Tagarchief: 4e klas dierkunde

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (3) de hamster

.

Gerbert Grohmann

            ‘leesboek voor de dierkunde’

blz. 23                                                                                                       hoofdstuk 3

de hamster

Wanneer van iemand gezegd wordt dat hij hamstert, wil men daarmee tot uitdrukking brengen, dat hij dezelfde dwangmatige gewoonte-eigenschappen heeft, als het dier met deze naam. Overal denkt hij het eerst aan zichzelf; dat hij maar zoveel mogelijk kan vergaren en naar huis slepen. Dat ook anderen wat moeten hebben, daaraan denkt hij pas op het laatst. De echte hamster doet het net zo. Daarom is het eigenlijk ook een a-sociaal, ruziemakend dier. Maar omdat het nu eenmaal een dier en geen mens is, moest je maar niet al te boos op hem zijn. Wat hij doet en hoe hij zich gedraagt, hoort bij zijn natuurlijke gewoonten; zonder deze zou hij simpelweg niet kunnen bestaan. Hoe verstandig, zelfs slim hij daarbij te werk gaat en hoe ijverig hij is, zal hier worden beschreven.

Een hamster moet  hamsteren en hij kan niet anders, zelfs al wilde hij dat. Heel zijn manier van leven, als ook zijn lichaamsbouw is daarop ingesteld, wat je van een menselijke hamster toch niet zeggen kan.
Laten we eens kijken hoe hij zich gedragen moet, hoe zijn aard moet zijn en wat hij doen moet, wil hij een meester in het hamsteren zijn!

Wanneer in de herfst op de akkers de aren bruin worden, krijgt de verzamelwoede hem te pakken, want hij weet wel dat nu de gelegenheid gekomen is om te gaan zorgen voor de tijd dat hij het in zijn hol onder de grond moet volhouden. Zelfs in de lente is er op aarde nog geen genoeg voedsel voor hem, hoogstens wat groene sprieten en jonge halmen. Tegen de oogsttijd echter gaat hij met zijn verzamelwoede de korenvelden in, buigt de halmen om of bijt ze doormidden, zodat ze omvallen. Dan pakt hij de aren stevig en handig met zijn beide voorpoten vast, draait ze, trekt ze door zijn bek, haalt zo de korrels eruit en stopt ze behendig in zijn grote wangzakken. Pas wanneer deze dik en vol zijn, neemt hij de kortste weg naar huis, want een hamster woont meestal meteen midden in het korenveld, alsof hij dat zelf bebouwd heeft.
De hamster is ook niet zo’n goede loper, die makkelijk grote afstanden aflegt. Hij moet met zijn korte pootjes en bijna kruipende gang, waarbij de buik tot op de grond komt, eerder onbeholpen genoemd worden. Met zulke pootjes kun je je weliswaar in de gangen onder de grond voortreffelijk bewegen, op de grond moet je voortdurend op je hoede zijn, dat iemand je onderweg niet te pakken krijgt. Als een hamster met volle wangzakken op de weg naar huis verrast wordt, wrijft hij met zijn pootjes zo vlug mogelijk zijn wangzakken leeg. Het kan zijn dat hij alleen maar op zijn achterpootjes gaat zitten, zich groot maakt en onderzoekt hoe erg het gevaar is.
Zo zijn de hamsters in de herfst rusteloos aan het werk, tot de oogst binnen is.
Laten we nu eerst eens kijken hoe een hamster begint zijn hol te graven. Hij graaft het met zijn eigen pootjes. Aan zijn achterpoten heeft hij vijf tenen, voor heeft hij er vier, omdat de vijfde gevormd is als een soort begin van een duim.
Eerst wordt er een schuin naar beneden lopende gang, het sluipgat, gegraven. Vlug wroeten de voorpootjes, terwijl de kop steeds verder naar beneden gaat. De gang loopt niet lijnrecht, maar met onregelmatige bochten. Diep beneden wordt die dan vergroot tot woon- en nestkamer. De naar buiten geworpen aarde blijft gewoon voor het gat liggen. Dan wordt er vanuit de woonkamer loodrecht naar boven het valgat gemaakt. Dat heet zo, omdat de hamster zich daar later van bovenaf in kan laten vallen of naar binnen stormen. Vaak worden er meerdere valgaten gegraven, en omdat dit gebeurt van onder naar boven, ligt voor deze uitgangen, of liever gezegd ingangen ook geen naar buiten geworpen aarde. Toegang tot de voorraadkamers wordt ten slotte vanuit de woonkamer gegraven in verschillende richtingen.
Wat je al wel kan bedenken is, dat niet iedere bodemsoort zomaar meteen geschikt is voor een hamsterhol. Allereerst zijn weiden en bossen niet geschikt, ook mag de bodem niet stenig zijn of zelfs maar rotsachtig. Is deze te los of te zanderig, dan zouden de gangen instorten. Dat vochtige of zelfs natte gronden geen plaats kunnen zijn voor een hamsterwoning spreekt voor zich. Dus niet alleen het voedsel bepaalt waar hij kan leven, de bouw en de vormgeving vormen voor hem zogezegd de andere helft van zijn bestaansvoorwaarden. Vallen echter een geschikte bodem en een gunstige voeding samen, dan zijn de hamsters er vlug bij en komen er wonen. Hun woongebied strekt zich uit van de Vogezen tot de Oeral. In Thüringen kwamen bijzonder veel hamsters voor. Het zijn eigenlijk steppedieren en op de korenvelden voelen ze zich thuis, omdat ze deze als steppen zien.
De valgang kan een diepte hebben van 1 – 2 meter. Al naar gelang de leeftijd en de grootte van de bewoner is deze 5 – 8 centimer in doorsnee. Omdat de hamster steeds maar in één richtug, namelijk van boven naar beneden, roetsjt, worden de wanden gedurende de tijd heel glad en wanneer ze niet meer glanzen, weet je zeker dat het hol verlaten is.
Ook aan het afval dat zich mettertijd voor de ingang van het hol verzamelt, kun je zien of er nog iemand in woont. Is wat eruit gegooid werd al beschimmeld, dan woont er zeker geen hamster meer in, want dan moest er vers afval liggen.
Hamsters zijn de meest solitair levende dieren die je je maar kan indenken. Ieder is angstig bezorgd, dat een ander hem zijn buit betwist. Ze vreten elkaar zelfs op, zoals ook de hamsters onder de mensen het liefst zouden doen.
Laten we eens luisteren naar het verslag dat de boswachter over hem geeft, die hem goed geobserveerd heeft. Hij is onverdraagzaam, heet het, boosaardig en een ruziemaker. Nee, wie zo geboren is, kan toch onmogelijk met anderen in één hol wonen. Een fanatiek boos-zijn beheerst heel het wezen van de hamsters en in die boosheid knort hij diep en hol, knarst met zijn tanden en klapt ze buitengewoon hard op elkaar. Dat is nu niet bepaald de beschrijving van een vriendelijk diertje. Daarbij wordt de hamster wel als onverschrokken en dapper afgeschilderd.Vóór de strijd slijpt hij zijn tanden en niet alleen naar honden, zelfs naar mensen springt hij moedig op. Het is echt geen pretje, wanneer zo’n woesteling plotseling aan je kleren hangt. Hij bijt zich ook vast in paarden en hij laat niet eerder los dan wanneer je hem doodslaat.
Moeten we nu ook de erge vijanden van de hamster noemen, dan is dat in de eerste plaats meester Reintje, de vos. Dat ook honden nu niet bepaald tot de hamstervrienden behoren, is wel vanzelfsprekend. Vanuit de lucht dreigt er door de roofvogels velerlei gevaar. Omdat hamsters overwegend nachtdieren zijn, moeten ze ook steeds oppassen voor uilen. Een heel bijzonder gevaarlijke vijand is de bunzing, omdat deze tot de weinige behoort die de hamster tot in zijn sluipgangen kan volgen. Waar het mogelijk is, maakt  die rover het zich zelf gemakkelijk in de geriefelijke gangen van de hamster. De gevaren waaraan de hamster overgeleverd is, zijn groot, ja, veel vijanden. Goed, dat hij daarom ook zoveel jongen ter wereld brengt!
Wie nu zou geloven dat de hamster een pure planteneter is, die vergist zich. Er wordt over hem gezegd, dat hij nog liever muizen vreet dan graan. Meikeverengerlingen zijn altijd welkom en wee het vogeltje dat zich laat verschalken! Dat de ene hamster ook de andere opvreet, werd al vermeld. Dan is de benaming ‘allesvreter’ voor de hamster toch wel zeer gepast!
De vrouwtjes moeten, wanneer ze bouwen, natuurlijk gelijk aan hun jongen denken, die tweemaal per jaar, namelijk in mei en juli, 6 – 18, ter wereld komen. Er moet dus meer ruimte uitgegraven worden. Hamsterkinderen komen blind ter wereld en doen pas na acht, negen dagen de ogen open. Maar wanneer spoedig de eerst zo tedere lievelingen zo groot geworden zijn dat ze zelf hun voedsel kunnen zoeken, worden ze door de moeder weggejaagd en zelfs gebeten, wanneer ze weer in hun kamertje terug zouden willen.
De hamster heeft een zeer mooi driekleurig vel met een gele, witte en zwarte tekening. Bovenop heeft hij een licht matgeel, de snuit en ook ogen en de band om de hals zijn roodbruin. De bek is wittig en aan iedere kant van de kop zit een gele wangvlek. Op het voorhoofd loopt een zwart streepje, de pootjes echter zijn wit. Is het niet een merkwaardig natuurfenomeen dat een dier dat in een hol woont en meestal ’s nachts naar buiten komt om voedsel te zoeken, zo opvallend bont getekend is. Als uitzonderingen komen er soms helemaal zwarte of helemaal witte hamsters voor. Zo kreeg de bozige isegrim met zijn gewilde vachtje een echte gesel opgelegd. Als hij al niet zou worden uitgegraven en gedood omdat hij op de akkers zoveel schade aanricht, dan toch wel omdat de mens hem zijn waardevolle jasje zou willen uittrekken. Die huid is overigens ook het enig nuttige aan een hamster.
De oren zijn zogezegd grote muizenoren, want ook de hamster is een knaagdier. De staart is erg klein. Hoe onhandig het dier met z’n korte pootjes aan zijn lijf, dat ook nog tot op de grond komt er ook uit mag zien – een flinke renner of behendige springer, zoals veel van zijn verwanten, is hij zeker niet -, hij beweegt zich in zijn gangen volmaakt. Ja, hij is voor een ondergronds leven gemaakt en op de aarde is hij bijna een vreemde. Zijn knaagtanden zijn bijzonder groot, zijn donkere ogen groot en mooi.
Dan werpen we nu nog een blik in het binnenste van de hamsterwoning om eens te kijken wat daar allemaal gebeurt. Die is verdeeld in een woon- of nestkamer en de voorraadkamers.* Hoeveel voorraadkamertjes een hamster aanlegt, hangt af van zijn leeftijd. Jonge hebben er maar één; oude rammelaars – zo noem je de mannetjes – leggen er meestal vier tot vijf aan. Wat daarin wordt opgeslagen, zijn gestolen goederen. Graan en zaden van iedere soort worden verzameld en opgeslagen en ze worden zo vast in elkaar geperst dat uitgravers ze soms alleen met een ijzeren gereedschap uit elkaar kunnen krabben. In de kleine kamers zoals de jonge hamsters die aanleggen, vind je meestal een tot drie pond aan voorraad, in de drie tot vijf grotere kamers van de oude mannetjes daarentegen vijf tot zes kilo. Naast korensoorten worden ook erwten, wikke, tuinbonen en andere vruchten, ja zelfs peentjes verzameld, al naar gelang van wat de gelegenheid biedt. Het geeft ook helemaal niets wanneer tijdens de eerste lentemaanden de voorraden iets beginnen te kiemen. Dan worden de jonge sprieten als een welkome afwisseling opgegeten. De verschillende veldvruchten worden niet volgens een bepaald plan in de kamers opgeslagen. Wanneer ze apart liggen, komt dat alleen omdat ze na elkaar geoogst zijn. Ondanks dat is de orde en netheid in het bouwwerk des te verbazingwekkender, want het is er toch stikdonker. Daar zal het neusje ook wel goed dienst doen.
Waarvoor gebruikt de hamster die grote voorraden eigenlijk? Hij hoeft toch alleen maar te gaan liggen en slapen, als hij de ingangen dichtgemaakt heeft! Wie slaapt, heeft geen honger. Maar dat doet de hamster niet meteen, wanneer hij zich in oktober in zijn donkere eenzaamheid terugtrekt. Dan stopt hij eerst alle toegangen van boven naar beneden heel goed dicht en verbergt dan zijn bestaan in een volledig afgesloten hol. Waarvan zou hij van nu af aan de weken tot hij inslaapt, wel dromen, daarbeneden? Dat kun je niet weten, maar hij slaapt niet, zoveel is zeker. Wanneer je hem namelijk weken later weer uitgraaft, is hij nog steeds wakker. En dan moet hij natuurlijk ook voedsel hebben gehad. Graaf je hem echter midden in de winter uit, dan slaapt hij diep en duurt het uren voordat hij een beetje tot zichzelf is gekomen. De temperatuur van het bloed is dan gedaald tot vier of vijf graden. Dus heeft de hamster rond deze tijd bijna helemaal geen eigen lichaamswarmte meer.
Hoe je een hamster die in zijn diepste winterslaap ligt, aantreft, heeft een natuuronderzoeker 150 jaar geleden zeer aanschouwelijk beschreven. Het nest heeft de grootte van een koeienblaas, heet het, en zit vol met het zachtste stro dat alleen uit de scheden van de halm bestaat en bijna aanvoelt als zijde. De daarop liggende hamster is er helemaal mee omhuld. Hij ligt, zo wordt verder verteld, op zijn zij, de kop onder zijn buik getrokken, de voorpootjes erover en de achterpootjes bij elkaar over de snuit. In deze verstarde houding ligt hij maar. Hij is zo schoon alsof hij gewassen is en alle haartjes, in het bijzonder van de baard, liggen keurig netjes. De hamsters zijn stijf, hun pootjes zijn heel moeilijk te buigen en wanneer je ze gebogen hebt, schieten ze, net als bij dode dieren, weer snel in de vorige houding. Ze voelen ijskoud aan, de ogen zijn dicht. Wanneer je ze opendoet, zien ze er licht en helder uit zoals bij de levende, maar ze gaan uit zichzelf weer dicht. Je merkt niets van een ademhaling en je kan het kloppen van het hartje niet voelen. Het lijkt of ze beroofd zijn van ieder gevoel en elke gewaarwording. Kortom, ze zijn een levend beeld van de dood. – Zo aanschouwelijk heeft de hamsteronderzoeker de winterslaap beschreven.
In zijn hol komt de hamster pas midden februari weer bij. Maar nu heeft hij nog geen zin om de gangen open te maken en naar buiten te gaan, veel eerder leidt hij eerst weer een bepaalde tijd een droomleven. Midden maart tenslotte krijgt hij zin om eens te gaan kijken hoe het buiten, daarboven in de wereld, er wel uitziet. Dan maakt hij de gangen open, knippert met de oogjes, ruikt in de lucht en waagt uiteindelijk de eerste verkennende stapjes.

Hamstertje, hamstertje, hoe zal het met je zijn als het weer oogsttijd is geweest? Buiten lopen niet alleen de verse halmen uit, ook vele gevaarlijke vijanden wachten op je: honden, bunzingen, roofvogels vanuit de lucht en niet in de laatste plaats de meest jaloerse van allemaal, de mens. Maar je moet het toch wagen. Je hebt recht om te leven, zoals alle andere ook willen leven, zelfs de mens.

Hamsterlein, Hamsterlein, hast du’s bedacht,
eh du dein Kammerlein aufgemacht?
Drunten lagst du, in guter Ruh
deckte dich fein Mutter Erde zu,
und auch die Fülle an Speise daneben
hatte sie dir mit ins Haus gegeben.
Rüste dich wohl, trotz vieler Gefahren
heisst es bald wieder – Schätze bewahren!

*wikipedia spreekt ook over een latrine

Grohmann: leesboek dierkunde: inhoudsopgave
.

Eigen vertaling van ‘Lesebuch der Tierkunde’
.

dierkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde

1133-1054

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde – tekenen/schilderen

.

tekenen schilderen 6

De eerste biologieles in de vierde klas, beginnend met mens-en dierkunde, stelt de leerkracht al gauw voor de  dringende vraag: hoe ontwikkel ik bij de kinderen het vermogen om een voorstellingsbeeld van iets wat besproken is, dat ze denkend en voelend beleefd hebben, op een kunstzinnige manier, d.w.z. levend-scheppend te kunnen uitdrukken.
Iedere poging op dit vlak, wat het ook is, zal de vrije ontplooiing van de wil bevorderen.
In de drie voorafgaande schooljaren leerden de kinderen de kleur- en vormwereld als elementen op zich kennen. Niet de nabootsing van uiterlijke voorwerpen werd geoefend, maar het beleven van de kwaliteit van een kleur in relatie tot andere; de spanning en de beweging van een lijn stonden op de voorgrond.
Nu komt het uitbeelden van de planten- en dierenwereld erbij en daarmee beginnen de problemen. Tekenen met penseel, kleuren met potlood? Hoe ver ga je met contouren?
Laten we eens naar het materiaal kijken dat tot nog toe werd gebruikt.
De waterverf maakt vloeiende vlakken mogelijk – de elementaire stemming van de omgeving van het dier: aardachtig-donker bij de muis; water, koelte bij de vis; zonnig verlicht tot schemerig groen van het bos bij het hert en de vos; hitte op de steppen of savannen bij leeuw en giraffe enz.
En de vorm? Kunnen de kinderen op deze leeftijd met een brede penseel de karakteristieke vorm van het dier laten ontstaan? Als aanduiding, zeker. Uit de koele kleurnuances kan de vorm van de vis; uit de rood-gele kleuren de vorm van een springende leeuw bij benadering ontstaan. Hoe sterker de kinderen zich met de door de leerkracht (met woorden) geschetste dierfiguur kunnen verbinden, met des te meer zekerheid zullen ze de kleuren vinden om met overtuiging tot een verbeelding te komen.
Maar hoe moet het wanneer ze een hert, een giraffe, muis of zebra moeten weergeven?
De kinderen zullen beginnen in de eerst opgebrachte kleurvlakken met het penseel te tekenen en weer weg te nemen: dunne poten, lange halzen, spitse snuiten. Alles wat karakteristiek is aan het dier zullen ze willen tekenen. Dat is een heel natuurlijke behoefte – maar met het brede penseel?
Alles wat tot nog toe met waterverfschilderen geleerd is, staat daarmee ter discussie. Het gevoel om nog meer met kleurvlakken te werken dat tot dan toe consequent ontwikkeld werd, wordt ineens niet meer aangesproken.
De omtrekslijn daarentegen zal nog steeds wat minder precies en vaag blijven. Maar de kinderen willen en moeten een vorm kunnen maken van wat als beeld in hen ontstaan is.
Aan de andere kant is het voor de kinderen nog niet mogelijk, ondanks de vele tekenoefeningen, een dier zuiver met lijnen te tekenen. (Bedenk wel wat het betekent om een voorwerp naar eigen voorkeur met weinig lijnen op papier te zetten). Dat wordt op dit niveau of slechts wat werktuiglijk en nietszeggend, volgens de methode: teken een ezel met alleen maar driehoeken en de haas met cirkels, of het wordt grotesk à la Micky Mouse.

tekenen schilderen 5

Je zult dus een overgang moeten vinden van de elementaire kleurstemming naar de karakteristieke (en tegelijkertijd anatomisch juiste) vormgeving zoals die ook later op de bovenbouw nodig is. Een schilderend tekenen waarbij de omgeving en de gestalte door de kleur in harmonie gebracht kunnen worden, zoals dat door de kinderen in harmonie ervaren wordt.

In de loop van de schooltijd is het onze opdracht in de kinderen het vermogen tot een heldere oordeelsvorming te ontwikkelen. Voor de leeftijd die hier besproken wordt, moet voorafgaan een levendig kunnen meebeleven, zoals op de meest voorkomende manieren uit de van buiten en van binnen werkende krachten de zuivere vorm van ieder voorwerp ontstaat.

De hier geschetste poging werd eerst in een vierde klas gedaan, dan ook in een vijfde en zesde ter voorbereiding op het handenarbeidonderwijs.
We hadden een grote doos met restjes oliekrijtjes, zodat alle kinderen hetzelfde materiaal hadden. Het uitgangspunt was niet de diervorm, maar altijd de omgeving. Deze dan meer licht met kleur aangegeven om vandaaruit langzaam verdichtend tot een vorm te komen. Als van binnenuit groeien dan aan de ronde of langwerpige romp de ledematen en de andere belangrijke organen.
Hier moet worden opgemerkt dat vanzelfsprekend iedere tekening wordt voorafgegaan door een gedegen vertellende schets, zoals door H.Rutz in het aprilnummer* indrukwekkend is beschreven. In een vijfde of zesde klas kan dat wat korter en geconcentreerder gebeuren.

tekenen schilderen 1

De afbeeldingen zijn helaas niet in kleur.

lll is het werk van een jongen die nog maar korte tijd in de klas was. Hij had alleen de teken- en schilderlessen van het laatste halve jaar meegedaan. Aan de bovenkant zie je wat hij eerst probeert: uit de beweging van de hand de vorm van de muis te pakken. Dat lukt niet. Maar de jongen wil graag en is handig, hij begint direct eronder met bruin en violet een aardachtige omgeving aan te duiden. In het midden wordt het violet dikker en verschijnt het langwerpige rompje van de muis en dan pas begint hij met de details: het nieuwsgierige spitse snuitje en de snorharen, tot aan de lange staart.
Het vierkante oliekrijt maakt een fijnere lijnvoering mogelijk door de scherpe kant, zoals eerder de vlakke kant zorgde voor het kleurvlak.
Daar zit dan het kleine muisje, een beetje in elkaar – maar wakker en gespannen.

De andere tekeningen zijn van kinderen die vanaf de eerste klas bij ons waren. Aan het krachtige gebruik van lijn en ruimte spreekt een grotere zekerheid.
Hoe slim steekt de egel zijn snuit uit zijn beschermende stekelhuid (IV):

tekenen schilderen 2

en hoe voorzichtig bedachtzaam sluipt de vos door het struikgewas:

tekenen schilderen 3

Hier kunnen maar weinig tekeningen afgebeeld worden. De leeuw is van een kind met een bijzonder talent:

tekenen schilderen 4

Dikwijls vind je in de tekeningen van kinderen die in hun vrije tijd uit zichzelf niet naar het tekenkrijt grijpen, de grootste fijngevoeligheid en lichtheid. Ieder kind vindt zo zijn weg naar een beeldende voorstelling; en deze gemoeds- en wilsactiviteit zal veel kunnen bijdragen aan het sterker worden van een innerlijk waarnemen en van de oordeelsvorming.

Hildegard Andrae, Erziehungskunst 18e jrg.-5-1954

Hierin staan nog meer zwart/witillustraties

*(nog) niet op deze blog verschenen

Dierbeschrijvingen: Grohmann – leesboek voor de dierkunde

Dierkunde: alle artikelen  m.n. nr.4 – het tekenen van een leeuw

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas dierkunde

zie vooral ook: Anke-Usche Clausen: Schöpferisches Gestalten mit Farben

waaruit de bovenste en de hieronder volgende:

tekenen schilderen 7

tekenen schilderen 8

deze tekeningen zijn gemaakt met de ‘blokjes’ van Stockmar: een uitstekend materiaal om vlakken te tekenen; de scherpere kanten maken ook details mogelijk.

1109-1030

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (23)

.

Frans de Waal heeft veel geschreven over mens- en diergedrag. Zijn boeken zijn bestsellers.

In Trouw van 23-04-2016 staat een interview met hem.

Het blijkt dat hij niet veel op heeft met dieren vergelijken om te zeggen welke het meest bijzonder is. Maar als hij een prijs zou moeten uitreiken voor uniciteit, zou die naar de octopus gaan.

‘Dat is een heel vreemd beest. Hij heeft ongewoon grote centrale hersenen, zeker voor een weekdier. Maar hij heeft ook nog eens zenuwknopen in al zijn acht armen en elk van zijn tweeduizend zuignappen. Die zijn allemaal verbonden, als een soort servers, waardoor hij op het internet lijkt. De octopus denkt met zijn hele lichaam, en dan kan hij ook nog licht waarnemen met zijn huid en communiceren door van kleur te veranderen.’

De mens zou de prijs zeker niet winnen.

‘Wij lijken qua lichaamsbouw en hersenen op een heleboel andere landzoogdieren.’

Steiner over de inktvis:
‘Beschrijft u de inktvis dus zo, dat het kind door de manier waarop u hem beschrijft de sensi­tiviteit van de inktvis voelt, zijn fijne waarnemingsvermogen voor de dingen om hem heen. U zult een kunstzinnige beschrijving van de inktvis moeten ontwikkelen, opdat de kinderen het wezen van de inktvis daarin kunnen herkennen. (  )  De inktvis daarentegen, die in feite geheel en al hoofd is en ver­der niets, beweegt zich vrij in het water. U moet eigenlijk bewerkstel­ligen dat de kinderen het gevoel krijgen dat de lagere dieren hoofden zijn die zich vrij kunnen bewegen, maar nog niet zulke volmaakte hoofden zijn als het menselijk hoofd.

‘(  ) Ons hoofd is het in de hoogste mate gevormde lagere dier. We moeten – als we het menselijk hoofd, met name de ze­nuworganisatie gaan waarnemen – niet naar de zoogdieren kijken, niet naar de apen, maar we moeten teruggaan juist tot de laagste dieren.’

En wat de lichaamsbouw betreft: in de dierkunde wordt de mens o.a. vergeleken met de leeuw, de koe, de muis, het paard.

Uit de uitspraken van de Waal kun je concluderen dat de dierkunde op de vrijeschool gebaseerd is op inzichten, door Steiner verwoord, die zeer van deze tijd zijn.

Rudolf Steiner over dierkunde

Dierkunde: alle artikelen
over inktvis, leeuw, koe enz. En hoe het in de praktijk wordt gegeven

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas – dierkunde

Opspattend grind: alle artikelen

.

1092-1013

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (16)

Ik had het geluk – ik noem het ‘een geluk’ – dat ik in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw, veel voordrachten van ‘dokter Mees’ kon bijwonen.
In een meeslepende verteltrant – levendig en humoristisch – boeide deze begenadigde spreker – velen. Voor vele aspecten van het leven opende hij mij (weer) de ogen en gaf veel nieuwe gezichtspunten.

Onderstaand artikel vond ik nog en plaats ik hier als dankbare herinnering aan Leendert Frederik Carel Mees ( 13 december 1902-24 mei 1990)

een kameel van vijfennegentig vierkante kilometer in Artis

Karel en Coba. Leen Mees herinnert zich nog precies in welke kooi ze zaten. Twee bavianen, een mannetje en een vrouwtje. ‘En er was een reuzenschildpad die het lekker vond als ik hem langs de nek streek, zo (Mees doet voor hoe het ging), daar kwam hij voor naar me toe.’

Van Leen Mees is bekend dat hij iets hééft met dieren. De verjaardag* van Neerlands oudste dierentuin Artis leek ons hèt moment om te ontdekken wat.

De Amsterdamse diergaarde van het Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra (‘de Natuur is de leermeesteres van de kunst’) viert op één mei haar honderdvijftig-jarig bestaan. Artis herbergt rond de zesduizend dieren (waarvan tweeduizend vissen) en trekt jaarlijks ongeveer een miljoen mensachtige bezoekers waarvan de helft abonnementhouders. Wat komen al die mensen doen?

Naar zichzelf kijken. Voor Leen Mees, geboren in 1904 en arts van professie, is dieren kijken een oefening in menskunde. Want ‘dieren zijn wat mensen hebben’, zo vatte hij zijn kijkrichting samen op de omslag van zijn boek over schepping en evolutie.

Turen in de woestijn
Met een oplevende verwondering gaat Mees mij voor in de jubilerende dierentuin. In zijn studententijd, jaren twintig, was hij hier bijna dagelijks te vinden voor het volgen van de openluchtcolleges ‘vergelijkende dierkunde’. Lang geleden, maar in sommige opzichten is er niet veel veranderd. Met de papegaaienlaan voor ons, en links het woestijnleven, is Mees in een ogenblik thuis en geniet, geniet intens.

