VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het leerplan van klas 2

.

Voor een goed begrip van het leerplan, de leerstof e.d. is het zeer aan te bevelen de artikelen: Rudolf Steiner over het leerplan en Rudolf Steiner over het kind, de leerkracht, ontwikkeling, lesstof en leerplan eerst te lezen.

In de pedagogische voordrachten GA 293 – 311 is relatief maar weinig meegedeeld over de leerstof op zich. Veelal wordt de leerstof besproken in samenhang met de ontwikkeling van het kind.
Uit deze voordrachten volgt hier wat er over de leerstof van de 2e klas kan worden gevonden.

LEERSTOF VAN KLAS 2
.

euritmie

Zie voor de context

Im zweiten Schuljahr würde man erst mit dem Ausbilden der Buch­staben beginnen, das man dann weiter fortsetzt im dritten Schuljahr; immer so, daß man immer wiederum an Musik und Geometrie und Zeichnerisches anknüpft.

In de tweede klas zou men pas moeten beginnen met de uitbeelding van de letters, wat een vervolg krijgt in de derde klas; steeds zo dat men voortdurend aansluit bij de muziek, de geometrie en het tekenen.
GA 295/176
Vertaald/161

Es ist ein eigentliches Turnen für die zwei ersten Klassen verfrüht, dagegen sollten systematische Spiele mit ihnen getrieben werden. Dieses systematische Spielen müssen wir, sobald wir Luft atmen können, doch einführen, so daß in der 3. Klasse der Übergang gemacht werden könnte vom Spielen zum eigentlichen Turnunter­richt. Bewegung müssen die Kinder haben, richtige Bewegung.

Voor de eerste twee klassen is gymnastiek te vroeg, daarentegen moeten er bestaande spelen met hen worden gedaan. Deze spelen moeten we, zo snel mogelijk invoeren, zodat we in de 3e klas de overgang kunnen maken van het spel naar het eigenijke gymnastiekonderwijs, De kinderen moeten beweging hebben, echte beweging.
GA 300B/219
Niet vertaald

Unter Spielen verstehe ich Bewegungs­spiele.

Onder spel versta ik bewegingspel.
GA300B/220
Niet vertaald

Zie voor alle uitspraken over euritmie in de pedagogische voordrachten: Rudolf Steiner over euritmie

handenarbeid/handwerken

Er zijn nauwelijks concrete aanwijzingen per klas, veeleer in het algemeen – hier nog niet oproepbaar. 
Er is echter in de loop van de jaren wel een leerplan voor deze vakken ontstaan.
Zie Hedwig Hauck

Haken van grotere voorwerpen. Het dubbele uur afsluiten met kunstzinnige andere werkjes.

heemkunde

Mit Bezug auf die Beschreibung, die denkende Beschreibung der Umgebung fahre man fort in dem, was man im ersten Schuljahr begon­nen hat.

Wat de beschrijving, de denkende beschrijving van de omgeving betreft, zet men in de tweede klas voort wat men in de eerste begonnen is.
GA 295/157
Vertaald/145

muziek

Im ersten, zweiten und dritten Schuljahr wird man es ja im wesent­lichen zu tun haben mit einfachen musikalischen Verhältnissen. Und diese einfachen musikalischen Verhältnisse sollen so benützt werden, daß der Gesichtspunkt der ist: an dem, was man pädagogisch zurich­tet im Musikalischen, Stimmbildung und Gehör des Menschen, des wer­denden Menschen, heranzubilden. Also der Gesichtspunkt ist, das Mu­sikalische so zuzurichten, daß es geeignet ist, den Menschen zum rich­tigen Bilden des Stimmlichen, des Tonlichen, und zum richtigen Hören aufzurufen.

In de eerste, tweede en derde klas zal men natuurlijk in wezen te maken hebben met eenvoudige muzikale gegevens. En deze eenvoudige muzikale gegevens moeten zo benut worden dat het gezichtspunt is: de vorming van de stem en het gehoor van de mens, van de opgroeiende mens, te stimuleren aan de hand van wat men pedagogisch in de muziek doet. Het gezichtspunt is dus, de muziek zo te benaderen dat ze geschikt is om de mens tot de juiste stemvorming en toonvorming en tot het juiste luisteren te brengen.
GA 295/175
Vertaald/159-160

niet-Nederlandse talen

Zoals in klas 1

rekenen

Dann führe man im zweiten Schuljahr für einen größeren Zahlenraum die Rechnungsarten weiter. Man versuche, einfache Aufgaben auch ohne Schriftliches, eben im Kopfe, mündlich mit dem Schüler zu erledigen. Man versuche, unbenannte Zahlen womöglich zuerst zu ent­wickeln an Dingen – ich habe Ihnen ja gesagt, wie Sie an Bohnen oder was auch, die unbenannten Zahlen entwickeln können. Aber man sollte doch auch das Rechnen im Zusammenhang mit benannten Zahlen nicht aus dem Auge verlieren.

Context 1e klas

In de tweede klas breidt men de rekenbewerkingen uit tot een groter getallengebied. Men probeert eenvoudige sommen ook te behandelen zonder ze op te schrijven, uit het hoofd, mondeling. Men probeert het rekenen met onbenoemde getallen zo mogelijk eerst te ontwikkelen aan dingen – ik heb u immers gezegd hoe u aan de hand van bonen of wat dan ook de onbenoemde getallen kunt onwikkelen.
Maar men moet toch ook het rekenen met benoemde getallen niet uit het oog te verliezen.
GA 295/168
Vertaald/154

Dr. Steiner: Das Dividieren müßte schon früh angefangen werden.

Met het delen zou al vroeg begonnen moeten worden.
GA 300a/112
Niet vertaald

schrijven

Und wenn dann das zweite Schuljahr angeht, da wird man versu­chen, das Vorerzählen, das Nacherzählenlassen fortzusetzen und weiter auszubilden. Das Kind kann allmählich im zweiten Schuljahr dazu übergeführt werden, daß es dasjenige aufschreibt, was man ihm erzählt. Und dann kann man es, nachdem es herangebildet ist an dem Aufschrei­ben dessen, was man ihm erzählt, auch veranlassen, das, was man ihm beigebracht hat über Tiere, Pflanzen, Wiese und Wald der Umgebung, in ganz kleinen Beschreibungen wiederzugeben.

Context 1e klas

En in het begin van de tweede klas zal men het vertellen en navertellen proberen voort te zetten en verder uit te breiden. Het kind kan er in de tweede klas geleidelijk toe gebracht worden om op te schrijven wat men vertelt. En als het kind dan veel geoefend heeft om het vertelde op te schrijven, dan kan men ook vragen om in heel korte beschrijvingen weer te geven wat men het heeft geleerd over dieren, planten, weide en bos van de omgeving. Zie Rudolf Steiner over vertellen
GA 295/156
Vertaald/145

Zie voor alle uitspraken over schrijven en lezen in de pedagogische voordrachten: Rudolf Steiner over schrijven en lezen

taal

Nun wäre es wichtig, daß man im ersten Schuljahr nicht viel tippt an Grammatik und so weiter. Aber im zweiten Schuljahr sollte man schon dem Kinde Begriffe beibringen von dem, was ein Hauptwort ist, was ein Eigenschaftswort ist und was ein Tätigkeitswort oder Zeitwort ist. Und es sollte daran angeknüpft werden in einfacher, anschaulicher Weise die Besprechung des Baues von Sätzen.

Verder is het belangrijk dat men in de eerste klas de grammatica en dergelijke nauwelijks aanroert. Maar in de tweede klas moet men het kind wel leren wat een zelfstandig naamwoord is, een bijvoeglijk naamwoord en een werkwoord. En op eenvoudige, aanschouwelijke wijze moet daaraan de bespreking van de zinsbouw worden vastgeknoopt.
GA 295/155
Vertaald/144

Mit dem Rechtschreiben sollte man, wenn es einigen Kindern schwer wird, duldsam sein.

Met het foutloos schrijven moet je, wanneer een paar kinderen het daar moeilijk mee hebben, geduldig zijn.
GA 300a/112
Niet vertaald

vertellen

Zie schrijven

Dann würden Sie sich für die folgende Zeit damit beschäftigen müssen, Geschichten aus der Tierwelt in Verbindung mit der Fabel vorzubringen.

2.Geschichten aus der Tierwelt in Verbindung mit der Fabel

Voor de tijd daarna (1e schooljaren) zou u zich op het vertellen van dierenverhalen in samenhang met fabels moeten voorbereiden.

2. dierenverhalen in samenhang met de fabel
GA 295/19
Vertaald/19-20

*De aanwijzing dat er in deze klas ook heiligenlegenden zouden moeten worden verteld, ontbreekt hier.

Zie voor alle uitspraken over vertellen in de pedagogische voordrachten: Rudolf Steiner over vertellen

vormtekenen

Zie klas 1

Over de symmetrie-oefeningen voor ‘achtjarigen’ zie GA 311/72, vertaald op deze blog.

2e klasalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Het leerplan: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 2e klas

.


1927-1811

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over euritmie (GA 295)

.

RUDOLF STEINER OVER EURITMIE

GA 295

beknopte inhoud:

Vert. blz. 161 Leerplanaanwijzingen voor de klassen 1 t/m 8, in samenhang met gezichtspunten over gymnastiek.

Nun kommt uns im offiziellen Lehrplan eines zugute: da ist in den ersten drei Schuljahren überhaupt kein Turnen. Da beginnen wir also mit der Eurythmie. Und da wäre es schon sehr schön, wenn im ersten Schuljahre namentlich Eurythmie im Einklang mit dem Musikalischen getrieben würde, so daß tatsächlich die Anpassung an Geometrie und Musik in der Eurythmie besonders gepflegt wird.
Im zweiten Schuljahr würde man erst mit dem Ausbilden der Buch­staben beginnen, das man dann weiter fortsetzt im dritten Schuljahr; immer so, daß man immer wiederum an Musik und Geometrie und Zeichnerisches anknüpft.
Und dann im vierten, fünften und sechsten Schuljahr kommen hinzu die Formen, also für Konkretes, Abstraktes und so weiter, wobei solche Dinge für die Kinder ja möglich werden, weil sie in der Grammatik ja mittlerweile so weit vorwärtsgekommen sind.
Dann setzen wir das fort im siebenten und achten Schuljahr für kompliziertere Formen.
Vom vierten Schuljahr ab teilen wir die eurythmische Kunst mit dem Turnen, und zwar so, daß wir im vierten, fünften und sechsten Schul­jahr «Gliederbewegen» im Turnen haben, dann alles das, was mit Lau­fen, Springen, Klettern zusammenhängt, und nur einfache Geräteübun­gen.
Kompliziertere Geräteübungen sind erst im siebenten und achten Schuljahr zu machen, in dem die freien Übungen auch fortgesetzt wer­den. Aber die freien Übungen sollen alle mit Laufen, Klettern, Sprin­gen zusammenhängen.

Wenn Sie das alles durchdenken, was Sie selber sich haben überlegen können, werden Sie das alles im Einklang finden mit dem, was jetzt auf diese Weise zu schildern versucht worden ist.

Nu komt het officiële leerplan ons in één opzicht tegemoet: in de eerste drie jaar is er helemaal geen gymnastiek. Dan beginnen wij dus met euritmie. En het zou dan heel mooi zijn wanneer in de eerste klas vooral euritmie in harmonie met de muziek gegeven wordt, zodat er in de euritmie werkelijk een aanpassing tot stand komt aan geometrie en muziek.
In de tweede klas zou men pas moeten beginnen met de uitbeelding van de letters, wat een vervolg krijgt in de derde klas; steeds zo dat men voortdurend aansluit bij de muziek, de geometrie en het tekenen.
En dan komen er in de vierde, vijfde en zesde klas de vormen bij voor concrete en abstracte dingen enzovoort, waarbij dat voor de kinderen ook mogelijk wordt, omdat ze in de grammatica inmiddels zo ver zijn gekomen.
In de zevende en achtste klas wordt dat dan voortgezet met gecompliceerdere vormen.
Vanaf de vierde klas moeten euritmie en gymnastiek de uren delen. In de vierde, vijfde en zesde klas werken we in de gymnastiek vooral met bewegingen van de ledematen en verder met alles wat verband houdt met rennen, springen en klimmen, en doen we alleen eenvoudige oefeningen aan toestellen.
Ingewikkelde oefeningen aan toestellen doet men pas in de zevende en achtste klas, waarbij ook de vrije oefeningen worden voortgezet. Maar de vrije oefeningen moeten allemaal samenhangen met rennen, klimmen en springen.

Wanneer u over de gedachten die u zelf heeft kunnen ontwikkelen doordenkt, zult u zien dat alles in overeenstemming is met wat ik nu op deze wijze heb proberen te schetsen.
GA 295/176-177
Vertaald/161
.
Rudolf Steiner: over euritmie

euritmieblog

Opspattend grind

Rudolf Steineralle artikelen

.

1926-1810

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 4 (4-3-2)

.

Enkele gedachten bij blz. 69 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

In deze 4e voordracht gaat het over ‘manifestaties’ van de wil. ‘Wil’ opgevat als wat vanuit ‘een binnenwereld buitenwereld kan worden’.
In dit artikel werd geconstateerd dat in de vier natuurrijken alleen de dieren en de mens ‘wil’ in zich dragen.
Het zichtbaar worden van de wil, gebonden aan het fysieke lichaam, noemt Steiner instinct. Gedrag in het verlengde van zijn lichaamsbouw.

Als we de wil als kwaliteit beschouwen hoort deze als instinct bij het fysieke lichaam.

Julius: ‘Het instinct is verbonden met bouw en structuur van het lichaam.

DRIFT

We moesten ook vaststellen dat het taalgebruik van het woord instinct zich niet beperkt tot puur iets lichamelijks. Dat geldt ook voor de tweede kwaliteit van de wil, die Steiner ‘drift’ noemt.

Van Dale omschrijft ‘drift’ uitvoerig:

1. inwendige werking die iem. tot niet vooraf overwogen of onbeheerste handelingen brengt, hartstocht, aandrift: de driften van het bloed;-(psych.) drang, onbewuste neiging waarin de wil om te leven zich uit, vooral die om zich te voeden en de geslachtsdrift: de drift tot zelfbehoud;-(in alg. zin) heftige neiging of begeerte: een edele drift tot weldoen;-vuur, geestdrift;-
2. haast die uit een sterke begeerte of drang voortkomt; –
3. sterke en plotselinge toornachtige opwelling, of heftige uiting van ongeduld: in drift geraken; een opkomende drift onderdrukken; rood van drift; in drift gesproken woorden;-ook: neiging tot een derg. gemoedsgesteldheid;-
4. het drijven op een vloeistof, meest in de verb. op drift; het ijs is op drift geraakt; een schip op drift; de deklast ging op drift, spoelde weg;-vand.: aantal planken enz. dat tegelijk aanspoelt;-
5. stroming in vloeistoffen of in de lucht: er is veel drift, de wolken jagen, drijven snel; vand.: wolken die langs het uitspansel jagen;-wolk van sneeuwvlokken, sneeuwvlaag: waar de sneeuw zacht ritselend in dichte drift neerdaalde (v. Schendel);-
6. afwijking van de koers (van een schip) door de werking van de wind op romp en tuig;-
7. (luchtv.) weerstandskracht der lucht(stroming), een der componenten van de kracht die nodig is om een vliegtuig op te houden in de lucht;-
8. beweging, stroming van het zeeijs en van het smeltwater van diluviale gletsjers;-
9. (elektr.) het verlopen van instellingen van een versterker met de tijd; —
10. kudde, troep, m.n. van vee dat voortgedreven of geweid wordt: een drift ossen;-troep lopende honden, meute; —
11. recht om vee over een stuk grond te drijven of om watervogels te houden in bep. wateren (vgl. zwanendrift); –
12. steeg; weg waarlangs men vee drijft of mag drijven: van de drift, die de helling van de heide opging, zagen zij het ezelwagentje komen (v. Schendel); (vgl. Dreef 1.)-
13. terrein dat wordt afgedreven (bij een drijfjacht);-
14. (timm.) toestel voor het aandrijven van de naden van schotwerk.

Overduidelijk is dat het overal gaat om ‘beweging’ van ‘het een naar het ander’. Dus om ‘wil’. En nergens vinden we dat het om iets ‘bewust’ gaat: ‘vooraf niet overwogen – onbewuste neiging waarin de wil om te leven zich uit, vooral die om zich te voeden en de geslachtsdrift: de drift tot zelfbehoud.’

In zijn boek ‘De twaalf driften‘ merkt Frits Julius op:

‘Een van de grootste moeilijkheden van de huidige dierpsychologie ligt in het feit, dat men de(ze) lagen van de wil niet goed weet te onderscheiden. Men kan zonder dit te doen echter nooit een zuivere systematiek van de wilsuitingen ontwikkelen.

In verband met de buitengewone veelvormigheid van het dierenrijk zijn de instincten uitermate gedifferentieerd. Elke instincthandeling apart is veelal scherp omschreven en lokt daardoor tot studie en heldere analyse, maar men komt, wanneer men op de veelheid van de instincthandelingen ingaat, in een zee van onoverzichtelijke bijzonderheden terecht.

Wij nemen dus de driften als uitgangspunt, die veel overzichtelijker en veel gelijkvormiger over het gehele dierenrijk heen zijn. Bijna alle dieren hebben b.v. de behoefte om te eten. Aan deze behoefte ligt een drift ten grondslag. De instincten daarentegen regelen de aard van het voedsel en de wijze, waarop het opgenomen wordt. Zij doen dit bij iedere diersoort verschillend. Dit staat natuurlijk in verband met de bouw van de bek, de tanden, de darmen, enz. Een zoetwaterpoliep, een koe, een zwaluw, stoppen zichzelf telkens vol met deeltjes. Op dit punt lijken zij op elkaar. Dat er ook verschillen zijn merkt men pas goed, wanneer men een koe in de gedachten muggen laat vangen of een zwaluw gras laat eten. Op deze wijze kunnen wij ons oefenen driften en instincten zo scherp mogelijk te onderscheiden.’

Julius: ‘Het instinct is verbonden met bouw en structuur van het lichaam.

D.w.z. in het instinct zien we een ‘hoe’.
Aan dit ‘hoe’ ligt een ‘waarom’ ten grondslag. En het antwoord op dit waarom heeft alles te maken met ‘leven’. 

Wanneer Steiner over ‘leven’ spreekt, zal hij niet nalaten telkens te benadrukken dat ‘leven’ geen gevolg is van ‘materie’; dat ‘leven’ a.h.w. ‘vooraf’ gaat aan de materie; dat de fysieke stof niet het leven voortbrengt, maar dat het fysieke (lichaam) pas kan functioneren wanneer het doortrokken is van leven en dat dit zonder het leven in zijn ware aard terechtkomt: die van de ontbinding, de ontbonden stoffen. 
Zie voor een uitgebreidere karakteristiek: [1-7-2/1]  en  [1-7-2/2]

Bij de beschouwingen over de wil gaat Steiner in deze voordracht bij de driften dan ook uit van het etherlijf: 

blz. 68/69            vert. 68/69

Nun lebt in unserem physischen Leibe, diesen ganz durchgestaltend, durchdringend, der Atherleib. Er ist für die äußeren Sinne übersinnlich, unsichtbar. Aber wenn wir auf die Willensnatur schauen, dann ist es so, daß ebenso wie der Ätherleib den physischen Leib durchdringt, so ergreift er auch das, was sich im physischen Leibe als Instinkt äußert. Dann wird der Instinkt zum Trieb. Im physischen Leib ist der Wille Instinkt; sobald der Ätherleib sich des Instinktes bemächtigt, wird der wilie lrieb. Es ist dann sehr interessant, zu verfolgen, wie in der Beobachtung der Instinkt, den man in der äußeren Form mehr konkret erfassen kann, sich verinnerlicht und sich auch mehr vereinheitlicht, indem man ihn als Trieb betrachtet. Von Instinkt wird man immer so sprechen, daß er, wenn er sich im Tiere oder in seiner Abschwächung im Menschen vorfindet, dem Wesen von außen aufgedrängt ist; beim Trieb ist schon daran zu denken, daß das, was sich in einer mehr verinnerlichten Form äußert, auch mehr von innen kommt, weil der über- sinnliche Ätherleib sich des lnstinktes bemächtigt und dadurch der Instinkt zum Trieb wird.

