VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – GA 309 – vragenbeantwoording (3)

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

 

GA 309: vertaling
inhoudsopgave;  voordracht  [1]  [2]   [3]  [4]   [5]
vragenbeantwoording [1]
vragenbeantwoording [2]
toespraak nog niet oproepbaar

RUDOLF STEINER

UITGANGSPUNTEN VAN HET VRIJESCHOOLONDERWIJS

5 voordrachten gehouden in Bern van 13 t/m 17 april 1924, met beantwoording van vragen en een toespraak bij een pedagogische euritmie-opvoering.(1)

Vragenbeantwoording na de voordracht van 17 april 1924
van Dr. Kolisko: ‘Pedagogie en geneeskunde’

blz. 100

Frage:    Welche Schädigung bewirkt die Forderung des beständigen Stillsitzens?
Die schädlichen Folgen werden in dem auftreten, was man als eine Art von Nervosität des Kindes bezeichnen kann; denn der ätherische Leib bleibt nicht ruhig. Wenn auch der physische Leib beständig still-sitzt, so tritt fortwährend eine Disharmonie auch zwischen dem astra­lischen Leib und dem physischen Leib ein, und es wird die Folge sein, daß in späterer Zeit in allem Stoffwechsel Störungen, sogar Zirkula­tionsstörungen auftreten und dergleichen. Es wird sich einfach für den Lehrer und Erzieher, der Menschenkenntnis hat, von selbst ergeben, wie weit er zu gehen hat mit der Forderung des Stillsitzens, oder wie weit er liberal sein kann.

Vraag:
Welke nadelige gevolgen heeft het voortdurend moeten stilzitten?

De nadelige gevolgen zullen zich vertonen in wat je een soort zenuwachtigheid bij het kind zou kunnen noemen; want het etherlijf blijft niet rustig. Wanneer het fysieke lichaam voortdurend stilzit, is er een voortdurende disharmonie tussen het astraallijf en het fysieke lichaam en het gevolg daarvan is dat op latere leeftijd in de stofwisseling stoornissen, zelfs circulatiestoornissen e.d. zich voordoen. Voor de leerkracht en opvoeder die de mens kent, zal vanzelf blijken hoe ver hij moet gaan met de eis tot stilzitten, of hoe vrij hij dit laten kan.

Frage:    Die erzieherische Behandlung moralischer Defekte des Übergangsalters,
zum Beispiel Lügenhaftigkeit.
Gerade bei solchen moralischen Defekten wird man in die Lage kommen, dieses Ihnen eben geschilderte Zusammenwirken von medi­zinischem Denken und pädagogischem Denken anwenden zu müssen. Dasjenige, was als moralischer Defekt zutage tritt – was man zunächst in der verschiedensten Art beschreiben kann -, das wird oftmals zu­rückgehen auf ganz bestimmte Pathologien, auf ganz bestimmte De­fekte, krankhafte Bildungsprozesse im Organismus. Es müßte eigent­lich – das kann nicht des weiteren ausgeführt werden – einleuchtend sein, daß der Mensch in seinem Zentrum, in demjenigen, was sein ewi­ger Wesenskern ist, nicht zu solchen Defekten neigen kann; daß solche Defekte zusammenhängen einerseits mit dem, was als physische Orga­nisation da ist, und auch mit demjenigen, was da ist dadurch, daß der Mensch in wiederholten Erdenleben auftritt und aus früheren Erden-leben die Bedingungen hat in die folgenden Erdenleben hinein. Bei der Beurteilung von moralischen Defekten, sagen wir bei Lügenhaftigkeit, wird es sich darum handeln, erstlich darauf zu kommen, ob irgendeine

vraag:
De pedagogische behandeling van morele tekortkomingen [1]

