VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (3) de hamster

.

Gerbert Grohmann

            ‘leesboek voor de dierkunde’

blz. 23                                                                                                       hoofdstuk 3

de hamster

Wanneer van iemand gezegd wordt dat hij hamstert, wil men daarmee tot uitdrukking brengen, dat hij dezelfde dwangmatige gewoonte-eigenschappen heeft, als het dier met deze naam. Overal denkt hij het eerst aan zichzelf; dat hij maar zoveel mogelijk kan vergaren en naar huis slepen. Dat ook anderen wat moeten hebben, daaraan denkt hij pas op het laatst. De echte hamster doet het net zo. Daarom is het eigenlijk ook een a-sociaal, ruziemakend dier. Maar omdat het nu eenmaal een dier en geen mens is, moest je maar niet al te boos op hem zijn. Wat hij doet en hoe hij zich gedraagt, hoort bij zijn natuurlijke gewoonten; zonder deze zou hij simpelweg niet kunnen bestaan. Hoe verstandig, zelfs slim hij daarbij te werk gaat en hoe ijverig hij is, zal hier worden beschreven.

Een hamster moet  hamsteren en hij kan niet anders, zelfs al wilde hij dat. Heel zijn manier van leven, als ook zijn lichaamsbouw is daarop ingesteld, wat je van een menselijke hamster toch niet zeggen kan.
Laten we eens kijken hoe hij zich gedragen moet, hoe zijn aard moet zijn en wat hij doen moet, wil hij een meester in het hamsteren zijn!

Wanneer in de herfst op de akkers de aren bruin worden, krijgt de verzamelwoede hem te pakken, want hij weet wel dat nu de gelegenheid gekomen is om te gaan zorgen voor de tijd dat hij het in zijn hol onder de grond moet volhouden. Zelfs in de lente is er op aarde nog geen genoeg voedsel voor hem, hoogstens wat groene sprieten en jonge halmen. Tegen de oogsttijd echter gaat hij met zijn verzamelwoede de korenvelden in, buigt de halmen om of bijt ze doormidden, zodat ze omvallen. Dan pakt hij de aren stevig en handig met zijn beide voorpoten vast, draait ze, trekt ze door zijn bek, haalt zo de korrels eruit en stopt ze behendig in zijn grote wangzakken. Pas wanneer deze dik en vol zijn, neemt hij de kortste weg naar huis, want een hamster woont meestal meteen midden in het korenveld, alsof hij dat zelf bebouwd heeft.
De hamster is ook niet zo’n goede loper, die makkelijk grote afstanden aflegt. Hij moet met zijn korte pootjes en bijna kruipende gang, waarbij de buik tot op de grond komt, eerder onbeholpen genoemd worden. Met zulke pootjes kun je je weliswaar in de gangen onder de grond voortreffelijk bewegen, op de grond moet je voortdurend op je hoede zijn, dat iemand je onderweg niet te pakken krijgt. Als een hamster met volle wangzakken op de weg naar huis verrast wordt, wrijft hij met zijn pootjes zo vlug mogelijk zijn wangzakken leeg. Het kan zijn dat hij alleen maar op zijn achterpootjes gaat zitten, zich groot maakt en onderzoekt hoe erg het gevaar is.
Zo zijn de hamsters in de herfst rusteloos aan het werk, tot de oogst binnen is.
Laten we nu eerst eens kijken hoe een hamster begint zijn hol te graven. Hij graaft het met zijn eigen pootjes. Aan zijn achterpoten heeft hij vijf tenen, voor heeft hij er vier, omdat de vijfde gevormd is als een soort begin van een duim.
Eerst wordt er een schuin naar beneden lopende gang, het sluipgat, gegraven. Vlug wroeten de voorpootjes, terwijl de kop steeds verder naar beneden gaat. De gang loopt niet lijnrecht, maar met onregelmatige bochten. Diep beneden wordt die dan vergroot tot woon- en nestkamer. De naar buiten geworpen aarde blijft gewoon voor het gat liggen. Dan wordt er vanuit de woonkamer loodrecht naar boven het valgat gemaakt. Dat heet zo, omdat de hamster zich daar later van bovenaf in kan laten vallen of naar binnen stormen. Vaak worden er meerdere valgaten gegraven, en omdat dit gebeurt van onder naar boven, ligt voor deze uitgangen, of liever gezegd ingangen ook geen naar buiten geworpen aarde. Toegang tot de voorraadkamers wordt ten slotte vanuit de woonkamer gegraven in verschillende richtingen.
Wat je al wel kan bedenken is, dat niet iedere bodemsoort zomaar meteen geschikt is voor een hamsterhol. Allereerst zijn weiden en bossen niet geschikt, ook mag de bodem niet stenig zijn of zelfs maar rotsachtig. Is deze te los of te zanderig, dan zouden de gangen instorten. Dat vochtige of zelfs natte gronden geen plaats kunnen zijn voor een hamsterwoning spreekt voor zich. Dus niet alleen het voedsel bepaalt waar hij kan leven, de bouw en de vormgeving vormen voor hem zogezegd de andere helft van zijn bestaansvoorwaarden. Vallen echter een geschikte bodem en een gunstige voeding samen, dan zijn de hamsters er vlug bij en komen er wonen. Hun woongebied strekt zich uit van de Vogezen tot de Oeral. In Thüringen kwamen bijzonder veel hamsters voor. Het zijn eigenlijk steppedieren en op de korenvelden voelen ze zich thuis, omdat ze deze als steppen zien.
De valgang kan een diepte hebben van 1 – 2 meter. Al naar gelang de leeftijd en de grootte van de bewoner is deze 5 – 8 centimer in doorsnee. Omdat de hamster steeds maar in één richtug, namelijk van boven naar beneden, roetsjt, worden de wanden gedurende de tijd heel glad en wanneer ze niet meer glanzen, weet je zeker dat het hol verlaten is.
Ook aan het afval dat zich mettertijd voor de ingang van het hol verzamelt, kun je zien of er nog iemand in woont. Is wat eruit gegooid werd al beschimmeld, dan woont er zeker geen hamster meer in, want dan moest er vers afval liggen.
Hamsters zijn de meest solitair levende dieren die je je maar kan indenken. Ieder is angstig bezorgd, dat een ander hem zijn buit betwist. Ze vreten elkaar zelfs op, zoals ook de hamsters onder de mensen het liefst zouden doen.
Laten we eens luisteren naar het verslag dat de boswachter over hem geeft, die hem goed geobserveerd heeft. Hij is onverdraagzaam, heet het, boosaardig en een ruziemaker. Nee, wie zo geboren is, kan toch onmogelijk met anderen in één hol wonen. Een fanatiek boos-zijn beheerst heel het wezen van de hamsters en in die boosheid knort hij diep en hol, knarst met zijn tanden en klapt ze buitengewoon hard op elkaar. Dat is nu niet bepaald de beschrijving van een vriendelijk diertje. Daarbij wordt de hamster wel als onverschrokken en dapper afgeschilderd.Vóór de strijd slijpt hij zijn tanden en niet alleen naar honden, zelfs naar mensen springt hij moedig op. Het is echt geen pretje, wanneer zo’n woesteling plotseling aan je kleren hangt. Hij bijt zich ook vast in paarden en hij laat niet eerder los dan wanneer je hem doodslaat.
Moeten we nu ook de erge vijanden van de hamster noemen, dan is dat in de eerste plaats meester Reintje, de vos. Dat ook honden nu niet bepaald tot de hamstervrienden behoren, is wel vanzelfsprekend. Vanuit de lucht dreigt er door de roofvogels velerlei gevaar. Omdat hamsters overwegend nachtdieren zijn, moeten ze ook steeds oppassen voor uilen. Een heel bijzonder gevaarlijke vijand is de bunzing, omdat deze tot de weinige behoort die de hamster tot in zijn sluipgangen kan volgen. Waar het mogelijk is, maakt  die rover het zich zelf gemakkelijk in de geriefelijke gangen van de hamster. De gevaren waaraan de hamster overgeleverd is, zijn groot, ja, veel vijanden. Goed, dat hij daarom ook zoveel jongen ter wereld brengt!
Wie nu zou geloven dat de hamster een pure planteneter is, die vergist zich. Er wordt over hem gezegd, dat hij nog liever muizen vreet dan graan. Meikeverengerlingen zijn altijd welkom en wee het vogeltje dat zich laat verschalken! Dat de ene hamster ook de andere opvreet, werd al vermeld. Dan is de benaming ‘allesvreter’ voor de hamster toch wel zeer gepast!
De vrouwtjes moeten, wanneer ze bouwen, natuurlijk gelijk aan hun jongen denken, die tweemaal per jaar, namelijk in mei en juli, 6 – 18, ter wereld komen. Er moet dus meer ruimte uitgegraven worden. Hamsterkinderen komen blind ter wereld en doen pas na acht, negen dagen de ogen open. Maar wanneer spoedig de eerst zo tedere lievelingen zo groot geworden zijn dat ze zelf hun voedsel kunnen zoeken, worden ze door de moeder weggejaagd en zelfs gebeten, wanneer ze weer in hun kamertje terug zouden willen.
De hamster heeft een zeer mooi driekleurig vel met een gele, witte en zwarte tekening. Bovenop heeft hij een licht matgeel, de snuit en ook ogen en de band om de hals zijn roodbruin. De bek is wittig en aan iedere kant van de kop zit een gele wangvlek. Op het voorhoofd loopt een zwart streepje, de pootjes echter zijn wit. Is het niet een merkwaardig natuurfenomeen dat een dier dat in een hol woont en meestal ’s nachts naar buiten komt om voedsel te zoeken, zo opvallend bont getekend is. Als uitzonderingen komen er soms helemaal zwarte of helemaal witte hamsters voor. Zo kreeg de bozige isegrim met zijn gewilde vachtje een echte gesel opgelegd. Als hij al niet zou worden uitgegraven en gedood omdat hij op de akkers zoveel schade aanricht, dan toch wel omdat de mens hem zijn waardevolle jasje zou willen uittrekken. Die huid is overigens ook het enig nuttige aan een hamster.
De oren zijn zogezegd grote muizenoren, want ook de hamster is een knaagdier. De staart is erg klein. Hoe onhandig het dier met z’n korte pootjes aan zijn lijf, dat ook nog tot op de grond komt er ook uit mag zien – een flinke renner of behendige springer, zoals veel van zijn verwanten, is hij zeker niet -, hij beweegt zich in zijn gangen volmaakt. Ja, hij is voor een ondergronds leven gemaakt en op de aarde is hij bijna een vreemde. Zijn knaagtanden zijn bijzonder groot, zijn donkere ogen groot en mooi.
Dan werpen we nu nog een blik in het binnenste van de hamsterwoning om eens te kijken wat daar allemaal gebeurt. Die is verdeeld in een woon- of nestkamer en de voorraadkamers.* Hoeveel voorraadkamertjes een hamster aanlegt, hangt af van zijn leeftijd. Jonge hebben er maar één; oude rammelaars – zo noem je de mannetjes – leggen er meestal vier tot vijf aan. Wat daarin wordt opgeslagen, zijn gestolen goederen. Graan en zaden van iedere soort worden verzameld en opgeslagen en ze worden zo vast in elkaar geperst dat uitgravers ze soms alleen met een ijzeren gereedschap uit elkaar kunnen krabben. In de kleine kamers zoals de jonge hamsters die aanleggen, vind je meestal een tot drie pond aan voorraad, in de drie tot vijf grotere kamers van de oude mannetjes daarentegen vijf tot zes kilo. Naast korensoorten worden ook erwten, wikke, tuinbonen en andere vruchten, ja zelfs peentjes verzameld, al naar gelang van wat de gelegenheid biedt. Het geeft ook helemaal niets wanneer tijdens de eerste lentemaanden de voorraden iets beginnen te kiemen. Dan worden de jonge sprieten als een welkome afwisseling opgegeten. De verschillende veldvruchten worden niet volgens een bepaald plan in de kamers opgeslagen. Wanneer ze apart liggen, komt dat alleen omdat ze na elkaar geoogst zijn. Ondanks dat is de orde en netheid in het bouwwerk des te verbazingwekkender, want het is er toch stikdonker. Daar zal het neusje ook wel goed dienst doen.
Waarvoor gebruikt de hamster die grote voorraden eigenlijk? Hij hoeft toch alleen maar te gaan liggen en slapen, als hij de ingangen dichtgemaakt heeft! Wie slaapt, heeft geen honger. Maar dat doet de hamster niet meteen, wanneer hij zich in oktober in zijn donkere eenzaamheid terugtrekt. Dan stopt hij eerst alle toegangen van boven naar beneden heel goed dicht en verbergt dan zijn bestaan in een volledig afgesloten hol. Waarvan zou hij van nu af aan de weken tot hij inslaapt, wel dromen, daarbeneden? Dat kun je niet weten, maar hij slaapt niet, zoveel is zeker. Wanneer je hem namelijk weken later weer uitgraaft, is hij nog steeds wakker. En dan moet hij natuurlijk ook voedsel hebben gehad. Graaf je hem echter midden in de winter uit, dan slaapt hij diep en duurt het uren voordat hij een beetje tot zichzelf is gekomen. De temperatuur van het bloed is dan gedaald tot vier of vijf graden. Dus heeft de hamster rond deze tijd bijna helemaal geen eigen lichaamswarmte meer.
Hoe je een hamster die in zijn diepste winterslaap ligt, aantreft, heeft een natuuronderzoeker 150 jaar geleden zeer aanschouwelijk beschreven. Het nest heeft de grootte van een koeienblaas, heet het, en zit vol met het zachtste stro dat alleen uit de scheden van de halm bestaat en bijna aanvoelt als zijde. De daarop liggende hamster is er helemaal mee omhuld. Hij ligt, zo wordt verder verteld, op zijn zij, de kop onder zijn buik getrokken, de voorpootjes erover en de achterpootjes bij elkaar over de snuit. In deze verstarde houding ligt hij maar. Hij is zo schoon alsof hij gewassen is en alle haartjes, in het bijzonder van de baard, liggen keurig netjes. De hamsters zijn stijf, hun pootjes zijn heel moeilijk te buigen en wanneer je ze gebogen hebt, schieten ze, net als bij dode dieren, weer snel in de vorige houding. Ze voelen ijskoud aan, de ogen zijn dicht. Wanneer je ze opendoet, zien ze er licht en helder uit zoals bij de levende, maar ze gaan uit zichzelf weer dicht. Je merkt niets van een ademhaling en je kan het kloppen van het hartje niet voelen. Het lijkt of ze beroofd zijn van ieder gevoel en elke gewaarwording. Kortom, ze zijn een levend beeld van de dood. – Zo aanschouwelijk heeft de hamsteronderzoeker de winterslaap beschreven.
In zijn hol komt de hamster pas midden februari weer bij. Maar nu heeft hij nog geen zin om de gangen open te maken en naar buiten te gaan, veel eerder leidt hij eerst weer een bepaalde tijd een droomleven. Midden maart tenslotte krijgt hij zin om eens te gaan kijken hoe het buiten, daarboven in de wereld, er wel uitziet. Dan maakt hij de gangen open, knippert met de oogjes, ruikt in de lucht en waagt uiteindelijk de eerste verkennende stapjes.

