Categorie archief: jaarfeesten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (43)

.

Hans Harres, Der Elternbrief 04-1992
.

wij vieren Pasen
.

Tot het leven van de mens in het ritme van het jaar behoren al sinds ‘de eeuwigheid’ de vier jaarritmen: lente, zomer, herfst en winter.
Is het ‘toeval’ of de bedoeling van hogere geestelijk-goddelijke machten dat ook de grote feesten die de christenheid in het jaar viert, dikwijls aan het begin van een nieuw jaargetijde liggen?

Tegen het begin van de lente, dus in maart of begin april wordt het paasfeest gevierd. Pasen is wat de datum betreft een beweeglijk feest; het valt – door een besluit van het Concilie van Nicea in 325 altijd op de eerste zondag na de eerste volle maan van de lente.

De voorloper van Pasen daarentegen, het joodse paasfeest, viel steeds precies op de eerste vollemaansdag na het begin van de lente, zonder rekening te houden met de dag van de week.

Het eerst mogelijke feest kan dus volgens de huidige regeling op 22 maart vallen, het laatste op 25 april, daar zitten dus 35 dagen tussen. Van deze datum is ook die van Pinksteren afhankelijk; dit hoort dus ook tot de beweeglijke feesten.

Bij het begin van de zomer en wel op 24 juni wordt het Sint-Jansfeest ter herinnering aan Johannes de doper gevierd, dikwijls met grote vreugdevuren. In dit jaargetijde staat bij ons de zon op de zomerdag om 12 uur in de middag op het hoogste punt; dit is de langste dag en daar tegenover staat dus de kortste nacht.

Het Michaëlsfeest vieren de christenen tegenwoordig zeker niet meer zo als een 100 jaar geleden, dus bij het begin van de herfst wanneer dag en nacht even lang zijn.

Bij het begin van de winter, op 21 december,  de kortste dan en langste nacht beleven, wordt het zeker bekendste (en waarschijnlijk door de geschenken ook het meest gewilde) van alle christelijke feesten gevierd op 25 december: Kerst als het geboortefeest van Jezus Christus.

Maar niet alleen de christenen vieren hun grootste feesten aan het begin van een nieuw seizoen, ook veel andere ‘natuur’volken, heidense enz. hadden op deze tijdstippen uit kosmische wijsheid en kosmisch weten dikwijls hun heilige feesten.

Waar komt de naam Pasen vandaan

De naam Pasen (omdat dit artikel uit het Duits werd vertaald staat hier Ostern) komt als Ostern alleen in het Engels (Easter)  en het Duits voor. Hij berust blijkbaar op een vergissing. De kerklatijnse naam voor paasweek (Osterwoche) ‘Albae paschales’ werd abusievelijk lang verwisseld met het Oud-Hoogduits ‘austro’ – in het meervoud: ostarun – wat zoveel betekent als ‘morgenrood’. Rond ongeveer 600 na Chr. kwam deze verkeerde naam in Engeland door de vertalers van Augustinus, die de Angelsaksen tot het christelijk geloof bekeerd had.

Zeker bestaat ook de afleiding van de naam Ostern uit het Germaanse spraakgebruik die toch nog meer van toepassing lijkt. Lang voor de Germanen bekeerd werden, vierden ze het feest van de lentegodin Ostara aan het begin van de lente en het is vrij zeker dat deze naam later door de bekeerde Germanen voor het feest van de opstanding van Jezus – Ostern – werd overgenomen.

Hoe vieren we Pasen met de kinderen
.
De christelijke opvatting, de christelijke cultuur verbindt met het paasfeest de kruisiging en de lichamelijke dood van Jezus Christus op ‘de eerste’ Goede Vrijdag in de wereldhistorie en zijn opstanding drie dagen later op de historisch ‘eerste’ paasmorgen. Voor de gelovige en belijdende christen behoort wat er met Pasen plaatsvindt tot de centrale gebeurtenis van de geschiedenis der mensheid; volgens zijn inzicht en geloof is Jezus Christus voor alle mensen voor hun verlossing als mens geboren en heeft hij ook de fysieke dood (door de kruisiging) geleden en op zich genomen.

Daarom is het wel te begrijpen dat met name in het verleden, gelovige ouders, kerkelijke en niet – kerkelijke opvoeders – van godsdienstfanaten afgezien – er betrokken mee bezig waren de historische achtergrond en de betekenis van Goede Vrijdag en Pasen de kleine kinderen zo vroeg als mogelijk mee te geven en te verklaren, opdat zij zoveel mogelijk ‘goede’ en gelovige christenen zouden worden.

Het kan zijn dat deze goed bedoelende mensen juist het tegenovergestelde hebben bereikt: welk kind zou dood en opstanding nu al in begrippen kunnen vatten. Hebben wij zelf als volwassenen niet vaak problemen met het begrijpen van de diepere achtergronden van de werken van Christus en zijn daden en uitspraken?

Zijn er andere, misschien betere mogelijkheden om aan de kinderen het paasfeest op het niveau van hun leeftijd bij te brengen, de gebeurtenissen voor hen levendig te omschrijven?

Pasen in de natuur

Het paasfeest is onlosmakelijk verbonden met het begin van de lente. Naar aanleiding van deze bijzondere tijd van het jaar waarin het nieuwe leven uit de door het winterproces afgestorven natuur weer opnieuw ontspringt, werd sinds mensenheugenis bij vele volken een opgewekt, vrolijk voorjaarsfeest gevierd en werden de goden dank en offers gebracht. Oorspronkelijk was het lente- respectievelijk paasfeest noch joods noch christelijk, het was een ‘heidens’ feest. De weer uitlopende, ontkiemende natuurkrachten hebben de ‘doodskrachten’ van de winter overwonnen; de hoop voor het nieuwe begin, de hernieuwde opstanding van licht- warmte- en groeikrachten kiemde. In die oudere tijden was de winter met zijn ijzige kou, duisternis, vele ontberingen en last en de weinige voedingsmiddelen – er was geen centrale verwarming, elektrisch licht enz. ook geen moderne mogelijkheid om voorraden te bewaren – het hardste van alle seizoenen waarin de meeste mensen stierven en wel het meest door honger, kou, ontbering en talloze ziekten. 

Daarom begrijpen wij en de kinderen wel, wanneer we terugkijken in de cultuurgeschiedenis, dat de mensen het begin van de lente met jubel en vrolijke feesten gevierd hebben en hun goden en heiligen dankten, omdat zij de winter overleefd hadden en voor een hoopvol nieuw begin stonden.

Maar niet alleen de mensen begroetten en vierden de terugkeer van de lente, ieder jaar begroet en viert ook heel de natuur de opklimmende warme zon, het terugkerende levend brengende licht; de vogels jubileren met hun zang; vele mensen vinden elkaar in de liefde en verbinden zich en de voorjaarsbloemen betonen hun vreugde met de allermooiste bonte kleuren.

Wie herinnert zich dan nu niet ‘Osterspaziergang’ uit de Faust van Goethe:

Vor dem Tor

Vom Eise befreit sind Strom und Bäche
Durch des Frühlings holden, belebenden
Blick,Im Tale grünet Hoffnungsglück;
Der alte Winter, in seiner Schwäche,
Zog sich in rauhe Berge zurück.
Von dort her sendet er, fliehend, nur
Ohnmächtige Schauer körnigen Eises
In Streifen über die grünende Flur.
Aber die Sonne duldet kein Weißes,
Überall regt sich Bildung und Streben,
Alles will sie mit Farben beleben;
Doch an Blumen fehlts im Revier,
Sie nimmt geputzte Menschen dafür.
Kehre dich um, von diesen Höhen
Nach der Stadt zurück zu sehen!
Aus dem hohlen finstern Tor
Dringt ein buntes Gewimmel hervor.
Jeder sonnt sich heute so gern.
Sie feiern die Auferstehung des Herrn,
Denn sie sind selber auferstanden:
Aus niedriger Häuser dumpfen Gemächern,
Aus Handwerks- und Gewerbesbanden,
Aus dem Druck von Giebeln und Dächern,
Aus der Straßen quetschender Enge,
Aus der Kirchen ehrwürdiger Nacht
Sind sie alle ans Licht gebracht.
Sieh nur, sieh! wie behend sich die Menge
Durch die Gärten und Felder zerschlägt,
Wie der Fluß in Breit und Länge
So manchen lustigen Nachen bewegt,
Und, bis zum Sinken überladen,
Entfernt sich dieser letzte Kahn.
Selbst von des Berges fernen Pfaden
Blinken uns farbige Kleider an.
Ich höre schon des Dorfs Getümmel,
Hier ist des Volkes wahrer Himmel,
Zufrieden jauchzet groß und klein:
Hier bin ich Mensch, hier darf ichs sein!

VOOR DE POORT

Van ijs bevrijd zijn rivier en beken,
door de stralende blik van de lente ontdooid,
het dal is hoopvol met groen getooid;
de oude winter is uitgeweken
naar barre hoogten, al vluchtende gooit
hij machteloos, met bevende hand
ijzige korrels in straffe vlagen
over het groen-gestreepte land.
Maar de zon kan geen wit verdragen,
overal is er een kiemen en streven,
alles probeert ze weer kleur te geven,
maar bloemen ontbreken nog op de wei,
dus neemt ze mensen in feestkledij.
Draai je om! Daarbeneden ligt onze stad.
Zie wat er alles staat te gebeuren:
uit de poort, dat sombere holle gat,
stromen de mensen in vrolijke kleuren.
Ze zoeken de zon op, hun grootste gemis,
en vieren dat Christus herrezen is
want zijzelf zijn opgestaan:
uit hun muffe hokjes naar buiten gegaan,
moe van het juk van nering en werken,
te lang onder gevels en daken gebukt,
door gangen en steegjes benauwd en bedrukt,
ontsnapt aan de heilige nacht van hun kerken
vonden ze allen de weg naar het licht.
Kijk al die mensen, een prachtig gezicht-
krioelen langs velden, tuinen en perken.
Op de brede rivier zie je boot na boot
aan komen drijven, een vrolijke vloot;
en kijk, tot zinkens toe beladen
sluit dat pleziervaartuig de rij.
Zelfs op de berg trekt langs de paden
in de verte een bonte stoet voorbij.
Het dorpje is vol gegons en gewemel,
hier vindt het volk zijn ware hemel,
je hoort het gejuich van groot en klein:
hier ben ik mens, hier mag ‘k het zijn.

(vertaling: Ard Posthuma)

Offerfeesten in het voorjaar

Toen de individuele mens in het stadium verkeerde waarin hij veel meer een deel van een groep was en in de mensheidsontwikkeling nog niets individueels ontwikkeld had, dus nog geen ‘Ik’ of een persoonlijkheid was zoals wat we daar nu onder verstaan, was er in veel volksgroepen verspreid over de hele wereld sprake van mensenoffers – naast dier- en plantenoffers – als dankgave aan hun hogere goden. Toen in de loop van de ontwikkeling het menselijke bewustzijn zich steeds verder ontwikkelde, werden de mensenoffers steeds vaker vervangen door het offeren van dieren; dat hield later ook op naarmate een volk of een volksgroep zich verder ontwikkelde.

Aan het offeren van mensen herinnert ons nog het verhaal rond Abraham die voor God zijn zoon Izaak moet doden en moet offeren, waartoe Abraham zonder aarzelen bereid was. Toen hij het mes om de dodelijke steek toe te brengen al getrokken had, gaf een stem uit de hemel hem het gebod niet verder te gaan en in plaats van zijn zoon een lam te offeren. Hieruit ontstond het gebruik om met Pasen – lentetijd – het paaslam te offeren.

Toen later het gevangen volk van Israël Egypte wilde verlaten en moest, was het tegen de Pasen, eind maart, begin april; toen at men gemeenschappelijk het paaslam met de ongezuurde broden met bittere kruiden, zoals het heet. Het bloed van het paaslam werd op de deurposten van de huizen gestreken; daarmee zou het onmogelijk worden dat ‘de boze’ het volk van Israël zou vernietigen. Zoals in Exodus 12 – 12, 23 is beschreven, gaat de ‘boze’, ook de ‘verderver’ genoemd aan die mensen voorbij en spaart hen die afzien van het verdere verblijf in Egypte. Dat ‘sparen van het leven’ en in zekere zin ‘het voorbijtrekken’ heet in het Hebreeuws ‘pe’sach’ en dat werd tot Passahfeest’ d.w.z. het offerlam werd onderdeel van het joodse paasfeest.

Het opstandingsbeleven bij andere volken

Wat er in de jaargetijden gebeurt, het sterfproces van de natuur in de winter en het weer opbloeien in het voorjaar, kennen vanzelfsprekend talloze volken over de hele aarde, zoals we dat uit hun mythen en vertellingen tegenwoordig precies weten.

In het oude Egypte was het Osiris die stierf en altijd weer opnieuw tot leven kwam.
Al het leven van de Egyptenaren werd enkel en alleen bepaald door de Nijl die eenmaal per jaar de smalle stroken land tussen de beide grote woestijnen rechts en links van de rivier met haar levensbrengend water en vruchtbaar slib overstroomde en zo het land niet alleen van water, maar ook van vruchtbare meststof voorzag.

In het tweestromenland van de Assyriërs en Babyloniërs was het de god van de vegetatie Tammuz die tegen de tijd van Pasen in het voorjaar tot nieuw leven werd opgewekt.

Een symbool voor het proces van sterven en weer opstaan is ook de geschiedenis van de vogel Phoenix  die zichzelf steeds weer in het vuur verbrandt en daaruit steeds weer jong, met nieuwe levenskrachten begiftigd, opstaat.

In het land van de Syriërs , Kanaän genoemd, werd aan het begin van de lente de semitische weer- en hemelsgod Baäl, de grootste van alle goden van dit volk, weer geboren.

Ook het volk van de Oude Grieken kende de dood en de wederopstanding; bij hen was het de schone jongeling Adonis, die ook na zijn aardse dood tijdens de winter in de onderwereld moest verblijven, maar die met het voorjaar weer terug mocht in het licht van de wereld, dus opstond.

Zo is er nog bij veel meer volken het feest van de wederopstanding van de natuur- en levenskracht, dat met grote dankbaarheid en blijdschap wordt gevierd.

Pasen in de sprookjes

Op de diepere en wijsheidsvolle betekenis van het zich steeds weer herhalende leven in de natuur kun je je bezinnen en dat loont de moeite want het is het lot van ieder van ons dat we dit, doordat we geboren worden en weer sterven (en weer geboren worden voor zover je dit kunt aannemen) meemaken.

Aan de jonge kinderen kun je dit leven dat zich steeds weer in de natuur herhaalt op een begrijpelijke manier bij brengen door bijv. het prachtige sprookje van Grimm ‘Doornroosje’.
Het 15-jarige Doornroosje viel, nadat ze zich op haar verjaardag aan een spintol had geprikt, in een honderdjarige doodsslaap, waaruit ze door een prins met een kus werd opgewekt.

Wellicht nog dieper wordt de wijsheid van dood en wedergeboorte van de mens, dus het beeld van de vernieuwde opstanding van de ziel, dat is het paasmotief, in het sprookje van de wachtelboom verbeeld.
Wijze leiders der mensheid hebben deze en andere verhalen, ook sproken genoemd, zeer lang geleden gevormd om de mens van die tijd die beeldend dacht, en nog niet zo zeer met het verstand kon leren en gevormd worden, te vertellen over kosmisch-geestelijke en aardse natuurgebeurtenissen, over de achtergronden van hemel en aarde.

In het sprookje van de wachtelboom wordt het paasmotief van dood en opstanding van de ziel duidelijk verbeeld.
De boze stiefmoeder doodt haar stiefzoon. Zijn zusje legde zijn beenderen in een witte doek onder een wachtelboom, waaronder zijn moeder al begraven lag. Uit de boom stijgt een nevelwolk omhoog die tot een vlam wordt. Daaruit vliegt een wonderschone vogel op, (het Phoenixmotief), die prachtig begint te zingen, zo dat alle mensen hun werk en waarmee ze bezig zijn laten voor wat het is om naar hem te luisteren en hem te bewonderen. Hij is als de weergeboren paaszon.
Op het eind van het sprookje wordt de boze stiefmoeder door een zware molensteen verpulverd; uit een vuur komt haar zoon, levend herboren.

Als deze twee sprookjes zijn er nog veel andere waarin het motief van dood en opstanding tot nieuw leven wordt geschilderd.

Sneeuwwitje die na een beet in de vergiftigde appel voor dood in de glazen kist ligt en weer levend wordt, kent ieder kind, net zoals Roodkapje die door de wolf met huid en haar wordt verslonden en door de jager weer in het licht van de zon teruggehaald wordt.

Ook in Vrouw Holle zit hetzelfde motief; Goudmarie en Pekmarie vallen in de met water gevulde bron en komen – lichamelijk dood – in een andere wereld waaruit ze, na goede of slechte werken, weer terugkeren naar de andere wereld.

Wie de sprookjes van de gebroeders Grimm kent of leest, zal nog een paar andere vinden die verhalen van dood en opstanding.

Deze sprookjes zijn zeer geschikt om aan kinderen tot (en met) de tweede klas te vertellen, als je ze beeldend bij wilt brengen wat er aan het begin van de lente, rond Pasen gebeurt. Wanneer je de kinderen deze sprookjes vertelt is het wel heel belangrijk dat je ze die met een inlevend bewustzijn vertelt, wanneer je zelf probeert je in te leven in wat met Pasen gebeurt.
Net als met het vertellen van andere sprookjes; wanneer je als volwassene deze met hun diepe wijsheidsvolle beelden doorgronden en accepteren kan, werken ze bij het vertellen aan de kinderen met veel inniger kracht verder waardoor zij in hen waardevolle opbouwende en sterker makende helpers kunnen vinden voor hun toekomst.

