Categorie archief: Rudolf Steiner

Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-4-2)

.

Men kan er niet mee volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar men moet dit onderwijs vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.
Rudolf Steiner, wegwijzer 12

.

In ‘bijzondere tijden’ ging het o.a. over ‘de sociale driegeleding‘, Rudolf Steiners visie op de maatschappij.

In de daarbij behorende artikelen 1-4-1/1;  1-4-1/2; 1-4-1/3 volgde een bewerkte vertaling van een van Steiners verhandelingen over deze driegeleding.

In dit artikel is Steiner opnieuw aan het woord.
Het verscheen in het blad Jonas, in 1982. Zoals daarin wordt aangekondigd ‘heeft het verrassende overeenkomsten met de huidige (=1982) tijd. Maar die verrassende overeenkomsten  zullen blijven bestaan (2017: kenniseconomie), zolang de visie op ‘vrij geestesleven’ en dus op het bestaan van ‘vrijescholen’ niet essentieel is veranderd. 

VrijeSchool en driegeleding

Zelfbestuur noodzakelijk voor school en onderwijs

‘Waar het in deze tijd om gaat, is om de school geheel en al in een vrij geestesleven te verankeren’. Dit schreef Rudolf Steiner omstreeks 1920, een tijd die wat de onderwijsproblematiek betreft, verrassende overeenkomsten heeft met de huidige.

De discussies rond de Wet op het Basisonderwijs tonen aan dat de hamvraag nog steeds uiterst actueel is: moet het onderwijs worden beschouwd als een staats-aangelegenheid?

Het artikel werd vertaald door Edithe Boeke en verscheen eerder in het maartnummer van Driegonaal, tijdschrift voor sociale driegeleding. (Waarin in het nu=2017 niet meer oproepbaar is).

Rudolf Steiner:
De openbare verzorging van het geestesleven in opvoeding en school is de laatste tijd steeds meer tot staatsaangelegenheid geworden. Het is tegenwoordig zo diep in het bewustzijn van de mensen geworteld dat de staat de schoolaangelegenheden dient te behartigen, dat iemand, die meent aan deze mening te moeten tornen, voor een wereldvreemde ‘ideoloog’ wordt aangezien. En toch doet zich juist op dit gebied van het maatschappelijke leven iets voor, dat met de grootste ernst in overweging genomen zou moeten worden. Want allen, die op de hiervoor aangeduide manier over ‘wereldvreemdheid’ denken, hebben er geen vermoeden van, wat voor wereldvreemde zaak zij zelf verdedigen!

Ons onderwijs vertoont bij uitstek het soort eigenschappen, dat kenmerkend is voor die stromingen in het cultuurleven van de tegenwoordige mensheid, die tot ondergang gedoemd zijn. De nieuwere staatsvormen hebben zich met hun sociale structuur niet ontwikkeld in overeenstemming met de eisen van wat er werkelijk leeft. Ze vertonen bijvoorbeeld een organisatie die niet toereikend is voor de economische verlangens van de mensen in deze nieuwe tijd. En zo hebben deze staatsvormen ook het onderwijs – nadat ze het eerst aan de zorg van religieuze gemeenschappen ontrukt hebben, en vervolgens geheel van henzelf afhankelijk maakten – dit stempel van achterlijkheid opgedrukt. Op ieder niveau leidt de school de mensen op tot het soort prestaties, dat de staat nodig heeft. In de inrichtingen van de scholen spiegelen zich de behoeften van de staat. Er wordt weliswaar veel over ‘streven naar algemene vorming’ gesproken, en dergelijke; maar de mens van tegenwoordig voelt zich onbewust zo sterk een lid van de bestaande orde, dat hij helemaal niet merkt dat hij wel over algemene vorming spreekt, maar eigenlijk de vorming tot een bruikbaar staatsdienaar bedoelt.

In dit opzicht belooft ook de gezindheid van de socialistisch-denkenden van tegenwoordig niets goeds. Men wil de oude staat omvormen tot één grote economische organisatie. De staatsschool moet zijn voortzetting vinden in die organisatie.

Maar zo’n voortzetting zou alle feilen van de tegenwoordige school op de meest bedenkelijke wijze vergroten. Tot nu toe was er in de scholen nog veel dat afkomstig was uit tijden, waarin de staat nog niet de heerschappij over het onderwijs voerde. Natuurlijk kunnen wij het overwicht van een geestesleven, dat uit voorbije tijden stamt, niet terugwensen. Maar we zouden ernaar moeten streven de nieuwe geest van de zich verder ontwikkelende mensheid in de school binnen te dragen. En van deze moderne geest zal in de scholen geen sprake zijn, wanneer men de staat in een economische organisatie verandert; en daarbij de school zodanig omvormt, dat daaruit mensen voortkomen die de best bruikbare arbeidsmachines in deze economische organisatie kunnen zijn.

Eenheidsschool
Men heeft het tegenwoordig veel over een ‘eenheidsschool’. Dat men zich theoretisch bij deze eenheidsschool iets heel moois voorstelt, daarop komt het niet aan! Want wanneer men de school tot een organisch lid van een economische organisatie vormt, dan kan zij niet iets moois zijn.

Waar het in deze tijd om gaat, is om de school geheel en al in een vrij geestesleven te verankeren. De inhoud van onderwijs en opvoeding dient uitsluitend ontleend te worden aan inzicht in de opgroeiende mens en zijn individuele aanleg. Waarachtige antropologie moet de basis vormen voor onderwijs en opvoeding.

Er moet niet van de vraag worden uitgegaan: wat moet iemand weten en kunnen ten behoeve van de bestaande sociale orde. Maar de vraag die gesteld moet worden is: wat voor aanleg heeft iemand en wat kan in hem of haar ontwikkeld worden? Dan pas zal het mogelijk zijn steeds nieuwe krachten vanuit de opgroeiende generatie aan de sociale orde toe te voegen.

En dan zal er in deze sociale orde steeds leven, wat ‘volledige’ mensen, wanneer zij in deze sociale orde binnentreden, uit haar doen ontstaan; en dat wil zeggen dat daarmee uit een opgroeiende generatie niet datgene gemaakt wordt, wat de bestaande sociale organisatie van haar zou willen maken.
Een gezonde verhouding tussen school en sociale organisatie kan alleen dan bestaan, wanneer deze laatste voortdurend nieuwe individuele capaciteiten toegevoerd krijgt, afkomstig van mensen die in een onbelemmerde ontwikkeling hun vorming hebben ontvangen. Dat kan alleen het geval zijn wanneer school en onderwijs binnen het sociale organisme gebaseerd worden op zelfbestuur. Inplaats dat het staats- en economische leven de opvoeding in overeenstemming met hun behoeften kunnen voorschrijven, zullen zij dan mensen in hun midden ontvangen, die door een zelfstandig geestesleven zijn gevormd. Wat iemand op een bepaalde leeftijd moet weten en kunnen, moet zich uit de menselijke natuur laten aflezen. Staat en economie zullen een zodanige vorm moeten aannemen, dat zij in overeenstemming zijn met deze menselijke natuur. Niet de staat of het economische leven hebben het voor ’t zeggen: zo’n soort mensen hebben wij nodig voor een bepaald ambt, een bepaalde baan; dus examineer die mensen maar, die we nodig hebben; en zorg er allereerst voor dat ze weten en kunnen wat wij nodig hebben. Nee! Het geestesleven als zelfstandig deel van het sociale organisme zal vanuit zijn eigen organisatie mensen met speciale begaafdheden tot een bepaald opleidingsniveau brengen; en de organisatie van staat en economie zal dan in overeenstemming zijn met de resultaten van het werk in het geestesleven zijn. Omdat het leven van staat en economie niet gescheiden zijn van de menselijke natuur, maar juist het resultaat van deze menselijke natuur vormen, hoeft men er nooit voor te vrezen dat een werkelijk vrij, op zichzelf gesteld geestesleven mensen opvoedt die vervreemd zijn van de werkelijkheid. Zulke levensvreemde mensen ontstaan juist, wanneer de bestaande staat en economische instellingen van zich uit opvoeding en onderwijs regelen. Want in staat en economie moeten wel oogmerken gelden die in het bestaande, in het gewordene wortelen.

Voor de ontwikkeling van opgroeiende mensen heeft men totaal andere richtlijnen voor het denken en voelen nodig. Men speelt het als opvoeder en onderwijzer alleen klaar, wanneer men op een vrije, indidivuele manier tegenover de pupil, de leerling kan staan. Men moet om te kunnen werken, weten dat men uitsluitend afhankelijk is van inzichten in de menselijke natuur, inzichten in het wezen van de sociale ordening, en dergelijke; echter niet van voorschriften of wetten, die van buitenaf gegeven worden. Wanneer men er ernst mee wil maken de maatschappelijke ordening zoals die nu bestaat, te doen overgaan in een ordening waar sociale gezichtspunten gelden, dan mag men er niet voor terugschrikken het geestesleven – inclusief opvoeding en onderwijs – aan zijn eigen beheer toe te vertrouwen. Want uit een dergelijk zelfstandig lid van het sociale organisme komen mensen voort met ijver en lust om te werken in het sociale organisme. Uit een door de staat of het economische leven geregelde school kunnen daarentegen alleen maar mensen voortkomen, bij wie deze ijver en deze lust ontbreken, omdat ze de verstikkende nawerking ervaren van een macht, die niet over hen uitgeoefend had mogen worden, nog voordat ze volledig bewuste medeburgers en medewerkers van deze staat en van deze economie zijn.

Opgroeiende mensen moeten tot volwassenheid komen door de beste vermogens van de – van staat en economie onafhankelijke – opvoeder en leraar, die de individuele capaciteiten vrij kan ontwikkelen, omdat hij zelf in vrijheid over zijn eigen vermogens mag beschikken.

In mijn boek ‘De Kernpunten van het sociale vraagstuk’ heb ik mijn best gedaan aan te tonen dat in de levensopvatting van de in de partijpolitiek leiding gevende socialisten eigenlijk alleen een tot in het extreme doorgevoerde, burgerlijke gedachtewereld van de laatste drie, vier eeuwen verder leeft. Het is een illusie van de socialisten dat hun ideeën een volledige breuk met deze denkwereld zouden betekenen. Dat is niet het geval; maar een bepaalde nuance van die burgerlijke levensopvatting, vanuit het gevoel en de belevingswereld van het proletariaat. Dat komt heel duidelijk naar voren in de houding die deze socialistische leiders aannemen ten aanzien van het geestesleven en de invoeging daarvan in het sociale organisme. Door de buitengewoon grote betekenis van het economische leven in de burgerlijk-maatschappelijke organisatie van de laatste eeuwen is het geestesleven in sterke mate afhankelijk geworden van het economische leven. Het bewustzijn van een in zichzelf gegrond geestesleven, waaraan de menselijke ziel deel heeft, is verloren gegaan.

De wijze van natuurbeschouwing, het industrialisme hebben dit verlies mede bewerkstelligd. En dat heeft er ook mee te maken hoe men in de nieuwere tijd de school in het maatschappelijke organisme invoegde. Het belangrijkste doel werd, de mens voor het uiterlijke leven in staat en economie bruikbaar te maken. Dat de mens in de eerste plaats als psychisch wezen vervuld zou moeten zijn van het bewustzijn van zijn samenhang met een geestelijke ordening der dingen, en dat hij door dit eigen bewustzijn aan de staat en de economie, waarin hij leeft, zin geeft, daaraan werd steeds minder gedacht. Het denken van de mensen richtte zich steeds meer naar economische productieverhoudingen. Bij de burgerij sloeg ook het zieleleven gevoelsmatig deze richting in. De leiders van het proletariaat vormden daaruit een theoretische levensopvatting, een levensdogma. Werkelijk verwoestend zou dit levensdogma worden, wanneer het de grondslag zou willen vormen voor de opbouw van het onderwijs in de toekomst. Omdat in werkelijkheid immers, een nog zo voortreffelijke economische organisatie van het sociale organisme geen verzorging van een werkelijk geestesleven tot resultaat heeft, en in het bijzonder ook geen productieve aanpak van het onderwijs, daarom zou dan vooreerst de school nog overgelaten worden aan de zorg van hen, die nog op de oude manier denken. En de partijen, die de dragers van een nieuwe levensvorm willen zijn, zouden het geestesgoed in de scholen door vertegenwoordigers van oude wereldbeschouwingen laten verzorgen. Daar echter onder zulke omstandigheden de oude, doorgedragen ideeën niet innerlijk aansluiten bij de opgroeiende generatie, moet het geestesleven daar wel steeds meer in het moeras geraken. Innerlijk zou deze generatie verkommeren, omdat zij op een onwaarachtige manier in een levensopvatting geplaatst zou worden, waaruit zij geen enkele kracht zou kunnen putten. In een maatschappelijke orde die voortkomt uit het industrialisme zouden de mensen wezens met een lege ziel worden!

Beweging voor Driegeleding
Om dit te voorkomen streeft de Beweging voor Driegeleding ernaar het onderwijs volledig van staat en economie los te koppelen. De sociale indeling van de bij het onderwijs betrokken personen behoort van geen andere machthebbers afhankelijk te zijn, dan uitsluitend van die mensen die zich ook bezighouden met dat onderwijs. Het bestuur over onderwijsinstellingen, de regeling der leergangen, de leertijden, dat alles zal alleen aan de zorg van die mensen worden toevertrouwd, die tevens lesgeven of op een andere manier in het geestesleven productief werkzaam zijn. Iedereen die zoiets doet, zou zijn tijd moeten verdelen tussen onderwijs geven – of anderszins geestelijk creatief bezig zijn -én besturen van het onderwijs. Wie in staat is onbevooroordeeld tot een beoordeling van het geestesleven te komen, die kan toch inzien, dat de levendigheid en kracht die men nodig heeft om de opvoeding en het onderwijs te organiseren, alleen dan in iemands ziel kunnen groeien, wanneer men ook echt met zijn werk in het onderwijs staat of in soortgelijk geestelijk productief werk.

In onze tijd zal alleen diegene dit toegeven, die onbevangen kan zien dat er een nieuwe bron voor het geestesleven aangeboord moet worden, willen we onze ineengestorte maatschappij weer opbouwen.

In mijn opstel ‘Marxisme en Driegeleding’ [GA 24/31] heb ik op de juiste, maar eenzijdige gedachte van Engels gewezen: ‘In de plaats van regeren over personen, komt het beheer over zaken en de leiding van productieprocessen’.
Zo waar als dat is, zo waar is ook het andere, dat namelijk in de maatschappijen van het verleden het leven van de mensen alleen maar mogelijk was, omdat tegelijk met de leiding over de economische productieprocessen ook de mensen meegeregeerd werden. Als nu dit meegeregeerd worden ophoudt, dan moeten de mensen uit het vrije, op zichzelf gestelde geestesleven die levensimpulsen ontvangen, die tot op heden via regeringen op hen werkten. Bij dit alles komt nog iets anders. Het geestesleven kan alleen gedijen, wanneer het zich als eenheid kan ontplooien. Uit dezelfde ontwikkeling van zielekrachten, waaruit een bevredigende, de mensen dragende wereldbeschouwing afkomstig is, moet ook de productieve kracht komen, die de mensen tot juiste medewerkers in het economische leven maakt. Praktische mensen voor het uiterlijke leven zullen toch alleen maar uit zo’n soort van onderwijs voortkomen, dat op een gezonde manier ook in staat is de kiemen voor een hogere wereldbeschouwing te ontwikkelen. Een maatschappelijke ordening die slechts zaken beheert en productieprocessen leidt, moet langzamerhand wel op scheve banen belanden, wanneer niet steeds mensen met een gezond ontwikkelde ziel aan haar worden toegevoerd.

Een nieuwe opbouw van ons maatschappelijk leven moet daarom ook de kracht opbrengen, het onderwijs zelfstandig te organiseren. Wanneer niet meer op de oude manier, mensen over mensen zullen regeren, dan moet ook de mogelijkheid geschapen worden dat de vrije geest in iedere mensenziel, zo krachtig als het in menselijke individualiteiten maar mogelijk is, de bestuurder van het leven wordt. Deze geest laat zich echter niet onderdrukken. Instellingen die louter vanuit de standpunten van een economische orde het schoolwezen willen regelen, zouden inderdaad een poging tot een dergelijke onderdrukking zijn.

Het resultaat van zo’n onderwijs zou zijn, dat de vrije geest vanuit zijn diepste wezen voortdurend zou revolteren. Een maatschappelijk bouwwerk dat voortdurend op zijn grondvesten schudt, zou het noodlottige gevolg zijn van een systeem, dat vanuit dezelfde leiding die de productieprocessen beheert, tevens het schoolwezen zou willen organiseren.

Wie al deze dingen gaat doorzien, zal het vestigen van een mensengemeenschap, die vrijheid en zelfbeheer voor opvoedings- en onderwijszaken met alle kracht nastreeft, als een der belangrijkste eisen van deze tijd gaan beschouwen. Alle andere, noodzakelijke vereisten van onze tijd zullen geen bevredigende oplossing kunnen vinden, zolang niet op dit gebied het juiste wordt ingezien. En er is eigenlijk alleen maar een onbevangen blik op de gedaante van ons tegenwoordig geestesleven voor nodig, in al zijn verscheurdheid, met al zijn geringe draagkracht voor de menselijk ziel, om de waarheid hiervan in te zien.
.

Vertaling van Edithe Boeke, Jonas 18, 30-04-1982
.

Uit GA 24/35
Niet vertaald

Ook in de bundel ‘Zur dreigliederung des sozialen Organismus’ Uitg. Freies Geistesleben, Stuttgart.

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

.

1346-1258

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-6)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling 

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 22  vert. 22

VOORGEBOORTELIJKE OPVOEDING

Nadat Rudolf Steiner het streven van de kerk, de gelovigen voor te bereiden op een leven na de dood, een ‘verfijnd egoïsme‘ heeft genoemd, richt hij zijn aandacht hier veel meer op het ‘vóór de geboorte’ dan ‘na de dood’.
En omdat het over opvoeden gaat, zou de vraag gesteld kunnen worden: ‘Wat is opvoeding dan voor de tijd die vóór de geboorte ligt. 
Het hoeft geen verbazing te wekken, dat het niet mogelijk is om dan op te voeden.

Die Menschen denken über Erziehung nach und fragen über die vorgeburtliche Erziehung. Aber, meine lieben Freunde, vor der Geburt ist das Menschenwesen noch in der Hut über dem Physischen stehender Wesenheiten. Denen müssen wir die unmittelbare einzelne Beziehung überlassen zwischen der Welt und dem einzelnen Wesen. Daher hat die vorgeburtliche Erziehung noch keine Aufgabe für das Kind selbst. Die vorgeburtliche Erziehung kann nur eine unbewußte Folge desjenigen sein, was die Eltern, insbesondere die Mutter, leisten. Verhält sich die Mutter bis zu der Geburt so, daß sie in sich selbst zum Ausdruck bringt dasjenige, was im rechten Sinn moralisch und intellektuell das Richtige ist, so wird ganz von selbst das, was sie in fortgesetzter Selbsterziehung vollbringt übergehen auf das Kind. Je weniger man daran denkt, das Kind, schon bevor es das Licht der Welt erblickt, zu erziehen, und je mehr man daran denkt, selbst ein entsprechend rechtes Leben zu führen, desto besser wird es für das Kind sein. Die Erziehung kann erst angehen, wenn das Kind wirklich eingegliedert-ist in die Weltenordnung des physischen Planes, und das ist dann, wenn das Kind beginnt die äußere Luft zu atmen.

De mensen denken na over opvoeding en vragen naar de voorgeboortelijke opvoeding. Maar, beste vrienden, voor de geboorte bevindt zich het mensenwezen nog onder de hoede van wezens die boven de fysieke wereld staan. Aan hen moeten we de directe unieke verbinding overlaten tussen de kosmos en het individu. Daarom ligt er in de voorgeboortelijke opvoeding nog geen taak jegens het kind zelf. De voorgeboortelijke opvoeding kan slechts een onbewust gevolg zijn van wat de ouders – met name de moeder – doen. Leeft de moeder tot de geboorte zo, dat ze in zichzelf werkelijk het moreel en intellectueel juiste tot uitdrukking brengt, dan zal alles wat ze bij haar eigen innerlijke zelfopvoeding doet vanzelf op het kind overgaan. Hoe minder men erover piekert het kind nog voor het is geboren op te voeden en hoe meer men eraan denkt zelf op de juiste wijze te leven, des te beter zal het zijn voor het kind. De opvoeding kan pas ter hand worden genomen wanneer het kind werkelijk deelgenoot van de fysieke wereld is geworden en dat is wanneer het kind begint te ademen.
GA 293/22
Vertaald/22

Ook in GA 110, bij het beantwoorden van vragen, benadrukt Steiner de rol van de moeder:

Frage: Wie hoch ist der Wert der sogenannten vorgeburtlichen Erziehung zu veranschlagen?

Die Mutter hat in der Zeit der Schwangerschaft sehr viel zu beachten. In der heutigen Zeit, wo die Mutter von alledem nichts weiß, werden sehr wichtige Maßnahmen versäumt. Die ersten zehn (Mond-) Monate des Erdenlebens können die sein, wo dem Menschen entrissen wird etwas sehr Gutes. Heute fällt die Aufgabe, das zu verhüten, den Göttern zu; später, wenn die Menschen reifer geworden sind, wird sie den Menschen zufallen. Die Götter haben aus hoher Weisheit heraus die ersten zehn (Mond-)Monate der Menschenentwickelung
der menschlichen Einwirkung entzogen. Die Menschen sollen froh sein, daß sie in die vorgeburtliche Entwickelung nicht eingreifen können. Ist das Leben der Mutter so geordnet, daß es einem gewissen Ideal im Denken, Fühlen, Empfinden und Wollen entspricht, dann ist das wohl auch das beste für das Kind

Welke waarde moet aan de zogenoemde voorgeboortelijke opvoeding °
worden toegekend?

Een moeder moet in de tijd van de zwangerschap op veel dingen
letten. In de huidige tijd, waarin moeders niets van dat alles weten, worden zeer belangrijke maatregelen verzuimd. Die eerste tien [maan-]maanden van het leven op aarde kunnen een tijd zijn waarin de mens iets heel goeds wordt ontnomen. Op dit moment valt aan de goden de taak toe dat te verhinderen. Later, wanneer de mensen rijper zijn geworden, zal hij aan de mens toevallen. De goden hebben vanuit hun hoge wijsheid de eerste tien maanden van
de ontwikkeling van de mens aan de menselijke invloed onttrokken. De mensen moeten er blij om zijn dat ze in de voorgeboortelijke ontwikkeling niet kunnen ingrijpen. Als het leven van de moeder zo is ingericht dat het aan een zeker ideaal in denken, voelen, beleven en willen beantwoordt, dan is dat ook het beste voor het kind.
GA 110/180
Vertaald/174

In GA 303, een pedagogische voordrachtenreeks:

Das Charakteristische unseres materialistischen Zeitalters ist, daß die Menschen womöglich früh schon anfangen möchten, in künstlicher Form allerlei Erziehungsmäßiges an den Menschen heranzubringen. So möchten sie auch auf eine seelisch-geistige Weise schon vor dem sieben­ten Jahre das Gedächtnis pflegen. Sie möchten sogar noch weitergehen, und das zeigt, auf welchem falschen Wege gerade ein materialistisches Zeitalter in dieser Beziehung ist. Es gibt Mütter, ich kann Ihnen das aus Erfahrung sagen, die fragen einen nicht nur, wie soll man in einer Weise, die erst für ein späteres Lebensalter in Betracht kommt, das Kind vor dem Zahnwechsel erziehen, sondern die fragen einen, wie soll man das Kind vor der Geburt erziehen im embryonalen Zustande? Da möchten die Menschen allerlei Anweisungen haben. Man kann ihnen nur sagen: Schau auf dich selbst als Mutter, behandle dich ordentlich, dann wird das Kind, dessen Bildekräfte du doch noch dem Schöpfer überlassen mußt, schon in der richtigen Weise gedeihen. Das ist dasjenige, was allerdings auch radikal ausgesprochen ist, aber was durchaus berechtigt erscheint gegenüber gewissen sophistischen Fragen nach gewissen Erziehungsprinzipien, die erst in das spätere Alter hineingehören. 

Het kenmerkende van ons materialistische tijdperk is dat de mensen zo mogelijk al vroeg zouden willen beginnen in een kunstmatige vorm allerlei opvoedingsacties aan de mens op te dringen. Zo zouden ze ook op een geestelijk-psychische wijze al voor het zevende jaar het geheugen willen oefenen. Ze zouden zelfs graag nog verder willen gaan, en dat laat zien op wat voor verkeerde weg juist een materialistisch tijdperk in dit verband is. Er zijn moeders — ik kan u dat uit ervaring meede­len – die vragen je niet alleen hoe je op een manier die pas op latere leeftijd in aanmerking komt, het kind voor de tanden­wisseling moet opvoeden, maar die vragen je: hoe moet ik het kind vóór de geboorte, in embryonale toestand opvoeden? Daar zouden deze mensen allerlei aanwijzingen voor willen krijgen. Je kunt tegen hen alleen maar zeggen: kijk goed naar jezelf, hoe je als moeder bent, ga goed met jezelf om, dan zal je kind, wiens vormkrachten je toch aan de schepper moet overlaten, wel op de juiste wijze gedijen. Dit is allemaal wel wat radicaal uitgesproken, maar het is een absoluut terechte reactie jegens bepaalde spitsvondige vragen naar bepaalde opvoedingsprincipes die pas voor de latere leeftijd geschikt zijn. 
GA 303/193
Vertaald/218
.

Nu, vele jaren later, is er veel bekend geworden over de invloed van de omgeving op het ongeboren kind. Niemand kijkt meer op van ‘geen alcohol en niet roken’.
Zelfs de rokende omgeving heeft invloed – via de moeder! – op de fysieke ontwikkeling en gezondheid van het ongeboren kind. 

En duidelijk geworden is nu ook, dat het niet uitsluitend om fysieke stoffen: alcohol, nicotine, drugs enz. gaat, maar ook om bijv. muziek die doordringt tot het embryo.
Maar ook lang geleden: in het Lukasevangelie wordt beschreven dat Maria (zwanger) op weg 
gaat naar haar nicht Elizabeth in Judea. Zij ont­moeten elkaar in het huis van Zacharias: ‘En toen Elizabeth (zwanger van Johannes – de latere ‘Sint-Jan’ -) de groet van Maria hoorde, geschiedde het dat het kind opsprong in haar schoot’.

‘Is het leven van de moeder zo ingericht dat het aan een zeker ideaal in denken, voelen en willen beantwoordt, dan is dat wel het beste voor het kind.’

Wat voor ideaal in denken, voelen en willen zou dat moeten zijn? Wat is ‘op de juiste wijze leven’ met het oog op het kind dat nog geboren moet worden?

In dit artikel wordt daar op een bepaalde manier antwoord op gegeven.

De antroposofisch arts Wilhelm zur Linden besteedde er in zijn boek ‘Geburt und Kindheit‘ (vertaald in het Engels) een uitvoerig hoofdstuk aan.

Zie hier bij <1> de opmerking over stress die al vóór de geboorte ontstond.

Een onderzoek wees in diezelfde richting en bevestigt ook Steiners opmerking over opvoeding in de eerste jaren en het verband met latere ziekteverschijnselen.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3]GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1345-1257

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling 

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 23  vert. 23

MENSBEELDEN
.
We zouden slecht met elkaar kunnen communiceren, wanneer de begrippen die we gebruiken geen vast omlijnde betekenis zouden hebben. Op onze vraag: ‘Wat is de, of een…….?’, moet een raak getypeerd antwoord volgen: de omschrijving die we o.a. in het woordenboek vinden. Eenduidig, zodat er geen misverstanden kunnen ontstaan.
Dat gaat nog het beste met de voorwerpen die we in de ruimte als levenloze materie aantreffen: basalt is geen kalk en klei is geen laagveen.
Het wordt al moeilijker bij begrippen als ‘rood’ of ‘kou’ en het is geen wonder dat, om een zeker houvast te vinden, deze begrippen teruggebracht worden tot wat dan – min of meer – te vatten is in een formule waarin vaste waarden worden gebruikt.
Voor de levende natuur kun je dat ook proberen en op de vraag: ‘Wat is een paardenbloem?’, krijg je meestal het antwoord dat de bloeiende paardenbloem omvat. Maar is de bloeiende paardenbloem dé paardenbloem. Dat is hij toch ook wanneer die zijn pluizenbol vertoont, of zijn eerste blaadjes ontvouwt! Kortom: niet alleen de verschijning in de ruimte, maar ook die in de tijd is wezenlijk.

Voor alles wat leeft, is het veel moeilijker om te zeggen: ‘Het IS’. We hebben vooral ook te maken met: het WORDT!
Voor opvoeders een belangrijk feit: je leerlingen zien als wordende wezens.

En in het algemeen dus ook: de mens zien als een wordend wezen: van geboorte tot dood. Voor Steiner begint en eindigt die wording niet met geboorte en dood, zoals we al zagen: tussen geboorte en dood speelt die zich op aarde af, ‘daar buiten’ gaat de wording verder.

Wanneer je ‘antroposofie’ simpelweg omschrijft als ‘wijsheid omtrent de mens’, zal je, wanneer je Steiners werk ter harte neemt, veelvuldig allerlei ‘wijsheden omtrent de mens’ tegenkomen. Mensenkennis, gezichtspunten die een diepe(re) waarheidskern blijken te bevatten. Gezichtspunten die je eigen standpunten verdiepen, maar vooral ook nuanceren.

Op deze blog zijn een aantal van deze gezichtspunten verzameld onder ‘Rudolf Steiner – wegwijzers’

Neem deze wegwijzer (145) bijv.: 

En zo is het in het leven steeds – de dingen in het leven moeten overal vanuit de meest verschillende kanten bekeken worden.

Und so ist es im Leben immer – die Dinge im Leben müssen überall von den verschiedensten Seiten betrachtet wer­den.
GA 306/85
Op deze blog vertaald/85     zie: 91;  99;  112;  122;  142;  143;  146;  147;  149;  154;  160

Dat van ‘verschillende kanten’ bekijken, geeft Steiner o.a. ook zo weer:

Wanneer een boom van verschillende kanten wordt gefotografeerd, is het nog steeds dezelfde boom, maar de foto’s zien er heel verschillend uit; zo kan ook ieder mens zijn eigen mening hebben – afhankelijk van het standpunt waarop hij zich plaatst.
GA  337b hier in bredere context     

of:

Een begrip, een idee, een gedachte is eigenlijk, zodra men de geestelijke feiten en geestelijke wezens onder ogen ziet, nooit iets anders dan een afbeelding, een foto, die men in de fysieke wereld, laten we zeggen, van een boom maakt. Als men een afbeelding van een boom van een kant neemt en een afbeelding van een andere kant, een afbeelding van een derde kant – deze beelden zien er alle verschillend uit. Ze zijn van een en dezelfde boom, maar ze zien er alle anders uit. En alleen doordat men deze afbeeldingen van de meest uiteenlopende kanten neemt, kan men, doordat men ze vergelijkt, nauwkeurig een voorstelling, een ervaring van de werkelijkheid verkrijgen.
GA 72/81hier in bredere context te lezen.

Steiner hecht grote waarde aan ‘karakteriseren’  i.p.v. ‘definiëren’, d.w.z. vóór je tot een vorm van definitie komt, moet je eerst uitvoerig zoveel mogelijk gezichtspunten onder ogen hebben gezien.

Tegen deze achtergrond is het volkomen begrijpelijk dat Steiner de mens – als de grootste ‘worder’ op aarde – van alle kanten ‘fotografeert’ en karakteriseert: als twee- drie-, vier-, zeven- negenledig, bijv. Of beschreven vanuit het fysieke standpunt, of vanuit de ziel of vanuit de geest.
Dit laatste gebeurt concreet in de Algemene menskunde:
voordrachten 1 t/m 5: vanuit de ziel
6 t/m 10: vanuit de geest
11 t/m/ 14 vanuit het lichaam,

waarbij we ons moeten realiseren dat de scheiding nergens absoluut is!

In dit opzicht maakt ‘antroposofie’ het er niet makkelijker op, in mijn optiek wel interessanter en je wordt er en passant wijzer van. 

.

Over het tweeledig mensbeeld
Over denken – voelen – willen: het drieledig mensbeeld, gaat het in deze voordrachtenreeks [GA 293] zeer uitgebreid en zeer verdeeld over de verschillende voordrachten.
Meer samengevat vind je het hier een aantal artikelen. (Een serie van vier).

Over het vierledig mensbeeld gaat het in deze reeks [GA 293] niet zozeer.

Wél staan op deze blog uiteenlopende opmerkingen van Steiner over:
de vier wezensdelen – ter verdieping vanaf [1-7-2/1]

En verder: die wezensdelen die tot een zevenledig/negenledig mensbeeld leiden:
geestzelf; levensgeest; geestmens: [1-7-2/8]   [1-7-2/8-1]  link 17281

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1343-1255

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-4-1/3)

.

In 1905/6 publiceerde Rudolf Steiner in het tijdschrift ‘Lucifer-Gnosis’  (blz. 191-221) een opstel onder de titel ‘Geestesweteschap en het sociale vraagstuk’.
Het werd door de redactie van Jonas bewerkt en in 3 delen gepubliceerd.
Deel 3 (213-221)

Rudolf Steiner

GEESTESWETENSCHAP EN HET SOCIALE VRAAGSTUK 3

WERELDBESCHOUWING ALS BESTRIJDER VAN MENSELIJK EGOÏSME

De voornaamste sociale wet waarop door de geesteswetenschap wordt gewezen, is de volgende:

‘Het welzijn van een groep mensen die met elkaar samenwerken is des te groter naarmate de enkeling minder van de opbrengsten van zijn prestaties voor zichzelf opeist, dat wil zeggen, naarmate hij meer van deze opbrengsten aan zijn medewerkers afstaat, en zijn eigen behoeften minder worden bevredigd uit eigen vermogens dan uit de vermogens van anderen ’.

Alle instellingen binnen een mensengemeenschap, die met deze wet in strijd zijn, moeten na verloop van tijd ergens ellende en nood veroorzaken. Deze hoofdregel heeft ten opzichte van het sociale leven een al even uitsluitende en noodzakelijke geldigheid als een natuurwet die heeft met betrekking tot bepaalde natuurverschijnselen. Men moet nu echter niet denken, dat het al voldoende is als men deze wet als iets moreels in het algemeen erkent, of als men haar bijvoorbeeld zou willen transponeren tot de overtuiging dat een ieder moet werken ten dienste van zijn medemensen. Nee, zo eenvoudig is het niet. De werkelijkheid is, dat deze wet alleen dan wordt nageleefd zoals dat moet, als een groep mensen er in slaagt zodanige organisaties op te bouwen, dat iemand nooit de vruchten van zijn eigen werk voor zichzelf kan opeisen, maar dat deze zoveel mogelijk in hun geheel ten goede komen aan allen te zamen. Daartegenover staat dat hij zelf op zijn beurt moet worden onderhouden door het werk van zijn medemensen. Waarop het dus aankomt is, dat het werken voor de medemensen en het verkrijgen van een zeker inkomen twee geheel van elkaar gescheiden dingen zijn.

Uitweg uit egoisme
Degenen die zich verbeelden dat ze ‘praktische mensen’ zijn, zullen — daarover maakt iemand die de geesteswetenschap beoefent zich waarlijk geen illusies — voor dit ‘idealisme dat iemand de haren te berge doet rijzen’ niet meer dan een glimlach overhebben. Desondanks is de bovengenoemde wet praktischer dan welke andere ook, die ooit door ‘mensen uit de praktijk’ is uitgedacht of in de realiteit is ingevoerd. Wie namelijk het leven werkelijk onderzoekt, zal ontdekken dat iedere gemeenschap van mensen die waar dan ook bestaat, of die ooit ook maar ergens heeft bestaan, twee soorten van instellingen kent. Het ene deel beantwoordt aan deze wet, het andere is ermee in tegenspraak. Zo gaat het namelijk overal, geheel om het even of de mensen het nu willen of niet. Iedere gemeenschap zou namelijk onmiddelijk uiteenvallen, als niet het werk van de afzonderlijke mensen ten goede zou komen aan de totaliteit. Maar ook is het zo dat al van oudsher deze wet werd doorkruist door het menselijk egoïsme, dat altijd heeft geprobeerd voor de betrokkene zelf zoveel mogelijk voordeel uit zijn werk te halen. En alleen datgene wat nu door deze wijze van handelen uit dat egoïsme is voortgekomen, heeft van oudsher nood, armoede en ellende ten gevolge gehad. Dat betekent echter nochtans niets anders dan dat onvermijdelijk dat deel van de menselijke instellingen onpraktisch zal blijken te zijn, dat door de ‘mensen uit de praktijk’ op zodanige wijze tot stand wordt gebracht, dat daarbij of met het eigen egoïsme of met dat van de ander wordt gerekend.

Nu gaat het er natuurlijk niet alleen om dat een dergelijke wetmatigheid wordt ingezien; waar het werkelijk om gaat is de vraag: hoe kan dit inzicht nu ook in praktijk worden gebracht. Het is duidelijk, dat deze wet niets minder dan het volgende kenbaar wil maken: de welvaart der mensen is des te groter, naarmate het egoïsme geringer is. Willen we dit omzetten in werkelijkheid, dan moeten we er rekening mee houden dat we mensen nodig hebben die bereid zijn een uitweg uit dit egoisme te zoeken. Dat is echter praktisch geheel onmogelijk, als de mate van wel en wee van de enkeling wordt bepaald naar zijn werk. Wie voor zichzelf werkt, moet van lieverlede wel een egoïst worden. Alleen hij die geheel en al voor de ander werkt, kan langzamerhand een onbaatzuchtige arbeider worden.

Of dat mogelijk is, hangt echter af van een noodzakelijke voorwaarde. Wanneer iemand voor een ander werkt, dan moet in deze andere mens het motief voor zijn werk aanwezig zijn; en als iemand voor de totaliteit moet werken, dan is het noodzakelijk dat hij de waarde, het wezen en de betekenis van deze gemeenschap kan gewaarworden en voelen. Dat kan hij alleen dan, als deze groep nog iets totaal anders is dan alleen een meer of minder vage som van afzonderlijke mensen. Ze moet vervuld zijn van een wezenlijke geest, waaraan ieder deel heeft. Ze moet zo zijn, dat ieder zegt: ze is goed zo, en ik wil, dat ze zo is.

De gemeenschap van werkenden moet een geestelijke missie hebben; en ieder lid moet eraan willen meewerken, dat deze missie wordt vervuld. Alle onbepaalde abstracte ideeën over vooruitgang, waarover gewoonlijk wordt gepraat, kunnen niet beschrijven wat zo’n missie nu eigenlijk wel zou moeten zijn. Als alleen deze ideeën zouden overheersen, dan zal hier een enkeling werken, of daar een groep, zonder dat ze kunnen overzien wat hun werk meer waard is dan dat zij en de hunnen, en dan misschien ook nog de belangen waar ze bij zijn betrokken, daarmee zijn gediend.
Dit bewustzijn van de collectiviteit moet in allen leven, vanaf de geringste deelnemer.

Collectief bewustzijn
Iets goeds kwam van ouds alleen daar tot stand, waar op de een of andere wijze zo’n levend collectief bewustzijn tot verwezenlijking was gekomen. De afzonderlijke burgers van een Griekse stad in de oudheid, zelfs ook die van een vrije stad in de middeleeuwen hadden nog zo iets als althans een vaag gevoel van zo’n collectieve geest. Zonder twijfel is het ook waar, dat bijvoorbeeld de desbetreffende instellingen in het oude Griekenland alleen mogelijk waren, omdat men een leger van slaven had, die voor de ‘vrije burgers’ het werk verrichtten en die daartoe niet werden aangedreven door de collectieve geest, maar door de dwang van hun meester. Aan dit voorbeeld valt slechts één ding te leren, namelijk dat de kern van het menselijk leven is gelegen in de ontwikkeling. De mensheid bevindt zich nu in een stadium, waarin een oplossing van het maatschappelijke probleem, zoals die in het oude Griekenland werd toegepast, niet meer mogelijk is. Zelfs voor de edelste Griek gold de slavernij niet als een onrecht, maar als een menselijke noodzakelijkheid. Daarom kon bijvoorbeeld de grote Plato een ideale staat vormen, waarin de collectieve geest daardoor tot vervulling kwam dat de meerderheid, bestaande uit werkende mensen, tot werken werd gedwongen door de weinigen die het juiste inzicht hadden. De opdracht van het heden is echter, de mensen in een dusdanige situatie te brengen dat ieder voor zich geheel uit eigen vrije beweging doet wat van belang is voor het geheel.
Daarom moet niet worden gezocht naar een voor alle tijden geldige oplossing van de sociale kwestie, maar enkel en alleen maar een vorm van sociaal denken en werken die rekening houdt met de rechtstreekse behoeften van de tijd waarin men leeft. Er is niemand die vandaag de dag het een of ander theoretisch kan uitdenken of tot realiteit maken, wat de sociale kwestie als zodanig zou kunnen oplossen. Daartoe zou hij de macht moeten hebben om een aantal mensen te dwingen hun plaats in te nemen in de door hem geschapen situaties. Er kan dan ook geen enkele twijfel over bestaan: als Owen de macht of de wil zou hebben gehad alle mensen van zijn kolonie te dwingen het werk te doen dat hun was toegedacht, dan had het plan moeten lukken. Maar in de tegenwoordige tijd kan er geen sprake zijn van een dergelijke dwang. Het moet mogelijk worden gemaakt dat een ieder vrijwillig datgene doet, waartoe hij het meest geschikt is vanwege zijn persoonlijke aanleg en vermogens. Maar juist daarom kan het er nooit ofte nimmer om gaan, in de zin van het bovengenoemde manifest van Owen zodanig ‘theoretisch’ op de mensen in te werken, dat hen alleen maar een bepaalde opvatting zou worden bijgebracht over hoe de economische omstandigheden het beste zouden zijn te regelen. Een nuchtere economische theorie kan nooit een stimulans zijn tegenover de egoïstische machten. Een tijdlang kan zo’n economische theorie de massa’s met een geestdrift bezielen, die in schijn overeenkomst vertoont met een idealisme. Op den duur echter kan zo’n theorie niemand baten. Wie zo’n opvatting op een mensenmassa overplant zonder haar tegelijk iets anders te geven dat werkelijk geestrijk is, die pleegt een vergrijp tegen de ware betekenis van de menselijke ontwikkeling.

Wereldbeschouwing
Het enige wat hier echt kan helpen is een geestelijke wereldbeschouwing, die door datgene wat ze vanuit zichzelf heeft te bieden, in de gedachten, in de gevoelens, in de wil, kortom in de hele ziel van de mens leeft. Het geloof van Owen, dat de mens van nature goed is, is slechts gedeeltelijk waar, anderzijds is het echter een van de ergste illusies. Het is in zoverre juist, dat er inderdaad in iedere mens een ‘hoger zelf’ sluimert, dat kan worden gewekt. Maar het kan alleen uit zijn sluimering worden verlost door een wereldbeschouwing, die de bovengenoemde eigenschappen heeft. Breng je dan mensen in instellingen zoals ze door Owen waren bedacht, dan zal het de gemeenschap uiterst voorspoedig gaan. Breng je echter mensen bij elkaar die niet zo’n wereldbeschouwing hebben dan zal het goede, dat in de instellingen aanwezig is, na kortere of langere tijd noodzakelijkerwijze in iets slechts moeten veranderen. Bij mensen zonder een zich op de geest richtende wereldbeschouwing is het namelijk onvermijdelijk dat juist die instellingen, die de materiële welstand bevorderen, ook een toename van het egoïsme bewerkstelligen en daarmee van lieverlede nood, ellende en armoede doen ontstaan. Het is nu eenmaal in de meest letterlijke zin waar: men kan alleen de eenling helpen door hem zonder meer enkel brood te geven; een gemeenschap kan men alleen brood verschaffen door haar aan een wereldbeschouwing te helpen. Het zou namelijk ook helemaal nergens toe dienen, als men van de gemeenschap ieder lid afzonderlijk brood zou willen geven. Na enige tijd zou de zaak zich dan toch onvermijdelijk zodanig hebben ontwikkeld, dat velen weer geen brood hebben.
De kennis van deze grondstellingen ontneemt bepaalde mensen, die zich graag als gelukbrengers van het volk zouden willen opwerpen, ongetwijfeld menige illusie. Want ze maakt het werken voor het sociale welzijn tot een heel moeilijke zaak. En daar komt dan nog bij dat onder bepaalde omstandigheden de resultaten uit niet meer dan een incidenteel succesje blijken te bestaan. Het meeste van wat heden door alle politieke partijen ter genezing van het sociale leven naar voren wordt gebracht, verliest zijn waarde en blijkt alleen maar illusie en ijdel gepraat te zijn, zonder voldoende kennis van het menselijk leven. Geen parlement, geen democratie, geen massale propaganda, niets van dat alles kan voor degene die goed nadenkt enige betekenis hebben, als het de hier besproken wet schendt. Maar dat alles kan ook gunstig werken, wanneer het zich maar aan de geest van deze wet weet te houden. Het is een grote illusie, te menen dat de een of andere afgevaardigde van het volk in het een of andere parlement iets zou kunnen bijdragen aan het heil van de mensheid, als er niet door hen wordt gewerkt in de geest van deze voornaamste sociale regel.

Algemene vooruitgang
Steeds als deze wet ergens op de voorgrond treedt, telkens als iemand ergens in de geest ervan werkt voor zover hem dat mogelijk is op de hem toegewezen plaats in de menselijke gemeenschap: telkens dan wordt er iets goeds bereikt, al is dat voor elk geval afzonderlijk misschien ook nog zo weinig. En alleen op grond van zulke incidentele, op een dergelijke manier tot stand gekomen successen, wordt een heilzame sociale algemene vooruitgang bereikt. Het komt stellig ook wel voor, dat in speciale gevallen grotere gemeenschappen van mensen een bijzondere aanleg blijken te bezitten om te helpen bij het in één keer een groter succes in de aangeduide richting te behalen. Er zijn ook nu al bepaalde gemeenschappen, waartoe mensen behoren in wie zich een dergelijk werken voorbereidt. Door hen zal het mogelijk zijn dat met hun hulp de mensheid als het ware een ruk, een sprong vooruit maakt in de sociale ontwikkeling. De geesteswetenschap kent zulke gemeenschappen; het ligt echter niet op haar weg om over zulke dingen in het openbaar te spreken. Er bestaan echter wel middelen om grotere mensenmassa’s tot zo’n sprong, die zelfs al wel binnen afzienbare tijd kan worden gemaakt, voor te bereiden. Iedereen kan echter nu al op zijn eigen terrein in de geest van genoemde wet werken. Er is geen mens in de wereld die een positie heeft waarin dit niet kan: zelfs al lijkt ze schijnbaar nog zo onbeduidend of ook nog zo invloedrijk.

Het belangrijkste is stellig wel, dat een ieder zich wegen zoekt naar een wereldbeschouwing die zich richt op ware kennis van de geest. De geesteswetenschappelijke richting kan voor alle mensen tot een dergelijke opvatting worden, als ze zich maar hoe langer hoe meer op zodanige wijze verder ontwikkelt als overeenstemt met haar inhoud en de in haar aanwezige mogelijkheden. Door haar kan de mens ervaren, dat hij niet toevallig op de een of andere willekeurige plaats en op de een of andere willekeurige tijd is geboren, maar dat hij door de geestelijke wet van oorzaak en gevolg (het karma) met ijzeren noodzakelijkheid juist op die plaats is neergezet, waarop hij zich nu bevindt. En het wordt hem mogelijk in te zien dat zijn goed gemotiveerde lot hem in juist deze gemeenschap van mensen heeft geplaatst, waarvan hij nu deel uitmaakt. Ook wat betreft zijn capaciteiten kan hij gewaar worden, dat ze hem niet door een blind toeval ten deel zijn gevallen, maar dat ze een bepaalde betekenis hebben binnen de grenzen van de causaliteitswet. Het verband van dat alles kan hij zodanig leren doorzien, dat het meer wordt dan alleen maar een nuchtere verstandszaak, zodat door dit inzicht geleidelijk zijn hele ziel wordt vervuld met innerlijk leven.

Hogere wil
Intuïtief zal hij weten dat hij aan een hogere wil gehoorzaamt, als hij werkend de hem gegeven plaats in de wereld inneemt en daarbij de hem gegeven talenten zo goed mogelijk gebruikt. Geen vaag idealisme zal het gevolg zijn van dat inzicht, maar een machtige impuls voor al zijn krachten, en hij zal een zo gericht handelen als net zoiets vanzelfsprekends beschouwen als in een ander opzicht het eten en drinken. En van nu af aan zal hij ook beseffen wat de zin is van de menselijke gemeenschap, waartoe hij behoort. Hij zal de relaties, waarin deze gemeenschap tot anderen staat, gaan begrijpen; en zo zullen de afzonderlijke figuren van deze gemeenschappen zich verbinden tot een doelmatig en geestrijk beeld van de uniforme missie van het hele mensdom. En daarna is het ook niet moeilijk meer om inzicht te krijgen in de zin van het totale bestaan der aarde. Alleen degene die zich niet werkelijk met de hier aangegeven wereldbeschouwing bezighoudt, kan in twijfel trekken of haar uitwerking wel zodanig moet zijn als hier wordt aangegeven. In de huidige tijd zijn weliswaar de meeste mensen weinig geneigd zich met zoiets in te laten. Maar het kan niet uitblijven, dat de ware geesteswetenschappelijke wijze van voorstellen steeds wijdere kringen gaat trekken. En naarmate zij dat doet, zullen de mensen de juiste maatregelen weten te treffen om de sociale vooruitgang te bewerkstelligen. Het is welbeschouwd niet juist aan de waarheid hiervan te twijfelen omdat naar men zegt tot op heden geen enkele wereldbeschouwing de mensheid het geluk heeft gebracht. Volgens de ontwikkelingswetten der mensheid kon op geen enkel eerder tijdstip datgene gebeuren wat van nu af aan van lieverlede mogelijk wordt: een wereldbeschouwing te geven met de hoop op het aangeduide praktische resultaat, die voor alle mensen geldig is. De wereldbeschouwingen die er tot nu toe zijn geweest, waren voor slechts enkele groepen mensen toegankelijk. Maar wat tot dusver in het mensdom aan goeds tot stand is gekomen, komt nochtans van deze wereldbeschouwingen. Alleen een wereldbeschouwing die aan iedereen iets heeft te zeggen en in alle mensen het innerlijke leven weet op te wekken, kan leiden tot een algemeen heil. Het is de geesteswetenschappelijke denkwijze die daartoe in staat zal zijn, overal waar zij daadwerkelijk aan haar opzet beantwoordt.
Natuurlijk is het niet juist om zonder meer de blik gericht te houden op datgene, waartoe deze denkwijze tot nog toe heeft geleid; om datgene wat gezegd is te erkennen als juist, is het noodzakelijk om in te zien dat de geesteswetenschap zich eerst tot op het niveau van haar hoge culturele missie zal moeten ontwikkelen. Tot op heden kan ze het gezicht, dat ze eens zal laten zien, om meer dan één reden nog niet vertonen. Eén van deze redenen is, dat ze eerst ergens vaste voet moet krijgen. Ze moet zich daarom tot een bepaalde groep mensen wenden. Dat kan uit de aard der zaak geen andere zijn dan die, welke door de bijzondere aard van haar ontwikkeling uit zichzelf al een vurig verlangen koestert naar nieuwe oplossingen voor de raadselen van de wereld, en die door de vooropleiding van de in haar verenigde personen begrip en belangstelling voor een dergelijk antwoord op de huidige problemen kan tonen. Vanzelfsprekend moet de geesteswetenschap haar uitspraken voorlopig in zulke bewoordingen inkleden, dat deze is aangepast aan de aangeduide groep mensen. Naar gelang dan bovendien de noodzakelijke voorwaarden daartoe vervuld zijn, zal de geesteswetenschap zeker ook die termen vinden, waarmee ze tot nog andere kringen kan spreken. Alleen iemand, die beslist kant en klare starre dogma’s wil hebben, kan de tegenwoordige vorm van de geesteswetenschappelijke verkondiging voor een blijvende, of zelfs ook de enig mogelijke houden. — Juist omdat het er de geesteswetenschap niet om kan gaan, alleen maar theorie te blijven, of alleen maar de weetgierigheid te bevredigen, moet ze in dit opzicht langzaam werken. Haar streven is er immers juist op gericht de gekarakteriseerde vooruitgang van de mensheid in de praktijk te brengen. Ze kan deze vooruitgang echter alleen dan verwerkelijken als ze de reële voorwaarden daartoe schept. En deze voorwaarden kunnen op geen andere wijze worden vervuld dan door de mensen er één voor één voor te winnen. Alleen als de mensen het willen, komt de wereld vooruit. Om hen echter zover te brengen, is het noodzakelijk dat bij iedereen een grote mate van innerlijke activiteit wordt ontwikkeld. En dat kan alleen stap voor stap worden bereikt. Zou dit niet het geval zijn. dan zou ook de geesteswetenschap op sociaal gebied hersenschimmen oproepen, en in de praktijk niets tot stand brengen.
.

Vertaald door Co Rotermundt, Jonas 23, 30-07-1976
.

Algemene menskunde  1-4          1-4-1/1         1-4-1/2

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1342-1254

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-4-1/2)

.

In 1905/6 publiceerde Rudolf Steiner in het tijdschriftLucifer-Gnosis’  (blz. 191) een opstel onder de titel ‘Geesteswetenschap en het sociale vraagstuk’.
Het werd door de redactie van Jonas bewerkt en in 3 delen gepubliceerd.
Deel 2 (blz. 206-212)

Rudolf Steiner

GEESTESWETENSCHAP EN HET SOCIALE VRAAGSTUK 2

DWAALSPOREN IN HET MENSELIJK OPTIMISME

Het eerste artikel besloot met de gedachte dat uitbuiting en onderdrukking gelijkelijk gebeurt door arm en rijk.

Als we in deze richting gaan nadenken zal het ons allereerst duidelijk worden, dat we de begrippen ‘rijk’ en ‘uitbuiter’ volledig los van elkaar moeten zien. Of men in deze tijd rijk is of arm, dat hangt af van iemands persoonlijke bekwaamheid of van die van zijn voorouders, of van heel andere dingen. Het uitbuiter zijn van de werkkracht van anderen heeft echter totaal niets te maken met deze dingen. In elk geval niet rechtstreeks. Maar des te meer heeft het met iets anders van doen. En wel hiermee, dat onze instellingen, of anders gezegd het ons omringende milieu zijn opgebouwd op het persoonlijke eigenbelang.

We moeten ons dit heel duidelijk voorstellen, anders komen we tot een totaal verkeerde interpretatie van wat wordt gezegd. Als ik vandaag een jas koop, dan blijkt het, volgens de bestaande verhoudingen, heel natuurlijk te zijn dat ik hem zo goedkoop mogelijk probeer te krijgen. Dat wil dus zeggen, dat ik daarbij alleen mezelf in het oog houd. Daarmee echter wordt het uitgangspunt aangegeven dat ons hele leven beheerst. Nu is het niet moeilijk om direct met een tegenwerping te komen. Je kunt zeggen, dat nu juist de sociaal denkende partijen en personen ernaar streven aan deze misstand een einde te maken. Er wordt immers alle moeite gedaan om de ‘arbeid’ te beschermen? De werkende klasse en haar vertegenwoordigers eisen toch loonsverbeteringen en werktijdverkortingen. Hierboven is al gezegd dat gezien vanuit het hedendaagse standpunt ook geen enkele bedenking zal worden geopperd tegen zulke eisen en maatregelen.

Natuurlijk wil daarmee ook weer niet worden gepleit voor de eisen van een of andere bestaande partij. Vanuit het oogpunt, waar het hier om gaat, komt geen enkele partijnaam in het bijzonder in aanmerking, ‘voor’ noch ‘tegen’.

Dat zijn dingen die vooralsnog geheel buiten de geesteswetenschappelijke beschouwingswijze liggen.

Er kunnen nog zoveel verbeteringen ter bescherming van de een of andere arbeidersklasse worden ingevoerd, waardoor dan ook zeer veel kan worden bijgedragen tot de vooruitgang van de levensomstandigheden van deze of gene groep mensen: het wezen van de uitbuiting wordt daardoor niet milder. Want dat hangt daarmee samen, dat de ene mens zich het arbeidsproduct van de andere verwerft om het ten eigen bate aan te wenden. Of ik nu veel heb of weinig: als ik me bedien van wat ik heb om aan mijn eigen behoeften te voldoen, dan moet daardoor de ander worden uitgebuit. Zelfs als ik zijn arbeid bescherm, maar dit standpunt handhaaf, is daarmee in feite nog niets gedaan. Betaal ik het werk van de ander duur. dan staat daar tegenover dat hij ook het mijne duur moet betalen, wil niet door de verbetering van de positie van de ene een verslechtering van die van de ander worden veroorzaakt.

Voorbeeld

Ter verduidelijking zal hier nog een voorbeeld worden gegeven. Als ik een fabriek koop om daardoor voor mezelf zoveel mogelijk winst te behalen, dan zal ik proberen om de arbeidskrachten zo goedkoop te krijgen als maar enigszins mogelijk is en zo meer. Alles wat gebeurt, zal staan onder het oogmerk van het persoonlijke eigenbelang. Koop ik echter de fabriek met de bedoeling om 200 mensen zo goed mogelijk te verzorgen, dan zullen al mijn maatregelen heel anders van schakering zijn. — Zeker is wel dat tegenwoordig in praktijk niet zo erg veel verschil zal kunnen bestaan tussen deze beide gevallen. Dat komt echter enkel en alleen daardoor, dat de alleen staande onbaatzuchtige mens niet zo erg veel tot stand kan brengen binnen een gemeenschap, die voor het overige is gebouwd op eigenbelang. Heel anders zou de zaak er echter uitzien, als de onbaatzuchtige arbeid een algemene zaak zou zijn.

Iemand die ‘praktisch’ denkt zal natuurlijk beweren, dat toch niemand zich door alleen een ‘goede gezindheid’ de mogelijkheid zal kunnen verschaffen, zijn arbeiders betere lonen te bezorgen. Want door welwillendheid verhoog je toch niet de opbrengst van je waren, en zonder dat kun je ook voor je arbeiders geen betere voorwaarden scheppen. En juist daarop komt het aan, in te zien dat deze tegenwerping een algehele dwaling is. Alle eigenbelangen en daarmee alle levensomstandigheden worden anders, als we bij de verwerving van een zaak niet meer onszelf, maar de anderen op het oog hebben. Waarop moet iemand letten die alleen zijn eigen welzijn op het oog heeft? Daarop immers, dat hij zoveel mogelijk verdient. Hoe de anderen moeten werken om zijn behoeften te bevredigen, daar kan hij geen rekening mee houden. Hij moet zijn krachten aldus ontplooien in de strijd om het bestaan. Als ik een onderneming opricht, die mij zoveel mogelijk voordeel moet verschaffen, dan vraag ik er niet naar, hoe het met de werknemers is gesteld, die voor me werken. Blijf ik zelf echter geheel buiten beschouwing, maar gaat het om de vraag hoe mijn werk de anderen dient, dan wordt alles anders. Niets verplicht me dan, iets te ondernemen dat voor een ander nadelig kan zijn. Ik stel dan mijn krachten niet in dienst van mezelf, maar in die van de anderen. En dat heeft een heel andere ontwikkeling van de menselijke vermogens en bekwaamheden ten gevolge.

Robert Owen

Robert Owen kan in zeker opzicht worden gekarakteriseerd als een genie op het gebied van de praktisch sociale efficiëntie. Hij beschikte over twee eigenschappen, die deze benaming ten volle kunnen rechtvaardigen: een tactvolle blik voor sociaal nuttige instellingen en een edele mensenliefde. Men hoeft alleen maar te kijken naar wat hij door deze beide gaven tot stand heeft gebracht, om de volle betekenis ervan op de juiste waarde te schatten. Hij schiep in New Lanark industriële modelinrichtingen en daarbij betrok hij de arbeiders zodanig, dat ze niet alleen een menswaardig bestaan in materieel opzicht hadden, maar ook in moreel opzicht in bevredigende omstandigheden leefden. De personen, die daar bij elkaar werden gebracht, waren deels aan lager wal geraakt door de drank. Hij zette er betere elementen tussen, die door hun voorbeeld op de anderen inwerkten. En zo werden de gunstigste resultaten verkregen die maar denkbaar zijn. Dit welslagen van Owen maakte het onmogelijk, hem met andere meer of minder fantastische ‘wereldverbeteraars’ — zogenaamde utopisten – op een lijn te stellen. Hij hield zich met zijn organisaties zorgvuldig binnen het bestek van wat praktisch uitvoerbaar was, zodat iedereen, ook degene die afkerig is van alles wat maar met dromerij heeft te maken, rustig kon aannemen dat door deze bedrijven, zij het aanvankelijk op een beperkt gebied, de menselijke nood dan toch wel uit de wereld zou worden geholpen. Bovendien is het nog helemaal niet zo onpraktisch gedacht, te menen dat juist zo’n klein gebied wel eens als voorbeeld zou kunnen werken, en dat er daardoor allengs een in sociaal opzicht gezonde ontwikkeling van het menselijk lot zou kunnen worden gestimuleerd.

Zeker is, dat Owen zelf er zo over dacht. Daarom waagde hij zich nog een stap verder op de weg die hij had ingeslagen. In het jaar 1824 vatte hij het plan op om in Indiana in Noord-Amerika een soort van kleine modelstaat te stichten. Hij kocht een stuk land, waarop hij een op vrijheid en gelijkheid gebaseerde gemeenschap van mensen wilde vestigen. Alle instellingen werden zo geregeld dat uitbuiting en slavernij iets onmogelijks waren. Wie een dergelijke taak op zich durft nemen, moet over de allerhoogste sociale deugden beschikken: het verlangen, zijn medemensen gelukkig te maken, en het vaste geloof dat de mens van nature goed is. Hij moet de mening zijn toegedaan dat de lust om te werken in deze menselijke natuur vanzelf wel zal komen, als blijkt dat de zegen die op dit werk rust is gewaarborgd door passende instellingen. ln Owen was dit geloof zo sterk aanwezig, dat het wel heel slechte ervaringen moesten zijn, die hem daarin zouden doen wankelen.
En – deze slechte ervaringen deden zich werkelijk voor. Owen moest na langdurig edele pogingen ten slotte erkennen, dat de ‘verwezenlijking van dergelijke kolonies steeds schipbreuk zou moeten lijden, als niet van te voren de algemene zedelijkheid zou zijn veranderd’ en hij meende dat je verder zou kunnen komen door ‘theoretisch op de mensheid in te werken dan langs de directe praktische weg’.
Tot dit oordeel zag deze sociale hervormer zich gedwongen door het feit dat er genoeg werkschuwe mensen bleken te zijn die het werk op hun medemensen wilden afwentelen, waardoor conflicten, strijd en ten slotte het bankroet van de hele kolonie wel moesten volgen.

Mensenkennis

Owens ervaring kan leerzaam zijn voor al diegenen die ook metterdaad bereid zijn iets te leren. Ze kan de overgang vormen van alles wat voor het heil der mensheid kunstmatig in het leven is geroepen en alle daarvoor kunstmatig uitgedachte inrichtingen, naar vruchtbare, met de ware werkelijkheid rekening houdende sociale activiteiten. Door deze ervaring werd Owen grondig genezen van zijn geloof, dat alle menselijke ellende alleen maar zou worden veroorzaakt door de ‘slechte omstandigheden’ waaronder de mensen leven, en dat de goede hoedanigheden die de menselijke natuur eigen zijn, vanzelf aan de dag zouden komen als de omstandigheden worden verbeterd. Hij moest zich er eerst van overtuigen, dat goede instellingen alleen dan zijn te handhaven als de mensen die erbij betrokken zijn een zodanige innerlijke gesteldheid hebben dat ze ook de wil hebben ze deze inrichtingen in stand te houden, en als ze er zich met een warme belangstelling mee verbonden voelen.

Men zou nu in de eerste instantie kunnen denken dat het dus noodzakelijk is om de mensen, die men bij zulke ondernemingen wil betrekken, daar eerst theoretisch op voor te bereiden. Bijvoorbeeld door hun het juiste en doelmatige van de maatregelen duidelijk te maken. Voor iemand die hier onbevooroordeeld tegenover staat, is het helemaal niet zo ver gezocht, iets dergelijks uit het manifest van Owen te concluderen. En toch kun je alleen tot een werkelijk praktisch resultaat komen door dieper op de zaak in te gaan. Het is noodzakelijk om een stap verder te doen, van het pure geloof dat de mens van nature goed is, dat Owen op een dwaalspoor heeft gebracht, naar de ware mensenkennis. Hoe diep de mensen ook doordrongen mogen zijn van de doelmatigheid van bepaalde inrichtingen, die een zegen voor de mensheid zouden kunnen zijn – hoe vast hun overtuiging ook is, ze kan op den duur niet tot het gewenste doel leiden. Want ook al is het inzicht nog zo helder, de mens zal er toch niet die persoonlijke stimulans voor zijn werk uit kunnen halen, die hem anderzijds gegeven wordt door de drijfkracht van het in hem aanwezige egoïsme. Dit egoïsme is nu eenmaal een deel van de menselijke natuur. En dat heeft tot gevolg dat het naar boven komt zo gauw de mens in de maatschappij met anderen samen moet leven en werken. Met een zekere noodzakelijkheid leidt dit ertoe dat in de praktijk de meeste mensen die inrichting voor de beste zullen houden, waardoor ieder voor zich zijn behoeften het beste kan bevredigen. Zo neemt onder invloed van de egoïstische gevoelens op geheel natuurlijke wijze het sociale probleem de volgende vorm aan: welke maatschappelijke regelingen moeten er worden getroffen, opdat iedereen de opbrengst van zijn arbeid voor zichzelf kan krijgen. En vooral in onze materialistisch denkende tijd zijn er maar weinigen die van een ander standpunt uitgaan. Hoe vaak hoort men niet iemand zeggen, alsof het een volkomen vanzelfsprekende waarheid is, dat een sociale ordening, die zich wil baseren op welwillendheid en menselijk medegevoel, een onmogelijkheid is. Er wordt integendeel mee gerekend dat de gehele menselijke gemeenschap pas dan op zijn best zal kunnen gedijen, als ieder voor zich de ‘gehele’ of de grootst mogelijke opbrengst van zijn werk ook zelf kan binnenhalen.

Het tegenovergestelde

Precies het tegenovergestelde hiervan leert ons de geesteswetenschap, die is gegrondvest op een diepergaande kennis van mens en wereld. Zij laat juist zien dat alle menselijke nood enkel en alleen het gevolg is van het egoïsme, dat in een gemeenschap van mensen onvermijdelijk te eniger tijd ellende, armoede en nood moet optreden, als deze gemeenschap op de een of andere wijze op egoïsme berust. Om dat in te zien, is ongetwijfeld een dieper inzicht nodig dan wat hier en daar doorgaat voor sociale wetenschap. Deze ‘sociale wetenschap’ rekent alleen maar met de buitenkant van het menselijk leven, niet echter met de dieper liggende krachten daarvan. Het is zelfs bij de grote meerderheid van de tegenwoordige mensen heel moeilijk om ook maar enig gevoel in hen op te roepen voor het feit, dat er van zulke dieper liggende krachten sprake zou kunnen zijn. Ze beschouwen degene, die hoe dan ook met zulke dingen bij hen aankomt, als een onpraktische fantast. Nu is het echter helaas ook hier niet mogelijk om zelfs maar een poging te doen een sociale theorie te ontwikkelen, die is opgebouwd op dieper liggende krachten. Want daar zou een uitvoerig boekwerk voor nodig zijn. Maar één ding kan wel worden gedaan: er kan worden gewezen op de ware wetten van de menselijke samenwerking, en worden aangetoond welke verstandige sociale overwegingen daaruit volgen voor de kenner van deze wetten. De zaak ten volle begrijpen kan alleen degene zie zich een wereldbeeld vormt, dat is gegrondvest op de geesteswetenschap.

.

Vertaald door Co Rotermundt, Jonas 23, 16-07-1976
.

Algemene menskunde:  1-4     1-4-1/1       1-4-1/3

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1341-1253

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-4-1/1)

.

In 1905/6 publiceerde Rudolf Steiner in het tijdschriftLucifer-Gnosis’  (blz. 191) een opstel onder de titel ‘Geestesweteschap en het sociale vraagstuk’.
Het werd door de redactie van Jonas bewerkt en in 3 delen gepubliceerd.
Deel 1 (blz. 191-205)

Rudolf Steiner

Geesteswetenschap en het sociale vraagstuk I

INGRIJPENDE VOORUITGANG VRAAGT OM EEN WERKELIJK INZICHT
.
Het sociale vraagstuk is actueler dan ooit. Iemand die welbewust in de huidige samenleving wil staan, ontkomt niet aan de noodzaak zich oordelen te vormen over de sociale problemen en vandaaruit te handelen. Gelijktijdig vertoont een groot deel van de mensheid de behoefte om zich idealen te stellen en zich te richten op de spirituele kant van het menszijn. Nu draagt elke geesteswetenschap als kenmerk de verinnerlijking van het zielenleven en het wekken van het vermogen tot geestelijk schouwen. Om die reden kan de geesteswetenschap het verwijt treffen geen bijdrage te geven aan de oplossing van het sociale vraagstuk. Toch berust zo’n oordeel op een misverstand. Zolang de geesteswetenschap begrepen wordt als een ‘leer’ — die zich ver van het alledaagse leven bezighoudt met ideeën over karma en reïncarnatie — zolang is niet in te zien wat de waarde is voor het sociale vraagstuk. De geesteswetenschap is echter meer; zij biedt de scholing tot een levenskrachtig denken, oordelen en waarnemen. Vandaaruit kan juíst handelen voortkomen. Veel mensen staan machteloos in het leven en die onmacht komt voort uit een gebrek aan inzicht in de wetten van het menselijk leven. Het daadwerkelijk bestuderen en zich eigen maken van de geesteswetenschappelijke denkbeelden betekent toename van de bekwaamheden voor het werken op sociaal terrein.

