Categorie archief: nederlandse taal

VRIJESCHOOL – 7e, 8e klas – taal: opstellen in ‘stijl’ (2)

.
Dit artikel is het vervolg op ‘deel 1’. Ik heb het in de oorspronkelijke spelling laten staan. 

OPSTELLEN VAN KINDEREN. (Vervolg)

In het vorige nummer van „Ostara” kon ik aan de hand van eenige voorbeelden van kinderopstellen laten zien op welke wijze door mij werd getracht de kinderen te oefenen in het gebruiken van hun taal en het vinden van een stijl, die de noodige soepelheid heeft.

Voor de 8e klas van de „Vrije School” staat voorgeschreven als vervolg van wat in de 7e klasse geoefend werd, het schrijven van zakenbrieven. Het waardevolle van wat Dr. Steiner in het leerplan voorschrijft, blijkt ook weer hier. De kinderen, die geleerd hebben, scheppend te werken met de taal, zoodat zij allerlei gevoelsmanieren kunnen uitdrukken, moeten nu leeren dit ook te doen, daar waar de meest vastgelegde uiterlijke vorm bestaat, zooals in de zakenbrieven.

De uiterlijke vorm is een oefening voor de zorgvuldige en correcte afwerking. De inhoud van een zakenbrief is het resultaat vaak van zeer fijne gevoelsnuancen, zooals die in de zakenwereld kunnen bestaan tusschen een handelsman en zijn leveranciers eenerzijds en cliëntèle anderzijds.

Drie voorbeelden mogen dit demonstreeren, namelijk een van een sollicitatiebrief (geheel eigen fantasie van het kind), een reclamebrief (idem), en een antwoord op een reclamebrief (idem).

Tiende voorbeeld

Zeer geachte Heer,

Naar aanleiding van Uw advertentie ben ik zoo vrij mij aan te bieden als typiste. De H. B. S. is door mij afgeloopen, waarna ik op het Instituut Schoevers het diploma voor machineschrijven behaalde.

Later woonde ik een jaar te Amsterdam en werkte daar als typiste op het handelskantoor van mijn oom, de Firma Pietersen. In September 1926 deed ik examen stenographie en slaagde, eveneens op het Instituut Schoevers.

Mijn vader, genoodzaakt door een langdurige ziekte te bed te blijven, moest zijn werkzaamheden afbreken. Daar het ziekenpensioen niet toereikend is om in de behoeften van ons gezin te voorzien, ben ik verplicht een betrekking te zoeken om in het noodige te voorzien.

Mijn leeftijd is 24 jaar. Ik ben ongehuwd. Zeer gaarne zou ik met grooten ijver mijn betrekking aanvaarden.

In de hoop op gunstige tijding, verblijf ik

Hoogachtend, uw dw.

MARIE VAN LINT.

Elfde voocbeeld

W. Feldin & Co.
Spui 15
Den Haag
Holland.

Aan den heer F. Wolseley,
8—10 Bloomsbury Square
London W. C. I.

Mijnheer,

Tot onze groote spijt moeten wij U erop opmerkzaam maken, dat de betalingen van de door ons geleverde goederen aan U reeds langen tijd gestaakt zijn.

De posten van het saldo zijn reeds zeer hoog, n.l. £ 8000.— en het is ons zeer onaangenaam, dat de betalingen in den laatsten tijd zoo onregelmatig verloopen.

Daar wij zelf verplichtingen hebben en niet graag zoolang laten wachten, hebben wij reeds eenige zeer waardevolle papieren moeten verkoopen, terwijl anders deze verplichtingen door Uw betalingen gedekt zouden zijn.

De langste termijn, die wij nu nog kunnen stellen is één maand. Wanneer aan de verplichtingen dan nog niet voldaan is, zullen wij, hoewel het ons natuurlijk zeer onaangenaam zal zijn, ertoe moeten overgaan, de betrekkingen, die toch reeds zeer langen tijd bestaan hebben, te verbreken.

Door deze omstandigheden hebben wij de voordeelige aanbiedingen, aan Uw concurrenten gedaan, zooals o. a.

100 kisten kalfshuiden a £5.— per kist c. & f.
150 kisten rundleer a £ 7.— per kist c. & f.

met zeer voordeelige betalingsvoorwaarden, aan U tot onze spijt niet kunnen doen.

In afwachting van Uw spoedige betaling, waarop wij nogmaals ten zeerste aandringen, verblijven wij

Hoogachtend, uw dw.

W. FELDIN

Twaalfde voorbeeld

Antwoord op een reclamebrief.

‘s-Gravenhage, 2 Oct. 1926.

Aan de Firma A. L. Pietersen & Zn
Maasstraat 100
Maastricht.

Mijne Heeren,

Tot onze niet geringe verbazing mochten wij met onze laatste levering Uw zeer op prijs gestelde waardeering en goedkeuring niet wegdragen.

Geen woorden zouden onze spijt over Uw blijkbaar misnoegen ook maar ten halve kunnen uitdrukken.

Niets zouden wij liever doen dan onze jarenlange, geregelde betrekkingen, die de laatste drie maanden verbroken waren, weer, naar wij hopen tot Uw tevredenheid, aanknoopen.

Met groote vreugde sturen wij U daarom onze zeer verlaagde prijscourant.

Zooals U zeker wel zult opmerken, zijn de prijzen van onze Edammer kazen buitengewoon verlaagd.

Met het grootste genoegen willen wij onze eventueele vorige fouten eenigermate trachten te herstellen. Als U ons daarom de eer zoudt willen doen ons Uw grieven over de laatste nakoming van Uw bestelling te willen berichten, zouden wij al het mogelijke willen doen om Uw vroeger vertrouwen te herwinnen.

In afwachting van Uw volgend bericht, verblijven wij

Hoogachtend,

Uw dw.

v. BERGEN & Zn.

Als losse voorbeelden van wat hier en daar bereikt wordt, laat ik nu nog drie kleine stukjes volgen. Het eerste is een gedicht, dat als vrij huiswerk gemaakt werd door een zeer intellectueel meisje; de versbouw in overeenstemming met het luchtige lichte onderwerp; het tweede eveneens een vrij huiswerk van een meer poëtisch aangelegd meisje, het derde een verhaal van wijsheid en verlangen.

Dertiende voorbeeld

Lente.

Lente, lente, jub’len de kinderen;
Lente, lente, fluiten de vogels
Lente, lente, ruischen de boomen;
„Ja de lente is gekomen.

Lente, lente, tingelen de klokjes
Van ’t kleine kerkje in ’t dal;
Ja, zij is het, ja zij is het,
Die ons vreugde brengen zal.

Veertiende voorbeeld

Geur

Nu zijn er de nachten, de nachten vol geurige bloemenadem, en valt er de regen, zachtkens of het niet storen wou de stilte; geen blad beweegt, alleen gaan zij glimmen. Nu is er de Meinacht.

De tuinen worden wakker, daar waar een lichtslijn komt gevallen, soms van een lantaarn, die ver staat, en als een verrassing treedt veel moois naar voren.

Kostbaar lijsterbesboompje staat zoo te prijken, overladen met sneeuwige plekken, de bloemen, waar dat zoete kostelijke uitstroomt, en met den vochtigen bodem en de geurende regen en de wazige regenwolken, die in de nabijheid zijn, en stil bewaakt worden. Want er is nu geen slapen in deze nachten, er is een aanhoudend voorzichtig groeien, een beminnen van het leven.

Vijftiende voorbeeld

Verhaal

Eens heel lang geleden stond er in een groote heide, die ’s zomers hel paarse bloemen had, een oud en bouwvallig hutje. In dit kleine, maar o, zoo gezellige huisje woonden een moeder en zoon. Diram, het zoontje van tien jaar, was reeds mank vanaf zijn geboorte. Zoo lag hij dus maar steeds op een rustbank voor ’t eenige raam, dat het hutje bezat. Dan tuurde hij en dacht over wat daarbuiten te zien was. Over de blauwe lucht, de wuivende dennen en de geurige hei. lederen middag kwam een herder voorbij met zijn kudde wollige schapen en blatende lammetjes en dan vertelde deze man, die reeds grijs en oud geworden was, allerlei verhalen over de bloemen en planten en over de schaapherders met hun kudden, uit vroegere dagen. De jongen vond deze vertellingem erg mooi en hij vroeg aan zijn moeder als zij thuis kwam na een lange dag van werken: ,,Seppo, de schaapherder, is een wijs man, niet waar moeder? Hij weet zooveel te vertellen van alle dieren en boomen en ieder hoekje in ’t bosch, ieder vogeltje kent hij. Dat is toch erg knap, hè? ’t Lijkt altijd net, alsof de schapen hem groeten en de bloemen ook. En weet u dan wel wat hij antwoordt?”
„Nee hoor, dat weet ik niet, mijn jongen, vertel jij ’t mij maar,” antwoordde zijn moeder glimlachend.

„Zoo zoo, mijn schaapjes, lekker geslapen? Goeden morgen, viooltje, goeden morgen, bloemen! Jullie zijn nog heelemaal nat van de dauw.” Dat zegt hij altijd, moeder, en hij is zoo wijs, want ik geloof, dat hij met de vogels kan praten!” riep Diram zijn moeder toe, verrukt, dat hij nu ook eens wat vertellen kon.

Zijn moeder keek met stralende oogen naar zijn blij gezichtje en dacht bedroefd: „O God, zou mijn zoontje nog eens worden zooals andere jongens!”

Op een avond toen zijn moeder hem weer een mooi verhaal voorlas uit den Bijbel, zei Diram in eens: „Moeder, weet u waar ik nu zoo vreeselijk naar verlang?” „Nu, mijn jongen,” was het antwoord.

Toen zei de knaap, terwijl hij haar aanzag met groote droomoogen: „Ik wilde zoo heel erg graag een schaapherder zijn zooals Seppo, de schapen hoeden en de vogels leeren begrijpen. O, als ik dan op de hei zou liggen, dan kon ik luisteren naar de wind, die door de dennen ruischt, naar de bijen, die honing snoepen uit de paarse heibloemen. De vogels zouden dan een liedje voor mij zingen, net als zij bij Seppo doen en dan zou ik in slaap vallen en droomen, heerlijk droomen.

Als het dan donker werd, zou mijn hond mij wekken en dan bracht ik de schapen naar hun kooi. Alles zei mij dan goeden nacht, de vogels, de bloemen en ook de boomen, moeder, die zouden hun kruinen buigen en mij zoo groeten. O, wat zou dat heerlijk zijn om zoo te leven!” Vermoeid zweeg hij en keek moeder aan. Deze knikte, maar zei niets, dacht erover na, dacht.

Diram viel in slaap en alles was stil, doodstil, de vogels zwegen en ’t leek, als overdacht alles het verlangen, dat de knaap geuit had.

Het slot van deze serie zal bevatten eenige opstellen van kinderen over een zelfde onderwerp, opdat men zich ook daarvan een beeld kan vormen, dat niet slechts enkelen een zeker stijlgevoel krijgen, maar bij alle kinderen dit oorspronkelijk gevoel wakker gemaakt kan worden tot op bepaalde hoogte.

M.Stibbe, Ostara vrijeschool Den Haag, 1e jrg.nr.4, 1928

.

deel 1     deel 3      deel 4

Rudolf Steiner: over het schrijven van opstellen

7e klas: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

.

1143-1064

.

VRIJESCHOOL – 7e, 8e klas – taal: opstellen in ‘stijl’ (1)

.

Een artikel  ‘uit de oude doos’, maar zoals zo vaak dan, zou het ook van veel recentere datum kunnen zijn. (Ik heb de spelling niet aangepast).
Wat Rudolf Steiner belangrijk vond bij het maken van opstellen was vooral het navertellen van wat er in de les behandeld is. En eigenlijk geen ‘vrije’ opstellen.
Maar in klas 7 en 8 wordt ook ‘stijl’ behandeld. en daarbij wordt het opstel vrijer, maar houdt zijn directe verband naar de opdracht: in een bepaalde stijl!

Hier zien we er voorbeelden van:

OPSTELLEN VAN KINDEREN

In het Anthroposophisch onderwijs trachten we alle vermogens die in den mensch sluimeren tot ontwaken te brengen. Tot de belangrijkste menschelijke vermogens rekenen we de taal. Want door de taal onderscheidt de mensch zich van de dierenwereld. Hoe bewuster de taalgeest in hem werkt, hoe hooger .hij zich leert verheffen boven het dierlijke in de natuur en in zich.

In dit kort bestek kan ik niet uitweiden over voorbereidende oefeningen tot het gebruiken van de taal. Dat hierbij het totaal van het onderwijs een groote rol speelt, en vooral het doen van onze spreekoefeningen en recitatie, grammaticale oefeningen en zang van beteekenis zijn, worde alleen vermeld. Het meest danken wij echter de Eurhythmie.

De Eurhythmie geeft onze oud geworden taal nieuw leven en verheft de klanken in het bewustzijn. Een kostbaar geschenk is zij daarom voor den paedagoog en verder voor ieder die het menschelijke opnieuw zou willen trachten vol in zich aan te kweeken.

Wanneer een kind op jonge leeftijd met liefde heeft kunnen leeren de elementen van de taal, doordat de onderwijzer iets heeft verstaan van wat de geest van de taal te openbaren heeft, kan het later met eenig bewustzijn de taal in zijn vele vormen gebruiken, ermee beeldhouwen, plasticeeren, in één woord: styleeren. En dan niet zoo, dat het één bepaalde stijl zou ontwikkelen, maar dat het zijn stijl kan aanpassen aan het te behandelen onderwerp.

Ik geef enkele kleine voorbeelden van oefeningen gemaakt door kinderen van 13—14 jaar oud, uit een zevende en achtste klas van de „Vrije School”.

Eerste voorbeeld:

Een gevoel van kracht en geweld, in de zinsbouw zich uitdrukkend door korte, desnoods afgebroken zinnen; onderwerp opgegeven.

Het begin van den tachtigjarigen oorlog

De oorlog is uitgebroken! Godsdiensttwisten woeden onder ’t volk. Onschuldigen worden vermoord, veroordeeld wegens ketterij. Arglist en wrok, haat en venijn besluipen de menschen en dwingen tot gruwelijke daden. Soldaten verbranden, verwoesten, vernielen de dorpen en steden. De aarde dreunt. Rivieren overstroomen, menschen verdrinken. De winter komt met groote strengheid en doet de wateren bevriezen. De legers kunnen erom trekken en dringen verder het geteisterde land binnen. Hongersnood brengt pest, cholera en typhus. Moedige mannen offeren zich op voor hun land. Zoo is het land in beroering.

Tweede voorbeeld:

idem; onderwerp opgegeven.

Arabië

Een zonnevuurgloed stroomde van den helderen blauwen hemel. Daar ginds in de verte komen de Bedouïnen. De Arabieren met hun fladderende zwarte haren. Daar komen zij met hun kameelen, hun koopwaren; de schatten die zij gestolen of verdiend hebben. Gestolen hebben zij; hun heele leven, en hun heele leven verder zullen zij het doen. Hun buit geladen op de afgematte kameelen voeren zij mee naar Mekka, de heilige stad. Gloeiend en brandend schijnt de zon, maar zij merken het niet. Zij, de gebronsde Oosterlingen. Naar Mekka gaan zij! Naar Mekka, waar Mohammed eens leefde. „Naar Mekka!” roepen zij elkaar toe. Daar komen zij!

Derde voorbeeld:

idem; onderwerp vrij.

Bedouïnen Krijgszang.

Wild stuift het zand en de zon schijnt hel,
Woest is de mensch en zijn oog blinkt fel.
Woedende blikken vol wilden haat!
„Dooden zal ik dien onverlaat!”

„Dood is mijn vrouw, en dood is mijn kind,
Waar ik mijn huis en mijn schatten vind.”
Woedende blikken vol wilden haat!
„Dooden zal ik dien onverlaat!”

Vlug op het paard en in wilden galop
Zoekt hij den vijand zijn harten op.
Woedende blikken vol wilden haat!
„Dooden zal ik dien onverlaat!”

’t Strijden begon en het maanvormig zwaard
Hieuw met één slag.zijn vijand ter aard.
’n Zegevierende blik over deze daad!
„Gedood heb ik dien onverlaat!”

Vierde voorbeeld:

Een gevoel van rust, uitgedrukt in langer geconstrueerde zinnen; onderwerp gegeven.

Stiltestemming

Langs de blauwe hemel dreven de wolkjes als groote lichte vogels. Zacht wandelde ik langs het paadje om de zomergeluiden niet te storen. Overal in de groene weide bloeiden de helgele en roode bloemen. Even talrijk bijna als de bloemen lagen daar tusschen het gras de koeien slaperig te herkauwen. Een beetje verbaasd keken ze naar mij, die hier vreemd leek. Ik wilde niet vreemd zijn, erbij hooren en luisteren naar de weinige en jubelende tonen van den zomerdag. Hoog in de lucht dreef een vogel zeilend over den wind, zacht kweelende. Lammetjes blaatten en rolden als witte balletjes over de hei, heel in de verte. De warmte maakte mij loom en ik werd slaperig. Ik droomde van den blauwen hemel, de zingende vogel en de bloeiende aarde vol groen en lichte kleuren, rustige en levendige dieren.

Vijfde voorbeeld:

idem, onderwerp vrij:

Als vader weg is.

De zon kwam op en bescheen met haar roode gloed de bergen en heuvels, waarop veel bloemtuinen en rijstvelden lagen uitgespreid. Op het meer dreef een prauw, waarin een jongen van veertien eentonig en weemoedig zingend op en neer wiegelde. Hij is in gedachten verdiept. Straks gaat vader weg. Naar de zee om parels te vangen en geld te verdienen voor hem en zijn zusjes, Adinda en Vaisala. Wat zal het eenzaam zijn zonder vader, maar Saidja werkt toch bij zijn Heer Banoeman op de plantage. Adinda zal hem opwachten in plaats van vader. Zij zullen met hun drieën eten en Saidja zal in plaats van vader het avondgebed opzeggen. Hij zal ook niet meer met vader kunnen wandelen. Maar des te prettiger zal het zijn als vader weer thuis komt. Saidja zal hard werken en aldoor denken dat het voor vader is. Ja, dat zal hij doen.