Verhalen voor de oudere kinderen

De kinderen die op een vrijeschool zitten, krijgen in de 3e klas de grootse verhalen uit het Oude Testament; in de 4e klas de sagen van de Germanen, door hun leerkracht verteld.

De kinderen hebben nu een ander bewustzijn gekregen (zijn de Rubicon overgestoken) en zij kunnen nu de verhalen over het Joodse volk horen. De uittocht uit Egypte van het volk Israël (tot aan de Sinaï) en de betekenis van het offer van het paaslam – hierboven beschreven.

Vanaf klas 6-7 , dus vanaf 12-13 jaar kun je de kinderen ook verhalen uit het Nieuwe Testament vertellen zonder over hun hoofden heen te spreken. Met hun bewustzijn kunnen ze steeds beter het dode, abstracte opnemen. Bij de dood echter, hoort ook steeds het leven, het opnieuw geboren worden; die feiten mag je niet verre van hen houden om hun niet het gevoel van angst, maar dat van vertrouwen en uitzicht te geven.

Paasgebruiken – paasgewoonten

Wat zou het paasfeest in een gezin zijn zonder  hopelijk zelf beschilderde bonte paaseieren en zonder de paashaas.
Wat heeft dat met het ei, met het ‘paasei’ van doen

Wel, steeds al gold het ei als symbool van het (nieuwe) leven en van de vruchtbaarheid. Je moet bij deze beschouwing niet meteen aan het kippenei denken; vele zaden die in zich de kiem van de nieuwe plant dragen, vele eieren van dieren – en natuurlijk ook die van de vrouw – zijn bolvormig rond en zijn daarmee niet alleen een beeld van de aarde, maar ook van de totale kosmos. De kosmos echter draagt – zoals ook het ei – alle krachten voor het nieuwe leven dat ontstaat, in zich. Omdat het kippenei ook nog eens goed te verteren is, dus als voedsel te gebruiken, heeft men het wellicht als plaatsvervangend voor alle zaden en kiemen als symbool voor het nieuwe, wordende leven genomen en heeft zich juist in de lente daaruit in vele volken een gewoonte  ontwikkeld.

Het is bekend dat de Chinezen 4- tot 5-duizend jaar geleden al elkaar bij het begin van de lente bont versierde eieren cadeau gaven. Ook uit de geschriften en verhalen uit de Oudperzische cultuur; die van de Indiërs, Babyloniërs, Egyptenaren, Grieken, Finnen en Germanen en andere volksgroepen weten wij, dat de mensen elkaar beschilderde eieren gaven of dat het ei een bijzondere offergave voor de goden betekende.

In een Indische mythe wordt verteld dat in het oerbegin alle Zijn uit een reusachtig ei dat in een zilver en een gouden helft splitste, zich de hemel en de aarde hebben gevormd.

Een oude Perzische sage verhaalt dat eens een reusachtige stier met zijn puntige hoorns het grote wereldei opengestoten heeft en dat alle levende wezens voor de aarde daaruit kwamen. In het geloof van de Oude Perzen was de wereld waarin nog geen kwaad bestond, een reusachtig groot licht-ei. Zij gaven elkaar later bij het begin van de lente vooral rood beschilderde eieren.

In een Fins scheppingsverhaal ontstaat uit een groot gouden ei dat in twee helften brak, hemel en aarde. Uit de gele dooier werd de stralende zon gevormd.

In de Romeinse catacombengraven heeft men nagemaakte eieren gevonden uit louter zilver.

Uit al deze mythen en sagen ontstonden steeds weer nieuwe gebruiken om elkaar versierde en geschilderde eieren te geven. Eieren van kippen en ook van andere vogels, maar ook kunstzinnig gemaakt van goud, zilver en edelsteen.
Na de uitvinding van het horloge werden er ook kostbare uurwerken in de vorm van een ei gemaakt.

Wij beschilderen eieren
Wie zelf graag eens eieren met natuurverf zou willen beschilderen, kan dat als volgt doen:

Een tot twee handjes uienschillen een paar minuten in een liter water gekookt en daarbij dan de eieren koken tot ze hard zijn. Hoe langer de eieren hierin koken, des te donkerder de schalen worden; je kunt het uitproberen.

Ook met zwarte thee kun je de witte schalen bruiner maken. Groen krijg je door brandnetels; rood door rode bieten, geel door saffraan of karwei als je dit van te voren eerst kookt. Doe je azijn in het water, dan worden de kleuren vaak intenser. Wie na het koken de eieren met olie of spekzwoerd inwrijft, krijgt mooie, glanzende exemplaren.
Plak je vóór het schilderen kleine blaadjes erop, of grashalmpjes o.i.d. en je doet er dan verband of tule omheen en je kookt ze dan in het plantenvocht, zie je naderhand de mooie patroontjes op de eierschalen als je de blaadjes er dan afhaalt.

Je kan de eieren natuurlijk ook met bonte waslaagjes beplakken of met waskrijt bewerken. Wanneer de eieren nog warm zijn, smelt de kleur van de waskrijtjes en dan kun je dit mooi uitwrijven of dat weer mengen. Je kunt – papier eronder – het drogen met de föhn.

Er zijn nog veel meer technieken om eieren te beschilderen of met kleurig papier te versieren, nesten en diertjes te knutselen.

Er zijn veel boekjes in omloop met voorbeelden.

Wie het geluk heeft in een omgeving te wonen waar in het bijzonder de dorpsbronnen met honderden eieren versierd worden, rijdt door die dorpen om ze te bewonderen. Je vindt ze soms in de kleinste dorpjes. In deze streken is het ook de gewoonte om struiken en bosjes in de tuin en in huis met bont beschilderde eieren te versieren.

Natuurlijk behoort het voor de kinderen wel tot het mooiste van de paasbelevingen om in de tuin of de vrije natuur eieren te zoeken die de ouderen daar van te voren hebben verstopt. Misschien krijg je onderweg nog een idee om een zinvol verhaal te vertellen over de paashaas.

 

Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Ritmenalle artikelen

Vrijeschool in beeldPasen

 

815-750

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (42)

.

Karl-Heinz Wiedner, Der Elternbrief *04-1992
.

Pasen – feest van leven en vruchtbaarheid
.

Om nauwelijks een feest zijn zoveel gebruiken geweven op de hele wereld als om Pasen, als het belangrijkste feest van het kerkelijk jaar – in dat in drieërlei opzicht: terugblikkend wordt het afscheid van de winter vrolijk gevierd, met Pasen zelf staat het ei als actueel vruchtbaarheidssymbool op de voorgrond in vele gewoonten en symbolen en met het oog op hopelijk een goede oogst gedurende het jaar worden sommige paassymbolen met zegen brengende handelingen verbonden.

Paasvuren brengen vruchtbaarheid

Veel paasgebruiken zijn in de loop van de tijd in de vergetelheid geraakt; bij andere trad er een vermenging op van christelijke mythen met heidense gewoonten.
Zo wordt Pasen als het feest van de opstanding van Jezus en tegelijkertijd als vernieuwing van de natuur gevierd.
In voorchristelijke tijd kwamen de voorjaarsfeesten op de eerste plaats en dat niet zonder reden: in het oude Rome viel het nieuwjaarsfeest in maart en dus viel het samen met het ontwaken van de natuur.

Op Witte Donderdag – vaak al op de maandag ervoor – begint in veel streken het paasfeest. Het ei krijgt overal een bijzondere symbolische betekenis: zoals het kuiken uit het ei, zo verrijst Christus uit het graf.
Je mag echter – zoals in het Sauerland gebruikelijk is -nooit met ‘martelgereedschappen’ werken: (spijkers en hamer); tot de eigenlijke feestdag geen schoon hemd aantrekken, niet je haar kammen, geen dieren slachten en je moet door lawaaierige optochten met fakkellicht in de paasnacht de ‘geesten’ van de kou, van de winter en de verstarde natuur verdrijven.
Misdienaren in Rheinland gaan vandaag de dag* nog tegen de tijd dat de klokken gaan luiden met fluiten, ratels en kleppers door de straten, de plaats van de klokken innemend en ze willen kleine paasgeschenkjes hebben.

Globaal is Stille Zaterdag het einde van de Vasten en geeft dus aanleiding genoeg om zich op het vreugdefeest Pasen grondig voor te bereiden. Paaswielen worden met stro omvlochten en brandend de heuvels afgerold, net zo bekend zijn de paasvuren – symbolisch wordt daarbij de winter verbrand en het vuur geeft vruchtbaarheid aan de akker.
Gezegend paaswater helpt bij de persoonlijke wasbeurt en om de vastenvierders af te leiden en wat vrolijker te stemmen, zouden er nu nog pastoors zijn die aan de gelovigen in de kerkdienst vóór het feest paassprookjes zouden vertellen met vrolijke onderwerpen.

Metalen eieren luiden Pasen in

In het Maindal en de regio Fulda gaat de jeugd tegen Pasen met houten ratels lawaai makend door stegen en buurten om – zoals de sterrenzanger** in januari verzamelt – maar nu om eieren en zoetigheid op te halen. Overal kom je daar kransen uit bukshout gevlochten tegen in de vorm van een kroon en versierd met een gouden metalen kruis. Versierd met o.a. bontgekleurde randen en slingers waaraan paaseieren hangen. Vaak wordt de kroon over een Mariabeeld bij de dorpsbron geplaatst.
Vaak hangt er ook een groen gevlochten streng waar je de plaats binnenkomt; in het midden ook weer van deze paaskronen.
Naast eierbomen in de plaats zelf begroeten vele gemeenten in het Fuldadal het binnenrijdende verkeer in de paastijd met guirlandes van groene struiktakken; er hangen aan kleurige linten vele metalen eieren aan die in de wind een kling-klangend geluid maken. Op deze manier begint Pasen.

Het is ondoenlijk om al de verschillende paasgebruiken op te tekenen, zoals bv. de paasnesten op palen met een haas of een kip daarin, zoals in Hohenlohe de gewoonte is.

Overal echter, ontstonden bijzonder veel gewoonten rondom het ei.

Paaseieren als kleine kostbaarheden

Symbool voor het leven was het ei al bij de oude Chinezen die ervan uitgingen dat de wereld eens alleen maar door water bedekt was, waaruit als ‘oercel’ het ei opdook, vast land werd en het leven liet ontstaan. Vast staat dat het ei overal als een symbool geldt voor de scheppingsgeschiedenis, als brenger van het leven en in vele landen als ‘zetel van de ziel’ werd gezien.
Eieren werden gebruikt als offergave bij huis- en dijkenbouw. Eieren golden en gelden als tover- en geneesmiddel tegen kwalen en blikseminslag, werden in de stal verstopt of op de graanakker als symbool van de vruchtbaarheid of daar na de oogst opgesteld, zoals dat nu nog gaat met struikjes uit dankbaarheid in het Welzheimer Woud.
Vaak voorkomend zijn de gebruiken om het ei waar het om de tover van de liefde gaat, daarop wijzen de eieren op met spreuken die geschonken worden.
Maar niet alleen gelukwensen en toverspreuken weven zich rond de paaseieren. In ieder land, iedere streek hebben zich aparte gewoonten ontwikkeld die in ere worden gehouden om eieren te versieren.
In Tsjechië worden eieren beplakt met gestreken strohalmen; de Sorben gebruiken kras- en batiktechnieken; bij de Hongaren vind je gehaakte; met bloemmotieven; in Roemenië met voorstellingen van het Avondmaal, als wasbatik bekend. Op tentoonstellingen vind je eieren uit Polen met woldraden versierd; uit Silezië mobiles met eieren; uit Hessen waarop heel klein geschreven is, iconeneieren uit Rusland, van klei en onyx uit Mexico en uit ivoor (China) en papier-maché uit Pakistan. Veel van deze eieren waren altijd al en zijn dat nog steeds onbetaalbare kostbaarheden, vooral als ze van metaal, porselein, emaille, ivoor of zelfs van goud zijn.

Ook de patronen hebben altijd wel een bepaalde betekenis: golven bv. als symbool voor het eeuwige leven; puntjes als ‘de tranen van Maria’.
Goud geldt als goddelijke kleur, rood is de offerkleur, groen betekent hoop, blauw bestendigheid. Vorm en kleur kunnen met allerlei technieken op deze meest verschillende manieren variëren en geven het paasei zijn onvergelijkbare betekenis, of je de eieren nu verft, dan wel bestempelt, batikt of krast, marmert of appliqueert.
.

**sterrenzanger in het kerstspel

Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Ritmenalle artikelen

Vrijeschool in beeldPasen

 

814-749

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (41)

.
Verteltijd ca. 8 min.
.

Elisabeth Klein, Der Elternbrief 04-1966
.

Een verhaal over paaseieren voor kinderen rond de leeftijd van 6
.

DE PAASEIEREN
.

Een kuiken dat nog niet zo heel lang geleden het licht in de wereld voor het eerst zag, besloot eens een uitstapje te maken in deze wereld. Vergenoegd rende het langs een beekje, tot het plotseling stijf van schrik bleef staan. Een vreselijk ondier waarvan het gevaar vooral aan de reuzenoren af te lezen was, kwam het nu juist van daar tegemoet, waar het naartoe wilde gaan. Het nieuwsgierige kuiken maakte meteen rechtsomkeer en rende terug naar waar het vandaan was gekomen.

Het monster echter waarvoor het op de vlucht was geslagen, was een jonge haas die ook op zijn eerste ontdekkingsreis was. Hij was nietsvermoedend langs de beek gehuppeld, hier eens een groen grassprietje plukkend, en daar eens over de grond snuffelend, tot hem ook een hoogst gevaarlijk wezen tegemoetkwam. Een vogel was het, niet erg groot, maar met scherp spiedende ogen en een weinig uitnodigende, spitse snavel. Kort en goed, onder deze omstandigheden leek het de haas beter het hazenpad te kiezen. Pas bij de rand van het bos hield hij stil en gluurde voorzichtig achterom om te kijken hoe ver zijn achtervolger gekomen was. Maar met de beste wil van de wereld kon hij daarvan alleen nog de wegrennende achterkant zien. ‘Er is dus een dier,’ dacht hij verzaligd, ‘dat voor mij op de vlucht slaat. Dat moet een heel aardig dier zijn.’

Intussen was ook het kuiken blijven staan om op adem te komen en ontdekte nu dat het vermeende ondier overduidelijk de benen had genomen.

En wat deden de beide helden nu?

Heel voorzichtig liepen ze weer op elkaar af, tot ze bij elkaar waren en elkaar, een beetje beschaamd, groetten. Van toen af aan mochten zij elkaar en er ontstond een mooie vriendschap. Je kon ze heel vaak samen zien. Dat had tot gevolg dat ook hun familie met elkaar kennis maakte en zij vonden elkaar aardig. Dat was heel belangrijk, want dit allemaal is alleen maar verteld omdat het door deze vriendschap is gekomen dat er nu paashazen en paaseieren zijn. Dit zit zo.

De hazen en de kippen die beide rond Pasen vele kleintjes hebben, behoren tot de meest vredelievende dieren die er op de wereld bestaan. En vooral die waarover hier wordt verteld, waren heel erg zachtaardig. De oude kip had half onder een struik een mooi plekje ontdekt waar ze besloten had te gaan broeden. De hazen, die nog nooit eieren hadden gezien, konden er maar niet genoeg van krijgen naar die mooie, witte, ronde eieren te kijken en toen de hen dat zag, schonk zij ze aan de hazen. Ze wist dat ze nog genoeg eieren zou kunnen leggen.

En daar zaten heel de hazenfamilie en heel de kippenfamilie bij elkaar bij de struik waar de eieren lagen en ze raakten in gesprek.

‘Waar komt de wereld eigenlijk vandaan’, vroeg de oude grijze haas. ‘Wij komen uit het bos waar onze ouders woonden, maar waar komt de wereld vandaan?’

‘Dat kan ik jullie wel zeggen,’ antwoordde de oude hen gewichtig. ‘Dat kunnen alleen de kippen weten.

D e  w e r e l d  k o m t  u i t  e e n  e i.’

En ze vertelde over het broeden van haar eigen eieren.

‘Dan moet er ook iemand geweest zijn die het wereldei uitgebroed heeft,’ zeiden de hazen. ‘Ja, zeker,’ gaf de hen ten antwoord, ‘zonder broeden gaat het niet. Dan kan er niets uit het ei komen. Dat heeft de grote wereldvogel gedaan die het ei heeft gelegd. Die heeft het ei warm gehouden en uitgebroed.’

Dat vonden de hazen geweldig en ze keken heel blij naar de eieren. Zij wisten niet dat het die dag toevallig paaszondag was.

‘Hoe is het dan verder gegaan met dat wereldei?’ vroegen de hazen; maar toen hoorden ze plotseling allemaal muziek. De zon was in volle glorie opgekomen en ze straalde op de eieren die oplichtten, die anders onder de hen gelegen zouden hebben. De muziek klonk en de hazen, die erg muzikaal zijn, begonnen op hun achterpootjes op de maat mee te dansen. Hun oren, lang en kort, waren net de noten die bij deze muziek hoorden. Een leeuwerik had zich in de lucht begeven en zong hetzelfde lied en prees het licht.

En terwijl de leeuwerik zong en de zonnestralen de eieren aanraakten, kregen ze voor de ogen van de hazen en de kippen bonte kleuren. Door de stralen van de zon kregen ze kleur, omdat het deze morgen paasmorgen was en de zon een heel bijzondere kracht had. De zon geeft immers ook de kleur aan de bloemen en dikwijls aan de regenboog en aan de hemel. En op deze dag kleurde ze de eieren.

En terwijl de hazen en de kippen dit alles sprakeloos beleefden, herinnerde de oude haas zich plotseling iets over de wereld.

