Categorie archief: jaarfeesten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen (12)

.
Pieter HA Witvliet, bron: Mellie Uyldert ‘Verborgen wijsheid van oude rijmen‘*

OMMEGANG MET PALMPASEN

.
In het artikel ‘Ommegangvolgde ik een paar gedachten van Mellie Uyldert die in haar boek ‘Verborgen wijsheid van oude rijmen ‘ over de ommegangen schrijft.
Aansluitend behandelt ze de ommegang met Palmpasen.

Zij ziet in de voorjaarsommegangen een verering voor het feit dat de levensgeest weer boven de grond gaat komen. 
Een oeroud gebruik dat in bepaalde streken in ons land in ere wordt gehouden.* 

En in de vrijescholen is het ook tot traditie geworden dat de kinderen een palmpaasoptocht lopen. 

Van oudsher zat er boven op de stok een haantje van brooddeeg met een krent als oog. ‘Haantje-pik’. 
Er zou ook wel een haasje op de stok geprijkt hebben, beide de gedaanten van de levensgeest, waarbij de haan meer met de zon als de manlijke pool, en de haas meer met de maan als de vrouwelijke pool te maken heeft. ‘Een feest van zon en maan, die hun heilig huwelijk vieren!’

Ook met halfvasten zijn er hier en daar nog ommegangen. Tegenwoordig zie je slechts carnavalwagens, maar Uyldert maakt nog melding van optochten waarbij geestelijken op een schimmel zaten, ‘zoals Wodan op Sleipnir; en mannen met stokpaarden. Ik heb daarvan geen afbeeldingen gevonden, maar er wordt wel over de symboliek van bepaalde gebruiken gesproken.

Uyldert schrijft dat de gestalte van haan en haas, wanneer we naar hun ‘vertakking’ kijken, een overeenkomst zou vertonen met het gaffelkruis, de rune voor lente en geboorte.
Echter, de rune voor lente en geboorte is niet het gaffelkruis:

Kruisvormen | Antonius       maar dit teken                  de berk

of moeten we deze misschien draaien? 

De hoepel om de palmpaasstok zou ook van brooddeeg gemaakt zijn en als krans een symbool van het vrouwelijke; we zien terug aan de mei- of pinksterboom.

*Bert van Zandwijk schrijft o.a. over de Pinksterboom op Schiermonnikoog: ‘Doorgaans hebben oude gebruiken in het voorjaar en de zomer te maken met leven, terwijl gebruiken in het najaar en de winter te maken hebben met de dood. Lentefeesten gaan altijd over de terugkeer van de zon. De tijd van schaarste is voorbij, met daaraan gekoppeld de vruchtbaarheid van het land, het vee en de mensen. De gewassen beginnen te groeien, er wordt jongvee geboren en er wordt duidelijk welke vrouwen tijdens de koude en donkere wintermaanden zwanger zijn geraakt. Het was ook de tijd waarop de nieuwe volwassenen op zoek gingen naar een partner.

Aan de stokken kun je zien  hangen: eieren en groen, lekkers en nagemaakte bloemen, om de ontluikende planten- en dierenwereld aan te duiden. Appels, linten, rode bessen aan takjes, sinaasappels en vlaggetjes.

Wanneer je op zoek gaat, vind je nog van alles, zoals het Aermstokje uit Zeeland.

Uyldert besluit:

De liedjes die bij het rondlopen in optocht met de Palmpasen in de hand worden gezongen, hebben weinig om het lijf, bv.:

Palm palm pasen, hei koerei,
over enen zondag, dan krijgen wij een ei!
Eén ei is geen ei,
twee ei is een hallef ei,
drie ei is een paas-ei!

Henk Sweers duidt in dit artikel op iets wat wel wat meer om het lijf heeft.
Maar helemaal zeker is een en ander niet.

.

Palmpasen en Pasen: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten: Palmpasen/Pasen

.

2751-2580

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Ommegang

.
Pieter HA Witvliet, bron: Mellie Uyldert ‘Verborgen wijsheid van oude rijmen‘*

.

DE OMMEGANG
.

Onwillekeurig zullen vele lezers bij het woord ‘ommegang’ aan de Kerstspelen denken die jaarlijks o.a. in de vrijescholen worden gespeeld.

Maar je kan ook denken aan processies, carnavalsoptochten, corso’s.
Opvallend is ook dat ze op min of meer vaste tijden worden en vooral werden gehouden, want veel van wat folklore heet, zie je toch langzaamaan verdwijnen.

Interessant is dat bepaalde ommegangen – als vier hoekpunten – het jaar markeren: rond 21 maart: dag en nacht even lang; op 21 juni: de langste dag; op 21 september: dag en nacht even lang en op 21 december: de kortste dag.

In de rituele en godsdienstige ommegang is te zien hoe het volk zich verzamelde en iets meedroeg, zoals brood of ontluikende takken of een licht. Je zou daarin iets kunnen zien van een bepaalde levenskracht. In het voorjaar, op weg naar de zomer, is deze levenskracht vooral in de natuur waar te nemen. In de winter is de levenskracht daar zichtbaar afgenomen, bijna verdwenen, samengebald in het zaad onder de grond. Het licht – uiterlijk veel minder aanwezig – wordt dan bijv. meegedragen in de sintmaartenslantarens of door de zangers op Driekoningen. Wij maken het nu binnen (en buiten) weer licht met Kerstmis. Sint-Lucia wordt herdacht waarbij een kroon met brandende kaarsjes wordt gedragen.
De joelfeesten werden vooral gevierd om de terugkeer van de zon te vieren en de zon is toch bij uitstek de brenger van nieuwe levenskracht. Er wordt wel gezegd dat de scheppende en levensgevende godheid zich in de zon manifesteert – de transcendente god – en dus in het hart van de mens, dat als het zonneorgaan in ons wordt gezien: de immanente god in ons. De macrokosmos en de microkosmos als één: zo boven, zo beneden!

We kunnen er ook een adembeweging in zien: het in- en uit: ’s zomers de god in zijn uiterlijke verschijnen in de natuur; ’s winters in ons innerlijk. Dat heeft zeker verband met het in-uit door het jaar heen.

Wanneer je de oude tradities bestudeert, springen een paar dingen in het oog:
= dat we ze bestuderen: wij weten zelf niet meer hoe het is om zo te voelen als de mens voelt – voelde – voor wie het vanzelfsprekend is de feesten te vieren.
Voor de ‘bestudeerders’ hoeft dat niet meer: het gevoel daarvoor is verdwenen.
= dat betekent eigenlijk dat de mens wat zijn bewustzijnsontwikkeling betreft, anders is geworden; we moeten zeggen: telkens verandert en door de eeuwen veranderd is.

En niet alle mensen zijn daarin hetzelfde.
Ik ontmoet van tijd tot tijd mensen die zich helemaal geborgen weten bij God, die de zekerheid kennen/beleven, van de verlossende kracht van Jezus. Die geborgenheid voel ik helemaal niet.

We leven gelijktijdig, maar toch is er een grote ‘ongelijktijdigheid’ wat het gevoels- en bewustzijns(be)leven betreft. 
Er zijn nog stammen waarin d.m.v. rituele dans gepoogd wordt een zieke te genezen; wij maken van apparatuur gebruik waarvan je je bijna niet kan voorstellen dat zoiets is bedacht en gemaakt. 
En dat het gelijktijdig aanwezig is!

‘Ergens’ is in de geschiedenis van de mens wel iets zichtbaars van een bewustzijnsverandering:

Mellie Uyldert:

*’Naderhand, toen de Europese mens onder invloed der Romeinse civilisatie het directe beléven verleerde en de verstandelijke beredenering in de plaats daarvan stelde, verloor hij de blik op de analogieën waarnaar de schepping gebouwd is, en zag van de oude zinnebeelden alleen nog maar de vorm, niet meer het wezen. Men zag niet meer, hoe de goddelijke kracht in het graan en ook nog in het brood, werkt, waardoor het brood heilig is op zichzelf, maar zag zich genoodzaakt, teneinde de oude gebruiken tóch bevredigend te kunnen verklaren, er iets bij te maken, daarom werd het brood voortaan door de priester gewijd en met die heilige ouwel van tarwebloem, omgeven door nagemaakte zonnestralen van goud, waarvan men ook niet meer beseft, dat die werkelijk de zonnekracht aantrekken, omdat het goud het metaal van de zon is, maakt men nu de ommegang, ofwel met gewijde iconen of beelden of met een botje van een heilige; in India bijv. met een stronk van een heilige boom.

Zo waren ook de vuren, die in het voorjaar en op midzomer werden gestookt, heilige vuren, aangemaakt door de wijzen, die het volk leidden, door twee stukjes eikenhout over elkaar te schuren tot zij vlam vatten. De eik was Donars (Jupiters) boom, en het hout daarvan bevatte zijn kracht, dat in het daarmee gemaakte vuur aan het volk werd meegedeeld. Want op midzomer en op midwinter moesten alle huiselijke haardvuren worden gedoofd en stak elk gezin aan het heilige vuur zijn spaander aan om daarmee thuis een nieuw vuur in de eigen haard te ontsteken! – In een enkele esoterische kerk wordt nog het altaarlicht met behulp van een brandglas aan de zon zelf ontstoken!

Op het platteland leidde de ommegang vaak naar een oude heilige eik, midden tussen de akkers, zoals bijv. nog in de Ageler es. Aan het eind van de plechtigheid heeft dan de brood-uitdeling plaats aan de armen: de mens helpt het heil uitdragen!

In Europa zijn de meeste ommegangen, die men sinds onheuglijke tijden hield, door de kerk verchristelijkt, maar hun ware wezen is nog te herkennen door de aankleding heen.’

Meer over ommegang
Foto’s van recente ommegangen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2750-2579

.

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Pasen (46)

.
Dieuwke Hessels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’: (maart 2022). Hier gepubliceerd met toestemming van de schrijfster.
.

Pasen

.
Wat vieren we met dit feest?
Pasen valt ieder jaar op een andere datum: het wordt gevierd op de eerste zondag na de eerste volle maan in de lente. Pasen valt daarom op zijn vroegst op 22 maart en op zijn laatst op 25 april.
Pasen is voor christenen het belangrijkste feest van het jaar. Ze vieren dan de kruisdood en de verrijzenis (opstanding) van Jezus. Voor christenen betekent Pasen: de dood heeft niet het laatste woord en ook na de dood is er ‘leven’ en uitzicht.
Pasen is van oorsprong geen christelijk feest. De joden vierden al lang daarvoor hun Pesach-feest; het feest ter herdenking van hun uittocht uit Egypte, dat symbool stond voor bevrijding en perspectief naar de toekomst.
De traditie van het paasfeest gaat echter nog veel verder terug en is van oorsprong een lentefeest. Dat is ook te zien aan de wijze waarop de datum waarop Pasen wordt gevierd, wordt bepaald. Mensen vierden van oudsher dit
keerpunt in de natuur; was de winter een periode van rust in de aarde, van ingehouden kracht, van voorbereiding op het volgende, het voorjaar is
een tijd van leven, van verborgen, ingehouden krachten die tot uiting komen.
Met Pasen vieren we het nieuwe leven dat zich laat zien in alle kleur en fleur, in de vruchtbaarheid van het land en de overwinning van het licht.
Ook binnen de antroposofie heeft Pasen een grote betekenis, vanwege de plaats
die Rudolf Steiner Jezus Christus toekende in de ontwikkeling van de mensheid. Volgens Rudolf Steiner was de fysieke incarnatie van Jezus aan het begin van onze tijdrekening een eenmalige en centrale gebeurtenis.
Rudolf Steiner noemt dit de „Christus impuls“ en het „mysterie van
Golgotha“.
Naast een groot aantal voordrachten over dit thema, werkte Rudolf Steiner, samen met een aantal theologen, ook een vernieuwing van de cultus uit. Deze beweging voor een liturgische vernieuwing is wereldwijd actief onder
de naam Christengemeenschap.
Dat het paasfeest een gekerstend lentefeest is, blijkt duidelijk uit de gebruiken die er door de eeuwen heen mee samengegaan zijn.
Het Paas/lentefeest moest het prille nieuwe leven versterken en beschermen en het ei is al vanaf de prehistorie het symbool bij uitstek van deze onzichtbare levenskracht, de oneindigheid, het begin van alles. Er ontstaat nieuw leven uit iets wat ogenschijnlijk dood is.
Eierrituelen vindt men in alle culturen terug, zo ook het gebruik om paaseieren te verstoppen. In vele volksgebruiken vormt het zoeken van iets waarvan men heil verwacht, een essentieel onderdeel van de heilzame werking. Het schilderen van eieren is in wezen eveneens een magische handeling. Door een voorwerp te decoreren geloofden onze voorouders dat de kracht die erin stak geactiveerd werd: de heldere kleuren waarmee eieren werden beschilderd werden gezien als een weerspiegeling van het zonlicht in de lente.
Dat de paashaas de eieren brengt, wordt pas sinds het einde van de 19e eeuw aanvaard. Daarvoor waren het de kerkklokken die de eieren verstopten.
Hoewel de haas binnen het christendom pas redelijk kort als symbool wordt gebruikt, werd de haas al duizenden jaren vereerd door de Egyptenaren, Grieken en Romeinen. De haas is een zachtmoedig dier dat veel waakzamer en vruchtbaarder is dan een konijn. Een haas werpt als eerste zijn jongen en maakt in tegenstelling tot het konijn geen hol maar een leger. Een leger is een soort nest; een simpel ondiep kuiltje in het open veld of onder begroeiing. Deze
legers worden door vogels wel eens gebruikt om hun eieren te leggen. Wanneer men vroeger zulke eieren vond, beschouwde men ze als hazeneieren, vandaar ook het gebruik dat de paashaas de eieren verstopt. Niet alleen is de haas onzichtbaar, maar ook zou hij een gouden vacht hebben. Niet zo vreemd dat over zijn ontstaan verschillende verhalen de ronde doen. Net als het ei, is de haas – vanwege zijn voortplantingsdrang – te zien als vruchtbaarheidssymbool. Het was niet voor niets een van de symbolen van de vruchtbaarheidsgodin Isjtar. Het
konijn had voor ons wellicht meer voor de hand gelegen. Dit diertje werd echter pas in de Middeleeuwen in ons land gesignaleerd.
Een ander verhaal vertelt dat de paashaas eigenlijk een vogel is die zich zo had misdragen, dat hij voor straf in een haas werd veranderd. Nu mag hij nog maar één keer per jaar eieren leggen, die hij goed moet verstoppen.
De meest logische verklaring lijkt wel te zijn dat eieren die door vogels in verlaten hazenlegers werden gelegd, per ongeluk werden aangezien voor ‘hazeneieren’.
Het eerste eetbare paashaasje werd begin 1800 in Duitsland gemaakt van deeg en suiker.
De paashaas werd door Duitse immigranten in de achttiende eeuw meegenomen naar Amerika. In die tijd bouwden kinderen een nest waarin de paashaas zijn eitjes kon achterlaten.

Pasen

Veertig dagen na Carnaval vieren we het paasfeest, op de eerste zondag na de lente-volle maan.
Het paasfeest is een feest waarmee we het nieuwe leven vieren, maar waarmee we ook stilstaan bij de dood. In de christelijke traditie herdenken we namelijk de
opstanding van Christus uit de dood, in de voorchristelijke traditie werd rond deze tijd met uitbundige vruchtbaarheidsfeesten gevierd dat de natuur de winter overwonnen heeft. Met Pasen staan we stil bij het nieuwe leven, door bijvoorbeeld bonen of sterrenkers te zaaien en door eieren te versieren.
Voor de jongere kinderen komt de paashaas langs met een mandje vol met eieren. De paashaas is niet voor niets een haas. Hazen zijn dieren zonder vaste verblijfplaats die zich opofferen voor hun soortgenoten (net als Christus): als
een haas die achtervolgd wordt moe is, neemt een andere haas zijn vlucht over.
Het Christelijke paasfeest valt samen met het Joodse Pesach (ook wel bekend als het lentefeest). Met Pesach vieren de Joden de bevrijding van de Joodse slaven uit Egypte onder leiding van Mozes. Omdat de vluchtelingen snel weg
moesten, konden ze alleen ongerezen brood meenemen op hun vlucht. Dat waren de Matses, die wij nu ook met onze paasmaaltijd eten.
Op de seizoentafel verschijnt de haas al met Palmpasen, nauwelijks te zien, om met het Paasfeest volop in de zonneschijn te stralen op een tafel met gele doeken en lichtgroene tinten , en paastakken, haan, kip, kuikentjes, lammetjes….
Alleen op school was dat op de dinsdag na Pasen. Thuis werd het Paasfeest eerst gevierd, op school werd er naar toe geleefd in de stille week.
“Paasfeest viering of eigenlijk beleven van de Stille Week voor Pasen, voor de hele school.
Maandags: gezamenlijke weekopening met verhaal, eventueel euritmie of combinatie van beide. Gezamenlijk zoeken naar een actieve luisterhouding is het plan erachter. [ zonder kleuters]
Dinsdags: schoonmaakactiviteiten allen [ klas, tuin, plein] na de ochtendpauze, bedoeling erachter is dat de leerlingen zien dat alle kinderen bezig zijn school schoon te maken, op te ruimen.
Woensdags: sterrenkers zaaien. Leerkrachten verzorgen zelf “bakjes” sterrenkers krijg je van de Paascommissie.
Donderdags; sobere maaltijd met matzes, boter en een “gewoon ”brood [geen paasbrood] dat ter plekke gesneden wordt.
Verhaal in je klas vertellen met Paasmotief. [bijv. kleuters sprookje van Doornroosje of Het ezeltje]
Dinsdags na Pasen: liggen er in ieder sterrenkers bakje 2 chocolade-eitjes en wordt er bij het eten een gekookt eitje genuttigd.
Kookplaatje begint zijn reis deze morgen in de 1e klas en als daar de eitjes gekookt zijn gaat het kookplaatje naar de 2e klas enzovoort. Tot alle klassen hun eieren gekookt hebben. Gedachte erachter; gezamenlijkheid voor elkaar zorgen.
Bij mooi weer langer buiten, wandelen, park.
Kleuters: chocolade-eitjes zoeken op eigen speelplein, in gewone speeltijd.
In jouw stukje gang: bloesemtakken plaatsen, die na Pasen open gaan. [leerkracht gaat dat zelf [[laten]] verzorgen]
Eieren, matzes, boter, chocolade-eitjes wordt voor gezorgd.
Brood leveren ouders uit iedere klas aan, [dit staat op de takenlijsten van de verschillende klassen].”
Dit vond ik nog als notitie op de computer..
Voor een groot deel is de viering zo gebleven, de sterrenkers echter werd later in de tijd gezaaid op de Palmpaasdag [maandags op school gekomen rook je bij binnenkomst de kenmerkende geur al], zodat we op witte donderdag de
sterrenkers konden eten op ons brood of matzes. Eitjes [als teken van levensbegin,] aten we op de dinsdag na Pasen op school. De kleuters zochten hun choco-eitjes én het gouden ei op een afgesproken plaats in het stadspark.
De week voor Pasen noemen we de “stille week” (of goede week) die begint met de palmpasenoptocht op de laatste zondag van de vastentijd. Op de dagen in de “stille week” herdenken we de gebeurtenissen vóór de opstanding van Christus op paaszondag: de tempelreiniging, de twistgesprekken met de Schriftgeleerden, het laatste avondmaal op witte donderdag, op goede vrijdag de kruisiging en op stille zaterdag de helletocht van Christus.
Op school vierden we de Stille week en probeerden dat te benaderen in de stemming van die dagen.
Dat betekent: niet in deze week uitbundig Paasfeest vieren, maar andere activiteiten inzetten [opruimen, poppenkinderen extra verzorgen, poetsen,
kast uitruimen en inruimen…] om met de kinderen de voorbereiding op Pasen te ervaren.
Donderdag zullen de kinderen in de klas een sobere maaltijd nuttigen met een gewoon gebakken brood (geen paasbrood) wat in het bijzijn van de kinderen gesneden en verdeeld wordt.
Op de dinsdag na Pasen gingen de kleuters eieren zoeken op een afgesproken plaats in het park: ’s ochtends lag er een “briefje van de Paashaas”: hij had kleine eitjes verstopt, samen met het Gouden ei…

Paasgedicht

Ik hoop dat er eens licht zal zijn
dat straalt uit onze ogen zo dat wij elkaar kunnen zien
zoals wij zijn geschapen: naakt en onbedorven.

Ik hoop dat er eens licht zal zijn
dat straalt uit onze harten en waar dan plaats zal zijn voor velen
die nu nog geen plaats hebben in onze wereld.

Ik hoop dat er eens een licht
zal stralen over onze gedachten die ons tot nadenken zal aanzetten
waardoor de besluiten weer rechtvaardig zullen zijn.

Ik hoop dat er eens licht zal zijn
die door onze huizen zal schijnen waardoor er weer vriendschap en gastvrijheid
een vanzelfsprekendheid zal worden.

Ik hoop dat het licht
eens op onze weg zal schijnen zodat wij weer te zien zijn
voor wie wij altijd verborgen zijn geweest.

Ik hoop dat het licht
onze paden zal blijven verlichten zodat wij van ons leven
geen doolhof blijven maken.

Ik hoop dat het licht
dat op Paasmorgen straalt ons de weg blijft wijzen
tot in de verste uithoek toe…….

                                                                                      Gedicht van Klaas van Eijbergen

Genoemde liedjes en nog vele andere zijn te vinden op TinekesDoehoek of Vrijeschoolliederen.nl

Handgebarenspelletjes:

Een tere, warme zonnestraal
Kwam hierbeneden aan.
En zag een kleine bloemenknop
Nog dichtgevouwen staan.
De tere, warme zonnestraal
Scheen nu nog eens zo fel.
En dacht: als ik maar schijn en schijn,
Dan opent het knopje zich wel.
En toen nu de warme zonnestraal
Het knopje maar aldoor bescheen,
Toen gingen de blaadjes als vanzelf,
Heel langzaam, heel langzaam vaneen.
Daarbinnen zag de zonnestraal
Een hartje van stralend goud.
“Dat komt”, sprak ’t kleine bloemetje,
Omdat ik zoveel van je houd!”

Ach, kleine kip, wat kijk je sip,
ben jij je ei verloren. .
Lag het in ’t bos, lag het in ’t mos,
of viel het tussen ’t koren?
Helaas, helaas, mijn lieve haas,
wij zoeken met z’n beidjes,
de haan en ik, maar o, wat schrik:
De wei ligt vol met eitjes.

Opa is blij en Oma is blij
ze hebben een kipje dat legde een ei
Daar kwam een muisje aangetript
dat had toch zo met zijn staartje gewipt
hij zwiepte het ei opzij
“Krak” zei het ei!”
Huil maar niet hoor Oma
huil maar niet hoor Opa”
zei het kipje”
Ik leg in een wipje een nieuw ei!
Het is niet van hout het is niet van steen
het is van stralend goud!”

Het kleine kippetje Ukkepuk
heeft het altijd vreselijk druk
Op maandag moet ze dweilen
op dinsdag nageltjes vijlen
op woensdag houtjes hakken
op donderdag wormpjes bakken
op vrijdag kippepap roeren
op zaterdag kuikentjes voeren
alleen op zondag heeft zij vrij
dan legt ze een gespikkeld ei!

Kippetje, kippetje, tok tok tok
Kipje al in het kippenhok
Kukelt, kakelt en hakkelt blij
kijk daar ligt mijn laatste ei!

Twee haasjes Flip en Flap
Die gingen samen eens op stap
Zij speelden haasje over
Zij knabbelden aan het lover
Zij buitelden over stenen
Zij liepen naar het koolland henen
Maar daar kwam de jager aan!
Toen zijn ze er vlug vandoor gegaan
Flip ga eens kijken of de jager al weg is
Flap ga eens kijken of de jager al weg is
Zullen we samen gaan kijken of de jager al weg is
Ja hoor!!!

Lied: 21 lange dagen zat ik in een kippenei,
Ik wil eruit, ik wil vrij,
ik prik een gaatje in het ei.
Ik wil eruit, ik wil vrij,
ik prik een gaatje in het ei.
Nog een stukje, nog een rukje,
wat is dat een zwaar karwei.
Even rusten, even hijgen,
even droge veertjes krijgen,
even pootjes uitproberen
en dan ren ik en dan kruip ik
lekker onder moeders veren.

Kringspelen:

Groen is t gras
Zakdoekje leggen
Haasje in de groeve

Sowieso zijn zoekspelletjes in deze tijd leuk om te doen, buiten of binnen. [Een speurtocht bijv.]

Grimm Sprookjes om te vertellen:

Het ezeltje
De kikkerkoning
Doornroosje

Bakersprookjes  [Lois Eijgenraam]
Het wordt lente
Haantje Goudenkam
Het Hazenhuisje

Nog een verhaal:

De paashaas en het gouden ei

Samenvatting
Als de paashaas zich – zoals ieder jaar – voorbereidt om de lente te beginnen, blijkt het belangrijkste ingrediënt gestolen: het gouden ei dat het zonlicht in zich heeft.

Toelichting:
Dit verhaal werd opgestuurd door een kleuterlerares van een vrije school. Zij schreef dat ze het verhaal meerdere keren heeft verteld aan de klas, waarbij ieder keer een ander personage (dier) uitgelicht wordt.
De laatste keer staat
het kind centraal.
Komt van de site: Sprookjes top 100

HET GOUDEN EI

Dat schittert als de zon
is in feite waar het begon
uit de wateren der liefde ontstaan
ook al is het je even ontgaan
voortkomend uit de zuivere betovering
is een kracht geschonken waarom het ging
het diepste,
het binnenste,
het heerlijkste, zo puur
de passie van het vuur
door universele warmte verzegeld,
in de eeuwige geest.
waar de universele onbegrensde,
zijnssfeer leeft.
dit gouden ei
dat ben JIJ

En nóg een verhaal:

De zon komt op deze paasochtend stralend op en de wakker geworden haan kukelt vrolijk al het andere op de wereld ook wakker!
“ Kukeleku, kukeleku, wakker worden nu!
Ik heb me naar alle kanten gedraaid, ik heb al naar alle kanten gekraaid:
Wordt wakker , wordt wakker…
Kukeleku, kukeleku “
Dan strijkt hij zijn regenboogveren glad, zodat de zon ze nog beter kan laten glanzen op deze bijzondere dag, die maar één keer komt.
Verderop staat de paashaas: hij verstopte vannacht de door hem gekleurde eitjes: die eitjes waren hem maar wat graag gegeven door de kippetjes. Mooie eieren voor Pasen: het gouden ei moest hij nu nog verstoppen: hij maakte een nestje van hooi en legde voorzichtig daar het stralende gouden ei in..
Zonnestralen streelden het ei en de paashaas …
De mand waar alle eitjes in hadden gelegen was leeg: haas was blij dat alle eitjes waren verstopt en tegelijk was hij een best moe geworden van al het harde werken, hij wilde wel even rusten gaan in zijn holletje en gaapte een lange
gaap…
Maar….vandaag bleef hij wakker, bleef hij wachten: hij wou zo graag kinderen zien en horen en zien hoe goed ze de paaseitjes konden vinden, en… bovendien… kon hij kijken hoe mooi deze dag , die maar één keer komt, zou worden.
Hoor!
Haas spitst zijn oren: vrolijke kinderstemmen: lachen, giechelen, zingen, hij poetst zijn ogen : kijk daar! Zie ze wijzen, rennen, huppelen en hand-in-hand-lopen…
“Wij willen zoeken, in alle hoeken, onder de linde, zullen wij het vinden, een nestje van hooi, een mooi gouden ei, oh paashaas kwam jij soms hier voorbij?…”

Als de kinderen steeds dichter bij het gouden ei
en de paashaas komen,
verstopt hij zich achter
de lindeboom.
De kinderen komen
tenslotte aan bij het
gouden ei.
Blij roepen ze: “ ohhhh, kijk
het gouden ei!”
De jongste ,die nog geen eitje gevonden had, mocht hem vasthouden en meenemen naar huis, overlegden de kinderen met elkaar.
“Dankjewel Paashaas!” zeggen de kinderen. Al zingend zijn ze daarna naar huis gegaan, en de paashaas zuchtte van geluk en zocht zijn holletje op, de zon straalde als nooit tevoren op deze éne dag, die maar één keer komt. De wereld
ziet er prachtig uit.
“Zon, zon, lieve zon, ik wou dat ik je pakken kon, want dan zou ik vriendelijk vragen:
“Wil je stralen alle dagen?” Zon, zon lieve zon ik wou dat ik je pakken kon…”

Het ei

Symbool voor het leven
Mirjam Chamuleau

Al zolang de mensheid op aarde leeft, vormt zij haar eigen beelden en symbolen. Soms zijn deze beelden streek- of cultuurgebonden. Het ei is echter een symbool dat universeel, over de hele wereld, door vele eeuwen heen, voor de mensheid symbool voor leven is!
In het scheppingsverhaal (schepping = wordend leven) van de oude Indiërs (7227-5007 v.C.) kwam een gouden ei voor. Het was een ei, goudglanzend als de zon, en het deelde zich in twee helften: de hemel en de aarde.
Ook de oude Perzen (5067-2907 v.C.) stelden zich de nog niet door het kwaad aangetaste wereld voor als een reusachtig licht-ei.
De Egyptenaren (2907-747 v.C.) hadden een mythe waarin de eerste god uit een ei kwam. Ook hun doden begroeven zij in een eivorm (hoop op nieuw leven?) Het binnenste van een sarcofaag waar de mummie in lag had een eivorm.
Bij de Grieken (747 v C -1413 n.C.) was het de godin en oermoeder Nyx die een ei legde. Uit dit ei werd de god met de gouden vleugels: Eros, de god van de liefde, geboren.
Uit Finland zijn scheppingsverhalen bekend, waarin, net als bij de oude Grieken, hemel en aarde zijn ontstaan uit een ei. De dooier is in dit geval de zon (zon – kiem van levenskracht?).
Eieren werden in voorchristelijke culturen in het voorjaar in de aarde begraven, in de hoop dat dit de aarde vruchtbaar zou maken.
Dat het ei als kiem – hoop op nieuw leven – werd gezien in de christelijke cultuur blijkt o.a. uit het feit dat in veel christelijke graven eieren als grafgift gevonden zijn.
Het ei – een ogenschijnlijk dood, hard ding, is toch voor ons hét symbool voor de opstanding (= nieuw leven). In het onzichtbare binnenste van het ei ligt de kiem verborgen waar uiteindelijk het nieuwe leven door de harde schil heen
kan breken.
Als wij met onze kinderen op paasmorgen de eieren gaan zoeken die de paashaas voor ons heeft verstopt, spreken we eigenlijk dan ook de wens uit dat ook wij aansluiting zoeken bij de opstandingskracht – levenskracht – kiemkracht
– in ons eigen leven.

Voor een kind ligt het Pasen zoals wij dat kennen ver van zijn leefwereld af. Het Laatste Avondmaal, het lijden aan het kruis, de opstanding zelf, het kind zou het aan kunnen horen, maar er weinig mee kunnen beginnen.
Een jong kind leeft in beelden. In die beelden ligt de wereld niet vast. Alles kan, er zijn geen beperkingen. Een kind neemt de wereld ook niet waar zoals wij dat doen, namelijk met zijn vijf zintuigen. Een kind is één groot ontvangend oog. Het neemt de hele wereld in één keer tot zich, in volle overgave. De wereld is voor het kind een uitdijende eenheid van fantasie en beeldenrijkdom, als in een sprookje. In feite is een kind een en al sprookje.
De werkelijkheid is sterk afgebakend. We weten wat wel en wat niet mogelijk is. Voor ons volwassenen is dat niet erg, het biedt ons zekerheid. Maar voor een kind dat zich ontwikkelt kan dit beperkend zijn. Het kan een realistische
vertelling aanhoren, ja of nee knikken, maar innerlijk heeft het er weinig aan. Het kan er niet in groeien. En groeien wil het, moet het. Vergelijk het met een paar schoenen waarmee een kind het voor de rest van zijn leven moet doen.
Die gaan op den duur behoorlijk knellen.
Met name de kruisweg is zo van leed, schuld en boetedoening doortrokken dat dit een kind eerder beklemt dan dat er iets in zijn wezen wordt aangeboord. Het zou hem verlammen.
Toch kun je een kind de essentie van Pasen aanbieden, door het beeld van de paashaas. Deze brengt het kind in een belevingswereld die aansluit bij de achtergronden van het paasfeest. Uit volle borst zingen de kinderen dan ook:

De paashaas, de paashaas
Die is weer in ’t land

Een kind is nog dromend. Voor het kind is de paashaas geen verzinsel om het zoet te houden, maar een reële beleving, mits aangereikt natuurlijk door de omgeving van school en gezin. De paashaas kan ook overal opduiken, op
de meest onverwachte momenten, een kind staat er niet van te kijken. Soms zelfs denkt het de paashaas daadwerkelijk gezien te hebben, althans het puntje van zijn staart toen hij net de hoek om wipte… De paashaas is dan bijna tastbaar.
Je kunt je afvragen waarom de haas als beeld, als symbool voor Pasen is gekozen en niet een ander dier. Een haas heeft van nature geen vast nest of hol. Wel maakt hij op verschillende plekken een ondiep kuiltje, een leger genaamd, waar hij zijn korte hazenslaapjes houdt of waarin de jongen de eerste weken van hun leven verblijven.
Er wordt veel jacht gemaakt op de haas, door roofdieren maar bovenal door de mens. Onze verre voorvaderen joegen al op hazen. Een haas is altijd op de loop voor zijn vijanden. Hij heeft nooit rust, vandaar zijn waakzaamheid.
Een haas leeft voornamelijk solitair. In tegenstelling tot veel andere dieren leeft hij niet op een voor zichzelf afgebakend terrein, heeft hij geen territorium, maar duldt hij ook soortgenoten naast zich. Soms leven hazen in tijdelijke groepjes met elkaar, tijdens het foerageren bijvoorbeeld. Dan treedt een voor het dierenrijk opvallend gedrag op, het vermogen zich voor een ander op te offeren. Het is een bekend verschijnsel dat, wanneer de ene haas achterna wordt gezeten, een andere haas zijn slachtofferrol soms overneemt. Een uniek gebeuren.
Zo heeft ook Christus zich, in de visie van veel mensen, opgeofferd door voor ons aan het kruis te sterven.
En de kinderen zingen:

En aan zijn ene pootje
draagt hij een grote mand.
Die mand zit vol met eieren,
bim bam beieren.
En volgend jaar komt hij weerom,
bim bam bom.

Het lijkt vreemd dat een haas met een mand vol eieren loopt. Een haas is een zoogdier en heeft in het echt niets met eieren van doen. Als je echter bedenkt dat een haas het symbool van vruchtbaarheid is, is het verband al gemakkelijker te zien. Het dragen van die eieren, dat maakt hem ook tot ‘paashaas’. Hij verstopt de eieren in de tuinen van de kinderen. Deze mogen ze zoeken en ze daarna al of niet kleuren.
Een treffend beeld is dat, dat van het ei. Er is de harde buitenkant, de schaal, met binnenin de kiem van het nieuwe leven. Let wel, deze kiem, deze levenskracht, is nog niet te zien, maar zal op termijn wel de buitenkant doorboren en daarmee zichtbaar worden. Het leven (de kiem) overwint zo de dood (de schaal).
De paashaas verstopt deze eieren in de tuinen van de kinderen. Een tuin draagt het in zich iets te laten groeien. Zo kan het beeld van het ei, van het nieuwe leven, van de eigen vonk, mede in het kind groeien. Maar het moet de
eieren wel zelf zoeken en vinden, dat spreekt voor zich. Een ei, gevonden en aangereikt door een ander, daar is niets aan, dat is niet echt.
Zodra het kind alle gevonden eieren verzameld heeft, worden ze gekleurd. Hoe symbolisch wederom. Het kind mag zelf richting geven, bepalen hoe het zijn ‘kiem van leven’ later in de wereld naar buiten zal uitdragen.
Er komt een moment, zo rond het zesde jaar, dat een kind opeens zegt: ‘Maar de paashaas bestaat helemaal niet.’
Terecht, op zo’n moment. Het kind is inmiddels gewend geraakt zijn uiterlijke zintuigen steeds meer te gebruiken en daar meer en meer op te vertrouwen. Het is schoolrijp geworden. Het heeft voor het eerst geleerd een beetje als een volwassene te denken. Op die weg wil hij verder. Maar het beeld van de paashaas leeft voort, in zijn binnenste, als onbewuste kiem. En ooit zal dit zaadje doorbreken…

Uit: Fred Tak – Jaarfeesten; achtergronden en betekenis in onze tijd, uitgeverij Christofoor, september 2017

Hup, hup, daar gaat Langoor het konijn.
Huppelen vindt hij o zo fijn.
“Ik snuffel met mijn neusje in de wind.
Eens kijken of ik een lekker worteltje
vind. Knabbel hier wat aan een
grassprietje…”
Pas op, want de vos ziet je!
Roetsj, weg is ‘ie, zo snel als de wind.
Niemand die je in je holletje vindt…

Manouk Locher

Palmpasen en Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldjaarfeesten     jaartafels

.