Zesde voorbeeld:

Een kort stuk proza, zoo geconstrueerd, dat het rustig vertellend begint (met langer uitgewerkte zinsbouw), dan heftiger en bewegelijker wordt (met kortere zinsbouw) en dan weer afneemt in kracht (langere zinsbouw). Deze lijn geeft weer het innerlijk beeld van de opgave:

klas 7 taal 2
De Storm

Eindeloos ruischt de geweldige zee, af en aan vloeien de golven in rustige kabbeling tegen het geelwitte strand. Maar aan den blauwen horizont pakken dikke wolken samen: groot, grauw en dreigend. Al nader en nader komen ze. De wind steekt op en giert in huilende vlagen over de zee. De golven worden opgezweept en ruischen huizenhoog naar den donkeren hemel. Hooger en hooger! Bliksemschichten: flikkeren, donderslagen ratelen! Het water bruischt en kookt en woelt. Het stijgt en stijgt. Groote vloedgolven verzwelgen den dijk. Het achter gelegen dorp wordt overstroomd. In den donkeren nacht drijven menschen en dieren naar de onmetelijke wijdte. Den volgenden dag schijnt de zon weer, stralend van licht boven de golven. Meeuwen vliegen krijschend rond en begeleiden den doodenzang, die de zee zingt.

Zevende voorbeeld:

Het omgekeerde van het vorige, dus volgens deze lijnL

klas 7 taal 3

Strijd

Wild huilden de Germanen! De vrouwen krijschten! De dierenvellen om hun gespierde lichamen slingerden in wilden cadans. De koehoorns bulderden. Speren sloegen met duivelsch geweld tegen de schilden. De volksstam had een verschrikkelijken dag gekozen. De hemel was zwart. Donderslagen rommelden. De bliksem verlichtte alles spookachtig. Thor streed ook! Wodan reed op zijn ros door de wolken. De strijd begon. De mannen sloegen hun knotsen op elkaar. Een verslapping kwam over de mannen. Reed Wodan niet meer op zijn achtvoetig ros? Wapenstilstand. Door niets werd de stilte verbroken dan door het tandenknarsen der moedige gewonden. De vrouwen zochten de gewonde strijders op, terwijl de honden klagelijk huilden. Triestig krijschend vlogen raven over het slagveld. Maar toen vlamde de haat weer op! De vrouwen maakten helsche geluiden! De mannen spoorden elkander aan! Met geweldige eikenwortels verbrijzelden de stammen de hersens der tegenstanders. Bloed spatte overal! En Thor sloeg met zijn hamer op de wolken en lachte bulderend.

Achtste voorbeeld:

idem.

Offeren

Hai! Hai! Uitzolopochtli! Uitzolopochtli! Gr! Gr! Hai! Woedend krijschend loopt een groote Mexicanentroep voor een priester uit. Ha! Wraak, bloedwraak! Daar bereiken ze den tempel, waar sidderend een Tlaxcalaansche koning op een wissen dood wachtte. Hij wachtte al uren en uren. Eindelijk klonk de groote klok en de troep kwam aan. De priester vooraan, dan een woedende menigte. Langzaam liep de priester op den koning toe; het blinkend mes flikkerde.
Bons, rrt, klets; de Tlaxcalanen waren Mexico binnengerukt. Eindelijk gewroken. Waar was hun koning? Daar! Daar, in den tempel! Zij stormden op den tempel toe, bevrijdden hun koning. Gaven hem een zwaard. Zijn oogen flikkerden van moordlust! Reng, daar vloog een hoofd, daar een arm! Bloed droop! De harten vlogen rond! Zwaarden kletterden. Speren suisden! Ha! Heerlijk!

Negende voorbeeld:

Stemmingsbeeld, hoofdzakelijk in zich dragend een element van bewondering, dat zich uit in constructies van hoofdzinnen met bijzinnen; belangrijk is hierbij dat de kinderen leeren, zelfs waar zij uit stemming schrijven, met bewustheid de taal te hanteeren. Dit voorbeeld moge hiervoor dienen!

Zonsondergang

Op een mooie zoele zomeravond ging ik naar het strand om de zonsondergang te zien. Stil lag de zee, heelemaal stil, in een geheimzinnig lila licht gehuld. Kleine zeilscheepjes dreven als ranke lichte meeuwen over het water. De ondergaande zon, schitterend geel en rose, bescheen ze met een glanzend licht. Kleine witte wolkjes lagen als een poort om de glanzende zon heen. Lang kon ik kijken naar dit schitterende geel en goud. Het licht, dat daar zoo mooi en verheven scheen, vol prachtige kleuren, leek mij de ingang naar iets wat onbereikbaar is voor den mensch. Pas als het leven is verdwenen, dan kan de ziel door deze poort van licht en heerlijkheid naar het paradijs gaan. Moeilijk is het om dit te bereiken, veel goed moet er gedaan worden, eer men het betreden mag. Nog steeds stralend rose, lila en oranjegeel was daar de zon. De gekleurde wolkjes werden donkerder en de aarde hulde zich in nachtelijk duister. Donkerder werd de hemel, de gloeiende bol van licht zonk weg in de zee en de lucht werd donker blauw, violet en een weinig helrood. Als een nietig menschenkind was ik nu onder het naar huis gaan. Heelemaal nog onder den indruk ging ik weg; de boomen, waar ik langs kwam, leken zoo groot en donker; de duinen waren geheimzinnig, zoo heel anders dan overdag. Toen ik thuis kwam, dacht ik nog lang over die hemelpoort van goud en rose en ’s nachts droomde ik van die zonsondergang en zijn geheimzinnige kleuren en indrukken. Nietig is de mensch, vergeleken bij zooveel grootheid en kleurenpracht.

.

M.Stibbe, Ostara, vrijeschool Den Haag, 1e jrg.3  jan. 1928

deel 2   deel 3   deel 4

Rudolf Steiner: over het schrijven van opstellen

7e klas: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

.

1139-1060

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – Nederlands – grammatica

 

GRAMMATICA IN DE DERDE KLAS

“In het begin schiep God de hemel en de aarde” –
Dat werd de kinderen één van de eerste dagen in de derde klas verteld. Heel het wonder van de schepping werd beleefd.
Er werd over getekend en geschilderd; gereciteerd en gezongen.

Tenslotte het hoogtepunt: de schepping van de mens. van Adam, die verwonderd en verheugd om zich heen kijkt.

“God gaf Adam het woord in de mond en Adam gaf namen aan al wat bestond. “

God zei tegen de mens’ “Heers over vogels, vissen en kruipende dieren, vervult de aarde en onderwerpt haar.”

En begint het heersen niet met het kunnen benoemen?

Adam geeft de vogels, vissen, -alle dieren, planten en dingen hun naam-
Vol vreugde gaat hij rond en geeft alles zijn naam, maar geen dier, hoe tam ook, geen plant of steen, kan daarop reageren.

Daarom geeft God aan Adam iemand die bij hem past- En met Eva gaat Adam nogmaals rond.

“Kijk Eva, dat is een leeuw. En nu krijgt hij antwoord van Eva? Wat een machtige leeuw is dat.”
En  “Daar in de verte staat een berg.” Eva antwoordt: “O, wat een hoge berg.”

“Hier staat een boom,” zegt Adam- “Wat is die boom dik“, roept Eva verbaasd.

De kinderen bedachten tientallen zinnetjes met “Adamwoorden” en steeds wist een ander te antwoorden met een “Evawoord” in de zin.

Toen Kaïn gevlucht was na de moord op zijn broer Abel, was hem door God voorspeld, dat de aarde niet zomaar vrucht zou geven. Dus Kaïn moest aan de slag: van alles moest hij doen: ploegen, eggen, zaaien, spitten. Zijn zonen, Jabal, Jubal en Tubal-Kaïn, gingen tenten maken, musiceren en smeden. Dit hebben we allemaal Kaïnwoorden genoemd, al deze dingen die je doet.

In het schrift laten we dit allemaal zien met kleuren. De Adamwoorden omcirkelen we met blauw, de Evawoorden met groen, de Kaïnwoorden met rood.

In.een liedje of recitatie gebruiken we onze armen en benen- Bij de Evawoorden strekken we onze armen in een open, verwonderd gebaar, bij Adamwoorden klappen we in de handen en bij een Kaïnwoord geven we een stevige stamp op de vloer.

Op deze manier trachten we de kinderen de wereld van de grammatica binnen te voeren, niet intellectueel wetend, maar belevend, door een gevoelsmatige verbinding te krijgen met de woordsoorten.

Noor Roes, vrijeschool Amsterdam, nadere gegevens onbekend

3e klas: alle artikelen

liederen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas

1013-939

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – naamvallen

.

“GEVALLEN” EN “NAAMVALLEN” IN ONZE HEDENDAAGSE TAAL
.

Ons taalonderwijs is in eerste aanleg geheel gebaseerd op spreken en luisteren. Het schriftelijk taalonderwijs – ten onrechte voor het enige belangrijke versleten – gaat eigen wegen om zich via het tekenen tot schrijven te vormen en uitdrukking voor taal op papier te worden. Wanneer de vereniging van schrijven en spreken, van luisteren en lezen heeft plaatsgevonden is een belang­rijke nieuwe fase in het taalonderwijs gekomen. Er ont­staan vragen bij het kind. Hoe zit de taal “in elkaar”? Met de zich verscherpende bewustzijnskrachten is het vragen naar het hoe en wat gerechtvaardigd.
Dan komt de vraag naar de structuur van de taal te voor­schijn. Onbewust spreekt via de nabootsing elk kind ver­staanbare en begrijpelijk gevormde zinnen. Maar het kind is er in de vierde klasse aan toe bewust te gaan onder­scheiden, wat een zin is en daarbij te gaan beseffen, wat onzin is.

Eerst gaat het in hoofdzaak om het gebruik van de goede woorden en het onderscheiden van woordsoorten. Maar vanaf de vijfde klas komt geleidelijk een aantal struc­tuurwetmatigheden te voorschijn, die onderscheiden, herkend en gehanteerd  dienen te worden.
In een zin komen zinsdelen voor die niet uit één woord be­hoeven te bestaan. Het onderkennen van die zinsdelen wordt meestal “ontleden” genoemd. Dit is in de taal eigenlijk een onsmakelijke term, die meer aan artsenijkunde en de snijzaal herinnert.
Het is meer een rubriceren en herkennen van belangrijke zinsdelen. Zij worden immers niet opgegeten of weggegooid, maar verbonden met elkaar.

Het typische van die zinsdelen is, dat hun waarde, ongeacht hun plaatsing in de zin, onaangetast blijft voor het vatten van de structuur. Er steekt iets achter.
Men noemt dat “naamvallen”.

Een collega, niet de eerste de beste overigens, leerde, dat naamvallen in de Nederlandse taal niet voorkomen. Een aanvechtbare bewering. Er zijn wel degelijk aparte ge­vallen, waarin een woord in een zin kan voorkomen. Voorbeeld: ik geef hem iets, de hoed van hem, ik ga naar hem. Onjuist is (zonder naamvallen)  “ik geef hij iets, de hoed van hij, ik ga naar hij toe.

In de normale zin is iets een hoofdzaak waarom het in die zin gaat. Dat is het eerste geval. Dan is er weer een activiteitswoord of een zijnswoord met die hoofdzaak ver­bonden.

Zo’n activiteitswoord kan een ander woord in nauw verband bij zich hebben.

“Ik zie”, heel goed, maar wat?  “Ik zie een koe”.

Men noemt de drager van de handeling van het eerste geval meestal vierde geval. Er is zo’n nauwe betrekking, dat geval vier geval één kan worden. “Hij gooit een steen”, “Een steen wordt gegooid door hem”. Vierde en eerste geval zijn niet geheel verwis­selbaar doordat, ondanks de gelijke betekenis, de vormen verschillen, de eerste vorm is actief, de tweede passief.

Er is nog een geval nodig achter een helpend voorzetsel. “Door hij” is onzin. “Door hem” moet het zijn. Achter het voorzetsel behoort de vorm van een vierde geval. Ook in het Nederlands moest men vroeger zeggen: “Ik ga tot enen goeden vriend.

Er bestaan voor een zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord en voor de voornaamwoorden verschillende vormen, afhankelijk van de gevallen, waarin zij in de zin ge­bruikt worden.

Soms sleten die vormen af. Soms werden ze vervangen door een voorzetsel.

Er zijn nog twee belangrijke gevallen. Het ene kijkt naar het verleden, de ontstaansgrond, hoe triviaal ook. Men noemt dat een genitief geval. Er tegenover staat de andere. Die kijkt a.h.w. naar de toekomst. Waar gaat het heen? Dat noemt men een datief-geval. Een geef-geval. Het genitief geval is een ontstaans-geval.
Behalve het activiteitswoord zijn er dus hoofdzakelijk vier gevallen: hoofdgeval, genitief-geval, datief-geval en (de Romeinen waren dol op rechtszaken), beschuldig-geval? lijdend geval of accusatief. Hoe ver is een geval van de hoofdzaak afgevallen?

grammatica

In zeer vele talen komen deze gevallen voor. Men is hen naamvallen gaan noemen. Het Latijn spreekt echter rustig van ‘geval’ (casus).
In het Nederlands en andere talen is een verschil te zien tussen geval en naamval.

Maarten geeft de bedelaar een (halve) mantel
Martinus    mendico      pallium  dat.
1e naamv.  3e naamv.   4e naamv.

Maar wanneer wij een voorzetsel te hulp roepen, hebben wij te maken met het slijtageproces, waarin achter elk voorzetsel een vierde naamval moet staan. Er is dus verschil:  “geval” is een veel omvattender begrip voor de structuur van een zin.

Maarten geeft aan de bedelaar een (halve) mantel
1e naamval     4e naamval                 4e naamval
1e geval           3e geval                        4e geval

Grammaticaal zit het dan zo. Evenals het meisje, dat met zijn pop speelde (hetgeen grammaticaal correct is), zetten we de grammaticaregel opzij, voor het ruimere begrip “vrouwelijk wezen”. Het meisje speelt met haar pop.

De kwestie van “geval” en “naamval” is opgelost. Het kan voor een kind duidelijk gemaakt worden. Voor een taalgeleerde misschien niet.

P.C.Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens onbekend)
.

Nederlandse taal: alle artikelen

.

689-630

.

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – taalspelletjes (1)

 

Onderstaande spelletjes zijn te spelen met een of meerdere kinderen.
Achter de naam staat aangegeven om hoeveel kinderen het gaat
o = onbeperkt
m = meerdere

[1] Letterprikken                                  o
[2] De domme diender                        o
[3] Letterhutspot                                  o
[4] Woordbouwen                                1 of meer
[5] Woordjes rijgen                               o
[6] Woordrafelen                                  o
[7] Woordverhuizen                              o
[8] Namenspel                                     m
[9] Kettingwoorden                             m
[10] Woorden rijgen                              <5
[11] Weggestopte woorden                  m
[12] Letterspel                                       m
[13] Letters verwisselen                         m
[14] Woorden maken

(Nicole Karrèr, Jonas 20, 30-05-1986
.

Kinderen bezitten een verbazingwekkend vermogen tot spelen met taal, zoals het verzinnen van rijmwoorden of het ontwerpen van een geheimtaal. Volwassenen oefenen hun taalbehendigheid liever met cryptogrammen of ‘scrabble’.
Nicole Karrèr geeft een aantal ideeën voor taalspelletjes die door kinderen en volwassenen zijn te spelen.

Het spelen met taal lijkt soms meer op stoeien of worstelen, het aftasten en overschrijden van grenzen is de on­weerstaanbare uitdaging. Het verzinnen van rijmwoordjes op namen door kleuters is een van die grensgevallen. Mijn naam schijnt voor kleine kinderen op rooie kool te rijmen. Dat valt nogal mee, maar op sommige namen volgen onweerstaan­baar wat pijnlijke rijmwoorden waar de drager flink mee gejend kan worden. Het verdraaien of weglaten van woorden in zinnen volgt vaak op de rijmwoorden; om te schelden hebben ze dan allang de schuttingwoorden en krachttermen ont­dekt die met overduidelijk genoegen
wor­den gebezigd.

Het ontwerpen van een geheimtaal, waar­mee een groepje vriendjes zich in een zelf­geschapen fantasiewereldje kan verstop­pen voor oningewijden, is een geweldig spel. Wanneer alle leden trouw blijven aan de geheimhoudingsplicht kan het maan­denlang steeds weer opgepakt worden. Volwassenen oefenen hun taalbehendig­heid doorgaans alleen met kruiswoord­raadsels en cryptogrammen of af en toe met Scrabble. Misschien dat er onder hen ook mensen zijn die onderstaande taal­spelletjes leuk vinden om te spelen, al was het maar met de kinderen. Ik kreeg deze spelletjes van de Zutphense taalliefhebber Guus Koopman, die al enige tijd taalspel­letjes verzamelt en ontwerpt.

[1] Letterprikken
Aantal spelers: onbeperkt. Prik een letter in een krant of tijdschrift of wanneer het spel tijdens een autorit wordt gespeeld, laat het nummerbord van de eerstvolgen­de passerende auto een letter aangeven. Bepaal de speeltijd. (Bijvoorbeeld een minuut.) Bepaal eventueel een onderwerp en schrijf binnen de overeengekomen tijd zoveel mogelijk woorden die beginnen met de geprikte letter. Wie heeft de mees­te en wie heeft de meeste originele woor­den?

[2] De domme diender
Aantal spelers onbeperkt, maar voor kin­deren misschien te moeilijk. Prik weer een letter en tracht binnen een afgesproken tijd een zin te maken waarvan elk woord met dezelfde letter begint. ‘Achterlijke Amsterdamse  Aannemers  Adresseren Aalsmeerse Anjers Aan Arnhemse Archi­tecten.’