Twee opvattingen staan met betrekking tot de sociale kwestie tegenover elkaar. De ene ziet de oorzaken van het goede en slechte in het sociale leven meer gelegen in de mensen zelf, de andere voornamelijk in de omstandigheden waarin de mensen leven. Zij die de eerste mening zijn toegedaan zullen de vooruitgang willen bevorderen door te proberen zowel de geestelijke en lichamelijke capaciteit van de mens als hun morele gevoel te verhogen; zij die overhellen naar de tweede zienswijze zullen er daarentegen in de eerste plaats op bedacht zijn de omstandigheden te verbeteren, want, zeggen ze tot zichzelf, als de mensen behoorlijk kunnen leven, zal hun bekwaamheid en hun zedelijk gevoel vanzelf op een hoger peil komen. Het valt wel nauwelijks te ontkennen dat deze tweede
opvatting op het ogenblik gestadig terrein wint. In vele kringen geldt het als uiting van een totaal verouderd denken, als je de nadruk in het bijzonder op de eerste zienswijze legt. Er wordt dan gezegd: wie van de vroege morgen tot de late avond moet worstelen met de bitterste nood, die komt niet toe aan het ontwikkelen van zijn geestelijke en morele krachten. Als je met zo iemand wilt praten over geestelijke aangelegenheden, moet je hem eerst brood geven.

Vooral tegenover een streven als dat van de geesteswetenschap verscherpt deze laatste stelling zich gemakkelijk tot een verwijt. En het zijn bepaald niet de slechtsten van onze tijd, die zulke verwijten maken. Ze zeggen dan wel: ‘De rasechte theosoof daalt slechts met grote tegenzin uit zijn hogere gebieden af naar de aarde. Hij kent liever tien woorden Sanskriet dan dat hij zich ervan op de hoogte stelt wat grondrente is.’

Een verwijt in de nu volgende vorm ligt dan voor de hand. Er wordt op gewezen dat in onze tijd vaak gezinnen van acht personen in een enkele kamer dicht op elkaar gedrongen moeten leven, zodat ze zelfs geen lucht en geen licht krijgen, en hun kinderen naar school moeten sturen in een dusdanige toestand dat ze soms uitgeput door honger en zwakte in elkaar zakken. Men zegt dan: moeten zij die de algemene vooruitgang willen bevorderen niet in de eerste plaats heel hun streven erop richten in zulke omstandigheden hulp te verschaffen? In plaats van hun denken te richten op de beginselen van de hogere geestelijke werelden zouden ze er beter aan doen zich bezig te houden met de vraag, hoe de sociale wantoestanden zouden zijn op te heffen. ‘Als de geesteswetenschap eens uit haar ijzige eenzaamheid zou willen afdalen onder de mensen, onder het volk; als ze in ernst en in waarheid de ethische eis van de algemene broederlijkheid bovenaan zou stellen in haar programma, en als ze nu eens daarnaar zou handelen, onbekommerd om alle consequenties ervan; als ze het woord van Christus over de naastenliefde tot sociale daad zou maken; dan zou ze een kostelijk onvervreemdbaar bezit van de mensheid worden en blijven.’  Zij die bedenkingen van deze aard tegen de geesteswetenschap hebben, menen het goed. Toegegeven moet zelfs worden, dat ze wat velen betreft die zich bezighouden met het bestuderen van de geesteswetenschap gelijk hebben. Ongetwijfeld zijn er onder hen die alleen voor hun eigen geestelijke behoeften willen zorgen, die alleen iets willen weten over dit ‘hogere leven’, over het lot van de ziel na de dood en zo meer. Ongelijk hebben de mensen zeker niet, die zeggen dat het in deze tijd een dringender plicht is de deugd der naastenliefde in praktijk te brengen en de mensen welvaart te geven, dan in een buiten alle werkelijkheid staande eenzaamheid de een of andere in de ziel sluimerende hogere aanleg te ontwikkelen. Zij die in de eerste plaats dat laatste willen, zouden beschouwd kunnen worden als mensen met een verfijnde zelfzucht, voor wie het eigen zielenheil meer telt dan de algemeen menselijke deugden.

— Al even vaak is te horen hoe erop wordt gewezen, dat voor een streven als dat van de geesteswetenschap toch alleen maar mensen belangstelling kunnen hebben, die het ‘goed gaat’ en die daarom hun ‘vrije tijd’ aan zulke dingen kunnen wijden. Wie echter van de ochtend tot de avond zijn handen moet uitsteken om een veel te laag loon te verdienen, die mag niet worden afgescheept met praatjes over de eenheid van alle mensen, het ‘hogere leven’ en meer van zulke dingen.

Juiste begrip

Zeker is het, dat in dit opzicht ook door hen die de geesteswetenschap beoefenen veel wordt gezondigd. Maar niet minder waar is het, dat een met het juiste begrip opgevat geesteswetenschappelijk leven de mens ook als individu tot offervaardigheid en werk van algemeen nut zal moeten brengen.
In ieder geval zal de geesteswetenschap niemand kunnen beletten, een net zo goed mens te zijn als de anderen, die niets van geesteswetenschap weten of willen weten.
Maar dit alles heeft nog helemaal niets te maken met de hoofdzaak van het sociale vraagstuk. Om tot deze hoofdzaak door te dringen is nog heel wat meer nodig dan de tegenstanders van het geestelijkwetenschappelijke streven willen toegeven. Wel moet aan de tegenpartij zonder meer worden toegegeven, dat er al veel is te bereiken met de middelen die van verschillende kanten ter verbetering van de sociale positie van de mensen worden voorgesteld. De ene partij wil dit doen, de andere weer wat anders. Verschillende van zulke partijpolitieke eisen blijken bij goed nadenken al gauw alleen maar hersenschimmen te zijn; maar in veel ervan zit toch ook beslist een uitstekende kern.

Owen (1771-1858), die zeker een van de edelste reformatoren op sociaal gebied was, heeft er telkens weer de nadruk op gelegd, dat de mens door zijn milieu wordt bepaald, dat het karakter van de mens niet door hemzelf wordt gevormd maar door de omstandigheden waarin hij opgroeit. De juistheid van zulke stellingen zal door mij volstrekt niet worden bestreden. En nog minder zullen ze met een geringschattend schouderophalen mogen worden afgedaan, ook al zijn ze tot op zekere hoogte eigenlijk vanzelfsprekend. Er zal integendeel zonder meer moeten worden toegegeven, dat er al veel kan worden verbeterd als men zich in het openbare leven naar zulke uitspraken richt.
Daarom ook zal de geesteswetenschap niemand beletten zich in te zetten voor de vooruitgang en deel te nemen aan al die werken, die in de geest van dergelijke uitspraken het lot willen verbeteren van de verdrukte en noodlijdende klassen van de maatschappij. Maar de geesteswetenschap moet verder gaan. Een ingrijpende vooruitgang kan namelijk door al zulke middelen nimmer worden bewerkstelligd. Wie dat niet toegeeft, heeft zich er nooit een duidelijke voorstelling van gemaakt, waar de omstandigheden vandaan komen, waarin de mensen zich bevinden. Voor zover namelijk het leven van de mens afhankelijk is van deze omstandigheden, zijn deze zelf door mensen veroorzaakt. Of wie anders heeft dan de regelingen getroffen waardoor de ene arm, de andere rijk is? Dat hebben toch andere mensen gedaan?
Dat deze ‘andere’ mensen merendeels hebben geleefd voor degenen die nu onder de omstandigheden gedijen of niet gedijen, dat verandert toch echt niets aan deze feitelijke situatie. Het lijden dat de natuur zelf de mensen aandoet, komt voor de sociale positie alleen indirect in aanmerking. Dit lijden moet juist door het menselijk handelen worden verlicht of ongedaan worden gemaakt.
Gebeurt datgene wat in dit opzicht noodzakelijk is niet, dan zijn het dus toch weer alleen de zo nodige menselijke instellingen die ontbreken. – Een deugdelijk inzicht in de dingen leert ook, dat al het kwade dat terecht als sociaal kwaad kan worden aangeduid, dan ook afkomstig is van menselijke daden. In dit verband is het niet direct de afzonderlijke mens, maar wel echter de mensheid als geheel die ‘de smid van zijn eigen geluk’ is.

Zo zeker als dit echter is, zo waar is het ook, dat in groter verband gezien geen enkele belangrijke partij, geen enkele kaste of klasse, het leed van een andere groep met boosaardige bedoelingen zal veroorzaken. Alles wat in deze richting wordt beweerd, berust enkel op gebrek aan inzicht. Hoewel ook dit eigenlijk een vanzelfsprekende waarheid is, moet ze toch worden uitgesproken. Want al zijn zulke dingen voor wie zijn verstand gebruikt dan ook nog zo duidelijk, men handelt er in het praktische leven toch geenszins naar. Het zou ieder die zijn medemensen uitbuit natuurlijk het liefst zijn, wanneer de slachtoffers van zijn uitbuiting niet zouden hebben te lijden. We zouden al een stuk verder zijn, als we dat niet alleen geheel vanzelfsprekend zouden vinden, maar ook onze indrukken en gevoelens daarmee in overeenstemming zouden doen zijn. Ja, maar wat moeten we nu met dergelijke beweringen beginnen? Zo zal ongetwijfeld menig ‘sociaal denkend mens’ tegenwerpen. Moet misschien degene die wordt uitgebuit ook nog welwillende gevoelens koesteren jegens zijn uitbuiter? Is het niet al te begrijpelijk, als de eerste de laatste haat en door die haat wordt gedwongen partij te kiezen? Het zou toch wel een heel slecht recept zijn, zo zal men er verder nog tegenin kunnen brengen, als de onderdrukte mens zou worden aangemaand zijn onderdrukker toch vooral lief te hebben als zijnde zijn naaste, zoiets als in de geest van de uitspraak van de grote Boeddha : ‘Haat wordt niet door haat, maar alleen door liefde overwonnen’.

Nochtans leidt in deze tijd alleen het inzicht dat aan dit punt aanknoopt tot een werkelijk ‘sociaal denken’. En juist hier nu begint de geesteswetenschappelijke denkwijze. Deze kan namelijk niet volstaan met aan de oppervlakte van de begrippen te blijven, maar moet er dieper op ingaan. Daarom kan ze niet volstaan met aan te tonen dat door deze of gene omstandigheid ellende wordt veroorzaakt, maar ze moet doordringen tot het enige werkelijk vruchtdragende inzicht, waardoor deze omstandigheden zijn ontstaan en nog weer voortdurend opnieuw ontstaan. En tegenover deze diepgaande vraagstukken blijken dan de meeste sociale theorieën niet meer dan ‘vage theorieën’, vaak zelfs niet meer dan holle frasen.

Zo lang als men met zijn denken aan de oppervlakte blijft, zolang kent men aan de omstandigheden, vooral wat betreft de uiterlijke omstandigheden een totaal onjuiste macht toe. Deze omstandigheden zijn namelijk alleen maar het zich kenbaar maken van een innerlijk leven. En zoals alleen hij het menselijk lichaam begrijpt, die weet dat dit de uitdrukkingsvorm van de ziel is, zo kan ook alleen hij de uiterlijke instellingen in het leven op de juiste wijze beoordelen, die zich duidelijk voor de geest stelt dat deze niets anders zijn dan het product van de mensenzielen, die hun gevoelens, neigingen en gedachten daarin belichamen. De omstandigheden, waarin men leeft, zijn door de medemensen zo gemaakt; en men zal zelf nooit betere kunnen scheppen, als men niet uitgaat van andere gedachten, neigingen en gevoelens dan zulke welke voorgaande scheppers hadden.

Zulke dingen moet men tot in de bijzonderheden nauwkeurig beschouwen. Uiterlijk bekeken zal gemakkelijk diegene voor onderdrukker worden gezien, die er prachtig huisraad op na kan houden, in de trein van de eerste klasse gebruik kan maken enzovoorts. En als de onderdrukte wordt hij beschouwd, die een eenvoudige jas moet dragen en vierde klas moet reizen. Men behoeft echter geen harteloos individu, ook geen reactionair of is dergelijks te zijn, om zich toch het volgende duidelijk voor te kunnen stellen. Niemand wordt onderdrukt en uitgebuit door het feit dat ik een of andere jas draag, maar alleen daardoor, dat ik degene die de jas voor me maakt te weinig voor zijn werk uitbetaal. De arme arbeider die een eenvoudige jas koopt voor weinig geld, is tegenover zijn medemensen in dit opzicht in precies dezelfde situatie als de rijke, die zich een betere jas laat maken. Of ik arm ben of rijk: ik buit uit als ik dingen verwerf die niet voldoende worden betaald. Eigenlijk zou heden niemand iemand anders een onderdrukker mogen noemen, voor hij eerst eens zichzelf zou hebben onderzocht. Doet hij dat laatste strikt, dan zal hij ook in zichzelf al gauw de ‘onderdrukker’ ontdekken. Want wordt het werk, dat aan de welgestelde wordt geleverd, alleen aan hem geleverd voor zo’n slecht arbeidsloon? Nee, degene die naast je zit en met jou over onderdrukking klaagt, verschaft zich het werk van jouw handen tegen precies dezelfde voorwaarde als de welgestelde, tegen wie jullie je allebei keert. Ga dit eens grondig na, en je zult andere aanknopingspunten voor het ‘sociale denken’ vinden dan de gebruikelijke.
.

Vertaald door Co Rotermundt, Jonas 22, 02-07-1976
.

Algemene menskunde:   1-4

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

.

1340-1252

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-4)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling 

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 19    vert. blz. 20

ELKE TIJD HEEFT ZIJN SPECIFIEKE OPDRACHTEN

Wanneer je voor het eerst kennismaakt met de ‘Algemene menskunde’ en je ook verder nog niet zo veel weet van de andere werkgebieden van de antroposofie, zoals het mij verging, besef je niet, wat achter dit ‘elke tijd’ – het Duits heeft ‘besondere Zeit’ – bijzondere tijd en ‘specifieke opdrachten’ schuilgaat. 
Dat is niets minder dan wat Steiner de ‘sociale driegeleding’ noemt.
(Er is nog meer aan opdrachten, maar ik beperk me hier tot de driegeleding).

Op blz. 18 in de vertaling zegt Steiner dat hij ‘in naam van de goede geest, wiens taak het is de mensheid te leiden en te verlossen van nood en ellende’ spreekt en we weten inmiddels dat dit de aartsengel Michaël is.

En de ‘nood en ellende’ is – vlak na 1918 – de grote sociale nood en ellende van die tijd, met o.a. ca. 20.000.000 doden, (gevolgd door de 2e Wereldoorlog met ca. 60.000.000 doden).

Het was Steiners idee dat, om uit deze sociale nood te komen en deze voor de toekomst te voorkomen, de drie idealen van de Franse Revolutie: ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ op een andere manier in de samenleving een impuls konden zijn voor de drie gebieden waarin de samenleving zich vertoont: het geestesleven, het rechtsleven en het economisch leven.
Het geestesleven zou zich – in vrijheid – zonder inmenging van de staat – moeten kunnen ontwikkelen; gelijkheid moet er zijn voor alle mensen, gewaarborgd door de wet(ten): het rechtsleven waarvoor de staat garant moet staan en in het economisch leven moet broederschap de leidraad zijn.
Het onderwijs, behorend tot het geestesleven, zou zich dus vrij van staatsinvloed moeten kunnen ontwikkelen en manifesteren. Vandaar dat de 1e vrijeschool in de wereld, die in Stuttgart – de Waldorfschool – op zeker ogenblik ‘Freie Waldorfschule’ heet en de scholen die vanaf 1923 in Nederland worden gesticht noemen zich Vrije School.

De idee van de sociale driegeleding lag Steiner na aan het hart en het is dus niet verwonderlijk dat hij erover heeft geschreven en gesproken.

Zo zegt hij in GA 192 – ik haal dit aan i.v.m. ‘de bijzondere tijd’:

Die Entwicklung ist so, daβ stets eine bestimmte Epoche einer anderen Epoche folgte und vor allen Dingen für alle Hauptepochen der nachatlantischen Zeit ein eigenes konkretes Ideal vorhanden war, wie auch für unsere Zeit und für die nächste Zukunft. Was will die geistige Welt für eine kurze Zeitspanne verwirklichen.
Unsere Zeit fordert: Die Dreigliederung des sozialen organismus.

De ontwikkeling gaat zo, dat er steeds een bepaalde tijd op een andere tijd volgt en dat er met name in alle grote tijden na de Atlantische tijd een eigen concreet ideaal bestond, zoals dat ook voor onze tijd en voor de toekomst geldt.
Wat wil de geestelijke wereld voor een korte spanne tijds verwezenlijken.
Onze tijd eist: de sociale driegeleding.
GA 192/16
Niet vertaald  

Steiner spreekt hier over ‘Hauptepochen’ – letterlijk: ‘hoofdfasen’, op te vatten als grotere fasen in de mensheidsgeschiedenis, in de trant van hoe wij spreken over ‘een Egyptische, een Griekse tijd’ enz. Je kan ze ook ‘cultuurtijdperken’ noemen. Een bepaalde cultuur is dan een tijd de toonaangevende en brengt de mensheid nieuwe mogelijkheden die we heden ten dage – aan verandering onderhevig, natuurlijk – nog hebben: de Griekse democratie, het Romeinse recht, enz. Onze tijd noemt Steiner het vijfde na-Atlantische tijdperk.
Vanuit andere karakteriseringen van deze tijden zegt Steiner o.a. ook dat deze tijdperken a.h.w. geïnspireerd worden door de geestelijke wereld, of concreter voor degene die er inzicht in heeft: geestelijke wezens en volgens Steiner worden ze ook geleid door een wezen dat hij voor die perioden met name noemt. Dat is voor onze tijd de aartsengel Michaël, zoals we al tegenkwamen op blz. 18: ‘de goede geest, wiens taak het is de mensheid te leiden en te verlossen van nood en ellende, ( ) de goede geest wiens taak het is de mensheid te brengen tot een hoger ontwikkelingsstadium in onderwijs en opvoeding’.

Dan is het weer iets duidelijker dat het Steiner niet gaat om ‘ijdele hoogmoed‘ of zoals hij in andere voordrachten zegt, ‘om het in het onderwijs anders te willen doen om het anders-doen,’ of ‘om beter te willen zijn dan andere – toen reformscholen genoemd – onderwijsvernieuwingen, vanuit een soort persoonlijker overtuiging, zoals bijv. die van Peter Petersen, de stichter van de Jenaplanscholen of Célestin Freinet, de stichter van het Freinetonderwijs, aanvankelijk ‘de school met de drukpers’. 

Nicht aus dem Grunde wird sie sich unterscheiden sollen, weil wir in eitlem Hochmut glauben, daß wir gerade von uns aus gewissermaßen eine neue pädagogische Weltenordnung beginnen sollen, sondern weil wir aus anthroposophisch orientierter Geisteswissenschaft heraus uns klar darüber sind, daß die aufeinanderfolgenden Entwickelungsepochen der Menschheit dieser Menschheit immer andere Aufgaben stellen werden. Eine  andere Aufgabe hatte die Menschheit in der ersten, eine andere in der zweiten bis herein in unsere fünfte nachatlantische Entwickelungsepoche. Und es ist nun einmal so, daß dasjenige, was in einer Entwickelungsepoche der Menschheit getan werden soll, dieser Menschheit erst zum Bewußtsein kommt, einige Zeit nachdem diese Entwickelungsepoche begonnen hat.
Die Entwickelungsepoche, in der wir heute stehen, hat in der Mitte des 15. Jahrhunderts begonnen. Heute kommt gewissermaßen aus den geistigen Untergründen heraus erst die Erkenntnis, was gerade in bezug auf die Erziehungsaufgabe innerhalb dieser unserer Epoche getan werden soll.

De reden voor het onderscheid ligt er niet in, dat wij in ijdele hoogmoed menen dat er juist van ons uit zogezegd een nieuwe pedagogische we­reldorde geïnitieerd moet worden. De reden is dat wij op grond van de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap inzien, dat de opeenvolgende ontwikkelingsstadia van de mensheid steeds andere taken met zich mee zullen brengen. De mensheid had steeds een andere taak: in de eerste periode een andere dan in de tweede, enzovoort, tot en met onze vijfde na-Atlantische ontwikkelingsperiode. En het is nu eenmaal zo, dat hetgeen gedaan dient te worden in een ontwikkelingsperiode van de mensheid pas enige tijd na het begin van zo’n periode tot de mensheid begint door te dringen.

De ontwikkelingsperiode waarin wij ons nu bevinden is omstreeks het midden van de vijftiende eeuw begonnen. In onze tijd komt – als het ware vanuit geestelijke diepten – het inzicht, wat in deze periode waarin wij leven gedaan moet worden, met name wat de opvoeding betreft.
GA 293/19
Vertaald/20 

Der Geist der Zeit verwirklicht tatsächlich sich. Will sich verwirklichen.
Das Chaos entsteht wenn der Mensch anders denkt und handelt als der Geist der Zeit denkt und handelt.

De tijdgeest wordt in feite werkelijkheid. Wil realiteit worden.
Er ontstaat chaos wanneer de mens anders denkt en handelt dan de tijdgeest.
GA 192/18 
Niet vertaald  

Regelmatig zal Steiner in de pedagogische voordrachten de stichting van de vrijeschool in samenhang noemen met de ‘de eis van de tijdgeest’, bijv. hier:

Der Pädagogik und didaktik dieser Waldorfschule in Stuttgart wurde nun jenes spirituelle Leben zugrunde gelegt, von dem ich meine, daβ es aus dem Geiste unserer Zeit heraus zu einer fortführung des Erziehungswesens führen muβ, gerade so, wie es der Geist für unsere Zeit, wie es die Aufgaben und wie es die Stufe der Menschheitsentwicklung innerhalb unserer Zeitepoche fordern.

Pedagogisch en didactisch werd deze Waldorfschool in Stuttgart gebaseerd op die vorm van spiritueel leven, waarvan ik denk dat die vanuit de geest van onze tijd de hele opvoeding uiteindelijk verder zal brengen op een manier die volkomen aansluit bij de eisen die gesteld worden door de geest van onze tijd, door de taak die wij in dit tijdperk hebben en het ontwikkelingsstadium van de mensheid waarin wij ons bevinden.
GA 305/12 
Vertaald:/14

Welches Gebiet des Lebens ist es am meisten, das uns auffordert, mit dem Geiste zu tun? Es ist das Erziehungs-, es ist das Unterrichts­wesen. In der Erziehung müssen wir den ganzen Menschen ergreifen, und der ganze Mensch ist Körper, Seele und Geist. Wir müssen mit dem Geiste tun können, wenn wir erziehen, wenn wir unterrichten wollen.
Hat zu allen Zeiten der Menschheitsentwickelung diese Forderung über der Menschheit gestanden, so dürfen wir sagen: Jetzt gerade, weil wir auf dem Gebiete der äußerlichen Naturerkenntnis so weit gekom­men sind, jetzt gerade am allermeisten steht die Forderung vor uns, mit dem Geiste tun zu können. Darum ist die soziale Frage heute in erster Linie eine Erziehungsfrage. Denn wir wollen mit Recht heute fragen: Was soll geschehen, damit soziale Ordnungen, soziale Institutionen unter uns entstehen, die minder tragisch sind als die heutigen, die minder bedrohlich sind als die heutigen? – Wir können uns keine andere Antwort geben als die: Wir müssen zunächst Menschen in das praktische Leben, in die soziale Gemeinschaft hineinstellen, die aus dem Geiste heraus, aus dem Tun im Geiste erzogen sind. Eine solche Erkenntnis, die zu gleicher Zeit fortwährendes Tun im Leben ist, strebt diejenige Spiritualität im Leben an, welche zur Basis gemacht werden soll – nach der Meinung, die hier vertreten wird – für die Erziehung der verschiedenen Lebensalter des Menschen. 

Op welk gebied van het leven wordt het sterkst van ons verlangd dat we met de geest werken? Dat is op het terrein van onderwijs en opvoeding. In de opvoeding moeten we de mens als geheel weten aan te pakken. En de mens als geheel bestaat uit lichaam, ziel en geest. Als wij willen opvoeden, als wij onderwijs willen geven, moeten we concreet met de geest kunnen werken. In ieder tijdperk van de mensheidsontwikkeling is die eis aan de mensheid gesteld. Maar wij mogen wel zeggen dat juist nu, juist omdat wij zover zijn gekomen op het gebied van de uiterlijke natuurkunde, de eis om concreet met de geest te kunnen werken krachtiger dan ooit aan ons wordt gesteld. Om die reden is het sociale vraagstuk in onze tijd in de eerste plaats een vraagstuk van de opvoeding. Want het is met recht dat wij ons in deze tijd afvragen: hoe kunnen wij ervoor zorgen dat er in onze samenleving maatschappelijke systemen en maatschappelijke instituties ontstaan, die minder deprimerend zijn dan de huidige, die minder gevaarlijk zijn dan de huidige? Daarop is geen ander antwoord te geven dan: wij moeten in de eerste plaats in de praktijk van het leven, in de sociale gemeenschap, mensen neerzetten die vanuit de geest, vanuit een praktisch omgaan met de geest zijn opgevoed. Zo’n inzicht, dat tegelijkertijd een voortdurend praktisch handelen inhoudt, brengt ons in het leven tot de spiritualiteit die, naar de opvatting die hier wordt vertegenwoordigd, de basis moet gaan vormen van de opvoeding van de mens in zijn verschillende levensfasen.
GA 305/14-15 
Vertaald:/14-1`5

Naast deze in Oxford gehouden voordrachten over pedagogiek, hield Steiner aansluitend nog drie voordrachten over ‘het sociale vraagstuk’. (Niet opgenomen in de vertaling)

GA 296 heeft zelfs als titel: ‘Erziehungsfrage als soziale Frage’.
Vertaald: Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave.

In de ‘Algemene menskunde’ gaat Steiner op blz. 18 en 19 niet verder in op de sociale driegeleding. 
Hij gaat eerst in op een ander aspect wat in het sociale leven een negatieve rol kan spelen: het egoïsme.
.

Een verdere uitwerking van wat boven werd beschreven, is te vinden in:
Algemene menskunde:   1-4-1/1         1-4-1/2        1-4-1/3

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Steiner schreef over de sociale driegeleding:
GA 23 Die Kernpunkte der sozialen Frage
Vertaald 
GA 24 Aufsätze uber die Dreigliederung des soziale des sozialen Organismus und zur Zeitlage 1915-1921
Hieruit vertaald: Vrije School en Driegeleding, verschenen in: Driegonaal 8e jaargang no.1

In de GA verschenen voordrachten over driegeleding GA 328 – 341
GA 332A
Vertaald

GA 334
Gedeeltelijk vertaald

Van andere auteurs in het Nederlands, o.a:
Leo de la Houssaye: Bronnen van de sociale kunst
Dieter Brüll: De sociale impuls van de antroposofie
Dieter Brüll: Vrije School en sociale driegeleding

De lijst is niet compleet.

Op deze blog: sociale driegeleding: alle artikelen

Website Sociale Driegeleding
.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1339-1251
.
.

*

    

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-5)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling

.

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 22  vert. 22

ABSTRACTE GEDACHTEN

Heel vaak zal je in het werk van Steiner opmerkingen vinden die je – ook wanneer je ze losmaakt van de context – kan gebruiken om (lang) over na te denken. Ik heb dat hier gedaan met uitspraken die voornamelijk met de pedagogie hebben te maken, maar waarbij er ook staan die ik reken – niet allereerst tot menskunde – maar tot mensenkennis. Steiner ziet in het menselijk gedrag veel wat voor hem aanleiding is daarover opmerkingen te maken die je een inzicht geven in de menselijke psyche.

‘Het concrete denken komt altijd op een eindpunt terecht, het abstracte denken draait maar door, eindeloos in een kringetje rond.’

Laatst vond ik nog een schriftje terug van heel vroeger. Aan de binnenkant van het kaft had ik mijn naam geschreven, daaronder de straat waar ik woonde, het dorp, het eiland, de provincie, het land, het werelddeel, de aarde, het heelal en toen allemaal puntjes.
Dat deed me herinneren aan vraaggesprekjes die ik hield – ik denk zo rond mijn 10e jaar – wanneer je ook iets van aardrijkskunde gaat weten.
‘Hoe heet je? -naam -. Waar ben je? – in bed-. Waar is je bed? – In mijn kamertje. – Waar is je kamertje? – In ons huis. – Waar is je huis?”  Enz. Dat liep concreet altijd vast bij de vraag: ‘Waar is het heelal?’ We bedachten dan een antwoord: ‘In een nog groter heelal. Waar is dat heelal? In een nog groter heelal. Dat kun je tien, twintig keer, eindeloos altijd blijven vragen, of wel ‘het abstracte denken draait maar door.’ 

Als lezer heb je, denk ik, wel een soortgelijke ervaring. (En wil je die hierbij plaatsen, stuur hem maar door).

Abstractie in het rekenen

Ik leerde tijdens mijn opleiding tot onderwijzer dat het goed was om veel aan kinderen te blijven vragen; steeds maar doorvragen wat een kind weet of al kan. Ook met rekenen.

Toen ik al op een vrijeschool werkte en voor het eerst in klas 4 een periode rekenen met breuken begon, deelden we een taart.
Langzaam tekende zich een reeks opgaven af. De hele taart gedeeld door 2: de helft; de helft door 2: een vierde; een vierde…enz. Toen we bij eenvierenzestigste waren, waren er nog altijd kinderen die het antwoord wisten en ik vroeg rustig verder.
1 of 2 ‘knappe koppen’ bleven over. Ik stelde opnieuw mijn vraag: ‘En als ik die dan deel, wat krijg ik dan?’
Opeens stak een kind zijn vinger op van wie ik wist dat hij nog helemaal niet zo rekenen kon dat hij het antwoord zou kunnen weten. Ik was dus zeer benieuwd naar wat hij zou zeggen en gaf hem de beurt. Zeer serieus antwoordde hij – het was werkelijk geen grap – : ‘KRUIMELS’.

Dat was de realistische rekenaar die voor zich zag wat er in het echt gebeurde.

Je kunt geen taart delen in 256 stukjes, dan heb je inderdaad kruimels.

Dit kind (en Rudolf Steiner) leerden mij goed na te denken over de vragen die je aan een klas stelt.

Rudolf Steiner:

Einmal hört in der Wirklichkeit die Fragestellung auf. Bleibt man im Abstrakten, so kann man immer weiter fragen: warum? Man kann das Rad des Fragens immerfort weiter drehen. Das konkrete Denken findet immer ein Ende, das abstrakte Denken läuft mit dem Gedanken immer endlos wie ein Rad herum.

Op een gegeven moment houdt in de werkelijkheid het vragen op. Blijf je abstract denken dan kun je altijd verder vragen: waarom? Het rad van vragenstellen kun je steeds maar ronddraaien. Het concrete denken komt altijd op een eindpunt terecht, het abstracte denken draait maar door, eindeloos in een kringetje rond.
GA 293/22
Vertaald/22

Wanneer je erop gaat letten, zal je – met name – ook in deze tijd, in media en in je naaste omgeving, vaak zo’n abstract(ere) vraagstelling ontdekken. Uiteraard kan die ook bij ons opkomen. Maar door Steiners psychologisch inzicht ter harte te nemen, kan je alerter zijn, d.w.z. realistischer – concreter in het leven staand.

MENSCHENKUNDE, MENSCHENERKENNTNIS, MENSCHENKENNTNIS

Het begrip ‘menskunde’ is de vertaling van ‘Menschenkunde’; Steiner gebruikt ook vaak ‘Menschenkenntnis’ en ‘Menschenerkenntnis’. ‘Kenntnis’ heeft met kennen te maken en kennen met kunde. Soms lijkt uit de context dat hij de woorden door elkaar gebruikt; dan echter blijkt ook dat Steiner ze voor een inhoud gebruikt die beide aspecten in zich dragen.
Het is dus goed om tijdens het lezen van voordrachten bij het woord ‘menskunde’ altijd nog even te denken aan ‘mensenkennis’.

Hier bijv.:

Was gelehrt und wie gelehrt wird, es soll durch­aus herausfließen aus Menschenerkenntnis

Wat en hoe onderwezen wordt, het moet absoluut voortvloeien uit menskunde.
GA 297/174
Op deze blog vertaald/174
Nur aus wirklicher Menschenerkenntnis heraus kann wahre Unterrichtskunst und wahre Erziehungskunst ent­stehen.

Alleen uit echte menskunde kan echte onderwijskunst en echte opvoedkunst ontstaan.
GA 297a/50
Op deze blog vertaald/50

Von einer wahren geisteswissen­schaftlichen Menschenerkenntnis soll die pädagogische und didak­tische Erziehungs- und Unterrichtspraxis der Waldorfschule befruch­tet sein.

Vanuit een echte geesteswetenschappelijke menskunde moet de pedagogische en didactische opvoedings- en onderwijspraktijk geïnspireerd zijn.
GA 300C/13
Niet vertaald

Hier noemt Steiner i.p.v. ‘Menschenerkenntnis’ ‘Seelenerkenntnis’. Dat heeft m.i. te maken met het feit dat hij ‘alles van zoveel mogelijk gezichtspunten wil karakteriseren.

Alle pädagogische Kunst muß auf eine Seelenerkenntnis gebaut sein.

Alle pedagogische kunst moet stoelen op kennis van de ziel.
GA 300C/13
Niet vertaald

Eine Pädagogik braucht eine richtige Menschenerkenntnis, die auch lebendig wird in dem ganzen Menschen, die in unser Empfinden, die aber auch in den Willen geht. Es ist nötig, dass wir eine solche Menschenerkenntnis ausbilden.

Een pedagogie heeft een echte menskunde nodig, die ook gaat leven in de héle mens, die tot in ons gevoel, maar ook tot in onze wil komt. Zó’n menskun­de moeten we ontwikkelen.
GA 302/113/114
Menskunde en opvoeding/113

Steiner geeft door zijn mensenkennis ons nog meer te overdenken als het om abstractie gaat:

Derjenige, der wirklich etwas im Leben er­reichen will, der stellt nicht abstrakte, ferne Ideale auf, an denen er entweder das Genick bricht oder sich die Stirne zerstößt, sondern der versucht immer im Einklang mit dem Leben zu sein.

Wie in het leven werkelijk iets bereiken wil, moet geen abstracte, verheven idealen koesteren waarover hij z’n benen breekt of waaraan hij z’n hoofd stoot, maar die probeert steeds het leven te nemen zoals het is.
GA 306/125
Op deze blog vertaald/125

Aber abstrakte Forderungen haben das Eigentümli­che, daß sie sich in ihrer Abstraktheit nicht verwirklichen. 

Abstracte eisen dragen het kenmerk dat zij in hun abstractheid geen realiteit worden.
GA 306/118
Op deze blog vertaald/118
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1337-1249

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2-3)

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst       Vertaling .

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat. Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3].

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik bij alle voordrachten een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken. De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.
.

ALGEMENE MENSKUNDE IN DEZE TIJD?
.

Bij de ‘Algemene menskunde’ gaat het om de mens: wie of wat is hij; hoe ontwikkelt hij zich; hoe kunnen opvoeding en onderwijs deze ontwikkeling ondersteunen?
Je kan dus niet om deze ‘Algemene menskunde’ (en de andere pedagogische voordrachten) heen, als je je vrijeschoolleraarsberoep zo goed mogelijk wil uitvoeren.

Maar hoe verhoudt deze ‘Algemene menskunde’ zich tot ‘de’ wetenschap. Zijn Steiners gezichtspunten gedateerd, loop je hopeloos achter als je je daar nu (na ca. 100 jaar) nog mee bezighoudt?
Of wordt deze door allerlei wetenschappelijke vondsten, gezichtspunten en als reactie daarop weer nieuwe opvattingen, steeds actueler?

In het artikel dat aan dit voorafgaat, citeerde ik delen uit Steiners ‘Theosofie’ [4].
Daarin wordt gesproken over ‘het ware wezen’ van de mens.
Zelf ben ik nogal huiverig voor dit ‘ware’. We zien en konden in het verleden zien, waar dit ‘ware’ toe leiden kan: het fanatiek propageren van dit ‘ware’, waarbij als vanzelfsprekend al het daarvan afwijkende als het ‘onware’, wordt beschouwd. En dat leidt al snel tot het verketteren van dit ‘onware’, dat dan gelijk wordt gesteld aan ‘afvallig’. En heeft de Grote Vertegenwoordiger van dit ‘ware’ aangegeven dat de afvallige gelijk gesteld mag worden aan ‘minderwaardig’, ‘een ongelovige’ en wat al niet, dan ligt de weg open de laatsten te elimineren. Het ‘ware beeld van de mens’ is gelegitimeerde onmenselijkheid geworden.

Iets soortgelijks – maar veel milder – vond plaats en vindt nog steeds plaats, wanneer ‘de’ wetenschap wordt gevraagd naar de ‘ware’ mens.
Wie anders denkt dan deze wetenschap, loopt het gevaar niet voor vol te worden aangezien en krijgt meestal het etiket ‘pseudo’ opgeplakt.

Ik begon het vorige artikel met:
Na zo’n tachtig jaar antroposofische publicaties kun je wel stellen dat er geen bij zijn die vanuit een helderziend vermogen zijn geschreven. In vrijwel allemaal wordt er door de bril van de antroposofie gekeken naar de meest uiteenlopende onderwerpen en dat levert vaak verrassende gezichtspunten op. En meestal wordt een gezichtspunt van Steiner daardoor grijpbaar – d.w.z. beleefbaar, zichtbaar, navolgbaar en wat dies meer zij, voor ons ‘gewone’ verstand.

Bij alle publicisten tref je aan wat Steiner in genoemde Theosofie noemt: een gevoel en begrip voor waarheid – met gevoel en begrip wordt in ieder geval gezocht naar waarheid.

In der Dunkelheit regt sich dieses Gefühl. Die Seele sieht nicht; aber durch dieses Gefühl wird sie erfaßt von der Macht der Wahrheit; und dann wird die Wahrheit nach und nach herankommen an die Seele und ihr den «höheren Sinn» öffnen. 

In de duisternis ontwaakt dit gevoel. De ziel ziet niet; maar door dit gevoel wordt ze gegrepen door de macht van de waarheid; en dan zal de waarheid gaandeweg
de ziel naderen en haar het ‘hogere zintuig’ ontsluiten.
GA 9/7
Vertaald/20

Vanuit het gevoel – dat is vaak – het invoelen, het aanvoelen, ergens voelen dat het zus of zo moet zijn, een voorvoelen, een tasten naar, komt men tot gezichtspunten – het begrip- en daarin voel je als lezer vaak al iets van ‘de macht der waarheid’, al hoeft het nog niet waar te zijn: dat is nu net de zoektocht.

Maar dat is niet voorbehouden aan mensen die geïnspireerd door Steiner op hun terrein op zoek gaan naar ‘het ware’.
Dat zoekt de mens al ‘sinds de oudste tijden’ en ook nu, in deze tijd.
Dat zoekt de wetenschap ook, wetenschap in de ruimste zin.
Maar we hebben al lange tijd te maken met wetenschap die steeds meer is gaan betekenen: natuurwetenschap en door velen, ook in het spraakgebruik, wordt wetenschap nu meestal synoniem gedacht met natuurwetenschap.

En daarmee is de oude controverse stof-geest, het dualisme dat al eeuwen bestaat, nog springlevend.

Voor Steiner geldt deze tegenstelling niet als onoverbrugbaar. Zijn geesteswetenschap, de antroposofie, is vooral een weg om dit dualisme op te heffen – letterlijk op een hoger niveau te brengen. Dat dit onmogelijk zou zijn, weerlegt hij op allerlei manieren.

Diese (heutige Wissenschaft) betrachtet die Sinneser­fahrung als die Grundlage allen Wissens, und was nicht auf die­ser Grundlage aufgebaut werden kann, hält sie nicht für wiß­bar. Sie zieht aus den Eindrücken der Sinne Schlüsse und Fol­gerungen. Was aber darüber hinausgeht, das lehnt sie ab und sagt davon, es liege jenseits der Grenzen des menschlichen Er­kennens. Für die Geisteswissenschaft gleicht eine solche An­sicht derjenigen eines Blinden, der nur dasjenige gelten lassen will, was man tasten kann, und was aus dem Getasteten durch Schlußfolgerung sich ergibt, und der die Aussagen der Sehen­den als jenseits des menschlichen Erkenntnisvermögens ab­lehnt. Denn die Geisteswissenschaft zeigt, daß der Mensch ent­wicklungsfähig ist, daß er sich neue Welten durch Entfaltung neuer Organe erobern kann. Wie Farben und Licht um den Blinden sind, und dieser sie nur nicht wahrnehmen kann, weil er keine Organe dazu hat, so erklärt die Geisteswissenschaft: es gibt viele Welten um den Menschen herum, und dieser kann sie wahrnehmen, wenn er nur die notwendigen Organe dazu ausbildet. Wie der Blinde in eine neue Welt blickt, sobald er operiert ist, so kann der Mensch durch Entfaltung höherer Or­gane noch ganz andere Welten erkennen als diejenigen sind, die ihm zunächst die gewöhnlichen Sinne wahrnehmen lassen. Ob nun ein leiblich Blinder operierbar ist oder nicht, das hängt von der Beschaffenheit der Organe ab; jene höheren Organe aber, durch welche der Mensch in übergeordnete Welten ein­dringen kann, sind im Keime bei jedem Menschen vorhanden. Jeder kann sie entwickeln, der Geduld, Ausdauer und Energie dazu hat, jene Methoden auf sich anzuwenden, welche in den Aufsätzen : «Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Wel­ten?» beschrieben worden sind [2] So spricht die Geisteswissen­schaft überhaupt nicht : der Mensch habe durch seine Organi­sation Grenzen der Erkenntnis; sondern sie sagt : es gibt für den Menschen diejenigen Welten, für die er Wahrnehmungsorgane hat. Sie spricht nur von den Mitteln, die jeweiligen Grenzen zu erweitern.

Deze huidige wetenschap) beschouwt de zintuigelijke ervaring als de grondslag van alle kennis, en wat niet op dit fundament kan worden opgebouwd, kan volgens haar geen object voor het weten zijn. Zij maakt gevolgtrekkingen uit de indrukken, die de zin­tuigen opleveren. Wat daar echter bovenuit gaat, wijst zij af, verklarend, dat dit buiten de grenzen van het menselijk kenvermogen ligt.
Voor de geestesweten­schap lijkt een dergelijke opvatting op die van een blinde, die slechts wil laten gelden, wat tastbaar is en wat door conclusies uit tastervaringen valt af te lei­den, terwijl hij datgene, wat mensen met een normaal gezichtsvermogen over de wereld te vertellen hebben als ontoegankelijk voor het kennen afwijst.
Want de geesteswetenschap toont aan, dat de mens mogelijk­heden tot ontwikkeling in zich draagt; dat hij zich nieuwe werelden kan veroveren door ontplooiing van nieuwe organen.
Zoals kleuren en licht de blinde om­geven en hij deze alleen niet kan waarnemen, omdat hij er geen orgaan voor heeft, zo is de mens volgens de geesteswetenschap door vele werelden omgeven, welke hij kan waarnemen, wanneer hij slechts de daar­toe noodzakelijke organen ontwikkelt.
Zoals voor een blinde een nieuwe wereld opengaat, zodra hij geope­reerd is, zo kan de mens door ontplooiing van hogere organen nog geheel andere werelden leren kennen dan die, welke de gewone zintuigen hem aanvankelijk doen waarnemen. Of nu een lichamelijke blindheid door een operatie te verhelpen is of niet, hangt van de gesteldheid van de organen af; die hogere organen echter, door middel waarvan de mens in hogere we­relden kan doordringen, zijn bij ieder mens in kiem aanwezig. Iedereen kan ze ontwikkelen, die het ge­duld, de volharding en de energie bezit om de me­thoden toe te passen, welke in het boek ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’ [5] zijn beschreven.
De geesteswetenschap verklaart dus allerminst, dat de mens door de beperktheid van zijn organisme voor kengrenzen is gesteld, maar zij zegt: voor de mens be­staan die werelden, waarvoor hij waarnemingsorganen heeft. En zij spreekt over de middelen om de bestaan­de grenzen te overschrijden.

GA 34/313-314  
De opvoeding van het kind (de hier gebruikte vertaling komt uit de uitgave van 1980 (6e dr), blz. 13-15       

Der naturwissenschaftliche Charakter ergibt sich, wenn man mehr der Meinung ist, was wir tun, das sei abhängig von unserer körperlichen Konstitution und von den Einwirkungen auf unsere körperliche Konstitution. Es gibt ja heute noch immer Menschen, welche so denken, daß der Mensch handelt geradeso notwendig wie etwa ein Stein, wenn er zur Erde fällt. Das wäre die naturwissenschaftliche Färbung des Notwendigkeitsgedankens.

Het natuurwetenschappelijke karakter blijkt wanneer men van mening is dat wat wij doen afhankelijk is van onze lichamelijke constitutie en van wat hierop inwerkt. Er zijn tegenwoordig nog steeds mensen die zo denken dat de mens net zo uit noodzaak handelt als een steen die naar beneden valt. Dat is nu de gekleurde natuurwetenschappelijke visie van de noodzakelijkheidsgedachte.
GA 201/11  
Niet vertaald  

Wie in onze tijd wetenschappelijke artikelen bekijkt, berichten leest enz. komt ook nu deze gedachte ‘uit noodzaak handelen als een steen’ tegen, misschien niet zo letterlijk gezegd, maar Victor Lammes idee dat we geen vrije wil hebben en daarom alles doen wat ons brein wil, is m.i. de moderne variant daarop.
Ons handelen als een soort mechanisme, als iets machinaals. De ‘mens, een machine’, zoals de la Mettrie in de 18e eeuw al verkondigde. ‘Wij zijn ons brein’ is volgens mij niets anders dan Swaabs variant hierop.

Dat je met dezelfde wetenschappelijk verkregen gegevens tot andere interpretaties van deze gegevens kan komen, bewijst Arie Bos in een soort tegenhanger van ‘Wij zijn ons brein‘:
Mijn brein denkt niet, ik wel.’ 

Nu zou je daar nog tegenin kunnen brengen dat Bos, die werkte als antroposofisch huisarts, fundamenteel uitgegaan is van Steiner. Maar dat is niet zo. Bos bestudeerde vele wetenschappelijke publicaties en komt tot een andere conclusie. 
Maar je hoeft maar naar artikelen te gaan zoeken of een krant open te slaan of je vindt Steiners gezichtspunten terug bij mensen die niets hebben onderzocht met antroposofie. Dat zijn ook mensen die iets voelen van ‘het andere’ en dat proberen te verwoorden in begrippen.

Neem Bert Keizer:

In zijn column in Trouw van 07-10-2016 schrijft hij over Swaabs ‘Het creatieve brein’.

‘Swaab loopt rond in het brein als een tuinier die pre­cies weet waar alle plantjes staan, maar voor de lezer is het niet altijd makkelijk om hem bij te houden bij de opsom­ming van al die anatomische structuren waar de verschillende geestelijke toe­standen mee samenhangen. Zolang hij zich houdt aan deze twee­deling (anatomie – geestestoestand) gaat alles goed, maar Swaab probeert ook een brug te slaan tussen anatomie en geestelijk leven en dan begint het gemieter. U begrijpt dat er in onze her­senen niets anders gebeurt dan dat neu­ronen in ingewikkelde netwerken via allerlei fijne vezeltjes elektrische pulsjes aan elkaar doorgeven of juist tegen­houden. Dit gebeurt aan de hand van prikkels uit de wereld buiten de sche­del: zien, horen, tasten, voelen, proe­ven, ruiken, dat zijn allemaal ervarin­gen waarvan het onbegrijpelijk is dat ze samenhangen met al die pulsjes. Want die ervaringen zijn sterk verschillend, terwijl die pulsjes allemaal hetzelfde spul zijn. Hoe kan zoiets? Swaab heeft er geen oog voor.’

Volgens Keizer beweert Swaab dat alle geestesactiviteit eigen­lijk neuronale activiteit is. Zou een scheikundige de gedachten willen onderzoeken, dan komt er scheikunde uit.
‘Er loopt een barst door al Swaabs bewe­ringen als hij in de buurt van het geest/lichaam-probleem komt. Hij pla­muurt deze barst al jaren weg onder de slordigheid waarmee hij ‘brein’ als ana­tomische substantie en ‘brein’ als gees­telijk domein door elkaar gebruikt. Is dat nou zo erg? Nou, d’r vallen geen dooien natuurlijk, maar ik ben nou een­maal filosofisch geschoold. Ja, en wat wou je daar dan mee zeggen? Dat ik kregelig word van denkfouten. Het idee dat je een gedachte met scheikunde zou kunnen ontleden is een mooi voor­beeld. Je kunt een gedachte wel ontle­den en dan aantonen dat er veel Freud in zit, naast een vleugje Jung. Maar je kunt in een gedachte nooit natrium aantreffen of methaan. Je kunt daaren­tegen wel nadenken over natrium en methaan, maar daar hoeven deze twee stoffen geen enkele rol bij te spelen’.

In de column van 17-03-2017 vraagt hij:
‘Maar tot nog toe is niemand erin geslaagd om uit te leggen hoe een ge­dachte uit een neuron kan voortkomen. Dat is trouwens wel een leuke vraag voor de neurologische onderzoeker: ‘Hebt u wel eens een gedachte uit een neuron zien komen?’
Geestelijke activiteit gaat altijd ge­paard met gebeurtenissen in de herse­nen. Dus naast (naast? onder? achter? boven?) ons denken en voelen gebeurt er van alles in de hersenen, maar die warreling van moleculen is iets heel an­ders dan geestelijk leven. Pijn, heim­wee, kennis van de Middeleeuwen, poëzie, wiskunde en de muziek van The Beatles, deze dingen kun je niet naar moleculen vertalen.

In ‘Letter en Geest’ van 02-04-2016 schrijft Annemarie van Stee onder de veelzeggende titel:

Zoek jezelf niet in je brein’
Wat komen we te weten over wie we zijn, als we in hersenen kijken? (   ) Ons gestaag groeiende inzicht in het brein le­vert heel weinig extra inzicht in onszelf op. (   ) Cognitieve neurowetenschappers onderzoe­ken de relatie tussen gedrag en hersenactivi­teit. Maar uiteindelijk zijn ze onderdeel van de neurowetenschappen en daarmee hersen­onderzoekers. Dat zie je aan hun experimen­ten: onderzoekers manipuleren wat hun proef­personen doen of ervaren en meten wat daarbij in het brein gebeurt. 
Neurowetenschappelijke onderzoeksarti­kelen zetten de lezer hier makkelijk op het ver­keerde been. Aan het einde van die artikelen opperen de auteurs vaak ideeën over waarom bepaalde gebieden in het brein activiteit ver­tonen. (   ) Zulke ideeën zijn geen resultaten uit het onderzoek. Ze redeneren in de omgekeerde richting: van de hersenactiviteit naar ideeën (  ). Het zijn interpretaties van de resul­taten die de onderzoekers overtuigend vinden, maar andere interpretaties zijn ook mogelijk. Want waarom zou het niet andersom zijn? (  ) [zie mijn opmerking onder Arie Bos]
Collega-neurowetenschappers weten wel dat het interpretaties zijn in plaats van resultaten, maar een argeloze lezer ziet dit vaak niet. Bovendien worden sommige interpretaties zo vaak herhaald dat ook neurowetenschappers zelf ze voor feiten verslijten. (   )
Ons perspectief op het brein is onderweg al behoorlijk veranderd. Zo richtte het onderzoek zich vijftien jaar geleden nog op regio’s in het brein, maar inmiddels denken neuroweten­schappers dat netwerken ten grondslag liggen aan ons doen en laten. Dat zijn nieuwe inzich­ten in ons brein. Maar die laten zich niet zo­maar doortrekken naar inzicht in onszelf.

Wat cognitieve neurowetenschap wel kan doen, is ons herinneren aan de biologische ba­sis van onze menselijke natuur. Het herinnert ons aan het simpele feit dat bij alles wat we zoeken, zoeken we naar inzicht in onszelf in onze unieke situatie. Experimenteel onder­zoek biedt doorgaans alleen inzicht in hoe mensen gemiddeld zijn. Verder gaat zelfbegrip over onszelf zoals we zijn geworden vanuit ons verleden, en over wie we later zouden willen worden. Dan helpt een hersenexperiment niet: dat is een momentopname van het brein in een afgebakend nu. Heel belangrijk is ook dat een beter begrip van wie wij (zouden willen) zijn perspectief biedt op hoe we het beste met ons­zelf en ons leven kunnen omgaan. Maar geen experiment kan je vertellen wat goed leven is. (   ) Die weten­schap verschaft ons inzicht in ons brein. Maar je krijgt er geen zelfinzicht van. 

Sterker: wat ‘zelf’ is verdwijnt hiermee: er is geen zelf – dan ook geen Ik: alleen materie: ‘ik ben het niet die zo raar doet, het is m’n nucleus caudatus‘ (Annemarie van Stee)

Van Maanen: hersenloze betweterij:

Wie indruk wil maken op feestjes of in de media, moet tegenwoordig bij elke uitleg van wat mensen doen hun hersenen erbij halen. Puberjongens zijn niet agressief; ze hebben een overmaat aan testosteron in hun brein en daardoor zijn ze agressief. Moeders houden niet van hun kinde­ren, Nee, door de pijn tijdens de bevalling (of door het zogen, dat hoor je ook nog weleens), maken de hersenen oxytocine aan en dat zorgt voor moederbinding. We zijn niet zomaar in de war als we verliefd zijn; uit hersenscans blijkt dat de frontale kwab die betrokken is bij de informatieverwerking te weinig wordt geacti­veerd doordat andere centra te veel dopamine produceren – of zoiets.

Gedrag verklaren klinkt een stuk overtuigender als je de hersenen de schuld geeft.
Het maakt niet uit hoe onzinnig de psycholo­gische verklaring voor het gedrag is; als er maar een soort neuro-verband – met hormonen en MRI-scans en dopamine – bij vermeld staat, klinkt het meteen een stuk overtuigender.

Dat laatste blijkt ook echt zo te zijn: onder­zoekers hebben onlangs voor een experiment allerlei psychologische verklaringen voor verschillend menselijk gedrag voorgelegd aan proefpersonen, al dan niet voorzien van wat neuro-onzin. Zelfs de meest bizarre psycho­logische verklaring vonden mensen aanneme­lijker als er maar iets over de werking van onze hersenen bij stond, Het maakte niet eens veel uit wat. En hoe minder verstand ze van hersenen hadden, hoe beter ze de verklaring vonden. Echte hersenonderzoekers trapten er niet in.
Omdat zij weten dat zo’n verklaring niets aan ons inzicht toevoegt. Voor alles wat we doen en voelen, is immers een mechanisme en een kwabje in de hersenen aan te wijzen, dat kan niet anders. Die mechanismen en kwabjes verklaren echter niet wat we doen en voelen, ze laten alleen maar zien wat er van binnen gebeurt als we iets doen en voelen. Zoals spieren nodig zijn om onze wenkbrauwen te fronsen of onze neus op te halen, maar de uitleg van de spierbewegingen niets toevoegt aan de verklaring voor dat fronsen of ophalen. Als iemand ons vraagt waarom we de wenkbrauwen fronsen, verwacht hij geen tekening van alle gezichtsspieren die daarbij betrokken zijn. Ook boeiend, maar niet ter zake.
Dus als u de volgende keer op een feestje of in de media weer iemand hoort beweren dat criminaliteit komt door een lage (of juist hoge) gevoeligheid voor cortisol, of dat verslaving wordt verklaard door een tekort (of juist teveel) aan serotonine in de hersenen, kunt u het best even uw wenkbrauwen fronsen. Of uw neus ophalen, natuurlijk.’

Wetenschapjournalist van Maanen in het blad PLUS (het artikel is niet meer oproepbaar)

Zo zijn er meer artikelen met het gezichtspunt dat we een brein hebben waarin van alles gebeurt, maar waarin duidelijk onderkend wordt dat we niet weten waarom het gebeurt en hoe.

Steiner beschreef de hersenmaterie o.a. als een stoffelijk gebied dat beïnvloed, bewerkt wordt, door ‘iets’ onstoffelijks. Of je dat nu meteen ‘Ik, geest, denken’ moet noemen, is niet zo belangrijk:

Wir gehen hinaus auf den Weg, er ist jetzt weich; wir drücken unsere Fuβspuren ein. Jetzt kommt einer, der irdische Menschen nicht kennt, vom Mars herunter und der erklärt jetzt: Nun ja, diese Fuβspuren sind dadurch bewirkt, daβ da unten in der Erde Kräfte sind; die drücken an einer Stelle den Boden etwas stärker, an einer anderen Stelle etwas weniger, dann konfigurieren sich die Spuren, so daβ genau so etwas entsteht wie ein Fuβabdruck.
So etwa erklären aus vererbten Anlagen heraus und aus dem Gehirn heraus die Menschen das Seelenwesen. Gerade so wie die Fuβspuren von auβen eingedrückt sind, so sind in den Körper besonders in das Gehirn und in die Nervenorganisation eingedrückt diejenigen Dinge, die aus der Umgebung herein im nachahmenden Leben erlebt werden im Gehenlernen, Sprechenlernen, Denkenlernen. Das Gehirn ist ein deutlicher Abdruck dessen, was der Mensch seelisch ist; aber man muβ eben wissen, daβ es nicht der Erzeuger des Seelischen ist, sondern der Boden, auf dem sich das Seelische entwickelt. Gerade so wenig wie gehen kann ohne Boden unter den Füβen, ebensowenig kann ich als irdischer Mensch ohne Gehirn  denken, selbstverständlich. Aber das Gehirn ist nichts anderes als der Boden, in den das Denken und Sprechen hineinkonfiguriert dasjenige, was Sie gerade aus der Welt heraus, aus der Welt Ihrer Umgebung bekommen, nicht aus den vererbten Anlagen heraus. 

We gaan naar buiten, de weg op, die onverhard is; onze voetstappen worden er in afgedrukt. Nu komt er iemand van Mars die de aardse mens niet kent, en die zegt nu: ‘Deze voetsporen zijn ontstaan doordat daar onder de aarde krachten aanwezig zijn; die drukken tegen de ene plek wat sterker dan tegen een andere en dan vervormt dat zodat er zo’n voetafdruk ontstaat.’
Zo ongeveer verklaren de mensen uit de erfelijke aanleg en uit het brein de ziel. Net zo als de voetsporen er van buitenaf ingedrukt zijn, zo zijn in het lichaam en in het bijzonder in het brein en de zenuworganisatie die dingen gedrukt die uit de omgeving nabootsend nageleefd worden in het leren lopen, leren spreken, leren denken. Het brein is een duidelijke afdruk van wat de mens psychisch is; maar je moet wel weten dat het de ziel niet produceert, maar de basis is waarop de psyche zich ontwikkelt. Net zo min als we kunnen gaan zonder grond onder de voeten, net zo min kan ik als aards mens zonder brein denken, vanzelfsprekend. Maar het brein is niet anders dan de grond waarin het denken en spreken vormen wat ze uit de wereld, uit de wereld van hun omgeving krijgen, niet door de erfelijke aanleg.

GA 306/45  
Op deze blog vertaald/45  

Zonder brein kunnen we niet denken. Maar het denken wordt niet door het brein geproduceerd. Keizer aan de neurowetenschapper: Hebt u wel eens een gedachte uit een neuron zien komen?’

Steiner gebruikt ook dit voorbeeld:

Der Ausdruck «Werkzeug» für die physisch vorhandenen Organe und Or­gansysteme im Menschen ist eigentlich nicht völlig richtig, sondern man muß folgendes festhalten: Nehmen Sie einmal an, hier wäre ein weicher Weg (es wird gezeichnet). Es würde ein Wagen über diesen weichen Weg fahren; dann würde der Wagen Spuren, Eindrücke in das Erdreich zurücklassen. Ich würde aus den Spuren genau angeben kön­nen, wie der Wagen gefahren ist. Nehmen Sie nun an, es würde jemand kommen und würde diese Spuren, die hier in die Erde eingedrückt sind, erklären wollen und würde sagen: Ja, die erkläre ich so, daß die Erde hier allerlei Kräfte entwickelt, die drücken das Erdreich ein. – Er würde eine vollständige Illusion aussprechen, denn es handelt sich gar nicht darum, daß da die Erde etwas tut, sondern der Erde geschieht etwas; der Wagen fährt darüber, und etwas, was gar nichts mit der Erde zu tun hat, das macht da seine Eindrücke.
So ist es zum Beispiel mit unserem Gehirnnervensystem. Dasjenige, was vorgeht, sind seelisch-geistige Vorgänge – der Wagen. Dasjenige, was zurückgelassen wird, sind Spuren. Die sind zu finden. Aber alles dasjenige, was da im Gehirn wahrgenommen wird, was anatomisch, physiologisch festgehalten werden kann, ist nichts, was mit dem Gehirnzusammenhängt, sondern das ist alles ausplastiziert von dem See­lisch-Geistigen. Es ist also gar kein Wunder, daß man alles im Gehirn findet, was im Seelisch-Geistigen vor sich geht; aber das hat nichts zu tun mit dem Gehirn. Man soll also nicht sagen, man habe es mit Werk­zeugen zu tun, sondern soll den ganzen Vorgang so auffassen, wie wenn ich gehen muß; mein Gehen hat schließlich nichts mit dem Boden zu tun, der ist nicht mein Werkzeug. Aber wenn er nicht da ist, kann ich nicht gehen. So ist es. Das Denken, der seelische Inhalt, hat gar nichts zu tun mit dem Gehirn; aber das Gehirn ist der Boden, wodurch dieser seelische Inhalt aufgehalten wird. Und dadurch, durch dieses Aufhal­ten kommt er zum Bewußtsein. Also es ist durchaus etwas ganz anderes vorliegend, als man ge­wöhnlich sich vorstellt.

De uitdrukking ‘instrument’ voor de fysiek aanwezige organen en orgaansystemen in de mens is eigenlijk niet helemaal juist, maar je moet het volgende vast­houden: neemt u eens aan dat je hier een onverharde weg hebt [het wordt getekend]. Wanneer er een wagen over deze onver­harde weg zou rijden, dan zou de wagen sporen, indrukken achterlaten in de aarde. Ik zou aan de hand van de sporen pre­cies kunnen aangeven hoe de wagen gereden is. Neemt u nu eens aan dat er iemand komt die deze sporen die hier in de aarde ontstaan zijn, wil verklaren en zou zeggen: ja, die ver­klaar ik zo dat de aarde hier allerlei krachten ontwikkelt, die drukken het oppervlak van de aarde naar beneden. — Dat zou een complete illusie zijn, want het gaat er helemaal niet om dat de aarde daar iets doet, maar dat de aarde iets overkomt. De wagen rijdt er overheen en iets wat helemaal niets met de aarde te maken heeft laat daar zijn sporen na.
Zo is het bijvoorbeeld met ons hersen-zenuwstelsel. Wat zich daar afspeelt zijn psychisch-geestelijke gebeurtenissen — de wagen. Wat er achtergelaten wordt zijn de sporen ervan. Die kun je aantreffen. Maar alles wat er in de hersenen wordt waargenomen, wat anatomisch, fysiologisch kan worden vast­gehouden, is niets wat met de hersenen samenhangt, maar dat is er allemaal in geboetseerd door het psychisch-geestelijke. Het is dus helemaal geen wonder dat je alles in de hersenen terugvindt wat zich in het psychisch-geestelijke voordoet. Maar dat heeft niets met de hersenen te maken. Je moet dus niet zeggen dat je met instrumenten te maken hebt, maar je moet het hele proces zo opvatten als wanneer ik moet lopen. Mijn lopen heeft tenslotte niets met de vaste grond te maken, die is niet mijn instrument. Maar als die grond er niet is, kan ik niet lopen. Zo is het. Het denken, de psychische inhoud, heeft helemaal niets te maken met de hersenen. Maar de her­senen vormen de grond waardoor deze psychische inhoud wordt tegengehouden. En door dit tegenhouden komt die inhoud tot bewustzijn. Er gebeurt dus iets heel anders dan men zich gewoonlijk voorstelt.
GA 303/342-343    
Gezondmakend onderwijs/381-382

Nee, ‘Algemene menskunde’ is m.i. niet achterhaald. Dan zou de mens achterhaald zijn. 
Met gezond verstand en goede wil, vanuit het gevoel voor waarheid dat velen in zichzelf beleven.
Dat gevoel kan o.a. door de bestudering van de ‘Algemene menskunde’ verrassend verdiept worden.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] GA 9
Vertaald
[5] GA 10
Vertaald

Algemene menskunde: over onderzoeken en openstaan [[1-2-1]   [1-2-2]

Algemene menskunde: voordracht 1alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

1335-1247

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 301 voordracht 11

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [12]  [13]   [14]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

11e voordracht Bazel, 6 mei 1920 [2]

Inhoudsopgave
Het ritmische element in de opvoeding:
Gevolgen van een te vroege oordeelsvorming
in onze tijd gevoel voor ritme verlorengegaan
wakker en dromen: element tekenen en muziek
inhoud van muziek het melodieuze
kinderziel beantwoordend droom- en muzikaal element
thematiek in de muziek als weg tot spreken
spreken en ritme
orthografie
luisteren
duidelijk spreken
natuurwetenschappelijk en geschiedenisonderwijs godsdienstonderwijs
vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school.

blz. 168

                       Das rhythmische Element in der Erziehung

Wenn wir uns noch einmal die drei wichtigen Abschnitte des Volks­schullebens vor Augen führen, so sind es diese: vom Eintritt in die Volksschule vom 6., 7. Lebensjahr bis zum 9.; vom 9. bis ungefähr 12. Jahre; und dann vom 12. bis ungefähr zu der Geschlechtsreife. Nun liegt die Sache so, daß dasjenige, was man menschliches Urteilsvermö­gen nennen könnte, selbständige Urteilsfähigkeit, eigentlich erst mit der vollen Geschlechtsreife im Menschen auftritt. Eine Art von Vor­bereitung findet allerdings in der menschlichen Natur auf diese Urteils-fähigkeit hin eben vom 12. Lebensjahre ab ungefähr statt. Deshalb ist dies vom 12. Lebensjahre ab eine Art von drittem Abschnitt der Volks-schulzeit, weil ja gewissermaßen schon hereinleuchtet dasjenige, was dann die Hauptsache in der menschlichen Wesenheit nach erlangter Geschlechtsreife ist, die selbständige Urteilsfähigkeit.

                             Het ritmische element in de opvoeding

Wanneer we nog een keer de drie belangrijke fasen van de basisschool onder het oog brengen, zijn het deze: het begin van de basisschool vanaf het 6e, 7e levensjaar tot het 9e; van het 9e tot ongeveer 12 jaar; en dan van 12 tot ongeveer de geslachtsrijpheid. Nu is het zo dat wat men het menselijk oordeelsvermogen zou kunnen noemen, eigenlijk pas met de volle geslachtsrijpheid in de mens verschijnt. Een soort voorbereiding op dit kunnen oordelen, vindt in de menselijke natuur echter ongeveer vanaf het 12 levensjaar plaats. Vandaar dat deze fase vanaf het 12e jaar een soort derde fase is van de basisschooltijd, omdat in zekere zin zich al aankondigt wat dan het belangrijkste in het mensenwezen is nadat de geslachtsrijpheid is bereikt: het zelfstandig kunnen oordelen.

Nun kann man ja, wie ich schon einmal bemerkte, dasjenige, was Geisteswissenschaft vertreten muß über gewisse Glieder der mensch­lichen Wesenheit, anfechtbar finden. Man kann sagen: Wozu unter­scheiden zwischen physischem Leib, Ätherleib, astralischem Leib und so weiter. Gewiß, wenn man bloß ein theoretisches Interesse an diesen Dingen hat, so wird dieses Interesse höchstens einmal einem Sen­sationsbedürfnis dienen können; aber man wird doch nicht sehr weit gehen können mit einem solchen Interesse. Anders ist es, wenn die Lebenspraxis ein solches Interesse herausfordert. Und das ist ganz ge­wiß der Fall in bezug auf die pädagogische Kunst. Denn jedesmal, wenn ein solcher Lebensabschnitt im menschlichen Gesamtleben auf­tritt, wird eigentlich aus der menschlichen Natur heraus richtig etwas geboren. Jch mußte ja darauf aufmerksam machen, wie dieselben Kräfte, die mit dem 7. Jahre, also mit der Volksschulzeit auftreten als Erinnerungskräfte, Gedankenkräfte und so weiter, gearbeitet haben am menschlichen Organismus bis zum 7. Jahre, so daß der stärkste

Nu kun je, zoals ik al eens opmerkte, het standpunt dat de geesteswetenschap inneemt waar het gaat om bepaalde delen van het mensenwezen, aanvechten. Je kan zeggen: waarom zou je een onderscheid maken tussen fysiek lichaam, etherlijf, astraallijf enz. Zeker, wanneer je alleen theoretisch in die dingen geïnteresseerd bent, zal deze interesse hoogstens een keer als een bepaalde behoefte aan sensatie kunnen dienen; maar met zo’n interesse kom je niet erg ver. Anders is het, wanneer de praktijk van het leven zo’n interesse vraagt. En dat is zeer zeker het geval m.b.t. de pedagogische kunst. Want iedere keer als zo’n levensfase in het totale leven van de mens verschijnt, wordt er eigenlijk uit de menselijke natuur iets geboren. Ik moest er op wijzen hoe dezelfde krachten die met het 7e jaar, dus in de basisschoolleeftijd zich voordoen als herinneringskrachten, gedachtekrachten enz. aan het menselijk organisme hebben gewerkt tot het 7e jaar, zodat de krachtigste uitdrukking

blz. 169

Ausdruck dieses Arbeitens das Erscheinen der zweiten Zähne ist. Ge­wissermaßen im Organismus arbeiten die Kräfte, um die es sich später handelt in der Volksschulzeit, als Vorstellungskräfte; im Organismus wirken sie in der menschlichen Natur verborgen; dann werden sie be­freit, werden selbständig, und diese Kräfte, die da selbständig werden, die nennen wir die Kräfte des Ätherleibes. Wiederum mit der Ge­schlechtsreife werden andere Kräfte selbständig, die uns in die Außen­welt in der mannigfaltigsten Weise einführen. Aber in dem System dieser Kräfte ist zugleich enthalten das menschliche selbständige Ur­teilsvermögen. So daß wir sagen können: der eigentliche Träger des menschlichen Urteilsvermögens, dasjenige im Menschen, was die Kräfte enthäh, die ein Urteil hervorbringen, das wird im Menschen im Grunde genommen erst mit der Geschlechtsreife geboren und bereitet sich lang­sam zur Geburt vor vom 12. Jahre ab.
Wenn man dies weiß und richtig würdigen kann, dann ist man sich auch bewußt, welche Verantwortung man übernimmt, wenn man den Menschen zu früh an selbständiges Urteil gewöhnt. 

van deze activiteit het verschijnen van de vaste tanden is. In het organisme werken in zekere zin deze krachten waarom het later in de basisschool gaat, als voorstellingskrachten; in het organisme zijn ze in het verborgene actief; dan komen ze vrij, worden zelfstandig en deze zelfstandig geworden krachten noemen we de krachten van het etherlijf. En met de geslachtsrijpheid worden weer andere krachten zelfstandig die ons op velerlei manieren onze intrede in de buitenwereld laten doen. Maar in dit krachtensysteem zit tegelijkertijd het vermogen van de mens om zelfstandig te oordelen. Zodat we kunnen zeggen: de eigenlijke drager van het menselijke oordeelsvermogen, wat in de mens de kracht in zich heeft een oordeel te vellen, wordt basaal gesproken pas met de geslachtsrijpheid geboren en bereidt zich daar langzaam op voor vanaf het 12e jaar.
Wanneer je dit weet en naar waarde weet te schatten, ben je je ook bewust, welke verantwoording je op je neemt, wanneer je een mens te vroeg zelfstandig laat oordelen. In dit opzicht heersen er, vooral tegenwoordig, de meest funeste vooroordelen: men zou het liefst de mens zo vroeg mogelijk willen laten wennen aan zelfstandig oordelen.