‘Eerst was daar de wereldvogel en het wereldei,’ zei hij ‘en toen scheen het licht op het wereldei, zodat het met alle kleuren straalde.’

De oude hen vroeg: ‘Mag ik de geschiedenis verder vertellen, want dit is nog niet alles. In het ei zat een zilverkleurige vloeistof en een gouden bol. Zoals dat ook in mijn eieren zit. Eèèèindelijk was dit ei met het water en de bol rijp. Als dat bij mijn eieren het geval is, dan is er een gepiep en gepik en de harde schaal breekt en komt er een goudgeel kuiken tevoorschijn, dat meteen zijn kopje omhoog steekt. Zo moet het met het wereldei ook zijn gegaan. De schaal brak en de wereld en de mens en wij allemaal wandelden naar buiten, want het was wel een oneindig groot ei.’

‘Ja, zo móet het wel gegaan zijn,’ zei de oude haas nadenkend en ging weer liggen. De muziek was ook opgehouden. En hij deed zijn oren naar beneden.

Daar lagen nu tussen de hazen en de kippen de gekleurde eieren. ‘Wat kunnen we nu het beste met de eieren doen die we van de lieve kippen hebben gekregen?’ vroeg de kleine haas, waarover we het in het begin hadden.

Op dat ogenblik kwamen de kinderen van de boer, van wie de kippen waren, aangesprongen op de weg die vanaf de boerderij langs de beek liep. ‘Ik weet het,’ zei de kleine haas, die het vriendje van het kuiken  was. ‘We hebben de eieren zelf gekregen. We geven ze weg aan de kinderen van de boer die daar aankomen. Dat is het beste wat we ermee kunnen doen.’

En dat werd gedaan. De kleine haas ging naast de eieren zitten aan de oever van de beek. Hij ging op zijn achterpoten zitten, zodat de kinderen hem wel moesten zien. Wat juichten ze toen ze het nest met de bonte eieren ontdekten. ‘Paaseieren, gekleurde paaseieren,’ riepen ze en zij lieten ze aan hun ouders zien die in hun zondagse kleren achter de kinderen langs de beek meeliepen. ‘Waar komen die nou vandaan,’ vroegen de ouders. ‘dat zijn geen gewone kippeneieren.’

‘De haas heeft ze ons geschonken,’ antwoordden de kinderen en ze waren heel blij met de bonte eieren.

 

Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Ritmenalle artikelen

Vrijeschool in beeldPasen

 

813-748

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (40)

.

Jörgen Smit, die Menschenschule 34-4-1960
.

HOE KUNNEN WE MET KINDEREN PASEN VIEREN?
.

De christelijke cultuur verbindt met het woord ‘Pasen’ bovenal de centrale gebeurtenis van het christendom, de dood van Christus op Goede Vrijdag en de opstanding op paaszondag. Zonder deze is het christendom niet te begrijpen.

Hoe kun je met kinderen Pasen vieren, zo dat je antwoord geeft op iets wat al in het kind leeft?

Dan zul je moeten kijken naar de leeftijd en leren inschatten wat zij ieder jaar passend bij hun ontwikkeling kunnen opnemen.

Daarbij mag je eigenlijk niet kijken naar dogmatische formuleringen van deze of gene christelijke richting, maar zou je moeten kijken wat Pasen eigenlijk voor de hele mensheid en voor de ontwikkeling van ieder individu betekent.

Je zult in eerste instantie merken dat Pasen oorspronkelijk noch christelijk, noch joods was, maar een puur ‘heidens’, religieus feest dat door de meeste volken van de gematigde zone op de meest uiteenlopende manier werd gevierd, lang voor de eerste letter in de Bijbel werd geschreven, zowel in het Nieuwe – als in het Oude Testament.

Pasen is het grote voorjaarsfeest, waar het nieuwe leven tevoorschijn spruit, nieuw leven geboren wordt, waar in de natuur de macht van de dood opnieuw overwonnen wordt. In jubelende dankbaarheid dansen en zingen allen en prijzen de weer opgestane levensgod, zonnegod, vruchtbaarheidsgod. Hij was dood, gedood door zijn wrede tegenstander. Maar nu is hij uit de dood in het leven herrezen. In ieder nieuw geboren lam wordt hij geprezen en het eerstgeboren paaslam wordt geofferd. Toegenegen en met overgave nemen de mensen deel aan het grote natuurmysterie. Allen moeten bereid zijn evenveel aan de levensgod te offeren. Niemand mag uit egoïsme iets voor zichzelf houden. Als symbolische handeling wordt het eerstgeboren lam, het paaslam, aan de dood overgeleverd, maar dat betekent aan het nieuwe, eeuwige leven dat steeds weer uit de dood opgewekt wordt.

Ook het mensenoffer was tijdens de heidense paasvoorjaarsfeesten sterk verbreid. Het bleef gehandhaafd zolang de individuele mens nog geen bijzondere plaats innam, toen stammen en volken nog zo’n sterke bloedseenheid waren, dat het groepsbeleven doorslaggevend was.

Dan breekt de tijd aan dat dit op de achtergrond begint te raken. Het mensenoffer wordt vervangen door het dierenoffer. Abraham is nog bereid het mensenoffer te voltrekken; hij heft het mes boven zijn zoon Izaak om de god van het leven te dienen. Maar een stem uit de hemel roept en Abraham breekt zijn handeling af. In plaats van Izaak wordt een dier geofferd.
Door zijn trouwe gehoorzaamheid bekrachtigt Abraham dat het grote mensenoffer van de Messias zelf binnen zijn geslacht zal plaatsvinden.

Wie is deze grote zonnegod, de god van het leven? Wie is het die iedere lente weer in het nieuwe leven terugkeert. Daarvoor vind je bij de verschillende volken de meest uiteenlopende namen.

Voorzichtigheid is wel geboden bij een algemene identificatie! Iedere godengestalte heeft wel een zekere eigenaard en die mag niet vervaagd worden; hoewel je ook overeenkomstige eigenschappen kunt vinden. Hoe verschillend Baal, Osiris, Tammuz en Adonis ook zijn, gemeenschappelijk hebben ze dat ze in de loop van het jaar sterven en weer opstaan en dat ieder jaar. Het tijdstip waarop en in welke sfeer de feesten plaatsvinden hangt van het karakter van de volken af en van het klimaat. Het voorjaar kan een noords voorjaar zijn, met smeltende sneeuw en het ruisen van beken, met leverbloempjes en het gezang van leeuweriken wanneer een lange, donkere winter waarin de dood de overhand had, voorbij is. De winter kan ook een tijd zijn van mist waarin alles afgestorven en levenloos erbij ligt. De lente komt dan met de bevruchtende regen of met bv. een overstroming zoals bij de Nijl en het nieuwe leven komt met een overweldigende kracht tevoorschijn .

Bij de Egyptenaren is het Osiris die sterft en steeds weer tot nieuw leven komt. Op een Egyptisch beeld zie je letterlijk hoe het koren uit het gestorven lichaam van Osiris tevoorschijn groet. Bij de Sumeriërs, Babyloniërs, Assyriërs was het Tammuz die met Pasen tot nieuw leven werd gewekt. Bij de Grieken is het Adonis die sterft en weer opstaat.

Toen de Israëlieten het beloofde land Kanaän binnengingen, was Baäl de oppergod van de streken van de Syrische Kanaänieten. En tijdens hun lentefeest ‘Pask’  (in het Aramees ‘Paska’) wordt ieder jaar de zonnegod Baäl weer levend.

Dat alles is uitvoering in het spijkerschrift beschreven dat in 1929 en 1930 in Ras Sjamra werd gevonden en al in 1930 werd ontcijferd.

Baäl sterft en wordt door zijn zuster en geliefde, de godin Anat, gezocht (net zoals Isis Osiris zoekt ). Want zolang Baäl dood is, ‘zijn de mensen door het leven in de steek gelaten; het leven trekt weg uit de kudden op het veld.’

En dan vindt de dramatische strijd plaats waarbij de tegenstander van de levensgod, de moordenaar Mot, de heer van de dood, eindelijk wordt overwonnen. Baal leeft weer en ieder verheugt zich: ‘Hemel laat het regenen in overvloedigheid, dalen laat de honing vloeien.’

Baäl is vruchtbaarheid, regen, donder, bliksem, het groene gras dat opschiet. Hij wordt afgebeeld als een mens met hoorns op het hoofd of als een stier zoals Apis, de stier van de vruchtbaarheid in Egypte.

Hoe wordt het paasfeest in de voorchristelijke en voorjoodse tijd gevierd?

De dood van Baäl, de strijd en de opstanding werden door de priesters op een aanschouwelijke manier het volk ten tonele gevoerd en heel het volk had deel aan de zorgen rond de dood en de vreugde van de opstanding. Zowel de zorgen als ook de vreugde waren allesbehalve stil en ingetogen. Het verdriet was extatisch, met huilen en geweeklaag en de blijdschap net zo, met gejubel, lawaai, roes en geluk, met overvloedige spijs en drank en losbandige, seksuele orgiën. De vruchtbaarheid werd vereerd en het belangrijkste symbool, het ei, het paasei, is heilig. Het wordt rood geschilderd. Dat is zo in de Perzische alsmede in de Egyptische cultuur. De zonnegod die in het nieuwe leven ontwaakt, danst  en maakt drie sprongen waarbij heel het volk meedanst. In Egypte gaan de vruchtbaarheidskrachten mee met de perioden van de maan, golvend op de maat. 14 en 14 is het getal van Osiris. Dat zijn de dagen van de afnemende en wassende maan. Periode heet in het Egyptisch ‘un’. Dat betekent tegelijkertijd ook haas, bij uitstek het dier van de vruchtbaarheid. Zo kwam dan ieder jaar in het oude Egypte, maar ook op andere plaatsen, de paashaas aangesprongen. Het paasfeest was aan de zon, maar ook aan de maan gewijd.

In het gebied van de Oud-Germaanse volken vinden we een godin als vertegenwoordigsters van het nieuwe leven. Het is de lentegodin Ostara, op andere plaatsen Eostre genoemd. Haar feest was in april (Eostur monath). Hierin is zowel de Engelse als de Duitse naam voor Pasen te horen: Easter en Ostern.

Met dit jaarlijkse ritmische proces van dood en opstanding hebben alle volken geleefd. Steeds overwint het leven, net zoals in het sprookje de prins Doornroosje uit haar slaap van honderd jaar wekt; in het sprookje ‘De wachtelboom’ is dit paasmotief nog sterker. Hier wordt de zoon (broeder) door de boze stiefmoeder gedood. Maar de dood van de zoon leidt niet tot vergaan. Het is een dood tot nieuw leven. Hij wordt onder een boom begraven. Maar vanuit de boom stijgt een nevelwolk omhoog, uit de nevel laait een vuur op en uit het vuur vliegt een prachtige vogel die begint te zingen. Hij zingt zo mooi over alle daken van de huizen dat de mensen hun werk in de steek laten en op zoek gaan om de schitterende vogel te zien en zijn gezang te horen. Hij is de zon op paasmorgen. Op het eind van het sprookje verandert de vogel. De boze stiefmoeder die de zoon gedood had, wordt door een molensteen verpulverd (net zoals de doodsgod Mot door Baal wordt overwonnen) en uit vuur en nevel komt de zon ongeschonden levend te voorschijn.

Zouden de mensen echter nu tot in alle eeuwigheid in de vegetatieve kringloop van het jaarritme moeten leven? Zouden ze nu voor altijd in dit gezamenlijke kuddebewustzijn dat het vegetatieve natuurleven noodzakelijkerwijs met zich mee bracht moeten verwijlen? Zouden zij nooit tot een innerlijke geestelijk zelfstandige ontwikkeling komen, onafhankelijk van het jaarverloop?

Dit is het punt waarop het volk der Joden in de wereldgeschiedenis zijn intrede doet. Dit ‘uitverkoren’ volk wordt uit het vruchtbare land Gosen weggevoerd, weg van de vleespotten van Egypte, de dorre woestijn in. Het volk moet de vruchtbaarheidsgod, de Apis-stier, de zonnegod Baal die ieder jaar nieuw tot leven komt, de rug toekeren. Het volk moet God, de heer, volgen, Jahwe, de ‘Ik-ben” die gedurende de omloop van het vegetatieve jaar niet sterft en opstaat, maar onvergankelijk is en die spreekt tot het diepst van het innerlijk en het morele leven.

Het volk ervaart door dit uitverkoren zijn een nieuwe dood. En de opstanding is een nieuw innerlijk leven, niet alleen maar meer een herhaling van de natuurkracht.

Wanneer verlaten de Israëlieten Egypte? Met Pasen, op de veertiende dag in de maand Niesan, die wat de volle maan betreft, overeenkomt met onze maand april of eind maart. Zij eten het paaslam, de ongezuurde broden met de bittere kruiden. Het oude lentefeest krijgt hier een nieuwe inhoud. En het bloed van het offerlam werd op de deurposten gestreken, opdat de verderver het volk niet ten gronde kan richten, zodat het verlost uit Egypte vertrekken kan.

De verderver  (Exodus 12 – 12,23) gaat aan hen voorbij en spaart hen die uit vrije wil Egypte loslaten om zich voor te bereiden op het nieuwe innerlijke leven.

‘Voorbijgaan, overslaan’ betekent in het Hebreeuws ‘Pe’sach’. Van nu af aan werd dit de inhoud van het joodse paasfeest.

Het was een herinneringsfeest aan een cultureel gegeven, een teken dat het verschil tot uitdrukking brengt; dat er ieder jaar opnieuw moet zijn, niet omdat het iets met het natuurleven heeft te maken – in tegendeel – het betekent juist het vrij geworden zijn van het natuurleven. En de paasmaand moet de eerste maand van het jaar zijn.

Maar zich af keren van het natuurleven is moeilijk. Het Israëlitische volk verlangt keer op keer weer naar de vleespotten van Egypte terug.

Maar de goden die in hun tijd nog goed waren, bv. de vruchtbaarheidsgod Apis, worden op het ogenblik dat er een nieuwe ontwikkelingsfase bereikt is, meteen wanneer de mensen weer in het oude terugvallen, iets heel anders. Dan worden deze goden afgoden die het volk afhouden van zijn eigenlijke opdracht. Ze worden tot boze machten. De profeten van Israël moeten hun uiterste best doen om het weerbarstige en hardnekkige volk weg te houden van de verleidingen van Baäl.

Slechts een kleine groep is drager van de grote nieuwe mensheidsimpuls. Maar die leidt er niet toe dat deze voor heel de mensheid gaat gelden; ook niet individueel. Het volk van de Joden treedt binnen in de historische ontwikkeling, het leidt niet tot een vervolmaking. Het leeft in verwachting van het grote dat komen gaat, dat daarin zal plaatsvinden. Het is alleen voorbereiding.

En dan komt de Christus-impuls als het beslissende keerpunt in de ontwikkeling. In het volk van de Joden ligt het uitgangspunt, maar treedt tegelijkertijd buiten de grenzen ervan. Alles concentreert zich in ‘de enkeling’ en daarom omvat het de gehele mensheid: ‘Daar is niet meer Jood of Griek, niet meer slaaf of vrije, niet meer mannelijk of vrouwelijk; want u bent allen Eén in Christus Jezus.’

Deze nieuwe gemeenschap is geheel onafhankelijk van de bloedsbanden van het volk en geheel onafhankelijk van sociale status. Zij vindt haar grondslag in wat in het individu zich afspeelt. Wat is daarbij het meest doorslaggevende? De dood en de opstanding. Het is wat met Pasen gebeurt:
‘Of weet u niet, dat wij allen die door de doop in Christus Jezus zijn ingewijd, in zijn dood zijn ingewijd? Wij zijn door de doop met hem begraven in de dood, opdat gelijk Christus uit de doden opgewekt werd door de lichtmacht van de Vader, zo ook wij in de kracht van een nieuw leven zullen wandelen. Zijn wij met hem saamgegroeid door het gebeuren dat op zijn dood gelijkt, dan zullen wij het ook zijn door een opstanding als de zijne. Wij worden ons ervan bewust, dat onze oude mens medegekruisigd werd, opdat het orgaan der zonde teniet gedaan zou worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn. Want wie gestorven is, wordt uit de ban der zonde bevrijd. Indien wij met Christus gestorven zijn, vertrouwen wij daarop, dat wij ook met hem zullen leven. Wij ervaren, dat Christus, opgewekt uit de doden, niet meer sterft; de dood heeft geen macht meer over hem. Want door zijn sterven is hij voor de zonde eens en voorgoed gestorven; zijn leven echter leeft hij voor God. (Paulus, brief aan de Romeinen 6 – 3/10).

Hierdoor heeft Pasen een heel nieuwe inhoud gekregen. Het oerbeeld van de mens vind je hier als een uitbottende knop voor een nieuwe wereldorde. Uit hem moet een nieuwe wereld ontstaan: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Heel de schepping wacht op verlossing die door de nieuwe ‘Adam’ door kan breken.

Terwijl het vóórjoodse paasfeest gewijd was aan het ritme van het jaarverloop, wordt hier in dit paasgebeuren de hele mens , de hele mensheid, zelfs het hele ritme van de aarde-ontwikkeling in een grote omvattende dood en de opstanding daaruit samengevat.

Het christelijke Pasen plaatst de mens en de aarde op de voorgrond. Hier heerst een heel andere stemming dan bij het joodse paasfeest!

In beide gevallen ondernemen de tegenmachten alles wat zij maar kunnen om dit nieuwe leven te doden. De machten der duisternis proberen alles om het verschijnen van het licht te verhinderen. Farao weigert het volk hardnekkig te laten vertrekken. Het wordt echter door een vuurkolom geleid. Alleen Mozes, de leider, kan met de Heer in de vuurkolom spreken. De geboden van de Heer komen van buiten naar het volk. Met ontzetting en schrik gehoorzaamt het aan de wet die zegt: ‘Gij zult’ en ‘’gij zult niet’. De wet geldt voor het volk als geheel.