[3] Letterhutspot
Aantal spelers: onbeperkt. Knip hiervoor flink wat letters uit tijdschriften.
Plak ze eventueel op stevig karton. Losse letters kunnen voor veel spelletjes gebruikt wor­den of gebruik Scrabble-letters Verdeel de letters over de spelers. Elke speler maakt met zijn letters een woord waarvan de lengte is afgesproken. Vervolgens hus­selt hij het woord weer door elkaar en schuift het hoopje letters van de buurman van de andere zijde. Wie heeft de ‘huts­pot’ het eerst opgelost? Welk woord had de buurman met z’n letters bedoeld?

[4] Woordbouwen
Eén of meer spelers. Prik weer een letter en probeer die door steeds een letter toe te voegen uit te bouwen tot een piramide.

letterspel
letterspel 2

[5] Woordjes rijgen
Aantal spelers: onbeperkt. Bij dit spel gaat het erom na elkaar samengestelde woorden te noemen die op elkaar aanslui­ten. Een spelletje dat vroeger op lagere scholen wel gespeeld werd. Bijvoorbeeld: koekepan-panfluit-fluitketel-ketelhuis-huisbaas-baas? Spreek onderling af welke straf staat op het niet vervolgen van de reeks.

[6] Woordrafelen
Eén of meer spelers. In welke woorden kan een samengesteld woord
uiteengera­feld worden? Bijvoorbeeld vensterglas: ven-venster-ster-er-glas en las. Bij verder rafelen kun je nog maken: sla-gave-sta enzovoort.

[7] Woordverhuizen
Aantal spelers: onbeperkt. Neem een woord, bijvoorbeeld klaar. Probeer nu, door steeds een letter te veranderen het hele woord weg te werken. Dus klaar-kaars-knars-snurk-kunst-gunst en dan weer terug: gunst-stang-staan-slaan-slaak-klaar.

Als boven:
Geef de kinderen een woord, mes. Nu telkens een letter wijzigen: mos; ros; rot; rat; kat; vat; vet; pet enz.
Dit kan je al vanaf (eind) klas 1 spelen; vooral als je even op een collega moet wachten die een vakles komt geven, of als je iets te vroeg bent om naar buiten te gaan. De kinderen kunnen het ook voor zichzelf spelen, maar ook met elkaar: wie vindt de meeste; of in een ‘team’. In hogere klassen worden de woorden natuurlijk moeilijker.
einde bijdrage N.Karrèr

[8] Namenspel

Nodig: een stuk papier, iets om te schrijven

De eerste speler noemt een jongen- of meisjesnaam, bv. Henk.
Nu moet er van de letters h  e  n  k  een zin worden gemaakt: bv. hij eet nooit kroepoek.
Er kan met de zandloper, klokje enz. worden gewerkt om de tijd te bewaken.
Je kan natuurlijk ook andere namen nemen: dieren, planten enz.
Nog wel moeilijk voor kleinere kinderen; misschien 5x: wie de meeste heeft is winnaar.

[9Kettingwoorden

Dit kan je al met z’n tweeën spelen. De eerste speler noemt een willekeurig woord, bijvoorbeeld ‘stok’. De tweede speler moet hier nu een langer woord van maken. Dat kan het woord ‘stokpaard’ zijn. Nu is de volgende speler aan de beurt. Hij moet van het woord ‘paard’ een langer woord maken. Dat kan bijvoorbeeld ‘paardmens’ zijn. De volgende woorden die dan kunnen worden gemaakt, zijn onder meer ‘mensdom’, ‘domoor’, ‘oorbel’, enzovoort. Als een van de spelers geen nieuw woord meer kan maken, valt hij af en is de volgende speler aan de beurt. Degene die als laatste overblijft, is winnaar.

Je kan het bv. ook met dierennamen doen, waarbij na het genoemde woord, bv. paard, de volgende verder moet zoeken naar een dierennaam beginnend met een d (das)  s  (salamander) enz. Je kan afspreken hoe lang je mag nadenken (zandloper, secondewijzer)

[10Woorden rijgen

We gaan een woordenketting maken.

Nodig: stuk papier of karton
Maak 40 kaartjes van ongeveer 3 bij 1,5 centimeter.
Schrijf daarop onderstaande woorden. De laatste letter van een woordje is steeds schuin geschreven.

Maximaal vier spelers.
Iedereen krijgt acht kaartjes.
De kaartjes die overblijven, leg je ondersteboven op een stapeltje.

De eerste speler legt een van zijn kaartjes open op tafel. Bijvoorbeeld e e n. De volgende speler mag daar een kaartje aanleggen mits er samen met de schuine N een nieuw woordje kan worden gevormd. Hij legt misschien het kaartje met ’aar’ zodat het woord ‘naar’ ontstaat. Hij had overigens ook een kaartje vóór het andere kaartje mogen leggen. Dat mag als er tenminste samen met de schuine letter een nieuw woord ontstaat. In dit geval had dat het kaartje met het woord
‘ind’  kunnen zijn zodat het woordje ‘deen’ was ontstaan.

Zo gaat het spel door tot aan het moment dat iemand geen nieuw woord meer kan maken. Hij moet dan een kaartje van het stapeltje nemen en mag het nog een keer proberen. Lukt het dan nog niet, dan is de volgende speler aan de beurt. Degene die als eerste al zijn kaartjes op heeft, is winnaar.

AAN                             EIK                              IJ                              OOR

AA                             E                               IJ                              OP

AA                            EL                                 I                               DOR

A                               EN                                 OB                                OS

A                                EP                                 OL                                OUD

AR                                 E                               OM                                UIL

AU                                 E                                 ON                               UIT

E                                IEL                                ONS                              UL

EG                                  IE                              OO                             UUR

EEN                               IND                              OO                             UW

Voorbeeld:

ES-IER-AAP-EN-OR

[11] Weggestopte woorden

In elk vierkant zit een woord verborgen. Steeds is dat een woord uit een bekend spreekwoord of gezegde. De rest van elk spreekwoord of gezegde kun je in de zes zinnen vinden. Zoeken maar!

Heb je alle woorden gevonden? Pak dan een vel papier en probeer zelf ook een aantal weggestopte woorden te maken. Je kunt daarvoor spreekwoorden gebruiken, maar bijvoorbeeld ook titels van bekende liedjes.

1. Niet alleen koks dragen ze lang.
2. Zo vegen nieuwe bezems wel.
3. Hij heeft er veel van op zijn zang.
4. Dit heeft hij beslist niet uitgevonden.
5. Als de vos dit preekt, moet de boer op zijn kippen passen.
6. Van hieraf kun je in de drup raken.

[12] Letterspel

Leuk met een grote groep. Het aantal moet even zijn. (Een ‘oneven kind’ kan spelleider zijn)

Maakt dubbel zoveel kaartjes als er spelers zijn. Op elk kaartje zet je de naam van iets dat bij elkaar hoort. Zo kun je op kaartje A voorbeeld het woord ‘auto’ schrijven en op kaartje B het woord ‘band’. Op kaartje C ‘kussen’ en op D het woord ‘sloop’. Je kan het ook gebruiken om bijvoorbeeld tegenstellingen aan te leren: ‘hard’ – zacht’; ‘sympathie’- ‘antipathie’.  Gooi de kaartjes door elkaar. (woorden niet zichtbaar). Nu neemt ieder kind een kaartje en speld, plakt (plakbandje) dat op zijn kleding. Dan gaan alle deelnemers op zoek naar hun partner.
Wie elkaar heeft gevonden, mag een envelop met letters pakken. Je kunt hiervoor letters gebruiken, die je uit de koppen van een krant hebt geknipt. (Neem geen ‘eetletters’, die bevatten of veel suiker en/of veel zetmeel, en zijn dus ‘dikmakers’.

Tot het spel stopt kan ieder koppel proberen zoveel mogelijk woorden te maken. (Schrijfgerei neerleggen om te kunnen noteren!)- Wie de meeste heeft, wint (een prijs(je).

[13] Letters verwisselen

Een leuk spel waar je lang mee bezig kunt zijn. Iedere speler krijgt een stuk papier en een potlood of een balpen. De eerste speler bedenkt een woord van vier letters, bijvoorbeeld ‘slim’. Alle spelers schrijven dit woord op. Nu moet iedereen onder dit woord een nieuw woord schrijven dat één letter van het eerste woord verschilt. Dat kan ‘list’ zijn, maar ook ‘slib’, ‘slik’, ‘mals’ of ‘stil’. Er zijn nog veel meer mogelijkheden. De spelers hoeven de opgeschreven woorden niet aan elkaar te laten zien. Het is de bedoeling dat er een zo lang mogelijke lijst wordt gemaakt. Zodra een van de spelers niet meer verder kan, stoppen ook de anderen en worden de lijsten vergeleken. Degene met de meeste goede woorden heeft gewonnen.

Er zijn varianten. Je kan een woord geven: slim en er mag 1 letter veranderd worden: klim, dan weer een: klom, enz. klam, klas, kaas. Dat kan heel lange rijen opleveren.
Ik deed het vaak op ‘verloren’ ogenblikken. Nog net geen tijd om naar huis te gaan; vlak voor een pauze. Je kan het op bord veranderen en de kinderen mondeling laten meedoen. Gedurende het jaar probeerden we het ‘record’ aantal woorden te verbeteren.

In hogere klassen kan dat ook met woorden van 5 letters.

[14] Woorden maken

Ook deze variant kan je vaak en makkelijk gebruiken.
Het kan individueel, maar ook klassikaal met het woord op het bord.
Het gaat om een lang woord, bijv. vrachtwagenchauffeur. Welke woorden kun je daar uithalen, ook door letters te verwisselen of letters niet te gebruiken: vracht; wagen, chauffeur; vacht, wacht, gracht, geur, grauw enz.
Je kan als je het mondeling doet, het kind dat met een woord komt, vragen dit in een zin te gebruiken. ‘Hij zag als as zo grauw.

Nederlandse taal: alle taalspelletjes

Nederlandse taal: alle artikelen

 .

688-629

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven (2-2)

.
Pieter HA Witvliet
.

DE VOORBEREIDING VOOR HET SCHRIJVEN
.

In het begin van de 1e klas is ‘schrijven’ nog ‘vormtekenen’, d.w.z. er wordt geoefend met ‘rechten en krommen’, waarmee eigenlijk ook de motoriek wordt ontwikkeld die voor het schrijven nodig is, terwijl ook meteen op de juiste houdingen wordt gelet: schrijven 

Het motief ‘recht-rond’ kan op zeer veel verschillende manieren worden uitgewerkt.

Hieronder volgen voorbeelden:

oefening 9

Het gaat om echt rechte lijnen met even grote tussenopeningen, enz.
(Het kan altijd nog mooier….)

Het is niet de bedoeling dat er een tijd eerst met recht geoefend wordt en dan een tijd met rond. Afwisselend in het ‘uur’ waarin je oefent of per dag.

oefening 10

oefening 11

In het begin kun je zowel van boven naar beneden, als omgekeerd werken; dit geldt ook voor van links naar rechts.

Omdat we in onze cultuur van links naar rechts schrijven, moet deze richting op de den duur wel de ‘gewone’ worden.

oefening 12

oefening 13

Dit zijn 3 losse oefeningen. iedere vorm kan weer een aantal keren onder elkaar worden geoefend. Je kunt ze ook verticaal laten maken.

oefening 14Dat geldt ook voor deze; je kunt ze ook zo geven dat de schuine en verticale lijntjes niet boven, maar onder de basislijn komen.

oefening 15Je kunt van onder naar boven werken, maar ook omgekeerd.

oefening 16Deze oefeningen vragen concentratie. De afwisseling bol/hol; maar ook klein/groot.

Wanneer de kinderen op een blad in de breedte neergelegd, deze oefeningen doen, is het goed dat er ‘openingen’ in de oefeningen zitten.

Wanneer je alles aan elkaar laat doen, zie je vaak dat het kind op zo’n vorm ‘inslaapt’. Het verliest de aandacht.
Dat is vanuit menskundig opzicht wel interessant. Het is een ritmische vorm en ritme speelt zich af op het gebied van ‘dromen’. De onderbreking van het ritme geeft wakkerheid, wekt op.
(De cadans van de spoorwielen die ritmisch over de railverbindingen gaan, is slaapverwekkend; de niet synchroon knipperende waarschuwingslichten maken alerter).
(Algemene menskunde, voordracht 4: ‘meer onbewust herhalen verzorgt het gevoel; volbewust herhalen verzorgt de eigenlijke wilsimpuls, want daardoor wordt de besluitkracht sterker)

oefening 3

Hier zie je daar al een beetje van.

oefening 17

En hier gebeurt het.

Zie in dit verband de vormtekenoefeningen voor het sanguinische kind: het kind dat snel en vaak op indrukken reageert en ze moeilijk vasthoudt.

oefening 18

Dus steeds een aantal van deze vormen aan elkaar – dan een onderbreking – en hetzelfde aantal weer aan elkaar enz.

Natuurlijk kun je een kind uitdagen tot een ‘alles aan elkaar’vorm, maar die moet dan goed volgehouden worden.

Elke oefening moet een aantal keren herhaald worden. Als je met boven- en onderstaande oefeningen werkt, voldoet een A4. Daarop kunnen minstens 4 ‘regels’ gemaakt worden. Sommige kinderen zullen ‘groot’ werken; andere veel kleiner (temperament?). Door veel te oefenen – en in de eerste weken van de 1e klas gebeurt dat iedere dag – leren de kinderen als vanzelfsprekend hun blad mooi in te delen.

oefening 19

oefening 20

Grofweg zul je tot aan de herfstvakantie bezig zijn met het aanleren van letters – uit de beelden – en met deze voorbereidende schrijfoefeningen. De oefeningen die hier zijn afgebeeld en die nog zullen volgen, zijn voor-oefeningen voor het lopende schrift – het schuine schrift. Over het waarom, zie hier.

De volgende oefeningen zijn al veel moeilijker dan die hier boven staan. We zijn dan ook later in het eerste leerjaar – de meeste zullen pas in de 2e helft van de 1e klas aan de beurt komen.

oefening 21

De rode lijn door de 1e tekening is een soort correctie. De kinderen mogen hun resultaat ook op deze manier verbeteren, om van daaruit weer een nieuwe te maken die beter is.

De oefeningen krijgen veel meer ‘lijn’karakter en mogen door de kinderen eigenlijk alleen maar gedaan worden, wanneer ze in staat zijn hun potlood goed vast te houden.

En dan worden het steeds meer gerichte letter-schrijfoefeningen:

oefening 22‘Versieren’

Het versieren is geen vormtekenen. Het is ‘kleuren’. Daarmee is niets mis; integendeel, de tekening wordt er meestal mooier door.

Maar ‘versieren’ is niet waarom het gaat: de lijn als spoor van een beweging.
Maar het is wel mooi; en daarom kan er, wanneer een kind de vorm beheerst, natuurlijk nog een gemaakt worden – ‘op je mooist’ – en die versier je dan: een ‘toetje’:

oefening 5

.

1e klas schrijven: alle artikelen

1e klas: Rudolf Steiner over schrijven en lezen

1e klas: alle artikelen

Vormtekenen: alle artikelen

 VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas:  alle letterbeelden

.

669-612

.

.

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – 3e klas (3)

Freerk Weerstra, nadere gegevens onbekend
.

INTERPUNCTIESPEL

De leestekens

Woorden, woorden,
dansen op koorden.
Wij zijn vrij,
kom er maar bij:
Eén woordenbrij,
een wilde rij.
Dartelen en spartelen,
hossen en klossen.
Dit is geen zin!
wie grijpt er in?

(Op de melodie van ‘zakdoekje leggen’ dansen de kinderen al zingend door het lokaal. Kris, kras door elkaar, speels en dartel, frank en vrij. Maar och, de woorden wisten zich met de vrijheid geen raad: wanorde, een woordenbrij ontstond)

Dit was. voor het uitroepteken niet om aan te zien. Bulderend
klonk zijn stem:

Stop!
Sta pal!
Geen carnaval!
Ik beveel!
Wees stil!
Doe wat ik wil!

Deze bevelen sloegen in als een donderslag. Ineens keerde de stilte weer. Met de schrik nog in de benen schuifelde het vraag­teken voorzichtig naar voren:

Wie schreeuwt daar zo?
Van halt en ho?

Ik!  schreeuw de het uitroepteken, vuurrood en driftig.

Het vraagteken liet zich echter niet imponeren: stelde de ene vraag na de andere. Lette daarbij in ’t geheel niet op de anderen die het steeds vervelender gingen vinden.

De punt legde het vraagteken het zwijgen op:

Och hou jij je mond.
Ik ben prachtig rond.
En verschrikkelijk dik.
Plof hier zit ik.
Nu kan de zin niet verder gaan.
Niemand krijgt mij van mijn plaats vandaan.

Die zat. Zijn lichaamsomvang imponeerde wellicht het meeste. Uitroepteken, vraagteken en punt hadden gesproken, hun zegje gedaan op een wijze die de komma niet beviel:

Jullie houdt alles op,
wat voor mij is een strop,
eerst een stukje gegaan,
dan bij mij eventjes stille staan,
maar niet stoppen,
kijk dan toch uit je doppen,
nog een  stuk,
veel geluk.

De komma probeerde de zaak beweeglijk te houden. Door zijn toedoen ontstond ook de punt komma. De punt, op de rug van de komma, zinde dit niet en riep zijn tweelingbroer, waar­door de dubbele punt was geboren.

“Dubbele punt,  dubbele punt, wacht!”

Riepen vier stemmetjes zacht.

“Jullie kunt het niet zonder ons stellen
Wanneer men de lezer iets wil vertellen”.

De aanhalingstekens sprongen tevoorschijn. Ten slotte durfden ook apostrof en gedachtestreep naar voren te komen: de apostrof die letters liet verdwijnen om zelf hoog in een woord te zweven en de gedachtestreep, liggend op zijn rug.

Zo werd met ieder leestekens orde geschapen in de aanvankelijke woordenbrij.

Enthousiast reciteerden de kinderen, maakten ze passende kleding en voerden het spel op.

