wovon wir nichts haben. Vielleicht denken Sie zunächst über solche Sachen nach. Aber so etwas brauchen wir.

verliest – met dit idee van het spelen met de landgoedaristocratie, die ten onder gaat. Dat moet erin zitten.  Dus zeker niet het gedicht voor de kinderen in proza zetten, maar in beeld. Het laat een diepe indruk na als er iets hangt wat uit de les wordt gehaald en wat de kinderen beleefd hebben.
Ik heb het er met juffrouw Waller bij het begin van de waldorfschool al lang over gehad dat je iets zou moeten scheppen wat de idee van metamorfose door de rijken van het levende zou kunnen weergeven in een echt kunstwerk. Iets soortgelijks wat in Dornach is gedaan bij de overgangen van het ene architraaf naar het anderen. Dit zou het voor de leerkracht een stuk makkelijker maken
dergelijke dingen die deel uitmaken van de les, daarmee uit te leggen. —
Als G. ons iets geeft, komt  hij met dingen ​​die hém bevallen. Daar hebben wij niets aan. Misschien moet u eerst nog over deze dingen nadenken. Maar zoiets hebben we nodig.

X.; Ist es pädagogisch ungünstig, wenn die Kinder selbst etwas machen?

X; Is het onderwijskundig gezien ongunstig als de kinderen zelf iets doen?

Dr. Steiner: Ihre Nichte war bei mir und brachte mir ihre erste Malerei. Sie sagte, das wäre nicht bloß, daß ich es ansehen müßte, sondern das müßte ich mir zuhause an die Wand hängen.
Da kommt es darauf an, wie die Sachen sind. Ich habe nichts dagegen, wenn auch die Sachen von Kindern aufgehängt werden. Bei Bildern ist es furchtbar schwer; eigentlich ist ein gewöhnliches Bild an die Wand zu hängen, ein Ungedanke. Was soll ein Bild an der Wand? Künstlerische Zeiten haben nie so gedacht, Bilder an die Wand zu hängen. Ein Bild muß dem Raum angepaßt sein. Das Abendmahl von Leonardo ist im Speisesaal des Klosters. In Kreisform saßen die Mönche, die vierte Wand wurde gemalt. Er aß mit, Er gehörte dazu. Das ist aus dem Raum und aus den Verhältnissen heraus gedacht. Solche Dinge rechtfertigen die Sachen. Einfach Bilder aufzuhängen, dann wird die Sache um so irriger.

Uw nichtje was bij mij en bracht mij haar eerste schildering. Ze zei dat ik er niet alleen naar moest kijken, ik moest hem thuis aan de muur hangen.
Het hangt ervan af hoe de dingen zijn. Ik heb er niets op tegen als er ook dingen van  kinderen worden opgehangen. Bij schilderijen is het vreselijk moeilijk
; eigenlijk is het ophangen van een gewone afbeelding aan de muur onzin. Wat moet een afbeelding aan de muur? Artistieke tijden hebben er nooit zo over gedacht, om beelden aan de muur te hangen. Een beeld moet aangepast zijn aan de ruimte.
Leonardo’s Laatste Avondmaal vindt plaats in de eetkamer van het klooster. De monniken zaten in een kring en de vierde muur werd geschilderd. Hij at mee, hij
maakte er deel van uit. Dit was vanuit de ruimte en vanuit de omstandigheden
gedacht. Dat soort dingen rechtvaardigen het. Het simpelweg ophangen van afbeeldingen maakt de zaken nog misleidender.

X.: Ich wollte Nachbildungen der Dornacher Glasfenster aufhängen.

X.: Ik wilde replica’s van de glasramen van Dornach ophangen.

Dr. Steiner: Man läßt es eine Zeitlang.

Laat het een tijdje hangen.

X. fragt, ob man Bilder von einem anthroposophischen Maler aufhängen solle.

X. vraagt ​​of er afbeeldingen van een antroposofische schilder moeten worden opgehangen.

Dr. Steiner: Es kommt darauf an, wie es gemacht wird. Es hat schon
eine Bedeutung, wenn die Kinder Bilder haben, die auf sie einen
bleibenden Eindruck machen.

Het hangt ervan af hoe het gedaan wordt. Het is wel van betekenis als de kinderen afbeeldingen hebben die op hen een blijvende indruk maken.
GA 300A/244-245
Er wordt op deze blog aan een vertaling gewerkt.

Over de kunstzinnige inrichting van een lokaal: alle artikelen

.
Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Algemene menskundealle artikelen 

Menskunde en pedagogie: alle artikelen 

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3340-3142

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Over de kunstzinnige inrichting van een klas [1-1]

.
Opmaat tot een paar artikelen over hoe kunstzinnig wordt de klas ingericht.
Nu eerst met het oog op de schilderijen die aan de muur hangen.
(Niet bedoeld is het werk van de kinderen)

Regelmatig lees ik bij Steiner in zijn voordrachten tekst waarbij ik denk: ‘Hij zei het toen, maar voor welke tijd geldt dit eigenlijk’.
En als je dan denkt: ‘Stel eens dat het op onze tijd nu, slaat, waar in de wereld, op welk gebied herken je dan die inhoud.

In GA 266, in een voordracht van 16 januari 1908, zegt hij o.a.: 

Blz. 299

Schaut Euch die riesenhaften Maschinen an, welche die menschliche Technik heute mit allem Scharfsinn konstruiert! In ihnen schafft sich der Mensch die Dämonen, die in Zukunft gegen ihn wüten werden. Alles, was der Mensch heute an technischen Apparaten und Maschinen sich erbaut, wird in Zukunft Leben gewinnen und sich dem Menschen in furchtbarer Weise feindlich entgegenstellen.