Hamstertje, hamstertje, hoe zal het met je zijn als het weer oogsttijd is geweest? Buiten lopen niet alleen de verse halmen uit, ook vele gevaarlijke vijanden wachten op je: honden, bunzingen, roofvogels vanuit de lucht en niet in de laatste plaats de meest jaloerse van allemaal, de mens. Maar je moet het toch wagen. Je hebt recht om te leven, zoals alle andere ook willen leven, zelfs de mens.

Hamsterlein, Hamsterlein, hast du’s bedacht,
eh du dein Kammerlein aufgemacht?
Drunten lagst du, in guter Ruh
deckte dich fein Mutter Erde zu,
und auch die Fülle an Speise daneben
hatte sie dir mit ins Haus gegeben.
Rüste dich wohl, trotz vieler Gefahren
heisst es bald wieder – Schätze bewahren!

*wikipedia spreekt ook over een latrine

Grohmann: leesboek dierkunde: inhoudsopgave
.

Eigen vertaling van ‘Lesebuch der Tierkunde’
.

dierkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde

1133-1054

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (26)

.

opspattend grind

‘MUZIEKONDERWIJS VERBROEDERT’
.

In Trouw van 18 mei 2016 staat een heel aardig artikel over het muziekonderwijs in Zeeland en wel in Sint-Annaland. Op school Casembroot hoort de journaliste kleuters zingen, groep 4 blokfluitspelen en een orkestje repeteert.

Directeur Janet Hakkeling zegt: ‘Het verbroedert. Leerlingen die je op het schoolplein nooit samen ziet, staan tijdens de muziekles naast elkaar. De school is er een stuk gezelliger en rustiger op geworden sinds we zijn gestart met structurele muzieklessen.’

Uit het verslag blijkt dat maar 7% van het basisonderwijs wekelijks een muziekles geeft. (De vrijescholen scoren hier 100%, voeg ik eraan toe)

Uniek lijkt ook dat De Zeeuwse Muziekschool erbij betrokken is. Deze levert kennis die veel groepsleerkrachten (nog) niet hebben.

Ouders zijn blij, zoals Petra R. die met haar 8-jarige dochter liedjes zingt. ‘Het maakt mijn dochter vrolijk, ze neemt dat mee naar huis.’

Jan Hut, directeur van de Zeeuwse Muziekschool, wil dat de muziekles weer net zo belangrijk wordt als taal en rekenen……..

Rudolf Steiner:
Einem jungen Menschen wird viel für das ganze spätere Leben ent­zogen, dem in dieser Zeit nicht die Wohltat einer Pflege des musikalischen Sinnes zuteil wird.

Er wordt een mens voor zijn latere leven veel onthouden, wanneer hij als kind de weldadige werking van het muzikale in zijn opvoeding moet missen.
GA 34/339
Vertaald

.

mens en muziek

over het aanleren van het notenschrift

blokfluit spelen

Opspattend grind  [7]  [10]   [24]  [66]

Opspattend grind: alle artikelen

1132-1053

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schrijven en lezen (8)

.

tekst in blauw van mij; in groen van Steiner; in zwart de vertaling daarvan. ‘Niet vertaald’ wil zeggen: er is geen officiële vertaling; deze vertaling is dan van mij. Verbetersuggesties welkom: pieterhawitvlietatgmailpuntcom

LETTERS AANLEREN MET BEELDEN: HOE LANG GAAT HET DUREN?

Om een kind schrijven en lezen te leren heb je niet zoveel tijd nodig.
Er bestond ooit in Amerika een methode om kinderen vanaf 18 maanden! te leren lezen.
Het kan ook zeer zeker vroeger dan de tijd waarin het kind zijn tanden gaat wisselen.
En het hoeft niet zo lang te duren – dat heeft het programma Sesamstraat wel bewezen.
Dit programma, deze aanpak, is ontstaan om kinderen zo snel mogelijk en vooral zo vroeg mogelijk, van alles te leren. Hoe eerder, des te beter.

In Amerika konden vroeger niet alle kinderen naar school. Er waren ook arme wijken. De ouders konden school niet betalen. Maar toen Sesame Street in 1969 kwam, gingen die kinderen daarnaar kijken. Dus die kinderen kregen een soort thuisles!