Nu leeft in ons fysieke lichaam het etherlichaam, dat het fysieke lichaam geheel doordringt en vormt. Het is voor de gewone zintuigen bovenzinnelijk, onzichtbaar. Maar wanneer we naar de aard van de wil kijken, dan is het zo dat het  etherlichaam, op dezelfde wijze waarop het het fysieke lichaam doordringt, ook opneemt wat zich als instinct in het fysieke lichaam uit. Dan wordt het instinct drift.° In het fysieke lichaam is de wil instinct; zodra het etherhchaam zich het instinct eigen maakt, wordt de wil drift. Het is zeer interessant om dan te volgen hoe het instinct – dat men in de uiterlijke vorm concreter kan zien – wordt verinnerlijkt en meer een eenheid wordt als drift. Het instinct kan men altijd als volgt omschrijven: het is aan het wezen, aan het dier of in mindere mate aan de mens, van buitenaf opgedrongen. Bij de drift moet men al bedenken dat wat zich in een meer verinnerlijkte vorm uit, ook meer van binnen komt – omdat namelijk het bovenzinnelijke etherlichaam zich van het instinct meester maakt, waardoor dit instinct tot drift wordt.

°drift: het woord slaat op het driftleven, niet op driftigheid. De Duitse term is ‘Trieb’.

blz. 69     vert. blz. 69

Beim Trieb sprechen Sie so, daß er doch, ich möchte sagen, von der Geburt bis zum späten Alter sich einheitlich äußert;

Van de drift zult u zeggen dat deze zich, laten we zeggen, van de geboorte tot op hoge leeftijd toch op steeds dezelfde wijze manifesteert; 

Julius: De driften vloeien vooral voort uit de levenstoestanden en de levensprocessen van het organisme.

Zoals het etherlijf het fysieke lichaam vormgeeft, zo ook dus de drift het instinct.

Julius blz. 30: Drift: doffe, ongericht drang – vaag onbewust
Instinct: het vormgeven aan de drift – geheel onbewust

Hij onderscheidt in zijn studie o.a.: de eet- of voederdrift, de vechtdrift, de voortplantingsdrift, de drift tot broedverzorging, de jachtdrift, een totaal van twaalf die hij ook in verband brengt met de tekens van de dierenriem.

.

Campagne over drift
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 4 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1925-1809

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over vertellen (GA 309)

.

Het vak vertellen neemt op de vrijeschool een belangrijke plaats in.
Rudolf Steiner sprak er herhaaldelijk over in zijn pedagogische voordrachten GA 293 t/m 311

De belangrijkste opmerkingen vind je hier uit:

Rudolf Steiner over vertellen

vertellen met een boek in de hand

RUDOLF STEINER OVER VERTELLEN

GA 309/101                op deze blog vertaald/101.

Frage: Wie verhalten sich die Lehrer der Waldorfschule, wenn das Kind die Frage stellt: Ist das eine wahre Geschichte?

Solche Dinge werden vorkommen; aber in der Mehrzahl der Fälle wird man das Richtige dadurch machen, daß man sich frägt: Habe ich 309/102 denn nun auch so erzählt, daß das Kind gefühlt hat, ich glaube an die Wahrheit der Legende selber? – Da wirken wirklich Imponderabilien.Wenn man das Märchen erzählt mit der Gesinnung: Ich bin furchtbar gescheit; ein gescheiter Mensch glaubt nicht an die Märchen; das Kind ist furchtbar dumm, daher kann ich ihm Märchen erzählen – man braucht sich das nicht immer ausdrücklich vorzusagen, aber indem man das eigentlich im Gefühl hat, wird man gar nicht auf das Kind wirken. Wenn man aber den Bildinhalt des Märchens selber als eine Wahrheit fühlt – und das kann man -, dann wird man schon so erzäh­len, daß man gerade durch dieses Wahrheitsgefühl in der Erzählung auch solche Dinge besiegen kann.

Dat komt wel voor; maar in het merendeel van de gevallen doe je er goed aan je af te vragen: heb ik dan dan ook zo verteld, dat het kind gevoeld heeft dat ik zelf de waarheid van de legende geloof? – Daar hebben we echt te maken met de onweegbare zaken.
Wanneer je een sprookje vertelt met de stemming: ik ben echt knap; een knapperd gelooft niet in sprookjes; een kind is vreselijk dom, dus die kun je wel sprookjes vertellen – je hoeft dat niet steeds nadrukkelijk uit te spreken, maar wanneer je dat eigenlijk voelt, maak je geen indruk op een kind. Wanneer je echter de beeldinhoud van het sprookje zelf als waarheid beleeft – en dat kan – dan zal je ook zo vertellen dat je juist door dit waarheidsgevoel met het vertellen zulke dingen overwint.
GA 309/101
Op deze blog vertaald/101

Rudolf Steiner over vertellenalle artikelen

Vertellenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

1924-1808

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (16-4)

.
Joyce Honing en Petra Weeda, Weleda Puur Kind, herfst 2002, nr.10
.

Kinderen die te open of te gesloten zijn

Bij ‘moeilijke’ kinderen tref je meestal gedrag aan dan zich kenmerkt door grote uitersten. Dat extreme gedrag valt niet te verbieden, want het kind kan niet anders. Wat je wel kunt doen, wordt zichtbaar aan twee gevallen uit de praktijk van kindertherapeute Joyce Honing.

Annabel is zeven en zit in groep drie. De juf is niet erg tevreden over haar. In de klas is ze een bron van onrust, die nooit stil zit en geen enkel taakje zelfstandig kan uitvoeren. Ze is overal en nergens tegelijk en heeft voortdurend ruzie met de andere kinderen. Ook thuis wordt iedereen gespannen van haar. Haar ouders zijn bang dat er echt iets mis is met hun dochter. Ze overwegen haar te laten testen, maar vragen eerst mijn oordeel over Annabel.
Ik zie een meisje met een guitig gezicht, rossige krullen, sproeten en wakkere, ondeugende, maar onrustige ogen. Haar handen frummelen alsmaar aan de rand van haar vest, via de knopen naar boven en weer terug. Haar bril duwt ze telkens terug op haar neus. Ondanks de stevige stappers die ze draagt, danst ze van de ene voet op de andere. Ze vinden geen rustplek op de grond. Haar bovenlijf zwenkt mee in het zoeken naar een evenwicht dat ze niet vindt. Haar blik blijft nergens rusten maar fladdert nerveus rond zonder te zien. Annabel is zo beweeglijk, vertelt haar moeder, dat ze zich vaak stoot en dingen omgooit. Niet uit onverschilligheid, maar omdat ze haar bewegingen geen richting kan geven. Ze huilt snel en veel, niet zozeer uit verdriet maar door de opgebouwde spanning in haar lijf. 

Duizend stukjes

Het beeld dat ik van Annabel krijg is dat van een zeer gevoelig kind dat door haar eigen gebaren voortdurend in duizend stukjes uiteen valt. Je zou wensen dat ze die stukjes van binnenuit – als met een soort innerlijke magneet – weer bij elkaar kon trekken om zichzelf weer heel te voelen. Maar dat krijgt Annabel niet voor elkaar. Ze moet zich al geweldig inspannen om zich voor één moment samen te rapen en te concentreren. Bij het geringste geluid uit de omgeving vliegt ze weer weg. Ze kijkt me dan aan met grote, angstige ogen, haar handen beginnen te dansen en ze gaat huilen. Want ze weet dat mamma of de juf boos worden als ze zo fladdert. Maar ze kan niet anders. Ze ontspant wat als ik zeg dat ik het niet erg vind dat ze snel is afgeleid.

Waarnemingsspelletjes

Annabels fladderende handen en hoge ademhaling zijn een duidelijk signaal dat ze slecht in haar lijf zit en zeer versnipperd is. Zo kan ze ook geen leerstof opnemen en weer reproduceren in taken en opdrachten.

Om letterlijk te oefenen hoe je van uiteengevallen delen een geheel maakt, knip ik een getekende appel in drie stukken. Het kost haar veel moeite de appel heel te maken. Maar als het lukt slaakt ze een zucht van verlichting. Vele weken lang maken we de appel heel, terwijl hij in steeds meer stukken wordt geknipt, en iedere keer toont ze dan grote opluchting. Annabel kan niet lang hetzelfde doen. Bij haar zap ik als het ware van het ene naar het andere spel. Vooral waarnemingsspelletjes, want daarvoor is het nodig je aandacht op zijn minst even te bundelen. We beginnen met haar voeten die ik een springtouw op de grond laat aftasten – met de ogen dicht. Ze raakt totaal de weg kwijt door het kronkelen van het touw en het kost haar moeite erachter te komen wat het is dat haar voeten voelen.

Hetzelfde doen we met drie knikkers van verschillende grootte op een dienblad. Zij moet zonder te kijken met haar tenen de kleinste, de grootste of de middelste knikker eruit vissen.

We doen ook het bekende waarnemingsspel waarbij je een aantal voorwerpen op tafel legt waar het kind enige ogenblikken naar kijkt, zijn ogen dichtdoet en daarna moet zeggen welk voorwerp jij intussen hebt weggenomen. Bij Annabel begon ik met drie voorwerpen die duidelijk van elkaar verschilden. Toen dat goed ging kwam er een vierde voorwerp bij en maakte ik het ook iets moeilijker door na het wegnemen van het voorwerp een doek over de overgebleven voorwerpen te leggen. Door de doek heen moest Annabel voelen wat er miste. Belangrijk waren ook de spelletjes waarbij ze haar eigen plaats in de ruimte kon leren ervaren. Op vragen als: waar is de hemel, waar is het gras, waar het raam en waar de deur, antwoordde zij dan met een gebaar naar boven, beneden, voor of achter haar. Helemaal op het eind van de therapie deden we ook verwarringsspelletjes. Dan vroeg ik waar de hemel was en wees ik tegelijkertijd op de vloer. Het was een enorme uitdaging voor Annabel om dan niet automatisch mijn gebaar mee te maken, maar zonder iets te zeggen de juiste kant op te wijzen. Dat kun je alleen maar als je jezelf heel goed bij elkaar hebt gepakt.

Een huis bouwen

Het allerleukste spel vond Annabel het bouwen van een huis op een rots in de zee. Op de rots – een stuk papier op de vloer – moest ze krachtig haar voeten neerplanten: dat zijn de fundamenten van het huis. Dan de knieën en de benen erboven voelen als stevige muren, en zo verder naar boven tot ten slotte het hoofd er fier als dak op zit. En dan steekt de wind op.
Ik dwarrel en waai om de rots heen.

Omdat kinderen zoals Annabel fysieke aanraking vaak slecht verdragen, vraagt de wind haar waar hij haar mag duwen. ‘Niet op de dakpannen,’ zegt ze. Waar dan wel, vraagt de wind. ‘Op de muren.’ Ik waai om haar heen en duw zacht tegen haar rug. In het begin ligt het huis snel in het water, waar we beiden om lachen. Maar steeds vaker gaan haar handen niet fladderen en weet ze haar stevig opgebouwde huis rechtop te houden temidden van de gierende wind. Als wind krijg ik goed de kans om te voelen hoe ze in haar lijf zit. Als ik weerstand voel, dan is het goed.

Bijna een jaar lang doen we iedere week dit spel en steeds beter kan Annabel haar lijf vanuit de voeten naar boven toe stevig opbouwen. Op school helpt het haar als ze bij het rekenen ook haar voeten stevig op de grond zet en goed haar knieën voelt.

Dit zijn spelletjes die ieder kind leuk vindt om ook thuis te spelen, maar ze zijn voor kinderen als Annabel, die een onrustig, ongeconcentreerd ADHD-beeld vertonen, vooral ook heilzaam. Let erop dat het huis werkelijk stevig van onderop wordt opgebouwd, anders waait het te snel om. Bij de waarnemingsspelletjes zul je merken dat je kind zo nu en dan toch stiekem door de ogen gluurt. Maak daar een grapje over, want het moet spel blijven en geen loodzware ernst worden. Kinderen als Annabel hebben weinig binding met wat achter hen ligt. Ze neigen letterlijk naar voren. Je helpt hen wanneer je, bijvoorbeeld ’s avonds voor het slapen, in verhaaltjes aanknoopt bij het verleden.

Extreem teruggetrokken

Een totaal tegengesteld beeld toont Roeland van vijf. Hij is niet echt mager maar maakt toch een schriele indruk. Zijn kleren draagt hij niet; ze ‘hangen om hem heen’. Zijn gezicht is bleek, zijn haar kleurloos. Hij spreekt nauwelijks. Thuis hebben zijn ouders eigenlijk weinig problemen met dit extreem teruggetrokken jongetje, maar op school is hij al een jaar lang ongelukkig en eenzaam. Hij speelt nooit mee, maar staat als versteend tussen de spelende kinderen in en reageert niet als ze hem vragen mee te doen. Bij het in de kring zitten, moet juf hem bij de hand nemen en hem op zijn stoel zetten. Uit zichzelf doet hij geen stap naar voren. De kinderen in de klas vinden hem niet leuk en hij wordt steeds meer het mikpunt van plagerijen.

Mijn eerste indruk van Roeland is dat hij zich er te veel van bewust is hoe groot de ruimte om hem heen is. Daardoor krimpt hij zelf een beetje in elkaar. Als hij spreekt, is het binnensmonds en nauwelijks verstaanbaar. Zijn houding is stram, de schouders naar voren, de armen gestrekt naar beneden met de handpalmen half open naar achteren gericht, alsof hij daar iets probeert te pakken. In tegenstelling tot Annabel, die de neiging heeft naar voren te vallen, is Roelands houding naar achteren gericht.

Boer en boerin

Ik vraag zijn juf of ik in de klas een spel mag doen waar ook Roelands iets oudere zus bij is. Van doeken heb ik een huis gemaakt dat helemaal dicht is op een klein raam na dat naar believen open of dicht kan worden gedaan. Er omheen staan hekken van banken. Ik vraag Roeland en zijn zus of ze een boer en boerin willen zijn die in het huis wonen. Dat willen ze. Het eerste wat Roeland doet is het sluiten van het raam. Ik vraag wat voor dieren de boer wil hebben. ‘Een schaap’, klinkt het vanuit het huis. Een kind uit de klas wil wel schaap zijn. De volgende keer stel ik voor dat de boer ook een paard en een koe zoekt. Het raam wordt even open gewipt en Roeland wijst aan wie paard of koe mag spelen. Vervolgens trekken boer en boerin zich weer in het huis terug en doen niets. De kinderen vervelen zich en beginnen al snel aan een ander spel.

Na een keer of vier verandert dat. Ik geef de kinderen boodschappenmandjes en vraag hen eieren, melk of wol te kopen bij de boer. Alle kinderen komen aan de beurt, kopen iets bij de voordeur en gaan weer weg. Dan is de tijd rijp voor de laatste stap in het spel. Samen met Roeland en zijn zus bak ik pannenkoeken en alle kinderen mogen op bezoek komen om een pannenkoek te eten. Roeland vindt het leuk en de kinderen ook. Plotseling wordt het samenspel. Vanaf die tijd is het ijs gebroken. Hij is nog steeds geen kind voor wilde spelletjes, maar wordt geaccepteerd en staat niet meer helemaal buiten het sociale proces in de klas. Iets doen voor de anderen werd zijn rol in de klas.

Het veilige huis verlaten

Bij de hand genomen worden om iets te doen voor een ander, is precies wat het extreem teruggetrokken kind nodig heeft. Uit zichzelf kan hij zich niet los maken van zijn eigen binnenwereld die vaak rijk is aan voorstellingen en beelden. Probeer hem ertoe te verlokken zijn veilige huis te verlaten en naar buiten te treden om iets van zijn innerlijke rijkdom met anderen te delen. Behalve door het soort spelletjes als ik met Roeland deed, lukt dit vaak ook goed door samen met hem een tekening te maken of een klein verhaal te schrijven en dat aan een ander cadeau te doen. Zowel in het geval van Annabel als in dat van Roeland gaat het erom het kind zo te begeleiden dat het de extreme uitersten in zijn gedrag leert overwinnen zonder zijn eigenheid aan te tasten.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

1923-1807

.

VRIJESCHOOL – Hemelvaart (29)

.

JAARFEESTEN – HEMELVAART

Loïs Eijgenraam, Vrije Opvoedkunst, lente 2017

.

Donderdag 30 mei* is het Hemelvaart.

40 dagen na Pasen en 10 dagen voor Pinksteren. Mei. Waar de naam ‘mei’ vandaan komt is niet eenduidig te verklaren. Volgens sommige etymologen is ‘mei’ afgeleid van het Latijnse woord ‘Majus’ en ‘Magnus’ dat ‘groot’ betekent. De maand mei zou dan verwijzen naar de periode in het jaar waarin de natuur groot en groots wordt.
Ook zou de naam ‘mei’ afgeleid kunnen zijn van Maia, de moeder van de Romeinse god Mercurius. In een Vlaams gedicht wordt dit beschreven:

Mijnen naem gaf ’t heydens volk,
Naer Maia de godin van allerlei gewas.

De Romeinen vierden in het voorjaar verschillende feesten. Aan het begin van de meimaand vierden zij het bloesemfeest, Floralia. Andere namen voor de meimaand zijn; vrouwenmaand, Mariamaand, bloeimaand, bloemenmaand (in het Fries Blommenmoanne) en wonnemaand. Wonnen betekent in het oud-Germaans ‘vreugde’.
Door de kerstening kreeg de maand Mei haar naam ter ere van de Germaanse Godin, Freya. Zo zou een heidense viering uit de Germaanse tijd overgegaan zijn tot een christelijke viering.

In het zuiden van Nederland en België werden op vele plaatsen kleine kapellen en kapelletjes aangebracht langs wegen, oude boerderijen, bij huizen en oude, grote bomen. In de meimaand werden deze kapelletjes mooi versierd met bloemen en werden processie-optochten gehouden. Tijdens de processie werd bij ieder kapelletje dat men tegen kwam, stil gestaan, bloemen neergelegd, gebeden en gezongen.

Waar men ga langs Vlaamse wegen,
Oude hoeven, huis of stronk,

Komt men u, Maria tegen,
Staat uw beeltenis te pronk

Walpurgisnacht

De eerste meinacht is een wonderlijke nacht. De Germanen vierden van 30 april op 1 mei de heksensabbat. Men geloofde dat katten en heksen op bezemstelen en mestvorken door de lucht vlogen. Het was, volgens een oud bijgeloof, een nacht waarin de hemel luikjes open deed en een stukje van de niet zichtbare wereld even zichtbaar werd. In berkenbomen zijn soms ‘heksenbezems’ (vorm van woekeringen) zichtbaar. Volgens een oud bijgeloof zijn deze vergroeiingen in berkenbomen de plaatsen waar de rondvliegende heks met haar bezem in een boom terecht is gekomen. Deze vergroeiingen worden daarom ook wel ‘heksenbezems’ genoemd.

Twijgjes die de toekomst voorspellen…

In Luik was het een oud gebruik dat meisjes in de Walpurgisnacht drie twijgen van gelijke grootte plantten. Elke twijgje werd omwonden met een kleur draad: het zwarte draadje betekende dat ze niet zou trouwen, het rode draadje dat zij zou trouwen met de jongen naar haar keuze en het groene draadje dat er hoop was op een geliefde. De twijg die het hoogst groeide werd beschouwd als een voorteken hoe de toekomst mogelijk er uit zou komen te zien.

Vuur

Bij verschillende jaarfeesten door het jaar heen, worden vuren aangestoken. Paasvuren zijn algemeen bekend gebleven in Europa. De traditie vuren te stoken, zou zijn oorsprong hebben in de Germaanse tijd. Ook aan het begin van het voorjaar kenden de Germanen de traditie vuren te stoken. Op de eerste mei-avond organiseerden de Germanen vreugdefeesten met grote vuren. Offers van fris lentegroen werden ter ere van Wodan ontstoken. Volgens de Germanen was Wodan op de eerste dag van de meimaand teruggekeerd van zijn huwelijksreis.
Er werd gedanst, gezongen en feestgevierd.
Op Texel is het nog steeds een gewoonte op 30 april een lentevuur te ontsteken, de ‘meierblis’. Wekenlang verzamelen kinderen brandbaar materiaal. Op 30 april wordt het vuur op 70 plaatsen op Texel aangestoken. Kinderen krijgen aardappels aan ijzerdraad geregen om deze bij het vuur te poffen. Gezichten worden met roet geschminkt. De meierblis – blis is op Texel het woord voor vuur – is een vreugdevuur waarmee de komst van het licht en de lente worden gevierd.

Meibruid

Bij de Germanen werd de Mei ook gevierd door jonge meisjes als ware lente-bloemen-bruiden te versieren. Deze meisjes werden de Meibruid, Meilief of Meikoningin genoemd. In deze gebruiken zien wij ook beelden, gebruiken en tradities terug zoals deze met Pinksteren op veel vrijescholen worden gevierd: de meibruid, pinksterbruid en bruidegom.