2749-2578

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen (11)

.

Dieuwke Hessels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’: (maart 2022). Hier gepubliceerd met toestemming van de schrijfster.

.

PALMPASEN….

Een bonte stoet kinderen loopt met versierde palmpaasstokken de palmpaasoptocht. De kleintjes wat onwennig en onhandig met zo’n grote stok, de grote kinderen trots met hun stok in de lucht. Vrolijke gezichtjes tussen de wapperende linten en de rozijnenslingers…
Sommigen lukt het om uit volle borst mee te zingen, maar voor de meesten is het rechtop houden van de stok en het vol verwondering om zich heen kijken vaak al meer dan genoeg. En dan maar proberen om niet van je broodhaantje te snoepen voor je weer terug bent op school?
Het is altijd weer een prachtig gezicht, die tocht. Maar wat vieren we nu eigenlijk? Wat is de betekenis van onze palmpaasstok? Veel elementen van de palmpaasstok hebben een symbolische betekenis.
Het palmpaasfeest heeft christelijke elementen, maar ook oude
natuursymboliek.

Intocht en lente

Palmzondag is de laatste zondag voor Pasen. Het is de eerste dag van de Stille Week, de dag waarop de feestelijke intocht van Jezus in Jeruzalem wordt gevierd. De mensen in Jeruzalem waren dolgelukkig met zijn komst, ze juichten en bedekten de weg met palmtakken. In de katholieke kerken worden nu nog steeds? Palmtakken? Gezegend in de vorm van buxustakjes.
Een andere betekenis van Palmpasen is het vieren van de lente. Heel vroeger al werden er palmpaasstokken gemaakt om het begin van de lente te begroeten. Zo is de palmpaasstok dus een herinnering aan Jezus : de intocht in Jeruzalem en een symbool voor de ontluikende natuur. De versieringen en de vorm van de stok tonen wat er gebeurde in die Stille Week, maar zijn ook symbolen voor het begin van de lente.
Een palmpaasstok is gemaakt van dood hout: een tak die je gevonden hebt in het bos bijvoorbeeld. Dat dorre hout staat symbool voor de dode, winterse natuur en voor het kruis dat Jezus droeg. Maar het dode hout versierd met groene takken en linten staat ook symbool voor nieuw leven, dat ontstaat uit iets doods – zoals de groene lente na de winter komt.

Kruis of hoepel

Er zijn twee soorten palmpaasstokken. Een stok als kruisvorm en een stok met een hoepel. De kruisvormige palmpaasstok symboliseert de kruisiging van Jezus. Voor kleine kinderen kan dit symbool heel zwaar zijn. Thema’s als schuld, boete, belijdenis zeggen hen nog niets. Voor kleuters is Pasen immers het feest van de naderende lente. Voor hen is daarom een palmpaasstok met een hoepel geschikter. De ronde hoepel symboliseert het zonnerad.
Beide stokken dragen een broodhaantje in de top. Dit haantje is het symbool van de overwinning van de zon op de duisternis. En bij de dageraad, als het licht wordt, kraait de haan. Een haan kondigt een nieuwe dag aan, een nieuw begin. Hij staat voor het wekken van het voorjaar. Maar het haantje heeft ook een meer christelijke betekenis. Toen Jezus gevangengenomen was, vluchtten zijn vrienden. Petrus, een van zijn volgelingen, volgde Hem op afstand. Enkele mensen vroegen hem: jij hoorde toch ook bij die Jezus?? Tot driemaal toe ontkende Petrus dat hij Jezus kende. En toen kraaide de haan. De haan staat dus ook symbool voor innerlijk bewustzijn. En voor Jezus omdat hij je wakker
schudt om te vertellen dat het licht eraan komt.
Het haantje is van brood. Brood is een oude rituele substantie, die voedsel voor de ziel symboliseert. Net als het brood bij het laatste avondmaal dat Jezus met zijn leerlingen viert. Het hout van de stok wordt met groen versierd.

Je kunt de hele stok met groene takken van de buxus bekleden, maar er wordt ook vaak groen crêpepapier gebruikt.
Dit groen staat symbool voor de palmtakken waarmee de mensen de Verlosser toejuichen bij zijn intocht in Jeruzalem. Een teken van hoop dat ons met Pasen, de opstanding uit de dood, wordt gegeven. De buxustakken die altijd groen blijven zijn ook een symbool voor het eeuwige leven en de lente, die altijd terugkeert.
De stok wordt versierd met hangende kettingen van gedroogde rozijnen en noten: vruchten en zaden, gerijpt door licht en warmte van de zon. De zon zelf is ook een oud symbool voor Christus, die de innerlijke Zon of de Zonnegeest wordt
genoemd. Vruchten en zaden zijn een symbool voor nieuw leven en de hoop op een vruchtbaar seizoen voor de boeren. Eindelijk weer een nieuw begin! De voorraden raakten op en het land moest bewerkt worden – men had
genoeg van de lange, sombere en soms saaie wintertijd. Er werd geboend tot alles blonk – denk aan de uitdrukking: ‘Op je paasbest’.
De palmpaasstok is dus het symbool voor nieuw leven – een eenvoudig voorwerp dat vele betekenissen draagt. Ieder is natuurlijk vrij om te kiezen welke betekenis hem of haar aanspreekt. De een haalt inspiratie uit het christendom, de ander uit de natuur.
Susan Snijders-van Eijk http://www.antroposofiekind.nl

Er is een tijd geweest, waarin de mensen de veranderingen in de natuur meebeleefden: het verwelken van het leven in de herfst, het ontwaken van de natuur in de lente. Men nam echter niet alleen de uiterlijke feiten als buitenstaander waar, maar men liep de kringloop van het jaar zelf met zijn hele wezen mee. —
Wat gaat er om in de mens als hij zijn lichaamskracht voelt afnemen?
Wat gaat er om in de kinderziel, als zij de levenskrachten in zich voelt
ontwaken?
Toen de eerste christenen de kruisdood en de herrijzenis van Christus gingen herdenken, toen konden zij nog meemaken, hoe in de lente hun eigen leven opging in dat van de uiterlijke wereld. Hun religieuze belevenis, hun gevoel van verbonden te zijn met een hogere, bovenzinnelijke wereld inspireerde hen echter tot de gedachte: ‘De goddelijke wereld is in ons in het graf gelegd, maar hij
is opgestaan. – Hem kan men begraven, zonder dat hij te gronde
gaat.’
Doch hoe beleven wij in deze tijd nog de kringloop der seizoenen?
Ons leven wordt steeds meer airconditioned. De heb- en gemakzucht verblinden ons, en als wij door de zichtbare wereld proberen heen te kijken naar een toekomst, dan zien we slechts ziekte, dood en…niets. Dan wordt iedere religie een fopspeen, iedere bewering over een bovenzinnelijke wereld, over een wereld achter de dingen een zoethouwertje.
En toch: alles wat wij verwachten van een sociale vernieuwing, van een verbetering van onze maatschappij, het zal alleen dan mogelijk zijn, als de mensheid opnieuw en nu zeer bewust geïnspireerd wordt door de gedachte, dat al het natuurlijke, het zintuigelijk waarneembare in directe samenhang staat met het morele, met het geestelijke. Het kan voor iemand die even dieper kijkt toch geen stom toeval zijn, dat hij hier in deze wereld is, dat
zijn omstandigheden zijn zoals ze zijn. Hij zal zich afvragen: ‘Welke rol speel ik zelf in dit alles?’ – En dan heeft hij zichzelf en daarmee de wereld achter de dingen reeds ontdekt. Want als iets beweegt, als er iets gebeurt, dan moet
er iets zijn, dat het in beweging brengt, dat het tot een feit maakt. In het zegen brengende licht van de lentezon kan de bewust denkende mens, als hij het wil, opnieuw de realiteit ervaren van een wereld, die goddelijk, geestelijk, occult, bovenzinnelijk, achter de dingen is. Hoe men die wereld ook wil noemen: voor de christen is dat de wereld die Christus voor de mens heropend heeft.
Christus heeft de mens de mogelijkheid gegeven om zélf de hel van het niets, de ziekte en de dood te overwinnen.
Door Zijn daad zette Hij in de plaats van de leugengestalte van de dood-als vernietiger de ware, werkelijke gestalte van de dood-als-schenker-van-leven.
Toen de mens deze wereld achter de dood nog, zij het meer onbewust, kon beleven, ontstonden de oeroude, voorchristelijke gebruiken. Wat is de zin ervan? Het zijn allemaal symbolen, beelden voor datgene wat eigenlijk niet in woorden kan worden weergegeven. Deze beeldentaal gebruikt ook de mythologie, gebruiken ook de sprookjes.

Paasei

Probeert u eens even te vergeten wat een ei is. Het is op het eerste gezicht – een witte gepolijste steen. En dan, nadat de hen het 21 dagen heeft bebroed, komt er een levend wezen, een kuiken uit tevoorschijn. Een beter beeld voor het wonder der opstanding uit de dood is nauwelijks denkbaar. Dit schijnbaar dode ding heeft dus leven in zich!
Hebben zo alle dingen niet een onzichtbare kracht in zich? De graankorrel, de boon, de plant, de boom, het water, de lucht, de aarde en het zonlicht? En de mens, die wij zien groeien en bewegen, zal die niet op zekere dag voor ons
een nieuwe, niet vermoede kracht kunnen openbaren?
Veel mensen beginnen zich bewust te worden, dat de gebeurtenissen waarmee zij worden geconfronteerd, evenzeer als hun eigen beslissingen geen toevalligheden zijn. De mens draagt nog altijd in zich een bovenzinnelijke levenskracht. Wie goed om zich heen kijkt, kan in vele van zijn medemensen de opstanding zien. Zou het kind, dat nog heel anders kijkt dan de volwassene, niet onbewust iets van die ontwaking mee beleven?
Wat een vreugde als het een in de tuin of in het huis verstopt paasei vindt! Laten wij toch zoeken naar de eieren die overal in de wereld verstopt zijn!
Na de lichtfeesten in de wintertijd, begonnen in de lente de feesten der vruchtbaarheid. Maar de mens is niet alleen lichamelijk vruchtbaar. Zijn geest kan vruchtbaar zijn voor de hele wereld. De levensboom, waarom wij ons
schaarden met Kerstmis, is het symbool van de groei- en levenskrachten in de mens, maar ook van de ik-drager, de drager van de geest. Wij zien in de lente dan ook deze levensboom als meiboom terugkeren. Met de palmpaasoptocht draagt ieder kind zijn eigen mei, zijn eigen levensboom. Bovenop prijkt meestal de haan, het mythologische dier, dat in de prilste morgenschemer de heraut is van de nieuwe dag die komt. Soms was het een zwaan, het symbool van de kracht in de ziel, die omhoog kan vliegen tot grote, geestelijke hoogten.
Vaak is een broodkrans, horizontaal of verticaal, aan de paasstok gebonden. Deze duidt aan: het rad van de zon, de  geestelijke zon, die eeuwig is. Aan de stok is altijd groen bevestigd van een boom die nooit verdort. In onze streken
meestal van de buksboom (Buxus sempervirens), die dan ook dikwijls Bukspalm heet. Weer een symbool voor het eeuwige leven. Er hangen gedroogde of andere vruchten aan, of de stok is gestoken door één of meerdere sinaasappels. Vruchten dragen immers het nieuwe levenszaad! De ‘palmpaas’ heeft de vorm van een meiboom in het klein, doordat een ring (men noemt het ‘rad’ of ‘wiel’) horizontaal rondom de stok is opgehangen. Stam, krans en haan vormen de hoofdbestanddelen van de meiboom (Saksisch type). Ofwel het is een lange stok, waaraan appels, sinaasappels, krentenbroodjes enzovoort, zijn geregen, met boven op de zwaan of de haan (Fries type).
Ofwel het is een kruishout (een Christussymbool), met gekleurd papier omwoeld, dat de bovengenoemde ingrediënten draagt (Zuid-Nederlands type) Maar overal hangen er de eieren aan, de paaseieren.

Palmprocessies

Met deze ‘Palmpasen’ houden de kinderen een ommegang. Dit is een overblijfsel van de heidense lente-optochten en van de palmprocessie. Deze processie werd het eerst in Jeruzalem gehouden. Een non uit de Provence, die in de 4de eeuw een pelgrimstocht maakte naar het Heilige Land, vertelt erover in haar dagboek. De gelovigen kwamen op de Olijfberg tezamen en geleidden vandaar de bisschop, die Christus verbeeldde, naar de stad. Allen droegen palm- of olijftakken. Van Jeruzalem uit verbreidde het gebruik zich over het westen.
In de middeleeuwen hield iedere stad één gezamenlijke processie. Er werd altijd een ‘palm-ezel’ meegevoerd. De ezel is het beeld van ’s mensen stoffelijke lichaam. Eerst was het een levende ezel, maar later werd het, omdat zo’n
ezel erg koppig en weerbarstig kan zijn, een ezel van hout. Ook de berijder, Christus, aanvankelijk door een hoge geestelijke voorgesteld, werd later in hout uitgebeeld. Eerst gedragen op de schouders, later op wielen voortgetrokken. U kunt de ‘palmezel nog in enkele musea zien. Het werd steeds meer een uiterlijk kijkspel. De hervorming maakte er een eind aan.
De oude gebruiken gaan van de volwassenen over naar de kinderen. Eerst bootsten zij ’s middags na wat zij ’s morgens hadden gezien. Al bezitten wij nog een keur van het dorp Uitgeest uit 1635, waarbij het lopen met Sint Maartenslichten of met Palm- ofte diergelijke groenten’ of met ‘Pinksterbloemen’ wordt verboden, toch vinden wij dit gebruik nog zowel in protestantse als in katholieke streken terug.
Een van de meest interessante bijzonderheden is het lied, dat in vele varianten bij deze optocht gezongen wordt:

Pallem-pallem-pasen,
Ei – koer – ei,
Over enen zondag dan krijgen wij een ei.
Een ei is geen ei,
Twee ei is een hallef ei,
Drie ei is een Paasei.

Het oorspronkelijk lied, waar deze kinderdreun een kapot gezongen overblijfsel van is, kennen wij niet. Maar dit overblijfsel is al interessant genoeg. ‘Ei—koer–ei komt waarschijnlijk van een Griekse smeekbede (op z’n Latijn uitgesproken), die ook nog te vinden is in de roomse mis: ‘Eleison, Kurië, eleison.’ Ontferm u. Heer, ontferm u.’ —
En dan die merkwaardige drie eieren! De oude Chinese wijzen leerden, dat alles ontstaat uit drie dingen: Twee krachten en het spanningsveld tussen beide. Twee levende, steeds veranderende krachten en hun onderlinge relatie.
Iets is lang en iets anders kort door het verschil tussen beide. Vader, moeder en kind. De Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Een aardse mens, zijn bovenzinnelijk hogere wezen, en dat waar de mens ik tegen zegt. De aarde, de
hemel en… het ‘feest’.
Ons redenerend verstand heeft om dit te begrijpen een norm nodig. Het moet een moment in de tijd, een vorm in de ruimte fixeren. Het levende, altijd groeiende krachtenveld tussen ruimte en oneindigheid, tussen tijd en eeuwigheid, kan slechts betreden worden door ons geestelijk wezen, door ons creatief vermogen, door onze inspiratie, door ons Ik. —
Eén ei, één kiem van een mensen-ik is niets, want iedere mens heeft de andere mens nodig. Twee-ei, twee mensen kunnen gemeenschap hebben en zich voortplanten, maar dat is nog maar de helft van het mensenwezen: het
zintuigelijk-lichamelijke. Wat is een half ei? Het is ten dode gedoemd.!
Drie ei (niet drie eieren) de drie-eenheid van het lichaam, en de ziel, en de geest, die hen tot werkelijkheid brengt, dat is het werkelijke paasei: de opstanding uit de dood! – Christus is de waarheid en het leven én de weg.

Paashaas

Uit het oosten kwam de haas naar onze landen gesprongen, om hier de paashaas te worden, die ons de eieren der opstanding brengt. Een zachtmoedig dier, dat zich snel voortplant en dus een symbool voor de vruchtbaarheid. Hij heeft geen eigen huis, het hele land is zijn woning. Daarom is de haas ook het beeld voor ons hogere Ik-wezen.
Wordt een haas achtervolgd, dan gaat een andere haas voor hem aan het lopen, om zijn vermoeide soortgenoot te redden. Zo is hij tenslotte een symbool voor het Christus-wezen, dat onzelfzuchtig is en toch altijd achtervolgd wordt
door de zelfzuchtigs en dat zijn leven geeft voor zijn broeders.
Het kind kent nog niet het werkelijke kwaad, het kent de dood nog niet en is daarom nog niet aan de eigen opstanding, aan het werkelijke, het christelijke paasfeest toe. Voor hem duurt het paasfeest meer dan één volle week. Want het paasfeest begint reeds met palmzondag, de zondag vóór Pasen. Dit feest heet dan ook ‘Palmpasen’.
Het is het begin van de paasweek, het overwinningsfeest van de zichtbare, uiterlijke zon. Die schenkt ons ieder jaar een nieuwe lente en iedere morgen een nieuwe aarde dag. Aan haar dankt de aarde het natuurlijke leven. Maar deze natuurlijke zon gaat iedere avond onder. Zo bloeit het leven op, om weer te sterven in de dood.
Het was het stoffelijk lichaam van Jezus, dat men eenmaal feestelijk binnenhaalde in Jeruzalem. Vijf dagen later liet men het kruisigen. Want het wezen, dat in dat lichaam woonde, het eeuwige licht van de geestelijke zon, dat had men niet gezien. Daarom vertelt het Lucasevangelie ook, dat Jezus, tijdens zijn intocht dichter bij de stad gekomen,
Jeruzalem vóór zich zag en zei: ‘Och mocht gij op deze dag toch verstaan, wat tot uw vrede dient, maar thans is het verborgen voor uw ogen.’
Pasen, een week later, is het hoogfeest van het leven, dat geen ondergang kent en dat Christus aan de mens schonk door zélf mens te worden. Hij overwon de dood van de materie en opende de poort naar de geest. Hij onthulde voor
onze ogen de toegang tot het wezenlijke vredefeest.
Henk Sweers, ‘Jonas’ 09-04-1976
.

.
Palmpaasherinneringen van auteur

“Pallempallempasen, eikoerei,
Over enen zondag krijgen wij een ei,
1 ei is geen ei, 2 ei is een hallef ei, 3 ei is een paasei,
4 ei is een gouden ei….”

Binnenkort is het palmzondag de zondag als begin van de “stille week” voor Pasen.
De viering op school ondervond in de loop der tijd, en vooral door de veranderende tijd van leven, wat veranderingen, maar in grote lijnen…..
In de kleuterafdeling wordt een zonneradstok gemaakt, nu doen ouders dat thuis, in mijn beginjaren maakten we die stokken op een avond op school met alle ouders, later een tijdje: ouders in de klas [álle ouders] die de palmpaasstok
samen met hun kleuter gingen maken en ook nog een paar jaar dat de ouders in de grote zaal van school een palmpaasstok versierden voor hun kind[eren].
In de week voor de palmpaasviering gingen we gedroogde vruchtjes [appeltje, rozijntjes, abrikoosjes] aan een draad rijgen [tenminste, als ze niet opgegeten werden]
Op de vrijdag voor de palmzondag maakten we een wandeling, met ouders, naar een aanleunflat in het park; per klas spraken we af welke etage: 1, 2 of 3…
Al zingend de trappen op, de gangen daar door, bellen aan alle deuren…en dan liepen we weer naar beneden om daar in de centrale hal een klein paaspresentje te geven voor de bewoners en daar beneden in dat propvolle halletje ontvingen de kleuters dan een paaseitje….
Nu maken we een fijne lentewandeling door het park met enkele begeleidende ouders.
Het zelfgemaakte broodhaantje aten we op school op [als dat al lukte….]
Slechts één keer regende het en werden alle palmpaasstokken achter in een busje vervoerd naar die flat en daar bij de ingang uitgedeeld aan de kleuters…[ slingers en elfjes in elkaar gedraaid, haantjes die eraf vielen…]

En elk jaar:
haantjes die al half op waren als we weer bij school waren, ouders die de stok [eigenlijk staande voor het dragen van “je Ik”,] van hun kind droegen [kind is zoóó moe van het dragen….], de sliertjes crêpepapier die in elkaars sliertjes gingen of de lente-elfjes…., het haantje dat dreigde te breken [geen goede punt op de palmpaasstok].
Ach ja en eerder toen we nog eitjes kregen van de mensen in de flat in het park, helemaal zacht en gesmolten chocolade-eitjes in die warme handjes….
Dierbare herinneringen.

De Stille Week

Lijdensweek, heilige week, de week van Palmpasen tot Pasen

Fusien van den Ent:

Buiten toont de uitbottende natuur zich in haar stralendste feestkleed.
Wij proberen die week een reeks beelden te beleven.
Beelden die de mens oproepen tot werkelijk bewustzijn – beelden van strijd: uiterlijk met woorden, en innerlijke strijd – Beelden van hoogste broederschap, dienen, van het liefde-offer.
Beelden die je laten vermoeden wat werkelijk vrij, soeverein, waar Mens-zijn is, ook in lijden, in grootste eenzaamheid, in sterven, dood, om door de dood tot opstanding te komen.
Buiten zien we het aardse, vaste in beweging gebracht en op een hoger niveau getild worden: dode, anorganische stof wordt tot leven, organische stof, wordt plant met bladeren en bloemen door licht- en warmtekrachten uit de kosmos: de zon, de maan, de planeten en de sterren werken in de wonderen van het leven hier op aarde: de wereld is één groot organisme.
Dat zien we niet alleen in de natuur om ons heen: we merken het ook aan de paasdatum, want het is Pasen op de eerste zondag na de eerste volle maan na 21 maart (nadat de zon door het lentepunt ging). Daarom zal in de Stille Week de maan vol zijn; de aarde staat dan tussen zon en maan. We zien dat veel afgebeeld op oude iconen: zon en maan aan weerszijde van het kruis.

De dagen van de week, die elk hun eigen kleur, klank, zielenstemming hebben, stemmen overeen met de zeven planetensferen. De oude Chaldeeën gaven de dagen van de week al dezelfde namen als de zeven ‘bewegende hemellichamen’, de Romeinen deden het en wij ook: zondag – de zon, maandag – de maan, dinsdag – mars (Frans: mardi), woensdag -mercurius (=Wodan), donderdag – jupiter (=Donar), vrijdag – venus (Venus – Freia), zaterdag –
saturnus.
In de dagen van de Stille Week kunnen we de aard van de bijbehorende planetensfeer ook herkennen en ontdekken aan wat de Christus eraan toevoegt (‘zie, ik maak alle dingen nieuw’).
Emil Bock vertelt daarover in ‘Jaarfeesten als kringloop door het jaar‘ en heel uitgebreid in ‘van Jordaan tot Golgotha‘. Hij noemt de week van palmzondag tot Pasen ‘het mooiste compendium van het Christuswezen dat denkbaar is’.
Wanneer wij niet, zoals gebruikelijk, alleen de Goede Vrijdag vieren, maar de hele week in ons bewustzijn brengen, zien wij Christus weer als oneindig veel meer dan ‘duldende man van smarten’: als strijder en overwinnaar.

Genoemde liedjes zijn te vinden op

Tinekes Doehoek of Vrijeschoolliederen.nl

Handgebarenspelletjes:


Een tere, warme zonnestraal
Kwam hierbeneden aan.
En zag een kleine bloemenknop
Nog dichtgevouwen staan.
De tere, warme zonnestraal
Scheen nu nog eens zo fel.
En dacht: als ik maar schijn en schijn,
Dan opent het knopje zich wel.
En toen nu de warme zonnestraal
Het knopje maar aldoor bescheen,
Toen gingen de blaadjes als vanzelf,
Heel langzaam, heel langzaam vaneen.
Daarbinnen zag de zonnestraal
Een hartje van stralend goud.
“Dat komt”, sprak ’t kleine bloemetje,
Omdat ik zoveel van je houd!”

Ach, kleine kip, wat kijk je sip,
ben jij je ei verloren. .
Lag het in ’t bos, lag het in ’t mos,
of viel het tussen ’t koren?
Helaas, helaas, mijn lieve haas,
wij zoeken met z’n beidjes,
de haan en ik, maar o, wat schrik:
De wei ligt vol met eitjes.

Opa is blij en Oma is blij
ze hebben een kipje dat legde een ei
Daar kwam een muisje aangetript
dat had toch zo met zijn staartje gewipt
hij zwiepte het ei opzij
“Krak” zei het ei!”
Huil maar niet hoor Oma
huil maar niet hoor Opa”
zei het kipje”
Ik leg in een wipje een nieuw ei!
Het is niet van hout het is niet van steen
het is van stralend goud!”

Het kleine kippetje Ukkepuk
heeft het altijd vreselijk druk
Op maandag moet ze dweilen
op dinsdag nageltjes vijlen
op woensdag houtjes hakken
op donderdag wormpjes bakken
op vrijdag kippepap roeren
op zaterdag kuikentjes voeren
alleen op zondag heeft zij vrij
dan legt ze een gespikkeld ei!

Kippetje, kippetje, tok tok tok
Kipje al in het kippenhok
Kukelt, kakelt en hakkelt blij
kijk daar ligt mijn laatste ei!

Twee haasjes Flip en Flap
Die gingen samen eens op stap
Zij speelden haasje over
Zij knabbelden aan het lover
Zij buitelden over stenen
Zij liepen naar het koolland henen
Maar daar kwam de jager aan!
Toen zijn ze er vlug vandoor gegaan
Flip ga eens kijken of de jager al weg is
Flap ga eens kijken of de jager al weg is
Zullen we samen gaan kijken of de jager al weg is
Ja hoor!!!
Lied: 21 lange dagen zat ik in een kippenei,
Ik wil eruit, ik wil vrij,
ik prik een gaatje in het ei.
Ik wil eruit, ik wil vrij,
ik prik een gaatje in het ei.
Nog een stukje, nog een rukje,
wat is dat een zwaar karwei.
Even rusten, even hijgen,
even droge veertjes krijgen,
even pootjes uitproberen
en dan ren ik en dan kruip ik
lekker onder moeders veren.

Kringspelen:

Groen is t gras
Zakdoekje leggen
Haasje in de groeve

Sowieso zijn zoekspelletjes in deze tijd leuk om te doen, buiten of
binnen.
Schoonmaken of oppoetsen ook.

Grimm Sprookjes om te vertellen:
Het ezeltje      
De kikkerkoning

Bakersprookjes [Lois Eijgenraam]
Het wordt lente
Haantje Goudenkam
Het Hazenhuisje

Voor de ouders

Beschrijving zonneradstok

Benodigdheden die je zelf vergaart:
· Een rechte ronde stok of tak van 40 tot 50 cm.
· Een ring van ijzer. Of pitriet of wilgentenen om een ring van te maken.
· Event. wat touw of dun ijzerdraad om van de wilgenteen /pitriet een cirkel te maken.
· Dun draad om de lente-elfjes vast te maken en te bevestigen.
· Draad om de ring op te hangen aan de tak.

Benodigdheden die je van school krijgt:
· Een strook van lichtgroen crêpepapier van 2 cm breed (om de stok te omwinden).
· Een strook van licht groen of geel of groen crêpepapier van 2 cm breed (om de ring te omwinden).
· 8 stroken crêpepapier van 1cm breed (om de ring te versieren) in diverse lentekleuren (bijv. licht blauw, licht roze, licht groen en licht geel).
· 8 velletjes vloeipapier van 14 x 14 cm van 4 verschillende lentekleuren (voor de 4 lente-elfjes).
· Plukje wol (voor in de lente elfjes).
· Dit alles zit in een plasticzakje met de naam van je kind erop.
(Dit zakje voorkomt dat de zonneradstok vies wordt onderaan als juf hem op school in een bak aarde zet)

Werkwijze
· Snijdt een punt aan de tak (zo blijft het broodhaantje beter zitten).
· Snijdt hierin van boven naar beneden een inkeping van ongeveer 1 cm
· Omwindt de stok met het crêpepapier. Laat de eerste 5 cm vrij voor het broodje
· Mocht je geen ijzeren hoepel hebben van ongeveer 30 cm doorsnede, dan kan je er een maken door de uiteinden van een dunne wilgenteen (of dik pitriet) een paar keer om elkaar heen te draaien en vast te maken met een dun ijzerdraadje of touwtje.
· Omwind de cirkel met het crêpepapier.
· Maak 4 lente-elfjes door de vierkante vloeipapiertjes dubbel en dubbel te vouwen tot 1 vierkantje bestaat uit 4 kleine.
· Leg twee van die gevouwen vloeipapiertjes op elkaar. Twee verschillende kleuren geeft meer kleur!
· In het midden van dat vierkant leg je een heel klein plukje wol dat je buitenlangs afbindt met een stukje draad.
Hiermee bevestig je tegelijkertijd ook de lente-elfjes aan de ring.
Bevestig de ring met 2 draden (een van links naar rechts en een van voor naar achter aan de tak door de draden door de inkeping boven in
de tak te trekken.
· Ten slotte versier je de ring verder met de dunne stroken crêpepapier.

Verwonderland: Broodhaantje maken (typepad.com)

volg de stappen 1 t/m 11 op ‘Verwonderland’

Vertellen: Het Ezeltje.

Rustmoment: Palmpasen liedjes

Handgebarenspelletjes:

Een tere warme zonnestraal, kwam hier op aarde aan en zag een bloempje nog dichtgevouwen staan
Het dacht als ik maar schijn en schijn,
Dan opent zich het bloempje wel.
Toen nu die zonnestraal het bloempje aldoor maar bescheen,
Toen gingen de blaadjes vanzelf uiteen
Daarbinnen was een hart van goud
“Dat komt” zei het bloempje “omdat ik zoveel van je houdt”
Ik ben een vogel klein
En bouw mijn nestje fijn.
Ik breng een takje, ‘k breng een blaadje.
Met een grasje, met een draadje,
Of ook wel een pluisje wol,
Zo bouw ik mijn nestje vol.
Is dan dra het nestje klaar,
Leg ik al mijn eitjes daar.
En zit daarop dan stil te dromen
Tot de kleintjes één voor één
Uit hun schaaltjes komen.

O wat gepiep! En wat gezwoeg,
Die kleintjes hebben nooit genoeg
– – – Maar zijn ze groot geworden,
Is ’t nestje hun te klein – – –
Hola! Dan de lucht in, ’t vliegen is toch fijn! 
lange dagen zat ik in een kippenei, ik wil eruit ik wil vrij,
Ik pik een gaatje in het ei, [herhalen vanaf ik wil eruit].
Nog een rukje nog een stukje wat is dit een zwaar karwei,
even rusten, even hijgen,
even droge veertjes krijgen,
even pootje uitproberen,
en dan ren ik en dan loop ik
lekker onder moeders veren.”
Het ís een heerlijk lied, alleen ik heb de muziek niet….
Tekst van H. IJzerman

Spring is coming, spring is coming,
birdies build their nest,
weave together straw and feather
doing each their best

Lente komt al, lente komt al,
vogels maken hun nest,
weven stro en veren samen
doen zo goed hun best.

Het kippetje Ukkepuk,
Heeft het altijd druk.

Maandag moet ze dweilen
Dinsdag nageltjes veilen,

Woensdag wormpjes bakken
Donderdag houtjes hakken

Vrijdag kippenpap roeren,
Zaterdag kuikentjes voeren

Maar zondag is ze vrij,
Dan legt ze een gespikkeld ei!

.

Palmpasen en Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten     jaartafels

.

2745-2574

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (21)

.
Dieuwke Hessels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’: (februari 2022). Hier gepubliceerd met toestemming van de schrijfster.

.

Carnavalsfeest

Het feest van carnaval, wordt ook wel het Verkleedfeest genoemd. Meest bekend, natuurlijk, onder de grote rivieren. Toch wordt dit feest meestal ook gevierd [op scholen] Noordelijker ….. In Meppel werd het gevierd, maar verdween, omdat “het feest meer nam dan dat het gaf” zeg maar.
Bij de kleuters werd het klein gehouden, kinderen verkleed in sprookjeskleren
[géén maskers] in de eigen klas gevierd.
Maar zonder verkleden kun je ook carnavalsactiviteiten ondernemen met de kinderen in je klas en [vasten] voor jezelf.

De herkomst van het carnavalsfeest

Carnaval werd al gevierd in voorchristelijke tijden, al heette het toen nog niet zo. Mensen wilden de kwetsbare, ontwakende natuur beschermen tegen boze geesten. Daarom zetten zij afschrikwekkende maskers op en trokken bijpassende kleren aan. Veel kabaal makend met pannen, koebellen en andere geschikte spullen trokken ze gezamenlijk door hun velden.

Carnaval in de christelijke kalender

Binnen het kerkelijke jaar heeft het carnavalsfeest een plek voor het begin van de lijdenstijd, die officieel start met Aswoensdag en die een periode inluidt van 40 dagen vasten voor het Paasfeest. De avond voor Aswoensdag wordt Vastenavond genoemd, en oorspronkelijk was dat ook de enige dag waarop carnaval werd gevierd; later heeft het feest zich steeds verder uitgebreid. Officieel duurt het drie dagen, maar in sommige streken worden er al vanaf 11 november, de “elfde
van de elfde” carnavalsactiviteiten gehouden.
Het woord “carnaval” komt waarschijnlijk van het Italiaanse carne levare: het “wegnemen van het vlees”- een manier dus om het vasten aan te duiden.
Geen wonder dat carnaval altijd een eetfeest is geweest- nog even goed schransen voordat je de broekriem ging aanhalen!

Het carnavalsfeest als ritueel

Carnaval is een omkeringsritueel: maatschappelijke rollen worden omgedraaid (liefst vanachter een masker, zodat niemand ziet wie je écht bent) en normen over gewenst gedrag worden even losgelaten. Je mag je te buiten gaan, en je mag de machthebbers de waarheid zeggen.

Carnaval op de vrijeschool

Op de vrijeschool is het carnavalsfeest vooral een verkleedfeest voor de jongere kinderen, waarbij veel spelletjes en liedjes horen. Het is een feest van
opschonen en overgave van durven loslaten.

Carnaval en de vastentijd

In de middeleeuwen gold de tijd tussen Driekoningen en het begin van de lijdenstijd als een tijd om zich te bevrijden van onvolkomenheden en slechte eigenschappen: het reinigen.
Al vieren we boven de rivieren nauwelijks carnaval, we kunnen wel een impuls krijgen van dit luidruchtige feest. Carnaval is meer dan een verkleedpartij en de eerste stap op weg via de vastentijd naar Pasen.
Carnaval valt meestal in de maand februari en dat is niet zomaar. Het is van oudsher een reinigingsmaand en daarmee louterend, maar veel mensen ervaren februari als moeilijk. Het is koud en de natuur buiten ziet er doods en grauw uit.
Mensen verlangen naar zonnestralen en kleur. Gelukkig is dat er, maar je moet er wel naar zoeken! In februari bloeien er in de tuin al sneeuwklokjes of helleborissen. En toch zet die grauwheid zich nog even voort tot in maart. Langzaam zie je hier en daar natuur tot leven komen; gras wordt groener, knoppen verschijnen in enkele bomen en de krokussen en narcissen
komen in bloei. De lente, die bij Pasen hoort, komt eraan.