Sesamstraat komt in 1974 naar Nederland:
In de proefuitzending verkoopt Adèle Bloemendaal letters van piepschuim van een handkarretje. “Die scène is wel heel expliciet”, vindt Aart Staartjes, regisseur van en acteur in het huidige Sesamstraat. “Dat zouden we nu niet meer doen. Het is beter om per ongeluk een letter te ontdekken dan kinderen maar meteen het hele alfabet in de strot te duwen.”

In Nederland bestond de Amerikaanse noodzaak – er is/was daar geen peuter-kleuteronderwijs – niet. Maar daarvoor zijn andere ‘noodzaken’ in de plaats gekomen. En zullen er altijd noodzaken gevonden worden – afhankelijk van de politieke visie van beleidsmakers.

Anno 2016 is de noodzaak ‘kenniseconomie’. Mee kunnen doen op de arbeidsmarkt; sterk kunnen concurreren: kennis is macht.
Regelmatig worden ideeën gelanceerd om het jonge kind maar snel aan het leren te krijgen.

Dus wat vlug kan, moet ook vlug.

En als dat tempo de norm wordt – en dat is het geworden – is een langzamer tempo per definitie een ‘achterlopen’.

Wat het schrijven en lezen op de vrijeschool betreft: ja het tempo ligt lager dan de normen die in de voorbije decennia golden en zeer zeker nog zullen blijven gelden. (1)

Een snack werk je nu eenmaal sneller naar binnen dan een verzorgde maaltijd!

Voor de vrijeschoolpedagogie is echter HET KIND de norm: hoe het zich ontwikkelt en de tijd die het voor die ontwikkeling nodig heeft. (En krijgt…!!!)

In deel [5] en [6] wordt daarop uitvoerig ingegaan.

In GA 298 ‘Rudolf Steiner in de vrijeschool’ staan verschillende toespraken die hij voor (nieuwe) ouders hield, op ouderavonden bijv.:
opmerkingen over het later leren schrijven en lezen:

.

Wenn man daher die Buchstaben so einfach den Kindern lehrt, wie sie ja in langer Entwicklung erst geworden sind, dann zwingt man das Kind an etwas ihm Fremdes heran. Von dem, was das Kind gerne hinzeichnet, was es aus seinem ganzen Wesen heraus macht, muß man es vernünftig, verständig hinüberführen zu den Buchstabenformen. Dann erst kann man das Lesen daraus entwickeln.Wenn man dagegen in der richtigen Weise vorgegangen ist, dann hat das Kind erst mit acht Jahren lesen und schreiben gelernt, aber so, daß im Lernen Lebenskräfte in ihm entstanden sind. Und das wollen wir. Wir wollen, daß das Kind Lebenskraft aus der Schule heraus erlangt, die immer wieder und wiederum in dem Kinde das ganze Leben hindurch nachwirkt.
.

Wanneer je echter de letters zo simpelweg de kinderen aanleert als ze pas gedurende een lange ontwikkeling zijn geworden, dan dwing je het kind iets op wat voor hem vreemd is. Vanuit wat een kind graag tekent, wat uit zijn hele wezen komt, moet je het verstandig bij de letters laten komen. Dan pas kun je daar het lezen uit ontwikkelen. En wanneer je dan op de juiste manier gewerkt hebr, heeft het kind pas op z’n achtste leren lezen en schrijven, maar zo, dat er tijdens het leren levenskrachten aangeboord zijn. En dat willen we. We willen dat het kind door de school levenskracht krijgt, die in het hele leven voortdurend doorwerken.
GA 298/74-75
Niet vertaald
.

Op een ouderavond – 13 januari 1921 – wordt het volgende aan de orde gesteld:
.

Es wurde nun darüber geklagt, daß die Kinder in der zweiten Klasse noch nicht so gut lesen können wie in der Volksschule. (  )
.

Er wordt geklaagd dat de kinderen in de tweede klas nog niet zo goed kunnen lezen zoals in het reguliere onderwijs (  )
.

Dr.Steiner erwidert
Was das Lesen und Schreiben zur rechten Zeit anbetrifft, so möchte ich noch folgendes sagen: Es ist ja gewiß nach den Gewohnheiten, die man heute hat, etwas deprimierend, wenn man sieht, daß ein Kind schon in die zweite Klasse geht und noch nicht richtig abplappern kann dasjenige, was da in kleinen Gespenstern auf dem Papier steht. Aber dem steht manche Erfahrung gegenüber, die besseres lehrt. – Es ist ja nicht notwendig, daß man das Leben nur nach ganz kurzen Zeiträumen beurteilt. Ich habe Menschen kennengelernt, die haben etwa im acht­zehnten, neunzehnten Jahr außerordentlich gut ihr Lesen und Schreiben verwendet in geschickter Anwendung, weil sie zum Beispiel gezwungen waren, früh einen Beruf zu ergreifen; das bringt das Leben ja manchmal mit sich. Ich habe solche Menschen beobachtet, die sich geschickt früh in einen Beruf eingeordnet haben, und ich habe solche kennengelernt, die sich ungeschickt in einen Beruf eingeordnet haben. Nun forschen Sie nach bei denjenigen, die sich, durch das Leben gezwungen, irgendwie in einen Beruf hineinstellen müssen, ob die im achtzehnten, neunzehnten Jahr Geschickten nun diejenigen sind, die ganz früh, viel zu früh herplappern gelernt haben das, was in kleinen Gespenstern auf dem Papier steht, oder ob es diejenigen sind, die das etwas später gelernt haben. Es handelt sich doch darum, daß für das Leben in der richtigen Weise die Sachen gelernt werden. Und das ist dasjenige, was gerade bei unserer Methode sorgfältig eingehalten wird. Ich möchte, daß Sie darauf aufmerksam würden, daß man überhaupt manchmal die Dinge nicht im richtigen Lebenszusammenhang beobachtet. Ich habe Menschen ken­nengelernt, die einen sehr, sehr guten Stil hatten, die gute Briefe schrie­ben. Da konnte man dann nachforschen: Welchem Umstande verdanken
.

Dr. Steiner antwoordt:
Wat het lezen en schrijven op de juiste tijd betreft, zou ik nog het volgende willen zeggen: zeer zeker heeft het iets deprimerends wanneer je ziet dat met wat men tegenwoordig gewend is, een kind al in de tweede klas zit en nog niet goed kan oplepelen wat er in die kleine spookjes op papier staat. Maar daartegenover staan betere ervaringen die iets anders laten zien. Het is niet noodzakelijk om het leven te beoordelen over een korte spanne tijds. Ik heb mensen leren kennen die op hun achttiende, negentiende jaar het schrijven en lezen buitengewoon goed en adequaat konden gebruiken, terwijl ze bijv. gedwongen waren om vroeg een beroep te kiezen; dat brengt het leven nu eenmaal mee. Ik heb die mensen waargenomen die al vroeg op een bekwame manier in het beroepsleven stonden en ik heb er ook leren kennen die ongeschikt waren. Nu zou je eens moeten onderzoeken bij degenen die door het leven gedwongen op de een of andere manier een plaats moesten vinden in een beroep, die op hun achttiende, negentiende jaar dat kunnen of die heel vroeg, veel te vroeg geleerd hebben op te lepelen wat in kleine spookjes op papier staat, of dat het degenen zijn die dat wat later geleerd hebben. Het gaat er toch om dat de dingen voor het leven toch op een juiste manier worden geleerd. En dat is nu juist wat wij bij onze methode serieus nemen. Ik zou willen dat U in de gaten zou krijgen dat men de dingen niet in de juiste samenhang met het leven ziet. Ik heb mensen leren kennen die hadden een zeer goede stijl van brieven schrijven. Dan kon je napluizen: aan welke omstandigheden danken

blz. 84

sie das? Und ich muß Ihnen ganz offen gestehen, daß sich mir ergeben hat: es waren meistens solche Menschen, die im achten, neunten Jahr noch die gräßlichsten Fehler gemacht haben. Sie haben dann im zehnten, elften Jahr erst gelernt, diese Fehler abzulegen. Dadurch sind sie gerade zu einer ganz besonderen Tüchtigkeit gekommen. Diese Dinge sind eben kompliziert, und man muß schon darauf sehen, wie unsere Unterrichts-methode eben aus einer durchgreifenden Menschenkenntnis hervorgeht. Dann wird man sich daran gewöhnen, daß manches an die Kinder zu anderen Zeiten herantritt, als man es sonst gewöhnt ist. Nicht wahr, wenn es immer so gewesen wäre, daß man als strenge Regel aufgestellt hätte: Es ist schädlich, daß ein Kind vor dem achten Jahr schon lesen kann, dann würden heute die Leute sich nicht darüber wundern, daß es noch nicht lesen kann. Jetzt findet man es schlimm. Aber da liegt ja eben das, was Sie eben selbst gesagt haben: Die Waldorfschule soll eben zum Richtigen hinführen und nicht mit dem Falschen Kompromisse schließen.
.

zij dat? En ik moet het U eerlijk bekennen dat het mij gebleken is: het waren meestal mensen die als acht- negenjarige nog de afschuwelijkste fouten maakten. Pas op hun tiende, elfde jaar maakten zij die niet meer. Daardoor juist zijn ze tot een bepaalde handigheid gekomen. Dit soort dingen is wel gecompliceerd en je moet er wel op letten dat onze onderwijsmethode ook het gevolg is van een diepgaande menskunde.
Dan raak je er vertrouwd mee dat er voor de kinderen veel dingen op andere tijdstippen komen, dan men zo gewend is. Niet waar, wanneer het steeds zo was geweest dat men als een strikte regel gesteld had: het is nadelig dat een kind vóór zijn achtste jaar al kan lezen, dan zouden de mensen zich er niet over verbazen dat het nog niet lezen.  kan. Nu vindt men dit ernstig. Maar dat zit hem in wat U net zelf hebt gezegd: de vrijeschool moet tot iets leiden wat waar is en geen compromissen sluiten met wat niet waar is.
GA 298/84
Niet vertaald