Het christelijke Pasen is niet voor een volk bedoeld. Het is bedoeld voor de enkeling. Een aantal enkelingen zijn het die aan het nieuwe leven mogen deelnemen. Het christelijke Pasen leidt niet naar de vuurkolommen in de woestijn, zij leidt naar het christelijke Pinksteren waar de geestelijke tongen van vuur in het innerlijk van een ieder oplaaien. En het woord dat vanuit dit nieuwe vuur klinkt, kan door alle mensen, ongeacht de volksgrenzen, begrepen worden. Het doet de harten overstromen. –

De donderstem in de woestijn heeft plaats gemaakt voor de liefde. De stralende, reine en bevrijdende voorjaarszon is het, die op de morgen van de christelijke paasdag schijnt.

Het is niet de sabbat, de zevende en laatste dag van de week waarop men zich na zes arbeidsdagen in de buitenwereld zich terugtrekt in zijn innerlijk en beschouwend terugblikt. Het is de zondag, de paaszondag, de dag van de zon, waarop het leven van heel de aarde uit de dood opgewekt wordt.

We zien hier op een wonderbaarlijke manier hoe het christelijke paasfeest alle elementen van het joodse, vóórjoodse en ook de heidense paasstemming in zich verenigd heeft. Maar alles is veranderd, op een hoger plan gekomen en komt weer te voorschijn in een lichtender vorm. De kringloop van het jaar in dood en opstanding wordt zo tot een klein beeld van de grote dood en de grote opstanding.

Iedereen moet door de harde paasbeproevingen van het Joodse volk heen en de kelk tot op de bodem leegdrinken. Maar het nieuwe leven, de nieuw geboren zon zijn al in het innerlijk aanwezig. Waarom zouden de duizenden jaren oude symbolen van het nieuwe leven, het paasei, het paaslam en de paashaas niet ook deze nieuwe betekenis krijgen. Waarom zou je dit innerlijke leven niet ieder jaar wanneer de uiterlijke natuur tot nieuw leven gewekt wordt, niet steeds weer vieren.

Bij volle maan na de even lang durende lentedag – en nacht wordt het voorchristelijke paasfeest gevierd.

Op de eerste zondag na de volle maan na de even lang durende lentedag – en nacht wordt de christelijke paasdag gevierd.

Over het joodse paasfeest heerst de stemming van de volle maan en de nacht (Exodus 2 – 12, 42-43)

Het christelijke paasfeest heeft de zonsopgang meteen na volle maan, dat betekent als de sabbat ten einde is: ‘Toen de sabbat was voorbijgegaan, kochten Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus, en Salóme geurige kruiden om hem te zalven. En zeer vroeg in de morgen van de eerste dag der week, toen de zon opging, kwamen zij bij het graf. (Markus 16, 1-2).

Dat het paasfeest met de zondag als de eerste weekdag na de sabbat, na de eerste volle maan na de even lange dag en en nacht verbonden werd, was voor de eerste christenen zeer wezenlijk. Zo werd de oude samenhang bewaard en de nieuwe wezenlijke inhoud benadrukt.

Maar wat heeft het voor zin Pasen te vieren in overeenstemming met het alleen zaligmakende  ‘ware’ geloof; duizend keer op de ‘ware’ dag te vieren, wanneer daarbij niet iets plaatsvindt waaruit iets van de waarheid duidelijk wordt?

Het ware wezen van het christendom en ook het ware wezen van Pasen is iets, waarvoor je je door een muur van conventie en verstarde dogma’s heen moet vechten.

Hoe kunnen de volwassenen de kinderen helpen opdat ook zij deel kunnen hebben aan de levende kern van het christendom?

Boven al door het steeds groter worden van de werkelijkheid van deze kern voor de volwassene. Hoe zou je de kinderen kunnen leren dienen wanneer je niet zelf een dienaar bent? Hoe zou je kinderen eerbied en liefde voor de waarheid leren, wanneer je niet zelf een zoeker naar waarheid bent? Hoe zou je kinderen liefde leren, wanneer die voor iemand zelf een leeg woord is of een zalvende frase?

Hoe kun je Pasen, ook inhoudelijk, voor kinderen beleefbaar maken?

Er zijn veel mogelijkheden. Maar in deze onoverzichtelijke hoeveelheid is er één basis die beslissend is: dat je kijkt naar de leeftijd van het kind.

Tot in de 2e klas (8 jr) leeft het kind nog met een zo beeldend, spelend en dromend bewustzijn, dat je dit het beste tegemoet komt, wanneer je dat wat met Pasen gebeurt in de vorm van sprookjesbeelden tot uitdrukking brengt. In veel opzichten maakt het kind op deze leeftijd een bewustzijnsfase door die te vergelijken is met die van de voorchristelijk en voorjoodse. Het is vanzelfsprekend dat de dood gevolgd wordt door de overwinning van het leven. Wanneer in een sprookje de prins sterft en weer levend wordt, betekent dit voor het kind een bevrijding, een verlossing. Een sprookje af te willen sluiten met de dood van de prins, zou misplaatst zijn. Een dergelijke dood is te vergelijken met de doornroosjesslaap, een overgangsfase naar een nieuw, sterker leven. Er zijn veel sprookjes die dood en opstanding als een verborgen motief in zich hebben. Wanneer je de kinderen sprookjes vertelt is het van doorslaggevende betekenis als de verteller de samenhang begrijpt. Die verklaar je de kinderen natuurlijk niet, daarmee zou je het spontane van de sprookjesbeelden verstoren. Het bewustzijn van de verteller geeft de sprookjesbeelden pas het juiste gewicht. Wanneer de volwassene de werkelijkheid van de sprookjesbeelden doorziet, werken deze met grotere levenskracht op het kind.

Wanneer je de kinderen zulke paassprookjes verteld hebt waarin de overwinning van het leven op de dood in frisse beelden tevoorschijn komt, dan kun je op een spelende en tegelijkertijd feestelijk-eerbiedige manier die eeuwenoude symbolen gebruiken: het paasei, het paaslam en de paashaas. De paashaas en de rood beschilderde verstopte eieren, door de kinderen te laten zoeken, is wel de beste manier voor de heel kleinen. Wat grotere kinderen, kunnen met vlijt en moed deze ‘beelden van het leven’ zelf maken. Nooit zou je groene of blauwe paaseieren moeten gebruiken, want het is de opgaande zon, het zegevierende leven, in beeld gebracht en dat beleven de kinderen het sterkst aan de rood of oranje kleur.

Een feestelijke en vrolijke stemming kun je daarbij alleen bereiken, wanneer je de kinderen eerst iets vertelt, waarmee ze ook werkelijk kunnen leven.

Vanaf klas drie hebben de kinderen iets meer nodig dan het natuurbeleven en de eerbied en dankbaarheid tegenover god de vader, de bron van al het leven. Op deze leeftijd krijgen de kinderen een zelfstandiger Ik-gevoel. Ze komen in de fase waarin het goddelijke ook in het morele, in het innerlijk gevonden kan worden en niet alleen meer in de grote paradijselijke natuur. Nu hebben de kinderen de geschiedenis van het volk der Joden uit het Oude Testament nodig. Op deze leeftijd moeten de kinderen, beeldend gesproken, uit Egypte weggeleid worden, naar de berg Sinaï waar hun de morele wet met alle kracht tegemoet komt.

Pasen, als joods Pasen, gaat de weg van buiten naar binnen. Diezelfde weg gaat ook het kind op deze leeftijd. – zo als het Joodse volk zich als groep beleeft, voelen ook de kinderen zich nog in klas drie. Maar als een groep die op weg is naar de zelfstandigheid van de enkeling.
Vanaf de zesde en de zevende klas zijn de kinderen hierop al een schrede verder gekomen. Zij hebben de eenvoudige beelden van de oosterse volksgeschiedenis gevolgd. Ze zijn tot aan Hellas en Rome gekomen, waar het recht van de enkeling en het ontoereikende van de volksgroepen aanschouwelijk te voorschijn komen. – op deze manier komen de kinderen door de samenhangende wereldgeschiedenis bij het christelijke paasfeest. Betekent dat dat je de kinderen vóór ze in de zesde klas komen niets uit de evangelies kunt vertellen? Dat is hier zeker niet zo bedoeld.

Al in de allereerste kindertijd kun je van het kind in Bethlehem vertellen; van het licht dat in de donkere wintertijd straalt; van de herders die het kind aanbidden, van de wijze koningen die met hun rijke gaven goud, wierook en mirre komen, van Herodes en de vlucht naar Egypte. Bijzonder uitgebreid kun je tijdens de kerstvoorbereidingen in de eerste en tweede klas bij deze beelden stil blijven staan. Dit speelt zich af in een tijdloze sprookjesstijl. Ieder jaar kan dit weer herhaald worden.

En verder, in de vierde en vijfde klas kun je de aansprekende beelden van de evangelische gelijkenissen vertellen, de wonderen, genezingen en woorden van wijsheid. Je zou ze moeten behandelen als tijdloze, eeuwige gebeurtenissen die altijd werkelijkheid zijn.

Het eigenlijke christelijke Pasen wordt pas dan begrepen als het kind er rijp voor is en daarop moet je geduldig wachten. Het gaat erom dat het kind de tijd van de wereldgeschiedenis kan beleven. In het bijzonder geldt dit voor het beleven van de dood.

Op de leeftijd van twaalf worden de botten zo vast en hard dat het kind vanaf die tijd in staat is de dood heel anders en helderder te vatten dan vroeger. Het natuurwetenschappelijk onderwijs moet tot in de fysieke en mechanische wetten komen.

Vanaf deze leeftijd (12-14) hoort het bij de ontwikkeling van de mens de dood in zijn volle consequentie te kunnen doordenken; het hele wereldal als een grote dode machinerie, een uurwerk van dode, losse delen. Maar ook te doordenken: wat is sterker dan de dood, hoort bij deze leeftijd. Vanaf deze leeftijd hoort het ook bij de ontwikkeling van de mens het christelijke Pasen, in de enkeling, in de hele mensheid als leed, dood en opstanding te leren kennen.

Je doet het kind onrecht wanneer je het al eerder met deze problemen belast. Hoe groter de eerbied tegenover het machtig goddelijke dat zich in het christelijke paasfeest openbaart in iemand leeft, des te voorzichtiger zul je deze benaderen en des te voorzichtiger zul je ook zijn om het juiste tijdstip en de juiste manier te vinden om dit grote aan de kinderen mee te delen.

Goethe had deze diepe eerbied in hoge mate. In ‘Wilhelm Meisters Wanderjahre’ schetst hij (2e boek, 2e hoofdstuk) hoe men in de ‘pedagogische provincie’ kinderen opvoedt. Hoe laat hij de kinderen met het Oude en Nieuwe Testament kennismaken? Op een kunstzinnig-beeldende manier. En hij hanteert tegelijkertijd een strenge driedeling.

De eerste bevat het Oude Testament met zijn grootse, dramatische beelden. De tweede omvat de evangeliën in meer innerlijke en tederder beelden. Die gaan tot het avondmaal, voor de lijdensgeschiedenis begint. Hier, vóór het derde onderdeel trekt Goethe een dikke streep.

Wat daarna komt, het lijden, de dood en de opstanding, laat Goethe in de ‘pedagogische provincie’ in de loop van de jaren nog verborgen. Alleen in de paastijd worden deze verheven beelden tijdens een feestelijke handeling openbaar. Alleen de oudste leerlingen mogen erbij zijn. Goethe noemt geen bepaalde leeftijd, maar uit de samenhang kun je opmaken dat deze niet vóór het twaalfde jaar ligt.

Deze voorzichtige en aparte, uitgezochte en grondige voorbereidingen om nader te komen tot de wezenlijke kern van het paasfeest, betekenen het tegendeel van deze als minder belangrijk terzijde te willen zetten. Zoals Goethe zegt: ’Wij leggen een sluier over dit lijden, juist omdat wij er zo’n diepe eerbied voor hebben.’

.

Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Ritmenalle artikelen

Vrijeschool in beeldPasen

811-746

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (39)

.

Hans Harress, Elternbrief 04-1993

.

OUDE PAASGEBRUIKEN
.

Het paasvuur
.
Wanneer eind maart of begin april de invloed van de koude vorstwinter steeds verder teruggedrongen wordt en de prille, frisse natuurkrachten van de ‘jongeling’ lente niet meer tegen te houden zijn, is de tijd gekomen waarin de christenen het paasfeest vieren.
De precieze datum van het beweeglijke paasfeest hangt, zoals bekend, samen met de eerste volle maan na het begin van de lente.

Wij weten dat de Germanen hun heilig lentefeest, zoals veel andere volken, al lang vóór hun bekering tot het christendom, vierden; het was het tijdstip van de dag-nachtevening.
In de ziel van de mens begon weer hoop te gloren, dat de bittere wintertijd met de ontberingen eindelijk voorbij zou zijn en dat de lauwe lentewind ijs en sneeuw zouden doen smelten en de groene knoppen tevoorschijn zouden laten komen; de ommekeer ten goede, voor iedereen zichtbaar en voelbaar zou maken.

Deze ommekeer werd ook in de natuur zichtbaar: de kiem- en groeikrachten waren niet meer tegen te houden; overal botte het uit en de beekjes begonnen weer te stromen, de trekvogels kwamen weer terug, hun bruilofts- en jubelgezangen deden de dankbare mensen veel plezier.
De ‘vorstreuzen’ hadden hun laatste strijd verloren; ze stuurden nog een krachteloze storm over het land – maar Ostara, de lentegodin, was toch met haar levensbrengende heerschappij begonnen.

De verbranding van de winter
.
Om de gebeurtenissen in de natuur a.h.w. nog een laatste zetje in de rug te geven, werden bv. bij de Germaanse volken de duistere, wrede wintermachten, liefst op een zo groot mogelijk vuur, symbolisch verbrand.
Dat is een van de oorsprongen van dergelijke vuurgebruiken in de lente- later in de paastijd.
Zulke lentevuren waren bij de Germanen een zeer heilige cultus, die alleen door de priesters van de Germanen, door de druïden uitgevoerd mocht worden.
Later ontstonden daaruit de meer algemene vreugdevuren, waarbij ten slotte ieder dorp of zelfs groter gehucht zijn eigen vuur ontstak.

Nog altijd zijn er in vele streken en dorpen met Pasen, maar ook met Sint-Jan jaarlijks terugkerende wedstrijden wie de grootste brandstapel bouwen kan. De vaak zeer vernuftig opgebouwde stapels moeten vóór Pasen dag en nacht bewaakt worden, omdat de jongeren uit de buurdorpen erop uit zijn ze voortijdig in de fik in te steken. Wanneer dat lukte, was het leedvermaak buitengewoon groot; werden ze betrapt, dan konden ze met een flink pak slaag of erger teruggejaagd worden.

Heksenverbranding

Toen de gewoonte om met de lente of Pasen een vuur aan te steken onder de bevolking algemeen werd en zich uitbreidde, ontstonden daaruit allerlei vormen en gebruiken. In sommige streken werden van stro ‘heksen’ gemaakt of andere wezens en die werden dan op het grote vuur verbrand. Daarmee moesten dus of de levensbedreigende, boze wintermachten of in het algemeen het ‘kwaad’ van huis en boerderij, van mens en vee weggehouden worden.

We kennen dit motief ook uit een oud sprookje van de gebroeders Grimm: “Hans en Grietje”, waarin de boze heks die de mens Hans om wil brengen, in het vuur van de bakoven aan haar einde komt.

(Het gebruik mensen te verbranden, namen zoals bekend, later de ‘vrome’ christenen over toen zij arme, onschuldige mensen die zij ‘heksen’ of  ‘slecht’ noemden, na ondervraging en foltering verbrandden).

Behalve heksen werden er in de christelijke tijd met Pasen ook mannelijke stropoppen verbrand; zij stelden de verrader Judas voor; vandaar dat deze ceremonie ook het ‘Judasverbranden‘ werd genoemd.

De Germanen wilden door deze symboolverbranding van boze geesten hun land, huizen en boerderijen, vee en oogst en de mensen voor de duistere, boze machten en hun invloed, beschermen, zoals gezegd.

Wanneer er plagen heersten, wat vaak voorkwam, dreef men het vee door het vuur en hoopte dat de reinigende kracht van het vuur de plaag zou vernietigen en doen verdwijnen.

Dat is altijd de taak van het vuur geweest: door het oude te verbranden, het nieuwe laten ontstaan. Als beeld- en sprookjesmotief kennen we het verhaal van de vogel Phoenix die iedere keer wanneer hij oud en zwak geworden is, zichzelf in het vuur verbrandt om dan uit de as weer jong, mooi en opnieuw geboren te verrijzen.

Dat is het oude paasmotief van dood en opstanding.

De boeren staken vroeger grote stukken weiland of velderijen aan opdat het afgestorven, verbrande gras plaats zou maken, licht zou geven voor de nieuw op te schieten sprieten.

De springende zon

In delen van Oostenrijk hield men nachtelijke pelgrimstochten om de opkomende zon op paaszondag te begroeten.

Een oude legende verhaalt, dat de zon op paasmorgen uit vreugde over de opstanding van Jezus drie sprongen maakte; die wilden de mensen zien.
In andere streken werd de opkomende  paasmorgenzon vanaf een heuvel door gelovigen begroet en zij smeekten dat zij het hele jaar door het goede zou brengen en het boze, de droogte, zonnesteek en brand verre van hen zou houden.