In de middeleeuwen gold de tijd tussen Driekoningen en het begin van de lijdenstijd als een tijd om zich te bevrijden van onvolkomenheden en slechte eigenschappen: het reinigen. Later gebruikten huisvrouwen die periode voor de
voorjaarsschoonmaak. Daar kunnen we nu ook nog bij aanhaken door een voorjaarsschoonmaak te houden in ons huis en/of een detoxkuur te volgen.
Carnaval een feest waarin je in de huid van een ander kruipt (hoe voelt dat, een ander of anders te zijn) en daardoor je jezelf kunt herbezinnen op wie je werkelijk bent. Daarnaast kun je tijdens de vastentijd vasten, matigen of je onthouden van voedsel, alcohol, roken, spreken, gewoonten, etc. Ook dan ben je bezig met reinigen. Je hogere Ik krijgt zo de kans tegenover je lagere bewustzijn. Met nog even een laatste uitspatting bij het carnaval, zodat je het allemaal makkelijker kunt loslaten en veranderen.
Waar hebben we die verandering en reiniging voor nodig?
Voor het lichaam is het goed om zich fysiek te reinigen. We stappen niet alleen onder de douche om schoon te worden, maar onze spijsvertering verdient ook onze aandacht. Een sapkuur, detoxthee of vastenperiode naast het drinken van extra water is gezond. Spiritueel hebben we die reiniging nodig om met Pasen de opstandingskracht van het Ik te ervaren. Je kunt dan met een schone lei beginnen.

Jonge kinderen beleven in deze periode de natuur die langzaam ontwaakt. We zien dit terug in de seizoentafel, met de wortelkindertjes en de kleuren bruin en groen. Verder zitten ze nog nergens in vast. Zij hoeven zich met carnaval niet te
bevrijden. Vier je carnaval met kinderen, maak er dan een vrolijk en fantasievol verkleedfeest van. Het is wel van belang dat de volwassenen dit feest voorbereiden en begeleiden. Houd het voor hen licht en speels; laat het grote mensenfeest en de gevolgen van te veel alcohol niet te dichtbij komen. Ook behoeven zij nog geen reinigingskuur in de vastentijd, maar meehelpen met opruimen en schoonmaken is altijd goed!”
Naar Marion Vreugdenhil

“Een plekje in de hemel…

De vastentijd zoals het oorspronkelijk bedacht was door de Katholieke kerk, was een vorm van boetedoening. Door de 40 dagen voor Pasen vlees en eieren te laten staan, zou je de mogelijkheid vergroten een plekje in de hemel te krijgen.
Tegenwoordig zou je het vasten ook in een andere vorm kunnen gieten. Slechts weinigen onder ons zijn nog zo aan de kerk verbonden dat ze om de goodwill van God willen minderen.
Uit oude heidense tradities werd deze tijd van het jaar ook gebruikt als zuiveringstijd. Naast de grote voorjaarsschoonmaak kan je dus ook je eigen lichaam of je eigen gedragingen reinigen. Denk daarbij naast het laten staan van bepaald voedsel en bepaalde (alcoholische) dranken, aan smartphonegebruik, beeldschermtijd, shoppen, autogebruik of luiheid. Het is daarmee een tijd van inkeer en bezinning.
Met vasten bereik je behalve een lichamelijke-, psychische- of geestelijke reiniging ook een ander doel. Het is een vorm van zelfliefde, een respectvollere omgang met je medemens of het milieu en voor wie daarin gelooft, een mogelijkheid dichterbij spiritualiteit of een hogere macht te komen.

40 dagen vasten

De kerkelijke vastenperiode begint na carnaval op Aswoensdag, 46 dagen voor Pasen. De datum van de vastentijd is altijd verbonden aan Pasen. Paaszondag valt op de eerste zondag na de eerste vollemaan na het begin van de lente. Aswoensdag heeft zijn naam te danken aan het feit dat mensen op die dag in de kerk een askruisje op hun voorhoofd kregen getekend.
De as herinnert mensen eraan dat ze vergankelijk zijn en altijd tot stof zullen wederkeren.”

Carnaval

Het wordt weer carnaval! Het uitbundige verkleedfeest voor de vastentijd, waarmee we boze geesten wegjagen zodat de natuur tot leven kan komen.
Wanneer is carnaval?
Van oudsher vierde men op de dinsdag voor Aswoensdag Vastenavond. Intussen is het feest een beetje uitgerekt en begint het al 7 weken voor Pasen. Carnaval duurt nu officieel van zondag tot dinsdag. Klokslag middernacht moet het feest ten einde zijn en begint de vastentijd. De tijd van uitbundigheid is voorbij, de tijd van inkeer en boetedoening is gekomen.

(Vr)eten en vasten

Carnaval is een gekerstend heidens volksfeest, zoals zo vele feesten in het jaar. Oorspronkelijk was de datum van de carnavalstijd namelijk niet verbonden aan het kerkelijke paasfeest. Het was een feest ter bescherming van het ontspruiten
van de natuur.
Het was een groot eetfeest, waarbij de resten uit de voorraadkast op werden gemaakt. Men at (pannen)koeken van de laatste restjes meel, vet en eieren, die anders zouden bederven. Daarnaast was deze tijd, overeenkomstig met Maria-
Lichtmis, de tijd van het zuiveren. De nog steeds bekende voorjaarspoets was in deze tijd belangrijk, net als de lichamelijke reiniging door vasten of een ontgiftingskuur.

Uitbundigheid

Tegenwoordig is het vooral een groot uitbundig verkleedfeest geworden. Met carnaval kan het niet groots, niet gek en niet uitbundig genoeg. In de steden zijn optochten met prachtige praalwagens en wordt er tot diep in de nacht gegeten,
gedronken, gezongen en gedanst. Men draagt maskers en verkleedkleren en geniet van het moment in het jaar waarbij je niet je verantwoordelijke, volgens de normen aangepaste zelf hoeft te zijn. Het is een feest, passend bij de momenteel zeer geliefde, hedonistische levensstijl.
Carnaval wordt in Nederland niet overal gevierd. Door de opkomst van het protestantisme verdween het feest grotendeels.
Protestanten zien namelijk het nut niet in van de vastentijd omdat toch al vastligt of je een plek in de hemel hebt of niet.
Door de hernieuwde, dominante groei van het katholicisme op sommige plekken in Nederland, kwam daar het carnavalsfeest weer terug.

Maskers

Het dragen van maskers heeft een interessante betekenis. Maskers werden gezien als een hulpmiddel om het geestelijke leven door de mens heen te laten klinken. Maskers zijn dus een soort poort tussen het leven hier op aarde en het leven in de geestelijke wereld of het dodenrijk. Door een masker te dragen met carnaval, kan de mens zich uiteenzetten met ‘het dode’ in zichzelf. Door te zingen, te dansen, gek te doen en te feesten, schudt men als het ware het dode van zich af. Zodat men goed voorbereid en schoon is voor een nieuw begin in de natuur en het nieuwe leven dat we met de lente en Pasen vieren.
In de natuur zien we een soortgelijke beweging. In de maand februari verliezen veel bomen hun dode takken, zodat er ruimte is voor de groei van nieuwe loten en twijgen. Met carnaval maken we door ‘het dode’ los te laten plaats voor ‘het
nieuwe leven’.

Ontvlezen

In het woord Carne aval kan je de woorden ‘Carnem levare’ uit het Latijn ontnemen. Dat betekent het ‘wegnemen van het vlees’. Dat kan je letterlijk zien als je kijkt dat na de carnavalstijd het vasten begint. Je zou het ook figuurlijk kunnen zien als je bedenkt dat het dragen van maskers (of het drinken van alcohol…) je enigszins ontmenselijkt.

Boze geesten

Het verkleden tijdens carnaval komt dus voort uit oude heidense tradities. Men geloofde erin dat als je maar genoeg lawaai maakt, je met fakkels rondloopt en je woest verkleedt en gedraagt, boze geesten werden weggejaagd. En dat was van
grote importantie! Want voor het ontluiken van de natuur was het belangrijk dat de kwetsbare ontwakende ‘wortelkinderen’ grote bescherming kregen tegen het kwade.
Lang geleden wist men nog hoe afhankelijk men was van de vruchten van de natuur. Moeder Aarde was heilig en moest verzorgd en vereerd worden. Een goede reden eigenlijk om in de huidige tijd dit feest naar een nieuw niveau te tillen. Ga dansen op het leven, ga je verkleden en laten we de boze ‘geesten’ die het niet goed voor hebben met de natuur verjagen, zodat we weer een nieuw gemeenschappelijk gedragen bewustzijn ontwikkelen voor onze afhankelijkheid van onze prachtige, maar oh zo kwetsbare aarde.
Een heerlijk (intiem) carnaval vol gekkigheid en stralende gezichten gewenst! “
Naar Waldorf Inspiration

Het masker bezield

Het masker verbergt iets dat ook verborgen wil of moet blijven. Jonge kinderen hebben nog niets te verbergen. Ze hebben nog geen maskers nodig om een ander te kunnen spelen. Het hoofd kan bedekt worden met een muts of een kroon, maar het gezicht blijft open. Het kind is nog direct doorlaatbaar voor ‘andere stemmen’.
Vanaf het 10e jaar verandert dat. Het eigen gevoelsleven gaat zich ontplooien, en dan is het fijn om je hoofd eens helemaal in een dierenkop te mogen verbergen, of je ogen die je kwetsbare ziel verraden te verstoppen achter een masker.
En hoe is het met ons volwassenen? Dragen wij een masker of zijn wij ‘onszelf’? En wat is dan dat ‘onszelf’ en in hoeverre is het verwerpelijk om een masker te dragen? In de loop van ons leven kiezen we een bepaalde vorm van werkzaamheid, een bepaald ‘beroep’ in de ruimste zin van het woord. Dat beroep, die werkzaamheid vereist een bepaald gedrag, en in het begin
kan de poging om zich dat gedrag eigen te maken nogal overdreven aandoen en zelfs enigszins komisch werken. Het nieuwe kleed past nog niet zo goed, en het gewichtige gezicht is nog zo onwennig.
Het hangt dan van je eigen wil tot ontwikkeling af of je dat ‘masker’ dat je ook als een soort bescherming draagt, langzamerhand kunt bezielen, van binnenuit tot leven weet te brengen. Dat is een lange weg. Het kost immers vele jaren van
ons leven om de grote menselijke deugden tegen de verdrukking in te ontwikkelen. Iedere dag kent zijn nederlagen en overwinningen wat dat betreft.
Maar dan blijkt in bijzondere levensomstandigheden of het iemand gelukt is om zich aan het masker te ontwikkelen, al of niet bewust. Want dan pas merk je of je staande blijft, als het beschermende masker af gaat.
Marieke Anschütz  (gehele artikel op deze blog)

Het boek “Nederland” van C. Dematons bevat een prachtige afbeelding van een carnavalsoptocht.

Ideeën voor het feest, en carnavalskleding

Het carnavalsfeest kan men ook met kleine kinderen vieren. Het is dan goed een
bepaald thema te nemen, bijvoorbeeld de figuren uit een sprookje. Het is van groot belang dat de volwassenen dit feest goed voorbereiden en op de juiste wijze begeleiden.
Zo kan men bij voorbeeld beginnen met een bellenblaasfestijn, waardoor een vrolijke stemming ontstaat. Daarna kan men in een bontgekleurde rij door het huis, door de school of door de straten lopen, waarna men bij terugkomst een feestelijk versierde tafel vindt. Het zou dan kunnen zijn dat ieder kind zijn eigen plaats moet herkennen aan de kleur of het motief dat het draagt.
Besteed vooral veel aandacht aan de kleding van de kinderen, want dat vinden ze erg belangrijk.
Een goede afsluiting van het carnavalsfeest kan een poppenkastvoorstelling zijn. Jan Klaassen is immers bij uitstek degene die grapjes kan maken en ’in de huid van een ander kan kruipen’.

Carnavalskleding

Materiaal:
Gekleurde lappen
Vlieseline
Carnavalskleren voor kinderen worden naar heel eenvoudige patronen gemaakt, bijvoorbeeld volgens het patroon van een kimono. Omdat deze kleren slechts één of enkele malen gedragen worden, hoeven ze niet tot in de puntjes afgewerkt te zijn.
We kunnen de naden heel goed met een zigzagschaar afwerken.
Een materiaal dat zich uitstekend voor carnavalskleren en hoeden leent is vlieseline, omdat het niet genaaid hoeft te worden. Eventueel nemen we voor de naden dubbelzijdige vlieseline, want op die manier kunnen we het hele kledingstuk ineen aan elkaar strijken. Bovendien kan dit materiaal heel goed worden beschilderd met temperaverf, of gekleurd met waskrijt.
Vaak vinden kinderen het heerlijk om in verkleedkleren buiten te spelen. Als het carnavalskostuum daarvoor te kostbaar of te fragiel is, kunnen we ook een grote zak nemen, die we binnenstebuiten draaien en beschilderen. Een gat voor het hoofd en twee gaten voor de armen, en de verkleedkleren zijn klaar. Ook van een oud beddenlaken kunnen we zoiets op eenvoudige wijze maken. Nu alleen de carnavalshoed nog.

Een carnavalshoed

Materiaal
Tekenkarton, 30×60 cm
Een kleurige strik
Beschilder of kleur het karton aan beide kanten.
Knip vervolgens een van de lange kanten op regelmatige afstanden van elkaar 12-15 cm in (bovenkant), zodat er smalle stroken ontstaan.
Vouw aan de onderkant een strook van ongeveer 3 cm naar buiten om, plak de beide
uiteinden van het karton aan elkaar −eerst even het hoofd meten− en bind de stroken met de strik bij elkaar.

Leven met het jaar

Verhalen, recepten, liedjes, knutsels en spelletjes voor alle seizoenen
Christiane Kutik, Ineke Verschuren e.a

Carnaval: schudkoker maken

De schudkoker (nog niet versierd)
In deze aflevering kunnen we zien hoe we met de kinderen een schudkoker oftewel maracas maken. Kinderen van 5-7 jaar kunnen vanaf het begin, onder begeleiding, zelf aan de slag.
Jongere kleuters hebben hulp nodig bij het knippen.

Wat hebben we nodig?

Papier, twee kleuren naar keuze
Schaar
Potlood
Closetrolletje van een stevig soort, niet zo’n slappe dus
Plakstift, of plaksel
Linzen, of rijst (klinkt zachter)
Iets ronds, bijvoorbeeld een schaaltje, om ’n cirkel te tekenen.
Een A4’tje (eventueel meerdere kopieën) waarop we rechthoeken getekend hebben voor de zijkanten van de schudkokertjes (zie tekening verderop).

Werkwijze

Teken twee cirkels, en knip ze uit.
Doe wat plaksel op de randen van een cirkel met een 
plakstift of plaksel.

Zet dit ‘dekseltje’ op de closetrol, en plak de randen vast. Omspan dan je
hand om de randen, en houd eventjes vast tijdens het drogen, of/en doe er
eventueel tijdelijk een elastiekje om.

Draai de onbedekte kant van het kokertje naar boven, en doe er wat linzen,
rijst, of erwtjes in.
Schud het kokertje terwijl je het met één hand dicht houdt. Luister hierbij of
je het goed vindt klinken. Zit er nog te weinig in het kokertje, of juist te veel?
Plak dan de andere cirkel op het open uiteinde.
Knip nu een van de 3 getekende rechthoeken uit.

Breng hierop gelijkmatig plaksel aan, de randen niet vergeten, en omwikkel de zijkant van de schudkoker (zie plaatje).
Versier je instrumentje naar eigen idee, bijvoorbeeld met kleurige snippertjes sitspapier.

Het spelen

Met een korte, iets krachtige beweging vanuit de pols tikken de linzen duidelijk tegen het kokertje.
Als de maracas horizontaal gehouden, zoals op de afbeelding, dan tikken de linzen tegen de lange kant van de maracas. Het klinkt anders wanneer je de linzen laat tikken tegen de dekseltjes (Hierbij houd je de maracas in verticale stand).
Veel plezier ermee!
Tineke. [Doehoek]

Een versje voor carnaval
Uit de DoeHoek van Rita Veenman:

Wie wil je worden, wat vind je fijn?
Een dag zal je anders zijn.
Word je een kok die koken kan?
In een hele grote pan?
Ik hoop dat er kabouters zijn,
Met witte baardjes zacht en fijn.
Wie wil je worden, wat vind je fijn?
Een dag zal je anders zijn.
Kom je als ridder te paard,
Die rijdt in volle vaart.
Word je soms een toverfee?
Tover dan maar met me mee.
Wie wil je worden, wat vind je fijn?
Een dag zal je anders zijn.
Wel zeker komt er een prinses,
Misschien komen er wel zes
Er komt vast een koningszoon,
Met een prachtig gouden kroon.
Wie wil je worden, wat vind je fijn?
Morgen zal je anders zijn.
Rita Veenman
Uit het boekje ‘Ooievaar Kleppermaar’

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2722-2552

.

VRIJESCHOOL – Maria-Lichtmis (4)

.
Dieuwke Hessels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’:
(janauri 2022)
toestemming van de schrijfster.
.

Maria-Lichtmis:

Moeder aarde krijgt het licht terug maar ook: hoe wij ons kunnen of durven openstellen meer licht te ontvangen de komende tijd.

We droegen alle kaarsjes
tot in het mulle zand.
In kleine aarde-kuiltjes
werden ze opgebrand.
Dag vlam, dag vlam en dankjewel,
dat je het licht bewaarde.
Weldra komt weer zonneschijn,
doof nu maar in de aarde.
Tot ziens in de Sint-Maartenstijd.
Dat is nog wel heel ver,
maar kom jij dan, in mijn knol,
weer stralen als een ster?

Uit: Van winterkrans tot zomerdans
Lidwien van Geffen

Maria-Lichtmisfeest is echt een kanteling in het jaar.
Hoewel Pasen het echte lentefeest is, heeft Maria-Lichtmis alles in zich om ons wakker te maken voor die komende lente. Enerzijds gaat het om de afsluiting van de lichtjesperiode vanaf Sint-Maarten, en anderzijds om de start van de reiniging van onszelf en moeder aarde om fris en schoon aan het nieuwe jaar te beginnen.
Met dit feest sluiten we de grote Kersttijd, die we met Sint-Maarten begonnen, af.
Met Sint-Maarten brachten we met onze lampion het licht naar binnen en met Maria-Lichtmis is het een mooi gebruik om ’s morgens het licht naar buiten te brengen. We kunnen het licht missen en richten nu ons innerlijk licht in de vorm van aandacht naar buiten. Daarbij helpt de warmte van de naar buiten gebrachte brandende kaarsjes die, behalve met licht ook vol warmte zijn, mee de aarde in haar ontwaak-proces te steunen. En wat te denken met de voorzichtige en zorgvolle wijze waarop dit gedaan wordt door grote en kleine mensjes: welk een verbondenheid! Verwachtingsvol kijken we naar waar de eerste sneeuwklokjes tevoorschijn komen als teken van de ontluikende natuur. Het licht van de zon wekt het leven komt tevoorschijn en overwint de duisternis.

[Naar: levende sprookjes, Marijke Steenbruggen].

Met Maria-lichtmis, de ontwakende aarde is het ook tijd voor Moeder Aarde, Vrouw Holle en Sinte-Bride en Vrouwtje Dooi: een mengelmoes van groeikrachten en, in onderstaand schrijven, een mix aan informatie.

Het feest van Maria-Lichtmis

De Zonnejaargroep:
Van alle feesten in de winter is in onze tijd Maria-Lichtmis het minst bekend en dat terwijl dit feest aanduidt, dat de grote kersttijd nu echt ten einde is gekomen. Het natuurlijke licht overheerst de duisternis en de aarde maakt zich op voor een nieuw begin, voor nieuw leven.

De twee maal veertig dagen rond Kerstmis worden in- en uitgeluid met twee lichtfeesten. Brengen we veertig dagen vóór Kerstmis, met Sint-Maarten, het licht bij avondschemering van buiten naar binnen, op 2 februari, veertig dagen ná Kerstmis, brengen we in de vroege ochtend het licht van binnen naar buiten. Dan vieren we Maria-Lichtmis.
Kaarsresten, verzameld in de lange donkere tijd, omgesmolten en van nieuwe pit voorzien, brengen we zacht zingend naar buiten in de tuin naar plaatsen waar het eerste nieuwe leven tevoorschijn komt; een eerbetoon aan de aarde, die opnieuw haar lichtkracht opdraagt aan de schepping en haar jaarcyclus begint. Van achter het raam genieten we daarna ons ontbijt, terwijl buiten het schijnsel van de kaarsen vervaagt door de eerste stralen van de opkomende zon.
Het feest van Maria-Lichtmis is ook bekend onder de naam Maria-Zuivering. De oorsprong van deze naamgeving is terug te vinden in de bijbel: ‘En toen hij na acht dagen besneden moest worden, werd over hem de naam Jezus uitgesproken, die door de engel was genoemd, voordat hij in de moederschoot ontvangen was. Daarna kwamen de dagen der reiniging volgens de wet van Mozes. Toen deze verstreken waren, brachten de ouders het kind naar Jeruzalem om het aan de Heer op te dragen, zoals in de wet des Heren geschreven staat: Al het mannelijke dat de moederschoot opent, zal aan de Heer gewijd worden. Zij wilden ook offergaven brengen, die in de wet des Heren voorgeschreven zijn: een paar tortelduiven, of twee jonge duiven.’ (Lukas 2; 22-24 vert. Ogilvie)
Zo schreef de Joodse wet voor, dat een vrouw veertig dagen na de bevalling een reinigingsoffer in de tempel moest brengen. Jozef en Maria offerden twee duifjes en droegen hun kind op aan de Heer. In de tempel ontmoetten zij Simeon, die het kind opneemt en wordt omstraald door hemels licht.
Dit ontroerende moment is door de eeuwen heen op vele wijzen in beeld gebracht.

Simeon, door Rembrandt van Rijn

In Jeruzalem en Rome werd de reiniging van de Heilige Maagd al in het begin van de vierde eeuw gevierd met een grote processie door de stad. Deze tradities zijn in onze cultuur in die vorm zeker geen realiteit meer. Toch denk ik, dat nog menig grootmoeder in het zuiden van het land kan vertellen over haar eerste kerkgang, zes weken na de bevalling. Het hormonale ritme is dan weer hersteld, de vrouw is ‘gereinigd’; ze mag weer bakken en braden en zich onder de mensen begeven.

Brandende kaarsen

In de middeleeuwen werd Maria-Zuivering vooral een lichtfeest;
Festum Candelarum, een benaming, die wij in het Duitse Kandelmesse, het Franse Chandeleur en het Engelse Candlemass nog terugvinden. De Latijnse benaming Festum Luminum vinden we terug in ons Lichtmisfeest, dat in veel katholieke kerken nog wordt gevierd: meegebrachte kaarsen worden gewijd en aangestoken om daarmee ter ere van Maria gezamenlijk een processie te lopen.
Vervolgens wordt de mis opgedragen in het licht van al die brandende kaarsen, waardoor met recht over een ‘lichte mis’ gesproken kan worden: Maria Lichtmis. Lichtmiskaarsen werden na de mis mee naar huis genomen, om met het kaarsvet boven de deuren van huis, schuur en stallen een kruisteken aan te brengen met de bede dier en mens te beschermen. Sinds mensenheugenis worden kaarsen en vuren ontstoken om een verbinding met de goddelijke wereld te bevorderen. De Romeinen hadden bijvoorbeeld de gewoonte tijdens de bevalling een kaars te branden voor de godin Candelifera ter bescherming van moeder en kind.

Februari reinigingsmaand

Het Latijnse woord ‘februa’ betekent reiniging. Kunnen we in onze tijd nog iets van die reiniging beleven? Bijvoorbeeld als reine sneeuwvlokken de aarde met een wit kleed bedekken of wanneer de eerste sneeuwklokjes tevoorschijn komen? In bomen en struiken stijgen de sapstromen weer omhoog als uiting van nieuw leven. Bomen laten hun laatste dorre takken -sprokkels- vallen, die door de mensen vroeger werden verzameld als aanvulling op het brandhout, dat in dit jaargetijde vaak niet meer toereikend was.
Februari heet dan ook sprokkelmaand.
Dieren komen uit hun winterslaap en reinigen zich voor de komende bevruchting. Zodra de temperatuur het toelaat verlaten bijen de korf voor hun eerste reinigingsvlucht om onverteerde resten van honing, die ze in de winter hebben opgezogen, als geelbruine bolletjes uit te scheiden.
Rond deze dagen kan de was buiten niet gedroogd worden. Mensen doen sapkuren, volgen diëten om het lichaam te reinigen. Bij de Romeinen werd er in februari schoongemaakt: op 1 maart begon immers het nieuwe jaar. Sommige Nederlandse huisvrouwen houden nog altijd in het vroege voorjaar, voor Pasen, grote schoonmaak.

Wanneer vieren we Maria-Lichtmis?

In het jaar 494 is het Maria-Lichtmisfeest officieel vastgelegd op 2 februari. De kerkelijke autoriteiten probeerden daarmee invloed te krijgen op alle voorchristelijke feestvormen en deze naar eigen inzicht om te vormen. Heidense rituelen werden verboden. Door deze voorchristelijke rituelen aan een vaste datum te koppelen, zijn ze niet langer in overeenstemming met de seizoenencyclus van de aarde op de verschillende breedtegraden. Voor natuurgebonden vieringen ontstaat hierdoor een probleem. Zo is het op onze breedtegraad begin februari winter: de aarde houdt haar adem in en moet vaak nog weken wachten om haar nieuwe kiemkracht uiterlijk te tonen.
Hierdoor ontstaat een uitdaging om naast 2 februari, de datum waarop op alle breedtegraden de toename van het licht gevierd kan worden, het natuurlijke aspect opnieuw vorm te geven.
Het feest vormt terecht het ankerpunt aan het einde van de grote kersttijd. Dat kunnen we wel vieren. Het is de tijd, waarin je kunt ervaren dat het natuurlijke licht de duisternis gaat overheersen.
Een manier om dit feest te vieren is al het kunstlicht ’s morgens vroeg uit te laten, te ontbijten met een bloeiende hazelaartak op tafel of een tak van de berk, de venusboom. Op een drijfschaal liggen de open bloemen van de kerstroos, verlicht door drijfkaarsjes. Als buiten het ijs al gesmolten is, kun je wandelen met omgesmolten kaarsresten naar een rivier om het nieuwe levenslicht aan het stromende water mee te geven, de wereld in. Dat kan allemaal wél op deze dag.
We moeten ons bovenal bewust worden, dat het hier, naast het terugkerende licht, om onze aarde gaat, die zwijgend en met grote trouw haar nieuwe cyclus begint.
Onze aarde is een levend organisme, dat net als ieder ander organisme aandacht, zorg en liefde behoeft. Iedere januari-februaritijd, waarin zij aangeeft een nieuwe jaarronde te beginnen, kunnen wíj besluiten haar in haar vele verschijningen met liefdevolle aandacht te volgen.
Vieren betekent: je onzelfzuchtig liefdevol verbinden en verheugen over de schepping begeleid door een sacraal gebaar.
Guido Gezelle geeft aan hoe de overgave aan de waarneming van de natuur, oftewel het stille luisteren van de ziel, de toegang vormt tot het goddelijke wezen van de aarde.

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
’t lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
’t diep gedoken Woord zo zoet…
als de ziele luistert

Laten we de taal, de gebarentaal van de schepping, weer leren beluisteren. Laten we onze aarde weer aankijken, liefhebben en verzorgen. Laten we met onze kinderen de eerste krokus begroeten, de vogelgeluiden en de namen van de bomen in de straat leren kennen. Laten we samen weer de gang van de planeten door de dierenriem volgen, samen de wijsheid van de schepping bewonderen.
Opdat de aarde zich weer mag verheugen over de mens en zij mag ervaren, dat wij haar willen helpen haar nieuwe natuur in de toekomst te verwezenlijken. 

Ideeën voor de viering en de seizoenstafel

Uit:
‘Schipper mag ik overvaren’, Juul van der Stok

Maria-Lichtmis in de praktijk

Samenvattend zou je kunnen zeggen dat het bij het Maria-Lichtmisfeest enerzijds gaat om de afsluiting van de grote kersttijd op 2 februari en anderzijds om onze levende aardemoeder, die vervuld en gereinigd opnieuw haar lichtkracht opdraagt aan de schepping.

Ervaringen uit de praktijk
• Het naar buiten brengen van alle omgesmolten kaarsresten uit de donkere tijd.
• Het ontbijt zonder kunstlicht met een schaal drijfkaarsjes op tafel onder een hazelaar- of berkentak.
• Het stromende water waaraan we brandende lichtjes meegeven.
• Ik herinner me hoe in de kleuterklassen op de vrijeschool 2 februari uitbundig werd gevierd.
Jozef en Maria, die vanuit de stal stapje voor stapje langs de vensterbank en het boekenkastje voor hun lange reis op weg waren gegaan, werden nu door de kinderen uitgezwaaid en verdwenen uit het zicht.
Nog één keer werden met veel plezier naar keuze de lievelingsliedjes van alle lichtfeesten gezongen. De laatste attributen van de lange wintertijd werden definitief opgeruimd.

• In de dagen voor 2 februari kunnen we zelf sterren-drijfkaarsjes maken met behulp van een metalen ster-koekvormpje met een doorsnede van een waxinelichtje. Leg het waxientje bij de verwarming of héél even in de oven, zodat het vormpje makkelijk doorgedrukt kan worden.
• De dag voor 2 februari verzamelen we alles wat in de loop van de winter van buiten naar binnen kwam in de vensterbank bij de tuindeur, eventueel met een paar nieuwe primulaplantjes, om het de volgende ochtend vroeg naar buiten te brengen.
• We kunnen buiten het dennengroen van de adventstuin, dat de op Sint-Maartensdag geplante bloembollen tegen de winterkou beschermde, verwijderen. Voorzichtig zoeken we tussen het dorre blad naar de eerste groene puntjes.
• Binnen kunnen we het uitlopen van een hyacintenbol op een glas water volgen of een boon zien ontkiemen, of het kapje van een winterwortel zien uitlopen op een schoteltje water.
• Er zijn tradities waarbij vrouwfiguren, gemaakt van het stro van de laatste korenschoof van de oogst in de herfst, in het vuur verbrand worden.
• De Germanen offerden aan het einde van de Jultijd een Julbok van stro aan hun vruchtbaarheidsgoden. In Nederland kennen we deze traditie ook.
• In een vuurkorf kunnen wij het dennengroen, dor blad en allerlei winterrommel van huis en tuin verbranden.
• Voor het plotselinge overweldigende licht ga ik meerdere dagen in het vroegste voorjaar naar buiten. Hoe vanzelfsprekend loop ik op zo’n lichte dag mijn stoep of balkon te vegen en verheug ik me over alles wat weer nieuw te zien is.

De seizoenstafel

Hoe laten we Moeder Aarde verschijnen met haar wortelkindjes en elementenwezens? Is het boek ‘De Wortelkinderen’ van Sybille von Olfers hét voorbeeld, of is die uitlopende tak genoeg?
Kies je eigen vorm voor jouw plek in huis. Houd het sober en weet dat voor kinderen het sterkst werkt wat jij met enthousiasme verzorgt!
Juffie op school doet het anders en de buurvrouw heeft ook haar eigen ideeën!
Koning Winter kan plotseling verschijnen en het donkere winterlandschap veranderen in een witte wereld. Binnen kunnen we met behulp van kleine witte lapjes en wattenvlokjes op het donkerblauwe achterdoek het beeld van de besneeuwde wereld oproepen. Als Vrouwtje Dooi haar werk doet, kunnen we door het verschuiven van de witte lapjes en wattenvlokjes kale aardeplekken tevoorschijn toveren, waar groene punten van bolgewassen tevoorschijn komen. Maar boven alles gaat het om het gebaar van de opvoeder, de ouder de leerkracht. Als mens, ben je voorbeeld voor een nieuwe generatie. En dat geldt niet alleen voor het vroegste voorjaar maar voor het hele jaar: zelfs voor het hele leven.

Gedichtje

Alle zaadjes slapen zacht.
Wij kabouters houden wacht.
’t Kerstkind heeft hun licht gegeven,
Heel de wereld kan weer leven. Hierbinnen flikkert stil,
Tot de lente komen wil.

A.D. Hezemans-Westra

Maria Lichtmis, 2 februari
Uit; Vier de Seizoenen. Sinte-Bride

De dag die voorafgaat aan Maria-Lichtmis, is de Naamdag van Sinte-Bride, 1 februari.
Sinte-Bride leefde in het Ierland aan het einde van de vijfde en begin van de zesde eeuw. Men zegt dat op haar naamdag de eerste vogels hun nest beginnen te maken, want de dood van het jaar is voorbij en de geboortedag van het jaar is aangebroken. En men zegt dat `toen Maria voor de reiniging naar de tempel ging, Bride voor haar uit liep met een brandende kaars in iedere hand. Er stond een sterke wind rond de hoogten van de tempel, maar de kaarsen flakkerden niet. Daarom wordt ze Bride met het licht genoemd en haar naamdag: de dag van Bride met de kaarsen. Haar naamdag, 1 februari, de eerste dag van de Keltische lente, is de dag voor Maria-Lichtmis. Op deze dag worden zowel de kaarsen als het vuur in het wierookvat gezegend door de Keltische kerk, als voorbereiding op het reinigingsfeest, de dag erna. Aan dit vuur wordt ook het Maria-Lichtmisvuur ontstoken, waarvan een deel van het jaar werd bewaard om met Kerstmis het kersthout aan te steken.

We droegen alle kaarsjes tot in het mulle zand.
In kleine aarde-kuiltjes werden ze opgebrand.
Dag vlam, dag vlam en dankjewel
dat je het licht bewaarde.
Weldra komt weer zonneschijn,
doof nu maar in de aarde.
Tot ziens in de Sint-Maartenstijd,
dat is nog wel heel ver,
Maar kom jij dan, in mijn knol,
Weer stralen als een ster?

Op Maria-Lichtmis worden traditioneel kaarsen gewijd en een kaarsenprocessie gehouden vóór de mis; vandaar de naam lichtmis. In veel talen verwijst de naam van het feest rechtstreeks naar kaarsen: het Zweeds: Kyndelsmässodagen, en in
het Frans: Chandeleur. De processie staat symbool voor de intrede van Christus in de tempel van Jeruzalem, als het “Licht dat voor alle volkeren straalt”.

Antroposofie en het kind
Martine heeft een blogbericht geplaatst: Moeder Aarde en Maria Lichtmis
Door: Corina:

Eind januari? In de diepe, stille winteraarde, gebeurt iets heel bijzonders…
De allerkleinste zaden ontkiemen en vinden hun weg naar de zon, tegen de
zwaartekracht in. De aarde opent zich, is vruchtbaar. Midden in de winter.
De sneeuwklokjes bloeien al!
Na de stille, donkere (en dit jaar ook nog) sombere dagen van december en
januari, verlangen we naar zon en licht. Maar de weg ernaartoe voelt zwaar, alsof we zelf ook tegen de stroom in moeten gaan. Ons hart maakt werkelijk een sprongetje als de zon schijnt, naar buiten! Het sterkt ons dat de dagen ook al merkbaar lengen.
Wat er met de natuur gebeurt, wordt ook innerlijk zichtbaar. De verwachting van de lente is voelbaar. We ontwaken langzaam. We stellen ons vruchtbaar open voor bewustwording en nieuw inzicht. Misschien is er zelfs al inspiratie en ontluikend enthousiasme!
Maria-Lichtmis op 2 februari, is in de kerk de herdenking van het
zuiveringsoffer dat Maria veertig dagen na de geboorte van Christus moest brengen. Daarmee is deze dag verbonden met Kerstmis, de geboorte van Jezus. Op Maria-Lichtmis worden kaarsen gezegend en een processie met brandende kaarsen gehouden, voor aanvang van de mis. De katholieke en protestante kerk benadrukken dat het geen Mariafeest is, maar dat het op deze dag over Christus zelf gaat. Het is de opdracht/presentatie van de Heer in de tempel?.
Ik wil hierbij graag opmerken dat de vrouw in de christelijke traditie, een ondergeschikte rol heeft.
Van oorsprong is 2 februari een Keltisch feest met lente en vruchtbaarheid als centrale thema’s. Het nieuwe natuurjaar, de uitademing van de aarde begint weer. Hier start de groene vreugde van de aarde, elk jaar opnieuw!
In sprookjes wordt Moeder Aarde, de aardekracht en vruchtbaarheid, verbeeld door Vrouw Holle*.
Zij is de verbinding tussen aarde en hemel. Zij verschijnt in verschillende gedaanten aan de mensen. Zij heerst over dieren en natuurwezens. Waar haar voet de aarde raakt, wordt de akker gezegend met vruchtbaarheid. Waar zij uitrust, bloeien de mooiste bloemen. Zij behoedt de nog ongeboren zielen en begeleidt de overledenen vlak na de dood. Maria, de moeder van Jezus, is bij de christenen deze plaats gaan innemen. Maar de link met onze aarde heeft Maria niet. Je zou kunnen zeggen dat hierdoor de verbinding met Moeder Aarde uit onze westerse cultuur is verdwenen omdat deze nu eenmaal getekend is door de christelijke traditie.
Het behoeft geen betoog dat we de verbinding met de aarde kwijt zijn geraakt. We leven in een tijd waarbij we steeds verder van de natuur afstaan. We doen de aarde veel geweld aan. Dat heeft enorme gevolgen. Het klimaat verandert veel sneller dan we voor mogelijk hielden, de aarde raakt uitgeput, de noodklok wordt geluid.
Hier wordt op allerlei manieren aandacht voor gevraagd, vooral in negatieve zin. En we weten best dat er iets moet veranderen, maar echt verantwoordelijk voelen we ons niet. Laten we het eens op een andere manier proberen.
Voor werkelijke verandering is een diep besef nodig. Laten we dat wakker schudden door erop te vertrouwen dat het nog ergens rondwaart in ons celgeheugen!
Door ons in deze tijd van het jaar te verbinden met de ontluikende natuur, herinneren we ons de grootsheid, de immense waarde van Moeder Aarde. Moeder Aarde, Moeder Energie, Moeder Maria.
Ze hebben overeenkomstige eigenschappen. Reinigend, licht, zuiver, vruchtbaar, scheppend.
Bewustwording door het leven te vieren is een relatief onbekende, maar ik nodig je er graag toe uit!
Laten we het laatste feest van de Kersttijd, Maria-Lichtmis, verbinden met het eerste feest van Moeder Aarde. Betekenisvol vieren**, vreugdevol en dankbaar.
Daarmee brengen we hoe dan ook licht de wereld in, aansluitend op de gedachte van Maria-Lichtmis! We kunnen er warmte en troost aan ontlenen en het bovenal samen delen!