‘Kijk hem turen’, zegt hij, wijzend op een kameel. ‘Hij tuurt in de woestijn. Zijn hele houding is woestijn.’ In de grondhouding ‘woestijn’ lijkt inderdaad alles samen te vallen wat de kameel uitdraagt. Vooraan de golving vanuit zijn lijf, door vetbulten en kop. liggen in een gestrekte lijn oor, oog en neus: Georiënteerd op een verdwijnpunt aan de horizon, de zijderoute volgend van de Levant tot in China, deint de rest van het lichaam statig tussen de strak blauwe hemel en het eeuwige zand.

Al bij een stilstaande kameel zie je de drang om zijn blik achterna te gaan. Gaan er twee ‘in karavaan’ (we hebben het geluk dat even te zien) dan zie je die drang als het ware uitgebeeld. Drang, gestalte (vorm) en omgeving zijn, in hun éénheid, voor Mees het centrale houvast om begrip te krijgen voor de wereld van het dier.

Aan elk dier is iets typisch of karakteristieks te ontdekken. Dat typische openbaart zich vooral als dieren iets doen. Want doen betekent voor het dier altijd: trachten een in hem levende drang te bevredigen. Het komt er dan op aan niet bij de algemeen voorkomende, zoals de voedingsdrang, te blijven staan, maar je af te vragen welke drang (of ‘begeerte’) je alleen in die ene bepaalde diersoort vindt. Die begin je te vinden langs de weg van het specifieke instrument waarmee het dier zijn begeerten nu eenmaal moet bevredigen: zijn lichaam. Dit lichaam, met zijn specifieke vormen, bedekking, kleuren enzovoort, is vervolgens weer niet los te denken van de omgeving waarin het dier leeft. Waarin het naar aard en vorm doet leven! Alleen in de omgeving die het dier volledig past, kan het zich volledig bevredigen. Zo zijn dus begeerte, vorm en omgeving één.

De kleine karavaan is na twintig kamelenstappen aangekomen bij de sloot die het zandveldje in Artis omgeeft. Is hun terrein te klein? ‘Nee’, zegt Mees, ‘waarschijnlijk is de kameel te groot.’ Want een kameel ziet verder dan twintig stappen. De begeerte om de blik achterna te gaan (stel dat de kameel inderdaad begeert) is gezien het woestijnverleden van de kameel nog niet bevredigd. De drang blijft, want een kameel kan, net als elk ander dier, geen afstand nemen van zijn (onbevredigde) begeerte, noch erover nadenken of besluiten zijn energie dan maar voor iets anders te gebruiken. De kameel heeft namelijk geen begeerte, zoals de mens, maar hij is begeerte.
De kameel in Artis is dus vanuit zijn woestijnverleden gezien zo’n vijfennegentig vierkante kilometer in omvang, en ook als Artis de nieuwe maatstaf is, nog altijd veel groter dan het zandveld. De enige troost is dat de begeerten niet altijd even sterk zijn, en de kameel dus van tijd tot tijd zo klein wordt dat hij aan het zandveld voldoende heeft. Werkelijk: dieren zijn niet altijd even groot.

Ogen op steeltjes
Iets verder op het zandveld ligt een ogenschijnlijk mediterend watutsirund uit Midden-Afrika. Zowel en profil als en face domineren regelmatige driehoeken de verhoudingen. Het rossig tot goudbruine vel glanst in het zonlicht, en vanuit de kop stralen twee geelwitte horens ver uit.

Voorlangs deze gratie stapt een andere terreingenoot van de kamelen, de struis. Hoog op de renpoten (het dier haalt zeventig kilometer per uur) beweegt zich het grote, grijsbruin gevederde lichaamsei, en daar weer boven, aan het uiteinde van de nek die zo lang is als de poten, ‘vliegt’ wat je zou kunnen noemen het vogeltje dat met de besproken struis één geheel vormt.

Wat begeert het watutsirund, en wat de struisvogel? Het blijkt een uitermate moeilijk te doorgronden gebied. Ik raadpleeg Mees. Die raadt me aan nu niet onmiddellijk te gaan fantaseren. Maar over diervormverschijnselen in het algemeen heeft hij een behulpzame gedachte: ‘Heb je weleens een kind voor de etalage van een speelgoedwinkel gezien? Met uitpuilende ogen vanwege al dat moois? Het kreeg ogen op steeltjes, zeggen we dan wel eens. Natuurlijk kreeg het dan niet echt ogen op steeltjes, maar als we tegenwoordig als mensen nog net zo plastisch zouden zijn als we waren in de dierfase van de mensheid, dan kreeg het kind ze wel! Het kreeg dan door de begeerte naar het speelgoed echte ogen op steeltjes. Ik zeg altijd: zo ontstonden de slakken.

Iets soortgelijks vind je in de dierenwereld overal: oren op steeltjes, een bek op steeltjes, een huid op steeltjes, enzovoort.’ Het is verbijsterend. Als je eenmaal zo kijkt, zie je overal in de dierentuin organen op steeltjes, oftewel vormen uit begeerte.

Onderweg naar het vogelhuis zien we een haan. Zonder verblijfsvergunning waarschijnlijk, maar daar kraait geen haan naar. Mees: ‘Wat is die mooi hè? Weet je waarom die zo mooi is? Om het vrouwtje te trekken! Het is toch om je rot te lachen.’

Mees is van één type verklaringen duidelijk niet gecharmeerd, de analogie: een mens heeft een hark om te harken, een haan heeft een snavel om te pikken. ‘Een haan is pikken, en heeft daarom een snavel’ (lippen op steeltjes). Bij de haan kun je daar trouwens moeilijk omheen. Uiterst vermoeiend hoe zo’n dier bij elke stap tegelijk een pik moet doen, in de lucht.

In het vogelhuis roept Mees het uit. ‘Wat een snavel! Die heeft geen snavel, die is snavel!’
De reuzentoekan is een oranje-rood en felgeel gekleurde snavel die zeker tweederde de lengte van het lijf meet. Dat lijf is bescheiden zwart. Alles, ook het doen van de vogel draait om de snavel. Graantje pikken en achterover laten glijden. Snavel even schurken langs een tak. Bijten op een tak. Ook prachtig verbeeld, is de gedienstigheid van het lijf tijdens de onverwacht sierlijke trampolinegang van het hippen. Het lijf bewaart dan zorgvuldig de balans tussen het gewicht voor en het gewicht achter de poten. De toekan leert dat je in specifieke begeertevormen van de dieren kunt nuanceren. De toekan is zeer snavel. Zo niet de bijna even grote straatduif.

Het offer van de dieren
Groot is de overgang naar het broeierig warme klimaat van het reptielenhuis. Het is hier bijna drukkend stil, en voorzover zich ergens iets beweegt, gaat het traag. ‘Ken je die van de krokodil die een sociale gemeenschap wou stichten?’ Ik ken hem niet, dus zetten we ons even op een bankje, schuin tegenover de krokodillen.

Mees: ‘Komt die krokodil bij een olifant en zegt: Olifant, wil je meedoen met mijn sociale gemeenschap? Ach, zegt de olifant, ik heb nogal een dikke huid, en mijn vrouw heeft een dikke huid, en mijn kinderen hebben een dikke huid, dus wat zal ik in een sociale gemeenschap? Komt de krokodil bij een slak. Slak, wil je meedoen in mijn sociale gemeenschap? Ach, zegt de slak, ik heb mijn eigen huis, mijn vrouw heeft een eigen huis, en mijn kinderen… Komt de krokodil bij een leeuw. Leeuw, wil je meedoen in mijn sociale gemeenschap? Ach, zegt de leeuw, ik ben koning, mijn vrouw is koningin, mijn kinderen zijn prinsjes en prinsesjes dus wat zal ik met een sociale gemeenschap? Komt de krokodil bij een beer. Beer, wil je meedoen in mijn sociale gemeenschap? Ach, zegt de beer, ik heb een dikke pels dus ik heb het warm zat, en mijn vrouw heeft ook zo’n dikke pels, en mijn kinderen… De krokodil gaat weer verder maar opeens roept de beer hem terug: Waarom wil jij eigenlijk een sociale gemeenschap stichten? Ach, zegt de krokodil, ik heb zo’n grote bek, en mijn vrouw heeft ook zo’n grote bek, en mijn kinderen…’

De reptielen confronteren ons nog het meest met wat volgens Mees als diepe tragiek in de dierenwereld besloten ligt. De dieren, zo meent hij, belichamen niet zomaar een aantal begeerten. Zij belichamen ‘die overmaat aan begeerte’ die dreigde een belemmering te worden voor de evolutie van de mens. De dieren hebben een groot offer gebracht’, voegt Mees er nog aan toe terwijl we op weg zijn naar de mensapen. Mensapen? Kijk me eens aan’, zegt Mees. We kijken elkaar aan. ‘Je merkt dat we onze ogen voortdurend bewegen en dat onze blikken elkaar daarbij telkens (een ogenblik lang) kruisen. Zo elkaar aankijken kunnen alleen twee mensen’, beklemtoont Mees. ‘Geest ontmoet geest.’ Niettemin spreekt Mees zelf over ‘mensdieren’. Een uitstapje naar zijn boek wordt zo langzamerhand onontbeerlijk.

Mees’ evolutieleer zal voor de één het ei van Columbus zijn, voor de ander flauwekul. In het zorgvuldig opgebouwde betoog zitten nu eenmaal ‘sprongen’, zoals deze: ‘Dat levende vormen scheppingen zijn, heeft de mens nooit verzonnen, doch hij heeft het altijd geweten, immers, hij heeft het herkend. Mensen weten wat schepping is omdat ze zélf scheppen.’

Om een snelle krabbel te kunnen maken van de gedachtegang die Mees in zijn boek ontvouwt, blijf ik nog even bij dit scheppen. Stel er wordt een aantal schilderijen gevonden van een zekere Mondriaan. Op het eerste doek zien we (geen twijfel mogelijk) een vaas bloemen. Op het tweede is in een compositie van kleurvlakken vagelijk een boom te ontwaren. Het derde toont haaks op elkaar staande banen en lijkt nergens op. Zogenaamde ‘creationisten’ zullen nu zeggen: In den beginne was Mondriaan. Mondriaan schiep schilderijen, misschien het ene wat eerder dan het andere, maar dat doet er niet toe, er is geen samenhang tussen de schilderijen zelf. ‘Evolutionisten’ menen: Het eerste schilderij verdichtte zich uit een atelier-nevel. Het tweede schilderij ontstond vervolgens uit het eerste, en het derde weer uit het tweede onder invloed van, laten we zeggen, het weer en de kopieermachine. De creationisten ontkennen dus evolutie, de evolutionisten ontkennen creatie, schepping.

Mees zegt: De evolutie betreft de persoonlijke ontwikkeling van Mondriaan. Een beeld van die evolutie ontstaat doordat Mondriaan schilderijen schept, en dus telkens iets van zijn ontwikkelingsweg zichtbaar maakt. Schilderijen zelf evalueren dus niet, hooguit veranderen deze door ‘aanpassing aan de omgeving’ (in het voorbeeld met name de tand des tijds).

Evolutie en schepping
Dan nu met reuzenstappen door het echte verhaal van Mees. Zijn inspiratoren zijn degenen die in de dierenwereld het beeld van een evolutie als zodanig ontdekt hebben (Lamarck, Darwin), de mensen die baanbrekend (embryologisch) onderzoek deden (Haeckel, Bolk, Blechschmidt), en de moderne ingewijde die de geestelijke ontwikkeling van de mens sinds oeroude tijden te boek stelde, Rudolf Steiner. De verdienste van Mees is zonder meer dat hij, trouw aan de waarneming, laat zien dat ‘evolutie’ en ‘schepping’ elkaar niet uitsluiten, maar juist bevestigen.

Het menswezen heeft, ooit, met de Goden afgesproken om een bepaalde klus te klaren. Eenmaal op weg zijn de Goden nog zeer behulpzaam, en als de mens zich (er is dan al zeer veel achter de rug) een omgeving zoekt om ‘ik’ te kunnen zeggen, ontstaat daartoe de aarde. Het is de gevoelige mens echter geboden zich uiterst behoedzaam een aards lichaam aan te meten. De Goden houden hun hart vast, want de aarde, die een unieke ontwikkelingsmogelijkheid biedt, herbergt tevens krachten die elke ontwikkeling onmogelijk zouden kunnen maken. De mens moet zich belichamen, maar zich niet teveel ‘ver-lichamen’.

Bij deze langzame toenadering tot de aarde zijn de Goden weer zeer behulpzaam en brengen hoge wezens uit deze wereld grote offers. Telkens als de mens bepaalde krachten die hij bij zijn toenadering ontmoet, overmatig in zich dreigt op te nemen, offeren deze wezens zich, door de overmaat te belichamen en daarmee de mens ervan te vrijwaren. Zo ontstaan het minerale rijk, het plantenrijk en het dierenrijk alvorens de mens gereed is ‘vlees te worden’.

Mees in zijn boek: ‘Het mineralenrijk heeft het evoluerende mensenwezen bevrijd van een te snelle tendens tot verdichting. Het plantenrijk is de belichaming van de overmaat van vitaliteit (levenskracht) die een verdere evolutie in de weg gestaan zou hebben.’ Het dier’, het is al gezegd, is de belichaming van een overmaat aan begeerte. Dat de overmaat belichaamd is, betekent tegelijk dat de mens de ‘gewone maat’ wel in zich opnam. Vandaar dat de mens de begeerten die de dieren zijn, toch ook nog zelf heeft.

Scheppende wereld
Terwijl ik mij een en ander bedenk, inmiddels aankomend bij de roofdieren, komt er ook een gevoel in mij op dat deze visie iets te maken heeft met de bijna ingetogen houding van Mees. Hij is voor zijn doen niet spraakzaam. Maar ik voel een toenemend gewicht in de kleine, zacht uitgesproken, over verschillende kooien verspreide zinnetjes. Als ze aan mij gericht zijn, gaan ze eigenlijk allemaal over dankbaarheid. Dankbaarheid tegenover de dieren, die zichzelf niet kunnen ontwikkelen (géén evolutie) doordat ze onze ontwikkeling mogelijk maakten. Soms zegt Mees het meer tegen de dieren, zoals in de stilte van het reptielenhuis tegen de krokodil, bijna fluisterend: ‘Jij ligt daar maar hè, jij ligt daar maar te leven.’

Stilte voor de storm heerst in de roofdiergalerij. Mees: ‘In een andere dierentuin stond ik eens vlak voor de kooi toen de leeuw die daarin verbleef begon te brullen. Dan weet je wat hartstocht is! Mooi woord, de ‘tocht van het hart’. Het is ons vergund. Deze keer zijn het twee leeuwinnen, en ik weet werkelijk niet wat ik hoor. Beelden van immense grotten komen in mij op, waarin de herhaalde korte uitstoten van het gebrul, als een krachtig, angstaanjagend oergeluid, opzwellen en wegsterven. De toegang tot deze grotten is de zeer aanwezige neus van de leeuw. De neus die ‘onverbiddelijk heerst en brult.’

Bij de pinguinvijver houdt een dagjesmens een beschouwing over een gekortwiekte eend. ‘Kijk, hij wil starten. Moet je opletten. Ja daar gaat hij weer. Gas geven! Gas geven! Kom op! Gas geven!’ Cultuur op steeltjes? Of misschien wel ‘ik’ op steeltjes? Niet te lang bij stil staan, want Mees is inmiddels geheel opgenomen in de scheppende wereld. Het spreekwoordelijke groot en grijs van de olifant. De alsmaar bewegende olifant. ‘Mmm jij maar hoor’, zegt Mees. De olifant tast naar een microscopisch kleine pinda, flappert zijn zonneschijven, en neemt even later via zijn guitige tuit de pinda op in het rijk daarachter. Het lijkt me de enige weg voor een pinda om in het hiernamaals te komen.

‘De olifant is door de mmm geschapen’, legt Mees uit. ‘Weet je hoe?’ Ik heb geen idee. Je kunt het als uitspraak vinden bij Rudolf Steiner, maar het is ook de werkelijkheid van menselijke ervaringen.’ We geven elkaar de hand, kruisen de ogen en nemen afscheid.

Mark Bischot Jonas,* 18-04-1988
.

L.F.C.Mees:
Dieren zijn wat mensen hebben.
Levende metalen
Geheimen van het skelet
Don’t say no, just say oh
Digitale versie van bovenstaande boeken te downloaden via Antrovista
De aangeklede engel
Hoe beweegt de mens zich
Mensen zonder omgeving
Een voor een
Helena en Penelope
Geneeskunde op de drempel
Hoe is de olifant ontstaan
Drugs, waarom eigenlijk
De achtergronden van de drugscatastrofe
Toe, teken eens een schaap voor me!
Dierbare herinneringen aan Rudolf Steiner
.

dierkunde: alle artikelen
.

mees leendert

Leen Mees in Artis

1006-932

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (16)

Tijdens een gesprek in de leraarskamer werd op een dag door mij -bovenbouw biologieleraar- de opmerking gemaakt: bovenbouwers zouden “werkend” een stuk benedenbouw moeten meemaken. Onmiddellijk volgde een uitnodiging een periode dierkunde in de 4e klas te komen geven, waarop ik met enthousiasme inging. Ik zou het inhoudelijke deel van de periode verzorgen; de klasselerares, mejuffrouw Bolt, zou het teken-, schilder- en boetseerwerk voorbereiden en begeleiden.
Al tijdens mijn voorbereiding realiseerde ik me met schrik, dat ik eigenlijk niet wist, hoe je een 4e klas aanspreekt, iets vertelt, laat staan hoe je dit pedagogisch en didactisch verantwoord doet. Nooit was ik dan ook nerveuzer dan vóór de eerste ochtend van deze periode.
Mens- en dierkunde zou behandeld worden, uitgaande van de gestalte, van de vormen, van datgene wat je kunt waarnemen.
In de 3e klas hebben de kinderen het verhaal van de schepping van de mens gehoord: “en God schiep de mens naar Zijn beeld, naar het beeld Gods schiep Hij hen, man en vrouw schiep Hij hen.”
Nu, in de 4e klas, gaan we samen kijken naar dat beeld Gods, we proberen achter de geheimen te komen, die de mens en de dieren ons te vertellen hebben over zichzelf.
De eerste vraag die ik stelde: “Waaraan herken ik een mens als mens, bijvoorbeeld als ik hem in de verte zie lopen?” bleek al direct te abstract. Toch kwamen er leuke antwoorden: “Ze hebben allemaal verschillende gezichten” en: “ze hebben allemaal verschillende kleren aan.”
Maar wat hebben nu alle mensen gemeenschappelijk? Een meisje zei toen: “Ze lopen allemaal rechtop.”
Met dat antwoord was plotseling duidelijk wat ik met mijn vraag had bedoeld en kwamen van alle kanten de antwoorden los. Toch zei ik die eerste ochtend vaak: “Stel je eens voor …”, niet bedenkend dat dat voor een vierdeklasser erg moeilijk is. Hij moet nog echt zien, voelen, boetseren, en ontdekt daardoor de vormen. Dus liet ik, op suggestie van mejuffrouw Bolt, de kinderen voelen aan hun en hun buurmans hoofd.

We ontdekten van de mensengestalte, dat deze bestaat uit hoofd, romp -lijf in kindertaal- en ledematen. Het hoofd bleek rond van vorm als de zon. Afgesloten, hard van buiten, met zijn geheimen van binnen en 7 poorten – de zintuigen- naar de buitenwereld. Het vertoont een vrij geringe, maar fijne beweeglijkheid (mimiek).
De ledematen daarentegen zijn langgestrekt van vorm -als sterrenstralen-, zeer beweeglijk, zacht van buiten, stevig van binnen. Er werd opgemerkt dat alleen de mens echte handen en voeten heeft, dat de voeten alleen maar geschikt zijn om ons te dragen en om te lopen, maar dat de handen alles kunnen: bouwen en graven, grijpen en slaan, schilderen, boetseren, musiceren, bidden, zegenen, groeten en gebaren. Maar: wij moeten werktuigen en instrumenten bedenken om een heleboel dingen net zo goed te kunnen als dieren, die immers speciale graaf- of grijppoten hebben. Omgekeerd: hoe moeilijk is het niet voor een ezeltje om luit te leren spelen! (Grimm)
De romp bleek alles “tussenin” te hebben; afwisselend hard en zacht, half omhullend, je kunt er de vorm van de maansikkel in zien, met hart en longen binnen die omhulling, waarvan de beweging ritmisch is.
Alles wat we zo samen gevonden hadden, werd opgeschreven in een echt periodenschrift, waarbij het voor mij een erg goede oefening was, duidelijk en groot, in 4e klastaal op het bord voor te schrijven wat in de schriften zou komen. De kinderen hadden ook al een hoofd en twee maal een mensenfiguur geboetseerd en ze maakten in hun schrift verrukkelijke tekeningen bij de tekst.
Toen kwam het moment dat de dierkunde begon. Een ochtend om niet gauw te vergeten.
De inktvis was als eerste dier gekozen. Het lukte me, helemaal inktvis te worden en een spannend verhaal te vertellen over dat wonderlijke dier met zijn kop met armen, met zijn haken, zijn inkt en zijn kleuren als het opgewonden is. De stilte in de klas na afloop was een belevenis, en het was geweldig te zien hoe de kinderen toen met waskrijt op grote vellen aan het tekenen gingen.
Na de inktvis volgden mossel en slak, muis, hamster en bever en tot slot paard en kameel, steeds vanuit het dier zelf verteld.
Aan het eind van de periode spraken we er over, met welk deel van de mens inktvis (mossel en slak) het meest overeenkwamen -zij werden kopdieren genoemd-. Muizen waren meer rompjes op hele kleine pootjes en paard en kameel vooral poten-ledematen.
De kinderen hebben ook geschilderd, eerst de mens, later nog paard of kameel en enorm veel getekend, ook gedichtjes gemaakt,
In de loop van de tijd ben ik me verschillende dingen gaan realiseren, maar vooral: dat je als benedenbouw-klassenleraar een duizendpoot moet zijn; creatief, steeds weer in staat iets nieuws te bedenken, maar ondertussen de touwen in handen houdend, je richtend op wat de kinderen van je vragen. En dat het onmogelijke van dit vak,
vrijeschoolleraar te zijn, is dat je het tot nu toe tenminste- eigenlijk nergens kon leren dan alleen maar in de klas.
Ik vind het dan ook erg fijn, de kans gekregen te hebben “werkend” een stuk benedenbouw te leren kennen en mijn respect en bewondering voor de kunst van mijn benedenbouwcollega’s is door dit “werken” enorm gegroeid.
N.Amons-Smink, Geert Grooteschool, okt.1974

Dierkunde: alle artikelen

989-916

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 311 – voordracht 3

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom): vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

Die Kunst des Erziehens aus der Erfassung des Menschenwesenheit

Inhoudsopgave 3e voordracht 14 augustus 1924:
Het kind na het 9e jaar. [1
Plantkunde. [2]
Dierkunde.  [3]
Humor. [4]
Over het vertellen van sprookjes en mythen. [5]   [7]
De opvoedkundige werking van deze onderwijsvakken. [6]
Causaal denken pas na het 12e jaar. [8]
Beeldende geschiedenis. [9]
Over straf. [10]
Zelfopvoeding. [11]

 

Blz. 43

3e voordracht, Torquay, 14 augustus 1924

Heute wollen wir noch einiges über das Allgemeinere der Erzie­hungskunst während der Lebensepoche zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife charakterisieren, um dann in der nächsten Stunde auf Spezielleres in der Behandlung einzelner Gegenstände und einzelner Lebenszustände eingehen zu können.
Wenn das Kind zwischen dem 9. und 10. Lebensjahr angekommen ist, dann kann es sich zunächst von seiner Umgebung unterscheiden. Der Unterschied zwischen Subjekt und Objekt – Subjekt = das Ei­gene, Objekt = das Andere – tritt eigentlich erst in diesem Zeitpunkt wirklich auf, und wir können dann beginnen, von Außendingen zu sprechen, während wir vorher diese Außendinge so behandeln müssen, als ob sie eigentlich eins wären mit dem Körper des Kindes. Wir sollen die Außendinge wie sprechende, handelnde Menschen behandeln, sagte ich gestern. Dadurch hat das Kind das Gefühl, daß die Außenwelt einfach eine Fortsetzung seines eigenen Wesens ist.

[1] Vandaag willen wij nog iets in algemenere zin van de opvoedkunst tussen de tandenwisseling en de puberteit karakteriseren om dan in het volgende uur even in te gaan op de meer specifieke aanpak van een aantal vakken en een paar levenssituaties.
Wanneer het kind tussen het 9e en 10e jaar in zit, kan het dus onderscheid maken tussen hemzelf en zijn omgeving. Het verschil tussen subject en object – subject = eigen, object = het andere – vertoont zich op dit tijdstip pas echt en dan kunnen wij beginnen over de zaken van de buitenwereld te spreken, terwijl we hiervoor de dingen van de buitenwereld zo moesten behandelen alsof ze één geheel vormen met het lichaam van het kind. We moeten de buitenwereld als sprekende, actieve mensen behandelen, zei ik gisteren. Daardoor heeft het kind simpelweg het gevoel dat de buitenwereld een verlengstuk van zijn eigen wezen is.

Nun handelt es sich darum, das Kind, wenn es das 9. oder 10. Jahr überschritten hat, in einige elementare Tatsachen, Wesenheiten der Außenwelt einzuführen, in die Tatsachen des Pflanzenreiches und des Tierreiches. Von anderen Gegenständen werden wir noch spre­chen. Aber gerade bei diesen Dingen müssen wir sehen, daß wir das Kind so einführen, wie es die Menschennatur verlangt.
Das erste, was wir dabei tun müssen, ist eigentlich das, daß wir alle Lehrbücher wegwerfen. Denn so, wie heute Lehrbücher beschaf­fen sind, enthalten sie nichts über das Pflanzen- und Tierreich, was man den Kindern eigentlich beibringen kann. Diese Lehrbücher von heute sind gut, um erwachsenen Menschen Kenntnisse von Pflanzen und Tieren beizubringen; aber wir verderben die Individualität des Kindes, wenn wir diese Lehrbücher in der Schule benützen. Und man kann schon sagen: Lehrbücher, Handbücher, welche Anleitung dazu geben, wie man in der Schule vorzugehen hat, sind eben heute nicht vorhanden. Es handelt sich nämlich um folgendes:

Nu gaat het erom het kind, wanneer het 9 of 10 jaar geworden is in een paar elementaire feiten, werkelijkheden in de buitenwereld binnen te leiden; in de feiten van het plantenrijk en van het dierenrijk. Over andere onderwerpen zullen we nog spreken. Maar juist bij deze dingen moeten we proberen het kind er zo mee in contact te brengen als de menselijke natuur vraagt.
Het eerste wat we daarbij moeten doen, is eigenlijk de leerboeken weggooien.
[2] Want zoals tegenwoordig de leerboeken in elkaar zitten, bevatten ze niets over het planten- en dierenrijk wat je de kinderen bijbrengen kan. Die leerboeken van tegenwoordig zijn goed om volwassenen kennis van planten en dieren bij te brengen; maar we bederven de individualiteit van het kind, wanneer wij deze leerboeken op school gebruiken. En je kan wel zeggen: leerboeken, handboeken die een leidraad zijn voor hoe je op school werken moet, zijn nu niet voorhanden. Het gaat om het volgende:

Wenn man dem Kinde einzelne Pflanzen vorlegt, und an einzelnen Pflanzen dies oder jenes behandeln läßt, so hat man ja zunächst etwas getan, was keiner Wirklichkeit entspricht. Eine Pflanze für sich hat keine Wirklichkeit. Wenn Sie sich ein Haar ausreißen und dieses Haar betrachten, als ob es eine Sache für sich wäre, so hat das keine Wirklichkeit. Im trivialen Leben sagt man zu allem, was man mit Augen irgendwie begrenzt vor sich sieht, es habe eine Wirklichkeit. Aber es ist doch etwas anderes, ob man einen Stein, den man beur­teilt, vor sich sieht, oder ob man ein Haar oder eine Rose vor sich sieht. Der Stein wird nach zehn Jahren noch gerade dasselbe sein, was er heute ist, die Rose nach zwei Tagen nicht mehr; sie ist nur eine Realität am ganzen Rosenstock daran. Das Haar hat gar keine Realität für sich, es ist nur eine Realität mit dem ganzen Kopf, am ganzen Menschen. Und wenn man nun hinausgeht auf die Felder und Pflanzen ausreißt, dann ist es so, wie wenn man der Erde die Haare ausgerissen hätte.