Meiboom

In verschillende streken in België en Nederland was het eeuwenlang traditie dat jongens hun meibruid kozen. ’ Deze jongens of jonge mannen werden ‘de meigraaf’ genoemd. Een van de taken van de meigraaf was een meiboom te planten. De meigraaf deed dit samen met andere leden die deel uitmaakten van zijn mei-graven-gilde. We zouden ook kunnen zeggen van zijn mei-graven-vereniging. Bij het planten van de meiboom werden liederen gezongen en werd er gedanst. Tijdens dit dans- en zangfeest koos de meigraaf een meisje uit, dat hij een loverkrans omhing als teken van liefde. Een oud liedje herinnert daar nog aan:

Ik heb een meitak in mijn hand Aan wie zal ik hem geven
Aan wie het dichtste bij mij staat zal ik die meitak geven
Dan schone vrouw, geef mij die hand van jou
De meitak is voor jou, dag meivrouw.

Een kringspel dat nu nog steeds in veel kleuterklassen wordt gespeeld.

De meiboom is in de Germaanse lentefeesten een beeld voor de vruchtbaarheid van mens, dier en akkerland.

Bij huizen van rijken en kastelen van vorsten werden in de meimaand bomen geplant ter ere van de vruchtbaarheid. Later werd het boomplanten ook een gebruik voor ‘de gewone’ man. In Nederland groeide dit uit tot ‘de landelijke boomfeestdag’. Kinderen van lagere scholen worden ieder jaar uitgenodigd bomen te planten in hun eigen woonplaats. Een traditie die haar oorsprong heeft in lang vervlogen tijden.

Zo zijn we na een rondreis door de geschiedenis aangekomen bij de meimaand anno nu.

In mei is de aarde getooid als een ware bruid. Een wonder dat zich ieder jaar weer voltrekt; geen jaar slaat Moeder Aarde of Maia over! Bomen en struiken vieren het lenteleven met prachtige, zoet ruikende bloesems. Het lijken wel bruidsboeketten die verspreid over tuinen, parken en langs weilanden op ons liggen te wachten om gezien en opgepakt te worden. Overal zijn bloesems en bloeiende bloemen die bezocht worden door insecten zoals bijen en vlinders, opdat bevruchting plaats kan vinden.

Hemelvaart

De bloesempracht is teer en kwetsbaar. Eén regenbui of harde windvlaag tovert een bloesemconfetti tevoorschijn. De aarde wordt bedekt met een vacht van witte en lichtroze bloesemsneeuw. In deze meimaand vieren wij ook het Hemelvaartfeest, 40 dagen na Pasen.

De leerlingen hebben zich na het sterven en de opstanding van Christus met Hem teruggetrokken om samen te zijn om door Hem onderwezen te worden. Na 40 dagen vindt een groot wonder plaats. In het evangelie lezen wij dat Hij opgenomen werd in het hemel-zijn. En ‘een wolk nam hem op en onttrok hem aan hun ogen’. Handelingen der apostelen 1:9. Christus werd door een wolk opgenomen.
Rudolf Steiner beschrijft in voordrachten, dat Christus niet verdween maar verwijdde. Zijn lichaam was niet meer een lichaam van de aarde maar een hemellichaam. Een lichaam dat zo groot kon worden, dat het als een mantel van Liefde om de hele aarde, in de etherwereld van de aarde, opgenomen werd. Christus is vanaf Hemelvaart voor alle mensen over de hele aarde aanwezig en voelbaar in deze etherische wereld. Met Hemelvaart kunnen wij dit beleven als wij in de vroege ochtend erop uittrekken. De aarde is gehuld in dichte nevels. De Zon, als beeld van het warme Christushart, verwarmt de aarde. De natuur leeft ons voor hoe vanuit de elementen een huwelijk tussen hemel en aarde gevierd wordt: de leeuwerik danst tussen hemel en aarde en laat van zich horen. Bijen en andere insecten vliegen af en aan om alle bloesems te bevruchten net zoals ook de mens innerlijk bevrucht kan worden.
Emil Bock beschrijft dit op een fijnzinnige wijze in onderstaand gedicht:

Hemelvaart

Ontluik gij Christen die bevroren zijt
want Mei staat voor de deur,
voorwaar gij blijft voor eeuwig dood
bloeit gij niet nu en hier.

(Emil Bock)

Mens bloei! Hoe kunnen wij als mensen bloeien?
De meimaand nodigt ons uit ons hart te openen, opdat deze met de Geest bevrucht kan worden. Een bevruchting waaruit rijpe, medemenselijke levens-vruchten groeien: liefde, saamhorigheid, verbinding, eerbied, respect.

*Het oorspronkelijke artikel uit 2017 heeft 25 mei.

Gepubliceerd met toestemming van de auteur.
.

Boeken van de auteur

Website Loïs Eijgenraam

School voor antroposofische kinderopvang

.

Pinksterenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

.

1922-1806

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (7-4)

.

SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

                        uit/in het archief

Niet alleen werd er in de jaren 1970 en daarna gezocht naar een nieuwe vormen van salariëring. Ook werd er gezocht naar nieuwe bestuursvormen: ‘Republikeins‘ en/ofdemocratisch‘. [1]
Hoe is het werk – naast dat in de klassen – zo over de mensen te verdelen dat er goede besluiten kunnen worden genomen die door de hele schoolgemeenschap gedragen kunnen worden. Als die niet door ‘de directeur’ kunnen worden genomen – al dan niet eenzijdig – omdat deze ontbreekt, hoe moet het dan.

Veel werd verwacht van de zgn. mandaten.

Er werd mee geëxperimenteerd, m.n. in de Geert Grooteschool.
Zelf probeerden we in de nieuw opgerichte scholen met deze bestuursvorm te werken. Dat was niet makkelijk, vroeg een andere mentaliteit en wierp, naast teleurstellingen, toch zijn vruchten af.

Hoe staat het nu – met de aanwezigheid van directeuren, rectoren – met ‘het mandaat’?

Nog een artikel uit die tijd, vergelijkbaar met dat van [7-3], maar wel met andere woorden en andere gezichtspunten.

bron onbekend
.

De mandaatorganisatie in de vrijescholen

Evenals in de klas en in de gehele school, is ook voor de interne organisatie en de samenwerking van de leraren de gemeenschapsvorming van centrale betekenis. De vrijeschool acht de gemotiveerdheid en de inzet van de gehele lerarengroep, maar ook de onderlinge samenhang en het open ontmoetingsklimaat van vitale betekenis. Omdat in iedere school de samenwerkingsvorm door het concrete schoolleven steeds worden beïnvloed en veranderd, kan in de vrijescholen een veelheid van oplossingen worden aangetroffen. Dat neemt niet weg dat een aantal principiële uitgangspunten steeds typerend is voor de organisatievorm en de gekozen werkwijze.

Centraal staat hierbij dat de principes die de basis vormen van het werk in de klas, ook dienen te gelden voor de organisatiestructuur van de school als geheel. De grondslagen van de gemeenschapsvorming in de klas zijn als het ware ‘congruent’ met de interne organisatie. Dit gezichtspunt geldt uiteraard ook elders in het onderwijs. Zo kennen bijvoorbeeld meer traditionele scholen een onderwijsvorm, waarbij de leraar in een autoritair georganiseerde lessituatie een van te voren vastgesteld leerproces bestuurt en controleert. Een dergelijke vorm van lesgeven is bijna altijd gevat in een hiermee overeenstemmende organisatiestructuur met een eenhoofdige schoolleiding. Deze is ten aanzien van alles in de school verantwoordelijk en beslissingsbevoegd en organiseert en controleert de van tevoren vastgelegde lesactiviteiten in de school.

In de vrijescholen tracht men te werken op basis van een collegiaal model van zelfbestuur, waarin van iedere leraar een bijdrage wordt verwacht. Iedere eenmaal gekozen vorm van samenwerking kan evenzeer een belemmering zijn als een ondersteuning. Een belemmering, in het geval van de vrijescholen, wanneer op de een of andere wijze autoritaire of hiërarchische tendensen tot uitdrukking zouden komen in de schoolorganisatie, die de autonomie van de leraar geweld aandoen. Maar ook een belemmering, wanneer het democratische besluitvormingsmodel zich zo extreem ontwikkelt dat alle beslissingen alleen maar in de plenaire bijeenkomsten van de lerarengroep worden genomen. De samenwerking is een ondersteuning, wanneer het model van de interne organisatie aansluit bij de grondhouding, die voor het werk in de klas noodzakelijk is. Dit laatste is in de praktijk! alleen maar mogelijk, wanneer men bewust probeert om traditionele vanzelfsprekendheden te vervangen door nieuwe vormen van samenwerking. Dit moet dan echter niet alleen diegenen betreffen, die in de school verantwoordelijke posities innemen, maar de hele lerarengroep. De leraar in de vrijeschool verricht zijn taak in de wetenschap dat de lessituatie van tevoren niet volledig kan worden geprogrammeerd, doch dat de lessen steeds opnieuw moeten ontstaan in de ontmoeting met de leerlingen. Dit vraagt een voortdurende creatieve en bewuste inzet. Een dergelijke inzet is, zoals we zagen, ook noodzakelijk, wil het onderwijs niet vervallen tot een traditionele, frontale vorm van leerstofoverdracht. Iets soortgelijks geldt voor de samenwerking van de leraren in het collegiale model van zelfbestuur. Zonder het voortdurende inzicht, dat met de vormgeving van de schoolorganisatie evenzeer traditionele werkwijzen moeten worden afgelegd als bij het lesgeven zelf, kunnen ongewild opnieuw traditionele organisatievormen ontstaan. Het organisatiemodel van een vrijeschool is daarom alleen maar te realiseren
en aan nieuwe ontwikkelingen aan te passen, wanneer de gehele lerarengroep zich hiervoor even bewust inzet als voor het werk in de klas zelf. Hun inzet zal gericht moeten zijn op het scheppen van een samenwerkingsstructuur, die potentiële vermogens van de lerarengroep tot ontwikkeling brengt.

Er bestaat een duidelijke overeenkomst tussen de ontwikkelingen met betrekking tot de democratisering in het onderwijs in Nederland in de zeventiger jaren en de aanvankelijke ontwikkeling van de eerste ‘Waldorf’ school in Stuttgart van 1918 -1925.

De school in Stuttgart is vanaf het begin van start gegaan met een in haar geheel verantwoordelijke lerarengroep. “Zoiets als een directeur zal deze school nooit kunnen hebben”, stelt Steiner in een van de eerste besprekingen met de leraren vast.”…ieder moet zijn volledige persoonlijkheid inzetten …. in een echte lerarenrepubliek kunnen we niet rustig zitten afwachten tot alles voor ons is uitgedacht. Er zullen geen voorschriften van een rector komen, ieder moet zélf volledig verantwoordelijk zijn. De vergaderingen zijn vrije republikeinse besprekingen. Daar is ieder soeverein . “

Ook echter in Stuttgart, aan het begin van deze eeuw, leverde de besluitvorming in de lerarengroep na enige tijd vragen op. Vragen die sterk lijken op de problemen uit de jaren zeventig bij pogingen tot interne democratisering en plenaire besluitvorming in allerlei organisaties. Met behulp van Steiner werd een variant op het democratische model uitgewerkt, waaruit de organisatiestructuur van de vrijescholen is ontstaan. Kenmerkend hierbij is met name de grote nadruk op het zogenaamde republikeinse principe: binnen de algehele democratische opzet werd de besluitvorming steeds van tevoren als een mandaat in handen gelegd van één of meer leraren, die voor een bepaald ‘mandaatgebied’ verantwoordelijk waren. Hierdoor kon de thans overbekende problematiek van plenaire besluitvorming, waarbij ‘allen over alles’ beslissen en waarbij dikwijls onbestuurbaarheid optreedt, worden voorkomen. Vanwege het principe van de mandatering van besluitvorming kan deze organisatievorm als mandaatorganisatie worden omschreven.

De benaming republikeins-democratisch kan makkelijk misverstanden oproepen. Centraal blijft het democratische principe, als een soort rechtsgrondslag voor het schoolorganisme. Ieder heeft het recht om bij te dragen aan de ontwikkeling van de school. Uitdrukkelijk is echter gekozen voor een vormgeving die niet uitmondt in het gangbare parlementaire besluitvormingsmechanisme, waarbij een meerderheid door middel van stemming beslist. Juist dit mechanistische besluitvormingsprincipe voert immers maar al te vaak tot gecorrumpeerde en onzakelijke besluiten. Dikwijls wordt hierdoor bovendien een levendige lobby in het leven geroepen, waarin allerlei belangen tot onderwerp kunnen worden van onderhandelingen en machtspolitiek. Besluitvorming wordt in de vrijescholen gezien als een kwalitatieve en niet als een kwantitatieve aangelegenheid.

Opbouw van beneden naar boven

Een volgend belangrijk gezichtspunt voor de mandaatorganisatie is de opbouw van beneden naar boven. Wie de leiding op zich neemt van een stukje van de schoolorganisatie, doet dit niet op grond van delegatie van verantwoordelijkheid of in opdracht van een hoger geplaatste, zoals in een hiërarchische verhouding. Degenen die beslissingen nemen, komen uit de lerarengroep voort. Van welke aard de te nemen beslissingen zijn, is hierbij in feite niet van belang. Het kan gaan om het aanstellen van nieuwe collega’s, om middelenbeheer, dagelijkse leiding enz.

De betreffende mandataris beslist autonoom, na ‘afstemming’ met de leraren die de beslissing aangaan. Deze opbouw van beneden naar boven heeft merkwaardig genoeg óók een piramidaal aspect, evenals in hiërarchisch-autoritaire organisaties. Deze laatste kent een competentie- en een machtshiërarchie.

De mandaatorganisatie toont, als het goed is, een hiërarchie van toenemend vertrouwen en verantwoordelijkheidsbesef. Door de organisatiestructuur kan onderling vertrouwen en vooral bij nieuwe leraren een toenemend verantwoordelijkheidsgevoel ontstaan.

Een organisatie die is gebouwd op de afstemming van mandataris en groep, op onderling vertrouwen en op de onderlinge ontmoeting van de leraren, valt niet los te zien van het vraagstuk van de gemeenschapsvorming. Leiding geven, in dit geval: het uitoefenen van een mandaat, dient voortdurend gebaseerd te zijn op de vertrouwensrelatie met degenen voor wie de genomen beslissingen gelden. Dit wordt nog benadrukt doordat de mandatarissen, anders dan bijvoorbeeld in een hiërarchische organisatie, geen sancties bezitten en de andere leden van de groep uiteindelijk nooit kunnen dwingen de genomen beslissingen uit te voeren. De mandaatorganisatie is gebouwd op een, in wederzijdse vrijheid aangegaan, sociaal ‘contract’ dat geldigheid bezit zolang de betrokkenen het ervaren als innerlijke realiteit.

Hiermee is een belangrijke voorwaarde gegeven voor de ontwikkeling van situatief leiding geven in het kader van een gezamenlijke streefrichting. Nieuwe gemeenschapsvormen, of het nu gaat om werkgemeenschappen of leefgemeenschappen, kenmerken zich in onze tijd door steeds minder uniforme gedragscodes en gebodselementen. De aanpak van allerlei sociale vraagstukken vraagt daarbij dikwijls om een aan de situatie afgelezen handelswijze. De mandaatorganisatie is op dit principe van situatief sociaal handelen gebaseerd en mede hierdoor een middel tot gemeenschapsvorming.

Besluitvorming

Voor iedere organisatie is de manier waarop men de besluitvorming heeft geregeld van belang. Over het algemeen bestaan er twee wijzen van besluitvorming: de hiërarchisch/autoritaire (het hogere niveau beslist) en de democratische (de meerderheid beslist).

De republikeinse hantering van de besluitvorming in de mandaatorganisatie (de mandataris beslist in het kader van het collegiale model van zelfbestuur) behoort niet tot onze traditioneel maatschappelijke verworvenheden. Dit houdt in dat het doorzien van de principieel andere wijze van besluitvorming een voorwaarde is voor de mandaatorganisatie. Niet alleen bij hen die een mandaat uitoefenen, maar bij ieder die in de school werkzaam is. Net zo min als iemand zijn huishoudgeld kan beheren, zonder het besef dat het geld maar één keer kan worden uitgegeven, kan een mandaatorganisatie functioneren zonder dat inzicht bestaat in de manier waarop de besluitvorming kan worden geregeld. Wordt aan deze voorwaarde niet voldaan, dan zal steeds een ‘terugval’ plaatsvinden naar hetzij het autoritaire model: ‘ik heb hierover te beslissen… het is tenslotte mijn mandaat’, of naar het democratische: ’ik vind, dat wij als groep hierover een besluit moeten nemen…’. Vanwege deze cruciale betekenis van de besluitvorming als een bewust gehanteerd proces, gaan we hierop nog meer specifiek in.

Ieder besluit om een handeling, die nog in de toekomst ligt, uit te voeren, is in feite een individuele aangelegenheid. Dit nuchtere inzicht ligt vermoedelijk van oudsher ten grondslag aan de hiërarchische piramidale organisatievorm. Hierin moet immers steeds de chef van het naast hogere niveau besluiten nemen die zijn ondergeschikten moeten uitvoeren. Ook echter wanneer een groep als geheel de verantwoordelijkheid draagt, is elk besluit alleen maar een realiteit, als dit wordt gedragen door de besluitkracht van ieder die van de groep deel uitmaakt. Een van de grootste problemen bij het nemen van beslissingen in een groep is altijd dat ieder groepslid in feite op een geheel individuele wijze tot zijn oordeel, komt en hierdoor de genomen beslissing anders interpreteert dan de andere leden van de groep. Dit blijkt dan ook in allerlei vormen van participatieve besluitvorming een bron van misverstanden, die na kortere of langere tijd aan het licht plegen te komen. In organisaties met een gedemocratiseerde besluitvorming is hierdoor dan ook altijd een structureel probleem aanwezig dat om een structurele oplossing vraagt. In de mandaatorganisatie worden beslissingen steeds genomen door individuele mandatarissen, of hooguit door kleinere groepjes van bijvoorbeeld niet meer dan drie personen. Beslissingen in plenaire bijeenkomsten neemt men slechts bij uitzondering, wanneer de randvoorwaarden: voldoende tijd voor overleg en een grondige voorbereiding, gewaarborgd zijn.

Het proces van besluitvorming wordt in relatie tot de visie op de mens, op basis waarvan de vrijeschool werkt, gezien in verband met denken, voelen en willen. Besluitvorming is, zo gezien, een proces dat altijd in drie fasen verloopt:

-een beeldvormende fase die met het denken verwant is

-een oordeelsvormende fase die met het gevoelsleven samenhangt

-een besluitvormende fase die met het willen is verbonden.

De beeldvormende fase

De beeldvorming omvat het verzamelen van de nodige feiten en gegevens, waardoor inzicht kan ontstaan. In deze fase kan een groep een zo nauwkeurig mogelijk beeld van de situatie opbouwen. Gedurende de beeldvorming is eenduidigheid bij de gespreksdeelnemers eigenlijk nog het gemakkelijkst te realiseren.
Dit hangt samen met het feit dat van de beeldvorming een objectiverende werking uitgaat: feiten zijn nu eenmaal feiten, hoe ze ook worden beoordeeld.

De oordeelsvormende fase

Bij de oordeelsvorming in de groep gaat het om de individuele verhouding van ieder groepslid tot het besproken vraagstuk, tot de oorzaken ervan en de draagwijdte.

Deze fase in het besluitvormingsproces is daardoor al veel minder eenduidig. Steeds weer blijkt dat ieder in de groep de situatie op eigen wijze beoordeelt. Dat is ook begrijpelijk. Aan de ene kant heeft ieder uit de beeldvormingsfase zijn eigen voorstelling van de situatie overgehouden. Aan de andere kant beoordeelt hij de zaak op grond van eigen normen, ervaringen en emoties. Deze oordelen zijn per definitie subjectief en persoonlijk.

De besluitvormende fase

De besluitvormende fase, het vinden van een voor ieder bindende, eensluidende beslissing, kan slechts plaatsvinden als groepsbeeldvorming en groepsoordeelsvorming voldoende hebben plaatsgevonden. Ook daarmee echter blijft de feitelijke besluitvorming bij ieder een individueel proces. In de praktijk blijkt het zeer moeilijk, als regel zelfs onmogelijk, om iedereen ‘in de pas’ te laten lopen. Hierdoor verwordt een groepsbesluit dikwijls tot een meer of minder bewust aangegaan compromis, waarbij de groepsleden zich bevinden in een spanningsveld tussen individuele eigenheid en loyaliteit aan de groep. De werkelijke draagkracht van groepsbeslissingen blijkt bij de uitvoering daardoor vaak illusoir, of gebonden aan de enkelingen in wie de groep blijkbaar voldoende vertrouwen heeft gehad.