Door: Angela

Sanderijn schreef al een prachtig stuk over de betekenis van Maria-Lichtmis en hoe zij en haar gezin dit thuis vormgeven.
Hierin geeft ze aan dat het (vooral in Noord-Europa) traditie is om pannenkoeken te bakken tijdens Maria-Lichtmis. “Geen vrouwtje zo arm, of met Lichtmis maakt ze haar pannetje warm.”
Een eeuwenoud gezegde; een eeuwenoude traditie. Maar waarom?
Ik vond het een mooie uitdaging om op zoek te gaan naar de achtergrond hiervan. Tijdens deze zoektocht ben ik meerdere theorieën tegengekomen.
Na Sint-Maarten, Sinterklaas, advent, Kerst en Driekoningen hebben we veel kaarsstompjes over.
Deze restjes gebruiken we om nieuwe kaarsen te maken voor het laatste lichtjesfeest in een rij;
Maria-Lichtmis. Het idee is dat door het lengen der dagen, minder kaarsen nodig zijn. Zo werd dit ook gedaan met alle restjes bloem. Het was gebruikelijk om het overschot weg te werken, zodat er weer ruimte was voor de nieuwe oogst.
Een ander geluid is dat alle boter en eieren opgemaakt moesten worden, zodat het niet zou bederven.
Vanaf 2 februari wordt het immers warmer en er waren destijds nog geen koelkasten.
En weer een andere aanleiding; na Maria-Lichtmis volgt Aswoensdag, het begin van de 40 dagen durende vastentijd, die loopt tot en met paaszaterdag. Pas met Pasen worden weer eieren gegeten.
Daarom worden tijdens Maria-Lichtmis de laatste eieren gebruikt voor de pannenkoeken.
Maria-Lichtmis valt tegelijk met Imbolc. Imbolc is een lichtjesfeest met Keltische oorsprong. De Kelten vierden het lengen van de dagen, vruchtbaarheid en wedergeboorte; de lente. De lente waarin de zon in kracht toeneemt en de aarde weer zal verwarmen. De lente waarin nieuw leven ontwaakt. De Kelten bakten platte, ronde broden die symbool stonden voor de zon.
Zo zouden ook warme, ronde, goudgele pannenkoeken een verwijzing zijn naar de toenemende kracht, vorm en kleur van de zon.
Tegenwoordig leven we in een tijd van overvloed. Bloem is altijd voorradig en we kopen het wanneer we nodig hebben. Koelkasten houden gedurende het hele jaar onze eieren en boter koel en 40 dagen vasten tot paaszaterdag doen steeds minder mensen. Toch blijft het een mooie traditie om met Maria-Lichtmis pannenkoeken te eten. Al is het alleen al om de bewustwording dat het lichter en warmer wordt. Dat we de donkere dagen voelbaar achter ons kunnen laten en het licht – de warme, goudgele, ronde zon – meer gaan zien. Pannenkoeken eten is een mooi, jaarlijks terugkerende traditie om het voorjaar te vieren!
Zelf kiezen wij ervoor om een aantal elementen van Maria-Lichtmis samen te laten komen in een pannenkoekentaart. We stapelen pannenkoeken op een mooi bord, maken een gaatje voor een kaarsenhoudertje en steken daar een zelf getrokken kaarsje van stompjes in.

Verhalen:

Vrouw Holle- Grimm
De zoete Pap_ Grimm
De gouden sleutel-Grimm
De Pannenkoek en Nog een verhaal over de pannenkoek
Uit: Bakersprookjes
Van Beleven, org:
Waarom de sneeuw het sneeuwklokje geen kwaad doet
Van Babboes:
Het sneeuwklokje

Maria-Lichtmis

De driekoningenmaand januari brengt ons op 2 februari bij het feest van Maria- Lichtmis. Voor velen een onbekend feest, een feest dat de moeite van het vieren waard is, het feest van het steeds sterker wordende daglicht.
Het is het laatste lichtfeest, na een periode van tweemaal 40 dagen. Het Sint-Maarten-feest is het eerste lichtfeest op 11 november, 40 dagen vóór
Kerstmis. Maria Lichtmis vieren we 40 dagen ná Kerstmis.
Zo wordt de periode tussen 25 december en 6 januari ook wel ‘kleine kersttijd’ genoemd en de periode van twee maal 40 dagen ‘grote kersttijd’.
Moeder Aarde houdt in de midwintertijd haar adem in, om in de stilste concentratie de Christusgeboorte opnieuw te volbrengen, waardoor de natuur, tegen de zwaartekracht in, in haar opstanding omhooggestuwd kan worden in de zonnewarmte. Door de eeuwen (en culturen) heen hebben de mensen dit proces in een vrouwengestalte vereerd.
Het grondmotief van dit oeroude feest is het opdragen aan de schepping van het nieuwe licht door Moeder Aarde. Zelf gereinigd, doorlicht, is zij het beeld voor ons bezielde lichaam als drager van lichtende geesteskrachten, die wij de wereld willen schenken. Het gaat om ónze aarde, die ons voedt, die ons het leven schenkt, die ons behoedt en ons het levenspad geeft.
Deze dag eten we: Pannenkoeken! Het is een mooie traditie om met Maria-Lichtmis pannenkoeken te eten. Al is het alleen al om de bewustwording dat het lichter en warmer wordt. Dat we de donkere dagen voelbaar achter ons kunnen laten en het licht – de warme, goudgele, ronde zon – meer gaan zien.
Pannenkoeken eten is een mooi, jaarlijks terugkerende traditie om het voorjaar …

Op school

De restjes kaars van de afgelopen tijd zijn goed bewaard. In halve walnootdoppen maken we nu een klein kaarsje vast met behulp van een paar druppels kaarsvet of bijenwas. Of we smelten kleurige restjes kaars in een blikje, gieten de dop vol en zetten erna even stollen een klein lontje in. De notendopjes laten we drijven in een schaal met water in de
ochtendschemering van Maria-Lichtmis.

De Seizoenstafel

Op de Seizoenstafel kan Moeder Aarde met haar wortel- en bloemenkinderen de gang buiten nog eens zichtbaar maken. Een Moeder Aarde-figuur, uitgewerkt met sleutelbos en bril, of misschien wel heel figuratief door haar samen te stellen uit een mengeling van (gewikkelde) sprookjeswol.

Om het feest te kunnen “bevatten” zijn de volgende symbolische handelingen mogelijk
In een schaal met een laagje water (symbolisch voor de bron van alle groeikracht) worden kaarsrestjes opgebrand.
In de loop van de dag brengen we alle kaarsrestjes uit de donkere tijd naar buiten en laten ze daar opbranden in de donkere aarde.
Zo helpen we Moeder Aarde in haar oplichtende groeikracht omhoog.

Lied passend bij Maria-Lichtmis
Kom neem je lichtjes in de hand, kom naar buiten met je licht.
Nu de zon weer rijst en de dag weer lengt, krijgt natuur een nieuw gezicht.
In de herfst stak je je kaarsje aan in het donker van de knol.
Van harte door de kerst gesterkt, schijnt het nu zo liefdevol.
Kom water neem ons licht nu op, laat het schijnen in je stroom.
Laat het stralen saam met sterrenglans in de groei van elke knop.
Draag ons kleine licht als spiegelbeeld naar het grote licht omhoog,
dat zon en maan en hemelboog het beamen met hun schijn.
J.D. van Mansvelt

Zo vieren we Maria-Lichtmis bij ons op school, of kunnen we Maria-Lichtmis vieren. Daar worden de kaarsresten van de lichtfeesten verzameld en omgesmolten. Er zijn drijfkaarsjes in de klas. De kinderen brengen in de ochtend het kaarslicht naar buiten. Hierna worden de beelden en attributen van de wintertijd opgeruimd en begint de tijd van Moeder Aarde.
Pinterest↓

Maria-Lichtmis

We hebben net het driekoningenfeest met de
koningskleuren blauw, rood en groen achter de rug en
de tijd glijdt door naar het heldere blauw van Maria-Lichtmis op 2 februari. Met kinderen de feesten van
het jaar beleven is als het zien van de regenboog; de
ene kleur is nog niet vervaagd of de volgendeverschijnt. En zonder kinderen (of de kinderlijke blik) ervaren we de regenboog vaak niet eens, omdat we niet verder kijken dan de regen of het grijs van lucht en grond.
Ceremonies die diep in het verleden van de mensheid wortelen, bloeien op in het dagelijks leven van het gezin en de klas. Ze kunnen naast het feestelijke karakter, in vele woelige tijden een bron van genezing, bewustwording en spirituele groei zijn. Ze hoeven geen kerkelijk karakter of pragmatiek te hebben, want met een open blik zien we de regenboog beter.
Maria-Lichtmis valt 40 dagen na Kerstmis. Officieel herdenken we dan het feit dat Jezus, zoals elk joods jongetje, in de tempel werd opgedragen aan God. Zijn moeder, Maria, bracht daarbij een zuiveringsoffer -alle jonge moeders waren dat verplicht- en ook dat herdenken we op deze dag. Bijzonder was, dat Jezus bij deze gebeurtenis door de oude Simeon en Hanna herkend wordt als de Christus. De overlevering wil dat Simeon Jezus in zijn armen nam en daarbij door licht omstraald werd. De naam “Lichtmis” komt van een heel oud gebruik. Families lieten op 2 februari hun kaarsen wijden, die zij daarna een heel jaar lang zouden gebruiken. Ook hield men een kaarsenprocessie vóór de mis. Tijdens de mis bleven dan de kaarsen branden, zodat je echt van een “Lichtmis” kon spreken. Bij het Maria-Lichtmisfeest enerzijds gaat het om de afsluiting van de grote kersttijd op 2 februari en anderzijds om onze levende aardemoeder, die vervuld en gereinigd opnieuw haar lichtkracht opdraagt aan de schepping: zelf gereinigd, doorlicht, is zij het beeld voor ons bezielde lichaam als drager van lichtende geesteskrachten, die wij de wereld willen schenken. Het gaat om ónze aarde, die ons voedt, die ons
het leven schenkt, die ons behoedt en ons het levenspad geeft Maria-Lichtmis ook het feest van het steeds sterker wordende daglicht. In de natuur verandert in de zes weken na kerst de kleur van de hemel. De zon krijgt meer kracht en daardoor wordt de hemelkleur februariblauw; de symbolische kleur van de mantel van Maria. Het is een heldere hemel, zowel overdag als ’s nachts de moeite van het bekijken waard. Die helderheid komt doordat er o.a. nog geen pollen en zaden in de lucht hangen. Die helderheid in de lucht kan aan ons mensen een helderheid van geest geven. Die helderheid van geest is belangrijk, omdat we deze periode bezig zijn met plannen maken; er wordt gezaaid voor de toekomst. Op school: De restjes kaars van de afgelopen tijd zijn goed bewaard. In halve walnootdoppen maken we nu een klein kaarsje vast met behulp van een paar druppels kaarsvet of bijenwas. Of we smelten kleurige restjes kaars in een blikje, gieten de dop vol en zetten erna even stollen een klein lontje in. De notendopjes laten we drijven in een schaal met water in de ochtendschemering van Maria-Lichtmis.
Ideeën om thuis te vieren: Het naar buiten brengen van alle omgesmolten kaarsresten uit de donkere tijd. Het ontbijt zonder kunstlicht met een schaal drijfkaarsjes op tafel onder een hazelaar of berkentak. Het stromende water waaraan we brandende lichtjes meegeven. In de dagen voor 2 februari kun je zelf sterren-drijfkaarsjes maken met behulp van een metalen ster-koekvormpje met een doorsnede van een waxinelichtje. Leg het waxinelichtje bij de verwarming of héél even in de oven, zodat het vormpje makkelijk doorgedrukt kan worden. De dag voor 2 februari verzamelen we alles wat in de loop van de winter van buiten naar binnen kwam, eventueel met een paar nieuwe primulaplantjes, om het de volgende ochtend vroeg naar buiten te brengen. Binnen kunnen we het uitlopen van een hyacintenbol op een glas water volgen of een boon zien ontkiemen, of het kapje van een winterwortel zien uitlopen op een schoteltje water.
[Uit: vrijeschoolbeweging]

Bijpassend versje:
Klif klaf klif klaf                                       
klif klaf klooi
Kijk! Daar heb je vrouwtje Dooi
Ze veegt eens hier, ze veegt eens daar
Zij veegt alles bij elkaar

Als afsluiting [met gekeurde letters] ingezet bij onderstaand ochtendspel.

Een liedje voor Maria-Lichtmis  (2 februari)
De kinderen liepen zingend in een stoet met hun lichtjes naar buiten, daar worden de lichtjes op de aarde geplaatst.

.

Maria-Lichtmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

2699-2529

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Driekoningen (24)

.

Dieuwke essels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’:
(december 2021)
.

Caspar, Melchior en Balthasar

De drie koningen heetten Caspar, Melchior en Balthasar. In het Mattheüs-evangelie lezen we dat er drie wijzen uit het Oosten kwamen om het Christuskind te aanbidden.
Ze hadden ook geschenken bij zich. Koning Melchior, met de rode mantel, gaf goud, Balthasar, met de blauwe mantel, gaf wierook en de donkere koning in de groene mantel, Caspar, gaf mirre. (Mirre is gomhars, een lekker ruikende olie).
Deze gaven kunnen ook een symbolische betekenis hebben. Goud staat dan voor
inzicht in de goddelijke, geestelijke wereld, wierook voor offerbereidheid en voor de menselijke deugd en mirre voor verbinding van de ziel met het onsterfelijke.

Driekoningenspel

De drie koningen zijn verbonden met vele, eeuwenoude tradities. Op de vrijeschool kan het Driekoningenfeest gevierd worden met het Driekoningenspel. Een andere traditie die ik nog ken van vroeger toen ik in Duitsland woonde, is dat er drie als koningen verklede jongens langs de deuren gaan. Met krijt schrijven zij dan het jaartal en de initialen van de koningen naast of boven de deur (C+M+B). In ruil krijgen ze dan wat snoep. Deze manier van vieren is gebaseerd op het rooms-katholieke gebruik om op 6 januari de huizen te zuiveren met wierook, en ze dan te zegenen.

Driekoningen thuis

Thuis kunnen we de Driekoningentijd ook vieren op een manier die teruggaat op een oude traditie en die ik vond in het boek “Leven met het jaar”, van Christofoor. Het werkt het beste in het weekend en je kunt het zo doen: bak een brood voor het ontbijt en verstop er een witte, gedroogde boon in (oorspronkelijk was de boon een stenen poppetje dat het Christuskindje verbeeldde). Eet het brood samen op. Wie de boon vindt, moet zich de rest van de dag als een koning gedragen, en wordt ook zo behandeld. Succes verzekerd! [Van: Antroposofisch Leven]

Linker afbeelding is van Trees Zwetsloot †. Meer werk van haar op AntroVista.
.

6 januari, een bijzondere dag
Door: Mirjam Chamuleau

6 januari is de laatste dag van de 12 Heilige Nachten en op die dag wordt de kleine kersttijd die in de nacht van 24 op 25 december begint afgesloten. Op deze dag dat de zon weer begint te draaien vieren wij het driekoningenfeest, een feest met een traditie die bij de meeste mensen wel enigszins bekend is.
Minder bekend is het dat we op deze dag nog drie andere gebeurtenissen herdenken.
De 4 aandachtspunten voor deze dag zijn:
1. Doop in de Jordaan
2. Wonder te Kanaa
3. Driekoningen
4. Vrouw Holle dag

De doop in de Jordaan

Waarom is de doop in de Jordaan zo bijzonder?
Omdat op dat moment alle lijnen van de geschiedenis van de mensheid samenkomen.
Na een lange weg van voorbereiding, verbindt een groot goddelijk wezen, het
Christuswezen, zich met de mensheid en incarneert in een mensenlichaam, het lichaam van Jezus van Nazareth. Talloze kunstwerken die later tot stand kwamen over deze belangrijke gebeurtenis voor de mensheid laten dit zien in het beeld van de neerdalende duif. Drie jaar lang tot en met de kruisdood op Golgotha zal Christus door en in de mens Jezus werkzaam zijn.
Op die manier verbindt Hij zich met de aarde en de mensheid en met de weg die de mensheid gaat en nog moet gaan tot in de toekomst. Hij is het goddelijk wezen dat de brug slaat tussen hemel en aarde, tussen de mens en de goddelijke wereld. Deze verbinding dreigde verloren te gaan, maar door de komst van Christus op “het keerpunt der tijden” is het voor ieder mens zelf weer mogelijk deze verbinding tot stand te brengen (over de doop in de Jordaan lees je in de bijbel in: Math.3 14-15).

Het wonder op de bruiloft te Kanaa [Johannes 2 vers 1-10]

Na de doop in de Jordaan en 40 dagen van afzondering in de woestijn komt Jezus met zijn moeder op de bruiloft in Kanaa aan. Er heeft zich in hem een grote innerlijke metamorfose voltrokken. In zijn ziel heeft het mensen-ik van Jezus plaats gemaakt voor het grote kosmische zonne-Ik van het Christuswezen.
Het veranderen van water in wijn is het eerste “wonder” dat Christus in zijn aardse gestalte verricht. Hij wijst hier op zijn herkomst als zonnewezen en op de toekomst van de mensheid waarin de nieuwe innerlijke zon van de mens zijn glans zal verspreiden en de aarde met die kracht zal kunnen transformeren.

Vrouw Holle

In zekere zin is hier ook sprake van Epifanie. Epifanie is letterlijk: het tot verschijning komen, in dit geval van Vrouw Holle. Vrouw Holle = beeld voor de wijsheidskrachten uit de natuur en ook is Vrouw Holle de behoedster van het menselijk lot.
In veel sprookjes kunnen we de macht van haar wezen zien verschijnen. In de
verhalen zit Vrouw Holle vaak bij de bron, daar is haar “werkterrein”. De bron is beeld voor de poort tussen hemel en aarde of de boven- en onderwereld
(Holle=Hölle=onderwereld) of onbewustzijn en bewustzijn, dat is het gebied waar Vrouw Holle werkzaam is. Ook werkt zij in het gebied van de aardewezens (dwergen), de luchtwezens (elfen), de waterwezens (nimfen) en de vuurwezens (salamanders).
Door het werken met deze wezens maakt zij een verbinding van de hemelwereld (ook wel vaderwereld) en de aardewereld (moederwereld).
Behalve beheerster van dit natuurrijk is zij ook de behoedster van het menselijk lot. In de verhalen zien wij dit in beeld gebracht in het spinnen van de (levens)draden.

Rudolf Steiner maakt deze samenhang duidelijk door te zeggen dat de wetten van de natuur dezelfde wetten zijn, als diegene die in de mensenwereld werken als de wetten van de moraliteit. Ze worden volgens dezelfde consequente onwrikbaarheid voltrokken; de werking van oorzaak en gevolg van ons handelen en onze gedachten.
Vrouw Holle is de behoedster van beiden.

Meer over Vrouw Holle

Driekoningen

Driekoningen is een feest waarvan we een eeuwenlange traditie kennen. Ook nu nog gaan, vooral in Brabant, kinderen zingend langs de deuren al of niet met ster.
In het Matheus-evangelie lezen we over “priesterwijzen” uit het Oosten. Daar staat niet specifiek dat het er drie waren. In de loop der eeuwen zijn er vele visies geweest over de koningen, we kunnen dat ook terugvinden in oude geschriften en afbeeldingen uit de kunst. In het jaar 344 zegt Johannes Chrijsostomos dat er 12 wijzen waren.
Epifanius van Salamis (315-403) spreekt over 15 wijzen. In de catacomben van
Domitilla zien we er 4 afgebeeld en in de catacomben van Pricilla weer 2 en in het lateraans museum in Rome hangt een afbeelding met 3 wijzen.
Friedrich Klopstock (dichter 1724-1803) heeft het over 6 wijzen en Origenes houdt het op 3, want, zegt hij, er waren 3 geschenken dus ook 3 koningen.
Voor zover er sprake is van namen zijn deze ook door de eeuwen heen heel
verschillend geweest, er is sprake van:

Magalath            Galgalath              Tharath
Magala                Galgalath              Sarachim
Apellius              Ameris                   Damasis
Seit                      Mansor                  Theogene
Ator                     Sator                      Perateras
Bithisarea          Melchior               Gathaspa

En Beda Venerabile, een Benedictijner monnik die leefde van 673-735 spreekt voor het eerst over Melchior, Balthasar en Caspar; de namen zoals wij die ook nu nog gebruiken voor de koningen. Deze koningen of wijzen volgden de ster zoals we in het Matheusevangelie kunnen lezen en brachten het kind hun geschenken.
Uit wat Rudolf Steiner ons in zijn voordracht “Het vijfde evangelie” vertelt weten we dat in het kind waar het Matheusevangelie over vertelt (ook wel het Salomoonse Jesuskind genoemd) de grote individualiteit van Zarathustra werd wedergeboren. Als Zarathustra was hij leider van het Perzische volk, hij leerde hun wijsheid en leerde hun zien dat de zon een hoog geestelijk wezen was: Ahura Mazdao, een wezen dat eens op aarde zou afdalen om zich wezenlijk met de mensheid en haar voortgang te verbinden.
In de 6e eeuw v.C., ten tijde van de Babylonische ballingschap, was Zarathustra
geïncarneerd als Zarathos in Chaldea. Leerlingen van hem, van zijn mysterieschool, waren Chaldeeuwse wijzen. Ze vereerden hem en wachtten vol verlangen op zijn volgende incarnatie. Zij leerden de sterren “lezen” en konden zo aan de hemel de ster zien verschijnen die deze gebeurtenis aankondigde. Ze gingen op weg naar de plaats die de ster hun zou wijzen.
Natuurlijk is er iets “bijzonders” te zien aan de hemel bij grote belangrijke
gebeurtenissen voor de mensheid. Talloze astrologen hebben zich over het raadsel van de “ster van Bethlehem” gebogen en een bijzondere constellatie gevonden van Saturnus, Jupiter en Zon die maar één keer in de 10.000 jaar voorkomt. Maar deze wijzen zagen meer. Rudolf Steiner zegt op 30 dec. 1904 over de koningen die de ster volgen: Geleid worden door een ster wil niets anders zeggen dan “de ziel zelf als een ster zien” als een lichtende aura. Wat de magiërs zagen stralen is “de ziel van Christus zelf”.

Zij zagen niet alleen de glans van een bijzonder mensenkind maar ook (door hun
voorbereiding, door hun inwijding) de “sterglans” van de ziel die 30 jaar later bij de doop in de Jordaan in dit mensenkind zijn intrek zou nemen. Volgens de overleveringen brachten de koningen geschenken met zich mee.
In het driekoningenspel wordt gesproken door Melchior (de koning in het rood): ick wil u offren het rode gout, ick bid mij in genae behout” en door de groene koning Caspar “so wilt veeledel heldt ontvaen de vrucht mijns lands, de mirre goet”en ten slotte de blauwe koning Balthasar “neem aan het offer, de wierook goet”
Behalve in het uit de middeleeuwen stammende driekoningenspel is er ook in andere geschriften over de geschenken en hun betekenis geschreven. Binnen de antroposofie gebruikt men de kleuren die men de koningen geeft en ook de geschenken als beelden of symbolen:
• Melchior (rood) schenkt goud symbool voor wijsheid -het denken.
• Balthasar (blauw) schenkt wierook symbool voor gebed-het voelen.
• Caspar (groen) schenkt mirre symbool voor onsterfelijkheid-het willen.

Bemardus van Clairveaux (1090-1153) bracht een oplossing van veel praktischer aard naar voren: het arme gezin waar het Jesuskind geboren werd kon goud heel goed gebruiken en ook wierook vooral tegen de stank in de stal. Mirre kon gebruikt worden als “tijgerbalsem” want hagel en sneeuw gaf reumatische klachten. Er wordt ook in verband met de drie koningen gesproken over hun leeftijdsfasen.
Van Raephorst zegt: Caspar is de jongste, Balthasar de rijpe man en Melchior de oude.
Volgens de traditie komt Caspar uit het oude Egypte, Balthasar uit India en Melchior uit Perzië en representeren ze samen de drie na-atlantische culturen (ook wel Europa-Azië-Afrika). In ieder geval wordt in de drie koningen de hele mensheid gerepresenteerd!
In de folklore vinden we nog een aantal oude driekoningengebruiken b.v. het bakken van een driekoningenbrood met erin verstopt een boon. Wie de boon heeft is die dag “de koning”. De koningen werden aangeroepen als beschermers van reizigers: Caspar leide mij, Balthasar besture mij, Melchior beware mij.
In delen van Duitsland reinigt men met brandende jeneverbestakken huis en stal en schrijft men na afloop de drie initialen C.M.B. met krijt op de muur of deur. C.M.B. (Caspar-Melchior-Balthasar) in dit geval de afkorting van de latijnse woorden: Christus Mansionem Benedicat – Christus zegene deze woning.

Pinterest: advocate art

Driekoningen en de koek……

Er wordt een moment [schoolbreed] afgesproken wanneer driekoningen in de klas gevierd wordt middels het eten van de koek met de 3 bonen: 2 witte [voor Melchior en Balthasar] en 1 bruine voor Caspar. [de bonen worden na het bakken in de koek gedaan..[[anders garen ze mee]]]
Het bakken en aanleveren van de koek staat op de activiteitenjaarplanner voor de ouders.
Maar Hoe en wanneer ga je de koek verdelen??
Hieronder een beschrijving:
Het is ’s morgensvroeg.
Op de tafel in het midden van de kring staat een cake/koek op een bord/ snijplank. In de nabijheid, onder tafel bijvoorbeeld, ligt een mes om de cake te snijden. Bovendien liggen servetjes klaar voor alle kinderen.
Als ze er zijn is het leuk om 3 verjaardagskaarsjes in de kleuren rood, blauw, groen in de koek te zetten.
De kleuters komen binnen en net als altijd is het ritueel tot en met de klassenkabouter “Zonnegroet” naar haar stoeltje brengen en de knuffels naast haar in de vensterbank.
Geen “laten-zien-rondje” deze dag. [“stapperdestap daar kom ik aan”]
Kinderen in de kring terug.
Vertellen wat we gaan doen, of interactief, “wie weet wat we nu gaan doen?”
Licht uit.
Kaarsjes aan op de driekoningenkoek. [eerder maakte ik de koeken zelf, een tulband, bedekt met een laagje chocola en daarop gemalen kokos gestrooid.]
Driekoningenliedjes zingen,
En “Stil nu”
Kaarsjes uitblazen…….. tellen hoeveel kindjes er zijn en zoveel plakjes koek snijden als er kindjes zijn.
Ondertussen rustig doorzingend. Alleen stoppen om te tellen hoeveel plakjes je al hebt.
Kan ook neuriën…[ doordat de kleuters mee kunnen doen, blijven ze betrokken]
Kindje van de dag mag alle kleuters een servetje geven, juf loopt met de schaal rond en geeft ieder kind een plakje koek [geef even aan dat we samen gaan eten, even wachten dus op elkaar, met het opeten. Kleine herinnering, “misschien zie je al wel een boon, maar dat mag je nog even voor jezelf bewaren: dat is heeeeel moeilijk, maar zo gaan we dat doen, als we de koek eten, dán mag je het zeggen”. Waarschuw even dat de boon heel hard is en dat die niet opgegeten hoeft maar op het bord in het midden van de kring gelegd mag worden. Mocht een kindje het niet aandurven koning te zijn, dan mag deze kleuter aangeven wie het wel gaat worden….
De kinderen die de boon vinden mogen rood, blauw of groene koning zijn en hun
knecht kiezen.
Vervolgens speel je het driekoningenspelletje……

Wat recepten voor
Driekoningen en de koek | Kook Rubriek

Driekoningenspelletje…

Hoe te beginnen?
Tafeltje int midden van de kring
Kinderen eromheen
Samen met helpertje kleren klaarleggen [1e keer uitleg van kleding, bespreken kleuren vormen [[capes, jurken, pakjes]], lengtes. Attributen: kronen, kijkers, geschenken, kussentjes.
Rolverdeling [van oudsten naar jongsten de ene dag de andere dag van jongsten naar oudsten]
Elkaar helpen aankleden
Iedereen naar juiste plaats [allen staand in de kring, juf geeft aan waar de koningen enzovoorts gaan zitten.

Welke rollen zijn er:
Jozef
Maria
Lam
Ezel
Os
Melchior
Knecht Melchior
Balthasar
Knecht Balthasar
Caspar
Knecht Caspar
Herodes
Engel met ster
Engelen
Muzikantjes
Verteller

Plaats van de rollen:
Verteller links van leidster, dan koningen en knechten [7 stoeltjes], tijdens het spel lopen de koningen, als het hun beurt is, naar de overkant van de kring.
Engelen op bankjes naast de stal,
Herodes rechts van leidster+ muzikanten,
Jozef, Maria, os en ezel en lammetje in de stal

Melchior en Knecht Melchior, Balthasar en Knecht Balthasar, Caspar en Knecht Caspar
Jozef en Maria
Ezel en Os en Lam
Herodes
Engelen, Verteller
Ziek of Afwezig, Muzikantje
Voordat het spel begint:
Koningen en knechten zijn jullie klaar [zij knikken hun hoofd]
Jozef en Maria zijn jullie klaar: “Ja, begint u maar”
Os en ezel en lammetje klein: laat jullie es eventjes horen!…
Engelen zijn jullie klaar [zij bewegen hun armen als vleugels zacht heen en weer]
Muzikantjes zijn jullie klaar? Laat maar even horen klingelingeling [1
e zin van het liedje
zingen]
“Dank jullie wel, dan gaat het spel nu beginnen.”

Eens op een dag wandelen Maria met haar kindje, Jozef en de os de ezel en het
lammetje buiten.
Zachtjes vallen er sneeuwvlokjes neer. {lopen door de kring]

Ze gingen de stal weer binnen en boven de stal straalde de ster [de engel met de ster steekt de ster goed omhoog en gaat daarbij staan]
De ster had prachtige stralen die straalden zo ver: Over de bergen en over de dalen [met handen gebaren]
Zo kwamen de stralen ook in een land waar een koning woonde: Melchior was zijn naam
Koning Melchior stond op een avond op het balkon van zijn paleis [kind gaat op stoel staan]
En zag een nieuwe ster aan de hemel staan [zet kijker voor een oog]
Koning Melchior is mijn naam Ik zie aan de hemel een sterre staan.
Daarin een teer maagdekijn Met een kindje al zo klein.
Dit is voorspeld, Zo zou het zijn, Dit moet voorwaar een koningskind zijn.
[Stapt van stoel af en spreekt tot zijn knecht]
Zoeken willen wij hem
En geschenken brengen
Het mooiste van de wereld het goud
[Lopen naar de tafel met geschenken en nemen het passende geschenk]
Wil ik aan zijn voetjes leggen.
Maar wie wijst mij de weg naar dat goddelijk kind?
Ach zie, de engel gaat mij voor.
[Engel brengt koning en knecht naar overkant van de kring]

De ster straalde nog verder over de bergen en over de dalen en over nieuwe bergen.
[Engel loopt terug naar stal]
De stralen kwamen in een land waar koning Balthasar woonde.
Koning Balthasar stond op een avond op het balkon van zijn paleis [kind gaat op stoel staan]
En zag een nieuwe ster aan de hemel staan
Koning Balthasar is mijn naam
Ik zie aan de hemel een sterre staan. [Zet kijker voor een oog]
Daarin een teer maagdekijn met een kindje al zo klein,
Dit is voorspeld, Zo zou het zijn,
Dit moet voorwaar een koningskind zijn. [Stapt van stoel af en spreekt tot zijn knecht]
Zoeken willen wij hem En geschenken brengen
Het mooiste van de wereld de wierook [lopen naar de tafel met geschenken en nemen het passende geschenk]
Wil ik aan zijn voetjes leggen.
Maar wie wijst mij de weg naar dat goddelijk kind?
Ach zie, de engel gaat mij voor. [Engel brengt koning en knecht naar “Berg”,
schommelboot]

De tweede heette Balthasar, Balthasar, Balthasar, de tweede heette Balthasar.
Hij bracht het kindje wierook mee, wierook mee, wierook mee, hij nam voor het kindje wierook mee.

[Engel loopt terug naar stal]
De sterrenstralen gingen nog verder over de bergen, over de dalen, over nieuwe
bergen en rivieren en kwamen in een land waar koning Caspar woonde.
Koning Caspar stond op een avond op het balkon van zijn paleis en zag aan de hemel een nieuwe ster.
Koning Caspar is mijn naam [kind gaat op stoel staan]
Ik zie aan de hemel een sterre staan. [Zet kijker voor een oog]
Daarin een teer maagdekijn met een kindje al zo klein,
Dit is voorspeld, Zo zou het zijn,
Dit moet voorwaar een koningskind zijn. [Stapt van stoel af en spreekt tot zijn knecht]
Zoeken willen wij hem En geschenken brengen
Het mooiste van de wereld de mirre [lopen naar de tafel met geschenken en nemen het passende geschenk]
Wil ik aan zijn voetjes leggen.
Maar wie wijst mij de weg naar dat goddelijk kind?
Ach zie, de engel gaat mij voor. [Engel brengt koning en knecht naar “Berg”,
schommelboot]

De derde heette Caspar goed, Caspar goed, Caspar goed, de derde heette Caspar
goed.
Hij nam voor het kindje mirre mee, mirre mee, mirre mee, hij nam voor het kindje mirre mee.

Daar kwamen de koningen bij elkaar, allen gaan ze staan en zij maken een buiging naar elkaar.

Melchior:
Koning Melchior is mijn naam, ik zag aan de hemel een sterre staan
Geboren is een koningskind, nu ga ik zoeken tot ik het kindje vind

Balthasar:
Koning Balthasar is mijn naam, ook ik zag aan de hemel een sterre staan.
Zullen we samen zoeken gaan?

Caspar:
Koning Caspar is mijn naam, ook ik zag aan de hemel een sterre staan.
Laten we samen met onze knechten reizen naar de plaats die de ster ons zal wijzen.
De koningen gaan lopen [[op volgorde]] achter de engelen aan, de engelen lopen in de kring 1 rondje, de koningen lopen met hun gevolg 2x in de kring]

Drie koningen drie koningen zij kwamen van ver, drie koningen drie koningen en volgden de ster,
De ster ging even onder zo dwaalden zij tesaam
En kwamen zo bij Herodes aan
Drie koningen drie koningen
Zo kloppen zij op Herodes zijn deur Herodes komt zelve naar veur
Dag koningen dag koningen [H buigt voor koningen en knechten]
Zeg ons waar is het kindje de koning van ons al [koningen en knechten zingen samen]
Is hij al geboren, is hij er al?