Wir haben gesagt: der Mensch ist so zu halten bis zur Geschlechts-reife, daß er unter dem Einfluß der Autorität steht, daß er anerkennt irgend etwas deshalb, weil es die selbstverständlich neben ihm wir­kende Autorität eben gebietet, eben so will. Wenn wir das Kind ge­wöhnen, in der richtigen Weise zu uns als Lehrer, als Erzieher zu ste­hen und hinzunehmen die Wahrheit, weil wir sie als Autorität ver­treten, gerade dann bereiten wir das Kind in der richtigen Weise vor, später im Leben ein freies, ein selbständiges Urteil haben zu können. Wollen wir nicht als selbstverständliche Autorität neben dem Kinde stehen, wollen wir gewissermaßen verschwinden, und fordern alles der kindlichen Natur ab, dann bearbeiten wir dieses Kind so, daß wir seine Urteilsfähigkeit zu früh herausfordern, ehe das, was wir also astra­lischen Leib nennen, mit der Geschlechtsreife erst selbständig frei er­scheint; wir bearbeiten das, was wir so astralischen Leib nennen, indem es noch in der physischen Natur des Kindes drinnen wirkt. Dadurch prägen wir dem Kinde, wenn ich mich jetzt so ausdrücken darf, in sein Fleisch ein dasjenige, was wir ihm nur einprägen sollten in seine Seele. Dadurch aber bereiten wir in dem Kinde etwas vor, was sein

We hebben gezegd: we moeten ons zo op de mens richten tot aan zijn puberteit dat hij de invloed van de autoriteit ondergaat, dat hij iets accepteert, omdat de vanzelfsprekend naast hem werkende autoriteit dat nu eenmaal verlangt, wil hebben. Wanneer wij het kind vertrouwd maken met op een juiste wijze t.o.v. ons als leraar, als opvoeder te staan en de waarheid te accepteren omdat wij die als autoriteit vertegenwoordigen, juist dan bereiden wij het kind op de juiste manier voor, later in het leven een vrij, een zelfstandig oordeel te kunnen hebben. Willen wij niet als vanzelfsprekende autoriteit naast het kind staan, willen we in zekere zin verdwijnen en verlangen we alles van de kinderlijke natuur, dan beïnvloeden we dit kind zo, dat wij zijn oordeelskracht te vroeg opeisen, vóór wat wij astraallijf noemen, met de geslachtsrijpheid pas zelfstandig vrij wordt; we beïnvloeden dan wat we astraallijf noemen als het nog in de fysieke natuur van het kind actief is. Daardoor laten we bij het kind iets – als ik me zo mag uitdrukken – in zijn vlees achter, terwijl we dat achter zouden moeten laten in zijn ziel. Daardoor echter leggen we in het kind iets wat hij voor zijn

blz. 170

ganzes Leben als ein Schädling in ihm leben wird. Denn es ist etwas ganz anderes, ob wir zum freien Urteil, nachdem wir gut vorbereitet sind, im 14., 15. Jahre heranreifen, wo der astralische Leib, der der Träger des Urteils sein kann, frei geworden ist, oder ob wir früher herangezogen werden zum sogenannten selbständigen Urteil. Im letz­ten Fall wird nicht unser Astralisches, das heißt unser Seelisches, herangezogen zum selbständigen Urteil, sondern da wird unser Leib herangezogen. Unser Leib aber wird herangezogen mit allen seinen naturgemäßen Eigenschaften, mit seinem Temperamente, mit seiner Blutbeschaffenheit, mit alledem, was in ihm Sympathie und Antipathie hervorruft, mit alledem, was ihm keine Objektivität gibt. Mit anderen Worten, wenn das Kind zwischen dem 7. und 14. Jahre schon selb­ständig urteilen soll, so urteilt es aus demjenigen Teil der Menschen­natur heraus, der später niemals wiederum abgestreift werden kann, wenn wir nicht dafür sorgen, daß er selber in naturgemäßer Weise in der Volksschulzeit versorgt wird, nämlich durch Autorität. Lassen wir zu früh urteilen, so urteilt der Leib das ganze Leben hindurch. Dann bleiben wir ein schwankender Mensch in unserem Urteil, der abhängig ist von seinem Temperament, von allem möglichen in seinem Leibe. 

hele leven als een schadelijk element met zich meedraagt. Want het is iets heel anders of wij op ons 14e of 15e jaar een vrij oordeel kunnen ontwikkkelen na een goede voorbereiding waarbij het astraallijf dat de drager van het oordeel kan zijn, vrij is geworden, of dat we eerder tot het zogenaamde zelfstandige oordelen zijn gebracht. In het laatste geval wordt niet ons astraallijf, d.w.z. onze ziel tot zelfstandig oordelen gebracht, maar ons lichaam. Maar ons lichaam echter ontwikkelt zich met alle eigenschappen die het van nature heeft, met zijn temperament, met de eigenschappen van het bloed, met alles wat in hem sympathie en antipathie oproept, met alles wat niet ín staat voor objectiviteit. Met andere woorden, wanneer het kind tussen het 7e en het 14e jaar al zelfstandig moet oordelen, dan oordeelt het uit dat deel van de mens waar hij zich later nooit meer van kan bevrijden, wanneer wij er niet voor zorgen dat hij zelf op een natuurlijke manier in de basisschoolleeftijd geholpen wordt, namelijk door autoriteit. Laten we te vroeg oordelen, dan oordeelt het lichaam, het hele verdere leven. Dan blijven we een aarzelend mens in ons oordeel, dat afhankelijk is van zijn temperament en wat al niet in zijn lichaam.

Werden wir so vorbereitet, wie es der Natur unseres Leibes entspricht, wie der Leib es fordert durch seine eigene Natur, werden wir zur rech­ten Zeit in Anlehnung an die Autorität erzogen, dann wird in der richtigen Weise frei dasjenige, was urteilen soll in uns, dann werden wir später auch im Leben ein objektives Urteil gewinnen können. So ist die beste Vorbereitung zur selbständigen, freien menschlichen Per­sönlichkeit die, wenn wir das Kind nicht zu früh zu dieser freien Persönlichkeit bringen, sondern im rechten Lebensalter.
Das ist eines von den Dingen, die viel verderben können, wenn sie nicht in der rechten Weise gerade in der pädagogischen Kunst an­gewendet werden. In unserer Zeit ist es nun eigentlich recht schwierig, auf dieses alles intensiv genug aufmerksam zu machen. Sie werden finden, wenn Sie über diesen Gegenstand, wie ich selbst hier spreche, zur heutigen Außenwelt sprechen, zu denjenigen, die ganz und gar unvorbereitet sind und auch keinen guten Willen mitbringen, daß Sie heute sehr, sehr werden vor tauben Ohren predigen. Wir leben eben einmal viel mehr, als wir es denken, im Zeitalter des Materialismus. Und dieses Zeitalter des Materialismus, es sollte eigentlich genau ge­kannt sein gerade von den Pädagogen. Der Pädagoge sollte sich genau

Worden we zo voorbereid dat het in overeenstemming is met de aard van ons lichaam, zoals het lichaam het vraagt vanuit zijn eigen natuur, worden we op de juiste tijd opgevoed met naast ons een autoriteit, dan komt op de juiste manier vrij wat er in ons moet oordelen, dan zullen we later ook in het leven een objectief oordeel kunnen krijgen. Dus is de beste voorbereiding voor een zelfstandige, vrije menselijke persoonlijkheid er een waarin het kind niet te vroeg deze vrije persoonlijkheid wordt, maar op de juiste leeftijd.
Dat is een van de dingen die veel verpesten kan, als die niet op de juiste manier, juist in de pedagogische kunst, toegepast wordt. In onze tijd is het eigenlijk heel moeilijk op dit alles krachtig genoeg te hameren. U zal zien dat wanneer u over dit onderwerp, zoals ik hier spreek, tegen de buitenwereld spreekt, tot degenen die helemaal niet voorbereid zijn en geen goede wil meebrengen, dat u heel erg tegen dovemansoren zal spreken. We leven nu eenmaal veel meer dan we denken in het tijdperk van het materialisme, dat moet eigenlijk onder pedagogen nu juist heel duidelijk zijn. De pedagoog moet zich precies

blz. 171

bewußt sein, wie viel Materialismus in unserer ganzen Zeitkultur, namentlich aber in unserer Zeitgesinnung, schäumt.
Ich möchte von einer ganz anderen Seite her einmal das, was ich eben ausgesprochen habe, charakterisieren. Es ist etwas Eigentümliches in der neueren europäischen Zivilisation, daß etwa um das Jahr 1850, ohne daß es eigentlich sehr deutlich bemerkt worden ist, verloren­gegangen ist in großem Ausmaße das unmittelbare, elementare Gefühl für Rhythmus. Deshalb haben wir jetzt, wo die Menschen schon wie­derum ein paar Generationen über den Zeitpunkt hinaus sind, in dem dieses Gefühl für Rhythmus verlorengegangen ist, gar kein Bewußt­sein davon, was das gerade in der Kindererziehung eigentlich bedeutet, daß unserm Zeitalter so sehr das Gefühl für Rhythmus mangelt. Da muß man, um das einzusehen, folgendes ins Auge fassen:
Der Mensch wechselt in seinem Leben täglich zwischen Schlafen und Wachen. Den sogenannten Wachzustand glaubt der Mensch gut zu kennen, denn er ist dann seiner selbst bewußt. Er erlangt durch seine Sinnesempfindungen ein Bewußtsein der Außenwelt. Kurz, den Wach-zustand glaubt der Mensch zu kennen. Den Zustand vom Einschlafen bis zum Aufwachen, den kennt ja der Mensch nicht. 

bewust zijn hoeveel materialisme in ons hele cultuurtijdperk rondwaart, met name in wat de overtuiging is van onze tijd.
Ik zou nu vanuit een heel andere kant eens willen karakteriseren wat ik net uitgesproken heb. Er is iets merkwaardigs in de nieuwe Europese beschaving dat ongeveer rond het jaar 1850, zonder dat het eigenlijk echt werd opgemerkt, het directe, elementaire gevoel voor ritme op grote schaal verloren is gegaan. Daarom hebben we nu, nu de mensen al weer een paar generaties verder zijn dan dit tijdstip waarop dit gevoel verloren is gegaan, helemaal geen besef van wat het in de opvoeding van het kind eigenlijk betekent, dat onze tijd zo’n groot gebrek aan gevoel voor ritme heeft. Je moet om dit in te zien, het volgende in de gaten hebben:
De mens wisselt in zijn leven dagelijks tussen slapen en wakker-zijn. De mens denkt de zogenaamde waaktoestand goed te kennen, want dan is hij zichzelf bewust. Hij krijgt door de waarnemingen van zijn zintuigen bewustzijn van de buitenwereld. Kortom, de mens denkt de periode van wakker-zijn te kennen. De toestand van inslapen tot wakker worden kent de mens niet.

Er hat ja in un­serem heutigen normalen Leben kein Bewußtsein seiner selbst. Er hat auch nicht viel unmittelbar bewußte Wahrnehmungen der Außenwelt. Das ist also ein Zustand, der sich in das Leben hineinstellt wie ein unbewußter Zustand. Wir werden nur leicht eine Vorstellung gewin­nen können von dem Zusammenwirken des Lebens in diesen zwei Zu­ständen, wenn wir auf zwei polarische Gegensätze hinweisen, die eben auch eine große Bedeutung für die ganze Erziehungskunst im mensch­lichen Leben haben. Es handelt sich um das Zeichnerische und das Musikalische, zwei Gegensätze, die wir schon erwähnt haben, und die wir heute von einem besonderen Gesichtspunkte aus noch einmal be­trachten wollen.
Fassen wir das Zeichnerische ins Auge, zu dem ich jetzt auch das Malerische, das Plastische rechne. Erinnern wir uns dabei an alles, was wir in bezug auf das Zeichnerische schon vom Beginn der Volksschul­zeit an für das Kind als notwendig erachtet haben. Was zeigt uns das Zeichnerische? Es zeigt uns, daß der Mensch diejenige Form, die er in der Außenwelt wiederfindet, aus seiner eigenen Natur heraus formt. Ich habe darauf aufmerksam gemacht, daß das Sich-Halten an das Modell nicht dasjenige ist, worauf es ankommt, sondern daß wir finden

Hij heeft in ons huidige normale leven geen bewustzijn van zichzelf. Hij heeft ook niet veel direct bewuste waarnemingen van de buitenwereld. Dat is dus een toestand die een onbewuste toestand blijkt te zijn. Nu zullen we makkelijk een voorstelling kunnen ontwikkelen over dit samengaan van deze twee toestanden in het leven, wanneer we op twee grote polaire tegenstellingen wijzen die ook voor de hele opvoedkunst een grote betekenis hebben voor het menselijk leven. Het gaat om alles wat tekenen is en het muzikale, twee tegenstellingen die we al aangestipt hebben en die we vandaag van een bijzonder standpunt uit nog eens willen bekijken.
Kijken we naar alles wat tekenen is, waartoe ik nu ook het schilderen reken en het plastische. Laten we proberen ons alles te herinneren wat we, wat het tekenachtige betreft al vanaf het begin van de basisschool beschouwd hebben als iets noodzakelijks voor het kind. Wat zien we aan alles wat met het tekenen te maken heeft? Het laat ons zien dat de mens een vorm die hij terugvindt in de wereld, vanuit zijn eigen wezen vormt. Ik heb erop gewezen dat het er niet op aankomt je te houden aan een voorbeeld, maar dat we

blz. 172

müssen aus unserer eigenen Natur heraus ein Gefühl, ein Empfinden für Form. Aber wir werden doch zuletzt gewahr werden, daß wir mit alledem, was wir im Zeichnen, im Malen, was wir überhaupt in all dem, was bildend im Raume ist, was von uns als Gestaltung im Raume bewirkt wird, in einem Elemente drinnen stehen, das uns im Wach­zustande in der Außenwelt umgibt. Wir zeichnen Linien, wir malen Farben, wir bilden Formen nach. Linien stellen sich uns dar, obwohl sie als solche nicht in der Natur vorhanden sind; aber sie stellen sich uns durch die Natur dar, Farben, Formen ebenfalls.
Fassen wir das andere Element ins Auge, das Musikalische, das ja auch die Sprache durchdringt, durchtönt. Da müssen wir sagen: im eigentlich Musikalischen haben wir nur einen Ausdruck der mensch­lichen Seele. Alles dasjenige, was zuletzt im Musikalischen zum Vor-scheine kommt, es hat ja nur im allerelementarsten ein solches Analo­gon in der äußeren Natur, wie das Plastische, wie das Bildnerische, wie das Zeichnerische. Es würde auch nicht möglich sein, in derselben Weise mit dem Musikalischen nur nachahmen zu wollen naturalistisch das Äußere, wie es möglich ist in einer Zeit, wo das Kunstgefühl für das Plastische oder Zeichnerische schwach ist, bloß das Äußere nachzu­ahmen.

vanuit onze eigen natuur een gevoel voor, een inleven in een vorm vinden. Maar uiteindelijk zullen we merken, dat we met alles wat we met tekenen, schilderen, en vooral met alles wat maar beeldend in de ruimte staat, wat door ons als vorm in de ruimte gebracht wordt, ons in een element bevinden, dat in een wakkere toestand zich om ons heen in de wereld bevindt. We tekenen lijnen, we schilderen kleuren, we maken vormen na. Er verschijnen lijnen, hoewel die als zodanig in de natuur niet voorkomen; ze ontstaan door de natuur, kleuren, vormen eveneens.
Nemen we het andere element, het muzikale, dat gaat ook tot in de spraak, klinkt daar in door. We moeten zeggen: in wat in feite muziek is, hebben we slechts een uitdrukking van de menselijke ziel. Alles wat tenslotte in het muzikale tevoorschijn komt, heeft slechts op het allerelementairste niveau zo’n analoog iets in de natuur als het plastische, het beeldende, en het tekenachtige. Het zou ook niet mogelijk zijn op dezelfde manier met iets muzikaals naturalistisch het uiterlijke na te bootsen, zoals dat in onze tijd waarin het kunstgevoel voor het beeldende en het grafische zwak is, mogelijk is alleen door het uiterlijke na te maken.

Und dennoch, hat denn die Musik keinen Inhalt? Die Musik hat ihren Inhalt. Der Inhalt des Musikalischen, er ist ja im wesent­lichen das melodiöse Element der Musik. In Wahrheit ist das melodiöse Element der Inhalt der Musik. Melodien müssen einem einfallen. Wenn gegenwärtig von vielen Seiten her weniger Wert auf das melodiöse Element gelegt wird, so ist das eben auch nichts anderes als ein Charak­teristikon des materialistischen Zeitalters. Es fällt den Leuten eben nicht genug ein. Das eigentlich melodiöse Element ist der Inhalt des Musikalischen. Woher stammt das melodiöse Element? Das melodiöse Element ist gut zu vergleichen dem plastischen Element. Nicht wahr, das plastische Element ist räumlich angeordnet, das melodiöse Element ist zeitlich angeordnet. Aber wer ein reges Gefühl für diese zeitliche Orientierung hat, der wird darauf kommen, daß im melodiösen Ele­ment eine Art zeitlicher Plastik enthalten ist. Das melodiöse Element entspricht in einer gewissen Weise dem, was Plastik der Außenwelt ist.
Nun gehen wir an etwas anderes. Sie alle kennen jenes flüchtige Ele­ment unseres Seelenlebens, das in dem Traum zutage tritt. Träume sollte man insbesondere bei der kindlichen Welt ins Auge fassen. Man sollte in einer gewissen Weise als Lehrer auch mit der Art des Träumens

Maar, heeft muziek dan geen inhoud? Muziek heeft haar inhoud. De inhoud van het muzikale is in wezen het melodieuze element van de muziek. In waarheid is het melodieuze element de inhoud van de muziek. Melodieën moeten je invallen. Wanneer men tegenwoordig weinig waarde aan het melodieuze element hecht, dan is dat toch niets anders dan een karaktertrek van het materialisme.
Maar de mensen komen er te weinig op. Het eigenlijke melodieuze element is de inhoud van het muzikale. Waar komt dit melodieuze element vandaan? Het melodieuze element kun je goed vergelijken met het plastische. [ een plastiek, een (gebeeldhouwd beeld). Niet waar, het plastische is in de ruimte geordend, het melodieuze element in de tijd. Maar wie een fijn gevoel heeft voor die oriëntering in de tijd, komt erop, dat in het melodieuze element een soort tijdsplastiek zit. Het melodieuze element komt op een bepaalde manier overeen met wat plastiek in de buitenwereld is.
Nu gaan we naar wat anders. U kent allemaal dat vluchtige element van ons zielenleven dat we in de droom hebben. Dromen moet je vooral in de wereld van het kind in het oog vatten. Je moet op een bepaalde manier als leerkracht ook met de soort dromen bekend zijn,

b;z. 173

seiner Schüler bekannt sein. Davon werden wir noch sprechen; aber jetzt will ich nur im allgemeinen darauf hinweisen, daß ja jeder Mensch kennt dieses flüchtige Element des Traumes. Wenn man sich sachgemäß mit diesem Element des Traumes befaßt, dann gelangt man allmählich zu anderen Ansichten als die populären, die laienhaften, über den Traum sind. Die laienhaften Ansichten über den Traum nehmen den Inhalt des Traumes; denn das interessiert den Laien besonders, was der Inhalt des Traumes ist. Sobald man sich sachgemäß mit dieser wunder­baren, mysteriösen Traumwelt beschäftigt, wird die Sache anders. Da erzählt einem ein Mensch folgenden Traum. Ja, ich stieg einen Berg-hang hinauf; gerade bevor ich zum Gipfel kommen sollte, da war ein Hindernis, das konnte ich nicht überwinden. Ich konnte den Gipfel nicht erreichen. Ich versuchte das Hindernis zu überwinden, da stellten sich mir böse, feindliche Tiere, dämonisch aussehende Gestalten ent­gegen. – So etwas beschreibt einem ein Mensch. Ein anderer Mensch be­schreibt einem Folgendes. Er sagt: Ich ging einen Weg, da kam ich an eine Höhle; in die Höhle ging ich hinein. Da wurde es plötzlich finster, ich konnte nicht weiter. 

van je leerlingen. Daarover zullen we nog spreken; maar nu wil ik er in het algemeen op wijzen, dat ieder mens dit vluchtige element van de droom wel kent. Wanneer je ter zake je met dit element van de droom bezighoudt, krijg je langzamerhand ook andere opvattingen dan de populaire, amateuristische over de droom. De amateuristische opvattingen gaan over de inhoud van de droom; want dat interesseert de leek in het bijzonder, deze inhoud. Zodra je je adequaat bezighoudt met deze wonderbaarlijke, mysterieuze droomwereld, wordt de zaak anders. Iemand vertelt je een droom. Ik besteeg een berg; net voor ik de top zou bereiken, was er een hindernis die ik niet kon overwinnen. Ik kon de top niet bereiken. Ik probeerde de hindernis te nemen, toen boze, vijandelijke dieren, duivels uitziende dieren mij tegemoetkwamen. – Dit beschrijft een mens. Een ander beschrijft het volgende: Hij zegt: ik liep over een weg, toen ik bij een grot kwam. Ik ging de grot binnen. Toen werd het plotseling donker, ik kon niet verder. Toen kwam ik allerlei hindernissen tegen. Ik kwam niet verder, ik bereikte mijn doel niet. –

Und eine dritte, eine vierte Art kann noch erzählt werden. Die Bilder sind ganz verschieden. Der eine träumt von einem Anstieg an einen Berg, der andere von Hineingehen in eine Höhle, der dritte wieder von etwas anderem, denn es kommt auf die Bilder gar nicht an. Die Bilder sind etwas rein in den Traum Hineingewobenes. Das, worauf es ankommt, das ist, daß der Mensch eine Spannung erlebt, in die er allmählich hin-eingeht, und die er zunächst nicht lösen kann, die sich erst im Auf­wachen etwa löst. Dieses einer Spannung entgegengehen, dieses Auf­treten der Spannung, dieses Beklommenwerden, das ist es, was in den verschiedensten Bildern zum Ausdrucke kommen kann.
Also darauf kommt es an, daß der Mensch im Traume auf- und ab­steigende Spannungen, Lösungen, Erwartungen, Enttäuschungen erlebt, kurz, daß er innere Seelenzustände erlebt, die sich in den mannigfaltig­sten Bildern aussprechen können. Die Bilder sind gleichartig anschwel­lend und absteigend. Der Seelenzustand ist das Wesentliche, denn das hängt zusammen mit der ganzen Verfassung der Seele. Ob einer diese oder jene Bilder erlebt hat in der Nacht, das ist gleichgültig. Ob einer zuerst eine Spannung und dann eine Lösung, oder zuerst eine Erwar­tung und dann eine Enttäuschung erlebt hat, das ist nicht gleichgültig,

Dit kan nog op een derde of vierde manier verteld worden. De beelden zijn heel verschillend. De een droomt over een beklimming een berg op, de ander over het binnengaan van een grot, de derde weer over iets anders, want op de beelden komt het volstrekt niet aan. De beelden zijn weer in de droom meegeweven. Waarop het aankomt is, dat de mens een spanning ervaart waarin hij langzamerhand terechtkomt en waarvan hij zich niet bevrijden kan, dat gebeurt pas bij het wakker worden. Dit tegemoet gaan van een spanning, het verschijnen van de spanning, dit benauwd krijgen kan in de meest verschillende beelden tot uitdrukking komen.
Dus daar gaat het om, dat de mens in de droom toenemende en afnemende spanning, ontspanning, verwachtingen en teleurstellingen beleeft, kortom, dat hij innerlijke gevoelstoestanden beleeft die zich in de meest uiteenlopende beelden uitdrukken. De beelden worden op eenzelfde manier sterker en zwakker. De toestand van de ziel is het wezenlijke, want die hangt samen met de totale zielengesteldheid. Of iemand nu ’s nachts deze of die beelden beleeft, dat is om het even. Of iemand eerst in spanning zit die zich dan oplost of eerst een verwachting heeft en daarna teleurgesteld is, dat is niet om het even,

blz. 174

denn davon hängt zuweilen sein ganzes Befinden am nächsten Tage ab. Oder es zeigt solch ein Traum, in welcher allgemeinen Seelen­stimmung ein Mensch infolge von Schicksalserlebnissen ist und so weiter. Ich möchte sagen, die auf- und absteigende Kurve, die ist es, auf die es ankommt. Was da erscheint, was zum Bilde wird gerade an der Grenze des Aufwachens, das ist nur ein Gewand, das der Traum um sich webt. Aber wenn wir jetzt hineinschauen in dieses Traum-leben, wenn wir die Frage aufwerfen: Was erlebt denn der Mensch bis zum Aufwachen hin? – dann sagen wir uns: Ja, bis zum Aufwachen hin erlebt er dieses Anschwellen von Gefühlen, Absteigen von Gefüh­len, dann im Momente des Aufwachens kleidet sich ihm das in die entsprechenden Bilder hinein. Natürlich, man kann das, ich möchte sagen, an jedem charakteristischen Traum wahrnehmen. Ich will Ihnen einen charakteristischen Traum erzählen:
Ein Student steht an der Tür des Hörsaales. Er träumt, wie ein an­derer Student auf ihn zukommt, ihn so stark beschimpft, daß, wie es unter Studenten selbstverständlich ist, eine Duellforderung daraus wird – träumt, wie die Sekundanten gewählt werden, wie sie in den Wald hinausgehen, wie alles vorbereitet wird.

want daarvan hangt soms af hoe hij zich de volgende dag voelt. Of er is een droom waarin een mens een meer algemene zielenstemming heeft als gevolg van lotsbelevenissen enz. Ik zou willen zeggen dat het gaat om de oplopende en aflopende lijn. Wat zich voordoet, wat beeld word,t juist wanneer je wakker begint te worden, is alleen maar het kleed waarmee de droom zich omhult. Maar als we in die droomwereld kijken, als we de vraag stellen: wat beleeft een mens dan tot hij wakker wordt, moeten we zeggen: tot het ogenblik van wakker worden beleeft hij dit sterker worden van de gevoelens en het weer zwakker worden, en op het ogenblik van wakker worden, wordt daarvan een beeld gemaakt dat er bij past. Natuurlijk kun je dat aan iedere karakteristieke droom waarnemen. Ik wil u een karakteristieke droom vertellen:
Een student staat bij de deur van de collegezaal. Hij droomt dat er een andere student op hem afkomt, die heftig tegen hem begint te schelden, zo, dat is onder studenten gebruikelijk, dat  er een uitdaging voor een duel op volgt – hij droomt dat de secondanten worden gekozen, hoe ze naar het bos gaan, hoe alles wordt voorbereid.

Erster Schuß – den hört er noch, er wacht auf -, er hat den Stuhl umgestoßen, der an seinem Bette stand; das war der Schuß. Das war das einzige äußere Ereignis. Also die ganze Bilderwelt des Traumes ist in diesem Momente durch seinen Kopf geschossen. Dasjenige aber, was sich mit diesen Bildern umkleidet, das ist ein dauernder seelischer Zustand.
Nun vergleichen Sie einmal ernsthaftig dasjenige, was da zugrunde liegt dem Träumen, dieses Anschwellen, Abtönen der Gefühle, dieses Spannen, Lösen vielleicht oder das Hinneigen zu irgend etwas, was dann in eine Kalamität hineinführt und so weiter. Vergleichen Sie das ganz ernsthaft mit dem, was zugrunde liegt dem musikalischen Ele­mente, dann werden Sie in den Traumbildern nur etwas Unregelmäßi­ges haben; in dem Musikalischen haben Sie dasjenige, was ganz in der gleichen Art dieses Anschwellen, Abtönen und so weiter darstellt. Und wenn Sie diesen Forschungsweg verfolgen, dann werden Sie finden:
Plastik, Zeichnungen, das ahmt nach die Form, in die wir uns einleben vom Aufwachen bis zum Einschlafen im Tageszustand. Melodien als dasjenige, was mit dem Musikalischen zusammenhängt, die geben uns die Erlebnisse des scheinbar ganz unbewußten Zustandes, die kommen als Reminiszenzen in unser Tagesleben hinein. Die Menschen wissen so

Eerste schot – dat hoort hij nog, hij wordt wakker -, hij heeft een stoel omgegooid die bij zijn bed stond; dat was het schot. Dat was het enige wat er gebeurde. Dus de hele beeldenwereld van de droom is op dit ogenblik door z’n hoofd gegaan. Maar wat zich met deze beelden omkleedt, is een voordtdurende gevoelstoestand.
Nu moet u dit eens serieus vergelijken met wat er ten grondslag ligt aan het dromen, aan dit aanzwellen, zwakker worden van de gevoelens, de spanning en ontspanning wellicht of de neiging tot iets wat dan in een ramp uitmondt enz. Vergelijkt u dat serieus met wat er ten grondslag ligt aan het muzikale element, dan zal u in de droombeelden iets onregelmatigs tegenkomen; in de muziek heb je precies hetzelfde met het aanzwellen en afnemen. En als je dit verder onderzoekt, zal je vinden: plastiek, tekeningen bootsen de vormen na waarin we ons inleven vanaf het wakker worden tot we gaan slapen overdag. Melodieën als datgeen wat met het muzikale samenhangt die ons iets laten beleven van schijnbaar heel onbewuste toestanden die als rest ons dagleven binnenkomen. De mensen

blz. 175

wenig von dem eigentlichen Ursprung der musikalischen Themen, weil sie das, was in den musikalischen Themen sich auslebt, in der Zeit vom Einschlafen bis zum Aufwachen erleben. Das ist für den Menschen heute als ein noch unbewußtes Element da, das sich nur verrät dann, wenn es sich im Traum zu Bildern formt. Aber dieses unbewußte Element, das im Traum waltet, das im musikalischen Elemente gerade im Melodiösen waltet, dieses unbewußte Element müssen wir gerade in der Unterrichtskunst aufnehmen, damit wir über den Materialismus auch durch die Erziehungskunst hinauskommen.
Wenn Sie nun den Geist des hier Vorgetragenen erfassen, so werden Sie sehen, wie überall versucht worden ist, dieses unbewußte Element aufzunehmen; erstens indem ich das künstlerische Element als notwen­dig bezeichnet habe gleich im Beginne der Volksschulzeit; zweitens in­dem ich auf so etwas insistiert habe, wie den Dialekt zu nehmen und einfach daraus die Grammatik zu enthüllen, die Sprache des Kindes überhaupt als etwas Fertiges zu nehmen und daran die Grammatik zu enthüllen. Bedenken Sie nur, was Sie da tun. In welchem Lebens­zustande wird denn eigentlich die Sprache gebildet? Versuchen Sie zu­rückzudenken, bis wieweit Sie sich erinnern in Ihrem Lebenslauf – es wird nichts in die Zeit hinaufgehen, wo Sie noch gar nicht haben spre­chen können.

weten zo weinig van de eigenlijke oorsprong van de muzikale thema’s, omdat ze wat er in die muzikale thema’s naar buiten komt, beleven in de tijd van inslapen tot wakker worden. Dat is voor de mens van nu nog een onbewust element, waar je alleen iets van merkt als het in de droom tot beeld wordt. Maar dit onbewuste element dat in de droom aanwezig is, dat in het muzikale met name in de melodieën aanwezig is, dit onbewuste element moeten we er juist in de onderwijskunst bij betrekken opdat we ook door de opvoedkunst verder komen dan het materialisme.
Wanneer u nu de teneur van deze voordrachten begrijpt, zal u zien hoe overal geprobeerd wordt dit onbewuste element erbij te betrekken; ten eerste toen ik het kunstzinnige element een noodzaak heb genoemd voor de basisschool, al vanaf het begin; ten tweede toen ik er nogal op stond het dialect te nemen om eenvoudig daaraan de grammatica duidelijk te maken, de taal van het kind natuurlijk als iets te nemen wat af is en daaraan dan de grammatica te verduidelijken. Bedenk dus maar, wat u doet. Op welke leeftijd ga je eigenlijk spreken? Probeer eens terug te denken tot wanneer je je in je leven gaat herinneren – van de tijd waarin je nog niet kon spreken, weet je niets meer.

Das Sprechen erlernt der Mensch zu der Zeit, wo er noch ins Leben herein schläft. Wenn Sie von diesem Gesichtspunkte aus ver­gleichen die eigentümliche träumerische Seelenwelt des Kindes mit dem Träumen und mit dem Weben des Musikalischen, Melodiösen, so be­kommen Sie ein Ähnliches. Sprechenlernen geschieht aus dem Unbe­wußten heraus, ist etwas wie ein Aufwachen aus einer Nacht; Träumen auch. Und Melodien, sie sind da, wir wissen nicht woher. In Wirklich­keit sind sie aus dem Schlafelement des Menschen heraus. In Wirklich­keit erleben wir die zeitliche Plastik vom Einschlafen bis zum Auf­wachen. Nur ist der Mensch auf der gegenwärtigen Stufe seiner Ent­wickelung nicht dazu angetan, diese zeitliche Plastik zu erleben. Wie man sie erlebt, wie sie Tatsache wird, das finden Sie geschildert in meinem Buche »Wie erlangt man Erkenntnisse höherer Welten?« Das gehört nicht zu der Pädagogik selber. Daraus aber werden Sie ersehen, wie notwendig es ist, dieses unbewußte Element, das in dem Mitwirken des Schlafzustandes des Kindes wurzelt, voll zu berücksichtigen. Be­rücksichtigt wird es ja gewiß, wenn wir im musikalischen Unterrichte vorzugsweise das Thematische bevorzugen, so daß wir das Musikalische,

Spreken leert de mens in de tijd waarin hij het leven nog verslaapt. Wanneer je vanuit dit standpunt die eigenaardige dromerige zielenwereld van het kind vergelijkt met de dromen en met wat het muzikale doet, het melodieuze, dan krijg je hetzelfde. Leren spreken gebeurt vanuit het onbewuste, het heeft iets van een wakker worden uit een nacht; dromen ook. En melodieën zijn er en we weten niet waarvandaan. In werkelijkheid komen ze uit het slaapelement van de mens. In werkelijkheid beleven we de plastiek van de tijd tussen inslapen en wakker worden. Alleen is de mens in zijn huidige ontwikkelingsfase nog niet in staat deze tijdsplastiek te beleven. Hoe je die beleeft, hoe ze een feit wordt, vindt u geschetst in mijn boek ‘Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden?’*[3] Dat behoort zelf niet tot de pedagogie. Maar u kunt eraan zien hoe nodig het is met dit onbewuste element dat in het meewerken van de slaaptoestand van het kind zijn oorsprong heeft, volledig rekening te houden. We houden er zeker rekening mee, wanneer we in het muziekonderwijs vooral de thematiek naar voren halen, zodat we het

*«Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?» (1904): Bibl.-Nr. 10, Ge­samtausgabe Dornach 1975, 22. Auflage (auch als Taschenbuch tb 600, Dornach 1976 erschienen).

blz. 176

insofern es beim Kinde vorhanden ist, schon genau so zu ana­lysieren versuchen, wie das Sprachliche im Satze; mit anderen Worten, wenn wir das Kind sehr früh darauf führen, Thematisches im Musika­lischen zu erkennen, tatsächlich zu empfinden das melodiöse Element wie den Satz; hier fängt es an, hier hört es auf, hier schließt es sich an, hier ist ein Punkt, hier beginnt ein Neues. In dieser Beziehung ein noch nicht bis zur Realität des Inhaltes gekommenes Musikalisches zum Ver­stehen zu bringen, das wirkt Wunder für die Entwickelung des Kindes. Denn dadurch wird das Kind zurückgewiesen auf etwas, was nun auch in der Natur des Menschen ist, aber was fast nie gesehen wird.
Sehen Sie, was eine Melodie ist, wissen alle Menschen; was ein Satz ist, wissen sie auch. Daß aber ein Satz, der aus Subjekt, Prädikat, Objekt besteht, in Wirklichkeit im Unbewußten eine Melodie ist, das wissen eben die wenigsten Menschen. Geradeso, wie man sich vergegen­wärtigen kann, daß dasjenige, was als Anschwellen und Abklingen der Gefühle als Gefühlskurve erlebt wird im Schlafe, sich heraufbegibt ins Bewußtsein, sich umkleidet mit dem Bilde, so erleben wir in den Tiefen unseres Wesens den Satz musikalisch.

het muzikale, voor zover dat bij het kind aanwezig is, net zo precies proberen te analyseren als de taal in de zin; m.a.w., wanneer we het kind er zeer vroeg toe brengen om de thema’s in de muziek te leren kennen, werkelijk te voelen, zoals in de zin het melodieuze element: hier begint het, hier eindigt het, hier sluit het aan, hier is een punt, hier begint een nieuwe. In dit verband het muzikale te leren begrijpen dat nog niet tot een werkelijke inhoud is gekomen, doet wonderen voor de ontwikkeling van het kind. Want daardoor wordt het kind teruggewezen op iets wat in de natuur van de mens zit, maar bijna nooit gezien wordt.
Wat een melodie is weten alle mensen; wat een zin is ook. Dat een zin die echter uit onderwerp, gezegde en voorwerp bestaat, in werkelijkheid in het onbewuste een melodie is, dat weten zeer weinig mensen. Net zoals je je kunt voorstellen, dat wat als sterker en zwakker worden van gevoelens als gevoelscurve wordt beleefd in de slaap, in het bewustzijn komt, zich in een beeld hult, zo beleven we in de diepte van ons wezen de zin muzikaal.

 Und indem wir uns an die Außenwelt anpassen, umkleiden wir das musikalisch empfundene mit dem, was plastisches Bild ist. »Das Kind schreibt die Aufgabe« – Sub­jekt – Prädikat – Objekt. Im Innersten des Menschen wird empfunden ein Dreiklang. Dasjenige, was innerlichst empfunden wird, ist ein Dreiklang. Dieser Dreiklang, der wird angewendet, indem man den ersten Ton gewissermaßen hinausprojiziert auf das Kind, den zweiten Ton hinprojiziert auf das Schreiben, den dritten Ton hinprojiziert auf die Aufgabe. Und so wie diese drei empfunden werden und sich dann umkleiden mit den Bildern, die aber jetzt der Realität entsprechen
– nicht wie beim Traum empfunden wird -, so lebt in unserem Ober-bewußtsein der Satz, in unserem untersten Unterbewußtsein ein Musi­kalisches, eine Melodie. Und sind wir uns dessen bewußt, daß wir eigentlich in dem Augenblicke, wo wir vom Sinnlichen ins Übersinn­liche kommen, abstreifen müssen den sinnlichen Inhalt und für den sinnlichen Inhalt dasjenige erleben, was uns gerade die Musik entzieht, das Thematische, das ja in seiner Gestaltung in Wirklichkeit im Schlafe erfahren wird; sind wir uns dessen bewußt, dann erst betrachten wir den Menschen wie eine Ganzheit. Dann werden wir erst gewahr, was es eigentlich bedeutet, wenn wir mit dem Kinde lebendig so Sprachlehre treiben, daß wir wenigstens noch eine Spur des melodiösen Elementes im

En als we ons aanpassen aan de buitenwereld, omkleden we wat we muzikaal beleefden met wat een plastisch beeld is. ‘Het kind schrijft de som’ – onderwerp – gezegde – voorwerp. Zeer innerlijk ervaart de mens een drieklank. Wat zeer diep beleefd wordt is een drieklank. Deze drieklank wordt gebruikt als je de eerste toon zogezegd op het kind richt, de tweede toon op het schrijven, de derde toon op de som. En zoals deze drie ervaren worden en zich dan in beelden hullen die echter overeenkomen met de werkelijkheid – niet zoals bij dromen wordt ervaren – zo leeft in ons bewustzijn de zin, diep in ons onderbewuste iets muzikaals, de melodie. En als we ons bewust zijn dat we eigenlijk op het ogenblik waarop wij van het zintuiglijke het bovenzintuiglijke bereiken, we de zintuiglijke inhoud moeten verwijderen en daarvoor in de plaats beleven wat de muziek nu juist van ons weghaalt, het thematische dat in zijn vorm in werkelijkheid in de slaap wordt beleefd; als we ons daarvan bewust zijn zie je de mens pas als een totaliteit. Dan pas worden we gewaar wat het eigenlijk betekent wanneer we met het kind de grammatica zo levendig oefenen, dat we op z’n minst nog een spoor van het melodieuze element in de zin

blz. 177

Satze zurücklassen, das heißt, daß wir nicht trocken prosaisch sprechen, sondern daß wir hier in dem Satze noch etwas Rezitatorisches haben, etwas Volltönendes haben, etwas von dem inneren melodiösen Ele­mente und auch von dem rhythmischen Elemente Nachklingendes haben.
Ungefähr um das Jahr 1850 ist das tiefere Gefühl der europäischen Menschheit für den Rhythmus verschwunden. Vorher hatte man noch in einer gewissen Beziehung das, wovon ich eben gesprochen habe. Wenn man gewisse Abhandlungen vornimmt, die dazumal erschienen sind über Musikalisches, über Gliederutig von musikalischen Themen bei Beethoven und anderen, wird man gewahr werden, wie dazumal gerade diejenigen, die musikalische Autoritäten genannt wurden, oft­mals in der unglaublichsten Weise zerschnitten und zerrissen haben das, was in den Dingen gelebt hat. Man wird sehen, wie das die Zeit des Tiefstandes war für das Erleben der Rhythmik.
Darauf mussen wir gerade als Pädagogen aufmerksam machen, weil von der Schule aus selbst der Satz wiederum zurückgeführt werden muß auf den Rhythmus. Wenn man dies ins Auge faßt, dann wird man auf die Fortdauer des künstlerischen Elementes im Unterrichte ein Augenmerk richten.

achterlaten, d.w.z  dat we niet droog prozaïsch spreken, maar dat we hier in de zin iets recitatiefs hebben, iets wat vol klinkt, iets hebben dat naklinkt van het innerlijk melodieuze element en ook van het ritmische element.
Ongeveer rond het jaar 1850 is het diepere gevoel van de Europese mensheid  voor het ritme verdwenen. Daarvoor had men er nog een ezkere relatie mee, waarover ik net heb gesproken.
Wanneer je verschillende artikelen bekijkt die toentertijd verschenen over muziek, indeling in muzikale thema’s bij Beethoven en anderen, zal je zien hoe juist toen degenen die op het gebied van muziek autoriteit genoemd werden, dikwijls op een ongelooflijke manier alles wat daarin aanzwezig was, uit elkaar gerafeld hebben. Je zal zien hoe dat de tijd was van het dieptepunt voor het beleven van de ritmiek,
Juist wij als pedagogen moeten dat zien, omdat door de school weer zin moet worden gegeven aan het ritme. Wanneer je dat onder ogen ziet, zal je aandacht schenken aan de continuïteit van het kunstzinnige element in het onderwijs.

Man wird das künstlerische Element nicht so bald wieder verschwinden lassen, auch wenn man genötigt ist, in das mehr Inhaltliche einzumünden.
Das hängt zusammen mit einer Frage, die mir gestern gestellt wor­den ist, und auf die ich in diesem Zusammenhange gut eingehen kann. Die Frage ist die: Warum gewisse Kinder, die es ungeheuer schwer haben, orthographisch zu schreiben, gar nicht zur Orthographie heran­gezogen werden können? Ja, wer die Orthographie Goethes oder ande­rer Größen studiert, der wird ganz merkwürdige Eindrücke bekom­men, denn da hapert es manchmal bei den Größen ganz merkwürdig in der Orthographie. Nun natürlich können wir uns in der Pädagogik nicht darauf einlassen, etwa zu sagen: Wir lassen den unorthographisch schreiben, denn wahrscheinlich ist er dann eine Größe, und da dürfen wir ihn nicht stören; wir müssen selbstverständlich die Sache so len­ken, daß wir auf das nicht Rücksicht nehmen. Und daher ist für uns nur die Frage zu beantworten: Was liegt denn eigentlich vor, wenn so recht unorthographisch geschrieben wird? Sie brauchen nur verglei­chend zu prüfen, und Sie werden sehen, daß das unorthographische Schreiben in der Regel darauf beruht – oder wenn es auf etwas anderem

Je zal het kunstzinnig element niet zo gauw meer loslaten, ook wanneer je genoodzaakt wordt, meer op de inhoud in te gaan.
Dat hangt samen met een vraag die me gisteren is gesteld en waarop ik in deze context goed kan ingaan. De vraag luidt:
Waarom bepaalde kinderen, die het buitengewoon moeilijk hebben, zonder fouten te schrijven, helemaal niet tot zonder fouten schrijven gebracht kunnen worden. Ja, wie de spelling van Goethe of andere grootheden bestudeert, die zal merkwaardige indrukken opdoen, want met de orthografie van de grootheden gaat het soms niet goed. Natuurlijk kunnen wij het in de pedagogiek niet maken, zoiets te zeggen als: die laten we maar spellingsfouten schrijven, want die is waarschijnlijk een grootheid en dan mogen we niet ingrijpen; we moeten vanzelfsprekend daar zo mee omgaan dat we daar niet naar kijken. En daarom hoeven we alleen de vraag maar te beantwoorden: hoe komt het eigenlijk wanneer er zoveel fouten worden geschreven? Je hoeft meer vergelijkend onderzoek te doen en je zal zien dat het schrijven van fouten in de regel berust op – of wanneer het op iets

blz. 178

beruht, so ist dieses andere damit sehr verwandt -, daß solche Kinder, die unorthographisch zu schreiben verurteilt sind, wenig Ohr in bezug auf richtiges musikalisches Hören, also Hören von richtig Ge­sprochenem haben. Derjenige schreibt unorthographisch, der nicht prä­zise hören gelernt hat, der nicht gelernt hat, genau ein Wort in seinem plastischen Umfange zu hören.
Das kann auf verschiedenen Tatsachen beruhen. Es kann zum Bei­spiel darauf beruhen, daß ein Kind aufwächst in einer Familie oder Umgebung, wo undeutlich gesprochen wird. Dann lernt das Kind nicht hören, dann wird es auch nicht orthographisch schreiben lernen, wenig­stens nicht leicht. Oder aber das Kind ist so veranlagt, daß es wenig Perzeption hat für das Gehörte. Das Kind hat nötig, aufmerksam dar­auf gemacht zu werden, daß es ordentlich zuhört. Aber manchmal ist
– es muß mir ein solch offenes Geständnis schon verziehen werden -der Lehrer selbst an der schlechten Orthographie des Kindes schuld. Der Lehrer sollte vor allem darauf sehen, sich selber einer ganz, vor allen Dingen deutlichen, aber auch plastischen Sprache zu bedienen. Er braucht ja nicht geradezu immerfort zu sagen, wie es manche Schau­spieler machen müssen, damit sie ordentlich Endsilben sprechen lernen, die meistens verschluckt werden: Freunderl, Mutterl. 

anders berust is dit andere daarmee toch zeer verwant -, dat kinderen die ertoe veroordeeld zijn fouten te schrijven, weinig oor hebben voor een goed muzikaal horen, dus voor wat op een goede manier gesproken wordt. Wie fouten schrijft, heeft niet precies leren luisteren, niet geleerd een woord precies in zijn plastische omvang te horen.
Dat kan verschillende oorzaken hebben. Het kan bijv. zijn dat een kind opgroeit in een familie of omgeving, waar onduidelijk wordt gesproken. Dan leert het kind niet luisteren, dan leert het ook niet foutloos schrijven, tenminste, niet zo makkelijk. Of wanneer het kind als aanleg weinig perceptievermogen heeft voor wat het moet horen. Het is nodig voor het kind dat het erop wordt gewezen goed te luisteren. Maar vaak is – excuses voor deze biecht – de leraar zelf de schuld aan de slechte orthografie van het kind. De leerkracht moet er vooral voor zorgen, dat hij zelf bij alles duidelijk spreekt, maar ook een plastische spraak. Hij hoeft natuurlijk niet meteen steeds te zeggen, zoals sommige toneelspelers het moeten doen opdat ze de eindlettergrepen leren spreken die meestal ingeslikt worden: [het Duits heeft: Freunderl, Mutterl]

Aber es ist not­wendig, daß der Lehrer sich gewöhnt, sich in jede Silbe wirklich sach­gemäß hineinzuleben, so daß von dem Lehrer selbst die Silben deutlich gesprochen werden, und das Kind öfter veranlaßt wird, genau in deut­licher, plastischer, die Silben vollendender Weise nachzusprechen. Wenn solches deutliches plastisches Sprechen geübt wird, dann wird man auch vieles erreichen, was in bezug auf das unorthographische Schreiben ge­wisser Kinder erreicht werden soll. Denn auch das hängt damit zusam­men: was aus dem Unbewußten, aus dem Traumelemente, aus dem Schlafelemente – und das Schlafelement ist ja einfach das unbewußte Element – herausgeholt werden soll, das soll man nicht wollen auf eine künstliche Weise dem Menschen einimpfen.
Und worauf beruht denn das Zuhören? Darauf geht man gewöhn­lich in der Psychologie nicht ein. Sehen Sie, wir schlafen abends ein, wachen des Morgens auf. Das wissen wir. Wir können es hinterher konstatieren, indem wir uns sagen: Da setzt in der nachherigen Erinne­rung unser Bewußtsein aus. Was mit uns vorgeht vom Einschlafen bis zum Aufwachen, das ist der äußeren Wissenschaft, derNicht-Geistes­wissenschaft, nicht bewußt. Aber die innere Seelenverfassung, die ist 

Maar nodig is wel, dat de leerkracht er een gewoonte van maakt zich bewust te zijn van iedere lettergreep, zodat die door de leerkracht duidelijk wordt uitgesproken en het kind vaker aangespoord wordt, precies op een duidelijke, gevormde manier de lettergrepen volledig uit te spreken. Wanneer een dergelijk gevormd spreken beoefend wordt, zal je ook veel bereiken van wat je met het orthografisch schrijven van kinderen moet bereiken. Want dat hangt ook hier mee samen: wat uit het onbewuste, uit het droomelement, uit het slaapelement – en het slaapelement is heel eenvoudig het onbewuste element – naar boven gehaald moet worden, moet je niet op een gekunstelde manier in de mens proppen
Waarop berust het luisteren? In de psychologie gaat men daar gewoonlijk niet op in. Kijk, ’s avond slapen we in, ’s morgens worden we wakker. Dat weten we. We kunnen het naderhand constateren als we zeggen: ons bewustzijn verdwijnt na de vorige herinnering. Van wat er met ons gebeurt van inslapen tot wakker worden, is de uiterlijke wetenschap, de niet-geesteswetenschap zich niet bewust. Maar hoe het innerlijk met de ziel is, is

blz. 179

keine andere, wenn Sie zuhören, als wenn Sie schlafen. Nur wechseln Sie da fortwährend zwischen Außer-sich-Sein und In-sich-Sein. Das ist außerordentlich bedeutsam, daß man sich dieser ondulierenden Tätig­keit des Seelenlebens bewußt werde: ich höre, da bin ich hingegeben an die Außenwelt; aber immer zwischen dem Hören habe ich Augenblicke, wo ich eigentlich in mir aufwache; und hätte ich sie nicht, so würde mir das Hören gar nichts helfen. Fortwährend findet im Zuhören, im Hin­schauen, Aufwachen, Einschlafen statt, auch wenn wir wachen. Es ist ein fortwährendes Ondulieren: Aufwachen, Einschlafen, Aufwachen, Einschlafen. Das heißt, schließlich beruht unser ganzer Umgang mit der Außenwelt auf dieser Fähigkeit, in das andere übergehen zu kön­nen, wenn ich es paradox ausdrücken darf: in das andere hineinschlafen zu können. Was ist es denn schließlich anders, einem Gespräche zu­hören, als in den Inhalt dieses Gespräches hineinzuschlafen? Und das Verstehen ist das aus diesem Gespräche Aufwachen. Nicht anders ist es. Das heißt aber, wir müssen versuchen, nicht aus dem Bewußtsein heraus dasjenige erreichen zu wollen, was eigentlich aus dem Unbe­wußten, aus dem Schlafen oder Träumen des Menschen herausgeholt werden soll.

wanneer we luisteren, niet anders als wanneer we slapen. Alleen wissel je voortdurend af tussen buiten jezelf zijn en in jezelf. Het is van buitengewone betekenis dat je je bewust wordt van deze afwisselende activiteit van de ziel: ik luister, dan richt ik me op de buitenwereld; maar steeds onder het luisteren is er een ogenblik waarop ik eigenlijk in me zelf wakker wordt; en als ik die niet zou hebben, zou luisteren helemaal niet helpen.Voortdurend vindt er in het luisteren, in het kijken, een wakker worden en een inslapen plaats, ook wanneer we wakker zijn. Er is een voortdurende afwisseling: wakker worden, inslapen, wakker worden, inslapen. Dat betekent, tenslotte berust heel onze omgang met de buitenwereld op het vermogen op dat andere over te kunnen gaan, wanner ik het paradoxaal uitdrukken mag: voor het andere in slaap te kunnen vallen. Wat is het uiteindelijk anders, naar een gesprek luisteren, dan voor de inhoud van dit gesprek in slaap vallen? En het begrijpen is wakker worden uit dit gesprek. Het is niets anders. Dat betekent echter dat we moeten proberen niet vanuit het bewustzijn te willen bereiken wat eigenlijk uit het onbewuste, uit de slaap of het dromen van de mens gehaald zou moeten worden.

Daher sollen wir auch nicht künstlich dem Menschen Orthographie beibringen, sondern Orthographie so beibringen, daß wir ihm das Wort richtig vorsprechen, ihn nachsprechen lassen und ihm so allmäh­lich zum Aufschreiben des richtig Gehörten verhelfen. Wir sollen ge­radezu voraussetzen: wird unorthographisch geschrieben, so wird un­richtig gehört. Und wir haben das Gehör zu unterstützen, nicht irgend etwas einzustellen, was mehr im vollen Bewußtsein ist als eben das Gehör.
Dies sollen wir auch berücksichtigen bei solchen Dingen, wie ich sie ja gestern erwähnt habe, beim musikalischen Unterricht. Wir dürfen nicht künstliche Methoden in die Schule hineinlassen, wo das Bewußt­sein malträtiert wird durch andere Mittel wie Atmungseinstellung und so weiter, während diese Atmungssachen kommen müssen von dem Zergliedern des Thematischen. Das Kind muß lernen, Melodienfolgen sachgemäß zu hören und muß sich anpassen können. Das muß ein un­bewußter Prozeß sein. Das muß mit Selbstverständlichkeit geschehen. Wie gesagt, die Steckenpferde können wir den Musiklehrern und -leh­rerinnen lassen für das spätere Alter, wenn weniger verdorben werden kann. Das Kind aber muß aus dem Unbewußten heraus in Anlehnung

Daarom moeten we de mens ook niet gekunsteld orthografie bijbrengen, maar dat zo doen, dat we hem het woord goed voorspreken, het hem na laten zeggen en hem langzamerhand helpen wat hij hoort, goed op te schrijven. We moeten wel vooropstellen: wanneer er fouten worden geschreven, luister je niet goed. En we moeten het luisteren ondersteunen, niet iets is er voor in de plaats te zetten  wat meer in het volle bewustzijn zit dan juist het gehoor.
Hiermee willen we ook rekening houden met zulke dingen zoals ik ze gisteren genoemd heb, bij het muziekonderwijs. We mogen geen gekunstelde methoden in de school halen, waarbij het bewustzijn geplaagd wordt door andere middelen zoals hoe je moet ademen enz, terwijl deze ademdingen moeten komen van het verdelen van het thematische. Het kind moet leren adequaat te luisteren naar het verloop van melodieën en daaraan moet het zich kunnen aanpassen. Dat moet een onbewust proces zijn. Dat moet vanzelfsprekend gaan.
Zoals gezegd, stokpaardjes kunnen we aan de muziekleraren overlaten voor een hogere leeftijd, wanneer er minder bedorven kan worden. Het kind echter, moet vanuit het onderbewuste

blz. 180

an die musikalische Analyse der Themata des melodiösen Elementes unterrichtet werden. Diese charakterisierten Methoden wirken gerade so schlimm, wie wenn ich beim Zeichnen anstatt ein Gefühl für eine Linie die Einstellung des Armes beibringen würde; ich würde dann sagen: ein Akanthusblatt, das wirst du dann zuwege bringen, wenn du dir angewöhnst, deinen Arm so und so zu stellen, ihn so und so zu führen. Das wäre das Analogon für die Methoden, die heute oftmals für das Musikalische figurieren. Durch allerlei Arten von Einstellungen und ähnliche Methoden wird nichts anderes getan, als daß man rein vom materialistischen Standpunkte aus den menschlichen Organismus eben als eine Maschine betrachtet, die man einzustellen hat, damit sie dies oder jenes richtig mache. Geht man vom geistigen Standpunkte aus, so geht man immer auf dem Umweg durch die Seele und läßt den Organismus sich angliedern an das richtig seelisch Empfundene.
Wir können sagen: Wenn wir das Kind im Zeichnerischen halten, dann geben wir ihm ein Verhältnis zur Umwelt. Wenn wir es im Musi­kalischen halten, geben wir ihm ein Verhältnis zu dem, was nicht unsere gewöhnliche Umwelt ist, was aber unsere Umwelt ist vom Ein­schlafen bis zum Aufwachen. 

geleerd worden door een muzikale analyse van de thema’s van het melodieuze element. Die gekarakteriseerde methoden werken juist zo verkeerd, zoals wanneer ik bij het tekenen in plaats van een gevoel voor een lijn de houding van de arm wil aanleren; ik zou dan zeggen: een acanthusblad krijg je wel getekend wanneer je er een gewoonte van maakt je arm zus of zo’n houding te geven, die zus of zo te bewegen. Dat zou hetzelfde zijn als in de methoden die tegenwoordig dikwijls gebruikt worden. Door allerlei soorten meningen en net zulke methoden wordt niets anders gedaan dat dat men puur vanuit materialistisch standpunt het menselijk organisme als een machine beschouwt, die je in moet stellen zodat die dit of dat maken kan. Ga je uit van een geestelijk standpunt, dan ga je steeds via een omweg door de ziel en laat je het organisme aansluiten bij wat de ziel op een goede manier beleeft.
We kunnen zeggen: wanneer we het kind laten tekenen, geven we hem een verhouding tot de hem omringende wereld. Wanneer we muzikaal bezig zijn met hem, geven we het een verhouding tot wat niet onze gewone omgeving is, wel onze omgeving van inslapen tot wakker worden.

Aus diesen beiden Polen setzt sich das zusammen, was in der richtigen Weise gerade durch so etwas wie zum Beispiel die Satzlehre, die Behandlung der Grammatik wirken muß, wo wir eigentlich immer ineinander verschlingen sollen das Gefühl für den Satzbau mit dem Verständnis der Satzgestaltung und so weiter.
Das sind Dinge, die wir durchaus wissen müssen, wenn wir richtig verstehen wollen, wie ungefähr um das 12. Jahr herum dasjenige lang­sam vorbereitet werden kann, was nun so recht das Intellektuelle des verständigen Elementes ist, nämlich das freie Urteil. Wir müssen das Kind vor diesem freien Urteil möglichst bewahren, bevor es in die Nähe des 12. Jahres gelangt. Wir versuchen ja das Urteil auf der Auto­rität aufzubauen, und die Autorität wirkt immer in einer gewissen Weise durch das Unbewußte auf das Kind. Dadurch sind wir aber schon drinnen in diesem unbewußten Wirken; damit haben wir schon in dem Verhältnis, das wir zum Kinde eingehen, selber ein Element, das dem Musikalisch-Traumhaften ähnlich ist.
Dann um das 12. Jahr herum beginnt die Zeit, wo wir von dem Botanischen, von dem Zoologischen übergehen können zu dem Mine­ralogischen, zu dem Physikalischen auf der einen Seite, wo wir über­gehen können zu dem Geschichtlichen, zu dem Geographischen auf der

Uit deze beide polen bestaat datgene wat op een goede manier moet werken door zoiets a;s zinsleer, de behandeling van grammatica, waarbij we eigenlijk steeds samen moeten laten gaan het gevoel voor de opbouw van de zin met het begrip voor de opbouw.
Dat zijn dingen die we beslist moeten weten, als we goed willen begrijpen hoe ongeveer rond het 12e jaar langzaam voorbereid kan worden, wat nu zo echt het intellectuele van het begripselement is, nameljk het vrije oordeel. We moeten het kind voor dit vrije oordeel zo mogelijk beschermen voor het in de buurt van het 12e jaar komt. We proberen het oordeel op autoriteit op te bouwen en de autoriteit is altijd  op een bepaalde manier werkzaam door het onbewuste van het kind. Daardoor bevinden we ons al in dit onbewust werken; daarmee hebben we al in de verhouding die we met het kind aangaan, zelf een element, dat verwant is aan het muzikaal-dromerige.
Rond het 12e jaar dan, begint de tijd waarin we van plant- en dierkunde over kunnen gaan naar de stoffelijke wereld, de natuurkunde aan de ene kant en aan de andere kant naar geschiedenis en aardrijkskunde.

blz. 181

anderen Seite. Nicht als ob diese Dinge erst mit dem 12. Jahre auf­treten sollen, aber sie sollen vorher so behandelt werden, daß man bei der Behandlung weniger auf das Urteil rechnet als auf Empfindung, auf unbewußtes Aneignen.Man sollte gewissermaßen in Betracht ziehen, daß man Geschichte vor diesem 12. Jahre an das Kind so heranbringt, daß diese Geschichte durchaus abgeschlossene plastische Bilder erstens gibt, zweitens aber auch Spannungen und Lösungen der Gefühle an­regt. So daß man vor der Zeit, die ich eben bezeichnet habe, vor dem Hinneigen zum 12. Jahre vorzugsweise darauf Rücksicht nimmt, wie das Gemüt des Kindes und das Anschauungsvermögen des Kindes be­rührt wird von dem, was man historisch geschichtlich vorbringt. Zu­sammenhängende Geschichte ist etwas, wofür das Kind erst gegen das 12. Jahr hin reif wird, ebenso zusammenhängende Geographie.
Nun werden Sie ja, indem Sie nun hinblicken auf das, was so an das Kind herangetragen werden soll, natürlich die Empfindung haben: wie gliedert sich in all das das religiöse Element hinein? Gerade indem man die Geschichte, indem man die Geographie herankommen sieht, indem man das Physikalische, das Mineralogische also herankommen sieht

Niet dat deze dingen pas met het 12e jaar aan de orde moeten komen, maar ze moeten daarvoor zo behandeld worden, dat je bij de aanpak minder rekening houdt met het oordeel dan met het gevoel, het onbewust eigen maken. Je moet er in zekere zin rekening mee houden dat je geschiedenis vóór het 12e jaar zo geeft, dat deze ten eerste vooral bestaat uit aparte beelden, ten tweede echter ook spanning en ontspanning teweeg brengt in het gevoel. Zodat je vóór de tijd die ik net aangeduid heb, vóór het gaan bereiken van het 12e jaar er hoofdzakelijk rekening mee houdt hoe het gevoel van het kind en het aanschouwelijkheidsgevoel van het kind geraakt wordt door wat we aan geschiedenis aanbieden. Samenhangende geschiedenis is iets waarvoor het kind pas zo tegen het 12e jaar rijp wordt, net zo met samenhangende aardrijkskunde.
Nu zal u wel, als u zo naar de dingen kijkt die het kind worden aangeboden, natuurlijk het gevoel hebben: hoe vindt het religieuze daar een plaats in? Met name als geschiedenis en aardrijkskunde in beeld komen, als je de natuurkunde, de mineralogie ziet

– das alles soll ja an das Kind gegen das 12. Jahr herankommen -, ent­steht die Frage, wie das religiöse Element sich hineingliedert, das auf­nehmen soll plastisch ein Bild der Welt überhaupt, und das Empfinden geben soll zu einem Übersinnlichen. Sehen Sie, in dieser Beziehung ist man heute in einer recht schwierigen Lage. Und da darf ich ja aufmerk­sam darauf machen, daß wir in der Waldorfschule rein durch die äuße­ren Verhältnisse gezwungen, gerade auf diesem Gebiete durchaus nicht bloß pädagogisch-didaktischen Gesichtspunkten folgen konnten. Wir können heute noch nicht dasjenige, was Geisteswissenschaft geben kann für Pädagogik und Didaktik, anders verwenden im Unterrichten denn in seiner Konsequenz für die Unterrichtskunst. Das ist nämlich das Wesentliche der Geisteswissenschaft, daß sie zu gleicher Zeit künst­lerische Impulse enthält, daß sie so in den Menschen übergeht, daß er etwas kann durch sie, nicht bloß etwas weiß, daß er geschickter – wenn ich mich im Extrem ausdrücken darf -, besser das Leben angreifen kann, daher im eminenten Sinne auch besser die pädagogische Kunst handhaben kann. Das ist das Eigentümliche der Geisteswissenschaft. Heute muß man noch absehen davon, etwas mehr von der Geistes­wissenschaft in die pädagogische Kunst hineinzutragen als dieses Kön­nen. Wir haben in der Waldorfschule keine Weltanschauungsschul


 – dat krijgt het kind allemaal tegen het 12e jaar – ontstaat de vraag, hoe het religieuze daarin een plaats vindt, dat scheppend een beeld van de wereld moet bevatten en het gevoel moet geven van wat niet van deze aarde is. Ziet u, wat dit betreft bevindt men zich in een echt lastig parket. Vandaar dat ik u attent wil maken op het feit dat wij door de uiterlijke omstandigheden gedwongen, juist op dit gebied beslist niet alleen maar pedagogisch-didactische gezichtspunten kunnen volgen. Wij kunnen wat nu de geesteswetenschap kan geven voor pedagogiek en didactiek nog niet anders gebruiken dan wat het als consequentie voor de onderwijskunst heeft. Dat is namelijk het wezenlijke van de geesteswetenschap dat ze ook kunstzinnige elementen bevat, dat zij zo door de mens opgenomen kan worden dat hij door haar iets kan, niet alleen maar iets weet, dat hij meer in staat wordt gesteld – als ik mij extreem mag uitdrukken – het leven beter aan te kunnen en daardoor ook op een bijzondere manier de pedagogische kunst kan uitoefenen. Dat is het karakteristieke van geesteswetenschap. Vandaag moet je nog afzien van wat geesteswetenschap nog meer aan de pedagogische kunst zou kunnen geven dan dit vermogen. Het was niet de bedoeling met de vrijeschool een wereldbeschouwelijke school op te richten,

blz. 182

gründen können, sondern von vornherein wurde zur Bedingung ge­macht von mir selber, daß evangelische Religion die evangelischen Re­ligionslehrer unterrichten. Sie wird ausgesondert; wir kümmern uns nicht darum. Da geht der evangelische Religionslehrer hin, unterrichtet in der evangelischen Religion, da unterrichtet in der katholischen Reli­gion der katholische Pfarrer oder wer dazu designiert wird, der Rab­biner die Juden und so weiter. Also es handelt sich für uns zunächst darum, daß uns die Öffentlichkeit heute nicht mehr gestattet, als Geisteswissenschaft in die pädagogische Kunst hineinzutragen. Die Waldorfschule ist keine Weltanschauungsschule. Es hat sich allerdings das Merkwürdige ergeben, daß aus dem allgemeinen Leben heraus heute eine Anzahl von Leuten sagte: Wir schicken aber unsere Kinder, weil wir eigentlich konfessionslos sind, weder zum evangelischen Reli­gionslehrer noch zum katholischen, noch zum jüdischen. Wenn ihr uns nicht einen solchen Lehrer gebt, der aus heute ganz allgemein mensch­lichen Untergründen heraus auch Religion lehrt, dann schicken wir unsere Kinder in keine Religionsstunde. 

maar vanaf het begin heb ik zelf de voorwaarde gesteld dat het godsdienstonderwijs door godsdienstleraren van de kerk gegeven zou worden. Dat staat los van ons; daar bemoeien we ons niet mee. De evangelische dominee komt, geeft les in evangelische godsdienst; de katholieke pastoor geeft katholiek godsdienstonderwijs of wie ervoor wordt aangewezen, de rabbijn voor de Joden enz. Voor ons gaat het er in de allereerste plaats om dat de overheid niet toestaat dat we meer geesteswetenschap in de pedagogische kunst verwerken. De vrijeschool is geen wereldbeschouwelijke school. Nu heeft zich het merkwaardige voorgedaan dat uit het openbare leven nu een aantal mensen zegt: maar wij sturen onze kinderen, omdat wij eigenlijk geen godsdienst aanhangen, noch naar het evangelische, noch naar het katholieke godsdienstonderwijs, ook niet naar het Joodse. Wanneer jullie ons niet een dergelijke leraar geven die uit hedendaagse geheel algemene menselijke achtergronden godsdienst geeft, dan sturen we onze kinderen naar geen enkele godsdienstles.