Dit alles houdt uiteraard niet in dat een uiteindelijk groepsoordeel en groepsbesluit onmogelijk zijn. Wel echter dienen daartoe twee voorwaarden te zijn vervuld:

– In de eerste plaats is een geoefende groep noodzakelijk, die de fasering in het besluitvormingsproces kan herkennen en hanteren.

– In de tweede plaats moet er voldoende tijd beschikbaar zijn, opdat in het bijzonder het oordeelsvormingsproces voldoende diepgang kan krijgen.

De mandaatorganisatie in de vrijescholen

Hoe vindt het besluitvormingsproces in de vrijescholen nu in concreto plaats?

Behalve de leraren die een mandaat op zich hebben genomen, kent de organisatie steeds een dragende groep leraren. Dit zijn leraren die zich met het wel en wee van de school willen verbinden en die als groep verantwoordelijk willen zijn voor de existentie en voor de ontwikkeling van de school. Deze groep wordt in de vrijeschool als regel: ‘intern deel van het lerarencollege’, of ‘beleidsgroep’ genoemd. Deze dragende groep houdt rekening met de hierboven beschreven fasering in de besluitvorming. Dit houdt in principe in dat bewust wordt afgezien van het nemen van besluiten als gehele groep. Echter: alleen van de eindfase van het besluitvormingsproces. Gezamenlijke beeldvorming en oordeelsvorming blijven de volle verantwoordelijkheid van de groep. Alleen de derde fase, het feitelijke beslissen, is de verantwoordelijkheid van de betreffende mandatarissen. De mandatarissen zijn uiteraard bij de besprekingen aanwezig, maar ze nemen het uiteindelijke besluit als autonome functionarissen.

Het overleg in het lerarencollege bevordert daardoor zowel de gezamenlijke informatie en opinievorming als de advisering van de mandatarissen.

In de praktijk komen in de vrijescholen overigens wel modificaties voor met betrekking tot de taakopvatting van deze beleidsvormende groep. Soms rekent men een bepaalde beslissingsverantwoordelijkheid nog wel tot de competentie van de gehele groep.

Zoals gezegd, is het met betrekking tot de mandatarissen zélf kenmerkend dat besluitvorming van tevoren, hetzij per te nemen beslissing, hetzij voor langere tijd en voor een duidelijk omschreven en afgebakend gebied, als mandaat wordt gelegd bij degene die het vertrouwen van de groep bezit. In het mandaatsprincipe komt het republikeinse karakter, de republikeinse variant op het democratische model tot uiting. Mandatering is daarbij een tweezijdig proces:

– Men kan een mandaat uitoefenen, indien in de groep het vertrouwen bestaat dat de mandataris zijn mandaat opvat in de zin van de totaliteit.

– Een criterium voor het aanvaarden van een mandaat is dat de mandataris weet dat voor de uitoefening van het mandaat, waaromtrent hij zijn intenties zichtbaar heeft gemaakt, deze vertrouwensbasis in de groep aanwezig is. Een dergelijk mandaat is niet van clausules of voorwaarden voorzien. Het is een vrij mandaat. De groep kan een eenmaal genomen beslissing niet herroepen. Wel houdt de groep uitdrukkelijk het recht om in alle opzichten geïnformeerd te worden en oordeelsvormende gesprekken te voeren, zowel vooraf als na afloop van (belangrijke) beslissingen. De dragende groep wordt hierdoor ontlast van de taak om in alle aangelegenheden van de school beslissingen te nemen. Daardoor kan tijd en energie vrijkomen voor de ontwikkeling van werkelijk beleid voor de toekomst.

Autonomie

Het principe van mandateren van ‘beneden naar boven’ roept een zekere gelaagdheid, en daardoor een structuur voor de schoolorganisatie op: ook hier is het van belang om het verschil met de traditionele organisatie in het oog te houden. In een mandaatorganisatie werken mandatarissen niet in de zin van formele functionarissen die, als ondergeschikten, worden geacht verantwoording af te leggen aan een hoger niveau, maar als collega’s die verantwoording dragen voor bepaalde situaties.

De structuur van een mandaatorganisatie wordt vooral bepaald door de grondhouding van de betrokkenen. De mandaatsbevoegdheden, anders gezegd: de volmachten tot handelen, verschillen per situatie. In de klassensituatie is iedere leraar autonoom. Deze autonomie staat in feite model voor de taakopvatting van de mandatarissen. Evenzeer als de leraar in de klas vrijheid van handelen bezit, uiteraard in relatie tot de klas en werkend in de zin van de antroposofische pedagogiek, heeft ook de mandataris voor de organisatorische situatie waarop zijn mandaat betrekking heeft, de volle verantwoordelijkheid en handelingsvrijheid. Natuurlijk verschillen klassensituaties en organisatorische situaties beduidend van elkaar. De mate van autonomie echter is principieel gelijk.

Voor de organisatorische mandaten zal de relatie tot de betrokken collega’s en de verantwoordelijkheid voor de identiteit van de vrijeschool de mogelijkheden in concreto bepalen. Organisatorisch zijn drie ‘niveaus’ te onderscheiden:

– leraren

– mandatarissen en

– beleidsgroep of ‘intern deel’ van het lerarencollege

De leraren zijn verantwoordelijk voor de klassen. De mandatarissen zijn bovendien nog verantwoordelijk voor onderdelen van de schoolorganisatie. De leraren die als een dragende groep in de school willen staan, zijn verantwoordelijk voor de totale school. Deze beleidsgroep is, wanneer het republikeins – democratische principe consequent wordt volgehouden, in principe niet beslissingsbevoegd. De groep komt wel regelmatig bijeen ter bespreking van wezenlijke zaken van het schoolleven. Deze besprekingen zijn beeldvormend (de nodige informatie wordt voor ieder toegankelijk gemaakt) en oordeelsvormend (door onderling gesprek en afstemming komt een oordeel tot stand waarin ieders mening een rol kan spelen). De in de beleidsvergadering aanwezige of hiertoe uitgenodigde mandatarissen doen aan deze gesprekken mee. Ze leggen, indien nodig, hun reeds genomen, of nog te nemen beslissingen aan de vergadering voor, zonder de beslissingsbevoegdheid aan de vergadering te kunnen overdragen.

Juist hierin onderscheidt de mandaatorganisatie zich van het algemeen gangbare en bekende democratische model met meerderheidsbeslissing. In de ‘vrije, republikeinse besprekingen….’ van de beleidsgroep gaat het erom vanuit een gezamenlijk inzicht tot actie te komen. Autonomie en loyaliteit kunnen daarbij vruchtbaar samengaan. Waar een gezamenlijk inzicht slechts ten dele kan worden bereikt, berust bij de betrokken mandataris de verantwoordelijkheid daarmee rekening te houden bij zijn uiteindelijke beslissing.

In de praktijk blijkt dat op deze wijze bij de opzet van de mandaatorganisatie conflicten kunnen worden voorkomen.

Coördinatiegroep

De beleidsvergaderingen worden voorbereid door een kleine groep mandatarissen. Deze groep kent de verschillende mandaatsterreinen goed en overlegt over de inhoud van de beleidsvergaderingen onderling. De groep, die als een coördinatiegroep functioneert, levert tevens de gespreksleider van de
beleidsvergaderingen. Deze functie is voor een goede verzorging van de onderlinge communicatie en het functioneren van de overlegstructuur van evident belang en wordt als afzonderlijk mandaat uitgeoefend. Een dergelijke coördinatiegroep treedt niet als schoolleidingsteam op. De functies van hoofd, directeur, rector- of conrectoren bestaan niet in de vrijescholen. Wettelijk zijn deze benoemingen uiteraard een vereiste, doch in de mandaatorganisatie zijn de taken en verantwoordelijkheden collegiaal verdeeld. De voor de wet in de vrijeschool verlangde ‘rector’ of ‘directeur’ vervult een representatieve functie in de contacten met inspectie en overheid, krachtens een afzonderlijk en veelal roulerend mandaat.

Voor de verhouding tot het bevoegd gezag van de school geldt als regel dat de lerarengroep het bestuur adviserend terzijde kan staan. De uitvoerende bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden echter waar mogelijk aan het lerarencollege overgedragen.

‘Benoeming’ van mandatarissen

Afgezien van de structurele aspecten van de mandaatorganisatie, is het functioneren ervan belangrijk. Van betekenis zijn vooral:

1. Hoe komen de mandaten tot stand?

2. Hoe vindt de afstemming plaats tussen mandataris en groep?

3. Hoe kan men omgaan met het vraagstuk van onvoldoend bekwame of falende mandatarissen? Het vraagstuk van ‘benoeming’ van de mandatarissen behoort tot de moeilijkste van de mandaatorganisatie. Mandateren is een proces van wederzijds constateren van voldoende vertrouwensbasis voor de uitoefening van een mandaat. Bij reeds bestaande mandaten draagt de betreffende mandataris verantwoordelijkheid voor een mandaatsgebied.
Deze verantwoordelijkheid kan niet worden afgelegd, of worden teruggegeven aan de beleidsvergadering. Het accepteren van een mandaat impliceert daarom ook de verantwoordelijkheid om een opvolger te zoeken die het betreffende mandaatsgebied wil en kan beheren. In feite plaatst dit de mandaatsdrager in een existentiële positie in de school. Bij het accepteren van het mandaat behoort tevens het vertrouwen dat te zijner tijd misschien in een kritieke situatie, een opvolger de verantwoordelijkheid zal willen overnemen. Dit coöptatieprincipe kan niet willekeurig worden gehanteerd.
Het wordt beïnvloed door de vraag of een nieuwe mandataris voldoende vertrouwen bezit, zowel bij de direct betrokkenen als in de beleidsvergadering. De gang van zaken bij mandaatsopvolging kan als volgt zijn:

a. De betrokken mandataris wenst, om welke reden dan ook, zijn mandaat over te dragen.

b. Eventuele kandidaten worden door hem gepolst.

c. De namen van gegadigden worden door de mandataris voorgesteld, zowel bij de betrokkenen in de school als in de beleidsvergadering.

d. Met de nieuwe kandidaten vindt een open gesprek plaats in de beleidsvergadering, waaruit kan blijken of er voldoende vertrouwen bestaat in capaciteit, inzet en betrouwbaarheid van de nieuwe mandataris(sen).

e. De beslissing tot overdracht aan een nieuwe mandataris wordt door de aftredende genomen, op grond van zijn beoordeling van het gesprek in de beleidsgroep.

De uitoefening van het mandaat geldt in principe voor meerdere jaren. Het initiatief tot overdracht van een mandaat berust bij de betrokken mandataris zélf. Hierop bestaat slechts één uitzondering. Bij gebleken ongeschiktheid of nalatigheid kan het vertrouwen in een mandataris minder worden of zelfs geheel verdwijnen. Een dergelijke situatie kan door de coördinatiegroep worden gesignaleerd en zowel met de betrokkene als met de beleidsgroep worden opgenomen.

De beleidsgroep kan tot het oordeel komen dat er onvoldoende vertrouwen bestaat voor de continuering van het mandaat. In een dergelijk geval stelt de mandataris de procedure voor de benoeming van een opvolger in werking.

Nieuwe mandaatsgebieden die door de ontwikkeling in de school kunnen ontstaan, worden in de beleidsvergadering besproken. Blijkt zo’n ontwikkeling van dien aard, dat verdere actie gewenst is, dan wordt voor het betreffende gebied een mandataris gezocht. De beslissing om een dergelijk mandaat op zich te nemen, berust steeds bij de mandataris zélf. Mandateren in deze zin onderscheidt zich zeer duidelijk van een proces van delegeren van verantwoordelijkheden. Zulk delegeren is immers altijd aan condities gebonden en kan indien nodig, zowel door degene die delegeert, als door de betrokken functionaris, weer ongedaan worden gemaakt.

Afstemming

De afstemming tussen mandataris en lerarengroep is in de vrijeschool een voorwaarde voor het behoud van een blijvend voldoende vertrouwensbasis voor de uitoefening van een mandaat. De mandataris neemt beslissingen die de werksituatie van de collega’s in de school soms in hoge mate beïnvloeden. De basis voor de bereidheid om beslissingen van een mandataris te accepteren en uit te voeren, ligt in het mandateringsproces.
In dit proces is de noodzaak van de te nemen beslissingen in principe onderkend en het vertrouwen in een bepaalde mandataris uitgesproken. De mandaatorganisatie kan alleen maar werkelijk bijdragen tot gemeenschapsvorming als een dergelijk mandateringsproces impliciet steeds opnieuw plaatsvindt in de wijze waarop de mandataris en de direct betrokkenen zich met elkaar verstaan. Valt de vertrouwensbasis tussen mandataris en groep weg, dan rest hier minder dan in een formeel – hiërarchische organisatievorm, waar een functionaris altijd nog de ‘dekking’ van het systeem en de doorwerking van de bevelslijn uit hogere niveaus als basis voor zijn functie-uitoefening kent. De wisselwerking tussen groep en mandataris stelt echter niet alleen eisen aan de mandataris zélf.

De inzet waarmee de groep loyaal besluiten accepteert en aan de uitvoering meewerkt, is misschien wel de belangrijkste bijdrage tot gemeenschapsvorming waartoe de mandaatorganisatie uitdaagt. Ook als men zélf, op grond van beperktere of misschien juist van een betere geïnformeerdheid, de situatie anders beoordeelt. Mandateren houdt zo bezien in: de ontwikkeling, de eenzijdigheden, nalatigheden, specifieke talenten enz. van een mandataris leren accepteren tot in de consequenties voor ieders eigen werkgebied. Dat men op deze wijze medeverantwoordelijk wil zijn voor het functioneren van mandatarissen, kan voor de noodzakelijke beoordeling en evaluatie van hun taakuitoefening van fundamenteel belang blijken.

De coördinatiegroep vervult in dit samenspel een centrale rol. Het zal, gezien de opzet van de mandaatorganisatie, duidelijk zijn dat deze groep geen bovengeschikte positie inneemt. Dit is evenmin het geval met de beleidsvergadering. Geen van beide organen vervult, zoals we reeds zagen, de taak van schoolleidingsteam. Toch echter kan de coördinatiegroep, door haar informatievoorsprong en het voorzitterschap van de beleidsvergadering, grote invloed uitoefenen. Ook dit mandaat zal daarom regelmatig moeten worden geëvalueerd. Behalve de reeds gesignaleerde taken van deze groep is de zorg voor , en in zekere zin de bewaking van het functioneren van de mandaatorganisatie van belang. Het betreft hiér vooral de wijze van functioneren van mandatarissen en mandaatsgroepen en, merkwaardig genoeg, een voortdurend attent zijn op het voorkomen van besluitvorming in de beleidsvergadering. Hiertoe blijft veelal een neiging bestaan. Dit komt in de eerste plaats doordat mandatarissen dikwijls behoefte hebben aan enige ‘rugdekking’ en dit in de besluitvorming door de beleidsgroep zoeken. In de tweede plaats doordat (nieuwe) collega’s de mandaatorganisatie ideaaltypisch nog onvoldoende in alle consequenties hebben onderkend. Evenzeer als een voortdurende studie van de Vrije-Schoolpedagogiek en de grondideeën uit de antroposofie een voorwaarde zijn voor het levend houden van het werk in de klassen, is een regelmatige bezinning op de grondslagen van de gemeenschapsvormende betekenis van de mandaatorganisatie nodig voor een gezonde ontwikkeling van het schoolorganisme. Als organisatorische taak kan het levend en functioneel houden van het basisconcept van de mandaatorganisatie tot het mandaatsgebied van de coördinatiegroep worden gerekend.

Beleidsvergadering

Bijzondere aandacht vraagt verder de opzet van de beleidsvergadering of het intern deel van het lerarencollege. Aan de deelname en taakstelling hiervan worden in zekere zin hogere eisen gesteld dan aan het functioneren in andere schoolorganen. De beleidsgroep onderscheidt zich duidelijk van de lerarenvergadering. Slechts diegenen die zich niet alleen kunnen, maar ook willen inzetten voor de totale existentie van de school, maken hiervan deel uit. Zo ergens, dan is hier het hart van de school aanwezig. In eerste instantie kan misschien de indruk ontstaan dat een beleidsgroep minder belangrijk zou zijn dan de mandatarissen, omdat deze laatsten tenslotte de beslissingen nemen. Wie dat denkt, gaat voorbij aan het feit dat de beslissingen weliswaar buiten het bereik van de beleidsgroep vallen, maar dat in een goed functionerende mandaatorganisatie de mandatarissen echter door de beeldvorming en de oordeelsvorming van de beleidsgroep in hoge mate worden ondersteund en gedragen. En het is juist deze oordeelsvorming die voor veel beslissingen de doorslag geeft.

In tegenstelling tot de mandatarissen, waar een betrekkelijk snelle roulatie, bijvoorbeeld gemiddeld per drie jaren, aan te bevelen kan zijn, is voor de dragende beleidsgroep in de school een beduidend langere duur van het lidmaatschap in principe aan te raden. Voor deelname aan de beleidsgroep is de uitoefening van een mandaat geen voorwaarde. Wel is het gewenst dat ieder die het lidmaatschap op zich wil nemen, tenminste een aantal jaren volledig in de school werkzaam is. Toetreding tot de beleidsgroep kan plaatsvinden, wanneer een nieuw te benoemen lid hiertoe de wens te kennen geeft. Veelal beslist de gehele beleidsgroep over een dergelijke toetreding.

Een belangrijk aspect van de beleidsvergaderingen is het ontwikkelen van inzicht in de totaliteit van de school. Evaluatieve, oordeelsvormende, toekomstgerichte besprekingen kunnen slechts dan tot een evenwichtige ontwikkeling bijdragen, wanneer zij voortdurend getoetst worden aan de eigenlijke identiteit van de school.

In de traditionele hiërarchische organisatievorm met een brede basis en slechts enkele leiders aan de top, wordt de organisatie in feite gedragen door velen en geleid door enkelen, het is meer dan een woordenspel als we zeggen dat de mandaatorganisatie in de vrijeschool wordt geleid door velen en wordt gedragen door enkelen.

Inkomensparticipatie

Een voorwaarde voor het functioneren van de mandaatorganisatie in de vrijeschool is een inkomensregeling [2] voor de leraren die met het beschreven collegiale model van zelfbestuur in overeenstemming is. Aan de vervulling van mandaatfuncties zijn geen financiële consequenties verbonden. De mandaatorganisatie is gedacht als een situatieve, beweeglijke samenwerkingsvorm. Dat wil zeggen: met een leiderschap dat, afhankelijk van de situatie, eventueel kan wisselen. Indien mandaatsuitoefening tevens een financiële verbetering voor de mandataris zou inhouden, en het neerleggen van het mandaat dus een financiële achteruitgang, zou dit twee gevolgen kunnen hebben:

1. De betrokken leraren zouden een wisselend inkomensbestanddeel kennen, wat voor de opbouw van een zo mogelijk continu inkomen als ongewenst wordt gezien.

2. In de opvolgingsregeling van mandatarissen zou een oneigenlijk element van eigenbelang een rol kunnen spelen.

Alleen al hierom wordt in de vrijescholen uitgegaan van een onderlinge taakverdeling die is gebaseerd op elementen zoals beschikbaarheid, geschiktheid, bereidheid, betrokkenheid enz., zonder dat de mandaatvervulling gepaard gaat met een berekening van taak- en diensturen, die hun weerslag vinden in het inkomen van de betrokken leraren.

Los echter van dergelijke praktische overwegingen is hierbij een principieel uitgangspunt in het geding. Bij de inkomensregeling in de vrijescholen is het aloude adagium: ‘loon naar werken’ overboord gezet en is de koppeling tussen prestatie en beloning losgelaten. Dit houdt in dat allerlei elementen, zoals diploma’s, leeftijd, ervaring, verantwoordelijke leidinggevende functies enz., niet worden ‘beloond’. Het uitgangspunt is veeleer dat aan de leraren en andere medewerkers die in de school een volle dagtaak vervullen, een inkomen wordt verstrekt dat hun in staat stelt te voorzien in hun behoeften. Ook in de behoeften van degenen die bij hen behoren, zodat zij hun taken in de school zullen kunnen vervullen. Van betekenis is hierbij dat niet een in het verleden reeds geleverde prestatie wordt beloond en betaald. Het inkomen dat wordt verstrekt, zal, ook gezien de toekomst, de taakvervulling in de school mogelijk maken. Een dergelijke regeling beschouwen de vrijescholen als een fundamentele bijdrage tot het creëren van een sociale ruimte, waarbinnen het samenwerkingsverband van het lerarencollege vorm kan krijgen.
In de vrijescholen is voor deze inkomensregeling de verwarrende en onjuiste term: behoefte-inkomen ontstaan. Dit woord wekt de verwachting dat bij deze vorm van inkomensparticipatie alle behoeften die de betrokkenen kunnen bedenken, zouden worden gehonoreerd. Niets is minder waar. Wel gaat het bij de bepaling van de totale inkomenssom voor de opstelling van de jaarbegroting om de confrontatie van de inkomensbehoeften van de gehele lerarengroep met de te verwachten financiële middelen van school. Hieruit resulteert een beschikbare totale inkomenssom, die volgens een door de groep zélf opgestelde regeling de uiteindelijke vaststelling van de inkomens kan opleveren. Bij deze bepaling kunnen de individuele behoeften opnieuw een rol spelen. In sommige scholen is dit laatste meer, in andere minder het geval. Bij de inkomensregeling gaat men uit van de aanname: iedere leraar vervult een volle dagtaak. De invulling van een dergelijke taak verschilt naar bekwaamheid, beschikbaarheid en betrokkenheid.