[Herodes] Zeg koningen zeg koningen Ga dat kind maar zoeken en zeg het mij met
spoed, dat ook ik dat kindje begroet
Dag koningen dag koningen.
Drie koningen drie koningen zijn verdergegaan, drie koningen drie koningen komen bij
het stalletje aan.
Daar kloppen zij aan de deur van de stal,
Jozef komt eraan gelopen

Jozef: Dag koningsvrienden, wat zoekt gij hier?
Koningen: Wij zijn de drie koningen en komen van ver, wij zagen aan de hemel een nieuwe ster.
Een ster van een nieuw koningskind, wellicht dat wij hem hier vinden?
Jozef: Komt binnen, hier zijt gij goed.
De koningen geven hun kronen en kijkers aan hun knechten en nemen de geschenken over van hun knechten.
De koningen buigen voor Maria en het Kindje teer
De koningen knielen dan bij het kribje neer. [op één knie buigen: kroontje en kijker geven zij aan knecht en knechten geven het geschenk aan de koning]

Wiegeliedje:
Klein koningskind, klein koningskind
Een ster die bracht mij hier
Klein koningskind, klein koningskind
Zo fijn dat ik u vind

Melchior is mijn naam en goud is mijn geschenk [een voor een geven zij hun geschenk aan Maria]
Balthasar is mijn naam en wierook is mijn present
Caspar is mijn naam en mirre is mijn present.
Maria: “bedankt goede koningen, dat u hier gekomen bent en dank voor uw
geschenken.
Een goede reis terug naar huis gewenst. We zullen nog vaak aan u denken.”
De koningen gaan staan en buigen naar Jozef, Maria en het kindje en lopen achteruit naar hun knechten en zetten hun kronen weer op.

Neuriën:
Er waren eens drie koningen.

In de kring: Melchior: “nu moeten wij Herodes gaan vertellen dat wij het kindje
gevonden hebben”
Balthasar: “zodat hij het kindje ook geschenken kan brengen”
Caspar: “maar duisternis valt op de aarde neer. Vandaag lukt dat niet meer.
Laten we voor vandaag maar rusten en slapen hierbuiten” [knielen rond de paalkop.]

Als de koningen slapen komen er engelen:

“Gij Melchior en Balthasar en Caspar goed, wordt eens wakker en luistert goed:
Gij moet niet naar Herodes gaan, maar stilletjes naar huis toe gaan. Ga met een boog om het paleis en maak u klaar voor de thuisreis”.

Neuriën: in de hemel is een dans

De koningen worden wakker Melchior zegt: “hebben jullie ook een engelendroom gehad?”
Balthasar en Caspar knikken beiden hun hoofd, ze nemen afscheid van elkaar [geven elkaar een hand en maken kleine buiging] en gaan naar huis terug.
Ze weten dat dit een waarschuwing is geweest en dat ze terug naar huis moeten gaan, om het kindje en zichzelf te beschermen]

In de stal is alles rustig tot een engel bij Jozef komt:
Engel: Jozef, Jozef, ik kom u wekken, dat gij moet vertrekken met Maria zoet. Sta op sta op verlaat nu Bethlehem en vlucht naar Egypte. En zie de engel gaat u voor.”

De Engel gaat voor de stal staan en Jozef maakt Maria wakker:
Jozef: “Maria, Maria, wordt eens wakker, we moeten naar Egypte, het was een engel die het zei…”
Dan halen ze de dieren uit de stal. Zo lopen ze rustig naar de engel.

Liedje:

Als iedereen uit de stal is, lopen de Koningen, knechten, muzikantje en Herodes achter de rij aan, we lopen rond de kring en daarna weer de kring in en zingen.

Gezongen driekoningenspelletje door volwassenen, rond 6 januari gezongen opgevoerd.
Een ontroerend eerbiedsspel…..
In de grote zaal “de Halde” in onze school kwamen er volwassenen om dit lied ten gehore te brengen en daarmee het driekoningenspel op te voeren.
Bij binnenkomst met de kleuters zijn de gordijnen dicht en de verlichting is gedempt, als we allen goed zitten, komen Maria en haar kindje en Jozef de zaal binnen en gaan het toneel op een klaargezette plaats hun ruimte nemen. Kleuters kijken ademloos toe.
Dan horen we van ver een geneuriede melodie die dichterbij komt en in zingen
meandert, de stoet koningen en herauten schrijdt binnen en gaat ook het podium op, al zingend speelt zich het “tableau vivant” af…, de koningen lopen het toneel daarna al zingend weer af en als de melodie weer verzacht, verlaten Jozef en Maria en kindje met de geschenken ook het toneel en wordt het weer muisstil in de zaal. Na even op adem gekomen te zijn, verlaten we allen al neuriënd de zaal en lopen naar onze lokalen toe, we nemen plaats op de stoeltjes in de kring, in de klas ook is het licht gedimd, juffie maakt een beetje meer licht en langzaam stappen we onze speeldag in, met een driekoningenlied en daarna naar activiteit of speelland…. Ook wel eens met eerst een biscuitje omdat wat we mee hebben gekregen, in het driekoningen spelletje, alvast te laten verinnerlijken.

2. (Melchior:)
Born a king on Bethlehem plain,
Gold I bring to crown Him again,
King for ever, ceasing never,
Over us all to reign.

3. (Balthazar:)
Frankincense to offer have I;
Incense owns a Deity migh,
Prayer and praising, all men raising,
Worship Him, God most heigh.

4. (Caspar:)
Myrrh is mine, its bitter perfume
Breathes a life of gathering gloom;
Sorrowing, sighing, bleeding, dying,
Sealed in the stone-cold tomb.

Drie-koningen-uit-kerstpoëzie voor peuters en kleuters

Het versje gaat zo verder:
Zo bracht de ster ze keurig naar het kindje – klein en teer
en knielden de drie koningen voor de kribbe neer.
En toen de koningen allang weer weg waren gegaan
bleef die mooie gouden ster stralend aan de hemel staan.

In de kleuterklas gaat de kersttijd nog even door als de kleuters op school komen in het nieuwe jaar.
De afgestofte seizoentafel is bijna gelijk gebleven:
Jozef, Maria en het Kind zijn in de stal net als os en ezel en één van de lammetjes die de herders hebben gegeven.
De herders zijn weer terug naar het veld en de Drie Koningen zijn onderweg: elke dag komen ze beetje dichterbij
[Tot de opvoering van het Driekoningenspelletje]
Uit het Seizoentafelboekje
Van Dieuwke Hessels
[ een boekje gemaakt betreffende seizoentafels door het jaar heen met foto’s [die
Dieuwke maakte in de laatste jaren voor haar pensionering] liedjes, met tips en tricks en “hoe dan en wat dan ?“]

Bron

Boeken voor Driekoningen
Drie wijzen uit het Oosten van Loek Koopmans, Winterlicht van Diana Monsun

Maria’s kleine ezel van G. Sehlin (over de vlucht naar Egypte) Een ster over de
grens van Ineke Verschuren

Deze bundel bevat verhalen, liedjes en recepten. de verhalen zijn van verschillende auteurs en ook erg verschillend van stijl. Denk aan Annie M.G Schmidt, Paul Biegel, Hans Stolp …
In de bundel zijn drie grote thema’s terug te vinden m.n. de kerstboom, de kersttijd en het kerstkind. Zeker bruikbaar als voorleesboek in de kleuterklas. Jammer dat de illustraties zwart-wit zijn.


Ze gaan weer terug nu zonder aards geschenk, maar met hemelse warmte in hun hart.

.

Met toestemming van de schrijfster, waarvoor dank!

.

Driekoningen: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: Driekoningen – jaartafel

.

2694-2524

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-25)

.
Siegward Knijpenga, Jonas jrg.11, nr 10.
.

Begint het jaar 1 januari?

.

Het is niet moeilijk het jaar te beleven als een ritmische eenheid. Voortdurend wisselen de vier seizoenen elkaar af. Na vier stadia begint het weer op nieuw. Het is echter moeilijker vast te stellen wanneer het jaarverloop begint en wanneer het eindigt. Zoals het ook moeilijk is te zeggen waar een golf water begint en waar die eindigt. Een ritmisch proces golft en stroomt door de tijd. De mensen bewegen zich op deze stroom. In verschillende culturen en tijdperken heeft men verschillende gedachten gehad over het moment van het begin en het einde van het jaar.

Rond vijfduizend jaar geleden vierde men in Sumerië de inzet van het nieuwe jaar met de winterzonnewende. Men voelde dat in deze dagen het licht weer opnieuw geboren werd. De Atheners daarentegen begonnen hun jaar met de zomerzonnewende. De Germanen deden het nog anders: zij boden hardnekkig weerstand aan Romeinse tijdrekeningen zolang zij dit vol konden houden en vierden het begin van het jaar in het voorjaar. De Joden tenslotte hadden zowel in het voorjaar (Passahfeest) als in het najaar een nieuwe inzet. In het najaar was het het Loofhuttenfeest; hierbij werd bijvoorbeeld in de wekelijkse lezingen op de sabbath de lezing van de Bijbel beëindigd en weer opnieuw aan het begin begonnen. Zo werd in deze culturen telkens een van de bijzondere zonnestanden gekozen voor de inzet van het nieuwe jaar. Julius Caesar tenslotte (100-44 v. Chr.) stelde Nieuwjaar vast op de eerste januari. (Tevoren werd het in Rome op 1 maart gevierd). Dit werd gaandeweg in de wereld geaccepteerd als de gemeenschappelijke datum. Overigens kwam deze eerste januari niet uit de lucht vallen. Het was de dag waarop in Rome de nieuwe consuls werden ingezet. Men ging dan naar de tempel van Janus, waar een witte stier werd geofferd en men elkaar geschenken gaf. Tot zover de historie.*)

Wijzelf nu vieren Nieuwjaar jaarlijks. Daarbij kan men het volgende bedenken: Een begin is nooit alleen een ogenblik, het is ook altijd een proces. Er is een weg naar een aanwijsbaar begin toe en er is de vormgeving van een nieuwe impuls. In het menselijke ziet het er vaak zo uit dat een nieuw begin voorbereid wordt, doordat er een innerlijke onrust ontstaat, doordat men niet meer gelukkig is met de geijkte gang van zaken. Er komen gevoelens los die niet verenigbaar zijn met de vorm waarin men leeft. Er rijzen dan vragen in de ziel; vragen waarom de dingen gaan zoals ze gaan en waarom men er niet in mee kan. Dit brengt een fundamentele innerlijke onrust. Misschien mag men zeggen dat de dingen op aarde tot verharding neigen. Daarom ook kan vernieuwing niet van buiten af verwacht worden. Ze moet van binnen uit ontstaan. Echte vernieuwende impulsen worden door mensen innerlijk meegebracht en ze stijgen in hen omhoog wanneer het hun tijd is. We kunnen deze tijden van innerlijke spanning en bewogenheid zien als voorbereiding voor de intrede van iets echt nieuws.

Een tweede element is dan, dat de dingen die innerlijk voorbereid werden, lijken te passen in de omgeving. Men kan ze dan al duidelijker voor zich hebben. De tijd is er rijp voor.

Het eigenlijke ogenblik is gekomen.

Een derde element is, dat datgene wat ons bijvoorbeeld als ideaal voor ogen staat, zoveel werkelijkheid uit de omgeving aantrekt dat het zijn aardse vorm vindt.

Dit drieledige proces in het maken van een echt begin vinden we in de dagen rond onze jaarwisseling terug. Om er een duidelijk beeld van te krijgen, moeten we eerst terug naar wat aan de jaarwisseling voorafging. De adventstijd is een bewogen tijd. Mensen hebben het vaak moeilijk met elkaar. Het innerlijk leven wordt intensiever en dan ben je in de regel wat minder meegaand ingesteld. Dat schept wrijvingen en problemen. De religieuze traditie heeft voor deze tijd bepaalde teksten uit de evangeliën. Daar liggen dezelfde motieven, alleen in omgekeerde volgorde dan ze werden beschreven in het voorgaande. Er wordt gesproken over een wereld die in beweging komt; daardoor komt ook de mens tot zichzelf. In deze religieuze traditie begint het jaar dan ook met advent als de innerlijke opmaat. Voor de menselijke creativiteit is dit een belangrijk gegeven. Advent kan de innerlijke onrust teweeg brengen die nodig is voor een nieuw begin.

Met Kerstmis denken we aan het begin zelf. Enerzijds is er het gegeven dat de zon weer gaat rijzen, anderzijds de herinnering aan het lichtkind dat geboren werd in de stal te Bethlehem. De wereld en de mensheid vernieuwt zich.

Nu is het interessant dat Oud en Nieuw nog een week later vallen. Nieuwjaarsdag is acht dagen na de eerste kerstdag. De een is de octaaf van de ander. Je moet toch een beetje denken aan die Romeinse consuls die op die dag aan het werk moesten. Ze zullen zeker hun voorbereidingstijd hebben gehad. Op die dag moesten ze echter aan de slag. Is dat met Nieuwjaar niet ook een beetje zo?

Toen het christendom de Nieuwjaarsdag in haar christelijk jaar opnam, verbond zij het met de herinnering aan de besnijdenis en de naamgeving van Jezus. Dit gebeurde volgens de overlevering immers acht dagen na de geboorte. Ook dit is tenslotte nog een bijzonder gegeven om in de gedachten op te nemen wanneer we deze dagen op hun innerlijke waarde willen toetsen en ze een innerlijke waarde willen geven.

Maria had zware, bewogen maanden voor de geboorte van het kind. Men kan denken aan de reis van Nazareth naar Bethlehem en wat daarmee gepaard ging. Voor Maria was dit een zeer persoonlijke advent. Dan de geboorte zelf. Het was het verschijnen van het hemelse lichtkind in aardse gestalte; een echte openbaring. Dan volgden de zeven stille dagen in de stal of grot. Vervolgens de bevestiging van Zijn aardemenszijn door de besnijdenis en de naamgeving, waardoor het tot nu toe onzichtbare, verborgene, aanspreekbaar werd.

Deze evangelische ‘beelden’ kunnen in de eerste plaats aan advent en Kerstmis, maar tenslotte toch ook aan de Nieuwjaarsdag een eigen innerlijkheid geven.

*Wilhelm Hoerner: Zeit und Rhythmus
.

Ritme: alle artikelen

.

2693-2523

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-12)

.

Vanaf 9 jr. Voorleestijd 25 min.

NIKOLAJ LESKOV
.

De geluksroebel
.

Nog steeds is het bijgeloof wijd verbreid dat je met behulp van bovennatuurlijke krachten in het bezit kunt komen van een geluksroebel, dat wil zeggen een roebel die, hoe vaak je hem ook uitgeeft, altijd behouden terugkeert in je zak. Maar om zo’n roebel te pakken te krijgen, moet je vele angsten doorstaan. Wat er allemaal moet worden gedaan, kan ik niet meer optellen; ik weet nog maar één ding: je moet een zwarte kat zonder één vlekje zoeken, je daarmee in de kerstnacht begeven naar een kruising van vier wegen waarvan er één per se naar het kerkhof moet leiden, en de kat daar te koop aanbieden. Op het kruispunt moet je blijven staan, de kat knijpen tot ze begint te miauwen en zelf je ogen stevig dichtknijpen. Dat alles moet bovendien gebeuren vlak voor middernacht, want klokslag twaalf zal er plotseling iemand verschijnen die de kat wil hebben. Hij zal er veel, heel veel geld voor bieden, maar degene die de kat te koop aanbiedt, mag maar één roebel vragen – niet meer en niet minder dan één enkele zilveren roebel. De koper zal proberen de verkoper een groter bedrag aan te smeren, maar die mag zich niet van de wijs laten brengen en moet voet bij stuk houden. Wanneer hij de zilveren roebel eenmaal heeft, moet hij die ijlings in zijn zak steken, hem daar stevig omklemmen en zo snel mogelijk de benen nemen; hij mag echter niet omkijken.

Zo’n roebel nu is een geluksroebel, een roebel die je niet kunt uitgeven, want hoeveel dingen je er ook mee koopt, binnen dc kortste keren keert hij weer terug in je zak. Om honderd roebel te betalen hoef je niets anders te doen dan honderd keer in je zak te voelen en er steeds weer dezelfde roebel uit te halen.

Het is natuurlijk een idioot, op niets gebaseerd bijgeloof, maar de mensen zijn ook tegenwoordig nog eenvoudig genoeg van geest om stiekem te geloven dat je zo’n roebel wis en waarachtig te pakken kunt krijgen. Ik persoonlijk geloofde er als kleine jongen rotsvast in.

In die kindertijd vertelde mijn kindermeisje toen ze me op een kerstavond naar bed bracht eens dat er die nacht veel mensen in het dorp waren die wakker bleven. Ze legden kaarten of vermomden zich en probeerden de toekomst te voorspellen en er waren er zelfs veel die een geluksroebel probeerden te verwerven. Ze schilderde me uitvoerig hoe bang het die mensen te moede moest zijn die erop uit trokken om een geluksroebel te pakken te krijgen. Wat hun te wachten stond, was dat ze naar een verafgelegen kruispunt moesten sluipen om daar met de duivel, oog in oog met hem, over de prijs van de zwarte kat te marchanderen, zij het dat zulke mensen nadien ontelbare vreugden kenden. Wat voor prachtige dingen kon je niet allemaal met zo’n niet uit te geven roebel doen! Stel je eens voor wat ik allemaal zou kunnen verrichten als ik zo’n roebel in handen had. Ik was indertijd acht jaar, maar ik was ondanks mijn leeftijd al in Orjol en Kromy geweest en was daardoor op de hoogte van de prachtige voortbrengselen van de Russische kunst zoals de handelaars die voor de kerstmarkt ook naar ons gehucht meebrachten.

Het was me bekend dat er op de wereld bruine taai-taaipoppen met honing en witte met suikergoed bestaan, en kandijstokken en suikerstokken en verder een lekkernij die we zoet allerhande noemden. Ik wist dat er gewone noten waren en gebrande en voor een goedgevulde portemonnee zelfs rozijnen en dadels. En er bestonden portretten van generaals en duizenden andere dingen die ik allemaal niet kon kopen, want ik zou voor mijn aankopen geen geluksroebel hebben, maar een gewone zilveren roebel.
Maar op dat punt boog mijn kindermeisje zich diep naar me voorover en vertrouwde me toe dat het deze keer heel anders zou lopen, aangezien mijn grootmoeder zo’n onmogelijk uit te geven roebel had en besloten had hem aan mij te geven. Ik moest er alleen heel zorgvuldig mee omspringen om te voorkomen dat hij aan kracht inboette, want zijn toverkracht ging gepaard met een uiterst nukkige eigenschap.
‘Welke dan?’ vroeg ik.
‘Dat vertelt je grootmoeder je zelf. En nu lekker gaan slapen en wanneer je morgen wakker wordt, brengt grootmoeder je haar geluksroebel en zegt ze tegen je hoe je hem moet beschermen.’

Het kindermeisje had niet tegen me gelogen. In een oogwenk – ik merkte het nauwelijks – was de nacht voorbij en daar stond mijn grootmoeder al met haar grote muts met de behendig geschikte plooien naast mijn bed, met in haar handen een blinkende nieuwe munt van het puurste zilver.
‘Hier heb je een geluksroebel,’ zei ze. ‘Pak hem aan en ga naar de kerk. Na de mis gaan wij, oude mensen, thee drinken bij vader Vassilij, de geestelijke. Jij kunt intussen naar de kerstmarkt gaan en alles kopen wat je hartje begeert. Als je het eens bent geworden over de prijs, steek dan je hand in je zak en betaal met de roebel; binnen de kortste keren zit hij weer in je broekzak.’

‘Natuurlijk,’ zei ik, ‘dat weet ik,’ en ik hield de roebel zo stevig beet als ik maar kon.
Maar grootmoeder ging verder: ‘De roebel komt naar je terug, dat is zo, dat is zijn goede eigenschap – en je kunt hem ook niet verliezen. Maar hij heeft nóg een eigenaardigheid, een pijnlijke bovendien: hij blijft in je zak zolang je er dingen voor koopt die voor jou of voor andere mensen nodig of nuttig zijn. Maar als je, al is het maar voor een cent, je geld verspilt aan iets volkomen nutteloos, dan verdwijnt de roebel voor eens en altijd.’
‘Grootmoeder, ik ben blij dat u dat tegen me zegt,’ antwoordde ik, ‘maar geloof me, ik ben groot genoeg om het verschil te kennen tussen niet nuttig en nutteloos.’
Glimlachend haar hoofd schuddend zei grootmoeder dat ze wat dat betreft zo haar twijfels had, maar ik bezwoer haar dat ik heel goed wist hoe je moest leven als je zo rijk was.
‘Uitstekend,’ zei grootmoeder, ‘maar vergeet in elk geval niet wat ik je op het hart heb gedrukt.’
‘Wees maar niet bang. U zult zien dat ik met geweldige dingen bij vader Vassilij aankom en desondanks mijn roebel gezond en wel in mijn zak heb.’
‘Goed, goed, we zullen zien – het zal me deugd doen. Maar wees niet te zelfverzekerd en bedenk dat het niet altijd gemakkelijk is nuttige dingen te onderscheiden van overbodige en dwaze.’
‘Misschien is het toch beter dat u met me mee naar de markt gaat?’
Daar was grootmoeder graag toe bereid, maar ze maakte me erop attent dat ze me geen raad zou kunnen geven of me van fouten en onbedachtzame dingen kon weerhouden. De bezitter van een geluksroebel mocht zich door niemand laten adviseren, maar moest alleen naar eigen goeddunken handelen.
‘Maar grootmoedertje-lief,’ vleide ik, ‘u zult helemaal niet in de verleiding komen om me met raad en daad bij te staan – ik zal u aankijken en in uw ogen zien wat ik moet weten.’
‘Goed, dan gaan we er samen naar toe.’ En ze stuurde meteen een meisje naar vader Vassilij met de boodschap dat ze later kwam. Wij samen echter wandelden naar de kerstmarkt.

Het was heerlijk weer: milde vorst met een lichte nevel. De lucht was verzadigd van de geur van witte beenwindsels, lindebast, grutten en schapenvachten. Er was veel volk op de been, allemaal in de beste kleren die ze hadden. De jongens van rijke ouders hadden van hun vader elk een stuiver jaarmarktgeld gekregen en dat kapitaal al belegd in stenen fluitjes, waarmee ze een oorverdovend concert gaven. De armere kinderen echter, die geen stuiver hadden gekregen, drentelden rond bij het hek en likten jaloers hun lippen af. Ik voelde dat ze vurig verlangden om ook zo’n waardevol instrument te hebben en vol overgave te versmelten met de alom heersende harmonie, en ik keek grootmoeder aan. Stenen fluiten behoorden immers eigenlijk niet tot de noodzakelijke dingen en nuttig waren ze al helemaal niet. Toch zag ik op grootmoeders gezicht geen afkeuring van mijn plan om voor alle kinderen zo’n trilfluitje te kopen. Haar goedmoedige gezicht verraadde eerder een soort welwillendheid, die ik aanzag voor instemming. Fluks stak ik daarom mijn hand in mijn zak, kocht een doos vol trilfluitjes en kreeg zelfs nog wat kleingeld terug. Ik stopte het in mijn zak en voelde tegelijk naar mijn geluksroebel; hij zat er nog ongedeerd in, net als voor mijn aankoop. En toch hadden alle kinderen een fluitje gekregen en waren ze opeens even gelukkig als de rijkere en ze floten uit volle borst.

Maar grootmoeder en ik liepen verder en ze zei tegen me: ‘Je hebt het heel goed gedaan, want ook arme kinderen willen spelen en blij zijn en wie in staat is hun een plezier te doen, moet altijd bereid zijn dat ook te doen. Je ziet wel dat ik gelijk heb: steek je hand maar eens in je zak en voel of je geluksroebel er nog in zit.’
Ik deed het – de onmogelijk uit te geven roebel zat in mijn zak.
Aha, dacht ik bij mezelf, nu weet ik waar het om gaat; nu hoef ik niet bang meer te zijn.

Vervolgens liep ik naar een kraam waar kleurige stoffen en lappen te koop werden aangeboden. Daar kocht ik voor al onze dienstmeisjes een lap, voor de een een roze, voor een ander een hemelsblauwe, maar voor de oude vrouwen kocht ik een frambooskleurige hoofddoek. En telkens wanneer ik mijn hand in mijn zak stak om te betalen, trof ik er mijn niet uit te geven roebel aan. Vervolgens kocht ik voor de dochter van de huishoudster, die binnenkort zou trouwen, twee haarspelden van carneool. Het zat me niet helemaal lekker, maar grootmoeder bleef even goedmoedig toekijken en inderdaad, ook na deze aankoop zat de roebel weer in mijn zak.
‘Een bruid mag zich gerust mooi maken,’ legde grootmoeder uit. Die dag is de gedenkwaardigste in het leven van elk meisje en je doet er goed aan als je haar een plezier doet – een mens met een opgewekt hart betreedt het nieuwe levenspad met meer moed – en er hangt veel van de eerste stap af. Het was een goede daad dat je dat arme bruidje blij wilde maken.’

Nu kocht ik ook iets voor mezelf: veel snoep en noten en bij een andere kraam een dik boek, ‘Het Boek der Psalmen’, net zo een als ik ooit op de tafel van onze stalmeid had zien liggen. Het arme oude mens was heel erg aan dat boek gehecht geweest, maar tot haar grote pech had het kalfje dat de hut met haar deelde dezelfde smaak gehad. Gezien het overschot aan vrije tijd was het op een moment van gelukzalig nietsdoen aan de bladzijden van het psalmboek, in het bijzonder aan de hoeken ervan gaan knabbelen. Op die manier was de oude vrouw het genoegen ontzegd nog langer de psalmen te lezen of te zingen waaruit ze tot dusver zoveel troost had geput. Haar verdriet was hartverscheurend.
Eén ding wist ik zeker: wanneer ik voor het arme mens dit nieuwe boek kocht als vervanging voor het verloren gegane, kocht ik niet iets nutteloos of onbelangrijks. En zo was het ook – toen ik mijn hand in mijn zak stak, bevond de roebel zich op zijn plaats.

Ik kocht steeds meer en steeds grotere dingen – en begreep immers alles wat er volgens mij nodig was. Ik riskeerde zelfs bijna al te riskante aankopen. Zo kocht ik bij voorbeeld voor onze koetsier een buikriem met sierstiksel en voor de schoenlapper Jegor, die altijd vol grappen zat, een trekharmonica. En toch liet de roebel me niet in de steek, hoewel ik grootmoeder al lang niet meer aankeek en haar veelzeggende voorhoofd niet meer om raad vroeg. Ik was nu het middelpunt geworden – iedereen keek me aan, iedereen liep me achterna, iedereen praatte over me.
‘Kijk nou toch eens aan, onze jongeheer! Hij kan de hele jaarmarkt opkopen want stel je voor, hij heeft een geluksroebel.’
Ik echter kreeg een nieuw, tot dusver ongekend gevoel: het verlangen dat iemand me zou aanspreken, achter me aan zou lopen, me zou prijzen dat ik zo verstandig was, zo rijk en zo goed…

Ik kreeg een onrustig, leeg gevoel.

Plotseling kwam, God mag weten waar vandaan, de dikste van alle kerstkooplui naar me toe. Hij tilde zijn muts op en zei tegen me: ‘Ik ben dikker en slimmer dan wie ook hier. Mij houdt u niet voor de gek. Ik weet dat u alles kunt kopen wat er op de markt te koop is, want u hebt een geluksroebel. Als je die hebt, is er geen kunst aan de hele streek versteld te doen staan. Toch is er iets dat u zelfs met zo’n roebel niet kunt kopen.’
‘U hebt gelijk; nutteloze dingen koop ik natuurlijk niet.’
‘Wat heet nutteloos? Over nutteloze dingen wil ik het niet eens hebben. Maar wie staan er allemaal om ons heen, hoewel u toch een echte geluksroebel hebt? Voor uzelf hebt u alleen maar snoepgoed en noten gekocht, maar voor de anderen alleen maar nuttige dingen en u ziet zelf hoe ze u voor uw weldaden bedanken: ze zijn u nu al vergeten.’
Ik keek om me heen en merkte tot mijn verbijstering dat die dikzak van een koopman inderdaad volkomen alleen was; er was geen levende ziel in onze buurt te bespeuren. Ook grootmoeder was weg; ik was haar trouwens al eerder vergeten. De andere marktbezoekers echter verdrongen zich om een lange, graatmagere man, die over zijn bontjasje een lang, gestreept vest had aangetrokken, versierd met glasachtige knopen, die bij elke beweging mat glansden.
Dat was het enige wat de lange, magere man iets aantrekkelijks gaf en toch liep iedereen rond hem te hoop en gaapte hem aan alsof hij een zeldzaam natuurverschijnsel was.
‘Ik kan er onmogelijk iets bijzonders aan ontdekken,’ zei ik tegen mijn nieuwe metgezel.
‘Precies, maar u ziet zelf hoe mooi ze het allemaal vinden. Kijk maar, zelfs uw koetsier Konstantin loopt met zijn prachtige buikriem achter hem aan en schoenlapper Jegor met zijn trekharmonica net zo goed, en daar het bruidje met haar haarspelden en zelfs de oude stalmeid met haar nieuwe boek. Om het nog maar niet te hebben over de kinderen met hun trilfluitjes.’

Ik keek wat beter en inderdaad, allemaal stonden ze om de man met de stukjes glas heen en alle jongens lieten hun fluiten snerpen om zijn roem te verkondigen.
Ik kreeg een onbehaaglijk gevoel; ik vond het op de een of andere manier bijzonder kwetsend; het leek me mijn plicht en mijn taak me boven de man met de stukjes glas te verheffen.
‘Denkt u dat ik hem niet kan uitstaan?’
‘Dat denk ik inderdaad,’ antwoordde de dikzak.
‘Goed, ik zal u meteen bewijzen dat u het mis hebt,’ riep ik. Ik rende naar de man met het vest over zijn bontjasje toe en vroeg: ‘Beste man, wilt u me uw vest niet verkopen?’
De man met de betoverende glasscherven draaide zich in het zonlicht naar me toe, zodat de knopen van zijn vest zwak oplichtten, en antwoordde: ‘Graag, ik wil het u met alle plezier verkopen, maar het is heel duur.’
‘Maak u daar maar geen zorgen over; noem me alleen maar snel uw prijs.’
Hij glimlachte tersluiks en zei: ‘Ik merk wel dat u nog kinderlijk denkt, zoals het voor iemand van uw leeftijd ook hoort. U schijnt niet precies te begrijpen waar het om gaat. Het vest zelf kost niets; het glinstert niet en geeft geen warmte, u kunt het dan ook voor niets krijgen. Maar voor elk van de glazen knopen moet u me een roebel geven; ze schitteren weliswaar niet en ze geven ook geen warmte, maar glanzen soms even op – en dat vinden de mensen mooi.’
‘Afgesproken!’ riep ik. ‘U krijgt een roebel voor elke knoop – trek uw vest maar gauw uit.’
‘Nee, u moet eerst betalen.’
‘Met alle genoegen.’
Ik voelde in mijn zak en haalde mijn roebel te voorschijn, maar toen ik opnieuw in mijn zak voelde… was die leeg… de geluksroebel was niet teruggekomen, hij wilde me geen geluk meer brengen … hij was weg… spoorloos verdwenen… en overal om me heen staarden ze me aan en lachten ze me uit.

Hete tranen sprongen in mijn ogen en… ik werd wakker.
Het was ochtend. Naast mijn bed stond grootmoeder met haar reusachtige kap met de plooien van tule en in haar hand had ze een fonkelnieuwe zilveren roebel, het kerstgeschenk dat ze me zoals gebruikelijk kwam brengen.

Toen besefte ik dat alles wat zich had afgespeeld, niet in de werkelijkheid, maar slechts in mijn droom was gebeurd en ik vertelde haar haastig waarom ik had gehuild.
‘Het is een prachtige droom,’ zei grootmoeder, ‘vooral als je hem goed weet uit te leggen. Alle sprookjes en fabels bevatten een verborgen betekenis. De geluksroebel is, lijkt me, het talent dat de voorzienigheid iedereen bij zijn geboorte meegeeft. Dat talent ontwikkelt zich en is onuitputtelijk wanneer de mens leven en kracht ontvangt op het kruispunt van vier wegen, waarvan er een wis en zeker naar het kerkhof leidt. De geluksroebel is de kracht die in dienst staat van waarheid en deugdzaamheid tot nut van de mens en waaraan een mens met een goed hart en een helder verstand de hoogste genoegdoening beleeft. Want wat je ook doet voor het ware geluk van je medemens, het zal de rijkdom van je eigen hart nooit verminderen, integendeel – hoe dieper zo iemand uit zijn ziel put, hoe rijker die wordt.
Die man met dat vest over zijn bontjasje is de opgeblazenheid, de ijdelheid, want een vest over een bontjasje is een nutteloos ding, precies zoals het nergens voor nodig is dat anderen achter ons aan lopen en ons prijzen. IJdelheid vertroebelt het verstand.
Toen je een paar dingen had gedaan, zij het heel
weinig vergeleken met wat je met een onmogelijk uit te geven roebel had kunnen doen, werd je verwaand en wendde je je af van mij, die in je droom de levenservaring vertegenwoordigde. Het was al lang niet meer je vurigste wens anderen goed te doen; je sloofde je uit om ervoor te zorgen dat ze allemaal naar je keken en je prezen. Je verlangde ernaar die overbodige glasscherven te hebben en ik ben blij voor je dat je in je droom zo’n wijze les hebt geleerd. Ik zou willen dat deze kerstdroom in je herinnering zou blijven.

Maar laten we nu naar de kerk gaan, dan kopen we na de mis alles wat je in je droom voor de behoeftigen hebt gekocht.’
‘Op één ding na, grootmoeder.’
Grootmoeder zei glimlachend: ‘Natuurlijk, dat vest met die glasscherven koop je niet, dat snap ik wel.’
‘Nee, ook het snoepgoed dat ik in mijn droom voor mezelf heb gekocht, wil ik niet hebben.’
Grootmoeder dacht even na en zei toen: ‘Het lijkt me niet nodig dat je je dat kleine genoegen ontzegt; natuurlijk… als je door ervan af te zien een groter geluk wilt kopen, dan… dan kan ik het me voorstellen

En plotseling omhelsden we elkaar, zeiden verder geen woord en huilden samen. Grootmoeder had geraden dat ik me had voorgenomen die dag niets van mijn geld voor mezelf uit te geven. En toen ik uiteindelijk deed wat ik me had voorgenomen, voelde ik me zo blij van harte als ik nog nooit was geweest. Door af te zien van mijn eigen genoegen tot welzijn van anderen besefte ik voor de eerste keer wat ze bedoelen met de betoverende woorden volmaakt geluk, die toestand waarin je niets meer te wensen hebt.

Dus kan iedereen, in wat voor situatie ook, een poging doen om mijn experiment na te doen en ik ben er zeker van dat hij in mijn woorden geen leugen, maar de zuiverste waarheid zal vinden.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2689-2519

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen

.

Enige jaren bezocht ik een ‘alternatief’ driekoningenspel. Het speelde zich af in deze tijd waarin we geconfronteerd worden met aanslagen, angst, maar ook hoop en positivisme.
Het gaat me nu niet om de inhoud. Hoewel die genoeg ‘stof tot spreken geeft’ om met de jongelui van de bovenbouw in gesprek te komen.
Ik vond de beelden indrukwekkend, het verhaal meeslepend en het taalgebruik beeldend en verzorgd.
Ik kan niet anders dan heel positief reageren op wat er geboden werd.

Een jaar later zag ik het opnieuw en, nu ging ik toch voornamelijk omdat er iemand meespeelde die ik van zeer nabij ken, vond ik het weer ‘boeiend’, maar ‘het nieuwe’ was er toch vanaf. 
Een jaar later had ik om dezelfde reden weer kunnen gaan, maar iets weerhield me – ik kende het stuk nu wel: de verrassing was totaal weg.

Waarom heb ik dit gevoel nooit gehad met de Kerstspelen uit Oberufer. Waarom keek ik daar ieder jaar naar uit, ook al kende ik op den duur vrijwel de hele tekst uit mijn hoofd?

Jesse Mulder verwoordde in onderstaand artikel nagenoeg mijn gevoelens:.

Jesse Mulder, Antroposofisch \magazine, nr. 5 2017
.