Und so waren wir genötigt, ganz in freier Weise denjenigen, die gewissermaßen anthroposophischen Religionsunterricht haben wollten, den wir niemand aufdrängten, denn die Waldorfschule ist keine Weltanschauungsschule, diesen anthropo­sophischen Religionsunterricht auch zu geben. Er wird gegeben, aber nicht weil wir für Anthroposophie als Weltanschauung agitieren. Es ist etwas ganz anderes, für Anthroposophie als Weltanschauung zu agitieren oder dasjenige, was anthroposophische Geisteswissenschaft geben kann, für die pädagogische Kunst fruchtbar zu machen. Wir agitieren nicht für dasjenige, was der Inhalt ist, wir agitieren für das Können, wenn wir das agitieren nennen wollen. Aber es hat sich ja mancherlei dabei gezeigt. So zum Beispiel, daß ziemlich scharen-weise die Kinder den anderen Religionslehrern davongelaufen sind und zu dem unsrigen gekommen sind. Wir konnten nichts dafür. Es war mir höchst unangenehm so, nicht wahr, vom Standpunkte des guten Verhältnisses zur Außenwelt sogar höchst fatal; aber es ist eben so. Und auf der anderen Seite, nicht wahr, sagt man von jener Seite aus: Na, die anderen Religionsunterrichte werden doch einmal aufhören! Es ist gar nicht unsere Ansicht, denn die Waldorfschule soll keine Weltanschauungsschule sein. Heute kann man noch nirgends auf der zivilisierten Welt schon den Unterricht zu etwas Einheitlichem machen. Das wird man erst können, wenn die Dreigliederung des

En dus waren wij genoodzaakt op een geheel vrije manier voor degenen die in zekere zin antroposofisch godsdienstonderwijs wilden hebben – die wij geen mens opdrongen, want de vrijeschool is geen wereldbeschouwelijke school – dit antroposofisch godsdienstonderwijs ook te geven. Het wordt gegeven, maar niet omdat wij reclame maken voor antroposofie als wereldbeschouwing. Het is heel iets anders reclame te maken voor antroposofie als wereldbeschouwing of voor wat antroposofische geesteswetenschap geven kan, dan deze vruchtbaar te maken voor de pedagogische kunst. We maken geen reclame voor de inhoud, we maken reclame voor wat er kan, als je dat reclame maken wil noemen. Daarbij kwam veel naar voren. Bijvoorbeeld dat nogal wat groepjes kinderen weggegaan zijn bij de andere godsdienstleraren en naar ons zijn gekomen. Daar konden wij niets aan doen. Ik vond het hoogst onaangenaam, niet waar, vanuit het standpunt van een goede verstandhouding zelfs hoogst fataal; maar het is nu eenmaal zo. En aan de andere kant, niet waar, zegt men van die kant: Nou ja, dat andere godsdienstonderwijs zal wel ophouden, want de vrijeschool wil geen wereldbeschouwelijke school zijn. Vandaag de dag kan men nog nergens in de beschaafde wereld het onderwijs tot één geheel maken. Dat zal pas gaan, wanneer de driegeleding

blz. 183

sozialen Organismus das Geistesleben auf sich selber stellt. Solange das nicht der Fall ist, solange wird man keinen einheitlichen Unterricht geben können. Also dasjenige, worum wir uns bemüht haben, das ist, Pädagogik und Didaktik durch Geisteswissenschaft zu befruchten. Den­noch werde ich aber, weil mir ein dahingehender Wunsch ausgespro­chen worden ist, nun auch in den nächsten Tagen dasjenige aufnehmen, was Geisteswissenschaft zu sagen hat für den Geschichtsunterricht, für den Geographieunterricht, für den Religionsunterricht und so weiter.

van het sociale organisme het geestesleven autonoom maakt. Zolang dat niet het geval is, zal men geen totaalonderwijs kunnen geven. Dus waarvoor wij ons ingezet hebben is het bevruchten van pedagogie en didactiek door geesteswetenschap. Toch zal ik, omdat mij een in die richting gaande wens uitgesproken werd, ook in de komende dagen meenemen, wat geesteswetenschap te zeggen heeft voor het geschiedenis-, aardrijkkunde- godsdienstonderwijs, enz.

.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 11e voordracht (Duits)

[3] vertaald

goed spreken: spraakoefeningen

Rudolf Steiner over wereldbeschouwelijke school

.

1333-1245

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 301 voordracht 10

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [11]  [12]  [13]   [14]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

10e voordracht Bazel, 5 mei 1920 [2]

Inhoudsopgave
Synthese en analyse in de mens en in de opvoeding:
synthetische en analytische activiteit van de ziel
analyse heeft vrijheid tot gevolg, synthese dwingt
bij het schrijven uitgaan van het hele woord
atomisme door te weinig analytische activiteit in kinderleeftijd
analyseren -wakker worden, synthetiseren -inslapen
optellen en vermenigvuldigen
muziekles: alleen natuurlijke, geen kunstmatige methoden
noodzaak van vergeestelijking van het spreken
bestrijden van frase
levendige grammatica.

blz. 152

Synthese und Analyse im Menschenwesen und in der Erziehung

Sie werden gesehen haben, wie Geisteswissenschaft gerade darauf hinarbeitet, allen Unterrichtsstoff zu gleicher Zeit als Erziehungsmittel zu verwenden. Der Unterrichtsstoff wird seiner wissenschaftlichen Form entkleidet und so an das Kind herangebracht, daß aus diesem überall, ich möchte sagen, die auf die Entwickelung bereitenden Kräfte herausgeholt werden. Nun muß man, wenn man praktisch gerade in dieser Weise das, was wir als Unterrichtsstoff haben, fruchtbar machen will, darauf sehen, wie die Seelentätigkeit des Menschen, des Kindes vor allen Dingen, eigentlich verläuft. Wir haben, wenn wir auf die Seelentätigkeit des Menschen blicken, auf zweierlei zu schauen, erstens auf etwas, was im Menschen gewissermaßen hintendiert nach dem Ana­lysieren, möchte ich sagen, und etwas, was hintendiert nach dem Bilden von Synthesen. 

Synthese en analyse in de mens en in de opvoeding

U zal hebben gezien hoe geesteswetenschap er nu juist naar toewerkt alle lesstof tegelijkertijd te gebruiken als opvoedkundig middel. De lesstof wordt ontdaan van zijn wetenschappelijke vorm en zo aan het kind aangeboden dat de krachten die op ieder gebied op ontwikkeling wachten, uit hem naar boven gehaald kunnen worden. Nu moet je, wil je op deze manier, wat wij als onderwijsstof hebben, praktisch vruchtbaar maken, ernaar kijken hoe de activiteit van de mensenziel, vooral die van het kind, eigenlijk verloopt. We moeten, als we naar de zielenactivieteit van de mens kijken, naar twee dingen kijken, ten eerste naar iets wat in de mens op een bepaalde manier neigt naar analyseren en iets wat neigt naar het vormen van een synthese.

Worinnen das Wesen der Analyse und der Synthese be­steht, das weiß ja jeder aus der Logik oder auch aus der Psychologie. Aber es handelt sich nunmehr darum, diese Dinge nicht in der abstrak­ten Form bloß festzuhalten, in der sie gewöhnlich aufgefaßt werden, sondern sie lebensvoll ins Auge zu fassen. Analyse – wir können sie uns vergegenwärtigen dadurch, daß wir etwa sagen: Nun, wenn wir die Zahl 10 haben, 10 Dinge haben, so können wir uns diese 10 Dinge auch so vorstellen, daß wir uns 3 und 5 und 2 vorstellen und dazu die Vor­stellung fügen: die 10 kann zertrennt, eben analysiert werden in 3 und 5 und 2.
Mit einer Synthese haben wir es zu tun, wenn man das Umgekehrte machen kann, wenn wir eben einfach addieren, wenn wir 3 und 5 und 2 addieren. Wie gesagt, wenn es so verobjektiviert, getrennt von uns ist, das Analysieren und das Synthetisieren, dann kennt man es ja. Aber wenn wir das menschliche Seelenleben lebendig erfassen, so fin­den wir, daß unsere Seele fortwährend in einem analytischen Prozesse ist, der immer wiederum hinweist auf einen Trieb, synthetische Prozesse

Waaruit het wezenlijke van de analyse en de synthese bestaat, weet ieder uit de logica of ook uit de psychologie. Nu gaat het er meer om aan deze dingen niet alleen in de abstracte vorm vast te houden waarop ze gewoonlijk opgevat worden, maar ze levensecht te bekijken. Analyse – die kunnen we duidelijk maken door te zeggen: wanneer we het getal 10 hebben, 10 dingen hebben, dan kunnen we ons deze 10 dingen ook zo voorstellen, dat we ons 3 en 5 en 2 voorstellen en daar de voorstelling aan toevoegen: de 10 kan verdeeld, dus geanalyseerd worden in 3 en 5 en 2.
Met een synthese hebben we van doen, wanneer je het omgekeerde kan doen, wanneer we eenvoudigweg optellen, wanneer we 3 en 5 en 2 optellen. Zoals gezegd, wanneer het analyseren en het synthetiseren zo van ons geobjectiveerd, losgemaakt is van ons, dan kennen we het wel.
Maar wanneer we het zielenleven van de mens levendig begrijpen, dan vinden we dat onze ziel voortdurend in een analytisch proces zit, dat anderzijds steeds een drang laat zien te willen synthetiseren.

blz. 153

zu bilden. Synthetische Prozesse bilden wir ja fortwährend, in­dem wir zum Beispiel einzelne Individuen einer tierischen Art auf­fassen und uns von ihnen einen gemeinsamen Begriff, den Artbegriff bilden. Da fassen wir zusammen, da synthetisieren wir. Das Analy­sieren, das liegt, ich möchte sagen, viel tiefer. Es liegt fast im Un­bewußten der menschlichen Seelentätigkeit. Es ist immer ein Trieb vorhanden in der Seele, aus einer Einheit in eine Geteiltheit über­zugehen. Gerade weil man das so wenig berücksichtigt, hat man auch so wenig begriffen von dem, was eigentlich die menschliche Freiheit in der Seele darstellt. Wenn die menschliche Seelentätigkeit ausschließlich eine synthetische wäre, oder besser gesagt, wenn der Mensch mit der Außenwelt so im Zusammenhang stünde, daß er nur synthetisieren, Artbegriffe, Gattungsbegriffe bilden könnte und auch das Leben so einrichten würde, daß er es möglichst nach Begriffen einzuteilen trach­ten würde, was ja eine Haupttätigkeit des Menschen ist, dann könnte der Mensch eigentlich kaum von Freiheit sprechen. Denn wie wir da verfahren, das schreibt uns eigentlich die äußere Natur gewöhnlich vor.

We gaan voortdurend synthetisch te werk, wanneer we bijv. een paar aparte exemplaren van een dierensoort bekijken en ons van hen een gemeenschappelijk begrip, het soortbegrip vormen. Dan vatten we samen, dan synthetiseren we. Het analyseren ligt veel dieper. Dat ligt bijna in het onbewuste van de menselijke zielenactiviteit. In de ziel is altijd de drang aanwezig om vanuit een eenheid naar de delen te gaan. Juist omdat men dat zo weinig in ogenschouw neemt, heeft men ook zo weinig begrepen van wat eigenlijk vrijheid in de mensenziel betekent. Wanneer de menselijke zielenactiviteit uitsluitend het maken van syntheses zou zijn, of beter gezegd, wanneer de mens met de buitenwereld zo samen zou hangen, dat hij alleen maar zou kunnen synthetiseren, soortbegrip of klassebegrip zou kunnen vormen en ook het leven zo zou organiseren dat hij het zo mogelijk naar begrippen zou proberen in te richten, wat een belangrijke activiteit van de mens is, [het Duits heeft ‘Haupttätigkeit dat ook ‘activiteit van het hoofd zou kunnen betekenen] dan zou hij nauwelijks van vrijheid kunnen spreken. Want zoals we daar te werk gaan, schrijft ons als regel eigenlijk de uiterlijke natuur voor.

Dagegen liegt allem unserem Tun seelisch eine analytische Tätigkeit zugrunde, und die analytische Tätigkeit bewirkt es, daß wir schon im reinen Vorstellungsleben Freiheit entwickeln können. Wenn ich 2 und 5 und 3 zu addieren habe, die Summe zu bilden habe, da steht mir nichts frei. Da liegt eine Gesetzmäßigkeit zugrunde, wie viel 2 und 5 und 3 ist. Wenn ich aber 10 habe, so kann ich diese 10 darstellen in 9+1, 5+5, ich kann diese 10 darstellen in 3+5+2 und so weiter. Beim Analysieren bin ich in einer völlig freien inneren Tätigkeit. Beim Syn­thetisieren bin ich durch die Außenwelt genötigt, in einer bestimmten Weise Seelenleben zu entfalten. Wann analysieren wir denn im prak­tischen Leben? Wir analysieren im praktischen Leben, wenn wir uns auf einen gewissen Standpunkt zum Beispiel stellen und uns sagen:
Wir wollen von einem gewissen Gesichtspunkte aus das oder jenes be­trachten. Da zerlegen wir dasjenige, was wir über ein Ding wissen, in 2 Teile. Wir analysieren, sondern alles andere ab, und stellen uns auf einen gewissen Standpunkt. Ich will sagen: Ich betrachte einmal das frühe Aufstehen, abgesehen von allem übrigen, rein von dem Gesichts­punkte der – na, größeren Geneigtheit, eben frühe Morgenarbeit zu verrichten. Ich könnte auch unter einem anderen Gesichtspunkte dieses Aufstehen betrachten. Ich werde vielleicht so weit dann analysieren können, daß ich einen, den zweiten, den dritten Gesichtspunkt habe.

Aan alles wat doen ligt daarentegen, wat de ziel betreft, een analytische activiteit ten grondslag en de analytische activiteit maakt dat we in het zuivere voorstellingsleven al vrijheid kunnen ontwikkelen. Wanneer ik 2 en 5 en 3 op moet tellen, de totaalsom moet geven, ben ik in niets vrij. Daar geldt de wetmatigheid voor wat 2 en 5 en 3 samen is. Wanneer ik 10 heb, kan ik deze 10 weergeven als 9 + 1, 5+5, ik kan deze 10 weergeven als 3 + 5 + 2 enz. Bij het analyseren ben ik innerlijk volledig vrij bezig. Bij het synthetiseren ben ik door de buitenwereld verplicht op een bepaalde manier mijn zielenleven te ontplooien. Wanneer analyseren we dan in het echte leven? Wanneer we ons bijv. op een bepaald standpunt stellen en zeggen: vanuit een bepaald standpunt willen we dit of dat eens bekijken. Dan leggen we wat we over iets weten kunnen in 2 delen uit elkaar. We analyseren, zonderen al het andere af en nemen een bepaald standpunt in. Ik kijk eens naar vroeg opstaan, afgezien van al het andere, puur vanuit het gezichtspunt van, nou ja, de grotere welwillendheid zelfs ’s morgens vroeg te werken. Ik zou natuurlijk ook vanuit een ander gezichtspunt naar dit opstaan kunnen kijken. Ik zou misschien zover met analyseren kunnen gaan, dat ik een tweede, derde gezichtspunt zou hebben.

blz. 154

In dieser analytischen Seelentätigkeit bin ich in einer gewissen Beziehung frei. Und weil wir überall analytische Seelentätigkeit eigentlich fort­während mehr oder weniger im Unbewußten entwickeln, sind wir freie Menschenwesen, und niemand wird über die Schwierigkeit des Frei­heitsproblems leicht hinwegkommen, der nicht weiß, wie der Mensch für analysierende Tätigkeit veranlagt ist.
Nun aber gerade diese analysierende Tätigkeit, die berücksichtigen wir im Unterricht und Erziehungswesen gewöhnlich viel zu wenig. Wir verlegen uns darauf, daß ja die Außenwelt von dem Menschen verlangt eine synthetisierende Tätigkeit, und das hat, ich möchte sagen, aus einem gewissen pädagogischen Instinkt heraus, der aber einseitig ist, dazu geführt, hauptsächlich das Synthetisieren zu berücksichtigen, nicht so sehr das Analysieren. Das hat praktisch eine große Bedeutung. Denn sehen Sie, gerade wenn man das entfalten will, worauf ich zum Beispiel gestern aufmerksam gemacht habe, auszugehen in der Sprachlehre von dem Dialekt, da zeigt es sich, wie man notwendig hat, zu analysieren. Das Kind hat Fertiges im Dialekt, das es uns bringt. Indem wir das Kind Sätze sprechen lassen, müssen wir aus dem Fertigen mit dem Kinde die Sätze dann analysieren, um aus den Sätzen heraus die Ge­setzmäßigkeit der Sprachbildung zu entwickeln.

In deze analytische zielenactiviteit ben ik in zekere zin vrij. En omdat we overal eigenlijk voortdurend min of meer in het onbewuste analytische zielenactiviteit ontwikkelen, zijn we vrije mensenwezens en niemand zal makkelijk uit de moeilijkheid van het vrijheidsprobleem komen die niet weet hoe de mens een aanleg heeft voor analyseren.
Met name deze analyserende activiteit bekijken we voor het onderwijs en de opvoeding gewoonlijk veel te weinig. We leggen ons er meer op toe dat de buitenwereld van de mens een synthetiserende activiteit vraagt en dat heeft vanuit een bepaald pedagogisch instinct, dat echter eenzijdig is, ertoe geleid hoofdzakelijk naar het synthetisren te kijken en niet zo zeer naar het analyseren. Dat is praktisch van grote betekenis. Want ziet u, juist als je ontwikkelen wil waarop ik gisteren gewezen heb, bij het aanleren van taal uit te gaan van het dialect, blijkt, hoe nodig het is te analyseren. Het kind heeft in het dialect iets wat af is en dat neemt het mee. Wanneer we het kind zinnen laten spreken, moeten we uit wat af is, met het kind de zinnen analyseren om uit de zinnen de wetmatigheden van de taalvorming te ontwikkelen.

Wir müssen analysie­ren. Aber wir können die analytische Tätigkeit im Unterricht noch viel weiter ausbauen, viel weiter treiben. Ich mache Sie da vielleicht auf etwas aufmerksam, was Ihnen ja in der oder in jener Form bereits hin­länglich entgegengetreten ist. Sie werden aber sehen, daß wir gerade von diesem Gesichtspunkte aus die Sache weiter ausbauen müssen. Es handelt sich darum, daß man auch zum Beispiel bei dem Erklären der Buchstaben nicht in erster Linie von einer synthetischen Betätigung, sondern von einer analytischen Betatigung ausgeht. Sagen wir zum Beispiel, ich lasse das Kind ein Wort sprechen, das Wort Fisch, und dann schreibe ich ihm einfach auf die Tafel hin – indem ich darauf zähle, daß ich mit ihm, so wie ich es geschildert habe, Zeichnen getrie­ben habe -, ich schreibe ihm, bevor es irgend etwas von einem Buch­staben weiß, das Wort Fisch hin. Ich versuche sogar, dieses ganze Wort­bild, ohne daß ich es in Buchstaben zunächst gliedere, einzuprägen. Ich versuche sogar, das Kind, nachdem es lange genug eben das Zeichnen getrieben hat, so wie ich es auseinandergesetzt habe, das Wort nach-bilden zu lassen, ohne daß es zunächst eine Ahnung hat davon, daß da ein F-I-SCH drinnen ist. Einfach dasjenige, was ich auf der Tafel habe,

We moeten analyseren. Maar we kunnen de analytische activiteit in het onderwijs nog veel verder uitbouwen – veel verder in praktijk brengen. Ik maak u misschien op iets attent wat u in de een of andere vorm al onlangs bent tegengekomen. U zult echter zien dat we juist vanuit dit standpunt de zaak nog verder moeten uitbouwen. Het gaat erom dat je ook bijv. bij de uitleg van letters niet in de eerste plaats van de synthese uitgaat, maar van de analyse.We laten het kind een woord uitspreken, bijv. ‘vis’ en ik schrijf dat gewoon op het bord – door erop te vertrouwen dat ik met hem getekend heb, zoals ik geschetst heb – ik schrijf – nog voor het iets van letters weet, voor hem het woord ‘vis’op. Ik probeer zelfs dit hele woordbeeld, nog vóór ik het woord al in letters zou verdelen, hem in te prenten. Ik probeer zelfs het kind, nadat het lang genoeg getekend heeft, zoals ik uiteengezet heb, dit woord te laten namaken, zonder dat het er in het begin een notie van heeft dat daar ‘V-I-S’; staat. Simpelweg wat ik op het bord heb staan,

blz. 155

das soll das Kind nachahmen. Und bevor ich zu den Buchstaben über­gehe, versuche ich sogar öfter, das Kind fertige Worte nachmalen zu lassen. Und dann versuche ich die Analyse. Dann versuche ich, das Kind aufmerksam darauf zu machen, wie es das Wort beginnt: F, analysiere das F heraus, analysiere dann das I heraus und so weiter. Also es ist etwas, was einfach der menschlichen Natur entgegenkommt, daß man nicht von den Buchstaben ausgeht, sie synthetisch zusammen­setzt ,zu Worten, sondern daß man vom ganzen Worte ausgeht und analysierend zu den Buchstaben geht.
Sehen Sie, das muß auch berücksichtigt werden gerade vom Gesichts­punkte der Entwickelung der menschlichen Seelenwesenheit in Vor­bereitüng für das spätere menschliche Alter. Denn Sie wissen ja alle, wir leiden heute eigentlich – vielleicht nehmen Sie mir das Wort »lei­den» übel, aber ich muß es so empfinden -, wir leiden heute unter der materialistischen Weltanschauung. Diese Weltanschauung besteht nicht nur darin, daß man gewissermaßen nur das Materielle gelten läßt, son­dern sie besteht ja darin, daß man die ganze Welt auf atomistische Tätigkeit zurückführt.

moet het kind nadoen. En voor ik tot de letters overga, probeer ik ook vaker, het kind gehele woorden na te laten tekenen. En dan ga ik analyseren. Dan probeer ik het kind er attent op te maken dat het woord met V begint, ik analyseer de V, de I, en de S. Dit is eenvoudigweg iets wat bij de natuur van de mens hoort: dat je niet van de letters uitgaat die je bij elkaar zet – synthese – als woord, maar dat je van het hele woord uitgaat en dan verdelend – analyse – naar de letters gaat.
Daar moet je juist vanuit het gezichtspunt van de ontwikkeling van de menselijke ziel in de voorbereiding voor de latere leeftijd, op letten. Want u weet allemaal, dat we tegenwoordig lijden – misschien neemt u me het woord ‘lijden’ kwalijk, maar ik moet dat zo ervaren – we lijden tegenwoordig onder de materialistische wereldbeschouwing. Deze bestaat er niet alleen in dat men in zekere zin slechts uitgaat van de materie, maar dat men de hele wereld terugleidt tot een atomistische activiteit.

Dabei kommt es nicht darauf an, ob man sich diese Atome so denkt, wie man sie sich noch in den achtziger Jahren des 19. Jahrhunderts gedacht hat, also kleine elastische Körperchen von einer unbekannten Materialität, oder ob man sie wie heute als elek­trische Kraftentwicklung, elektrische Kraftzentren denkt. Es kommt einfach darauf an, daß man im Materialismus schon das Materielle, dies wird dann auch auf die Werkzeuge des Geistig-Seelischen über­tragen, als aus kleinsten Teilen zusammengesetzt und abhängig von dieser Tätigkeit der kleinsten Teile denkt. Das ist ja heute schon so weit gekommen, daß man sich gar nicht mehr bewußt ist, daß man es da mit Hypothesen zu tun hat, sondern die meisten Menschen glauben, das sei ein sicheres wissenschaftliches Resultat, daß Atome den Erschei­nungen der Außenwelt zugrunde liegen. Woher ist es gekommen, daß in unserem Zeitalter die Menschen, ich möchte sagen, die Neigung entwickelt haben für die Atomistik? Es ist daher gekommen, daß man in unserem Zeitalter mit den Kindern zu wenig analytische Tätigkeit entwickelt hat. Würde man mit den Kindern jene analysierende Tätig­keit entwickeln, die vom fertigen einheitlichen Wortbilde ausgeht und zu den Buchstaben hin analysiert, dann würde das Kind in dem Alter, wo es darnach begehrt, den Drang nach Analyse betätigen, und der bliebe nicht für die spätere Betätigung des Ausdenkens von Atomstruktur

Daarbij komt het er niet op aan of men zo over de atomen denkt als men nog deed in de jaren tachtig van de 19e eeuw, dus kleine elastische lichaampjes van een onbekende materie, of zoals men er tegenwoordig over denkt, als elektrische krachtontwikkeling, elektrische krachtcentra. Het komt er slechts op aan dat men in het materialisme de materie, dit geldt dan ook voor het werktuig van ziel en geest, als uit de kleinste deeltjes samengesteld en afhankelijk van de activiteit van de kleinste deeltjes denkt. Dat is tegenwoordig al zover gegaan, dat men zich helemaal niet meer bewust is, dat men met hypothesen te maken heeft, maar de meeste mensen geloven dat het een bepaald wetenschappelijke uitkomst is, dat de atomen ten grondslag liggen aan wat als buitenwereld verschijnt. Waar is dat vandaan gekomen, dat in onze tijd de mensen de hang ontwikkeld hebben naar de atomistiek? Dat is gekomen doordat men in onze tijd de kinderen te weinig analytische activiteiten heeft laten uitvoeren. Zou men met de kinderen die analytische activiteit ontplooien die vanuit een kant-en-klaar woordbeeld uitgaat en de letters analyseert, dan zou het kind op de leeftijd waarop het dat graag doet, de drang om te analyseren uitleven en die zou dan niet voor de latere activiteit bij het uitdenken van

blz. 156

und so weiter. Es ist einfach die Unbefriedigtheit des analy­tischen Triebes, der unseren Materialismus so fördert. Würden wir in der Tat den analytischen Trieb in der Weise befriedigen, wie ich es hier angedeutet habe, durch die Analyse des ganzen Wortbildes in Buch­staben, dann würde man durchaus die Menschen ablenken von den Sympathien für die materialistische Weltanschauung.
Daher unterrichten wir in der Waldorfschule auch durchaus so, daß wir nicht von den Buchstaben ausgehen und synthetisieren, sondern daß wir vom fertigen Satz zunächst ausgehen, aus dem Satze die Worte heraus analysieren, die Worte dann wiederum nehmen, aus den Worten die Buchstaben analysieren, für die Buchstaben dann die Laute haben. Auf diesem Wege kommen wir eigentlich zu einer richtigen Ver­innerlichung. Denn dasjenige, was Satz, Wort ist, das bringt das Kind mit. Dasjenige, was uns dann dienen soll, um das Bewußtsein zum Er­wachen zu bringen, das vollziehen wir dadurch, daß wir Sätze und Worte analysieren.

atoomstructuren en zo overgebleven zijn. Het is simpelweg de niet tevredengestelde hang naar analyse die ons materialisme zo gestimuleerd heeft. Zouden we inderdaad de analytische drang op die manier tevredengesteld hebben waarop ik die hier aangegeven heb, door de analyse van het hele woordbeeld in letters, dan zou de mens de sympathie voor de materialistische wereldbeschouwing niet gekregen hebben.
Vandaar de we op de vrijeschool zo lesgeven, dat we niet van de letters uitgaan en synthetisren, maar dat we van een kant-en-klare zin uitgaan, uit de zin de woorden analyseren, dan de woorden weer nemen, uit de woorden de letters analyseren en voor de letters hebben we dan de klanken. Langs deze weg komen we eigenlijk tot het juiste verinnerlijken. Wat een zin, een woord is, brengt het kind mee. Wat ons dan moet helpen om het bewustzijn te wekken, voltrekt zich als we zinnen en woorden analyseren.

Wenn man das Kind so nimmt, wie es Dialekt spricht, dann hat man es ja ohnehin nicht nötig, von einem Gegensatz auszugehen; denn das Kind bringt ja, viel mehr als man denkt, die Einheit von Sätzen mit sich. Dies wirkt zugleich so, daß in der Tat der Mensch, der so als Kind erzogen wird, daß wir seinem analytischen Hang entgegenkom­men, eine größere Seelenwachheit entwickelt, als es in der Regel bei unserer heutigen Bevölkerung der Fall ist. Mit Bezug auf die Seelen­wachheit haben wir gerade ungeheuer viel durch die Erziehung gesün­digt. Man kann sagen: wahrhaftig, wir schlafen nicht bloß vom Ein­schlafen bis zum Aufwachen und wachen bloß vom Aufwachen bis zum Einschlafen, sondern, wenn auch in minderem Grade, in minderer In­tensität, wechseln in uns in unserem Tagesleben fortwährend Wach­tätigkeit, Schlaftätigkeit. Ja, sogar jedesmal, wenn wir einatmen und ausatmen, ist in diesem Ein- und Ausatmen zu gleicher Zeit eine Erhel­lung und eine Verdunkelung, wenn auch das nicht bemerkt wird; er­stens, weil es schnell vor sich geht, zweitens aber, weil die Verdunke­lung gegenüber der Erhellung sehr schwach ist; also Schnelligkeit des Vorübergehens und geringe Andeutungen in der Intensität machen, daß es nicht bemerkt wird. Aber in der Tat ist es so, daß wir jedesmal beim Einatmen in einer gewissen Weise einschlafen, beim Ausatmen in einer gewissen Weise aufwachen. Und wir dürfen daher sagen, daß sogar in dieser Beziehung Wachen und Schlafen fortwährend in uns abwechseln.

Wanneer je het kind neemt zoals het dialect spreekt, heb je het zondermeer niet nodig van iets omgekeerds uit te gaan; want het kind brengt veel meer dan je denkt, de zinnen als totaliteit mee. Dat werkt tegelijkertijd zo dat inderdaad de mens die zo als kind wordt opgevoed dat wij zijn hang naar analyseren ruimte geven, een grotere wakkerheid in de ziel ontwikkelt, als in de regel bij onze huidige bevolking het geval is. Met het oog op die zielenwakkerheid hebben wij juist door de opvoeding vreselijk gezondigd. Je kan zeggen, maar we slapen toch niet alleen maar vanaf het in slaap vallen tot we wakker worden en we zijn toch niet alleen maar wakker vanaf het wakker worden tot we inslapen, maar, ook al is het in mindere mate, minder intensief,  overdag wisselt ons wakker-zijn en ons slaperig-zijn elkaar af. Ja, zelfs iedere keer als we in- en uitademen, is dit tegelijkertijd een lichter worden en een donkerder worden, ook al merken we dat niet; ten eerste omdat het snel verloopt, ten tweede echter omdat dit oplichten t.o.v. het donkerder worden zeer zwak is; dus de snelheid waarmee het gaat en de zwakte in de intensiteit maken, dat we het niet merken. Maar het is inderdaad zo dat we iedere keer bij het inademen op een bepaalde manier inslapen, bij het uitademen op een bepaalde manier wakker worden. Vandaar dat we mogen zeggen, dat zelfs in dit opzicht in ons, wakker worden en inslapen elkaar voortdurend afwisselen.

blz. 157

Aber auch in seelischer Beziehung wechselt das ab. Der Mensch ist mit Bezug auf diese oder jene Erfahrungen mehr oder weniger wach.
Nun können wir ganz gesetzmäßig sagen: Jedesmal in der analy­tischen Tätigkeit wachen wir auf, jedesmal in der synthetischen Tätig­keit schlafen wir ein. Das ist etwas, was natürlich nicht so aufgefaßt werden darf, daß nun Schlafen und Wachen genommen werden sollen wie in den gewöhnlichen Zuständen zwischen dem, was wir da in der Nacht tun. Aber mit entsprechender Abstumpfung der Intensität be­deutet Analysieren: aufwachen, Synthetisieren: einschlafen. Daher wird auch herangebildet die Neigung, mit wacher Seele der Welt gegenüber-zustehen, wenn wir bei dem Kinde dem Analysiertrieb entgegenkom­men, wenn wir es möglichst dazu veranlassen, in der verschiedensten Weise aus Einheiten Einzelheiten herauszuholen.
Das kommt insbesondere in Betracht beim Rechnen. Dieses Rechnen ist ja überhaupt etwas, dessen Beziehung zum ganzen Seelenleben des Kindes nicht gründlich genug ins Auge gefaßt wird. Das Rechnen muß erstens unterschieden werden vom bloßen Zählen. Manche Menschen haben sogar die Meinung, daß das Zählen schon ein Addieren vorstelle.

Maar ook voor de ziel is er die afwisseling. De mens is wat de een of andere ervaring betreft meer of minder wakker.
Nu kunnen we geheel volgens een wetmatigheid zeggen: Iedere keer bij een analytische activiteit worden we wakker, iedere keer bij een synthetische activiteit slapen we in. Natuurlijk mag dat niet zo opgevat worden dat slapen en wakker worden nu beschouwd zouden moeten worden zoals in de gewone toestand tussen overdag en wat we ’s nachts doen. Maar met een dienovereenkomstige vermindering van de intensiteit betekent analyseren: wakker worden, synthetiseren: inslapen. Vandaar dat ook de neiging om met een wakkere ziel in de wereld te staan ontwikkeld wordt, wanneer we bij het kind tegemoet komen aan de hang om te analyseren, wanneer we het zo mogelijk daartoe stimuleren op de meest verschillende manieren uit de eenheid de aparte delen te halen.
Dat is vooral voor het rekenen van belang. Het rekenen is met name iets waarmee je met het oog op het hele zielenleven van het kind niet sterk genoeg rekening kan houden. Het rekenen moet eerst onderscheiden worden van het tellen. Sommige mensen zijn zelfs van mening dat het tellen al optellen betekent.

Das ist es nicht. Das Zählen ist lediglich eine Benennung verschiedener Quantitäten, eine Benennung. Das Zählen muß eigentlich unbedingt dem Rechnen vorangehen, wenigstens bis zu einer gewissen Zahl. Man muß durchaus dem Kinde beibringen das Zählen. Dann aber handelt es sich darum, daß wir gerade das Rechnen benützen, um auf die in der Seele sich offenbaren wollenden Analysierkräfte den rechten Wert zu legen. Wir müssen versuchen zunächst, sagen wir, auszugehen von 10 und nun zerlegen in verschiedener Weise, zeigen dem Kinde, wie10 zerlegt werden kann in 5 und 5, oder zerlegt werden kann in 3 und3 und 3 und 1, oder in anderer Weise zerlegt werden kann. Man tut ungeheuer viel, um dem entgegenzukommen, was eigentlich die mensch­liche Natur anstrebt aus ihren innersten Kräften heraus, wenn man im Rechnen zunächst nicht addiert so, daß man die Addenden links hat und die Summe rechts, sondern daß man die Summe links hat und die Addenden rechts. Man sollte ausgehen vom Analysieren der Summe und von da erst zurückgehen zum Addieren.
Diese Darstellung kann heute jeder, der will, als eine gewagte Be­hauptung hinnehmen. Wer sich indessen einen unbefangenen Blick für die Kräfte der Menschennatur erwirbt, wird die Berechtigung des Dar­gelegten einsehen und sich sagen können: Indem wir links die Summe

Dat is niet het geval. Tellen is alleen maar een benoemen van de verschillende hoeveelheden, een benoemen. Tellen moet eigenlijk zonder meer voorafgaan aan rekenen, tenminste tot een bepaald getal. Je moet kinderen het tellen beslist leren. Dan gaat het erom dat we het rekenen gebruiken om het vermogen, te kunnen analyseren dat zich in de ziel manifesteert en naar buiten wil, naar juiste waarde te schatten. We moeten eerst proberen om bijv. uit te gaan van 10 en dat op verschillende manieren uit elkaar leggen, aan het kind laten zien hoe je 10 kan verdelen in 5 en 5 of in 3 en 3 en 3 en 1, of op een andere manier. Je doet buitengewoon veel om tegemoet te komen aan wat de menselijke natuur eigenlijk nastreeft vanuit haar diepste kracht, wanneer je in het rekenen niet zo optelt dat je de optellers links hebt en de totaalsom rechts, maar dat je de totaalsom links hebt en de optellers rechts. Je moet uitgaan van het analyseren van de som en vandaaruit pas terug naar het optellen.
Iedereen die het wil, kan deze opvatting voor een gewaagde bewering houden. Wie zich evenwel een onbevangen blik voor de krachten van de mensennatuur eigen maakt, zal inzien dat de opvatting juist is en kunnen zeggen: als we links de totaalsom

blz. 158

haben und rechts die Addenden und zunächst dem Kinde beibringen, die Summe in beliebiger Weise zu zerlegen – kommen wir dem Analy­siertrieb des Kindes entgegen, und erst dann demjenigen Trieb, der eigentlich nicht im Innern der Seele selber figuriert, sondern der erst figuriert im Verkehr des Menschen mit der Außenwelt. Dasjenige näm­lich, was das Kind herausanalysiert aus einer Einheit, das ist im Grunde genommen nur für den Menschen selbst da. Dasjenige, was synthetisiert wird, ist immer für die äußere Menschennatur da. Sie werden sagen: Ja, aber eben hast du gesagt, die Gattungsbegriffe zum Beispiel, die seien ja das Ergebnis des Synthetisierens. Das sind sie auch. Aber wir dürfen sie nicht bloß als abstrakte Begriffe dann auf­fassen, wenn wir synthetisieren. Nicht wahr, die Leute glauben, wenn wir Allgemeinbegriffe bilden »Wolf« oder »Lamm«, dann sind das nur in unserem Verstande gebildete Allgemeinbegriffe. Das ist nicht der Fall. Denn dasjenige, was außer aller Substanz ist, was wir bloß in der Idee erfassen vom Wolf oder vom Lamm, das ist ein Reales. Wenn das nicht ein Reales wäre, wenn bloß die Materie ein Reales wäre, so müßte ja, wenn wir einen Wolf einsperren, und er nichts anderes be­kommt als nur Lämmer, er nach einiger Zeit lammfromm werden. 

hebben en rechts de optellers en eerst het kind bijbrengen om op een willekeurige manier te verdelen – komen we aan de hang naar willen analyseren tegemoet en pas dan aan de hang die eigenlijk niet in het binnenste van de ziel aanwezig is, maar die voorkomt in de betrekkingen tussen de mensen met de buitenwereld. Want wat een kind door analyseren van een eenheid maakt, is er in wezen alleen maar voor de mens zelf. Wat gesynthetiseerd wordt, is altijd voor wat zich buiten de menselijke natuur bevindt. U zal zeggen: ja, maar je hebt net gezegd bijv. dat de soortbegrippen het resultaat zijn van synthese. Dat zijn ze ook. Maar we mogen die niet alleen als abstracte begrippen opvatten als we synthetiseren. Niet waar, de mensen geloven, wanneer we algemene begrippen vormen ‘wolf’ of ‘lam’, dat dat dan begrippen zijn die alleen in ons verstand zijn gevormd. Dat is niet het geval. Want wat we, los van alle substantie, alleen als idee opvatten van een wolf of van een lam, is een realiteit. Wanneer dat geen realiteit zou zijn, wanneer alleen de materie realiteit zou zijn, dan zou, wanneer we een wolf zouden vangen die niets anders zou krijgen dan lammeren, hij na een tijdje zo mak als een lammetje zijn.

Das wird er ganz sicher nicht, weil er als Wolf noch etwas anderes ist als die Materie, aus der er besteht. Aber dasjenige gerade, was er noch anderes ist, wird uns klar durch den Begriff, den wir synthetisch zustande brin­gen; der ist etwas, was durchaus einer äußeren Realität entspricht. Da­gegen dasjenige, was wir schließlich als Teile heraussondern aus irgend etwas, das entspricht in sehr vielen Fällen, namentlich dann, wenn es sich darum handelt, daß wir Gesichtspunkte und dergleichen finden, einem Subjektiven. Mindestens ist es zunächst eine subjektive Tätig­keit, wenn ich die Summe links zerteile in die Addenden, rechts habe ich die Addenden: dann ist einmal dasjenige gegeben, was rechts zu stehen hat. Habe ich links die Summe und gliedere dann, so kann ich unter den verschiedensten Gesichtspunkten gliedern. Dann können die Addenden die verschiedensten Gestalten bekommen. Das ist so wichtig, daß man diese Freiheit des Willens mit den Kindern entwickelt.
Ebenso versuche man beim Multiplizieren nicht auszugehen von dem Faktor und zunächst zum Produkt überzugehen, sondern auszugehen vom Produkt und aus diesem in beliebiger Weise den Faktor zu bilden und dann erst wiederum zurückzugehen zur synthetisierenden Tätig­keit. Dann bekommt der Mensch tatsächlich durch das Rechnen die Möglichkeit,

Dat wordt hij echt niet, omdat hij als wolf nog iets anders is dan de materie waaruit hij bestaat. Maar juist dat andere wordt ons duidelijk door het begrip dat we synthetiserend maken; dat is zeer zeker iets wat in overeenstemming is met de realiteit. Wat we als delen afzonderen uit iets, beantwoordt in veel gevallen, namelijk wanneer het erom gaat dat we gezichtspunten en dergelijke vinden, aan iets subjectiefs. Op z’n minst is het een subjectieve activiteit wanneer ik de totaalsom links, verdeel in optellers, rechts heb ik die optellers: dat is dan eenmaal een gegeven dat rechts moet staan. Heb ik de totaalsom links en ik verdeel die, dan kan ik dat doen onder de meest verschillende gezichtspunten. Dan kunnen de optellers de meest verschillende vormen aannemen. Het is zo belangrijk dat je deze vrijheid van de wil met de kinderen ontwikkelt.
Net zo probeer je bij het vermenigvuldigen niet uit te gaan van de factoren om dan naar het product te gaan, maar uit te gaan van het product om daaruit op een willekeurige manier de factoren te vormen en dan pas ga je weer terug naar de synthetische werkwijze. Dan krijgt de mens inderdaad door het rekenen de mogelijkheid

blz. 159

jene rhythmische Betätigung des Seelenlebens zu entfalten, die in Analyse und Synthese besteht. Wir bringen gewissermaßen bei unse­rem Rechnenlernen sehr häufig zu stark das Eine in Anschlag. Das ist dann geradeso für die Seele, als wenn wir bloß den Körper mit dem Einatmen überhäufen wollten und ihn nicht in der richtigen Weise aus­atmen lassen wollten. Es handelt sich eben überall durchaus darum, daß wir auf die Individualität des Menschen in der rechten Weise ein­gehen können. Das ist es eben, was ich meine mit der Befruchtung, die die pädagogische Kunst durch die Geisteswissenschaft erfahren kann. Man muß aufmerksam werden auf dasjenige, was eigentlich aus der Individualität des Kindes erst heraus will. Es nützt sonst nichts, den abstrakten Grundsatz immer wieder und wiederum zu wiederholen, man solle nicht in das Kind erwas hineinpfropfen, sondern aus dem Kind etwas herausholen. Ja, man muß doch erst wissen, was man her­ausholen kann, muß sich das erst klargemacht haben. Das Kind hat zunächst die Sehnsucht, analytisch befriedigt zu werden und dann das Analysierte synthetisch wiederum zusammenzufassen.

die ritmische activiteit van de ziel te ontplooien die uit analyse en synthese bestaat. Men legt in zekere zin heel vaak bij het aanleren van het rekenen teveel de nadruk op dat ene. Dat is voor de ziel dan net zo alsof alleen het lichaam met de inademing overvoerd wordt en dat we het niet op de juiste manier willen laten uitademen. Het gaat er overal om dat we op een goede manier de individualiteit van de mens leren begrijpen. Dat is dus wat ik bedoel met de vruchtbare werking van de geesteswetenschap op de pedagogische kunst. Je moet letten op wat met name uit de individualiteit van het kind naar buiten wil. Anders heeft het geen enkele zin de abstracte basisregel steeds maar te herhalen, dat je niet iets in een kind moet proppen, maar dat je iets uit een kind moet halen. Maar dan moet je wel eerst weten, wat je er dan uit kan halen, daar moet je eerst wel over hebben nagedacht. Het kind heeft allereerst de behoefte dat het analytisch tevreden gesteld wordt om dan wat geanalyseerd is, weer synthetisch samen te voegen.

Das sind die Dinge, die eben konkret berücksichtigt werden müssen beim Hinschauen auf die Menschennatur, sonst werden noch so gute pädagogischeGrund­sätze immer etwas bleiben, was zwar recht viel Befriedigung macht im Anwenden – man glaubt dann auch, man genüge allen Anforderun­gen -, aber das eben nur aus dem Grunde, weil man nicht auf das Leben hinschaut, weil man eigentlich gar nicht darauf aus ist, hinzuschauen, was im Leben als Erziehungsergebnis auftritt. Da könnte man sagen:
die Menschen sind ja so eigentümlich kurz geschürzt in ihrem Urteil.
Sehen Sie, wenn man in den siebziger Jahren in Österreich gelebt hat wie ich, da konnte man über die Grenzen hinüber von Preußen aus hören – und von gewissen Leuten in Österreich wurde es nachgespro­chen, weil 1866 Preußen über Österreich gesiegt hat -: Ja, das kommt davon her, daß die österreichischen Schulen früher schlechter waren als die preußischen Schulen. Eigentlich habe der preußische Schulmeister gesiegt. Und überall in Preußen konnte man hören, der preußische Schulmeister habe gesiegt. Seit dem Oktober 1918 habe ich eine ähn­liche Redensart, zu der vielleicht Veranlassung wäre, in Deutschland nicht gehört, obwohl man als Konsequenz die entgegengesetzte Redens­art in Deutschland jetzt eigentlich hören sollte. Diese Dinge sind schon lehrreich. Sie zeigen eben, wie der Mensch nur allzusehr geneigt ist, Urteile zu entwickeln nicht nach den Tatsachen, sondern nach den

Dat zijn dingen waar je naar moet kijken als je de natuur van de mens bestudeert, want anders blijven pedagogische basisregels, ook al zijn ze nog zo goed, wat dan weliswaar heel veel tevredenheid geeft bij het toepassen – men gelooft dan ook dat men voldoet aan alle eisen – maar dat alleen maar omdat men niet kijkt naar het leven, omdat men eigenlijk helemaal niet erop uit is te kijken naar wat in het leven het gevolg is van de opvoeding. Je zou kunnen zeggen: de mensen zijn zo merkwaardig beperkt in hun oordeel.
Als je in de zeventiger jaren (19e eeuw) in Oostenrijk hebt gewoond zoals ik, kon je van over de grens, uit Pruisen horen – en dat werd door bepaalde lieden in Oostenrijk nagezegd, omdat Pruisen in 1866 Oostenrijk verslagen had -: Ja, dat komt omdat de Oostenrijkse scholen vroeger slechter waren dan de Pruisische scholen. Eigenlijk hebben de Pruisische schoolmeesters gewonnen. En overal kon je horen: de Pruisische schoolmeester heeft gezegevierd. Sinds oktober 1918 heb ik een dergelijke manier van spreken waartoe misschien aanleiding bestond, in Duitsland niet gehoord, ofschoon men als consequentie de tegenovergestelde manier van praten in Duitsland eigenlijk zou moeten horen. De dingen zijn soms leerrijk. Ze laten evenwel zien hoe de mens maar al te zeer geneigd is, oordelen te vormen, niet naar de feiten, maar naar de

blz. 160

Sympathien und Antipathien, die er eben gerade empfindet. Das alles rührt aber davon her, daß sehr viele Dinge in der menschlichen Natur zurückbleiben, nicht ausgebildet werden, die als Kräfte ihre Ausbil­dung verlangen. Wir werden aber immer zurechtkommen, wenn wir auf das rhythmische Bedürfnis im ganzen Menschen Rücksicht nehmen, wenn wir also sagen: Wir dürfen nicht bloß Addieren, Subtrahieren, Multiplizieren, Dividieren beibringen; wir dürfen nicht bloß imAddie­ren antworten auf die Frage: Was geben so und so viel Addenden für Summen? – sondern vor allen Dingen müssen wir auf die Frage ant­worten: Wie läßt sich eine Summe in Addenden zerlegen? Beim Subtra­hieren antworten auf die Frage: Wovon muß man 5 abziehen, damit man 8 bekommt? Man muß alle diese Redensarten in der Regel zuerst umgekehrt von der Art betreiben, wie sie dann synthetisch im Verkehr mit der Außenwelt angewendet werden. Da kann man auch, ich möchte sagen, parallel gehend den Rechenunterricht in den Dienst der Menschheitsentwickelung stellen und den Sprachunterricht, indem man von dem Ganzen zu den einzelnen Buchstaben übergeht.

sympathiën en antipathiën die hij beleeft. Dat komt allemaal omdat heel veel dingen in de menselijke natuur blijven liggen, niet ontwikkeld worden die als kracht hun ontwikkelen vragen. Het komt altijd goed, wanneer we rekening houden met de ritmische behoefte in de hele mens, wanneer we zeggen: we mogen niet alleen maar optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen aanleren, we mogen bij het optellen niet alleen antwoord geven op de vraag; wat zijn zus en zoveel optellers bij elkaar als totaal? maar vooral moeten we de vraag beantwoorden: hoe kun je een totaal, een som, in optellers splitsen. Bij het aftrekken antwoorden op de vraag: waarvan moet je 5 aftrekken, om 8 te krijgen? Je moet eerst al deze rekenbewerkingen als regel omgekeerd doen dan ze synthetisch in de omgang met de buitenweld toegepast worden. Dan kun je ook, tegelijkertijd, het rekenonderwijs in dienst van de mensheidsontwikkeling stellen en het taalonderwijs als je van het geheel naar de afzonderlijke letters gaat.

Und es ist tat­sächlich erhebend, in unserer Waldorfschule zu sehen, wie sich die Kin­der bemühen, wenn sie das ganze Wortbild haben, herauszukriegen:
Wie lautet’s so, wie klingt’s so, was ist in der Mitte? – und in dieser Weise zu den Buchstaben überzugehen. Wenn man da atomisiert, ana­lysiert, dann werden die Kinder ganz sicher zum Materialismus, zum Atomismus keine Neigung haben, so wie sie heute alle Menschen aus dem Grunde haben, weil sie in der Schule nur zum Synthetisieren ange­regt werden und daher ihr analytisches Bedürfnis, ihr Zerteilungs-bedürfnis dann für die Weltanschauung im Leben entfalten wollen. Das zeigt, wie intim zusammenhängt die besondere Einrichtung des Lehrstoffes, dem wir seinen wissenschaftlichen Charakter nehmen und so an das Kind heranbringen, wie es das Kind in seiner Entwickelung gerade fordert mit den Bedürfnissen, die in der kindlichen Natur von Jahr zu Jahr herauskommen.
Man wird mit all diesen Dingen aber nicht zurechtkommen, wenn man nicht auch das andere entsprechend berücksichtigt, daß die mensch­liche Natur, wie ich schon gestern sagte, ausgeht im Grunde von der Tätigkeit, und erst von der Tätigkeit aus zu dem übergeht, was dann das Ruhende ist. Geradeso wie das Kind vom Zappeln ausgeht und dann zum Ruhen kommt, so geht die gesamte Natur des Menschen von der Tätigkeit aus und muß sich das Geregelte, das Ruhige eigentlich

En het is echt verheffend om op onze vrijeschool te zien hoe de kinderen zich uitsloven wanneer ze het hele woordbeeld voor zich hebben om uit te vinden: hoe klinkt het zo, hoe zo, wat staat in het midden? – om op deze manier bij de letters te komen. Wanneer je hier uiteenrafelt, analyseert, zullen de kinderen vast en zeker geen neiging tot materialisme, tot atomisme krijgen, zoals de mens die tegenwoordig heeft, omdat op school de synthese aangemoedigd wordt en hij zijn behoefte aan analyse, de behoefte de dingen uiteen te rafelen dan ontplooien wil op het gebied van de wereldbeschouwing.
Dat laat zien hoe nauw de bijzondere samenstelling van de leerstof waar we het wetenschappelijke karakter vanaf halen en zo aan het kind aanbieden als het kind dat vraagt, samenhangt met wat het nodig heeft, wat in de kinderlijke natuur jaar na jaar zichtbaar wordt.
Maar dit alles krijg je niet voor elkaar, wanneer je niet ook dat andere adequaat bekijkt, de mensennatuur, die als regel als vertrekpunt de activiteit heeft en pas daarna vanuit de activiteit tot rust komt. Net zoals het kind met bewegen begint en dan tot rust komt, zo gaat de hele natuur van de mens uit van de activiteit en moet hij de regelmaat, de rust zich in feite nog eigen maken.

blz. 161

erst erwerben. Aber das muß eben auch wirklich ganz systematisch herangebildet werden. Und da handelt es sich darum, daß wir gewisser­maßen den Menschen selbst aus der Betätigung des Menschen heraus bilden. Da kann man insbesondere heute leicht sündigen. Ich habe es ja selbst versucht auseinanderzusetzen, wie wichtig es ist, schon gleich beim Beginn des Volksschulunterrichts auf das Musikalische, auf das Gesangliche zu sehen. Es ist eine Seite des Künstlerischen. Es muß dem musikalischen Bedürfnis des Kindes so viel als möglich entgegengekom­men werden. Da könnte sehr leicht heute ein verheerendes Vorurteil entstehen. Sehen wir uns heute die Welt an – die meisten von Ihnen werden das ja bemerkt haben -, es existieren überall fast so viel Ge­sangsmethoden wie Ge»angslehrer und namentlich Gesangslehrerinnen. Nach der Ansicht derjenigen, die diesen Gesangsunterricht treiben, ist immer die jeweilige gepflegte Methode die allerbeste. Diese Gesangs­methoden und Musikmethoden, wenn sie losgelassen werden auf Er­wachsene, die schon über das eigentliche Entwickelungsalter hinaus sind, kann man ja als Steckenpferde denjenigen überlassen, die eben solche Methoden haben wollen.

Maar dat moet ook echt heel systematisch worden ontwikkeld. En dan gaat het erom dat we in zekere zin de mens zelf door de menselijke activiteit vormen. Daartegen kan in het bijzonder tegenwoordig gezondigd worden. Ik heb geprobeerd uit te leggen, hoe belangrijk het is, al meteen vanaf het begin van de basisschool op het muzikale, op het zingen te letten. Dat is één kant van het kunstzinnige. Je moet zoveel mogelijk ingaan op de muzikale behoeften van het kind. Daarbij zou vandaag zomaar een remmend vooroordeel kunnen ontstaan. Als we nu naar de wereld kijken – de meesten van u zullen dat wel gemerkt hebben – zijn er overal bijna net zoveel zangmethoden als er zangleraren zijn. Volgens degenen die zangles geven is de door hen gebruikte methode de allerbeste. Deze zang- en muziekmethoden, wanneer ze losgelaten worden op de volwassenen die al verder zijn dan de eigenlijke ontwikkelingsfase, kun je wel als stokpaardje overlaten aan hen die deze methoden willen hebben.

In der Regel gehen alle Methoden von einem schweren Fehler aus. Sie gehen davon aus, daß man eigentlich die menschliche Natur von den ruhenden Organen aus einstellen müsse, damit die Tätigkeit hervorgebracht werde, daß man gewissermaßen die Lunge und so weiter einstellen müsse, damit in entsprechender Weise. die Tätigkeit, also jene Tätigkeit, die im Gesang zum Beispiel zum Vorschein kommt, zutage tritt. Das ist das Umgekehrte von dem, was sich aus dem Wesen des Menschen selbst ergibt. Fast alle die Ge­sangsmethoden, die mir zu Gesicht gekommen sind, gehen eigentlich aus von dem Materialismus unserer Zeit, von der Annahme, daß der Mensch so irgend etwas Mechanisches ist, das man einzustellen hat, und aus dem man dann herauszuholen hat, indem man es richtig ein­stellt, irgendeine Tätigkeit. Darum kann es sich eigentlich niemals han­deln, wenn man auf das Wesen des Menschen wirklich eingeht. Ein richtiges Verhalten zum Gesanglernen, zur Ausbildung des musika­lischen Gehöres setzt voraus, daß man vor allen Dingen die Kinder gewöhnt, richtig zu hören, und dann in ihnen den Nachahmungstrieb erweckt, der sich diesem richtigen Hören anpaßt. Es gibt auch da als die beste Methode nur dieses, daß der Lehrende mit einer gewissen Liebe vorsingen kann, eingehen kann auf dasjenige, was verfehlt wird, und der Schüler sein natürliches Bedürfnis entwickelt, nachzubilden

Gewoonlijk gaan alle methoden van een ernstige fout uit. Ze gaan ervanuit dat je de menselijke natuur vanuit de rustende organen moet voorbereiden, zodat er activiteit kan ontstaan; dat je in zekere zin de longen enz. moet voorbereiden zodat er op adequate manier activiteit ontstaat, bijv. die bij het zingen naar voren komt. Dat is het omgekeerde van wat uit het mensenwezen zelf komt. Bijna alle zangmethoden die ik onder ogen heb gekregen, gaan eigenlijk uit van het materialisme van onze tijd, van de veronderstelling dat de mens een of ander mechanistisch ding is dat je moet instellen en dat je daar dan een of andere activiteit uit moet halen, als je het goed hebt ingesteld. Daarom kan het nooit gaan als je je echt instelt op het wezen van de mens. Een goede verhouding tot het leren zingen, tot de ontwikkeling van het muzikale gehoor, vereist dat je de kinderen er vooral aan went, goed te luisteren en dan in hen de nabootsingsdrang wekt die zich aan dit goed luisteren aanpast. De beste methode is dat de leerkracht met een bepaalde liefde kan voorzingen, in kan gaan op wat verkeerd is gegaan en dat de leerling zijn natuurlijke behoefte ontwikkelt, na te doen

blz. 162

dasjenige, was er vom Lehrer hört und korrigiert bekommt dasjenige, was er verfehlt. Aber im Singen selber muß sich das Kind aneignen dasjenige, was sich instinktiv als das Einstellen der Organe ergibt.
Ebenso muß für das richtige Einstellen des menschlichen Atmungs­rhythmus das Sprechen dienen. Vor allen Dingen müssen wir in der Schule darauf halten, daß das Kind lernt, die Sprachtätigkeit in eine ruhige Regelmäßigkeit zu bringen. Wir müssen durchaus darauf be­stehen, daß das Kind wirklich silbengemäß spricht, langsam spricht, daß es in der entsprechenden Weise die Silben rundet, daß es nirgends etwas abwirft vom Worte, daß es aber namentlich auch sich anpaßt dem, was man eine gebundene Sprache, Vers und dergleichen nennen kann, daß es sich anpaßt also der gestalteten Sprache, aus dem ganz empfindenden, nicht verstandesmäßigen, aber empfindenden Bewußt­sein dem Tonfall der Verse folgt. Kurz, auch da handelt es sich dar­um, daß wir in der richtigen Weise dem Kinde vorsprechen und das Kind hört, hören lernt. Und dann – es ist schon so, daß sich der Kehl-kopf und seine Nachbarorgane dem Gehöre beim kindlichen Alter noch anpassen.

wat hij van de leraar hoort die hem verbetert als hij wat fout doet. Maar bij het zingen zelf moet het kind zich eigen maken wat instinctief het resultaat is van het instellen van de organen.
Net zo moet voor de goede menselijke ademhalingsinstelling het spreken dienen. Voor alles moeten we op school ons erop richten dat het kind leert de activiteit van het spreken in een rustige regelmaat te brengen. We moeten er beslist op staan dat het kind echt de lettergrepen uitspreekt, langzaam spreekt, dat het op passende wijze de lettergrepen afrondt, dat het nergens iets inslikt van woorden, dat het vooral ook zich aanpast aan wat je een verbonden spraak, vers en dergelijke kan noemen, dat het zich dus aanpast aan de gevormde spraak, vanuit een helemaal aanvoelen, niet intellectueel, maar met een invoelend beustzijn de intonatie van de verzen volgt. Kortom, het gaat erom dat we op de juiste manier de kinderen voorspreken en dat het kind luistert, leert luisteren. En dan – het is wel zo dat het strottenhoofd en de organen die daarbij liggen zich in de kinderleeftijd nog aanpassen aan het gehoor.

Wie gesagt, beim Erwachsenen mögen die Methoden, die heute so zahlreich figurieren, meinetwillen gehen; denn da wird auch dasjenige, was sich aus solchen Steckenpferden heraus ergibt, das Leben in der einen oder anderen Weise ordnen oder auch nicht ordnen. Von der Schule müssen alle diese künstlichen Methoden wegbleiben. Da muß vor allen Dingen das naturgemäße Verhältnis des Lehrenden zum Lernenden, des Erziehers zum zu Erziehenden da sein. Da muß in der Tat das liebevolle Sichhingeben des Kindes an den Lehrenden das­jenige ersetzen, was etwa künstliches Einstellen und künstliche Metho­den sind. Da muß tatsächlich, ich möchte sagen, dasjenige, was an Imponderabilien wirkt, zugrunde liegen. Nichts wäre verhängnisvol­1er, als wenn die Musiktanten und Musikonkels mit ihren Methoden auch in die Schulen Einlaß fänden. In der Schule soll walten dasjenige, was Geist der Sache ist. Der aber kann nur kommen, wenn man selber in den Sachen drinnen steht, nicht wenn man ihn durch äußerliche Methoden an die Kinder heranbringen will.
Wenn mehr pädagogische Kunst auch in dieser Beziehung in der Schule sein wird, dann werden, wie ich glaube, die Neigungen der Menschen, allerlei Zeug zu lernen nach besonderen Methoden, nicht mehr so florieren, wie sie heute florieren. Wenn ein Kind vom 6., 7. Jahr ab auf natürliche Weise gesanglich und musikalisch unterrichtet wird,

Zoals gezegd, bij de volwassene mogen de methoden die tegenwoordig zo talrijk in omloop zijn, wat mij betreft hun gang gaan; want dan zal wat door zulke stokpaardjes gebracht wordt, het leven dat nog wel een plaats geven, of ook niet. Voor de school moeten al deze kunstmatige methoden achterwege blijven. Daar moet vooral de houding van nature tussen de onderwijzer en de leerling, tussen de opvoeder en de opvoedeling aanwezig zijn. Daar moet het liefdevol zich richten van het kind op de leerkracht in de plaats komen van een kunstmatige instelling en kunstmatige methodes. Daar moet echt de basis zijn wat imponderabel werkt. Niets is noodlottiger dan dat de muziektantes en -ooms met hun methoden toegang krijgen tot de school. Op school moet het om de geest van de zaak gaan. Die kan echter alleen maar komen, wanneer je zelf de zaken beheerst, niet wanneer je die door uiterlijke methoden de kinderen bij wil brengen.
Wanneer er ook in dit opzicht meer pedagogische kunst in de school aanwezig is, dan zal, zoals ik geloof, de hang van de mensen allerlei onzin te leren volgens bijzondere methoden, niet meer zo floreren als nu. Wanneer een kind vanaf 6, 7 jaar op een natuurlijke manier zang en muziek krijgt,

blz. 163

wird es sich später kaum mehr auf all die vertrackten Methoden, die in unserer heutigen Zivilisation eine so große Rolle spielen, einlassen.
Das gehört aber, meine ich, auch heute zur pädagogischen Kunst, daß der Lehrer unbefangen hinschaut auf alles dasjenige, was aus der Unnatur des Zeitalters sich breit und geltend macht, und daß er das ausmerzt schon eben im Unterrichte und im Erziehen während der Schulzeit. Wir können in der Regel manche Dinge, wie zum Beispiel die eben erwähnten Methoden, außerordentlich schwer bekämpfen; denn die Leute, die solche Methoden betreiben, sind ja fanatisiert, und sie können nichts anderes sehen als das Weltreformerische ihrer Metho­den, und es ist in der Regel ganz vergeblich, mit Menschen, die so etwas betreiben, vernünftig zu sprechen, unbefangen zu sprechen. Solche Dinge können eigentlich nur von der nächsten Generation aus in das richtige Fahrwasser geleitet werden. Da können wir in der Tat ein­greifen. Ungeheures kann in sozialer Beziehung immer getan werden von der nächsten Generation aus. Es ist schon so, daß zur Unterrichts-kunst und Erziehungskunst nicht nur gehört das methodisch-didak­tische Anwenden von Kraftmitteln, sondern vor allen Dingen der Ge­sichtspunkt, der sich dem Lehrenden oder dem Erziehenden aus dem Interesse ergibt, das er an der allgemeinen Entwickelung der Mensch­heit empfindet.

zal het zich later nauwelijks meer bezighouden met al die ellendige methodes die in onze beschaving zo’n grote rol spelen.
Het behoort echter ook tegenwoordig tot de pedagogische kunst, dat de leraar onbevangen kijkt naar alle wancultuur van zijn tijd die zich wil laten gelden en dat hij die in het onderwijs en de opvoeding gedurende de schooltijd in de ban doet. We kunnen als regel sommige dingen, zoals bijv. de genoemde methoden, buitengewoon moeilijk bestrijden; want de mensen die zulke methoden uitvoeren, zijn fanatiek en zij kunnen niets anders zien dan de wereldreform van hun methoden en het heeft als regel geen enkele zin om verstandig, onbevangen met mensen te spreken die zulke methoden gebruiken. Zulke dingen kunnen eigenlijk alleen maar door de volgende generatie weer op het juiste pad gebracht worden. Dan kunnen we inderdaad ingrijpen. In sociaal opzicht kan er door de volgende generatie ongelooflijk veel worden gedaan. Het is nu eenmaal zo, dat bij de onderwijs- en opvoedingskunst niet alleen het toepassen van krachtige methodisch-didactische middelen hoort, maar bovenal het gezichtspunt dat bij de leerkracht en de opvoeder interesse ontstaat voor wat hij aan de ontwikkeling van de mensheid in het algemeen, beleeft.

Der Lehrer müßte vor allen Dingen ein umfassendes Interesse haben an der ganzen Entwickelung der Menschheit. Er müßte intensiv sich interessieren für alles dasjenige, was in seinem Zeitalter vorgeht. Er dürfte am allerwenigsten sich abschließen in irgendeinem engbegrenzten oder enggeschürzten Interesse. Das, was wir entwickeln an Interessen, ich möchte sagen, für die Kulturimpulse des ganzen Zeitalters, das wirkt wiederum belebend zurück auf das ganze Ge­baren und Gehaben des Lehrers. Und Sie verzeihen mir, wenn ich es schon ausspreche, daß manches von dem, was als Pedanterie in der Schule oftmals mit Recht empfunden wird, sogleich weichen würde, wenn die Lehrerschaft sich in erster Linie für die großen Tatsachen des Lebens interessieren würde, teilnehmen würde an den öffentlichen An­gelegenheiten. Allerdings insbesondere in reaktionären Ländern wird das ja nicht gern gesehen, aber es ist zu gleicher Zeit ein pädagogisches, nicht bloß ein äußerliches Interesse.
Nun sehen Sie, vielleicht kann gerade in Anknüpfung an dasjenige, was ich eben gesagt habe, eine Frage berührt werden, die mir heute gestellt worden ist: Wohin tendiert die Sprache? Was soll geschehen,

De leerkracht zou bovenal een omvattende interesse moeten hebben voor de hele ontwikkeling van de mensheid. Hij zou zich intensief moeten interesseren voor alles wat er in zijn tijd gebeurt. Hij mag zich totaal niet afsluiten met een beperkte of bekrompen interesse. Wat we aan interesses ontwikkelen voor de cultuurimpuls van het hele tijdperk werkt inspirerend terug op het hele doen en laten van de leraar. En neem me niet kwalijk dat ik het zeg, maar veel van wat in school dikwijls terecht als pedanterie beleefd wordt, zou meteen verdwijnen wanneer de leraren zich in de eerste plaats zouden interesseren voor de grote onderwerpen van het leven, mee zouden doen in het openbare leven. Vooral in reactionaire landen ziet men dat niet graag, maar het is tegelijkertijd een pedagogische en niet alleen maar een uiterlijke belangstelling.
Misschien kan ik aan wat ik net heb gezegd een vraag verbinden die mij vandaag werd gesteld: waar gaat het heen met de taal. Wat moet er gebeuren

blz. 164

damit die alten entarteten Wörter nicht mehr ein Hindernis der Ge­dankenentwickelung bilden, sondern das neue Geistesleben aufbauen? Ein englischer Mathematiker, der sich bestrebte, alle Gedankenarten mathematisch-symbolisch zu scheniatisieren, sagte neulich in einem päd­agogischen Referat: der Stil sei das Intellektuell-Ethische. Dies könnte, so scheint es mir, ein wahres literarisches Ideal aufstellen. Um wirklich ethisch zu sprechen, zu schreiben, müßte also jeder Mensch, wie ein jedes Volk, ein besonderes Vokabular für sich haben; denn in der Sprache, so wie sie jetzt ist, entwickelt die Dramatik nur die Wörter, selten aber einen allgemeinen menschlichen Begriff. Wie können wir die Sprache so umbilden, daß in der Zukunft daraus uns die individuelle Vorstellung und Empfindung sowie die Allgemeinheit der individu­ellen Begriffe hörbar oder sichtbar ist? Oder soll die Sprache überhaupt verschwinden und in der nächsten Zeit durch etwas anderes ersetzt werden?
Nun ist das wiederum ein ganzes Bündel von Fragen. Dennoch will ich heute schon – morgen und übermorgen soll dann noch das Genauere folgen – in bezug auf diese Fragen auf einiges eingehen. 

opdat de oude in onbruik geraakte woorden geen hindernis meer vormen voor de gedachteontwikkeling, maar het nieuwe geestesleven opbouwen? Een Engelse wiskundeleraar die zich inzette om alle vormen van denken mathematisch-symbolisch te schematiseren, zei onlangs in een pedagogisch referaat: de stijl moet intellectueel-ethisch zijn. Het lijkt mij dat je hiermee een waar literair ideaal kunt formuleren. Om werkelijk ethisch te spreken, te schrijven, zou dus ieder mens, als ook ieder volk een bijzonder vocabulair tot zijn beschikking moeten hebben; want in de taal zoals die nu is, ontwikkelt de dramatiek slechts woorden, zelden een algemeen menselijk begrip. Hoe kunnen we de taal zo omvormen dat in de toekomst daaruit voor ons de individuele voorstelling en gewaarwording alsook het algemene van de indivdiuele begrippen hoorbaar en zichtaar is? Of moet de taal in z’n geheel verdwijnen en in de komende tijd door iets anders vervangen worden?
Nu, dat is weer een reeks vragen. Toch wil ik vandaag al – morgen en overmorgen volgen dan de details nog – met betrekking tot deze vragen op iets ingaan.