Heilig zonnerad

In andere streken, vooral waar het landschap heuvel- bergachtig was, ontstond het lang in ere gehouden gebruik grote wagenwielen kunstig met stro te omvlechten en er veel wensen in te stoppen. Dan werd met Pasen – in sommige gebieden overdag, in andere ’s nachts* – het stro om de wielen aangestoken en deze werden brandend naar het dal gerold. De velden, akkers en weiden waarover de brandende wielen waren gerold, golden als gezegend en beschermd tegen kwade natuurmachten en weersinvloeden.

Uit dit, toen zeer ernstig genomen gebruik, ontstond later een wedstrijd en sport: wiens wiel rolt het verst en brandt het langst. Wanneer een wiel te vroeg omviel, wat niet zelden op de ongelijke vlakten gebeurde, hoefde de bezitter van het wiel niet verlegen te zitten om gelach en leedvermaak.

De zon als oorsprong van al het vuur

De zonnewielen vinden hun oorsprong in een zeer oude traditie en waren lang het symbool van het wezen en de kracht van de zon aan wie alle levende wezens op aarde hun bestaan danken.

Aan bijna alle oude heidense vuurplechtigheden, als mede offer- en dankvuren lag een diep-religieuze zin ten grondslag. De mensen offerden, ons nog goed bekend uit de Grieks-Romeinse geschiedenis, hun goden regelmatig aardse goederen bij een offervuur; als regel geslachte dieren en/of veld- of bosvruchten. Deze offergaven werden op heilige vuren verbrand om ze zo onaards, opgelost, dus in hun oervorm terug te sturen opdat de goden deze in hun onstoffelijke vorm tot zich zouden kunnen nemen. De mensen wilden op deze manier de barmhartigheid en de zegen van hun goden verkrijgen. Het was zeker ook mogelijk dat de goden of een god zo’n offer zouden weigeren. De geschiedenis zit vol met deze offergebruiken. In sommige natuurgodsdiensten werden zelfs mensen aan de goden geofferd. Verlangde ook de god van Abraham niet, dat deze hem zijn eigen zoon zou offeren?

Dank aan de zon

De oorspronkelijke, geestelijke achtergrond van vrijwel alle offervuren van de mens en ook de jaarlijkse paas- en johannesvuren, was de diep doorleefde dank van de mens aan de zon. Die oorsprong kwam tot uitdrukking en werd door de mens beleefd wanneer het vuur de zonnekracht die in het natuurmateriaal hout, stro enz. aanwezig was, bevrijdde. Dit vuur werd steeds als dankoffer aan de zon, of aan de zonnegod aangestoken en het door de zon geschonken licht en de warmte werd weer tot haar gezonden in het vuurproces met de dankgebeden en dankoffers.
De mens van toen was zich veel meer bewust dat hij en met hem heel de levende natuur, zijn leven te danken had aan de offerbereidheid van de onzelfzuchtige zon. Het licht en de kracht van de zon, tegenwoordig spreken we wetenschappelijk – natuurkundig alleen nog van de zonne-energie – maakt planten- en dierengroei mogelijk en het gedijen van de mens. Zonder zonlicht zou er geen aards leven mogelijk zijn. Door de zon is er o.a ook wind en is er een waterkringloop (wolken – regen – zeestroming, bronnen- en riviervorming). Met haar hulp vormen de planten de zuurstof van de lucht. Ze is – modern uitgedrukt – de motor van alle natuurcirculaties. Of wij mensen nu hout, kolen, aardgas of aardolie verbranden, deze stoffen stellen niets anders voor dan de opgeslagen zonne-energie uit vroegere, geologische tijden.

De kracht van de zon zit ook in iedere graankorrel, dus in het dagelijks brood.
In veel dank- of tafelgebeden komt dit weten tot uitdrukking.

Dit is bv. van de vrijeschoolleraar Martin Tittmann:

Das Brot vom Korn,
Korn vom Licht,
das licht aus Gottes Angesicht.
Die Frucht der Erde aus Gottes Schein.
Lass Licht auch werden im Herzen mein.

Het brood komt van het koren,
het koren van het licht,
het licht van Gods aangezicht.
Zo make het brood als Gods werk,
onze harten licht en sterk.

Of:

Het brood uit het graan,
het graan uit het licht,
het licht uit Godes aangezicht.
De vrucht van de aarde uit Godes schijn —
Laat het in mijn hart ook lichtend zijn.

Martin Tittmann
Het brood komt van het koren

Christus, de zonneheld

Tegenwoordig is het voor de materialistisch ingestelde mens vanzelfsprekend, dat de zon ons – zonder aanziens des persoons – licht, kracht en energie, eeuwigdurend en belangeloos schenkt.

Deze daad beschouwde  de christelijke mens als het wezen van de ‘zuivere liefde’. Christus was de menselijke vertegenwoordiger van deze reine liefde; zij is de basis van het ware, oorspronkelijke (esoterische) christendom.  Zoals de zon, offerde Hij zich met heel zijn bestaan en zijn lot op voor de gehele mensheid, zonder enige beperking, zonder enige tegenprestatie te verwachten! Christus werd daarom oorspronkelijk als zonneheld beschouwd die in het teken van de zon handelde en zou overwinnen; hij die uit de zonnesfeer tot ons mensen op aarde kwam.
Aan de Germanen was deze zonneheld al lang voor het christendom vertrouwd en bekend. Hij leefde in hun geloof, d.w.z. in hun verhalen als de held Siegfried (oorspronkelijk: Sigfrid), die moedig en ongedeerd door het door Wodan aangestoken vuur ging om Wodans dochter Brunhilde te bevrijden en om de oude, traditionele godenwereld te overwinnen en af te lossen (godenschemeringsmotief). Eerder had Siegfried de hoogste god Wodan al in een strijd verslagen en zijn speer vernietigd.

Achter deze gebeurtenis wat bv. bij Richard Wagner in zijn ‘Ring van de Nibelungen’ getoond wordt, zit een diepe symboliek en weten verborgen, waarvan de Germanen klaarblijkelijk in het algemeen meer wisten dan wij heden ten dage. We hebben veel van hun gebruiken overgenomen, vaak zonder te weten wat hun oorspronkelijke betekenis was.

Zo begroet Brunhilde Siegfried, nadat hij haar uit de diepste slaap heeft gewekt, met de woorden: ‘O Siegfried, gezegende held! Gij verwekker van het leven! Gij overwinnend licht! Behoeder van de wereld! Leven van de aarde!’

Het zijn alle verwijzingen naar het zonnewezen van deze hogere ziel, zoals we nu zeggen: de christusziel.

Iets van deze traditie zit waarschijnlijk onbewust voor de gelovigen, verborgen achter de traditie in de katholieke kerk waar op veel altaren het ‘eeuwige licht’ brandt, oorspronkelijk bestaand uit gewijde olie, tegenwoordig veelal materialistisch elektrisch brandend.

Ook worden door de gelovigen, vaak uit louter traditie, meest op Maria-altaren, tegen een kleine vergoeding klaarliggende kaarsen aangestoken met de hoop of een gebed dat Maria hun wensen en gebeden moge vervullen.

De kerk heeft steeds goed begrepen, oude, vaak ook heidense gebruiken over te nemen, indien nodig ook aan te passen om ze daarna christelijk te noemen en ze in de reeks oude tradities op te nemen.

Deze uiteenzettingen mochten wellicht een beetje daaraan hebben bijgedragen iets meer licht te werpen op de oorspronkelijke betekenis van het mooie paasgebruik van het paasvuur.

*vanaf minuut 4 bv.
.

Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Ritmen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen

804-739

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (38)

.
Vrij vertaald en bewerkt naar Jan Förder in Weledaberichten 165, Pasen 1995
.

DE TWEE BOMEN IN HET PARADIJS

Een paasbeschouwing

Wij vormen onze voorstelling en ons begrip van de wereld aan de hand van een viervoudige ervaringswereld: het minerale-, het planten-, het dieren- en het mensenrijk.
Naarmate we ouder worden, proberen we hiervan een steeds beter begrip te krijgen. Toch kun­nen we, met ons zoeken naar kennis, vaak niet verder komen dan de buiten­kant van de verschijnselen. Het eigenlij­ke gebied van het leven, van de ziel en van het geestelijk-wezenlijke blijft voor ons gesloten. Vroeger werd het als de eigenlijke bestemming van de mens ge­zien om aan deze buitenkant te ontstij­gen, om zodoende de goddelijk-geestelijke wereld te vinden. Het Oude Testament beschrijft in beeldrijke taal hoe de mens, aan het begin van zijn ontwikke­ling, in directe verbinding leefde met deze goddelijke oergrond van zijn be­staan. Door de zondeval ging deze in­nerlijke verbondenheid met God en we­reld verloren; ze werd verruild voor de vier genoemde ervaringsgebieden, die nu van buitenaf worden beschouwd. Uit de ‘eenheid’ daalde de mens dus af in de ‘vierledigheid’. Dit komt tot uitdrukking in het beeld van de twee paradijs­bomen: de ‘boom des levens’ en de ‘boom der kennis van goed en kwaad’.

In het Hebreeuws heeft elke letter een getalswaarde. Daardoor kan elk woord worden weergegeven door een cij­fer dat de som is van de letterwaarden. Tellen we de letterwaarden van de uitdrukkingen voor de para­dijsbomen op, dan krijgen we 233 (‘boom des levens’) en 932 (‘boom der kennis van goed en kwaad’). Het getal 932 is precies het vier­voud van 233. De ‘boom des le­vens’ kan zo als het beeld van de goddelijke eenheid worden gezien. De ‘boom der kennis van goed en kwaad’ als de representant van de vier ervaringsgebieden waarin wij met onze kennis proberen door te dringen.
Nu was tegen de mens ge­zegd: ‘Van alle bomen in de hof moogt gij eten, maar van de boom der kennis van goed en kwaad moogt gij niet eten, want op de dag dat gij daarvan eet, zult gij sterven’.
De tegenhanger van de ‘boom des levens’ is dus eigenlijk een ‘boom des doods’.

De mens richt zich in zijn ontwik­keling steeds meer op deze
doods-kant, op de kant van de kennis. Daarmee begint het verlies van de eenheid, en met de verdrijving uit het paradijs wordt de ‘boom des levens’ de mens ten slotte geheel ontnomen. Door deze afdaling van ‘één’ naar ‘vier’ te ka­rakteriseren als een afdaling in het ge­bied van de dood, wordt al direct aan het begin van het Oude Testament een perspectief getekend dat kan worden beschreven als de gang naar het kruis (als symbool van de dood).

Bertram van Minden boom kennis

Bertram von Minden, altaarvleugel uit Grabow, 1379 (Hamburg, Kunsthalle)

Zoals in het beeld van de verdrijving uit het paradijs de hemel zich als het ware sluit, zo wijzen de woorden van Johannes de Doper op het dichterbij komen van de verloren gegane sfeer (‘het rijk der hemelen is nabij gekomen’). Door het wezen van Jezus Christus kan de ‘boom des levens’ opnieuw ervaren worden: ‘Ik ben de Opstanding en het Leven’. En juist deze drager van eeuwig leven wordt op Goede Vrijdag aan het   kruis genageld. Vanaf de buitenkant gezien staat in het beeld van de krui­siging op Golgotha de doodszijde op de voorgrond. De levenszijde kan al­leen uit een innerlijke, vrije keuze worden gevonden in de Verrezene zelf, door de ontmoeting met het we­zen van Christus. Zo wordt het kruis, de ‘vier’, tot de poort die ons de een­heid weer openbaart.

Bertram van Minden boom kennis 2Bertram von Minden, altaarvleugel uit Grabow, 1379 (Hamburg, Kunsthalle)

En zo kunnen we vermoeden dat on­ze viervoudige ervaringswereld aan­vankelijk ook alleen haar doodskant toont, maar dat ze eigenlijk tot een poort wil worden, waardoor wij ten slotte de krachten van het eeuwige leven zullen vinden. Dat alles zullen we bereiken als we het in vrijheid zoeken, als we in onze viervoudige wereld degene kunnen zien, die zich in het teken van het kruis met de we­reld verbonden heeft, en van wie Novalis zegt:

‘Aus Kraut und Stein und Meer und Licht,
schimmert sein kindlich Angesicht’.

.

Palmpasen/Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldpalmpasen

792-727

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Duits – lagere klassen (3-2)

De jaarfeesten bieden een prachtige gelegenheid om de leerlingen kennis te laten maken met wat zo karakteristiek is voor een andere taal. Zo zullen er rond Kerstmis in vrijwel alle klassen ‘Christmas carrols’ gezongen worden – zo typisch Engels.

Maar ook de andere talen hebben hun specifieke jaarfeestenliederen en gedichten. Soms traditioneel, soms ook recent gemaakt.

Voor het Duits is het werk van Hedwig Diestel en Norbert Thomsen erg waardevol.

PASEN

Oster-Gedicht

Der Hase kommt! Seid alle still,
Ihr Kinder, haltet Ruh’!
Weil er euch überraschen will,
macht eure Augen zu!

Er hüpft zum Neste in der Nacht,
Springt fort in schnellem Lauf.
Was hat er schönes mitgebracht?
Macht eure Augen auf!

Hedwig Diestel

Voor de 1e klas een heerlijk spelletje. Wanneer je een klein ‘hazenmaskertje’ hebt, met de oren, voelt ieder kind dat ‘m mag zijn, zich een echte haas.
Hij komt ergens uit een hoekje van de klas vandaan; alle kinderen hebben hun ogen dicht en of hun hoofd op tafel, verstopt in hun armen.
‘Hoor je wel, waar hij hupt?’
De haas heeft enkele voorwerpjes bij zich die hij ergens op een tafeltje neerlegt en gaat er dan vlug vandoor – heerlijk voor de kinderen die graag bewegen of veel beweging nodig hebben. De voorwerpjes moeten door de kinderen in het Duits benoemd worden: ‘Was hast du bekommen?” –“Ich habe einen Ball bekommen.” Enz.
Maar ook: ‘Was hat der Hase dir gebracht?’, zodat ook het spreken weer geoefend wordt.

Een pentatonisch paasliedje van Norbert Thomsen:

Duits paasliedje

bij ‘Ewigkeit’ – de 2 g’s – staat als muzikale aanwijzing: iets vertragen, gevolgd door ‘a tempo’ – evenzo bij  ‘der’ (Christ) en ‘Herrscher’

Osterlied

Willkommen sei die fröhlich Zeit,
uns zu begehn in Ewigkeit,
die Hölle überwand der Christ,
und nun im Himmel Herrscher ist.

Wie ist die Welt uns schön erneut!
Die Erde sich im Innern freut,
dass der Herr aller Gnaden Gab
vom Himmel hat gebracht herab.

Denn da er in die Erde kam
seins Wesens Kraft er mit sich nahm
und hat erneut durch seine Gewalt
so Stein und Meer, so Feld und Wald

(woorden: volks)
.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden
.

790-725

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (30)

.
Hella Krause-Zimmer, *Das Goetheanum, *51-52/2002
.

De zuilen/pijlers van de geboorte
.

De afbeelding van twee madonna’s op een terracottategel
.

Talrijk waren de reacties van lezers op de artikelen en boeken van de op 11 april van dit jaar* gestorven schrijfster Hella Krause-Zimmer. Zo kreeg Krause-Zimmer rond kerst 2001 een brief van Rose Marie Egger Kreutz met een foto van een reliëftegel met de voorstelling van 2 madonna’s met het kindje Jezus, die de afzendster in een landhuis in Toscane ontdekte.
Aangespoord door deze ‘verrassende vondst […] tot in detail’, zoals Krause-Zimmer in maart 2002 aan Egger Kreutz schreef, ontstond een kleine bijdrage aan ‘das Goetheanum’.* Een paar vragen: uit welk materiaal, met welke techniek de tegel was gemaakt en waar deze vandaan kwam, stelde Krause-Zimmer wel aan Egger Kreutz, maar deze kon die helaas niet beantwoorden. Het manuscript schijnt niet af te zijn.

.

Op heel bijzondere wijze en met een verrassende rijkdom aan kennis is het thema van de 2 Madonna’s op een tegel bij elkaar gezet, die uit Ligurië (Italië) komt – men weet echter niet waar die vandaan komt. Ze bevindt zich in Italië in privébezit.

De twee Maria’s die om het hoofd een aura hebben, zitten gelijkwaardig naast elkaar en houden hun kleine Jezuskind op schoot. Ze zijn met zorg, vaste hand en schoonheid uitgewerkt. Aannemelijk is dat de tegelmaker – of hij nu meer vakman of meer een beeldhouwer was – volgens een voorbeeld gewerkt heeft, misschien naar een altaar in zijn omgeving.

Het thema van de twee Maria’s is zelden zo uitgebeeld ‘to the point’ als bij dit kleine reliëf en het eventuele voorbeeld. Bij alle uniformiteit is naar een subtiel, maar duidelijk onderscheid gestreefd.

De rechter Maria met een jeugdig open gelaat, maar met bescheiden geloken ogen, is eenvoudig gekleed, een doek bedekt haar hoofd. Haar naar beneden gerichte blik rust op haar jongetje dat op haar bovenbeen zit en er zeer kinderlijk uitziet. Ze steunt het met haar linkerhand en met haar rechter omvat ze zijn voetje. Het kind zelf heeft iets in zijn beide handjes, wat op een granaatappel lijkt. De Moeder van dit zo liefdevol vastgehouden kindje zit op een troon, geflankeerd door engelen en zingende engelen houden een kroon boven haar hoofd. De uitdrukking op haar gezicht zou je, in vergelijking met de andere Maria, verinnerlijkt kunnen noemen.