Wanneer je de kinderen losse planten voorschotelt en aan losse planten dit of dat gaat behandelen, heb je iets gedaan wat niet in overeenstemming is met de realiteit. Een plant op zich is geen werkelijkheid. Wanneer je bij jezelf een haar uittrekt en je kijkt daarnaar, alsof het iets is wat op zich staat, is dat geen realiteit. In het leven van alledag zeggen we van alles wat we met onze ogen op de een of andere manier begrensd voor ons zien, dat het reëel is. Maar het is toch wat anders of je een steen die je voor je hebt beoordeelt, of dat je een haar of een roos voor je hebt. De steen zal na tien jaar nog precies het zelfde zijn zoals nu, de roos na twee dagen niet meer; die is alleen realiteit aan de hele rozenstruik. De haar is geen werkelijkheid op zich, die is alleen maar realiteit met het hele hoofd, aan de hele mens. En wanneer je nu naar het veld gaat en planten uittrekt, dan is het zo alsof je de aarde de haren hebt uitgetrokken.

Denn die Pflanzen gehören zur Erde ganz genau so, wie die Haare zum Organismus des Menschen gehören. Ein Haar für sich zu betrachten, wie wenn es irgendwo für sich ent­stehen würde, ist ja ein Unsinn. Ebenso ist es ein Unsinn, eine grüne Botanisiertrommel zu nehmen, Pflanzen nach Hause zu tragen und jede Pflanze für sich zu betrachten. Das entspricht nicht der Realität, und auf diese Weise ist es nicht möglich, daß man richtige Natur- und Men­schenerkenntnis erwirbt.Wenn Sie hier eine Pflanze haben (siehe Zeichnung I), so ist das allein nicht die Pflanze, sondern zu der Pflanze gehört noch dasjenige, was da als Boden darunter ist, unbegrenzt weit,    vielleicht    sehr    weit. Es gibt Pflanzen, die lassen noch Würzelchen in sehr großer Weite ausstrah­len. Daß dieses Stück Erde, in dem die Pflanze drinnen ist, in weitem

Want planten behoren bij de aarde net zo als haren bij het organisme van de mens horen. Een haar op zich beschouwen alsof die ergens voor zichzelf zou ontstaan, is onzin.
Net zo’n onzin is het om een groene botaniseertrommel te pakken, planten mee naar huis te nemen en iedere plant op zich te bekijken. Dat is niet in overeenstemming met de werkelijkheid en op deze manier is het niet mogelijk dat je goede natuur- en menskunde krijgt.
Wanneer je hier een plant hebt: (tekening 1):

GA 311 blz. 44

dan is dat niet alleen de plant, maar bij de plant hoort ook nog wat er onder zit als bodem, onbegrensd ver, misschien heel ver. Er zijn planten die laten hun worteltjes nog over een grote wijdte uitstralen. Dat dit stuk aarde waarin de plant staat, in de verre

Umkreise dazu gehört, das kann Sie die Tatsache lehren, daß man Dünger in die Erde hineingeben muß, wenn man von gewissen Pflan­zen will, daß sie richtig wachsen. Es lebt nicht bloß das Stück Pflanze, es lebt auch dasjenige, was hier ist (siehe Zeichnung I), es lebt mit, gehört zur Pflanze dazu; die Erde lebt mit.
#Bild s. 45
Es gibt Pflanzen, die blühen im Frühling, sprossen auf gegen Mai, Juni und tragen ihre Früchte im Herbst. Dann verwelken sie, ster­ben ab. Sie stecken drinnen in der Erde, aber die gehört zu ihnen dazu. – Es gibt aber auch Pflanzen, die nehmen die Kräfte der Erde aus der Umgebung. Das wäre die Erde (siehe Zeichnung II); jetzt nimmt die Wurzel die Kräfte, die in der Umgebung sind, in sich auf. Weil sie jetzt die Kräfte in sich aufgenommen hat, kommen die Kräfte der Erde da herauf, es wird ein Baum daraus.
Was ist denn ein Baum? Ein Baum ist eine Kolonie von vielen Pflanzen.Ob Sie da einen Hügel haben, der nur weniger lebt, und auf dem viele Pflanzen darauf sind, oder ob Sie den Stamm eines Baumes haben, wo in einem viel lebendigeren Zustand die Erde sich hineingezogen hat, das ist einerlei. Sie können gar nicht sachlich eine Pflanze für sich betrachten.
Fahren Sie über eine Gegend, oder noch besser, gehen Sie in einer

omgeving erbij hoort, dat leert je het feit dat je de aarde moet bemesten, wanneer je van bepaalde planten verlangt dat ze goed groeien. Niet alleen maar dat stukje plant leeft, maar ook wat hier is: (tekening 2)

GA 311 blz. 45

leeft mee, behoort tot de plant; de aarde leeft mee.
Er zijn planten die bloeien in de lente, ze lopen uit tegen mei, juni en dragen hun vruchten in de herfst. Dan verwelken ze, ze sterven af. Ze staan in de aarde, maar die behoort bij hen. – Er zijn ook planten, die nemen de krachten van de aarde uit de omgeving. Dat is dan de aarde (zie tekening vlak hierboven); nu neemt de wortel de krachten die in de omgeving zijn in zich op. Omdat ze nu de krachten in zich opgenomen hebben, komen de krachten vanuit de aarde naar boven, het wordt een boom.
Maar wat is een boom? Een boom is een groep van veel planten. Of je nu een heuveltje hebt dat wat minder leeft en waarop veel planten staan, of je hebt de stam van een boom, waarin, in een veel levendigere toestand, de aarde naar binnen is getrokken, dat maakt niet uit. Objectief gezien kun je een plant niet op zich beschouwen.
Rijd eens door een omgeving, of beter nog,

Gegend, in der bestimmte geologische Formationen sind, zum Bei­spiel rot liegender Sand und schauen sich die Pflanzen an: es sind zumeist Pflanzen darauf mit gelb-rötlichen Blüten. Es gehören die Blüten zum Boden dazu. Boden und Pflanze ist eine Einheit, wie Ihre Kopfhaut und Ihre Haare.
Daher dürfen Sie mit dem Kind nicht einerseits Geographie und Geologie, andrerseits Botanik betrachten. Das ist ein Unsinn. Son­dern Geographie, Beschreibung des Landes und Betrachtung der PfJanzen muß immer eines sein; denn die Erde ist ein Organismus, und die Pflanzen sind so wie Haare an diesem Organismus. Und das Kind muß die Vorstellung bekommen können, daß die Erde und die Pflanzen zusammengehören, daß jedes Stück Erde diejenigen Pflan­zen trägt, die zu diesem Stück Erde gehören.

in een omgeving met bepaalde geologische formaties, bv. rood zand en kijk dan eens naar de planten: daarop groeien meestal planten met geel-roodachtige bloemen. De bloemen behoren bij de bodem. Bodem en planten vormen een eenheid, zoals de huid van uw hoofd met uw haar.
Daarom mag je met het kind niet aan de ene kant aardrijkskunde, mineralogie doen, en aan de andere kant plantkunde. Dat is onzin. Maar aardrijkskunde, beschrijving van het land, en in ogenschouw nemen van de planten, moet altijd samengaan; want de aarde is een organisme en de planten zijn dus de haren van dit organisme. En het kind moet er een voorstelling van kunnen krijgen, dat aarde en planten bij elkaar horen, dat op ieder stukje aarde die planten groeien die bij dit stukje horen.

Es ist also richtig, daß Sie die Pflanzenkunde nur im Zusammen-hange mit der Erde betrachten und dem Kinde eine deutliche Emp­findung davon hervorrufen, daß die Erde ein lebendiges Wesen ist, das Haare hat. Die Haare sind die Pflanzen. – Sehen Sie, man sagt von der Erde, daß sie eine Schwerkraft habe, Gravitation. Die rech­net man zu der Erde dazu. Aber die Pflanzen gehören mit ihrer Wachstumskraft ebenso zu der Erde hinzu. Es gibt gar nicht eine Erde für sich und Pflanzen für sich, gerade so wenig, wie es in der Realität Haare für sich und Menschen für sich gibt. Das gehört zu­sammen.
Und wenn Sie das dem Kinde beibringen, was Sie aus der Botani­siertrommel herausnehmen und es benennen lassen, so bringen Sie ihm eine Unwirklichkeit bei.

Het is dus goed als je plantkunde alleen doet in samenhang met de aarde en het kind een duidelijk gevoel geeft dat de aarde een levend wezen is dat haren heeft. De haren zijn de planten. – Kijk, van de aarde wordt gezegd dat ze zwaartekracht heeft, gravitatie. Die rekent men tot de aarde. Maar de planten behoren met hun groeikracht eveneens tot de aarde. Er bestaat zeer zeker geen aarde op zich en planten op zich, net zo min als er in werkelijkheid haren op zich zijn en mensen op zich. Het hoort samen.
En wanneer je het kind bijbrengt, wat je uit de botaniseertrommel haalt en  laat benoemen, dan breng je het kind iets onwerkelijks bij.

Das hat Folgen für das Leben; denn das Kind wird niemals von der Pflanzenkunde aus, die Sie ihm so beibringen, ein Verständnis dafür gewinnen, wie man zum Beispiel den Acker behandeln muß, wie man ihn lebendig machen muß mit dem Dünger. Ein Verständnis dafür, wie man den Acker behandeln soll, bekommt das Kind nur, wenn es weiß, wie der Acker mit der Pflanze zusammenhängt. Weil die Menschen in unserer Zeit mehr und mehr keinen Sinn für Realität mehr haben – ich habe Ihnen in der ersten Stunde gesagt, die Praktiker haben ihn am wenigsten, sie sind alle Theoretiker heute -, weil die Menschen von der Realität

Dat heeft gevolgen voor het leven; want het kind krijgt door de plantkunde die je het op die manier bijbrengt nooit een begrip voor hoe je een akker behandelen moet, hoe je die levend moet maken met mest. Een begrip voor hoe je een akker behandelen moet krijgt het kind alleen, wanneer het weet hoe akker en plant samenhangen. Omdat de mensen in onze tijd steeds meer geen realiteitszin hebben – ik heb u dat in het eerste uur gezegd, de practici hebben deze nog het minst, die zijn tegenwoordig allemaal theoretici – , omdat de mensen geen notie meer hebben

keine Spur mehr hahen, deshalb betrachten sie alles für sich, alles ge­sondert.
Und so ist es gekommen, daß in vielen, vielen Gegenden seit fünfzig, sechzig Jahren alle Feldprodukte dekadent geworden sind. Es hat neulich in Mitteleuropa einen landwirtschaftlichen Kongreß gegeben. Da haben die Landwirtschafter selbst gestanden: die Früchte werden so schlecht, daß man gar nicht hoffen kann, daß in fünfzig Jahren die Früchte noch genießbar sind für die Menschen.
Warum? Weil die Leute nicht verstehen, den Boden mit dem Dänger lebendig zu machen

van de werkelijkheid, daarom bekijken ze alles los van elkaar, alles afzonderlijk.
En zo is het gekomen dat in vele, vele streken sinds vijftig, zestig jaar alle veldproducten in kwaliteit achteruitgegaan zijn.
Onlangs was er in Midden-Europa een landbouwcongres. Daar moesten de landbouwers zelfs toegeven: de vruchten worden zo slecht, dat er geen hoop meer is dat over vijftig, zestig jaar de vruchten voor de mens nog lekker zijn.
Waarom? Omdat de mensen niet begrijpen hoe ze de bodem met mest levend kunnen maken.

Aber die Menschen können das nicht verstehen, wenn man ihnen solche Begriffe beibringt wie: die Pflan­zen seien etwas für sich. Gerade so wenig, wie ein Haar etwas für sich ist, ist die Pflanze etwas für sich. Wenn das Haar etwas für sich wäre, gut, dann wäre es ja einerlei, dann könnte man es, damit es wächst, in ein Stück Wachs oder Talg hineinstecken! Aber es wächst eben in der Kopfhaut.
Will man erkennen, wie die Erde mit der Pflanze zusammenge-hört, dann muß man wissen, in welche Art von Erde eine Pflanze hineingehört. Und wie man diese Erde noch düngen muß, das kann man nur dadurch wirklich erkennen, daß man Erde und Pflanzenwelt als eine Einheit betrachtet, daß man wirklich die Erde wie einen Or­ganismus anschaut und die Pflanze als etwas, was innerhalb dieses Organismus wächst.

Maar de mensen kunnen het niet begrijpen, wanneer men ze het begrip bijbrengt: planten zijn iets voor zich. Maar net zo min als een haar iets op zich is, is de plant iets op zich. Wanneer haren iets op zich zouden zijn, dan was het om het even, dan zou je ze, om ze te laten groeien, ook in een stuk was of talg kunnen steken. Maar ze groeien nu eenmaal op je hoofd.
Wil je weten hoe aarde en plant samenhoren, moet je weten in wat voor soort grond een plant thuishoort. En hoe je die grond moet bemesten kun je alleen echt te weten komen wanner je aarde en plantenwereld als een eenheid beschouwt; dat je de aarde werkelijk als een organisme beschouwt en de plant als iets wat in dit organisme groeit.

Dadurch aber bekommt das Kind von vornherein das Gefühl, auf einem lebendigen Boden zu stehen. Dies hat für das Leben eine große Bedeutung. Denn bedenken Sie nur, wie man sich heute vorstellt, daß die geologischen Schichten entstehen. Man stellt sich vor: das hat sich so übereinandergelagert. Aber alles das, was Sie als geo­logische Schichten sehen, sind ja nur verhärtete Pflanzen, verhärtetes Lebendiges. Nicht nur die Steinkohlen waren früher Pflanzen, die mehr im Wasser als in der festen Erde wurzelten, und dazugehörten zur Erde, sondern auch Granit, Gneis und so weiter sind von pflanz­licher und tierischer Natur her.
Auch dafür bekommt man nur Verständnis, wenn man Erde und Pflanzen als Ganzes zusammen betrachtet. Es handelt sich ja bei diesen

Daardoor krijgt het kind van het begin af het gevoel op een levende aardbodem te staan. Dit is voor het leven van grote betekenis. Want denk je eens in hoe men zich tegenwoordig voorstelt dat de aardlagen ontstaan. Men stelt zich voor dat deze laag voor laag over elkaar zijn komen te liggen. Maar alles wat je aan geologische lagen ziet, is slechts versteend plantenmateriaal, leven dat versteend is. Niet alleen de steenkolen waren vroeger planten die meer in het water dan in de vaste aarde wortelden, ook graniet, gneis enz. zijn van plantaardige en dierlijke oorsprong.
Ook daarvoor krijg je begrip, wanneer je aarde en plant als geheel beschouwt. Het gaat er bij

Dingen nicht bloß darum, daß das Kind Kenntnisse erhält, son­dern darum, daß es die richtigen Empfindungen erhält. Das sieht man aber erst wiederum ein, wenn man eine solche Sache geistes-wissenschaftlich betrachtet.
Denken Sie nur einmal, Sie sind von dem besten Willen beseelt, Sie sagen sich: das Kind muß alles anschaulich lernen, also muß es auch die Pflanze anschaulich lernen. Ich halte es früh an, schön in einer schönen Botanisiertrommel Pflanzen hereinzubringen. Ich zeige ihm alles, denn es ist die Realität. Ich glaube nämlich, es ist die Realität, es ist ja Anschauungsunterricht.

deze dingen niet alleen om dat het kind kennis opdoet, maar dat het de goede gevoelens krijgt. Dat zie je pas weer in, wanneer je zoiets geesteswetenschappelijk bekijkt.
Denk je eens in, je bent met de beste wil bezield en je zegt: het kind moet alles aanschouwelijk leren, dus moet het ook de plant aanschouwelijk leren. Ik wen hem er al vroeg aan in een botaniseertrommel fijn planten te verzamelen. Ik laat hem alles zien, want dat is de realiteit. Ik geloof namelijk dat aanschouwelijkheid in het onderwijs dé realiteit is. –

Nur – man schaut eben dasjenige an, was keine Wirklichkeit ist. Mit diesem Anschauungs­unterricht treibt nian den ärgsten Unfug in der Gegenwart!
Da lernt das Kind die Pflanze so kennen, als ob es gleichgültig wäre, ob ein Haar in Wachs oder in einer Menschenhaut wächst. In Wachs wächst es ja nicht. Wenn ein Kind solche Begriffe aufnimmt, dann widersprechen sie ganz dem, was das Kind aufgenommen hat, bevor es aus der geistigen Welt heruntergestiegen ist auf die Erde. Denn da hat die Erde ganz anders ausgeschaut. Da trat dem Kinde, das heißt der Seele des Kindes lebendig diese Zusammengehörigkeit des mineralischen Erdreiches und des Pflanzlichen, das herauswächst, entgegen. Warum? Weil das Kind etwas, was noch nicht mineralisch ist, sondern erst auf dem Wege ist, mineralisch zu werden, das Ätherische aufnehmen muß, damit es sich überhaupt verkörpern kann.

Maar – dan kijk je naar wat geen werkelijk is. Met dit aanschouwelijkheidsonderwijs bedrijf je de ergste flauwekul die er tegenwoordig bestaat. Dan leert het kind de plant zo kennen als of het om het even is of een haar in was of op de huid van een mens groeit. In was groeit die niet. Wanneer een kind zulke begrippen opneemt, dan is dat helemaal in tegenspraak met wat het kind opgenomen heeft vóór het uit de geestelijke wereld naar de aarde kwam. Want daar heeft de aarde er heel anders uitgezien. Daar kwam het kind, d.w.z. de ziel van het kind op een levendige manier tegen, dat het minerale aardrijk en de planten, die erop groeien bij elkaar horen Waarom? Omdat het kind iets, wat nog niet mineraal is, maar pas op weg mineraal te worden, het etherische, op moet nemen wil het kunnen incarneren.

Es muß sich in das Pflanzliche hineinwachsen. Und das Pflanz­liche erscheint mit der Erde verwandt.
Diese ganze Empfindungsreihe, die das Kind erlebt, wenn es her­untersteigt aus der vorirdischen Welt in die irdische, diese ganze reiche Welt wird ihm konfus gemacht, chaotisch gemacht, wenn man es so anleitet, Pflanzenkunde zu lernen, wie man es gewöhnlich tut; während das Kind innerlich aufjauchzt, wenn es die Pflanzenwelt im Zusammenhang mit der Erde kennenlernt.

In einer ähnlichen Weise muß betrachtet werden, wie man das Kind in die tierische Welt einführt. Beim Tiere wird es ja schon der tri­vialen Betrachtung auffallen: es gehört nicht zur Erde. Es läuft über

Dit plantachtige moet van hem worden. En dit plantachtige is verwant met de aarde.
Heel deze gewaarwordingsreeks die het kind beleeft wanneer het uit de voorgeboortelijke wereld naar de aarde komt, deze hele rijke wereld, wordt in de war gebracht, chaotisch gemaakt, wanneer je het zo inricht plantkunde aan te leren, zoals men dat gewoonlijk doet; terwijl het kind innerlijk juicht, wanneer het de plantenwereld in samenhang met de aarde leert kennen.

[3] Op een zelfde manier moeten we kijken hoe je het kind de wereld van de dieren leert kennen. Bij het dier valt bij een alledaagse waarneming al op: dat hoort niet bij de aarde. Het loopt over

die Erde dahin. Es kann an diesem Orte, an jenem Orte sein. Man hat es also mit ganz anderen Verhältnissen der Erde zu tun, als bei der Pflanze. Aber beim Tiere kann einem etwas anderes auffallen.
Wenn wir die verschiedenen Tiere, die auf der Erde leben, zu­nächst ihren seelischen Eigenschaften nach betrachten, finden wir grausame Raubtiere, wir finden sanfte Lämmer und auch tapfere Tiere. Zum Beispiel unter den Vögeln sind manche ganz tapfere Streiter; auch unter den Säugetieren haben wir tapfere Tiere. Dann finden wir majestätische Tiere, wie die Löwen. Wir finden die man­nigfaltigsten seelischen Eigenschaften. Und wir sagen uns bei jeder einzelnen Tierart, diese Tierart sei dadurch charakterisiert, daß sie diese oder jene Eigenschaft hat. Wir nennen den Tiger grausam, und die Grausamkeit ist seine beträchtlichste, bedeutendste Eigenschaft. Wir nennen das Schaf geduldig. Geduld ist seine beträchtlichste Eigenschaft.

de aarde heen. Het kan op die plaats zijn, maar ook op een andere. Men heeft met heel andere verhoudingen te maken dan bij de plant. Maar bij het dier kan iets anders in het oog springen. Wanneer wij de verschillende dieren waarnemen wat hun zieleneigenschappen betreft, vinden we wrede roofdieren, we vinden onschuldige lammeren en ook dappere dieren. Onder de vogels bv. bevinden zich veel dappere strijders; ook onder de zoogdieren vinden we dappere dieren. Ook vinden we majestueuze dieren, zoals de leeuw. We vinden de meest verschillende zieleneigenschappen. En bij iedere diersoort zeggen we: die wordt gekarakteriseerd naar deze of gene eigenschap. We noemen de tijger wreed en die wreedheid is de meest belangrijke eigenschap. We noemen het schaap geduldig. Geduld is zijn belangrijkste eigenschap.

Wir nennen den Esel träge, weil er, wenn er auch nicht in Wirklichkeit so furchtbar träge ist, ein gewisses Gebaren hat, das stark an die Trägheit erinnert. Namentlich ist der Esel träge im Verändern seiner Lebeuslage. Wenn er es gerade in seiner Laune hat, langsam zu gehen, kann man ihn nicht dazu bringen, daß er schnell geht. Und so hat jedes Tier seine besonderen Eigenschaften.
Beim Menschen aber können wir nicht so denken. Wir können nicht denken, daß der eine Mensch zahm, geduldig, der andere grau­sam, der dritte tapfer ist. Wir würden es einseitig finden, wenn die Menschen so über die Erde verteilt wären. Sie haben schon auch in gewissem Sinne solche Eigenschaften in Einseitigkeit ausgebildet, aber doch nicht in solchem Maße wie die Tiere.

We noemen de ezel traag, omdat deze, ook al is hij in werkelijkheid niet zo traag, een bepaald gebaar maakt, dat sterk aan traagheid doet denken. De ezel is namelijk traag bij het veranderen van zijn omstandigheden. Wanneer z’n humeur zo is dat hij langzaam vooruit gaat, dan kun je hem er niet toe brengen dat hij vlug gaat. En zo heeft ieder dier zijn bijzondere eigenschappen.
Bij de mens echter, kunnen we dit niet zo denken. We kunnen niet denken dat de ene mens volgzaam, geduldig, de andere wreed, de derde dapper is. Dat zouden we eenzijdig vinden, wanneer de mensen zo over de aarde verdeeld waren. In zekere zin hebben ze ook wel van die eigenschappen die eenzijdig gevormd zijn, maar niet in die mate als bij de dieren.

Wir finden viel mehr gerade beim Menschen – und namentlich, wenn wir den Menschen erziehen wollen -, daß wir ihm zum Beispiel gewissen Dingen und Tatsachen des Lebens gegenüber Geduld beibringen sollen, anderen Dingen und Lebenstatsachen gegenüber Tapferkeit, anderen Dingen und Lebenslagen gegenüber vielleicht irgendwie sogar etwas Grau­samkeit, obwohl das in homöopathischer Dosis an die Menschen heranzubringen ist. Gewissen Dingen gegenüber wird der Mensch einfach durch seine natürliche Entwickelung auch Grausamkeiten zeigen und so weiter.

We vinden veel meer juist bij de mens – en wel dan wanneer wij hem willen opvoeden – dat wij hem bv. voor bepaalde zaken van het leven geduld bijbrengen, voor bepaalde andere dapperheid, voor andere misschien wel zoiets als wreedheid, hoewel dat natuurlijk in een homeopathische dosis gebracht moet worden. Met betrekking tot bepaalde dingen zal de mens simpelweg door zijn natuurlijke ontwikkeling ook wreedheid vertonen, enz.

Aber wie ist es denn da eigentlich, wenn wir diese seelischen Ei­genschaften beim Menschen und bei den tierischen Wesen betrach­ten? Beim Menschen finden wir, daß er eigentlich alle Eigenschaften haben kann, wenigstens die alle Tiere zusammen haben. Diese haben sie einzeln für sich; der Mensch hat immer ein bißchen von allem. Er ist nicht so majestätisch wie der Löwe, aber er hat etwas von Ma­jestät. Er ist nicht so grausam wie der Tiger, aber er hat etwas von Grausamkeit. Er ist nicht so geduldig wie das &haf, aber er hat etwas von Geduld. Er ist nicht so träge wie der Esel – wenigstens nicht alle Menschen -, aber er hat etwas von dieser Trägheit an sich. Das haben alle Menschen. Man kann sagen, wenn man die Sache ganz richtig betrachtet: Der Mensch hat in sich Löwen-Natur, Schaf-Natur, Tiger-Natur, Esel-Natur. Alles hat er in sich. Nur ist alles in sich harmonisiert.

Maar hoe zit het dan eigenlijk wanneer we deze zieleneigenschappen bij mens en dier bekijken? Bij de mens vinden we, dat hij eigenlijk alle eigenschappen kan hebben, die op z’n minst alle dieren samen hebben. Deze hebben zij elk voor zich; de mens heeft steeds een beetje van alles. Hij is niet zo majestueus als de leeuw, maar hij heeft wel iets daarvan. Hij is niet zo wreed als een tijger, maar hij heeft wel iets van wreedheid. Hij is niet zo geduldig als een schaap, maar hij heeft wel iets van geduld. Hij is niet zo langzaam als een ezel – tenminste niet alle mensen – maar hij heeft wel iets van die traagheid in zich. Dat hebben alle mensen. Men kan zeggen, wanneer men de zaak juist beschouwt: de mens heeft in zich leeuwenaard, schapenaard, tijgeraard, ezelaard. Alles heeft hij. Maar alles is in harmonie.

Alles schleift sich an dem anderen ab. Der Mensch ist der harmonische Zusammenfluß, oder, wenn man es gelehrter aus­drücken will, die Synthese von all den verschiedenen seelischen Eigenschaften, die das Tier hat. Und gerade dann ist das Rechte beim Menschen erzielt, wenn er in seine Gesamtwesenheit die gehörige Dosis Löwenheit, Schafheit, die gehörige Dosis Tigerheit, die ge­hörige Dosis Eselheit und so weiter richtig einführt, wenn das alles in rechtem Maße in den Menschen eingetaucht ist und mit allem anderen in dem richtigen Verhältnis steht.
Schon ein altes griechisches Sprichwort sagr sehr schön: «Tapfer­keit, wenn sie sich eint mit Klugheit, bringt dir Segen.

Alles slijpt zich aan elkaar af. Bij de mens komt dat harmonisch bij elkaar of, wanneer men dit geleerder wil uitdrukken, hij is de synthese van al die verschillende zieleneigenschappen die het dier heeft. En pas dan is bij de mens het juiste bereikt, wanneer hij in zijn hele wezen de gepaste hoeveelheid leeuw, schaap, tijger, ezel enz. op een goede manier integreert; wanneer dit alles op de juiste wijze in de mens zit en zich met al het andere juist verhoudt.
Een oud Grieks spreekwoord zegt al: ‘dapperheid, wanneer het samengaat met slimheid, brengt zegen.

Wandelt die Tapferkeit jedoch allein, folget Verderben ihr nach.» Wenn der Mensch nur tapfer wäre, wie manche Vögel, die fortwährend streiten, nur tapfer sind, so würde er nicht viel Segensreiches im Leben für sich anrichten. Aber wenn die Tapferkeit so ausgebildet ist beim Menschen, daß sie sich mit der Klugheit vereinigt, so wie wieder­um gewisse Tiere nur klug sind, dann ist es beim Menschen das Rechte.
Beim Menschen handelt es sich also darum, daß eine synthetische Einheit, eine Harmonisierung all desjenigen, was im Tierreiche aus­gebreitet ist, vorhanden ist. So daß wir das Verhältnis so umschrei­ben können: da ist das eine Tier (ich zeichne schematisch), da das

Op enkel dapperheid volgt ondergang’. Wanneer de mens alleen maar dapper zou zijn, zoals vele vogels, die voortdurend vechten, alleen maar dapper zijn, dan zou hij voor zichzelf niet veel zegenrijks teweeg brengen. Maar wanneer de dapperheid zo bij de mens gevormd is, dat ze samengaat met schranderheid, zoals dus bepaalde dieren schrander zijn, dan is dat bij de mens het juiste.
Bij de mens gaat het erom dat een synthetische eenheid, een harmonie van al datgene wat over het dierenrijk verspreid is, aanwezig is. Zodat we de verhouding zo kunnen omschrijven: hier is het ene dier (ik teken het schematisch), daar het

zweite, eine dritte Tierart, eine vierte und so weiter, alle Tiere, die auf der Erde möglich sind.
Wie verhalten sich die zum Menschen?
#Bild s. 51a

tweede, een derde diersoort, een vierde  enz. alle dieren die op aarde mogelijk zijn.
Hoe is hun verhouding tot de mens?