Es ist in der Tat nötig, darauf zu sehen, wie im Grunde genommen gerade dadurch, daß unsere zivilisierten Sprachen in einer gewissen Weise vorgerückt sind, ein äußeres Verhältnis der einen Sprache zu der anderen eingetre­ten ist. Es ist ja zum Beispiel ganz und gar etwas sehr Äußerliches, wenn wir so übersetzen, daß wir irgendeinen Text in einer Sprache nehmen und dasjenige Wort in der anderen Sprache aufsuchen, das in der Regel im Lexikon steht. Auf die Weise wird man in der Regel überhaupt dasjenige nicht bekommen, was in der Sprache über ein rein Äußerliches hinausliegt. Denn die Sprache ist ja nicht in erster Linie bloß dasjenige, was vom Verstande durchtränkt wird, die Sprache ist ja etwas unmittelbar Erlebtes, unmittelbar Empfundenes. Daher würde ja auch eine furchtbare Veräußerlichung der Menschen eintreten, wenn man so eine allgemeine Sprache, wie es das Esperanto oder ähn­liche Dinge sind, unter die Menschheit bringen würde. Ich habe aus­gezeichnete, schön klingende Gedichte in Esperanto gehört. Ich bin durchaus nicht voreingenommen, aber es würde zum großen Teil durch solch eine Universalsprache eben gerade verlorengehen das Empfin­dungsmäßige, Gemüthafte, Lebendige, das die Sprache durchlebt: das geht aber immer verloren dann, wenn man einfach lexikongemäß aus einer Sprache in die andere die Worte überträgt. Und so muß man

Het is inderdaad nodig dat je ziet hoe in de aard der zaak juist doordat onze beschaafde talen zich op een bepaalde manier ontwikkeld hebben, er een andere verhouding van de ene taal ten opzichte van de andere ontstaan is. Het is bijv. iets zeer uiterlijks als we zo vertalen dat we een of andere tekst in een taal nemen en die woorden in de andere taal opzoeken die meestal in het woordenboek staan. Op deze manier krijg je dikwijls helemaal niet wat er in de taal, buiten het puur uiterlijke, zit. Want taal is in eerste instantie niet alleen iets wat vol zit met verstand, taal is wat direct gevoeld, beleefd wordt. Vandaar dat er een vreselijke veruiterlijking van de mensen zou plaatsvinden, wanneer je een zo algemene taal als het Esperanto of iets dergelijks onder de mensen zou verspreiden. Ik heb uitstekende, mooi klinkende gedichten in het Esperanto gehoord. Ik ben helemaal niet bevooroordeeld, maar voor het grootste deel zou door zo’n universele taal juist het gevoel, het leven dat door de taal heengaat, verloren gaan; dat gaat altijd verloren wanneer je simpelweg uit het woordenboek van de ene taal de woorden in de andere taal overbrengt. En dus moet je

blz. 165

schon sagen, in einem Sinne hat der Mann, der das hier ausgesprochen hat, sehr recht, obwohl es eigentlich nicht sehr gut ist, solche Dinge wieder auf Formeln zu bringen – Gedankenarbeit, die mathematisch schematisiert werden kann, und dergleichen Dinge, die auch eigent­liche Steckenpferde sind. Aber das kann man schon sagen: es handelt sich darum, daß wir wiederum nötig haben, unsere Sprache überhaupt zu durchgeistigen. Unsere Sprache ist einmal stark – wie alle zivilisier­ten Sprachen – in das Phrasenhafte eingetreten. Gerade aus diesem Grunde ist es gut, wiederum an den Dialekt zu appellieren. DerDialekt ist da, wo er gesprochen wird, eben noch lebendiger als die sogenannte gebildete Umgangssprache. Der Dialekt enthält noch viel mehr Persön­liches, und er enthält geheim, möchte ich sagen, Persönliches, intim Persönliches. Sehen Sie, wer im Dialekt spricht, der wird gewissenhafter sprechen als derjenige, der in der Schriftsprache nur spricht. Man wird im Dialekte kaum in einem so umfassenden Sinne lügen, wie man es in der Schriftsprache tut. Diese Behauptung wird Ihnen paradox er­scheinen, aber sie ist doch in einem gewissen Sinne wahr. Selbstver­ständlich will ich damit nicht sagen, es gäbe nicht auch klotzige Lügner, die im Dialekt reden, ich will das nicht sagen; aber es muß dann die Verdorbenheit ihres Gemütes größer sein, als sie zu sein braucht, wenn man nur in der gebildeten Umgangssprache lügt. 

al wel zeggen dat in een bepaald opzicht de man die dat hier uitgesproken heeft, groot gelijk heeft, hoewel het eigenlijk niet zo goed is, deze dingen in formules te vatten – gedachteactiviteit die wiskundig in schema’s kan worden gebracht en dergelijke dingen zijn toch eigenlijk ook stokpaardjes. Maar dit kun je wel zeggen: het gaat erom dat we opnieuw nodig hebben onze taal geestrijker te maken. Onze taal is nu eenmaal sterk – zoals alle geciviliseerde talen – in het stadium van frase terechtgekomen. En juist daarom is het goed dat we weer een beroep doen op het dialect. Dialect is, waar het gesproken wordt, toch nog levendiger dan de gevormde omgangstaal. Het dialect heeft nog veel meer persoonlijks in zich en er zit iets verborgen persoonlijks, intiem persoonlijks in. Wie dialect spreekt zal consciëntieuzer spreken dan degene die de schrijftaal spreekt. In het dialect zal men niet zo grondig liegen als in de schrijftaal. Deze bewering zal u misschien paradoxaal lijken, maar in een bepaald opzicht is het waar. Vanzelfsprekend wil ik daarmee niet zeggen dat er niet ook lompe leugenaars zijn die dialect spreken, maar dan moet de verdorvenheid van hun ziel groter zijn, dan nodig, als je in de omgangstaal liegt.

Da braucht man we­niger schlecht zu sein, um zu lügen, weil die Sprache mehr das Lügen gestattet, als wenn man im Dialekt lügt. Da muß man schon ein or­dentlich schlechter Kerl sein, wenn man im Dialekt lügen soll; denn ein Dialektwort hat man viel lieber als ein Wort der gebildeten Um­gangssprache. Man schämt sich, das Dialektwort bloß als Phrase zu nehmen, während das Wort der gebildeten Umgangssprache sehr leicht zur Phrase wird. Dies müssen wir eben überhaupt wiederum in den Menschen hineinbringen, daß er in seinen Worten wirkliche Erlebnisse hat. Dann aber muß eben Leben in die Sprache hineinkommen.
Heute wird es einem ja kaum mehr verziehen, wenn man Leben in die Sprache hineinbringen will. Ich habe es wirklich versucht in einer sehr homöopathischen Dosis in meinen Schriften. Sehen Sie, einfach um gewisse Dinge zu versinnlichen, brauchte ich in meinen Schriften einen Begriff für etwas, was sich zu der Kraft verhält wie das Wasser, das im Strom dahinfließt, zu der Eiskruste, die sich gebildet hat, ich gebrauchte das Wort «kraften». Wir haben in der Regel nur das Wort Kraft; wir sprechen nicht von kraften. Und ähnliche Worte gebraucht

Dan hoef je wat minder slecht te zijn om te liegen, omdat de taal het liegen meer mogelijk maakt dan wanneer je in het dialect liegt. Dan moet je al behoorlijk slecht zijn, wil je in het dialect liegen; want men houdt meer van een dialectwoord dan van een woord in de omgangstaal. Men schaamt zich om het dialectwoord als frase te gebruiken, terwijl het woord uit de gevormde omgangstaal heel makkelijk frase wordt. Wij moeten in de mens weer ontwikkelen dat hij in zijn woorden echt iets beleeft. Dan moet er dus leven in de woorden komen.
Tegenwoordig wordt het iemand veelal kwalijk genomen wanneer hij leven in de taal wil brengen. Ik heb het echt geprobeerd met een zeer homeopatische dosis in mijn boeken. Simpelweg om bepaalde dingen aanschouwelijk te maken, gebruikte ik in mijn boeken een begrip voor iets wat als kracht in relatie staat tot het water dat voortvloeit met de stroom en de ijskorst die zich heeft gevormd; ik gebruikte het woord ‘krachten’ (kraften)( als werkwoord). We hebben alleen het woord kracht; we spreken niet van ‘krachten’ (als werkwoord). En dan gebruik je dergelijke woorden.

blz. 166

man dann. Aber wiederum braucht man, wenn man Leben in die Sprache hineinbringen will, nicht eine tote, sondern eine lebendige Syntax. Man wird heute sogleich korrigiert, wenn man das Subjekt an eine andere Stelle stellt, als die Leute es gewohnt sind. Diese Sachen gehen aber eben im Deutschen noch. Im Deutschen kann man nämlich wirklich noch eine gewisse Freiheit just entfalten. Die westeuropäischen Sprachen – das ist ja rein was Fürchterliches, was da alles falsch ist! Alle Augenblicke heißt es: Das kann man nicht sagen, das ist nicht englisch, das ist nicht französisch. Das Analoge: Das ist nicht deutsch, gibt es nämlich gar nicht. Im Deutschen können Sie eigentlich das Sub­jekt an jeden Ort stellen. Sie können auch in irgendeiner Weise den Satz innerlich beleben und so weiter. Ich will wahrhaftig nichts Jour­nalistisches sagen, aber ich will eine Tatsache konstatieren. Das ist eben der Prozeß des Absterbens der Sprache. Die Sprache beginnt zu sterben, wenn immer einem entgegentönt: Das kann man nicht sagen, das ist nicht richtig gesprochen. Das ist nämlich geradeso – es tritt einem nur nicht so paradox da entgegen -, wie wenn zu irgendeiner Türe hundert Menschen hereingehen würden, und ich gestützt auf die Menschentypen, die allein nach meiner Ansicht richtig wären, sagen würde: Aha, das ist ein richtiger Mensch, das ist ein falscher Mensch. 

Maar eveneens heb je dan, wanneer je leven in de taal wil brengen, niet een dode, maar een levendige syntaxis nodig. Je wordt tegenwoordig meteen verbeterd, wanneer je het onderwerp op een andere plaats zet, als de mensen gewend zijn. In Duitsland gaat dat nog wel. In het Duits kun je namelijk werkelijk nog wel een bepaalde vrijheid ontplooien. De West-Europese talen – dat is echt wel vreselijk wat daar mis mee is! Iedere keer klinkt het: dat kun je niet zeggen, dat is geen Engels, dat is geen Frans. Analoog: dat is geen Duits, bestaat helemaal niet. In het Duits kun je eigenlijk het onderwerp op iedere plaats zetten. Je kunt ook op de een of andere manier de zin innerlijk, levendiger maken enz. Ik wil echt niets journalistieks zeggen, maar ik wil een feit constateren. Het is nu eenmaal het afstervingsproces van de taal. De taal begint te sterven, wanneer iemand je steeds toeroept: dat kun je niet zeggen, dat is niet juist gezegd. Dat is namelijk net zo – alleen je beleeft het niet zo paradoxaal – als wanneer er door een of andere deur honderd mensen naar binnen willen en ik dan verbaasd over de verschillende typen mens die alleen volgens mij kloppen, zou zeggen: aha, dat is een goed mens, dat is een slecht mens.

Das Leben duldet nicht, daß man typisiert. Da tritt es überall sogleich grotesk hervor, nicht wahr. Das Leben fordert, daß alles in Bewegung ist. Daher muß Synthax, muß Grammatik eben aus dem empfinden­den Leben hervorgehen, nicht aus dem ertötenden Verstande. Dies wird uns zum lebendigen Fortbilden der Sprache wieder bringen.
Goethe hat sehr vieles Dialektische in die Sprache eingeführt. Man tut immer sehr gut, wenn man die Schriftsprache belebt vom Dialekte aus, weil eben beim Dialekt das Wort noch lebendiger durchglüht, durchwärmt empfunden wird. Das sind so die Dinge, die in Betracht kommen bei der Fortbildung der Sprache, bei der vorschreitenden Sprache. Aber es kommt eben auch in Betracht, daß wirklich eine Art ethisches Leben in das Sprechen hineinkommt. Das schließt ja wirklich nicht ein, daß man im Sprechen unhumoristisch werde. Der V-Vischer, der Friedrich Theodor Vischer, hat eine sehr schöne Abhandlung ge­schrieben über den Unterschied zwischen Frivolität und Zynismus. Da drinnen finden sich, außer dem, daß treffend charakterisiert ist der Unterschied zwischen Frivolität und Zynismus, auch sehr viele Be­merkungen über Sprachgebrauch, über das Hineinleben in die Sprache

Het leven laat niet toe dat je in typen indeelt. Dat is meteen overal grotesk, niet waar. Het leven eist dat alles in beweging is. Vandaar dat syntaxis, grammatica uit het leven dat ervaren wordt, moeten komen, niet uit het verstand dat dood maakt. Dat zal ons verder brengen bij een levendig ontwikkelen van de taal.
Goethe heeft zeer veel uit het dialect in de taal gebracht. Het is altijd een goede zaak, wanneer je de schrijftaal verlevendigt vanuit het dialect, omdat in het dialect nu eenmaal het woord nog met meer leven doortrokken is, met meer warmte gevoeld wordt. Dat zijn dingen die in aanmerking komen bij het ontwikkelen van de taal, bij de zich ontwikkelende taal. Maar net zo komt in aanmerking dat er ook een vorm van ethisch leven in het spreken komt. Dat houdt echt niet in, dat je bij het spreken humorloos wordt. De V-Vischer*, van Friedrich Theodor Vischer, heeft een erg mooi artikel geschreven over het verschil tussen frivoliteit en cynisme. Daarin vind je, behalve het treffend gekarakteriseerde verschil tussen frivoliteit en cynimse, ook zeer veel opmerkingen over het spraakgebruik, over het je inleven in de spraak

*Friedrich Theodor Vischer, 1807-1887, deutscher Schriftsteller und Philosoph. Über Frivolität und Zynismus siehe: «Mode und Cynismus« (3. Auflage 1888).

blz. 167

und so weiter. Es ist in der Tat schon so, daß eine gewisse Verpflich­tung, die man sich auferlegt gegenüber dem Sprechen, eine gute ethische Schulung für das Leben überhaupt ist. Aber es muß Gefühl sein; es darf nicht von der Art sein, wie es aus der Konvention herauskommt. Es führt wirklich immer mehr und mehr vom Lebendigen der Sprache ab, wenn einem immer, wie dies in westeuropäischen Sprachen der Fall ist, entgegnet wird, diese oder jene Wendung sei falsch, und nur ein ganz bestimmter – würde man es mit dem Spanischen zu tun haben, könnte man sagen -, in spanische Stiefel eingeschnürter Schritt, sei richtig.

enz. Het is inderdaad mooi, dat een zekere verplichting die je je oplegt met het oog op het spreken een goede ethische scholing voor het leven zelf is. Maar het gevoel moet zijn: het mag niet zo zijn zoals het uit de conventie komt. Wat ons steeds verder wegvoert van het levendige van de taal is, wanneer iemand zoals het geval is in de West-Europese talen, steeds voor de voeten wordt geworpen dat deze of gene zinswending verkeerd is en alleen goed – zou je met Spaans te maken hebben – wanneer deze ingesnoerd zit in de Spaanse laars. (oud folterwerktuig)

.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 10e voordracht (Duits)

Rekenen: voorbeelden van ‘van het geheel naar de delen’

Rekenen: alle artikelen

Spreken: spraakoefeningen

Schrijven en lezen: van het geheel naar de delen

1326-1239

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 301 voordracht 9

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [10]  [11]  [12] [13]  [14]  [vragenbeantwoording bij de 9e voordracht]
.

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

9e voordracht Bazel, 4 mei 1920 [2]

Inhoudsopgave
Dialect en schrijftaal:
dialect: gevoel en wil; schriftelijke taal: voorstellen
dialectsprekende kinderen hebben een innerlijker verhouding met de taal
plastisch en muzikaal element in het spreken
spraak en logica
grammatica leren bewust worden van logische krachten
onderwerploze zinnen
leven en abstractie in onderwerp en zelfstandig naamwoord
onderbewuste intelligentie van de mens; verkeerde interpretatie door psycho-analyse
grammatica en innerlijk gevoel voor stijl
7e jaar: geboorte van etherlijf, drager van het herinneringsvermogen; 14e jaar: geboorte van het astraallijf: zelfstandig voelen en willen, eigen oordeel
gevaar van verkeerd rekenonderwijs
gevolgen van te vroeg oordelen.
gedachtenassociaties.

Er is hier nogal eens sprake van ‘Sprache’. Dat kan ‘spraak’, maar ook ‘taal’ betekenen. Als ‘Sprache’ in één zin voorkomt met ‘sprechen’, kan het ‘spraak’ betekenen, maar ook nog ‘taal’. Ik heb ‘Sprache’ de ene keer zo, de andere keer zus vertaald, meer op gevoel, ook. Speel bij het lezen wat met deze vertaling van ‘Sprache’ in ‘spraak’ of ‘taal’.

blz. 137

Dialekt und Schriftsprache

Die Frage, die gestern nach dem Vortrage an mich gestellt worden ist, schließt sich in unmittelbarer Weise an das Erörterte an und wird im Zusammenhange mit dem in den letzten Tagen Gesagten sehr gut gerade heute behandelt werden können. Ich habe ja gestern versucht, wenigstens andeutungsweise zu charakterisieren, wie der Inhalt des Unterrichts- und Erziehungsstoffes das Wesentliche eigentlich nicht sein kann. Ich sagte, wir können nicht unmittelbar aus dem, was wir als vorliegendes Material in irgendeiner Wissenschaft oder sonst haben, gewissermaßen eine Popularisierung herausnehmen, für Kinder zu­rechtrücken, so wie wir Pflanzenkunde oder Tierkunde zurechtrücken und sie dann inhaltlich einfach den Kindern beibringen. Ich habe dar­auf aufmerksam gemacht, wie uns die Unterrichtsaufgabe zu einer Er­ziehungsaufgabe nur dadurch werden kann im Grunde genommen, daß wir imstande sind, eigentlich den Anschauungsunterrichtsstoff, wie er auch geartet sein mag, zu gleicher Zeit in Erziehungsleben umzuwan­deln.

dialect en schrijftaal

De vraag die na de voordracht van gisteren aan mij werd gesteld, sluit direct aan op wat ik wil gaan zeggen en kan heel goed in samenhang met wat de laatste dagen gezegd is, worden behandeld. Ik heb gisteren geprobeerd, tenminste als aanwijzingen te karakteriseren dat de inhoud van les- en opvoedingsstof eigenlijk niet het wezenlijke kan zijn. Ik zei, dat we niet zonder meer uit een of ander wetenschappelijk materiaal of iets anders dat voorhanden is, iets populair-wetenschappelijks kunnen halen om dat voor kinderen aan te passen, dus voor plant- of dierkunde aan te passen en dat dan inhoudelijk de kinderen te leren. Ik heb erop gewezen, hoe de onderwijsopdracht voor ons eigenlijk alleen maar een opvoedingsopdracht kan worden, wanneer we in staat zijn het sonderwijs waarbij iets waar te nemen is, hoe dat er ook uit moge zien, tegelijkertijd om te vormen tot iets wat als iets opvoedkundigs leeft.

Und ich habe das gestern für die Pflanzenkunde und für die Tier­kunde gezeigt, wenigstens andeutungsweise. In der Erziehungskunst haben wir immer mehr und mehr darauf hinzuarbeiten, daß wir ins­besondere vom 6., 7. Jahre bis zur Geschlechtsreife alles an das Kind so heranbringen, daß die Kräfte, die im Kinde selbst sich entwickeln wollen, wirklich zur Entwickelung gebracht werden.
Nun, wenn wir das können wollen, müssen wir dazu imstande sein, dasjenige, was uns gewissermaßen das Kind schon mitbringt, in der entsprechenden Art zu benutzen. Und ich habe aufmerksam darauf gemacht, daß uns ja ein großer Teil der Kinder etwas mitbringt, was wir ganz gut im Unterricht, im Erziehen verwenden können, das ist die Tatsache, daß eben eine große Anzahl von Kindern die Sprache als Dialekt in die Schule hereinbringt. Die Kinder sprechen Dialekt, und sie sprechen Dialekt in einer solchen Weise, daß dieser Dialekt bei

En ik heb dat gisteren voor plant- en dierkunde laten zien, tenminste als aanwijzingen. In de opvoedkunst moeten we er steeds meer naar toe werken dat we vooral vanaf het 6e, 7e jaar tot aan de puberteit het kind alles zo aanleren dat de krachten die in het kind zelf tot ontwikkeling willen komen, daadwerkelijk tot ontwikkeling worden gebracht.
Welnu, als we dit willen kunnen, moeten we in staat zijn om wat het kind al met zich meebrengt op een adequate manier te gebruiken. Ik heb erop gewezen dat een groot deel van de kinderen iets meebrengt wat we heel goed in het onderwijs, in de opvoeding kunnen gebruiken, het feit dat er nu eenmaal een groot aantal kinderen op school dialect spreekt. De kinderen spreken dialect en dat doen ze op een manier

blz. 137

ihnen entstanden ist unter dem Einflusse des Nachahmungsinstinktes. Wir werden uns, wenn wir wirklich für solche Dinge Beobachtungsgabe haben, überzeugen können, daß die dialektsprechenden Kinder ein viel innigeres Verhältnis zur Sprache haben als die nicht dialektsprechenden Kinder. Wie wir in der Schule verwerten können dieses Element des Dialektsprechens zu dem Elemente des sogenannten Schriftsprache-sprechens, darauf gerade bezog sich die gestern mir gestellte Frage.
Nun dürfen wir nicht übersehen, daß das innigere Verhältnis, das die dialektsprechenden Kinder zu ihrer Sprache haben, darinnen be­steht, daß der Dialekt als solcher, indem Worte, Sätze, gestaltet wer­den, viel intensiver gefühlt und gewollt wird als die sogenannteSchrift­sprache, die mehr beruht auf dem Vorstellen oder auf einem vom Vor­stellen hauptsächlich eingenommenen Fühlen. Jedenfalls, das Gemüts-leben ist weniger in der Schriftsprache, wenn das Kind sie vom An­fange an spricht, enthalten als im Dialekt. Und ebenso die Willens-impulse.

zoals dat is door het nabootsingsinstict.
We kunnen onszelf, wanneer we voor zulke dingen een opmerkingsgave hebben, ervan overtuigen dat de kinderen die dialect spreken een intiemere verhouding tot de taal hebben, dan de kinderen die dat niet doen. Hoe we op school dit dialectspreken kunnen gebruiken bij de schrijftaal heeft betrekking op de vraag die mij gisteren werd gesteld.
We mogen niet over het hoofd zien, dat de intiemere verhouding die de dialectsprekende kinderen tot hun taal hebben, eruit bestaat dat het dialect als zodanig, wanneer er woorden, zinnen gevormd worden, het gevoel en de wil veel intenser beleefd worden dan bij de zogenaamde schrijftaal die meer berust op het voorstellen of op het voorstellen dat hoofdzakelijk beheerst wordt door het gevoel. In ieder geval, in de schrijftaal zit minder gevoel wanneer het kind dit van meet af aan spreekt, dan in het dialect. Dat geldt ook voor de wilsimpulsen.

Das weist uns nun eigentlich von vornherein auf ein außerordentlich Wichtiges in allem Erziehen und Unterrichten hin, nämlich darauf, daß der Mensch, mehr als wir gewöhnlich annehmen, sein ganzes Wesen aus zwei Quellen schöpft, die wirklich sich zueinander verhalten wie Nordpol und Südpol. Wenn wir daher darauf hinausarbeiten, nach der einen oder nach der anderen Richtung die Erziehung oder den Unterricht zu gestalten, wenn wir vorzugsweise darauf hinausarbeiten, alles auf Anschauung zu begründen, alles darauf zu begründen, daß das Kind gewissermaßen urteilend Anschauungen, die ihm vorliegen, zusammenfaßt und sich dadurch allmählich heranbildet, so gehen wir nach einem Extrem. Bilden wir das Kind vorzugsweise dadurch aus, daß wir auf sein Erinnerungsvermögen oder auch auf die Hinnahme durch die Autorität rechnen, so gehen wir nach einem anderen ein­seitigen Extrem.
Das zeigt sich insbesondere bei der Sprache, daß zwei Extreme stets in der Menschennatur zusammengehören. Nämlich die Sprache selbst hat in sich ein deutlich wahrzunehmendes musikalisches Element, ein musikalisches Element, das mit der menschlichen Innerlichkeit streng zusammenhängt. Dann aber hat die Sprache zu gleicher Zeit ein plasti­sches Element, ein zeichnendes Element. Wir versuchen, ohne daß wir uns dessen bewußt werden, schon als ganz kleine Kinder im Sprechen dasjenige nachzuahmen, was wir durch die Sinne wahrnehmen. Insbesondere

Dat wijst ons van begin aan eigenlijk op iets buitengewoon belangrijks voor de gehele opvoeding en het onderwijs, en wel zo dat de mens, meer dan wij gewoonlijk aannemen, zijn hele wezen uit twee bronnen voedt die zich tot elkaar verhouden als de noord- tot de zuidpool. Vandaar, dat als we zo te werk gaan dat we in de ene of in de andere richting opvoeding of onderwijs zo vorm geven, we dan, wanneer we er voornamelijk naartoe werken bij alles de aanschouwelijkheid als basis te geven, alles daarop laten rusten dat het kind zogezegd oordelend de waarnemingen die het doet, samenvat en zich daardoor stap voor stap ontwikkelt, we dan naar een extreem toewerken. Vormen we het kind voornamelijk zo dat we op zijn herinneringsvermogen of ook op zijn toewijding aan de autoriteit rekenen,we naar het andere eenzijdige extreem gaan.
Op een bijzondere manier laat de taal zien dat steeds twee uitersten in de natuur van de mens bij elkaar horen. De taal zelf heeft een duidelijk waarneembaar muzikaal element in zich, dat nauw samenhangt met het innerlijk van de mens.
Maar ook heeft de taal tegelijkertijd een plastisch element, een vormend element. Wij proberen, zonder dat we ons daarvan bewust worden, als heel klein kind al in het spreken na te booten wat we door de zintuigen waarnemen. In het

blz. 138

an der Sprache wird es nun klar, wie das Musikalische und das Plastische nach zwei ganz entgegengesetzten Richtungen hin arbei­ten. Entwickeln wir bei einem Menschen mehr das musikalische Ele­ment, welches insbesondere in Anlehnung an das Autoritätsgefühl in der Schule seine Ausbildung finden wird, dann vernichten wir dadurch dasjenige, was im Kinde als plastischer Trieb ist. Sehen Sie, das musi­kalische Element der Sprache, das entwickelt sich unter dem Einflusse der Autorität so, daß das Kind fortwährend eigentlich den Instinkt hat, den Trieb hat, so zu sprechen bis in die geringsten Einzelheiten des Tonfalles hin, wie derjenige spricht, der als Autorität empfunden wird. Die Anpassung an das musikalische Element der Autorität, das ist – ob wir nun dogmatisch sagen: das ist richtig oder unrichtig -, das ist da, das ist einfach durch die Natur des Kindes da. Man wird sehr bald sehen, wenn man für so etwas Beobachtungsgabe hat, wie sich dieses musikalische Element der Sprache anpaßt an denjenigen, der das Kind erzieht oder unterrichtet.

bijzonder aan de taal wordt het ons nu duidelijk, hoe het muzikale en het plastische in twee totaal tegengestelde richtingen werken. Wanneer we bij de mens meer het muzikale element dat in het bijzonder gedragen wordt door het autoriteitsgevoel, op school tot ontwikkeling laten komen, doen we teniet wat in het kind de plastische drang is. Het muzikale element van de taal ontwikkelt zich onder invloed van de autoriteit zodanig dat het kind voortdurend eigenlijk het instinctieve gevoel, de drang heeft, net zo te spreken als degene die als autoriteit beleefd wordt, tot in de kleinste bijzonderheden van de intonatie aan toe. Het zich aanpassen aan het muzikale element van de autoriteit,  – of we nu dogmatisch zeggen: dat is goed of fout – bestaat, simpelweg door de natuur van het kind. Je zal al snel zien, wanneer je voor zoiets een opmerkingsgave hebt, hoe dit muzikale element van de taal zich aanpast aan degene die het kind opvoedt of lesgeeft.

Nun ist aber die einseitige Ausbildung dieses musikalischen Elemen­tes der Sprache geradezu vernichtend für das plastische Element der Sprache. Der Mensch wird immer mehr und mehr dazu gedrängt, wenn er nur diesem musikalischen Element der Sprache folgt, die Sprache überhaupt zu verinnerlichen, nurniehr in einer gewissen Weise seinen Gefühlen, seinen Empfindungen zu folgen, indem er gleichsam un­bewußt wiedererzeugt Tonfall, besondere Betonung, besondere Nuan­cierung der Vokale, wie er sie in Anpassung an den Menschen ent­wickelt, den er als Autorität empfindet. Das aber tritt erst dann so recht ein, wenn wir das Kind in der Volksschule herinnen haben. We­niger ist das der Fall, wenn das Kind in dem Lebensalter steht von der Geburt bis zur Volksschule hin, in dem es die Sprache zuerst lernt. Da ist das Kind Nachahmer, und es entwickelt die Sprache aus dem ganzen Menschenwesen heraus unter fortwährender Anpassung des übrigen Organismus an die menschliche Umgebung. Da greift vieles in das Sprechen ein, was dazu führt, daß das Sprechen sich plastisch gestaltet. Aber weil ja der Mensch Nachahmer ist, Nachahmer bis in das innerste Getriebe seines Wesens hinein, so bildet sich das plastische Element in dieser Zeit zu gleicher Zeit innerlich aus. Wir können auf einen durch­greifenden Unterschied in der Sprachentwickelung hinweisen. Von der Geburt bis zum Zahnwechsel bildet das Kind seine Sprache plastisch aus. Wenn dann das Kind das Glück hat, sich in diesem Lebensabschnitt

Nu is echter de eenzijdige ontwikkeling van dit muzikale element van de spraak juist voor het plastische element dodelijk. De mens wordt er steeds meer toe genoodzaakt, wanneer hij slechts dit muzikale element van de taal volgt, de taal te verinnerlijken, nog maar op een bepaalde manier zijn gevoel, zijn gewaarwordingen te volgen, wanneer hij a.h.w. onbewust de intonatie, de bijzondere accentueringen, bijzondere kleuring van de klinkers in zichzelf laat ontstaan, zoals hij die door zich aan te passen aan de mens die hij als autoriteit beleeft, ontwikkelt. Dat vindt dan pas echt op deze manier plaats, wanneer het kind op de basisschool zit. Het is minder het geval, wanneer het kind de leeftijd heeft van geboorte tot aan de basisschool, wanneer het voor het eerst de taal leert. Dan is het kind nog een nabootser en het ontwikkelt de taal vanuit zijn hele mensenwezen onder een voortdurende aanpassing van het overige organisme aan de menselijke omgeving. Er is veel invloed op het spreken en dat leidt ertoe dat het spreken zich plastisch ontwikkelt. Maar omdat de mens een nabootser is, nabootser tot diep in zijn wezen, wordt het plastisch element in deze tijd tegelijkertijd innerlijk gevormd. We kunnen wijzen op een ingrijpend verschil in de ontwikkeling van taal. Vanaf de geboorte tot aan de tandenwisseling vormt het kind zijn taal plastisch. Wanneer het kind geluk heeft zich op deze leeftijd

blz. 139

an eine Dialektsprache anpassen zu können, die von vornherein schon innerlicher mit dem Menschen verbunden ist als die Schriftsprache, so ist das Kind viel mehr willensgemäß und autoritätsgeniäß bei der Sprachbildung, intimer mit der Sprache verbunden als bei der Schrift­sprache.
In der Volksschule selbst, da tritt dann eben an die Stelle des plasti­schen Elementes, wie ich gesagt habe, das musikalische Element. Es wirkt schon das Innerliche. Aber weil die Verinnerlichung, das mu­sikalische Element als solches, dem plastischen entgegenwirkt, so ist es nötig, daß wir dasjenige, was das Kind schon hat, was es uns mitbringt, was es durch seine Kräfte bis zum 6. und 7. Jahre mit der Sprach-entwickelung herangebildet hat, daß wir das wirklich im Volksschul­erziehen und -unterrichten entsprechend benützen.
Nun hat das Kind im weitesten Umfange gerade an der Sprache etwas, wo sein Unbewußtes im hohen Grade gewirkt hat. Und wir müssen schon von der Tatsache lernen, daß bei primitiven Völkern oft­mals eine viel reichlichere Grammatik ausgebildet ist als in den Spra­chen, die schon einer höheren Zivilisation entsprechen.

aan een dialect te kunnen aanpassen dat vanaf het begin al innerlijker met de mens verbonden is dan de schrijftaal, dan is het kind veel meer wat zijn wil betreft en wat betreft zijn autoriteitsgevoel bij de taalvorming, intiemer met de taal verbonden dan bij de schrijftaal.
Op de basisschool zelf komt dan in plaats van het plastische element, het muzikale element. Het innerlijk is actief. Maar omdat de verinnerlijking, het muzikale element als zodanig het plastische tegenwerkt, is het nodig wat het kind al heeft, wat het meebrengt, wat het op eigen kracht tot het 6e, 7e jaar met de taalontwikkeling ontwikkeld heeft, dat wij dit daadwerkelijk in de basisschoolopvoeding en het onderwijs adequaat gebruiken.
Nu heeft het kind in de ruimste zin van het woord juist met de taal iets waaraan zijn onbewuste in hoge mate heeft gewerkt. En we moeten al van het feit leren dat bij eenvoudige volken dikwijls een veel rijkere grammatica tot ontwikkeling is gekomen dan in de talen die bij een hogere beschaving horen.

Man berück­sichtigt das außerhalb des Kreises einer eigentlichen Geisteswissenschaft wenig, was man doch aber als ein gesichertes Ergebnis einer wirklichen Menschenbeobachtung betrachten muß: daß der Mensch aus seinem Inneren heraus Logik entwickelt, daß er die Sprache wirklich logisch gestaltet, daß wir nicht nötig haben, Grammatik ihm anders beizubrin­gen als dadurch, daß wir dasjenige, was im Sprachaufbau schon fertig gebildet ist, zum Bewußtsein bringen. Mit dem Grammatiklernen und
-lehren haben wir im wesentlichen die Tendenz zu verfolgen, das Auf­wachen des Kindes zu fördern, das Bewußtwerden zu fördern – also innere Kräfte, die sich entwickeln können gerade um das 9. Lebensjahr herum – in dem Sinne, wie ich das charakterisiert habe. Wir müssen das Element des Sprachunterrichts dazu benützen, um fortwährend das Kind weiter aufzuwecken. Das werden wir besser können, wenn wir jede Möglichkeit, die sich uns ergibt, aus dem Dialekt heraus zu wirken, benützen. Dann, wenn das Kind von vornherein, vor dem 7. Jahre, die gebildete Umgangssprache oder die sogenannte Schriftsprache ge­lernt hat, dann kommen wir außerordentlich schwer jenem Unbewuß­ten im Menschen bei, das dann schon in einem gewissen Sinne abgestor­ben ist, jenem Unbewußten, welches ein ganz naturgemäßes Verhältnis zu der logischen Formung der Sprache hat. So daß wir, wenn wir in

Buiten de kring van een echte geesteswetenschap let men er weinig op wat je echter toch als een bewezen resultaat van een echte waarneming van de mens moet beschouwen: dat de mens vanuit zijn innerlijk, logica ontwikkelt, dat hij de taal daadwerkelijk logisch vormgeeft, dat het niet nodig is hem grammatica bij te brengen anders dan dat we tot bewustzijn brengen wat in de opbouw van de taal al klaar ligt. Met het leren van grammatica en het aanleren ervan moeten we in wezen de tendens volgen, de kinderen wakkerder te maken, het bewuster te maken – dus innerlijke krachten die zich met name kunnen ontwikkelen rondom het 9e jaar – zoals ik dat heb gekarakteriseerd. We moeten het taalonderwijs gebruiken om het kind steeds maar wakkerder te maken. Dat zal beter gaan wanneer we iedere mogelijkheid aangrijpen die zich aandient om vanuit het dialect te werken. Wanneer het kind van begin af aan, vóór het 7e jaar die beschaafde omgangstaal of de schrijftaal geleerd heeft, komen we buitengewoon moeilijk bij het onbewuste in de mens dat dan al in zekere zin een beetje teloor is gegaan, dat onbewuste dat een heel natuurlijke verhouding heeft tot de logische vorm van de taal. Zodat we, wanneer we in

blz. 140

der Klasse beisammen haben dialektsprechende Kinder und solche, die nicht den Dialekt sprechen, wir eigentlich immer den grammatischen Unterricht anknüpfen sollen an dasjenige, was uns die dialektsprechen­den Kinder an die Hand geben.
Wir wollen versuchen, zuerst den Aufbau des Satzes und dann des Wortes aus dem Dialekt heraus zu suchen. Das können wir dann, wenn wir etwa einfach so vorgehen, daß wir das Kind aussprechen lassen, sagen wir, einen Satz, einen möglichst einfach gestalteten Satz. Er wird immer etwas in sich enthalten, was die Hauptsache ist, die inner­liche Verlebendigung einer Tätigkeit. Und je mehr wir ausgehen von der innerlichen Verlebendigung einer Tätigkeit, desto mehr werden wir dazu kommen, das Aufwachen des Bewußtseins beim Kinde gerade durch den Sprachunterricht zu bewirken.
Ich möchte da etwas berühren, was außerordentlich interessant ist. Es gibt eine ausgebreitete, sehr scharfsinnige und geistreiche Literatur über die sogenannten subjektlosen Sätze: es regnet, es blitzt, es wetter-leuchtet und so weiter. Sowohl Sprachgelehrte wie Philosophen haben sich an der Literatur über diese sogenannten subjektlosen Sätze be­teiligt.

de klas de kinderen die dialect spreken en de kinderen die dat niet doen bij elkaar hebben zitten, we eigenlijk steeds met de grammaticales moeten aanknopen bij wat de dialectsprekende kinderen ons aanreiken.
We gaan eerst proberen de opbouw van een zin en dan van een woord vanuit het dialect te zoeken. Dat gaat wanneer we een beetje eenvoudig te werk gaan, dan zo, dat we het kind een zin, een zo eenvoudige mogelijke zin, laten uitspreken. Er zal altijd wel iets inzitten dat de hoofdzaak is, de innerlijke tot leven gebrachte activiteit. En hoe meer we hiervan uitgaan, des te beter zal het ons lukken het het bewustzijn van het kind te wekken met name dat door het taalonderwijs tot stand te brengen.
Ik zou iets willen aanstippen, wat buitengewoon interessant is. Er bestaat een uitgebreide, zeer scherpzinnige en geestrijke literatuur over de zogenaamde onderwerploze zinnen: het regent, het bliksemt, het dondert enz. Zowel taalleraren als filosofen hebben zich met de literatuur over deze zogenaamde onderwerploze zinnen beziggehouden.

Aber dasjenige, was das Wesentliche ist, findet sich eigentlich in dieser ganzen Literatur kaum gestreift. Das Wesentliche ist, daß diese Sätze eigentlich der kindlichsten Auffassung entsprechen. Diese Sätze entsprechen jenem Fühlen im Kinde, das dann bleibt bei einem noch nicht verbildeten Menschen, wo die Seele sich eins fühlt mit der äußeren Welt, wo sie noch nicht jenen Unterschied herbeigeführt hat zwischen dem Ich und zwischen der äußeren Welt. Wenn ich sage: es regnet -so liegt dem noch ein unbewußtes Gefühl davon zugrunde, daß das-lenige, was da draußen an Tätigkeit vollzogen wird, sich einfach fort­setzt in dem Raume, der innerhalb meiner Haut liegt, daß da nicht ein Ich sich entgegenstellt der Außenwelt. Man fühlt in der Welt, indem man sagt, es regnet, es wetterleuchtet, es blitzt; man fühlt sich nicht getrennt von der Welt. In einem gewissen Sinne sind diese sogenannten subjektlosen Sätze die ursprünglichsten Sätze der Menschennatur. Sie sind einfach die erste Stufe, auf der die Sprache sich entwickelt, ein als Tätigkeit angedeutetes zum Stehen zu bringen. Ursprünglich nehmen wir ja – das beachten wir nicht genügend – alle Welt eigentlich als Tätigkeit wahr. Wir übersehen in einem gewissen Sinne gerade im allerzartesten Kindesalter alles dasjenige, was hauptwörtlich, was sub­stantivisch ist. Das nehmen wir als etwas Selbstverständliches hin. Dagegen

Maar wat het meest wezenlijke is, vind je in die hele literatuur niet behandeld. Dat is, dat deze zinnen eigenlijk aan de meest kinderlijke opvatting beantwoorden. Deze zinnen beantwoorden aan dát gevoel in het kind dat een mens dan behoudt, die nog geen verkeerde scholing heeft gehad, bij wie de ziel zich nog één voelt met de uiterlijke wereld, bij wie deze scholing nog geen verschil tussen Ik en de uiterlijke wereld heeft laten ontstaan. Wanneer ik zeg: ‘Het regent’ – ligt daaraan nog een onbewust gevoel ten grondslag dat wat daarbuiten aan activiteit plaatsvindt, gewoon verder gaat in de ruimte die besloten ligt binnen mijn huid, dat er geen Ik is dat tegenover de wereld staat. Je voelt mee met de wereld als je zegt: het regent, het onweert, het bliksemt; je voelt je niet apart staan van de wereld. In zekere zin zijn de zogenaamde onderwerploze zinnen de meest oorspronkelijke zinnen van de mensennatuur. Ze zijn eenvoudigweg het eerste niveau waarop de taal zich ontwikkelt, wat als activiteit wordt benoemd, komt hier tot stilstand. Oorspronkelijk nemen we – dat hebben we niet genoeg in de gaten – de hele wereld als activiteit waar. Op een bepaalde manier zien we in de allerprilste kindertijd niet wat onder de zelfstandige naamwoorden valt, wat dingachtig is. Dat is voor ons gewoon vanzelfsprekend.

blz. 141

fällt uns vor allen Dingen dasjenige auf, was tätig ist, was als Tätigkeit unsere eigene Tätigkeit aufnimmt. Sie werden sagen, dem widerspricht, daß das Kind ja zuerst »Papa« sagt oder »Dada» sagt. Das widerspricht dem nicht, denn, indem es gerade diese Lautfolge ausspricht, verlebendigt es die Tätigkeit, die die betreffende Persönlich­keit an es heranträgt. Überall werden Sie bemerken, daß das Sprechen-lernen zunächst eine Verlebendigung der Tätigkeit ist, und daß das Substantivische erst hinterher kommt. Das ist etwas, was wir dann, wenn wir auf das Dialektische sehen, durchaus berücksichtigen können. Denn die Dialektworte – versuchen Sie sie nur einmal nachzuempfin­den, gerade indem Sie sie das Kind aussprechen lassen und sie dann nachfühlen in sich selber -, die Dialektworte sind so, daß ein Hinein-leben in die Gebärde, die das Dialektwort begleiten könnte, unendlich nahe liegt. Das Dialektwort fordert viel mehr heraus, daß der Mensch daran Anteil nimmt, daß er sich da hineinlebt. Und indem man das Dialektwort durchfühlen läßt, kann man geradezu an diesem Dialekt-wort dann auseinanderhalten, was schon eine Abstraktion ist, Subjekt und Prädikat.

Daarentegen valt het ons vooral op, wat actief is, wat als activiteit onze eigen activiteit opneemt. U zal zeggen, dat is toch in tegenspraak met dat het kind eerst ‘papa ‘zegt, of ‘dada’. Maar dat is niet in tegenspraak, want wanneer het die klankvolgorde uitspreekt, verlevendigt het de werking die van de betreffende persoonlijkheid naar het kind uitgaat. Overal zal u zien dat het leren spreken eerst een verlevendiging is van de activiteit en dat het substantieve pas later komt. Dat is iets waar we dan, wanneer we naar het dialectische kijken, zeer zeker rekening mee kunnen houden. Want de dialectwoorden – probeert u dat maar eens een keer na te voelen, vooral wanneer u ze door het kind laat uitspreken en u voelt ze in uzelf  opnieuw -, zijn zo, dat het zich  kunnen inleven in de gebaren die het dialectwoord zouden kunnen begeleiden, voor het grijpen ligt. Het dialectwoord vraagt veel meer dat de mens er deel aan heeft, dat hij zich erin inleeft. En als je het dialectwoord aanvoelt, kun je precies uit elkaar houden wat al abstractie is, onderwerp en gezegde.

Das Prädikat ist hergenommen von der Tätigkeit; das Subjekt ist eigentlich immer etwas, was der Mensch nur durch seinen Intellekt auf Grundlage der Tätigkeit abstrakt bildet. Wenn wir ge­radezu uns Dialektsätze vorsprechen lassen und dann betrachten die Bilder, die dadurch geliefert werden, und daran durch Veranschau­lichung desjenigen, was eigentlich der Mensch empfindet, Grammatik und Satzlehre entwickeln, dann benützen wir tatsächlich den gram­matischen, den Satzlehreunterricht dazu, uni das Kind immer mehr und mehr zum Erwachen zu bringen.
Und dann können wir sehr schön aufeinander wirken lassen das­jenige, was dialektisch vorgebracht wird, es übersetzen lassen in die sogenannte Schriftsprache, und daran zeigen in der unmittelbaren Emp­findung, im lebendigen Wechselverkehr mit den Kindern, wie ein ge­wisses Aroma der Sprache abgestreift wird in der sogenannten gebilde­ten Umgangssprache, in der Schriftsprache. Wir können ja dann so recht erst übergehen auf dasjenige, was uns die Schriftsprache auch innerlich eigen machen kann, das ist eine gewisse Ausbildung, Heran-schulung des Denkens. Denn bei der Schriftsprache müssen wir viel mehr auf die Ausbildung des zugrunde liegenden Gedankens sehen, als bei dem Dialekt. Der Dialekt unterrichtet uns ja unmittelbar da­von, daß der Mensch nicht aus dem Denken heraus das Sprechen gebildet 

Het gezegde is uit de activiteit gehaald; het onderwerp is eigenlijk steeds iets wat de mens alleen maar door zijn intellect op basis van de activiteit abstract vormt. Wanneer we ons dialectzinnen laten voorspreken en dan kijken naar de beelden die ze met zich meebrengen en daaraan, door zichtbaar te maken wat de mens eigenlijk beleeft, grammatica en zinsleer ontwikkelen, benutten we daadwerkelijk het grammatica- en het zinsleeronderwijs om het kind steeds wakkerder te maken.
En dan kunnen we heel mooi op elkaar laten inwerken wat door het dialect naar voren wordt gebracht, het laten omzetten naar de schrijftaal en daaraan dan tonen in de directe beleving, in het levendige wisselspel met de kinderen hoe iets eigens van de taal wegvalt in de zogenaamde gevormde omgangstaal, in de schrijftaal. Dan pas kunnen we goed overgaan naar wat de schrijftaal ons innerlijk laat eigen maken, een bepaalde ontwikkeling, een ontplooiing van het denken. Want bij de schrijftaal moeten we veel meer op het ontwikkelen van de eraan ten grondslag liggende gedachten letten, dan bij het dialect. Het dialect leert ons meteen dat de mens het spreken niet uit het denken heeft gevormd,

blz. 142

hat, sondern daß er an der Sprache das Denken gelernt hat, daß also die Sprache erst aus dem Unbewußten des Menschen heraus­gekommen ist. Und indem der Mensch an der Sprache beobachtet hat, sind ihm hervorgegangen aus der Sprache eigentlich erst die Gedanken. Wenn wir dies richtig empfinden, dann werden wir ein lebendiges Gefühl mit dem verbinden, was ich den Sprachgenius nennen möchte, weil es immer so genannt worden ist, was ich aber in einem viel kon­kreteren Sinne verstehen möchte, als es gewöhnlich verstanden wird. Die Sprache ist in vieler Beziehung viel, viel gescheiter als der einzelne Mensch. Wir können tatsächlich uns in frühester Kindheit in den gan­zen komplizierten Sprachorganismus hineinfinden und erst später ent­decken, welche wunderbaren Zusammenhänge, die man nur durch eine sehr scharfsinnige Logik enthüllen kann, aus unserer unbewußten Natur heraus in die Sprache hineinkommen. In der Sprache wirkt Geistiges. Aber man wird nicht zum Verstehen dieses Geistigen kom­men, wenn man dieses Geistige nur in seiner abstrakten Form im Men­schen wirksam betrachtet, so wie man das heute in dem materialisti­schen Zeitalter gerne tut.

maar dat hij van het spreken het denken heeft geleerd, dat dus de spraak eerst uit het onbewust van de mens  tevoorschijn is gekomen. En omdat de mens de spraak heeft waargenomen, zijn uit de spraak pas zijn gedachten ontstaan. Wanneer we dit op een goede manier invoelen, zullen we een levendig gevoel verbinden met wat ik de spraakgenius zou willen noemen, omdat deze altijd zo genoemd is, die ik echter in een veel concreter opzicht zou willen begrijpen dan wat hieronder gewoonlijk wordt verstaan. De taal is in vele opzichten vele malen intelligenter dan de individuele mens. Wij hebben daadwerkelijk in onze vroegste kinderjaren geen moeite met het heel ingewikkelde spraakorganisme en pas later ontdekken we, wat voor wonderbaarlijke samenhangen die je alleen maar door een zeer scherpzinnige logica te weten kan komen, uit onze onbewuste natuur in de taal terechtkomen. In de taal werkt de geest. Maar tot het begrijpen daarvan kom je niet, wanneer je dit geestelijke alleen maar in zijn abstracte vorm, werkzaam in de mens, bekijkt, zoals men dat tegenwoordig graag doet in de materialistische tijd.

Da darf ich wiederum etwas berühren, was gerade oftmals erzählt wird als Grundlage der analytischen Psychologie, der Psycho-Analyse, was aber in einem ganz anderen Sinne erfaßt werden muß, als ge­wöhnlich die Psycho-Analytiker das tun. Nehmen wir etwas, was im­mer im Leben vorkommen kann: Eine Dame ist eingeladen in einem Hause; sie geht zu einer Abendunterhaltung, die gerade veranstaltet wird in dem Hause, weil die Frau des Hauses selber an jenem Abend wegen einer Erkrankung ins Bad zu gehen hat. Die Dame geht zu dieser Abendunterhaltung. Noch am selben Abend muß die Frau des Hauses in ihr Bad abreisen. Die Abendgesellschaft geht fort, da der Mann seine Frau eben zur Bahn begleitet. Die Abendgesellschaft geht nun die Straße entlang. Um die Ecke kommt eine Droschke. Diese Droschke, die fährt zunächst sehr rasch. Die ganze Gesellschaft weicht aus nach links und rechts auf den Straßendamm. Nur die Dame, die an jenem Abend eingeladen war, die läuft vor den Pferden her, läuft und läuft, und ist trotz aller Grobiansausbrüche des Kutschers nicht dazu zu brin­gen, zur Seite zu laufen. Sie tut noch mehr. Als der Wagen über eine Brücke fährt, sie kennt wahrscheinlich die Situation ganz gut, da wirft sie sich ins Wasser hinein. Sie muß gerettet werden. Die ganze Gesell­schaft weiß nichts anderes mit ihr anzufangen, als sie in das Haus zurückzubringen,

Ik zou opnieuw wat willen aanstippen, wat vaak verteld wordt als een pijler van de analytische psychologie, de psychoanalyse, wat op een heel andere manier opgevat moet worden dan de psychoanalytici gewoonlijk doen. Laten we iets nemen, wat in het leven af en toe wel kan gebeuren: een dame is uitgenodigd in een huis; ze gaat naar een avondlijke bijeenkomst die nu in dit huis plaatsvindt, omdat de vrouw des huizes zelf op deze avond wegens ziekte nog naar een kuurbad moet. De dame gaat ’s avonds naar deze bijeenkomst. Nog op dezelfde avond moet de vrouw des huizes de reis naar het bad nog maken. Het avondlijke gezelschap gaat weg, omdat de man zijn vrouw nog naar de trein moet brengen. Het gezelschap loopt op straat. Om de hoek verschijnt een koets, die erg hard rijdt. Het hele gezelschap wijkt naar links en rechts uit. Alleen de dame die deze avond was uitgenodigd, gaat voor de paarden lopen, ze loopt en ze loopt en ondanks het onbehouwen gefoeter van de koetsier is ze niet te bewegen opzij te gaan. Ze doet nog meer. Als de wagen over een brug rijdt, zij kent de situatie daar waarschijnlijk heel goed, springt ze in het water. Ze moet gered worden. Het hele gezelschap weet niet anders te doen, dan haar terug te brengen

blz. 143

in dem sie eingeladen war. Nun hören wir den Psycho­Analytiker. Der sagt: Da ist eine isolierte Seelenprovinz. Diese Dame hat als Kind einmal einen Schreck erfahren durch ein Pferd, von dem es verfolgt wurde und dergleichen. Das ist dann hinuntergegangen in die Untergründe des Seelenlebens. Jetzt, an diesem Abend just, kommt das wieder herauf. Es ist eine geistvolle Theorie, eine Theorie, die sehr gefangennehmeri kann. Aber vor dem, der gelernt hat, Wirklichkeit zu beobachten, der gelernt hat, gerade durch geisteswissenschaftliche Ver­tiefung in die Wirklichkeit sich hineinzuversetzen, für den kann diese Erfahrung nicht gelten, denn etwas ganz anderes ist richtig. Die Dame nämlich – man kann nicht anders, als die Wahrheit eben sagen – ist einfach in den Herrn des Hauses verliebt, und sie ist sehr froh, daß sie zu dieserAbendunterhaltung eingeladen worden ist gerade an dem Tage, wo die Frau des Hauses ins Bad gehen muß. Das alles würde sich die Dame nicht eingestehen; denn sie ist ja eine anständige Dame. Sie kann eine sehr, sehr anständigeDame in ihremOberbewußtsein sein;aber was sie sich nicht eingesteht, wirkte in ihrem Unterbewußtsein. Sie richtet daher alles so ein, daß nichts anderes dabei herauskommen kann, als daß die ganze Abendgesellschaft sie zu der Zeit wieder ins Haus zurück­bringt, wo die Frau des Hauses ins Bad abgeschoben ist. Das hat sie ja gewollt vom Anfang an, aber sich nicht zum Bewußtsein gebracht.

naar het huis waar ze was uitgenodigd. Nu luisteren we naar de psychoanalyticus: hij zegt: er is sprake van een geïsoleerd deel van de ziel. Deze dame is als kind ooit eens heel erg geschrokken van een paard, dat haar nazat en zo. Dat is weggezakt naar de diepten van het zielenleven. Nu, juist vanavond, komt dat weer omhoog. Het is een sprankelende theorie, een theorie die kan fascineren. Maar voor iemand die geleerd heeft naar de realiteit te kijken, met name door geesteswetenschappelijke verdieping zich in de realiteit te verplaatsen, kan dit niet gelden, want het is iets heel anders. De dame namelijk – je kan niet anders dan maar de waarheid zeggen – is gewoon verliefd op de heer des huizes en ze is erg blij dat zij voor deze avondbijeenkomst werd uitgenodigd, vooral op de dag dat de vrouw des huizes naar een bad moest. Dat alles zou de dame niet toegeven; want het is een fatsoenlijke dame. Nu kan ze wel een zeer, zeer fatsoenlijke dame zijn in haar bovenbewustzijn, maar wat ze niet toegeeft, werkt in haar onderbewustzijn. Ze organiseert alles zodanig, dat het niet anders af kan lopen dan dat het hele gezelschap haar weer tijdig naar het huis terugbrengt waaruit de vrouw des huizes naar een bad vertrokken is. Dat wilde ze vanaf het begin, maar dat was haar niet bewust.

Da sehen Sie das Beispiel, wie Denken, Schlauheit, Intelligenz wir­ken, ohne daß sie durch das Bewußtsein des Menschen wirken. Wer das Leben beobachten kann, der weiß, wie es Menschen gibt, die von langer Hand her irgend etwas, was sie erreichen wollen, einrichten und keine Ahnung davon haben in ihrem Bewußtsein, daß sie das so tun; aber es ist alles sehr systematisch nach einem bestimmten Ziele hin eingerichtet. Dessen müssen wir uns vor allen Dingen bewußt werden, daß Vernunft, Verstand, nicht nur etwas ist, was wir ausbilden, sondern daß das etwas ist, was in dem Wesen selber wirkt, was in uns längst wirkt, bevor wir es heraufholen in unser Bewußtsein.
Was wir als Sprachlehre dem Kinde beibringen, wirkt ja in dem Kinde längst, bevor wir es aus dem Bewußtsein herausholen. Wir sollen es daher gar nicht in der Absicht heraufholen, daß das Kind daran die Richtkräfte lernt für sein Sprechen oder für sein Schreiben, sondern wir sollen es herausholen unter dem Gesichtspunkt, daß das Kind auf­wacht, daß es sich zum Bewußtsein bringt dasjenige, was unbewußt in ihm wirkt. Ob wir die eine oder die andere Absicht haben im Unterricht

Daar heb je het voorbeeld hoe denken, sluwheid, intelligentie werken, zonder dat ze door het bewustzijn van de mens werken. Wie het leven kan waarnemen, weet dat er mensen zijn die lang van te voren ergens iets wat ze willen bereiken, organiseren en er geen notie van hebben in hun bewustzijn dat ze dat doen; maar het is allemaal zeer systematisch gericht op een bepaald doel. ʢ1 We moeten ons vooral bewust zijn, dat het vernuft, het verstand niet alleen iets is, wat wij vormen, maar dat het iets is wat in het wezen zelf werkzaam is, wat in ons langer werkzaam is, alvorens het uit het bewustzijn op te halen.
Wat wij het kind aan grammatica bijbrengen, is in het kind allang actief, voor wij het bewust maken. We moeten het daarom niet met de bedoeling ophalen dat het kind daaraan zijn spreken of zijn schrijven richting leert geven, maar dat we het naar boven halen onder het gezichtspunt dat het kind wakkerder wordt, dat het zich bewust wordt wat onbewust in hem werkt. Of we de ene of de andere bedoeling hebben in het

blz. 144

und Erziehen, darauf kommt ungeheuer viel an. Die Absichten im Unterrichten und Erziehen, die sind es, auf die wir immer wieder und wiederum hinschauen sollen. Und weil die Dialektsprache eben inniger zusammenhängt mit diesem Unbewußten, so können wir aus der Dialektsprache wirklich Grammatik und Satzlehre herausholen, indem wir auf dem bauen, was als Vernunft in der menschlichen Wesenheit selber lebt. Sind wir aber genötigt, mit Kindern zu arbeiten, die von vornherein die gebildete Umgangssprache oder die sogenannte Schrift­sprache sprechen, dann müssen wir nun auch womöglich wenig darauf rechnen, daß der Intellekt eine Art Grammatik als Richtschnur aus­bildet und man sich dann nach dieser Richtschnur richtet, indem man Dativ, Akkusativ und so weiter schreibt, indem man an einer bestimm­ten Stelle einen Punkt setzen läßt und so weiter, sondern da muß etwas anderes eintreten. Sind wir genötigt, Kinder zu unterrichten, die dialektfrei vom Anfange an sprechen, dann müssen wir den Unterricht in Grammatik vor allen Dingen künstlerisch wiederum einrichten, dann müssen wir an das Stilgefühl appellieren. Der Sprachinstinkt, der wird in die Volksschule mitgebracht.

onderwijs en de opvoeding, daar komt ongelooflijk veel op aan. Steeds opnieuw moet je kijken naar wat je je voor de opvoeding en het onderwijs hebt voorgenomen. En omdat de dialecttaal inniger samenhangt met dit onbewuste, kunnen wij dus uit de dialecttaal daadwerkelijk grammatica en zinsleer halen, wanneer we bouwen op wat als vernuft in het mensenwezen zelf leeft. Maar als we met kinderen moeten werken die al van meet af aan de omgangstaal of de zogenaamde schrijftaal spreken, moeten we er misschien maar weinig op rekenen dat het intellect een soort grammatica als richtlijn heeft, wanneer je de derde, de vierde naamval  enz. schrijft, wanneer je op een bepaalde plaats een punt moet zetten enz., maar dan moet er iets anders gebeuren. Als we kinderen les moeten geven die vanaf het begin zonder dialect spreken, moeten we vooral ook de lessen in grammatica weer kunstzinnig vormgeven, dan moeten we aan het gevoel voor stijl appelleren. Het taalinstinct wordt meegebracht naar de basisschool.

Das Stilgefühl für die Sprache, das müssen wir womöglich gerade bis in das 9. Lebensjahr hinein in dem Kinde ausbilden. Das können wir aber nicht anders, als indem wir geradezu auf die Ausbildung dieses Stilgefühles künstlerisch hin­arbeiten. Wir werden es dadurch zuwege bringen – vielleicht wird dies allerdings in einer Zeit, die alle Autorität untergraben möchte, von manchen verpönt -, daß wir das, was in dem Kinde an natürlichen Trieben ist, der Autorität zu folgen, gerade benützen und darauf sehen, die Sätze und das, was wir überhaupt an das Kind heranbringen, mög­lichst künstlerisch zu gestalten, so künstlerisch gestalten, daß wir in dem Kinde das Gefühl von dieser künstlerischen Gestaltung wirklich hervorrufen. Wir können es dann, wenn wir dem Kinde zum Bewußt­sein bringen, welcher Unterschied besteht zwischen einem Behauptungs­satz, einem Fragesatz, einem Empfindungssatz, und es so sprechen las­sen, daß der Empfindungssatz mit anderer Betonung gesprochen wird als der Behauptungssatz; wenn wir das Kind aufmerksam machen, wie der Behauptungssatz neutral, gleichgültig gesprochen wird, der Emp­findungssatz gesprochen wird mit einer gewissen Gefühlsnuance, wenn wir auf dieses künstlerische Element der Sprache geradezu hinarbeiten, und dann erst aus diesem künstlerischen Element der Sprache heraus das Grammatische und Syntaktische entwickeln.

Het stijlgevoel voor de taal moeten we waar mogelijk juist tot in het 9e jaar in het kind tot ontwikkeling brengen. Dat kunnen we echter niet anders dan dat juist te doen op een kunstzinnige manier. Dan zullen we het voor elkaar krijgen – misschien wordt dit vooral in een tijd die elke autoriteit zou willen ondergraven, door sommigen gehekeld – dat we, wat er in het kind aan natuurlijke drijfveren zit om de autoriteit te volgen, juist benutten en erop letten dat we de zinnen en wat we allemaal aan het kind willen leren, zo veel mogelijk kunstzinnig vormgeven, dat we bij het kind het gevoel van deze kunstzinnige vormgeving echt oproepen. We kunnen dat, wanneer we het kind bewust laten worden van wat voor verschil er bestaat tussen een bevestigende, een vragende zin en een gebiedende wijs en het zo laten spreken dat de gebiedende wijs met een andere intonatie wordt gesproken dan de bevestigende zin; wanneer we het kind erop attent maken hoe de bevestigende zin neutraal, onbewogen gesproken wordt, de gebiedende wijs gesproken wordt met een bepaalde gevoelsnuance; wanneer we naar deze kunstzinnige elementen van de spraak toewerken en dan pas uit dit kunstzinnig element van de spraak het grammaticale en het syntactische ontwikkelen.

blz. 145

Wenn wir das, was uns Kinder an Dialekt mitbringen, auf der einen Seite benützen, um gleichsam den Naturinstinkt des Menschen für die Sprache zu entwickeln, und wenn wir auf der anderen Seite die dialekt-freie Sprache benützen, um das innere Stilgefühl zu erwecken, dann werden wir dasjenige erreichen, was gerade im Sprachunterricht er­reicht werden muß. Wir werden dann noch genauer davon sprechen. Ich möchte zunächst nur das Prinzipielle darüber andeuten.
Dieses Prinzip aber wird Ihnen sagen, daß wir überall das sich ent­wickelnde Kind im Sinne haben müssen. Wir fragen: Was tritt gerade in diesem Lebensalter, was tritt in jenem Lebensalter zutage? Wenn wir nicht das Gefühl haben: mit dem Zahnwechsel wird der Mensch gewissermaßen ein zweites Mal geboren, dann werden wir nicht den richtigen Elan zum Erziehen und Unterrichten mitbringen. Es ist ja natürlich die Geburt des physischen Leibes auffälliger als dasjenige, was um das 7. Lebensjahr geboren wird. In der Geisteswissenschaft charakterisiere ich das so, daß ich sage: mit der Geburt wird der phy­sische Leib des Menschen losgelöst von dem Leibe, mit dem er bisher verbunden war, vom mütterlichen Leibe.

Wanneer we, wat onze kinderen aan dialect meebrengen, aan de ene kant benutten om a.h.w. het natuurinstinct van de mens voor taal te ontwikkelen en aan de andere de dialecttaal gebruiken om het innerlijke stijlgevoel te wekken, zullen we bereiken wat nu juist in het taalonderwijs bereikt moet worden. Daarover zullen we preciezer spreken. Ik wilde allereerst slechts het principiële aangeven.
Dit principe echter geeft aan dat we overal het zich ontwikkelende kind op het oog moeten hebben. We vragen: wat zien we nu juist in deze leeftijdsfase, wat in die? Wanneer we niet het gevoel hebben: met de tandenwisseling wordt de mens in zekere zin voor de tweede keer geboren, brengen we niet het juiste elan mee om op te voeden en les te geven. Natuurlijk valt de geboorte van het fysieke lichaam meer op dan wat er rond het 7e jaar wordt geboren. In de geesteswetenschap karakteriseer ik het zo, dat ik zeg: met de geboorte wordt het fysieke lichaam van de mens losgemaakt van het lichaam waarmee het tot dan toe was verbonden, van het moederlichaam.

Mit dem Zahnwechsel wird das, was ich den ätherischen Leib des Menschen nenne, losgelöst vom physischen Leib, mit dem er, dieser ätherische Leib, bis zum 7. Jahre ungefähr, also bis zum Zahnwechsel, innig verbunden war. Da drinnen hat er gearbeitet, um die zweiten Zähne herauszuholen aus diesem physischen Leib. Jetzt wird er frei geboren. Und dasjenige, was das Kind dann an Fähigkeiten für die Schule mitbringt, sind eigentlich die entbundenen, die geborenen Fähigkeiten des ätherischen Leibes. Das ist sozusagen das erste Geistige, das uns das Kind entgegenbringt 4s Geistiges selbst. Indem wir das Kind vor uns haben bis zum 7. Jahre, bis zum Zahnwechsel hin, haben wir es als physischen Leib vor uns. Alles übrige Geistig-Seelische wirkt in diesem physischen Leib, und wir gelangen an das Kind nur heran, indem das Kind selber den Trieb hat, nachzuahmen. In dem 7. Jahre wird der ätherische Leib, werden diejenigen Glieder der Menschennatur, welche Ätherisches zu ihrer Substanz haben, frei, können nun für sich leben.
Ich habe schon darauf aufmerksam gemacht: der Mensch besteht ja zu weit mehr als 75 Prozent eigentlich aus einer Wassersäule. Warum redet man denn immer in der Physiologie und in der Anatomie von so etwas, als ob der Mensch ganz aus einem festen Leibe bestände? Das­jenige, was in ihm vorgeht, geht ja ebenso in der Konfiguration des

Met de tandenwisseling wordt, wat ik het etherisch lichaam van de mens noem, losgemaakt van het fysieke lichaam waarmee het, dit etherlijf, tot het 7e jaar ongeveer, dus tot de tandenwisseling, diep verbonden was. Daarin was het actief om de blijvende tanden te ontwikkelen uit dit fysieke lichaam. Nu wordt het vrij geboren. En wat het kind dan aan vaardigheden voor de school meebrengt, zijn eigenlijk de vrijgeworden, de geboren vaardigheden van het etherlijf. Dat is in feite het eerste wat geest is, dat het kind ons vertoont, als iets geestelijks op zich. Wanneer we het kind tot het 7e jaar voor ons hebben, tot aan de tandenwisseling, staat het voor ons als fysiek lichaam. Al het overige dat geest en ziel is werkt in dit fysieke lichaam en we bereiken het kind alleen maar wanneer het zelf de drang heeft, na te bootsen. Tijdens het 7e jaar wordt het etherische lichaam, worden die delen van de mensennatuur die als hun substantie het etherische hebben, vrij, kunnen nu zelfstandig leven.
Ik heb er al eens op gewezen: de mens bestaat voor ruim meer dan 75% uit een waterkolom. Waarom heeft men het er in de fysiologie en in de anatomie dan over alsof de mens helemaal uit een vast lichaam zou bestaan? Wat er zich in hem afspeelt, speelt zich net zo goed af in het geheel van

blz. 146

Flüssigen vor. Es geht auch in der Konfiguration des Luftförmigen vor sich. Und dasjenige, was das Kind an geistig-seelischen Fähigkeiten vom Zahnwechsel an entwickelt, geht weder im Festen noch im Flüssi­gen noch im Luftförmigen vor sich, sondern geht in dem vor sich, was wir als Ätherisches im Leibe tragen, was wir als Wärmeartiges, als Lichtäther, als chemischen Äther und als Lebensäther in uns tragen. Es ist einfach Unsinn, zu sagen: Gedanken leben sich so aus, daß sie etwas sind wie Vorgänge in dem Nervensystem, wobei man sich die Nerven als halbfeste oder wenigstens weiche Gebilde denkt. Nein, Ge­danken gehen vor, indem sie entwickelt werden unmittelbar, indem sie sich noch nicht zum Gedächtnisse umbilden, Gedanken gehen so vor, daß sie den physischen Leib nach dem 7. Jahre gar nicht mehr berühren. Indem der Mensch denkt, denkt er nur im ätherischen Element, das seinen Leib ausfüllt. Sie werden sagen: Ja, aber die Gedanken werden doch Erinnerungen, also bleiben sie doch im Menschen. Das ätherische Element ist ein flüchtiges Element, das sofort alle Gedanken auflösen würde, wenn die Gedanken nur in ihm leben würden. Ja, das Erinnern, das ist ein viel komplizierterer Vorgang als man gewöhnlich denkt!

het vloeibare. Het speelt zich ook af in het geheel van het luchtvormige. En wat het kind aan geest-zielenvaardigheden vanaf de tandenwisseling ontwikkelt, speelt zich niet af in het vaste, noch in het vloeibare, noch in het luchtvormige, maar speelt zich af in wat wij als het etherische in ons lichaam meedragen, wat wij aan warmte-ether, aan lichtether, aan chemische ether en als levensether in ons meedragen. Het is eenvoudig onzin om te zeggen: gedachten werken zo, dat ze iets zijn als processen in het zenuwsysteem, waarbij men zich de zenuwen als halfvaste of op z’n minst weke delen beschouwt. Nee, gedachten ontwikkelen zich wanneer ze direct ontwikkeld worden, wanneer ze nog niet tot geheugen omgevormd worden; gedachten werken zo dat ze na het 7e jaar helemaal niet meer met het fysieke lichaam in contact komen. Wanneer de mens denkt, denkt hij in het etherische element dat zijn lichaam vult. U zult zeggen: maar de gedachten worden toch herinneringen, die blijven dan toch in de mens. Het etherische element is een vluchtig element dat meteen alle gedachten zou doen vervliegen als ze daarin zouden verblijven. Maar het herinneren is een veel gecompliceerder proces dan men gewoonlijk denkt!