Het feit dat de verschillende functiebestanddelen niet worden gewogen en specifiek gehonoreerd, maar dat het inkomen wordt gezien als een noodzakelijke materiële basis die van tevoren in onderlinge overeenstemming wordt geschapen, versterkt het besef van collegiale samenwerking in hoge mate.

Het in de vrijescholen gehanteerde model van inkomensparticipatie dient daarom niet alleen te worden beschouwd als een alternatieve vorm van inkomensvaststelling zonder meer. Het blijkt in de praktijk vooral een werkzaam middel tot ondersteuning van de gemeenschapsvorm in het lerarencollege. De feitelijke inrichtingen verschillen veelal van school tot school. Als regel treffen de leraren onderling een maatschapregeling en storten zij de ontvangen subsidiesalarissen op een gezamenlijke rekening. Daarna kan de herverdeling plaatsvinden. Dit houdt in dat in de vrijeschool kleuterleidsters,
basisschoolleraren en leraren die in het voortgezet onderwijs werken, maar eventueel ook niet-onderwijzend personeel, een participatief model van inkomensverdeling hanteren. Ze worden dan ook op basis van gelijkwaardigheid, doch niet uniform, gehonoreerd.

Niet altijd wordt door alle leraren aan de inkomensregeling deelgenomen. Nieuw aangestelde collega’s zijn vrij in de keuze om tot een dergelijke maatschap toe te treden, of het door de overheid aan hen betaalde subsidiesalaris als hun inkomen te beschouwen .

Opbouw van boven naar beneden

Éen vraag die zich bij het bezien van de mandaatorganisatie opdringt, is: hoe valt te garanderen dat de verschillende mandatarissen niet tot onderling strijdig hobbyisme vervallen? Mandatarissen zijn immers autonoom in hun besluitvorming, terwijl eenmaal genomen beslissingen formeel niet meer door de gehele groep kunnen worden herzien. Daarbij kunnen mandatarissen niet zo maar worden ontslagen of vervangen.
Wat te doen als het geschonken vertrouwen niet gerechtvaardigd blijkt te zijn en mandatarissen vervallen in een soort anarchistisch beheer van hun deelgebied, zonder afstemming op de totaliteit? De hiërarchische organisatie voorkomt het uiteengroeien in aparte geledingen met verschillende streefrichtingen, doordat de leiding de onderlinge samenhang en coördinatie bewaakt. Een dergelijke identiteitscontrole van bovenaf is strijdig met het wezen van de mandaatorganisatie. Onderlinge samenhang in de school, uitsluitend en alleen als gevolg van de coördinerende activiteiten van de rector, ontbreekt. Toch zal de school als organische eenheid moeten functioneren.
De werkelijke garantie hiervoor ligt merkwaardig genoeg niet op organisatorisch terrein, doch in de gezamenlijkheid op geestelijk gebied. Indien er organisatorische misverstanden heersen, mandatarissen geïsoleerd werken, polarisatie optreedt, nieuwe initiatieven organisatorisch niet ‘landen’ enz., dan behoeft dit nog geen indicatie te zijn voor werkelijke organisatorische gebreken. Organisatorische eenheid, beter misschien: eensgezindheid, is vooral ook sterk afhankelijk van een gezamenlijke inzet van een werkgemeenschap op geestelijk en ideëel gebied. Hierin is een compensatie te vinden voor de afwezigheid van de coördinerende rector of schoolleider.

De gezamenlijke studie van de antroposofische uitgangspunten van de vrijeschoolpedagogiek is hiertoe het aangewezen middel. Hiermee hangt samen dat naast de vrijheid in de taakuitvoering en de hoge mate van autonomie, die de leraren binnen het collegiale samenwerkingsmodel bezitten, ook verplichtingen in het lerarencollege van kracht zijn. Een van deze verplichtingen is de gezamenlijke studie van de grondslagen van de antroposofische opvoedkunst in de wekelijkse lerarenbijeenkomsten.
Zowel het bijwonen van deze leraarsvergaderingen als de studie van de antroposofische pedagogiek, rekent men in de vrijescholen tot de normale dagtaakvervulling. Voor een goed begrip is het nodig hierbij het karakter van de antroposofische wetenschappen te onderkennen. Zoals reeds werd beschreven, is het de vrijeschool niet te doen om acceptatie van de antroposofische grondbeginselen op basis van geloofsovertuiging of persoonlijke autoriteit. Wie de antroposofische geesteswetenschappen wil erkennen, kan dit slechts doen op grond van een eventuele individuele constatering van de waarheid ervan. Dit laatste sluit echter, aangezien op basis van de antroposofische opvoedkunst wordt gewerkt, de noodzaak tot de bereidheid van gezamenlijke studie in.

Aan deze overwegingen liggen geen morele, doch praktische overwegingen ten grondslag.

Een hiervan is van organisatorische aard.

De opbouw van de mandaatorganisatie van beneden naar boven maakt het in feite altijd mogelijk dat het principe van de autonomie ontaardt in willekeur of anarchie. Een evenwichtige organisatie ontstaat alleen maar, wanneer tevens een werking van boven naar beneden plaatsvindt.

De vrijescholen hebben gekozen voor een schoolorganisatie, waarbij deze werking van boven naar beneden niet wordt uitgeoefend op autoritaire wijze door een ‘sterke leider’, of door onderschikking aan collectieve beslissingen. De grondslag voor een geïntegreerde en samenhangende schoolorganisatie is een gezamenlijke inzet op geestelijk en ideëel gebied. Het geestesleven kan richting geven aan de gezamenlijk ervaren waarden en normen en aan een gezamenlijk gedragen beleid. In de praktijk werken dergelijke waarden en opvattingen als een ideëel kader, van waaruit het sociale organisme van de vrijeschool zich steeds opnieuw blijkt te kunnen ontwikkelen.

[1] Over republikeins en democratisch: onder [3]

[2] Over maatschap: onder [6]
.

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1921-1805

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (10) – vleermuizen

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 74                                                                                                     hoofdstuk 10

vleermuizen

De vleermuizen behoren ongetwijfeld tot de allermerkwaardigste zoogdieren en ze lijken ook altijd wel een beetje griezelig. Hoewel ze vleugels hebben, zijn ze toch bedekt met een huid en ze brengen hun jongen groot met melk. Deze twee eigenschappen alleen al geven aan dat ze tot de zoogdieren gerekend moeten worden. Om ze als vogels te beschouwen, alleen omdat ze kunnen vliegen of liever gezegd, fladderen, zou niet juist zijn. Weliswaar is er bij hen veel veranderd van wat bij het leven in de lucht hoort en daardoor lijken ze maar weinig op een zoogdier. Vooral de armen zijn omgevormd en de poten waartussen een vlieghuid gespannen is. Met muizen hebben de vleermuizen alleen de naam gemeen, wellicht omdat ze net als deze, wegschieten en ’s nachts leven.

De dag brengen ze op verborgen plekjes door. Bovendien zijn het geen knaagdieren, maar ijverige en zeer nuttige insectenvangers.
De grootste van onze binnenlandse vleermuizen, de  grote vleermuis*, heeft een vleugelspanwijdte van 37 centimeter, de kleinste, de dwergvleermuis, slechts 17-18. Het lijfje is nog kleiner dan dat van de kleinste zangvogels.

Omdat de vleermuizen pas in de schemering tevoorschijn komen en je ze dan toch niet goed kan zien, wanneer ze aan je voorbij fladderen, weet men gewoonlijk ook niet zoveeel van ze.
Wie ze niet in hun verstopplaatsen, zoals holle bomen, in rotsen en muren, tussen de balken van bijv. kerken waar nauwelijks iemand komt, ontdekt, zal er zelden een te zien krijgen. In de vlucht scheren ze als spoken, net schaduwen, voorbij.
Veel meer vleermuizen dan bij ons zijn er in de warmere landen. Daar komen ook veel grotere soorten voor. De vleermuizen en hun families worden handvleugelige zoogdieren genoemd, een naam waarvan de betekenis makkelijk te begrijpen is.
De verspreiding gaat maar tot aan de poolcirkel, want nog verder naar het noorden zouden vleermuizen niet genoeg voedsel meer vinden. De meeste voeden zich uitsluitend met insecten die ze tijdens hun vlucht vangen, hoewel er op de oostelijke helft van de wereld ook veel fladderaars zijn die vruchten eten, waartoe de vliegende honden en vliegende vossen behoren. In de warmere delen van Midden- en Zuid-Amerika daarentegen leven zelfs bloedzuigende soorten, waarvan vroeger in de tijd na de ontdekking van Amerkia overdreven fantastische verhalen de ronde deden. Die vampieren zouden zelfs bij mensen bloed zuigen.
Alleen waar is dat ze dieren in ruste aanvallen, weidedieren of de paarden van reizigers, waarbij ze hun vlijmscherpe voortanden in de huid prikken om bloed te drinken. Werkelijk gevaarlijk kan een vampier voor een groter dier niet zijn, want de vampier is zelf maar een fladderaar van zeven centimeter.

Over vleermuizen leer je heel veel, wanneer je ze met de vogels waarmee ze dus op het eerste gezicht verwant lijken, vergelijkt. Maar bij beide is de lichaamsbedekking uiteraard heel verschillend. De vogels hebben een verenkleed dat hen niet alleen tegen afkoeling beschermt, maar zoals bekend voor het vermogen om te kunnen vliegen van de allergrootste betekenis is. Ook de vleugels die de vogels in de lucht houden, bestaan uit veren en met behulp daarvan stuurt hij zijn vlucht rustig en zeker. Een geplukte vogel kan niet meer vliegen. Vogelveren zijn niets anders dan uitgedroogde hoornvormen waarmee de vogel wel kan vliegen, maar niet kan voelen. De vlieghuid die zogezegd bij de vleermuizen in de plaats komt van de veren, is alleen maar een stukje lichaamshuid. Die heeft de fijngevoeligheid van de huid in hoge mate. Daardoor betekent de vlieghuid van de vleermuizen hetzelfde als bij de vogels hun ongekend scherpe ogen. Natuurlijk hebben de vleermuizen eveneens ogen, maar veel ervaringen hebben geleerd dat ze maar slecht kunnen zien.
Een ander zintuig dat bij hen onvoorstelbaar fijngevoelig is, heeft de overhand, de tastzin.


De vlieghuid bevindt zich gespannen tussen het lichaam, de armen en handen waarvan de in-dunne vingers gespreid zijn, De botten van de armen zijn sterk verlengd, zodat de vleermuis met zijn handen veel verder in de lucht kan grijpen dat wij kunnen. De buitengewoon langere vingers zien eruit als de baleinen van een paraplu. Alleen de korte duim is vrij gebleven. Ze hebben een kromme nagel die de vleermuis kan gebruiken wanneer die rondkruipt of langs stenen omhoog kruipt. De vlieghuid loopt verder door naar achter tot de poten en nog verder tot de staart zelfs, zodat het hele achterlijf door een brede vlieghuidzoom omgeven is. Daardoor wordt het totale vliegvlak aanzienlijk groter dan bij vogels.
Ondanks dat kunnen de vleermuizen niet op tegen de vogelvlucht. Zij beschikken bv. niet over de glijvlucht, die de vogels veel besparing oplevert – sommige vogels kunnen urenlang, ja dagenlang met uitgespreide vleugels rustig verder zweven zonder maar een enkele vleugelslag te hoeven maken.
Vleermuizen echter moeten onophoudelijk fladderen om in de lucht te blijven; zo gauw ze ermee ophouden vallen ze naar beneden. Ze worden snel moe en moeten ook steeds weer uitrusten, omdat ze anders buiten adem raken.
Ondanks dat zijn er snelle en behendige vliegers en langzamere en onhandige onder hen. Die verschillen vind je terug in de vleugelbouw. Snelle en behendige vlkiegers hebben, net als dat bij de vogels is, langere en spitsere vleugels. Ze vliegen ook hoger dan de soorten met kortere en bredere vleugels. Een kenner ziet aan het vliegen al welke vleermuissoort het is. Onze snelste en tegelijkertijd behendigste soort is de vroegvliegende vleermuis. Die waagt zich soms al voor zonsondergang naar buiten en jaagt dan, dikwijls nog samen met de zwaluwen, torenhoog met snelle, onverwachte wendingen. Daarom worden ze snel met zwaluwen verwisseld. Anders kun je de vleermuizen wel herkennen aan hun beverige zigzagvlucht.

Het enige jong komt in de lente ter wereld. Het klauwt zich zelfs aan de moeder vast en wordt door deze wekenlang ook op de vlucht meegedragen, zelfs als het zelf al fladderen kan.
Zelfs de voeding wordt op de vlucht gevangen. Je kan zeggen dat waar geen insecten rondviegen, er ook geen vleermuizen zijn.
Alle insectenvretende fladderdieren hebben brede bekken en het gebit zit vol met naaldpuntige tandjes. Ze hebben een reusachtige behoefte aan voedsel, dat verklaart wel waarom ze zo ingespannen vliegen. Van vleermuizen in gevangenschap weet men dat grotere soorten dagelijks makkelijk een dozijn meikevers op kunnen vreten en dan zijn ze nog niet eens verzadigd! Kleinere soorten vreten dagelijks in elk geval 60 vliegen op. Vleermuizen kunnen namelijk vertrouwd raken met je en zelfs uit je hand eten.
Het verteren gaat niet zo nauwgezet, want vleermuizen hebben maar een korte darm.
Zulke hongere vreters houden natuurlijk onder de nachtelijke luchtzoemers een geweldige opruiming. Bovendien moeten ze veel water drinken om niet te verdrogen, bv. tijdens de lange winterslaap.

Zoals bekend heeft ieder dier zijn eigen gezicht, je zou ook kunnen zeggen, een geizhtsuitdrukking, waar we graag naar kijken. Zie je daarentegen vleermuiskoppen, ook die van uitheemse fladderdieren, dan voel je je juist afkerig daarvan. Zou een schilder voorbeelden voor afstotelijke wezens nodig hebben, dan hoeft hij maar in boeken te kijken waarin de koppen van die fladderdieren afgebeeld staan. Daarin zou hij genoeg inspiratie vinden. Als vleermuizen zo groot zouden zijn als andere zoogdieren, dan zouden ze huiveringwekkend en angstaanjagend zijn, bijna als de duivel.
Alleen die brede bek is voor menselijke begrippen al lelijk en juist de op zich al grote, ja vaak zoals bv. bij onze grootoorvleermuis, fantastisch grote oren lopen nog tot aan de mondhoeken door naar beneden. Bijzonder afzichtelijk echter worden de vleermuiskoppen als daar nog alle mogelijke huidverdikkingen, wratten en hoornige eeltknobbels rond de snuit en de neusopening bij komen. In het dierenrijk kun je dat met niets anders vergelijken. Onze inheemse hoefijzerneus staat erom bekend dat hij rond zijn neus een platte hoefijzervorm heeft. 

De gladneuzen hebben in hun gezicht niet zo’n huidvorming, de bladneusvleermuizen wel.
We weten tegenwoordig dat deze ‘neusbladen’ organen zijn van het reukorgaan dat bij de vleermuizen bijzonder fijnzinnig is. Daarom zijn de vleermuizen op deze plaatsen uitermate gevoelig. Als ze daar gewond raken, stoten ze zich overal aan en vallen naar beneden. Sommige kun je door een lichte druk op de neus al doodmaken. Maar in het algemeen is de huid van een vleermuis uitermate gevoelig. Het is, alsof dit fijne gevoel dat wij alleen in onze vingertoppen hebben, bij hen bijna over het hele lichaam uitgebreid is.
Ook de vlieghuid is een wonderbaarlijk tastorgaan. Die is zo goed als naakt, er zitten alleen wat voelhaartjes op die de luchtbeweging aanvoelen. Zo kan de vleermuis met dit gevoel tastend door het volledige duister snel en met zekerheid de weg vinden. Ook zitter er vooral nog voelhaartjes op z’n kop boven de lippen en aan de binnenkant van de oren. Ze kunnen het gezoem in de lucht niet alleen horen, maar bovendien nog door een zintuig voelen waarvan de mens zich maar moeilijk een voorstelling kan maken hoe fijnzinnig en bijzonder dit is. Daarom spreekt men bij vleermuizen zelfs over een bijzonder gevoel voor de lucht en men noemt ze dan in tegenstelling tot de vogels gehoor- en gevoelsdieren. Als een mens al deze bijzondere zintuigen van de vleermuis daadwerkelijk zou begrijpen, dan zou hij de gezichten van de kleine duiveltjes wel kunnen verklaren.

De Italiaanse onderzoeker Lazzaro Spallanzani deed in 1790 al de volgende proef: hij liet vleermuizen waarbij hij de ogen, oren en neusgaten met pleisters afgeplakt had, in een kamer vliegen waarin een soort web van fijn draad was gespannen. De vleermuizen konden niet horen en niet zien, noch iets ruiken en vlogen toch heel snel en zeker door de dradenwirwar, zonder ergens tegenaan te stoten. Alleen hun gevoelszintuig kon hen al helpen om goed uit te komen. Sommige onderzoekers denken zelfs te weten dat de vleermuizen op hun vlucht zachte, voor ons gehoor niet waarneembare kreten slaken. De vleermuis echter neemt de echo waar, denken deze onderzoekers en weet daardoor de weg. Maar als hij zo’n reuzengrote oorschelp heeft dan moet het oor van een vleermuis toch wel heel fijngevoelig zijn! Het inwendige oor kan hij door een bijzonder huidvormig dekseltje afsluiten en daardoor goed beschermen.

Wanner vleermuizen slapen en ze slapen overdag en de hele winter door, dan slaan ze de vleugels als een soort manteltje om zich heen. Ze wikkelen zich zogezegd in hun vlieghuid en gaan met hun kop naar beneden hangen, waarbij ze zich met hun achterpoten ergens aan vasthaken. Zelfs de grote oren worden opgevouwen. In deze houding kunnen ze het maanden uithouden. Het is echt een verrassend, vreemd aandoend gezicht scharen vleermuizen te zien hangen, want sommige hangen zelfs aan elkaar en kunnen dan hele druiventrossen of ballen vormen. Zo samenzitten heeft het grote voordeel dat de vleermuizen elkaar ook een beetje warm kunnen houden. Als ze weg willen vliegen, laten ze zich eenvoudig vallen en spreiden snel hun vlieghuid uit.
Voor een vleermuis die zit of kruipt is het moeilijker in de lucht te komen. Het voortbewegen op een vlakke ondergrond waarbij de klauwduim en voor het schuiven de achterpoten gebruikt worden, kan je alleen maar als onbeholpen kwalificeren, wat weliswaar nog zo snel kan gaan als het trippelen van een muis.
Voor het wegvliegen wordt eerst de hele vlieghuid met een olieachtig smeersel ingevet om deze goed soepel te houden. Het smeersel wordt door klieren afgescheiden die in de kop tussen de neus en de ogen liggen.

Iedere vleermuissoort zoekt een iets andere slaapplaats op. Oude muren en holle boomstammen genieten bij vele de voorkeur, maar leegstaande huizen, verlaten stallen, verborgen donkere hoekjes tussen het gebalkte zijn welkome rustplaatsen. Zelden vind je slapende vleermuizen in rotsspleten. De slaapplaatsen moeten wel bescherming bieden tegen al te harde wind, want de vleermuis is warmbloedig. Dat de slapers zich ook voor roofdieren waarvan de uilen in de eerste plaats moeten worden genoemd, in veiligheid willen brengen, is wel te begrijpen. Door de jaren heen zoeken ze altijd weer dezelfde slaapplaatsen op en daar vind je met de tijd dikke lagen uitwerpselen die voor de tuin een goede meststof zijn.