Kijk eens naar die enorme machines die de menselijke techniek met grote scherpzinnigheid construeert. Hiermee schept de mens de demonen die in de toekomst tegen hem tekeer zullen gaan. Alles wat de mens vandaag aan technische apparaten en machines bouwt, zal in de toekomst leven krijgen en op een vreselijke manier zich vijandig tegenover de mens plaatsen.

Lezen we hier iets bv. over de vernietigingswapens waarvan we vandaag de dag de enorme impact kunnen zien?
Is de ‘de machine die ‘leven’ krijgt, de pc van de (nabije) toekomst die met programma’s als AI ons leven drastisch gaat beïnvloeden, zoals er nu al wordt beweerd? 
Is het maken van nepnieuws, het manipuleren van je foto die in een situatie wordt getoond die je in diskrediet brengt, die ‘vreselijke manier van vijandigheid’, of wordt het allemaal nog erger?

Alles, was aus reinem Nützlichkeitsprinzip, aus Einzel- oder Gesamtegoismus heraus geschaffen wird, ist in Zukunft des Menschen Feind. Wir fragen heute viel zu viel nach dem Nutzen dessen, was wir tun. Wenn wir die Entwicklung wirklich fördern wollen, so dürfen wir nicht nach dem Nutzen fragen, sondern vielmehr danach, ob etwas schön und edel ist. Wir sollen nicht nur aus dem Nützlichkeitsprinzip heraus handeln, sondern aus reiner Freude am Schönen. 

Alles wat uit een puur nuttigheidsprincipe of het nu door het egoïsme van een enkeling of door dat van een groep wordt gehanteerd, is in de toekomst de vijand van de mens.
We vragen tegenwoordig veel te veel naar het nut van wat we doen.
Als we de ontwikkeling daadwerkelijk willen bevorderen, mogen we niet naar het nut vragen, maar veel meer naar of iets mooi en edel is. We moeten niet alleen maar handelen vanuit het nuttigheidsprincipe, maar vanuit een pure vreugde voor het mooie.

Ook daar vinden we voorbeelden van in onze tijd. Hoe anders zouden we met de dieren, in zonderheid bv. de koeien, varkens en kippen omgaan, wanneer ze niet alleen maar werden gehouden voor het nut van wat ze opbrengen.
Zien we – door het nuttigheidsdenken, met als gevolg milieuvervuiling en klimaatverandering – de natuur zich nu vijandig tegen ons keren?

Dan volgt er in de voordracht een bepaalde omslag die – verrassend – ook bij het klassenlokaal van de school uitkomt!

Alles, was der Mensch heute schafft, um sein künstlerisches Bedürfnis zu
befriedigen, aus reiner Liebe am Schönen, auch das wird sich in Zukunft beleben, und es wird zur Höherentwicklung des Menschen beitragen.

Alles wat de mens vandaag bewerkstelligt om zijn behoefte aan kunstzinnigheid te bevredigen, uit pure liefde voor de schoonheid, ook dat zal in de toekomst meer leven krijgen en dat zal bijdragen aan een hogere ontwikkeling van de mens.

En dan de overstap naar de school:

Aber furchtbar ist es, heute sehen zu müssen, wie viele Tausende von Menschen schon von der frühesten Kindheit an dazu angehalten werden, keine andere Tätigkeit zu kennen als die um des materiellen Nutzens willen, abgeschnitten zu
sein zeitlebens von allem Schönen und Künstlerischen.
In den ärmsten Volksschulen sollten die herrlichsten Kunstwerke hängen, das würde unendlichen Segen bringen in der menschlichen Entwicklung. Der Mensch baut sich selbst seine Zukunft.

Maar het is toch verschrikkelijk om te moeten zien hoe veel duizenden mensen al vanaf hun prilste kindertijd worden gestimuleerd om geen andere activiteit te ondernemen dan materieel voordeel te behalen, om het hele verdere leven afgesneden te worden van alles wat mooi en kunstzinnig is.
In de allerarmste basisscholen zouden de prachtigste kunstwerken moeten hangen, dat zou oneindig veel zegen brengen in de ontwikkeling van de mens.
De mens werkt zelf aan zijn eigen toekomst.
GA 266/299 
Niet vertaald 

Niet dat er nu nog ‘allerarmste’ scholen zijn. Maar hoe is het met de kunstzinnigheid van de inrichting in de klas gesteld?

Als de vrijeschool in Stuttgart in 1919 haar deuren opent, komen er veel kinderen van de fabrieksmedewerkers. We mogen ervan uitgaan dat in hun milieu ‘kunst’ niet de eerste levensbehoefte was. Nog afgezien van kunst in hun ruimere leefomgeving, zo pas na Wereldoorlog 1.

In mei/juni van dat jaar houdt Steiner drie voordrachten over ‘volkspedagogie’. [GA 192]
Daarin gaat het over kunst en een kunstzinnige omgeving.
Ook dan klinkt het dat het jammer is dat de leerlingen op school niet in lokalen zitten die kunstzinnig gedecoreerd zijn.
E A Karl Stockmeyer verwijst naar die passage in zijnAngaben Rudolf Steiners für den Waldorfschulunterricht (eerder getiteld: Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfschule) 
De voordracht is op deze blog vertaald. Zie bij <1> en <2>.

Het schoolgebouw is ook niet meteen ‘af’ en in de vergadering met de leerkrachten roert Steiner op 22 november 1920 voor het eerst aan dat de muren (van de bijgebouwen) zo kaal zijn en dat er kunstzinnige beelden moeten komen te hangen.

 

.

De kunstzinnige inrichting van een lokaal: alle artikelen


Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Algemene menskundealle artikelen 

Menskunde en pedagogie: alle artikelen 

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3339-3141

.

.

.