Juist bij zulke morele tekortkomingen raak je in een positie die net voor u geschetst werd waarin samenwerken van medisch en pedagogisch denken toegepast kan worden.
Wat zich als een morele tekortkoming voordoet – wat je om te beginnen op de meest uiteenlopende manieren kan beschrijven – zal dikwijls teruggaan op zeer bepaalde pathologieën, op zeer bepaalde afwijkingen, ziekelijke vormprocessen in het organisme. Het zou eigenlijk – dat kan verder niet behandeld worden – begrijpelijk moeten zijn, dat de mens in zijn centrum, in wat zijn eeuwige wezenskern is, geen aanleg heeft voor dergelijke afwijkingen; dat dergelijke afwijkingen enerzijds samenhangen met het gegeven van het fysieke organisme en ook met het gegeven dat de mens in opeenvolgende aardelevens leeft en uit vorige incarnaties omstandigheden meebrengt naar het volgende aardeleven. Bij de beoordeling van morele afwijkingen, laten we zeggen bij leugenachtigheid, zal het erom gaan eerst erachter te komen of de een

blz. 101

physische Schwächung des Organismus durch ein krankhaftes Organ oder dergleichen vorliegt. Dann wird man sich sagen müssen: Durch dieses Werkzeug – wenn ich mich so ausdrücken darf -, das mangelhaft ist, ist einfach das Kind nicht in der Lage, so viel Kraft zu entwickeln, als, sagen wir, aufgebracht werden muß, wenn die Wahr­haftigkeit zum Vorschein kommen soll. Lügenhaftigkeit besteht sehr häufig in einer Schwäche; man muß darauf kommen, wo diese Schwä­che ihren Grund hat.
So wird man zunächst einmal medizinisches Denken anzuwenden haben. Man wird dann, wenn man in dieser Beziehung nichts Beson­deres findet, eigentlich erst eingehen darauf, zu sagen: Da liegen drin in der seelischen Umhüllung, meinetwillen könnte man sagen, irgend­welche Defekte vor. In diesem Falle wird es sich darum handeln, auch das, was durch physische Defekte herauskommt, durch eine seelische Behandlung zu beeinflussen. Da wird es sich darum handeln, daß man gewisse Impulse in dem Kinde erzeugt, die nach der Wahrhaftigkeit hin arbeiten. Zum Beispiel haben wir sehr gute Erfolge erzielt bei lü­genhaften Kindern, wenn man ausarbeitete Erzählungen, in denen sich die Lügenhaftigkeit selber ad absurdum führt, wo die in der Erzählung offenbaren Lügner durch Scheinschicksale zu Schaden kommen. Wenn das Kind in der mannigfaltigsten Variation solche Erzählungen be­kommt, recht anschauliche Abbilder, möglichst so, daß man die Affekte, ich möchte sagen, spüren kann, daß sich irgend jemand zum Beispiel den Schädel einschlägt dadurch, daß er lügenhaft ist, oder in irgendeiner anderen Weise recht lebendig das Auftreten der Lüge ad absurdum geführt wird – dadurch kann man schon Erfolge erzielen. Ganz allgemein werden auch Erfolge erzielt, wenn man immer wie­derum das Sympathische der Wahrhaftigkeit in solchen Zusammen­hängen hinstellt wie die, welche für die moralische Erziehung ganz allgemein in diesen Vorträgen ausgeführt worden sind.

andere lichamelijke zwakte van het organisme door een ziekelijk orgaan o.i.d aanwezig is. Dan zou je moeten zeggen: Door dit instrument – als ik me zo mag uitdrukken – dat gebrekkig is, is een kind eenvoudigweg niet in staat, zoveel kracht te ontwikkelen als, laten we zeggen, opgebracht moet worden, wil de waarheid tevoorschijn komen. Leugenachtigheid bestaat vaak uit een zwakte; je moet erachter komen waar deze vandaan komt.
Zo zal je dus eerst het medisch denken moeten gebruiken. Je gaat, wanneer je op dit gebied niets bijzonders vindt, eigenlijk dan pas in op wat er in de psychische omhulling aan afwijkingen kan voorkomen. In dit geval gaat het erom ook wat door fysieke tekortkomingen aan het licht komt, door een psychische behandeling te beïnvloeden. Dan gaat het erom in het kind bepaalde impulsen op te wekken die naar waarachtigheid tenderen. Wij hebben bijv. zeer goede resultaten geboekt bij leugenachtige kinderen door verhalen te maken waarin de leugenachtigheid ad absurdum gevoerd werd, waarbij in de vertelling de flagrante leugenaar er door allerlei schijnbare lotgevallen bekaaid vanaf kwam. Wanneer het kind met de meest uiteen lopende variaties dergelijke verhalen krijgt, met goed in te leven beelden, als het mogelijk is zo, dat je de impact kan merken – dat bij de een of ander de kop ingeslagen wordt omdat hij een liegbeest is of op weer een andere manier waarbij de leugen ad absurdum gevoerd wordt – daar kun je al succes mee hebben. Heel algemeen kun je ook resultaat boeken, wanneer je steeds weer het sympathieke van de waarheid in zo’n samenhang voorstelt zoals dat wat de morele opvoeding betreft in zijn algemeenheid in deze voordrachten uitgewerkt is.