Het is een wonder dat de vraatzuchtige vleermuizen tijdens de vele maanden durende winterslaap niet verhongeren. Maar gedurende deze tijd vliegen ze niet en van het vliegen krijgen ze de grootste honger. Bovendien heeft de natuur hier  een wonderbaarlijke voorzorgsmaatregel getroffen. De temperatuur van het bloed dat anders bij vleermuizen bijna zoals bij de mens 35° bedraagt, zakt naar 14° of nog lager en het hart klopt iedere drie minuten maar één keer. Is onder dergelijke omstandigheden de behoefte aan voedsel al zo gering, dan heeft de vleermuis ook nog geheime voedselvoorraden voor de winter aangelegd die nu beetje bij beetje verteerd kunnen worden. In de nazomer heeft de vleermuis, wanneer er nog zoveel insecten onderweg zijn, zich stilletjes en heimelijk met een heel aardig vetrantsoen volgevreten. Gedurende die tijd is hij wel een vijfde zwaarder geworden en dat wil wat zeggen. En nu heeft hij het goed, want hij hoeft nu alleen maar zijn eigen vet te verteren, heel, heel langzaam.

Na de winterrust komen de vleermuizen niettegenstaande dat met een groot hongergevoel uit hun schuilplaatsen tevoorschijn en dan zijn ze niet erg kieskeurig. Bij zo’n aanval van grote honger zou onze kleine vleermuis zelfs vogels aanvallen, van hen het bleod drinken en wanneer het mogelijk is ze zelfs opvreten. Ja, onze vleermuis toont met zijn vlijmscherpe tandjes in andere omstandigheden ook een bijtgraag schepsel. Echt, het raadselachtige van deze zeldzame diertjes wordt niet minder, in tegendeel eerder groter wanneer je ze beter wil leren kennen.
Hun nachtelijke manier van leven, hun spookachtig bewegen zijn het misschien wel die ons met vleermuizen steeds het gevoel van griezelig laten verbinden.
Sinds oude tijden wordt de duivel met vleermuisvleugels, in plaats van zoals de engel met vogelvleugels, uitgerust en afgebeeld. In de legende heet het, dat toen God de vogels schiep, de duivel toestemming vroeg er ook een te maken. Hij greep een muis om te veranderen. Maar daaruit werd een vleermuis, een dier van de duisternis.
Maar als we natuuronderzoekers willen zijn, mogen we ons er niet vanaf laten brengen, het eigenaardige te bewonderen en met eerbied tegemoet te treden, dat nu juist de vleermuis ons voor ogen voert, hoewel hij het karikatuurbeeld van een vogel, een vraatzuchtig klein monster, een fladederdier is.
.

*het Duits heeft ‘Riesenfledermaus’, een vertaling daarvan is ‘hondvleermuis’ en die heeft wel een spanwijdte van 170cm.

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1920-1804

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over vertellen (GA 305)

.

Het vak vertellen neemt op de vrijeschool een belangrijke plaats in.
Rudolf Steiner sprak er herhaaldelijk over in zijn pedagogische voordrachten GA 293 t/m 311

De belangrijkste opmerkingen vind je hier uit:

Rudolf Steiner over vertellen

vertellen met een boek in de hand

RUDOLF STEINER OVER VERTELLEN

GA 305/101                 vertaald/5e vdr.

Wir müssen berücksichtigen, daß das Kind in der ersten Zeit seiner Lebensepoche zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife vor allen Dingen noch nicht unterscheiden kann zwischen dem, was inner­lich Mensch ist und demjenigen, was äußerlich Umgebung, Natur ist. Beides wächst noch für das Kind bis zum 9.,/10. Jahre in eines zusam­men. Das Kind fühlt innerlich dieses oder jenes. Es schaut äußerlich, sagen wir, einen Vorgang, die Sonne aufgehen oder dergleichen. Die­selben Kräfte, die es in sich vermutet, wenn ihm  Unlust, Schmerz bereitet wird, vermutet es auch in Sonne und Mond, in Baum und Pflanze. Wir sollen dem Kinde das nicht ausreden. Wir sollen uns hineinver­setzen in das kindliche Lebensalter, und ebenso in de Erziehung vor dem 9. Jahre alles behandeln, wie wenn eine Grenze  noch nicht gezogen wäre zwischen dem Menschen-Inneren und dem  Natur-Außen. Das 305/102 können wir nur, wenn wir den Unterricht möglichst bildhaft gestalten, wenn wir die Pflanzen menschlich handeln lassen, sie mit der anderen Pflanze menschlich sprechen lassen, wenn wir die Sonne mit dem Mond sprechen lassen, wenn wir überall hinein das Menschliche ver­setzen. Man hat heute eine wahre Scheu vor dem sogenannten Anthro­pomorphismus. Aber dasjenige Kind, das den Anthropomorphismus in seinem Verhältnis zu der Umwelt nicht erlebt hat, dem fehlt ein Teil vom Menschsein im späteren Alter, und der Lehrer muß eine Neigung haben, sich nun auch so in die ganze Umgebung lebendig geistig-see­lisch hineinzuversetzen, daß das Kind durchaus mitgehen kann ver­möge dessen, was in ihm vorhanden ist.

Wij moeten er rekening mee houden dat het kind in het begin van de levensfase tussen tandenwisseling en geslachtsrijpheid met name nog geen onderscheid kan maken tussen hetgeen innerlijk tot de mens, en hetgeen uiterlijk tot met milieu, tot de natuur behoort. Die twee vormen voor het kind tot het negende, tiende jaar nog één geheel. Het kind voelt innerlijk dit of dat. Het ziet uiterlijk een of andere gebeurtenis, het opgaan van de zon of iets dergelijks. Dezelfde krachten die het bij zichzelf vermoedt, als het onbehagen of pijn wordt aangedaan, vermoedt het ook bij zon en maan, bij boom en plant. Dat moeten wij het kind niet uit het hoofd praten.
Wij moeten ons verplaatsen in de kinderlijke levensfase en in de opvoeding voor het negende jaar alles zo behandelen alsof er nog geen grens getrokken zou zijn tussen de mens van binnen en de natuur daarbuiten. Dat kunnen wij alleen als wij het onderwijs zo beeldend mogelijk vorm geven, als wij de planten als mensen laten handelen, met andere planten als mensen laten spreken, als wij de zon met de maan laten spreken, als wij het menselijke in alles een plaats geven.
Men is tegenwoordig erg schichtig voor het zogenaamde antropomorfisme. Maar het kind dat het antropomorfisme in zijn verhouding tot de buitenwereld niet heeft beleefd, ontbeert in het latere leven een deel van het menszijn, en de leraar moet ernaar streven zich dan ook zo levendig spiritueel in alles om hem heen te verplaatsen dat het kind hem op vanzelfsprekende wijze daarin kan volgen vanuit hetgeen het in zichzelf heeft.
GA 305/101
Vertaald/5e voordracht

.

Rudolf Steiner over vertellenalle artikelen

Vertellenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

1919-1803

.

.

.

..

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (41)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, lente 2002, nr.9
.
.

De vier bekende prentenboeken van Martin Waddell en Barbara Firth over Kleine Beer en Grote Beer

(Welterusten, Ga je mee, Jij en ik en Goed zo. Kleine Beer) zijn nu gebundeld in een groot boek: Alle verhalen van Kleine Beer. Een onweerstaanbaar boek voor kleine kinderen maar ook voor hun ouders. De zorgzame Grote Beer die altijd zonder veel omhaal maar wel op precies het juiste moment aanwezig is om Kleine Beer te troosten of te helpen, geeft een soort oerbeeld van „bescheiden maar doeltreffend ouderschap.”

Barbara Firth en Martin Waddell: De Verhalen van Kleine Beer

Vanaf 2 jr.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1918-1802

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (13-5)

.

Sterrenkinderen

Zijn kinderen tegenwoordig anders dan twintig jaar* geleden? Als je nu kinderen opvoedt, is dat waarschijnlijk geen vraag die je erg bezighoudt. Toch is het relevant, omdat een toenemend aantal kinderen niet meer blijkt te passen in de bestaande ideeën over opvoeding. Dat kan dikwijls leiden tot flinke frustraties, ook bij ouders. Een gesprek met pedagoog Georg Kühiewind over een nieuwe generatie kinderen.

Petra Weeda, Weleda Puur Kind, herfst 2002* nr.10

Er zijn kinderen waarbij je als ouder het gevoel krijgt het maar niet goed te kunnen doen. Je leest stapels boeken over opvoeding, maar bij jouw kind werken die handleidingen gewoon niet. Niets is zo verdrietig voor een ouder als te merken dat je kind zo anders is dat je hem eigenlijk niet echt begrijpt en hem daarom ook niet kunt geven wat hij nodig heeft. Kinderen die anders zijn brengen niet alleen hun ouders in verwarring. Ook leerkrachten vragen zich vaak vertwijfeld af wat ze met hen aan moeten. Dat komt volgens de Hongaaarse pedagoog Georg Kühlewind doordat de huidige opvattingen over opvoeding en onderwijs er vooral op gericht zijn kinderen te leren zich zo goed mogelijk aan te passen aan de heersende normen en waarden. Met deze ‘andere’ kinderen lukt dat gewoonweg niet. Kühlewind: ‘Het gaat hier om een nieuwe generatie kinderen. Ze schudden ons wakker en maken door hun ongewone gedrag duidelijk dat onze samenleving aan het veranderen is. Als het wel zou lukken deze kinderen makkelijk aan onze verwachtingen aan te passen, zou de cultuur niet veranderen. Dan worden mensen als termieten die door alle tijden heen dezelfde heuvel bouwen. Deze nieuwe generatie kinderen laat ons merken dat de huidige pedagogische inzichten niet meer voldoen en we op zoek moeten naar een nieuwe manier van opvoeden.’

Sterrenkinderen

Georg Kühlewind is zich de laatste jaren steeds intensiever gaan bezighouden met deze zogenaamde ‘nieuwetijdskinderen’. ‘Dat begon,’ vertelt hij, ‘toen ik eens bij het inchecken voor een vliegtuig de blik van een baby zag die me diep trof. Het was absoluut niet de blik van een pasgeboren kind! Eerder die van een wijze, zelfbewuste volwassene. Deze blik liet me niet meer los. Ik merkte dat het geen uitzonderlijk incident was, want dezelfde blik viel me steeds vaker op bij heel kleine kinderen. Net in die tijd verschenen in Amerika de eerste boeken over nieuwetijdskinderen of – zoals ze daar worden genoemd -‘indigokinderen’. Ik realiseerde me dat de kinderen waarvan het oogcontact me zo had geraakt, daartoe behoren en dat we steeds meer met hen te maken zullen krijgen. Het zijn kinderen die niet meer zo goed passen in de bestaande opvattingen over hoe een kind hoort te zijn.’ Sterrenkinderen’ noemt Kühlewind ze en hij schreef een boek over hen: Sternkinder.

In dit in het Duits geschreven en nog onvertaalde boek beschrijft Kühlewind dat een kind voor de geboorte een bestaan kent dat wordt gekenmerkt door het één-zijn met de scheppende krachten. De zin en de betekenis van die krachten begrijpt het volledig. Na de geboorte neemt het uit dat bestaan van voor de geboorte het vermogen mee om te begrijpen en te communiceren. De eerste jaren heeft het de taal daarvoor dus niet nodig. Er is sprake van een soort oercommunicatie met de mensen die hem verzorgen, die oogcontact met hem hebben en naar hem glimlachen. Het leren spreken in woorden en zinnen die betekenis hebben, vloeit direct voort uit dat aangeboren vermogen tot communiceren en begrijpen. Maar met het leren spreken – vooral nadat een kind zichzelf niet meer bij de voornaam noemt maar ik gaat zeggen – neemt het vermogen tot woordeloos begrijpen en intuïtief weten af. Gaandeweg zal het afscheid nemen van het kinderlijke bewustzijn, waarin het zich nog vanzelfsprekend één voelde met de hem omringende wereld. Vanaf nu werkt hij aan het opbouwen van zijn zelfgevoel.

Invasie

Om dat veranderende bewustzijn van je kind te kunnen begrijpen, schrijft Kühlewind, heb je weinig aan theoretische opvoedingsadviezen. Want tegenwoordig maakt ieder kind dat proces op een geheel individuele manier door. Steeds vaker zie je bijvoorbeeld bij kleine kinderen al vermogens die je gewend bent alleen bij volwassenen aan te treffen, terwijl ze als ze ouder worden eigenschappen blijven houden die eigenlijk bij het zeer kleine kind horen. Dat vraagt een andere opvoeding dan we tot nu toe gewend waren en die ontstaat volgens Kühlewind alleen vanuit begrip voor de verschillende manieren waarop kinderen zich kunnen ontwikkelen. Alleen wanneer je goed waarneemt hoe jouw kind dat doet, zul je hem op een bij hem passende manier kunnen opvoeden.

Kühlewind gaat ervan uit dat iedere ouder (en professionele pedagoog) die kinderen wil begrijpen, bereid is ook zijn eigen ontwikkeling ter hand te nemen. Daartoe geeft hij aan het einde van ieder hoofdstuk oefeningen. Sternkinder is dan ook geen boek dat je in een avondje uitleest. Toch was het in Duitsland binnen twee maanden aan een vierde druk toe. Kühlewind: ‘Twintig jaar geleden vormden sterrenkinderen nog een zeldzaam verschijnsel. Nu worden er steeds meer geboren. Je zou bijna spreken van een invasie, niet van science-fictionwezens, maar van mensen die in geestelijke zin al vanaf hun geboorte mondig zijn. Het is alsof ze een eigen ster hebben die hen de weg wijst en waardoor ze contact blijven houden met dat bestaan van voor de geboorte. We zullen met deze kinderen moeten omgaan op een manier die bij de rijpheid van hun wezen past.’

Door je heen kijken

Als ik Kühlewind vraag waaraan je een sterrenkind kunt herkennen, zegt hij haast vermanend dat je ze helemaal niet moet willen herkennen. ‘Je moet ieder klein kind behandelen alsof het een sterrenkind is! Tot op zekere hoogte is ieder kind onder de drie jaar ook een sterrenkind. Want ieder kind wordt geboren met een zekere wijsheid en met een zuiver gevoel voor de betekenis van de dingen. Het weet wat goed is en wil ook het goede doen. Bij uitgesproken sterrenkinderen treden deze eigenschappen alleen zeer duidelijk op de voorgrond. Zo tonen ze vanaf de geboorte een ongewoon soort wijsheid. Het eerste wat je kan opvallen is, zoals gezegd, het zeer nadrukkelijke oogcontact direct na de geboorte. Het is een blik die de wereld al lijkt te begrijpen en dwars door jou heen kijkt. Door iemand heen kunnen kijken, is iets dat alle baby’s kunnen, maar bij sterrenkinderen kun je er als volwassene gewoon niet omheen.

Bij de meeste kinderen verdwijnen deze vermogens zo tussen het tweede en het derde jaar. Het woordloos begrijpen neemt af. Een peuter heeft steeds meer de taal nodig om te communiceren en met het ik-zeggen neemt ook het bewustzijn voor zijn eigen lijf toe. Hij voelt zich niet meer vanzelfsprekend een met zijn omgeving. Gaandeweg begint hij een duidelijk zelfgevoel op te bouwen. Hij merkt echt dat hij een kleine ik is: ik ben hier en daar is de ander. Bij sterrenkinderen blijkt het zelfgevoel na het derde jaar niet te ontstaan of slechts heel teer van structuur te zijn.

Hoewel sterrenkinderen zichzelf vroeg ik noemen, blijven ze een grote gevoeligheid voor hun omgeving houden en het vermogen daarmee te vervloeien. Ze voelen niet de scheiding tussen zichzelf en het andere. Ze nemen daardoor perfect waar wat anderen denken en voelen en kunnen dat al op jonge leeftijd onder woorden brengen. Ook verliezen ze het intuïtieve weten wat goed en waar is niet. Ze hoeven zich dat dus ook niet door opvoeding opnieuw eigen te maken, zoals in een normale ontwikkeling het geval is. Door het zwak ontwikkelde zelfgevoel zijn het vrijwel altijd uitgesproken liefdevolle kinderen met een groot vermogen tot medelijden.’ 

Teleurgesteld

‘Toch hebben sterrenkinderen altijd een uitgesproken eigen karakter. Ze weten wat ze willen en verwachten dat ze daarin worden gerespecteerd. Autoriteit verdragen ze van jongs af aan niet. Vaak weigeren ze gewoon op school te leren. Liever leren ze zichzelf dingen aan en doen dat meestal op ongewone maar doeltreffende manier. Ze verwachten dat je alles met hen bespreekt, ook als ze dat intellectueel nog niet aan kunnen. Ze compenseren het missen van een intellectueel vermogen met groot gevoelsmatig begrip. Ze zijn zeer oprecht, origineel en vaak getalenteerd, maar hebben een afkeer van iedere vorm van toetsen en testen. Straffen werkt bij hen nooit en leidt eerder tot afwijzing van degene die hen strafte. Ze zijn hypergevoelig, zowel waar het henzelf betreft als de mensen om hen heen. Ze raken snel gefrustreerd en kunnen tegenslag slecht verdragen. Bovenzinnelijke ervaringen zijn voor hen heel gewoon. Wanneer mensen hen niet begrijpen, zijn ze gekwetst en teleurgesteld. In de regel zijn ze enorm energiek waardoor ze nogal eens worden verward met ADHD-kinderen. Maar sterrenkinderen kunnen zich wel degelijk concentreren als iets hun volle interesse heeft.’

‘In principe zijn sterrenkinderen geen moeilijke kinderen. Al worden ze dat wel als ze zich niet begrepen voelen of teleurgesteld raken. Voor ieder kind dat zijn zelfgevoel nog niet heeft ontwikkeld – en het egoïsme dus nog niet kent – is het een schok te merken dat de wereld ook zijn lelijke kanten heeft. Sterrenkinderen zijn er extra gevoelig voor omdat ze zich niet makkelijk aanpassen aan een wereld waarin egoïsme een belangrijke drijfveer is. Uit pure teleurstelling en frustratie kunnen ze dan volledig omslaan en kleine duivels worden. Dan heb je met een echt probleemkind te maken en het is niet ondenkbaar dat zo’n kind uiteindelijk de kant van verslaving of criminaliteit op gaat.

In de benadering van sterrenkinderen zijn twee eigenschappen onontbeerlijk: respect en absolute oprechtheid. Als het je daaraan ontbreekt, zul je onvoldoende voor hem open kunnen staan en is teleurstelling onvermijdelijk.’

Protest

Niet alleen sterrenkinderen, maar alles wat je aan kinderen met gedragsproblemen, concentratiemoeilijkheden, dyslexie, hyperactiviteit, ADHD en autistisch gedrag tegenkomt, zou je volgens Kühlewind kunnen beschouwen als het ‘protest van de menselijke ziel’ tegen een samenleving waarin creativiteit, originaliteit en spiritualiteit ondergesneeuwd dreigen te raken Daarom is hij ook zo bevreesd voor de huidige benadering van kinderen met gedrag dat niet binnen de gangbare normen valt. Kühlewind: ‘Momenteel vinden de meeste volwassenen dat zo’n kind niet in orde is en het dus medisch of psychologisch moet worden behandeld. Maar er zijn slechts weinig therapeuten die deze bijzondere kinderen begrijpen. Door de behandeling met medicijnen als bijvoorbeeld ritalin zullen ze zich wellicht beter aanpassen aan onze opvoedingsnormen, maar ze zullen ook killer en gevoellozer worden. Want dit soort medicijnen vernietigt de mogelijkheid contact te houden met je innerlijke bron. Gelukkig wordt er steeds meer over deze nieuwe generatie kinderen bekend en ik hoop dat het scenario van onbegrip en oplossingen met medicijnen snel op de achtergrond zal raken. Een sterrenkind kun je alleen recht doen door je intuïtie en je waarnemingsvermogen zo te scherpen dat je steeds beter zicht krijgt op de weg die bij hem past en die hij in zijn leven zal moeten gaan. Dan kun je het ook opbrengen hem daarin van ganser harte te steunen en te begeleiden.’

‘Fouten,’ zo besluit Kühlewind, ‘zijn onvermijdelijk in de opvoeding. Maar kinderen zijn gevoelige wezens en goed in staat achter de missers jouw werkelijke bedoeling waar te nemen. Ze vergeven je graag je gepruts als je intentie oprecht is.’

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1917-1801

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 4 (4-3-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 67 en 68 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Verschillen in de wezensdelen

Om de overeenkomsten en de verschillen in kaart te brengen van de vier wezensdelen, gaat dat vaak zo:

In het natuurrijk vinden we het aardrijk: de mineralen, gesteenten – het fysieke.
Dat stukje aarde draagt de mens met zich mee in het fysieke lichaam.