===

Op 9 mei 1922:

Sie wissen ja, wir beginnen nicht so mit dem Lesen- und Schreibenlernen, wie das heute vielfach geschieht. Wir entwickeln, indem wir mit dem Schreibenlernen beginnen, die Buchstabenformen, die sonst dem Kinde fremd sind, aus dem heraus, zu dem das Kind mit in­nerem Behagen sich hinwendet aus einer Art künstlerischer Tätigkeit, künstlerischem Formensinn. Unsere Kinder kommen dadurch et­was später dazu, Schreiben und Lesen zu lernen, weil ja, wenn man die Natur des Kindes berücksichtigt, das Lesen nach dem Schreiben kommen muß.
Nun wenden sich die, die in die alten Anschauungen eingewöhnt sind, dagegen und sagen: da lernen die Kinder viel später Lesen und Schreiben als in anderen Schulen. – Warum lernt das Kind in der anderen Schule früher Lesen und Schreiben? Weil man nicht weiß, welches Lebensalter gut ist dazu, um Lesen und Schreiben zu können. Erst legen wir uns die Frage vor, ob es überhaupt berechtigt ist, zu verlangen, daß das Kind schon im achten Jahr mit einer gewissen Fertigkeit lesen können, schreiben können soll.
Wenn man diese Anschauungen weiter ausdehnt, dann entwickeln sich solche weitergehenden Ansichten, wie wir sie in einer merkwürdi­gen Weise erfahren können. Wer Goethe genau kennt, der kann auch wissen: Wenn man mit dem, was für einen zwölfjährigen Jungen heute schulmäßige Anforderungen sind, an Goethe herangeht und sich fragt, hat Goethe das wirklich so gekonnt? – wird man sehen, er hat es nicht einmal mit sechzehn Jahren gekonnt und ist doch der Goethe geworden.

blz. 129

U weet dat wij niet zo met lees- en schrijfles beginnen als dat tegenwoordig gebeurt. Wanneer we met het schrijfonderwijs beginnen, leren we de letters, die anders vreemd zijn voor het kind, vanuit iets wat het kind met een innerlijk plezier doet, vanuit een vorm van kunstzinnig bezigzijn, vanuit zijn kunstzinnig gevoel voor vormen. Onze kinderen komen daardoor wat later tot schrijven en lezen, omdat je, de natuur van het kind volgend, lezen na schrijven moet komen.
Degenen die vasthouden aan de oude gewoonten hebben er bezwaar tegen en zeggen: op de vrijeschool leren de kinderen veel later lezen en schrijven dan op andere scholen. – Waarom leert een kind op een andere school vroeger lezen en schrijven? Omdat men niet weet wat voor leeftijd geschikt is om te kunnen lezen en schrijven. Eerst stellen we ons de vraag of dat nu echt wel nodig is dat we willen dat een kind al op z’n achtste met een zekere vaardigheid moet kunnen lezen, kunnen schrijven.
Wanneer je deze gezichtspunten verder denkt, ontwikkelen ze zich verdergaand tot opvattingen die we op een bijzondere manier kunnen ervaren. Wie Goethe goed genoeg kent, kan weten: wanneer je Goethe zou benaderen met wat van een twaalfjarige jongen op school verlangd mag worden en zich zou afvragen, zou Goethe dit echt gekund hebben? – zou gezien hebben dat hij dat nog niet eens op z’n zestiende kon en hij is toch dè Goethe geworden.

blz. 130

Osterreich hatte einen bedeutenden Dichter, Robert Hamerling. Er hat natürlich in seiner Jugend sich nicht vorgenommen, ein Dichter zu werden, das machte sein Genie, aber er wollte Mittelschullehrer werden. Er hatte eine Lehramtsprüfung abgelegt. In seinem Zeugnis steht, daß er im Lateinischen und Griechischen ganz außerordentlich gute Kenntnisse aufgewiesen habe, daß er aber nicht fähig sei, die deutsche Sprache zu handhaben, sondern daß er nur für die unterste Klasse zum Unterricht tauge. Aber er wurde der bedeutendste neuere Dichter Österreichs. Er hat in der deutschen Sprache und nicht in der slowakischen Sprache geschrieben.
An dem Leben müssen eben die pädagogischen Impulse gemessen werden. Und das ist das Wesentliche unserer Pädagogik, daß wir das ganze Leben des Kindes im Auge haben und daß wir wissen: wenn wir dem Kinde etwas im siebenten, achten Lebensjahr beibringen, so muß es so beigebracht werden, daß es mit dem Kinde heranwächst, daß das Kind das noch im dreißigsten, vierzigsten Jahre hat, daß man das ganze Leben etwas hat davon. Sehen Sie, da ist es so, daß gerade diejenigen Kinder, die mit acht Jahren perfekt lesen und schreiben können, daß die mit Bezug auf gewisse innere seelische Gesundheitsimpulse verkümmern. Ja, rich­tig verkümmern. Es ist ein großes Glück, wenn man mit acht Jahren noch nicht so lesen und schreiben kann, wie es heute verlangt wird. Es ist ein großes Glück für die leibliche und seelische Gesundheit.
.

Oostenrijk had een belangrijk dichter, Robert Hamerling. Hij was natuurlijk in zijn jeugd niet van plan dichter te worden, dat kwam door zijn begaafdheid, maar hij wilde leraar op een middelbare school worden. Hij deed zijn onderwijzersexamen. In zijn rapport staat dat hij buitengewoon goede keniis heeft van Latijn en ‘Grieks, maar dat hij niet in staat is Duits te geven, en alleen geschikt is voor het onderwijs in de laagste klas. Maar hij werd wel de belangrijkste nieuwere dichter van Oostenrijk. En hij heeft in het Duits geschreven en niet in het Slowaaks.
De pedagogische impulsen moeten nu eenmaal afgemeten worden aan het leven. En het wezenlijke van onze pedagogiek is, dat wij oog hebben voor het hele leven van het kind en dat wij weten: wanneer we het kind op z’n zevende, achtste jaar iets bijbrengen, dan moet dat zo worden bijgebracht, dat het met het kind meegroeien kan, dat het kind op z’n dertigste, veertigste jaar daar nog iets van bijgebleven is, dat er het hele leven iets van bij blijft. Ziet u, het is zo dat juist die kinderen die met acht jaar perfect kunnen lezen en schrijven, met betrekking tot bepaalde psychische gezondheidsimpulsen tekort komen. Ja, echt verkommeren. Het is een grote weldaad wanneer je op je achtste nog niet zo kan lezen en schrijven als men tegenwoordig eist. Een grote weldaad voor je vitale en psychische gezondheid.
GA 298/129-130
Niet vertaald

====

Und daß diese Kinder – ich habe es überall angeführt -, daß Gottseidank unsere Kinder erst im achten oder neunten Jahr lesen lernen.
.

En dat deze kinderen – ik heb het overal naar voren gebracht – dat goddank onze kinderen pas op hun achtste of negende leren lezen.
GA 300B/65
Niet vertaald

====

Insbesondere ist dann der Moment von einer ganz besonderen erzieherischen Wichtigkeit, durch den man die Schriftformen herausspringen läßt aus dem, was man rein künstlerisch geleitet hat, und aus den Schriftformen erst die Formen, die dem Lesen zugrunde liegen. So daß also der Unterricht in der Waldorfschule ausgeht von einem rein Künstlerischen. Er entwickelt aus dem Künstlerischen zum Beispiel -neben anderem, ich will das alles nur illustrieren – das Schreiben, aus dem Schreiben heraus erst das Lesen. Dadurch entwickelt man das Kind ganz im Sinne derjenigen Kräfte, die nach und nach aus der kindlichen Natur wirklich heraus wollen. Dadurch trägt man in Wahr­heit gar nichts Fremdes in das Kind hinein, und es ergibt sich ganz von selbst, daß man bis gegen das 9. Jahr hin es erreichen kann, daß das Kind das Zeichnen zum Schreiben und auch zum Lesen gebracht hat. Das ist von einer ganz besonderen Wichtigkeit, weil in den Fällen, wo man das gegen die Kräfte der Menschennatur, nicht mit den Kräften der Menschennatur erzieherisch entwickelt, man dem Menschen für das ganze Leben schadet.
.

Met name is dan het ogenblik waarop je de schrijfvormen tevoorschijn laat komen uit wat je puur kunstzinnig geleid hebt, van een bijzonder pedagogisch belang en dan uit de schrijfvormen de vormen die de basis vormen voor het lezen. Zodat dus het onderwijs op de vrijeschool uitgaat van een puur kunstzinnig iets. Uit dit kunstzinnige bijv. wordt – naast andere dingen, ik wil het slechts illustreren – het schrijven en daaruit pas het lezen ontwikkeld. Daardoor ontwikkel je het kind geheel in overeenstemming met die krachten die beetje voor beetje uit de natuur van het kind zich daadwerkelijk willen manifesteren. Daardoor zadel je het kind niet op met iets wezensvreemd en het gaat helemaal vanzelf dat je tegen het 9e jaar kan bereiken dat het kind het tekenen tot schrijven en ook tot lezen heeft gebracht. Dat is heel belangrijk, omdat je in die situaties waarin je tegen de krachten van de mensennatuur werkt en niet met deze krachten, je de mensennatuur opvoedend ontwikkelt en de mens voor zijn hele leven tekort doet.
GA 301/80-81
niet vertaald

====

Es ist mir immer auch wiederum ein grosser Schmerz, dass man schon das sechste Lebensjahr der Kinder als das schulpflichtige Alter einführt. Sie sollen eigentlich erst im siebenten Lebensjahre in die Schule geführt werden. Ich war immer wirklich ganz besonders befriedigt – Sie mögen mir das meinet­willen als barbarisch auslegen -, wenn in anthroposophischen Familien die Kinder mit acht Jahren wirklich noch nichts vom Schreiben ver­standen haben und vom Lesen; denn dasjenige, was man nach den vor­handenen Kräften erst später bewältigen kann, ohne daß man sich die physische Organisation zerstört, das soll nicht in ein früheres Lebens­alter hineingepfropft werden.
.