Man hat manchmal die auf Materialismus beruhende Vorstellung: Wir denken, dann suchen sich die Gedanken so irgendwo in der mensch­lichen Seele eine Wohnung, und dann holen wir sie uns wieder herauf, wenn wir uns an sie erinnern. Nein, so ist es nicht. Wer den Vorgang des Denkens beobachten kann, der findet Folgendes: Sehe ich etwas in der Außenwelt durch meine Sinne an, so schließe ich daran die Gedan­ken. Ich erlebe etwas in der Außenwelt – Farben oder was sonst vor­geht -, ich schließe daran den Gedanken. Wenn ich mich erinnere und einen Gedanken bilde, so kommt mir das, was mir sonst von der Außenwelt kommt, aus meinem eigenen Inneren herauf. Genau ebenso, wie ich den Gedanken neu fasse an der äußeren Welt, so fasse ich neu den Gedanken an dem, was mir aus meinem Inneren heraufkommt. Das Erinnern beruht nämlich nicht darauf, daß die Gedanken hin-unterziehen in die Seele, sondern daß aus dem, was physisch wirkt auf Auge und Ohr, eine Fortsetzung in das Leibliche hineingeht, daß ein Parallelvorgang zu dem Denken da ist, und daß dieser Parallelvor­gang Rhythmisches zurückläßt, welches dann wiederum heraufgeholt wird und innerlich ebenso wahrgenommen wird, wie sonst die Wahr­nehmung äußerlich wirkt. Ich weiß nicht, ob Sie nicht schon alle – Sie werden es ja selbstverständlich getan haben – wahrscheinlich an sich

Men heeft vaak de op het materialisme berustende voorstelling: we denken, dan zoeken de gedachten zo ergens in de menselijke ziel hun onderkomen en dan halen wij ze weer op wanneer we ons eraan herinneren. Nee, zo zit het niet. Wie het denkproces kan waarnemen, vindt het volgende: wanneer ik iets in de buitenwereld met mijn zintuigen waarneem, dan knoop ik daaraan de gedachten. Ik beleef iets in de buitenwereld – kleuren of iets dergelijks -, ik knoop daaraan gedachten. Wanneer ik mij herinner en een gedachte vorm, komt bij mij, wat anders van de buitenwereld komt, uit mijn eigen innerlijk. Precies zoals wanneer ik de gedachte nieuw vorm aan de uiterlijke wereld, zo vorm ik nieuw de gedachte aan wat uit mijn innerlijk komt. Het herinneren berust er niet op dat de gedachten onderduiken in de ziel, maar wat fysiek werkt op oog en oor gaat in het lichaam verder, het is een parallelproces bij het denken en dit parallelproces laat iets ritmisch achter wat dan weer opgehaald wordt en innerlijk net zo waargenomen zoals anders de waarneming uiterlijk werkt. Ik weet niet of u niet allen – dat hebt u allen vanzelfsprekend wel gedaan – waarschijnlijk aan uzelf

blz. 147

selber beobachtet haben, wie die Menschenkinder sich helfen, damit ihre Erinnerungen wieder besser heraufkommen. Sie versuchen alles mögliche zu tun, um das bloße Denken durch das Sinnliche zu ver­stärken, wenn die Erinnerungen heraufkommen sollen. Denken Sie doch nur einmal, wie mancher paukt, wie er tatsächlich sucht, dasjenige, was er als Gedanke aufnimmt, auch körperlich sich einzuverleiben, wie er das körperliche Einverleiben parallel gehen läßt dem Denken. Wenn er bl6ß denkt, erinnert er sich nicht daran. Er erinnert sich nur, wenn er das hört, was er selber auswendig lernt, oder wenn er sonst in irgend­einer Weise sein Körperliches beteiligt an dem Auswendiglernen. Es muß, damit wir uns erinnern, eben ein Vorgang parallel gehen dem bloßen Denken. Denn das Denken ist unter allen Umständen, gleich­gültig ob es an der Außenwelt entwickelt wird oder ob es als Erinne­rung entwickelt wird von Innen heraus, das Denken ist etwas Vor­übergehendes. Kein Gedanke wird aufbewahrt, sondern etwas anderes wird aufbewahrt, an dem der Gedanke sich immer wieder neu ent­zündet. Es ist nicht anders, wenn ich mich erinnere und einen Gedan­ken fasse, als wenn ich mir an einem Vorgang in der Außenwelt einen Gedanken fasse.

waargenomen hebt, hoe de mens zichzelf helpt, om zijn herinneringen weer op te halen. Hij probeert al het mogelijke te doen om het denken te versterken door het zintuiglijke wanneer hij zich iets wil herinneren. Denk er eens aan hoe menigeen zit te trommelen, hoe hij daadwerkelijk probeert wat hij als gedachte opneemt ook lichamelijk te verankeren, hoe hij het lichamelijk maken parallel laat verlopen met het denken. Wanneer hij alleen maar denkt, herinnert hij het zich niet. Hij herinnert het zich alleen, wanneer hij hoort wat hij zelf uit zijn hoofd heeft geleerd of wanneer hij op de een of andere manier zijn lichaam mee laat doen bij het uit het hoofd leren. Er moet, willen wij ons herinneren, een proces parallellopen met het denken. Want het denken is onder alle omstandigheden, ongeacht of het zich aan de buitenwereld ontwikkelt of als herinnering van binnenuit, het denken is iets wat voorbijgaat. Geen gedachte wordt bewaard, maar iets anders wordt bewaard waaraan de gedachte steeds weer oplicht. Het is niet anders wanneer ik mij herinner en op de gedachte kom, dan wanneer ik denk over iets wat in de buitenwereld plaatsvindt.

Das eine Mal ist es ein Vorgang der Außenwelt, an den es sich anschließt, das andere Mal ist es der Vorgang des inneren Erlebens. Jedenfalls, wenn ich mich erinnere, sind meine Organe in rhythmischer Bewegung, wiederholen meine Organe dasjenige, was sie ausgeführt haben unter dem Eindrucke des Erlebnisses. Wenn ich das Erlebnis zum ersten Mal habe, während ich die Außenwelt beobachte, entwickle ich den Gedanken nur an der Außenwelt. Erinnere ich mich, so entzündet sich der Gedanke an dem Innern, an den Organen, die wiederum so schwingen, wie sie dies taten, als ich das Erlebnis zum ersten Mal hatte.
Das sind Dinge, die man allerdings nicht so unmittelbar beweisen kann, wie man äußere Vorgänge beweisen kann, sondern das sind Dinge, die durch wirkliche Lebensbeobachtung nach und nach gewon­nen und zur Gewißheit gemacht werden müssen. Aber Sie können es. Und dann, wenn wir diese besondere Artung des Denkens ins Auge fassen, das sich eigentlich vollzieht in dem flüchtigen Element des Äthers, wenn wir feststellen, daß geeignet sein müssen die physischen Organe, fortzuschwingen in demselben Sinne, wie der Äther schwingt, dann werden wir den ganzen Umschwung, den das menschliche Leben erfährt unter dem Zahnwechsel, so richtig begreifen. Bis zum Zahnwechsel

De ene keer is het een proces van de buitenwereld waarbij het zich aansluit, de andere keer is het een proces van innerlijk beleven. In ieder geval, wanneer ik mij herinner zijn mijn organen in een ritmische beweging, herhalen mijn organen wat ze gedaan hebben door de indruk van een beleving. Wanneer ik de beleving voor de eerste keer meemaak, terwijl ik de buitenwereld bekijk, ontwikkel ik alleen maar gedachten aan de buitenwereld. Als ik mij herinner, licht de gedachte op in het innerlijk, aan de organen die opnieuw zo bewegen als ze deden toen ik de belevenis voor de eerste keer had.
Dat zijn dingen die je zeer zeker niet zo maar kan bewijzen, zoals je veel processen kan bewijzen, maar het zijn dingen die door echte waarnemingen van het leven stap voor stap moeten ontstaan en tot een zekerheid gemaakt moeten worden. Maar dat kan u.
En dan, wanneer wij deze bijzondere vorm van denken onder ogen zien die zich eigenlijk afspeelt in het vluchtige element van de ether, wanneer we concluderen dat de fysieke organen geschikt moeten zijn net zo te bewegen als de ether beweegt, zal je de hele verandering die het mensenleven ervaart met de tandenwisseling, goed begrijpen. Tot de tandenwisseling

blz. 148

wirkt ja der ganze Ätherleib. Wärmeäther, chemischer Äther, Lichtäther, Lebensäther wirken in den Organen drinnen, bauen die Organe auf, machen sie erst so, daß sie materiell mitschwingen können. Da ist der Ätherleib der Architekt, der Plastiker des physischen Leibes. Ist der physische Leib so weit entwickelt, daß er unter dem Einfluß des Ätherleibes, der dann denkt, der dann den Intellekt emanzipiert vom physischen Leib, mitschwingen kann wie eine Saite, wenn eine andere auf sie abgestimmte Saite angeschlagen wird, ist der physische Leib so weit, wie er eben ist, wenn der Zahnwechsel bereits eingetreten ist, dann können wir auch rechnen mit der Ausbildung des Ätherleibes als solchem, denn dann gestalten wir zugleich den physischen Leib, indem wir den Ätherleib gestalten. Aber man muß eine Empfindung haben für dieses Geborenwerden des Ätherleibes mit dem Zahnwechsel.
Man muß wiederum eine Empfindung dafür haben, daß etwas noch Höheres in der Menschennatur geboren wird mit der Geschlechtsreife, etwas, was bis dahin an der weiteren Umgestaltung des menschlichen Organismus arbeitet. Ob man das, was da geboren wird im 14., 15. Jahre des Menschen, nun Astralleib nennt und sich erfreut an dieser Bezeichnung Astralleib, oder ob man diesen Ausdruck geschmacklos findet, darauf kommt es nicht an.

is het hele etherlijf actief. Warmte-ether, chemische ether, lichtether, levensether zijn actief in de organen, bouwen de organen op, maken ze zo dat ze mee kunnen bewegen. Daar is het etherlijf een architect, de beeldhouwer van het fysieke lichaam. Is het fysieke lichaam zover ontwikkeld dat het onder invloed van het etherlijf dat dan denkt, dat dan het intellect losmaakt van het fysieke lichaam, mee kan bewegen als een snaar, wanneer een andere op haar afgestemde snaar aangeslagen wordt, is het fysieke lichaam zover als het is als de tandenwisseling al begonnen is, dan kunnen we ook rekenen op de ontwikkeling van het etherlijf als zodanig, want dan vormen we tegelijkertijd het fysieke lichaam wanneer we het etherlijf vormen. Maar je moet een gevoel hebben voor dit geboren worden van het etherlijf met de tandenwisseling.
Je moet er eveneens een gevoel voor hebben dat iets nog hogers in de mensennatuur geboren wordt met de geslachtsrijpheid, iets, wat tot dan toe aan de verdere omwerking van het menselijke organisme werkt. Of je wat daar geboren wordt in het 14e, 15e jaar van de mens nu astraallijf noemt en blij bent met deze betekenis van astraallijf of dat je deze term smakeloos vindt, daar komt het niet aan.

Es kommt darauf an, daß man sich bewußt werde, daß geradeso wie das intellektuelle Element durch den Ätherleib geboren wird um das 7. Lebensjahr herum, das ganze leib-freie Seelische um das 14., 15. Jahr herum geboren wird. Vorher ist unser Fühlen, unser Wollen eng verbunden dem physischen Organis­mus. Wie das Denken dem physischen Organismus verbunden ist bis zum 7. Lebensjahre, so ist bis zum 14., 15. Jahre, bis zur Geschlechts-reife, das Fühlen und das Wollen eng dem physischen Organismus ver­bunden. Und wir müssen darauf sehen, daß wir nun ja nicht vor der Geschlechtsreife, das heißt, vor dem Abgang aus der Volksschule, hineinbringen in das Denken, das ja Stück für Stück herauskommt mit der Entwickelung des Ätherleibes, daß wir nicht da hineinbringen etwas, was gewissermaßen aus einer zu frühen Selbständigkeit des Willens und des Gemütes herrührt. Wenn das Kind liebevoll heran-gebildet wird in der Anlehnung an seine Autorität, wenn das Kind Fühlen und Wollen lernt in der Anlehnung an den andern, an den erwachsenen Menschen, an den Erzieher und Unterrichter, dann wird im rechten Augenblicke, nämlich bei der Geschlechtsreife sein eigenes selbständiges Fühlen und Wollen geboren. Unser Fühlen und Wollen

Het komt erop aan dat je je bewust wordt dat net zoals het intellectuele element door het etherlijf geboren wordt rond het 7e jaar, heel de ziel die vrij van het lichaam is, rond het 14e, 15e jaar geboren wordt. Daarvoor is ons voelen, ons willen nauw verbonden met het fysieke organisme. Zoals het denken met het fysieke organisme verbonden is tot het 7e levensjaar, zo is tot het 14e, 15e jaar, tot de geslachtsrijpheid, het voelen en het willen nauw met het fysieke organisme verbonden. En we moeten erop letten dat we nu niet vóór de puberteit, d.w.z. voor het einde van de basisschool in het denken dat langzamerhand verschijnt met de ontwikkeling van het etherlijf, iets brengen wat in zekere zin uit een te vroege zelfstandigheid van wil en gevoel vandaan komt. Wanneer het kind liefdevol ontwikkeld wordt doordat het steunt op de autoriteit, wanneer het kind voelen en willen leert door op anderen te steunen, de volwassenen, op de opvoeder en leraar, dan wordt op het juiste ogenblik, namelijk met de geslachtsrijpheid zijn eigen zelfstandig voelen en willen geboren. Ons voelen en willen

blz. 149

können wir erst dadurch in der richtigen Weise entwickeln, daß wir sie an dem andern, uns als Autorität geltenden Menschen richtig ent­wickeln. Kommen wir zu früh zum selbständigen Entwickeln des Willens, kommen wir namentlich zu gewissen, ich möchte sagen, ge­heimen Funktionen des Willens zu früh, so schadet uns das für das ganze Leben. Und wir kommen zu feineren Organisationen des Willens zu früh, wenn wir versucht werden, namentlich moralische und reli­giöse Impulse verfrüht dem eigenen Urteil zu unterwerfen.
Man kann nicht anders, als sagen, daß das Kind bis zur Geschlechts-reife lernen sollte, sittlich zu sein und religiös zu sein durch den Ein­fluß der sittlichen und religiösen Autoritäten. Erst mit der Geschlechts-reife beginnt das seelisch-geistige Wesen des Menschen so leibfrei zu sein, daß wir es dem eigenen Urteil überlassen können. Sehen Sie, wenn man solche Sachen heute ausspricht, dann hat man ja vor allen Dingen viel vom Zeitvorurteil gegen sich. Als ich in mehr oder weniger öffent­lichen Reden gerade diese Sache vom naturgemäßen Autoritätsgefühl ausgesprochen habe in Deutschland, als alles da noch unter dem Ein­flusse einer Scheinrevolution stand, die ja keine wirkliche Revolution geworden ist, da erwiderte man mir überall aus jenen Untergründen heraus, die eigentlich möchten schon alle Autorität auch vom Kindes­alter entfernen, die am liebsten möchten, daß alles Lehren und Er­ziehen aufhörte und die Kinder untereinander sich demokratisch er­zögen und lehrten.

kunnen we pas op de juiste manier ontwikkelen als we deze aan de ander, aan de mensen die voor ons als autoriteit gelden, ontwikkelen. Is er een te vroege zelfstandige ontwikkeling van de wil, dan komen namelijk ook bepaalde verborgen functies van de wil te vroeg en dat is schadelijk voor het hele leven. En tot intiemere wilsorganisaties kom je te vroeg wanneer er geprobeerd wordt, met name morele en religieuze impulsen te vroeg aan het eigen oordeel te onderwerpen.
Je kan niet anders zeggen dan dat het kind tot aan de puberteit moet leren, moreel te zijn door de invloed van morele en religieuze autoriteiten. Pas met de geslachtsrijpheid begint het ziele-geestwezen van de mens zo vrij van het lichaam te worden dat wij het aan het eigen oordeel kunnen overlaten. Wanneer je deze dingen tegenwoordig uitspreekt, krijg je vooral het vooroordeel van deze tijd tegen je. Toen ik in min of meer openbare lezingen deze zaak van het natuurlijke autoriteitsgevoel uitsprak in Duitsland, toen daar alles nog onder invloed stond van een schijnrevolutie, die geen echte revolutie geworden is, sprak men mij overal aan vanuit achtergronden die het liefst alle autoriteit zover mogelijk van kinderen vandaan wilden houden, die het liefst wilden dat het gedaan zou zijn met opvoeding en onderwijs en dat de kinderen onder elkaar op een democratische manier elkaar zouden opvoeden en aan elkaar leren. Ik moest daarop antwoorden dat kinderen dat helemaal niet willen; goed begrepen willen kinderen leiding, willen van een autoriteit houden en wat zich in hen ontwikkelt als liefde tot de autoriteit hangt met hun eigen natuur samen.
Wanneer de mens geslachtsrijp wordt, ontwikkelt zich als een vanzelfsprekendheid de liefde tot het andere geslacht. Zeker, die individualiseert zich dan in de liefde van een man voor een vrouw; maar wat daar individueel wordt, wat daar als bijzonderheid plaatsvindt, is volledig gerechtvaardigd, is tegelijkertijd de individuele uitdrukking voor een algemene mensenliefde, voor de algemene mensenliefde. Deze algemene mensenliefde als een bijzondere, ontwikkelt zich net zo als de liefde voor het andere geslacht met de geslachtsrijpheid. Die liefde die de mens voor een mens heeft, ontwikkelt zich in haar zelfstandigheid pas met de geslachtsrijpheid, want deze liefde moet vrij zijn van autoriteit.

blz. 150

Diese Liebe ist eine wirkliche Hingabe. Bis zu der Geschlechtsreife muß die Liebe ein Bedürfnis sein, muß die Liebe etwas sein, was das eigene Wesen egoistisch verlangt. Darauf müssen wir rechnen, daß das Kind in der Volksschule egoistisch verlangt, lieben zu können, das heißt, die Autorität neben sich zu haben, der es anhängt, der es sich hingibt, weil es Wohlgefallen in dieser Hingabe hat, denn die Natur selbst drängt dazu. Da ist dasjenige, was vorzugsweise in der Liebe lebt – sei es in der Liebe zur anderen Menschheit, sei es in der Liebe zur Natur, in der Liebe zu den Sternen, in der Liebe zu den übersinnlichen Wesen und Göttern und dem Gotte -, es ist, was da im Menschen lebt als Liebe, es ist im Grunde genommen der Inhalt des astralischen Leibes beim Menschen. Das wird als selbständiges Wesen geboren mit der Ge­schlechtsreife. Bis zur Geschlechtsreife arbeitet es an der eigenen Men­schennatur, so wie der ätherische Leib arbeitet an der eigenen Menschen-natur bis zum 7. Jahre, bis zum Zahnwechse

Deze liefde is een echte toewijding. Tot aan de geslachtsrijpheid moet de liefde een behoefte zijn, moet de liefde iets zijn wat het eigen wezen egoïstisch verlangt. We moeten er rekening mee houden dat het kind op de basisschool egoïstisch verlangt te kunnen liefhebben, d.w.z. de autoriteit naast zich te hebben, voor wie het aanhankelijk is, aan wie het toegewijd is, omdat het deze toewijding fijn vindt, want de natuur zelf wil dat graag. Dat leeft vooral in de liefde – of het nu in de liefde voor de andere mensen is, of voor de natuur, of voor de sterren, of voor de bovenzintuiglijke wezens en goden of God -, wat in de mensen als liefde leeft is in de aard der zaak genomen de inhoud van het astrale leven bij de mens. Dat wordt als zelfstandig wezen geboren met de geslachtsrijpheid. Tot dan toe werkt het aan de eigen natuur van de mens, zoals het etherlijf daaraan werkt tot het 7e jaar, tot de tandenwisseling.

Erst wenn man von diesen Dingen durchdrungen ist, wird man ein richtiges Verständnis dafür entwickeln, wie die Sprache – sofern sie uns das Kind in die Schule mitbringt, wenigstens im Dialekt -, sich eben noch unter dem Einfluß des physischen Leibes selbst entwickelt hat; wogegen wir vom 7. Jahre an nicht die Möglichkeit haben, in das vorstellungsmäßige Element der Sprache Stil hereinzubringen, wenn wir nicht selbst Stilgefühl entwickeln durch unser eigenes, individuell persönliches Verhältnis – bitte mißverstehen Sie mich nicht -, Liebe-verhältnis zu dem Kinde. Aus diesem Liebeverhältnis kann natürlich auch ein Stilgefühl für die gebildete Umgangssprache, die Schriftsprache erwachsen. Aber das, was wir da erst anerziehen wollen – das Kind, das den Dialekt so gelernt hat wie es gehen gelernt hat, trägt es für das Dialektische schon in sich -, das können wir aus dem Kind herausholen. Daher ist es auch nützlich, Kinder, die das Glück des Dialektsprechens nicht gehabt haben, in gewissem Sinne auf den Dialekt hinzuweisen, der in ihrer Umgebung gesprochen wird, sie an dem Dialekt geradezu lernen zu lassen. Der Dialekt ist auch gegenüber der Schriftsprache das Künstlerische; die Schriftsprache ist das Verstandesniäßigere, das Kon­ventionellere. Dadurch benützen wir etwas, was wir, wie ich ja aus­geführt habe, gerade bei der Erziehung in Anspruch nehmen müssen:
das künstlerische Element, das benützen wir gewissermaßen wie dem Kinde schon im Blute liegend, indem es den Dialekt formt.
Das sind die Dinge, die zunächst in Betracht kommen, wenn wir

Pas wanneer je van deze dingen doordrongen bent, zal je een goed begrip kunnen ontwikkelen van hoe de taal – in zoverre het kind deze met zich meebrengt de school in, tenminste in het dialect -, zich nog onder invloed van het fysieke lichaam zelf heeft ontwikkeld; terwijl wij vanaf het 7e jaar niet de mogelijkheid hebben in het voorstellingsmatige element van de taal stijl te ontwikkelen, als we niet zelf een gevoel voor stijl ontwikkelen door onze eigen, individueel persoonlijke verhouding – begrijp mij a.u.b. niet verkeerd – de verhouding uit liefde voor het kind. Uit deze verhouding kan natuurlijk ook een gevoel voor stijl voor de gevormde omgangstaal, de schrijftaal groeien. Maar wat we als eerste willen laten ontstaan – het kind dat het dialect zo heeft geleerd als het heeft leren lopen, heeft het wat het dialect betreft al in zich – kunnen we uit het kind halen. Vandaar dat het nuttig is, kinderen die het geluk dat ze dialect spreken, niet hebben, op een bepaalde manier op het dialect te wijzen dat in hun omgeving wordt gesproken, ze juist van dit dialect te laten leren. Het dialect is ook t.o.v. de schrijftaal het kunstzinnige; de schrijftaal is het meer verstandsmatige, het meer conventionele. Daardoor benutten we iets waar wij, zoals ik uitgewerkt heb, juist bij de opvoeding rekening mee moeten houden: het kunstzinnige, dat gebruiken we in zekere zin zoals het bij het kind al in het bloed zit, wanneer het het dialect vormt.
Dat zijn dingen die allereerst aan bod moeten komen, wanneer

blz. 151

über Dialekt und Schriftsprache sprechen. Dahin ging die entsprechende Frage. Nun werde ich noch zu sprechen haben über das eigentliche Grammatik-Lehren, werde aber auch zu sprechen haben über die in meinem Sinne richtige Methode des Rechenunterrichtes und so weiter. Wir werden sehen, wie es geradezu zum Beispiel auch beim Rechen­unterricht darauf ankommt, intim hineinschauen zu können in das­jenige, was nun eigentlich beim Menschen vom 7. bis 14., 15. Jahre vor sich geht. Wenn wir den Menschen gegen das, was da vor sich geht, entwickeln, dann schaden wir ihm für sein ganzes Leben. Wir können sehr leicht gegen die menschliche Natur erziehen und unterrichten, weil die menschliche Natur ein Zwiespältiges ist. Wir müssen uns eben klar sein darüber, daß wir dem Menschen schaden, wenn wir etwas nach der einen Seite hin wohl richtig machen, aber es bis zum Extrem ausbilden. Das eine muß immer an dem anderen abgeschliffen werden. Bei der Sprache mussen wir das plastische Element an dem musikalischen Ele­ment abschleifen. Wie es sich beim Rechnen verhält, werden wir noch sehen. Denn von all den Dingen, welche dem Menschen so furchtbar schaden, ist dasjenige, was aus dem Rechenunterricht kommt, bei vielen Menschen das Allerschädlichste.

we over dialect en schrijftaal spreken. Daar ging de betreffende vraag over. Nu moet ik nog spreken over het eigenlijke grammatica-onderwijs, maar ook over de in mijn opvatting juiste methode van rekenonderwijs enz.
We zullen zien hoe het met name ook bij het rekenen aankomt op fijntjes te kunnen waarnemen wat er eigenlijk bij de mens van 7 tot 14, 15 jaar gebeurt. Wanneer we de mens zo ontwikkelen dat het ingaat tegen wat daar gebeurt, beschadigen we hem voor z’n hele leven. We kunnen makkelijk tegen de menselijke natuur in opvoeden en lesgeven, omdat de mens in twee opzichten een tegenstrijdig wezen is. We moeten goed weten dat we de mens beschadigen als we aan de ene kant iets goed doen, maar dat dan heel extreem. Het ene moet altijd weer wat minder worden door het andere. Bij taal moeten we het plastische aspect afzwakken door het muzikale. Hoe dat voor het rekenen is, zullen we nog zien. Want van alle zaken die voor de mens zo buitengewoon schadelijk zijn, is wat uit het rekenonderwijs komt, het meest schadelijk.

Die Art, nach der wir rechnen lernen, ist in der Regel gegen die menschliche Natur. Denn alles dasjenige, was heute bei vielen Menschen als eine Neigung zum Materialismus auftritt, das ist im Grunde genommen nichts anderes als ein Ergebnis eines verfehlten Rechenunterrichts so gerade um das 9. Lebensjahr herum. Und wiederum, was bei sehr vielen Menschen heute geradezu destruktiv auftritt für ihre ganze spätere seelische Entwickelung, das ist das, daß sie zu früh zum Urteilen kommen, daß wir an sie den Unterrichtsstoff so heranbringen, daß sie noch nicht reif sind für diesen Unterrichtsstoff. Sie nehmen eine Menge gebildeter Urteile auf, die dann in ihnen fortwirken. Da spricht man ja wohl auch davon, daß im Menschen ein Begriff, eine Vorstellung mit den anderen sich asso­ziiert. Es gibt kein unglücklicheres Sprechen als dieses über das Asso­ziieren der Vorstellungen. Denn wenn sich die Vorstellungen bei uns assoziieren, wenn eine sich mit der anderen zusammenballt und wir nachlaufen müssen, dann sind wir schon von unserem Vorstellungs­leben besessen, dann haben wir es gar nicht mehr in unserer Gewalt. Es handelt sich eben darum, daß wir den Menschen durch Erziehung und durch Unterricht davor schützen, daß das Assoziationsleben über das Willensleben die Oberhand gewinne. Davon dann morgen weiter.

De manier waarop we leren rekenen gaat als regel in tegen de menselijke natuur. Want alles wat tegenwoordig bij veel mensen als een hang naar het materialisme optreedt, is in de aard der zaak niets anders dan het gevolg van verkeerd rekenonderwijs rondom het 9e jaar. En tevens is wat bij zeer veel mensen vandaag de dag destructief is voor heel hun verdere zielenontwikkeling, een gevolg van het te vroeg tot oordelen zijn gekomen, dat wij hun lesstof hebben aangeboden waarvoor ze nog niet rijp waren. Ze nemen heel wat gevormde oordelen op die dan in hen verder werken. Men heeft het er ook wel over dat in de mens zich een begrip, een voorstelling met andere associeert. Je kunt niet ongelukkiger spreken dan over dit associëren van voorstellingen. Want wanneer voorstellingen bij ons associëren, wanneer de ene met de ander samenklontert en wij dat moeten volgen, worden we wel door ons voorstellingsleven opgeslokt, dan hebben we het zelf niet meer in de hand. Het gaat erom dat we de mensen door opvoeding en onderwijs ervoor behoeden dat het leven in associaties over het wilsleven de boventoon voert. Daarover dan morgen verder.
.
[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 9e voordracht (Duits)

De begrippen etherlijf; astraallijf worden hier uitgebreider verklaard.

DE VIERLEDIGE MENS (1)
het fysiek lichaam

DE VIERLEDIGE MENS (2-1)
het etherlijf

DE VIERLEDIGE MENS (2-2)
het etherlijf vervolg

DE VIERLEDIGE MENS (3-1)
het astraallijf (1)

DE VIERLEDIGE MENS (3-2)
Het astraallijf (2)

DE VIERLEDIGE MENS (3-3)
Het astraallijf (3)
.

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

Op FaceBook schreef Miriam Haenen:

Ik ben opgegroeid met dialect als moedertaal, ABN is tweede taal. Ook nog aan de grens met Belgie en dicht bij het Drielandenpunt, Duitsland. In mijn jeugd was het nog zo dat ieder dorp een eigen dialect had, zelfs zo sterk verschillend dat ik sommigen nauwelijks kon verstaan… Toen ik de vertellersopleiding deed bij Margreet van der Heide, was een van haar individuele aanwijzingen om het sprookje eerst in het dialect vanuit de beelden uit het hoofd te leren! Bijzonder is dat je dan inderdaad zoals de Engelsen het zo mooi zeggen ”by heart” gaat vertellen als het dan in het ABN komt. Toen ik in de kleuterklas werkte waren er zowel dialectsprekende kinderen, als Duits- en Zweedstaligen én ABN sprekenden in de klas. Overwegende voertaal in de klas was ABN, waarbij het dialect vrij, en met plezier, gebruikt werd indien nodig, en iedere periode er daarnaast ook een vers of lied Duitstalig was en een paar woorden Zweeds… Het dialect is me dierbaar, en soms als ik lang weg was geweest kon ik op een weekmarkt lopen en alleen maar genieten van de klanken die je anders nergens hoort, en zo dichtbij liggen. Ik had het stuk gelezen, en de observaties zijn natuurlijk accuraat, de gevolgtrekking erg subjectief en totaal niet in overeenstemming met mijn ervaringen in het werk, hier en in India. ABN is overwegend voertaal omdat dat de taal is die de gemene deler is, én de taal waarin de kinderen leren spreken, lezen en schrijven als voorbereiding op hun schoolloopbaan en zich verstaanbaar kunnen maken in het land waar ze geboren zijn….Het oordeel dat de schrijfster hierop legt, alsof kinderen dan opgroeien met het beeld dat ABN superieur is en dialect minderwaardig, is m i sterk individueel-subjectief. Er is een Sanskriet woord dat me dicht aan het hart ligt, ”Hiranya Garbha” wat zoiets als Lichtbaarmoeder betekent, dat wat er was vóórdat het eerste in de wereld ontstond. Een Sanskrietscholar in India ging helemaal uit haar dak toen ze me dit woord hoorde spreken, gebruiken….omdat ze nauwelijks meemaakte dat men de ‘r’ in dit woord kon uitspreken op de authentieke manier. Voor mij was het de ‘r’ waar ik mee opgegroeid was zoals hij exclusief (!) gesproken werd in de twee buurdorpen, Meers en Stein. Als ik nu denk en schrijf is dat meestal in het Engels. Het feit dat Sanskriet me zo dichtbij ligt, is verbazend voor velen, en is natuurlijk karmisch, maar daarnaast a.h.w ‘goed voorbereid’ door de ongelooflijke verscheidenheid van dialecten en klanken waar ik in opgroeide. Nu nog, als ik in dialect ‘twee’ zeg, is het alleen mensen vanuit mijn geboortedorp die dat herkennen, overal anders word het anders uitgesproken. Dat is toch prachtig!

1323-1236

.

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-3)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling 

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 19 t/m 21   vert. 20/21

GEEN IJDELE HOOGMOED

Steiner ziet de pedagogische taak van de vrijeschool niet als zomaar de stichting van een school die het nu eens (totaal) anders gaat doen – zeer zeker al niet ‘uit ijdele hoogmoed’ -, maar het is nodig als een antwoord op de vraag van de tijd.
Nu is ‘de tijd’ een vage abstractie, want we hebben altijd ‘de tijd’ – waarin we leven bv. of waarin onze voorouders leefden, of waarin onze (klein)kinderen zullen leven.

Tijd en maatschappij

Wat de tijd bracht, brengt of zal brengen, is altijd concreet terug te vinden in – ook een abstractie: ‘de maatschappij’.
Wanneer het om onderwijsvernieuwing gaat, zal je heel vaak aantreffen ‘dat we de leerlingen moeten voorbereiden – ook wel geformuleerd als: ‘klaarstomen – voor de maatschappij.’ 
Dit gezichtspunt is sinds de jaren vijftig, zestig van de vorige eeuw niet verdwenen, het diende en dient zich steeds in een ander jasje aan.

In de basisschool kon het dan gaan om ‘iets nieuws’ in de maatschappij, waarvan de onderwijskundigen dan vonden dat de kinderen daarmee vertrouwd moest raken of ‘ze moesten zich kunnen aanpassen’ aan die maatschappij.’

Ik herinner me nog dat in de jaren zeventig voor veel mensen een telefoon thuis binnen bereik kwam. Tot die tijd hadden niet veel ‘gewone’ mensen er een. Als ik moest bellen naar een plaats die te ver weg was om de afstand snel te kunnen overbruggen, moest ik naar mensen in de straat die een bedrijf hadden en dus wel telefoon of, wanneer je niet wilde dat iedereen dan meeluisterde, ging je naar het plaatselijke café waar de telefoon in een ‘telefooncabine’ hing en waar je na beëindiging van het gesprek het aantal tikken van het metertje afrekende.
De huistelefoon kwam dus en nu moesten we in de klas de kinderen leren bellen.
Dan waren de kinderen in ieder geval voorbereid op dat stukje maatschappij. De praktijk was echter dat de kinderen die thuis telefoon hadden of kregen al lang wisten hoe dat moest en voor de kinderen die er (nog) geen hadden bleef het toch min of meer een abstract iets. En kregen die ook telefoon thuis dan wisten ze in de kortst mogelijke keren hoe e.e.a. werkte.
Scholen die daar aandacht aan besteedden, heetten ‘modern’ en de andere die daar niet zo mee bezig waren: ‘traditioneel’.

Het is nu niet anders: lees voor ‘telefoon’, ‘pc, smartphone, iPad’ enz. en we hebben het over hetzelfde. De kinderen kunnen er vanuit de thuissituatie – oudere zus of broer – al vaak veel meer mee dan juf of meester.

Maar wanneer je als school daar niet zo’n punt van maakt, word je al snel weggezet in de hoek van ‘ouderwets, traditioneel – niet meegaand met ‘de tijd’ – en omdat vrijescholen ook hun visies op ‘de moderne dingen’ hebben, klinkt op fora waar ouders discussiëren over ‘mijn kind wel of niet naar de vrijeschool’ wat dit betreft ook regelmatig de vraag: ‘zijn ze straks wel klaar voor de maatschappij’.

Natuurlijk, veel van deze dingen moeten worden geleerd; hoe ermee om te gaan enz. Het punt is niet dat het geleerd moet worden, maar wanneer en hoe.

En dan ‘de maatschappij’.
‘De maatschappij, dat zijn wij’, hoorde ik al vaak. En ja, het gaat om mensen die iets vinden, mensen die iets uitvinden, mensen die iets willen, mensen die iets opzetten, inrichten, afspreken, zich verzetten, protesteren. Je kunt er nog vele regels mee vullen.
‘Opvoeden voor de maatschappij’ is een abstractie of een aanpassing die ervoor zorgt dat je slaafs meegaat in wat men vindt, bedacht heeft, ingericht enz.

Opvoeden voor de maatschappij kan ook betekenen: wat is er in jou ontwikkeld door opvoeding en onderwijs waarmee je in de mensengemeenschap jouw bijdrage levert voor de samenleving.

Maar ook ‘de samenleving’ is nog abstract. Hoe ziet die eruit? Hoe zou die eruit moeten zien of juist niet.

En als je deel uit wil maken van die samenleving, hoe sta je daar dan in, met welke ideeën, wat kun jij bijdragen door jouw talenten, heb je zicht op wat voor de toekomst belangrijk is.
Dat zijn grote vragen, grote vraagstukken ook, die  in hoge mate het ‘leren telefoneren of omgaan met de iPad’ overstijgen.

‘Steiners opvoedkunst is gebaseerd op een allesomvattend inzicht in het wezen van de mens – d.w.z. niet alleen op inzicht in de aardse verschijningsvorm van de mens, maar ook op inzicht in de ziel en de geest die in de mens verborgen zijn. De methode van opvoeden moet rekening houden met de levende, eeuwige kern van het wezen van de mens én met de veranderende verschijningsvormen in de ontwikkeling van natuur en geschiedenis en moet een wakker bewustzijn ontwikkelen voor de wereld van de naar de oerbeelden gevormde fysieke ontwikkeling’, haalt Marie Steiner aan uit de toespraak van Rudolf Steiner bij de opening van de vrijeschool op 7 september 1919. [4]

Egoïsme

Dat is toch van een ander niveau dan ‘make money, my son, honestly if you can, but make money’, zoals in Amerika zonen van hun vaders in de zestiger jaren ‘voor de maatschappij’ meekregen.
Maar ook anno 2023, waarin de leerlingen voorbereid moeten worden op de ‘kennis-economie’, zodat ze daarvan kunnen meeprofiteren, zien we daarvan iets terug.  (Staat daar de profiteur al klaar?)
Moet iedereen z’n graantje kunnen meepikken? Is het nog steeds ‘the struggle for life’ en ‘the survival of the fittest’?

Het ‘ikke en de rest kan stikke’ is de laatste tientallen jaren zoveel sterker geworden, dat premier Rutte er in 2015 een speech aan wijdde: ‘De dikke Ik-speech’ waarin hij ‘de-dikke-ik-mentaliteit‘ op de korrel neemt.
Hij deed dat wel vanuit een bepaalde – zijn VVD-optiek -, maar toch!

Volgens mij is er tot nog toe op aarde geen ander mens geweest die zoveel over het Ik heeft geschreven en gezegd dan Rudolf Steiner.
Wie in zijn boeken en voordrachten op zoek gaat naar trefwoorden, vindt o.a.: Ik-bewustzijn; hoger Ik; Ik-ontwikkeling; Ik-beleven; Ik-gevoel; Ik-heid; Ik-krachten; Ik-cultuur; Ik-natuur en nog meer; maar ook: egoïsme.
Zie Rudolf Steiner over het Ik

Voor Steiner is de ontwikkeling van mens en mensheid die voor hem allerlei aspecten vertoont, er ook een van de ontwikkeling van het Ik.
Het meer op de voorgrond treden van dit Ik heeft enerzijds een groter bewustzijn tot gevolg, anderzijds wordt ook de negatieve kant ervan: het egoïsme groter.
In dit proces bevindt zich de mensheid en de mens van nu; natuurlijk niet alles en iedereen en overal tegelijk, maar wie rondkijkt in de wereld – of die van hieruit nu ver weg is of dichtbij, of het om groepen gaat of individuen – we zien deze twee kanten van het Ik zich steeds duidelijker manifesteren.

Nog geen honderd jaar geleden hadden de ‘notabelen’ in het dorp groot aanzien. Wie durfde de huisarts tegen te spreken: ‘Dokter zal het toch wel weten!’ Nu hebben we mondige patiëntenverenigingen die dokter ter verantwoording roepen. Het woord ‘mondig’ deed zijn intrede. Je hoeft ‘mondig’ maar te googelen en zie daar:
=een mondige moslima
=jonge docenten klagen over ‘mondige, respectloze ouders’.
= vrouwen in afgelegen rurale gebieden mondiger te maken en ze meer greep…( ) 
=mondigheid van de vrouw en de opkomende secularisatie (ontkerkelijking)
=Wegwijzer voor vaders en moeders: Meer mensen mondig maken …

Ook over egoïsme is veel te zeggen – en dat heeft Steiner ook gedaan in vele voordrachten.
Ook in deze ‘Algemene menskunde’.
Hij wijst hier op een vorm van egoïsme die je eigenlijk niet als egoïsme verwacht:

blz. 20   

Vergessen Sie nicht, indem Sie sich Ihrer Aufgabe widmen, daß die ganze heutige Kultur, bis in die Sphäre des Geistigen hinein, gestellt ist auf den Egoismus der Menschheit. Betrachten Sie unbefangen das geistigste Gebiet, dem sich der Mensch heute hingibt, betrachten Sie das religiöse Gebiet und fragen Sie sich, ob nicht unsere heutige Kultur gerade auf dem religiösen Gebiet hingeordnet ist auf den Egoismus der Menschen. Typisch ist es gerade für das Predigtwesen in unserer zeit, daß der Prediger den Menschen angreifen will im Egoismus. Nehmen Sie gleich dasjenige, was den Menschen am tiefsten erfassen soll: die Unsterblichkeitsfrage, und bedenken Sie, daß heute fast alles, selbst im Predigtwesen, darauf hingeordnet ist, den Menschen so zu erfassen, daß sein Egoismus für das Übersinnliche ins Auge gefaßt wird. Durch den Egoismus hat der Mensch den Trieb, nicht wesenlos durch die Pforte des Todes hindurch- zugehen, sondern sein Ich zu erhalten. Dies ist ein, wenn auch noch so verfeinerter, Egoismus. An diesen Egoismus appelliert heute in weitestem Umfange auch jedes religiöse Bekenntnis, wenn es sich um die Unsterblichkeitsfrage handelt. Daher spricht vor allen Dingen das religiöse Bekenntnis so zu den Menschen, daß es meistens das eine Ende unseres irdischen Daseins vergißt und nur Rücksicht nimmt auf das andere Ende dieses Daseins, daß der Tod vor allen Dingen ins Auge gefaßt wird, daß die Geburt vergessen wird.
Wenn auch die Dinge nicht so deutlich ausgesprochen werden, so liegen sie doch zugrunde. Wir leben in der Zeit, in der dieser Appell an den menschlichen Egoismus in allen Sphären bckirnpft werden muß, wenn die Menschen nicht auf dem ab:icigcz1ea Wege der Kultur, auf dem sie heute gehen, immer mehr und mehr abwärts gehen sollen. Wir werden uns immer mehr und mehr bewußt werden müssen des anderen Endes der menschlichen Entwickelung innerhalb des Erdendaseins: der Geburt. 

Vergeet u niet, wanneer u zich wijdt aan uw taak, dat de gehele cultuur van deze tijd, tot in geestelijke sferen toe, gestoeld is op het egoïsme van de mensheid. Observeert u maar eens onbevangen het meest geestelijke gebied waarop de mens zich tegenwoordig beweegt, observeert u het gebied van de religie, en vraagt u zich eens af of onze huidige cultuur niet juist op het gebied van de religie gericht is op het egoïsme van de mens. Het is typerend met name voor de preken in onze tijd dat daarin de mens aangesproken wordt in zijn egoïsme. Laten we meteen maar een kenmerkend voorbeeld noemen, iets wat de mens tot in het diepst van zijn ziel moet raken: de kwestie van de onsterfelijkheid; bedenkt u daarbij dat tegenwoordig bijna alles – zelfs in die preken — erop gericht is de mens zo aan te spreken, dat geappelleerd wordt aan zijn egoïsme inzake het bovenzinnelijke. Door zijn egoïsme begeert de mens niet wezenloos door de poort van de dood te gaan, maar zijn ik te behouden. Dit is egoïstisch, hoe verfijnd ook. Aan dit egoïsme appelleert tegenwoordig op grote schaal iedere religieuze opvatting, wanneer het om de kwestie van de onsterfelijkheid gaat. Daardoor richt de religie vooral zo het woord tot de mens, dat meestal het ene uiteinde van ons aardse bestaan wordt vergeten en alleen aan het andere uiteinde aandacht wordt besteed: dat vooral over de dood wordt gesproken en dat de geboorte wordt vergeten. Ook al worden deze dingen niet zo duidelijk uitgesproken, ze zijn toch fundamenteel. We leven in een tijd waarin dit appel aan het menselijk egoïsme op alle gebieden bestreden moet worden, anders gaan de mensen op de huidige neergaande weg van de cultuur steeds verder bergafwaarts.

Een bestrijding van het egoïsme zou dus o.a. gevonden kunnen worden in het serieus nemen van de mens als geestelijk wezen die vóór hij geboren wordt, al ‘iemand’ is die hier op aarde als Ik verder wil en die de hulp nodig heeft van opvoeder en leerkracht. 
Het als realiteit nemen van het Ik betekent tevens een mogelijkheid het te leren kennen en daarmee ook zijn schaduwkant: het egoïsme.

Wir werden in unser Bewußtsein die Tatsache aufnehmen müssen, daß der Mensch sich entwickelt eine lange zeit zwischen dem Tod und einer neuen Geburt, daß er innerhalb dieser Entwickelung an einen Punkt gelangt ist, wo er für die geistige Welt gewissermaßen stirbt, wo er unter solchen Bedingungen in der geistigen Welt lebt, daß er dort nicht mehr weiterleben kann, ohne in eine andere Daseinsform überzugehen. Diese andere Daseinsform bekommt er dadurch, daß er sich umkleiden läßt mit dem physischen und Ätherleib. Dasjenige, was er bekommen soll durch die Umkleidung des physischen und Ätherleibes, könnte er nicht bekommen, wenn er sich in gerader Linie in der geistigen Welt nur weiterentwickeln würde. Indem wir daher das Kind von seiner Geburt an nur mit physischen Augen anblicken dürfen, wollen wir uns dabei bewußt sein: auch das ist eine Fortsetzung. Und wir wollen nicht nur sehen auf das, was das Menschendasein erfährt nach dem Tode, also auf die geistige Fortsetzung des Physischen; wir wollen uns bewußt werden, daß das physische Dasein hier eine Fortsetzung des Geistigen ist, daß wir durch Erziehung fortzusetzen haben dasjenige, was ohne unser zutun besorgt worden ist von höheren Wesen.

We zullen ons steeds bewuster moeten worden van het andere uiteinde van de menselijke ontwikkelingsweg hier op aarde: van de geboorte. We zullen ons bewust moeten zijn van het feit dat de mens zich gedurende lange tijd ontwikkelt tussen de dood en een nieuwe geboorte en dat hij in deze ontwikkeling op een punt belandt waarop hij voor de geestelijke wereld in zekere zin sterft; dat is wanneer hij onder zodanige omstandigheden in de geestelijke wereld leeft dat hij daar niet meer verder kan leven zonder in een andere bestaansvorm over te gaan. Deze andere bestaansvorm krijgt hij doordat hij zich omhult met het fysieke lichaam en het etherlichaam. Wat hij in zich moet opnemen door middel van de omhulling van het fysieke lichaam en het etherlichaam zou hij niet kunnen opnemen wanneer hij zich linea recta in de geestelijke wereld alleen maar verder zou ontwikkelen. Aangezien we het kind vanaf zijn geboorte slechts met fysieke ogen mogen aanschouwen, moeten we ons daarbij bewust zijn: ook dat is een voortzetting. Laat ons niet alleen kijken naar de ervaringen van de mens na de dood – dus naar de geestelijke voortzetting van het fysieke leven – maar laat ons bewust worden dat het fysieke bestaan hier een voortzetting is van het geestelijke leven en dat wij hier door opvoeding moeten voortzetten wat zonder ons toedoen door hogere wezens is vervuld.
GA 293/21    
Vertaald: 20/21 

Nu is de geestelijke wereld, zijn de geestelijke wezens weer terug. → [1-2]
En dan rijst de vraag opnieuw: is er met ‘het gezonde verstand’ een mogelijkheid in het begrijpen toch wat houvast te vinden.

Ik heb hier een uitgebreidere beschouwing gegeven over die begrenzing van geboorte en dood en deze beschouwing vormt een wezenlijk onderdeel van het artikel dat je nu leest.

Het grote ‘in – uit’

Jaren geleden al weer, bezocht ik mijn moeder die in een verpleegtehuis verbleef. Zij verkeerde in het stadium dat ze niet meer sprak en vrijwel de hele tijd dat ze niet op bed lag, zat ze stil voor zich uit te kijken. Zij wilde ook nauwelijks meer eten. Tijdens dat bezoek hielp ik haar met eten. Ik moest denken aan onze eigen jonge kinderen die ik, als ze ook niet wilden eten – probeerde af te leiden door de lepel een autootje te laten zijn, dat ‘brrrrmm, brrrrmm’ naar de garage moest: het geopende mondje.
En terwijl ik bezig was mijn moeder te bewegen een hapje te nemen, waren mijn gedachten wat afgedwaald en plotseling betrapte ik me erop dat ik bijna ‘brrrmm, brrrmm’-geluiden maakte.
Het was net of ik weer met m’n 2-jarige bezig was.

Toen ik daar nog eens over nadacht, zag ik plotseling een soort ‘spiegeling’ voor me.
De oudere die bezig is afscheid te nemen van het leven – het kind dat de toekomst nog voor zich heeft.
De oudere die niet meer zindelijk is – het kind dat het nog niet is.
De oudere die steeds krommer gaat lopen – het kind dat uit de kruipende houding in de verticaal komt.
De oudere die steeds minder gaat spreken – het kind dat elke dag nieuwe woordjes leert.
De oudere die niets meer in de mond wil nemen – het kind dat er alles in stopt.
De oudere die steeds meer slaap nodig heeft – het kind dat steeds minder slaap nodig heeft.
Het rimpelige huidje van de pasgeboren baby (dat soms wat langer zichtbaar is, meestal snel ‘glad getrokken’; de huid van de volwassene die met het ouder worden steeds rimpeliger wordt. 

Zie ook [7-1-1]

Het lijstje is nog niet compleet, maar zou in die reeks tegenstellingen tenslotte ook niet passen dat het geboren worden van het kind en het sterven van de oudere, niet nóg, of niet óók een spiegeling is?
Want als de dood van de oudere een geboorte betekent voor het hiernamaals, waarom zou het geboren worden van een kind dan geen sterven voor het hiervoormaals kunnen zijn.

Steiner spreekt dit als een geesteswetenschappelijk feit uit: geboren worden voor de fysieke wereld is sterven voor de geestelijke.

Hier op aarde zijn we omgeven door aardse personen. In de geestelijke wereld door onaardse wezens – de geestelijke. Onder hen, in hun sfeer, hebben we ons als geest/individualiteit/onsterfelijke kern ontwikkeld. Die ontwikkeling is afgerond, maar moet op aarde verder gaan: we worden geboren. De aardse personen in onze directe omgeving gaan verder met wat in ons geestelijk bestaan de geestelijke wereld voor en aan en met ons deed.

Steiner: (zie boven)
‘Laat ons niet alleen kijken naar de ervaringen van de mens na de dood – dus naar de geestelijke voortzetting van het fysieke leven – maar laat ons bewust worden dat het fysieke bestaan hier een voortzetting is van het geestelijke leven en dat wij hier door opvoeding moeten voortzetten wat zonder ons toedoen door hogere wezens is vervuld.

Onze pedagogie zal pas de juiste stemming ademen, wanneer we ons van het volgende bewust worden: hier in dit mensenwezen dien je door jouw handelen voort te zetten, wat hogere wezens voor de geboorte hebben gedaan.’

Bij het zien van deze foto moest ik onwillekeurig denken aan een zin in de ongedrukte passage:

‘Laat ons onze gedachten zodanig richten dat wij het bewustzijn kunnen hebben: achter ieder van ons staat zijn engel, wiens handen zacht op ons hoofd rusten; deze engel geeft jullie de kracht die je nodig hebt………
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

[4] zie [1], in de vertaling blz.208
.

Algemene menskunde: voordracht 1alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1320-1233

.

.
*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 301 voordracht 8

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [9]  [10]  [11] [12]  [13]  [14]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

8e voordracht Bazel, 3 mei 1920 [2]

Inhoudsopgave
Dier- en plantkunde van 9-12 jaar:
Drie belangrijke tijdstippen in de basisschool: 9e, 12e, 14e jaar
zelfstandige oordelen pas na het 12e jaar
vreugde en verdriet, pret en leed in het oordeel
Nietzsche, Griekendom en 19e eeuw
onderscheid wereld en ik na 9e jaar; dan pas natuurwetenschappelijk onderwijs mogelijk
dierenwereld uitgebreide mens
planten: aarde als organisme
verhouding dierenwereld tot mens, plantenwereld tot buiten de mens.

blz. 121

                 Zoologie- und Botanikunterricht vom 9. bis 12. Jahr

Es ist versucht worden, von verschiedenen Seiten her auf die Ein­richtung des Lehrplanes, auf die Gestaltung der Lehrziele aus der Entwickelung des Menschen heraus hinzuweisen. Namentlich versuchte ich ja, die Zeit ungefähr vom 6., 7. Jahre, wenn der Zahnwechsel beginnt, bis zur Geschlechtsreife, bis zum 14., 15. Jahre hin als einen ganzen Lebensabschnitt zu charakterisieren und dann zu zeigen, wie wiederum in diesen Lebensabschnitt sich hineinstellt als ein kleinerer die Zeit bis so um das 9. Lebensjahr herum. Wiederum ist ein wichtiger Umschwung in diesem Lebensabschnitt so um das 12. Jahr herum. Diese drei Zeit­punkte, das 9. Lebensjahr, das 12. Lebensjahr und das 14., 15. Lebens­jahr, also dasjenige, das ungefähr den Abgang von der Schule bedeutet, sie sollten bei der ganzen Einrichtung des Lehrplanes und bei der Ge­staltung der Lehrziele eigentlich das Maßgebende sein. Und man wird sofort dazu kommen, diese Verfolgung der Entwickelung des Men­schen als das Maßgebende zu betrachten, wenn man sich sagt:

dier- en plantkunde tussen het 9e en het 12e jaar

Geprobeerd werd om van verschillende kanten te wijzen op de inrichting van het leerplan en het stellen van leerdoelen vanuit de ontwikkeling van de mens. Met name probeerde ik de tijd van ongeveer 6, 7 jaar, wanneer de tandenwisseling begint, tot aan de geslachtsrijpheid, tot het 14e, 15e jaar als een afgeronde levensfase te karakteriseren en dan aan te geven, hoe er in die levensfase weer een kortere tijd zit, zo omstreeks het 9e jaar. En opnieuw een belangrijke verandering in deze levensfase zo ongeveer rond het 12e jaar. Deze drie tijdstippen, het 9e, het 12e en het 14e, 15e jaar dat dan min of meer betekent dat je de school verlaat, moeten bij de totale inrichting van het leerplan en bij het stellen van de leerdoelen eigenlijk maatgevend zijn, En je zal er snel toe komen om dit verloop van de ontwikkeling van de mens als maatgevend te beschouwen, wanneer je zegt:

Es kommt ja wahrhaftig bei der Erziehung des Menschen darauf an, daß wir die Kräfte, die in der menschlichen Wesenheit alle veranlagt liegen, wirklich alle aus dem Menschen herausholen. Wir werden uns, wenn wir in der richtigen Weise so etwas anschauen, sagen: Eigentlich müssen wir den ganzen Lehrstoff und das ganze Erziehungsleben dazu ver­wenden, um diese Kräfte, die in der menschlichen Wesenheit verborgen liegen, wirklich zur Offenbarung zu bringen. Nicht handelt es sich darum etwa, die kindlichen Kräfte dazu zu verwenden, dies oder jenes aus den Einzelheiten des Wissens aufzunehmen, sondern darum, gerade dasjenige, was wir gewissermaßen als Wissensschatz an das Kind heranbringen, so zu verwenden, daß nur durch die Wirkung dieses Wissensschatzes die Kräfte aus der kindlichen Natur herausgeholt wer­den. Das werden wir nicht tun, wenn wir nicht Rücksicht darauf neh­men, wie anders die leiblich-seelische Kindesnatur geartet ist bis zum

Bij de opvoeding van de mens komt het er werkelijk op aan dat wij alle krachten die in het mensenwezen aangelegd zijn, daadwerkelijk uit de mens tevoorschijn halen. We zullen, wanneer we dit juist bekijken, zeggen: eigenlijk zouden we de hele leerstof en al het opvoeden moeten gebruiken om deze krachten die in het mensenwezen verborgen zitten, werkelijk eruit te laten komen. Het gaat niet om zoiets als de kinderlijke krachten te gebruiken om dit of dat aan losse weetjes aan te leren, maar om wat wij als schat van kennis aan het kind aanbieden, dat zo te doen, dat alleen door de werking van die kennisschat de krachten uit de kinderlijke natuur gehaald worden. Dat doen we niet, wanneer we geen rekening houden met hoe anders de kinderlijke natuur is wat betreft lichaam en ziel

blz. 122

9. Jahre, bis zum 12. Jahre und so fort. Wir müssen uns ja vor allen Dingen dessen bewußt sein, daß die eigentliche unterscheidende Ur­teilskraft, dasjenige, was den Menschen befähigt zu urteilen, selbstän­dig zu urteilen, daß das im Grunde genommen erst mit der Geschlechts-reife voll auftritt, und daß es sich vorbereitet langsam von dem 12. Lebensjahre an. So daß wir sagen können: bis zum 9. Jahre ent­wickelt sich ja schon der Hang der menschlichen Natur unter Autorität sich zu entwickeln; aber es wirkt noch nach bis in dieses 9. Jahr herein das, was man den Nachahmungstrieb nennen kann. Dann verschwindet dieser Nachahmungstrieb, der Hang zur Autorität bleibt. Dann be­ginnt aber im 12. Lebensjahr ungefähr, noch unter der Leitung der Autorität, die noch weiter wirkt, der entscheidende Trieb, Urteile, selbständige Urteile zu entwickeln. Bauen wir zu sehr auf das selbstän­dige Urteil schon vor dem 12. Jahre, dann ruinieren wir eigentlich die seelisch-leiblichen Kräfte des Kindes, dann ertöten wir vor allen Din­gen das ganze menschliche Miterleben mit einem Urteil.
Ja, ein Mensch, der nicht ganz ausgetrocknet ist, für den ist es ja nicht gleichgültig, urteilend zu irgend etwas ja oder nein zu sagen.

tot het 9e, tot het 12e, enz. We moeten ons vooral bewust zijn dat de eigenlijke kracht van het oordeel, dat wat de mensen in staat stelt te oordelen, zelfstandig te oordelen, in de regel pas ten volle verschijnt met de geslachtsrijpheid en dat dit langzaam voorbereid wordt vanaf het 12e jaar. Zodat we kunnen zeggen: tot het 9e heeft de menselijke natuur de hang zich te ontwikkelen onder autoriteit; maar tot in dit 9e jaar werkt nog door wat je de drang tot nabootsen noemen kan. Dan verdwijnt deze nabootsingsdrang, de hang naar autoriteit blijft. Dan echter begint ongeveer in het 12 jaar, nog onder de leiding van de autoriteit die nog doorwerkt, de vastberaden drang, oordelen, zelfstandige oordelen te ontwikkelen. Als we vóór het 12e jaar al te veel vertrouwen op dit zelfstandige oordeel, ruïneren we eigenlijk de zielen-levenskrachten van het kind, dan maken we vooral al het menselijke meebeleven met een oordeel kapot.
Ja, een mens die niet verdord is, voor hem is het niet om het even, oordelend op iets ja of nee te moeten zeggen.

Je nachdem wir zu diesem oder jenem ja oder nein sagen müssen, emp­finden wir Lust und Leid, Freude und Schmerz. Aber allerdings, so sehr es auch die Menschen im Felde des Egoismus empfinden, was sie zu beurteilen haben als lustvoll und als leidvoll, so wenig sind die Menschen heute dazu erzogen, das Ganze des Lebens und der Welt lustvoll und leidvoll zu empfinden. Aber dadurch geht einem als Mensch viel verloren. Und außerdem beeinflußt dieses Nichterleben­können der Welt auch das ganze soziale Wollen. Daher ist wirklich nicht bloß auf die Heranbildung richtiger Begriffe im Lehrstoff be­sonderer Wert zu legen, sondern auch auf die Heranbildung einer rich­tigen Weltempfindung, eines richtigen Sichhineinstellens in die Welt.
Heute beherrscht die Menschheit ja fast einzig und allein ein Urteil in sozialer Beziehung. Sie sagen sich: Die Welt muß so eingerichtet werden, daß sie für alle Menschen eine Art irdisches Paradies darstellt. Was wollen denn schließlich die extremen, die radikalen Sozialisten Osteuropas anderes, als aus irgendwelchen Theorien heraus das soziale Leben so gestalten, daß eine Art irdisches Paradies entsteht-wenn auch in Wirklichkeit dann aus dem Paradies eine Hölle wird, das ist ja natürlich etwas, was auf einem andern Blatte steht. Woher kommt denn das? Man braucht nur ein anderes Urteil an die Stelle dieses

Al naar gelang we bij dit of dat ja of nee moeten zeggen, vinden we dit fijn of doet het ons pijn, voelen we vreugde of verdriet. Maar zeker is, hoe zeer ook de mensen op het gebied van het egoïsme ervaren wat ze moeten beoordelen als plezierig en pijnlijk, zo weinig zijn ze er tegenwoordig in opgevoed de totaliteit van het leven en van de wereld als plezierig en pijnlijk te ervaren. Maar daardoor gaat er als mens veel voor je verloren. En nog los daarvan beïnvloedt dit niet kunnen beleven van de wereld ook heel de sociale wil. Vandaar dat er echt niet alleen waarde moet worden gehecht aan het ontwikkelen van juiste begrippen in de leerstof, maar ook op het ontwikkelen van een juist meebeleven met de wereld, een goed zich in de wereld opstellen.
Tegenwoordig wordt de mensheid bijna uitsluitend beheerst door een oordeel in sociaal opzicht. Ze zeggen: de wereld moet zo georganiseerd worden dat ze voor iedereen een soort aards paradijs is. Wat willen tenslotte de extreme, radicale socialisten uit Oost-Europa anders dan uit wat voor theorieën dan ook het sociale leven zo in te richten, dat er een soort aards paradijs ontstaat – ook al wordt in werkelijkheid dit paradijs een hel, dat staat natuurlijk op een andere pagina. Hoe komt dat? Je hoeft maar een ander oordeel in plaats van dit

blz. 123

Urteils zu setzen und man wird merken, woran gerade dieses Urteil, das ganze irdische Leben durch irgendwelche sozialen Zwangsmaß­regeln zu einer Art Paradies zu machen, krankt. Nicht um etwa vor Ihnen hier Nietzscheanismus zu treiben sage ich das Folgende, aber um damit etwas zu erläutern. Nietzsche hat seine erste Schrift unter dem Titel verfaßt: »Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik,» Unter den mannigfaltigen, sehr anregenden Ideen – gegen die man aber sehr viel polemisieren kann – dieser Schrift ist auch diese, daß das Griechenvolk nicht jenes ewig heitere, lächelnde Volk war, als welches es von manchen Menschen dargestellt wird, sondern daß das griechische Volk auf dem Grunde seines Lebens Tragik hatte, Lebens-trauer; und gerade die Griechen es waren, welche empfanden, daß unser Leben zwischen Geburt und Tod, das Leben, das wir hier im Irdischen vollbringen, nicht ein restlos glückliches sein kann, daß des Menschen Aufgabe weiter liegt als dieses irdische Leben. Nietzsche meinte, die Griechen hätten das ganz besonders empfunden und hätten auch einen kräftigen Trost für die Disharmonien des irdischen Lebens gebraucht, den sie in der Kunst fanden.

oordeel te geven en je zal merken waaraan met name dit oordeel het hele leven, door wat voor sociale dwangmaatregelen dan ook, tot een aards paradijs te maken, mank gaat. Niet om voor u hier iets Nietzsche*-achtigs neer te zetten, zeg ik het volgende, maar om iets te verklaren. Nietzsche heeft zijn eerste werk uitgegeven met de titel: ‘De geboorte van de tragedie’. Onder de vele, zeer stimulerende ideeën – waartegen je wel een discussiestrijd kan voeren – dit werk is er ook een, dat het Griekse volk niet dat eeuwig vrolijk, lachende volk was, zoals het door vele mensen gekenschetst wordt, maar dat het Griekse volk basaal in zijn leven de tragiek had, levensdroefenis en het waren juist de Grieken die de ervaring hadden dat ons leven tussen geboorte en dood, het leven dat we hier op aarde doorbrengen, niet een puur gelukkig leven kan zijn, dat de opdracht van de mens verder gaat dan dit aardse leven. Nietzsche was van mening dat de Grieken dat met name in het bijzonder ervoeren en ze zouden ook een sterke troost voor de disharmonie van het aardse leven nodig hebben gehad, wat ze dan in de kunst vonden.

*Friedrich Nietzsche, 1844-1900, Philologe und Philosoph. «Die Geburt der Tra­gödie aus dem Geiste der Musik« (1872). Siehe auch Rudolf Steiner, «Friedrich Nietzsche, ein Kämpfer gegen seine Zeit«, Bibl.-Nr. 5, Gesamtausgabe Dornach 1963 (auch als Taschenbuch tb 621, Dornach 1976 erschienen).

Nietzsche sieht geradezu die Entstehung der Kunst so an, daß er sich sagt: Die Kunst ist der Trost besonders bei dem griechischen Menschen gewesen über die irdischen Disharmonien, und insbesondere auch in der Musik sieht Nietzsche etwas, was über die irdische Disharmonie hinausführen soll. Es ist ja so, daß gewissermaßen ein Gegensatz besteht zwischen unserem trocke­nen, nüchtern rechnenden Denken und zwischen dem, was der Mensch erlebt, wenn er musikalisch erlebt. Es berühren sich ja da in einer ganz eigentümlichen Weise auch die Gegensätze. Denken Sie doch, daß man die Töne und Tonverhältnisse in Zahlen berechnen kann, dann haben wir Tonphysik, Akustik! Derjenige aber, der sich hingibt der musika­lischen Welt der Töne, für den verbirgt sich das, was man da rechnen kann, vollständig. Das Intellektuelle wird gerade im Musikalischen vollständig zugedeckt. Das Intellektuelle schläft im Musikalischen. Das ist etwas, was Nietzsche ganz besonders empfand. Er nannte das das Tragische bei der Musik, durch das der Mensch sich hingegeben emp­findet an dasjenige, was er sonst an der Welt empfinden müsse. Ja nun, Nietzsche ist eben ein Mensch gewesen, der durch seine besondere Or­ganisation so recht empfunden hat dasjenige, was der Materialismus des 19. Jahrhunderts in die Menschheit hineingetragen hat. Wahrhaftig, dieser Pädagoge, der da träumte von Bildungsanstalten, die aus solch

Nietzsche kijkt dus zo naar de kunst dat hij zegt: de kunst is bij de Grieken juist de troost geweest bij deze aardse disharmonie en in het bijzonder ziet Nietzsche ook in de muziek iets, wat boven de aardse disharmonie moet uitstijgen. Het is zo, dat er in zekere zin een tegenstelling bestaat tussen ons droge, nuchtere, berekenende denken en tussen wat de mens beleeft, als hij muziek beleeft. Op een heel merkwaardige manier komen de tegenstellingen daar bij elkaar. Bedenk wel, dat je tonen en toonverhoudingen in getallen om kan rekenen, dan heb je de klankfysica, de akoestiek! Voor degene die zich aan de muzikale wereld van de klanken wijdt, blijft wat je uitrekenen kan, volkomen verborgen. Het intellectuele wordt juist in het muzikale volledig afgedekt. Het intellectuele slaapt in het muzikale. Dit ondervond Nietzsche heel in het bijzonder. Hij noemde dat het tragische bij de muziek waardoor de mens zich overgegeven voelt aan wat hij anders in de wereld zou moeten ervaren. Maar ja, Nietzsche was een mens die door zijn bijzondere wezen zo duidelijk heeft ervaren wat het materialisme van de 19e eeuw in de mensheid heeft gebracht. Waarachtig, deze pedagoog die droomde van vormingsinstituten die

blz. 124

einer Idee hervorgehen könnten wie die, die ich jetzt gerade als die seinige charakterisiert habe, die sein könnten die Quellen eines wirk­lichen Lebenstrostes, wahrhaftig dieser Nietzsche, er hat manches von dem durch sein eigenes Leben verraten, wessen das 19. Jahrhundert bedarf. Er ist nur zusammengebrochen unter dem Erleben gerade eben der Disharmonien des 19. Jahrhunderts. Und wenn man gewisser­maßen zwischen den Zeilen dieses Menschen liest, dem es sozusagen schicksalsbestimmt war, dasjenige tief innerlich zu erleben, worüber die anderen im 19. Jahrhundert mehr oder weniger im Seelenschlaf dahingegangen sind, dann, dann sieht man, wie er doch immer hinweist auf dasjenige, was seiner eigenen Erziehung und namentlich der Er­ziehung, die er hätte durch den Unterricht erhalten sollen, gefehlt hat. Man hat gerade bei Nietzsche das Gefühl: die Kräfte, die in ihm waren, sie sind unten, tief unten geblieben. Sie sind nicht herausgeholt worden. Das empfand natürlich ein so genialer Mensch noch viel tra­gischer als ein anderer. Man kann leicht sagen, daß da oder dort auf­merksam gemacht worden sei auf die drei Abschnitte im Leben des Kindes besonders zwischen dem 6., 7. und dem 14., 15. Jahre. Aber so richtig sind diese Lebensabschnitte niemals in den Dienst der Pädagogik bisher gestellt worden, und das muß besonders geschehen.

uit een idee zouden kunnen ontstaan zoals ik dat net als die van hem heb gekarakteriseerd, die de bronnen zouden kunnen zijn van een werkelijke troost in het leven, waarlijk deze Nietzsche, hij heeft veel door zijn eigen leven laten zien, van wat de 19e eeuw nodig had. Hij is ingestort door de disharmonie van de 19e eeuw nu net te moeten meemaken. En wanneer je op een bepaalde manier tussen de regels bij deze mens doorleest, die om het zo te zeggen, door het levenslot voorbestemd was diep innerlijk te beleven waar anderen in de 19e eeuw min of meer met een slapende ziel aan voorbij zijn gegaan, dan zie je hoe hij steeds meer wijst op wat aan zijn eigen opvoeding, met name de opvoeding die hij door het onderwijs had moeten krijgen, ontbrak. Juist bij Nietzsche krijg je het gevoel: de krachten die hij bezat, zijn diep, diep in hem blijven zitten. Zij zijn niet naar boven gehaald. Dat ondervond zo’n geniaal mens nog veel tragischer dan een ander. Je kan makkelijk zeggen dat hier of daar gewezen is op de drie fasen in het leven van het kind in het bijzonder tussen het 6e, 7e, 8e en het 14e, 15e jaar. Maar deze drie levensfasen zijn tot nog toe nooit zo goed in dienst van de pedagogie gesteld en dat moet vooral wel gebeuren.