We vinden er ook het plantenrijk. De planten hebben alle een fysiek lichaam dat aanwezig is zo lang de plant leeft. Dit stukje van de plantenwereld draagt de mens met zich mee in wat we leven noemen: het levens- of etherlijf.
T.o.v. het fysieke kan je het leven niet ‘een hogere lichamelijkheid’ noemen: het is totaal iets nieuws en dat kenmerkt dit rijk.

We vinden er ook het dierenrijk. De  dieren hebben alle een fysiek lichaam dat aanwezig is zo lang het dier leeft. Wat het dier tot dier maakt, is de wereld van zijn belevingen, zijn gevoelens. Dit stuk van de dierenwereld draagrt de mens met zich mee in wat we een deel van het menselijk zielenleven kunnen noemen.
T.o.v. het leven(de) kan je de be-leving niet ‘een hogere levensvorm noemen: het is 

We vinden er ook het mensenrijk. De mensen hebben allen een fysiek lichaam dat aanwezig is zo lang de mens leeft. De mens heeft evenals het dier belevingen en gevoelens. Wat de mens tot mens maakt, is zijn eigen wereld, die van zijn Ik, het feit dat hij niet alleen bewustzijn heeft, maar over zijn eigen bewustzijn kan reflecteren: zelfbewustzijn.
T.o.v. de belevingen en gevoelens kan je het Ik-beleven als unieke persoonlijkheid niet een ‘hogere’ beleving noemen in de zin van ‘nog meer beleving en gevoelens’, het is volstrekt een nieuw element wat bij de dieren ontbreekt.  Het Ik is totaal iets nieuws en dat kenmerkt dit rijk.
In dit opzicht kan je daarom ook niet spreken van de mens als hoger dier.

Dat kan ook al niet, volgens Steiner, wanneer je naar het fysieke lichaam kijkt:

( ) wissen: so wie der Mensch in seiner Seele umkleidet ist mit dem physischen Leib, so ist auch das Tier mit einem physischen Leib umkleidet, aber der physische Leib des Tieres ist in vieler Beziehung anders gestaltet als der des Menschen. Der physische Leib des Menschen ist nicht eigentlich vollkommener als der des Tieres. 

Zoals de menselijke ziel door een fysiek lichaam omhuld wordt, wordt ook het dier door een fysiek lichaam omhuld, maar het fysieke lichaam van het dier is in velerlei opzicht anders ge­vormd dan dat van de mens. Men kan eigenlijk niet zeggen dat het fysieke lichaam van de mens volmaakter is dan dat van het dier.

Dat een mens in velerlei fysiek opzicht niet zoveel kan als het dier, zou er al toe moeten leiden dat men niet ‘zo maar’ spreekt van de mens als hoger dier. In fysiek opzicht staat de mens vaak lager, als je bij deze terminologie blijft.
Waar het om fysieke prestaties gaat die de mens evenals het dier kan leveren, blijft de eerste ver achter. Letterlijk al, als we kijken naar bijv. de snelheid die sommige dieren kunnen bereiken met rennen:

Hoe knap de perstatie ook is: 100m in 10 sec., het komt niet in de buurt van de 174 km/u die het jachtluipaard haalt. 
Naar welke menselijke lichamelijke prestatie je ook kijkt die je ook bij de dieren kan waarnemen: de mens komt er zeer bekaaid vanaf – een nachtvlinder is al sneller – om niet te spreken van ‘onbeholpenheid’.
En vanuit deze optiek kun je inderdaad niet zeggen dat het lichaam van de mens volmaakter is dan dat van een dier.

Anderzijds kan de mens met zijn lichaam prachtige prestaties leveren: de vingervlugheid van de pianist(e), violist(e) enz. De enorme behendigheid die sporters aan de dag kunnen leggen: de kunstrijders op de schaats, de turners enz. 
Wanneer je deze fenomenen bekijkt, zie je dat waar de mens tot grote lichamelijke prestaties komt, deze niets meer te maken hebben met wat de dieren lichamelijk kunnen: in het dierenrijk vinden we geen turners, snookerspelers, streetdancers of drummers.

En kijk je bijv. naar een triatlon, dan zie je mensen die op drie gebieden heel goed kunnen zijn. Als je dat wil vinden in het dierenrijk, zoek je tevergeefs.
Een dier is goed in één ding; een mens kan goed zijn in veel meer dingen.
Hij kan ook kiezen waar hij voor gaat. Dat is in het dierenrijk volkomen afwezig: daar is geen keuzevrijheid.
Of, zoals Leen Mees zo simpel als treffend opmerkte: ‘een dier doet wat het moet’.

En ‘hoe’ het moet, wordt in zeer sterke mate bepaald door hoe het dier is gebouwd. De vorm dicteert a.h.w. de gedragingen. 

Met deze poten kun je niet in een boom klimmen:

wel uitstekend zwemmen! (poot van zwaan)

En met deze uitstekend klimmen! (poot van eekhoorn)

Aan de vorm kun je zien wat er wel en niet mee kan. Voor een dier bestaat, zoals gezegd, de keuze niet om er ‘dit of dat’ mee te doen. Het doen ligt a.h.w. in het verlengde van de vorm.
Met onze handen en voeten kunnen we beide – wel niet zo goed – zwemmen en klimmen.

Steiner neemt de bever als voorbeeld:

Der physische Leib des Menschen ist nicht eigentlich vollkommener als der des Tieres. Denken Sie an solche aus der Reihe der höheren Tiere, wie an den Biber, wenn er seinen Biberbau formt. Das kann der Mensch nicht, wenn er es nicht lernt, wenn er nicht sogar eine sehr komplizierte Schulung dazu durchmacht, wenn er nicht Architektur lernt und dergleichen. Der Biber macht seinen Bau aus der Organisation seines Leibes heraus. Es ist einfach sein äußerer, physischer Leib so geformt, daß er sich in die äußere physische Welt so einfügt, daß er das, was in den Formen seines physischen Leibes lebt, zur Herstellung seines Biberbaues verwenden kann. Sein physischer Leib selbst ist in dieser Beziehung sein Lehrmeister. Wir können die Wespen, die Bienen, können auch die sogenannten niederen Tiere beobachten und werden in der Form ihrer physischen Leiber finden, daß darin etwas verankert ist, was im physischen Leibe des Menschen in dieser Ausdehnung, in dieser Stärke nicht vorhanden ist.

Men kan eigenlijk niet zeggen dat het fysieke lichaam van de mens volmaakter is dan dat van het dier. Denkt u maar aan de hogere diersoorten, hoe bijvoorbeeld de bever zijn bouwsels vormt. Dat kan de mens niet, wanneer hij het niet leert, wanneer hij niet – op hoog niveau! – ge­schoold is en architectuur en dergelijke bestudeerd heeft. Het bouwwerk dat de bever maakt, wordt bepaald door de bouw van zijn lichaam. Zijn stoffelijke, fysieke lichaam is eenvoudig zo gebouwd, dat de bever zich zo in de fysieke wereld om hem heen voegt, dat hij voor de vervaardiging van zijn bouwwerken kan gebruiken wat in de vormen van zijn fysieke lichaam leeft. Zijn fysieke lichaam zelf is in dit opzicht zijn leermeester. We kunnen wespen, bijen en ook de zogenaamde lagere dieren waarnemen en we zullen vinden dat in de vorm van hun fysieke lichaam iets verankerd ligt, dat in dezelfde omvang, in dezelfde mate niet aanwezig is in het fysieke lichaam van de mens.

Dit ‘iets’ dat daar verankerd ligt en dat in het gedrag van het dier naar buiten komt, moeten we, als we vasthouden aan ‘een binnenwereld die buitenwereld kan worden’ wat we dus onder ‘wil’ rangschikken, dan dus ook ‘wil’ noemen. Met de aantekening dat er eigenlijk niets te willen valt: het dier móet zich zo gedragen. Gedrag in het verlengde van zijn lichaamsbouw: dat is voor Steiner instinct.

In het dagelijks taalgebruik wordt ‘instinct’ niet alleen gebruikt om aan te geven wat er hierboven over werd opgemerkt.

Hier worden een aantal omschrijvingen gegeven. Daaronder ook op een bepaalde manier gedefinieerd, wat Steiner er hier over zegt:
Een instinct is een soortspecifiek en erfelijk vastgelegd gedragspatroon, waarbij ervaring of leren geen rol speelt. Het instinct van een organisme is genetisch vastgelegd, waarbij specifieke actiepatronen (stimulus-respons) optreden als een gebonden keten van reflexen (Eng: fixed action patterns),

Waar Steiner een verschil maakt tussen instinct en drift, wordt dat in het huidige spraakgebruik soms door elkaar gebruikt:

instinct: aangeboren aandrift bij (dierlijke) wezens om onbewust doeltreffend te handelen. Aangeboren, onbewuste, innerlijke drang, natuurdrift.

Het is soms nog lastiger wanneer het in één adem wordt genoemd met ‘intuïtief’. ‘Instinctief voelde hij aan, dat…..’ Wij zeggen dat ook van dieren in de natuur die bijv. ‘weten’ wat ze wél of niet moeten eten. ‘Ze voelen dat instinctief aan.’ Ook Steiner gebruikt instinctief in deze betekenis. In GA 106/152, vertaald, 11e vdr. spreekt hij over de mens die in vroegere ontwikkelingsfasen ook instinctief aanvoelde wat goed of niet goed voor hem was wat voedsel betreft.

In de Algemene Menskunde gaat het hier over kwaliteiten van de wil. Behorend bij het fysieke lichaam, is dat het instinct.

Steiner:

Das ist alles das, was wir umfassen mit dem Begriff des Instinktes; so daß wir den Instinkt in Wirklichkeit nur studieren können, wenn wir ihn im Zusammenhange mit der Form des physischen Leibes betrachten. Studieren wir die ganze Tierreihe, wie sie sich außen ausbreitet, so werden wir in den Formen der physischen Leiber der Tiere überall drinnen die Anleitung haben, die verschiedenen Arten der Instinkte zu studieren. Wir müssen, wenn wir den Willen studieren wollen, ihn zuerst aufsuchen im Gebiete des Instinktes und müssen uns bewußt werden, daß wir den Instinkt auffinden in den Formen der physischen Leiber der verschiedenen Tiere. Wenn wir die Hauptformen der einzelnen Tiere ins Auge fassen und aufzeichnen würden, so würden wir die verschiedenen Gebiete des Instinktes zeichnen können. Was der Instinkt als Wille ist, das ist im Bilde die Form des physischen Leibes der verschiedenen Tiere. Sie sehen, da- durch kommt Sinn in die Welt hinein, wenn wir diesen Gesichtspunkt anlegen können. Wir überschauen die Formen der physischen Tierleiber und sehen darin eine Zeichnung, welche die Natur selbst von den Instinkten schafft, durch die sie verwirklichen will, was im Dasein lebt.

Dat alles vatten wij samen in het begrip instinct. We kunnen dus het instinct in feite alleen bestuderen, wanneer we het in verband brengen met de vorm van het fysieke lichaam. Bestuderen we de dierenwereld in zijn geheel, in al zijn uiterlijke vormen, dan zullen we in de vormen van de fysieke lichamen van de dieren altijd de richtlijn vinden voor de bestudering van de verschil­lende soorten instinct. Wanneer we de wil willen bestuderen, moeten we deze het eerst zoeken op het gebied van het instinct; we moeten ons bewust worden dat we het instinct vinden in de vormen van de fysieke lichamen van de verschillende dieren. Wanneer we de hoofdvormen van de afzonderlijke dieren zou­den bekijken en tekenen, dan zouden we de verschillende ge­bieden van het instinct kunnen tekenen. Wat het instinct als wil inhoudt, dat wordt duidelijk in het beeld dat de vorm van de fysieke lichamen van de verschillende dieren vertoont. Wan­neer we dit gezichtspunt kunnen hanteren, dan krijgt de wereld zin, zoals u ziet. We laten onze blik gaan over de vormen van de fysieke lichamen der dieren en zien daarin een tekening die de natuur zelf maakt van de instincten en waardoor ze wil realise­ren wat er in het bestaan leeft.
GA 293/68
Vertaald/68

Een schema maken kan verhelderend werken. Zoals al vaker opgemerkt: een schema benadrukt de ‘losse’ delen, die echter meestal in een verband staan met elkaar. Bij het schematiseren mag je dat verband eigenlijk niet uit het oog verliezen. 
Ook hier is dat heel belangrijk. Zoals het fysieke lichaam in stand wordt gehouden door het etherlijf, staat dit laatste dus ‘hoger’, doordringt het fysieke lichaam. Het instinct, dus hier gekoppeld aan het fysieke lichaam, wordt óók doordrongen door wat als wil bij het etherlijf hoort. Dat noemt Steiner ‘drift’. Maar nog weer ‘hoger’ vinden we eerst het gewaarwordingslichaam als de omhulling van de gewaarwordingsziel en het wilsaspect dat daar bijhoort, is de begeerte, die op haar beurt de drift doordringt. 

In zijn boek ‘De twaalf driften‘ merkt Frits Julius op:

‘Een van de grootste moeilijkheden van de huidige dierpsychologie ligt in het feit, dat men deze lagen van de wil niet goed weet te onderscheiden. Men kan zonder dit te doen echter nooit een zuivere systematiek van de wilsuitingen ontwikkelen.

In verband met de buitengewone veelvormigheid van het dierenrijk zijn de instincten uitermate gedifferentieerd. Elke instincthandeling apart is veelal scherp omschreven en lokt daardoor tot studie en heldere analyse, maar men komt, wanneer men op de veelheid van de instinct-handelingen ingaat, in een zee van onoverzichtelijke bizonderheden terecht.

Wij nemen dus de driften als uitgangspunt, die veel overzichtelijker en veel gelijkvormiger over het gehele dierenrijk heen zijn. Bijna alle dieren hebben b.v. de behoefte om te eten. Aan deze behoefte ligt een drift ten grondslag. De instincten daarentegen regelen de aard van het voedsel en de wijze, waarop het opgenomen wordt. Zij doen dit bij iedere diersoort verschillend. Dit staat natuurlijk in verband met de bouw van de bek, de tanden, de darmen, enz. Een zoetwaterpoliep, een koe, een zwaluw, stoppen zichzelf telkens vol met deeltjes. Op dit punt lijken zij op elkaar. Dat er ook verschillen zijn merkt men pas goed, wanneer men een koe in de gedachten muggen laat vangen of een zwaluw gras laat eten. Op deze wijze kunnen wij ons oefenen driften en instincten zo scherp mogelijk te onderscheiden.’

Julius: ‘Het instinct is verbonden met bouw en structuur van het lichaam.

Campagne: instinct

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 4 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1916-1800

.

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – nabootsing (14-3)

.

Op deze blog wordt in verschillende artikelen ingegaan op het belang van de nabootsing bij de ontwikkeling van het kleine kind tot mens.

In een artikel over ‘aandacht‘ staat een opmerking van Arie Bos uit zijn ‘Mijn hersenen denken niet, ik wel’, met een illustratie van de hersengroei, of juist het ontbreken daarvan i.v.m. ‘aandacht’.

Enige tijd geleden stond er een artikel in de krant over ‘Oxana, het hondenmeisje’.
Niet mensen waren haar voorbeeld, maar honden.

Op Youtube is te zien hoe zij zich gedroeg. In het commentaar erbij wordt opgemerkt:

‘Kinderen kunnen de gewoontes van de schepselen om zich heen nadoen. Wanneer die schepselen menselijke wezens zijn, worden zij menselijke wezens. Maar, zoals u weet, zij (Oxana) had honden om zich heen, dus werd ze meer een hond dan een mens.’

Het meisje loopt inmiddels rechtop en kan spreken, maar er wordt over haar gezegd: ‘Ze zal nooit als een normaal mens worden beschouwd.’

Een neurowetenschapper zegt:

‘Ik denk echt dat ze van binnen bang zijn, bang van veel; want het brein houdt ons in leven. Het is erg behoudend en iedere neurale activiteit, elke zintuigindruk, elke informatie die nieuw is, wordt gezien als potentiële bedreiging tot het tegendeel is bewezen. En voor deze kinderen, omdat ze niet de ervaringen hebben die het brein helpt systemen te organiseren om de wereld als zinvol te beleven, heeft de wereld nooit zin.’

Als een rode draad loopt het belang van de nabootsing door het pedagogisch werk van Steiner.
Zonder nabootsing van wat in moreel opzicht waard is nagebootst te worden, ontstaat er in de mens geen moraliteit, geen vrijheid – die zo wezenlijk bij de mens horen.

.

N.a.v. dit artikel zegt Miriam Haenen op vrijschool Facebookgroep:

Nabootsing is een van de grootste geheimen. We kennen het woord, denken het te begrijpen, en iedere keer weer ervaar ik diep, hoe er een nieuw fijnzinnige begrijpen zich kan vormen. Als ik iemand wil leren zwemmen, moet/moed ik eerst zelf leren zwemmen. Als een kind op aarde komt en de moed heeft om mens te willen worden, kan het dat alleen maar leren, van de mens die zelf de moed heeft om, ONGOING meer mens te willen worden… Het NABOOTSEN van menswording heeft zijn diepste leerperiode in de ”FORMATIVE” jaren…De eerste zeven jaren. Iedere keer weer kan ik diep geraakt worden in het werken met leerkrachten en opvoeders, hoe krachtig hun eigen ”formative” nabootsing, onbewust doorwerkt in hun werk met… Needless to say, dat dat het allerkrachtigste voor opvoeders in die eerste zeven jaar beweegt, vandaar is een gestage zuivere innerlijke ontwikkeling = een warm moedig bewegen naar vol mens te groeien…” voor opvoeders in deze fase van menswording van nog essentiëler belang als in alle fasen daaropvolgend.
.

Menskunde en pedagogie: over nabootsing onder nr. 14

.

1915-1799

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-5)

.

Op zoek naar de menselijke maat

Hoe groot mag een organisatie worden, om toch nog mensvriendelijk te blijven? Kun je dat met getallen uitdrukken?

Lex Bos, organisatie-deskundige, meent van niet. ‘Ik ga steeds meer ontdekken dat het probleem van de schaal en het vinden van de grenzen, samenhangt met de sleutelwoorden zelfbestuur en associatieve vervlechting’.

Een interview.van Jelle Vermeulen met Lex Bos, Jonas 4, `8-10-1981

In plaats van kleinschaligheid zou je eigenlijk moeten spreken van mensmatigheid. Ik was onlangs met de Griekse mysteriën bezig en stuitte toen op iets heel fascinerends. Als je als leerling de mysterieplaats Delphi binnenkwam, dan stond daar op de poort: ‘Ken Uzelf’. Dat gebeurde dan ook in die mysteriën. Je kreeg steeds meer antwoord op de vraag wie je zelf bent. Als je er dan weer uit ging dan stond er op de andere kant van de poort: ‘Alles met mate’. Dan rijst direct de vraag: welke maat dan? ‘Alles wat ik nu in de buitenwereld ga doen’, dacht de leerling, ‘moet ik aan een maat relateren’. Welke maat? Op die vraag kreeg je antwoord in de mysteriën: ‘De menselijke maat’. De mens is de maat van alle dingen’.

Aan het woord is Lex Bos, medewerker van het NPI (instituut voor organisatie ontwikkeling te Zeist) en schrijver van een groot aantal artikelen over sociale vraagstukken. Als NPI-medewerker houdt hij zich bezig met vernieuwing van sociale structuren van bedrijven en instellingen die een beroep doen op het NPI. Hij draagt de ontwikkeling naar kleinschaligheid (of: mensmatigheid) een warm hart toe. ‘Natuurlijk, als we willen zoeken naar maatschappij-vemieuwende initiatieven, moeten we in de eerste plaats kijken naar kleinschalige initiatieven’.

‘Alles met mate’. Het begrip mensmatigheid is dus niet van gisteren. Van meer recente datum is het gebruik van het woord kleinschaligheid. Met name in de zeventiger jaren, in navolging van de ideeën van Schumacher (Small is beautifull), begon men het idee van kleinschaligheid toe te passen op bedrijfsvoering en sociale organisatievormen. Kleinschalige bedrijfjes schoten overal op als verse sprietjes gras. Nederland mag dan nog wel niet ‘het groene tapijt van Europa’ heten, wel is duidelijk dat een kleinschaligheid bevorderende beweging als Stichting MeMo (Mens en Milieuvriendelijk Ondernemen) de handen vol heeft met het begeleiden van nieuwe kleinschalige initiatieven.

Uit een bericht in de Memo-Krant (nr. 4) blijkt dat ook de werkgeversorganisatie VNO en de vakbeweging (Nijmegen) belangstelling heeft voor kleinschaligheid, vanuit de hoop dat langs deze weg een bijdrage kan worden geleverd aan de oplossing van de werkloosheid. Het woord ‘kleinschaligheid’ is een groene strijdkreet geworden. Otto Munters in genoemde MeMo-Krant: ‘Het ontstaan van de alternatieve beweging in de jaren zeventig kan gezien worden als een eerste manifestatie van de tegenpool van de tendensen naar grootschaligheid, centralisatie en de daarmee gepaard gaande sociale vervreemding, die in de afgelopen decennia sterk overheersend waren’.