Doordat de abstracte leestekens in een beeldrijk kader waren verplaatst, konden de kinderen zich ermee verbinden. Hoewel de ogen van het kind meer en meer geopend worden voor de wereld om hem heen, blijft alles nog doortrokken met beelden, fantasie. Het kind wil verkennen: roekeloos, eigenwijs, aarzelend of angstig misschien.
Vragen rijzen: Hoe kan het zijn weg vinden in het doolhof van indrukken en beelden, zodat het niet verdwaalt? Welke richting moet het op? Wie helpt het kind te ordenen?

In de 3e klas horen de kinderen verhalen rond en uit het Oude Testament. Ze beleven de weg uit het paradijs van licht naar duister; ze horen de opdracht van God aan de aartsvaders om onbekende wegen op te gaan; ze trekken met het joodse volk door de woestijn, geleid door Mozes; richters gever richting aan; onder het gezag van koningen komt het land tot bloei; profeten wijzen de weg naar de toekomst.                                                                                                 Al deze beelden helpen het kind om de wereld in te stappen, zijn weg te vinden.
En de leerkracht krijgt door dezelfde beelden inspiratie om elk kind in zijn eigen ontwikkeling te begeleiden, orde te scheppen en richting te geven.
.
PHAW:

Mijn ervaring is dat deze toneelstukjes de kinderen wel op een leuke manier kennis laten maken met de interpunctietekens; vooral als ze deze in het spel ook groot – van karton bv. voor zich zien.

Het begrip is op deze manier zeker geholpen, maar het belangrijkste ligt toch in het luisteren.
Waar klinkt zo’n teken in de zin. Daar moet je als leerkracht goed op oefenen, met duidelijke voorbeelden: stem omhoog en omlaag bij het vraagteken. Abrupt eindigen bij een uitroep: uitroepteken. Enz.

Wat de komma betreft: het is inderdaad een soort rustpunt in de zin, waar je even adem kunt halen.

Het Duitse ‘zin’ = Satz. Dat betekent ook ‘sprong’. Een zin lezen is eigenlijk een sprong maken van hoofdletter tot punt. Of tot komma om vandaar de tweede sprong te maken.

Het is erg belangrijk om met de kinderen o.a. zo te oefenen:
‘lees de zin van begin tot einde zacht in je zelf; rust even bij de komma.

Heb je dat gedaan, dan nu, -naam kind- jij hardop.’
Het kind moet nu zonder aarzelen en niet meer woordje voor woordje de zin lezen, maar werkelijk als een sprong. En let hier op de adem: in één ademtocht moet deze zin worden gelezen; de komma is een plaats om opnieuw adem te halen. Niet tussen de andere woorden. Begin met korte zinnen. Let op de articulatie, het inslikken van eindlettergrepen enz. 

Wat het laatste betreft: dit kan niet zonder spraakoefeningen, maar als het goed is, heb je die al vanaf klas 1 met grote regelmaat, gedaan.

 

3e klas Nederlands[1]  [2]
.
3e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 3e klas
.

666-609

.

VRIJESCHOOL- 3e klas – alle artikelen

.

Kind en leerplan

Beweging
bikkelen  handschaduwbeelden   hinkelen   touwtjespringen

Heemkunde:
alle artikelen

Muziek
Over het aanleren van het notenschrift

Nederlandse taal:
[1]
Werkplan Geert Grooteschool over: de psyche van de 3e-klasser; spreken; schrijven: stelopdrachten; grammatica en denken, voelen, willen; toneelspelen; schrijven met inkt; [met aantekening van mij: waarom drukletters schrijven]

[2]
Het ‘Binnenste buiten over: het belang van spraakoefeningen; grammatica: voorbeeld van doe-hoe-noemwoorden; leestekens; schrijven: lopend schrift [met aantekening van mij: waarom drukletters schrijven]; toneelspel

[3] Interpunctiespel
Freerk Weerstra: klassenspel voor de interpunctie>
Aanvulling Pieter HA Witvliet: kun je, wat in de tijd verloopt, ruimtelijk uitbeelden; het grote belang van ‘luisteren’; aanwijzingen voor het lezen.

[4] Het begin van de taalkunde; de woordsoorten in de 3e klas
Martin Tittmann: Uit zijn boek ‘Deutsche Sprachlehere der Volksschulzeit’ (Duitse grammatica in de basisschool), waarbij in de vertaling vooral de nadruk ligt op de Nederlandse; met achtergronden en voorbeelden.

[5] 3e klas grammatica
Kleine impressie uit een vrijeschool.

taalspelletjes vanaf klas 1

Niet-Nederlandse talen: Duits   [2]
Niet-Nederlandse talen:Engels
Niet-Nederlandse talen: Frans

Rekenen:
alle artikelen

Schilderen
N.a.v. de vertelstof: de scheppingsdagen

spraakoefeningen

sterren kijken (8 – 12jr)

de natuur in

Vertelstof:
alle artikelen

Vormtekenen
zie de blog

.

658-603

.

Wat op deze blog staat

.

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – 7e klas (2)

.

NEDERLANDSE TAAL

zie ook Nederlandse taal 6e klas (2)

Leerstof van klasse VII

a.  vertelstof:
Land- en volkenkunde, verhalen, middeleeuwse riddersagen, het Finse Kalevala-epos.

b.  spreken:
Spraakoefeningen, klassegesprek, spreekbeurt, temperamentsoefeningen, reciteren van gedichten, voordragen van prozastukken.

c.  schrijven:
Zuiver schrijven*, goed gestelde zakenbrieven.

d.  lezen:
Moeilijker stukken door stillezen opnemen en inhoud in vragende vorm weergeven.

e.  spelling en interpunctie:
Moeilijke dictees. Vervolmaking interpunctie.

f.   grammatica
Behandeling van de samengestelde zin.
Nauwkeuriger behandeling van voornaamwoorden en voegwoorden.
Het kind moet door de taal de goede uitdrukkingen kunnen hanteren, die een wens, een verwondering, een gevoel van verbazing, ook van bewondering, kortom een gehele configuratie van gevoelens uitdrukken. Vergelijken van een wenszin met een bewonderzin om de plastiek van de taal te beleven.

g.  opstellen:
Onderwerpen uit natuurkunde en biologie nauwkeurig weergegeven.

h.  stijloefeningen:
In vier temperamentstijlen kunnen spreken en schrijven. In de Nederlandse literatuur voorbeelden bestuderen.

Iets over de zevende klas

Verwondering
Kunstzinnige uitbeelding van verwondering als ondersteuning van het uitdrukken van de taal.
De leerkracht laat met klei of plasticine eenvoudige, menselijke gestalten boetseren. De stand van het lichaam, en vooral de armen en handen worden zeer goed bekeken, vervolgens in de klei uitgedrukt.

Als tegenstelling: de houding van de wensende zin. Men ziet, dat de verwondering iets heeft, dat men met teruggaan, achteruitgaan zou kunnen vergelijken. De wens daarentegen heeft iets van vooruitgaan. Het midden tussen deze twee houdingen is de gebedshouding: men wenst iets in eerbiedige terughouding.

De samengestelde zin
Wanneer de zevende klassers het leven vanuit hun ontwikkelingsfase intellectueel gaan benaderen, is het toch duidelijk, hoezeer gevoelsmatige kleuring, hevige impulsen van lust en onlust met dit intellectuele gepaard gaan. Alles wordt persoonlijk opgenomen, mateloos vereerd of veracht. Daarom gaan we juist die bewonderende en wensende zinnen doen. Maar tot de samengestelde zin komen?

Het merkwaardige is, dat men de bijzin niet erg op prijs stelt. Misschien omdat men zich dan op glad ijs begeeft? Misschien omdat men dan deftig lijkt? Of is het omdat vele leerkrachten roepen: ‘Wees kort! Druk je eenvoudig uit! ‘Ja, toch is de bijzin vaak milder dan één woord. Rudolf Steiner wees er wel op, dat de uitspraak ‘daar staat een bleke man’ voor het kind een abstracte hamerslag is. Het toehorende kind wordt zacht aangeraakt door te zeggen: ‘daar staat een man, die bleek is’.

De bijzin is vaak mooier. Vergelijk eens: “s Morgens ging ik op pad’ met: ‘Toen de morgen aanbrak, ging ik op pad’. De laatste zin is mooier.

Denkt men, dat een bijzin maar bijzaak is? Het tegendeel is vaak waar! Wat denkt u van: ‘De dag was aangebroken, toen plotseling de vulkaan met een vreselijk lawaai uitbarstte’. De hoofdzaak staat vaak in de bijzin.

De bejaarde profeet begaf zich naar het gebergte in een grot.

De profeet, die al bejaard was, begaf zich, omdat hij naar de eenzaamheid verlangde, naar het gebergte, waar een grot was gelegen. Het wordt een hele sport voor de zevende klasser om een bijvoeglijke bepaling uit te breiden tot een bijvoeglijke bijzin en een bijwoordelijke bepaling uit te werken tot bijwoordelijke bijzinnen. Ook een condensering, de omgekeerde weg, is spannend. Men beleeft dan ook, hoeveel wezenlijke dingen worden verborgen in de verkorting. ‘Nadat hij de belangrijke zaak gedurende de dagen, die hij in de woestijn had doorgebracht, zorgvuldig had overwogen, besloot hij de beslissing, waarvan zoveel afhing, te forceren.’

‘Na zorgvuldige overweging van de belangrijke zaak besloot hij de gewichtige beslissing te forceren.’ Men kan er ook een raadsel van maken:

Omdat……………………………………….    kon hij ’s nachts niet slapen (of zij)

Als……………………………………………..    zal ik je wel krijgen!

Opdat  ……………………………………….    vond hij de paraplu uit (of zij).

Hoewel……………………………………….    kreeg hij toch hoofdpijn (of zij).

Stijloefeningen
Beschrijf de gevoelens van de inwoners van Jerusalem bij het naderen van het Kruisvaardersleger in vier temperamenten.

1. Ah! de Christenhonden! We zullen ze! Allah verdelge hen!’
2. ‘Jaja, daar komt het leger rustig aanzetten, ze zetten hun tenten op, ze gaan hun paarden verzorgen, zouden ze goed eten bij zich hebben, dan zou ik de stad nu meteen graag overgeven, dat spaart veel bloed.
3 .’O wee, daar komen, heb ik ’t niet gezegd, machtige legers, die zonder twijfel blaken van vechtlust, omdat zij, hoewel ze veel moeilijkheden gehad schijnen te hebben, aan het einddoel zijn gekomen, zodat wij, arme leden van het Oude Volk zeker weer het kind van de rekening zullen worden. God beware ons!’
4. ‘O kijk eens! Dat zijn nu de Franken! Ze hebben vrolijke vlaggetjes aan hun speren. Alles is van ijzer aan ze, zelfs hun wil, hihihi, tenminste, dat zeggen ze. Zouden ze ons, vrouwen, kwaad doen? Welneen, we kunnen hoogstens slavin worden en dat waren we al.’

Toneel
In principe speelt de gehele klas mee, niet alleen de begaafden.

De leerstof geeft het kind de mogelijkheid op deze leeftijd kennis te maken met de ontdekkingsreizen en het nieuwe bewustzijn, wat zich baan breekt in de zielen van de 15e eeuw. Het spel behandelt de lotgevallen van Columbus.

Eerste tafereel
(Kamer van Columbus’ schoonvader. Kaarten, boeken, instrumenten liggen her en der. Columbus ontvangt een zeeman. Felipa, Columbus’ vrouw zit op een zetel)

Columbus:
Vertel, vertel, wat zag je toen?

Zeeman (gebarend):
Kap’tein Columbus ‘k zei het al
We lagen met de storm vlak achter.
De masten kraakten en het want
Stond strak, de wind floot in de touwen.
Het water spatte voor de boeg,
Het scheepsvolk stond te hozen.
Maar ik keek uit, het weer was helder
En bij San Jago!

Columbus:
Nu, wat toen?!

Zeeman:
Toen zag ik land, zowaar ‘k hier sta
Een streep in het Westen

Columbus:
Was ’t geen wolk?

Zeeman:
Ik zei U toch, dat ’t helder was.

Columbus:
Goed, goed! (maakt een aantekening)
En hoeveel mijlen, denk je
Joeg ’t schip in westelijke richting?

Zeeman:
De storm dreef ons drie volle dagen
Naar ’t Westen, reken dus maar uit.
(Columbus maakt aantekening)
Toen viel de nacht, de storm bedaarde
En wij hernamen d’oude koers.

Columbus:
Bedankt, bedankt — hier, voor je moeite (geeft geld)

Zeeman:
God zal ’t je lonen, kapitein.
(af),

Columbus (tot Felipa):
Felipa, hoorde gij ’t verhaal
Van deze zeeman? — hij zag land,
Een onbekende kust in ’t Westen.

Felipa (staat op)
Ik hoorde het heel goed, mijn vriend
En ik verheug mij met U samen,
’t Is een bewijs van Uw vermoedens.

Columbus:
Felipa, heeft Uw vader nooit,
De eerbiedwaardige Perestrello,
Gesproken van een vaart naar ’t Westen?

Felipa:
‘k Herinner mij, dat hij vertelde,
Kort voor zijn dood in Porto Santo
Hier eens in deze zelfde kamer,
Dat bij zijn meester Hendrik kwam,
Een schipper, die ’t geheimzinnig eiland
Antilia had aangedaan…

Het spelelement komt ook bij de grote kinderen van de lagere school niet te kort!
.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)
.

*Steiner over het ‘schoon’schrijven
.
Nederlandse taal klas 7 (1)
.
bij Luc Cielen

Columbus– biografie

Columbus – toneelstuk

.

VRIJESCHOOL in beeld7e klas

.
506-468

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – 6e klas (2)

.

HET NEDERLANDSE TAALONDERWIJS

Het kind van het twaalfde jaar tot de geslachtsrijpheid

De ontwikkeling van het kind
Het laatste gedeelte van de tweede zevenjaarperiode wordt gekenmerkt door een intensivering van het denk- en voorstellingsleven. De hoogtepunten van de gemoedsperiode (of fantasieperiode) zijn voorbij.
Een denken kondigt zich aan, dat het volwassen denken met logische en theoretische functie gaat benaderen en op normale wijze rijp wordt voor abstracties.
Lichamelijk is er iets te zien, wat deze ontwikkeling als het ware ondersteunt: de vulling van de romp gaat geleidelijk over in een strekking van de ledematen. Het kind heeft een zeker evenwicht hervonden, het wordt geboeid door de geweldige mogelijkheden die de zintuiglijke waarneming biedt om de wereld te leren kennen. Innerlijk is er iets, wat het kind vooral wil: het wil de waarheid omtrent de wereld leren kennen. Ook fysiologisch is er veel aan de hand. De overschrijding van de twaalfjaargrens is zeker even belangrijk als die van het 9e jaar was. Wat is namelijk het geval? Veel sterker dan voor die tijd begint het kind zich te verbinden met zijn skelet.

Het jongere kind beweegt zich met een vanzelfsprekende gratie door zijn spiersysteem, dat gevoed wordt door de ritmisch circulerende bloedstroom. Maar tegen het twaalfde jaar ‘pakt’ de jonge mens zijn skelet. Van de spieren gaat het via de pezen tot de botten. De bewegingen verliezen ritme en gratie, zij worden hoekig, onhandig en willekeurig. Het kind komt in de zogenaamde ‘vlegeljaren’ en het weet niet, wat het met zijn ledematen beginnen moet.

Maar nu het geestzielewezen van het kind zich sterker met het mechanische van het skelet verbindt, kan het ook alles met nut en zonder schade opnemen, wat in het leven en in de wetenschap aan mechanische wetmatigheden onderworpen is.

Een hele rij van nieuwe vakgebieden gaat voor het kind op dat moment een rol spelen: meetkunde, algebra, natuurkunde, mechanica, scheikunde, perspectieftekenen.

Het kind wil de wereld in deze mechanische wetmatigheden aan fenomenen leren kennen, het waargenomene doordénken en daaruit conclusies trekken. De wereld moet ‘waar’ voor hem zijn!

Het Nederlandse taalonderwijs
In de lagere klassen is zorgvuldig voorbereid als beeld: de woordsoorten, de zinsdelen en de opbouw van een zin. In de zesde klas kan men tot een zekere afsluiting komen. De woordsoorten kunnen veel abstracter behandeld worden en — met het oproepen van herinnering aan de vroegere beelden, die echt geen praatjes voor de vaak waren — nu met hun volwassen naam genoemd worden. Het wordt duidelijk, dat er tien woordsoorten zijn:

De denk- en voorstellingsmatige groep:
zelfstandig naamwoord met lidwoord, telwoord en de vervangende naamwoorden.

Polair daartegenover de wilsmatige groep:
werkwoorden met voorzetsels en voegwoorden.

Daartussen de gevoelsmatige groep:
de tussenwerpsels in het midden. Dan de bijvoeglijke naamwoorden die aansluiten bij het voorstellingsmatige groepje woordsoorten en de bijwoorden die meer op de wilsmatige groep gericht zijn.

klas 6 taal

In de zesde klasse kan de enkelvoudige zin behandeld, geoefend en ontleed worden.

Verder tracht de leerkracht het stijlgevoel van het kind te wekken in de eerste plaats door het gebruik van de ‘modi’ of ‘wijzen’:
Wens, bede, aansporing, bevel.

Dit geschiedt al sprekend en ook in het schrijven.

De naamvallen worden verbonden met de zinsdelen.

Ook wordt stijlgevoel gewekt door het redeneren, want van het Middeleeuwse trivium is nu niet meer zozeer de schoonheid van de retorica als wel de waarheid, de redeneerkunst van de dialectica aan het woord. De juiste stijl wordt ook beoefend in het schrijven van brieven en kleine, overzichtelijke zakenopstellen, waarvan de inhoudelijke stof al vanaf de derde klasse is voorbereid.