GOEDE BEDOELINGEN

“Let’s make Judea great again!” riep Koning Herodes, tot vermaak van de vele ouders en belangstellenden die naar het vernieuwde, moderne driekoninginnen-spel kwamen kijken op vrijeschool De Vuurvogel te Driebergen. [Inderdaad: driekoninginnenspel.) Ik was er bij: na lezing van het prikkelende stuk in de laatste Seizoener was ik nieuwsgierig geworden, zij het met een bedenkelijk voorgevoel. En zoals je dat soms kunt hebben, bleek dat voorgevoel niet onterecht. Niet dat het slecht theater was. Het was een goeddeels bevlogen gespeeld, vermakelijk stuk waarin het enthousiasme van de spelers duidelijk voelbaar was. En ik ben er ook niet principieel op tegen om vastgeroeste gewoontes eens radicaal om te gooien, integendeel. Mijn onbehaaglijke voorgevoel duidde op iets anders, namelijk op de vraag: wat is eigenlijk vernieuwing? Als je iets bestaands vernieuwt, dan moet je het wezenlijke van dat bestaande wel meenemen. Anders is het geen vernieuwing maar eerder een vervanging. En daar lag voor mij het probleem. Er was iets verloren gegaan dat mij wezenlijk scheen in het traditionele spel: de algemeen-objectieve beelden. Die waren namelijk vervangen door persoonlijk-subjectieve belevenissen. De centrale figuren in het oorspronkelijke spel stijgen boven het persoonlijke uit: in de koningen kun je bijvoorbeeld beelden zien van wijsheid, schoonheid, en goedheid of kracht. De koninginnen in het vernieuwde spel bleken daarentegen vooral bezig met hun persoonlijke ontwikkeling, getuige de aan het einde toegevoegde ‘evaluatie’ van wat ze op hun reis hadden geleerd. En zoals bovenvermelde uitroep van Herodes laat zien, werd zelfs expliciet de link naar onze eigentijdse context gelegd, met alle verheerlijking van het persoonlijke dat daarbij hoort. In die zin beleefde ik de ‘moderne versie’ dus niet als vernieuwing, maar als vervanging: het driekoningenverhaal was hier een instrument om typisch modern-individualistische boodschappen over te brengen, zoals dat het om de weg gaat en niet om het doel (aldus Caspara aan het slot]. Nu is onze tijd uiteraard de tijd van het individualisme en het intellectualisme, maar juist daarom, zou ik zeggen, wordt er op de vrijeschool zo veel aandacht besteed aan beelden die geen persoonlijke belevenissen uitbeelden en ook geen instrument zijn om iets over te brengen dat ‘begrepen’ moet worden. Ze werken veel meer op de bodem van de ziel, waar ze op mysterieuze wijze een vermoeden wekken van het grotere, persoonlijkheid overstijgende geheel waar wij individualisten uit voortgekomen zijn en dat we niet uit het oog moeten verliezen. En dat staat haaks op de drijfveer van de vernieuwers in Driebergen: “De kinderen snappen het in deze vorm niet, dus het moet persoonlijker, subjectief navoelbaar.” Op die basis is échte vernieuwing eigenlijk bij voorbaat al onmogelijk, alle goede bedoelingen ten spijt.

Jesse Mulder is universitair docent Theoretische Filosofie bij het departement Filosofie en Religiewetenschap, waar hij tevens verbonden is met het onderzoeksproject Responsible Intelligent Systems. Hij promoveerde in 2014 cum laude op het thema Conceptual Realism, over de structuur van metafysisch denken. Jesse is vader van twee dochters.
.

In de 1e voordracht van de ‘Algemene menskunde‘ geeft Steiner het vrijeschoolonderwijs een soort opdracht: de opvoed- en onderwijskundige taak proberen te zien als iets moreels en geestelijks, i.p.v. een van intellect en gemoed.
De eerste past in het bewustzijnzielentijdperk, de andere is uit de tijd van de verstands-gemoedsziel.
Ik denk dat Mulder een paar eigenschappen van deze tijdperken karakteriseert, zonder ze zo te noemen, wanneer hij over het bovenpersoonlijke en het individualistische spreekt.
.

Kerstspelen: alle artikelen

.

2677-2507

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kerstmis (38)

.
Dieuwke Hessels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’:
(november 2021)

.

Kerstspelletje en engeltjes…

In de hemel is een dans, halleluja
daar dansen blij de engelen,
in regis curia, halleluja

Stralende kleuters in lange witte jurken: 1 met vleugels, 1 met de sterrenstok, 1 met het kindje voor Maria en 1, soms nog meer, met een gouden hoofdbandje zingen zo helder, lopen zo gracieus, aandachtig en weten wat te doen: zij zijn “de” engelen.

In het kerstspelletje: de engel met de sterrenstok die Maria de geboorte aankondigt, de engelen, als groepje, bij het aanreiken van het Kindje aan Maria en later bij de slapende herdertjes als zij de goede mare brengen…

In het driekoningenspelletje als zij de koningen voorgaan op zoek naar het geboren Kind en later als zij de slapende koningen vertellen te vertrekken naar hun eigen land en de engel met de sterrenstok die Jozef vertelt dat hij met
het Kindje, Maria en de dieren uit de stal moet vertrekken. De engelen gaan ze voor:

”Toen Maria met haar kindje haastig vluchtte door het bos,
bogen zich de wilde winden en het sneeuwde op het mos.
Helder licht straalt allerwegen van haar vriendelijk aangezicht
in haar voetstap op de wegen, schijnt nog lang een gouden licht…”

Het Kerst- en Driekoningenspelletje betekent een periode van toneelspelen van begin december tot eind januari met de kerstvakantie als pauze: zo heerlijk vertrouwd dat op school de kersttijd nog even doorgaat. Het toneelspel, de aankleding, de versjes en liedjes, alle verzorging rond het verkleden voor en na het spel, geven de kleuters zo’n stevige vorm: ze leren te durven in het handelen, met ernst en vrolijkheid. Bovendien komen taal- reken- en
sociaal emotionele doelen uit het groepsplan als vanzelf aan de orde.
Ieder jaar opnieuw heb je de keuze als leidster om het spelletje te wijzigen, qua opzet of andere versjes/liedjes, in verbondenheid met de kleutergroep die je onder je hoede hebt. Maar sommige liedjes blijven….
Jozef of Maria mogen zijn is altijd fijn, maar engel dat wil toch iedereen. Herdertjes en waarden zijn vaak, niet alle jaren, minder favoriet. Schaapjes of andere dieren worden ook graag gespeeld in het Kerstspelletje of
Driekoningenspelletje.
Het is altijd zo’n bijzonder gegeven: een spel eerst te oefenen, daarna op te voeren voor ouders en anderen… hoe spannend is het wel niet en hoe graag willen de kinderen deelnemen, alhoewel niet alle kleuters in één keer van
harte mee kunnen doen: zij moeten eerst even meevoelen, en zich gedragen weten in verbondenheid met de uitvoerende groep, en dan opvoeren: terwijl alle genodigden hun aandacht op de groep hebben gericht. Wat een mooi beeld voor verbonden zijn: ouders, hun kind, alle kinderen uit de groep: ontroerend hoe kinderen, in hun onbevangenheid, de toeschouwers een kijkje op zichzelf geven terwijl onzichtbare engelen meebewegen met álle mensenkinderen.

“In de hemel is een dans, halleluja
daar dansen blij de engelen,
in regis curia, halleluja”

Kerstfeest:
In de natuur ziet alles er doods en kaal uit, er is weinig leven te zien.
Op 21 december begint de winter met de winterzonnewende; de langste nacht en de kortste dag.
De zon heeft haar laagste punt bereikt en vanaf nu worden de dagen langzaam maar zeker weer langer.
Op de laatste vrijdag voor de kerstvakantie vieren we op school het Kerstfeest.
Alle kinderen van de school komen ’s ochtends in de zaal, waar we samen zingen en fluiten en enkele klassen iets moois laten zien of horen aan elkaar.
Ook de kleuters laten hun liedjes horen en de gezichten van de 5e- en 6e klaskinderen zie je dan verzachten.
Vaak kennen ze het liedje nog!
Als de kleuters in hun eigen lokaal gaan spelen en een plakje kerstbrood gaan eten, luisteren de andere klassen naar het vierde deel van het adventsverhaal.
Het heet ‘Een kerstverhaal uit de bergen’ en is te vinden in het boek ‘Een ster over de grens’.
In de adventskrans wordt nu de vierde kaars aangestoken en de lichtengelen nemen dit licht mee naar de klas.
Daar zijn de tafels mooi gedekt voor de kerstmaaltijd.
In de klassen staat een kerstboompje met 30 rode en 3 witte rozen erin.
Dan wensen we elkaar een fijne vakantie en mogen alle gemaakte spulletjes mee naar huis: het adventskandelaartje, kleiwerk, een schildering of tekening, een gevouwen ster, een zelf getrokken bijenwaskaarsje, misschien een mooie kerstkaart.

In vrijwel alle vrijescholen, over de hele wereld, worden rond Kerstmis de kerstspelen opgevoerd.
Het zijn oude spelen die door Rudolf Steiner zijn herontdekt.
Tot in het begin van de vorige eeuw werden deze zogenoemde ‘Oberufer Spelen’ nog gespeeld.
Zoals elk jaar worden ook dit jaar in de Vrije School Meppel Oberüfer kerstspelen opgevoerd door leraren en ouders, als geschenk aan de schoolgemeenschap.
Deze spelen stammen uit een rijke traditie. De Kerstspelen zijn afkomstig uit Hongarije, uit het dorpje Oberüfer.
Oberüfer werd vroeger door Duitsers bevolkt en zij hebben de spelen meegebracht toen zij in de 16e eeuw naar dit oostelijk deel van Midden-Europa trokken.
Een vriend van Rudolf Steiner, de taalgeleerde Karl Julius Schröer, die een studie maakte van de Duitse folklore in de Oostenrijks- Hongaarse streken, woonde in de buurt van Presburg (het huidige Bratislava) en ontdekte dat die
Duitse boeren in de kersttijd bepaalde oude spelen opvoerden.
Hij woonde de opvoeringen vaak bij en schreef de rollen op met de bedoeling dit cultuurgoed te behouden.
In Oberüfer zijn deze spelen tot omstreeks 1920 woordelijk op dezelfde manier opgevoerd, terwijl ze elders in Europa door modernisering verloren gingen.
Rudolf Steiner heeft ze geïntroduceerd bij de vrijescholen en sinds 1919 worden ze in alle talen overal ter wereld in vrijescholen en antroposofische instituten gespeeld: met spel, zang en “ommegangen”. In feite hebben de
vrijescholen deze waardevolle traditie dus voortgezet en behouden tot op de dag van vandaag.
De Oberüfer kerstspelen bevatten veel oude wijsheden, die zijn ontleend aan de mythologie, de astrologie en de getallenmystiek van de middeleeuwen. De spelen bevatten het Paradijsspel, het Kerstspel en het Driekoningenspel en elk spel heeft zijn eigen karakter.

In de kleuterklas voeren de kleuters hun eigen Kerstspelletje op…
Wel gebaseerd op het grote kerstspel. Het liedje van de aanbidding van de herders komt ook in het grote spel voor:
een herkenningspunt voor kleuters als ze voor het eerst in de avond mogen kijken naar het Kerstspel….
Het vormt een belangrijk onderdeel van de tijd naar Kerst toe als Sinterklaas verdwenen is uit het land en de klas….
Snel kunnen ze omschakelen: de oudsten weten het nog van vorig jaar, weten ook al wat ze zouden willen worden….
In de klas wordt een van de speelhuisjes omgetoverd tot “de stal”.
De kring van stoelen wordt zo geplaatst dat er makkelijk ommegangen gehouden kunnen worden.
Spontaan worden liedjes gezongen, de hele dag door al neuriënd…
Het is druk in de klas, maar zo fijn: een zoemende en spelende menigte kleine mensjes.
Dieuwke Hessels

Weekspreuk van Kerst

Advent maande ons om stil te zijn en vol verwondering te wachten op het wonder van Kerstmis. We werden naar binnen geduwd; letterlijk onze huizen in en figuurlijk naar ons hart. In deze donkere periode waarin de nachten nog
korter werden, staken we kaarsen aan. Maar waarom? Wat valt er binnen in ons hart te ervaren? En welk licht wordt er met Kerstmis ontstoken? Dat is de andere kant of de diepere betekenis van kerstmis.
Daar wil ik je meer over vertellen, maar eerst iets over de achtergronden van Kerstmis.
In voorchristelijke tijden werd in onze streken al feest gevierd rond Kerstmis. De Germanen vierden met het Joelfeest dat het zonnekind Widar geboren werd uit de maagdelijke oermoeder.
Kerstfeest was het zonnefeest; een feest van hoop, vertrouwen en geloof. In de natuur was de overwinning van de zon op de duisternis van de winter een feit.
De Romeinen vierden op 25 december de Geboortedag van de Onveroverde Zon. Het is dan ook niet gek dat de geboorte van Jezus door de kerk geplaatst is op 24 december.
Oude en nieuwe gebruiken worden verbonden en zorgden dat mensen van de eerste tijd makkelijker over konden gaan naar het christelijke geloof. Het
bijzondere van de zonnewende bleef zo gedeeltelijk behouden.
December is de donkerste tijd van het jaar, de dagen zijn kort en de nachten lang. Met Kerstmis komen we aan op het stiltepunt. De dagen en nachten blijven kort even lang (de 12 heilige nachten). Daarna worden de dagen langer
en de nachten korter. De aarde heeft zich in zichzelf gekeerd, lijkt kaal en leeg.
In de zomer heeft de aarde de zon, al het geestelijke, alle levenskrachten in zich opgenomen. In de winter liggen de velden er kaal en omgeploegd bij.
Moeder Aarde is een in zichzelf gekeerd wezen, in verwachting van het zonnekind.
De advent geeft ons de mogelijkheid om stil te worden; in stille verwachting van het kind te zijn. Als dan het zonnekind geboren is, kan het leven in de aarde zich op maken om te kiemen. Niet alleen de aarde kan zich ontkiemen ook onze lichtkrachten, plannen en ideeën kunnen dat.
Het woord Kerstmis komt van Christusmis en verwijst hiermee naar de mis die gehouden werd in de Rooms-Katholieke Kerk om Christus’ geboorte te vieren. Het evangelie volgens Lucas beschrijft de geboorte van het kindje in de stal, de engelen, de herders, die de blijde boodschap horen en die het Jezuskind vinden in de kribbe bij Jozef en Maria. Dit is het alom bekende verhaal.
Maar het evangelie volgens Mattheüs beschrijft het bezoek van de drie koningen. Zij hebben in de sterren gezien dat er een koningskind geboren zou worden en gaan opzoek naar het kind. Dit Christuskind is anders, rijker en spiritueler dan het arme timmermanskind.
Als je zo Mattheüs en Lucas naast elkaar legt, kun je opmerken dat het over twee verschillende kinderen gaat. In de Christengemeente wordt hier vaker over gesproken en in de antroposofie over geschreven.
Tegenwoordig wordt er nog een derde kind genoemd en dat is het Lichtwezen. Over dit Lichtwezen spreken de aartsengelen en opgestegen meesters in hun
spirituele verhandelingen.
Dan hebben we het al eerdergenoemde Germaanse zonnekind nog en ons Ik. Ze vormen zich al tot één; het Christuswezen.
Het kerstfeest begint op 25 december met een heilige nacht, waarna 12 heilige nachten volgen, die het kersfeest met het Driekoningenfeest verbinden. Dan viert de Russisch Orthodoxe Kerk het kerstfeest (dus 13 dagen later dan
wij). Midden in deze periode van heilige nachten valt het Nieuwjaarsfeest, dat een impuls geeft om ons te vernieuwen. Maar wij vieren de kerstnacht dus als de zon al over haar diepste punt (21-12) heen is. In bijna alle huizen staan kerstbomen, een traditie die stamt vanaf 1850, en ’s avonds branden we kaarsen. Kerstmis is namelijk het grote lichtfeest en dat vraagt om nadere uitleg.

Kijk zo tegen kerstmis eens om je heen. In tuinen en huizen branden duizenden lampjes en sommige lichtjes flikkeren aan en uit. De lichtjes in de buitenwereld zijn overdadig. Het duister probeert ons met alle kerststress, angst en stralende neplichtjes bij ons innerlijke rust en stilte vandaan te halen, zodat de geboorte van het licht niet in ons hart kan plaatsvinden; het wil onze frequentie en bewustzijn laag houden. De geboorte van het licht, ook wel het Christenwezen of de verbinding met de bron, in ons hart is het mysterie van Kerstmis. We verhogen daarmee onze frequentie. In deze tijd is er onder zoveel mensen (en vooral kinderen) een sterke behoefte aan innerlijke rust, liefde en licht. Gelukkig zijn de lichtkrachten en de frequentie op aarde de laatste jaren sterker geworden. We kunnen het licht laten ontvlammen via ons bewustzijn. Ik vind die geboorte elk jaar weer een groot mysterie en merk wel dat het steeds gemakkelijker wordt, Ik wens jou toe dat je deze kerstperiode de rust en stilte vindt om dat innerlijk Christuskind met al zijn lichtkracht te voelen en te bewaren in je hart. Wij zijn allemaal een stukje goddelijkheid of Licht en die verbondenheid maakt ons één.
~Marion VreugdenhilAntroposofie en het Kind

De reis van Jozef en Maria

adventstijd Archieven – Antroposofisch Leven, adventstijd, kerststal, kerst, Kerstmis, Alice Rowaan, auteur op Antroposofisch Leven

Het verhaal van het kerstkindje dat geboren werd in een stal, omdat er in de herberg geen plaats meer was, kennen we allemaal. Ook weten we wel dat Jozef en Maria op reis waren vanwege een volkstelling. Maar wist je ook dat er een hele leuke manier is om hun reis thuis uit te beelden, samen met kinderen? Vandaag vertel ik jullie er meer over.

Voorbereiding

De reis van Jozef en Maria begint in principe op de eerste adventzondag. Op school zal hier veel aandacht aan besteed worden; thuis is het vooral leuk om hier in de loop van de week op aan te sluiten, bijvoorbeeld op woensdagmiddag.
Zoek allereerst de spulletjes bij elkaar: Zet het kerststalletje klaar. De seizoenstafel is een heel goede plek, maar onder de kerstboom of op een andere
geschikte plaats in jouw kamer kan natuurlijk ook. In het stalletje staat een lege kribbe en misschien heb je nog wat hooi of stro om neer te leggen. Het is handig om een mooie donkerblauwe doek als achtergrond op te hangen.
In de loop van de komende weken zal het stalletje gevuld raken, dus zorg dat je alles (stenen, plantjes, de os, schaapjes, herders, het kindje natuurlijk, de drie koningen, een of meer engelen) bij de hand hebt.
De stenen, planten, dieren en mensen zullen in deze volgorde in de vier adventsweken verschijnen omdat zij herinneren aan de schepping van de aarde. Tot slot kun je ook sterretjes van goudkarton (of vilt) goed gebruiken; die komen een voor een op de blauwe doek te hangen. Jozef en Maria staan paraat.

De reis naar de stal: de eerste adventsweek

Zoek een plekje voor Jozef en Maria om hun reis te beginnen. De eerste adventsweek leg je stenen neer.
Bijvoorbeeld langs de weg naar de stal toe, of vóór het stalletje. Het is leuk om steentjes te gebruiken die de kinderen in de loop van de tijd verzameld hebben en die je toch al in huis hebt. Maar je kunt natuurlijk ook kristallen of mineraalsteentjes gebruiken, of gevilte/gekleide stenen.
Laat dan Jozef en Maria een stukje lopen op hun pad. Elke dag een stapje is het leukst, maar als ze liever vaak rusten en dan weer een eind lopen, kan dat
natuurlijk ook. Het is leuk om elke keer als je Jozef en Maria laat lopen, ook samen een sterretje te spelden op de doek achter de stal.

De tweede adventsweek

De tweede week is de week van de planten. Hier kun je zo creatief in zijn als je wilt. Mos in de kerststal, sparrentakjes die de kinderen in een voetstukje van klei zetten of dennenappels langs het pad van Maria en Jozef, of misschien liever kleine kamerplantjes in hun bloempotjes. Gestaag lopen zij verder, richting de stal.

De derde adventsweek

De derde week is die van de dieren. De os en de ezel mogen hun plaatsjes innemen in de stal, de schaapjes mogen in de buurt komen grazen, misschien heb je zelf ook wel dieren in huis die graag mee willen doen. Meestal weten
de kinderen wel, welke dat zijn.

De vierde adventsweek

In de vierde week gaan Jozef en Maria de stal binnen en installeren ze zich. Op 24 december (die soms samenvalt met de vierde adventszondag) verschijnt een engel voor de stal. In de nacht zal het kindje worden geboren; dat gebeurt waarschijnlijk vanzelf- let maar op! Zo gauw het kindje ontdekt is, kun je een grote ster ophangen in de achterdoek. Meer engelen mogen komen, en de herders met hun schaapjes stromen toe. En als je het echt compleet wilt hebben, kun je heel ver weg in de kamer de drie koningen laten verschijnen. Zij gaan de komende tijd op weg en zullen op 6 januari aankomen bij de stal.
Op deze manier kun je thuis een speelse, beeldende invulling geven aan de adventstijd. Ook na de kerst en Driekoningen kun je er nog mee doorgaan en de tijd van de lichtfeesten afsluiten op Maria Lichtmis.

Kerstverhaal  In het tijdschrift van Vrije Opvoedkunst, 4e jrg. nr 12, dec. 1936

Verhaal:
Stille nacht, tovernacht
Een kerstverhaal over ware vriendschap.

Het was koud, die nacht. Een ijzige wind joeg de sneeuw op en de mensen die nog buiten waren haastten zich.
Thuis brandde het vuur in de haard. De tafel was gedekt, de kaarsen waren aangestoken. Het was kerstnacht.
Nog maar één enkele man liep door de verlichte straten. Zijn rug was gebogen en hij liep maar voort door de sneeuw en de kou, zonder zelf te weten waarheen hij ging. Niemand wachtte op hem. Riton had geen familie en geen thuis.
De mensen keken naar hem als hij voorbijging. Hij lette er niet op. Zonder achterom te kijken, vervolgde hij zijn weg. Hij floot zachtjes voor zich heen en de sneeuwvlokken bleven in zijn baard hangen.
Toch was hij niet alleen in die ijzige nacht… Een hondje liep achter hem aan. Waar kwam hij vandaan? Om zijn nek had hij een halsband met een ster.
Toen Riton het hondje zag, begonnen zijn ogen te stralen. “Ben je verdwaald? Dan kunnen we beter bij elkaar blijven.” De hond keek hem aan.
Beschut onder de takken van een grote spar pakte Riton een stuk brood uit zijn rugzak en sneed het in tweeën.
“Hier!” zei hij met een glimlach. “Het is een mager maaltje voor een avond als deze, maar meer heb ik niet.”
Omdat het Kerstmis was vertelde hij een verhaal dat hij als kind heel mooi had gevonden. Daarna floot hij nog wat.
Ook de wind floot. Steeds luider en luider, steeds kouder en kouder. “Kom,” zei Riton. Hij zette de kraag van zijn oude, versleten winterjas op. “Laten we schuilen in die hut.”
Ze zaten daar een hele poos, lekker warm in het stro. Toen klonk er opeens een stem: “Schrik niet en luister. Ik ben geen hond. Ik ben een tovenaar.”
“Jij? Een tovenaar?” zei de oude man verbaasd.
“Vanavond heb ik mezelf in een hond veranderd, omdat ik degene die goed voor me zou zijn wilde belonen,” zei de tovenaar. “En jij bent de enige die goed voor me was. Om je te bedanken zal ik je liefste wens vervullen. Vertel me wat die wens is.”
“Ik wil geen grote dingen en ik heb niets nodig,” zei Riton. “Maar ik heb altijd al een hond gewild.”
De tovenaar dacht lang na. Was dat Ritons liefste wens? Toen besloot hij dat hij graag de beste vriend van de oude man wilde zijn. En hij gaf voorgoed zijn toverkracht op.
Heel vroeg de volgende ochtend verliet de oude man de hut om verder te trekken. En zijn vriend, de hond, volgde hem.

Een Noors kerstverhaal over een geschenk voor het Kerstkind
De fluit van de herdersjongen

In de nacht toen Jezus geboren werd, liep een arme herdersjongen over de heuvels bij Bethlehem om een van zijn schapen te zoeken. En zo gebeurde het, dat hij niet bij de herders was, waarover de bijbel ons vertelt. Deze jongen
diende bij een strenge heer – wie weet misschien wel bij een van de waarden in Bethlehem – en als hij zou thuiskomen en er een schaap van zijn kudde ontbrak, dan kreeg hij slaag. Daarom lette hij nauwelijks op de wonderbaarlijke dingen die om hem heen gebeurden. Hij merkte niet dat de wind ging liggen; hij hoorde niet hoe de vogels begonnen te zingen en hij zag niet dat alle sterren plotseling met dubbele glans straalden.
Zijn wegvoerde hem de berg op. Hij zocht achter iedere struik, tot hij ten slotte boven op de berg stond. Van hier kon hij ver in het rond over de velden zien, helemaal tot de stad Bethlehem.
Terwijl hij daar zo boven stond, gebeurde het, dat de hemel zich opende en dat de nacht zo licht werd als de dag.
Een ontelbare schaar engelen verscheen en hun lofzang klonk over de aarde. Hoe groot dit wonder was, dat in die nacht geschiedde, heeft tot op de dag van vandaag nauwelijks een mens begrepen. Daarom kunnen we het een
kleine herdersjongen ook vergeven, dat hij deze boodschap niet meteen begreep. Hij dacht alleen maar aan het schaap, dat ervandoor gegaan was en hij wilde verder zoeken.
Toen stond er plotseling een engel voor hem en sprak: “Maak je geen zorgen meer om het schaap, op dit uur is een veel grotere Herder geboren. Ga snel naar Bethlehem, waar het Christuskind, de Verlosser van de wereld, in de
kribbe ligt.”
“Voor de Verlosser van de wereld,” zei de jongen, “voor Hem mag ik toch niet verschijnen, als ik hem geen geschenk kan geven?”
“Hier, neem deze fluit en speel een lied voor het kind,” sprak de engel, en was op hetzelfde ogenblik verdwenen.
Zeven tonen had die fluit en toen de jongen haar aan zijn lippen zette, speelde ze als vanzelf.
Dankbaar en blij liep hij de berg af. Hij wilde over een beekje springen, maar struikelde en lag languit zo groot als hij was, tussen de kiezelstenen. De fluit viel uit zijn hand. Uit zijn mond ontglipte een woord, dat misschien wel eens
onder de herders gebruikt wordt, maar dat men beter niet gebruiken kan. Mooi was het niet! Én toen hij de fluit weer in de hand hield was er één toon verloren gegaan. Nog zes tonen kon de fluit spelen.
Tijd om te huilen was er niet en bovendien werd het pad langzaam beter; dus liep hij zo snel mogelijk door.
Ineens bleef hij staan: vlak voor zich zag hij een grote wolf zitten met ontblote tanden, klaar om te bijten. Het was de lammetjesverslinder zelf. De jongen werd woedend. “Maak dat je wegkomt,” riep hij en voor hij er erg in had, had hij de fluit naar de al wegvluchtende wolf gegooid. Toen hij haar weer vond, kon de fluit nog maar vijf tonen laten horen.
De herdersjongen was nu op de plaats gekomen waar de kudden steeds waren. Rustig lagen daar alle schapen en er heerste diepe stilte, slechts één schaap liep blatend rond. De jongen wilde het binnen de omheining brengen. Hij rende erachteraan en omdat het schaap hem ontweek gooide hij met wat hij juist in zijn hand hield. Het was de fluit, die weer een toon verloren had.
Maar waar waren de andere herders toch gebleven? De jongen kon immers niet weten dat zij voor het kindje in de stal knielden. Hij dacht dat ze vast weer met een kruik bier in de herberg zaten en dat hij als jongste weer de wacht moest houden. Boos schopte hij met zijn voet tegen een kruik met water, die dicht bij het vuur stond. Toen was het of een onzichtbare macht hem de fluit uit zijn hand sloeg, en toen hij haar weer opraapte had zij nog maar drie tonen over.
Daarop ging hij verder naar Bethlehem. Alles ging goed, tot hij door de stadspoort wilde gaan. Daar zag hij zich plotseling omringd door een groep straatjongens die hem zijn fluit wilden afnemen, maar hij wilde haar niet geven.
Er vielen klappen over en weer. De fluit had hij weliswaar behouden, maar weer was een toon verloren gegaan.
Eindelijk stond hij toch voor de stal. Hoog boven het dak straalde de wonderbaarlijke ster en in de kribbe lag de Verlosser van de wereld. En toch zou het nog gebeuren dat de fluit nog maar één toon overhad, toen hij de stal
binnenging. Want juist wilde hij langs de huisdeur lopen, toen de bitse hond van de waard op hem afschoot. Hij wist zich niet anders te verweren dan met wat hij in zijn hand hield en dat was de fluit.
Zo stond hij nu bij de staldeur maar durfde niet naar binnen te gaan. Hij schaamde zich heel diep, dat er zo weinig van zijn geschenk overgebleven was. In zijn onschuld kon hij niet weten, dat de weg die iedere mens tot de Verlosser voert vol hindernissen is.

De Zonnejaargroep geeft onderstaande aan om te vertellen in de Kerst-adventtijd.

Sprookjes
Sneeuwwitje… Gebr. Grimm
• De Sterrendaalders… Gebr. Grimm
• De drie mannetjes in het bos… Gebr. Grimm
• Het boshuis… Gebr. Grimm
• De twaalf Apostelen… Gebr. Grimm
• Het Kind van Maria… Gebr. Grimm
• De Sneeuwkoningin… Gebr. Grimm

Hennie de Gans-Wiggermans:

Elk jaar weer was de advents- en
kersttijd voor mij de mooiste periode in de kleuterklas. De
voorbereidingen naar het kerstfeest, het lopen van de adventstuin*
en natuurlijk het Kerst- en Driekoningenspel met de kinderen, waarmee ik na de eerste adventsviering begon.
Boekje vol tips en tricks.

Als volgende het kerstspelletje en voorbereidingen daarvoor.


KERSTSPELLETJE

Hoe te beginnen?

De spelers/rollen
Jozef
Maria
Os
Ezel

Waard 1
Waard 2
Waard 3

Herder 1 Stiechel
Herder 2 Witok
Herder 3 Gallus

Engel met ster
Engel met kindje
Engel

Muzikantjes

Voorbereiding

Doos met kleding in de kring.
Kleding en attributen eruit halen en neerleggen.
Zelf pakken: engel: sterrenstok en haarband.
Andere engelen: haarband en 1 engel mag het kindje voorzichtig bij zich dragen.
Muzikantjes pakken zelf een bellenketting.
Jozef en de herders halen hun eigen stokken op en herder Stiechel pakt zijn herderstas.
De waard met het lampje haalt zijn lantarentje zelf op.

Bij elkaar leggen:
• Jozef, Maria, os en ezel
• Waarden
• Herders
• Schaapjes
• Engelen
• Sterrestok in de stal
• Kindje in de kribbe

Kindje van de dag mag kiezen wie hij/zij vandaag wil zijn.
Elk kind kiest elke dag een andere rol.
Het kindje van de dag mag helpen.

Kleuters zitten in de kring op volgorde:
Naast de poort: Maria, jozef, os en ezel, herders en lammetjes aan een kant van de kring
Andere kant van de kringpoort: engelen, waarden, muzikantjes.

Ondertussen zingen en neuriën we:


Voorafgaand aan het spel

Schaapjes zijn jullie klaar?
Mé, mé, mé
Os en Ezel zijn jullie klaar?
Moeoeoe, iiaaa
Waarden zijn jullie klaar?
Jaja
Herders zijn jullie klaar?
3x tik met de wandelstokken
Jozef ben je klaar?
Ja dat ben ik!
Maria ben je klaar?
Ja, begint u maar.
Engelen zijn jullie klaar?
Zwaaien met hun armen licht op en neer.
Muzikantjes (engelen) laat je bellen maar horen.
Klingelingeling

Meteen doorgaan naar het 1e liedje van het kerstspelletje.


Alle kinderen zingen mee, zittend in de kring.
Na dit lied gaat Maria staan en gaat rond in de kring (met de klok mee) terwijl allen zingen:


Maria neemt plaats op het krukje in het midden van de kring.

Vertellen [leidster]:
Eens op een dag zit Maria in haar huis een boek te lezen toen daar ineens een Engel kwam.
De Engel met ster staat op en gaat achter Maria staan.
De Engel spreekt:
Maria heb geen angst hoor,
Ik ben de Engel Gabriël.
Het is een blijde boodschap die ik vertel.
Jij gaat een kindje krijgen,
en Jezus is zijn naam….
De Engel gaat terug.

Jozef staat op en gaat voor Maria staan en spreekt:
Lieve Maria, wij moeten gaan reizen,
om ons in te laten schrijven.
Naar Bethlehem moeten we reizen,
om onze namen op te laten schrijven.
Jozef schudt.
Os en Ezel zullen ons beiden,
naar Bethlehem begeleiden.

Maria gaat ook staan, samen lopen ze naar de Os en de Ezel. Zij lopen rond de kring terwijl door de andere kinderen wordt gezongen:


Maria staat stil en spreekt:
Och Jozef, luister me toe
Jozef stopt nu en gaat bij Maria staan. Maria spreekt:
Ik ben toch zo moe!

Jozef legt een arm om Maria heen en zegt dan:
Ben je zo moe lieve Maria?
Maria knikt.
Jozef spreekt tegen Ezel:
Kom eens kleine ezel, blijf dicht bij haar!
Het Ezeltje balkt:
Iaaaa, iaa!

Zingen: Sjok, sjok, sjok liep het ezeltje
helemaal naar Bethlehem
Sjok, sjok, sjok liep het ezeltje
helemaal naar Bethlehem
O wat was Maria moe
ze deed nu en dan haar oogjes toe
O wat was Maria moe
ze deed nu en dan haar oogjes toe

Jozef spreekt:
Ik zie een lichtje dagen,
laat ons daar om onderdak vragen.
Loopt naar de 1e Waard.
Jozef tikt 3x met zijn staf op de grond.
Het deurtje gaat open, de waard komt naar voren.

Met zijn handen in zijn zij spreekt hij:
Wat zoeken jullie hier?

Jozef en Maria spreken:
Wij zijn zo koud van sneeuw en ijs
en moe van de lange reis.
Heeft u voor ons een bed?

De Waard spreekt:
Jammer, alles is bezet.
Ga maar naar hiernaast.
Voortuit! Want ik heb haast!

Jozef en Maria lopen naar de 2e Waard, die net zijn straatje aan het schoonvegen is.
Jozef tikt 3x met zijn staf op de grond.
De 2e Waard kijkt op, stopt met vegen en spreekt:
Wat zoeken jullie hier?
Jozef en Maria spreken:
Wij zijn zo koud van sneeuw en ijs en moe van de lange reis.
Os en Ezel willen wel wat hooi en vinden het kleinste plekje al mooi!
De 2e Waard spreekt:
Het spijt me zeer, ik heb echt geen plaatje meer!
Van zolder tot kelder is mijn huis bezet.
Pak je weg! (vegen met bezempje)
Snel van mijn deur! Verder wil ik geen gezeur!
Maria en Jozef lopen weg van de Waard.
Maria spreekt:
Oh Jozef, wat moeten we toch beginnen,
nergens kunnen we naar binnen!
Jozef spreekt:
Och Maria lief (pakt haar hand)
Ik zal wel wat verzinnen.

Maar dan komt er een 3e Waard met een lampje aan en spreekt:
Goede vrouw, ik hoor je klagen, om een bed hoe je mij niet te vragen.
Loop met me mee, hier zijn we al, In mijn eigen kleine stal.

De Waard loopt naar de stal, zet een krukje voor Maria neer (naast het kribje) en laat het lampje achter.
Ezeltje en Os gaan zitten bij het kribje.
Jozef houdt Maria’s blauwe mantel vast, terwijl Maria plaatsneemt op het krukje.
Jozef gaat aan de andere kant naast het kribje staan, leunend op zijn staf.
Verteller:
Maria en Jozef gaan slapen, het is een donkere nacht, buiten houden sterren de wacht.
Allen zingen:


Dan komen de Engelen, ze staan op van hun stoel, lopen door de kring terwijl ze zingen:


…..daar dansen blij de engeltjes, in Regis Curia, Halleluja, Halleluja!

Daarna lopen de Engelen naar de stal.

Verteller:
In deze nacht wordt stil en zacht, Maria haar kindje gebracht.
(Engel geeft Maria haar kindje)
Maria neemt Hem in haar armen en dekt Hem toe om te verwarmen.

De Engelen blijven in de stal.
Maria wiegt haar kindje.

Allen zingen:


Maria spreekt: Jozef…. Jozef….wordt eens wakker! En ze zingt
Jozef, liefste Jozef mijn, help eens wiegen ons kindekijn.
Hij zal onze verlosser zijn, het Kerstekind/Jezuskind en Maria.