Het is voor mij dan steeds ook weer erg pijnlijk dat men de leerplicht voor kinderen al invoert vanaf het zesde levensjaar. Zij zouden eigenlijk pas op zevenjarige leeftijd naar school gestuurd moeten worden. Ik was er altijd heel tevreden over – voor mijn part kunt u het barbaars noemen — als in antroposofische gezinnen de kinde­ren met acht jaar echt nog niets van schrijven en lezen begre­pen. Want wat je met de aanwezige krachten pas later kunt beheersen zonder dat je de fysieke organisatie verwoest, dat moet niet op vroegere leeftijd erin gepropt worden.
GA 303/136-137
Vertaald/148

===

Steiner verwijst hier naar een lettervorm die hij kort hiervoor heeft behandeld – voorbeeld 11 –
.

Man wird ja natürlich dadurch das Kind nicht so früh beim Schrei­ben haben, wie man es sonst hat.
Wir haben in der Waldorfschule Elternabende eingerichtet, wo die Eltern der Kinder zusammenkom­men, ohne die Kinder, und da wird manches, was dann die Eltern als Folge der Waldorfschul-Erziehung bemerken, besprochen. Dann kom­men manche Eltern mit ihrem Kummer und finden, ihr achtjähriges Kind kann noch immer nicht ordentlich schreiben. Man muß dann den Eltern die Auskunft geben, daß das ein Glück ist für das Kind, denn es verwebt dadurch diese ganze Kunst des Schreibens eben mehr mit seinem Wesen, daß es in dem richtigen Lebensalter in das Schreiben hineinkommt und auf eine menschlichere Art, als dann, wenn etwas ganz Fremdes an das Kind herangebracht wird, was das Ergebnis einer menschlichen Zivilisation ist, und ganz gewiß gar keine innerliche Be­ziehung zu dem Kinde hat, wenn man nicht erst die innerliche Bezie­hung schafft. Wir müssen natürlich die Kinder immer weiter unter­richten; aber wir müssen das auf menschliche Art tun.
.

Het kind zal dan natuurlijk niet zo vroeg kunnen schrijven als anders het geval is. – We hebben op de vrijeschool ouder­avonden ingevoerd waarop de ouders van de kinderen bij elkaar komen zonder de kinderen erbij. Daar worden dan vele zaken besproken die de ouders als gevolg van de vrijeschoolopvoeding waarnemen. Dan komen sommige ouders met hun zorgen, omdat ze merken dat hun achtjarig kind nog steeds niet behoorlijk kan schrijven. Je moet de ouders dan uitleggen dat dit een geluk is voor het kind, want door de vrijeschoolmanier verweeft het de hele kunst van het schrij­ven meer met zijn wezen. Zo begint het kind te schrijven op een leeftijd die daar meer geschikt voor is. Het leert dan beter en op een meer menselijke manier schrijven dan als het kind iets geleerd wordt wat levensvreemd is, iets wat het resultaat is van de menselijke beschaving en absoluut geen innerlijke rela­tie tot het kind heeft. Die innerlijke relatie moeten wij eerst zelf scheppen. We moeten de kinderen natuurlijk steeds ver­der onderwijzen; maar we moeten dat op een menselijke manier doen.
GA 303/169
Vertaald/181

====

Dit komt ook naar voren in GA 305 – voorbeeld 15

Und so werden Sie, wenn Sie nicht intellektualistisch, sondern spiri­tuell, imaginativ vorzugehen versuchen, alles aus dem Kinde heraus­holen können, was nach und nach dazu führt, daß das Kind schreiben lernt. Es lernt langsamer schreiben, als es heute oftmals schreiben lernt. Aber wenn dann die Eltern kommen und sagen: Mein Kind ist acht Jahre alt, neun Jahre alt, und kann noch nicht gut schreiben! – so müssen wir ihnen immer sagen: Alles dasjenige, was langsamer gelernt wird in einem gewissen Lebensalter, das lebt sich sicherer und gesunder in den Lebensorganismus hinein, als was hineingepfropft wird.
.

En zo zult u, wanneer u niet intellectualistisch, maar spiritueel, imaginatief tracht te handelen, alles vanuit het kind kunnen laten komen, wat er langzamerhand toe leidt dat het kind leert schrijven. Het duurt langer voordat het kan schrijven dan dat tegenwoordig het geval is. maar als dan de ouders komen klagen dat het kind op zijn achtste, negende jaar nog niet goed kan schrijven, dan moeten wij steeds tegen hen zeggen: Al hetgeen op een bepaalde leeftijd langzamer geleerd wordt, wordt op een zekerder en gezondere wijze in het levensorganisme ingevoerd dan hetgeen er ingestampt wordt.
GA 305/99
vertaald/104 (2)
Nu: opvoeding en kunst. Eerder: Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst
.

So sind wir in der Waldorfschule in der Lage, aus dem Künstlerischen heraus das Schreiben zu lehren. Dann läßt sich das Lesen nachher wie von selbst lernen. Es kommt etwas später als gewöhnlich, aber es läßt sich wie von selbst lernen.
.

Zo zijn wij op de vrijeschool in de gelegenheid het schrijven aan te leren vanuit het kunstzinnige. het lren lezen gaat daarna als vanzelf. Het komt later dan gewoonlijk, maar het gaat als vanzelf.
GA 305/101
vertaald/106 (2)
Nu: opvoeding en kunst. Eerder: Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst (1977)

===

In GA 306 gaat Steiner ook in op de manier van het aanleren van een letter – voorbeeld 16/17 – en de consequentie daarvan voor het tijdstip waarop een kind kan lezen.
.

Denn wenn man anfängt, in einer solch ganz naturgemäßen Weise die Kinder zu unterrichten, dann lernen sie etwas später lesen, als man es heute verlangt. Wenn dann die Kinder von einer solchen Schule übertreten in eine andere Schule, dann können sie noch nicht soviel wie die Kinder der anderen Schule. Ja, aber es kommt doch gar nicht darauf an, was man sich aus dem materialistischen Kulturzeitalter für eine Vorstellung darüber gebildet hat, was das Kind mit acht Jahren können soll. Sondern es kommt darauf an, daß es vielleicht gar nicht gut ist für das Kind, wenn es zu früh lesen lernt. Denn da sperrt man auch wiederum für das spätere Leben etwas zu, wenn das Kind zu früh lesen lernt. Lernt das Kind zu früh lesen, dann führt man es zu früh in die Abstraktheit hinein. Und Sie würden unzählige spätere Sklerotiker beglücken für ihr Leben, wenn Sie ihnen nicht zu früh das Lesen bei brächten als Kinder.
.

Want wanneer je dan begint op zo’n heel natuurlijke manier de kinderen les te geven, dan leren ze wat later lezen dan men tegenwoordigt eist. Wanneer de kinderen dan van een dergelijke school naar een andere gaan, kunnen zij nog niet zoveel als de kinderen van de andere school. Ja maar, het komt er toch helemaal niet op aan wat voor een voorstelling men zich gevormd heeft in dit materialistische cultuurtijdperk van wat een kind op z’n achtste moet kunnen. Maar het komt erop aan, dat het misschien helemaal niet goed is voor kind, wanneer het te vroeg leert lezen. Want je blokkeert weer iets voor later als je een kind te vroeg leert lezen. Leert een kind te vroeg lezen, dan breng je het te snel in de wereld van de abstractie. En je zou ontelbare latere sclerotici een groot plezier doen in hun leven, wanneer je hen niet te vroeg als kind leert lezen.
GA 306/82
Niet vertaald

===

In GA 306 gaat Steiner ook in op de verschillende leesmethoden. Uiteraard is er weer sprake van allereerst uit de fantasie en de beweging de letters aanleren [5] en dan vanuit het geheel naar de delen – analytisch lezend – te werk gaan. [7]
.

Und dann werden wir sehen, daß es noch reichlich genügt, wenn wir auf diese Weise etwa bis nach dem 9. Jahr das Kind dazu bringen, daß es lesen kann. Es schadet nämlich gar nichts, wenn das Kind nicht früher lesen kann, denn es hat auf naturgemäße Weise das Lesen gelernt, wenn es in der eben geschilderten Art gelernt hat und etwa ein paar Monate über neun Jahre alt ist. Bei verschiedenen Kin­dern kann es etwas früher oder später sein.
.

En dan zullen we zien dat het rijkelijk volstaat, als we langs deze weg het kind iets na zijn negende ertoe brengen dat het kan lezen. Het kan namelijk helemaal geen kwaad als het kind nog niet eerder kan lezen, want het heeft op een natuurlijke manier leren lezen, wanneer het dat op de zojuist geschetste manier heeft geleerd en 9 jaar en een paar maanden is. Bij enkele kinderen kan dit iets eerder of iets later zijn.
GA 306/89
Niet vertaald

===

Vielleicht müssen Sie durch das alles, was hier verlangt wird, aus dem malenden Zeichnen, dem zeichnenden Malen das Lesen zu entwickeln, länger brauchen, um das Lesen an das Kind heranzubringen. Aber in dem Lebensalter, wo es dann darankommt, ist es dann doch eben möglich, das Lesen wirklich richtig an das Kind heranzubringen, ohne daß es im Körper, im ganzen Menschen zu flüchtig sitzt – wie es auch sein kann – und ohne daß es zu tief im Menschen drinnen sitzt und ihm förmlich jeder Buchstabe einen Ritz macht in der menschlichen Wesenheit.
.