Lees- en vertelstof zijn aan de Grieks-Romeinse mythologie en aan de volkenkunde ontleend. De opstellen moeten karakteristieke dingen uit de biologie en de natuurkunde beschrijven.
De samengestelde zin wordt behandeld, ook onder- en nevenschikkend zinsverband. Het kan duidelijk zijn dat het hoofddoel voor de klassen VI en VII dus is: Het overtuigend spreken en het kritisch luisteren.

Leer en ontwikkelingsdoelen
voor de klassen VI en VII.

—  Het overtuigend spreken, beschrijven, met inachtneming van de temperamenten.
—  Het dialectische in de taal beoefenen (discussie).
—  Sociale vaardigheid: redeneren, discussiëren, goed leren luisteren.
—  Duidelijke uitspraak ontwikkelen.
—  Duidelijk schrijven, helder en eenvoudig.
—  Een stilleesstuk verstandelijk opnemen en de inhoud kunnen weergegevn.—  Zakelijk en efficiënt schrijven (zaken- en andere brieven).
—  Juiste onderscheiding van spreek- schrijfstijlen, bij de gelegenheid passende stijl vinden en uitdrukken in woord en geschrift.
—  Grammaticaal de woordsoorten in iedere zin kunnen onderscheiden en benoemen.
—  De zinsdelen en bijbehorende naamvallen onderkennen, benoemen en hanteren.
—  De juiste uitdrukkingswijzen vinden en hanteren voor het gevoelsmatige in de taal.
—  Een voldoende onderlegd zijn in de spelling van woorden (ook vreemde woorden).

De leerstof van klasse VI.

a.  vertelstof:
Verhalen uit de Romeinse mythologie. Middeleeuwse sagen, biografieën van grote figuren tot ± 1100. Verhalen uit volkenkunde.

b.  spreken:
Klassengesprek, vertellen, spreekbeurt, spraakoefeningen, gedichten reciteren met beweging.

c.  schrijven:
Zuiver schrijven oefenen.*

d.  stillezen:
Zinvol opvatten van het gelezene.

e.  spellingsoefeningen en interpunctie:
Moeilijke dictees.

f.   grammatica
Opwekking van stijlgevoel door het gebruik van de modi of wijzen, vooral van het conjunctivische (voorwaarde, aansporing, wens, verlangen) in woord en geschrift. Behandeling enkelvoudige zin met naamvallen.

g.  opstel:
Duidelijke, zakelijke verhandelingen en brieven.

 Zinsstructuur in beelden uitdrukken.
Wij gaan door met de structuur van een zin in beeld te brengen.
Wij onderscheiden de gewone onderwerp — gezegde — zinnen,
de onderwerp — naamwoordelijk gezegde — zinnen en
de onderwerp — gezegde lijdend — en meewerkend voorwerpszinnen.

Het verduidelijken, ja versieren van de zinnen met bepalingen wordt met veel aandacht beoefend. De bepalingen zijn als het ware toegangen tot de bijzinnen van de samengestelde zin. Er ontstaan mooie structuurtekeningen van zinnen.

De slimme Odysseus redde zijn makkers het leven door een list in het hol van de eenogige reus.

klas 6 taal1

Ontleding van zo’n zin, waarbij de gevallen (naamvallen) al opgeschreven zijn, laat zien, hoezeer de bepalingen kleur aan de zin geven.

Een eenvoudig ontledingsspel kan nog heel lang worden gedaan. Er worden weer specificaties gebruikt. Onderwerp en gezegde staan naast elkaar. Daarnaast de voorwerpen.

In principe staat de bijvoeglijke bepaling te buigen naar het onderwerp, de bijwoordelijke bepaling bij het gezegde, maar zij moeten zich snel verplaatsen om te buigen naar bijvoorbeeld een zelfstandig naamwoord in het naamwoordelijk gezegde.

Een klasgenoot leest (of improviseert) langzaam een zin. Het onderwerp staat op, het gezegde stampt, de voorwerpen duiken in elkaar. De gebaren zijn naar keuze.

Bij een lijdende zin gaat het lijdend voorwerp naar de stoel van het onderwerp, hij krijgt de hoed van het onderwerp op en gaat op de stoel zitten.

Zinsdelen gedramatiseerd.
Een zinsdelenspel geeft meer uitleg over het wezenlijke van de zinsdelen, die men, zeven in getal met bijpassende kleuren, als de zeven planeetgoden van Rome zou kunnen aanduiden.

Men doet dat echter niet. In de plaats daarvan komt een tikkeltje ironie in het spel. De zinsdelen hebben als een persoon hun hebbelijkheden. Zo’n onderwerp wil graag naar voren dringen (Mars!), een lijdend voorwerp wil graag iets ondergaan, maar klaagt toch (Maan).

In hun woorden overdrijven de zinsdelen. De kinderen weten heel goed, dat een lijdend voorwerp niet steeds lijdt. Wanneer onderwerp, gezegde, lijdend en meewerkend voorwerp zijn uitgesproken, treden drie gestalten op, de bepalingen, die als volgt spreken:

Bepalingen (wijzend naar de vier O., G., L.V. en M.V.)
in koor:
‘Met deze vier, ja zeker! maak je al een zin.
Maar och! Wat is ’t nog een begin!
Wat heeft de zin nog weinig kleur!
Wat heeft hij weinig smaak of geur!
Wat is hij kort, wat is hij vaag,
Wat is hij in de taal een plaag!
Aan alle rijkdom van het leven
Kan onze wijsheid uiting geven.
Wij zijn het, die de keus bepalen,
Wat uit die rijkdom valt te halen!
Bepalen kunnen wij, en denken
Om rijkdom aan de zin te schenken!’

Bijvoeglijke bepaling (in blauw gekleed, komt naar voren, spreekt bedachtzaam):
‘Sinds de grijze oertijd kan ik mij bezinnen:
Wat toch breng ik mij wel over hen te binnen?
Wat weet ik van Onderwerp en Voorwerpen te zeggen
om iets van hun ware wezen uit te leggen?
Uit de oneindig vele herinneringen
wil’k bepalen goede keuze van de dingen.
En dan voeg ik mij er rustig bij.
Onderwerp en Voorwerp zijn begrijpelijk door mij!’

Bijstelling (in het Groen, ietsje opdringerig):
‘Kijk uit! Bij het bepalen
ben ik een heel speciale…!
Zijn onderwerp of voorwerp klaar?
Ik weet er altijd nog een paar,
voor het geval je niet goed voelt,
wat er met hen wel werd bedoeld.
Al vlei’k mij vriendelijk tegen hen aan,
‘k Moet wel tussen twee komma’s staan
Ik stel mij bij hen, ieder weet,
dat ik dan ook bijstelling heet.

Bijwoordelijke bepaling (in het oranje, statig stappend):
‘Met wijde blik kom ik aangeschreden.
Met wijsheid treed ik in het heden.
Ik overzie de omstandigheden,
de tijd, de plaats en ook de reden.
Meestal van voorzetsel voorzien
kan ik ’t gezegde hulpe biên.
Maar ook zo menig ander woord
Wordt door mijn hulp pas goed gehoord!’

Stijlgevoel verbonden met toneelspel
Een dankbaar onderwerp wordt voor deze oefening gevonden in de Romeinse verhalen en geschiedenis.

Spel over de strijd tussen Patriciërs en Plejebers. (Het toneel is op de Heilige Berg te Rome).

Marcus Balbus:
O, wat een droeve dag!
O, was ik maar gebleven!
Wie zou hier kunnen helpen?
Ons einde is nabij!

Gaius Postumus:
Kom, kom, wees wijs!
Wees niet onnodig somber.
Zij hebben ons óók nodig.

Marcus:
Ach, wat, jij ziet de dingen veel te rooskleurig.
Was koning Romulus maar hier!

Gaius:
Koning Romulus was zo hardvochtig, dat in een donkere nacht hij werd vermoord.

Marcus:
Wat? Nooit vond men zijn lichaam!

Gaius:
Neen, hij werd door de edele senatoren in honderd stukjes gesneden! Elk nam een klein stuk mee en verborg het goed.

Marcus:
Ik dacht, dat hij ten hemel was opgevaren!

Gaius:
Komaan, zijn ziel misschien. Maar zeker niet zijn lichaam. Houd moed!

Men weet, dat de Patriciërs de Plebejers weer naar Rome kregen met de beroemde fabel van ‘De maag en de ledematen’.

Wel kregen de Plebejers het recht de volkstribunen te benoemen, die in de Volksvergadering de door de senatoren gemaakte wetsontwerpen konden verbieden met hun veto! (= ik verbied).

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)
.

*Steiner over het ‘schoon’schrijven
Nederlandse taal klas 6 (1)

6e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas

6e klas bij Luc Cielen

.

505-467

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – 5e klas – Nederlandse taal (2)

.

HET NEDERLANDSE TAALONDERWIJS


Nu het lichaam van de taal enigszins verkend is in de drie leerjaren van klas I, II en III, nu komt eigenlijk de ware ziel in de taal te voorschijn. Een ‘gewaarwordingsziel’, die als hoogste ontwikkelingsmogelijkheid de schoonheid heeft. Schoonheid is de grote leermeesteres van de nog primitieve gewaarwordingsziel!

Weer kan men denken aan de middeleeuwse zeven vrije kunsten. De middelste van de eerste drie (het trivium) is de retorica, het schone spreken, de Taal als kunstzinnig beleefbare activiteit, nadat de structuur en de elementaire vormleer (grammatica) zijn behandeld en geoefend.

Natuurlijk wordt ook de grammatica verder gestructureerd en behandeld. Want nu pas kan het kind door zijn ik-beleving een nieuwe afstand en mogelijke verhouding tot de dingen krijgen, dus ook tot de eigen taal. Ook krijgt het kind een verhouding tot de tijd, het krijgt nu pas een perspectief-achtige mogelijkheid tot tijdsbeleving (wat was vóór, wat is na, wat is gelijktijdig). Ook een verhouding tot het persoonlijke (wat is het verschil tussen een ik-zelf, de naaste en de andere in de verte).

Het is nodig, dat het kind ook het poëtische gaat hanteren, zowel in de gesproken, als in de geschreven taal. Het hoofddoel van de klassen IV en V is in deze leeftijdsfase derhalve het mooie spreken en het verzorgde schrijven.

Leer- en ontwikkelingsdoelen
—  Het gebruiken van de grammatica als on-egoïstische ik-ontwikkeling: zekerheid en zelfbewustzijn in en door de taal.
—  Mooi spreken, vertellen, navertellen (met honorering van de temperamenten).—  Bevordering van sociale vaardigheid: met en tegen elkaar spreken, goed luisteren.
—  Juiste en mooie uitspraak.
—  Verzorgd schrijven, wat vorm en inhoud betreft.
—  Mooi lezen, goede toon, voordracht.
—  Het maken en verstaan van eenvoudige poëzie; allitererend, rijmend en metrisch.
—  Het declameren en reciteren van allitererende en metrische poëzie, juiste toon, tempo, maat, ritme, frasering. Mooi en zakelijk schrijven, verbinding van schoonheid, grammaticale juistheid en sociale vaardigheid.

a.  vertelstof:
De vertelstof wordt voornamelijk gekozen uit de sagen van de Klassieke Oudheid. De eerste geschiedenisperioden met de cultuurhistorie van de Oosterse, theocratische volken en de Grieken maken ook mogelijk de literaire bronnen en de schat van mythen en sagen van Hindoes, Perzen, Egypte, Babylon, als vertelstof te nemen. Behalve de verrijking en verinnerlijking van de ziel geven deze verhalen grote thema’s die ook voor later van belang zijn. Bhagavat Gita, Avesta, Gilgamesj-epos behoren tot de ontwikkeling van de gehele mensheid. Op deze leeftijd is het kind zeer ontvankelijk voor de lotgevallen van de Griekse helden.
Het kind wordt voorbereid op de tweede metamorfose van het denken (van beeldend denken naar abstractie) waaraan het toe zal zijn op het 12e jaar.
De Griekse cultuur maakt dezelfde stap door van zijn mythen (beeldbewustzijn) tot filosofie (abstract bewustzijn).

b.  spreken:
Declamatie, alliteratie, stafrijm.

c.  schrijven:
De oefeningen worden voortgezet. Alles wat wordt opgeschreven, moet een mooie* afwerking hebben, duidelijk en ook als ornament bruikbaar zijn.

lezen:
Sagen van de klassieke oudheid.**

e. spelling en interpunctie:
Vervolmaking van spelling van werkwoordsvormen.

f. grammatica:
Het is van belang, dat het kind bij de werkwoordsvormen van de 4e klas nu ook leert hoe verschillend het is, of men zal eten of dat men gegeten zal worden. De bedrijvende en lijdende vorm van het werkwoord worden behandeld en grondig mondeling en schriftelijk geoefend.

Het kind kan nu de taal redelijk mondeling en schriftelijk hanteren. Het is echter alles nog vrij onpersoonlijk. Het gehoorde en gelezene moet het kind op deze leeftijd niet alleen vrij weer kunnen geven maar het moet een orgaan ontwikkelen om te onderscheiden wat het verschil is, tussen eigen mening, of die van een ander. En wanneer er iets medegedeeld wordt, wat het kind zelf denkt, gezien of gehoord heeft, is dat iets heel anders dan wanneer hij dat alles van anderen gehoord heeft. In verband daarmee zal het kind leren zich uitdrukken in indirecte of in directe rede. Daarom zal het ook nodig worden de leestekens als hulpmiddel hierbij, goed te leren plaatsen.***

g. opstel en brieven:
Het opstel krijgt meer en meer reliëf als vertelling, of als verslag, als verhandeling, naar gelang een verhaal, een beschrijving van iets dat gebeurd is, of een verhandeling over een onderwerp van meer abstracte aard wordt gehouden. Het schrijven van brieven wordt voortgezet en er wordt vooral gekeken naar de structuur en de inhoud in verband met het doel en de geadresseerde personen.

Griekse cultuur
De mythologische beelden van de Griekse cultuur werken verder aan de verinnerlijking van het kind, dat in zijn elfde levensjaar is gekomen.

In plaats van de heldhaftige stampende stafrijmen komen thans de ritmisch-vloeiende, door het lierspel begeleide hexameters (zesvoetige ritmen) en pentameters (vijfvoetige ritmen). Zij schilderen een ander soort heldhaftig leven, dat echter evenwichtig en ook schoon moet zijn.

De hexameters: lang — kort — kort en dit zes maal met een cesuur of insnijdende adempauze, vertellen de grootse avonturen, daden en belevingen op harmonieus-rustige wijze.

Het evenwichtig ritme 1 ademtocht op 4 polsslagen is in deze hexameter als oerbeeld te vinden. De kinderen lopen op dit ritme.

Ook korte spreuken worden in een distichon (1 hexameter met 1 pentameter) uitgedrukt en de kinderen moeten ook zelf proberen zich zo uit te drukken.

Het boeiende van de hexameter is, dat één niet-betoonde lange aan het eind van de versvoet kan worden vervangen door twee korte en omgekeerd.

klas 5 taal hexameter

Deze versmaat kan ook pedagogisch gebruikt worden:

Zó als een zwïjg-za-me héld//zich vóor-be-reidt om te strij-den
Zó maakt-de zwij-gen-de klas// zich op om krach-tig te wér-ken.

In de Griekse gedichten moet men in tegenstellingen leven. Sympathie en antipathie, majeur en mineur, uitbreiding en samentrekking, het wisselt elkaar steeds af, evenals het kind evenwicht moet zoeken tussen de oude, met nieuwe ogen geziene wereld buiten en de nieuwe, als eigen beleefde wereld van binnen.

Actief en passief
Bij die tegenstellingen behoort ook die tussen actief en passief. Filosofisch gezien begint de Griekse cultuur daarmee. Wie verinnerlijkt, kan zich ook gaan voorstellen wat het is om de handeling van jezelf door toedoen van een ander te ondergaan.

In de bekende tien categorieën van Aristoteles zijn de negende en tiende categorie die van ‘doen’ en ‘ondergaan’. De mens heeft deel aan beide. Hij kan doen, hem kan ook iets gedaan worden.

Men kan leren zich in de ander te verplaatsen. Een historisch voorbeeld was de (nu nog) goed bekende tragedie van de Perzen. Griekenland sloeg de Perzische vijand af, maar de dichter Aeschylus wekte medegevoel en medelijden voor de verslagen vijand, een volkomen nieuw iets, dat ook veel waardering bij de Atheners vond.

Het kind moet af van de verkeerde voorstelling, dat het passief iets negatiefs en verwerpelijks zou zijn.

Wie werd er niet ter wereld gebracht, werd gevoed, gewassen, gekleed? Werd beschermd, geknuffeld, geleid, opgevoed?

Een actief- en passief spel kan er als volgt uitzien:

Drie hoofdtijden en drie samengestelde tijden vormen een mooie zeshoek. Elke hoek wordt bezet door een of meer kinderen. Zij hebben elk een ‘spiegelbeeld’ naar binnen. De binnenkinderen geven om beurten de passieve tijden van hetzelfde werkwoord:

Ik word gevoed, ik ben gevoed, ik werd gevoed, ik was gevoed, ik zal gevoed worden, ik zal gevoed zijn. Dit wordt met luide stem geroepen.

Nu komen de buitenkinderen: eerst roepen zij op hun beurt: Ik voed, ik heb gevoed, ik voedde, ik had gevoed, ik zal voeden, ik zal gevoed worden.

Dan telkens een passieve tegenover een actieve — ‘Ik voed!’ ‘Ik word gevoed’ en zo verder. Daarbij worden uitstralende, of invouwende bewegingen met de armen gemaakt.

Directe en indirecte rede
Het verschil tussen directe en indirecte rede?

Spelend ontstaan twee toneelgroepen, die hun teksten in directe en indirecte reden zeggen. Bij voorbeeld: de eerste groep luid en krijgshaftig: ‘Daar komt de vijand! Grijpt uw wapenen!’