Jozef is wakker en komt gauw naar Maria en spreekt: verbaasd
Ohhh Maria…. Het kindje is geboren?
Wat een lief neusje, wat een mooie ogen….
Snel ga ik naar de Waard om te vragen,
of we nu warm naar binnen kunnen voor een paar dagen.

Jozef neemt het lampje mee en loopt naar de 3e Waard.
Hij tikt 3x met zijn staf op de grond en roept:
Waard, waard, (de Waard gaat staan)
Ons is vannacht een Kind geboren, in de stal is het bijna bevroren.
Nu wil u vragen, of we nu in uw huis kunnen voor een paar dagen?
De Waard spreekt:
Beste man, ik gaf het je graag, maar er zijn al zoveel gekomen vandaag.
Van kelder tot zolder alles is vol. Ik heb echt geen bed, zie zelf maar hoe je je redt!
Langzaam loopt Jozef terug, als hij weer bij Maria is spreekt hij:
Ach Maria, er is nog geen plaatsje daarbinnen, wat zullen we toch beginnen?
Ik weet het al! We leggen het Kind in de kribbe in deze stal!
Allen zingen:


Ondertussen zet Jozef het kribje voor Maria neer. Maria legt voorzichtig het Kindje in het hooi van de kribbe.
Verteller:
En boven de stal daar spreekt de ster, de stralen stralen heel erg ver.
Ook daar waar de herders waren op het veld, Zij hadden zojuist hun schaapjes geteld.

1e herder Stiechel zegt:
Brrrrr, wat is het koud vannacht, laat eens zien wat je hebt meegebracht?
2e herder Witok zegt:
Lekker spek kreeg ik van mijn vrouw,
(gaat op de grond zitten, maakt zijn tas open en deelt uit)
één voor jou, één voor jou en één voor jou.
Ze eten samen, smakken (eventueel een boertje laten)
Na het eten spreekt Gallus al gapend:
We kunnen vannacht met de schapen, wel even buiten slapen.

Nu gaan ze liggen, de schapen dichtbij.

Dan komen de Engelen en zingen terwijl ze rond de herders lopen:


…..daar dansen blij de engeltjes, in Regis Curia, Halleluja, Halleluja!

De Engelen zingen staand: [bij muzikanten en leidster]


De Engelen lopen achter elkaar de kring weer uit, terug naar de stal.

De Herders worden wakker en rekken, strekken en gapen. Ze kloppen kun kleertjes af en doen hun mutsjes goed.
Stiegel zegt:
Luister eens goed, mijn beste broers. Engelen kwamen ons bezoeken,
zodat wij het Kindje gaan zoeken! Mmmm even denken,
wat zal ik eens gaan schenken? Een kruikje melk neem ik mee,
dan is Hij vast tevree!
Gallus spreekt:
Ik geef een plukje wol van het schaap zijn vacht, dat is lekker warm én zacht!
Witok spreekt:
En ik neem mee een heel klein lam, waar het Kind mee spelen kan.
Ze staan met z’n drieën bij elkaar en dansen en zingen:
Kom we gaan naar Bethlehem, doedeldiedeldoedeldiedelda
Jezus mijn, Kindekijn, vreugde moet bezongen zijn!
Dan gaan ze op weg, lopen buiten om de kring al tastend met hun stokken op de grond.
Allen zingen:


Als ze de kring rond zijn spreekt Stiegel:
Wat is het toch donker!
Gallus spreekt:
Waar zou het toch zijn?
Witok houdt zijn hand boven zijn ogen, tuurt en kijkt naar de ster en spreekt:
Ik zie daar een nieuwe ster, oh wonder, dat Kind is vast en zeker heel bijzonder!
Ze lopen verder:
Stiegel zegt:
Ik zie reeds een huis van strooi, Laten we vragen,
Of in het stalletje klein, Is geboren het kindekijn.

Ze komen bij de stal, ze gaan bij het stalletje staan.
Ze tikken met hun staf op de grond en roepen zacht:
Hallo daar, hallo? Is daar iemand binnen? Hallo?

Jozef pakt het lampje en komt aangelopen en spreekt:
Wat zoekt gij hier beste herdersvrienden?
Stiechel spreekt:
Beste man, wij hoorden engelen en zagen een ster.
Een Kindje zou zijn geboren, is het hier misschien,
En mogen wij het eventjes zien? We brengen melk, wol en een lammetje mee.
Jozef spreekt:
Herdersvrienden, kom binnen. Hier zijn jullie goed!
Ze nemen hun muts af en leggen de stokken neer. Ze komen binnen en knielen bij het kribbetje neer. Schaapjes zitten achter de herders.
Allen zingen:


Eén voor één geven de herders hun geschenken, het kleine lam gaat tussen Os en Ezel zitten.
Maria spreekt: Dank lieve Herders voor jullie geschenken en dat jullie hier gekomen zijn!
Wij zullen vast nog vaak aan jullie denken. En zie het Kindje wordt nu moe,
Ga zoetjes weer naar jullie schaapjes toe.
De Herders gaan staan, buigen en spreken:
Dag Maria, dag Jozef, dag lief Kindekijn!
Wij gaan iedereen vertellen, die het maar wil horen,
dat het Kindje vannacht is geboren!

Nu lopen ze achteruit de stal uit, buigen nogmaals, draaien zich om. Ze zetten hun mutsjes weer op en nemen hun stokken weer mee. De schaapjes volgen…..

Ze buigen langzaam buitenom de kring.

Ze komen terug in de kring.
Stiechel spreekt:
Wat een Kindje mooi, liggend in het hooi.
Gallus spreekt:
En geboren in een stal, het Kind dat iedereen blij maken zal.
Witok: spreekt:
Laten we gaan het gaan vertellen aan iedereen, en zeggen dat we Hem zelf hebben gezien.

Ze zingen en dansen nogmaals:

Kom we gaan naar Bethlehem, doedeldiedeldoedeldiedelda
Jezus mijn, Kindekijn, vreugde moet bezongen zijn!

Dan doet Jozef de geschenken in de tas.
Maria neemt het Kindje in haar armen, onder de mantel om het te verwarmen.
Os, Ezel en Lam lopen er achteraan.
De Engelen gaan voor het stalletje staan.
Engelen voorop, dan Maria, Jozef, Lam, Os, Ezel, Waarden, Herders en Schapen.
Allen lopen buitenom de kring terwijl ze zingen:


Allen komen uiteindelijk in de kring staan.
Aan het einde van het lied maakt iedereen een buiging naar elkaar, eventueel naar de ouders en nogmaals naar elkaar.
Dan gaan ze zitten op de stoel.
De kleertjes gaan uit, worden netjes opgevouwen en gaan terug in de doos. Of……
Als afsluiting hebben de kleuters gezongen, een buiging gemaakt en zijn blij dat ze klaar zijn. Vlug mogen ze naar hun ouders, kleertjes mogen aanblijven of als dat gewenst wordt in de kledingkratten, kleuters ontvangen complimentjes en knuffeltjes en krijgen heerlijke zelfgebakken sterrenkoekjes [door de ouders en de klas zelf gebakken], nadat ze wat koek en sap hebben gehad, krijgen ze hun kaars [met wollontengel] uitgedeeld en de ouders krijgen een kerstkaart.
Nog één keer komen de kleuters in de kring voor de gangbare afsluiting met als laatste Engel van God ontfermer, wees altijd mijn beschermer,
Houdt helpend bij mij de wacht, ’s ochtends, ‘s avonds, dag en nacht.
Wil ziel en lichaam behoeden en wil mij leren al het goede.


En dan zingen ouders en kinderen samen:

We wish you a merry christmas, we wish you a merry Christmas,
we wish you a merry Christmas and a happy New year.
Good tidings we bring, to you and your kin,
We wish you a merry Christmas and a Happy New Year.

En zo is het!!!!!
Fijne Kersttijd toegewenst en goede vakantie!


I
Jozef=j
Maria=m
Os en ezel= o en ez
Engel= e [ster, kindje, vleugels]
Waarden: w 1, w2, w3
Herder: h1, h2, h3
Schaapjes= s en l
Muzikantjes= m

Mandala’s om te kleuren

Kaarten


Boeken



Transparanten

.

Met toestemming van de auteur, waarvoor dank!

.

Kerstmis: alle artikelen

Kleuters en peuters: alle artikelen

Jasrfeesten: alle artikelen

Kerstspelen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Kerstmis    jaartafel

.

2671-2501

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Michaël (54)

.


.
Tim van Tongeren, 29 september 2021
.

Van Michaël naar Theodore en Joris in 1300 jaar
.

Vandaag vieren we het feest van de aartsengel Michaël die op aarde
verpersoonlijkt wordt door ridder Joris. Ondanks het feit dat het Michaëlsfeest zelden nog buiten de antroposofische gemeenschap wordt gevierd zijn we als sofen in goed gezelschap wanneer we naar de geschiedenis kijken.

Sint-Joris (George) van Cappadocië (soms ook van Lydda genoemd) zou geboren zijn in AD 270 in Lod in het huidige Israël en liet het leven op 23 april 303 in Nicomedia, het huidige Izmir in Turkije. Joris is de beschermheilige van vele landen en gebieden waaronder Engeland, Georgië, Catalonië en Moskou. Zijn naamdag wordt gevierd op 23 april. Het is twijfelachtig of Sint-Joris ooit echt heeft bestaan en weinig informatie is bekend over zijn leven. Bronnen uit de 5de en 6de eeuw geven tegenstrijdige informatie over zijn martelaarschap, maar het algemene beeld is dat Joris een Romeinse legerofficier was, geboren in Cappadocië (Zuid-Turkije) uit Griekse ouders. Dit spreekt dus de eerdergenoemde geboorteplaats tegen.

Als de feestdag van Joris op 23 april is, hoe komen we dan aan 29 september voor ons Michaëlsfeest? Dit komt omdat de legende van de draak pas veel later aan Joris is toegeschreven dan vaak gedacht. De allereerste tekstuele vermelding van Joris en de draak stamt uit de 11de eeuw en de eerste icoon die mogelijk Sint-Joris en de draak verbeeldt is gedateerd in de 10de eeuw.
Toen het Christendom nog jong was in onze streken werd het temmen van de draak, een verpersoonlijking van Lucifer, toegeschreven aan de aartsengel Michaël. Een engel overlijdt echter niet en heeft ook geen verjaardag, dus 29 september moet niet worden gezien als een van deze traditionele ijkpunten. Op 30 september, ergens in de vijfde eeuw, werd er in Rome een kerk gewijd aan aartsengel Michaël. Enige tijd eerder was hij op de plaats van de kerk in persoon verschenen. Uit bronnen blijkt dat op het Concilie van Mainz in AD 813 is besloten dat 30 september de feestdag zou worden ter ere van Sint-Michaël en alle engelen. Deze datum zou verband houden met het gebeuren in Rome zo’n 400 jaar eerder. Omdat feestdagen traditioneel op de vooravond al begonnen is de viering uiteindelijk op 29 september beland.
Ik kwam erop om dit stukje te schrijven toen ik tijdens mijn werk gisteren toevallig (of niet?) stuitte op een bewerkte carneool afkomstig uit een vroegmiddeleeuws graf in Nederland (zie foto).
Carneool met uitsnede van een strijder te paard die een slang verslaat. Afkomstig uit een Romeinse soldatenring en hergebruikt in een Merovingisch sieraad. (Rijksmuseum van Oudheden – Leiden).
.
Op de steen is een afbeelding te zien van een ruiter die een draak verslaat. Hoewel het graf gedateerd kan worden in de 5de of 6de eeuw is de steen van Romeinse makelij. Dergelijke stenen, met allerlei soorten afbeeldingen, zijn afkomstig uit soldatenringen en werden regelmatig hergebruikt in sieraden in de Merovingische periode (ca. AD 400-750). Het zou weleens de oudste afbeelding van Sint-Joris en de draak in Nederland kunnen zijn! Als we goed kijken zien we echter dat de draak meer op een slang lijkt en als we onze blik verruimen zien we ook dat dit soort iconografie in de Romeinse tijd veel voorkwam, lang voordat Joris aan de draak werd gelinkt in de 10de of 11de eeuw.
Het beeld van de draak, als de verpersoonlijking van Lucifer, is waarschijnlijk ontstaan uit de iconografie van de slang in het Paradijs die aanleiding gaf tot de zondeval. Vroege afbeeldingen van de draak, zoals op de carneool, zijn daarom meer slangachtig. De eerste aanleiding tot de transformatie van slang naar draak in de toen nog kerkelijke legende over Michaël en Lucifer zou uit het Romeinse leger afkomstig kunnen zijn. In de laat-Romeinse tijd, rond het einde van de 2e eeuw, ontstond er een traditie onder cavalerie-legioenen om ten strijde te trekken met een vaandel in de vorm van een draak.
Replica van een drakenvaandel dat werd gebruikt door de Romeinse cavalerie vanaf de late 2e eeuw.
Dit vaandel was gemaakt in 3D met een metalen kop en een kleurrijke staart. Dit vaandel, dat vliegerachtig was, heeft in Duitsland geleid tot de naamgeving ‘Drache’ aan een vlieger. De tegenstanders van de Romeinen waren dus letterlijk ruiters die een draak versloegen.

De iconografie van de strijdende ruiter is natuurlijk een klassieker en gaat terug op de Romeinse en Griekse traditie van het afbeelden van de Thracische ruiter of held, met name op de Balkan en in Klein-Azië. Deze heldenruiters waren onderdeel van volksgeloof, mythes en verhalen. Tezamen met de iconografie van de slang kwam zo’n heldenruiter bijvoorbeeld ook op de carneool terecht. Op een reliëf uit de tweede eeuw zien we een heldenruiter die de slang aanvalt in de appelboom (zie foto).

Afbeelding van een Thracische ruiter die een slang in een appelboom bevecht. Dit brengt de iconografie van de ruiter-strijder en de slang-draak samen. (2e eeuw).
Een duidelijke link tussen de slang uit Genesis en de heldenruitercult.
In de vroege periode van het christendom werden deze heldenruiters gekerstend en zo ontstonden steeds meer de ons bekende heiligen te paard. Een van de oudst bekende afbeeldingen van een heilige te paard is een icoon van Sint-Theodore welke gevonden is in Vinica in Noord-Macedonië en stamt uit de 6de of 7de eeuw. Het vernoemen waard is het feit dat Theodore hierop staat afgebeeld met een Romeins drakenvaandel in de hand. Een ander icoon uit dezelfde stad laat een afbeelding zien van Sint-Christoffel en – waarschijnlijk – Sint-Joris. Beide heiligen vertrappen hier slangen met menselijke gezichten en richten speren op hen.
Een icoon met Sint-Theodore (links) en Sint-Joris (rechts). Opvallend is dat Sint-Theodore de draak verslaat terwijl Joris het opneemt tegen een mens (Sinaï – Egypte, 10e eeuw).
Dichterbij huis, in Maastricht, werd in de Karolingische tijd (ca. AD 750 – 990) een Romeinse ruiter afgebeeld die een slang vertrapt. Hij wordt geflankeerd door twee heiligen met speren en zwaarden. Deze afbeelding stond op de sokkel van een rijkversierd kruis dat tot de 18e eeuw in de crypte van de Sint-Servatiusbasiliek werd bewaard. Het stuk is verloren gegaan, maar een tekening ervan bevindt zich in de Bibliothèque Nationale de France in Parijs.
Iconen uit de tiende eeuw in grotkerken in Cappadocië laten verschillende heiligenruiters zien die slangen en meerkoppige serpenten verslaan. Een steeds terugkerende ruiterheilige hierbij is Sint-Theodore. Een icoon, in zeer slechte staat, laat naast Theodore een ruiterheilige zien die soms wordt geïdentificeerd als Joris. Beide heiligen vallen hier een serpent aan die veel weg heeft van een draak.
Muurschildering van Sint Theodore en Sint Joris die samen een slang verslaan. (Grotkerk in Cappadocië – Turkije, 11de eeuw).
Mogelijk gaat het hier om de oudst bekende afbeelding van ‘onze’ Sint- Joris en de draak. In een kerk in de buurt van Kolchida op het Griekse vasteland is een tiende-eeuws icoon aanwezig van drie bereden heiligen die een draak aanvallen. In dit geval gaat het waarschijnlijk om de heiligen Demetrius, Theodore en Joris. Het is opvallend dat het in bijna alle gevallen gaat om meerdere heiligenruiters die samen optrekken tegen het kwaad. Dit idee van broederschap, afkomstig van Castor en Pollux, zonen van Zeus, past goed binnen het beeld van de groepsziel die in deze tijd nog prominenter was.
Sint-Christoffel en -waarschijnlijk – Joris die samen een slang verslaan. De broederschap die nodig is om het kwaad te overwinnen in beeld. (Vinica – Noord-Macedonië, 11de eeuw)
In een elfde-eeuwse tekst uit Georgië wordt Joris voor het eerst genoemd als drakentemmer. Bovendien komen er geen andere heiligenruiters aan te pas. In de 11de en 12de eeuw verspreidt zich dan ook voor het eerst de huidige bekende legende over Joris en de draak en het redden van de prinses. De overgang van Theodore naar Joris gaat geleidelijk. In een kapel in Palermo op Sicilië is bijvoorbeeld nog een twaalfde-eeuwse afbeelding bekend van Theodore te paard die de draak verslaat. De originele legende speelde zich in eerste instantie af in Cappadocië maar verplaatste zich in latere versies uit de 13de eeuw naar Libië. In z’n oude vorm staat het verhaal wel bekend als de ‘Gouden Legende’. Waarschijnlijk via deze route komt het verhaal uiteindelijk in Noordwest-Europa terecht en raakt in de late middeleeuwen mateloos populair.
Ridder Joris verslaat de draak en redt de prinses. Een afbeelding uit het manuscript ‘Legenda Aurea’. (Parijs, AD 1383).
Ondanks, of dankzij, Joris zijn we de aartsengel Michaël gelukkig niet vergeten. Tijdens ons geliefde Michaëlsfeest wekken we niet alleen hem maar ook een prachtig stukje geschiedenis en volksgeloof tot leven. 
Sint-Joris verslaat de draak. (Icoon uit Rusland, 15de eeuw).
Fijne Michaëlstijd!
.
(Publicatie met toestemming van de auteur)
.

Michaël– alle artikelen

Verhaal van Sint-Joris

VRIJESCHOOL in beeldMichaël

.

2626-2460

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St-Jan (36)

.

De Sint-Janstijd in het ritme van het jaar

Tim T. M. van Tongeren 21 juni 2021
.

Het feest van Sint-Jan, de naamdag van Johannes de Doper, neemt in verschillende opzichten een bijzondere plaats in op de kalender van antroposofische feesten. Als we letterlijk naar de kalender kijken, lijkt het feest wat eenzaam aan het begin van de zomer. Het sluit niet direct aan bij het rijtje
van voorjaarsfeesten welke elkaar opvolgen vanaf carnaval en het past al helemaal niet op een logische manier in het rijtje van de najaarsfeesten dat met Michaël begint. Als we dieper ingaan op de achtergronden van midzomer en Sint- Jan dan komen we er achter dat het schijnbare alleen staan van het feest niet zo zeer moet worden opgevat als eenzaamheid, maar meer als onafhankelijkheid.
Zowel vanuit een voorchristelijk als een christelijk perspectief markeert het feest een moment van overgang en het kiezen voor een nieuwe individuele koers. Bij nadere bestudering blijkt er wel degelijk een verbinding te zijn met de feesten van het voorjaar en de herfst en dus met verleden en toekomst.
Op de vrijeschool vindt de viering meestal kort voor het begin van de zomervakantie plaats en is daarom vaak eveneens een marker voor een transitie. De overgang komt in verschillende vormen, van schooltijd naar vakantie, van de ene klas naar de andere, van kleuterklas naar onderbouw of van de
basisschool naar de middelbare school.

Johannes de Doper

De naam Sint-Jan komt van Sint-Johannes, en het Sint-Jansfeest markeert de naamdag van Johannes de Doper. De Bijbel verhaalt over de aartsengel Gabriël die de bejaarde priester Zacharias bezoekt en hem meedeelt dat zijn onvruchtbare vrouw, Elizabeth, toch een zoon zal baren. De zoon moet de
naam Johannes dragen. Een dergelijk bezoek van een aartsengel en de aankondiging van een geboorte zullen de meesten van ons voornamelijk kennen uit het kerstverhaal.
Zes maanden na de aankondiging van de zwangerschap aan Zacharias verschijnt de engel Gabriël voor Elizabeths jongere nicht Maria en vertelt haar dat zij moeder zal worden van een zoon genaamd Jezus. Na de geboorte van Johannes op 24 juni zou het exact zes maanden duren voor Jezus geboren werd op 24 december.

Johannes de Doper wordt vaak omschreven als een wegbereider, boeteprediker of ‘de laatste profeet van de Joden’. De aanduiding ‘wegbereider’ geeft aan dat Johannes voorbereidend werk doet. Hij maakt de mensheid klaar voor de komst van Jezus en voor de impuls die Hij zal brengen. Bij de aanduiding ‘boeteprediker’ moet niet direct gedacht worden aan straffen of boete doen, maar aan reflectie, erkenning van fouten, vergeving, goede voornemens en een nieuw begin. Door Johannes aan te duiden als de laatste profeet van de Joden wordt de suggestie gewekt dat er iets tot een einde komt en dat er iets anders en nieuws op stapel staat voor de toekomst. In al deze hoedanigheden staat Johannes dus voor de komst van een verandering of overgang. De kern van deze verandering is de overgang van een oude manier van geloven naar een nieuw manier van geloven en van collectiviteit naar individualiteit.

De oorsprong van het Sint-Jansfeest en de thematiek

De oorsprong van het Sint-Jansfeest moet gezocht worden in de vieringen rondom midzomer in de voorchristelijke periode. De langste dag en kortste nacht van het jaar vallen tegenwoordig op 21 juni en staan dus lijnrecht tegenover de kortste dag en de langste nacht op 21 december. De huidige data voor deze twee astronomische ijkpunten zijn door veranderingen aan de opzet van de kalender met de jaren wat verschoven. Deze verschuiving blijkt uit het feit dat de christelijke feesten welke verbonden zijn aan de langste en kortste dag iets later vallen, namelijk op 24 juni (Sint-Jan) en 24 december (kerstavond).
Naast het markeren van een jaarlijks terugkerend astronomisch ijkpunt had het midzomerfeest waarschijnlijk een belangrijke spirituele significantie. Net zoals evident wordt uit de thematiek rond het Sint-Jansfeest markeerde de midzomerviering in de voorchristelijke periode reeds een belangrijke verandering en overgang. Deze overgang was, net als bij Sint-Jan, verbonden aan het spirituele leven, maar stond in de voorchristelijke periode ook in nauwe verbinding met het aardse ritme van het agrarisch jaar en het welzijn van de gemeenschap.

Het doel van dit artikel is om een beter en meer diepgaand inzicht te krijgen in de thematiek rond het Sint-Jansfeest. Om de christelijke thema’s, die best complex zijn, goed te kunnen begrijpen is het belangrijk om bij het begin te beginnen, in de periode voordat monotheïstische godsdiensten de overhand kregen in Noordwest-Europa. Er wordt achtereenvolgens gekeken naar de verbinding tussen de voorchristelijk mens, de kosmos en de gemeenschap, de thematiek van het agrarisch jaar, de weerspiegeling van deze thematiek in de mens, de voorchristelijke elementen in de huidige Sint-Jansviering, de verbinding van Johannes met het oude geloven en de transitie naar individualiteit.

De verbinding tussen de voorchristelijke mens en de kosmos

Door het grotendeels ontbreken van geschreven bronnen is er zeer weinig bekend over de beleving van bijvoorbeeld spiritualiteit en het denken van mensen in de voorchristelijke periode. Door jarenlang archeologisch onderzoek is er wel meer bekend over het materiele leven en handelen van deze mensen, maar voor daadwerkelijke inleving ontbreekt dus een essentiële schakel.

Een aantal van de bekendste materiele overblijfselen uit de voorchristelijke periode zijn de monumenten van Stonehenge en Avebury in Engeland en Newgrange in Ierland. Deze drie bouwwerken weerspiegelen alle op hun eigen manier een relatie met de werking van zon en maan.
Dit leert ons dat men oog had voor maanstanden, toenemende en afnemende zonuren en de veranderende positie van hemellichamen aan het firmament. Gezien de levensomstandigheden in de voorchristelijke periode, met name voor aanvang van de Romeinse tijd, is dit ook logisch. Men was in eerste instantie afhankelijk van jagen en verzamelen en in de periode daarna van kleinschalige
landbouw. Overleving kon alleen verzekerd worden in geval van een goede oogst, welke op haar beurt weer afhing van kennis van landgebruik, neerslag, zonuren en de seizoen cyclus.

Wat we tegenwoordig niet goed meer begrijpen is de functie van veel van de genoemde prehistorische bouwwerken, maar een spirituele significantie is zeker niet ondenkbaar. Voor het overleven was men dusdanig sterk afhankelijk van de natuur, weersomstandigheden en de veranderende zonnestand dat
het verbinden hieraan van goddelijke krachten slechts een kleine stap moet zijn geweest.
Met onze huidige wetenschappelijke kennis kunnen we bijzondere

meteorologische of astronomische

verschijnselen vaak op een bevredigende
manier duiden. Het zonder deze voorkennis zien van een zonsverduistering kan echter heel beangstigend zijn geweest. Als de zon zou besluiten niet meer terug te komen dan zou immers de dood volgen. Een hevige hagelbui die de oogst verwoestte viel het ene jaar wel en het andere jaar niet. Waarom? Blijkbaar had je iets verkeerd gedaan, iemand kwaad gemaakt en was dit je verdiende loon.
In het kort komt het er dus op neer dat afhankelijkheid om te overleven nauw verbonden was met kosmische bewegingen en verschijnselen. Dit boezemde ontzag in en leidde tot het ontstaan en de verering van verschillende godsbeelden. Onverklaarbare natuurlijke fenomenen leidden tot twijfel aan de juistheid van het eigen handelen en boezemden angst in voor het temperament van goden en godinnen.

Zonder te weten hoe dit alles precies werd beleefd is ook bekend dat er naast goden en godinnen op een meer aards niveau rekening werd gehouden met bovennatuurlijke krachten en entiteiten. Niet alleen goden en godinnen konden zaken als vruchtbaarheid, oogst en persoonlijk welzijn beïnvloeden,
maar ook natuurwezens, voorouders en geesten. Ook dit heeft waarschijnlijk te maken met het willen verklaren van het ongrijpbare. Goden en godinnen zijn in een andere dimensie en blijven wat abstract.
De aanwezigheid van spirituele wezens die weliswaar onzichtbaar, maar toch om ons heen in onze eigen wereld zijn, spreekt meer tot de verbeelding en is daardoor tastbaarder.

Uiteraard wordt er hier een ietwat eenzijdig beeld gepresenteerd. De meningen over het al dan niet werkelijk bestaan van natuurwezens, geesten en dergelijke zijn verdeeld en mogelijk was men in die tijd in staat om ‘helderder’ te zien dan de meeste mensen nu doen. Omdat dit alles niet bekend of niet zeker is, kies ik er echter voor om te blijven bij de zaken die we weten of die binnen ons huidige
referentiekader goed voor te stellen zijn, zonder daarmee andere visies te willen diskwalificeren.

Wat er uit het bovenstaande duidelijk wordt is dat er onder de voorchristelijke mens een sterke spirituele band lijkt te hebben bestaan tussen hemel en aarde. Deze band werd heel letterlijk gereflecteerd in de verbinding tussen het agrarisch ritme en dat van de hemellichamen maar ook meer figuurlijk in de relatie tussen hemelse goden en godinnen enerzijds en aardse natuurwezens anderzijds.

Wanneer men leest over de achtergronden van het Sint-Jansfeest dan wordt deze verbinding vaak aangegeven en menselijk gemaakt met het beeld van de boom. Met de kruin in het kosmische nemen we licht (verlichting, kennis) tot ons en met de wortels in de aarde staan we sterk en nemen wij voedsel/brandstof tot ons. Deze elementen zijn beide nodig om door middel van het proces van leven
een spirituele groei door te maken.

De driehoek tussen goden, aarde en de groepsgeest

Hoewel het beeld van de boom prachtig is, wordt er voorbijgegaan aan een essentieel element, namelijk de collectiviteit of groepsgeest. Niet alleen hebben wij mensen kennis en voeding nodig om spirituele groei door te maken, maar ook een stevige basis om op te bouwen. Deze veilige basis werd in de voorchristelijke periode gevormd door afkomst, collectiviteit en devotie. Hierbij moet worden gedacht aan het individu wat zichzelf identificeert aan de hand van een verbinding met de lokale omgeving, de stam, de familie, het volk of een andere groep. Via de geboorte werd bepaald bij welke groep je hoorde en automatisch werd je onderdeel van zowel een groepsidentiteit als van iets wat misschien het beste kan worden omschreven als een groepsindividualiteit of groepsgeest. De nadruk bij het denken, geloven en het maken van keuzes lag dus niet op individuele wensen, kansen en aspiraties van de mens, maar op de groepsgeest en het gezamenlijke welzijn. Een collectief bewustzijn in plaats van een individueel bewustzijn en een zogenaamde top-down structuur waarbij de groep voor sturing een beroep deed op een leider. Dit kon een stamhoofd zijn, een voorouder, maar ook een godheid.

Zoals eerder gezegd is er vanuit de preshistorie weinig bewijs voor spirituele zaken anders dan enkele archeologische aanknopingspunten. Vanuit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen zijn er echter ook geschreven bronnen die dergelijke systemen en processen belichten. Misschien wel het bekendste geschrift waarin het belang van de voorouders en het collectief naar voren komt is de Bijbel, en dan met name het oude testament. Denk hierbij aan de afstammingslijn van Abraham die veelvuldig genoemd wordt of aan Jozef die voor de volkstelling van Nazareth in Galilea naar Bethlehem in Judea moest, omdat hij afstamde van het geslacht van David, wat oorspronkelijk uit deze stad kwam.

Als we het voorchristelijke geloof willen begrijpen, dan moeten we dus het beeld van de boom nemen en hieraan een essentiële zijtak toevoegen. Wat abstracter kun je uitgaan van een gelijkbenige driehoek die kosmos, aarde en afkomst verbindt. Het harmonieuze samenspel van deze drie elementen is in de huidige tijd soms lastig voor te stellen voor mensen die in noordwest Europa en al
dan niet met een monotheïstische godsdienst zijn opgegroeid. In andere delen van de wereld echter is het veel normaler en nog altijd heel relevant.

Het jaarritme in de natuur

Zoals spiritualiteit en godsbeelden nu verschillen per land of regio, zo verschilden zij vroeger ook. Het is dus niet mogelijk om in zijn algemeenheid over voorchristelijke tradities te spreken. Alleen al in Noordwest-Europa zien we een menging van Keltisch, Germaans en Noords. Deze drie stromingen brachten op regionaal en lokaal niveau ook weer variaties met eigen goden, natuurwezens,
voorouders, tradities en feesten. Omdat de voorchristelijke feesten overal zo verschillende zijn en er geen duidelijke namen bekend zijn uit de tijd is er voor gekozen om in deze tekst de neopaganistische namen te gebruiken welke aan de feesten werden gegeven in de jaren zestig van de twintigste eeuw.

Als we kijken naar het voorchristelijke jaar en de verbondenheid daarvan met het jaarritme van de natuur dan kunnen er in principe twee belangrijkste thema’s onderscheiden worden. Het eerste hoofdthema is vruchtbaarheid en groei, wat samenvalt met de maanden januari tot en met juni. Het tweede hoofdthema is oogst en verval, wat samenvalt met de maanden juli tot en met december. Als we iets gedetailleerder kijken dan zien we dat de twee hoofdthema’s op hun beurt opgedeeld kunnen worden in ieder twee sub thema’s, waardoor feitelijk een verdeling van het jaar ontstaat in vier fases, De vier fases zijn relevant voor de natuur gedurende het agrarisch jaar, maar weerspiegelen ook de stadia van het menszijn in onszelf. Ze kunnen als volgt omschreven worden: opgroeien, geslachtsrijpheid, rijping en aftakeling. Soms wordt een andere bewoording gebruikt, bijvoorbeeld geboorte, vruchtbaarheid, reproductie en sterven.
Vier verschillende fases in het jaar betekent ook vier verschillende overgangsmomenten. In de natuurlijke zin worden deze momenten gemarkeerd door de zonnestand en daardoor de daglengte.
De eerste fase loopt van midwinter tot de lente-evening, de tweede van de lente-evening tot midzomer. Fases drie en vier worden vervolgens gescheiden door de herfstevening. Deze vier belangrijke overgangspunten in het jaar werden in de voorchristelijke periode achtereenvolgens gemarkeerd door Yule, Ostara, Litha en Mabon. Deze feesten worden in de antroposofische kalender weerspiegeld door Kerstmis, Pasen, Sint-Jan en Michaël.

Op de viering van de kortste dag, (Yule –Kerstmis), wordt het licht wedergeboren en breekt de lichte helft van het jaar aan. Deze periode van zes maanden staat dus in het teken van vruchtbaarheid en groei en worden ook wel de periode van uitademing van de aarde energie genoemd. Het wedergeboren licht groeit gedurende zes maanden naar een hoogtepunt en bewerkstelligt daarbij verschillende dingen. In eerste instantie werkt het licht wekkend (Imbolc – Maria Lichtmis) en naarmate het aan kracht wint stimuleert het vroege groei en vruchtbaarheid (Ostara – Pasen).

Rond Beltane (Hemelvaart/Pinksteren) bereikt deze vruchtbaarheid een hoogtepunt en groeit de zonnekracht nog een klein beetje verder naar zijn maximale energieniveau.
Wanneer dit niveau bereikt is (Midzomer – Litha – Sint-Jan), vindt een kentering plaats en begint het licht af te nemen. De dagen worden korter en de energiesterkte neemt af. Net als Yule/Kerstmis is Litha/Sint-Jan dus een belangrijk overgangsfeest. In dit geval switchen we van de lichte naar de donkere helft van het jaar en van uitademen naar inademen. Het thema vruchtbaarheid en groei wordt vervangen door oogst en afname.

Zoals bekend zijn de overgangen rond midwinter en midzomer niet abrupt. Kosmisch gezien worden zij omgeven door een korte periode van een aantal dagen waarbij er nauwelijks afname of toename van het licht plaatsvindt. Solstitium is een ander woord voor zonnewende en komt van de Latijnse woorden sol (zon) en sistere (stoppen of blijven staan). Vanuit een aards perspectief is de overgang gevoelsmatig zelfs nog veel geleidelijker dan in werkelijkheid. De eerste echte kenmerken van het toenemende licht en de groeiende levenskracht na Yule – Kerstmis merken we bijvoorbeeld pas rond Imbolc – Maria Lichtmis, ruim een maand later.
Hetzelfde geldt voor de kenmerken van het afnemende licht en de terugtrekkende levenskracht welke voor het eerst zichtbaar worden rond Lughnasadh op 1 augustus. Dit feest kondigt de eerste oogst aan en heeft geen directe tegenhanger in de antroposofische feestkalender. In de katholiek-christelijke kalender wordt het feest van Lughnasadh min of meer weerspiegeld door Maria-Hemelvaart op 15 augustus. Deze datum markeert het zes weken punt na Sint-Jan, is de afsluiter van de warmste periode van het jaar en vanaf dat moment beginnen veel vruchten en bessen te rijpen.
Deze rijping komt tot een hoogtepunt rond Mabon – Michaël, wanneer ook de eerste signalen van verval in de natuur zich beginnen af te tekenen. Het verval komt vervolgens tot een hoogtepunt in de dood, welke samenvalt met de laatste oogst tijdens Samhain – Sint-Maarten. Kort daarna begint de adventstijd welke ons in alle rust voorbereid op het begin van een nieuwe cyclus.

Het natuurlijk ritme in onszelf

De natuurlijke cyclus welke zich gedurende een jaar buiten voltrekt, wordt direct en op verschillende manieren gereflecteerd in de mens. Eerder werd er op een grote schaal al een verband gelegd tussen de onderverdeling van het jaar in vier fases en de relevantie daarvan gedurende de levensloop van de mens, namelijk opgroeien, geslachtsrijpheid, rijping en aftakeling. Op een heel kleine schaal zou je deze thema’s ook in een dag uit het mensenleven kunnen herkennen, namelijk opstaan, werken, relaxen/verwerken en gaan slapen.