GA 311 blz. 51

So, daß der Mensch zunächst so etwas hat (es wird gezeichnet) wie die eine Tierart, aber gemildert, er hat es nicht ganz. Und da schließt gleich das andere daran an (siehe Zeichnung), aber wiederum nicht ganz. Da geht das über in ein Stück von dem Nächsten, und dann schließt sich dieses daran an (siehe letzte Zeichnung der Reihe), so daß der Mensch alle Tiere in sich schließt. Das Tierreich ist ein aus­gebreiteter Mensch, und der Mensch ist ein zusammengezogenes Tierreich; alle Tiere sind synthetisch vereint durch den Menschen-Der ganze Mensch analysiert, ist das ganze Tierreich.
#Bild s. 51b
So ist es auch mit der Gestalt. Denken Sie sich einmal, wenn Sie das menschliche Antlitz haben (es wird gezeichnet), und dieses hier wegschneiden (siehe Zeichnung) und etwas nach vorne setzen, wenn das also weiter nach vorne geht, wenn es nicht harmonisiert ist mit dem ganzen Antlitz, wenn die Stirne tiefer geht, wird ein Hundekopf daraus.

Zodanig dat de mens eerst zoiets heeft (het wordt getekend) als de ene diersoort, maar afgezwakt, hij heeft het niet helemaal. En daar komt meteen het andere bij (zie tekening), maar opnieuw niet helemaal. Dat gaat in een deel van het volgende over en dan sluit dit daarop aan (zie de laatste tekening van het rijtje), zodat de mens alle dieren in zich sluit. Het dierenrijk is een uitgebreide mens en de mens is een gecomprimeerd dierenrijk; alle dieren zijn op een synthetische manier in de mens verenigd. De hele mens geanalyseerd vormt het hele dierenrijk.
Zo is dat ook met de gestalte. Denkt u zich eens in wanneer u het menselijk gezicht neemt (het wordt getekend) en dit hier weghaalt  (zie tekening)

GA 311 blz. 51  2

en iets naar voren plaatst; als dit verder naar voren gaat, wanneer het niet in harmonie is met het hele gelaat, wanneer het voorhoofd dieper komt te liggen, dan wordt het een hondenkop.

Wenn Sie in einer etwas anderen Weise den Kopf formen, wird ein Löwenkopf daraus und so weiter.
Auch in bezug auf seine übrigen Organe kann man überall finden, daß der Mensch auch in der äußeren Gestalt gemildert, harmonisiert hat das, was auf die übrigen Tiere ausgebreitet ist.
Denken Sie sich, wenn Sie eine watschelnde Ente haben, etwas von dem, was da watschelt, haben Sie nämlich auch zwischen den Fin­gern, nur ist es da zurückgezogen. Und so ist alles, was im Tierreiche zu finden ist, auch an Gestalt, im Menschenreiche vorhanden. Auf diese Weise findet der Mensch sein Verhältnis zum Tierreich. Er

Als u op een wat andere manier de kop vormt, komt er een kop van een leeuw uit enz.*
Ook wat zijn andere organen betreft, kan men overal vinden dat de mens ook in zijn uiterlijke verschijning afgezwakt, harmonisch heeft, wat over de rest van de dierenwereld uitgespreid is.
Denk eens, wanneer u een waggelende eend ziet, dat u iets van dat waggelen heeft, namelijk tussen de vingers, alleen heeft het zich daar teruggetrokken. En zo is alles wat er in het dierenrijk is te vinden, ook aan gestalte, in het mensenrijk aanwezig. Op deze manier vindt de mens zijn verhouding tot de dierenwereld. Hij

blz.52:

lernt erkennen, wie die Tiere alle zusammen ein Mensch sind. Der Mensch ist vorhanden in den 1800 Millionen Exemplaren von mehr oder weniger großem Wert auf Erden. Aber er ist noch einmal als ein Riesenmensch vorhanden. Das ganze Tierreich ist ein Riesenmensch, nur nicht synthetisiert, sondern analysiert in lauter Einzelheiten.
Es ist so: wenn alles an Ihnen elastisch wäre, aber so elastisch, daß es nach verschiedenen Richtungen hin verschieden elastisch sein könnte, und Sie nach einer gewissen Richtung hin elastisch sich aus-dehnen würden, so würde ein gewisses Tier daraus entstehen. Wenn man Ihnen die Augengegend aufreißen würde, würde wiederum, wenn es entsprechend elastisch sich aufdunsen würde, ein anderes Tier entstehen. So trägt der Mensch das ganze Tierreich in sich.

leert inzien hoe alle dieren samen een mens zijn. De mens is aanwezig in de 1800 miljoen exemplaren die van meer of mindere waarde zijn op de aarde. Maar hij is nog een keer aanwezig  als een reuzenmens. Het hele dierenrijk is een reuzenmens, alleen niet als synthese, maar als analyse, in louter details.
Het is zo: als alles aan U elastisch zou zijn, maar zo elastisch dat het naar verschillende kanten verschillend elastisch zou zijn, en u zich dan in een bepaalde richting uitbreiden zou, dan zou daaruit een bepaald dier ontstaan. Wanneer men bij u de omgeving van de ogen zou oprekken, zou er ook weer, wanneer het dienovereenkomstig elastisch zou opzwellen, een ander dier ontstaan. Op deze manier draagt de mens het hele dierenrijk in zich.

So hat man einmal in früheren Zeiten die Geschichte des Tier-reiches auch gelehrt. Das war eine gute, gesunde Erkenntnis. Sie ist verlorengegangen, aber eigentlich erst verhältnismäßig spät. Zum Beispiel hat man im achtzehnten Jahrhundert noch ganz gut gewußt, wenn dasjenige, was der Mensch in der Nase hat, den Riechnerv, wenn der genügend groß ist, nach hinten sich fortsetzt, so wird ein Hund daraus. Wenn aber der Riechnerv verkümmert, und wir nur ein Stückchen vom Riechnerv haben, und das andere Stückchen sich um­metamorphosiert, so entsteht unser Nerv für das intellektuelle Leben.
Wenn Sie den Hund anschauen, wenn er so riecht, so hat er von der Nase nach hinten die Fortsetzung seines Riechnervs. Er riecht die Eigentümlichkeit der Dinge; er stellt sie nicht vor, er riecht alles. Er hat nicht einen Willen und eine Vorstellung, sondern er hat einen Willen und einen Geruch für alle Dinge. Einen wunderbaren Ge­ruch!

Zo leerde men dus in vroeger tijd de zaak met dieren ook aan. Dat was een goede, gezonde kennis. Die is verloren gegaan, maar eigenlijk pas betrekkelijk laat. Men wist bv. in de 18e eeuw nog heel goed, dat dat wat de mens in de neus heeft, de reukzenuw, wanneer die maar groot genoeg is, naar achter zich voortzet, dan komt daar een hond uit. Wanneer de reukzenuw verkommert en we maar een stukje van de reukzenuw hebben en het andere stukje metamorfoseert , dan ontstaat onze zenuw voor het intellectuele leven. Wanneer u naar de hond kijkt wanneer deze ruikt, dan heeft hij vanuit de neus naar achteren toe de voortzetting van de reukzenuw. Hij ruikt het karakteristieke van de dingen; hij stelt zich niet voor, hij ruikt alles. Hij heeft geen wil en geen voorstelling, maar hij heeft wil en reuk voor alle dingen. Een wonderbaarlijke reuk.

Die Welt ist für den Hund nicht uninteressanter als für den Menschen. Der Mensch kann sich alles vorstellen. Der Hund kann alles riechen. Wir haben ein paar, nicht wahr, sympathische und anti­pathische Gerüche; aber der Hund hat vielerlei Gerüche. Denken Sie nur einmal, wie der Hund im Geruchssinn spezialisiert. Polizei­hunde gibt es in der neueren Zeit. Man führt sie an den Ort, wo einer war, der etwas stibitzt hat. Der Hund faßt sogleich die Spur des Menschen auf, geht ihr nach und findet ihn. Das alles beruht darauf, daß es wirklich eine ungeheure Differenzierung, eine reiche Welt

De wereld is voor de hond niet oninteressanter dan voor de mens. De mens kan zich alles voorstellen. De hond kan alles ruiken, niet waar, wij hebben een paar sympathieke en antipathieke geuren, maar de hond heeft een heleboel geuren. Denkt u er eens aan hoe de hond in zijn reukzintuig gespecialiseerd is. De laatste tijd zijn er politiehonden. Men brengt ze op een plaats waar iemand was die iets gepikt heeft. De hond pakt meteen het spoor van de mens op, volgt het en vindt hem. Dat berust op het feit dat er werkelijk een ongekende differentiatie, een rijke wereld

blz.53:

der Gerüche gibt für den Hund. Davon ist der Träger der nach rückwärts in den Kopf, in den Schädel hin eingehende Riechnerv.
Wenn wir den Riechnerv durch die Nase des Hundes zeichnen, müssen wir ihn nach rückwärts zeichnen (es wird gezeichnet). Beim Menschen ist nur ein Stückchen geblieben da unten, das andere ist umgebildet und steht hier unter unserer Stirn. Es ist ein metamor­phosierter, ein transformierter Riechnerv. Mit dem bilden wir unsere Vorstellungen. Deshalb können wir nicht so riechen, wie der Hund, aber wir können vorstellen. Wir tragen den riechenden Hund in uns, nur umgebildet. Und so alle Tiere.
Davon muß man eine Vorstellung hervorrufen. Es gibt einen deutschen Philosophen, Schopenhauer, der hat ein Buch geschrieben: «Die Weht als Wille und Vorstellung».

aan geuren voor de hond bestaat. Daarvan is de drager de ruikzenuw die naar achter in de kop, in de schedel loopt.
Wanneer we de reukzenuw door de neus van de hond tekenen, moeten wij deze naar achteren tekenen (het wordt getekend). Bij de mens is slechts een stukje overgebleven, daar onder;  het andere is omgevormd  en ligt hier onder ons voorhoofd. Het is een gemetamorfoseerde, een veranderde reukzenuw. Daarmee vormen wij onze voorstellingen. Daarom kunnen we niet zo ruiken als de hond, maar wij kunnen voorstellen. Wij dragen de ruikende hond in ons mee, alleen omgevormd. En op deze manier alle dieren.
Dat moet je je proberen voor te stellen. Er is een Duitse filosoof, Schopenhauer die een boek heeft geschreven: ‘ De wereld als wil en voorstelling’.

Das Buch ist ja nur für Men­schen. Hätte ein genialer Hund es geschrieben, so hätte er geschrie­ben: «Die Weht als Wille und Gerüche», und ich bin überzeugt davon, das Buch wäre viel interessanter, als das Buch, das Schopen­hauer geschrieben hat.
Man sehe sich die verschiedenen Formen der Tiere an, beschreibe sie nicht so, als ob jedes Tier für sich dastehen würde, sondern ver­suche, vor den Kindern immer die Vorstellung hervorzurufen: Sieh einmal, so schaut der Mensch aus. Wenn du dir den Menschen nach dieser Richtung verändert denkst, vereinfachst, vereinigt denkst, kriegst du das Tier. Wenn du zu irgendeinem Tiere, sagen wir zum Beispiel einem niederen Tiere, der Schildkröte, etwas hinzufügst, unten ein Känguruh, die Schildkröte über das Känguruh setzest, so hast du oben etwas wie einen verhärteten Kopf; das ist die Schild­krötenform in gewisser Beziehung.

Het boek is alleen voor mensen bedoeld. Wanneer een geniale hond het geschreven zou hebben, dan had die geschreven: ‘De wereld als wil en geur’ en ik ben ervan overtuigd, dat dat boek veel interessanter zou zijn dan het boek dat Schopenhauer heeft geschreven.
Kijk naar de verschillende diervormen, beschrijf ze niet zo dat ieder dier apart staat, maar probeer voor de kinderen steeds de voorstelling op te roepen: kijk eens, zo ziet de mens eruit. Wanneer je de mens in deze richting veranderd denkt, eenvoudiger, krijgt je het dier. Wanneer je bij een of ander dier, laten we zeggen bv. een lager dier, een schildpad, iets eraan toevoegt, aan de onderkant een kangoeroe, de schildpad boven de kangoeroe, zodat je boven iets hebt als een verharde kop, dat is de schildpadvorm in zekere zin.

Und unten das Känguruh. das sind die Gliedmaßen des Menschen in einer gewissen Weise.
So kann man überall in der weiten Weht finden, wie man eine Be­ziehung herausfinden kann zwischen dem Menschen und den ver schiedenen Tieren.
Sie lachen jetzt über diese Dinge. Das schadet nichts. Es ist ganz gut, wenn in der Klasse auch gelacht wird, denn nichts ist besser, in die Klasse hineinzubringen, als Humor. Wenn die Kinder auch la­chen können, wenn sie nicht nur immer den Lehrer mit einem furchtbar

En vanonder de kangoeroe, dat zijn in zekere zin de menselijke ledematen.
Zo kan men overal in de wijde wereld vinden, hoe men een verhouding kan vinden tussen de mens en de verschillende dieren.
[4] U lacht om deze  dingen. Dat geeft niets. Het is heel goed dat er ook in een klas gelachen wordt, want niets is beter dan in de klas humor te hebben. Wanneer de kinderen ook kunnen lachen, wanneer ze niet voortdurend de leerkracht met een vreselijk

langen Gesicht sehen, und selber versucht sind, solche langen Gesichter zu machen und zu glauben, wenn man auf der Schulbank sitzt, muß man eben ein langes Gesicht machen – wenn das nicht der Fall ist, sondern wenn Humor hineingebracht wird, wenn man die Kinder dazu bringt, zu lachen, dann ist das das beste Unterrichts-mittel. Ernste Lehrer, ganz ernste Lehrer, die erreichen nichts mit den Kindern.
Also, da haben Sie das Tierreich im Prinzip, wie ich es Ihnen zu­nächst darstellte. Von Einzelheiten können wir dann sprechen, wenn Zeit dazu ist. Aber Sie ersehen daraus, daß der Mensch lehrend das Tierreich so behandeln kann, daß das Tierreich ein ausgebreiteter Mensch ist.

lang gezicht zien en zelf moeten proberen zulke lange gezichten te hebben en te geloven, wanneer je in de schoolbank zit moet je zo’n lang gezicht trekken – wanneer dat niet het geval is, maar wanneer er humor is, wanneer je de kinderen laat lachen, dan is dat het beste onderwijsmiddel. Ernstige leerkrachten, heel ernstige, die bereiken bij kinderen niets.
Dus daar hebt u in principe het dierenrijk zoals ik het net uitlegde. Over details kunnen we dan spreken, wanneer de tijd daar is. Maar trekt u de conclusie dat de mens onderwijzend het dierenrijk zo kan behandelen, dat het dierenrijk een uitgebreide mens is.

Das gibt für das Kind wiederum eine sehr, sehr feine, schöne Empfindung ab. Denn nicht wahr, das Kind lernt, wie ich Ihnen angedeutet habe, die Pflanzenwelt als zur Erde gehörig kennen, und die Tiere als zu sich gehörig. Es wächst das Kind mit dem ganzen Erdenbereich zusammen. Es steht nicht mehr bloß auf dem toten Erdboden, sondern es steht auf dem lebendigen Erdboden und emp-findet die Erde als Lebendiges. Es bekommt allmählich die Vor­stellung, es stehe auf dem Erdboden so, wie wenn es auf einem großen Organismus stünde, wie zum Beispiel auf einem Walfisch. Das ist auch die richtige Empfindung. Das allein führt in die ganze menschliche Weltempfindung hinein.

Dat is voor het kind een heel, heel mooie gewaarwording. Want, niet waar, het kind leert, zoals ik het heb aangeduid, de wereld van de planten kennen zoals die bij de aarde horen en de dieren horen bij hem. Het kind groeit toe naar al het aardse. Hij staat niet zomaar meer op de dode aarde, maar hij staat op de levende aarde en voelt de aarde als een levend organisme. Hij krijgt langzaam maar zeker de voorstelling dat hij zo op de aarde staat, alsof hij zich op een groot levend organisme bevindt, bv. op een walvis. Dat is ook de juiste gewaarwording. Dat alleen leidt tot een totaalbeleven van de wereld.

Und von den Tieren bekommt das Kind die Empfindung, als ob alle Tiere etwas Verwandtes hätten mit dem Menschen, aber auch die Vorstellung, daß der Mensch etwas über alle Tiere Hinausragen-des hat, weil er alle Tiere in sich vereint. All das naturwissenschaft liche Geschwätz, daß der Mensch von einem Tiere abstamme, wird belacht werden von solchen Menschen, die so erzogen worden sind. Denn man wird erkennen, daß der Mensch das ganze Tierreich, die einzelnen Glieder synthetisch in sich vereinigt.
Ich sagte Ihnen, zwischen dem 9. und 10. Jahre kommt der Mensch so weit, daß er unterscheidet zwischen sich als Subjekt und der Au­ßenwelt als Objekt. Er unterscheidet sich von der Umwelt. Früher konnte man nur Märchen, Legenden erzählen, wo die Steine und

En van de dieren krijgt het kind de gewaarwording alsof alle dieren wat verwant zijn met de mensen, maar ook de voorstelling dat de mens iets heeft dat boven alle dieren uitsteekt, omdat het alle dieren in zich verenigt. Al het natuurwetenschappelijk geklets dat de mens van de dieren afstamt, wordt weggelachen door die mensen die zo opgevoed zijn. Want men zal beseffen dat de mens het hele dierenrijk, de aparte delen, synthetisch in zich verenigt.
[5] Ik zei u, tussen het 9e en 10e jaar komt de mens zo ver, dat hij onderscheid maakt tussen zich zelf als subject en de buitenwereld als object. Hij onderscheidt zich van de buitenwereld. Vroeger kon je dan alleen sprookjes, legenden vertellen waarin stenen en

blz.55:

Pflanzen sprechen, handeln wie Menschen. Da unterschied sich das Kind noch nicht von der Umgebung. Jetzt, wo es sich unterscheidet, müssen wir es wiederum auf einer höheren Stufe mit der Umgebung zusammenbringen. Jetzt müssen wir ihm den Boden, auf dem es steht, so zeigen, daß der Boden in selbstverständlicher Weise mit. seinen Pflanzen zusammengehört. Dann bekommt es einen prakti­schen Sinn, wie ich Ihnen gezeigt habe, auch für die Landwirtschaft. Es wird wissen, man düngt, weil man die Erde in einer gewissen Weise lebendig braucht unter einer Pflanzenart. Es betrachtet nicht die einzelne Pflanze, die es aus der Botanisiertrommel herausnimmt, als ein Ding für sich, betrachtet aber auch nicht ein Tier als ein Ding für sich, sondern das ganze Tierreich als einen über die Erde sich ausbreitenden, großen analysierten Menschen.

planten spreken, handelen als mensen. Toen maakte het kind nog geen verschil tussen zichzelf en de omgeving. Nou, nu het wel verschil maakt, moeten wij hem weer op een hoger niveau met zijn omgeving samenbrengen. Nu moeten wij hem de grond waarop hij staat zo tonen, dat de grond op een vanzelfsprekende manier bij de planten hoort. Dan krijgt hij een gevoel voor het praktische, zoals ik getoond heb, ook voor de landbouw.
Hij zal beseffen, je bemest, omdat de aarde op een bepaalde manier leven nodig heeft onder de planten. Hij bekijkt niet de losse plant die hij uit de botaniseertrommel pakt, als een ding op zich, maar kijkt ook niet naar het dier op zich, maar naar het rijk van de dieren als een over de aarde zich uitwaaierende, grote geanalyseerde mens.

Es weiß dann der Mensch, wie er auf der Erde steht, und es weiß der Mensch, wie sich die Tiere zu ihm verhalten.
Das ist von einer ungeheuren Bedeutung, daß wir in dem Kinde vom 10. Jahre an bis gegen das 12. Jahr hin diese Vorstellungen, Pflanze – Erde, Tier – Mensch erwecken. Dadurch stellt sich das Kind mit seinem ganzen Seelen-, Körper- und Geistesleben in einer ganz bestimmten Weise in die Welt hinein.
Dadurch, daß wir dem Kinde eine Empfindung – und das alles muß eben empfindungsgemäß künstlerisch an das Kind herange­bracht werden -, daß wir ihm eine Empfindung beibringen für die Zusammengehörigkeit von Pflanzen und Erdboden, wird das Kind klug, wird wirklich klug und gescheit; es denkt naturgemäß.

[6] Dan kent hij de mens, hoe die op de grond staat en hij kent de mens, en de relatie die de dieren met hem hebben.
Dat is van een ongekende betekenis: dat wij in het kind vanaf 10 jaar tot tegen het 12e deze voorstellingen: plant – aarde, dier – mens wekken. Daardoor plaatst het kind zich met heel zijn ziel, zijn lichamelijkheid en zijn geest op een heel bepaalde manier in de wereld. Doordat wij het kind een gevoel geven – en alles moet nu eenmaal op een gevoelsmatig kunstzinnige manier aan het kind gebracht worden – dat wij hem een gevoel bijbrengen voor de samenhang tussen planten en de bodem, wordt het kind verstandig en schrander; het denkt in overeenstemming met de natuur.

Da­durch, daß wir ihm probieren beizubringen – sei es nur im Unterricht, Sie werden sehen, daß es dabei herauskommt -, wie es zu dem Tiere steht, lebt der Wille aller Tiere im Menschen auf, und zwar in Differenzierung, in entsprechender Individualisierung; alle Eigen­schaften, alles Formgefühl, das sich in dem Tiere ausprägt, lebt in dem Menschen. Der Wille des Menschen wird dadurch impulsiert, und der Mensch wird dadurch in einer naturgemäßen Weise seiner Wesenheit nach in die Welt hineingestellt.
Warum gehen denn heute die Menschen in der Welt so, ich möchte sagen, entwurzelt von allem herum? Den Menschen, wenn

Omdat wij hem proberen bij te brengen – al is het alleen maar in de les, je moet zorgen dat het eruit komt, wat zijn plaats is ten opzichte van de dieren, leeft het wilsachtige van alle dieren in de mens op, maar gedifferentieerd, met de daarbij behorende individualisering; alle eigenschappen, al het vormgevoel dat zich uitdrukt in het dier, leeft in de mens. De wil van de mens wordt daardoor geactiveerd en de mens wordt daardoor op een natuurlijke manier naar zijn wezen in de wereld geplaatst.
Waarom lopen de mensen tegenwoordig toch zo, ik zou willen zeggen, ontheemd door de wereld. Je ziet het tegenwoordig

blz. 56:

sie heute in der Welt herumgehen, sieht man es schon an, sie gehen nicht ordentlich, sie treten nicht ordentlich auf, sie schleppen die Beine nach. Das andere haben sie im Sport gelernt, aber das ist dann wiederum etwas Unnatürliches. Aber vor allen Dingen, sie denken trostlos! Sie wissen nicht was Rechtes anzufangen im Leben. Sie wissen etwas anzufangen, wenn man sie an die Nähmaschine oder an das Telefon stellt oder wenn eine Eisenbahnfahrt oder eine Reise um die Welt arrangiert wird. Aber mit sich selbst wissen sie nichts anzufangen, weil sie nicht in entsprechender Weise durch die Er­ziehung in die Welt hineingestellt worden sind. Aber das kann man nicht dadurch, daß man die Phrase drechselt, man solle den Men­schen richtig erziehen, sondern das kann man nur dadurch, daß man wirklich im Einzelnen, Konkreten so etwas für den Menschen findet, wie, daß man die Pflanze richtig in den Erdboden hineinsenkt, und das Tier in der richtigen Weise neben den Menschen stellt.

de mensen aan hoe ze door de wereld gaan; ze lopen niet zoals het hoort, ze lopen niet goed, ze slepen met hun benen. Het andere hebben ze met sporten geleerd, maar dat is ook weer iets onnatuurlijks. Maar bovenal: het denken is zo troosteloos! Ze weten niet wat ze in het leven moeten gaan doen. Ze kunnen wel wat beginnen, wanneer je ze aan de naaimachine zet of de telefoon of wanneer er een treinreis of een reis om de wereld georganiseerd wordt. Maar met zichzelf weten ze niets te beginnen, omdat ze niet op een adequate manier door de opvoeding in de wereld geplaatst zijn. Maar dat kan ook niet wanneer je de frase in elkaar knutselt, dat je de mens goed moet opvoeden, dat kan wel wanneer je daadwerkelijk in detail, concreet iets voor de mens vindt, zoals, dat je de plant op de juiste manier in de aarde poot en het dier op de juiste manier naast de mens plaatst.

Dann steht der Mensch in der richtigen Weise auf dem Erdboden darauf, und dann stellt er sich in der richtigen Weise zur Welt. Das muß man durch den ganzen Unterricht erreichen. Das ist wichtig, das ist wesentlich.

Es wird imme’r darauf ankommen, daß wir für ein jedes Lebensalter dasjenige finden, was nach der Entwicklung des Menschen von die­sem Lebensalter selber gefordert wird. Dazu brauchen wir eben wirk­liche Menschenbeobachtung, wirkliche Menschenerkenntnis. Be­trachten wir noch einmal die zwei Dinge, die ich eben auseinander­gesetzt habe: Das Kind bis zum 9. oder 10. Jahre fordert die Belebung der ganzen äußeren Natur, weil es sich noch nicht unter­scheidet von dieser äußeren Natur.

Dan staat de mens op de juiste manier op de aardegrond en dan heeft hij de goede verbinding met de wereld. Dat moet je door het hele onderwijs bereiken. Dat is belangrijk, dat is wezenlijk.

Het zal er steeds op aankomen dat wij voor iedere leeftijd dat vinden wat door de ontwikkeling van de mens voor deze leeftijd zelf gevraagd wordt. En daarvoor hebben we nodig dat we de mens echt goed kunnen observeren, en een echte menskunde. Laten we nog eens naar twee dingen kijken die ik uiteengezet heb: Het kind tot zijn 9e of 10e jaar vraagt van heel de natuur buiten hem dat die leeft, omdat hij zich nog niet afzondert van deze natuur buiten hem.

Wir werden dem Kinde eben dann Märchen erzählen, Legenden, Mythen erzählen. Wir werden selber etwas erfinden für das allernächstliegende, um dem Kinde in Form der Erzählungen, Schilderungen, der bildhaften Darstellungen künstlerisch dasjenige beizubringen, was seine Seele aus den ver­borgenen Tiefen, in denen sie in die Welt eintritt, herausholt. Wenn wir wiederum das Kind nach dem 9., 10. Jahre haben, zwischen dem 10. und 12. Lebensjahre, stellen wir es so in die Tier- und Pflanzen­welt hinein, wie wir es eben geschildert haben.

[7] Dan zullen we hem dus sprookjes, legenden, mythen vertellen. We zullen zelf iets maken voor wat heel dichtbij is om het kind in de vorm van verhaaltjes, beschrijvingen in beeldende voorstellingen kunstzinnig dat bij te brengen wat zijn ziel dan haalt uit de verborgen diepten waarin die op de wereld binnengaat. Wanneer we het kind na het 9e en 10e jaar hebben, tussen het 10e en het 12e, geven we het zijn plaats in de dieren- en plantenwereld, zoals ik het dus geschetst heb.

blz. 57:

Nun muß man sich aber klar werden darüber, daß der heute so be­liebte Kausalitätsbegriff, Ursachenbegriff, beim Kinde auch in die­sem Lebensalter, im 10., ii. Jahre noch gar nicht als ein Bedürfnis des Begreifens vorhanden ist. Wir gewöhnen uns ja heute, alles nach Ursache und Wirkung zu betrachten. Die naturwissenschaftliche Er­ziehung der Menschen hat es dahin gebracht, daß man überall nach Ursache und Wirkung alles betrachtet. Sehen Sie, dem Kinde bis zum ii. oder 12. Jahre so von Ursache und Wirkung zu reden, wie man es im alltäglichen Leben tut, wie man es heute gewohnt ist, ist gera­de so, wie man dem Farbenblinden von Farben spricht. Man redet an der Seele des Kindes vorbei, wenn man in dem Stile redet, in dem heute von Ursache und Wirkung geredet wird.