Door bogen verbonden:
De eenvoudige en de aristocratische madonna

De linker Maria oogt strenger – met de rechte neus, de enigszins starre blik die niet op het kind rust. Haar hoofd is niet met een doek bedekt. Hier zie je ook geen engelen, niet bij de troon en ook wordt deze Maria niet door engelen gekroond. Haar gewaad is voller, rijker en er zit een opvallend voorname boord aan. Haar kindje staat en wordt door haar linkerhand maar weinig gesteund. Het is soevereiner en minder kind dan het andere knaapje. Hij houdt geen granaatappel vast, maar hij houdt zijn rechterhand tegen zijn eigen borst en houdt met de andere hand de rijke zoom van Maria’s mantel vast. De Moeder houdt hem een bloem of een vrucht voor. Ook hij heeft, net als zijn Moeder, zijn ogen open, de oogleden niet geloken.

Je zou kunnen zeggen dat de rechter ‘eenvoudige’ Madonna een ietwat boerse inslag heeft, terwijl de linker met haar scherpere, fijn uitgewerkte trekken eerder aristocratisch lijkt.

Door de inspanning van de meester kunnen we de beide Madonna’s onderscheiden in die zin, dat we in de engel-Maria en haar kinderlijke jongetje de Madonna uit het Lucasevangelie kunnen herkennen en in de strengere, uiterlijk rijker geklede linker Moeder de ‘Mattheüs-Maria’. Met andere woorden, het Kind aanbeden door de engelen en de herders hier en het Kind van de aanbidding der koningen, daar.

Bij deze karakterisering past ook de granaatappel, want deze is het symbool van de dood en het ‘Kind uit Lucas’ is hij die op Golgotha zal sterven.

De Maria’s zijn gescheiden door een zuil en verbonden door een dubbele boog die op de zuilen rust. Boven de bogen zweeft de duif van de Heilige Geest.

Op veel voorstellingen van de oudere christelijke kunst is een zuil te zien. Bij de scène van de verkondiging staat deze tussen Maria en de engel Gabriël die haar de onbevlekte ontvangenis aanzegt. Bij de beelden van de geboorte ligt het kindje aan de voet van de zuil. Zo vertoont de zuil zich als een metafoor, als een uitdrukking van het nederdalen en het overeind staan op het aardoppervlak: de geboorte.
De geboortezuil, evenals de daarboven zwevende Heilige Geest die het tot stand brengt, valt de beide Maria’s ten deel.
Op voorstellingen is ook vaker links en rechts van de zuil een arcade te zien. Wat deze dubbele rondboog moet vertellen, laat onze meester open en zonder verhulling zien: de 2-voudige geboorte; de twee Jezuskinderen; de twee Maria’s.

twee Jezuskinderen

Een kleine tegel, misschien voor een huisaltaar gedacht – vol verwondering staan wij ervoor en vragen ons af, hoe dat hier zo duidelijk benadrukte weten over de twee Kinderen en hun Moeders tot de kunstenaar en zijn opdrachtgever gekomen is, ondanks de toen zo machtige kerk. De woordelijke traditie is zo tegengehouden dat de christenen heden ten dage daarvan nauwelijks iets weten.

Rudolf Steiner heeft langs de weg van geesteswetenschappelijk onderzoek naast de documenten en tradities dit geheim weer ontdekt. Alleen daardoor en ook sindsdien kun je ontdekken dat in de beeldende kunst dit thema eens rijkelijk aanwezig was; honderden voorbeelden, verspreid over heel Europa zijn als rest nog aanwezig en getuigen ervan.

De kleine tegel sluit als een van de nieuwste vondsten aan bij de grote groep van deze getuigen.

.

Ongeveer 200 voorbeelden worden besproken en met foto’s gedocumenteerd in het boek: ‘Die zwei Jesusknaben in der bildenden Kunst‘ van Hella Krause-Zimmer; voor een deel ook in ‘Herodes und der Stern von Bethlehem’
(beide niet vertaald)

Er bestaat wel een Nederlandse uitgave met de titel ‘De twee Jezuskinderen in de beeldende kunst’ van Hans Lap Stolp (zie reacties)

zie ook: De twee kerstkinderen: theologisch probleem

.

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Kerstmis

Jaartafels

.

743–680

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (29)

. 
De Gelderlander, 22-12-1993

.

Jezus kwam ter wereld, maar waar is onzeker

.

„Het gebeurde in die dagen…” Het kerstverhaal volgens Lucas is op kerstavond in overvolle kerken het meest gebruikte Bijbelgedeelte.

Het verhaal wordt gretig opgesierd. In een kerstspel houden hardvoch­tige herbergiers de deuren voor Jozef en Maria gesloten. Jezus wordt geboren in een stal waar een ijzige wind door de kieren giert.

Met de oorspronkelijke Bijbeltekst heeft dit alles weinig van doen. Met de werkelijke toedracht van de geboorte van Christus nog minder. Kerkhistorici achten het zeer on­waarschijnlijk dat herbergiers Ma­ria en Jozef onderdak weigerden. Jozef kwam uit Bethlehem en heeft daar beslist familieleden gehad die hem en zijn zwangere vrouw in huis zouden hebben opgenomen. Het is waarschijnlijker dat alle ka­mers in herbergen in verband met de volkstelling waren bezet.

In het begin van onze jaartelling was het in Bethlehem gebruikelijk dat zich onder het woonhuis een stal voor het vee bevond. De krib­ben waren toen net als nu uit steen gehouwen. Het zal ook buiten de stal niet koud zijn geweest. De herders weidden hun schapen in het open veld. Er moet voor deze dieren voldoende te eten zijn ge­weest. Geleerden menen daarom dat Jezus in het begin van de herfst ter wereld is gekomen: na de oogst eind augustus trokken de herders met hun schapen naar de velden met korenstoppels.

Waar de geboorte van Jezus zich heeft voltrokken, kunnen de Bijbelonderzoekers na 2000 jaar niet meer achterhalen. Lucas is de eni­ge evangelist die gedetailleerd over de geboorte schrijft. Mattheüs, wiens beschrijving van het leven van Jezus veel overeenkomsten met die van Lucas vertoont, meldt niets over herbergiers, een kribbe en herders, maar biedt wel het verhaal van de drie wijzen uit het Oosten, die overigens waarschijn­lijk koning noch wijs waren. Ook het geboortejaar van Jezus is niet precies bekend. Keizer Augus­tus heeft twee volkstellingen laten houden: in 8 voor Christus en in 6/7 na Christus. In het eerste jaar was Quirinus nog geen landvoogd van Syrië en in het tweede was de wrede koning Herodes al overle­den. Sterrenkundigen hebben hun eigen berekeningen gemaakt. In het jaar 7 voor Christus ontmoetten de planeten Jupiter en Saturnus elkaar aan de zuidelijke sterrenhemel. Deze ‘Kerstster’ moet de drie wijzen van Jeruzalem naar Bethlehem hebben geleid. In het jaar 2238 zal zich hetzelfde ver­schijnsel voordoen.

Dat Jezus op 25 december is gebo­ren, is nagenoeg uitgesloten. De datum van het kerstfeest heeft een heidense oorsprong. Bij het ingaan van de winter werd het feest van de zonnegod gevierd. De protes­tantse predikant Thomas Gandow heeft een andere theorie: hij legt een verband met het joodse feest van de tempelwijding. In onze om­geving wordt pas sinds de negende eeuw op 25 december het kerstfeest gevierd. De oosterse kerken vieren Kerstmis op 6 januari, als de rooms-katholieke kerk het feest van de Verschijning des Heren (Driekoningen) viert.

.

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

740-677

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (28)

.
Nadere gegevens ontbreken.

.

Om mij de duisternis
Somber en groot
Alles, wat leven is
Speurt nu de dood

Buiten de dreigende,
Donkere nacht.
Zwarte en zwijgende
Groot is uw macht

Diep in ons hart leeft
Stralend een ster.
Alles, wat leven heeft
Ziet haar van ver.

Lichtende Geesteskracht
Goddelijk Kind,
Gij hebt de sterkste macht
Gij overwint

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

739-676

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Oudjaar (2)

(voor kinderen van 5 – 8)
Voorleestijd ca 9 min.

De oudejaarsnacht
.

Het was de laatste dag van het jaar. Een dikke laag sneeuw lag over de wegen en velden. Er was een kleine jongen onderweg; hij droeg nieuwe schoenen en had een grijze das en een rode puntmuts. Hans heette hij.
Op zijn rug droeg hij een kleine rugzak. Zijn moeder had daarin een kerstbrood en een driekoningenkaars gepakt. Ze had hem op het hart gedrukt zich goed te gedragen. Hans moest zijn grootmoeder en grootvader opzoeken. Hij moest vooral niet vergeten netjes te groeten en te bedanken en ze een vrolijk en gezegend Nieuwjaar te wensen. Ja, daar zou hij aan denken.

De dagen in de winter zijn maar kort; de sneeuwwolken hingen zwaar in de lucht; en al spoedig vielen de sneeuwvlokken naar beneden, stil en dicht bij elkaar, zoals het dons van een dekbed.
Toen Hans een stukje gelopen had, bedacht hij, dat hij een kortere weg kon nemen over een bospad.
De sneeuw viel in steeds grotere vlokken en tussen de bomen begon het al donker te worden. Voor Hans het wist, was het nacht geworden. De weg was dichtgesneeuwd; hij kon hem niet meer vinden.
Had hij maar lucifers bij zich gehad, dan had hij de kaars kunnen aansteken en zo misschien via zijn voetsporen de weg weer terug vinden. Nu wist hij niets beters te doen, dan onder een boom te gaan zitten en te wachten tot de sterren en misschien zelfs de maan te voorschijn zouden komen.
Hoe lang hij daar gezeten had, wist alleen de duisternis. Hij was al bijna helemaal ingesneeuwd, toen hij plotseling in de verte een licht zag. Moeizaam stond Hans op en ging op het licht toe en na korte tijd stond hij voor een groot vuur. Nog nooit had hij een vuur zo helder zien branden. Om het vuur zaten twaalf grote mannen, die wijde mantels droegen,
Ze zaten daar stil en ernstig, bijna als koningen en staarden in de vlammen. En enkele droeg een kroon van ijs op het hoofd of kronen van dennenappels; weer anderen hadden kransen van groene bladeren of korenaren.
Hij die de oudste leek, hield een stok in zijn hand en pookte in het vuur. Hij wendde langzaam het hoofd om en vroeg: ‘Ken je ons?’ ‘Dat dacht ik wel,’ antwoordde Hans. Want hij begreep dat de wijze mannen die hij hier zag, de twaalf maanden van het jaar moesten zijn. De oudste die de stok vasthield, dat was zeker december. Daarom droeg hij ook een donkere mantel.
‘Vertel ons dan wie we zijn’, moedigde de grijsaard hem aan terwijl hij het vuur aanwakkerde. En Hans zei het versje op dat grootvader hem geleerd had:

Geef januari een sneeuwtapijt,
dan zijn we gauw de winter kwijt.

Is februari kil en nat,
hij brengt ons koren in het vat.

Nooit is maart zo zoet,
of ’t sneeuwt op de boer zijn hoed.

Als april blaast op zijn horen,
is ’t goed voor hooi en koren.

Veel onweer in mei,
dan zingt de boer joechei.

Juni meer droog dan nat,
vult met goede wijn het vat.

Wil september vruchten dragen,
dan in juli hitte om te klagen.

Geeft augustus zonneschijn,
zeker krijgen we goede wijn.

Septemberregen op het zaad,
komt het boertje wel te staad.

Oktober met groene blaân,
duidt een strenge winter aan.

als ’t in november ’s morgens broeit,
wis dat de storm dan ’s avonds loeit.

December veranderlijk en zacht,
geeft een winter waar men om lacht.

De grijsaard met de stok knikte goedkeurend.
‘Omdat jij ons kent’, sprak hij, ‘kennen wij jou ook’.

‘Je bent precies op tijd gekomen, want in deze nacht waarin het oude jaar voorbij is, kan jij ons helpen. Zie je hoe klein ons vuur geworden is? Let nu goed op wat er gebeurt, als ik de stok aan broeder januari reik. Kruip gauw onder zijn mantel, dan zul je zien hoe het nieuwe jaar uit de sterren neerdaalt. Haast je dan en bezorg ons nieuw vuur met je kaars, want weldra zal het oude vuur uitgaan.’

Toen de oude man dit gezegd had, klonk er in de lucht een geluid. Het was of machtige klokken luidden. Het geluid kwam van ver weg en van dichtbij. Het leek wel over alle landen en alle rijken op aarde te weerklinken. December richtte zich op, hief zijn stok op en riep met luide stem: ‘Nu broeders, gaat de staf van hand tot hand. Terwijl de nieuwjaarsklokken klinken over het land.
Zegene God die in de hemelen troont, nu alles wat op aarde woont. ‘

Terwijl hij sprak was Hans onder de mantel van januari gekropen die hem omhulde als een grote witte nevel. Boven hem straalden en glinsterden de sterren en beneden hem bewogen de zaadjes en de kiemen in de aarde.

Er kwam een klein volkje aangelopen; ze droegen lantaarns in de hand. ‘hier komen wij met het nieuwe jaar!’, zeiden ze.
En werkelijk, toen Hans goed keek, zag hij dat alle wortels kleine gezichtjes hadden. het leek wel of de aardmannetjes en de elfjes bruiloft vierden. Hans was zo verbaasd over dit alles, dat hij bijna zijn opdracht vergat. Maar toen zag hij dat zijn eigen driekoningenkaars al brandde. Een van de aardmannetjes had hem aangestoken. Hans hield zijn hand voor de kaarsvlam om hem te beschermen en sloop onder de mantel van januari vandaan.
Van het vuur was nog slechts een klein beetje gloed over. Nu reikte december de staf aan zijn broeder januari. Deze nam het licht dat Hans in de hand hield en stak daarmee het nieuwe vuur aan. De vlammen sloegen hoog op, het licht was zo overweldigend dat Hans zijn handen beschermend voor zijn ogen moest houden.
Toen hij weer opkeek, was het vuur er niet meer en de twaalf maanden waren ook verdwenen. Maar de hemel was opgeklaard en boven de boomtoppen stond een volle ronde maan. Hans stond op en ging weer op weg. In het maanlicht was het makkelijk de sporen in de sneeuw te volgen tot aan de weg; en daar was het huis van zijn grootouders al. In het donker was hij het voorbij gelopen.

‘Gelukkig nieuwjaar’, wenste Hans, toen hij over de drempel de warme kamer binnenging. De oude mensen waren verbaasd en verheugd hem te zien, want grootvader wilde juist het bos in gaan om Hans te zoeken. Grootmoeder maakte op de kachel warme melk met kandij, maar Hans was zo moe dat hij nauwelijks kon drinken.

‘Laten we hem liever in bed stoppen’, meende grootmoeder.
‘Het kerstbrood is geloof ik nog wel heel’, mompelde Hans, ‘maar de driekoningenkaars is al bijna op, want daarmee heb ik nieuw vuur voor de twaalf maanden gehaald.’

Daarop viel hij in een diepe slaap.

Uit: ‘zo zijn de sterren ontstaan’ – Dan Lindholm
Uitg. Christofoor  – uitverkocht
.

Oudjaar: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

736-673

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (20)

.

Om een zinvol Driekoningen te kunnen vieren is het niet per se nodig je ook te verdiepen in een esoterische kant van alles wat vanuit zo’n optiek gezegd kan worden.
Het kan wel boeiend zijn, raadselachtig ook hoe met deze mededelingen om te gaan.
.

(J.Knottenbelt, Mededelingen Antroposofische Vereniging, dec.1989)
.

De drie Koningen
.

Wir sind die weisen Könige
Wir waren alte Leute
Es kannten uns nur wenige
Wer aber kennt uns heute?

Wij zijn de wijze koningen
Wij waren oude lieden
Weinigen kenden ons
Maar wie kent ons nu?

(Albert Steffen, ‘Ruf an Abgrund’)

Wie in de adventstijd zijn blik laat gaan over de feesten, die in deze midwintertijd gevierd zullen worden, ziet daar als eerste beeld aan de drempel van de voorberei­dingstijd voor Kerstmis de eerbiedwaardige, stralende gestalte van Sint-Nicolaas in zijn bisschoppelijk gewaad en naast hem, donker en dienstvaardig, Piet, zijn knecht. Dit feest is geen vererend gedenken van een historische persoonlijkheid. Men denkt er nauwelijks aan, dat hij in 270 in Patera in Klein-Azië geboren werd en, toen hij gewassen werd, rechtop in zijn badje ging staan en tot zijn moeder woorden sprak; dat hij in Myra tot bisschop werd gekozen en dat van zijn stoffelijk overschot, toen dit heimelijk naar Bari in Italië werd overgebracht waar het in de kathedraal werd bijgezet, een zoet geurende olie druppelde. Maar wel is hij door alle eeuwen en alle godsdienststrijd heen met onverminderd enthousiasme gevierd als enige protestantse heilige in ons land.

Hij staat daar, vermanend, het geweten wekkend aan het begin van advent, ons een spiegel voorhoudend, opdat we ons bezinnen en reinigen. Voor de kinderen heeft deze imaginatie van de Wachter aan de drempel nog steeds een sterke werking. En naast hem de kleine Wachter, donker, schrikaanjagend met zijn roede en de zak, waarin stoute kinderen mee naar Spanje worden genomen.

Maar ook voor de volwassenen gaat er een zekere betovering van hem uit. Door hem kijken we met meer belangstelling naar elkaar dan anders en wijzen we elkaar als plaatsvervangende ‘Pieten’ op kleine zwakten en tekortkomingen. We doen dat met humor en gebruiken er de versvorm voor, wat veel moeite kost en ons dwingt ons op het woord te bezinnen.