Misschien heb je door alles wat hier gevraagd wordt, om uit het schilderend tekenen, het tekenend schilderen het lezen te ontwikkelen, langer nodig om het kind te leren lezen. Maar op de leeftijd waarop het er dan op aankomt, is het toch mogelijk het kind echt goed te leren lezen, zonder dat het te vluchtig in het lijf, in de hele mens zit – zoals ook kan – en zonder dat het te diep zit in de mens waarbij letterlijk iedere letter een kras maakt in het mensenwezen.
GA 306/113
Niet vertaald

===

In GA 309 gaat Steiner uitgebreid in op het aanleren van letters – voorbeeld 24/25/26 – en daarna:
.

Da wird man etwas länger brauchen zum Schreiben- und Lesenlernen; allein es ist dabei auch die viel gesundere Entwicklung für das ganze Erdenleben von der Geburt bis zum Tode berücksichtigt.
.

Dan zul je voor schrijven en lezen wat meer tijd nodig hebben; alleen is daarbij ook met de veel gezondere ontwikkeling voor het hele aardenleven van de geboorte tot aan de dood rekening gehouden.
GA 309/57
Vertaald/57

===

Op soortgelijke manier gaat dat in GA 310:
.

Indem wir diese Art, den Unterricht fortzuführen, in der Waldorf­schule gepflegt haben, hat sich herausgestellt, daß unsere Kinder etwas später als sonst Lesen lernen, sogar etwas später erst zum Schreiben von Buchstaben kommen als die Kinder anderer Schulen. Da muß man aber wirklich wieder in die Menschennatur erkennend hineinschauen, wenn man das beurteilen will. Bei dem heute mangelnden Sinn für Menschenerkenntnis bemerken die Menschen eben durchaus nicht, wie nachteilig es für die Gesamtentwicklung des Menschen ist, wenn er zu früh so abgelegene Beschäftigungen lernt wie Lesen und Schreiben. Und niemand wird im späteren Leben einen Mangel in seiner Lese- und Schreibekunst zu haben brauchen, der etwas später als sonst mit dem Lesen und Schreiben fertig wird; dagegen wird jeder einen großen Mangel in dieser Beziehung haben, der zu früh Lesen und Schreiben lernt. Eine auf Menschenerkenntnis gebaute Pädagogik muß durchaus davon ausgehen, die Entwicklung, die Lebensbedingungen der Men­schennatur abzulesen und im Sinne dieses Ablesens der Lebensbedin­gungen so dem Kinde zu helfen, daß die eigene Natur des Kindes her­auskommt. Einzig und allein dann ist die Erziehungskunst wirklich gesund.
.

Toen we deze manier om het onderwijs een stap verder te brengen, in de vrije school hebben toegepast, is gebleken dat onze kinderen iets later dan anders leren lezen, ja zelfs pas iets later komen tot het schrijven van letters dan kinderen van andere scholen. Maar als je dit goed wilt beoordelen, dan moet je er wederom echt met inzicht in de menselijke natuur naar kijken. Met hun huidige gebrekkige zin voor men menskundig inzicht merken de mensen helemaal niet hoe nadelig het voor de totale ontwik­keling van de mens is als hij zulke bezigheden als lezen en schrijven, die ver van hem af staan, te vroeg leert. En niemand hoeft in zijn latere leven een gebrek in zijn lees- en schrijfkunst te hebben als hij enigszins later dan normaal heeft leren lezen en schrijven. Daarentegen zal iedereen die te vroeg leert lezen en schrijven, in dit opzicht een groot gebrek hebben. Een op mens­kundig inzicht gebouwde pedagogie moet er absoluut van uit­gaan, de ontwikkeling, de levensvoorwaarden af te lezen aan de menselijke natuur. Als de opvoeder goed kan ‘aflezen’, kan hij het kind zó helpen, dat de eigen aard van het kind te voorschijn komt. Alleen dan is de opvoedkunst echt gezond.
GA 310/69
vertaald /73

===

Ook in GA 311  – voorbeeld 28/29 en dan:
.

Da kommen dann die Leute und sagen: Ja, aber die Kinder lernen dann spät erst Lesen und Schreiben. Das sagt man ja nur, weil man heute nicht weiß, wie schädlich es ist, wenn die Kinder früh lesen und schreiben lernen. Es ist sehr schlimm, wenn man früh schreiben kann. Lesen und Schreiben, so wie wir es heute haben, ist eigentlich erst etwas für den Menschen im späteren Lebensjahre, so im 11., 12. Le­bensjahre. Und je mehr man damit begnadigt ist, kein Lesen und Schreiben vorher fertig zu können, desto besser ist es für die späteren Lebensjahre. Derjenige, der noch nicht ordentlich schreiben konnte mit dem 14., 15. Lebensjahre – ich kann da aus eigener Erfahrung sprechen, weil ich es nicht konnte mit 14, 15 Jahren-, der verlegt sich nicht so viel für die spätere spirituelle Entwickelung, als der­jenige, der früh, mit sieben, acht Jahren schon fertig lesen und schreiben konnte. Das sind Dinge, die gerade der Lehrer beobachten muß.
.

Maar dan komen er mensen die zeggen: ja, maar dan leren de kinderen pas laat lezen en schrijven. Dat wordt alleen gezegd omdat men tegenwoordig niet weet, hoe schadelijk het is, wanneer kinderen vroeg leren lezen en schrijven. Het is zeer slecht wanneer je vroeg kunt lezen en schrijven. Lezen en schrijven, zoals wij het nu hebben, is eigenlijk pas iets voor de mens op een latere leeftijd, zo rond het 11e, 12e jaar. En hoe meer je gezegend bent vóór die tijd het lezen en schrijven niet te beheersen, des te beter is het voor het latere leven. Wie nog niet goed kan schrijven met z’n 14e, 15e jaar – ik spreek uit eigen ervaring, omdat ik het op mijn 14e, 15e niet kon – die mist niet zo veel voor zijn latere spirituele ontwikkeling, als degene die vroeg, met zeven, acht jaar al goed kan lezen en schrijven. Dat zijn dingen die nu juist een leerkracht  moet kunnen waarnemen.
GA 311/34
Vertaald/34

===

(1) Dit ‘ligt lager’ is met het oog op ‘de’ vrijeschool – daarmee bedoel ik hier de school die de aanwijzingen van Steiner over het schrijven en lezen serieus probeert gestalte te geven – te algemeen: er zijn scholen die het anders zijn gaan doen.
(2) Uitgave 1977

[1]   onze huidige lettervormen zijn ontstaan in het verleden; de vormen staan niet meer in verband met hun oorsprong; voor kinderen zijn het (wezens-)vreemde tekens

[2] om aan kinderen de lettertekens aan te leren, daarbij uitgaand van een beeld, is het niet nodig om de historische beelden te gebruiken. Eigen fantasie is voldoende.

[3] om de beelden te kiezen die voor het kind een letter gaan worden, is het van het grootste belang het wezenlijke verschil tussen klinker en medeklinker in acht te nemen.

[4] hoofdletter of kleine letter
De hoofdletter uit het oorspronkelijke Latijnse schrift. Het eerste schrijven is meer een tekenen: het gaat om het beeld en de klank.

[5] de conventionele letter wordt aangeleerd vanuit een beeld, eerst schilderend/tekenend of tekenend/schilderend; Steiners voorbeelden daarvan uit alle pedagogische voordrachten.

[6] de menskundige achtergronden van de schrijf- en leesmethode. Kunstzinnig werken: schilderen/tekenen; maar ook: vanuit de wil; totale mens – deel mens:hoofd; abstractie en intellect(ualisme); allerfysieks-halffysiek-bovenfysiek

[7] over de manier van leren lezen: van het geheel naar de delen – maar niet fanatiek; over leesmethodes (uit zijn tijd): spelmethode, klankmethode, normaalwoordenmethode; deze in verband gezien met het verschil klinker-medeklinker (zie [3])

schrijven/lezen: alle artikelen

Rudolf Steiner over…..: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: letterbeelden

1131-1052

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schrijven en lezen (7)

.

tekst in blauw van mij; in groen van Steiner; in zwart de vertaling daarvan. ‘Niet vertaald’ wil zeggen: er is geen officiële vertaling; deze vertaling is dan van mij. Verbetersuggesties welkom: pieterhawitvlietatgmailpuntcom

.

Steiner vond het aanleren van het schrijven en het schrift vele malen belangrijker dan het aanleren van het lezen.
Je ziet dat terug in de hoeveelheid opmerkingen over beide aspecten.
De letters via een kunstzinnige weg uit beelden ontwikkelen is onderwerp in vrijwel alle pedagogische voordrachten; opmerkingen over lezen vind je alleen in de pedagogische voordrachten die ik hieronder heb weergegeven.

LEZEN: ANALYTISCH OF SYNTHETISCH

Je kunt de conclusie trekken: het een naast het ander, waarbij in het begin de nadruk ligt op het analyseren – als veel algemener principe dat ook in andere vakken (rekenen m.n.) terug te vinden is: van het geheel naar de delen. 

Na een uitleg en een voorbeeld van hoe je een letterbeeld kunt aanleren, begint Steiner tegelijkertijd de kinderen iets anders ook aan te leren – aanleren van letters uit de beelden en het schrijven van woorden in zinnen en het analyseren daarvan, gaat gelijk op – al zul je, wanneer je in de 1e klas met schrijven begint, in het eerste begin alleen letterbeelden ontwikkelen. ‘Een tijd lang’, zoals hieronder staat:
.