De tweede groep (rustig): Zij zeiden, dat de vijand aankwam en dat zij hun wapenen moesten grijpen (als registrerend).
Een heel leuk spel: indirecte rede omzetten in directe rede. Twee aan twee tegenover elkaar.
Indirect: De kapitein brulde, dat de matrozen onmiddellijk de zeilen moesten reven.
Direct: De kapitein brulde: ‘Matrozen, reeft de zeilen! Onmiddellijk!’

Maar de oefeningen behelzen een nieuwigheid op taalgebied van subtiele aard. De kinderen moeten zich, zoals elke toneelspeler, in een ander verplaatsen.

Daarbij moet onderscheiden worden tussen de eigen mening van de spreker (schrijver) en die van een ander: Hoe voert een kind een historische figuur ten tonele? Hij stelt hem voor en spreekt iets, wat de historische figuur in werkelijkheid gezegd zou kunnen hebben. Een goede oefening in fantasie-ontplooiing bovendien.

Naamvallen
Een derde grammaticale nieuwigheid is het gaan leren van de naamvallen. Alle woordsoorten worden gekend en nu wordt het zaak in de zin bewust te gaan onderscheiden, welke woorden in groepen bij elkaar horen om de structuur van een zin te vormen.

Er zijn in het Nederlands vier gevallen, waarin woorden in een zin kunnen voorkomen.

Het eerste geval:
Een woord of een groep woorden geeft aan waarover de zin eigenlijk gaat. Meestal is dit woord (of deze groep) drager van de handeling (actief of passief) en via die handeling een andere groep woorden (of woord) daarbij betrekkend. Is dat woord een woord, dat die handeling ondergaat noemt men dat volgens traditie een vierde geval.

Het vierde geval:
Eerste en vierde geval zijn door het handelingswoord nauw verbonden. Als eerste geval gelden óók die woorden die via een zijns (toestands)-woord met de handelende in het eerste geval verbonden zijn: ‘gekoppeld’, vandaar de term koppelwerkwoord. Het koppelwerkwoord verbindt twee woorden (of woordgroepen) in het eerste geval.

Het derde geval:
geeft aan waarheen iets ten gevolge van de handeling van het eerste geval gaat.

Het tweede geval:
geeft aan waar vandaan iets al of niet door de handeling van het eerste geval (of vierde geval) komt.

Die vier gevallen zijn als het ware huizen, waarin elk woord kan wonen. De gevallen veranderen niet, wel de woorden die onder het geval vallen of uit de voordeur van het huis te voorschijn komen.

De moeilijkheid met tweede en derde geval is, dat zij met voorzetsels worden omschreven (tweede geval ‘van’), (derde geval ‘aan’).

Technisch behoort in het Nederlands na ieder voorzetsel (praktisch) een vierde naamval te staan.

Onder een tweede geval kan een woord in een vierde naamval komen te staan.

De kinderen knippen vier gestalten uit een vel karton. Vier gaten ontstaan. Een zin wordt in woordgroepen vertoond voor de bijpassende gaten (gevallen).

De kinderen zien dat bijna ieder woord in het eerste geval kan staan. Het is een soort omgekeerd schimmenspel.

Het vervolgens opschrijven van de zinnen maakt een vastlegging mogelijk, waarbij het nummer van het geval boven het woord komt te staan.

klas 5 taal

[aan de hoed is meewvw. dus 3]

Het leren van naamvallen is een omstreden onderwerp. Zij, de naamvallen, zijn niet te zien. Dus bestaan zij niet? Het is bovendien niet waar. Bij de voornaamwoorden ziet men wel degelijk naamvallen. Het is voor kinderen beter de algemeenheid te horen en te beschouwen dan een stel onbegrijpelijke uitzonderingen te leren.

Bovendien leren de kinderen talen, die duidelijk zichtbare naamvallen hebben (Duits 4, Russisch 6, Pools 7, Fins 11, Latijn 6, Grieks 5) nu of later.

Men vergeet ook, dat het spelend beoefenen van de gevallen en naamvallen in de zin nog met het gemoed, dus veel blijvender wordt opgenomen in de 5e klasse.

Het is van groot belang geen zinsontleding in brokjes te beginnen, voordat de naamvallenleer goed is opgenomen in het gemoedsleven én in het bewustzijn.

De gevallen zijn primair, niet het benoemen van de zinsdelen. Maar de zo moeilijk gevonden zinsontleding heeft eigenlijk pas zin en verloopt gemakkelijker als de naamvallen bekend zijn.

Toneel
Het aantal toneelspelen is groot, dat de onderwerpen uit de Griekse mythologie bewerkt en aanbiedt. Bijvoorbeeld:

1.De schaking van Persefone
2.De daden van Herakles
3.De toorn van Achilles
4.Prometheus geboeid
5.Odysseus en Kirke

Uit het laatste spel een klein citaat.

Odysseus is met zijn makkers geland op Aeaea, het tovereiland van de schone tovenares en zuster van de zon Kirke, heerseres over levenskrachten en vormveranderingen. Odyseus’ makkers zijn door de vrouw Kirke in zwijnen veranderd. Odysseus gaat zijn makkers zoeken. Hij ontmoet Hermes, de bode der goden. Hermes geeft Odysseus een kruid, dat zijn mensenkracht (ik-kracht) versterkt.

Kirke:
Treed binnen, gij vreemd’ling
ei, wees toch mijn gast.

Odysseus:
Zeer gaarne, o schone,
geniet ik het gastrecht,
door U aan een vreemd’ling
zo minzaam geboden.

Kirke:
Hier! neem van deez’ spijs
Het bekome U wel
Een teug van deez’ wijn
En… word een zwijn!

Odysseus:
Neen! Kirke. Een Mens blijf ik!

Kirke:
Wie zijt gij? O, wee
Mijn macht is weerstaan!

Odysseus:
Ja, Kirke, en meer nog
Ik wreek nu mijn makkers.
U treft nu mijn zwaard!

Kirke:
O, neen, edele held
Ik doe al wat gij wenst.

Odysseus:
Bevrijd dan mijn makkers
Die gij hebt betoverd.

Kirke:
Kom volg mij dan spoedig
Zij zijn in de stal…

Koor:
Dus komen zij aan in der zwijnen verblijfplaats
De held ziet zijn makkers als borst’lige zwijnen
Zij wroeten met snoeten in vunzige modder.
Zij grommen en knorren en vuil is hun huid!

Odysseus:
O makkers. Welk leed!
Hoe moet ik U weerzien!

Kirke:
Gij die daar rondwroet,
Herneemt Uw gestalte,
Wordt nu weer mens!

Koor:
Zo richten zij zich
Langzaam weer op
En krijgen terug
hun mensengestalte.

Alle makkers:
O vrijheid, o geestkracht!
Een mens ben ik weer!
Heb dank, Odysseus.
Wij danken U zeer!

Odysseus:
Alleen aan de goden
past onze dank!

Kirke:
Komt nu in mijn paleis
Ik zal U onthalen op vorst’lijke wijs!

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

.

*Steiner over het ‘schoon’schrijven
** niet uitsluitend – bv. zouden er – enkele maanden na de plankundeperiode- hoofdstukken gelezen kunnen worden uit Grohmann: ‘Leesboek voor de plantkunde’.
***zie voor de plaats van de aanhalingstekens
****toneelstukken

5e klasalle artikelen

Nederlands bij Luc Cielen

hexameter op de blog van Joep Eikenboom

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: alle beelden

.

504-466

.

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – 4e klas (2)

.

Het Nederlandse taalonderwijs


Nu het lichaam van de taal enigszins verkend is in de drie leerjaren van klas I, II en III, nu komt eigenlijk de ware ziel in de taal te voorschijn. Een ‘gewaarwordingsziel‘, die als hoogste ontwikkelingsmogelijkheid de schoonheid heeft. Schoonheid is de grote leermeesteres van de nog primitieve gewaarwordingsziel!

Weer kan men denken aan de middeleeuwse zeven vrije kunsten. De middelste van de eerste drie (het trivium) is de retorica, het schone spreken, de taal als kunstzinnig beleefbare activiteit, nadat de structuur en de elementaire vormleer (grammatica) zijn behandeld en geoefend.

Natuurlijk wordt ook de grammatica verder gestructureerd en behandeld. Want nu pas kan het kind door zijn ik-beleving een nieuwe afstand en mogelijke verhouding tot de dingen krijgen, dus ook tot de eigen taal. Ook krijgt het kind een verhouding tot de tijd, het krijgt nu pas een perspectief-achtige mogelijkheid tot tijdsbeleving (wat was vóór, wat is na, wat is gelijktijdig). Ook een verhouding tot het persoonlijke (wat is het verschil tussen een ik-zelf, de naaste en de andere in de verte).

Het is nodig, dat het kind ook het poëtische gaat hanteren, zowel in de gesproken, als in de geschreven taal. Het hoofddoel van de klassen IV en V is in deze leeftijdsfase derhalve het mooie spreken en het verzorgde schrijven.

Leer- en ontwikkelingsdoelen
—  Het gebruiken van de grammatica als onegoïstische ik-ontwikkeling: zekerheid en zelfbewustzijn in en door de taal.
—  Mooi spreken, vertellen, navertellen (met honorering van de temperamenten).
—  Bevordering van sociale vaardigheid: met en tegen elkaar spreken, goed luisteren.
—  Juiste en mooie uitspraak.
—  Verzorgd schrijven, wat vorm en inhoud betreft.
—  Mooi lezen, goede toon, voordracht.
—  Het maken en verstaan van eenvoudige poëzie; allitererend, rijmend en metrisch.
—  Het declameren en reciteren van allitererende en metrische poëzie, juiste toon, tempo, maat, ritme, frasering.
—   Mooi en zakelijk schrijven, verbinding van schoonheid, grammaticale juistheid en sociale vaardigheid.

Leerstof, Middelen, Werkvorm Klasse IV

a.  vertelstof:
Godenverhalen en heldensagen uit het Noors-Germaanse taalgebied.

De onzekerheid van het kind, dat zich als een IK’ beleeft, wordt in hoge mate gesteund door de verhalen, die steeds weer over ‘moed’ gaan. De Noorse held strijdt, omdat het zijn plicht is Odhin bij te staan tegen de reuzen en monsters die het gouden Asgard zullen overvallen: strijd tegen leugen (Fenriswolf), egoïsme (Midgardslang) en dood (Hella). De Noorse held overwint zelden, hij gaat onder, maar zijn moed blijft in de schone zangen van barden, en minstrelen bewaard als lichtend voorbeeld. Het kind werd door de verhalen uit het Oude Testament: ‘uitdrijving uit het Paradijs’, de “tocht door de woestijn’, het ‘worden van een eigen volk’ reeds voorbereid op de moeilijkheden van de volgende kleine levensfase.

b.  spreken:
Moeilijker spraakoefeningen, vertellen en navertellen. Klasgesprek. Toneelspelen, declameren, raadsels oplossen en in de juiste bewoordingen opgeven. De schone en krachtige regels met stafrijm oefenen en ook zelf improviseren.

c.   schrijven:
Het schone* schrijven oefenen. Zich in de taal grammatikaal en wat spelling aangaat duidelijk en zuiver uitdrukkken. Nieuw is het schrijven van zakenbrieven en andere brieven.

d.  lezen:
Lezen van moeilijker verhalen en gedichten. Voordracht oefenen. Lezen van Noorse verhalen.

e.   spelling en interpunctie:
Schrijven van de werkwoordsvormen (‘tragedie der werkwoordsvormen’)

f.  grammatica:
Zorgvuldige behandeling van de werkwoordstijden in heden, verleden en toekomst. Bewustzijn wekken, hoe de verandering van de werkwoordsvorm samenhangt met tijd en onderwerp. Vooral tot een sluitende behandeling van alle woordsoorten komen. Bij de adjectieven en adverbia de trappen van vergelijking behandelen en oefenen.

Dit moet alles op kunstzinnige wijze geschieden en het spelelement moet overal aanwezig zijn.
De taal moet in zijn plastiek, zijn vormkracht gevoeld worden en in zijn onderdelen goed worden bewustgemaakt. Het is van groot belang die woorden zorgvuldig te bekijken en te leren gebruiken, die de betrekking tussen allerlei woorden vaststellen, vooral die met de werkwoorden (voorzetsels).
De taal kan uit zijn voorzetsels bestudeerd worden.

g. opstel:
Behalve de cultivering van het briefschrijven, hetgeen ook een soort opstel is, wordt ook nog aparte aandacht besteed aan het navertellen van verhalen. Kort vertellen, langer vertellen, uitvoerig vertellen. Een onderwerp wordt bepaald (uit de vertelstof of andere leerstof b.v. de dierkunde) of vrij ter keuze aan de kinderen overgelaten.

Hoe gaat het toe?

Iets over de vierde klasse Grammatica
De vierde klas heeft in zijn taalperioden nogal wat grammaticale dingen te verwerken. Al die woordsoorten, al die tijden. Hoe doen we dat op speelse wijze?

De verhalen uit de Noorse mythologie spreken de kinderen op die leeftijd zeer aan. Odhin, de vader der goden en mensen, offerde zich op, hing zichzelf aan de Wereldboom, werd ingewijd in de geheimen van het heelal. Hij bracht de mens de ‘runenwijsheid’, het mysterie van de taal en de kennis van het heelal. Een schitterend beeld uit de Voluspa (— de zieneres spreekt) over het ontstaan van de wereld:

Een Es weet ik staan
Yggdrasil heet hij,
hoog en met helder
h
eilvocht begoten.
Vandaar komt de dauw
in de dalen gevallen,
aan de bron van Urd
staat hij eeuwig groen.

De kinderen declameren die knorrige strofen uit de Edda, klappen of stampen op de allitererende klanken — let wel, de klinkers worden met een h-achtige ademstoot gesproken en rijmen dus ook op elkaar — want dit is geen zwak eindrijm, maar een knoestig beginrijm.

Die boom, daar begint alles. Hij wordt door de gehele groep getekend, vellen papier die aansluiten en langs de wand van de klas worden opgehangen. Ga er eens voor staan!

‘Ik’ is vlakbij, de stam. ‘Jij’, iets verder, een tak; ‘hij’ nog verder, nog een tak. Ik (stam), jij – t, hij – t. Zo komen de personen en werkwoordsvormen te voorschijn. Ik speel, jij speel – t, hij speel – t. Dit wordt mondeling grondig bij de boom geoefend; tenslotte getekend en opgeschreven.

Tijden van het werkwoord
Nog iets uit de Voluspa. Wie zitten aan de voet van de Wereld-Es? Drie vrouwengestalten. Nornen heten zij. De een kijkt terug, de ander kijkt omhoog, de derde kijkt borend in de toekomst.

Bij de Wereld-Es werken
Drie wijze vrouwen;
Zij weven het weefsel
van leven en lot voor
lijf en leden
bij goden en mensen:
Urd weet wat was
Werdandi wat nu is,
maar Skuld wat zijn zal.

Drie meisjes spelen voor de Nornen. Zij hebben een blauw (Urd), geel (Werdandi) en rood (Skuld) jurkje aan van crêpe-papier.
Een werkwoord of doewoord wordt door een groep kinderen genoemd, b.v. ‘strijden’.

Urd zegt deftig: ‘ik streed’.
Nu kunnen vele variaties gemaakt worden.
Of de zes personen door zes kinderen laten declameren, of de Norne zelf alle personen te laten zeggen, of iedere Norne om beurt de personen laten zeggen.

Wernandi zegt opgewekt: ‘ik strijd’,
Skuld merkt dreigend en krachtig op: ‘ik zal strijden’.

De kinderen krijgen er niet gauw genoeg van.

Men kan ook Urd achteruit laten gaan, Wernandi laten staan en Skuld naar voren laten stappen.

Dit toneelspel draagt bij niet tot kennis van de tijden in de eerste plaats, maar tot een kwalitatieve beleving, waaruit de heldere kennis als eindresultaat naar voren springt.

Het is allerminst voorgeschreven, die drie Nornen, maar het verband met de tijdsbeleving dringt zich op.

Woordsoorten
Een nieuwe ingang voor de behandeling van woordsoorten vanuit het voorzetsel.

Het voorzetsel brengt ons innerlijk in beweging. Sommige uitdrukkingen met een voorzetsel hebben werkwoord­karakter: ‘aan dek!’ ‘te wapen’ ‘naar huis’. Voorzetsels stellen verhoudingen tussen allerlei woorden vast.
Weer kijken wij naar de Wereld-Es.

‘In zijn top zit een adelaar,
met een havik tussen de ogen.
‘Aan de voet zijn de drie Nornen, met elkaar.
Onder de wortels huist een boze draak.
Langs de stam van Yggdrasil rent Ratatosk, de eekhoorn,
die uit de top naar beneden gaat om het woord van de adelaar tot de draak te brengen.
Alles ziet Heimdal, de godenwachter op de Bifrostbrug,
de regenboog, die van de Hemel naar de Aarde loopt.
Heimdal redt Freya’s sieraden die Loki,
de ondeugende vuurgod, trachtte te stelen.
Heimdal ziet Loki als vlo onder de deken
op het bed van de beeldschone Freya springen
om haar sieraad uit het paleis te ontvreemden.

Zo ontstond een taalspel: Heimdal kreeg zijn woord en zijn strofe:

Ik, Heimdal de Wachter,
Bij, in op of aan…
ben overal achter,
heb alles verstaan.
Ik waak bij de brug,
de hoorn in de hand
en blaas mijn boodschap
Over het land!

Voorzetsel is Heimdal woord.

Zo wordt Odhin het zelfstandige naamwoord, Freyr het voornaamwoord, Frigga het bijvoeglijk naamwoord en Freya het bijwoord.

Door dit godenspel wordt de kennis van de woordsoorten bevorderd en ook de woordontleding mogelijk gemaakt. Wat, Goden? Ja zeker, deze leven in de ziel van de kinderen in de vierde klas. Zij zijn goede bekenden.

Een taalspel
Typisch voor de Noordelijke volken was het elkaar opgeven van raadsels.** Ook bij de Keltische volken kwam dit voor. Eerst wordt verteld, hoe de Goden dit hanteerden. Bij alle raadsels is Odhin, als taal-godheid en inspirator voor de Noordelijke volken in het geheim betrokken.