Kijken we verder, naar het Kerstfeest, dan vinden we de drie samenhangende feesten die in de Kerstspelen hun neerslag vinden: aan de vooravond op 24 december het Paradijsspel met zijn lapidaire imaginaties, streng, met een bijna cultisch karakter, episch-dramatisch van stijl. Dan volgt, stralend in teder licht, naïef en vol warmte het geboortespel, dat geheel lyrisch van stemming is en bij het eigenlijke Kerstfeest hoort. Aan het eind van de heilige nachten, op 6 januari, brengen de drie Koningen de dramatische confrontatie met de tegenstandersmachten; ‘hoed u voor het boze’ is het motto in de winter. Het Driekoningenspel werd door Rudolf Steiner zelfs eens het Herodesspel genoemd.

In deze triniteit zijn veel aspecten verborgen: het Paradijsspel wijst naar het verste mensheidsverleden, het geboortespel leeft in het jaarlijks opnieuw te beleven heden (‘hodie, heden is geboren Jezus, zoone Mariae’ zingt de companij*), terwijl de drie Koningen krachten representeren die naar een verre toekomst wijzen. In deze aspecten van de tijd openbaart zich tevens de trichotomie van lichaam, ziel en geest: eerst de schepping van de mens door de Vader, een incarnatieproces, dat in het Paradijsspel nauwkeurig beschreven wordt. God spreekt: ‘Neem ook verstand, waardoor gij leert, dattic u uyt stof heb geformeerd/ Adam wijst op zijn hoofd. Dan: ‘Soo leef dan.’ Hier ademt Adam diep en duidt door het lichte heffen van de bovenarmen, dat de ritmische mens hier wordt aangesproken. En bij ‘gaat steevast op uw voeten staan’ (waarbij hij verbaasd naar beneden kijkt en zijn benen ontdekt) is hij in drie etappes werkelijk in zijn fysieke lichaam getrokken. In het geboortespel, dat volgens de traditie het ‘Christgeburtspiel’ heet, leeft in hoogste vorm het ziele-element.

Oorspronkelijk werd op 6 januari ‘Epiphanias’ gevierd, ‘het feest der Verschijning’, namelijk van de duif, het symbool van de Heilige Geest , die bij de doop in de Jordaan neerdaalde op Jezus. Omdat de diepere zin van dit feest, dat naar de toekomst wijst, niet meer begrepen werd, is het Driekoningenfeest hiervoor in de plaats gekomen en werd in Rome vanaf 354 het verschijnen van de Ster gevierd. Men kan vragen: is er iets nader bekend over deze drie Wijzen, deze ‘Magiërs uit het Oosten’, die we nu de drie Koningen noemen, zoals wij historische gegevens over Sint-Nicolaas hebben? Er zijn vele legenden, tradities zelfs, die elkaar tegenspreken, maar geen vaststaande feiten. Toch zijn er veelzeggende sporen te vinden. Hierop wijst Hans Gsänger in zijn artikel ‘Zaratas’ in ‘Das Goetheanum’ (1972, nr. 1), waaraan ik het volgende ontleen in zoverre het de feiten betreft. Gsänger volgt echter niet een spoor dat zou wijzen op de afkomst of het land van de ‘drie Wijzen’, maar hij gaat behoedzaam na waaruit hun verbinding met dit kind is te verklaren. Hiertoe wijst hij op de voordrachten die Rudolf Steiner over het Mattheus-evangelie [1] heeft gehouden, waarin hij onthult dat het kind dat de Wijzen bezoeken de wedergeboren Zarathoestra is, die omstreeks 6400 jaar voor Christus in Perzië leefde en de inaugurator was van het Perzische cultuurtijdperk. Zijn laatste voorchristelijke incarnatie was in Babylon, waar hij als Zaratas zijn leer verkondigde en in 1522 v. Chr. op 77-jarige leeftijd gestorven is.

Zo ligt het voor de hand dat hier, dus in een vorig leven, de oorsprong is te zoeken van die raadselachtige verbondenheid die hen als ‘drie Koningen’ naar Bethlehem doet tijgen (zoals in het Driekoningenspel gezongen wordt).

Een zekere Xanthos uit Lydië schrijft dat Zaratas de leraar was van de Chaldeeërs in Babylon, waar de joodse profeet Daniël, hoog bejaard, nog leefde. Later zou ook Pythagoras zijn discipel geweest zijn. Dit laatste bevestigt Rudolf Steiner in de tweede voordracht van de genoemde cyclus (2-9-1910).

In het boek Daniël 6:29 staat: ‘Deze Daniël nu had voorspoed in het koninkrijk van Darius en in het koninkrijk van Kores, den Perziaan.’ Deze Kores is Kyros II (Cyrus de Grote). Aan de hand van historische jaartallen wordt het Bijbelse verhaal door Gsänger toegelicht. Na de belegering van Jeruzalem werd Daniël met enige andere uitgelezen kinderen naar het hof van Nebukadnezar ontvoerd, alwaar ze onder streng toezicht van de koning zelf als pages drie jaar lang werden opgeleid tot hoveling.

Dat het hier om inwijdingsbelevenissen ging, heeft Emil Bock in ‘Beitrage zur Geistesgeschichte der Menschheit III’ aangetoond. De opperste kamerheer gaf hun andere namen. Daniël noemde hij volgens de Bijbel Beltsazar, oorspronkelijk Balatsussur, dit is ‘bescherm zijn leven’; in de Vulgata heet hij Baltassar. Daniël werd een meester in de Babylonische wijsheid en bekleedde de hoogste ambten. Op zeer hoge leeftijd was hij nog als een van de drie vorsten van koning Darius in functie. Hij is in Susa begraven en dus niet naar Jeruzalem teruggekeerd toen Cyrus, aan wie de hoge zending van het joodse volk bekend was, bij zijn troonsbestijging de ‘Babyloni­sche gevangenschap’ ophief.

Ook Cyrus zelf werd reeds als klein kind ontvoerd en beleefde een dramatische jeugd, die het karakter van een inwijding had. Hij leefde in Babylon in dezelfde tijd dat Daniël daar de leer van Zaratas ontving.

Pythagoras werd eveneens onder dramatische omstandigheden naar Babylon ont­voerd. Hij bezocht Egypte juist toen Kambyses II daar binnenviel en hem als gevangene naar Babylon meevoerde. Daar werd ook hij leerling van Zaratas. ‘Nur in einer Gestalt, die bedingt war durch einen Körper, wie er im alten Babylon hervor gebracht war, konnte Zarathustra alles dasjenige wieder hervorbringen, was er übertragen konnte auf Pythagoras, auf die hebraïschen Gelehrten und auf die chaldäischen und babylonischen Weisen, die damals im sechsten vorchristlichen Jahrhundert imstande waren, ihn zu hören.’ (voordracht 2-9-1910) Deze leerschool krijgt nog een bijzonder gewicht, als men bedenkt dat zij werd gehouden aan het begin van de toenmalige Michaëls-periode (601-247 v. Chr.)

In de daaropvolgende eeuwen was het in alle landen van Azië waar men de naam van de grote meester, van Zarathoestra, vereerde als Zaratas of Nazarathos, bekend dat hij na zeshonderd jaar weer zou verschijnen, en men wachtte in de geheime leerscholen met innig verlangen op zijn volgende incarnatie.

Zo is er alle reden met Gsänger aan te nemen, dat de genoemde drie – een Pers (Cyrus), een jood (Daniël) en een Griek (Pythagoras), een koning, een onderkoning en een wijsgeer – zeshonderd jaar later als de drie Wijzen uit het Morgenland de reis ondernamen om hun herboren Meester in het Salomonische Jezuskind (het kind uit het Mattheus-evangelie) eer te bewijzen en te aanbidden.**

In de Bijbel worden noch hun namen, noch hun aantal vermeld, noch waar ze vandaan kwamen, alleen dat ze ‘door eenen anderen weg weder naar hun land vertrokken’ (Matth. 2:12). Volgens de traditie komt Balthazar uit Indië, Melchior uit Perzië en Gaspar uit Egypte. Ze representeren dus de drie na-Atlantische culturen. Dit heeft een zeer diepe betekenis; het zijn mysteries die eerst in de schilderkunst geopenbaard zijn. In zijn voordracht van 30 december 1904 (aan de hand van notities afgedrukt in het decembernummer 1988 van de ‘Mededelingen’) wijst Rudolf Steiner erop dat het Driekoningenfeest nog steeds veel minder in de aandacht staat dan het Kerstfeest. Pas in de toekomst zal men de vele symbolen gaan begrijpen, die tot in de vijftiende eeuw toe geheim werden gehouden. Pas in deze eeuw verschijnen de ons welbekende afbeeldingen: ze tonen hoe bijvoorbeeld Balthassar, de oudste, neer­knielt, het teken van zijn waardigheid, zijn kroon, heeft afgelegd en zijn oude hoofd buigt over de voetjes van het Kind, over dat deel van het menselijk lichaam dat naar de toekomst wijst. Hij weet dat de oude culturen zich slechts door de kracht van wat zich later met dit Kind zal verbinden, zullen kunnen vernieuwen. Als representanten van deze culturen hoeven de Wijzen zelf niet uit de betreffende landen te zijn gekomen. Rudolf Steiner zegt dat het wezen van Zarathoestra zelf als de Ster de drie Wijzen naar de geboorteplaats van het Jezuskind leidde, dat de Gouden Ster, de Zoroaster, ze daarheen voerde op hun wegen van de Morgenlandse, Chaldeïsche mysteries naar Palestina.

Volgens Gsänger stamt de traditie dat ze uit Indië, Perzië en Egypte zouden komen uit de Ierse kloosterscholen. In het Westen leeft de sage dat Ierland een aardse rest zou zijn van het Bijbels paradijs, dat is dus een land waarin Lucifer geen macht zou hebben. Maar ook in het Oosten wordt zo’n paradijselijk land genoemd, waar Lucifer geen invloed heeft. Officieel beroepen de Arabieren zich op Ismaël, de zoon van de maagd Hagar, als hun stamvader. Volgens een oudere traditie echter wordt Jaktan als stamvader genoemd, die evenals Jakob twaalf zonen had die nog in harmonie met de kosmos leefden. Hierop duidt nu nog de opstelling van machtige stenen die, evenals in Ierland, naar kosmische aspecten georiënteerd zijn. Uit dit land, naar een van de zonen van Saba later Arabië genoemd, zouden de Magiërs met hun gaven naar Palestina zijn getogen.

Nu wordt ook verteld dat Christian Rosencreutz zich naar dit land begaf om zich daar in een oeroude geestelijke traditie te laten inwijden. In Foenicië, het land van Hieram – Hieram werd door koning Salomo geroepen om de tempel in Jeruzalem te bouwen – werd het komende Christuswezen vereerd als de vogel Foenix, die uit zijn as herrijst en naar het westen vliegt. De koningin van Saba, die Salomo bezocht en in Hieram de grote ingewijde herkende, was voorbestemd later de moeder van de Salomonische Jezus te worden (dit wordt in Albert Steffens tempeldrama ‘Hieram und Salomo’ aangeduid). Zo vonden de drie Wijzen na zeshonderd jaar hun vereerde Meester terug en herkenden zij in diens moeder het paradijselijk wezen uit het land van hun gaven.

Wat is het in een pasgeboren kind dat we instinctief slechts met diepe eerbied benaderen en dat we geneigd zijn met heel ons hart te vereren? Dat hulpeloze wezentje, dat door zijn tegenwoordigheid koninklijk soeverein alles en allen beheerst? Wat is daar aan het werk waardoor het van dag tot dag iets nieuws kan ontwikkelen, als een pas ontkiemde plant? Het wonder is dat een mensenkind niet ‘voltooid’, niet ‘klaar’ de wereld binnenkomt zoals een diertje.

De hersenen zijn nog zeer onvolkomen. Pas na de geboorte ontstaan de fijnere geledingen. Vanuit het hoofd gaat die ontwikkeling dan langzaam over op het verdere lichaam, tot in de voeten, zodat hij leert zich in zijn aardse omgeving te oriënteren, eerst kruipend, dan staande en ten slotte lopend. Nadat de hersenen tot op zekere hoogte gevormd zijn, wordt het strottenhoofd als orgaan ontwikkeld. Waardoor? Het zijn de krachten van de Logos zelf die hier aan het werk zijn en zich eveneens openbaren in de klanken van de taal. En hoe intensief werkt het kind mee als hij het spreken, dat hij om zich heen hoort, tracht na te bootsen, de klanken proeft en beproeft, ze steeds herhaalt en vreugdevol gaat ontdekken! Er is geen periode in het verdere mensenleven waarin zo machtig aan zijn ontwikkeling wordt gewerkt. Vanuit dat ontdekken van de taal, dat hem in verbinding brengt met de mensen om hem heen, kan hij woorden spreken lang voor hij de betekenis ervan begrijpt. En ten slotte ontdekt hij zichzelf en zegt ‘ik’, een aangrijpend moment voor wie dat voor het eerst bij een kind meemaakt. Het is het moment waarop hij zichzelf als tegenover zijn omgeving staand gaat beleven, natuurlijk nog maar vaag bewust. Hierdoor ontkiemt de denkkracht en ook het denken zelf, dat voortkomt uit het spraakvermogen.

In het kleine kind werken reine, kosmische krachten die het kind vormen, nog voor de erfelijkheid zich doet gelden. Samen met deze heilige krachten werkt hij aan zijn eigen hersenen, zijn eigen spraakorgaan. Later pas krijgt hij te maken met de erfelijkheidskrachten zoals zijn lichamelijkheid die te bieden heeft, en gezondheidsverstorende invloeden.

Maar die kosmische krachten werken niet alleen in dat grote mysterie van de eerste drie levensjaren, ze zijn te vinden in de hele mensheidsontwikkeling. Zij hebben de grote culturen geïnspireerd en werken ook door in het persoonlijke mensenleven, bijvoorbeeld in het menselijk organisme als wonder der genezing: een wond gaat ‘vanzelf’ weer dicht, een bot groeit weer aan, een zware beschadiging heelt weer. Men vindt dit vanzelfsprekend, maar het is een zegening van de kosmos. Niet alleen in het lichaam, ook diep verborgen in het zielenleven zijn ze te vinden. Ze worden gewekt als kunstzinnige impulsen, als edelst idealisme, en openbaren zich waar een mens zich op de scholingsweg begeeft van een geestelijke ontwikkeling. In het boeddhisme werden deze kosmische krachten bewust opgeroepen, bijvoorbeeld door het vermogen te staan en te lopen naar binnen te wenden en door de typische oosterse lotushouding; men zou met ons huidige, verharde organisme vergeefs hieraan appelleren. Het woord werd niet gebruikt als communicatiemiddel naar buiten, maar kon als half zoemend gezongen, half gereciteerde mantram (die door het gehele lichaam heen vibreerde) tot een helderziende kracht worden, die de mediterende in verbinding bracht met de wereld waaruit hij deze gave ontvangen had.

Voor de huidige mens echter gaat de weg vanuit het denken. Deze is oneindig moeizamer, maar voert tot een veel bewustere ervaring van de geestelijke wereld. Dan kunnen die schijnbaar verloren gegane krachten worden gewekt en hem boven zichzelf uitvoeren in die sfeer, die boven de hele mensheidsevolutie ‘zweeft’, als het rijk der hiërarchieën, zoals Rudolf Steiner het eens uitdrukte. Van hieruit en vanuit nog hogere sferen stroomden de mensheid ook de oude culturen toe, waarvan de Wijzen de representanten waren. Het waren heilige inspiraties, niet beïnvloed door de macht van Lucifer. Deze heiligste krachten daalden bij de doop van Christus neer in de imaginatie van de duif. Het waren de krachten van het Christus-ik, dat in verbinding stond met de hoogste hiërarchische wereld en zich nu met een menselijk lichaam ging verbinden, met het lichaam van Jezus, waaruit het ik van Zarathoestra zich teruggetrokken had. Dit hoge Mensheids-ik (‘Menschheitsselbst’) heeft zich door de doop met de aardemensheid verbonden.

Ik heb reeds aangeduid dat dit mysterie door de vroege christenheid niet meer werd begrepen. Daarom heeft men in Rome dit feest voor de laatste maal in het jaar 353 gevierd. In het jaar daarop, eveneens op 6 januari, kwam daarvoor het Driekoningen­feest in de plaats. Dit feest is niet verbonden met dat hoge offer van Jezus dat plaatsvond toen hij dertig jaar was, maar met zijn geboorte. Hier wordt de nadruk gelegd op wat Hém geofferd werd: wierook, mirre en goud als de symbolen van de edelste na-Atlantische culturen.

Ook dit is een Epiphanias, een feest van de Verschijning. Ook hier staat het Zonnewezen dat later met de doop zal neerdalen centraal: het is de glans van de Ster, het wezen van de Meester, van Zarathoestra, dat de drie Wijzen leidde. Maar het was geheel doorgloeid, geheel doorstraald door het Zonnewezen van Christus zelf. Zo kon Rudolf Steiner zeggen: ‘Was den Magiern leuchtet ist nichts anderes als die Seele des Christus selbst.’ (Voordracht 30 december 1904)

Door een wijs inzicht werd dit feest op 6 januari ingesteld en sedertdien wordt het daar, aan het eind van de twaalf heilige nachten, gevierd.

driekoningen memlingHans Memling:aanbidding der wijzen, Memlingmuseum, Brugge

*deze zin komt niet voor in de liederen van het geboortespel – wel de strekking

** Rudolf Steiner zegt uitdrukkelijk dat Pythagoras een van de drie Wijzen is geweest.

[1] GA 123
vertaald

.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Kerstspelen: alle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen   jaartafels

.

735-672

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (19)

.