Frage:    Wie verhalten sich die Lehrer der Waldorfschule, wenn das Kind die
Frage stellt: Ist das eine wahre Geschichte?

Solche Dinge werden vorkommen; aber in der Mehrzahl der Fälle wird man das Richtige dadurch machen, daß man sich frägt: Habe ich

Vraag:
Hoe gaan de leerkrachten om met de vraag van een kind: is dit echt gebeurd?

Dat komt wel voor; maar in het merendeel van de gevallen doe je er goed aan je af te vragen: heb

blz.102

denn nun auch so erzählt, daß das Kind gefühlt hat, ich glaube an die Wahrheit der Legende selber? – Da wirken wirklich Imponderabilien. Wenn man das Märchen erzählt mit der Gesinnung: Ich bin furchtbar gescheit; ein gescheiter Mensch glaubt nicht an die Märchen; das Kind ist furchtbar dumm, daher kann ich ihm Märchen erzählen – man braucht sich das nicht immer ausdrücklich vorzusagen, aber indem man das eigentlich im Gefühl hat, wird man gar nicht auf das Kind wirken. Wenn man aber den Bildinhalt des Märchens selber als eine Wahrheit fühlt – und das kann man -, dann wird man schon so erzäh­len, daß man gerade durch dieses Wahrheitsgefühl in der Erzählung auch solche Dinge besiegen kann.

ik dan dan ook zo verteld, dat het kind gevoeld heeft dat ik zelf de waarheid van de legende geloof? [2] – Daar hebben we echt te maken met de onweegbare zaken.
Wanneer je een sprookje vertelt met de stemming: ik ben echt knap; een knapperd gelooft niet in sprookjes; een kind is vreselijk dom, dus die kun je wel sprookjes vertellen – je hoeft dat niet steeds nadrukkelijk uit te spreken, maar wanneer je dat eigenlijk voelt, maak je geen indruk op een kind. Wanneer je echter de beeldinhoud van het sprookje [3] zelf als waarheid beleeft – en dat kan – dan zal je ook zo vertellen dat je juist door dit waarheidsgevoel met het vertellen zulke dingen overwint.

1) GA 309: Anthroposophische Pädagogik und ihre Voraussetzungen
De uitgave op de site is van 1972 – die is ook hier gebruikt.

[1] er staat ‘des Übergangsalters’
Omdat er nergens verwezen wordt naar een bepaalde leeftijd of naar de overgang van de ene leeftijd naar de andere, heb ik dit onvertaald gelaten.

[2] Rudolf Steiner over vertellen

[3] De beeldentaal van de sprookjes

 

1056

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

9 Reacties op “VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – GA 309 – vragenbeantwoording (3)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – vindplaatsen | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 309 – voordracht 4 | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – GA 309 – vragenbeantwoording (2) | VRIJESCHOOL

  4. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – GA 309 – vragenbeantwoording (1) | VRIJESCHOOL

  5. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 309 – voordracht 5 | VRIJESCHOOL

  6. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 309 – voordracht 3 | VRIJESCHOOL

  7. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 309 – voordracht 2 | VRIJESCHOOL

  8. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 309 – voordracht 1 | VRIJESCHOOL

  9. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 309 – inhoudsopgave | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s