Im 9. Jahre erlebt das Kind wirklich eine völlige Umgestaltung sei­nes Wesens, die hinweist auf eine bedeutsame Umgestaltung seines Seelenlebens, auf eine bedeutsame Umgestaltung seines leiblich-physi­schen Erlebens. Der Mensch beginnt von da ab sich abgesondert zu füh­len von seiner Umgebung. Er lernt unterscheiden Welt und Ich. Wenn wir richtig zu beobachten verstehen, so müssen wir sagen: Welt und Ich fließen mehr oder weniger bis zu diesem Lebensumschwung im menschlichen Bewußtsein zusammen. Vom 9. Lebensjahre an – natür­lich ist das alles approximativ gemeint – unterscheidet der Mensch sich und die Welt. Dies muß durchaus beachtet werden bei dem, was wir als Unterrichtsstoff und Erziehungsleben vom 9. Lebensjahre an an das Kind heranbringen. Wir tun gut, bis dahin nicht allzusehr das Kind zu beirren mit der Schilderung, der Charakteristik von Dingen, die ab­gesondert vom Menschen sind oder abgesondert vom Menschen be­trachtet werden. Wenn wir dem Kind eine Fabel erzählen, wenn wir den Kindern Märchen erzählen, so fabulieren wir über Tiere und viel­leicht über Pflanzen so, wie wir etwa auch über einen Menschen spre­chen können. Tiere und Pflanzen werden personifiziert, sagen wir wohl

Op z’n 9e beleeft het kind echt een volledige verandering van zijn wezen die wijst op een belangrijke verandering van zijn gevoelsleven, op een belangrijke verandering van wat hij fysiek-etherisch beleeft. De mens begint vanaf die tijd zich afgezonderd te voelen van zijn omgeving. Hij leert onderscheid te maken tussen de wereld en zijn Ik. Wanneer we goed kunnen waarnemen, moeten we zeggen: Ik en wereld gaan min of meer samen tot deze ommezwaai in het menselijk bewustzijn. Vanaf het 9e jaar – natuurlijk betekent dit, alles bij benadering – maakt de mens verschil tussen zichzelf en de wereld. Dit met name, moet je goed in de gaten hebben voor wat betreft de leerstof en de opvoeding die we vanaf het 9e jaar aan het kind geven. We doen er goed aan tot dan toe het kind niet al te veel in de war te maken met het schetsen en karakteriseren van dingen die los staan van de mens of los van de mens bekeken worden. Wanneer we het kind een fabel vertellen, wanneer het een sprookje vertellen, dan fantaseren we over dieren en wellicht ook over planten, zoals we ook over een mens zouden kunnen spreken. Dieren en planten worden gepersonifieerd, zeggen we ook wel.

blz. 125

auch. Sie werden mit Recht personifiziert, weil das Kind noch nicht unterscheidet zwischen Ich und Welt; aus diesem Grunde soll das Kind die Welt ähnlich sehen dem, was es in sich selber erlebt. Wir müssen uns klar sein, daß das, was ich da schildere, nicht eine Verarmung des kindlichen Lebens ist im 9. Jahre, sondern eine Bereicherung.
Es wird Ihnen ganz paradox erscheinen, daß ich diesen letzten Satz eben ausspreche. Allein dieser letzte Satz so ausgesprochen, wie ich es jetzt getan habe, wirkt paradox. Aber dasjenige, was man oftmals über das kindliche Leben sagt, das wird durchaus in dem Sinne ausgespro­chen, daß eigentlich das kindliche Leben nach und nach nicht reicher wird, sondern eigentlich verarnit. Bedenken Sie, was man heute oft­mals sagt, wenn sich ein Kind an einer Tischecke einen Schmerz zufügt und in der Wut den Tisch schlägt. Man sagt dann, das Kind habe in seiner Seele etwas, das man Animismus nennt. Das Kind belebe den Tisch, schiebe gewissermaßen seine Seele in den Tisch hinein. Dies ist indessen eine unmögliche Theorie. Warum? Weil sich das Kind nicht als ein unmittelbar Lebendiges betrachtet, das sich in den Tisch hinein-versetzt, den Tisch von sich aus personifiziert, sondern weil das Kind sich selber nicht lebendiger denkt als den Tisch.

En terecht worden ze gepersonifieerd, omdat het kind nog geen onderscheid maakt tussen Ik en wereld; om deze reden moet het kind de wereld net zo zien als wat het in zichzelf beleeft. Het moet duidelijk voor ons zijn dat wat ik hier schets, geen verarming van het kinderleven is in het 9e jaar, maar een verrijking.
Het zal u heel paradoxaal voorkomen dat ik deze laatste zin zelfs uitspreek. Alleen deze laatste zin zo uitgesproken als ik deed, werkt paradoxaal. Maar met wat er dikwijls over het kinderleven wordt gezegd, wordt zeer zeker bedoeld dat eigenlijk het kinderleven niet steeds rijker wordt, maar eigenlijk armer. Denk er eens over wat men tegenwoordig vaak zegt, wanneer een kind zich aan de hoek van een tafel pijn doet en in zijn boosheid de tafel slaat. Dan wordt er gezegd dat het kind in zijn gevoel iets heeft wat men animisme noemt. Het kind ervaart de tafel, legt in zekere zin zijn ziel in die tafel. Dit is ondertussen wel een onmogelijke theorie. Waarom? Omdat het kind zichzelf niet zo zondermeer als een levend wezen ziet dat zich verplaatst in de tafel, de tafel van hem uit personifieert, maar omdat het kind zichzelf niet meer vindt leven dan de tafel.

Das Kind schaut den Tisch an, und es hat noch nicht mehr an sich erlebt, als es äußerlich am Tisch erlebt. Nicht, daß das Kind den Tisch personifiziert, sondern, wenn ich mich so ausdrücken darf, es vertischt seine Persönlichkeit, es macht seine Persönlichkeit nicht reicher als der Tisch ist. Wenn Sie daher dem Kinde Märchen erzählen, Fabeln erzählen, dann reden Sie ihm von so vielem, als das Kind von der äußeren Welt auffassen kann. Das muß bis zum 9. Lebensjahre geschehen. Von da ab können Sie beginnen, damit zu rechnen, daß das Kind Ich und Welt voneinan­der unterscheiden lernt. Das heißt, von da ab können wir erst über Pflanzen und Tiere naturgeschichtlich mit dem Kinde reden.
Ich habe mir wirklich viel Mühe gegeben, die Wirkung verfrühter naturgeschichtlicher Betrachtungen auf Kinder zu studieren. Verfrühte naturgeschichtliche Betrachtungen machen in der Tat das Kind später trocken, trocken bis dahinein, daß ein guter Beobachter es, ich möchte sagen, an der Anlage zur Vergilbtheit der Haut beim Menschen be­merken kann, wenn zu früh naturgeschichtliche Begriffe an das Kind herangebracht werden.
Im 9. Lebensjahre ist der Zeitpunkt gegeben, wo wir beginnen dür­fen, naturgeschichtliche Begriffe an das Kind heranzubringen, aber

Het kind kijkt naar de tafel en heeft van zichzelf nog niet meer beleefd dan het uiterlijk aan de tafel beleeft. Niet dat het kind de tafel personifieert, maar – wanneer ik het zo zeggen mag – het ‘vertafelt’ zijn persoonlijkheid, het maakt zijn persoonlijkheid niet rijker dan de tafel is.
Wanneer je het kind sprookjes, fabels vertelt, praat je over zoveel als het kind van de wereld kan opnemen. Dat moet tot het 9e jaar gebeuren. Vanaf daar kun je beginnen er rekening mee te houden dat het kind Ik en wereld van elkaar leert onderscheiden. Dat betekent dat we vanaf die tijd pas over planten en dieren als biologie met de kinderen kunnen spreken.
Ik heb veel moeite gedaan de werking te bestuderen die biologie, op jongere leeftijd gegeven, op kinderen heeft. Op jongere leeftijd biologie geven maakt inderdaad het kind later dor, dor in die mate dat een goede waarnemer – laat ik zeggen – aan de aanleg tot geler worden van de huid van de mens kan merken, wanneer er te vroeg biologische begrippen aan het kind zijn gegeven.
In het 9e levensjaar ligt het tijdstip dat je mag beginnen met biologische begrippen aan het kind aan te leren,

blz. 126

auch erst noch lebendige Begriffe; womöglich ist noch zu vermeiden, Mineralisches, Totes an das Kind in dieser Zeit heranzubringen. Leben­diges, das außermenschliche Lebendige, es steht ja in zwei Gebieten, zwei Sphären vor uns, in dem tierischen Gebiete und in dem pflanz­lichen Gebiete. Aber wenn wir nun dasjenige, wozu es die Menschen gebracht haben in der Beschreibung der Tiere, in der wissenschaftlichen Charakteristik der Tiere, in der wissenschaftlichen Beschreibung und Charakteristik der Pflanzen, wenn wir das in populären kurzen Büchern für die Kinder verarbeiten, versuchen, äußerlich populär zu bespre­chen, so kommen wir dadurch dem Kinde doch nicht bei. Es ist fast durch alle unsere naturgeschichtlichen Handbücher zu verfolgen, daß sie eigentlich nichts anderes sind als etwas flltrierte, naturwissenschaft­liche Gelehrsamkeit, und das ist schrecklich. Freilich, auf der anderen Seite hat man dann versucht, aufzubauen auf naturwissenschaftlichem Anschauungsunterricht. Allein da gibt es ja wiederum methodische Bü­cher. Aber die leiden an dem entgegengesetzten Fehler. Da ist viel Trivialität drinnen. Da sucht man womöglich nichts mit dem Kinde zu besprechen, als was das Kind schon selber weiß, und sucht, wie man sagt, recht anschaulich nur aus der Natur des Kindes heraus zu schöp­fen.

maar dan ook eerst nog met levende begrippen; zo mogelijk vermijd je nog om het minerale rijk, het dode het kind in deze tijd aan te leren. Het levende, wat naast de mens leeft, staat op twee gebieden, twee sferen voor ons, het gebied van de dieren en dat van de planten. Maar wanneer we nu voor de kinderen gaan aanpassen wat de mensen van de beschrijving van dieren, in de wetenschappelijke karakteristiek van dieren, in de wetenschappelijke beschrijving van dieren en de karakteristiek van planten, hebben gebracht, gaan we proberen dit uiterlijk populair te bespreken, dan bereiken we daardoor het kind toch niet. Het is bijna door alle biologieboeken heen te volgen dat die eigenlijk niets anders zijn dan iets gefilterde, natuurwetenschappelijke geleerdheid en dat is verschrikkelijk. Weliswaar heeft men aan de andere kant geprobeerd zich te baseren op natuurwetenschappelijk aanschouwelijkheidsonderwijs. Alleen zijn er dan weer methodeboeken. Die lijden echter aan het tegenovergestelde tekort. Daar zit veel triviaals in. Men probeert waar mogelijk niets met het kind te bespreken dan wat het kind zelf al weet en men zoekt – naar men zegt – echt aanschouwelijk alleen maar vanuit de aard van het kind te werken.

Dadurch verfällt man in die Trivialität. Und manche der metho­dischen Handbücher, die da existieren, der methodischen Anleitungen, sie sind zum Verzweifeln eigentlich, weil sie so furchtbar trivial sind. Man fühlt: wenn so etwas in der Schule wirksam würde, würde alles Schädliche der Trivialität in den Menschen hineingepflanzt werden. Und die Trivialität, mit der man im Kindesalter wirtschaftet, die drückt sich später nun ebenfalls wie manches andere, was ich schon erwähnt habe, in einer Verödung des menschlichen Lebens aus; mindestens in einer solchen Ausgestaltung des Lebens, die es dem Menschen unmög­lich macht, mit voller Freude in sein Kindesalter zurückzublicken.
Das aber ist eigentlich etwas, was der Mensch braucht. Es ist not­wendig, daß wir das ganze Leben hindurch in der Lage sind, auf unser Kindesschulalter als auf etwas Paradiesisches zurückzublicken. Nicht deshalb, weil wir etwa da nur Freudiges erlebt haben. Darauf kommt es nicht einmal so stark an, daß wir da nur Freudiges erlebt haben. Es kann mancher im Kindesalter gehungert haben, es kann mancher von seinen Lehrern im Unverstande vielleicht verprügelt worden sein, lieb­los behandelt worden sein – selbstverständlich darf niemals etwas an­deres pädagogischer Grundsatz werden, als die Absicht, alle diese 

Daardoor vervalt men in het triviale. En veel van de methodische handboeken die bestaan, de methodische handleidingen, zijn eigenlijk om wanhopig van te worden, omdat die zo vreselijk triviaal zijn.
Je voelt: wanneer zoiets in de school zijn invloed krijgt, wordt al dat schadelijke van het triviale in de mens aangelegd. En die trivialiteit waarmee men in de kinderjaren werkt, komt later tot uitdrukking, net zo als zoveel andere dingen die ik al genoemd heb, in een verdorren van het menselijk leven; op z’n minst in zo’n vorm van het leven die het de mensen onmogelijk maakt met vol plezier terug te kijken naar zijn kindertijd.
Dat is echter iets, wat de mens nodig heeft. Het is noodzakelijk dat we het hele leven in staat zijn, op onze kinderschooltijd als op iets paradijselijks terug te kunnen kijken. Niet omdat we daar alleen maar plezier hebben beleefd. Daar komt het niet eens zo erg op aan. Sommigen kunnen in hun kindertijd honger hebben geleden; een enkeling kan door zijn leerkracht uit onbegrip straf hebben gekregen, liefdeloos behandeld zijn – vanzelfsprekend mag nooit iets anders een pedagogische basisregel worden, dan de bedoeling te hebben, al deze

blz. 127 <1> = ankerpunt van een link

Dinge in der bestmöglichen Weise zu bekämpfen -, aber es kann so etwas vorgekommen sein, und dennoch kann das Zurückerinnern an das Kindesleben eine Quelle von Belebung sein, wenn wenigstens von der einen oder von der anderen Seite her wir im Kindesalter die Mög­lichkeit empfangen haben, ein Verhältnis zur Welt zu gewinnen. Ein Verhältnis zur Welt müssen wir gerade dadurch gewinnen, daß in der richtigen Weise der naturgeschichtliche Unterrichtsstoff an das Kind herangebracht wird. Es hilft gar nichts, wenn wir dem Kinde die auf­einanderfolgenden Klassen der Tiere beschreiben oder die aufeinander­folgenden Klassen und Arten und so weiter der Pflanzen beschreiben und dann, gewissermaßen um nicht trocken zu werden, auch einmal mit den Kindern einen Spaziergang machen, um die Pflanzen im Freien den Kindern zu zeigen; das nützt eigentlich gar nicht viel. Ge­wiß, nach der instinktiven Veranlagung wird ja der eine Lehrer mehr, der andere weniger bewirken. Er wird recht viel durch eine gewisse ihm selbst eigene Hinneigung zur Natur auch in den Kindern anregen können. Aber dasjenige, was aus Geisteswissenschaft in den Menschen und in sein Gemüt übergehen kann, das ist doch noch etwas ganz ande­res, das bringt uns die Empfindung von einem lebendigen Zusammen­gehören des Menschen mit der ganzen übrigen Welt.

Man lacht heute darüber, daß eigentlich im erstenDrittel des 19.Jahr-hunderts noch bei vielen Menschen ein Gefühl vorhanden war dafür, daß die ganze Tierwelt ein ausgebreiteter Mensch ist. Wir haben ver­schiedene Tierklassen. Die eine Tierklasse ist nach der einen Richtung einseitig gebildet, die andere Tierklasse nach der anderen Richtung. Wir können uns einen Überblick verschaffen über die verschiedenen Tierklassen, Tiergattungen, Tierarten und so weiter. Der Mensch ent­hält alles das an Kräften, an innerer Gestaltung, was über die Tiere verteilt ist. Davon ging die naturwissenschaftliche Betrachtung, sagen wir, noch eines Oken aus. Mit Feuer vertrat Oken so etwas. Man suchte draußen in der Natur niedere Tiere. Heute sagt die materialistische Naturwissenschaft, diese niederen Tiere, die seien in der Urzeit da­gewesen, sie hätten sich allmählich vervollkommnet, und daraus sei der heutige Mensch entstanden, ein vervollkommnetes physisches Wesen. Auf die Einzelheiten brauchen wir hier nicht einzugehen, da wir es hier nicht mit gewöhnlicher Wissenschaft, sondern mit Pädagogik zu tun haben. Aber kann man denn nicht sehen, wie dasjenige, was mensch­liches Haupt ist, außen die knöcherne Schale, innen die weichen Teile,

Men lacht er heden ten dage om dat in het eerste derde deel van de 19e eeuw nog bij veel mensen het gevoel aanwezig was dat de hele dierenwereld een uitgebreide mens is. We hebben verschillende dierklassen. De ene is meer eenzijdig gevormd naar de ene richting, een andere dierklasse naar de andere richting. Wij kunnen een overzicht maken van de verschillende dierklassen, diersoorten enz. De mens heeft al deze krachten die over de dieren zijn verdeeld. Daarvan ging de natuurwetenschappelijke opvatting, laten we zeggen die van Oken*, uit. Met elan stond Oken voor zoiets. Men zocht buiten in de natuur de lagere diersoorten. Tegenwoordig zegt de materialistische natuurwetenschap, dat deze lagere dieren die er al sinds de oertijd zijn, langzaam naar een volmaaktere vorm geëvolueerd zijn en dat daaruit de mens van nu ontstaan is, een volmaakt fysiek wezen.
We hoeven hier niet op details in te gaan, omdat we hier niet met gewone wetenschap, maar met pedagogie te maken hebben.
Maar kan men dan niet zien, hoe dat wat het menselijk hoofd is, ook de benige schaal, binnen de weke delen,

Lorenz Oken, 1779-1851, Zoologe und Professor der Medizin. «Lehrbuch des Systems der Naturphilosophie« (1809-1811). Der Satz «die Zunge ist ein Tinten­fisch« konnte indessen in seinem Werke nicht nachgewiesen werden.

.
blz. 128

gerade gewissen niederen Tieren ähnlich sieht? Nehmen Sie Schnecken, nehmen Sie Muscheltiere, die sind ähnlich dem menschlichen Haupte. Und wenn Sie unsere mehr oder weniger entwickelten Vögel nehmen, so werden Sie sich sagen müssen: Da ist in Anpassung an die Luft, in Anpassung an die ganze übrige Lebensweise dasjenige ganz besonders ausgebildet, was beim Menschen zurücktritt als innere Lungenbildung und dergleichen. Wenn Sie sich das wegdenken, was beim Menschen in die Gliedmaßen fließt, wenn Sie sich denken die ganze Organisation mehr im Innern gehalten und angepaßt an die Lebensverhältnisse in der Luft, dann bekommen Sie die Organisation des Vogels. Vergleichen Sie die Organisation des Löwen oder der Katze mit der Organisation des Rindes, Sie werden überall sehen: bei der einen Tiergattung ist das eine Glied der Organisation mehr ausgebildet, bei der anderen Tier-gattung ein anderes Glied der Organisation mehr ausgebildet. Jede Tiergattung ist auf eines hin besonders organisiert. Von der Schnecke können wir sagen: sie ist fast ganz Kopf, sie hat nichts anderes als Kopf. Nur ist sie ein einfacher, primitiver Kopf. Der menschliche Kopf ist komplizierter. Vom Vogel können wir sagen: er ist gewissermaßen ganz Lunge, entsprechend umgebildet, weil alles andere verkümmert ist.

precies op bepaalde lagere dieren lijkt? Neem de slakken eens, neem de mosselen, die lijken op het menselijke hoofd. En wanneer je onze meer of minder ontwikkelde vogels neemt, dan zou je moeten zeggen: daar is aangepast aan de lucht, aangepast aan de verdere leefwijze, precies datgene is heel bijzonder ontwikkeld, wat bij de mens terugtreedt als inwendige longvorming enz. Wanneer je wegdenkt wat bij de mens in de ledematen stroomt, wanneer je je voorstelt heel die bouw meer inwendig gehouden en aangepast aan de levensverhoudingen in de lucht, dan krijg je de bouw van de vogels. Vergelijk de bouw van de leeuw of de kat met de bouw van een rund, overal zal je vinden: bij de ene diersoort is het ene deel van het organisme meer gevormd, bij de andere diersoort een ander deel meer gevormd. Iedere diersoort is wat één aspect betreft bijzonder gevormd.
Van de slak kun je zeggen: die is bijna helemaal kop; die heeft niets anders dan een kop. Maar het is maar een eenvoudige, primitieve kop. Het menselijke hoofd is veel gecompliceerder.
Over de vogel kunnen we zeggen: die is in zekere zin helemaal long, die voor dat doel is omgevormd, terwijl al het andere verkommerd is.

Vom Löwen können wir sagen: er ist gewissermaßen ganz Blut­zirkulation und Herz. Vom Rind können wir sagen: es ist ganz Magen. Und so können wir draußen in der Natur die verschiedenen Gattungen und Arten so charakterisieren, daß wir hinschauen auf die einzelnen Organe. Das, was ich jetzt sage, das kann durchaus auch in sehr ein­facher, primitiver Weise gesagt werden. Und dann, wenn man die Welt des Tierreiches überschaut und alles dasjenige, was da wie der große Fächer von Wesenheiten auseinandergebreitet ist, wenn man das dann vergleicht mit der menschlichen Organisation, wie im Menschen alles abgerundet ist, wie kein Organisationssystem sich vordrängt, eines an das andere angepaßt ist, da finden wir: Ja, bei den Tieren sind immer die Organsysteme an die Außenwelt angepaßt; beim Menschen sind nicht die Organsysteme an die Außenwelt angepaßt, sondern eins ans andere. Der Mensch ist eine abgeschlossene Totalität, eine abgeschlos­sene Ganzheit, was ich Jhnen hier nur skizzenhaft andeuten kann.
Denken Sie sich einmal, wir verwenden alles, was wir verwenden können, das naturgeschichtliche Kabinett der Schule, jeden Spazier­gang, den wir mit den Kindern machen, alles dasjenige, was das Kind erlebt hat, wir verwenden alles, um in lebendiger Darstellung zu schildern,

Over de leeuw kunnen we zeggen: die is in zekere zin helemaal bloedcirculatie en hart. Over het rund kunnen we zeggen: die is helemaal maag. En zo kunnen we buiten in de natuur de verschillende soorten zo karakteriseren, dat we kijken naar de verschillende organen. Dat, wat ik nu zeg, kan ook zeker op een heel eenvoudige, simpele manier gezegd worden. En dan, wanneer je de wereld van het dierenrijk overziet en alles wat je daar als een grote waaier van wezens uitgebreid ziet, wanneer je dat dan vergelijkt met het menselijk organisme, hoe in de mens alles vervolmaakt is, hoe geen orgaansysteem de overhand heeft, het een aan het ander is aangepast, dan vinden we: Ja, bij de dieren zijn de orgaansystemen steeds aan de buitenwereld aangepast; bij de mens zijn ze dat niet, maar het ene aan het andere. De mens is een gesloten totaliteit, een gesloten eenheid, wat ik u hier maar als schets kan aangeven.
Denkt u zich eens in, we gebruiken alles wat we gebruiken kunnen, de planten- en dieren uit de leermiddelenkast, iedere wandeling die we met de kinderen hebben gemaakt, alles wat de kinderen beleefd hebben, we benutten alles om zo levendig mogelijk te brengen

blz. 129

wie der ganze Mensch gewissermaßen ein Kompendium der Tier­welt ist, wie in ihm alles harmonisch gestaltet, abgerundet ist, wie die Tiere einseitige Ausbildungen darstellen und deshalb keines die volle Beseelung haben kann, und wie der Mensch die Anpassung des einen Organsystemes an das andere darstellt und gerade dadurch die Mög­lichkeit, ein vollbeseeltes Wesen zu sein, erhält. Wir können uns, wenn wir selber ganz überzeugt und durchgeistigt sind von diesem Verhält­nis des Menschen zur Welt der Tiere, dann aufschwingen, dieses Ver­hältnis auch lebendig zu schildern, so daß die Darstellung eine ganz objektive ist, aber daß zu gleicher Zeit der Mensch sein Verhältnis zur Welt fühlt. Denken Sie doch nur, was es denn für einen Wert hat, wenn man heute dem Menschen im materialistischen Zeitalter sagt, er sei die Krone der Erdenschöpfung. Er versteht es ja nicht im einzelnen. Er be­trachtet sich. Er betrachtet das einzelne Tier. Er betrachtet nicht jedes ein­zelneTier so, daß er versucht zu erkennen, wie diesOrgansystem bei die­ser, wie ein anderes bei der anderen Tierklasse einseitig ausgebildet ist. Er betrachtet auch nicht das Zusammenfassende im Menschen. Wenn wir dies tun, dann wird unser Erkennen unmittelbar ein Fühlen, ein Empfinden unserer Stellung zur Welt, dann hören wir auf, egoistisch nur in uns zu fühlen, dann geht unser Gefühl hinaus in die Welt.

hoe de hele mens in zekere zin een samenvatting van de dierenwereld is, hoe in hem alles vervolmaakt is, hoe de dieren eenzijdig gevormd zijn en daarom geen van hen de volle bezieling kan hebben en hoe de mens laat zien dat het ene orgaansysteem aan het andere is aangepast en juist daardoor de mogelijkheid krijgt een geheel bezield wezen te zijn.
We kunnen als we er zelf helemaal van overtuigd zijn – wanneer de volle geestelijke werkelijkheid ons eigendom geworden is – deze relatie van de mens tot de dierenwereld ook bezield schilderen (met woorden), zodat wat we neerzetten een geheel objectieve voorstelling van zaken is, maar dat tegelijkertijd de mens zijn verhouding tot de wereld aanvoelt. Bedenk eens wat het voor waarde zou hebben, wanneer je tegenwoordig de mensen in dit materialistische tijdperk zegt dat hij de kroon van de schepping is. Dat begrijpt hij in detail niet. Hij kijkt naar het dier op zich. Hij bekijkt niet ieder dier zo, dat hij probeert te leren kennen hoe het ene orgaansysteem bij dit, hoe een ander orgaansysteem bij een andere diersoort eenzijdig gevormd is. Hij bekijkt ook niet hoe het in de mens tot een synthese komt. Wanneer we dit doen, wordt ons kennen meteen een voelen, een invoelen van onze plaats in de wereld, dan stoppen we ermee egoïstisch alleen in ons zelf te beleven, dan gaat ons gevoel uit naar de wereld.

Man versuche nur einmal in diesem Sinne zu unterrichten, und man wird sehen, welchen Wert ein solches Unterrichten für das Gemüt des Kindes hat. Es verwandelt sich solches Erkennen durchaus in Empfin­dung. Der Mensch wird unter dem Einfluß eines solchen Erkennens nach und nach bescheiden. Der Unterrichtsstoff wird wirklich als Er­ziehungsniittel verwendet. Was nützt es denn, wenn wir immer wieder sagen, wir sollen nicht bloß trocken unterrichten, nicht bloß dem Kinde Wissensstoff beibringen, wenn wir keine Möglichkeit haben, den Wis­sensstoff so umzuwandeln, daß er unmittelbar Erziehungsmittel wird? Manchmal, wenn immer wiederum betont wird, das zu viele Wissen, das wir dem Kinde beibringen, verhindere die richtige Entwickelung des Kindes, so möchte man sagen: Ja, aber warum werft ihr denn dann, wenn das Unterrichten nichts ist, nicht den ganzen Unterrichtsstoff aus der Schule heraus? Das kann man natürlich nicht tun. Der Unterrichts­stoff muß eben zum Erziehungsmittel gemacht werden. Der natur-geschichtliche Unterricht wird es mit Bezug auf die Tierheit durch eine Behandlung im angedeuteten Sinne und indem wir ihn nicht an das Kind herankommen lassen, bevor es das 9. Jahr überschritten hat.

Probeer eens op deze manier les te geven en je zult zien wat voor waarde dit heeft voor het gevoelsleven van het kind. Dit soort kennis metamorfoseert zeer zeker in invoelen. De mens wordt onder invloed van dit kennen geleidelijk aan bescheiden. De lesstof wordt inderdaad als opvoedingsstof gebruikt. Wat heeft het voor zin om iedere keer weer te zeggen dat we niet alleen maar droog les moeten geven, niet alleen stof moeten bijbrengen die het kind moet weten, wanneer we geen kans zien deze stof zo te veranderen dat het direct opvoedingsmiddel wordt?
Soms, wanneer er steeds opnieuw op gewezen moet worden dat het teveel aan kennis dat we de kinderen aanleren, de juiste ontwikkeling van een kind in de weg staat, zou je willen zeggen: Ja, maar waarom gooi je dan wanneer lesgeven niks is, alle lesstof niet de school uit? Dat kan natuurlijk niet. De lesstof moet juist tot opvoedingsmiddel worden gemaakt. Het biologieonderwijs wordt dat, wat de dierkunde betreft, door een behandeling op de aangegeven manier en wanneer we het niet aan het kind aanbieden voordat het negende jaar gepasseerd is.

blz. 130

Bei der Pflanzenwelt geht es uns nicht so, daß wir nun auch die ein­zelne Pflanzenart oder Pflanzengattung einseitig darstellen können und dann alles dasjenige, was da zusammengefaßt wird, etwa im Men­schen wiederum sehen können. Die Betrachtungsweise, die so fruchtbar ist für die Tiere, die uns eine so gute Grundlage abgibt für eine künst­lerisch lebendige Gestaltung des zoologischen Wesens, sie versagt beim Pflanzenreich. Das können wir nicht so betrachten; das geht nicht: da müssen wir etwas ganz anderes zu Hilfe nehmen. Dieses ganze Pflan­zenwesen müssen wir als zur Erde, zur ganzen Erde lebendig hinzu-gehörig betrachten.
Unser Materialismus hat es dazu gebracht, die Erde wie eine Kugel aus Steinen, aus Mineralien bestehend zu betrachten, und die Pflanzen gleichsam so drinnen steckend. Wir dürfen dasselbe Prinzip nicht an­wenden, sagen wir, auf das menschliche Haupt und seine Haare. Wir werden den Haarwuchs als etwas betrachten, was zum menschlichen Haupt gehört. So müssen wir die Erde mit ihrem Pflanzenwuchs als etwas betrachten, was zum Organismus Erde hinzugehört.

Bij de plantenwereld gaat het niet zo dat we nu ook de individuele planten of de plantensoort eenzijdig kunnen beschrijven en dat alles wat we dan samenvatten weer in de mens gezien kan worden. De manier van kijken die zo vruchtbaar is voor de dieren die zo’n goede basis vormt voor een kunstzinnige, levendige beschrijving van het dierenwezen, schiet tekort bij het plantenrijk. Dit kunnen we niet zo bekijken; dat gaat niet; dan moeten we iets anders te hulp nemen. Dit hele plantenwezen moeten we als tot de aarde, levend tot de hele aarde behorend beschouwen.
Ons materialisme heeft het zover gebracht de aarde te beschouwen als een bol uit stenen, uit mineralen bestaand waar de planten dan zo in staan. We mogen ditzelfde principe niet toepassen – laten we zeggen – op het menselijke hoofd en het haar. Wij zien de haren als behorend bij een menselijk hoofd. Zo moeten we ook de planten beschouwen als iets wat tot het organisme van de aarde behoort.

Wir schaffen uns ein Abstraktum, wenn wir die bloß steinerne Erde betrachten, die höchstens noch die Schwerkraft ihr eigen nennt. Wir reden von der wirklichen Erde, wenn wir den Organismus Erde so betrachten, daß die Pflanzen zu ihm gehören, wie die Haare unseres Hauptes zu uns gehören. Dann aber, wenn man das so betrachtet, wachsen einem im Anschauen der Erde die Pflanzen mit der Erde zusammen, und man bekommt den richtigen Instinkt dafür, nun die Erde im Zusammen­hang mit ihrer Pflanzenwelt wirklich ins Auge zu fassen. Das tun wir dann, wenn wir die Erde im Zeitenlaufe, im Jahreskreislaufe betrach­ten. Wenn wir tatsächlich Naturgeschichte der Pflanzen mit dem Kinde betreiben, müssen wir nicht Klasse neben Klasse, Art neben Art stellen. Wir mussen vielmehr alles zu Hilfe nehmen, was wir haben, das natur-geschichtliche Kabinett, die Spaziergänge, alles dasjenige, woran sich das Kind erinnert, alles dasjenige, was wir an frischen Pflanzen in die Klasse schleppen können, und dann dem Kinde schildern: Der Früh­ling zaubert diese oder jene Pflanze aus der Erde hervor, zaubert von den Pflanzen dies oder jenes hervor, da schaut es so aus – dann schreiten wir weiter in den Mai hinein, da wird die Erde so; dann schreiten wir weiter in den Sommer hinein, da wird die Erde so.
Wir versuchen, die Blüten der Pflanzen nicht anders ins Auge zu fassen als ein Kind der Zeitentwickelung der Erde im Jahreskreislauf.

We maken er een abstractie van, als we alleen naar de aarde van steen kijken die hooguit nog zegt dat ze zwaartekracht bezit. We spreken over de echte aarde, wanneer we het organisme aarde zo bekijken dat de planten bij haar horen, zoals het haar bij ons hoofd hoort. Dan echter, wanneer je dat zo bekijkt, vormen in deze zienswijze de aarde en de planten een eenheid en je krijgt er het juiste instinct voor nu de aarde en de samenhang met haar plantenwereld werkelijk te begrijpen. Dat doen we ook, wanneer we de aarde in de loop van de tijd, in de kringloop van het jaar bekijken. Wanneer we daadwerkelijk met de kinderen plantkunde doen, moeten we niet klasse naast klasse, soort naast soort neerzetten. Veel meer moeten we alles te baat nemen wat we hebben, de kast met biologiespullen, de wandelingen, alles waaraan een kind zich herinnert, wat we aan verse planten de klas binnen kunnen halen om dan de kinderen te schetsen: de lente tovert deze of die plant uit de aarde, tovert uit deze of die plant dit of dat tevoorschijn, zo ziet dat eruit – dan wordt het mei en dan ziet de aarde er zo uit; dan komen we verder in de zomer, dan wordt de aarde zo.
We proberen de bloem van de planten niet anders op te vatten dan een kind van de ontwikkeling in de tijd van de aarde in de kringloop van het jaar.

blz. 131

Wir reden dem Kinde davon, wie im Herbste die Pflanzensamen wie­derum zurück zur Erde gehen, wie der Kreislauf von neuem beginnt. Wir fassen die Erde als einen Organismus auf und verfolgen dieses lebendige Aufsprießen und wieder Zurückgehen der Pflanzen. Wir nen­nen dem Kinde den Namen – der ja etwas Konventionelles ist – erst dann, wenn wir es dazu hingeführt haben: »Sieh einmal, da hast du dieses Pflänzchen: das ist so und so – unter Bäumen oder von Bäumen entfernt. Da steht dieses Pflänzchen, weil im Mai diese Pflänzchen so und so gedeihen; das hat fünf Blättchen. Erinnere dich… da ist es: das, was da fünf gelbliche Blättchen hat, hängt mit dem ganzen Leben der Erde im Mai zusammen; das ist der Hahnenfuß!« und so weiter, so daß die ganze Naturgeschichte der Pflanzenwelt als das Jahresleben der Erde erscheint. Und dann geht man weiter über auf jene etwas mehr verborgenen Dinge, wie gewisse Pflanzen zur Weihnachtszeit blühen, wie andere Pflanzen überdauern, wie manche lange überdauern. Man geht über von dem Leben des einen Krautes, das im Jahreslaufe die Erde schmückt und wiederum weggeht, man geht über von da zum Wachstum des Baumes und so weiter. Niemals betrachtet man bloß Pflanze neben Pflanze, sondern die Erde mit ihrem Pflanzenwachstum, und das Pflanzenwachstum herausentstehend aus der lebendigen Erde.

We praten er met de kinderen over, hoe in de herfst het zaad van de planten weer teruggaat in de aarde, hoe de kringloop weer opnieuw begint. We beschouwen de aarde als een organisme en volgden dit levendig opschieten en weer afsterven van de plant. We geven de kinderen de naam –  die wat conventioneel is – pas, wanneer we zover gekomen zijn tot: ‘Kijk eens, hier heb je dit plantje; dat staat zus of zo onder de bomen of zo ver er vandaan. Daar staat dit plantje, omdat in mei deze plantjes zus en zo groeien; het heeft vijf blaadjes. Probeer je eens te herinneren….daar staat het: wat daar vijf gelige blaadjes heeft. hangt met heel het leven in mei samen; dat is de boterbloem!’ enz., zodat de plantkunde als het jaarlijkse leven van de aarde verschijnt. En dan ga je vervolgens over tot de meer verborgen dingen, zoals dat bepaalde planten met de Kerst bloeien, hoe andere planten overblijvend zijn, hoe sommige lang overblijvend zijn. Je gaat van het leven van het ene gewas dat in de loop van het jaar de aarde bekleedt, naar dat het weer verdwijnt; vandaar ga je weer naar het groeien van een boom enz. Nooit beschouw je alleen maar de ene plant naast de andere, maar de aarde met haar plantenwasdom en de plantengroei ontstaand uit de levende aarde.

Da haben Sie zwei wunderschöne Pole ins naturgeschichtliche Leben hineingestellt. Mit dem Tierreich etwas, was überall auf den Menschen hinweist. Der Mensch fühlt sich selber wie heraussynthetisiert aus den Einseitigkeiten des Tierreiches. Keine Tierspezies betrachten wir, ohne daß wir auf dasjenige im Menschen hinweisen, was diese Tierspezies besonders einseitig entwickelt hat. Das Tierreich wird uns ganz ein aus­einandergelegtes Menschenreich, ein fächerförmig ausgebreitetes Men­schenreich. Wie gesagt, die heutigen Menschen lachen über solche Dinge. Allerdings, das erste Drittel des 19. Jahrhunderts hat das manchmal bis zum Grotesken gebracht. Solche Leute wie Oken, sie haben ein solch groteskes Wort ausgesprochen, ich will das nicht verteidigen: Die Zunge ist ein Tintenfisch. Da hat Oken natürlich das richtige Prinzip im Auge gehabt. Er hat die Zunge des Menschen genommen, er hat in jeder ein­zelnen Art der Tierklassen etwas gesucht. Das hat er dann verglichen mit dem Organ des Menschen, und bei dem Tintenfisch fand er eben die größte Ähnlichkeit mit der Zunge: die Zunge ist ein Tintenfisch. Der Magen ist ein Wiederkäuer und so weiter. Das ist, wie gesagt, wiederum die Ausartung gewesen, das radikale Extrem. Man braucht

Hier heb je twee prachtige tegenstellingen in het leven van de natuur neergezet.
Met het dierenrijk iets dat overal naar de mens wijst. De mens voelt zich als een wezen dat uit de eenzijdigheden van het dierenrijk tot een synthese is gekomen. We bekijken geen diersoort, zonder dat we op datgene in de mens wijzen wat deze diersoort eenzijdig ontwikkeld heeft. Het dierenrijk wordt voor ons helemaal een uiteengelegde mens, een waaiervormig uitgebreid mensenrijk. Zoals gezegd, de mensen van tegenwoordig lachen om zulke dingen. Zeker, het eerste derde deel van de 19e eeuw heeft dat soms tot iets grotesks gemaakt. Mensen zoals Oken hebben wel groteske woorden gesproken, dat wil ik niet ontkennen: de tong is een inktvis. Oken had daarbij wel het juiste principe op het oog. Hij nam de tong van de mens, hij zocht in iedere aparte soort van de dierklassen iets. Dat vergeleek hij dan met een orgaan van de mens en bij de inktvis vond hij de grootste gelijkenis met de tong: de tong is een inktvis. De maag is een herkauwer enz. Dat is – zoals gezegd – ook totaal overdreven, radicaal extreem.

blz. 132

ja nicht bis dahin zu gehen. Man konnte auch in der damaligen Zeit die Dinge noch nicht richtig finden; aber heute, heute können wir aller­dings die gesamte Tierwelt wie fächerförmig ausgebreitet im Menschen schildern, den Menschen so als die Synthese der ganzen tierischen Welt hinstellen. Wir tragen alles, was dann in der Tierreihe mit den Kindern beobachtet wird, an den Menschen heran. Wir haben die Möglichkeit, dem Kinde, indem es die Augen nach außen richtet, gewissermaßen die Elemente seines Menschtums vor Augen zu stellen.
Im Pflanzenreich, da haben wir gerade das Entgegengesetzte. Da vergessen wir den Menschen ganz und betrachten das Pflanzenreich ganz und gar aus der Erde selbst herauswachsend, aus dem Planeten, auf dem wir herumwandeln. Das eine Mal bringen wir das Tierreich in engstes Verhältnis zum Menschen, das andere Mal bringen wir das Pflanzenreich in das engste Verhältnis zu dem, was außermenschlich, objektiv ist. Mit anderen Worten: auf der einen Seite rufen wir das empfindende Verstehen des Tierreiches und des Menschen selbst durch die Betrachtung des Tierreiches hervor; auf der anderen Seite erziehen wir den Menschen, die Erde in ihrer Objektivität zu betrachten, als einen

Zo ver hoef je niet te gaan. Men kon ook in die tijd de dingen nog niet goed vinden; maar tegenwoordig, nu kunnen we zeer zeker de hele dierenwereld als een waaiervormige uitgebreide mens schetsen, de mens als de synthese van heel de dierenwereld neerzetten. We brengen alles wat we dan met de kinderen bekijken uit de opeenvolgende dieren, in verbinding met de mens. We hebben de mogelijkheid het kind, wanneer dat naar de buitenwereld gaat kijken, in zekere zin aspecten van het menszijn te laten zien.
In de plantenwereld hebben we juist het tegenovergestelde. Daar laten we de mens helemaal buiten beschouwing en bekijken het plantenrijk uitsluitend vanuit de aarde zelf groeiend, uit de planeet waarop wij rondlopen. De ene keer het dierenrijk zo nauw mogelijk verbonden met de mens, de andere keer het plantenrijk zo nauw mogelijk verbonden met wat buiten de mens staat, objectief is. Met andere woorden: aan de ene kant brengen we een invoelend begrijpen van het dierenrijk en de mens zelf, door de beschouwingswijze van het dierenrijk te weeg; aan de andere kant voeden we de mens erin op de aarde in haar objectiviteit te bekijken, als een

Organismus, auf dem er herumläuft und von dem er lebt, und auf dem das, was er sieht in dem Wachsen der Pflanzen, in dem jähr­lichen Leben der Pflanzen, in dem besonderen Überdauern der Pflan­zen dieses Jahres und so weiter, abgesondert von ihm ist. Durch diese zweifache Betrachtungsweise bringen wir ungeheuer viel von dem, was man Gleichgewicht zwischen dem Intellektuellen und dem Gemüthaf­ten nennen kann, in diese Menschenseele hinein. Dies führt dazu, daß das bloße Intellektualistische, das so pedantisierend und austrocknend wirkt, zurücktritt. Wenn man begreift die Jahrespflanze, die kraut­artige Pflanze herauswachsend aus der Erde, die Wurzel in der Erde, Blättchen und Stengel heraus, die grünen Blätter bis herauf zur Blüte und Samenbildung, wenn man das lebendig empfindet im Zusammen­hang mit der Erde und einem das noch besonders lebendig gemacht wird dadurch, daß man es im Jahreskreislauf erlebt; daß man erlebt, wie die Blüte hervorgeholt wird, wenn das Sonnenlicht sich, ich möchte sagen, in Liebe verbindet mit demjenigen, was aus der Erde heraus-quillt, wenn das ganz durchempfunden wird als empfindende Erkennt­nis, als erkennende Empfindung, wenn man so vom Frühling in den Herbst hin empfindet das Werden von der Wurzel durch das Blatt bis zur Blüte und zum Samen, wenn man das alles empfindet, dann kommt

organisme waarop hij loopt en waarvan hij leeft en waarop wat hij ziet aan het groeien van de plant, aan het jaarleven van de plant, aan het bijzondere overblijven van de plant dit jaar en zo verder; dat dit los van hem staat. Door deze tweevoudige manier van kijken brengen we ongelooflijk veel evenwicht aan  in deze mensenziel tussen het intellectuele en het gevoel. Dat leidt ertoe dat het alleen maar intellectualistische, dat zo’n pedante en verdorrende uitwerking heeft, een stapje terug doet. Wanneer je de jaarplant begrijpt, de bladplant die uit de aarde groeit, de wortel in de aarde, blaadjes en steel naar buiten, de groene bladeren tot aan de bloei en de zaadvorming, wanneer je dat levendig ervaart in samenhang met de aarde en dat nog eens bijzonder levendig neergezet door het beleven van de kringloop van het jaar; dat je beleeft hoe de bloei ontstaat, wanneer het zonlicht zich, ik zou het zo willen zeggen, in liefde verbindt met wat uit de aarde opbloeit, wanneer dat heel sterk wordt beleefd als invoelende kennis, wanneer je zo van de lente tot in de herfst de groei van de wortel, door het blad, tot in de bloei en het zaad meebeleeft, wanneer je dat allemaal meevoelt, wordt 

blz. 133

einem etwas anderes. Sehen Sie, da ist die Erde, da die Pflanze, die Jahrespflanze. Die einjährige Pflanze, sie wurzelt in der Erde drinnen. Jetzt betrachten wir den Baum; hier ist er verholzt, da sind die Äste. Was da erscheint in einem Jahre, das empfindet man ja ähnlich wie die einjährige Pflanze, das sitzt so ähnlich an dem Baum, wie die einjäh­rige Pflanze in der Erde sitzt. Gewissermaßen wird einem die Erde und dasjenige, was da Holz des Baumes ist, eine Einheit, und man bekommt die ungeheuer stark auf uns wirkende Vorstellung: indem der Baum mit seinem Holz herauswächst, türnit sich die Erde selbst auf und das­jenige, was unter der Erde ist; wo keine Bäume, sondern die Jahres-pflanzen wachsen, da ist die Kraft, die sonst in den Baumstamm her­aufquillt, in der Erde selbst drinnen. Man bekommt eine lebendige Empfindung, den Säftestrom des Baumstammes zu suchen unter der Oberfläche der Erde. Und so wie der Säftestrom des Baumstammes nun eben die Blüte des Jahres hervortreibt, so treibt der Säftestrom unten, den man identisch mit dem Säftestrom des Baumstanimes weiß, die ein­jährige Pflanze hervor. Ich möchte sagen: die Anschauung des Baum-stammes verwächst einem mit der Anschauung der Erde. In das Leben­dige kommt man hinein.

nog iets anders duidelijk voor je. Kijk, hier de aarde, hier de plant, de plant door het jaar heen. De eenjarige plant wortelt in de aarde. Nu kijken we naar deze boom; hier is die verhout, hier zijn de takken. Wat zich daar vertoont in een jaar, ervaar je net zo als de eenjarige plant, dat zit ook zo bij de boom, zoals de eenjarige plant in de aarde zit. In zekere zin wordt voor jou de aarde en wat het hout van de boom is, een geheel en je krijgt de sterk op je inwerkende voorstelling: als de boom met zijn hout opgroeit, komt de aarde zelf mee omhoog en wat onder de aarde zit, waar geen bomen, maar de jaarplanten groeien, zit de kracht die hier in de boomstam omhoog komt, in de aarde zelf. Je krijgt er een levendig gevoel voor de sapstroom van de boomstam te zoeken onder de oppervlakte van de aarde. En net zoals de sapstroom van de boomstam ook de bloei van dat jaar aan het licht brengt, zo brengt de sapstroom onder, die je gelijk kan stellen met de sapstroom in de boomstam, de eenjarige plant aan het licht. Ik zou willen zeggen: de blik op de boomstam valt samen met de blik op de aarde. Je krijgt zicht op wat er leeft.

Kann man mit einer lebendigen Charakteristik von Erde, Pflanzen­reich, Tierheit und Menschentum in dem Kinde das, was sonst nur tot empfunden wird, einfach und elementar beleben – und zwar nament­lich in der Zeit vom 9. bis gegen das 12. Jahr hin, wo das Kind beson­ders veranlagt ist, sich nach und nach von der Welt zu unterscheiden und doch begierig ist, im Unbewußten aufzunehmen auf der einen Seite den Zusammenhang des Menschen mit dem Tierreich, auf der andern Seite das, was absondert vom Menschen, was Erde und Erden-leben ist -, dann wächst mit dem Menschen etwas heran, was ihn auch in das richtige Verhältnis zum geschichtlichen Leben der Menschheit auf der Erde bringt. Dann erst entwickeln sich die Empfindungen, die dann in der richtigen Weise die Geschichte aufnehmen. Vor dem 10., ii. Jahr wird man selbstverständlich die Geschichte nur in der Form der Erzählung, des Biographischen getrieben haben. Im 10., ii. Jahr wird man die Geschichte durchaus so zum naturgeschichtlichen Unter­richt hinzunehmen, daß man überall das, was man im Menschen heran­zieht an Empfindungen, die aus dem naturgeschichtlichen Unterricht kommen, gewissermaßen intensiv zusammenhält mit dem, was nun auch die Begriffe, die Ideen, die Empfindungen des geschichtlichen Unterrichts

Kun je met een levendige karakteristiek van aarde, plant, dier en mens in het kind eenvoudig en elementair tot leven wekken wat anders maar als iets doods beleefd wordt – en met name in de tijd van het 9e tot het 12e jaar waarin het kind de bijzondere aanleg heeft zich van de wereld los te maken en toch verlangt onbewust enerzijds de samenhang tussen de mens en de dieren te leren kennen, anderzijds de afzondering van de mens van de aarde en het aardeleven-, dan ontwikkelt zich met de mens iets wat hem in een goede relatie brengt tot het historische leven van de mens op aarde. Dan pas ontwikkelen zich de gevoelens waarmee op een goede manier geschiedenis wordt begrepen. Vóór het 10e, 11e jaar zal je vanzelfsprekend alleen maar geschiedenis gegeven hebben in de vorm van vertellen, iets biografisch. In het 10e, 11e jaar zal je geschiedenis ook bij plant- en dierkunde betrekken, dat je overal bij wat je in de mens ontwikkelt aan gevoelens die door het biologieonderwijs ontstaan, intensief samenneemt met wat de begrippen, ideeën, ervaringen van de geschiedenisles kan verlevendigen.

blz. 134

beleben kann. Erst im 12. Jahr ist eigentlich die Möglichkeit gegeben, überzugehen zu dem, was das eigentliche Urteil ist. Davon wollen wir dann morgen sprechen.
Sehen Sie, es ist merkwürdig, die Unmöglichkeit, das Menschenleben richtig anzusehen und es richtig zu vergleichen mit dem Erdenleben, die rührt davon her, daß man eigentlich durch Jahrhunderte hindurch eine solche naturgemäße Erziehung nicht genossen hat. Die Menschen ver­äußerlichen sich sehr in ihrer Anschauung der Welt. Die Menschen sagen zum Beispiel ganz begreiflicherweise: Frühling, das ist der Mor­gen des Jahres; Sommer, der Tag des Jahres; Herbst, der Abend des Jahres; Winter, die Nacht des Jahres. Ist das aber in Wirklichkeit so? In Wirklichkeit ist es ganz anders. Wenn wir schlafen, dann ist alles das, was uns von der Pflanze unterscheidet, aus unserer menschheit­lichen Organisation herausgewichen. Wir sind schlafend eigentlich gar nicht berechtigt, so auszusehen, wie wir sind. Eigentlich sehen wir nur deshalb gerade so aus, weil wir auf das Beseeltsein und das Durch­geistigtsein hin organisiert sind. Schlafend sind wir eigentlich Pflanzen-wesen, sind wir auf der Höhe der Pflanzenwesen. Da sind wir als ein­zelner Mensch nichts anderes, als die Erde mit ihrem Pflanzenwachs­tum ist. Aber welcher Jahreszeit entspricht es, wenn wir schlafen?

Pas aan het einde van het 12e jaar is het in feite  mogelijk over te gaan tot het eigenlijke oordelen. Daarover hebben we het dan morgen.
Kijk, het is merkwaardig, de onmogelijkheid om goed naar het leven van de mens te kijken en het op de juiste manier te vergelijken met het leven van de aarde, is ontstaan omdat de mens eigenlijk door de eeuwen heen niet zo’n opvoeding heeft genoten die de natuur in haar waarheid ziet. De mensen zijn in hun opvatting over de wereld veel uiterlijker geworden. De mensen zeggen begrijpelijkerwijs: lente is de morgen van het jaar; de zomer: overdag; de herfst de avond van het jaar; de winter is de nacht. Is dat in werkelijkheid ook zo? De werkelijkheid is anders. Wanneer we slapen is alles wat ons onderscheidt van de plant uit onze mensenorganisatie weg. Als we slapen is er eigenlijk geen reden voor eruit te zien zoals we eruit zien. Eigenlijk zien we er alleen maar zo uit, omdat we zo gebouwd zijn dat we bezielde wezens zijn die een geest bezitten. Als we slapen zijn we eigenlijk planten, staan we op de hoogte van de plant. Dan zijn we als individueel mens niet anders dan de aarde met haar plantengroei.

Wenn wir schlafen, entspricht dies dem Sommer, das heißt der Jahres­zeit, in welcher die Pflanzen da sind. Und welcher Jahreszeit entspricht es, wenn wir wachen? Wie im Winter das pflanzliche Leben aufhört und sich gewissermaßen ins Innere der Erde zurückzieht, so zieht sich auch beim Menschen in der Zeit vom Aufwachen bis zum Einschlafen das pflanzliche Leben zurück und wird durch etwas anderes ersetzt. Wenn wir nicht nach einer vagen Analogie gehen, sondern nach der Wirklichkeit, müssen wir sagen: Den menschlichen Schlaf haben wir zu vergleichen mit der Sommerzeit, das menschliche Wachen mit der Win­terzeit der Erde. Die Wirklichkeit ist somit gerade das Gegenteil des­sen, was wir als vage Analogie annehmen.
Was ich Ihnen jetzt gesagt habe, das ist etwas, was Geisteswissen­schaft immer behandeln muß, und ich möchte niemals dilettantisch, sondern immer ganz sachgemäß zu Werke gehen. Hier an dieser Stelle muß ich eigentlich etwas sehr Eigentümliches sagen. Ich habe nun nach­geforscht, ob jemandem, der in der äußeren Wissenschaft tätig ist, wenigstens eine Spur von dem aufgegangen ist, was ich hier als geistes-wissenschaftliches Ergebnis ausgesprochen habe, daß nämlich die Erde

Maar bij welk jaargetijde hoort het, als we slapen? Als we slapen, is dat hetzelfde als de zomer, d.w.z. het jaargetijde waarin er planten zijn. En welk jaargetijde behoort bij de tijd dat we wakker zijn? Zoals in de winter een einde komt aan het plantaardig leven dat zich in zekere zin in de aarde terugtrekt, zo trekt ook bij de mens in de tijd van wakker worden tot het inslapen het vegetatieve leven zich terug en daarvoor komt iets anders in de plaats. Wanneer we geen vage analogie toepassen, maar de werkelijkheid nemen, moeten we zeggen: de slaap van de mens moeten we vergelijken met de zomer; de tijd dat de mens wakker is met de aardse wintertijd. De werkelijkheid is zelfs het tegendeel van wat we als vage analogie aannemen.
Wat ik u heb gezegd, is wat de geesteswetenschap altijd moet behandelen en ik zou nooit amateuristisch, maar altijd ter zake kundig te werk gaan. Hier ter plekke moet ik eigenlijk iets heel merkwaardigs zeggen. Ik ben nagegaan of er iemand die werkzaam is in de uiterlijke wetenschap, tenminste één spoortje gevonden heeft van wat ik hier als geesteswetenschappelijk resultaat uitgesproken heb, dat de aarde

blz. 135

eigentlich im Winter wacht und im Sommer schläft. Nun, den einzigen kleinen Hinweis, der richtig weiter verfolgt, zu dem eben Ausgespro­chenen hinführen würde, habe ich tatsächlich in einem aus den fünf­ziger oder vierziger Jahren stammenden Basler Schulprogranim gefun­den. In einem Basler Schulprogramm findet sich eine Abhandlung über den Schlaf des Menschen, und der Schlaf des Menschen wird dort in einer der gewöhnlichen Betrachtungsweise entgegengesetzten Art be­handelt. Der Gerechtigkeit halber möchte ich auf dieses Basler Schul­programm hinweisen. Im Augenblick ist mir der Name des Verfassers nicht gegenwärtig, ich hoffe aber, daß er mir noch einfallen wird, da-mit ich ihn bis morgen nachtragen kann.

in feite in de winter wakker is en in de zomer slaapt. Welnu, de enige kleine aanwijzing, die op de juiste manier verder gevolgd, leidt tot wat er zojuist uitgesproken werd, heb ik daadwerkelijk gevonden in een uit de jaren vijftig of veertig (1800) stammend schoolprogramma uit Bazel*. Hierin staat een verhandeling over de slaap van de mens en die wordt daarin op een manier behandeld die tegenovergesteld is aan de gewone opvatting. Om wille van de rechtvaardigheid zou ik dit schoolprogramma uit Bazel graag noemen. Op dit ogenblik weet ik de naam van de schrijver niet, maar ik hoop dat deze me nog te binnenschiet, zodat ik die morgen nog kan geven.

*In einem Basler Schulprogramm findet sich eine Ahbandlung uher den Schlaf des Menschen … : Diese Abhandlung war bisher nicht zu ermitteln.

.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 8e voordracht (Duits)

Rudolf Steiner over dierkunde

Dierkunde: alle artikelen

Plantkunde: alle artikelen
Met name Gerbert Grohmann heeft in zijn ‘Leesboek voor de plantkunde‘ de visie van Steiner nader uitgewerkt

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steiner: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas dierkunde

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas plantkunde

.

1316-1229

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 301 voordracht 7

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [8]  [9]  [10]  [11] [12]  [13]  [14]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

7e voordracht Bazel, 29 april 1920 [2]

Inhoudsopgave
Opvoeding als het probleem van de lerarenopleiding:
werking van eenzijdig benadrukken onsterfelijkheidsgedachte
lichamelijk leven als voortzetting geestelijk leven
intellect wordt meegebracht, wil ontwikkeld
onderwijsvraag naar kwaliteit van opvoeder
humor en ernst
innerlijke voorbereiding van leraar. Meditatie
gedrag van kinderen
wilszwakke kinderen
bijzonder voorbeeld van wilszwakte: wat in de ene generatie gedachte is, wordt in de volgende organisch.

blz. 105

                                Erziehung als Problem der Lehrerbildung

In diesen Vorträgen handelt es sich mir im wesentlichen darum, zu zeigen, inwiefern die Geisteswissenschaft, deren Aufgabe ich Ihnen an­gedeutet habe, die pädagogische Kunst befruchten kann. Nun ist es ja selbstverständlich nicht möglich, ein ganzes System der Pädagogik in vierzehn Vorträgen zu entwickeln. Ich habe ja in den ersten einleiten­den Betrachtungen schon darauf hingewiesen, daß ich eigentlich eine Erneuerung der Pädagogik als Wissenschaft nicht als etwas unmittel­bar Gefordertes ansehe, weil wir an pädagogischen Grundsätzen und Prinzipien eigentlich alles mögliche Gute haben. Ich glaube, daß vor allen Dingen nottut eine Erfrischung der pädagogischen Kunst. Und Geisteswissenschaft ist durchaus geeignet, zu dem, was in vieler Be­ziehung als eine ganz ausgezeichnete pädagogische Theorie vorliegt, ge­rade die pädagogische Praxis anzuregen, weil Geisteswissenschaft als solche den lebendigen Geist erfassen will; und die Erfassung des leben­digen Geistes ist zu gleicher Zeit eine Quelle der Willens- und Gemüts-anregung, die insbesondere bei der pädagogischen Kunst notwendig ist.

opvoeding als probleem van  de lerarenopleiding

In deze voordrachten gaat het mij erom in hoofdzaak te laten zien, in hoeverre de geesteswetenschap waarvan ik u de opdracht heb aangegeven, vruchtbaar kan zijn voor de pedagogische kunst. Nu is het vanzelfsprekend niet mogelijk een heel pedagogisch systeem in veertien voordrachten te ontwikkelen. Ik heb bij de eerste inleidende beschouwingen er al op gewezen dat ik eigenlijk een vernieuwing van de pedagogiek als wetenschap niet zie als een eis, omdat we al van alles aan goede pedagogsiche basisregels en principes hebben. Ik geloof dat vooral het opfrissen van de pedagogische kunst nodig is. En geesteswetenschap is zeker geschikt voor wat in vele opzichten voorhanden is als een heel uitstekende pedagogische theorie, met name de pedagogische praktijk, te stimuleren, omdat geesteswetenschap als zodanig de levende geest erbij wil betrekken; en rekening houden met de levende geest is tegelijkertijd een bron van het verlevendigen van wil- en gevoel wat in het bijzonder bij de pedagogische kunst noodzakelijk is.

Und Geisteswissenschaft ist ferner ein Quell wirklicher Menschen-erkenntnis, einer solchen Menschenerkenntnis, die aufgeht in dem Umgange mit dem Menschen überhaupt, und namentlich auch mit dem heranwachsenden Menschen, mit dem Kinde. Also darauf bitte ich Sie recht sehr zu achten, daß ich mich nach dieser Richtung hin an mein Thema zu halten gedenke. Gerade in Anknüpfung an dieses Thema sind ja schon eine ganze Reihe interessanter Fragen gestellt worden, die besonders auch in den heutigen Vortrag eingereiht werden sollen. Vor­erst aber möchte ich das eine bemerken: Selbstverständlich muß jedem Unterrichten parallel gehen, gleichgültig ob es durch die Notwendigkeit der Verhältnisse mehr auf den Intellekt oder mehr auf andere Seelen-kräfte orientiert ist, eine Heranbildung des Menschen eben in gemüt­hafter und vor allen Dingen auch in moralischer und religiöser Beziehung.

En geesteswetenschap is verder een bron van echte menskunde, zo’n menskunde die over gaat in de omgang met de mens in alle opzichten en met name met de opgroeiende mens, het kind. Dus ik vraag u om er heel goed op te letten dat ik mij in deze richting aan mijn thema houd. Juist n.a.v. dit thema is er al een hele reeks interessante vragen gesteld die in het bijzonder in de voordracht van vandaag meegenomen zullen worden. Eerst echter zou ik nog willen opmerken: vanzelfsprekend moet in ieder onderwijs parallel lopen, ongeacht of het door de noodzaak van de omstandigheden meer naar het intellect neigt of naar andere zielenkrachten, het vormen van de mens wat betreft zijn gevoel en voor alles ook het morele en religieuze.

blz. 106

Allein sobald wir schon das Gebiet der Gemütsbildung ins Auge Eassen’ und noch viel mehr, wenn wir das Gebiet ins Auge fassen der ethischen und sittlichen Bildung und der religiösen Bildung, dann haben wir es zu tun mit einem Behandeln des ganzen Menschen. Immer wenn wir auf Gemüt oder Wille durch den ganzen Menschen wirken wollen, müssen wir rechnen mit den Umwandlungen, die der Mensch im Laufe seines Lebens erfährt, die er schon erfährt eben als Kind, und die er auch im weiteren Leben erfährt. Umwandlungen des weiteren Lebens sind es ja, zu denen wir die nötigen richtigen Impulse gerade während der Unterrichts- und Erziehungszeit geben müssen.
Äber es ist unmöglich in bezug auf das Moralische, in bezug auf das Gemüthafte oder namentlich in bezug auf das Religiöse an den Men­schen heranzukommen, wenn wir uns nicht den Zugang zur Menschen-seele und zum Menschengeist im Verlaufe der anderen Erziehung und des anderen Unterrichts erst verschaffen. Es ist ein großer Fehler, zu glauben, daß wir unmittelbar Regeln aufstellen können, dahin lautend, man solle dies oder jenes in gemüthafter, in religiöser, in moralischer Beziehung bei dem Menschen heranziehen. Da verhält sich die Sache eigentlich ganz anders. Da verhält die Sache sich in folgender Weise:

Alleen, zo gauw we het gebied van de gemoedsvorming onder ogen zien en nog veel meer, wanneer we kijken naar de ethische en morele vorming en de religieuze, dan hebben we te maken met de hele mens. Steeds wanneer we op gemoed en wil willen werken door de hele mens, moeten we rekening houden met de veranderingen die de mens in zijn leven ondergaat, die hij al ondergaat als kind en die hij ook in zijn verdere leven ondergaat. Veranderingen van het verdere leven zijn het waaraan we de nodige impulsen in de goede richting moeten geven juist gedurende de onderwijs- en opvoedingstijd.
Maar het is onmogelijk wat het morele en ook wat het gevoel en met name wat het religieuze betreft de mens te bereiken, wanneer wij niet eerst toegang vinden tot de ziel van de mens en tot zijn geest tijdens de andere opvoeding en het andere onderwijs. Het is een grote vergissing te geloven dat we directe regels kunnen opstellen in de richting van je moet dit of dat, wat gevoel, het religieuze of het morele betreft, bij de mens opvoeden. De verhouding ligt daar eigenlijk heel anders. En wel als volgt:

Gewinne ich, insbesondere bei Kindern, wie wir sie bisher ins Auge gefaßt haben bis zum 9. Lebensjahre hin ungefähr, durch die ganze Art meines Unterrichtes ein entsprechendes Verhältnis zu dem Kinde, so daß ich durch dieses Verhältnis eine Beziehung zu seiner Seele habe, die mehr durch das Kind angeknüpft wird als durch mich, dann wird das Kind sich anregen lassen von mir in moralischer, in religiöser Be­ziehung. Gewinne ich ein solches Verhältnis nicht, unterrichte ich in einer Weise, die mir das kindliche Gemüt verschließt, dann wird das Kind auch für die beste moralische Lehre und die besten religiösen Im­pulse für mich unzugänglich sein. Das wird in dieser Eigenart, wie ich es angedeutet habe, eben bis zum heutigen Tage viel zu wenig berück­sichtigt. Und gerade auf diesem Gebiete nützt es schon nichts, wenn wir uns in der Gegenwart, um uns ein wenig über die Kulturschäden unserer Zeit einzuschläfern, Illusionen hingeben. Wir geben uns aber dadurch hauptsächlich Illusionen hin, daß wir unter dem Einflusse stehen von Bekenntnissen, gegen die hier durchaus nichts vorgebracht werden soll sonst, die eigentlich nur nach der einen Seite des Lebens hin mit der Ewigkeit der Menschenseele rechnen.
Wir sehen eigentlich immer nur hin darauf, daß wir dem Menschen

Krijg ik het voor elkaar, met name bij jonge kinderen zoals we tot nog toe naar hen hebben gekeke,n zo tot het 9e jaar ongeveer, door de hele manier van lesgeven een goede verstandhouding met het kind op te bouwen, zodat ik door die verstandhouding een gevoelsband met hem heb die meer door het kind aangeknoopt wordt dan door mij, dan gaat het kind door mij in moreel en religieus opzicht met me mee. Lukt zo’n band opbouwen niet, geef ik les op een mnaier waardoor het kind zijn ziel afsluit, dan zal het kind ook voor de beste morele leer en de beste religieuze impuls voor mij niet openstaan. Het kenmerkende hiervan, zoals ik het aangestipt heb, wordt tot op vandaag veel te weinig gezien. En juist op dit gebied heeft het geen zin als we ons nu, om ons een beetje af te sluiten voor de cultuurbeschadigingen van onze tijd, aan illusies overgeven. Maar dat doen we nu juist hoofdzakelijk doordat we onder invloed staan van godsdienstrichtingen, waartegen anders zeer zeker niet iets naar voren wordt gebracht, die eigenlijk alleen maar met één kant van het leven, met de eeuwigheid van de mensenziel, rekening houden.
We kijken eigenlijk steeds maar ernaar dat wij de mens

blz. 107

ein gutes Verständnis und ein gesundes Fühlen übermitteln in bezug auf das Durchgehen durch die Todespforte, in bezug auf das Weiter­leben der Seele nach dem Tode. Es könnte scheinen, als ob ein solcher Hinweis zunächst ein theoretischer wäre. Er ist es nicht. Denn ob man über eine solche Frage des Lebens die eine oder die andere Ansicht hat, davon hängt, ich möchte etwas extrem ausgedrückt sagen, jeder Hand­griff des Lebens ja ab, alles was wir tun, alles was wir sagen, und namentlich wie wir es tun und wie wir es sagen. Nun sind die Bekennt­nisse, die nach der einen Seite hin auf die ja selbstverständlich in ihrer Art absolut richtige Ewigkeit der Seele jenseits des Todes nur hin­weisen, eigentlich alle aus einem gewissen Zählen der Menschen auf den Egoismus der menschlichen Natur hervorgegangen. Dies ist viel­leicht nur nicht genau ausgesprochen worden, aber in Wirklichkeit haben sich diese Bekenntnisse unter dem Egoismus des Menschen aus­gebildet. Nicht wahr, das, was ich jetzt sage, hat gar nichts zu tun mit dem Inhalt der Anschauung über das Fortleben der Seele nach dem Tode. Dieser Inhalt ist ja selbstverständlich für Geisteswissenschaft vollauf gesichert.

een goed begrip en een gezond gevoel meegeven wat betreft zijn overgang door de poort van de dood, wat betreft het voortleven van de ziel na de dood. Het zou kunnen lijken alsof zo’n verwijzing alleen maar theoretisch is. Maar dat is niet zo. Want of je over zo’n levensvraag het een of andere gezichtspunt hebt, daarvan hangt af – ik wil het iets extreem formuleren – hoe we in het leven staan, alles wat we doen, alles wat we zeggen en met name hoe we het doen en hoe we het zeggen. Nu zijn de godsdiensten die naar de ene kant vanzelfsprekend op hun manier alleen maar naar de absoluut ware eeuwigheid van de ziel na de dood verwijzen, eigenlijk allemaal voortgekomen door bij de mensen uit te gaan van het egoïsme van de menselijke natuur. Dit is misschien alleen niet zo duidelijk uitgesproken, maar in werkelijkheid zijn de godsdiensten tot stand gekomen onder het egoïsme van de mens. Niet waar, wat ik nu zeg, heeft helemaal niets te maken met de inhoud van het denken over het voortbestaan van de ziel na de dood. Deze inhoud is vanzelfsprekend voor de geesteswetenschap volledig bekend.