Buiten de hele grote en de hele kleine cycli maakt de mens ook gedurende een jaar een vergelijkbare reis door de vier fases. De midwinterperiode is zowel in de natuur als in de mens een tijd van relatieve rust. Gedurende de eerste zes maanden van het jaar, de periode van uitademing, gaat de mens van binnen naar buiten. Na een lange donkere winter gaan we vaker de natuur in, zitten we steeds wat vaker in de tuin en wordt het buiten zijn aangenamer. Onze actieradius
vergroot zich als het ware, op eenzelfde wijze als de aarde-energie gedurende deze periode uitzet.
Door het toenemende zonlicht wordt groeikracht in de natuur gestimuleerd en ook in ons mensen. We zijn actief in het voorjaar en geïnspireerd om onze plannen en wensen uit te voeren. Een andere manier om dit uit te drukken is door te zeggen ‘we krijgen de geest’. Dit proces van verwijding van onze energie wordt weerspiegeld door de antroposofische jaarfeesten tussen Kerstmis en Sint- Jan.
We volgen de groei van het menselijk bewustzijn in verschillende stappen, beginnende bij de geboorte van het lichtbewustzijn met Kerstmis. Vervolgens passeren we achtereenvolgens het wekken van het bewustzijn in ons mensen (Maria Lichtmis), de toepassing van het bewustzijn om onze levensmissie te verwezenlijken en de ontvangst van de kracht die daarvoor nodig is (Pasen), het
verbinden van onze daden met- en het aanschouwen van de uitwerking er van in een groter wereldverband (Hemelvaartsdag) en de ontvangst van het hogere bewustzijn om op onze daden te kunnen reflecteren (Pinksteren).

In de periode tussen Pinksteren en Sint-Jan groeit het bewustzijn naar zijn maximale omvang. Hierin spiegelt het de energie van de aarde welke nu zo ver is uitgezet dat je zou kunnen zeggen dat rond Sint-Jan hemel en aarde elkaar raken en samensmelten. Ook in planten en bomen is de energie nu op zijn hoogtepunt. Alles is groen, fris en nog niet ten prooi gevallen aan de verschroeiende hitte van de zomer. Onze actieradius is nu ook letterlijk op z’n grootst. De zomervakantie breekt aan en we reizen af naar mooie plekken elders in het land of zelfs daarbuiten.

Door het vakantiegevoel vergeten we de dagelijkse beslommeringen die we door de komst van het hogere bewustzijn met Pinksteren juist vaak extra zwaar voelden rond eind mei en begin juni. Hoewel het natuurlijk heerlijk is om de beslommeringen even te vergeten schuilt hierin ook een gevaar. Het is namelijk goed mogelijk dat, wanneer de zomerse extase te lang duurt, we de rode draad van het hogere plan van ons leven vergeten. Mocht dit gebeuren, dan kan het resulteren in de beroemde ‘Midsummer madness’ welke door Shakespeare vereeuwigd werd in zijn komedie de Midzomernachtsdroom.

Vanaf Sint-Jan worden de dagen korter en begint het aardse proces van inademing. Langzaam wordt de energie teruggetrokken en dat is na een tijdje ook merkbaar in onszelf. Na de zomerse extase van eind juni en juli wordt het terugtrekkingsproces in augustus evident wanneer we langzaam uit de
zomerse roes ontwaken en ons weer bewust worden van het levenspad dat we volgen. Het is gedurende de maanden augustus en september dat we deze rode draad door ons levens soms heel sterk voelen. Na aanvankelijk misschien de draad kwijt te zijn geraakt, lijkt het alsof het samensmelten van aardse en hemelse energie ervoor gezorgd heeft dat we weer even een inkijkje kregen in het plan dat achter ons leven schuil gaat en we herinnerd werden aan essentiële dingen die we gedurende de loop van het jaar vergeten waren. Dit moment van herinneren valt samen met de periode van de eerste oogst in de natuur en beide geven ons een prille beloning voor het werk in de eerste helft van het jaar.
Het hernieuwde zicht op ons levenspad kan prettig zijn en sturend werken, maar kan ook confronterend zijn. Dit laatste is het geval als blijkt dat gestelde doelen niet gehaald zijn en grote wensen niet vervuld. De maand september wordt doorgaans gekenmerkt door reflectie en het maken van goede voornemens. Wat heb ik het afgelopen jaar goed en minder goed gedaan? Hoe ga ik dit het
komende jaar anders en beter doen? De periode van reflectie komt tot een hoogtepunt rond Michaël en het resultaat ervan spiegelt de tweede en doorgaans rijkste oogst die de natuur ons rond dezelfde periode biedt. Hoe goed of slecht die oogst is, fysiek en spiritueel, hangt dus grotendeels af van ons handelen in de eerste helft van het jaar.

Naast het aanbreken van een periode van spirituele reflectie gedurende de vroege herfst begint ook langzaam het proces van naar binnen gaan. We keren terug van vakantie, gaan weer naar school of aan het werk, pakken de draad van sport en hobby weer op. De aarde-energie wordt teruggetrokken en dit wordt langzaamaan gereflecteerd in de vallende blaadjes in de periode tussen Michaël en Sint-Maarten. Ook wij mensen maken het binnen weer gezellig. De tuinstoelen en barbecues gaan de schuur in en worden verruild voor een dekentje op de bank en de openhaard.
Met Sint-Maarten brengen we het licht symbolisch naar binnen in de aarde door een kaarsje aan te steken in een biet of knol. Waar we met Michaël een begin hebben gemaakt met de reflectie op onze individualiteit en eigen keuzen zien we met Sint-Maarten hoe deze keuzes anderen beïnvloeden. We realiseren ons dat we voor een ander klaar moeten staan en als goed mens moeten leven om de
transitie naar groei en ontwikkeling te kunnen maken. Sint-Nicolaas verbeeldt eenzelfde soort thematiek, maar laat ook zien dat goed gedrag beloond zal worden wanneer het mensen-ik zo puur mogelijk is. Vervolmaking van de puurheid van onze intenties als individu vindt plaats gedurende advent. In deze afwachtingsperiode van de geboorte van het licht en het bewustzijn komen we het diepste tot onszelf. Klaar om aan een nieuw cyclus te beginnen.

Lucifer en Sint-Jan

Wie zich enigszins in de antroposofie heeft ingelezen kent het principe van balans in het leven tussen de invloeden van Lucifer en Ahriman. Luciferische
invloeden zijn licht en brengen je als het ware buiten jezelf en in een staat van extase, dicht bij het spirituele. Ahrimanische invloeden zijn zwaar en gericht op zelfzucht en materialisme. Beide krachten zijn nodig om een balans te bereiken waarin wij mensen goed gedijen en spirituele vooruitgang kunnen boeken. Te veel van iedere kracht werkt negatief of zelfs destructief.
Bij het lezen van deze kenmerken van de Ahrimanische en Luciferische krachten wordt de link met de jaarcyclus misschien al duidelijk. Tijdens de periode van Sint-Jan zijn we als mens in de wolken. De lucht is dun, vluchtig en zindert in de zomerzon. We zijn buiten onszelf, in extase en kunnen soms vergeten waar het in ons leven om draait. Dit is de hoogtijperiode van Lucifer. Tijdens de periode rond Kerstmis is het omgekeerde aan de hand. We zijn diep in ons eigen binnenste gekropen en focussen op onze individualiteit. De reflecties van de herfst maken ons soms onzeker of boos en geven ons een zwaar gemoed. We zijn binnen en missen wat er om ons heen gebeurt. We focussen op onze ‘ik’ in een veilig afgebakende wereld. De winter is de tijd van Ahriman.
Wanneer deze negatieve en potentieel destructieve uitersten zo duidelijk zichtbaar zijn rond midzomer en midwinter dan betekent dat een staat van balans in het voorjaar en in de herfst, rond de feesten van Pasen en Michaël. Dit klopt ook wanneer men kijkt naar een van de thema’s rond Pasen, namelijk het bezit nemen van de kracht en het bewustzijn om onze levenstaak uit te voeren.
Met andere woorden, rond Pasen zijn de omstandigheden het gunstigst om het plan tot uitvoer te brengen waarmee we incarneerden en om te doen wat we als mens moeten doen ten einde spirituele vooruitgang te boeken. Voor Michaël geldt dit ook omdat rond die tijd een staat bereikt is waarin de voor- en nadelen van ons handelen afgewogen kunnen worden en er dus inzicht is in de beste manier om onze levenstaak voort te zetten.

Sporen van het voorchristelijke in de viering van midzomer en Sint-Jan

Zoals eerder aangegeven is er heel weinig bekend over de wijze waarop het
midzomerfeest gevierd werd door onze voorouders. Zoals het geval is bij de meeste voorchristelijke feesten zal het element vuur ongetwijfeld een rol gespeeld hebben. Uit landen zoals Ierland en Duitsland is bekend dat vreugdevuren vaak op hoge punten in het landschap werden ontstoken. Het is mogelijk dat de naam ‘Litha’ een oud Germaans woord voor berghelling is, hoewel er ook weleens wordt geduid op de mogelijke verwijzing van de naam naar het woord ‘licht’. Aan het maken van vuren op hoge plaatsen wordt soms de uitleg verbonden dat mensen op die manier dichter bij de goden zouden zijn. Het is echter twijfelachtig of dit waar is. De vieringen van zonnewendes en eveningen
waren hoogtijdagen waarbij verschillende groepen onderling contact maakten. Door het vuur op een hoog punt in het landschap te ontsteken is het in de wijde omtrek zichtbaar. Op deze manier wordt via de verschillende vreugdevuren een verbinding gecreëerd tussen naburige groepen in een bepaald gebied.

In nagenoeg alle landen waar er vandaag de dag nog aandacht wordt besteed aan de viering van midzomer speelt vuur een belangrijke rol. De meeste moderne vieringen worden gehouden op de avond van 21 juni, maar soms wordt ook 23 of 24 juni gekozen. De midzomertijd is daarmee een periode en niet per se een vast moment. In Ierland wordt midzomernacht ook wel bonfire night genoemd, of wel de nacht van de vreugdevuren. Er zijn vuren door het hele land, er is vuurwerk, eten, drinken en volop Keltische muziek. In Oostenrijk vindt jaarlijks een parade van schepen op de Donau plaats en wordt er vuurwerk afgestoken vanaf de bergtoppen. In Noorwegen worden grote vreugdevuren gebouwd en vinden schijnhuwelijken plaats. Deze symboliek van het huwelijk doet ons
antroposofen denken aan de Pinksterbruid- en bruidegom die geassocieerd worden met de vruchtbaarheidsfeesten van het voorjaar. In Denemarken is de viering van midzomer sterk beïnvloed door de Vikingen en zijn niet de heuvels maar juist de kustgebieden in trek. Je vindt de vreugdevuren vaak op stranden en langs meren. Een soortgelijke connectie tussen de midzomerviering en de zee
zien we in Spanje waar ook vreugdevuren en vuurwerkshows op de stranden plaatsvinden. Het is mogelijk dat dit in het veelal katholieke Spanje verband houdt met de feestdag van Johannes de Doper. Het vuur staat voor de zon en midzomer en het water staat voor de doop.

Op de vrijeschool is het Sint-Jansfeest vaak een uitbundige bijeenkomst vol muziek, zang en dans. De hoofden worden versierd met bloemenkransen en indien nog toegestaan wordt er een vreugdevuur aangelegd. Traditiegetrouw wordt het Sint-Jansvuur met fakkels aangestoken door de kinderen uit de hoogste klassen. Zij kunnen op deze lange avond de verantwoordelijkheid aan om voor het vuur te zorgen en de veiligheid te bewaken. Tegen het einde van de avond, wanneer de vlammen niet hoog meer zijn, kan er over het vuur gesprongen worden. Buiten de vrijeschooltraditie in Nederland en elders in Europa zien we dit gebruik ook nog terug bij de midzomervieringen in Letland en Estland.
De traditie van het springen over vuur gaat mogelijk terug naar de voorchristelijke periode. Er wordt aangenomen dat aan vuur een reinigende werking werd toegeschreven die negatieve energieën of kwade geesten verdreef. Tevens werkte het vuur beschermend. Kwade entiteiten die geassocieerd werden met de naderende donkere helft van het jaar werden door het vuurritueel op afstand gehouden. Om dezelfde reden werd ook vee in deze tijd van het jaar tussen twee vuren doorgeleid. Naast reiniging zou dit tevens de vruchtbaarheid voor het volgende jaar bevorderen.

Binnen de vrijeschooltraditie worden er ook verbindende krachten toegeschreven aan het Sint-Jansvuur. Door eroverheen te springen word je als het ware opgetild door de warm lucht en op die manier dichter bij het goddelijke gebracht. Samen springen met een geliefde of vriend zorgt dat de springers één worden. Dit versterkt de band die vervolgens beter bestand is tegen de turbulente herfstperiode.
Het springen over vuur kan tevens gezien worden als een rite de passage. Het
markeert een verandering, een nieuw begin. Dit is uiteraard letterlijk zo, want we springen de tweede helft van het zonnejaar in terwijl de zon zelf over zijn hoogtepunt springt, maar ook figuurlijk, een sprong van het ene schooljaar in het andere bijvoorbeeld.

Bij de midzomerviering in Finland, maar vooral in Zweden speelt de meiboom een belangrijke rol. Wij noemen de meiboom naar de maand mei omdat hij in Nederland en ook bijvoorbeeld in Groot-Brittannië verbonden is aan de vruchtbaarheidsfeesten van het voorjaar. In Zweden wordt de meiboom midsommarstång genoemd en vormt het epicentrum van de festiviteiten. De meiboom wordt liggend versierd met groen en linten waarna hij rechtop gezet wordt en het feest kan beginnen. Er volgt een avond en nacht vol eten en drinken, dans, bloemenkransen, gezellig samenzijn en het vinden van een geliefde.

Van de midzomernacht wordt wel gezegd dat er een magische energie vanuit gaat welke de natuur doordringt. Het is dus bij uitstek de nacht om kruiden en medicinale planten te plukken, waaronder het sintjanskruid. Het dragen van bloemenkransen en de traditie van het versieren van de meiboom met groen zijn hier mogelijk ten dele van afgeleid. In Denemarken was het eens gebruikelijk om tijdens midzomer (Sankt Hans) vlierbloesem te bakken in boter en aan kinderen te serveren. Door de magische krachten in de vlier rond deze tijd van het jaar zouden zij een jaar lang geen koorts krijgen.

Uit dit beknopte overzicht van de viering van het midzomerfeest op verschillende plaatsen in Europa blijkt dat er verscheidene thema’s centraal staan. In de eerste plaats is dit de overgang, onder andere gesymboliseerd door het springen over vuur. In de tweede plaats is er de viering van vruchtbaarheid, liefde en verbondenheid, onder andere weerspiegeld in de schijnhuwelijken in Noorwegen, de paringsdansen rond de meiboom in Zweden en Finland en de samensmelting die optreedt wanneer er samen met een geliefde over het vuur gesprongen wordt. Op vrijescholen in Nederland en een aantal omringende landen past dit thema meer bij Pinksteren, wat nogmaals benadrukt dat bepaalde tradities en gebruiken op nationale of regionale schaal verschillend kunnen zijn. Een derde thema is de maximale energie, gesymboliseerd door de zonnekracht en weerspiegeld in de vele vuren. De relevantie van de energie in de natuur zien we ook terug in het idee van de magische krachten die verborgen liggen in de midzomernacht en in de uitbundigheid waarmee het midzomerfeest vaak gevierd wordt. Tot slot is er het thema van de reiniging. Het vuur heeft een reinigend effect en zo gaan we compleet gezuiverd de nieuwe fase van het jaar in. In de christelijke traditie is deze purificatie terug te vinden in het ritueel van de doop en dus eveneens gelinkt aan midzomer en de feestdag van Johannes de Doper.

De Johannesindividualiteit en de oude manier van geloven

Zoals het geval is voor veel hoofdpersonen uit de Bijbel gaat de tekst over de persoon, in dit geval Johannes, maar staat deze persoon eigenlijk symbool voor iets groters. Dit ‘groters’ duidt vaak op een invloed of een kracht die doorwerkt in verschillende incarnaties en/of vanuit de kosmos. In het geval van Johannes de Doper spreken we van de Johannesindividualiteit. Rudolf Steiner stelt dat de Johannesindividualiteit slecht te herkennen is in specifieke incarnaties. Dit bijvoorbeeld in tegenstelling tot de individualiteit van de aardsengel Michaël welke we duidelijk zien in ridder Joris. Rudolf Steiner noemt de Johannesindividualiteit ook wel de oer-Adam, wat betekent dat hij aan de basis zou staan van de gehele mensheid en ieder persoon dus een klein beetje van de individualiteit in zich heeft. Volgens Steiner is de Johannesindividualiteit ook te zien in het geestelijke wezen Elia welke een leidende rol speelt voor het Joodse volk.

De verschillende stadia van de Johannesindividualiteit zijn belangrijk omdat ze verwijzen naar de oude manier van geloven. Wanneer we terugdenken aan de voorchristelijke mens en de driehoek tussen hemel, aarde en groepsgeest wordt duidelijk dat de Johannesindividualiteit symbool staat voor de collectiviteit en de top-down manier van geloven. De Johannesindividualiteit als oer-Adam staat aan de basis van de levenskracht van de gehele mensheid. Het wordt daardoor een ‘persoonlijkheid’ die op een voetstuk staat. De groep, in dit geval de mensheid, kijkt omhoog naar hem in afwachting van verlichting en leiderschap. In het geval van de Johannesindividualiteit als de Eliakracht geldt min of meer hetzelfde. Het Joodse volk kijkt collectief omhoog en ontvangt als groep sturing vanuit de geestelijke wereld.

De naam Johannes

De aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper werd vergezeld van een aanwijzing over de te kiezen naam. Dit was niet voor niets en de naam Johannes heeft dan ook een symbolische betekenis, namelijk ‘de door God
begenadigde’. Johannes was dus door God uitverkoren voor een belangrijke taak. Een andere betekenis van de naam die soms genoemd wordt is Jo-(Jod)-Hannes, ofwel drager van het ‘ik’ of drager van de individualiteit. Hoewel het niet helemaal duidelijk is waar deze betekenis precies van afgeleid is kan wel worden gesteld dat hij zeer tekenend is voor de taak van Johannes de Doper. De betekenis ‘drager van het ik’ geeft een staat aan waarin je jezelf bewust bent geworden van je eigen individualiteit als mens. Dit staat dus in contrast met de collectiviteit of groepsidentiteit die we zien in de voorchristelijke periode. Namen die van Johannes of Johanna zijn afgeleid, zoals Hannes, Hans, Hanna en Anna missen het ‘Jo’ element en zijn dus als potentiële dragers nog op weg om de eigen individualiteit te vinden of te ontdekken. Dit is de reden waarom karakters met degelijke namen vaak opduiken in sprookjes en daarin zonder het te beseffen een reis ondernemen van het ene stadium van zijn naar het andere. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan Hans uit Hans en Grietje.

Jezus als brenger van het individuele bewustzijn

Wie mijn stuk over Hemelvaartsdag heeft gelezen weet dat het leven van Jezus er op gericht was om God weer dichter bij de mens te brengen en de verbinding tussen mens en kosmos te helen en tastbaarder te maken. De bewerkstelliging hiervan geschiedde in verschillende stappen die gedurende de eerste helft van het jaar op diverse momenten gevierd en herdacht worden. Met carnaval dragen we allemaal een vermomming en een masker. Dit symboliseert het feit dat wij onze eigen ‘ik’ of individualiteit niet kennen. We leven het aardse bestaan wat slechts een klein onderdeel is van wie wij werkelijk zijn. Ons wezen, in spirituele zin, is tijdens het aardse leven aan ons oog onttrokken.

Op Goede Vrijdag sterft Jezus aan het kruis. Dit is een fysieke dood. Het masker wordt afgezet en de
ware Jezus, de Christus, wordt zichtbaar wanneer hij vanuit het aardse niveau het spirituele niveau bereikt. Alvorens dit te kunnen doen wordt gezegd dat Jezus na de kruisiging afdaalt in de diepste en donkerste gelederen van de hel om daar het licht te brengen. Dit is een metafoor die wij als mens op onszelf kunnen betrekken. Ieder mens heeft goed en kwaad in zich. Vaak echter hebben we er moeite mee om het kwaad in onszelf te onderkennen terwijl we trots zijn op het goede en dat graag willen laten zien. Je ware aard ligt in het midden, op de balans van goed en kwaad. Als je deze ware ik wilt leren kennen zul je dus eerst, naast de goede kanten ook de kwade kanten van jezelf moeten onderzoeken en begrijpen. In andere woorden, om het goede te begrijpen moet je ook het kwade kennen. Door het exploreren van goed en kwaad in onszelf ontstaat ruimte tussen de twee polen waarin ons ware spirituele zelf zich kan manifesteren.
Eenzelfde beeld is toepasbaar op Jezus gedurende Goede Vrijdag en Pasen. Hij sterft zijn fysieke dood aan het kruis, daalt af in de hel en leert zijn ware aard kennen. Door deze gebeurtenis kan hij door de dood heen overgaan van een fysiek naar een spiritueel leven. Om deze ervaring met de mensheid te delen keert Jezus, nu Christus, terug op Paaszondag in een tijdelijk opstandingslichaam.

In de 40 dagen tussen Pasen en Hemelvaart is Christus op
aarde in zijn opstandingslichaam en onderwijst hij de apostelen. Op Hemelvaartsdag voegt Christus zich bij de hemelse vader in de kosmische laag en tijdens dit proces strekt zijn etherkracht zich dusdanig uit dat het alles en
iedereen op aarde omvat of binnendringt. Doordat wij tijdens Hemelvaart deze universele groeikracht hebben ontvangen kan de verbinding tussen de mensheid en God hersteld worden. Omdat de Christuskracht ons bewustzijn voor het goddelijke heeft heropend wordt het voor de mens mogelijk om met Pinksteren de heilige geest te ontvangen en hiervan doordrongen te raken. Deze goddelijke energie is een hoger bewustzijn en stelt ons in staat om de eigen individualiteit te ontdekken en weerspiegeld te zien in het goddelijke. In een voordracht uit 1908 beschrijft Rudolf Steiner dat we vanaf Pinksteren kunnen ervaren dat het eigen ik en de goddelijke vader één zijn.

Deze ervaring luidde een nieuw tijdperk in waarin we het goddelijke ook in onszelf konden zoeken en vinden in plaats van enkel in de kosmos. De mens moest niet langer naar boven kijken in afwachting van goddelijke sturing of begeleiding, maar deze hulp juist zoeken in het innerlijk weten van de eigen individualiteit. Het was als het ware de wekking van de intuïtie, van een innerlijke drijvende kracht waarop vertrouwd kon worden. Van top-down spiritualiteit ging men naar bottom-up spiritualiteit. In plaats van wachten op een teken van hogerhand kon vanuit het individu actief contact worden gezocht met het goddelijke in tijden van nood en verwarring door bijvoorbeeld gebed of meditatie.
Door het toegenomen belang van de individualiteit werd het collectief steeds minder belangrijk. Oude verbanden zoals de stammen en familielijnen waren door het individuele vertrouwen minder noodzakelijk en verdwenen op den duur grotendeels in de westerse wereld. Uiteraard was dit een lang proces wat in Noordwest-Europa tot in de middeleeuwen duurde.

De rol van Johannes de Doper

Voorafgaand aan de grote overgang van het oude naar het nieuwe geloven die Jezus zou bewerkstelligen was het noodzakelijk dat het volk op de nieuwe tijd werd voorbereid. Dit was de taak van Johannes en zijn middel om hiervoor zorg te dragen was de doop. Johannes doopte mensen in de rivier de Jordaan en dat ging er minder zachtzinnig aan toe dan het dopen wat we gewend zijn van de
meeste hedendaagse kerkelijke stromingen.
De doop bestond uit volledige onderdompeling en er wordt wel gezegd dat de dopeling dusdanig lang
onderwater gehouden werd dat er een bijna-doodervaring ontstond. Tijdens dit proces ontvouwde zich voor de dopeling een terugblik op het aardse leven en dus het verleden. Door het overgangsritueel van de doop werd er gewezen op de toekomst die anders zou zijn dan het leven uit de voorchristelijke periode.
Uiteraard moet ook deze beschrijving van het doopsproces met enig voorbehoud benaderd worden omdat geen bewijs voor handen is. In ieder geval is het duidelijk dat de doop staat voor een overgang of transformatie. Naast een ‘rite de passage’ is de doop ook een reinigingsritueel. De dopeling wordt ontdaan van het oude en het ‘ik’ wordt gezuiverd voor de ontvangst van de christuskracht of Heilige Geest.

Midzomer en Sint Jan verbonden

Wanneer we de grote lijnen van de voorchristelijke midzomertradities naast de christelijke sintjanstradities leggen is het thema ‘overgang en verandering’ in beide evident. Aan de basis staat de letterlijke overgang van de lichte naar de donkere helft van het jaar, de zichtbare zonnewende die het natuurlijke ritme sterk beïnvloed. In het agrarisch jaar uit de voorchristelijke periode brengt de
zomerzonnewende een overgang van de periode van vruchtbaarheid en groei naar de periode van oogst en afsterving. In ons mensen is dit de verandering van uitbundigheid naar inkeer, van groeien naar aftakelen, van actie naar reflectie. In relatie tot Sint-Jan zien we dit prachtig terug. De periode tot Sint-Jan staat garant voor levensenergie en groei als individu door het steeds sterker wordende licht van Jezus in onszelf. Op weg naar individualiteit volgen we als mensheid
dit leidend licht. Na Sint-Jan is Jezus niet fysiek meer aanwezig om ons te leiden maar moeten we vertrouwen op onze eigen individualiteit en op het innerlijke licht wat ons met Pinksteren geschonken werd. We zien dit proces terug in de jaarfeesten. Voor Sint-Jan staan alle feesten in het teken van Jezus, licht en de spirituele ontwikkeling van de mensheid als een groep. Na Sint-Jan staan alle jaarfeesten in het teken van onszelf, het naderende donker en de ontwikkeling van het individu door reflectie en purificatie van onze intenties en levensstijl.
In de voorchristelijke traditie bracht het vuur ons de reiniging die nodig was om te reflecteren op het voorbije groeiseizoen en om op een pure manier met de goden en natuurwezens in contact te treden om zo voorspoed af te smeken voor het komende jaar. In de sintjanstraditie wordt de reiniging verzorgd door het ritueel van de doop. Door de purificatie zijn we in staat om het goddelijke in ons te ontvangen en te herkennen en hiermee vol goede moed de donkere helft van het jaar in te gaan. In pure eerlijkheid kunnen we zo reflecteren, onszelf verbeteren als mens en waardig worden om Jezus en het licht weer tegemoet te treden in de kerstnacht.
Het thema liefde, vruchtbaarheid en verbondenheid komt in de voorchristelijke periode in de eerste plaats naar voren door de saamhorigheid die past bij de viering van midzomer. Door het maken van vuren op hoge plaatsen wordt een verbinding gemaakt tussen verschillende groepen. Het dansen rond vuren en meibomen brengt mensen tot elkaar en in sommige gevallen wordt tijdens deze feestavond actief gezocht naar een levenspartner. Door over het vuur te springen met een geliefd persoon smeed je een nog sterkere verbondenheid die bestand is tegen een stootje. In de christelijke traditie van Sint-Jan uit de verbondenheid zich duidelijk in het begin van een vernieuwde en versterkte connectie tussen god en individu, tussen hemel en aarde. Johannes maakt het mogelijk dat de afstandelijke verbinding tussen een groep en een abstracte kosmische kracht overgaat in een persoonlijke relatie tussen het individu op aarde en Christus of God in zichzelf. Een kracht die liefdevol begeleidend zou moeten zijn in plaats van dwingend sturend.

Tot slot is er het thema van de maximale energie welke de wereld in een goudgele gloed hult wanneer de aardse energie zo ver is uitgezet dat aarde en kosmos samensmelten. In de voorchristelijke periode wordt de maximale energie herkent in alle bomen en planten die rond midzomer tot de hemel rijken. In de
midzomernacht worden aan planten magische krachten toegeschreven en in sommige tradities ook aan dieren, natuurwezens of entiteiten. De zonnewarmte en energie wordt inzichtelijk gemaakt door middel van de vele vuren en de extase waarin er feest wordt gevierd. De energetische lading kan eenvoudig midzomerzotheid veroorzaken en hierop moeten wij mensen ons bedacht zijn. In de Christelijke sintjanstraditie komen hemel en aarde ook samen op het moment dat de Heilige Geest over de mensheid wordt uitgestort. In de Bijbel wordt er
gesproken over vlammen die branden op de hoofden van de apostelen. Deze metafoor staat in verbinding met de vuursymboliek van midzomer en verbeeldt de sterke energie die past bij deze gebeurtenis. Het goddelijke wordt in de mens gewekt en dus worden aarde en hemel onlosmakelijk met elkaar verbonden. Hoewel dit dus al met Pinksteren gebeurt, is het enkel mogelijk door het werk
van Johannes en daarmee is hij, samen met de Christus, de verpersoonlijking van die verbindende energie. Doordat we nu op onze innerlijke intuïtie en godskracht kunnen vertrouwen zou het makkelijker moet worden om tijdens de midzomerextase de rode draad van ons leven niet te verliezen. Aan ons mensen de taak om deze sterke innerlijke energetische stroom gaande te houden op weg naar individuele groei en persoonlijke reflectie onder aanmoediging van de heiligen van de herfst.

Een warme en stralende Sint Jan en zonnewende gewenst!

© T. T. M. van Tongeren, 2021.
Niets uit deze tekst mag worden vermenigvuldigd, verspreidt of openbaargemaakt zonder voorafgaande toestemming van de auteur. Vraag voorafgaand aan plaatsing op blogs, websites, sociale media e.d. ook altijd om toestemming

Met toestemming van de auteur geplaatst, waarvoor dank.

Het sprookje van Hans en Grietje

Sint-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

2558-2394

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (30)

.
Een kleine terugblik op de folklore van Pinksteren.

Mellie Uyldert over verborgen wijsheid van oude rijmen
.

DE PINKSTERBRUID

Verscheen de levensgeest in het voorjaar bij voorkeur als paas-haan of paas-haas, in de zomer treffen wij hem vaker in een vrouwelijke gestalte aan, o.m. als de Pinksterbruid of de Pinksterblom. Waarschijnlijk hangt dit samen met de gestalte van Moeder Aarde als de Germaanse godin Irtha of Hertha, wier feest nog lang gevierd is in haar heiligdom in de duinen bij Kraantje Lek (bij Haarlem), op de tweede maandag in augustus: Hertha’s Dag, wat verbasterd is tot Hartjesdag – waarop nog altijd vuurtjes gestookt worden door de jeugd in de Amsterdamse Jordaan! Gebruiken blijven, al wisselen hun interpretaties mét de verandering in het menselijk denken!

De Pinksterbruid was waarschijnlijk oorspronkelijk een meikoningin die op de eerste mei werd rondgedragen, nadat aan de vooravond allerlei gebruiken hadden plaatsgevonden, zoals het planten van de bloeiende tak voor het raam van de alderliefste, en het rechtspreken door de opgeschoten jongens, die de op het erf van onbeminde dorpelingen aangetroffen bezittingen op een grote hoop onder de dorpslinde op de brink neergooiden, waar de getroffenen dan maar moesten komen zoeken!

Op de zaterdag voor Pinksteren, de z.g.. Luilak, gaat de jeugd er al vroeg op uit om te dauwtrappen, eertijds een plechtige ommegang op blote voeten door de bedauwde velden in de vroegte, om alle kwade stoffen aan de aardbodem kwijt te raken, als voorjaarsreiniging en – heiliging. Nu is dat meestal ontaard in een belletje-trekken bij de langer slapende volwassenen, waarbij de kinderen een enorm lawaai maken door het slaan op metalen voorwerpen, onder het roepen van: Luilak!

Daarna pleegt men in Haarlem naar de bloemenmarkt te gaan en daar een plant te kopen ter ere van de lente, en dat is waarschijnlijk overgebleven van het vroeg naar de wei gaan en daar bloemen plukken om de pinksterkrans te maken, zoals dat nu nog op Terschelling gebeurt. De meisjes plukken daar veel varens en wollegras, meidoorntakken, boterbloemen en harlekijnorchis, wat op hoepels gebonden wordt tot kransen en nog meer versierd met gekleurde eierschalen en knipsels. Met deze pinksterkransen trekt men de boeren tegemoet als zij van het melken terugkomen, en in ruil voor zo’n krans, die de boer om de hals gehangen wordt, geeft hij dan een emmertje verse melk. Aan de pinksterpaal worden tenslotte de kransen opgehangen.

In vele plaatsen moet dan ’s avonds het pinkstervuur worden gestookt en om aan brandstof daarvoor te komen, loopt de jeugd het dorp door met een mooi versierd meisje, dat als pinksterbruid boven op een plank staat te pronken, terwijl de jongens die plank op de schouders torsen, al zingend:

Hier is onze fiere pinksterblom,
en ik zou haar zo graag eens wezen:
met haar mooie kransen op het hoofd,
en met haar rinkelende bellen!
Recht is recht, krom is krom,
zeg, blief je nog iets te geven voor de
fiere pinksterblom?
Want de fiere pinksterblom moet vóórt!

Boer, ik vraag jou voor de laatste maal:
heb je soms nog takkebossen?
In het duister stoken wij een vuur,
dat fikt en vlamt en dat knettert!
Vuur en vlam! Rook en smook!
Zeg, danst misschien je mooie Trineke
deze avond ook
met de fiere pinksterblom in ’t rond?

Bij elke boerderij wordt dit lied gezongen, waarop de bewoners wat brandstof afstaan, die op de handkar geladen wordt, welke door de achterhoede van de stoet wordt voortgeduwd.

Op de pinksteravond brandt dan het pinkstervuur, waar omheen gedanst wordt, en overheen gesprongen ’om het hele jaar niet ziek te worden’. De pinksterblom rinkelt met de belllen aan polsen en enkels en schudt de versierde haren – het kan een meisje of een jongen zijn – zwaait met de arm en stampt met de voet: de levensgeest die het heil brengt!

.
Pinksteren en Hemelvaart: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

2519-2362

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Maria-Lichtmis (4)

.

Maria-Lichtmis
.

Maria-Lichtmis – het feest waarmee we de Grote Advent, ook wel de lichtjesfeesten, afsluiten.
De benaming is afkomstig uit de Katholieke kerk, bij deze mis hield iedere kerkganger een kaars vast. De gehele mis is gewijd aan Maria. Maria-Lichtmis is het feest van Moeder Aarde. Ze geeft vruchtbaarheid, verzorging, omhulling, draagkracht, warmte. In alle culturen werd de aardegodin aanbeden. De grote moeder Freya bij de Germanen, Demeter bij de Grieken, Ceres bij de Romeinen. Zoals alle feesten heeft ook dit feest een voor-christelijke oorsprong. In dit feest vallen Moeder Aarde en Maria samen.                                                                  

Zes weken voor kerstmis zijn we met een klein lichtje begonnen op 11 november. De warmte van de zomerzon was bewaard in de donkere aardeknol. Het was een herinnering aan de zon en tegelijk een verwachting van het licht dat komt. De kerstnacht bracht het eerste nieuwe sterrenlicht. En op driekoningen waren de dertien sterrennachten voorbij. Nu is de sterrenkracht de aarde ingetrokken. Moeder Aarde heeft het in zich opgenomen. De grond draagt het hemellicht en brengt straks nieuwe vruchten voort. De aarde gaat nu laten zien wat de hemel heeft geschonken.

De dagen worden langer, we hebben geen kaarslicht meer nodig. De kaarsrestjes en stompjes die we de afgelopen tijd hebben opgespaard worden in de aarde tussen de plantjes gezet en opgebrand.
We smelten bijenwas in halve walnootdoppen met een lontje en laten die brandend drijven in een schaal met water. Zolang de kaarsjes branden zingen we liedjes die we gezongen hebben tijdens de gehele lichtperiode, dus van Sint-Maarten tot nu.

Op school wordt dit feest voornamelijk door de kleuterklassen gevierd. De kaarsjes worden aangestoken en het licht wordt naar de aarde buiten gebracht. De kinderen zingen samen en zo wordt de Grote Advent afgesloten.

Het is een feest dat klein gevierd wordt. In de avond kun je thuis ook de laatste kaars stompjes branden, de liedjes zingen en samen een lekkere pannenkoek eten.

Bron: Vrijeschool Amersfoort

.

Maria-Lichtmis: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle jaarfeesten

.

2449-2298

.

.

.