Gerard Reyngoud, vrijeschool Leiden, *dec.1974
.

over de drie geschenken

Een van de vier standaardwerken van Rudolf Steiner ‘Die Geheimwissenschaft im Umriss [1] vermeldt in de inleiding woorden met de volgende strekking:

‘Wij willen hier spreken over zaken die eigenlijk door iedereen benaderd kunnen worden. Wij willen onze omgeving ( mineraal, plant, dier en mens ) zo leren kennen dat het zijn geheim toont. Wie de moeite neemt om op een onbevooroordeelde wijze te leren zien in die omgeving zal het schone, het waarachtige en het goede ontdekken, behoeden en bewonderen. Zo zal hij merken, dat alles in de wereld een openbaar ‘geheim’ heeft , maar dat het verborgen blijft zolang men aan de werkelijkheid voorbij gaat.’

Het Bijbelwoord uit het Johannesevangelie ‘wie oren heeft, die hore’ moet,  dunkt mij, op dezelfde gedachte steunen.

De meesten van ons kennen wel het kerstlied ‘Nu zijt wellekome’ waarin de regels voorkomen:

‘De heilige Drie Koningen uit zoverre land…..’

en verder:

‘Ze offerden ootmoediglijk myrr’, wierook ende goud.

Wij zongen over de wijzen uit het Oosten die mirre, wierook en goud brachten aan het kindje. Hoevelen van ons hebben zich ooit afgevraagd wat dat nu eigenlijk voor geschenken waren. Ik heb me ook wel eens geprobeerd te realiseren wat koningen nu met zulke vreemde geschenken moesten doen. Ik dacht erover na, wist geen antwoord en dan gleed mijn aandacht weer naar iets an­ders toe.

Wie oren heeft, die hore!

Nu wil ik echter een poging wagen om eens met u het een en ander over die geschenken te doordenken.

Is goud niet het edelste metaal, dat wij kennen? Komt het niet vaak, vooral in sprookjes, voor als beeld voor stralende wijsheid? Is de koningskroon niet van goud? De zon en het goud en de wijsheid, zijn dat geen beelden die ons helpen duiden, dat één van de koningen het kindje de edelste wijsheid schonk.
Dan de wierook, het sterkst geurende, een enige jaren terug* door de ‘flower power, make love not war, hippies’, opnieuw ontdekte middel om door de geur in een gezamenlijke gevoelsatmosfeer te komen.
Het geurende wordt in het ademritme opgenomen, verwerkt en weer aan de omgeving teruggeschonken. Zo komt de wierook in ons
ademhalingssysteem van longen en bloedcirculatie, waar gevoelens die ons treffen direct merkbaar worden. Gevoelens van schrik en blijdschap, schaamte en opwinding zijn immers als eerste merkbaar in een versnelde of stokkende ademhaling of een plotse­linge rode of bleke gelaatskleur. Zo werkt de wierook in op onze ademhaling en dus op onze gevoelens.
De koning die de wierook schenkt, schenkt het kind de rijkdom van het edelste gevoelsleven.

Ten slotte de mirre, een plant groeiend en bloeiend in de meest barre omstandigheden. In woestijngebieden, waar een verzengende zon al het leven op aarde verschroeit, waar geen zaad ontkiemen kan, daar weet de mirre zich nog te handhaven. Haar taaie vol­harding om leven mogelijk te maken waar al het andere het opgeeft, getuigt van een wilskracht die ontembaar is. De koning die de mirre aanbiedt, schenkt het kind de wil die het in het leven no­dig zal hebben.

De drie wijzen schenken dus wijsheid, gevoelsleven en wil. Hierin zijn terug te vinden het denken, voelen en willen. Wij trachten immers ook in ons onderwijs de denkende, voelende en willende mens op te voeden.

Ook het fenomeen, dat de wijzen uit het Oosten komen is bijzonder boeiend. Wij leven in onze tijd* in een politiek klimaat waar de belangstelling voor geestelijke stromingen uit het veel spiri­tuelere oosten [niet groot is?] Talrijke Guru’s trekken naar het westen met oosterse meditatiesystemen. Vele westerse jongeren trekken naar landen als India om er een leraar te zoeken in geestelijke aan­gelegenheden. Een vreemd fenomeen. Ook de drie koningen kwamen uit het oosten, maar zij aanbaden “het Kind’. Ik geloof, dat daar een sleutel te vinden is om iets van dat ‘openbaar geheim’ te doorgronden.
.

[1] GA 13
vertaald

.

over goud; over mirre

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Driekoningen   jaartafels

734-671

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (27)

.
Oscar Klinkenberg, vrijeschool Den Haag, jaartal onbekend
.

AAN DE KERSTBOOM: elektrische verlichting of kaarsen?
.

Degenen die tegenwoordig nog echte kaarsen laten branden in de kerstboom zijn met een lantaarntje te zoeken. De elektrische kaarsverlichting is vrijwel algemeen geworden.

Nu goed, kan men zeggen, dat ligt in de lijn der dingen. Tenslotte is de tijd van kaarslicht, petroleumlamp en gloei­kousje voorbij. Ieder heeft elektrisch licht. Waarom dan kunstmatig zo’n eiland met kaarslicht in stand te houden te midden van een zee van elektrisch licht? Daar zijn we niet mee gebaat. We kunnen de tijd niet meer terugschroeven en ‘weltfremd’ worden. En zeker geldt dit voor onze kinderen die toch in deze moderne wereld moeten leven en geen uit­zonderingspositie moeten gaan innemen. De kerstboom met de echte kaarsen stamt nog uit een wat romantische (ouderwetse) tijd en het is sentimenteel daarnaar terug te verlangen.

Inderdaad, zouden de voorstanders van de echte kaars uit behoudzucht, sentimentaliteit of gebrek aan moed om het nieuwe te aanvaarden, deze kaarsen blijven gebruiken dan voe­ren zij een achterhoedegevecht, waard om verloren te worden.

We kunnen ons echter afvragen of er ook zinvollere ideeën zijn om toch de echte kaars trouw te blijven en daarbij eerst de blik eens richten op wat die kaars in wezen uit wil beelden.

Bezien we de gewone waskaars.  Zijn vlam is bewegelijk, slechts dan brandt hij goed als hij rechtop staat in volle rust. En waardoor kan hij branden? Doordat de kaars zich opoffert. De was, zijn lichaam, gaat op in licht en warmte.

Doet dit niet aan de mens zelf denken?

De mens heeft ook steeds de behoefte om vanuit de aardse zwaarte op te stijgen tot de wereld van de kunst en de ideeën, van warmte en licht. Niet in starheid, maar beweeg­lijk. Doch de weg naar omhoog gaat de mens slechts door zich vele offers te getroosten.

En wat zien we bij de elektrische kaars? Zijn vlam is star en onbeweeglijk, werkt daardoor wezenloos. Deze kaars wordt tijdens het branden niet kleiner en zijn stand is willekeurig, hij kan in alle richtingen branden. Hieruit blijkt wel dat het oerbeeld van de kaars daardoor geheel verloren gaat.  Zo is hij een karikatuur van de echte kaars. Wat een gezicht als men kaarsen omgekeerd aan de kerstboom ziet hangen.

Nu willen we de blik richten op wat het kind beleven kan als we de waskaarsen gebruiken.
Het is de dag voor Kerstmis. De kerstboom staat in de kamer en zal versierd worden.  Allereerst wordt aan de kaarsen ge­dacht. De houders, schoon en glimmend, worden aan de takken bevestigd. Dat moet met overleg gebeuren, omdat de kaarsen niet vlak onder een andere tak mogen branden. Sommige
tak­ken, merken we, zijn te slap, andere te stijf om er een kaars in te zetten. Als alle houders op hun plaats zitten komen de kaarsen erin. Wel ervoor zorgen dat ze goed klem zitten. Is dat gelukt dan moeten de houders vaak nog ‘bijgesteld’ worden, zo lang tot de kaarsen mooi rechtop staan want an­ders branden ze niet goed. Dat vereist soms veel geduld en nauwgezetheid.
Toch kan na een tijdje blijken dat enkele twijgen doorgebogen zijn onder het gewicht. Weer moet hier en daar wat veranderd worden. En ja, eindelijk blijven ze goed staan….. een zucht van voldoening!
Daarna volgt het versieren. Ook dit vereist veel zorgzaam­heid opdat niets te dicht bij de brandende kaarsen komt te hangen.

Dan komt ’s avonds het lang verwachte ogenblik: de kaarsen worden ontstoken. De kamer is slechts verlicht door een kaars waarmee de kerstboomkaarsen aangestoken worden. Elk kind krijgt gedurende de kersttijd natuurlijk een beurt. Wat gewichtig, als je de oudste bent en dit als eerste mag doen, wat heerlijk als je de jongste bent en je wordt op­getild tot bij de hoogste kaarsjes! Ieder leeft mee of het goed gaat!

Langzaam neemt de lichtglans toe totdat de boom daar in volle luister staat. Wat een aandacht en rust was ervoor nodig tot alle kaarsen branden.

Aan het eind van de avondviering worden de kaarsen gedoofd. Het uitblazen geeft veel plezier, het doven met een domper is plechtiger en eist veel aandacht,  want het is beter de pit daarbij niet te raken.

Zo geleidelijk als het licht toenam, zo geleidelijk neemt de lichtglans weer af.

Na verloop van tijd moeten dan de kaarsen vernieuwd worden. En op de laatste avond mogen dan alle kaarsen uitbranden. Het is heel spannend welke kaars of zelfs wie z’n kaarsje het langst blijft branden! Ze gloeien soms nog heel lang na, roodachtig en blauw. Aan de zoldering ontstaan de mooiste schaduwen die telkens veranderen als er weer een kaars dooft. Zo neemt het licht weer afscheid van ons.

De volgende dag wordt alles opgeruimd. De houders worden schoongemaakt, de stompjes van kaarsen, die misschien nog over waren van vorige dagen, gaan bij elkaar. Daar kunnen de kinderen volgend jaar zelf weer nieuwe kaarsen van maken.

Als U dit gebeuren zo meegevolgd en beleefd hebt, merkte U hoeveel gevoelens van zorg, rust, vreugde, eerbied, teleur­stelling misschien, spanning en voldoening er bij de kinde­ren ontstonden. En juist dit leek mij zo’n belangrijk aspect. Maar deze gevoelens moeten dan ook, zoals een plant, de tijd krijgen zich te ontplooien en op te bloeien.
Bij de elektrische kerstboomverlichting is dat echter onmo­gelijk. De stekker gaat in het stopcontact en al die werke­lijk kostbare tijd wordt samengeperst in een onderdeel van een seconde. Daarbij kunnen al die gevoelens niet ontstaan. Ze worden, om bij de plant te blijven, in de kiem gesmoord. Ook alle zorg, nodig bij de gewone kaarsen, is hier overbo­dig. Waar en hoe men de elektrische kaarsjes hangt speelt hoegenaamd geen rol.

Een ander verschijnsel dat bij de elektrische kerstboom­verlichting optreedt, is dat men deze vaak de gehele dag laat branden. Dat dit geen verdieping in het innerlijk teweegbrengt maar juist vervlakking, behoeft geen betoog,

Ligt dit dan niet aan de mensen? Ik meen van niet. Het is, dunkt me, een logisch gevolg van de elektrische verlichting, die slechts imitatiekaarslicht geeft, stenen voor brood. Daardoor is men er innerlijk niet door verzadigd. En wat intuïtief aan kwaliteit gemist wordt, zoekt men in de kwan­titeit. (Wat men aan diepte mist, zoekt men in de lengte)

En zo blijken twee uitersten de elektrische verlichting te begeleiden. Bij het aangaan en doven krijgt het gevoelsleven té weinig tijd zich te ontplooien, bij het voortdurend bran­den daarentegen teveel tijd.

Samenvattend zou ik willen zeggen: de elektrische kerst­boomverlichting geeft veel minder aan het gevoels- en wilsleven van het kind, dan de echte kaarsjes.

De elektrische werking is zeer praktisch in het dagelijks gebruik, maar daar waar het gaat om het vieren van een feest, plechtig of vrolijk, speelt niet het praktisch nut een rol, maar de levende ziel van de mens en die eist een andere benadering. – Trouwens, ook vele volwassenen voelen intuïtief dat de kaars ons iets bijzonders te zeggen heeft en erbij hoort als er iets feestelijks of plechtigs plaatsvindt. Men luistert niet voor niets een diner op met kaars­licht. En waarom dit dan aan de kinderen te onthouden?

Blijft men met deze gedachten de echte kaars trouw, dan levert men geen sentimenteel achterhoedegevecht, maar kan men zich als modern mens bewust een voorvechter voelen (die op de bres staat) voor een gezonde ontwikkeling van de kinderziel: verdieping van het gevoel en versterking van de wil. Juist in deze tijd, die in vele opzichten vervlakkend en verslappend werkt op het innerlijk, kan dit ons een gevoel geven van grote verantwoording en enthousiasme.

 

kerstboomverlichting kaars

 
kerstboomverlichting 2
 

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen 

Vrijeschool in beeld: Kerstmis         jaartafels
.

733-670

 

 

.

 

 

.

 

 

.

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (18)

.

Hella Krause-Zimmer, Weledaberichten 164, Kerst 1994
.

DE KUNST VAN HET SCHENKEN
.

Kerstmis is in veel landen een feest van gaven, van geschenken. Dit gebruik knoopt aan bij het bezoek van de her­ders, die in de heilige nacht het kind in de kribbe kwamen aanbidden. Vroege wandschilderingen en panelen beeld­den hen nog zonder geschenken af, want het stond immers niet in de Bijbel dat zij geschenken meebrachten naar de stal.

Maar hoe meer de mensen met het kerstverhaal vertrouwd raakten, des te minder konden ze zich voorstellen dat de herders het ‘arme’ kind geen lamme­tje of warme vacht, geen melk of brood zouden hebben gebracht. Daarom zijn er in de kerst­spelen en op de schilderijen uit latere eeuwen geschen­ken te zien.

In wezen is de opwelling van aanbidding en blijd­schap in de harten van de herders een reactie op de goedheid van God, want het kind dat zij aantreffen is een geschenk van de hemel aan de mensheid. En als een echo roert zich in de mense­lijke ziel de wens om ook iets te schenken, ook iets goeds te doen.

kerst herders en koningen

De herders bieden het kind hun gaven aan
(School van Sevilla, 17e eeuw, Londen, Nat.Gallery)

Arm en rijk

De geschenken van de her­ders zijn gaven voor het li­chamelijk welzijn van de Heilige Familie, het zijn zo­gezegd sociale daden. De herders zijn zelf arm; zij we­ten wat behoeftigheid is, zij kennen kou, honger en ge­brek van nabij, en daarom delen zij hun schaarse bezit­tingen met het kind.

Iets heel anders zijn de gaven van de wijzen uit het Morgenland. Beide aan­biddingen treden als gescheiden scènes in de Bijbel op. In het evangelie van Lu­cas wordt gesproken over herders, bij Mattheüs daarentegen over drie wijzen of magiërs, die later koningen werden genoemd. Hun geschenken drukken geen uiterlijke gaven uit, maar hebben een hoge symbolische en kosmische waarde.

De eerste koning schenkt het kind goud. Goud, een heilig metaal, dat uit het aardse waardesysteem is losgemaakt om een hogere waarde uit te drukken.
Goud werd immers voor de vervaardiging van cultische voorwerpen – kruisen en kelken – en als achtergrond bij religieuze afbeeldingen gebruikt.

De tweede koning schenkt wierook: symbool van het gebed en het offer. Met deze gave worden de krachten van het gevoel uitgedrukt. Waarachtig bidden kan een mens immers alleen als hij zijn hart verwarmt en laat spreken; als hij eerbied en overgave ontwikkelt. Elke overgave berust op het spreken van het hart. Als we een bloem bewonderen, dankbaar zijn voor een zonnige dag, als we voor een mens verering voelen, maar vooral als we ons naar God wenden, dan stijgt uit onze ziel als het ware wierook op: een onaardse geur, een ambrozijn, waaraan de hemelse wereld welbehagen heeft.

De derde koning schenkt mirre. Mirre is het symbool van de zelf­beheersing en de innerlijke tucht. De zelfdiscipline is een offer van de wil. Wie dit offer op zich neemt, weigert zijn ambities en wensen de vrije teugel te laten en wil zich op het wezenlijke richten.

kerst herders en koningen 2

Aanbidding door de koningen
(Joos van Cleve, ca. 1485-1540, Praag, Narodni Galerie)

De wijsheid van het gebaar

Men kan hier natuurlijk ook op een an­dere manier naar kijken, maar duidelijk is wel dat het om meer gaat dan om ui­terlijke geschenken: het gaat om het moeizame offer van de eigen persoon­lijkheid. Veelzeggend daarbij is ook dat de koningen buigen voor het kind. Zij, die kennis, macht en rijkdom in hun landen belichamen, zijn bereid te er­kennen. Bij monde van de eerste ko­ning: ‘Onze wijsheid is niets naast jou, Kind. Jij overtreft ons. Jij bent de koning van alle wijzen’.

Zo worden we ons steeds meer bewust, dat in deze scène veel verborgen zit. Maar de grootste wijsheid ligt toch in het dubbele gebaar dat Kerstmis ons voorhoudt: de aanbidding door de her­ders naast de aanbidding door de wij­zen. Het leert ons dat ‘nederig zijn’ al­leen niet genoeg is. Maar alleen ‘ko­ninklijk zijn’ is dat ook niet! Sociale da­den, waarmee de mens aan de wereld werkt en ‘individuele’ daden waarmee hij aan zichzelf werkt, zouden elkaar al­tijd moeten aanvullen.

 

over goud; over mirre

Driekoningen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Boeken van Hella Krause-Zimmer:

Waarom heeft een engel vleugels

In het Duits
.

732-669

.

.

.