Wenn wir also eine Zeitlang in dieser Weise einzelnes herausgehoben haben aus dem ganzen Menschen, dann müssen wir dazu übergehen, dem Kinde begreiflich zu machen, daß nun die großen Menschen, wenn sie diese eigentümlichen Formen vor sich haben, darin einen Sinn entdecken. Indem das weiter ausgebildet wird, was das Kind so an Einzelheiten gelernt hat, gehen wir dazu über – ganz gleichgültig, ob das Kind das einzelne versteht oder nicht versteht -, Sätze aufzuschreiben. In diesen Sätzen wird dann das Kind solche Formen bemerken, wie es sie hier als f am Fisch kennengelernt hat. Es wird dann andere Formen da­neben bemerken, die wir jetzt aus Mangel an Zeit nicht herausholen können. Wir werden dann daran gehen, an die Tafel zu zeichnen, wie der einzelne Buchstabe im Druck aussieht, und wir werden eines Tages einen langen Satz an die Tafel schreiben und dem Kinde sagen: Dies haben nun die Großen vor sich, indem sie das alles ausgebildet haben, was wir besprochen haben als das f beim Fisch und so weiter. – Dann werden wir das Kind nachschreiben lehren.  (   )
.

Hebben we dus een tijdlang op deze wijze enkele dingen vanuit de gehele mens benaderd, dan moeten we er toe overgaan het kind begrijpelijk te maken dat de grote mensen, als ze deze eigenaardige vormen voor zich hebben, een zin daarin ontdekken. Terwijl het kind nog meer van zulke afzonderlijke details leert, gaan we er ondertussen toe over om hele zinnen op te schrijven – ongeacht of het kind alle details begrijpt of niet. In deze zinnen zal het kind dan vormen opmerken die het heeft leren kennen, zoals de v van vogel. Het zal daarnaast andere vormen herkennen, die we nu uit tijdgebrek niet kunnen behandelen. Dan zullen we op het bord tekenen hoe de afzonderlijke letters er als drukletters uitzien en op een dag zullen we een lange zin op het bord schrijven en zeggen: Dit hebben de grote mensen nu, doordat ze alle vormen gemaakt hebben zoals wij bij de v van vogel. – Dan zullen we het kind leren overschrijven. (   )
.

Dann gehen wir den umgekehrten Weg: Den Satz, den wir hinge­schrieben haben, zergliedern wir, und die andern Buchstabenformen, die wir noch nicht aus ihren Elementen herausgeholt haben, zeigen wir durch Atomisieren der Worte, gehen von dem Ganzen zu dem Ein­zelnen. Zum Beispiel: hier steht KOPF. Jetzt lernt das Kind zuerst «KOPF» schreiben, malt es einfach nach. Und nun spalten wir das KOPF in K, O, P, F, holen die einzelnen Buchstaben aus dem Worte heraus; wir gehen also von dem Ganzen ins Einzelne.
.

Dan gaan we de omgekeerde weg. De zin die we opgeschreven hebben, delen we op, en de andere lettervormen die we nog niet uit hun betekenis hebben afgeleid, tonen we door de woorden in stukjes te hakken. We gaan van het geheel naar de delen. Een voorbeeld: hier staat KOP. Nu leert het kind eerst KOP schrijven, het tekent het gewoon na. En dan splitsen we het woord KOP in K   O   P.   We halen de afzonderlijke letters te voorschijn uit het woord. We gaan dus van het geheel naar de delen.
GA 294/13
vertaald/13-14

=

Gezien het feit dat Steiner voortdurend de nadruk legt op het uitspreken van de beginKLANK, wanneer hij een letterbeeld tot letter maakt, moeten de letters K O P ook als klank worden uitgesproken:  Ku     O (kort)   Pu

Er volgt nog een voorbeeld van iets opschrijven wat de kinderen nog niet kennen ( en kunnen), waarbij ook weer geanalyseerd wordt:

Die Reihenfolge ist der Buchstaben ist gleichgültig. Sie brauchen nicht alphabetisch vorzugehen. Sie könnenen das Schreiben und Lesen so zu entwickeln, wie es aus Ihrer eigenen, freien imaginativen Phantasie folgt.
.
Dann gehen Sie dazu über zu sagen: Sieh, wenn die Großen das, was das Bad ist, niederschreiben wollen, so schreiben sie das folgendermaßen nieder:
BAD. Dies also ist das Bild desjenigen, das du aussprichst, indem du «Bad» sagst, das Bad bezeichnest. – und dabei will ich eine Zwischenbemerkung machen: es kommt im Unterrichten sehr darauf an, daß man in rationeller Weise schlau ist, das heißt, daß man immer hinter den Kulissen auch etwas hat, was wieder zur Erziehung und zum Unterrichte beiträgt. Es ist gut, wenn Sie zu dem, was ich jetzt entwickeln werde, gerade das Wort Bad verwenden, damit das Kind dadurch, daß es jetzt in der Schule ist, sich an ein Bad, an das Waschen überhaupt erinnert, an die Reinlichkeit. So etwas immer im Hintergrunde zu haben, ohne daß man es ausgesprochen charakterisiert und in Ermahnungen kleidet, das ist gut. Seine Beispiele so wählen, daß das Kind gezwungen ist, an etwas zu denken, was zu gleicher Zeit zu einer moralisch-ästhetischen Haltung beitragen kann, das ist gut.Jetzt lasse ich wieder eine Anzahl von Schülern einfach dieses nachschreiben, damit die Kinder jedesmal, wenn sie so etwas bekommen, die Sache auch schon in das Händchen hineinbekommen, daß sie es nicht bloß mit dem Anschauen, sondern mit dem ganzen Menschen auffassen. Jetzt werde ich sagen: Sieh, du fängst an «Bad» zu sagen. Wir wollen jetzt einmal den Anfang uns klarmachen: B. – Das Kind muß geführt werden von dem Aussprechen des ganzen Wortes BAD zu dem Aushauchen des Anfangslautes,  wie 294/69 ich es für den Fisch gezeigt habe. Und nun muß dem Kinde klarge­macht werden: Wie dies BAD das Zeichen ist für das ganze Bad, so ist das B das Zeichen für den Anfang des Wortes BAD.
Wenn du sprichst Band, so fängst du geradeso an; wenn du sprichst Bund, was manche Frauen auf dem Kopf tragen, einen Kopfbund, so fängst du es ebenso an. Dann hast du vielleicht im Tiergarten schon einen Bären gesehen: da fängst du ebenso an zu hauchen; jedes dieser Worte fängt mit demselben Hauch an. – Auf diese Weise versuche ich beim Kinde überzugehen von dem Ganzen des Wortes zu dem Anfange des Wortes, es überzuführen zu dem bloßen Laut beziehungsweise zum Buchstaben; immer aus dem Worte heraus einen Anfangsbuchstaben zu entwickeln.
.

U hoeft niet de alfabetische volgorde aan te houden, ik doe het nu alleen opdat u een overzicht heeft.

Laten we eens kijken hoe ver we komen als we het schrijven en lezen ontwikkelen vanuit uw eigen vrije, imaginatieve fantasie. Ik zou bijvoorbeeld tegen een kind zeggen: Je weet wat een bad is… Nu wil ik iets tussendoor opmerken: het komt er bij het lesgeven zeer op aan, dat men op een rationele wijze slim is, dat wil zeggen, dat men altijd iets achter de hand heeft wat ook weer bijdraagt tot de opvoeding en het onderwijs. Het is goed wanneer u bij hetgeen ik nu zal behandelen juist het woord ‘bad’ gebruikt. Want daardoor denkt een kind op school aan een bad, aan het wassen in het algemeen, aan schoon zijn. Het is goed om zoiets altijd achter de hand te hebben, zonder het expliciet te benadrukken of in vermaningen te verpakken. Het is goed om de voorbeelden zo te kiezen dat het kind gedwongen is aan iets te denken dat tevens bijdraagt tot een morele, esthetische houding. Dan zegt u: Kijk, als de grote mensen willen opschrijven wat het bad is, dan schrijven ze BAD. Deze letters geven weer wat je zegt als je ‘bad’ zegt en het bad bedoelt. Nu laat ik dit weer door een paar leerlingen overschrijven, opdat de kinderen steeds als ze zoiets te horen krijgen het ook ‘in de vingers’ krijgen, zodat ze het niet alleen met hun voorstellingsvermogen, maar met de gehele mens in zich opnemen. Nu zeg ik: Nu begin je ‘bad’ uit te spreken. Laten we eens kijken wat het begin is: B. Het kind moet van het uitspreken van het hele woord ‘bad’ overgaan naar het uiten van de beginklank — net zoals ik bij de vogel heb laten zien. En nu moet men het kind duidelijk maken: zoals het woord ‘BAD’ het teken is voor het hele bad, zo is de B het teken voor het begin van het woord ‘BAD’.
Dan wijs ik het kind er op dat zo’n begin ook bij andere woorden voorkomt. Ik zeg: Als je ‘band’ zegt, begint dat woord precies hetzelfde. Net zo met het woord ‘boter’ – dat wat je op je brood smeert. Dan heb je misschien in de dierentuin wel eens een beer gezien. Dan is de eerste letter die je uitspreekt weer precies dezelfde. Al die woorden beginnen op dezelfde manier. Zo probeer ik het kind de overgang te laten maken van het hele woord naar het begin, de overgang naar één enkele klank, respectievelijk één enkele letter. We ontwikkelen altijd vanuit het gehele woord de beginletter.
GA 294/68-69
vertaald/58-59

=

Misschien zo langzamerhand ten overvloede…… Het kind moet van het uitspreken van het hele woord ‘bad’ overgaan naar het uiten van de beginkKLANK.