Wenn wir aber zum Menschen im allgemeinen oder zu Kindern insbesondere über dieses Fortleben nach dem Tode allein sprechen – es muß ja selbstverständlich darüber gesprochen werden -, aber wenn wir allein darüber sprechen, so reflektieren wir auf den Egoismus der menschlichen Natur, die eben fortleben will, wenn der Leib der Erde übergeben wird, die nicht vernichtet sein will. Aber damit schließen wir den Menschen in einem gewissen Sinne doch von seinen irdischen Lebensaufgaben ab. Wir schließen uns insbesondere als Erzieher und Unterrichter von der eigentlichen Aufgabe der Mensch­heitsentwickelung ab, wenn wir unter dem Einflusse einer solchen ein­seitigen Anschauung denken und handeln. Denn sehen Sie, ebenso wie wir hinschauen sollen auf das Leben, das jenseits der Geburt liegt, müssen wir hinschauen darauf, wie das irdische Menschenleben, das wir beginnen mit der Kindheit, dann weiterleben bis zum Tode, wie dieses irdische Menschenleben die Fortsetzung eines übersinnlichen Lebens ist; wie dasjenige, was in uns lebt als Seelisch-Geistiges, aus einer über­sinnlichen Welt herabsteigt, sich verbindet mit demjenigen, was aus der Vererbungsströmung als unsere Leiblichkeit gebildet werden kann. Und es ist sehr bedeutsam, so auf das heranwachsende Kind hin­zusehen. Jedes Kind ist ja, wenn man es unbefangen betrachtet, ein Rätsel, das zu lösen ist, insbesondere für den Erzieher. Wenn man in

Wanneer we echter tot de mens in het algemeen of tot kinderen in het bijzonder over dit voortbestaan na de dood alleen spreken – en er moet vanzelfsprekend over gesproken worden -, maar wanneer we daar alleen over spreken, dan zijn we geïntereesseerd in het egoïsme van de mensennatuur die nu eenmaal voort wil bestaan als het lichaam aan de aarde toevertrowud is; die niet wil vergaan. Maar daarmee sluiten we de mens in zekere zin toch van zijn aardse levensopgaven af. En in het bijzonder sluiten we als opvoeder en leerkracht ons van de eigenlijke opgave van de mensheidsontwikkeling af, wanneer wij onder invloed van zo ’n eenzijdige overtuiging denken en handelen. Want ziet u, net zoals we naar het leven moeten kijken dat vóór de geboorte ligt, moeten we kijken naar hoe het aardse leven van de mens dat voor ons als kind begint, en dan verder leven tot de dood, hoe dit aardse mensenleven de voortzetting van een bovenzinnelijk leven is; hoe wat in ons leeft als ziel en geest, uit een bovenzintuiglijke wereld afdaalt, zich verbindt met wat uit de erfelijkheidsstroom als onze lichamelijkheid gevormd kan worden.
En het is van heel veel betekenis zo naar het opgroeiende kind te kijken. Ieder kind is, als je het onbevangen bekijkt, een raadsel dat je op moet lossen, in het bijzonder voor de opvoeder. Wanneer je zo

blz. 108

der Art hinblickt auf das heranwachsende Kind und sich sagt: Das­jenige, was sich da hereingestellt hat in das Erdenleben, das ist die Fortsetzung eines geistigen Lebens, und wir haben die Verantwortung, in der richtigen Weise zu lenken dasjenige, was die Geisteswesenheit wollte, indem sie sich verkörpert in einem irdischen Menschen; dann, dann wird uns erst jenes Gefühl der Heiligkeit überkommen, ohne das man nicht erziehen und unterrichten kann, jenes Gefühl, das Rätsel lösen will, indem es sich gegenüber weiß dem heranwachsenden Men­schen. Dem Leben, wie es hier in der physischen Welt abläuft, die Auf­gabe einer Fortsetzung eines geistigen Lebens zu geben, das ist etwas Bedeutsames, wenn es uns durchdringt.
Und damit weise ich als auf ein bedeutsames Beispiel darauf hin, wie sehr der Unterrichter oder Erzieher anders handeln wird, wenn er diese oder jene Gesinnung hat. Selbstverständlich kommt für das äußere soziale Leben dasjenige in Betracht zunächst, was der Mensch als Han­delnder ist. Aber indem wir dem werdenden Menschen, dem Kinde gegenüberstehen, stehen wir der innerlichsten Menschennatur gegen­über.

naar het opgroeiende kind kijkt en zegt: wat nu zijn plaats in het aardse leven heeft ingenomen, is het verderleven van iets geestelijks en wij hebben de verantwoordelijkheid om op de juiste manier leiding te geven aan wat het geestwezen wil, wanneer dit zich belichaamt in een mens op aarde; dan kunnen wij pas het gevoel krijgen van iets onaantastbaars, wat je niet kunt missen bij het opvoeden en onderwijzen; dat gevoel, dat raadsels wil oplossen wanneer het tegenover een opgroeiende mens staat. In het leven zoals het hier in de fysieke wereld verloopt, de opdracht te zien van een voortzetting van een geestelijk leven, dat is iets van betekenis, wanneer we ervan doordrongen raken.
En daarmee wijs ik op een belangrijk voorbeeld van hoe zeer de leerkracht en de opvoeder anders zal handelen, wanneer hij de ene of de andere opvatting heeft. Vanzelfsprekend komt voor het sociale leven allereerst in aanmerking hoe de mens handelt. Maar als we met de wordende mens, met het kind van doen hebben, hebben we te maken met de diepste mensennatuur.

Da kann gar nicht anders gewirkt werden, als daß Gesinnung auf Gesinnung wirkt, und da kommt etwas an auf dasjenige, was als Impulse der Gesinnung zugrunde liegt. Ist diese Gesinnung vorhanden, so gibt sie ein bedeutsames Verantwortlichkeitsgefühl gegenüber der Erziehungs- und Unterrichtsaufgabe. Und ohne dieses Verantwortlich­keitsgefühl kommen wir eigentlich in der Praxis des Erziehens gar nicht aus. Von dem muß alles durchdrungen sein. Und insbesondere möchte ich, daß Sie die heute scheinbar weit von einem solchen Be­trachten abliegenden Ausführungen doch so betrachten, daß Sie gerade von diesem Gefühle, das ich jetzt eben ausgesprochen habe, mit durch­drungen sind.
Wenn wir wirklich in richtiger Art darauf hinsehen, wie der Mensch, so wie ich es gestern ausgeführt habe, seinem ganzen Wesen nach seine Tätigkeiten aus zwei Quellen herleitet, so werden wir auch den Blick hinlenken können auf den Unterschied, der da besteht zwischen dem, was der Mensch mitbringt ins Leben herein und demjenigen, was ge­rade durch dieses physische Leben ausgebildet werden soll. Die eine Quelle, von der ich gestern und an den vorhergehenden Tagen gespro­chen habe, weist mehr auf dasjenige hin, was der Mensch hereinbringt in das physische Leben aus einem überphysischen Leben. Und die andere Quelle weist mehr hin auf dasjenige, was der Mensch aus diesem

Dan kan er helemaal niet anders gewerkt worden dan dat gevoelsstemming op gevoelsstemming inwerkt en dan komt het eropaan wat als impuls ten grondslag ligt aan die gevoelsstemming. Is die er, dan geeft deze een belangrijk verantwoordelijkheidsgevoel voor de opvoedkundige en onderwijskundige opdracht. Zonder deze verantwoordelijkheid spelen we het eigenlijk in de praktijk van het opvoeden helemaal niet klaar. Daarmee moet alles doordrongen zijn. En in het bijzonder zou ik willen dat u de vandaag schijnbaar ver van zo’n opvatting verwijderde uiteenzettingen, toch zo beschouwt, dat u juist van dit gevoel dat ik net uitgesproken heb, ook doordrongen bent.
Wanneer we werkelijk op een goede manier kijken hoe de mens, zoals ik dat gisteren uiteengezet heb,wat zijn hele wezen betreft, zijn activiteit uit twee bronnen put, zo kunnen we ook onze blik richten op het verschil dat er bestaat tussen wat de mens meebrengt in het leven en wat juist tijdens zijn leven ontwikkeld moet worden. De ene bron waarover ik gisteren sprak, wijst meer op wat de mens meebrengt in het aardse leven uit de niet-fysieke wereld, En de andere bron wijst meer in de richting van wat de mens

blz. 109

Leben hier schöpfen soll. Wenn ich darauf hingewiesen habe, wie mit dem Zahnwechsel eigentlich geboren wird das Intellektuelle, und wie dann mit der Geschlechtsreife der Wille gewissermaßen hineinschießt in die menschliche Wesenheit, so habe ich damit durch zwei Gesichts­punkte, es gibt eben viele andere, charakterisiert die beiden Quellen. Indem wir uns an den Menschen richten und sein Intellektuelles ins Auge fassen, schauen wir allerdings mehr hin auf dasjenige, was er durch die Geburt ins physische Dasein hereingebracht hat. Indem wir uns an seinen Willen wenden, müssen wir uns bewußt sein, daß wir das an ihn herantragen, was er vorzugsweise aus dieser physischen Welt hereinzunehmen hat, um es seiner höheren Natur einzuverleiben. Hier in den Kämpfen des physischen Lebens, hier in alledem, was an Dis­harmonien und Harmonien mit der Welt sich durch das physische Le­ben entwickelt, da erzieht sich der menschliche Wille, da wird gewisser­maßen der menschliche Wille. Dasjenige, was mehr als Intellektuelles aus der menschlichen Natur hervortritt, das müssen wir versuchen her­vorzulocken aus dieser menschlichen Natur. Indem man das nur aus­spricht, sieht man hin auf viele Mißverständnisse, die gerade im Aus­sprechen der pädagogischen Wahrheiten entstehen.

uit dit leven wil halen. Toen ik erop gewezen heb, hoe bij de tandenwisseling eigenlijk het intellect wordt geboren en hoe dan met de geslachtsrijpheid de wil op een bepaalde manier bezit neemt van de mens, zo heb ik daarmee vanuit twee gezichtspunten – er zijn er nog veel meer – de beide bronnen gekarakteriseerd. Wanneer we ons op de mens richten en het intellectuele in ogenschouw nemen, kijken we meer naar wat door de geboorte in het aardse bestaan wordt meegebracht. Als we naar de wil kijken, moeten we ons ervan bewust zijn, dat wij aan hem geven wat hij voornamelijk uit de fysieke wereld moet nemen om het in zijn hogere natuur op te nemen. Hier, in de moeite om in het aardse leven iets te bereiken, hier, in alles wat aan harmonie en disharmonie met de wereld door het fysieke leven ontwikkeld wordt, wordt de menselijke wil gevormd, daarbij ontstaat de menselijke wil. Wat meer als intellect uit de menselijke natuur naar voren komt, moeten we proberen uit deze menselijke natuur naar buiten te laten komen. Wanneer je dit alleen maar uitspreekt, krijg je de vele misverstanden die juist door het uitspreken van pedagogische waarheden ontstaan.

Man will immer alle Dinge einseitig sagen, die eigentlich zweiseitig im Leben sind. Man will sagen: entweder müsse man alles aus dem Menschen herausholen, oder man müsse alles in den Menschen hineinstopfen. Beides ist natür­lich unrichtig. Aber für alles Vorstellende im Menschen gilt in einem gewissen Grade, daß wir es aus der menschlichen Natur herausholen müssen. Für alles Willentliche gilt, wenn auch nicht ausschließlich, daß die Erlebnisse, die wir an den Menschen heranbringen, für ihn bildend, unmittelbar bildend sind. Den Willen holt sich der Mensch aus diesem Leben. Daher ist es für die Willensbildung so wichtig, wie wir selbst zu dem Menschen stehen, wie wir zu ihm stehen, so daß er uns nach­ahmen kann, oder daß er so uns ansehen kann, daß dasjenige, was wir selbst sagen und was wir selbst tun, für ihn nach dem siebenten Jahre ungefähr Autorität wird. Es ist eben gewöhnlich in bezug auf das Leben nicht ein strenges Entweder-Oder richtig, sondern ein Sowohl-als-auch. Sowohl das eine wie das andere spielt ins Leben herein. Wir müssen vieles aus dem Kinde herausholen. Wir müssen das Kind in solche Umgebung versetzen, daß es sich selber möglichst viel, nament­lich für seine Willensbildung, aus der Welt herausholen kann. Da sehen Sie schon, wie viel von dem, was man die Erziehungsfrage und die

Een mens wil altijd de dingen eenzijdig zeggen die eigenlijk in het leven meerdere kanten hebben. Men wil zeggen: of je moet alles uit de mens halen of je moet de mens alles aanleren. Beide zijn natuurlijk niet juist. Maar voor alles wat met het voorstellen te maken heef,t geldt in zekere zin dat wij dat uit de menselijke natuur moeten halen. Alles wat de wil betreft, maar ook weer niet helemaal, daarvoor geldt dat we de ervaringen die we de mens laten opdoen, voor hem beeldend, direct beeldend zijn. De wil haalt de mens uit dit leven. Daarom is het voor de wilsvorming zo belangrijk hoe we ons zelf tegenover de mens gedragen, zodat hij ons kan nadoen of dat hij zo naar ons kan kijken dat wat wij  zeggen en doen, voor hem na het zevende jaar ongeveer, tot autoriteit wordt. Gewoonlijk is er met betrekking tot het leven niet een stringent of-of juist, maar een zowel dit als ook dat. Zowel het een als het ander speelt in het leven een rol. We moeten veel uit het kind halen. We moeten het kind in zo’n omgeving zetten dat het zelf de mogelijkheid krijgt, juist voor de ontwikkeling van zijn wil, die uit de wereld te halen. Daar ziet u al aan hoeveel van wat men opvoedings- en

blz. 110

Unterrichtsfrage nennen möchte, eigentlich eine Lehrerfrage ist, eine Frage nach den Qualitäten des Erziehenden und Lehrenden ist. Und da möchte ich denn, bevor ich in der Betrachtung weitergehe, von der ich gestern ausgegangen bin, da möchte ich dasjenige Element in Be­handlung des ganzen Unterrichtens und Erziehens wenigstens von einer gewissen Seite her charakterisieren, das dieses ganze Erziehen und Unterrichten durchsetzen soll.
Auch da kann man wiederum sehr einseitig werden. Man kann durch seine eigene Wesenheit veranlaßt den Unterricht durchsetzen oder die Erziehung des Menschen durchsetzen mit einem ewigen Ernst, mit einem Lehrer- oder Erzieher-Antlitz, das nie lachen kann, das immer nur mahnen kann, das immer nur ernst sein kann. Und man kann wohl auch, wenn man gerade dazu veranlagt ist, wenig Ernst in die ganze Handhabung des Unterrichtens und Erziehens hineintragen. Das führt beides zu Erziehungsergebnissen, die im Leben sich als außer­ordentlich schädlich erweisen. Es ist ungefähr so, wie wenn jemand nachdenken würde – gegenüber der Natur macht man solches Nach­denken nicht, weil man eben die Absurdität bemerkt, aber beim Hand­haben der geistigen Angelegenheiten bemerkt man nicht gleich die Ab­surdität -, es ist so, wie wenn jemand nachdenken wollte darüber, ob das Einatmen besser wäre als das Ausatmen

onderwijsvragen zou willen noemen, eigenlijk een lerarenvraag is, een vraag naar de kwaliteiten van de opvoeder en de leraar. En ik zou dan graag, voor ik met de beschouwing verderga, waarvan ik gisteren ben uitgegaan, dit aspect bij de behandeling van het totale lesgeven, de opvoeding, op zijn minst toch van een bepaalde kant willen karakteriseren die in de hele opvoeding en het onderwijs aanwezig moet zijn.
Ook hier kun je weer eenzijdig worden. Je kan, ingegeven door je eigen persoon het onderwijs of de opvoeding van een mens doorspekken met een eeuwige ernst, met de leraar-opvoedertronie die nooit kan lachen, die altijd maar moet vermanen, die altijd alleen maar ernstig kan staan. En je kan ook, wanneer je juist die aanleg hebt, weinig ernst in al je onderwijzend en opvoedend doen leggen. Dat leidt alle twee tot opvoedingsresultaten die voor het leven uiterst schadelijk blijken te zijn. Het is ongeveer zo alsof iemand, wanneer hij zou nadenken – over de natuur doe je dat niet, omdat je die absurditeit wel merkt, maar bij aangelegenheden van de geest merk je het absurde niet meteen – erover zou willen nadenken of inademen beter is dan uitademen.

Es handelt sich gar nicht darum, ob das Ein- oder das Ausatmen besser ist, sondern darum, daß der Mensch einatmen und ausatmen muß, und daß, wenn er in der Zeit, wo er ausatmen sollte, einatmen will, das gegen seine Natur geht und umgekehrt. So wie ein strenger Rhythmus in dem Menschen ist, wo­nach er in der Minute durchschnittlich achtzehn Atemzüge macht, so ist das Ganze des menschlichen Lebens in einer gewissen Weise auf Rhythmus hin orientiert. Und ein Teil dieses Rhythmus – es spielen manche andere Dinge, wie gesagt, hinein -, aber eine Seite dieses Rhythmus ist die Abwechslung zwischen Humor und Ernst. Sehen wir einmal die physischen Ausbrüche des Humors und des Ernstes uns an, und versuchen wir sie nicht zu deuten, sondern aus der menschlichen Natur heraus zu erkennen.
Der Humor, der wenigstens in einem dieser Aspekte den Menschen zum Lachen oder Lächeln bringt – womit rechnet er denn eigentlich? Der Humor rechnet damit, daß der Mensch in einer gewissen Weise in dem Augenblicke, wo er zum Lächeln kommt, oder wo er auch nur wegen des humoristischen Eindruckes in der Seele lächelt, daß der

Het gaat er helemaal niet om of in- of uitademen beter is, maar dat de mens in-en uitademen moet en dat wanneer hij op de tijd waarop hij moet uitademen, in wil ademen dat tegen zijn natuur ingaat en omgekeerd. Zoals er een dwingend ritme in de mens zit waarbij hij gemiddeld achttien ademhalingen per minuut heeft, zo is het geheel van het menselijk leven op een bepaalde manier op ritme aangewezen. Een een deel van dit ritme – veel heeft, zoals gezegd, ook zijn invloed – maar een bepaalde kant van dit ritme is de afwisseling in humor en ernst. Kijk eens naar de fysieke uitbarsting van de humor en de ernst en laten we eens proberen ze niet te duiden, maar ze vanuit de menselijke natuur te begrijpen.
De humor die op z’n minst in dit opzicht de mens aan het lachen maakt of doet lachen – waar heeft die mee te maken? Humor heeft te maken met het feit dat de mens op een bepaalde manier op het ogenblik waarop het tot lachen komt of wanneer hij door iets humoristisch van binnen lacht, de mens dan

blz. 111

Mensch da von sich loskommt. Versuchen Sie einmal, die Sache denke­risch und empfindend auszuschöpfen; Sie werden finden, daß, indem wir übergehen zu dem Humoristischen, zu dem humorvollen Erleben, wir in einer gewissen Weise voii uns loskommen, wir gewissermaßen antreten den Weg ins Träumen hinein. Wir gehen ihn nicht ganz. Wir verlassen ihn sehr bald. Wir bleiben voll bewußt, aber es ist der An­fang des Weges ins Träumen hinein, wenn wir uns in der Richtung des Humors bewegen. Und dieses Sichverlieren’ das drückt sich aus – zu­nächst kann ja der Mensch dasjenige, was er an sich selbst leiblich-geistig erlebt, nur durch die paar Bewegungen in der Physiognomie seines Gesichtes ausdrücken -, das drückt sich aus durch das Lächeln. Im Lächeln, im Lachen, da ist es so, daß das Geistig-Seelische, das­jenige, was wir in der Geisteswissenschaft Ich und astralischen Leib nennen, in einer gewissen Weise sich herauszieht – allerdings so, daß sich der Mensch in der Hand behält – aus dem Physischen und aus dem Ätherischen. Der Mensch weitet sich seelisch-geistig, indem er das Hu­morvolle erlebt.

een beetje buiten zichzelf raakt. Probeert u eens deze zaak denkend en invoelend helemaal na te gaan; u zal vinden dat, als het voor ons humoristisch wordt, de humor beleven, we op een bepaalde manier buiten ons zelf raken, in zekere zin een beetje in het droomachtige terechtkomen. Dat gebeurt niet helemaal. Daar komen we meteen weer uit. We blijven bij het volle bewustzijn, maar het is een op weg zijn naar het dromen, wanneer het voor ons humoristisch wordt. En het zich verliezen komt tot uitdrukking – eerst kan de mens wat hij aan zichzelf lichamelijk-geestelijk beleeft, alleen maar door een paar bewegingen in de fysionomie van zijn gezicht tot uitdrukking brengen – in het lachen. Bij het glimlachen, het lachen is het zo dat wat geest en ziel is, dat wat we in de geesteswetenschap Ik en astaallijf noemen, op een bepaalde manier zich losmaakt – wel zo, dat de mens zichzelf beheerst – van het fysieke en van het etherische. De mens wordt wat ziel en geest betreft groter, wanneer hij iets humoristisch beleeft.

Und sehen wir auf das radikale Extrem des Ernstes, auf das radikale Extrem: das Weinen, das Traurigwerden – es ist ein Aspekt wenigstens des Ernstes, der Aspekt aber, der uns das enthüllt, was im Ernste über­haupt lebt – er ist ein Mehr-sich-zusammen-Pressen, es ist ein das Seelisch-Geistige inniger mit dem Physisch-Leiblichen-Verbinden, als es verbunden ist, wenn wir in gleichgültiger, weder humoristischer noch ernster Stimmung sind. Humorvolle Stimmung, ein Weiten des See­lisch-Geistigen; ernste Stimmung, ein In-sich-zusammen-Pressen der geistig-seelischen Natur mit der physisch-leiblichen. Wir könnten ja auch sagen, weil wir ja nicht uns pedantischen oder tantenhaften Lehren hingeben dürfen über diese Dinge, in dem Lachen wird der Mensch altruistisch, in dem Ernste wird der Mensch egoistisch.
Diese Behauptung wird Ihnen anfechtbar erscheinen. Gewiß, alle Behauptungen sind im Grunde genommen anfechtbar, weil sie nicht für die ganze Welt, sondern immer nur für ein beschränktes Gebiet gelten. Wenn ich sage: der Ernst macht egoistisch, so muß man natürlich sich klar darüber sein, daß man ja gut predigen kann, der Mensch soll den Egoismus bekämpfen; aber was kommt denn viel dabei heraus, wenn der Mensch den Egoismus – ich will jetzt etwas recht Radikales sagen -, wenn der Mensch den Egoismus bekämpft aus Egoismus, damit man ihn recht unegoistisch finde, recht selbstlos finde, damit er sich selber

En als we naar het andere uiterste kijken, naar de ernst, het andere uiterste: het huilen, het verdrietig worden – dat is op z’n minst een kant van de ernst, een kant echter die ons laat zien wat er zoal in de ernst leeft – die is meer iets wat samenperst, die verbindt wat geest-ziel is, vaster met het fysiek-vormende, meer dan wanneer het verbonden is, als we op net zo’n manier onaangedaan zijn, noch in een humoristische, noch in een ernstige stemming. Een stemming met humor: een groter worden van ziel en geest; ernstige stemming: een in elkaar persen van de geest-ziele natuur in het fysiek-lijfelijke. We zouden ook kunnen zeggen, omdat we natuurlijk niet pedant of niet als theetantes ons willen inlaten met deze dingen: als hij lacht wordt de mens altruïstisch, als hij ernstig is, egoïstisch.
Deze bewering lijkt voor u misschien aanvechtbaar. Zeker, dat zijn op de keeper beschouwd alle beweringen, omdat ze niet voor de hele wereld, maar altijd maar voor een beperkt gebied gelden. Wanneer ik zeg: de ernst maakt egoïstisch, dan moet je natuurlijk wel weten, dat je goed kunt preken dat de mens zijn egoïsme moet bestrijden; maar levert dat veel op, als de mens zijn egoïsme – ik wil dat echt wel radikaal zeggen – wanneer de mens zijn egoïsme bestrijdt uit egoïsme, zodat we hem echt onegoïstisch vinden, echt onzelfzuchtig, zodat hij ook zichzelf,

blz. 112

auch, wenn er über sich nachdenkt, die Wollust, selbstlos zu sein, verschaffen kann? Es ist viel besser, in solchen Dingen sich nicht Illusio­nen hinzugeben, sondern sich klar darüber zu sein, daß, wenn jemand so egoistisch ist, daß er einen Gefallen daran hat, viele Menschen zu lieben, wenn das seinen Egoismus befriedigt, das für ihn eine bessere Mitgabe ist, als wenn jemand so selbstlos ist, daß er wegen dieser Selbstlosigkeit alle möglichen Arten des Eigenlobes einernten will oder wenigstens sich beim Nachdenken über sich selbst sie sich selbst auch geben wird. Diese Dinge müssen so betrachtet werden wie sie der Wirklichkeit der menschlichen Natur entsprechen, nicht wie man zur Erhöhung der seelischen Wollust sie deuten oder definieren will. Wor­auf es eben ankommt, ist, daß das Wechselspiel im Menschen zwischen humorvoller Stimmung und ernster Stimmung das seelisch-geistige Le­ben so unterhält, wie das physische Leben durch Einatmen und Aus­atmen unterhalten wird. Und wie das Ausatmen eine Art Hingabe an die Außenwelt ist, wie das Ausatmen etwas ist, wo der Mensch sich fremder wird, das Einatmen etwas ist, wo der Mensch seinem Egoismus physisch frönt, so ist der Humor etwas, wo der Mensch in die Weiten zerfließt, und es ist der Ernst etwas, wo der Mensch sich in sich egoistisch sammelt.

als hij over zichzelf nadenkt, het plezier kan doen, onzelfzuchtig te zijn? Het is veel beter je over deze dingen geen illusies te maken, maar goed te weten, dat wanneer iemand egoïstisch is, hij er plezier aan beleeft, van veel mensen te houden, als dat zijn egoïsme tevreden stelt, wat voor hem een beter geschenk is, dan wanneer iemand zo onzelfzuchtig is dat hij door deze onbaatzuchtigheid alle mogelijke manieren van lof wil oogsten of op zijn minst bij het nadenken over zichzelf hij deze ook aan zichzelf geeft. Naar deze dingen moet zo gekeken worden dat ze in overeenstemming zijn met de werkelijkheid van de mensennatuur, niet om ze te duiden of te definiëren tot meerdere glorie van wat de ziel graag heeft. Waar het op aankomt is, dat de afwisseling in de mens tussen een humorvolle stemming en een ernstige stemming de ziel en de geest zo ondersteunt, zoals het fysieke lichaam ondersteund wordt door het in- en uitademen. En zoals het uitademen een soort overgave aan de buitenwereld is, zoals het uitademen iets is, waarbij de mens van zichzelf vervreemdt, het inademen iets is waarbij de mens zich fysiek aan zijn egoïsme overgeeft, zo is de numor iets waarbij de mens uitvloeit in de ruimte en is de ernst iets waarbij de mens zich egoïstisch samenpakt.

Zwischen diesen beiden Stimmungen muß insbeson­dere während der Unterrichtszeit das Leben des Kindes durch das Ver­halten des Lehrers hinfließen.
Nun, es ist außerordentlich schwer, wenn man, ich möchte sagen, unter einer Art abstrakter Selbstverpflichtung das Schulzimmer betre­ten soll und sich sagen soll: du sollst nun abwechselnd humoristisch und abwechselnd ernst sein. Solch eine Aufgabe sich zu stellen ist ja selbstverständlich ganz unmöglich, ist lächerlich, ist etwas, was gar nicht sein kann; denn es wird niemand von mir verlangen können, daß ich nach einem schweren persönlichen Erlebnis meine Unterrichtsstunde am Morgen mit humoristischen Dingen durchwürzen solle. Aber solch eine abstrakte selbstverständliche Pflicht ist dann nicht notwendig, wenn man zu dem Inhalte desjenigen, was einen begeistern soll für den Unterricht, auf geisteswissenschaftliche Art kommt; denn kommt man auf geisteswissenschaftliche Art darauf, so wird die Teilnahme an den einzelnen Stücken, in denen man lebt, objektiv, unpersönlich. Es ist einfach so. Wenn ich um 3 Uhr in das Schulzimmer komme und irgend etwas mit den Kindern zu behandeln habe und ich so, wie man an Geisteswissenschaft kommt, an meinen Stoff herankomme, wenn ich

Tussen deze beide stemmingen moet vooral in de schooltijd het leven van het kind verlopen door het gedrag van de leraar.
Nu, dat is buitengwoon moeilijk, wanneer je, ik zou willen zeggen, onder een soort abstracte zelfplicht het lokaal binnen moet gaan en tegen jezelf moet zeggen: jij moet nu afwisselend humoristisch en ernstig zijn. Je zo’n opgave stellen is natuurlijk vanzelfsprekend onmogelijk, belachelijk, is iets wat helemaal niet kan; want geen mens kan van mij verlangen dat ik na een ernstige persoonlijke ervaring ’s morgens mijn lessen met humoristische dingen ga kruiden. Maar zo’n abstracte vanzelfsprekende plicht is niet nodig, wanneer je op 
een geesteswetenschappelijke manier komt tot de inhoud, van wat iemand enthousiast moet maken voor het lesgeven; want kom je er op zo’n manier op, dan wordt de betrokkenheid bij de onderdelen die je bezighouden, objectief, onpersoonlijk. Zo is het simpelweg. Wanneer ik om 3 uur de klas in kom en iets met de kinderen moet gaan behandelen en op de manier zoals je aan geesteswetenschap komt, aan de leerstof kom, wanneer ik 

blz. 113

mich herangeschult habe an meinen Stoff, so wie man lernt, sich heran­zuschulen an Geisteswissenschaft, so wird der Stoff mir etwas, wodurch ich alle Außenwelt unberücksichtigt lasse, worinnen meine eigene Stim­mung verschwindet, wo ich so in Anspruch genommen werde durch die Objektivität des Stoffes, daß der Stoff mir im rechten Momente Humor und Ernst eingibt, und die Dinge machen sich von selber.
Das ist etwas von der Praxis, wie Geisteswissenschaft die pädago­gische Kunst befruchten kann. Bis in die Haltung des Lehrers hinein kann sie die pädagogische Kunst befruchten. Geradeso wie, möchte ich sagen, wenn man nicht richtig atmen kann, der Arzt notwendig ist, um den richtigen Atmungsprozeß’ wenn es geht, herzustellen, so ist notwendig für den Menschen, der als gesunder Mensch auf Kinder wirken soll, der heilsame Einfluß der geisteswissenschaftlichen Er­ziehung, um unter der Objektivität des Stoffes stehen zu können. Es ist denkbar, daß man noch auf dem Hingang zur Schule den Kopf be­rechtigterweise hängen lassen muß, nachsinnen muß über die schlimm­sten Dinge, die einen betroffen haben; man betritt das Schulzimmer, man wird durchdrungen von dem, was heute die Aufgabe ist, und man spricht nicht selbst – nicht Leid und nicht Freude sprechen: die Dinge, um

door mijn leerstof wijzer geworden ben, zoals je wijzer wordt door de geesteswetenschap, dan wordt de stof voor mij iets waardoor ik de hele buitenwereld laat voor wat die is, waarbij mijn eigen stemming verdwijnt, waarbij ik zo in beslag genomen wordt door de objectiviteit van de stof, dat de stof mij op het juiste ogenblik humor en ernst verschaft en dan gaat het vanzelf.
Dat is iets van hoe geesteswetenschap voor de pedagogische kunst vruchtbaar kan worden. Juist zoals je – zou ik willen zeggen – wanneer je niet goed kan ademen, de dokter nodig hebt om het juiste ademproces, wanneer het lukt, weer te herstellen, zo is voor de mens die als een gezond mens met kinderen moet werken, de gezonde invloed van de geesteswetenschappelijke opvoeding nodig om onder de objectiviteit van de stof te kunnen staan. Het is denkbaar dat je op weg naar school je hoofd terecht nog wat moet laten hangen, na moet denken over de erge dingen die je zijn overkomen; je gaat de klas binnen, je raakt doordrongen van wat nu je taak is en je praat zelf niet – leed en vreugde spreken niet:

die es sich handelt, die sprechen, die bewegen unsere Finger, die bewegen unsere Finger dann, wenn sie mit der Kreide zeichnen oder schreiben oder sonst irgend etwas tun sollen. Dies zeigt, daß es in der Gegenwart gar nicht darauf ankommt, neue Erziehungsgrundsätze aufzustellen, sondern daß eine neue Geistesstruktur hervorgerufen werden muß, wodurch wir uns befähigt machen, wirklich unserer Auf­gabe gegenüber unsere Subjektivität verleugnen zu können. Dies an­zuerziehen oder wenigstens aus der menschlichen Natur hervorzuholen, wird gerade versucht bei den Lehrern der Waldorfschule So daß tat­sächlich schon in der kurzen Zeit, in der wir dort arbeiten, etwas von dem erreicht wurde, was ich etwa durch Folgendes charakterisieren möchte. Um möglichst diskret zu bleiben, werde ich so abstrakt als möglich charakterisieren. Ich habe es ja erfahren müssen, daß Men­schen, die nach der einen oder nach der anderen Richtung mit meiner Auswahl der Lehrer nicht ganz einverstanden waren, mir sagten: Ja, der wird vielleicht nicht ganz taugen, der ist zu pedantisch. Ich habe mich nicht beirren lassen; denn es handelt sich nicht darum, wenn ein Mensch sonst in bezug auf seine geistigen, moralischen und gemütlichen Fähigkeiten in der richtigen Weise zu gebrauchen ist, zu sehen, ob er

de dingen waarom het gaat, die spreken, die doen onze vingers bewegen, die doen dat wanneer we met het krijtje tekenen of anderszins iets moeten doen.
Dat betekent dat het er tegemwoordig helemaal niet op aankomt nieuwe basisregels voor de opvoeding op te stellen, maar dat er een nieuwe geestelijke structuur moet komen waardoor we het ons mogelijk maken, waar het echt om onze taak gaat, om onze subjectiviteit te kunnen negeren. Dit te leren of tenminste uit de menselijke natuur op te roepen, wordt door de leraren van de vrijeshool geprobeerd. Zodat daadwerkelijk al in de korte tijd dat we aan het werk zijn, iets tot stand is gekomen wat ik door het volgende zou willen karakteriseren. Om zo discreet mogelijk te blijven, zal ik dat zo abstract mogelijk doen. Ik moest ervaren dat mensen die het linksom of rechtsom niet eens waren met mijn keuze van leerkrachten, tegen me zeiden: ‘Ja, die deugt misschien wel niet, die is te pedant.’ Ik heb me niet gek laten maken; want het gaat er niet om, als een mens wel bruikbaar is wat zijn geestelijke, morele en zielenkwaliteiten betreft, te kijken of hij

blz. 114

gerade etwas pedantisch ist, sondern darum, wie man es dahin bringt, die pedantischen Anlagen in der entsprechenden Weise in den Dienst der Menschheit zu stellen. Müßte man alle pedantischen Anlagen des­halb, weil sie an dem einen oder anderen Menschen da sind, einfach ausschließen, dann würden Sie sehen, wie wenig man mit dem Leben zurechtkäme. Wenn man Geisteswissenschaft lebendig aufnimmt, er­leichtert das, ein bestimmtes konkretes Gebiet des Lebens unbefangen zu erklären, weil eben durch diese Geisteswissenschaft die subjektiven Eigenschaften der Pedanterie aufhören besonders wirksam zu sein und es sich tatsächlich herausstellt, daß diejenigen, die als pedantisch etwa angesprochen worden sind, sehr anregend geworden sind im Unter­richten, nachdem sie sich nur eben aus geisteswissenschaftlicher Gesin­nung heraus in den Unterricht hineingefunden haben. Es handelt sich eben durchaus darum, nicht aus dieser oder jener vorurteilsvollen Idee heraus zu handeln, sondern aus dem Leben heraus zu handeln. Das ist es, was wir in der Gegenwart brauchen. Der Sozialismus möchte die ganze Welt nach einer Theorie formen. Die Aufgabe der Gegenwart gegenüber der Menschheitsentwickelung besteht aber darinnen, aus dem Leben heraus zu wirken.

misschien wat pedant is, maar het gaat erom hoe je het voor elkaar krijgt de pedantische aanleg op een adequate manier ten dienste aan de mensheid te stellen. Zou je alle pedantische aanleg, omdat deze of gene die heeft, simpel moeten uitsluiten, dan zou je zien hoe weinig je in het leven voor elkaar zou krijgen. Wanneer je de geesteswetenschap op een levendige manier in je opneemt, maakt die het je makkelijker een bepaald concreet gebied van het leven onbevangen helder te overzien, omdat nu juist door deze geesteswetenschap de subjectieve eigenschappen van de pedanterie ophouden te werken en dan blijkt daadwerkelijk dat degene die als pedant te boek zou staan, zeer inspirerend te zijn geworden bij het lesgeven, nadat hij nu juist vanuit een geesteswetenschappelijk gevoel in het onderwijs zich is gaan thuisvoelen. Het gaat er dus gewoon om niet vanuit dit of dat vooroordeel te handelen, maar vanuit het leven. Dat hebben we deze tijd nodig. Het socialisme zou de hele wereld naar een theorie vorm willen geven. De opdracht van de tegenwoordige tijd voor de ontwikkeling van de mensheid bestaat er echter in, vanuit het leven te werken.

Alles, was ich heute gesagt habe, gehört gewissermaßen als die an­dere Seite zu dem hinzu, was ich gestern gesagt habe über Sprachunter­richt, Eurythmieunterricht’ Turnunterricht und so weiter. Denn das­jenige, was ich gestern gesagt habe, wird nur in der richtigen Weise ge­leistet werden von dem Lehrer, wenn er in dieser Weise sich dazu ver­hält, wie ich es heute charakterisiert habe.
Und dies führt mich dazu, auf eine ganz besonders interessante Frage zu kommen, welche mir gestellt worden ist, die ganz zusammenhängt mit dem, was ich jetzt eben ausgeführt habe. Eine zwölfeinhalbjährige Schülerin, auf die wurde gedeutet, die hat 2 im Betragen. Sie er-zählte bei derBesprechung einesAufsatzes:Ich hatte schon in derPrivat­schule immer ein gutes Zeugnis, aber immer eine 2 im Betragen. Dann bekam ich einen Lehrer, den ich sehr liebhatte, und da hatte ich nie eine 2; dann aber unterrichtete uns später sein Sohn und die Sache mit mir ging wieder los und auch hier in der Schule bis in die jüngste Zeit.
Es ist die Frage mit einem tiefen Ernst gestellt, und ich denke, gerade solch eine Frage kann in bezug auf verschiedene Punkte, die heute be­sprochen worden sind, außerordentlich anregen. Denn sehen Sie, es ist schon zweierlei notwendig im Unterrichte und in der Erziehung. Das  

Alles wat ik vandaag heb gezegd, hoort in zekere zin als de andere kant van wat ik gisteren heb gezegd over taal-, euritmie-, en gymnastiekonderwijs enz. Want hetgeen ik gisteren heb gezegd, kan alleen op de juiste manier gedaan worden door de leraar, wanneer deze op de manier zoals ik die vandaag gekarakteriseerd heb, daartoe een verhouding heeft gevonden.
En dat brengt me ertoe op een heel bijzondere vraag in te gaan, die mij gesteld is, die helemaal samenhangt met wat ik zojuist uiteen heb gezet. Een leerlinge van twaalfeneenhalf jaar heeft een 2 voor gedrag. Zij vertelde bij de bespreking van een opstel: ik had op mijn particuliere school steeds een goed rapport, maar altijd een 2 voor gedrag. Toen kreeg ik een leerkracht op wie ik erg gesteld was en van hem kreeg ik nooit een 2; later kregen we les van zijn zoon en toen begon het voor mij weer en ook hier op school, tot nu toe.
De vraag is zeer serieus gesteld en ik denk, juist zo’n vraag kan met het oog op verschillende punten die vandaag zijn besproken, stimulerend zijn. Want ziet u, er zijn twee dingen nodig in het onderwijs en de opvoeding.

blz. 115

eine ist, daß wir die Kunst verstehen, aus dem Kinde möglichst viel herauszuholen; wir werden ja zuerst Vorstellungsgemäßes heraus­holen; das andere aber ist, daß wir die Möglichkeit haben, mit dem Kinde so zusammen zu sein, daß uns das Kind in seiner Art lieb­haben kann.
Nun, es gibt alle die Dinge, die man mit Mühe sich anerziehen kann, auch in einzelnen Fällen als Instinkt. Das ist ein kompliziertes psycho­logisches Problem, auf das wir ja jetzt unmittelbar nicht eingehen kön­nen; aber es ist so, daß dasjenige, was wir mit Mühe in uns heranziehen können, für einzelne Menschen wie angeflogen ist, wie instinktiv da ist: sie werden von einer Kinderschar wie von selbst eben geliebt. Das ist etwas, was sehr schön sein kann, wenn es im einzelnen heraus­kommt. Aber gegenüber der Kultur- und Zivilisationsentwickelung handelt es sich darum, daß wir so etwas auch durch eine gewisse Selbst-erziehung erreichen können. Und wir können es erreichen, wenn wir versuchen, uns zur Welt so zu stellen, wie wir uns stellen müssen, wenn wir Geisteswissenschaft treiben. Wir können ja eben, wie ich schon sagte, Geisteswissenschaft nicht treiben, wie wenn wir in einem Kino sitzen und schauen, wir können Geisteswissenschaft nur treiben, wenn wir innerlichst mittun.

Het ene is dat we de kunst verstaan om zoveel mogelijk uit het kind te halen; eerst zal het om voorstellingsmatige dingen gaan; het andere is echter dat we de mogelijkheid hebben, zo met het kind samen te zijn dat het kind op zijn mnaier van ons kan houden.
Nu hebben we al die dingen die je moeizaam aanleren kan, ook in een enkel geval als instinct. Dat is een gecompliceerd psychologisch probleem waarop we nu niet direct in kunnen gaan; maar het is zo dat wat wij met moeite in ons zelf kunnen ontwikkelen, bij een paar mensen is komen aanwaaien, dat is er instinctief: van diegenen houdt de schare kinderen vanzelf. Dat kan heel mooi zijn, wanneer dat in een enkel geval zo is. Maar voor de ontwikkeling van cultuur en beschaving gaat het erom dat we zoiets ook door een bepaalde zelfopvoeding kunnen bereiken. En dat kunnen we, wanneer we proberen zo in de wereld te staan zoals we moeten staan wanneer we ons met geesteswetenschap bezighouden. We kunnen nu eenmaal – zoals ik al zei – geen geesteswetenschap bedrijven, alsof we in de bioscoop zitten en toekijken, we kunnen alleen geesteswetenschap bedrijven als we innerlijk actief zijn.

Ich sagte schon einmal: Lesen Sie meine «Ge­heimwissenschaft« und lesen Sie sie, ohne daß Sie innerlich erleben und Ihnen dasjenige, was gesagt wird, nur die Anleitung ist zu Ihren eige­nen Gedanken, so bleibt Ihnen diese ganze Geisteswissenschaft Stroh. Sie bleibt daher vielen Leuten Stroh. Aber lesen Sie sie so, daß Sie sie nur wie eine Partitur betrachten, die Sie eigentlich erst haben, wenn Sie alle Einzelheiten selbst aus sich herausholen, dann entwickeln Sie bei diesem Herausholen eben Kräfte in sich, die sonst verschlossen bleiben in der menschlichen Natur, die nicht herauskommen.
Das sind gerade diejenigen Kräfte, die die Verhältnisse entwickeln insbesondere zu Kindern, die gewissermaßen die Kinder auf uns auf­merksam machen. Haben wir diesen Prozeß in uns durchgemacht des Heraufholens von geistigen Kräften in uns, so stellen wir ein Band unmittelbar von Seele zu Seele her zwischen uns und dem Kinde. Und dieses Band ist für die gemüthafte und für die moralische Führung, die Willensführung des Kindes von einer ungeheuren Bedeutung. Sie wer­den es kaum dahin bringen, eine Klasse, in der 40 Prozent Rangen sind, in moralischer und gemüthafter Beziehung unartige Kinder sind, zu beruhigen durch moralische oder gemütvolle Ermahnungen, die wie 

Ik zei al eens: lees mijn ‘Wetenschap van de geheimen der ziel’ en leest u die zonder innerlijke beleving en is wat daarin wordt gezegd, voor u slechts een aanleiding voor uw eigen gedachten, dan blijft deze hele geesteswetenschap een farce. Daarom blijft ze voor veel mensen een farce. Maar lees je het zo dat je het als een partituur ziet die dan pas uw eigendom is, wanneer u alle details uit uzelf kan halen, dan ontwikkelt u bij dit uit uzelf halen, krachten in uzelf die anders in de menselijke natuur blijven liggen, die er niet uitkomen.
Dat zijn juist die krachten die in het bijzonder bij kinderen, de verstandhouding ontwikkelen, die in zekere zin maken dat de kinderen ons zien. Hebben we dit proces dat er geestelijke krachten in ons opstijgen, innerlijk doorgemaakt, dan is er een band die direct van ziel tot ziel bestaat tussen ons en het kind. En deze band is voor het leiding geven aan een kind voor z’n gevoelsleven, voor de moraliteit, voor de wil van een buitengewone betekenis. U zou het nauwelijks klaarspelen een klas met 40 procent belhamels die in moreel en psychisch opzicht ondeugende kinderen zijn, rustig te krijgen door morele en gevoelvolle vermaningen die als

blz. 116

abstrakte Sätze aus Ihnen herauskommen. Sie können manchmal durch den Tonfall Ihrer Stimme oder durch die Energie Ihrer Stimme für kurze Zeit etwas erreichen. Aber im Wesen wird dadurch nichts er­reicht. Aber versuchen Sie einmal Erfahrungen über das Folgende zu sammeln: Versuchen Sie es, sich vorzubereiten auf Ihre Schulstunden dadurch, daß Sie zu der gewöhnlichen Vorbereitung noch eine Art me­ditative Vorbereitung hinzufügen, etwas hinzufügen, was gerade mit dem Unterrichte, den Sie zu erteilen haben, nicht das Geringste zu tun hat, was aber etwas zu tun hat mit der eigenen Erhebung Ihrer Seele, was etwas zu tun hat mit dem Durchdringen irgendeines Stoffes, irgendeiner Empfindung, irgendeines Gefühis, das uns der Welt auf­schließt. Wenn Sie am Abend eine solche meditative innere – ich darf mich des Ausdrucks bedienen – Beschauung durchgemacht haben und diese Beschauung dadurch beleben, daß Sie am Morgen wiederum an sie zurückdenken und sie gewissermaßen nacherleben, dann werden Sie eine Wirkung bemerken, wenn Sie in die Klasse hineingehen. Das sieht aus, als ob ich Aberglaube erzählen wollte, aber das sind Dinge, denen gegenüber man keine Theorien fassen soll, sondern die man beobachten soll.

abstracte zinnen door u gegeven worden. U kan soms door de klank van uw stem of door de kracht van uw stem voor eventjes wat bereiken. Maar in wezen bereik je niets. Maar probeer eens ervaringen met het volgende op te doen: probeer u eens voor te bereiden op de lesuren door dat u bij de gewone voorbereiding nog een soort meditatieve voorbereiding doet, iets toevoegt wat nu net met de lessen die u geven moet, niets te maken heeft, maar wel te maken heeft met het verheffen van uw eigen ziel, wat iets te maken heeft met het doordringen van een of ander onderwerp, een of andere waarneming, een of ander gevoel waardoor de wereld voor ons opengaat. Wanneer u ’s avonds zo’n meditatieve innerlijke – ik mag deze uitsrukking wel gebruiken – beschouwing doorlopen hebt en deze beschouwind opnieuw oproept door er ‘smorgens weer aan terug te denken en in zekere zin nog eens beleeft, zal u een bepaalde werking ervaren, wanneer u de klas binnengaat. Dat ziet eruit alsof ik bijgeloof wil preken, maar het zijn dingen waarover je geen theorieën op moet stellen, maar die je moet waarnemen. Je neemt ze waar en je zal ze bevestigd vinden. Daar komt het op aan. De meeste mensen zijn tegenwoordig niet erg geneigd naar zulke dingen te kijken. Maar wij zullen ons moeten bekwamen, als we de ellende van de huidige tijd te boven willen komen, zo waar te nemen; dan zal de erbij behorende overtuiging die uit zo’n manier van beschouwen tevoorschijn kan komen, in het bijzonder voor de pedagogische kunst, ook voor de mensheid mogelijk worden. Wanneer we te maken hebben met zo’n leerlinge, zoals die hier ter sprake komt, wijst zij ons er duidelijk op dat in het geval waar ze zegt dat ze zeer op de leraar gesteld was, de opvoeding van haar wil onder de directe invloed van de persoonlijke verstandhouding stond. Maar alle wilsopvoeding zal steeds onder de invloed staan van de persoonlijke verstandhouding met de kinderen, nog voorbij de geslachtsrijpheid. Je kan daarover nog zoveel filosoferen, iedere filosofie die iets anders zegt dan dat de persoonlijke verstandhouding voor de vorming van gevoel en wil doorslaggevend is, zondigt tegen het leven. Dat kun je levenskennis noemen die er niet voor terugschrikt op deze dingen van het leven in te gaan. En wanneer je de dingen serieus neemt, die kunnen ontstaan

blz. 117

durch die Befruchtung der Erziehungskunst von seiten der Geistes­wissenschaft, so werden sich einem manche Dinge aufschließen, die sich sonst durchaus nicht erschließen wollen. Da komme ich zu einer an­deren außerordentlich interessanten Frage:
In jeder Elementarschule, besonders in Knabenschulen, findet man gewöhnlich wenigstens einen Knaben, der, ohne im geringsten schwach­sinnig zu sein, sich doch bei jedem Fache seiner Studien außerordentlich dumm zeigt, der aber eine ganz merkwürdige Begabung für das Zeich­nen, also auch einen gewissen Beobachtungsinstinkt und wirkliches Kunstgefühl hat. Das ist eine ganz richtige Beobachtung. Diese übrige Dummheit hängt fast immer mit einer Art moralischer Schwäche und mit einem grübelnden Egoismus zusammen. Er scheint sich nicht auf­raffen zu können, um aus sich selber zu kommen. Welchen Aufschluß kann geisteswissenschaftliche Betrachtung über eine derartige Ver­anlassung geben? Wie soll der Lehrer einen solchen Schüler behandeln, um an ihm zwar auch die intellektuellen Fähigkeiten, vor allem aber die moralische Stärke zu entwickeln, die Kraft, seine eigenen Ent­schlüsse auszuführen?

doordat de geesteswetenschap vruchtbaar kan zijn voor de opvoedkunst, zal iemand op velerlei terrein de ogen opengaan, die daar anders zeker voor gesloten blijven. Dan kom ik op een andere buitengewoon interessante vraag:
Op iedere basisschool, met name op jongensscholen, vind je gewoonlijk op z’n minst een jongen, die zonder ook maar een beetje zwakbegaafd te zijn, toch bij ieder vak zich buitengewoon dom voordoet, maar wel een merkwaardige aanleg voor tekenen heeft, dus ook een bepaald waarnemingsinstinct heeft en een echt gevoel voor kunst. Dat is een heel goede waarneming. Die andere domheid hangt bijna altijd samen met een soort morele zwakte en met een piekerend egoïsme. Hij schijnt er niet toe te kunnen komen, niet zo op zichzelf gericht te zijn. Wat kan geesteswetenschap zeggen over wat daarvan de oorzaak is? Hoe moet de leerkracht zo’n leerling behandelen om hem toch ook de intellectuele vaardigheden bij te brengen en vooral te helpen moreel sterk te worden, kracht te ontwikkelen om zijn eigen voornemens uit te voeren?

Nun, diese Frage ist an mich gestellt worden. Wenn ich einer solchen Frage gegenüberstehe, dann habe ich immer gerade dann, wenn eine solche Frage so konkret, so individuell aus dem Leben herausgestellt ist, das Gefühl, in gewissem Sinne vor unübersteiglichen Schranken zu stehen. Versucht man durch Geisteswissenschaft in die Tatsachen der Welt einzudringen, dann hört eben der Hang zu mancher Oberfläch­lichkeit auf, dann gestattet einem die Gesinnung, die sich aus diesen geisteswissenschaftlichen Betrachtungen ergibt, nicht, die Dinge leicht­hin zu nehmen. Und zunächst hat man manchmal bei geisteswissenschaft­licher Betrachtung gerade gegenüber solchen elementaren Fragen, gegen­über denen mancher mit Theorien nur so sprudelt, alles mögliche zu sagen weiß, das allerbeklemmendste Gefühl. Man weiß, so sehr man auch herumspintisiert und herumphilosophiert, so kommt man doch nicht in die besondere Gestaltung dessen, was zur Antwort führt, weil das Leben die individuellen Tatsachen fast immer eben auch ganz in­dividuell zeigt, mit den ganz besonderen Nuancen zeigt, und man diesen Nuancen erst beikommen muß. Und sehen Sie, da wird man gerade bei Geisteswissenschaft im strengsten Sinne immer wiederum nur auf die Erfahrung geführt, um aus der Erfahrung heraus zu ringen mit der Beantwortung solcher Fragen.

Wel, deze vraag werd mij gesteld. Wanneer ik naar zo’n vraag kijk, dan heb ik altijd juist dan, wanneer zo’n vraag zo concreet, zo individueel uit het leven gesteld wordt, het gevoel op een bepaalde manier voor een niet te nemen hindernis te staan. Wanneer je probeert met geesteswetenschap door te dringen in wereldse zaken, dan houdt de hang naar sommige oppervlakkigheden op, dan laat de stemming die uit deze geesteswetenschappelijke beschouwingen voortvloeit, niet toe de dingen lichtvaardig op te vatten. En dan krijg je vaak bij geesteswetenschappelijke beschouwingen juist wat zulke elementaire vragen betreft, waarover menigeen maar zo’n beetje z’n theorieën spuit, al het mogelijke te berde weet te brengen, een allerbeklemmends gevoel. Je weet, hoe je er ook over prakkizeert en filosofeert, je komt toch niet tot een vorm van iets wat naar een antwoord leidt, omdat het leven de individuele feiten bijna altijd ook individueel laat zien, met heel bijzondere nuances laat zien en dat je eerst greep moet krijgen op deze nuances. En ziet u, juist bij geesteswetenschap word je rigoreus steeds weer naar de ervaring gewezen om uit die ervaring een antwoord op zulke vragen te vinden.

blz. 118

Nun möchte ich Ihnen zeigen, wie man versucht, die Wege zu finden, um solch unübersteigliche Hindernisse ein wenig zu überwinden, wie sie dann vorliegen, wenn sie einem vom Leben selber gerade gegeben werden. Mir ist bekannt geworden ein Knabe – ich konnte dann auch ihn verfolgen als jungen Mann -, der eine merkwürdige Willens­schwäche hatte, der es zum Beispiel durch seine Willensschwäche dahin bringen konnte, daß er an der Straße stand, sich vorgenommen hatte, in die Tram Nummer so und so einzusteigen, um dort und dorthin zu fahren. Wenn die Tram herankam, so konnte er nicht den Willen auf­bringen, einzusteigen. Er hatte alle Gedanken, um seinen Weg mit Hilfe der Tramway zu machen, aber er konnte nicht einsteigen. Er stand noch da, wenn die Tram schon vorüber war. Mir wurde eben ein solcher Knabe, der dann junger Mann geworden ist, bekannt, ein außerordentlich intelligenter, fortgeschrittener junger Mann, und ich stand vor einem Rätsel zunächst. Das Rätsel löste sich in einer ganz merkwürdigen Weise. Ich wurde aufmerksam darauf, daß der Vater dieses Knaben, den ich nun auch kannte, die Ansicht hatte, es war seine Weltansicht, daß es eigentlich nicht zu den Seeleneigenschaften gehört, den Willen zu entwickeln.

Nu zou ik u willen laten zien hoe je probeert wegen te vinden om dit soort onoverkomelijke hindernissen een beetje te overwinnen die je tegenkomt wanneer het leven die zelf voor je opwerpt. Ik kende een jongen – ik kon hem ook volgen als jongeman -, die een merkwaardige wilszwakte had, die door zijn wilszwakte zover kon komen dat hij op straat stond en zich voorgenomen had tram zus of zo te nemen om hier of daar heen te gaan. Als de tram dan aankwam, kon hij het niet opbrengen, in te stappen. In gedachten kon hij dat ritje met de tram wel maken, maar hij kon niet instappen. Hij stond er nog, als de tram al weer weg was. Zo’n jongen leerde ik dus kennen en jongeman geworden, bekend, een buitengewoon intelligente, ontwikkelde jongeman en ik stond aanvankelijk voor een raadsel. Dit raadsel werd op een heel merkwaardige manier opgelost. Ik ontdekte dat de vader van deze jongen, die ik nu ook kende, de opvatting koesterde – het was zijn wereldbeschouwing – dat het eigenlijk niet tot de eigenschappen van de ziel behoort om de wil te ontwikkelen.

Es war eben eine Anschauung. Die Gedanken konzentrierten sich also darauf, gewissermaßen den Willen von den Seeleneigenschaften hinweg zu diskutieren. Nun hatte man den Weg: Der Vater war so geartet, daß diese seine Anschauung noch durchaus nicht Natur wurde, daß sie noch nicht die Organe ergriff. Beim Sohn war dasjenige, was beim Vater Gedanke war, habituell ge­worden. Dadurch war selbstverständlich auch die Möglichkeit gegeben, daß dasjenige, was der Sohn nun durch die Vererbung mitbekommen hatte, sich noch verstärkte dadurch, daß er immer hörte Gedanken, die vielleicht nicht gerade das aussprachen, daß der Wille nicht zu den Seeleneigenschaften gehört, aber die doch so waren, daß eben diese An­schauung dahinter steckte. Und so leben sich Menschen in das Leben herein durch sehr, sehr komplizierte Verhältnisse.
Erst dann, wenn man am individuellen Fall richtig geführt wird, ist man, möchte ich sagen, urteilsreif, die Sache in einer etwas univer­sellen Betrachtung zu erfassen. Ich könnte natürlich noch manchen anderen Fall erwähnen. Man kann dann sehen, wie es in der mensch­lichen Natur liegt, wirklich mit einer gewissen Gliederung die drei Seelenfähigkeiten zu entwickeln: Vorstellen, Fühlen, Wollen. Aber es ist so, daß immer vom Fühlen etwas in unsere Gedanken übergeht.

Het was nu eenmaal een opvatting. De gedachten concentreerden zich dus op, in zekere zin, de wil weg te discussiëren van de ziel. Nu zag je de gang van zaken: bij de vader was het zo, dat zijn opvatting nog geen natuur was geworden, dat die nog geen bezit had genomen van de organen. Bij de zoon was wat bij de vader gedachte was, gewoonte geworden. Daardoor was vanzelfsprekend ook de mogelijkheid gegeven dat wat de zoon nu door de erfelijkheid meegekregen had, nog versterkt werd door steeds de gedachten te horen waarin misschien nog niet eens uitgesproken werd dat de wil niet bij de ziel behoort, maar die toch zo waren dat die opvatting daarachter stond. En zo komen mensen in het leven te staan onder zeer, zeer gecompliceerde omstandigheden.
Pas wanneer je in het individuele geval op het juiste spoor zit, ben je, zou ik willen zeggen, rijp voor een oordeel om zo iets op een universelere manier te bevatten. Ik kan natuurlijk nog veel andere gevallen aanroeren. Je kan dan zien, hoe het iets van de menselijke natuur is, werkelijk met een bepaalde indeling de drie zielenvermogens te ontwikkelen: voorstellen, voelen en willen. Maar het is zo, dat altijd van het gevoel iets naar het denken gaat.

blz. 119

Wir haben nie eigentlich ein ganz reines Denken, außer wenn wir uns streng dazu selbst erziehen, und außer dem, wenn wir uns Idealen der Moral hingeben oder der Religion. Aber im gewöhnlichen Leben, im Denken über die Außenwelt, im Zusammendenken mit anderen Men­schen haben wir immer nur Vorstellungen, die von Gefühlen durch­setzt sind. So daß wir sagen können: Unsere Vorstellungen sind ge­fühlsverwandt. Unsere Gefühle spiegeln dadurch gerade, weil sie von dem Vorstellen wieder angeregt sind, die Artung des Vorstellungs­lebens wider. Unser Wille ist auf der anderen Seite in einem Wechsel-verhältnis wiederum zum Fühlen. Es ist ein großer Unterschied zwi­schen Wille und Wille. Der Wille kann ein, ich möchte sagen, mehr neutraler Impuls sein, oder er kann von Gefühlswärme durchzittert sein. Aber dieses Verhältnis ist so, daß es bei gewissen menschlichen Veranlagungen dazu kommt, daß sich das Gefühl auf Kosten des Wil­lens verstärkt, daß die Verwandtschaft zwischen Fühlen und Wollen so hervortritt, daß das Fühlen den Löwenanteil erhält und das Wollen zu kurz kommt. Bei solchen Menschen tritt dann in der Kindheit das auf, daß sie dasjenige, was eigentlich in den Willen übergehen soll, im Gefühl zurückbehalten; und dann begnügen sie sich mit dem Bilde der Hand­lung und schreiten nicht zur Handlung vor.

We hebben eigenlijk nooit helemaal alleen het denken, behalve wanneer we onszelf daar stringent toe ontwikkelen, wanneer we ons wijden aan morele idealen of aan godsdienst. Maar in het gewone leven, in het denken over de buitenwereld, in wat andere mensen denken, hebben wij steeds alleen maar voorstellingen die met gevoel doortrokken zijn. Zodat we kunnen zeggen: onze voorstellingen zijn gevoelsverwant. Onze gevoelens spiegelen juist omdat ze door het voorstellen gestimuleerd worden de kleur van de voorstellingen weer. Onze wil is aan de andere kant weer in een wisselwerking met het gevoel. Er is een groot verschil tussen wil en wil. De wil kan een – ik zou willen zeggen -meer neutrale impuls zijn of hij kan met gevoelswarmte doortrokken zijn. Maar deze verhouding is zo, dat het bij een bepaalde menselijke aanleg ertoe komt, dat die verwantschap tussen voelen en willen zo op de voorgrond treedt, dat het gevoel het leeuwendeel inneemt en het willen tekort komt. Bij zulke mensen doet zich dan in de kindertijd voor, dat wat eigenlijk in de wil moet komen, in het gevoel blijft hangen; en dan nemen ze genoegen met het beeld van de handeling en komen niet tot de daad.

Das sind die Menschen, von denen hier geredet wird. Wir müssen dann solche Kinder beobach­ten, inwiefern ihr Gefühl gerade auf dies oder jenes stark reagiert und müssen gerade bei solchen versuchen, nicht nur dem Zeichnen zu frö­nen, sondern vor allen Dingen das Kind auf das hinweisen, was den ganzen Menschen in Bewegung bringt.
Da möchte ich darauf hinweisen, daß gerade auf solche Kinder, die in dieser Art moralische Schwäche zeigen, ein beseeltes Turnen, wie ich es als Eurythmie geschildert habe, gesundend wirkt, vorausgesetzt, daß diese Eurythmie’ bei welcher der Mensch nicht nur mit der Hand zeich­net, sondern sich selber in den Raum hineinzeichnet, den Kindern in der Zeit bis zum 9. Lebensjahr beigebracht wird.
Und so handelt es sich darum, daß man die Wechselwirkung der menschlichen Fähigkeiten ins Auge faßt. Dann wird man, wenn man lernt, das Leben zu beobachten, auch dazu kommen, die Einflüsse, die man auf das Kind wirken läßt, so zu gestalten, daß die Kräfte der Seele und des ganzen Menschen in das entsprechende Wechselspiel ge­bracht werden. Allerdings, da darf ich noch erwähnen, heute zum Schlusse, daß geisteswissenschaftliche Schulung eben, wenn sie richtig

Dat zijn de mensen over wie hier wordt gesproken. We moeten zulke kinderen waarnemen in hoeverre hun gevoel juist op dit of dat sterk reageert en moeten bij hen proberen dat ze zich niet alleen aan het tekenen overgeven, maar bovenal het kind erop wijzen wat de hele mens in beweging brengt.
Dan wil ik er nog op wijzen dat juist op zulke kinderen die op deze manier een morele zwakheid vertonen, een bezielde gymnastiek zoals ik die als euritmie heb geschetst, gezondmakend werkt, vooropgesteld dat deze euritmie waarbij de mens niet alleen maar met de hand tekent, maar zichzelf in de ruimte tekent, kinderen in de tijd tot het 9e jaar bijgebracht wordt.
En zo gaat het erom dat je de wisselwerking tussen de menselijke vermogens onder ogen ziet. Dan zul je, wanneer je leert het leven waar te nemen, ook in staat zijn de invloed die je op het kind uitoefent, zo vorm te geven dat de kracht van de ziel en van de hele mens in dat wisselspel gebracht wordt. En zeker mag ik nog noemen, vandaag tot slot, dat geesteswetenschappelijke scholing juist, wanneer ze goed

blz. 120

von dem Menschen gehandhabt wird, dazu führt, das Leben zu be­obachten. In der Regel vergißt man die wichtigsten Tatsachen des Le­bens, oder man findet nicht den richtigen Rhythmus zwischen Humor und Ernst. Man hat nicht den richtigen Rhythmus gefunden, wenn man über einen jungen Menschen, an dem die Tramway vorbeifährt, bloß lacht. Er ist gewiß ein Objekt des Humors, aber man muß von dem Humor zum Ernst übergehen können; dann gliedert sich eine solche Sache mit den anderen Tatsachen des Lebens zusammen, dann lebt die Seele in uns, die mit dem Leben zusammenwachsen soll. Und es wird keiner eine solche Betrachtung über einen Menschen, auch wenn er in dieser Weise dasteht, genügend ernst nehmen können, der nicht auch den nötigen Humor aufbringt. Aber er darf nicht bei dem einen oder bei dem anderen bleiben. Eine solche Lebensbetrachtung, die ist dasjenige, was insbesondere dem Erzieher und Unterrichter notwendig ist. Die ist aber auch dasjenige, was bei richtiger geisteswissenschaft­licher Selbsterziehung wirklich in uns herangebildet werden kann.
Davon werde ich mir erlauben, im nächsten Vortrag zu sprechen.

door de mens wordt uitgeoefend, ertoe leidt het leven waar te nemen. In de regel vergeet je de belangrijkste feiten uit het leven of je vindt niet het juiste ritme tussen humor en ernst. Je hebt niet het juiste ritme gevonden, wanneer je alleen maar lacht om een jong mens aan wie de tram voorbijrijdt. Hij is zeker een object voor humor, maar je moet van humor naar ernst kunnen overstappen; dan komt zoiets met de andere zaken van het leven samen; dan leeft de ziel in ons die met het leven samen moet groeien. En niemand zal een dergelijke beschouwing over een mens, ook wanneer hij op deze manier erin staat, ernstig genoeg kunnen nemen, die niet ook de nodige humor op kan brengen. Maar hij mag niet bij het een of het ander blijven staan. Een dergelijke beschouwing over het leven is in het bijzonder voor de opvoeder en de leraar noodzakelijk. Die is tevens ook datgene wat bij een goede geesteswetenschappelijke zelfopvoeding in ons ontwikkeld kan worden.
Daarover wil ik dan in de volgende voordracht verder spreken.

.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 7e voordracht (Duits)

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1313-1226

.

.