[8] Je  moet wel duidelijk weten dat het tegenwoordig zo populaire oorzaak- en gevolgbegrip bij het kind op de leeftijd van 10, 11 nog helemaal niet als behoefte leeft om iets te begrijpen. Wij zijn nu gewend alles te bekijken vanuit oorzaak en gevolg. De natuurwetenschappelijke opvoeding van de mensen heeft ervoor gezorgd dat men overal alles bekijkt vanuit oorzaak en gevolg. Maar zie je, met een kind tot het 11e, 12e jaar zo over oorzaak en gevolg te spreken, zoals men dit in het leven van alle dag doet, zoals men tegenwoordig gewend is, dat is net zoiets als tegen een kleurenblinde over kleuren spreken. Je praat langs de ziel van het kind, wanneer je in de trant spreekt waarin tegenwoordig over oorzaak en gevolg gesproken wordt.

Vorerst braucht das Kind lebendige Bilder, bei denen man niemals nach Ursache und Wirkung frägt. Nach dem 10. Jahre soll man wiederum nicht Ur­sache und Wirkung, sondern Bilder nach Ursache und Wirkung hinstellen.
Erst gegen das 12. Jahr hin wird das Kind reif, von Ursachen und Wirkungen zu hören. So daß man diejenigen Erkenntniszweige, die es mit Ursache und Wirkung hauptsächlich zu tun haben, in dem Sinne, wie man heute von Ursache und Wirkung redet, die leblose Naturphysik und so weiter eigentlich erst in den Lehrplan zwischen dem 11. und 12. Lebensjahre einführen soll.

Allereerst heeft het kind levende beelden nodig, waarbij je nooit naar oorzaak en gevolg vraagt. Na het 10e jaar moet je ook niet oorzaak en werking geven, maar beelden over oorzaak en werking.
Pas tegen het 12e jaar wordt het kind rijp om naar oorzaak en gevolg te luisteren. Zodat je die vakken die hoofdzakelijk met oorzaak en gevolg te maken hebben, met dien verstande, zoals men er tegenwoordig over spreekt, de anorganische natuurkunde en zo, eigenlijk pas moet invoeren  in het leerplan tussen het 11e en 12e levensjaar.

Vorher sollte man über Mineralien, über Physikalisches, über Chemisches nicht zu dem Kinde reden. Es fügt sich nicht in das Lebensalter des Kindes ein.
Und weiter, wenn man Geschichtliches betrachtet, so soll das Kind auch bis gegen das 12. Jahr hin in der Geschichte Bilder bekommen, Bilder von einzelnen Persönlichkeiten, Bilder von Ereignissen, über­schaubar schön gemalte Bilder, wo die Dinge lebendig vor der Seele stehen, nicht eine Geschichtsbetrachtung, in der man immer das Folgende als die Wirkung vom Vorhergehenden betrachtet, worauf die Menschheit so stolz geworden ist. Diese pragmatische Geschichts­betrachtung, die nach Ursachen und Wirkungen sucht in der Ge­schichte, ist etwas, was das Kind ebensowenig auffaßt, wie der Far­benblinde die Farbe. Und außerdem bekommt der Mensch eine ganz falsche Vorstellung vom Leben, vom fortlaufenden Leben, wenn

Daarvóór moet je niet over mineralen, over fysica, over scheikunde met kinderen praten. Dat past niet bij de leeftijd van het kind.
[9] En verder, wanneer je naar iets uit de geschiedenis kijkt, moet het kind ook tegen het 12 jaar nog geschiedenisbeelden krijgen, beelden van persoonlijkheden, beelden van gebeurtenissen, overzichtelijk mooi (met woorden) geschilderde beelden waarin de dingen levend voor de ziel staan; geen geschiedenisbeschouwing waarbij je steeds het volgende als de werking van het vorige beschouwt, waarop de mensheid zo trots geworden is. Deze pragmatische geschiedenisbeschouwing die in de geschiedenis naar oorzaak en gevolg zoekt, pakt het kind net zo min op als de kleurenblinde de kleuren. En bovendien krijgt de mens een hele verkeerde voorstelling van het leven, van het leven dat verder gaat, wanneer

blz.58:

man ihm alles immer nur nach Ursachen und Wirkungen beibringt. Ich möchte Ihnen das durch ein Bild klarmachen.
Denken Sie sich, da fließt ein Strom dahin (es wird gezeichnet).
#Bild s. 58
Er zeigt Wellen. Sie werden nicht immer richtig gehen, wenn Sie die Welle c aus der Welle b und diese aus der Welle a hervorgehen lassen, wenn Sie sagen, c ist die Wirkung von b, und b von a; es walten da unten in den Tiefen noch allerlei Kräfte, welche diese Wellen aufblasen. Und so ist es in der Geschichte.

je hem steeds alles alleen maar bijbrengt als oorzaak en gevolg.
Dit wil ik u door een beeld duidelijk maken.
Stel je voor, hier is een waterstroom (dat wordt getekend):

GA 311 blz. 58

Er zijn golven. Maar, je zou het niet steeds bij het rechte eind hebben, wanneer je golf c uit golf b en deze uit golf a zou laten ontstaan, wanneer je zou zeggen: c is de werking van b en b van a; dieper in de stroom werken nog andere krachten die de golven omhoogstuwen. En zo is het ook in de geschiedenis.

Da ist nicht immer das, was 1910 geschieht, die Wirkung von dem, was 1909 geschehen ist und so weiter, sondern für diese Wirkungen aus den Tiefen der Strömung in der Entwickelung, was die Wellen aufwirft, dafür muß beim Menschen sehr frühzeitig eine Empfindung eintreten. Sie tritt aber nur ein, wenn man spät erst die Ursachen und Wirkungen ein­führt, gegen das 12. Jahr hin, und vorher Bilder hinstellt.
Es stellt dies wiederum Anforderungen an die Phantasie des Leh­rers. Diesen muß er aber genügen. Er wird schon genügen, wenn er für sich Menschenkenntnis erwirbt. Und darum handelt es sich. 

Daarin is het ook niet altijd zo, dat wat in 1910 gebeurt, de werking is van wat in 1909 gebeurd is enz., maar voor deze werkingen vanuit de diepten van de ontwikkelingsstroom, die de golven veroorzaken, daarvoor moet bij de mens zeer vroeg een gevoel ontstaan. Maar dat ontstaat alleen, wanneer je pas laat oorzaak en werking invoert, tegen het 12e jaar en daarvóór beelden geeft.

Dat stelt opnieuw eisen aan de fantasie van de leraar. Daaraan moet hij voldoen. Maar hij zal er aan voldoen, wanneer hij zich menskunde eigen maakt. En daar gaat het om.

So wie man wirklich aus der Natur des Menschen heraus erzieht und unterrichtet, muß nun dem Unterricht, wie ich ihn eben darge­stellt habe, die Erziehung in bezug auf moralische Qualitäten parallel gehen. Ich möchte da zum Schluß noch einzelnes hinzufügen. Auch da handelt es sich darum, daß man aus der Natur des Kindes abliest, wie man es zu behandeln hat. Wenn man dem Kinde schon mit sieben Jah­ren den Ursachen- und Wirkungsbegriff beibringt, handelt man gegen die Entwickelung der menschlichen Natur. Wenn man aber das Kind durch gewisse Dingestrafen will, so handeltman oftmals mitgewissen Strafen auch gegen die Entwickelung der menschlichen Wesenheit. 

Zoals je daadwerkelijk uit de natuur van de mens opvoedt en lesgeeft, moet aan het onderwijs de opvoeding met betrekking tot de morele kwaliteiten parallel lopen. Daar wil ik tot besluit nog een paar details aan toevoegen. Ook hier gaat het erom dat je aan de natuur van het kind afleest wat je met hem moet doen. Wanneer je het kind al op z’n zevende de begrippen van oorzaak en gevolg bij wil brengen, ga je tegen de ontwikkeling van de menselijke natuur in. Wanneer je het kind echter door bepaalde dingen straf wilt geven, ga je met bepaalde straffen dikwijls tegen de ontwikkeling van het mensenwezen in.

blz.59:

In der Waldorfschule konnten wir dabei ganz schöne Erfahrungen machen. Wie wird in gewöhnlichen Schulen oftmals gestraft? Kinder haben in der Stunde etwas nicht ordentlich gemacht, man läßt sie nachsitzen, und sie müssen zum Beispiel Rechnungen machen. Da hat sich in der Waldorfschule etwas Sonderbares herausgestellt mit drei oder vier Kindern, denen man gesagt hatte: Ihr wart unordent­lich, ihr müßt nachsitzen und Rechnungen machen! Da sagten die anderen: Da wollen wir aber auch dableiben und Rechnungen ma­chen! Denn sie sind so erzogen, daß das Rechnungenmachen etwas Gutes ist, nicht etwas, womit man bestraft wird. Man soll beim Kinde gar nicht die Meinung hervorrufen, daß Rechnungenmachen im Nachsitzen etwas Schlimmes ist.

[10] Op de vrijeschool konden we hiermee heel mooie ervaringen opdoen. Hoe wordt op de doorsnee school dikwijls gestraft? Kinderen zijn in een lesuur stout geweest: ze moeten nablijven en ze moeten dan bv. rekenen. Op de vrijeschool gebeurde er met drie of vier kinderen iets opzienbarends tegen wie men gezegd had: jullie hebben je niet goed gedragen, jullie moeten nablijven en sommen maken! Toen zeiden de anderen: “Maar dan willen wij ook nablijven en sommen maken!’ Want ze waren zo opgevoed dat sommen maken iets goeds is, niet iets om mee gestraft te worden. Je moet bij een kind helemaal niet de mening oproepen dat sommen maken wanneer je na moet blijven, iets ergs is.

Deshalb wollte die ganze Klasse auch dableiben und nachsitzen und Rechnungen machen. Man soll also nicht Dinge wählen, die gar nicht eine Strafe darstellen können, wenn das Kind im geraden Seelenleben erzogen werden soll.
Oder ein anderes Beispiel: Dr.Stein1, ein Lehrer in der Waldorf­schule, hat sich manches sehr Gute, manchmal im Momente ausge-sonnen in bezug auf die Erziehung. Er bemerkte einmal, daß seine Schüler sich unter der Bank Briefchen zureichten. Sie schrieben sich Briefe, gaben also nicht acht, und steckten die Briefe unter der Bank dem Nachbar zu, und der wieder die Antwort zurück. Nun hat Dr. Stein nicht angefangen zu schimpfen über das Briefeschreiben und gesagt: Ich will euch bestrafen! oder so etwas, sondern er hat ganz plötzlich angefangen, einen Vortrag über das Postwesen zu halten.

Daarom wilde de hele klas daar ook bij blijven en nablijven en sommen maken. Je moet dus geen dingen kiezen die helemaal geen straf kunnen zijn, wanneer het kind met een zuiver gevoel opgevoed wordt.
Of een ander voorbeeld: Dr. Stein, een leraar aan de vrijeschool, bedacht, vaak op het moment zelf, heel goede dingen. Een keer zag hij dat de leerlingen onder de bank briefjes aan elkaar doorgaven. Ze zaten dus briefjes te schrijven en letten niet op en gaven ze onder de bank door aan de buurman en die gaf weer een antwoord terug. Nu was Dr. Stein* niet begonnen te mopperen over dit briefjesschrijven en hij zei niet: ik wil jullie straffen of zo, maar hij was plotseling begonnen een verhandeling over de posterijen te geven.

Die Kinder waren frappiert, daß plötzlich über das Post-wesen gesprochen wurde; aber sie sind dann doch darauf gekommen, weshalb über das Postwesen gesprochen wurde. Und diese feine Art, Übergänge zu finden, die beschämt dann. Die Kinder waren be­schämt, und das Briefeschreiben hat aufgehört, einfach wegen der Gedanken, die er eingeflochten hat über das Postwesen.
Und so muß man Erfindungsgabe haben, wenn man eine Klasse leiten will. Man muß nicht stereotyp durchaus auf dasjenige gehen, was so hergebracht ist, sondern man muß sich tatsächlich in das ganze Wesen des Kindes hineinversetzen können und wissen, daß eine Bes­serung – und mit der Strafe will man ja schließlich eine Besserung –

De kinderen waren hoogst verbaasd dat er plotseling over de posterijen gesproken werd; maar ze kregen wel in de gaten waarom. En deze subtiele manier op iets anders over te gaan, die geeft dan een gevoel van schaamte. De kinderen geneerden zich en het briefjesschrijven hield op, simpelweg door de denkbeelden die hij over de posterijen ingelast had.
En op deze manier moet je creatief worden, wil je een klas kunnen leiden.
Je moet zeer zeker niet zo stereotypisch ingaan op iets wat dan gebeurt, maar je moet je daadwerkelijk in het wezen van het kind verplaatsen en weten dat een verbetering – en met straf wil je uiteindelijk  verbetering –

blz.: 60

unter Umständen viel eher eintritt, wenn auf diese Weise eine Be­schämung hervorgerufen wird, aber ohne daß man sich an den Ein­zelnen wendet, daß das ganz unvermerkt vor sich geht, als wenn man im groben Sinne straft. Gerade auf diese Weise, wenn man mit einem gewissen Geist in der Klasse drinnen steht, richtet sich so manches ein, was sonst gar nicht ins Gleichgewicht zu bringen ist.
Vor allen Dingen fordert ja das Erziehen und Unterrichten von dem Lehrer Selbsterkenntnis. Er darf zum Beispiel nicht so erziehen wollen, daß er ein Kind, das Tintenkleckse gemacht hat auf das Blatt oder auf die Schulbank, weil es ungeduldig oder zornig geworden ist uber etwas, was der Nachbar gemacht hat, nun anschreit wegen der Tintenspritzer:

onder bepaalde omstandigheden veel eerder optreedt, wanneer op deze manier een zich generen opgeroepen wordt, maar zonder dat je je op de enkeling richt, dat het geheel ongemerkt gebeurt, dan wanneer je op een grove manier straft. Juist op deze manier wanneer je met een bepaalde spirit voor de klas staat, loopt veel vanzelf wat je anders niet in balans krijgt.
[11] Boven alles eist opvoeding en onderwijzen van de leraar zelfkennis. Hij mag bv. niet zo willen opvoeden, dat hij tegen een kind, dat op zijn papier een inktvlek heeft gemaakt of op zijn tafel, omdat het z’n geduld verloor of boos werd over iets wat zijn buurman deed, tegen de inktknoeier schreeuwen:

Du darfst nicht zornig werden! Zornig werden ist keine Eigenschaft, die ein guter Mensch haben darf! Ein Mensch muß nicht zornig werden, sondern in Ruhe alles ertragen! Wenn du mir noch einmal zornig wirst, dann, dann schmeiße ich dir das Tin­tenfaß an den Kopf!
Ja, wenn in dieser Weise erzogen wird, wie es sehr häufig ge­schieht, dann wird sehr wenig erreicht werden. Der Lehrer muß sich immer in der Hand haben; er darf vor allen Dingen nie in die Fehler verfallen, die er an seinen Schülern rügt. Da muß man aber wissen, wie das Unbewußte der Kinder wirkt. Das, was der Mensch an be­wußtem Verstand, Gemüt, Wille hat, ist nur ein Teil des seelischen Lebens; im Untergrund waltet schon beim Kinde eben der astralische Leib mit seiner ungeheuren Klugheit und Vernünftigkeit.

Jij mag niet boos worden! Boos worden is geen eigenschap die een goed mens mag hebben! Een mens mag niet boos worden, maar moet rustig alles verdragen. Wanneer je nog één keer boos wordt, dan, dan gooi ik het inktpotje naar je hoofd! 
Tja, als je op deze manier opgevoed wordt, zoals zeer vaak gebeurt, dat zal er zeer weinig bereikt worden. De leerkracht moet zich altijd in de hand hebben; voor alles mag hij nooit in de fout vervallen zijn leerlingen een standje te geven. Je moet toch weten hoe het onbewuste van het kind werkt. Wat de mens aan bewust verstand, gevoel, wil heeft, is toch maar een deel van het zielenleven; in de diepte is bij het kind het astraallijf al actief met zijn verstand en schranderheid.

Nun ist es mir immer ein Greuel gewesen, wenn ein Lehrer in einer Klasse drinnensteht, das Buch in der Hand hat und aus dem Buch heraus unterrichtet, oder wenn er ein Heft hat, worin er sich aufnotiert hat, was er fragen will, und immer hineinschauen muß. Gewiß, das Kind denkt nicht gleich daran mit seinem Oberbewußt­sein; aber die Kinder sind gescheit in ihrem Unterbewußtsein und man sieht, wenn man solches zu sehen vermag, daß sie sich sagen:
Der weiß ja das gar nicht, was ich lernen soll. Warum soll ich das lernen, was der nicht weiß? Das ist immer das Urteil im Unter­bewußten bei Kindern, die aus einem Buch oder Heft vom Lehrer unterrichtet werden.

Nu is het mij altijd al een doorn in het oog geweest, wanneer een leraar voor de klas staat, met een boek in de hand en dan uit dit boek lesgeeft of wanneer hij een schriftje heeft waarin hij dan opgeschreven heeft wat hij wil vragen en er steeds in moet kijken. Zeker, een kind denkt daar niet meteen aan met zijn heldere verstand; maar de kinderen zijn slim in hun onderbewustzijn en je ziet wanneer je in staat bent dit te zien, dat zij bij zichzelf zeggen: die weet helemaal niet wat ik moet leren. Waarom moet ik leren wat hij niet weet? Dat is altijd het oordeel in het onderbewuste bij kinderen die uit een boek of een schriftje van de leraar les krijgen.

blz.61:

Man muß auf solches Imponderable, auf solche Feinheiten im Unterricht außerordentlich viel geben. Denn sobald das Unterbe­wußtsein des Kindes, das Astralische, bemerkt, der Lehrer weiß etwas selber nicht, er muß erst ins Heft hineinschauen, dann findet es unnötig, daß es selber dies lerne. Und der Astralleib wirkt viel sicherer als das Oberbewußtsein des Kindes.
Ich wollte diese Bemerkungen einmal in diesen Vortrag einflech­ten. Wir werden spezielle Fächer und Erziehungsetappen beim Kinde dann in den nächsten Tagen einfügen.

Op dit imponderabele, op zulke fijnzinnigheden in het onderwijs moet je bijzonder letten. Want zodra het onderbewustzijn van het kind, het astrale, merkt de leerkracht weet zelf iets niet, hij moet eerst in een schriftje kijken, dan vindt hij het ook niet nodig dat hij dit zelf wel leert. En het astraallijf werkt met veel meer zekerheid dan het bewustzijn van het kind.
Deze opmerkingen wilde ik nu eens in een voordracht inlassen. We zullen de speciale vakken en de fasen in de opvoeding bij het kind dan in de volgende dagen erbij betrekken.

Verwijzingen
1Dr.Stein: Walter Johannes Stein, 1891-1957. Leraar aan de vrijeschool Stuttgart tot 1932, dan in Londen als schrijver en spreker werkzaam.

*Anke-Usche Clausen voegt op blz. 130 van haar ‘Zeichnen ist Sehen lernen’ bij ‘metamorfose mens-dier’ deze tekening toe:

GA 311 blz. 51  3

1) GA 311 (Duits)

Steiner: alle pedagogische voordrachten

Steiner: alle artikelen op deze blog

Steiner over dierkunde: alle artikelen

Steiner over plantkunde: alle artikelen

 

872-803

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (15)

.

arend 1 - 0005

De arend – en dan voornamelijk de steenarend – is een van de mooiste en fierste roofvogels. Hij is bijzonder krachtig gebouwd en kan een lengte bereiken van 1 meter, gemeten van de snavel tot aan het puntje van de staart. De vleugelwijdte is heel wat groter. In gespreide toestand haalt de arend een ’vlucht’ van 2,5 meter. Het is wel duidelijk dat de arend met een dergelijke uitrusting gerekend moet worden tot de allerbeste vliegers.

Een snelheid van 160 kilometer per uur is geen uitzondering.
De poten zijn tot aan de klauwen bedekt met veertjes.

arend 1 - 0006 - 0006

De bouw van de vleugel

We zouden de vleugels van een vogel enigszins kunnen vergelijken met de voorpoten van een dier of met de armen van een mens. Zelfs de vingers ontbreken niet, hoewel er maar twee vingers aan elke ‘arm’ zitten. De bouw van de vleugels van vogels is vergelijkbaar met de ‘hand’ van een vleermuis of die van de vliegende reptielen (met 5 vingers), zoals we die kennen uit de prehistorie.

De steenarend komt voor in Europa, Afrika en Noord-Amerika. ’s Zomers zweeft hij rond de woeste toppen van de Alpen en de Apennijnen.

Door de honger gedreven, waagt hij zich ’s winters in de dalen. De manier waarop de arend zijn prooi bemachtigt, is zeer boeiend. In grote cirkels vliegt hij boven zijn jachtgebied. Wanneer hij een prooi ontdekt, een haas bijvoorbeeld, stort hij zich als een steen omlaag. Vlak boven de grond vermindert hij zijn vaart en scheert dan rakelings langs de grond.

Vervolgens grijpt hij met zijn sterke klauwen zijn prooi.

Hij doodt zijn prooi met zijn klauwen of met een scherpe houw van zijn kromme snavel. Dan stijgt hij weer op om op een rustige plaats zijn buit te verorberen.

De arend bouwt zijn nest op rotsrichels of in holen. Het kan een doorsnede hebben van 1,3-2 meter en een diepte van 80 centimeter. Het materiaal dat hij daarvoor gebruikt bestaat uit takken, die hij kunstig ineenvlecht totdat de nestwand ongeveer 30 centimeter dik is. Het wijfje legt één tot drie gevlekte eieren, die na zes weken broeden uitkomen.

arend 7 - 0008

Een arend op zijn ‘horst’, waarvoor hij een plaats heeft gevonden op de rotsen.

De zorg voor de jongen

Als de eieren uitgekomen zijn, moeten de ouders hun jong(en) van voedsel voorzien. Met wijd opengesperde snavels vragen die om voedsel. De wijfjesarend trekt stukjes vlees van de prooi af. Een gedeelte daarvan slikt ze door, maar de rest van het voedsel stopt ze in de bek van haar jongen. Het mannetje zorgt voor de aanvoer van voedsel. Een zware taak, want een jonge arend kan in één dag al gemakkelijk een eekhoorn of een haas verorberen. Een arend is een ’nestblijver’, wat wil zeggen dat het jonge dier heel lang in het nest blijft en zich volledig laat verzorgen door zijn ouders. Ver in de winter verlaat hij pas de ’horst’, het nest van de arend, om vervolgens een eigen bestaan te gaan leiden.

De arend is een voortreffelijke en snelle jager, maar toch zijn veel verhalen die de ronde doen over zijn jachtprestaties sterk overdreven. Arenden die herten aanvallen zijn waarschijnlijk geboren in de fantasie van mensen met te veel ontzag voor deze prachtige roofvogel. Maar een dier ter grootte van een vos, een lam of een vogel ter grootte van een gans rekent hij wel tot zijn jachtbuit. Het is mogelijk een arend af te richten en hem te gebruiken bij de jacht, zoals men in de middeleeuwen met valken deed. In Aziatische landen wordt nog wel gejaagd op deze trotse rover, omdat de veren gebruikt worden voor waaiers of ter versiering van wapens. Dat is een trieste zaak, omdat het aantal vogels van deze soort snel vermindert, niet alleen door de jacht, maar ook door de moderne bestrijdingsmiddelen die de mens gebruikt bij het verdelgen van schadelijke knaagdieren. De vergiftigde dieren dienen namelijk de arend weer tot voedsel en op die manier krijgt de arend het dodelijke gif binnen.

De opeenvolgende bewegingen van de arend in de vlucht:

arend 9 - 0009arend 9 - 0010

arend 9 - 0011

 

arend 9 - 0012

De functies van staart en vleugels tijdens de vlucht:

arend 15 - 0014

De veer

arend 16 - 0015 - 0016

De arend

 

Her gezichtsvermogen van alle roofvogels is bijzonder scherp en de arend maakt hierop geen uitzondering. Het is verbazingwekkend dat het dier van zeer grote hoogte een betrekkelijk kleine prooi kan onderscheiden.
Wanneer de mens zo scherp kon zien als de arend, dan zouden we van een afstand van 500 meter de koppen van een krant kunnen lezen…
Dat scherpe gezichtsvermogen wordt mogelijk gemaakt door een zeer grote pupil. Bovendien zitten de ogen van de arend aan de zijkant van de kop. Op die manier heeft hij een gezichtsveld van 300 graden. (Een volledige cirkel heeft 360=!)
Een mens kan hoogstens een hoek van 160 graden met zijn ogen bestrijken.
Het oog van de arend heeft twee oogleden, die van boven naar beneden opengaan.
Bovendien heeft hij nog een ooglid dat van links naar rechts beweegt.
.

Dierkunde: alle artikelen  (nr. 12 eveneens over de adelaar)

Rudolf Steiner: over dierkunde

4e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas dierkunde

.

868-799

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (14)

.

Als leerkracht kun je nooit genoeg weten als het om de antwoorden gaat die je zou moeten en willen geven op vragen van de kinderen.

Wie weet ‘zomaar’ hoe de staart van een kameel eruit ziet.
Zo kun je tientallen vragen van allerlei aard op je afgevuurd krijgen, waarop je het antwoord in eerste instantie schuldig moet blijven. Natuurlijk beloof je er ‘de volgende dag’ op terug te komen en gelukkig kun je alles opzoeken, want er bestaat een enorme feitenkennis.

Hier volgt een overzichtje van:

DE SNELHEID VAN DIEREN

giraf

(mooi voor een bordtekening)

snelheid dieren 1 - 0014

de onderste blauwe tabel gaat verder met:

zeemeeuw       180 km
adelaar            193 km
zwaluw            210 km
edelvalk          314 km
gierzwaluw    320 km
fregatvogel    400 km

snelheden gemeten onder zeer gunstige omstandigheden.

Een Amerikaanse geleerde, Chapman Andrews, was de directeur van een bekend natuur-historisch museum. Hij was de leider van een wetenschappelijke expeditie door India.
Terwijl hij met zijn jeep de woestijnachtige vlakte bij de grens met Nepal doorkruiste, zag hij in de verte een dier, dat zich lenig tussen het dorre gras bewoog. Toen Chapman dichterbij kwam, herkende hij het dier. Het was een jachtluipaard. Chapman stuurde zijn jeep in de richting van het dier. Dit ging onmiddellijk op de vlucht. Het gaspedaal van de jeep werd dieper ingetrapt om het vluchtende dier te achtervolgen.

Tot zijn verbazing zag Chapman de wijzer van de snelheidsmeter steeds verder uitslaan. De wijzer trilde naar 80…, 90… en kwam bij 100 kilometer per uur tot rust. De poten van het dier waren nauwe­lijks te onderscheiden, zo vlug roffelden ze over de vlakte. Het jachtluipaard zag nog kans om de snelheid te verhogen. Bij 110 km per uur kon de jeep niet sneller.

De jachtluipaard bleek gewoonweg sneller te zijn dan een mense­lijke machine.

In de dierenwereld is snelheid een levensvoorwaarde. Roofdieren komen alleen aan hun voedsel, als ze sneller zijn dan hun prooi. Omgekeerd is het voor de prooi van belang om door snelheid proberen te ontsnappen.
Dus is snelheid in de dierenwereld belangrijk voor het voortbestaan van de soorten. De natuur heeft hiervoor dieren ontwikkeld met waarschijnlijk hoge snelheden.

De landdieren vinden hun kracht voornamelijk in de spierbundels en de lenigheid. De vogels krijgen hun snelheid door de sterke vleugels en de gestroomlijnde vorm van hun lichaam. De stroomlijn geldt ook voor de vissen en de zoogdieren die in het water leven. De vleugels van de vogels lijken dan op de vinnen van de vissen.

In de overzichten is af te lezen wat de snelheid van elk dier is. De metingen zijn verricht onder normale omstandigheden, behalve bij de adelaar en de fregatvogel: daar waren de omstandigheden zeer gunstig.