Mensen kunnen op zeker moment genoeg krijgen van het werken in grootschalige samenhangen. Aan welke signalen lees je af dat een bedrijf te groot is geworden?

Lex Bos: ‘Ik denk dat dit te maken heeft met het veel gebruikte – en misbruikte -woord vervreemding. Het verschijnsel dat mensen geen relatie meer hebben met het gebeuren om zich heen. Een Amerikaanse socioloog, Robert Blauner, die zelf jarenlang aan de lopende band heeft gestaan, heeft zich hier mee bezig gehouden en komt tot vier soorten van vervreemding: alienation (vervreemding), isolation (afzondering) en powerlessness (machteloosheid). Deze drie vat hij met een accolade samen met het vierde begrip: meaninglessness (zinloosheid). Als je nagaat wat hij onder alienation verstaat, dan zie je dat hij bedoelt dat mensen met hun denken geen verhouding meer hebben met hun omgeving. Dat kan zijn de machine waar hij mee werkt, de organisatie, of het feit dat hij een onderdeeltje maakt voor iets dat hij niet doorziet.

Isolation ligt meer in de gevoelssfeer: geen gevoelsrelatie meer hebben met het product dat je maakt, of met de mensen om je heen. Het kan zijn dat je je een onderdeeltje voelt van een massaal geheel. Powerlessness betekent meer dat je met je wil afgesneden bent van de omgeving. Het reilen en zeilen in een bedrijf kan door een enkeling niet meer reëel worden beïnvloed. Andere mensen hebben de werkvormen gewild, de dag ingedeeld, de werkmethoden vastgesteld, enzovoort. Je voelt je dan ingeklemd tussen wat andere mensen hebben bedacht. Door deze drie verschijnselen voelt het IK zich betekenisloos in het grote geheel staan en kan er geen zin meer in beleven. Dat is meaninglessness. Dit zijn voor mij op het gebied van denken, voelen en willen de signalen dat er een bepaalde schaal overschreden is. Doordat het echter te maken heeft met wat mensen kunnen of niet kunnen, geloof ik dat je niet een bepaalde norm kunt stellen. Voor ieder mens is datgene waarmee het denken een verhouding kan hebben verschillend. Hoeveel kan iemand begrijpen, doorzien?’

Je kunt dan misschien geen normen stellen, toch zal het verschijnsel dat in een bedrijf vervreemding ontstaat samenhangen met de organisatie-vorm ervan. Het hangt niet alleen af van wat individuele mensen kunnen. De ene organisatievorm zal ‘mensmatiger’ zijn dan de andere.

‘Ja, natuurlijk. Al in het voorwoord van ‘Die Kernpunkte der sozialen Frage’ wijst Rudolf Steiner op twee grondprincipes van sociale ordening. Hij wijst op het principe van zelfbestuur en van de associatieve vervlechting. Bij zelfbestuur gaat het om sociale eenheden, zoals productiebedrijven, dienstencentra, scholen, ziekenhuizen, enzovoorts, die een zekere eigen identiteit hebben en zichzelf besturen. Bij de associatieve vervlechting gaat het om de samenhang die al de verschillende, zichzelf besturende eenheden met elkaar hebben. Wanneer je deze twee principes niet in acht neemt ontstaan sociale en economische ordeningen die niet mensmatig zijn.

Ik ben van mening dat wanneer je het principe van zelfbestuur serieus neemt, dat je dan vanzelf ontdekt waar de grens ligt van de schaal. Je ontdekt dan vanzelf wat een bepaalde groep mensen aankan in een bepaalde werkeenheid. Zodra je het principe van zelfbestuur loslaat, kun je hiërarchieën bouwen tot in de hemel en kun je macro-organisaties vormen die bureaucratisch worden bestuurd. Rudolf Steiner zegt niet dat een organisatie kleinschalig moet zijn, maar dat ze zo’n maat moeten hebben dat de mensen het zelfbesturend aankunnen. Als je dan aan een grens komt, moeten er andere organen ontstaan: een tweede school, een tweede therapeuticum in een andere wijk van de stad met een eigen zelfbestuur.

Interessant is hoe al die verschillende, zichzelf besturende eenheden met elkaar in een sociale samenhang komen te staan. Je moet tenslotte rekening met elkaar houden, bijvoorbeeld om te voorkomen dat twee therapeutica, twee scholen of twee tuinders proberen elkaar weg te concurreren. Zelfbestuur wil iedereen wel. Rekening houden met elkaar is veel moeilijker. Essentieel is dat er associatieve vervlechtingen ontstaan, óók om te garanderen dat er geen grootschaligheid ontstaat. Oneigenlijke concurrentie kan er immers toe leiden dat een bedrijf, een organisatie zich sterk maakt en daardoor gemakkelijk een grens overschrijdt’.

Het kleinschalige IK

Lex Bos: ‘Ik heb wel eens het gevoel dat het probleem van de schaal, een grote of een kleine schaal, een heel fundamenteel mensheidsprobleem is. Je zou kunnen zeggen dat de mensen vroeger in een enorme schaal leefden. De mensen leefden in grote dimensies. Men had nog een samenhang met de kosmos, met Wodan in de wolken. De gehele sfeer was nog vervuld van Goden. De menselijke ziel kon nog veel omvatten in de vorm van mythologische beelden. Langzamerhand wordt de mens wakker voor de zintuiglijke wereld en daarmee ontstaat een IK-besef. Het bewustzijn schrompelt samen en wordt puntvormig. Daarmee is de kleinste schaal bereikt. De mens kan net zichzelf omvatten. De vraag is nu: kunnen we vanuit dit punt de wereld weer vermenselijken. Kan ik van mijzelf uit weer een relatie krijgen met een geestelijke werkelijkheid, met een natuurlijke werkelijkheid. We kunnen hier nog maar hele kleine stapjes doen. Het is al een reuze probleem om een relatie met één ander mens aan te gaan, met je levenspartner, je vrienden, om zo’n stukje geestelijke werkelijkheid echt met bewustzijn te omvatten. Ik probeer zo het verschijnsel van de kleinschaligheid te begrijpen vanuit een grotere ontwikkelingssamenhang.’

Je zegt eigenlijk: vroeger was alles grootschalig. Nu zitten we in een kleinschalige fase. En we zijn op weg weer grootschalig te worden.

‘In zekere zin is dat, geloof ik, ook zo. Maar het is wel iets gecompliceerder. Vroeger was het geestesleven veelomvattend. In zijn geest kon de mens veel omvatten. Het economische leven daarentegen was versplinterd in eindeloze, kleine, zelfverzorgende eenheden. In de nieuwe tijd zie je een soort ompoling.
Het geestesleven raakte steeds meer versplinterd tot al die honderdduizenden ikjes die allemaal hun eigen gedachten, gevoelens en plannetjes hebben. Maar tegelijkertijd is een wereldeconomie en een wereldwijde arbeidsverdeling realiteit geworden, waar je alleen nog maar in de allergrootste schaal kunt denken om überhaupt realistisch economisch bezig te zijn. Ik denk dat je die ontwikkeling ook alleen maar als iets positiefs kunt zien. Aan de ene kant is het Ik-bewustzijn ontwikkeld, terwijl aan de andere kant in het economische leven de mensheidsdimensie opdoemt. Ik vind dit een merkwaardige overkruising van het allesomvattende en het begrensde. In het geestesleven zie je een ontwikkeling van het allesomvattende naar de versplintering. In het economische leven precies het omgekeerde.
Ik geloof dat het schaalprobleem nooit zal worden opgelost wanneer we niet vanuit het ‘kleinschalige’ Ik weer grote verbanden gaan zien. Ik denk dat we moeten durven erkennen dat het sociale vraagstuk alleen oplosbaar is wanneer we gaan denken vanuit geestelijke werkelijkheden.’

Iedereen moet dus antroposoof worden?

Aan tal van ontwikkelingen zie je dat mensen de waarheid van een spirituele gedachte kunnen inzien zonder zelf volkomen bewust op de hoogte te zijn van geestelijke samenhangen. Laat ik een voorbeeld noemen. We weten vanuit de driegeleding dat de wetmatigheid voor het economische leven samenwerking is. Je bent afhankelijk van elkaar en hebt met elkaar rekening te houden. Je kunt je dan afvragen: wat zijn voorwaarden voor het samenwerken van kleinere eenheden? Onder andere het vermijden van de noodzaak om te groeien. In onze economie, het westerse kapitalisme, is de heilige koe van de concurrentie een principe dat daar dwars tegenin gaat. Terwijl de werkelijkheid om samenwerking vraagt, moeten we concurreren met elkaar. De enige manier om dan toch samen te werken is fuseren. De fusie-golf in de zestiger jaren is eigenlijk een karikatuur van het besef dat we eigenlijk met elkaar moeten samen werken. Omdat dat niet mag, is de enige mogelijkheid het scheppen van grotere samenhangen waarbinnen samenwerking kan worden afgedwongen. Zo kwam men vanuit de behoefte tot samenwerking tot grootschalige eenheden, waarvan we de gevaren nu kunnen waarnemen. Van daaruit en aanknopend bij bijvoorbeeld de kleinschaligheidsgedachte, kun je wel degelijk komen tot een sociale orde op basis van spirituele gezichtspunten. Men zal er vanuit een al dan niet helder doordacht besef ja tegen kunnen zeggen, omdat het aanknoopt bij wat men zelf wil’.

Establishment en subcultuur

Je ziet in zelfbestuur en associatieve vervlechting twee principes op basis waarvan het sociale leven vernieuwd zou kunnen worden. Als je zoiets vindt kijk je natuurlijk om je heen met de vraag: waar kan ik bij aanknopen. Ik heb de indruk dat je dan terecht komt bij de kleinschalige beweging in Nederland, en niet bijvoorbeeld bij de grote vakorganisaties.

‘Ik denk niet dat het zin heeft om met de FNV als organisatie hierover van gedachten te wisselen. De vakbeweging is als organisatie dermate grootschalig geworden, dat ik daar weinig van verwacht. Maar aan de andere kant is het natuurlijk zo dat je in gesprek kunt komen met individuen die in de FNV werkzaam zijn. Als je daar mee praat kom je twee dingen tegen: het grote apparaat, waar zo iemand niet meer dan een onderdeeltje van is, maar ook de mens zelf. En die kan zeggen: ik geloof dat je helemaal gelijk hebt. Door zo’n ontmoeting kunnen dingen in beweging worden gebracht. Maar dat zijn wel langademige processen, die er misschien aanleiding toe kunnen geven dat er op de duur gedachten ontstaan over bijvoorbeeld loskoppeling van arbeid en inkomen, meer decentralisatie, meer inspraak enzovoorts.
Het is natuurlijk wel een hele spannende vraag waar in de huidige tijd de kansen liggen voor de driegeleding. In de loop van de decennia zijn de mogelijkheden en constellaties veranderd. Rudolf Steiner heeft zich in de jaren voor 1919 gericht op politici en mensen die op plekken stonden waar ze veel invloed hadden. Op zeker moment heeft hij gezegd dat zo’n werkwijze geen zin meer had en dat alle troeven gezet moesten worden op de Waldorfschool, in de hoop dat een nieuwe
generatie wel oren zou hebben naar de ideeën van de sociale driegeleding. In de zeventiger jaren is de beweging ontstaan dat de dingen in het klein moesten gebeuren, onafhankelijk van de grootschalige samenleving. Robert Jungk bijvoorbeeld meende dat het geen zin meer had om in gevecht te blijven met grote establishment groeperingen en pleitte voor ‘Werkstatte der Zukunft’, voor een subcultuur die zich ontwikkelde onafhankelijk van het establishment.
Ik denk dat het om een wakkerheid vraagt om waar te nemen waar de openingen zijn.
Ik zou de mogelijkheid om vanuit het establishment te werken niet willen afwijzen. Ik denk dat het erg belangrijk is om te blijven praten over de grote samenhangen, de grote concepties vanwaaruit je kunt komen tot sociale vernieuwing. In de subcultuur en in de kleinschalige beweging zie ik het gevaar dat de kleine, zelfverzorgende initiatieven in het slop raken, verburgerlijken ook, doordat er niet vanuit de grote samenhangen wordt gedacht. Daardoor ontbreekt vaak een stootkracht naar het vernieuwen van grotere sociale verbanden. Je kunt wel degelijk verzanden in een situatie waarin iedereen zich stort in zelfbestuur en zelfverzorging, zonder dat de grotere samenhangen worden gezien’.

Ook het NPI houdt zich bezig met het vernieuwen van sociale structuren. Waar knoopt het NPI bij aan? Bij grote, gevestigde instellingen, of bij de kleinschalige wereld?

Het NPI werkt op twee terreinen. Aan de ene kant zeggen we dat we moeten aanknopen bij het gewordene, om die wereld van binnen uit om te vormen. Dat is een therapeutische bezigheid. Daarnaast zien we het als onze opgave om – waar mogelijk – alternatieve initiatieven te helpen ondersteunen. Voor een groot deel gaat dat in je vrije tijd zitten. Maar voor een deel ook in de urenbesteding voor het NPI. Dat is een beetje een probleem aan het worden. Heel wat werkuren van NPI-ers gingen zitten in het werk aan alternatieve initiatieven. Maar dat brengt allemaal geen cent op. Hooguit worden de reiskosten vergoed. Maar daar kun je niet van leven. De basis van het NPI-werk wordt toch mogelijk gemaakt doordat we werken voor ondernemingen die wel financiële mogelijkheden hebben. Dit probleem is ook wel aanleiding geweest om te zoeken naar fondsen die aangeboord kunnen worden om toch het werk in de alternatieve sfeer te kunnen doen’.

Kansen voor de driegeleding en voor de ideeën van zelfbestuur en associatieve vervlechting, verwacht je in de eerste plaats natuurlijk binnen de antroposofische beweging. En inderdaad wordt op allerlei terreinen gezocht naar vernieuwende sociale-economische strukturen. De Triodos Bank (‘Bewust omgaan met geld’), de therapeutica, de verdeelcentra en winkels van biologisch-dynamisch voedsel, enzovoorts. Maar daarnaast zie je binnen de antroposofische beweging het verschijnsel dat wél gewerkt wordt aan bijvoorbeeld een nieuw product, maar dat de sociale vorm waarin dat gebeurt niets nieuws heeft.

‘Het omgekeerde kom je ook tegen. Een macrobiotisch winkeltje met oude oosterse gedachten over voeding, maar met een sociale vorm die heel interessant en vernieuwend is. Als je ziet hoe zulk soort winkeltjes vaak bezig zijn met het zoeken naar nieuwe verhoudingen tussen winkelier en consument, naar associatieve vervlechtingen…

Het is een probleem waar ik veel mee bezig ben, maar waar ik nog niet echt zicht op heb.
Je loopt er voortdurend tegen aan. Wat te zeggen van een Vrije School met een autoritaire sociale vorm? Wat het feit betekent dat vorm en inhoud, sociale structuur en product, niet vanuit dezelfde geestelijke achtergrond tot stand komen, vind ik een heel spannend probleem. Wat betekent dat in spiritueel opzicht, nieuwe wijn in oude zakken, en omgekeerd? Ik heb daar nog niet echt zicht op. Misschien dat er twee ingangen zijn tot de vernieuwing, een via de vorm en een via de inhoud. Mijn gevoel zegt me wel dat de mensen er zich op zeker moment bewust van worden. Mensen gaan merken dat een nieuwe pedagogie vraagt om een sociale structuur die daar bij hoort, die vanuit eenzelfde geest stamt. Je ziet wel eens dat mensen vanuit de kant van de pedagogie komen op de noodzaak van een nieuwe salarisstructuur. Het omgekeerde heb ik nog niet zo gemerkt, dat mensen vanuit een nieuwe sociale vorm zeggen: daar past toch geen macrobiotisch product in?

Maar hoe dat mechanisme precies werkt dat de wijn en de zakken niet met elkaar in overeenstemming zijn, weet ik niet precies. Misschien heeft het wel met de schaal te maken. Als je bijvoorbeeld als handelscentrum niet start met een echt associatieve samenwerkingsvorm in het economische, kan dat leiden tot een grootschaligheid, die op zijn beurt weer leidt tot massaficering, waardoor uiteindelijk de kwaliteit van het product weer wordt benadeeld. Klanten gaan dan aan de bel trekken enzovoort. En als je dan de oorzaak daarvan opspoort, kom je toch weer terecht op de sociale vorm. Ik ga steeds meer ontdekken dat het probleem van de schaal en het vinden van de grenzen, samenhangt met de sleutelwoorden zelfbestuur en associatieve vervlechting.’

.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

.

1914-1798

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 4 (4-3)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

over de wil – vervolg

Deze voordracht gaat vooral over de wil.
Als het over de wil gaat, is deze bij Steiner onlosmakelijk verbonden met ‘toekomst, met wat nog komen moet: o.a. wil als nog niet uitgevoerd gevoel [4-1] en in het veelvuldig karakteriseren: teruggehouden gevoel;

kijk je naar de fysieke kant: het steeds zich vernieuwende bloed;
kijk je naar de geestelijke kant: de scheppende gedachtestroom van de fantasie, van het creëren;

de ideeën in een soort ‘status nascendi’. Het verwezenlijken = verwerkelijken, het woord zegt het al – van de wil, betekent dat ‘iets’ in verschijning treedt, werkelijkheid wordt, aards wordt, concreet, wat zonder beweging, activiteit, niet tot stand komt.

Deze ‘in-de-wereld-plaatsing’ legt Steiner nu a.h.w. langs de negen- of zevenledige mens – zie voor een uitgebreide uiteenzetting de artikelen van [1-7-2]

Ik heb in de verschillende psychologische gezichtspunten van anderen geen indeling van de wil kunnen vinden die zo direct met de verschillende aspecten van het menselijk zijn samenhangt, dan die Steiner naar voren brengt.

Bij ieder wezensdeel waarmee we ‘iets’ in de wereld zetten – grofweg gezegd: waarmee we onze wil manifesteren, geeft Steiner een speciale nuancering van de wil bij dit wezensdeel. 

Tegelijkertijd komt hij hiermee over de dieren te spreken. Zij zijn het immers die in de vier natuurrijken: mineraal, plant, dier en mens, het eerste rijk zijn waarbij sprake is van een beweging van binnen naar buiten. In ander verband werd opgemerkt dat de dieren – niet de gesteenten en de planten – een ziel hebben en ‘ziel’ werd al gekarakteriseerd als ‘het vermogen om de binnenwereld tot buitenwereld te maken’.
En aangezien wij als mens een deel van de ziel gemeenschappelijk hebben met de dieren, is dus de logische consequentie dat iets opmerken over de menselijke wil ook inhoudt dat je iets opmerkt over de dierlijke wil. Of weer anders gezegd: over het naar buiten komen van het dierlijke gevoel, van wat de dieren beleven en de manier waarop ze die belevingen vertonen.

Steiner komt tot deze indeling:

GA 293/72   
Vertaald/71

Ook hier gelden weer zijn opmerkingen over het eigenlijk niet kunnen indelen van wat er zich in een levend organisme afspeelt: zie [1-7]

Man darf, wenn man mit seinem Erkennen in die Wirklich­keit hineingehen will, niemals schematisieren, niemals die Ideen nur nebeneinander setzen, sondern man muß sich klar sein, daß in der Wirklichkeit alles nur so betrachtet werden kann, daß irgendwo etwas als das Hervorstechende erscheint, daß aber die übrigen Elemente der Wirklichkeit darinnen leben, und daß überall, was sonst im Hinter­grunde sich hält, wiederum an einem anderen Orte der Wirklichkeit das Hervorstechendste ist und das andere sich im Hintergrunde hält.

Je mag, wanneer je met je kennis in wil gaan op de werkelijkheid, nooit schematiseren, nooit de ideeën naast elkaar zetten, maar het moet duidelijk zijn voor je, dat in de werkelijkheid alles alleen maar zo bekeken kan worden dat er op de een of andere manier iets te voorschijn komt dat het meest opvalt, dat echter wel de overige elementen van de werkelijkheid daar ook in zitten en dat overal waar anders iets op de achtergrond blijft, dit aan de andere kant op een ander terrein van de werkelijkheid het meest opvallende is en dat het andere dan op de achtergrond komt te staan.
GA 202/58
Vertaald

Vanaf 4-3-1 wordt er nader ingegaan op deze ‘metamorfosen van de wil’:
Instinct
drift
begeerte
motief
wens
voornemen
besluit

.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 4: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen
.

1913-1797

.

.

.

.

.