Het oerbeeld ligt in het lied van Wafthrudnir, de wijze reus, die door Odhin, vermomd als zwerver werd uitgedaagd. Het gaat dan eerst om het weten van namen.

Wafthrudnir:
‘Zeg mij nu, Gangradr,
Als gij van de vloer
U meten wilt met mij:
Hoe heet het Ros,
Dat den radenden goden
Uit ’t oosten opvoert de nacht?’

Odhin:

Hrimfaxi heet
Die den heiligen goden
Uit ’t oosten opvoert de nacht!
Daar druipen ’s morgens
Van zijn bit de druppels.
Vandaar komt de dauw
In de dalen!’

Dan is de beurt aan Odhin. Wafthrudnir weet alles, behalve de laatste vraag: Nu weet Wafthrudnir wie zijn tegenstander is:

‘Ik mat met Odhin al mijn weten
De wijste echter waart gij!

Langzamerhand komen er ook echte raadsels, zoals:

‘Wie rijden gezamenlijk naar het gevecht, zij hebben tien voeten, één oog en één staart?’ (de eenogige Odhin op zijn achtvoetige ros Sleipnir)

Of: ‘Vier hangen, vier gaan / twee wijzen de weg / twee weren de honden / één die vaak vuil is, sjokt er achteraan, kun je het raden?’ (een koe)

De voorliefde voor raadsels van de vierdeklasser is niet zo verwonderlijk. Eerst was hij in een geheel ingeschakeld: alles voelde hij aan en accepteerde het. Na zijn ik-beleving kan dat zo niet meer. Hij wil de vervreemde buitenwereld exact gaan verkennen en er uiterlijk iets van weten.

Hij wordt zich zelf een raadsel: Wat is de verhouding tussen de binnenwereld van hemzelf en de buitenwereld? Elk goed raadsel heeft die subjectief-objectief-kant. Bij het raadsel van de koe kan men de objectief-uiterlijke kant aan de koe zelf waarnemen, maar dat de raadselmaker deze dertien delen van de koe als wezens of personen ziet, die bepaalde dingen doen, dat is de misleidende subjectieve mededeling.

Toneel
De Noors-Germaanse mythologie levert in de verzen van de Edda zelf al uitstekende stof. Zeer geliefd is het z.g. ‘Hamerlied‘ van Thor.

De boze Thursenreus, koning Thrym, steelt Thors hamer Mjölnir. Hij wil deze alleen teruggeven, wanneer de schone Freya met hem wil trouwen. De goden willen Freya niet afstaan, maar Thor zelf wordt verkleed als bruid. Komische situaties doen zich aan Thryms hof voor: Thrym:

Eén ding ontbrak mij:
Freya als bruid!

Koor:
En eindelijk viel
de schemering.
Men zette zich
aan de avonddis.
Toen at Thor
Een vette os.
Een achttal zalmen
en alle toespijs.
Hij dronk daarbij
Drie vaten mede!
Toen zeide Thrym
de Thursenkoning:

Thrym:
‘Wie zag een bruid
Ooit gretiger bijten?
Nooit zag ‘k een bruid
Gretiger bijten!
Noch ook een meisje
Meer mede drinken!’

Koor:
De slimme dienstmaagd
Zat aan de dis
En zij sprak
Tot Thrym de reus:

Loki:
‘Acht dagen lang
At Freya niet
Zo reikhalsde zij
naar ’t Reuzen land!’

Koor:
Thrym vond het fijn,
tilt op de sluier
om de bruid te kussen,
maar hij deinst terug:

Thrym:
‘Hoe vrees’lijk fonk’len
Freya’s ogen,
Als vlammend vuur
Zo brandt haar blik!’

Loki:
‘Acht nachten lang
Sliep Freya niet.
Zo reikhalsde zij
naar ’t Reuzen land!’

Tenslotte krijgt Thor de gestolen hamer in handen bij de huwelijksvoltrekking. Dan maakt hij korte metten met het gehele reuzengebroed. Zo kreeg dan Thor zijn hamer terug.

De taalperioden in de vierde klas vormen een hoogtepunt voor het gehele schooljaar!

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

*Steiner over het ‘schoon’schrijven 

**het kunnen ‘begrijpen’ van een raadsel vraagt toch een bepaald abstract denkvermogen. De meeste kinderen in klas 4 (10 jaar) hebben dit nog niet.
Gevraagd bv. ‘waar zit de meeste vis’ antwoord(d)en ze steevast: in de (Noord)zee. Het antwoord ‘tussen de kop en de staart’ vonden sommigen zelfs ‘gek’.

Mijn ervaring is dat er in de 5e klas ‘ineens’ wel dit nodige abstracte denkvermogen is. Dan is het erg leuk om bv. bij de pauzeboterham iedere dag een raadsel op te geven en de andere dag het antwoord te vragen en/of te geven. De kinderen komen dan ook vaak met leuke raadsels aan (waarbij ik de ‘flauwe’ in een aparte categorie onderbracht)

raadsels

klas 4 Nederlandse taal
4e klas: alle artikelen
.

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas

.

502-464

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – Nederlandse taal (2)

.

Spraakoefeningen en gedichten


De kinderen spreken in koor, per temperament, of individueel. Zij steunen elkaar, totdat een of een paar het durven.

Drie razende rode ridders rijden door het groene gras

De rollende r, natuurlijk gegeven bij Italianen, Grieken en Indonesiërs is soms heel moeilijk voor de stugge Hollandse tong.
De voorbereiding is ook al merkwaardig: Dgdie  gdazende gdode gdidders en zo voort (gd – r) Zo zijn er vele spraakoefeningen.

Knaap de knappe kapper knipt en kapt knap.

Steeds sneller, dat is een goede spreeksport.

’t Is nacht
de wacht
komt stormende op
Gij knapen,
de vijand. Daar
is lijfsgevaar
Te wil, te weer.
Te wapen!

Ik sloeg hem zulk nen daverslag
als dat hij plat
ten aarden lag
en vim meer en roerde noch vâmc.

’t Regent, ’t regent,
’t dondert rondom mij
bliksemflitsen flikkeren
rondom mij
hagelvlagen vagen
rondom mij ‘t
Breken beken water
rondom mij.

De snee lag op de daken
De snee lag achter ’t land.
Langs wegen, landen, straten
’t Was snee al dat men vand
Al snee… ’t was snee al dat met vand.

De Vlamingen, vooral Gezelle, hebben bijzonder goede gedichten gemaakt, die geschikt zijn voor kinderen. Speelse oefenstof!

Schrijven in verbonden lopend schrift*

Daar beginnen ze mee door vormen te trekken, die door hun ritmische beweging voorbereiden op het lopende schrift. De vertelstof is het Oude Testament. Toen de Israëlieten in Egypte waren, zagen zij, dat schrijven een heilige zaak was. Ook de spelling krijgt een stoot in de goede richting: eerbied voor het geschreven woord is weliswaar een Egyptische aangelegenheid, maar onze kinderen kunnen daarvan best iets gebruiken.

schrijven klas 3 vormteeknen

Lezen en leestekens
Voor het lezen moeten de leestekens geleerd worden. Vele zijn er al eens gezien, maar nu moet het totaal der leestekens worden waargenomen. Waarom niet ook hiervan een spel gemaakt?

Leestekenspel
Een of twee kinderen stellen leestekens voor. Zij dragen grote punten, haakjes en zo voort voor zich uit.

Zo zegt de punt, die zich met een dikke buik voor de woorden opstelt:
Ho! Je ziet toch wel dat je niet verder kunt? Ik ben een hele grote dikke, vette PUNT.

Elk kind is vele keren elk leesteken geweest en verheugt zich op de ontwikkeling van het spel.

Woorden:
‘Waarom ligt er nog geen sneeuw?
Waarom heet een mus geen spreeuw?
Waarom moeten we alles weten?
Wie heeft aan de suikerpot gezeten?

Vraagteken zegt geheimzinnig:
Het vragen wel staat jullie vrij!
Maar antwoord krijg je niet van mij!

Woordsoorten
De grammatica richt zich nu op een globale indeling van de woordsoorten.

Een spel van Adam, de eerste mens, die van de Schepper zelf het vermogen kreeg in woorden te spreken.

De Schepper zelf sprak het scheppende woord, dat de aardse wereld in leven riep.

De kinderen oefenen graag die indeling van het woordenspel.

Adam: de naamgever van de dingen.
Eva: de schone spreekster over de kwaliteiten van alles, de hoedanigheden. Later komt het engelwoord, ook wel Kaïns woord genoemd, dat de handelingen aangeeft. Over het wezen van Kaïn moet men niet de Bijbel alleen raadplegen. In de Israëlitische legenden is Kaïn de vuurgeest, die stamvader werd van alle handwerkers, kunstenaars en technici.

Adamwoorden zijn de NAAMwoorden, Evawoorden zijn de HOEwoorden, Kaïnwoorden zijn de DOEwoorden. Het woordenspel loopt uit op een aantal gebaren: bij het Adamwoord worden de armen gekruist, bij het Evawoord de armen heen en weer bewogen, bij de Kaïnwoorden wordt een sprong gemaakt, of er wordt gestampt. Indrukwekkend is het ogenblik, waarin de drie woordsoorten in het scheppingverhaal zelf te voorschijn komen. Eerst werd door de Elohim geschapen (doe-woord), daarna zagen zij pas hoe het was, het was goed (hoe-woord) en ten slotte werd pas de naam gegeven, hij noemde het DAG (het naam-woord). Men zou met recht kunnen zeggen, dat de Elohim (dus God zelf) de grammatica door hun scheppend woord hebben ingevoerd.

De mens, bemerkt het kind, is daarom naar Gods beeld geschapen, opdat hij ook het scheppende woord kan hanteren. Een groots perspectief aan het eind van de drie lagere klassen.

Toneel
Toneelspel is gekozen uit de rijkdom van de Oud-Testamentische verhalen: de geboorte van Mozes.

Een stoel is tot gouden troon gemaakt. De farao zit er op, de hoge kroon met de gouden uraeusslang diep in het voorhoofd. Hovelingen staan rondom en heffen een lofzang op de farao aan.

De farao spreekt:
Laat mijn raadgevers komen
Bekwaam in de uitleg van dromen, (de bediende brengt drie wijze mannen)

Dienaar:
Bileam, de zoon van Beor, uit het land der twee stromen
Hiob, uit Uz
En Jithro de Midianiet
(raadgevers buigen)

Farao:
Luister naar wat ik zag
Toen ik dromend nederlag
Een weegschaal, wonder mooi gesmeed;
Eén der schalen met goud bekleed,
Die droeg het gans Egypteland.
Uit stro gevlochten aan de kant
Als een vogelnest zo fijn
Daar lag een kindeke fijn
Die schaal van stro
Schijnbaar zo licht
Was veel zwaarder in gewicht
Dan de gouden schaal!
Verklaar mij deze dromentaal.

Bileam:
Hoedt U voor dat kleine kind!

Farao:
Moet ik bang zijn voor een kind?

Bileam:
Hoedt U voor de bevrijder van Israël
En vernietig hem snel!

Zo gaat het door. De Farao beveelt de kindermoord.

De kinderen leven zeer mee, ook als de mopperende en klagende Israëlieten opkomen, die stenen moeten maken. De vertelstof voor de derde klas is een grootse vertelstof. Mozes kan men niet wegdenken uit de mensheidsontwikkeling.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

*Het is m.i. niet zo dat het verbonden schrift pas in klas 3 aan de orde ‘mag’ komen. De kinderen zijn a.h.w. de maatstaf voor het tijdstip: hoe is hun motoriek. De 1e klas is DE gelegenheid om deze te oefenen. Maar bv. een ‘wakkere’ 1e klas – met wellicht veel ‘oudere’ leerlingen, kent na driekwart jaar de meeste (beeld)letters wel. En als de klanken bij de letters goed ge- en herkend worden is er geen enkel bezwaar om de alfabetnaam te noemen en de drukletter onder de aandacht te brengen.
Er bestaat geen eenduidigheid in de vrijescholen over ‘wel of niet schrijven van de drukletter=blokletter.
Steiner: ‘Zo zullen we uit het tekenen eerst de geschreven vormen van de letters ontwikkelen, dan de gedrukte. (1)
En: ‘Dan zullen we op het bord tekenen hoe de afzonderlijke letters er als drukletter uitzien. Dan zullen we het kind leren overschrijven. Het kind zal dus niet leren lezen zonder dat het met de hand navormt wat het ziet, ook de drukletters. (2)
Maar ook: ‘ ( ) dat het lezen van de drukletters afgeleid wordt uit het lezen van geschreven letters. We zullen dus proberen de overgang te vinden van het tekenen naar het schrijven, van het  schrijven naar het lezen van het geschrevene en van daaruit naar het lezen van gedrukte tekst. (3)

Ik ben van mening – met anderen waaronder Audrey Mc.Allen – dat de drukletter NIET geschreven hoeft te worden. Waarom zou je, als die een jaar later weer ‘afgeleerd’ moet worden ten gunste van het lopend schrift. Tijdverlies – niet economisch – en een beetje bedrog, vind ik persoonlijk. Van de kinderen alles eisen voor een goede en nette blokletter om vervolgens er niet meer naar om te kijken – op schrijfgebied dan.
Dat betekent dat je eind 1e, maar zeker begin 2e met het lopend schrift kan beginnen.

(1) GA 294. Opvoedkunst, Zeist 1989 blz 12
(2) idem, blz. 13
(3) idem, blz. 58
.

Spraakoefeningen

Schrijven en lezen: alle artikelen

3e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas

.

501-463

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – Nederlandse taal (2)

.

Dialoog

De vertelstof van de tweede klas zit vol dialogen. De fabels over dieren en planten maken dat mogelijk. Een goede oefening voor de taal. De dialoog wordt overal voortgezet. In de toneelstukjes, in de poppenkast, in de heemkunde. Ook in de grammatica. Er moet gevoel gewekt worden voor de tegenstelling: actieve woorden en de statige, naamgevende woorden.

Het volgende verhaal wordt verteld, naverteld en gespeeld:

‘In een ver land woonde een koning. Hij zat in de grootste zaal van zijn paleis, dat veel ramen had om rond te kijken in de wereld. Hij zat daar rustig op een hoge troon en overzag alles. Hij wist ook van alles, hoe het heette.’

Een koor kan dit zeggen. De koning is gauw gevonden. Daar zit hij al. Het koor vervolgt zijn verhaal:

Op een dag gebeurde er iets heel akeligs. In de verte liep op een landweg een arme vrouw. Een paar woeste rovers overvielen haar en wilden haar schamele geldbuideltje afnemen. Wat zei de koning toen:

‘Juist, dat is een arme vrouw op de weg in het land. Daar zijn twee rovers, die willen haar geld stelen.

Wat daar gebeurt is een overval en goed beschouwd is het zeker onrecht.

De koning kon niets doen, want hij moest keurig op zijn troon blijven zitten.

Gelukkig, daar kwam een lange, sterke man binnen. Hij rende naar de troon, boog diep, bood de koning hulp aan.

Hij zei weinig, in een wip trok hij zijn leren vechtpak aan. Hij zadelde zijn paard, sprong er op, galoppeerde weg, overviel de rovers, ontrukte hun het geld, bond hen vast en trok hen mee. Het oude vrouwtje huilde van blijdschap en strompelde naar huis.

Iedereen was blij, de koning maakte de man tot ridder, die kon uitrukken, wanneer er iets te doen was. Zo kon de koning rustig zijn werk doen en blijven zitten. Want dat was even nodig.

Wat een pret, om dat te spelen! Bij elk woord van de koning buigt het koor statig. De koning zelf ook.

Bij elk ridderwoord trappelen de koorleden. Niet te lang! De leerkracht bedenkt dus zijn eigen terminologie.

De weg naar ‘zelfstandig naamwoord’ of substantivum is lang, maar vruchtbaar.

Alles wordt ook mooi opgeschreven, de koningswoorden in edel blauw, de ridderwoorden in vurig rood.

Spel en spelling
Men ziet drie kinderen, die elk een klank mogen voorstellen. Er is een M en een N. Ook huppelt er een A rond. MN is nog geen woord. Gaat de A er tussen staan, dan is haar volle klank doffer geworden. De armen kunnen niet meer wijd uitgestrekt worden. Er staat MAN. Maar wij willen zo graag MAAN schrijven. Dan wordt een tweede A gehaald. De twee A’s klinken samen voller.

De spelling wordt belangrijker, want de tweedeklasser kent de letters langzamerhand zo goed, dat hij van allerlei uit zijn blote hoofd wil opschrijven.

Later in het schooljaar komt het probleem van de ‘open en dichte’ lettergrepen. De open lettergrepen laten hun klinkers naar één kant vrij uitzingen. Er behoeft er maar één te staan. Een tweelettergrepig woord is een woord van twee stappen (of klappen). Een lettergreep (of klap) die eindigt op een consonant (of vormer) is een gesloten of dichte lettergreep. De open en gesloten lettergrepen worden door de kinderen op het gehoor eerst nagespeeld. In de geschreven tekst komen er mooie vogeltjes of engeltjes boven de lettergrepen staan. De gevleugelde wezens hebben bij de open lettergreep hun vleugels open en bij de dichte dicht. Heel eenvoudig.

taal klas 2 2

( huidige spelling: berenbaby)

Legenden
Een toneelspel, ook voor poppenkast te gebruiken.

Sint Joris                                                           :   ‘Wat doet gij hier, o jonkvrouw                                                                                         rein?

Jonkvrouw                                                       :   ‘Mijn land verkeert in grote nood.
Ik moet het redden door mijn                                                                                         dood.

Sint Joris                                                           :   ‘O schone jonkvrouw, blijf toch                                                                                       leven.
Wie moet U hier het doodslot                                                                                         geven?

Jonkvrouw                                                        :   ‘Een grote draak zal mij hier                                                                                            vinden
En mij met huid en haar                                                                                                  verslinden.’

Sint Joris                                                           :   ‘O schone jonkvrouw, wees niet                                                                                       bang.
Mijn arm is sterk, mijn speer is                                                                                       lang!