Als er zeer gunstige omstandigheden zijn, zoals tijdens duikvluchten of bij sterke rugwind, kunnen nog hogere snelheden gemeten worden!

fregatvogel

snelheid dieren 5 - 0016

 

Dierkunde: alle artikelen 

Rudolf Steiner over dierkunde

Vrijeschool in beeld: 4e klas dierkunde

.

867-798

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann: Leesboek voor de dierkunde (1) – het rendier

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de dierkunde’

blz. 7                                                                            hoofdstuk 1

HET RENDIER
.

Het rendier is een hertensoort dat boven de poolgrens in het hoge noorden van Europa, heel Azië en Canada voorkomt.
Het is een kuddedier, wild, maar ook getemd. Tamme kudden kunnen wel uit duizenden beesten bestaan.
Het wilde rendier in het bijzonder, heeft een erg mooi, machtig gewei, dat naar voren toe gebogen is en aan de uiteinden zijn schoffels gevormd. Ook de oogspitsen van het gewei die bij onze herten, zoals bekend eenvoudig blijven, vertakken zich bij het rendier en dragen daardoor niet weinig aan het koninklijk voorkomen van het dier bij, zeker bij oudere dieren waarbij ook weer schoffels gevormd worden. Ook de rendierkoe, zoals men het wijfje noemt, heeft hoorns, maar hier ontwikkelt het gewei zich kleiner en minder statig dan bij de stieren. In de winter werpen de stieren en de koeien hun gewei af. Dan kun je de ‘stangen‘ in het bos vinden en vossen en wolven knagen eraan. Zolang het nieuwe gewei nog groeit, zit er een vel over, de bast, en daarom ziet het er dik en als een vacht uit.
Voor een reiziger is het altijd een geweldige beleving, wanneer hij voor de eerste keer zo’n prachtige geweidrager ziet lopen.
De kop zelf is niet helemaal zo edel gevormd als bij ander herten, bijv. bij ons edelhert; de poten zijn wat gedrongener en ook iets korter, maar het rendier, in het bijzonder wanneer het in het wild leeft, is desondanks een heel trots, statig en flink dier. Zijn hoeven zijn veel breder dan bij de andere hertensoorten en de tenen zijn dieper gespleten, daardoor kunnen zij die ook wijd spreiden. De achtertenen strekken zich heel ver naar onderen, zodat ze zich mede van de grond kunnen opdrukken. Zo moeten de voeten van een dier gebouwd zijn, dat niet in de sneeuw, maar ook niet in het moeras moet wegzakken.

Wat zijn voedsel betreft is het rendier met weinig tevreden en bescheiden. Bergplantjes of de gewassen van de boomloze toendra moeten het voeden. Dikwijls genoeg is het alleen maar mos dat eerst met de hoeven vanonder de sneeuw vandaan gekrabd moet worden; of van stenen afgeknaagd moet worden. Het rendiermos dat het rendier tot voedsel dient, is er zelfs naar genoemd. Wanneer in de lente de knoppen en de eerste jonge blaadjes aan de struiken uitbotten, breekt er voor het rendier, na het gebrek aan voedsel, een goede tijd aan. De vermagerde dieren komen weer aan en weldra werpen ze de dikke wintervacht af.

Ook de tamme herten hebben geen warme stal waarin ze in de winter hun toevlucht kunnen zoeken en gevoerd kunnen worden. Bij bijtende kou moeten zij het in het boomloze hooggebergte of misschien nog tussen de bomen aan de randen van een meer zien uit te houden. De storm dwingt hen dicht bij elkaar te blijven en de herders met hun trouwe honden moeten zich ook overgeven aan die guurheid. Maar zelfs deze weersomstandigheden lijken geen vat te krijgen op de kudde. Ze worden beschermd door een warme wintervacht van wel 5 cm dik en om hun hals krijgen ze lange ruwe haren als manen. Ook het vel van hun poten wordt in de winter hariger. De wintervacht is veel lichter van kleur dan de zomerhuid en daarom vallen de kudden in de sneeuw veel minder op. Wie zo goed ingepakt is, kan wel wat kou verdragen en daarbij komt nog dat het zonder meer een dier van het hoge noorden is.

Drom altijd samen, jullie rendieren en trotseer de wind en doe je kop naar beneden en droom van de lente.

De volken van het Europese en Aziatische noorden voor wie het leven in de wildernis pas mogelijk wordt door het weinig eisende rendier, zijn nomaden. Ze verkrijgen van hun kudden die zij als enig bezit koesteren en verzorgen, vlees en melk, waaruit dan weer kaas bereid wordt. Het bloed wordt opgedronken als het nog warm is; de maaginhoud wordt als een bijzondere lekkernij opgepeuzeld, omdat er veel plantenresten in zitten. Je kunt je wel indenken hoe onontbeerlijk de huiden van de geslachte dieren zijn om er kleren, allerlei riemen, schoenen, waterzakken, ja zelfs tenten met de inrichting van te maken. Eveneens worden ze versneden en gekauwde pezen worden gebruikt als naaidraad; botten en gewei worden tot alles en nog wat aan gebruiksvoorwerpen en siervoorwerpen verwerkt. Er is dus niets van het dier dat niet in de strijd tegen de harde natuur een waardevolle dienst kan bewijzen!
Het rendier wordt ook benut als lastdier, bijvoorbeeld wanneer de familie, door de seizoenen gedwongen, aan hun verre omzwervingen beginnen. Dan worden de dieren met de tenten en alle have en goed bepakt. Op het laatst komen de kleine kinderen er nog bovenop. Daarbij komt ook nog dat men van oudsher het rendier als trekdier afgericht heeft, maar slechts zelden gebruikt men het als rijdier, zoals in Noord-Siberië. Dan moet er een speciaal zadel boven de voorpoten gelegd worden, want een ruiter als een paard te dragen, daarvoor is de rug van een rendier te zwak.

Het rendier komt in het wild voor in Noord-Scandinavië, maar ook op IJsland en op Spitsbergen tref je ze aan. Op de toendra van Canada loopt een bijzonder mooie variëteit, de kariboe, die tijdens de zomer op lange omzwervingen zelfs over de bevroren zee tot in Groenland komt.

De jacht op wilde rendieren is nog moeilijker dan de jacht op gemzen, alleen al omdat men zich in volstrekt onbewoonde, onherbergzame gebieden zonder bomen moet wagen waar ook geen herdershutten staan om je tegen kou en regen te beschermen of waar je zou kunnen slapen. Dan geldt: geen inspanning uit de weg te gaan. Men moet voor vele dagen proviand meenemen en hoog de bergen ingaan, waar allang geen bomen meer groeien, alleen nog een paar dicht tegen de grond gedrongen dwergstruiken, waarachter een mens – om niet gezien te worden – hooguit plat liggend zich kan verbergen. Men moet uren, ja dagenlang overgeleverd aan de schrale wind over schots- en scheef liggend puin met scherpe kanten klimmen, omhoog klauteren langs glibberige rotswanden en wanneer er een stortbeek komt, mag men er niets om geven om tot op de huid toe nat te worden, ja, als het moet, er op handen en voeten doorheen te kruipen om maar niet gezien te worden. Zo moet je een roedel wilde rendieren naderen.
Misschien ligt er net een te rusten op een gletsjerrand of een besneeuwd veld die je ook in de zomer in het hoge noorden overal aantreft, om te herkauwen. De koelte boven biedt gedurende de zomermaanden bescherming tegen de lastige steekmuggen of dazen, die vreselijke kwelgeesten, ook van de stropers. Maar het hoofd van de roedel is waakzaam. Hij is niet gaan liggen, maar kijkt en ruikt met zijn scherpe zintuigen die veel beter zijn dan die van de mens, naar alle kanten. Wanneer hij moe wordt en gaat liggen, staat er meteen een ander dier op om in zijn plaats de wacht over te nemen. Nu moet de jager precies de windrichting zoeken, zodat hij tegen de wind in en niet met de wind mee verder sluipt, anders geeft de leider een waarschuwing en de hele kudde stuift er gezwind vandoor, om pas honderden meters verder weer stil te houden. Dan kunnen voor de jagers onder deze omstandigheden de moeite en de kwellingen van vele dagen tevergeefs zijn geweest.
En hoe moeilijk is het niet om een kudde wilde rendieren in het hooggebergte te ontdekken. En met welke zinsbegoocheling krijgt een jager niet te maken, want de kleur van de dieren wijkt nauwelijks af van de rotsige bodem!
Ook roofdieren, beren en wolven, die maar al te graag een jong rendier grijpen, wordt dit door de waakzaamheid en de weerbaarheid van de roedel bijna onmogelijk gemaakt.

Het rendier heeft dus de eenzame, afgelegen streken waar geen mens leeft, als zijn veilige woongebied uitgezocht. Gedurende zijn trektochten in de herfst en het voorjaar vermijdt het zelfs angstvallig het lichte berkenbos van de dieper gelegen meeroevers, omdat het zich daar niet meer zeker voelt. Zo schuw en voorzichtig is het rendier!

Maar zelfs de getemde kudden hebben zich nog lang niet zo vertrouwd bij de mens aangesloten als de huisdieren. Ze africhten zodat ze kunnen dragen of sleeën kunnen trekken is een heel moeilijk en tijdrovende werk. Steeds opnieuw komen wildheid en de niet te beteugelen drang naar vrijheid naar buiten. Om ze te kunnen melken moeten de koppige rendierkoeien eerst met touwen vastgebonden worden, willen ze dat toelaten. Als een dier voor het werk nodig is, moet het met een lasso gevangen worden, waarbij het gewei natuurlijk wel handig is.

Bijzonder ervaren rendierherders zijn de in Noord-Scandinavië wonende Lappen. Als echte nomaden moeten zij hun leven helemaal aan het leven van hun rendieren aanpassen. Deze kudden zijn hun grote trots, maar ook hun plaag, want het leven in de eenzaamheid van de bergen in weer en wind in hun lichte tenten is hard. Het kan voorkomen dat de kleine kinderen ingesneeuwd zijn, wanneer ze ’s morgens wakker worden, omdat ’s nachts de tent door een storm weggewaaid is.
Hoe groter de kudde is die een Lap zijn eigendom kan noemen, des te gelukkiger voelt hij zich en des te meer aanzien heeft hij ook. Daarom is het voor een Lap ook veel erger, wanneer hij door een epidemie of een ander ongeluk zijn kudden verliest, dan wanneer een boer zijn vee kwijt raakt. Hele gezinnen die eerst rijk waren, raken in armoede en bittere ellende.

Voor de kudden rendieren breekt een moeilijke tijd aan, wanneer de zon in de lente overdag in de bergen al zo warm is, dat de sneeuw zacht wordt. Dan ontstaan er ’s nachts ijskorsten en wanneer de rendieren daar met hun hoeven doorzakken, raken ze door de scherpe kanten gewond aan hun poten. Nog meer ellende hebben de kudden, maar ook de herders natuurlijk, van de roofdieren, die hongerig rondzwerven. Allereerst moet je de beren noemen, maar ook de veelvraat, dat bloeddorstige, marterachtige roofdier van het noorden. Met zijn bijna duivelse moordzucht kan die erg gevaarlijk zijn. Juist de dieren die buiten de kudde zijn geraakt, vallen ten prooi aan deze rovers. Voor de kudden zijn in het bijzonder de wolven gevaarlijk, omdat deze ook als roedel te werk gaan. Alleen al hun huiveringwekkend gehuil jaagt de kudden angst aan, ja dat kan hen volledig in de war brengen. Maar daar zijn de sluwe wolven nu juist op uit. Een deel van de meute loopt in een grote boog om de kudde heen en drijft de bange dieren naar de andere wolven. Ook al kan een rendier zich met zijn gewei en krachtige, weerbare voorpoten goed tegen een enkele wolf verdedigen, dan toch worden de vreedzame weidedieren, alleen al om hun jongen, van een door honger huilende wolfsroedel wild van schrik. De kudde kan ook een gevechtslinie vormen, wanneer ze worden aangevallen. Dicht tegen elkaar aangedrukt, worden de jongen in het midden gehouden en de sterke stieren stellen zich met hun koppen naar beneden, naar de buitenkant gericht, op. Tegen zo’n gevechtslinie is het ook voor de wolven erg moeilijk eropaf te rennen en toch wordt meestal wel een of ander dier naar de grond getrokken. Hongerige wolven zijn nu eenmaal razende woestelingen.

Om zo’n overval te voorkomen, moeten de herders dikwijls dag en nacht op wacht staan. Ten tijde van bijzonder gevaar, kunnen ze het niet wagen om zelfs maar te slapen. Dan moeten ze de nacht doorbrengen, leunend op een stok. Ook dat behoort tot het zware leven van de herders in het hoge noorden.

Eenmaal per jaar is het voor de Lappen een heel bijzondere dag, of liever gezegd, een heel bijzondere nacht. Wanneer de jonge rendieren gemerkt worden. In de grote kudden worden de dieren van verschillende eigenaren gemeenschappelijk gehoed en je moet toch weten van wie welk dier is. Zolang de kalfjes, die in het voorjaar worden geboren nog bij de moeder lopen, zie je dat gemakkelijk. In de herfst echter gaan de kalveren bij de moeder weg. Kort van te voren spreken de Lappen een dag af, waarop de kudden uit de bergen in de dalen worden gebracht. De dieren die de kudde leiden worden met een lasso gevangen en in de dalen gebracht. Geduldig volgt de hele kudde. Ze worden over de van oudsher kilometers lange wegen geleid. Vaak moeten ze door rivieren waden of meren overzwemmen: een onvergetelijk schouwspel voor ieder die het kan zien, wanneer alleen de koppen boven water uitkomen en daarboven een woud van geweien.
Uiteindelijk zijn de kudden dan op de verzamelplaatsen, die eveneens ieder jaar weer worden gebruikt. Het moet nacht zijn, omdat de kudden dan niet onrustig worden door de muggen en de dazen. Maar de nacht is aan deze kant van de poolcirkel nog altijd licht genoeg. Het is alleen wat schemerig. Ongeduldig wachten zij die in het dal achtergebleven zijn op de aankomst van de dieren. Plotseling duiken in de verte de kudden op en weldra hoor je ook het getrappel van de dicht opeengepakte dieren en ook het typische getik wanneer de hoeven elkaar raken. Van alle kanten komen ze aan, deze geweigolven. Als ze eindelijk allemaal bij elkaar staan, wordt de kraal afgesloten. De dieren lopen nog gejaagd rond of vormen aparte rijen. Midden in het gewoel en de opwinding echter, staan rustig de Lappen met volgens de regels der kunst opgerolde lasso’s over de arm en wie bij de Lappen op bezoek is, mag ook mee binnen de kraal om te kijken naar het mooie wat daar wordt gedaan. Soms komt er een rij rendieren, aangevoerd door een sterke stier op je af gegaloppeerd. Je bent al bang onder de voet te worden gelopen, maar met een ruk blijven ze allemaal staan en de stroom splitst zich en raast links en rechts aan je voorbij.

Ondertussen werpen de Lappen zoals het hoort en behendig de lasso’s om de kalveren. De lus slaat – dat hangt er vanaf – om de hals of de poten van de jonge dieren. De Lap trekt het touw vast aan en trekt ze op de grond. Dan gaat hij erop zitten, trekt zijn scherp geslepen mes en kerft zijn merkteken in het oor. Het doet geen pijn, ja het bloedt zelfs niet eens. Soms ook weer ontworstelt het kalf zich aan de lus en springt er vandoor. Zijn eindelijk alle kalveren gemerkt, wat bij de grote kudden de hele nacht duurt, dan wordt de afsluiting weggehaald en de kudden mogen weer in hun bergen het voedsel zoeken.

In veel streken betekent het merken van de dieren groot feest waar ook de kinderen en familieleden, die anders in  de dalen wonen, naartoe komen. Op deze dag voelt de Lap hoe gezegend hij is. Wat een gejuich wanneer de gehoornde scharen vanaf de berghoogten aankomen!

Het getemde rendier wordt natuurlijk niet bejaagd, maar geslacht. Ook het slachten betekent groot feest, waarbij veel gegeten wordt. De geselecteerde dieren worden door een messteek in de borst gedood en sterven snel. Het vlees dat als voorraad dient, wordt in de buitenlucht gedroogd, het is de jaaroogst van de Lappen. Het vel van verschillende lichaamsdelen wordt steeds voor bepaalde doeleinden gebruikt: voor kleren, mutsen, schoenen, dus waarvoor het het meest geschikt is. Zo worden bijvoorbeeld de heel kleine kinderen in de wieg gelegd op delen van het vel die van de buik van het rendier komen, want daar is het vel bijzonder zacht en donzig.
Maar wie als klein kind op rendiervel in bed is gelegd, zou voor hem ook later, wanneer hij groot is geworden, het rendier niet een geliefd en vertrouwd dier zijn?
Zijn hele leven zal hij ermee verbonden blijven.

.

Grohmann: leesboek dierkunde: inhoudsopgave

Eigen vertaling van ‘Lesebuch der Tierkunde

Lasse Länta, een boek over het leven van de Lappen.

Dierkunde: alle artikelen

Grohmann: leesboek plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde

.

839-772

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – Duits (1)

.
Eine Kinderszene von Hans Rutz, Mitteilungen 6-Dez.1924

.

Dit spelletje dat nu zo’n 100! jaar geleden werd geschreven, vinden kinderen ook nu nog heerlijk om te spelen.
Twee uitgesproken rollen: voor het naar binnen gekeerde, rustige kind – we kunnen hier spreken van flegmatische uitingen – de koe – en voor het veel meer op de buitenwereld gerichte kind – we kunnen hier spreken van cholerische uitingen – de stier -, waarin we met gemak de cholerische kwaliteit zien.

Een jaar later – in klas 4 – zal in de dierkundeperiode de koe opnieuw ter sprake komen. Het nog eens reciteren van dit spelletje zal het karakteriseren van de koe eenvoudiger maken.

Naturkunde bei den Kleinen (3. Klasse)

‘Naturkunde’ kunnen we niet vertalen met ‘natuurkunde’, daaronder verstaan we een ander vak. Hier gaat het om iets uit de natuur: biologie, dierkunde.
Duidelijk is dat het nog vóór het 9e à 10 jaar bedoeld is. De dieren spreken nog – in die zin is het ook te rangschikken onder de heemkunde.

Das Rind

Personen:

Die Kuh
Der Stier
Ein Kind im roten Kleid
Ein Zuschauer

Die Kuh

(zum Kind, behabig und breit)

Ich bin die Kuh
Und mache »Muh!«
Und mahl’ in Ruh’
Mein Futter dazu;
Ich fresse stündlich,
Doch dafür gründlich,
Und dreh’ mit Fleiss
Mein Maul im Kreis

(lafit sich langsam nieder)

Und beug’ die Glieder
Und lass mich nieder
Und kaue wieder,
Was ich da frass
Vom grünen Gras,
Und durch mein Euter
Geb’ ich es weiter
Als fromme Milch.
Auch mach’ ich Mist,
Der nützlich ist.
Ja, ich bin gut,
Hab’ ruhig Blut,
Hab’ keine Eil’ und keine Sorgen,
Und, komm’ ich heut’ nicht, komm’ ich morgen

Der Stier

(feurig kraftvoll)

Der Stier bin ich,
Mit StoB und Stich
So wehr’ ich mich!
Hab’ Feuer im Blick,
Kraft im Genick,
Die Adern strotzen,
Wer kann mir trotzen?!

(gegen das Kind)

Ein rotes Tuch
Reizt mich genug:
Die Beine steil’ ich,
Die Muskeln schwell’ich,
Den Kopf gesenkt
Und losgesprengt!
In schnellem Lauf
Spiess’ ich dich auf!
Zu nah nicht mir!
Das rat’ ich dir!
Ich bin der Stier.

(Stösst das Kind um.)

Der Zuschauer

(hebt das weinende Kind auf und spricht zu ihm in belehrendem Ton)

Mein liebes Kind,
Zusammen sind
Die zwei das Rind!

.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

3e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 3e klas

Zie ook: uitgaven verschenen bij ‘Forschungsstelle beim Bund der Freien Waldorfschule

.

758-694

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde – alle artikelen

.

Een kleine inhoudsopgave bij de opmerkingen die Rudolf Steiner in de pedagogische voordrachten maakte over dierkunde. Toevoegingen in blauw zijn van mij. 

GA 294    vertaling: Opvoedkunst
3e voordracht
blz. 50                               vert.  blz.60
In de natuur wandelend genieten, geen uitleg. In de klas de natuur als lesstof.

7e voordracht blz. 96                               vert.  blz. 101
Vóór het 9e jaar vertel je anders over de dieren dan erna; mens synthese van natuurrijken; menselijke gestalte: hoofd (bol), romp (fragment van bol) ledematen (stralen); hoofd: zintuigen, romp: ademhaling; ledematen stofwisseling; ‘dienen om’ of ‘ten dienste van’; verschil armen/handen – benen/voeten; vrijheid en zelfzucht; kunstzinnig vertellen over inktvis (hoofd); muis (romp); handen en moraliteit

14e voordracht blz. 189                         vert. blz. 190
Vóór het 9e jaar kind anders t.o.v. dieren en planten; volgorde dier- plantkunde.

GA 295 vertaling: Praktijk van het lesgeven 
3e voordracht  blz. 37                            vert. blz. 37
Alle dieren: de hele mens.

blz. 46                                                          vert. 45-46
Dieren uitgebreid beschrijven, gedetailleerd bekijken.

14e voordracht  blz. 152                        vert. 145-146
Waarnemen van de Egyptenaren; zij tekenden dierenkoppen.

GA 297        vertaling  3e voordracht
3e voordracht                             vert. blz. 50-51
Dieren vergelijken met de mens: hoofd-lagere dieren, bijv. inktvis; mens uniek in ledematen; dit besef is van invloed op de moraliteit; 

GA 300B   blz. 14  niet vertaald             vert. blz. 14
Dierkunde na het 9e jaar; mens samenvatting hele dierenrijk

GA 300C blz. 98    niet vertaald             vert. blz. 98
Het gaat om hoofddieren, ritmische dieren en stofwisselingsdieren

GA 301       vertaald: De vernieuwing van de pedagogisch-didactische kunst door geesteswetenschap
8e voodracht blz. 127-129                          vert. blz. 127-129
Vooreerst geen indeling in klassen, orden e.d., maar levendige verbinding met mens: eerst pedagogie, dan wetenschap; Oken; dier één aspect, mens alle aspecten bij elkaar; gevoel voor de wereld; niet vóór het negende jaar

blz. 131-132                                                     vert. 131-132
mens synthese, dier eenzijdig

GA 303       vertaald: Gezondmakend onderwijs
9e voordrachblz. 162-163                         vert. blz. 175
Vertellen als kunstenaar

10e voordracht
blz. 188-192                                                      vert. 211-216
Dierenwereld betrekken op de mens; hoofd en lagere dieren; vis: ruggengraatdier, middendier; leeuw en kameel: stofwisseling-ledematendieren; diervorm begrijpen die als een eenzijdige ontwikkeling van een menselijk orgaansysteem te beschouwen; het hele dierenrijk is een uitgebreide mens; de mens is een samen­stelling van het hele dierenrijk; een juist wereldgevoel geven

blz. 227                                                               vert. blz. 256
Het dier in verband brengen met de mens; over het beschrijven.

GA 304       niet vertaald 
7e voordracht 
blz. 170 – 173                         vert. blz. 170-173 
Dierenrijk synthese: mens; innerlijke houding t.o.v. de wereld = liefde voor de wereld;

GA 305      vertaaldOpvoeding en onderwijs
5e voordracht
blz. 107- 108                                                        vert.107-198
Mens synthese van dierenrijk; kind en wereld verbinden

GA 306     niet vertaald
4e voordracht blz. 93 – 94                                vert. blz, 93-94
Mens synthese van dierenrijk, dier eenzijdig ontwikkeld in bepaald orgaan;

5e voordracht blz. 97 – 98                                vert. blz. 97-98
iedere diervorm op te vatten als een stukje mens dat eenzijdig gevormd is.

blz.101                                                                   vert. blz.101
beeldend neerzetten;

blz. 109                                                                  vert. blz. 109
in de gestalte zit al wat een dier doet; wat het kind verlangt.

GA 307    vertaald: Opvoeding en moderne kultuur 
9e voordracht  
blz. 167-173                             vert. blz. 211-220
De planten naar de aarde, de dieren bij de mens gebracht, dat moet onderwijsprincipe worden; drieledige mens; hoofd, ritmisch systeem, stofwisseling/ledematen; lagere dieren: ons hoofd, ‘middelste’ dieren – vissen – onze romp, hogere dieren: bewegingsorganen; dierenwereld als eenzijdige ontwikkeling; dierenrijk: uit elkaar gelegde mens; mens: samenvatting van hele dierenwereld; vogels; door kunstzinnig presenteren; mens dichter bij dier; versterking van de wil; verbinding mens en wereld

GA 308     vertaald: De wordende mens
4e voordracht blz. 69 – 72                               vert. blz. 104-108
leeuw, stier, adelaar, engel – de mens; rund; leeuw; adelaar; mens als synthese; Oken; dieren ‘losse toon’ – mens ‘symfonie’; eerbied, religieus gevoel voor schepping

GA 309    Vertaald: Uitgangspunten van het vrijeschoolonderwijs
4e voordracht blz. 71 – 73                                  vert. 71 – 73
koe – menselijke stofwisseling; leeuw – menselijke borstgebied; vogel – hoofd; dieren: stukjes mens – mens in harmonie; Oken; biologie: verhouding van het kind met de aarde (plantenrijk) en de dieren: moraliteit; deze aanpak: je thuis voelen op de wereld

GA 310   Vertaald:  Menskunde, pedagogie en kultuur
4e voordracht blz. 77 – 79;                                vert.  blz.  81 – 83
relatie mens – dier; Oken;  mens samenstelling van de afzonderlijke diervormen; fundament leggen voor een relatie tot de wereld

GA 311  Vertaald: De kunst van het opvoeden vanuit het besef: wat is de mens 
3e voordracht blz. 48 – 55                                  vert. blz.48-55
dieren worden gekarakteriseerd door zieleneigenschappen; bij de mens veel minder uitgesproken eigenschappen; mens: synthese; dierenrijk is uitgebreide mens en mens een gecomprimeerd dierenrijk; hond en reukzenuw;

6e voordracht blz. 101 – 102                              vert. blz. 101-102
door plant- en dierkunde het kind verbinden met zijn wereld

.

Dierkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld4e klas dierkunde

.


290-273

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e Klas (12)

.

BUIZERD EN ADELAAR

Om een dier te begrijpen, moet je ook steeds naar zijn omgeving kijken. Want dieren zijn innig één met hun leefwereld. De drie grote leefgebieden zijn het land met de vele afzonderlijke gebieden, vlakten, bergen, bossen, open landschappen; de ruimte, wijdten van het water in de zeeën en oceanen en de stromen van het land en ten slotte de grootste van alle zeeën: de lucht. Haar substantie is het tegendeel van het dichte, harde gesteente; ze is in hoge mate opgelost en zonder die begrenzing. Juist tegenovergesteld: de lucht heeft de neiging te vervluchtigen. Hier staat de aarde volledig open tegenover de kosmos. De atmosfeer wordt intens door het licht doorstroomd. Zij neemt de warmte veel sterker in zich op en reageert op opwarming en afkoeling heel gevoelig door uitzetting en verdichting, d.w.z. met op- en neergaande stromingen en winden. Deze geweldige ruimte is het thuis van de vogels.

dierkunde buizerd adelaar 1

vluchtbeeld van een zwevende buizerd

Wanneer je bij het waarnemen van de dierenwereld niet in eenzijdigheden terecht wil komen, mag je niet vergeten, dat de hogere dieren door hun bouw nooit met alle gebieden van de aarde zijn verbonden. Één van deze treedt altijd op de voorgrond, bij de vogels die van de atmosfeer die doorstraald wordt door de zon.
Maar er zijn wel vogels die meer gebonden zijn aan de aarde – de hoenders, de struisvogel, de nandoe, emoe, de kasuaris en vooral de kiwi – en aan het water, zoals de eenden, futen en pinguïns. Wanneer je het rijk van de vogels wil leren begrijpen, moet je bij die vogels beginnen waarbij de verbinding van  de luchtzee en de zon bijzonder duidelijk is, zoals bv. bij de roofvogels. Indrukwekkende vormen zoals van de valk, de havik, de sperwer, de verschillende buizerds, de wouw en de kiekendief. De belangrijkste verschijning is de adelaar. We zullen aan het einde van deze beschouwing een paar opmerkingen over hem toevoegen.

Wanneer je in de zomer in een bepaald gebied met afwisselend bos of een open vlakte de blik omhoog richt, zul je meer dan eens een vogel zien, die urenlang rondjes vliegt. Zelf is hij volkomen rustig. Soms stijgt hij op, dan weer zweeft hij een stuk verder in een bepaalde richting en begint weer te cirkelen. De vleugels zijn wijd uitgespreid als in een volledige overgave aan de omgeving. De vogel laat zich dragen door opstijgende luchtstromen die door opwarming boven de velden en steppe-achtige vlakten gevormd worden. Wanneer hij daar boven door de lucht zweeft, ontstaat er boven zijn vleugels een zuiging. De vleugels hebben namelijk een lichte kromming. Daarom stroomt de lucht erboven sneller dan eronder. Deze zuiging is driemaal sterker dan de druk waarmee de vleugels op de lucht liggen. Op deze manier wordt de vogel door de atmosfeer gedragen. Zou hij alleen maar vleugels hebben, dan zou hij weleens nooit naar de aarde kunnen komen.
Wat je ziet, is een korte kop, de brede vleugels en een brede, ronde staart. Dat is de buizerd, de meest voorkomende roofvogel in Europa en Noord-Azië – en in zijn overgave aan de luchtzee ook één van de mooiste.

Het oog en het bewustzijn van de vogel
Wanneer hij ’s morgens vanuit zijn nest de hoogte ingaat en daar in hoge mate aan de werking van de zwaartekracht van de aarde onttrokken is, is hij met zijn bewustzijn tot in de verre omtrek aanwezig. Een wezen dat zo in de ruimte van het licht leeft, heeft grote ogen. Ze zijn groter dan de hersenen. Hun vorm is karakteristiek anders dan die bij de zoogdieren en de mens. Ze hebben geen kogelvorm, d.w.z. een in hoge mate in zichzelf besloten bol. De achtergrond van het oog met het netvlies verwijdt zich. Hij wordt als een schaal; hoornvlies en lens, de brug tussen de lichtsfeer buiten en inwendig, zijn opvallend groot en duidelijk naar buiten gericht. Het zijn ogen waarin het licht sterk naar binnenstroomt en waaruit de blik ver in de omgeving reikt. Wanneer wij zo’n goede blik als de buizerd zouden willen hebben, dan zouden we een verrekijker te hulp moeten nemen die 6 keer versterkt. Hoe wakker en scherp het bewustzijn is, kun je meten, wanneer je bedenkt dat een mens iets van 18 beelden per seconde kan onderscheiden, de buizerd echter zo’n 150*. Dat hangt zeker ook samen met een van de vele bijzonderheden van het vogeloog. Het netvlies is ongewoon dik, omdat er zenuwverbindingen inzitten die bij de hogere zoogdieren en de mens in de hersenen ontstaan. Een deel van de functies van het bewustzijn die voor de hersenen karakteristiek zijn, lijkt wel naar buiten toe in het oog aangelegd te zijn, direct samenhangend met de licht-, kleuren- en vormenwereld van de omgeving. Bovendien heeft ieder oog in het netvlies niet een, maar twee inzinkingen (foveae). Door de ene kan de buizerd scherp naar voren, door de andere scherp naar beide kanten kijken en zo een verre omtrek wakker overzien.

dierkunde buizerd adelaar 2

links: beide ogen in de kop van een dagroofvogel.
Fc: fovea centralis
fl: fovea lateralis
1: optische as voor het gezamenlijk kijken met beide ogen
2: optische as voor apart kijken van beide ogen
(Remane e.a. Systematische zoologie)

rechts: het linkeroog van een adelaar. Je ziet de wijd geopende vorm en de sterke overgave aan de omgeving; bij het naar binnengaan van de oogzenuw zie je de bloedrijke filters.
Zwart: de harde oogrok die het oog in de voorste helft omsluit
(King/Mc.Lelland: Anatomie van de vogel)

Aan deze ongewone ogen zijn de bewegingszenuwen maar zwak gevormd. De mens kan wanneer hij zijn hoofd stil houdt, door de oogbewegingen goed overzien wat in zijn blikveld ligt. De vogel voert de overeenkomstige bewegingen in verregaande mate met zijn nek uit, met heel zijn kop. Het kijken neemt de vogel veel meer in beslag dan de mens. Hoe intensief dat gaat, kun je begrijpen, wanneer je je de volgende vraag stelt: wat is het vliegen van de buizerd? De mens dringt bij het kijken met zijn bewustzijn naar buiten in de door licht gevulde ruimte. De buizerd begeeft zich met zijn hele wezen in deze ruimte. Het vliegen behoort heel nauw bij het zo hoog ontwikkelde oog en de wijdte van zijn bewustzijn samen.

*De zgn. flikkerfusiefrequentie is geen vaste grootheid. In een heldere omgeving is deze groter dan in een donkere. Het hangt er ook vanaf of het beeld in het bereik van de gele vlek (fovea) of op een andere plek van het netvlies ontstaat.

De veren – waarneming van de lucht
We zullen eens kijken in hoeverre deze opvatting door de verdere fenomenen versterkt wordt. Wat aan de vogel zo bijzonder typisch is, zijn z’n veren. De grote veren vormen het verenkleed van de vleugels en van de staart. Talrijker nog zijn de kleine veren die de rest van het lichaam bedekken. De buizerd spreidt bij het zweven de slagpennen, dan ziet elk van deze veren eruit als een kleine vleugel. Wanneer je een enkele slagpen van een grote roofvogel snel door de lucht beweegt, ervaar je een onverwachte grote weerstand. Het is net of je met een vlakke hand tegen een waterstroom in wilt bewegen. Door zijn vleugelveren neemt de vogel de lucht waar die de mens doordat ze zo ijl is normaal niet waarneemt. De vogel dringt met zijn waarnemen binnen in een gebied dat voor de mens bijna geheel gesloten is. Wij ervaren weliswaar de warmte van de lucht, niet haar substantie. Zo is het cirkelende zweven van de buizerd eigenlijk een gevoelig waarnemen van de lucht en de luchtstromen. Bij het zgn. klapwieken en het bidden is naast de waarneming van de lucht ook het waarnemen van de eigen activiteit verbonden.

dierkunde buizerd adelaar 3

Structuur van een veer. Deel van de schacht met 2 baarden en hun stralen.
1.schacht (rhachis)
2.baard (ramus)
3.haakstraal (distale radius)
4.haak
5.boogstraal (proximale radius)
6.rand van de boogstraal waarin ter versteviging van de vlag de haken in elkaar grijpen
(Portmann: ‘Inleiding in de vergelijkende morfologie van werveldieren)

Hoe komt het echter dat slag- en staartveren ten dienste staan bij het waarnemen van de lucht?

We moeten om deze vraag te beantwoorden, kort op de bouw van zo’n veer ingaan. Ieder weet dat een veer bestaat uit een spoel en een vlag (spoel: het doorzichtige onderste deel van de schacht; vlag: de baarden ter weerszijde van de schacht). De spoel is zo licht, omdat ze in het ronde, onderste deel heel hol is; de schacht waaraan de vlag vastzit, bevat met lucht gevulde kamertjes. Vanuit deze centrale as lopen in een scherpe hoek de zgn. baarden en van hieruit weer talrijke stralen; naar achter gericht de boogstralen, naar voren de haakstralen, die met nietige haakjes precies in een gleufje van de boogstralen zitten. De veer is een meesterwerk van de scheppende natuur. Deze tot in het allerfijnste gaande structuur heeft de massa bijna overwonnen. Hoe licht is een veer en de veren samen! Bij een huismus wegen de ongeveer 3500 veertjes minder dan 2 gram.

In de vorming van de veren is een naar buiten stralende tendens werkzaam. Allereerst stralen vanuit de schacht de baarden naar de omgeving toe en daaraan dan weer de stralen. Toch is de veer door het in elkaar grijpen van de haak en boogstralen één geheel. Zo treedt in de veer als afgestorven structuur op wat we daarnet als een wezenlijke eigenschap van de lucht genoemd hebben: de tendens op te lossen en in de omgeving op te gaan. Als variatie op een formulering van Goethe kun je zeggen: de veer is voor de lucht door de lucht gevormd. En omdat bij het ontstaan van de veer bij het verdichten van de substantie tot hoorn al het leven dooft, worden de vleugel- en staartveren tot zintuig. Wanneer een zintuigorgaan ontstaat, wijkt op bepaalde plaatsen van het organisme het leven en de wetmatigheid van een bepaalde wereldkwaliteit doet zich gelden – bij de slag – en staartpennen van de vogel die van de lucht.

Ook de dekveren van de kleine vogels staan in een innige betrekking tot het element lucht. Lucht neemt warme sterk in zich op en houdt die vast; ze is een slechte warmtegeleider. Zo vormen de dekveren en het dons samen met de lucht een warmteomhulsel om de hele vogel heen.

Dit alles spreekt van een diepe verbinding van de buizerd met de atmosfeer. Zijn vliegen en zweven is slechts de meest volmaakte uitdrukking van deze samenhang. Daardoor kan de buizerd in de sfeer van het licht leven.

Een wezen zonder poten, doortrokken van lucht
Wanneer hij vanuit de hoogte naar beneden komt, gaat hij naar zijn nest of op een boom zitten aan de rand van het bos. Je ziet buizerds ook op paaltjes of grensstenen.

dierkunde buizerd adelaar 4

Daar, op wacht met het overzicht, zit hij vaak verscheidene uren volledig in rust. Zijn bewustzijn is in de omgeving. Hij ziet iedere beweging en hoort het fijnste geluid. Dan vliegt hij plotseling een stuk verder en grijpt daar zijn prooi, meestal muizen, met name veldmuisjes, met de scherpe nagels van zijn klauwen.

Je kunt steeds weer lezen dat de buizerd en de andere vogels poten zouden hebben. Maar dat is een onjuiste manier van uitdrukken. Maar wat doet de buizerd met de ‘poten’, de klauwen. Hij grijpt de tak ermee vast waarop hij zit; hij grijpt muizen, mollen, egels, slangen, hagedissen, gaaien, fazanten en andere dieren en draagt ze naar een boom, waar hij ze opvreet of naar zijn nest als voer voor de jongen. Dat zijn geen activiteiten die je met poten en voeten verricht, maar eerder met armen en handen. De klauwen zijn eigenlijk vingers. De hand is met een deel van de handwortelbeentjes tot een groepje staafachtige botjes verkommerd. De buizerd is dus een wezen zonder poten. Hij komt door zijn bouw ook helemaal niet op dat stukje wereld naar beneden waar bv. het paard met zijn benen de bewegingskracht ontwikkelt, in de zwaarte, de gravitatie; ook dan niet wanneer hij zich zo nu en dan op de grond bevindt.

Wanneer de buizerd op een tak zit, houdt hij zijn lijf tussen de beide ledematen. Bij het paard of de kat spant zich de romp tussen de voor- en achterpoten en is aan de invloed van de zwaarte overgeleverd. De vogel draagt zijn romp vrij. Deze is door de botvergroeiing van zijn wervelkolom en de steun van de borstkas (zie afbeelding skelet) in zich gestabiliseerd. Hij is, zoals anders alleen de kop, aan de zwaartewerking onttrokken.

dierkunde buizerd adelaar 5

Skelet van een steenarend. Het vleugelskelet en de klauwen zijn ongewoon groot. Aan de ribben van de borstkas zijn de haakuitgroeisels goed te zien

Wanneer je nu de mogelijkheid zou hebben door het verenkleed en de dunne huid in het inwendige van de romp te kijken, zou je zien, dat deze voor een groot gedeelte uit met lucht gevulde ruimten bestaat. De buizerd ademt zoals alle vogels niet alleen in de longen in, maar door de long heen in het hele lijf. De lucht stroomt bij het inademen door de long in de tere luchtzakken die zich zelfs tot in het binnenste van de grote ledematen- en vleugelbeenderen voortzetten. Bij de mens en vele zoogdieren zijn maar een paar beenderen van de schedel met lucht gevuld, maar bij de vogel zelfs de beenderen van de ledematen. Daardoor horen deze bij de atmosfeer. Wat spreekt zich in het feit uit dat de vogel zich zo diep met lucht doordringt?

In zijn organisme heeft het geïntensiveerde vormproces van één orgaan binnen het geheel invloed, vooral daar waar een inwendige relatie tot dit orgaan bestaat. We hebben gezien hoe sterk de ogen van de vogel door hun vorm en grootte het licht opnemen. Dit zich zo intensief verbinden met de omgeving, strekt zich ook uit tot de romp, echter, aangepast. Bij het ademen neemt de romp de lucht op zoals in de kop het oog het licht. Volgens R. Steiner kun je de zintuigorganen als golven beschouwen waarin bepaalde kwaliteiten van de omringende wereld in het organisme binnenstromen, het oog dus als een golf voor licht en kleur. Dienovereenkomstig is de long een rijk gedifferentieerde golf voor de lucht. Bij de vogel wordt de luchtgolf breder in de luchtzakken. Daardoor wordt de vogel van binnenuit licht. Ook wordt het ademen iets anders. Bij het uitademen doorstroomt de lucht uit de luchtzakken namelijk voor de tweede keer de long en ook nu neemt het bloed de zuurstof op. Zo wordt het lijf van de vogel versterkt doorademd. De levende verbrandingsprocessen worden intensiever en de lichaamstemperatuur wordt hoger. Deze bedraagt bij de buizerd 40,5 º. In het ‘vuur’ van zijn inwendig verbrandingsproces brandt hij voortdurend zijn lijf op. Dat heft hij op wanneer hij per dag ongeveer een zesde van zijn gemiddelde gewicht van 900 gram als voedsel neemt. Dat zijn ongeveer 5 veldmuizen. Die slokt hij in zijn geheel op. De vertering verloopt in de warmte van de levensprocessen zeer snel. De onverteerbare resten kotst hij als braakbal uit.

Bij de buizerd zijn de spijsverteringsorganen zoals bij de andere vogels eigenaardig gebouwd. Op een kliermaag volgt de sterke spiermaag die het voedsel ook mechanisch bewerkt. Deze heeft dezelfde functie als de bek met de tanden bij de zoogdieren .

Dominantie van vormprocessen van de kop.
Wanneer je je de kenmerken van de romp van de buizerd voorstelt: vrij gedragen, het stabiele door de botten, het diep kunnen inademen van de lucht en de mechanische bewerking van het voedsel, dan ontstaat het beeld dat aanvankelijk verrassend kan zijn. Deze romp is tegenover die van de zoogdieren en de mens omgevormd. Hij heeft eigenschappen die je anders in de kop vindt. Dat betekent dat hij door vormprocessen van de kop doortrokken is en het karakter heeft als van de kop. Uiterlijk bezien ziet deze er natuurlijk niet als een kop uit. Maar je vindt er kwaliteiten die voor de kop karakteristiek zijn. Daarmee staat de vogel als geheel anders in de samenhang van de natuur dan de overige dieren.

Door de krachtig gevormde ogen is de buizerd niet alleen maar met de weidsheid van de door de zon doortrokken atmosfeer verbonden, maar wordt daar  in zijn bouw ook door bepaald. We hebben erop gewezen dat bij het ontstaan van een zintuigorgaan de vitaliteit in hoge mate teruggedrukt wordt. Dat proces heeft invloed op de vorming van de kop en laat de mondpartij tot snavel verstarren en verkommeren. Die zintuigen die nauw met de stofwisseling zijn verbonden, de smaak en het ruiken ontwikkelen zich maar matig. En daarmee worden de lust- en onlustgevoelens die ermee verbonden zijn, ook gedempt; de buizerd is zoals veel andere vogels in hoge mate vrij van affectieve binding aan de materie. De sterke overgave aan de omgeving door het oog strookt met de lange in de veren verborgen beweeglijke hals. De samenhang van het krijgen van bewustzijn door het zien met de verruiming van de waarneming tot in de vorming van de veren en het vliegen hebben we al geschetst. Nu moet je er nog bij betrekken dat het oog voor een niet gering deel uit de hersenen ontstaat. Daarmee krijgt het zenuw-zintuigorganisme een groot overwicht. En dat werkt door in heel de vorming van het hele lijf; romp en ledematen worden zoals anders alleen de kop uit het gebied van de zwaarte weggehaald. In de romp ontstaat slechts een korte darm. In het vogelei ontwikkelt zich allereerst de kop met de grote ogen. Al het andere functioneert als een onbelangrijk aanhangsel dat dan onder invloed van de dominerende vorming van de ogen verder groeit. Dat speelt zich in het verborgene af. In de eerste helft van april legt de buizerd twee tot vier eieren. Het nest bevindt zich in het bos in een hogere boom. 28 tot 31 dagen, zo ongeveer de duur van een synodische maand, broedt in de eerste plaats het vrouwtje. Onmiddellijk nadat de jongen uitgekomen zijn hebben ze een bijna witte dons, dat echter snel gewisseld wordt. Vanaf de derde week vormt zich het blijvende verenkleed en na ongeveer 7 weken kunnen de jonge buizerds vliegen. Geheel zelfstandig worden ze in de tweede helft van augustus. Dan gaat ook de familie uit elkaar. Dan leeft de buizerd ongeveer 6 of 7 jaar dagelijks en jaarlijks met het ritme van de zon mee. Wanneer de zon tussen april en september de lucht vlak boven de grond verwarmt en als thermiek doet opstijgen, kun je hem cirkelend aan de hemel zien. ’s Morgens vroeg verlaat hij zijn slaapplaats in het bos en keert dikwijls pas tegen zonsondergang terug. Van de buizerds van Midden-Europa en de middengebieden van Oost-Europa blijven er vele van de oudere, ’s winters in hun vaderland. Je ziet ze dan in de bomen of op een lagere hoogte vliegen. De Noord-Europese buizerds trekken echter een paar maanden naar gebieden waar ook de dagen in de winter helder zijn, naar Midden-Europa, naar Nederland, vooral naar België en Noord-Frankrijk.

De steenadelaar –  een nog hogere majesteit
Is de buizerd al een belangrijke verschijning in het rijk van de vogels, dan is de steenarend nog majesteitelijker en verhevener. Hij leeft in het hooggebergte, d.w.z. waar de aarde zelf als het dichtst bij de zon komt en in het noorden waar volgens A.von Humboldt de aarde net zo is als het op de midden- en hooggebergten is. Wanneer hij zijn nest verlaat, stijgt hij tot grotere hoogten dan de buizerd en trekt daarboven, bijna aan de menselijke blik onttrokken in het stromende licht van de zon zijn cirkels. De overgave aan de atmosfeer overtreft met een spanwijdte van de vleugels van 2.30 m die van de buizerd (1.20-1.40 m). de scherpte en het ver reiken van zijn bewustzijn drukt zich in zijn fysiognomie uit, zijn kracht in zijn klauwen. Wanneer hij prooi zoekend op geringe afstand over het land zweeft, grijpt hij plotseling een marmot, maar ook jonge steenbokken, jonge gemzen en reekalfjes. Zijn prooi die in de greep van de klauwen sterft, draagt hij naar zijn nest dat hij op een uitstekend stuk van een rots heeft gebouwd. Daar legt het vrouwtje per jaar 2 eieren en broedt deze uit. De jongen komen na 43 tot 45 dagen uit het ei gekropen, d.w.z. na anderhalve synodische maan. Het duurt 11 weken tot hun vleugels zo ver ontwikkeld zijn dat ze zich in de vrije ruimte kunnen begeven. In de eerste winter zijn ze nog bij de ouders die hun hele leven bij elkaar blijven.

E.M.Kranich, Erziehungskunst, 58e jrg. nr.5, 1994)

Over de arend

dierkunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: over dierkunde

.

288-272

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde – 4e klas (4-1)

.

HET RUND 

Wie een kudde koeien die op een weide graast, langzaam vooruitloopt en dan liggend in zichzelf verzonken herkauwt, op zich laat inwerken, krijgt een indruk van grote rust.

De dieren vertonen weinig activiteit naar buiten toe. De wezenlijke processen schijnen zich meer ìn hun organisme te voltrekken.

Er zijn dieren die je slechts begrijpt wanneer je volgt wat zij in hun omgeving doen. Zou je de runderen vanuit dit gezichtspunt bekijken, dan zou je iets over de rangorde in de kudde, over sociale contacten en schermutselingen ervaren. Dit echter is in vergelijking met wolf, bever of steenbok niet erg indrukwekkend.
Je moet voor elk dier het standpunt vinden van waaruit je zijn eigenheid kan ontdekken.

De vorm
Wanneer je naast de koe een paard ziet, bemerk je hoe haar vorm zich concentreert in de massieve romp. De kop staat veel minder los van de romp dan bij het paard. Wanneer de koe de kop optilt, loopt de zo opvallende horizontale ruglijn door in de hals. Van een zich richten op de wijdheid van de ruimte is niets te merken. De poten zijn kort. Ze maken een stevig gebouwde indruk en dragen het massieve lijf. Snelle en elegante bewegingen zijn niet mogelijk, wanneer de massa van de romp zo zwaar op de ledematen drukt. Dit drukken komt in heel de bouw van de botten tot uitdrukking, in de sterk hoekige gewrichten van de poten, in de zware borstkas en zelfs in de hals.

dierkunde koe 1

dierkunde koe kranich 5

Omtrek van het rund met skelet en pens. Aan het skelet wordt de zwaar drukkende lichaamsbouw indrukwekkend zichtbaar. de pens vult de linker helft van de buikholte vanaf het middenrif tot het einde. Bij de 8 ste rib zie je eronder een deel van de lebmaag. [1]

Wat de romp zo omvangrijk maakt, zijn de stofwisselingsorganen. Ieder kind leert op school dat de runderen niet één, maar vier magen hebben. De grootste daarvan, de pens, vult volledig de linkerkant van de buikholte. Die strekt zich uit vanaf het middenrif tot helemaal naar achteren; en is goed voor een ruimte van pakweg 150 liter. De andere magen, netmaag, boekmaag en lebmaag zijn kleiner. Met de pens samen, een volume van ongeveer 200 liter. Bij geen ander dier treedt de maag zo sterk op de voorgrond als bij het rund.

dierkunde koe kranich 2

links: maag van de mens                    koeienmaag van de rechter kant
1: pars oesophaga                                 1.slokdarm
(overgang slokdarm/                               a. pens
maag)                                                         b. netmaag
c. boekmaag
a t/m c vormen de voormaag
d. lebmaag                       [2]

Hoe wordt deze zo groot? Van de vier magen komt eigenlijk alleen de lebmaag overeen met die van de meeste zoogdieren en de mens. Dat zie je aan de vorm. Een klein gedeelte van de zoogdiermaag die direct aansluit op de slokdarm, de zgn. pars oesophaga, wordt bij de herkauwers enorm groot. Zo ontstaan de drie zgn. voormagen. Deze intensivering van de maagvorming bereikt bij het rund een hoogtepunt.

De dominantie van de vertering
Van dit gezichtspunt kun je naar de koe kijken. Hoe komen deze zo groot geworden stofwisselingsorganen in het organisme en in het gedrag tot uitdrukking? Iedereen weet dat uit een lege maag het hongergevoel opstijgt en hoe er een gevoel van bevrediging volgt wanneer genoeg voedsel in de maag is opgenomen. Zulke gewaarwordingen spelen in het leven van de koe een overheersende rol. Ze uiten zich in de sterke drang gras en kruiden of hooi op te eten en in de overgave waarmee de koe zich bij het grazen met haar voedsel verbindt. Vooraan de kop bij de bek is de huid zacht en vochtig. De klierrijke slijmhuid die anders de mondholte bekleedt, gaat nog verder in de neusspiegel naar buiten toe. Hier is eigenlijk geen begrenzing t.o.v. de omgeving. Zo trekt de koe het gras niet met haar lippen af, maar bijt het met de tanden af. Ze legt de vochtige tong eromheen en ervaart daarbij door haar buitengewoon fijne smaakzintuig de kwaliteit. Met een gebaar van sympathie trekt ze gras en kruiden in haar bek naar binnen en slikt dan meer porties samen door naar de pensmaag.

’s Morgens vroeg eet de koe op deze manier zo’n 2 ½  à 3 uur lang gras en kruiden van het weiland op. In de machtige holte van de pens begint dan onder langzame samentrekkingen het verteringsproces. Een grote hoeveelheid kleinste eencellige organismen neemt aan dit proces deel. Wanneer je je voedt met stengels en bladeren, moeten sterke stofwisselingsprocessen deze zware substantie verteren. Wanneer de pens tot ongeveer de helft gevuld is, begint na een pauze van een half uur tot een uur, de tweede fase van het verteringsproces, het herkauwen. De meeste runderen gaan dan liggen, de zware stieren nog vaker dan de koeien. Ze trekken zich nog sterker in de kern van hun organisme terug. Nu komen uit de pens, en de netmaag kleine porties van de planten die het eerst verteerd zijn, door de slokdarm in de brede ruimte van de mondholte terug. Hier worden ze door het ritmische proces van het vermalen door het werk van de kiezen verder opgelost. Dat gebeurt met een grote regelmaat. Zo herkauwt de koe langer dan een uur de ene portie na de andere, bv. met 49, 50 of 51 kauwbewegingen van de kaken. Daarbij vloeit uit de grote speekselklieren rijkelijk vocht voor de vertering. Zo wordt de mondholte min of meer tot een vijfde maag.
Hoe intensief het verteringsproces  in de kop verdergaat, kun je aan een paar nuchtere getallen aflezen. De koeien grazen op de wei acht tot tien uur per dag; bijna net zo lang duurt het doezelige herkauwen. Gedurende deze tijd gaan de verteringsprocessen in de maag en in de darmen vanzelfsprekend verder. De koe wijdt zich nu van voor tot achter aan de omwerking van de opgenomen substantie. Wanneer ze vers groenvoer neemt, scheiden de speekselklieren op een dag ongeveer 110 liter speeksel af, bij droog hooi 180 liter. De speekselklieren zijn een veelvoud groter dan de hersenen. En  de doorbloeding van de kop dient veel meer de speekselvorming dan de levensprocessen in de hersenen. Zeker krijgt de koe ook indrukken binnen door ogen en oren. De belangrijkste zintuigprocessen zijn echter de smaak en de reuk. Zo is de koe in de kop minstens even sterk naar binnen als naar buiten gericht. Want de instinctieve gewaarwording voor de planten waar ze van houdt en van welke niet, en lust en onlust bij het proeven en het ruiken spelen in het leven van de koe een grote rol.

dierkunde koe kranich 3

De speekselklieren in de kop van het rund:
1.bovenste wangspeekselklier
2.middelste wangspeekselklier
3.onderste wangspeekselklier
4.onderkaakspeekselklier
5.oorspeekselklier                                [3]

Deze eenzijdigheden vinden hun uiting tot in de bouw van de schedel. Het verteren als oplossingsproces is het tegenovergestelde van vormgeven. Het is dus niet verwonderlijk dat de tandvorming afgezwakt is. Er komen geen hoektanden, maar bovendien in de bovenkaak geen snijtanden. Zo mist de koe, evenals de andere herkauwers een begrenzing tegenover de omgeving, die in andere gevallen door de onder- en bovensnijtanden gevormd wordt. Het voorhoofdsbeen is aan de schedel helemaal naar achteren gericht. Het schedelbeen en het achterhoofdsbeen die anders het hoofddeel van de schedelholte vormen, worden naar buiten toe helemaal niet zichtbaar. Ongeveer daar, waar anders dit deel van de schedel zou beginnen, vormen zich de hoorns, wanneer de huid afsterft en aldus een dood omhulsel uit hoorn om de beenpit van het voorhoofdsbeen ontstaat en een rijk doorbloed weefsel.
Hier vindt de binnenwereld zo’n sterke afsluiting tegenover de omgeving, dat iedere betrekking tot de buitenwereld onderdrukt wordt. Dat de hoorns voor een koe van betekenis zijn, toont o.a het feit, dat koeien zonder hoorns zich niet in de gebruikelijke orde van een kudde inpassen.

De kop bestaat dus bijna alleen uit de krachtige kaken met de grote mondholte en de neus. Eigenlijk zou je daar niet van een kop moeten spreken. Het is te begrijpen dat deze in zijn geheel nauw verbonden is met de romp en zich niet losmaakt daarvan door een langere hals.
Lange halzen zijn voor dieren karakteristiek die zich met hun zintuigen wakker op de omgeving richten.