Jonkvrouw                                                        :   ‘O. edele ridder, vlucht van hier
Te sterk is het afgrijselijk dier!

Sint Joris                                                           :   ‘Ik red U gaarne uit de nood…

(draak komt)

Zie! met één slag is ’t ondier                                                                                             dood!

Jonkvrouw                                                            ‘Heb dank, o edele ridder, dank!
‘                                                                                k Zal U gedenken mijn leven lank

Deze dramatische en plechtige tekst wordt met luider stemme voorgedragen, eerst door de hele groep, dan door de meisjesgroep en de jongensgroep, tenslotte door één jongen en één meisje. Al in de gewone lestijd zijn zij verkleed, het prinsesje in een mooie prinsessenjurk met een kroontje op, de ridder met een kartonnen helm en harnas en met een fraai gouden slagzwaard. Ook de draak is van karton, althans zijn kop. In het jute-achtige lijf’ kunnen wel drie jongens. Het is niet alleen grappig om zevenjarigen een plechtstatige tekst te horen zeggen, maar het is zinvol, dat zij in allerlei stijlen al jong leren spreken. Een goede voorbereiding voor alle stijlgevoel, niet alleen met het woord, maar ook met de smaak. Er gebeurt heel wat in de spelers zelf’.

 

Let eens op die woeste knaap die voor wolf moet spelen. Eerst kan hij zich uitleven. Maar dan ontmoet hij de edele en heilige Franciscus. En hij loopt de heilige achterna.

Burgers                                          Ga weg met dat beest, zo woest en groot
straks bijt hij ons allemaal nog dood!

Franciscus                                      Broeder Wolf heeft, ‘k heb het hem gezegd,                                                                  zijn boze streken afgelegd.
Burgers                                           Hoe kunnen wij dat zeker weten?

Franciscus                                      Hij heeft honger, geeft hem eten!
Haal een bord met rijstepap
In een stevige, houten nap.
Koor                                                 Hij krijgt de nap gevuld met pap
(Dat is voor een wolf geen grap)
Wat trekt het beest een vies gezicht!
Maar eind’lijk doet hij gauw zijn plicht.
En slobbert de pap en likt zijn snoet
Die is wel zacht en smaakt wel goed.

Zowel de ‘wolf’ als de speler, die Franciscus moet vertolken zijn na de vele weken oefenen, elke dag in het hoofdonderwijs van de taalperiode anders geworden.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

.
2e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

.

500-462

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 1e klas -Nederlandse taal (2)

1e klas: Nederlandse taal 1;
1e klas: Rudolf Steiner over schrijven en lezen
1e klas: alle artikelen

 

Taalonderwijs

Het taalonderwijs gaat er eigenlijk van uit, dat de taal geen ‘vak’ maar een levend wezen is, dat alles doordringt wat leerbaar kan worden genoemd.

Het kind heeft dit taalwezen eerst onbewust, daarna dromerig-spelend leren kennen. Op school zal het bewust de taal leren kennen en oefenen, zij het op speelse wijze.

Met de tandwisseling is het kind ontvankelijk geworden voor het woord. Het woord als bron van scheppingskracht, het woord, dat de geliefde autoriteit spreekt over alles wat het leven brengt. Universeel is het taalonderwijs, omdat de taal in kunstzinnig opzicht zowel beeldende aspecten als ritmisch-muzikale aspecten omvat. De twee belangrijkste kunstzinnige gebieden vindt men in de taal.
De Griekse cultuur had er grootse woorden voor: in het beeldend -plastische element werkte de lichtgod Apollo, in het ritmisch-muzikale element de dramatische godheid Dionysos. Deze twee goden waren broeders. In de taal vloeien hun beider elementen samen en worden uitdrukking van een derde, hoger element, dat van het Wereldwoord, dat alles heeft gevormd en tot leven gebracht, zoals dat in het Johannesevangelie is neergelegd.

Daardoor is de taal verbonden met de hoogste krachten van de mensheid. De taal in haar scheppende vormkracht en structuur brengt als zodanig het kind tot zelf-bewustzijn en innerlijke zekerheid. De taal is een ik-functie.

Van het taalonderwijs is grammatica de kern, de ruggengraat. De grammatica in haar strenge vorm is een nog sterker appel aan het ik-bewustzijn.

Maar — en dat is het wonder van de taal — zij doet dit op on-egoïstische wijze en demonstreert zo haar volstrekte onmisbaarheid voor de mens.

Men zoeke de verschijnselen van de taal niet slechts in het utilistische, platvloerse en goedkope. Dat is eenzijdig. De taal is zo universeel, dat de meest verheven en goddelijke dingen zich er in laten uitdrukken. Dit zou niet mogelijk zijn, wanneer de taal als zodanig niet uitvloeisel was van goddelijke scheppingskracht.

In de Middeleeuwen meende men, dat aan de universiteiten pas aan wetenschap kon worden gedaan, wanneer de ‘Zeven Vrije Kunsten’ waren beoefend. De basis was het ‘Trivium’, waarin men eerst met de schone en strenge jonkvrouw Grammatica (taal als structuur) kennis maakte, vervolgens met de fraaie Rhetorica (taal als schoonheid) en tenslotte de geduchte jonkvrouw Dialectica (taal als overtuigingsmacht) ontmoette.

In de lagere school van 6-9 jaar draagt de taal het karakter van instrument. Daarna wordt van 9-12 jaar gewerkt aan de taal in het
s c h o o n h e i d s b e l e v e n.

Vervolgens komt van het 12e jaar tot de puberteit de taal als overbrengster van de gedachte en de idee.

Zo is dan ook hoofddoel voor de klassen 1, 2 en 3 het goede spreken en het goede luisteren.

Leer- en ontwikkelingsdoelen voor het spreken, luisteren en tevens voor de geschreven taal

—  Het gaan hanteren van de taal als onegoïstische oefening voor het zelfbewustzijn.
—  De grammatica van onbewust gehanteerde structuur tot bewust geoefende structuur te maken.
—  Goed laten spreken, laten vertellen, laten navertellen, laten zwijgen, laten luisteren, dit alles met de juiste honorering van het temperament van de kinderen.
– Het laten oefenen van de taal in sociaal verband: spreken tegen en met elkaar, zoals dat in klassengesprek, recitatie-oefening, toneelspel kan voorkomen.
—   Bij het spreken leren letten op; de juiste druk en nadruk, de juiste levendigheid en harmonie, de juiste beweging en terughouding, de evenwichtigheid, zodat degene tegen wie gesproken wordt, verstaan kan, wat bedoeld is.
—   Bij het spreken oefenen van: de juiste zuivere uitspraak van klinkers, de juiste van medeklinkers, het articuleren, de klemtoon, de toon, de frasering, sterkte, adempauze.
—   Het gebruik van de juiste woorden en uitdrukkingen, zodat de taal haar sociale functie als mededeling, gevoelsuiting en wilsuiting kan vervullen.
—   Het aanleren van het schrijven van lettertekens.*
—   Het oefenen van de grote drukletters en later de kleine schrijfletters.*
—   Het leren van bladindeling, spatie, vlakvulling bij het op papier brengen van een stuk taal of geschreven tekst.
—   Het oefenen van de juiste schrijfwijze van woorden.
—   Het weer ten gehore brengen van het geschrevene, later gedrukte woord, ook ‘lezen’ genaamd.
—   Het lezen van een tekst hardop met de juiste voordacht, alleen of in spreekkoor, met de juiste toon, tempo, frasering, geluidssterkte, adempauzen, individueel of in een groep.
—   Het geschreven woord stil lezend naar zijn verstandelijke inhoud te vatten.
—   Het stil gelezene met eigen woorden hetzij mondeling (vertellend) hetzij schriftelijk (opstellend) weergeven.

Klas I

a.  vertelstof:
Sprookjes.
b.  spreken:
Bewegingsoefeningen, waarbij ritmisch gelopen en gesproken wordt.
Vingerspelletjes, kinderversjes, recitatieven.
Toneelspelletjes, navertellen van sprookjes.
Klassengesprekjes, elke dag na verhaal.
Vrij spreken (vertellen van vakantietochtje).
Spraakoeleningen.
c.  schrijven:
De letters worden ontwikkeld uit gebaar (vocalen) en beeld (consonanten).
Groot en klein drukschrift* wordt getekend.
d.  lezen:
Gelezen wordt van het bord, van eigen papier, vervolgens uit gestencilde
of gefotokopieerde eigengemaakte boekjes (door de leerkracht). Een bepaalde afronding van leespretaties wordt zeer uitdrukkelijk niet verlangd in dit leerplan. Ieder kind mag eigen tempo ontwikkelen.

e.  spelling:
Onbewust door het kind laten opnemen door het goede voorbeeld van de
leraar(es).

Voor het taalonderwijs in het bijzonder:

Werkwijze: zelf als leerkracht goed spreken (en dit oefenen), juiste toon, tempo, ritme, frasering, geluidssterkte, afwisseling.

Goede woordkeuze nastreven, niet te vlotte, populaire, gemakkelijke of goedkope taal — al moet men deze ook kennen. Schuttingtaal, vloeken kunnen beter worden vermeden, aangezien zij wel zeer eenzijdig zijn; maar ook niet te afstandelijke, geleerde, te moeilijke taal.

Goede grammaticaal gestructureerde taal, goed lopende niet te lange zinnen, geen half-voltooide of niet logisch verlopende zinnen (anacoloeten); zuivere relatieve aansluiting en bijzinconstructies. Dit alles uit te werken naar de temperamenten, waarover nader.

Goede stofkeuze, inhoud aansluitend bij de leeftijdsfase.

Zelf in beelden leren spreken, f a n t a s i e – o n t w i k k e l i n g. Wie het kind bereiken wil, gebruikt beelden.

Schoonheidsbeleven in de taal zelf ontwikkelen en dit door enthousiasme laten meebeleven.

Zinvolle bewegingen maken. Weten wat men met een goed gebaar uitricht, of het omgekeerde.

Zelf actief worden in de taal. Grammatica gaan doordenken en doorleven. Zelf gedichten maken.

Zich doordringen met de voorstelling, dat goede, duidelijke en genuanceerde taal niet elitair, overdreven, gekunsteld of sentimenteel is, evenmin als het goed autorijden elitair is. Taal vervult een sociale functie; vóór alles moet het duidelijk verstaanbaar zijn (zelfs indien gefluisterd!). Niet om politieke macht uit te oefenen in de eerste plaats, maar om van mens tot mens te kunnen spreken.

Het nuanceren in de gesproken taal is — van de zachtste strelende woorden tot striemende zweepslag — vooral ook belangrijk bij de temperamentsbehandeling.

a. voor cholerici:
korte, gedrongen, gespierde zinnen; veel actie in de inhoud. Stevige toon.
b. flegmatici:
rustig, vloeiende zinnen, vrij lang, met verbaasde pauzes ertussen,
c. melancholici:
lange, bedachtzame zinnen met zorgvuldige bijzinsconstructies.
d. sanguinici:
opgewekte, ietwat huppelende zinnen met veel mooie bijvoeglijke
naamwoorden.

Hoe gaat het toe?

Enige beelden worden gegeven over het dagverloop en enige dingen uit de leerstof, die typerend voor ons taalonderwijs kunnen worden genoemd.

Eerste klas

Hoe werd de klank tot letter?

Een letter is een heel abstract ding. Er is geen enkel verband te ontdekken tussen die klank en de veel later ontstane letter. Althans voor een klein kind niet. Het verre verband legt de cultuurhistorie bloot: de oudste neerslag van de spraakklanken droeg beeldkarakter. Gaandeweg kwam er vereenvoudiging tot de abstracte lettertekens van nu. Deze weg gaan wij in het kort ook: een gezonde weg, waarbij gevoel en leven niet zijn vergeten. Er is verschil tussen klinkers en medeklinkers. Klinkers komen meer van binnenuit. Die mogen uitdrukking vinden in het gebaar, de beweging. Wat doen grote mensen, om iets niet te vergeten? Juist, opschrijven. De eerste mens kon niets opschrijven, hij kon zelfs niet spreken. Dat was Adam in het paradijs. Kijk. daar komt een engel hem de klanken leren. Een kindje komt met wijd uitgestoken open armen van een krukje af. ‘Adam’ doet dat na. Hij staat voor het bord. De engel roept ‘aaaa’. Adam doet ook zijn armen wijd en zegt ‘aaaa’.

Nadat vele andere kinderen ook aan deze voorstelling hebben deelgenomen, komt er papier en kleurkrijt op tafel De engel wordt groot nagetekend, Adam klein. Dat is mooi! Deze tekenen we nu altijd, wanneer we een ‘aaaa’ horen. Zo ontstaan ook de andere klinkers: een eerbiedige engel met gekruiste armen brengt de eeee, een verwonderde engel met rond armgebaar de oooo.

Met de consonanten (medeklinkers, vormers) gaat het anders. Deze worden ontwikkeld uit een beeld. De kinderen waren erg enthousiast over het verhaal van Sneeuwwitje en Rozerood (sprookje van Grimm). Nu gaan we het hebben over die klank, die je aan het begin hoort, wanneer je bbbad of  bbboek uitspreekt. Nu ga je beginnen, maar je gaat niet verder: bbb –. Even wordt herinnerd aan de brave beer uit het sprookje. Plotseling staat hij op het bord.

schrijven klas 1 13

De bruine, brave beer beklimt een boom, bezoekt een bijennest. Gezamenlijk wordt dit gesproken: ‘Brave beer Ben jij bang? Voor die boze bij?’

Na vele tekeningen van de ‘berenletter’ verdroogt deze tot een teken, dat de haastige, grote mensen vlugger kunnen schrijven. Zo komt elke consonant aan de beurt.

Elke leraar tracht de beelden zelf te vinden, hetgeen nooit moet ontaarden door originaliteitskramp. Gevoelsmatig aangesproken zijn kinderen enthousiast over de letters.

Het tekenend schrijven kost sommige kinderen veel inspanning, andere weer vliegen met hun kleurkrijt** over het papier. Bij sommige is het, of ze met hun neus of hun wang tekenen, andere hebben hun armen zo verbergend om het papier liggen, alsof er een groot geheim wordt geboren. ‘Er was eens een kind, dat had… een neus die was aan één kant plat’, zegt de leerkracht zachtjes rondlopend. De neusligger gaat iets rechterop zitten. ‘O, wat heeft die arme R gedaan, dat hij zo apart moet staan?’ Kleine Sander heeft zijn naam mooi op papier gezet, maar de laatste R staat heel ergens anders: ‘Ja, die R kon er niet meer op!’ ‘O, dan moet je je letters wat minder eten geven, dan worden ze dunner.’ Dit is een spelelement voor de leerkracht om alles zo te personifiëren, dat het kind erin kan meegaan, ’s Middags in de schilderles kan men horen: ‘O, mijn Roodje is zo vlug, dat hij op de grond gevallen is!’ De grond drijft, alsof er een varken geslacht is. De kleuren worden als personen behandeld, liever gezegd voorgesteld.*** ‘Ach, jouw Geeltje is zeker ziek hè, ze is zo bleek.’ Maar het meisje vindt dat juist mooi. Zo blijft Geeltje bleek. De leerkracht schildert iets voor. ‘Kijk, Roodje was jarig, die mag op de voorgrond staan. Geeltje komt op het feest. Zij danst om de jarige heen. Blauwtje danst ook, maar een beetje op de achtergrond en in de hoeken. Blauwtje is een beetje verlegen.’ Niet voor niets zegt men ‘bleu’.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

* het lijkt alsof er binnen het vrijeschoolonderwijs nooit consensus is ontstaan over ‘de drukletter wel of niet schrijven’.
In Steiners aanwijzingen vind je niet dat de drukletter moet worden geschreven; wel dat deze moet worden geleerd om te lezen. Het een is niet noodzakelijk gebonden aan het ander!. Bij schrijven gaat het om de beweging – om de ‘stromende’ lijn:’ de lijn als spoor van beweging’ (Paul Klee). Het schrijven van de blokletter heeft geen ‘stromende beweging’: deze wordt in zijn opbouw telkens onderbroken. Het aan elkaar schrijven heeft die (etherische!) beweging wél!.
In ‘Van verhaal tot taal’ waaruit deze hoofdstukken komen, wordt in de 3e klas het verbonden schrift aangeleerd. Dat betekent dat de kinderen weer moeten vergeten wat ze nu net moeizaam geleerd hebben. Wat een verspilling van moeite, energie en tijd! En al helemaal niet ‘economisch’ een eis die Steiner voortdurend aan het onderwijs stelde.
Audrey MacAllen, bekend van ‘The extra lesson’ was ook heel gedecideerd in haar oordeel: geen blokletters schrijven; meteen het lopend schrift.
Mijn ervaring is dat kinderen niet veel moeite hebben de vorm van de verbonden schrijfletter te onderscheiden van de drukletter; lezen van het een en schrijven van het ander gaan heel goed samen.

**Het waskrijtblokje is m.i. niet om mee te schrijven. Het is te klein voor de fijne motoriek van het schrijven; het is ook bedoeld om te tekenen en moet eigenlijk op een speciale manier worden vastgehouden – zoals je je vingers op de gaatjes van een blokfluit hebt. Bovendien en dat geldt bijna nog meer voor het waskrijtstiftje, ‘stroopt’ dat over het papier en remt de schrijfbeweging. Ik weet het uit ervaring, want ik heb een keer met beide bij het schrijven gewerkt. Later ben ik overgestapt op het dikke kleurpotlood. Je hebt hiermee ook meteen gelegenheid vanaf het prilste begin het op de juiste wijze vasthouden van het potlood aan te leren.
***hierover zijn de meningen verdeeld. Het voorbeeld kan zeker als manier gehanteerd worden, maar zo hoeft het niet altijd te gaan. Ook ‘stralend’ geel of ‘krachtig’ rood enz. horen erbij, vanuit de achtergrond ‘kleurenkwaliteit’.

zie ook: taal 1e klas

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas

.

499-461

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.