De koe slikt het herkauwde voedsel door naar de boekmaag. Hier komt het tussen een aantal lamellen die van bovenaf in de holte hangen. Deze zuigen een groot deel van het vloeibare en de spijsverteringssappen op en be-eindigen daarmee de eerste grote fase van de vertering van het plantenvoedsel. In de lebmaag wordt deze oplossing dan verder gevoerd met nieuwe sappen; op één dag wordt wel 100 liter aangemaakt.

dierkunde koe kranich 4

Dwarsdoorsnede door de boekmaag [2]

Nu kun je merken hoe de overmatig sterke vorming van de maag niet alleen de vorm van het organisme in de richting naar voren naar de kop bepaalt, maar ook naar achteren. Want na de lebmaag volgt een darm die meestal meer dan 50 m lang is. Hier vindt de laatste fase van het verteren plaats en de opname van de opgeloste substantie in het bloed en de lymfe. De rest wordt uitgescheiden. De dikke darm heeft net zoals bij de andere herkauwers de vorm van een vlakke spiraal. Bij het rund is deze met 1½ tot 2 naar binnen gewikkelde windingen tegenover de 3 tot 4 bij bv. het schaap en de geit maar relatief zwak gevormd. Op deze manier wordt het water ook matig opgenomen, de oplossingsprocessen van de vertering worden niet sterk ingeperkt. De ontlasting vloeit a.h.w. het dier uit – ook vanachter is bij het dier geen duidelijke begrenzing. Het is simpeler aan zijn omgeving, aan het groeiende leven van de natuur  gebonden dan andere dieren. Het leeft als verteringswezen midden in zijn voedsel. Het vreet en bemest tegelijkertijd.

Het bloed in dienst van de vertering en de vorming van melk
Overzie je wat tot nog toe genoemd is, dan kan duidelijk worden, dat de maag het hele organisme van de koe bepaalt. Dat komt ook in veel andere feiten tot uitdrukking waarvan we er maar een paar noemen.
Het bloed staat in hoge mate de vertering ten dienste. Wanneer een liter verteringssap gevormd moet worden, moet er ongeveer 300 liter bloed door de klieren stromen. Ook wordt een groot deel van de afgescheiden vloeistof opnieuw in het bloed opgenomen. Ten slotte neemt het bloed in de pens en in de dunne darm de verteerde, opgeloste substanties op. Die dienen voor de voeding van het lichaam. Is samen met de vertering ook het voedingsproces verhoogd, dan wordt het lichaam groot en zwaar. Bij de zwartbonte runderen, het meest verbreide ras, zijn de koeien 600 tot 700 kg zwaar, de stieren 1000 tot 1200 kg; bij het sterk gebouwde gevlekte vee (bruin-wit) bedraagt het gewicht 750, resp. 1200 kg. En bij het bruine vee van de Alpen en de Voor-Alpengebieden bereiken de koeien een gewicht van 650 tot 750 kg, de stieren 1000 tot 1200 kg.

Een groot deel van de door het bloed opgenomen substantie maakt nog eens een belangrijk veranderingsproces door. Dat komt in de uier terecht Wanneer hier een liter melk gevormd wordt, moet 300 tot 500 liter bloed door de uier stromen.

Een koe die melk moet geven, moet ieder jaar een kalf krijgen. Een paar uur voor de geboorte zondert zij zich af van de kudde en zoekt een beschutte plaats. Daar wordt dan, meestal ’s nachts, na een draagtijd van 9 maanden het kalf geboren. Het wordt meerdere maanden door zijn moeder gezoogd. Eerst zijn de voormagen nog tamelijk klein; bij het pas geboren kalf is de pens minder dan half zo groot als de lebmaag. Tijdens de zoogperiode neemt het kalf al ruw voer. Daardoor wordt de pens reeds dubbel zo groot als de lebmaag.

Door de kunst van het fokken door de mens ging de melkproductie ver boven de oorspronkelijke hoeveelheid uit. Een koe kan tegenwoordig meer dan 20* liter melk per dag geven. Zeker is het dat de grens van wat de dieren kunnen verdragen bij de zgn. hoge melkproductiekoeien is overschreden. Een koe zou niet tot een fysiologisch apparaat van melkvorming gereduceerd moeten worden.

Melkvorming en voeding zijn nauw met elkaar verweven. Door het melken ontstaat in de koe een behoefte om te drinken en te vreten. Voor de koe is de dag door de afwisseling tussen vreten en herkauwen ingedeeld. Normaal volgen vier van deze perioden van ’s ochtends vroeg tot in de late avond en ’s nachts elkaar op. Op de ene dag nemen de runderen grote hoeveelheden vers voer, kleinere rassen zo’n 50 kg, grotere 80. Dan drinkt een rund, wanneer het melk geeft, per dag tot zo’n 100 liter water. Deze getallen wijzen op de belangrijke processen van het omwerken van substantie, die aan de uiterlijke blik van de mens onttrokken zijn en die voor de mens van zo’n grote betekenis zijn – door de vorming van melk, maar ook door het vlees.

Over het gedrag
Bij alles wat we geschreven hebben, moet je bedenken dat het rund geen solitair wezen is als de beer of de lynx. Het leeft als lid van zijn kudde. Wat één koe doet, vreten, rusten of herkauwen, doet ze meestal samen met de andere dieren van de kudde. Het zijn groepsprocessen. En alleen wanneer een koe binnen de hele kudde leeft, bereiken haar levensprocessen de grootste sterkte. Een koe apart vreet minder, drinkt minder en geeft minder melk.
Veel van het wezen rund kun je vinden in hoe het zich uit. Het doffe ‘boehhhhh’  ontstaat  in het strottenhoofd, de keel- en de mondholte. Wat je hoort, schijnt echter uit de diepte van het lijf omhoog te komen. Je ervaart in het donkere, volle en warme geluid iets van het zielenwezen van het rund. Men weet uit de vele waarnemingen, dat er  nauwelijks een orgaan is dat zo gevoelig op gemoedstoestanden en emoties met klierprocessen en bewegingen als de maag en de darmen reageert. Ziel is hier diep verweven met de levensprocessen. En zoals deze zeer onbewust verlopen, worden deze zielenuitingen door de bewusteloosheid van de stofwisselingsorganen en – processen bepaald.
Zo wordt veel begrijpelijk van wat ons tegemoet komt in het gedrag van het rund – in het bijzonder de met kracht gevulde dofheid. Wanneer op een weiland een schot klinkt, vliegen de vogels op hetzelfde ogenblik uiteen, het paard reageert onmiddellijk en bij het rund merk je pas na een korte tijd een dromerig doffe reactie.

Bijna geen dier verbindt zich zo intens met de stoffen en krachten van de aarde. Dat geeft het hele wezen zijn uitdrukking – in zijn gestalte, in de vorm van de organen en hun levensprocessen en in het gedrag.
In een pregnante  formulering heeft R.Steiner op de reden gewezen van dit samenhangende karakter.

In de koe is datgene wat in de mens stofwisselingsorganen zijn, eenzijdig gevormd. [4]. Van het rund kan men zeggen: het is een en al maag. [5]

Zoals de ziel in de levensprocessen onderduikt, zo voegt het dier met heel zijn lichaam zich diep naar de krachten van de zwaarte. In het bijzonder bij de stieren krijg je de indruk dat zij met hun doffe wilskrachten er helemaal van doortrokken zijn en bijna als geen ander wezen zo aan de aarde gebonden.
.

(Ernst-Michael Kranich, Erziehungskunst, jrg. 58 nr.3, 1994)

*sinds het verschijnen van dit artikel is die productie al weer hoger geworden.

[1] Tank, Dierenanatomie voor kunstenaars, Ravensburg 1984 (Duits)
Berg, Toegepaste en topografische anatomie van huisdieren, Stuttgart 1974 (Duits)
[2] Loeffler, Anatomie en fysiologie van huisdieren, Stuttgart 1974 (Duits)
[3] Krahmer, Schröder, Atlas van de anatomie van huisdieren, Leipzig 1986, (Duits)
[4] Steiner, GA 305: Nederlands: (keuze) Opvoeding en onderwijs
[5] Steiner, GA 301: Duits

 

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klaskoe

.

230-216

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde – 4e klas (2-1/5)

.

DIERKUNDE IN DE IVe EN Ve KLASSE

Een artikel uit 1927.

Geen onderwijs, dat zóó vanzelfsprekend de warme belangstel­ling en liefde van het kind heeft, als het dierkunde-onderwijs; waar­mee op de Vrije School in de 4e klasse begonnen wordt, om in de 5e over te gaan tot plantkunde en in de 6e tot de mineralogie.

Van klein kind af heeft het dier hem geboeid, eerst als een wezen, dat hem zóó na staat, dat hij het eigen gedachten en gevoelens toe­schrijft, met wien hij babbelt en speelt als met een kameraadje. De diersprookjes zijn werkelijkheid voor hem, met gretige aandacht volgt hij deze vertelsels, wier oorsprong teruggaat tot in het ver­leden, toen de menschheid kinderlijk en naïef, als onze kleuters, in een totaal andere verhouding stond tot de natuurrijken en bovenal tot de dieren.

Evenals de menschheid de evolutie van sprookje tot fabel door­maakte gaat het de kinderen. Naarmate zij zich ontwikkelen, begin­nen ze oog te krijgen voor het karakteristieke van de verschillende dieren, bewuster en duidelijker gaat hij het dier als deels anders geaard, deels overeenkomstig wezen voelen; zoo naderen zij den tijd, dat ze het dierkunde onderwijs kunnen ontvangen.

Geen systematische indeeling van het dierenrijk in hoofdafdeelingen, klassen, orden en families geven wij het lagere schoolkind. Dat komt pas veel later, tijdens den middelbaren schoolleeftijd, als zijn ontwikkeling zoover gevorderd is, dat hoofdzakelijk aan het verstand geappelleerd moet worden. Hier echter is het 9-jarige kind nog lang niet aan toe, het leeft nog geheel in zijn gevoelsleven, in den stroom van sympathieën en antipathieën.

Als superieur aan het dier is hij zich gaan voelen, en ’t behoort niet tot de uitzonderingen, dat hij hiervan gebruik en misbruik ma­kend, zich in zijn meerdere macht doet gelden.

Wat dus ons uitgangspunt moet zijn: is hem tegenover de ver­schillende natuurrijken te wijzen op zijn plaats als mensch, hem zich-zelven te doen voelen als geestelijk en lichamelijk wezen tegenover en te midden van dier, plant en mineraal.

Wij gaan niet uit van het dierenrijk om op te klimmen tot den mensch en hem deze, als hoogste vertegenwoordiger der dieren te beschrijven, zoodat hij zichzelven als een hooge diersoort leert be­schouwen — neen — we gaan uit van den mensch als hoogste der aardeschepselen, als geestelijk wezen verhevener dan het dier, vrijer dan het dier en ook anders dan het dier. Komend uit geestelijke werel­den, terugkeerend tot geestelijke werelden, zijn oorsprong vindend in tijdperken, die nog veel verder terugreiken, dan die waarin het dier ontstond, is niet de mensch laatste van de dierenrijk, maar eerste der aardeschepselen, tegenover de in ontwikkeling teruggebleven dieren. Heilig is zijn plaats, maar groot aan verplichtingen tevens.

Fier is ’s menschen gestalte. Verticaal de stand van het ranke lijf, dragend het fijne, ronde hoofd, in tegenstelling tot de horizontale romplijn van het dier en den kop, die hangt aan den hals.

Hoog welft de menschelijke schedel in stevige omsluiting de teere hersenen en zintuigen voor letsel behoedend. Edel is de vorm van het menschelijk hoofd, als een weerspiegeling van den hoogen hemel­koepel. Dan volgt het langer gerekte lijf, de zetel van hart en lon­gen, van spijsverteringsorganen. En eindelijk de slanke ledematen, die hooger doel kunnen dienen, dan die van het dier. Want het meest specifiek menschelijke zijn onze handen, die geen wezen heeft als wij, ook een aap niet, bij wien ze meer als een tweede paar voeten, dan als eigenlijke handen dienst doen.

Menschelijke handen kunnen een sociaal doel dienen, dierlijke handen, juister pooten, slechts een egoïst doel.

In het hoofd kunnen nobele gedachten gewekt worden, maar zoolang ze in het hoofd besloten blijven, hebben ze slechts in de ideeënwereld waarde, sociale waarde krijgen ze pas, als de lede­maten gehoor geven aan den wil tot de daad en hunne medewer­king verleenen.

Met het werk zijner handen en het gesproken woord stelt de mensch zich sociaal te midden van zijne medemenschen.

Zoo moet het kind het waarachtig menschelijke leeren onderschei­den, om met dieper eerbied, dan een materialistisch-natuurwetenschappelijke zienswijze mogelijk maakt, zichzelven te midden van het dierenrijk te leeren zien.

En nu het dier!

Doffer in zijn bewustzijnsvormen, sterk gebonden aan eigen
licha­melijkheid, aan oer-instincten, aan lust en onlustgevoelens, vertoont zich het dier.

De primitiefste dieren, nauwelijks van een plant in leefwijze
on­derscheiden, zijn het meest aard-gebonden en vertoonen een zekere overeenkomst met het oudste deel van den mensch n.l. met het hoofd, dat vegeteert op de rest van het lichaam. De eenvoudige ronde vorm, de beperkte bewegingsmogelijkheid, het vegetatieve bestaan, men vindt het alles bij de laagste diersoorten, protozoën, holtedieren en stekelhuidigen terug, zelfs de merkwaardige inktvisch, die al tot de hoofdafdeeling der weekdieren behoort is eigenlijk niet anders dan een groote levende rompachtige kop met 8 of 10 lange pootachtige uitstekende lippen.

Komen wij tot de beschrijving van de overige weekdieren bijv. de slakken, dan vinden we daar een sterk uitgesproken rompvorm. Kop en pooten zijn bitter klein, maar ’t dier is eigenlijk een langgerekt lichaam. Evenzoo de wormen tot zelfs de vischsoorten toe.

Pas bij de hooger gewervelde dieren vindt men krachtig ontwik­kelde ledematen, om bij den mensch daarvan de hoogste volmaking aan te treffen.

Komen wij nu, na deze zeer globale beschouwing tot de bespre­king van de verschillende meer bekende diersoorten, dan is het goed met het negenjarige kind eenige typische vormen meer uitvoerig te bespreken, en van deze bijzondere representanten uitgaande een groote groep van dieren daaromheen te rangschikken.

Gaan wij bijv. uit van de drieheid leeuw, koe(stier), adelaar, reeds eeuwen geleden als symbolen der evangelisten gekozen.

De koninklijke leeuw, het zonnedier bij uitnemendheid. Zijn krachtige ademhaling en bloedsomloop zijn onderling in hooge mate evenwichtig.
Geweldig zijn de weelderige manen,, die als zonnestralen rond den indrukwekkenden kop staan. Zonnekleurig is zijn huid, in de heete zonverzengde streken zijn woonplaats.

Geheel anders de koe, het spijsverteringsdier bij uitnemendheid. Reeds bij de Oud-Indiërs als heilig dier aanbeden, zet de koe het gras in zijn lichaam om tot kostelijk voedzame melk. Niet voor niets is de romp zoo groot en plomp, niet voor niets heeft het dier vier magen en een darmkanaal, dat 22 maal zoo lang is als zijn lichaam. Ongeveer 1/8  van eigen lichaamsgewicht wordt dagelijks door de koe als voedsel verteerd. Dit goedige, phlegmatische dier.

Weer geheel anders is de adelaar. — Een vliegend hoofd zou men hem kunnen noemen. Evenals de mensch met zijn gedachtenleven ’t oneindige wil doorgronden, steeds hooger en hooger vlucht wil nemen zoo verheft de adelaar zich hooger en hooger in de ijle luch­ten. Ver boven ’t bereik van andere dieren op ongenaakbare berg­kammen bouwt hij zijn nest. Eenzaam, fier en zelfbewust is het be­staan van dezen vogel als van den denker.

Geheel overeenkomstig aan zijn groot vliegvermogen is zijn lichaamsbouw. De pooten, schraal, dun en licht van bouw zijn de minder belangrijke ledematen. Op de vleugels komt het bij de vogels aan. Hoe mooi en doelmatig is hun bouw! Hoe stevig de
schouder­gordel met 2 paar sleutelbeenderen. Op den hoogen kam van het borstbeen kunnen sterke vleugelspieren zich vasthechten. De rugge-, lenden- en heiligbeenwervels zijn vergroeid, om het lichaam meer stevigheid te geven. De staart dient als roer. De groote beenderen zijn hol en met lucht gevuld; bovendien heeft de vogel luchtzakken, die met de longen in verbinding staan. De lucht in deze luchtzakken wordt door de lichaamstemperatuur, welke bij een vogel ± 42° C. bedraagt, verwarmd. Omdat warme lucht lichter is dan koude, komt dit het vliegvermogen ten goede.
Iedere vogel draagt dus eigenlijk een warme-lucht-vogel in zich.
Van warme lucht doordrongen, daarin specifiek in zijn element, leeft de vogel zijn luchten-bestaan, vliegend alle aardezwaarte over­winnend.

(T. Gischler  in ‘Ostara”  1e jrg. nr.2, blad van de Haagse vrijeschool, dec. 1927.)

.

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld 4e klas: dierkunde

 

227-214

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (3-1/1)

.

DE OCTOPUS

De naam ‘octopus’ betekent ‘acht voeten’ en het dier heeft inderdaad acht armen die aan hun basis een soort valscherm vormen en die samen een gesnavelde bek omgeven.

Octopussen verschillen duidelijk van de pijlinktvissen en de sepia’s, de andere bekende vertegenwoordigers van de koppotigen, doordat bij hen het extra paar lange armen ontbreekt.
Bovendien zijn hun zuignappen, waarmee de armen bezet zijn, niet verstevigd door hoornringen, zoals de zuignappen van de pijlinktvissen.

Andere verschilpunten zijn, dat octopussen geen inwendige schelp hebben en dat hun lichaam kort en rond is in plaats van gestroomlijnd. De 150 soorten octopussen zijn verspreid over alle wereldzeeën, maar ze zijn vooral talrijk in warme wateren. De kleinste, minder dan 5 cm lang, is de octopus arborescens. De grootste is de Pacifische octopus, o. hongkongensis, die in totaal bijna 10 m is, ofschoon zijn bekervormig lichaam slechts 0,5 m groot is. De blinde diepzeesoort cirrothauma uit de noordelijke Atlantische Oceaan heeft twee grote vinnen aan zijn lichaam. De vliezen tussen zijn armen reiken bijna tot aan de uiteinden en hij zwemt door deze ‘paraplu’ open en dicht te doen. behalve de zuignappen aan de onderzijde van zijn armen heeft hij nog rijen uitsteeksels die waarschijnlijk dienen om voedsel te vangen.

De gewone octopus, de soort waar het hier in hoofdzaak om gaat, leeft aan de kusten van tropisch en subtropisch Afrika en de Atlantische kusten van Amerika en is vooral talrijk in de Middellandse Zee. Hij kan bij wijze van uitzondering een grootte bereiken van 3 m, maar is gewoonlijk veel kleiner. De kleine o. komt voor van Noorwegen tot de Middellandse Zee. Hij is zelden groter dan 75 cm en heeft een enkele rij zuignappen op zijn armen, i.p.v de dubbele rij van de gewone octopus.

Een meester in het vermommen
De gewone o. leeft tussen rotsen in ondiep water, terwijl hij de meeste tijd doorbrengt in een hol in de rotsen of in een ‘villa’ opgebouwd uit stenen. Wanneer hij buiten zijn woning is, kruipt hij de meeste tijd rond op zijn armen, waarbij hij de zuignappen gebruikt om zich vast te grijpen, ofschoon hij ook kan zwemmen. Gewoonlijk zwemt hij achteruit, zijn armen achter zich aanslepend, doordat hij water door de trechter naar buiten spuit. Evenals bij de sepia en de pijlinktvis wordt dit water uitgestoten uit de mantelholte, waarin de kieuwen liggen en waarin de nieren, de einddarm, de voortplantingsorganen en de inktzak uitmonden. Ook kan hij een inktwolk uitstoten om achtervolgers op een dwaalspoor te brengen. Er is geen bewijs dat octopussen reageren op geluid. De armen reageren op aanraking en smaakstoffen en de ogen zijn goed ontwikkeld. Dat het zien belangrijk is, blijkt ook uit het feit dat ze uitstekend in staat zijn van kleur te veranderen. Dat wordt gedaan met 2 soorten chromatoforen of pigmentcellen in de huid, die van kleur verschillen al naar gelang ze zijn uitgespreid of samengebald. Een soort varieert van zwart tot roodbruin en een andere van rood tot bleek oranjegeel. Onder deze chromatoforen ligt een laag kleine deeltjes, zgn. iridocyten die wit licht weerkaatsen of een blauwe of groene structuurkleur veroorzaken. Het verschil in verschijningsvorm is echter niet alleen een kwestie van kleur, maar ook van houding en bouw. De armen kunnen uitgestrekt zijn, ingetrokken of stijf opgerold over het lichaam ter verdediging. De zuignappen kunnen onzichtbaar zijn of vooruitgestoken om de armen een golvend aanzien te geven. Wanneer kleur, houding en bouw nauwkeurig op elkaar zijn afgestemd, kan een octopus volledig samensmelten met zijn omgeving, zodat het buitengewoon moeilijk is om hem te ontdekken. O. verraden zich soms aan vissers die naar hen zoeken door het zgn. dymantisch gedrag, dat optreedt wanneer o. schrikken van grote objecten. Het dier wordt platter, rolt zijn armen op naast zijn lichaam en spreidt het vlees dat de armen verbindt er overheen. Het lichaam wordt lichter van kleur, maar rond de ogen staan donkere kringen en de rand van het valscherm wordt ook donker. Het doel van dit gedrag is waarschijnlijk om roofvijanden zolang af te schrikken dat de o. de tijd heeft om van kleur te veranderen, inkt uit te stoten en weg te schieten. Met hun grote hersenen en hun aanpassingsvermogen zijn o. het onderwerp geweest van een aantal interessante onderzoekingen omtrent leervermogen en hersenfunctie bij lagere dieren. In gevangenschap raken ze spoedig op hun gemak en wennen aan hun oppassers.

Aanval van een octopus
Een o. valt meestal alleen bewegende voorwerpen aan. Hij glijdt geruisloos naar zijn prooi toe, staat even stil en springt dan naar voren door plotseling een krachtige straal water naar achteren uit te stoten. Kleine prooien, hoofdzakelijk vis en schaaldieren worden gevangen onder het uitgespannen net tussen de armen en dan gegrepen met de papegaaiensnavelachtige hoornige kaken rond de mondopening. Tegelijkertijd scheidt hij een gif af, dat de prooi verlamt. Een gemiddelde o. eet ongeveer 25 kleine krabben per dag. Men leest vaak dat mensen door o. gegrepen worden en vastgehouden. Waarschijnlijk gebeurt dit ook wel eens en vooral in warme zeeën; het schijnt echter dat dit geen opzettelijke aanvallen zijn, maar meer het onderzoeken van een bewegend voorwerp en men heeft ondervonden dat, wanneer men zich rustig houdt, de o. het slachtoffer korte tijd aftast en dan laat gaan.

Koele hofmakerij
Bij de paring, welke verscheidene uren kan duren, zitten wijfje en mannetje apart. Er is bijna geen paringsspel, ofschoon het mannetje soms enige buitengewoon grote zuignappen aan de basis van het 2e paar armen laat zien, alsof hij avances wil maken bij het wijfje. Het enige contact dat hij met haar heeft, geschiedt door één enkele arm, die hij uitsteekt om haar te liefkozen. Deze arm is altijd de 3e arm aan de achterkant, die speciaal voor dit doel is gevormd  en een lepelvormig uiteinde heeft. Hij wordt de hectocotylusarm genoemd. Het uiteinde wordt in de mantelholte van het wijfje gebracht en de zaadcellen worden bij de opening van haar eileider afgezet in keurige pakketjes, spermatoforen genaamd. Een wijfje legt ca 150.000 eieren in ongeveer een week, ieder in een ovaal kapsel ter grootte van een rijstkorrel. Zij worden met korte stelen samengevoegd tot langere snoeren, die het hol van de moeder versieren. De moeder waakt gedurende een aantal weken over de eieren, maakt ze vaak schoon met haar armen of spuit er water over d.m.v. haar trechter. Gedurende deze tijd eet ze weinig. Ze kan weken vasten, bij één soort zelfs 4 maanden en bij een broedend wijfje in een aquarium zag men dat zij het voedsel dat bij haar gebracht werd, verplaatste en ver wegwierp. De kortarmige jongen zijn ca 3 mm lang wanneer ze uitkomen en zij zweven enige tijd rond voor zij hun eigen leven op de bodem beginnen; dan zijn ze 1,5 cm groot en enige weken oud. De gewone o. broedt zelden aan onze kust, wel worden er ieder jaar larven voor de Belgische kust waargenomen en in ongeveer een week trekken ze van Zeeland naar Den Helder.

Waar of niet waar
Er wordt soms beweerd dat de o. zich voeden met schelpdieren door stenen tussen de kleppen te steken, zodat ze niet meer dicht kunnen. Biologen uit vroeger eeuwen meenden dat een o. die een grote mossel niet open kon krijgen, in zo’n geval van een steen gebruik maakte. Dat is een aardig verhaal en hoeft niet onmiddellijk naar het rijk der fabelen te worden verwezen, maar toch hebben verschillende zoölogen tevergeefs getracht dit gedrag waar te nemen. Sommigen hebben daartoe met o. in aquaria geëxperimenteerd, maar zonder succes. Bovendien is het niet waarschijnlijk dat de o. ooit zulke ingewikkelde bewegingen kan uitvoeren. De moeilijkheid is dat de vorm van het lichaam te veranderlijk is, zodat het zenuwstelsel  zeer complex zou moeten zijn om rekening te houden met alle buigingen en krommingen in de armen en tegelijkertijd zo’n intelligente handeling te controleren en te beheersen.

De goed ontwikkelde ogen van de o. hebben een groot netvlies, waardoor zij een gezichtsveld hebben van 180’.

Bioloog Frans de Waal over de octopus:

‘Dat is een heel vreemd beest. Hij heeft ongewoon grote centrale hersenen, zeker voor een weekdier. Maar hij heeft ook nog eens zenuwknopen in al zijn acht armen en elk van zijn tweeduizend zuignappen. Die zijn allemaal verbonden, als een soort servers, waardoor hij op het internet lijkt. De octopus denkt met zijn hele lichaam, en dan kan hij ook nog licht waarnemen met zijn huid en communiceren door van kleur te veranderen.’

Bron: Trouw, 23-04-2016

Nog een paar gegevens:

Octopus   STAM Weekdieren  KLASSE  Koppotigen GESLACHT & SOORT Octopus vulgaris

De octopus is goed uitgerust voor zijn leven als jager en als prooidier, want hij bezit een geheim wapen. Binnen de plooien van zijn lichaam ligt een inktzak verborgen die hij gebruikt om zijn vijanden in de war te brengen.

Afmetingen

Lengte: tot 3 m, meestal kleiner ; Gewicht: tot 25 kg. Het vrouwtje is bij 1 kg volgroeid, het mannetje al bij 100 g

Voortplanting

Geslachtsrijp: vrouwtje met 18 maanden tot 2 jaar, het mannetje eerder Aantal eieren: tot 150.000 Ontwikkelingsduur: 4-6 weken

Leefwijze

Gedrag: solitair

Voedsel: hoofdzakelijk krabben, kreeften en mosselen Levensverwachting: het vrouwtje sterft meestal na de voortplanting op 2 jarige leeftijd; het mannetje leeft langer

Verwante soorten

Pijlinktvis, Sepia en Nautilus zijn verwante inktvissen. Zij behoren eveneens tot de mollusken (weekdieren).


Verspreidingsgebied van de octopus

Verspreiding

Over de hele wereld, maar bij voorkeur in warmere zeeën. Zodoende is hij vrij zeldzaam in de Noordzee.

Soortbescherming

In sommige gebieden is de octopus zeldzaam geworden door overbevissing. Alleen door zijn leefgebied te ontzien, kan men hun aantal weer doen toenemen.

Kenmerken van de octopus
Huid: lichtgevoelig; de huidskleur kan snel veranderen om zich aan de omgeving aan te passen.

Armen: acht armen. Ze dienen om te zwemmen, te kruipen, te vechten, om het nest te bouwen, de prooi te grijpen en ter verzorging van het broedsel. Zenuwuiteinden aan de zuignappen geven informatie door over de omgeving.

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld 4e klas: inktvis

.

225-213

.

.