Immer wurde das Bild von dem Anfang des Wortes zur Lautbezeichnung.
Dann geht man dazu über, das Kind darauf aufmerksam zu machen, daß das, was es so für den Anfang eines Wortes angeschaut hat, auch in der Mitte der Worte vorkommt. Also gehe man dazu über, zu dem Kinde zu sagen: Sieh einmal, du kennst das, was draußen auf den Fel­dern oder Bergen wächst, was im Herbst eingeerntet wird und aus dem der Wein bereitet wird: die Rebe. Die Rebe schreiben die Großen so:
REBE. Jetzt überlege dir einmal, wenn du ganz langsam sprichst: Rebe, da ist in der Mitte dasselbe drinnen, was bei BÄR am Anfang war. -Man schreibt es immer zunächst groß auf, damit das Kind die Ahnlich­keit des Bildes hat. Dadurch bringt man ihm bei, wie das, was es für den Anfang eines Wortes gelernt hat, auch in der Mitte der Worte zu finden ist. Man atomisiert ihm weiter das Ganze.
.

Vervolgens wijst men de leerlingen er op, dat dat wat aan het begin van woorden staat ook midden in woorden voorkomt. Dan kan men zeggen: Je kent wel dat ding in de keuken, waar taarten of broden in gebakken worden: een oven. De grote mensen schrijven dat zo op: OVEN. Luister eens heel goed als je het langzaam uitspreekt: oven, dan vind je in het midden hetzelfde als wat bij de VOGEL aan het begin staat. Men schrijft alles eerst met hoofdletters, zodat het kind hetzelfde beeld voor zich heeft. Daardoor leert men het kind dat de beginklanken ook midden in de woorden te vinden zijn. Men deelt verder het geheel in delen op.
GA 294/70
vertaald/62

=

Es handelt sich darum, daß man auch zum Beispiel bei dem Erklären der Buchstaben nicht in erster Linie von einer synthetischen Betätigung, sondern von einer analytischen Betatigung ausgeht. Sagen wir zum Beispiel, ich lasse das Kind ein Wort sprechen, das Wort Fisch, und dann schreibe ich ihm einfach auf die Tafel hin – indem ich darauf zähle, daß ich mit ihm, so wie ich es geschildert habe, Zeichnen getrie­ben habe -, ich schreibe ihm, bevor es irgend etwas von einem Buch­staben weiß, das Wort Fisch hin. Ich versuche sogar, dieses ganze Wort­bild, ohne daß ich es in Buchstaben zunächst gliedere, einzuprägen. Ich versuche sogar, das Kind, nachdem es lange genug eben das Zeichnen getrieben hat, so wie ich es auseinandergesetzt habe, das Wort nach-bilden zu lassen, ohne daß es zunächst eine Ahnung hat davon, daß da ein F-I-SCH drinnen ist. Einfach dasjenige, was ich auf der Tafel habe, das soll das Kind nachahmen. Und bevor ich zu den Buchstaben über­gehe, versuche ich sogar öfter, das Kind fertige Worte nachmalen zu lassen. Und dann versuche ich die Analyse. Dann versuche ich, das Kind aufmerksam darauf zu machen, wie es das Wort beginnt: F, analysiere das F heraus, analysiere dann das I heraus und so weiter. Also es ist etwas, was einfach der menschlichen Natur entgegenkommt, daß man nicht von den Buchstaben ausgeht, sie synthetisch zusammen­setzt , zu Worten, sondern daß man vom ganzen Worte ausgeht und analysierend zu den Buchstaben geht.
.

Het gaat erom dat je ook bijv. bij de uitleg van letters niet in de eerste plaats van de synthese uitgaat, maar van de analyse.We laten het kind een woord uitspreken, bijv. ‘vis’ en ik schrijf dat gewoon op het bord – door erop te vertrouwen dat ik met hem getekend heb, zoals ik geschetst heb – ik schrijf – nog voor het iets van letters weet, voor hem het woord ‘vis’op. Ik probeer zelfs dit hele woordbeeld, nog vóór ik het woord al in letters zou verdelen, hem in te prenten. Ik probeer zelfs het kind, nadat het lang genoeg getekend heeft, zoals ik uiteengezet heb, dit woord te laten namaken, zonder dat het er in het begin een notie van heeft dat daar ‘V-I-S’; staat. Simpelweg wat ik op het bord heb staan, moet het kind nadoen. En dan ga ik analyseren. Dan probeer ik het kind er attent op te maken dat het woord met V begint, ik analyseer de V, de I, en de S. Dit is eenvoudigweg iets wat bij de natuur van de mens hoort: dat je niet van de letters uitgaat die je bij elkaar zet – synthese – als woord, maar dat je van het hele woord uitgaat en dan verdelend – analyse – naar de letters gaat.
GA 301/155
Niet vertaald

=

Da kann man auch, ich möchte sagen, parallel gehend den Rechenunterricht in den Dienst der Menschheitsentwicklung stellen und den Sprachunterricht, indem man von dem Ganzen zu den einzelnen Buchstaben übergeht. Und es ist tat­sächlich erhebend, in unserer Waldorfschule zu sehen, wie sich die Kin­der bemühen, wenn sie das ganze Wortbild haben, herauszukriegen:
Wie lautet’s so, wie klingt’s so, was ist in der Mitte? – und in dieser Weise zu den Buchstaben überzugehen. Wenn man da atomisiert, ana­lysiert, dann werden die Kinder ganz sicher zum Materialismus, zum Atomismus keine Neigung haben, so wie sie heute alle Menschen aus dem Grunde haben, weil sie in der Schule nur zum Synthetisieren ange­regt werden und daher ihr analytisches Bedürfnis, ihr Zerteilungsbedürfnis dann für die Weltanschauung im Leben entfalten wollen.
.

(   )   taalles als je vanuit het geheel overgaat naar de aparte letters. En het is echt verheffend om op onze vrijeschool te zien hoe de kinderen zich uitsloven wanneer ze het hele woordbeeld voor zich hebben om uit te vinden: hoe klinkt het zo, hoe zo, wat staat in het midden? – en op deze manier bij de letters te komen. Wanneer je hier uiteenrafelt, analyseert, zullen de kinderen vast en zeker geen neiging tot materialisme, tot atomisme krijgen, zoals de mens die tegenwoordig heeft, omdat op school de synthese aangemoedigd wordt en hij zijn behoefte aan analyse , de behoefte de dingen uiteen te rafelen dan ontplooien wil op het gebied van wereldbeschouwing.
GA 301/160
Niet vertaald

=

In GA 306 gaat Steiner in op leesmethodes die gangbaar waren in zijn tijd. Hij heeft het over
‘Buchstabiermethode, Lautiermethode en Normalmethode’.

Bij ‘buchstabieren’ – wat wij ‘spellen’ noemen, worden de namen van de letters uitgesproken. Een woord als ‘kop’ wordt ‘kaa-oo-pee’.

Bij de ‘Lautiermethode’ gaat het om de klank van de letter. ‘kop’ wordt dan:
Ku    – O (kort) –   Pu

Bij de ‘normaalwoordenmethode’ (in Nederland de methode Hoogeveen, met het leesplankje ‘aap-noot- mies’ enz) ‘Normalmethode’ (Normalwörtermethode) worden niet eerst de letters geleerd om daarmee lettergrepen en woorden te vormen, maar er wordt uitgegaan van een beeld van een voorwerp en het woord wordt verdeeld in lettergrepen en letters en weer samengevoegd tot woord. Later sprak men van ‘Ganzwortmethode’. Deze methode gaat uit van het woord als geheel, dat vervolgens geanalyseerd wordt. De spel- en klankmethode zijn in vergelijking hiermee meer synthetiserende methoden.
blz. 84

Am meisten schaden – und zwar gerade diesem Lebensalter ge­genüber so vom 7., 8., 9. Jahr – am meisten schaden die einseitigen Illusionen, diese fixen Ideen, die man sich macht: das oder jenes soll so oder so geschehen. Man ist zum Beispiel so ungeheuer stolz dar­auf, daß so im Laufe des 19. Jahrhunderts, aber schon im 18.Jahrhundert vorbereitet, die alte Buchstabiermethode übergegangen ist in die Lautiermethode und dann in die Normalwörtermethode beim Le­senlernen. Und weil sich die Leute heute schämen, das Alte irgendwie noch zu respektieren, so wird man ja heute kaum noch einen Menschen finden, der schwärmen würde für die alte Buchstabierme­thode. Er wäre ein dummer Kerl nach Ansicht der Gegenwart, das gibt es ja nicht – also darf er nicht mehr schwärmen für die alte Buch­stabiermethode. Die Lautiermethode, aber auch die Normalwörtermethode werden angewendet. Man ist sehr stolz auf die Lautierme­thode, wo dem Kinde der Lautcharakter beigebracht wird. Das Kind lernt nicht: das ist ein P oder das ist ein N oder das ist ein R, sondern es lernt alles auszusprechen, so wie es im Worte drinnen lautet. Nun ja,
.

Het meest schadelijk – en wel wat deze leeftijd van 7,8,9 jaar betreft, het meest schadelijk zijn de eenzijdige illusies, deze starre ideeën die men koestert: dit of dat moet zus of zo gebeuren. Men is er bijv. buitengewoon trots op dat zo in de loop van de 19e eeuw, echter al in de 18e eeuw voorbereid, de oude spelmethode (Buchstabiernethode) veranderd is in de klankmethode (Lautiermethode) en dan in de ‘Normalwörtermethode’ voor het leren lezen. En omdat de mensen zich nu schamen het oude nog te respecteren, zul je tegenwoordig nog nauwelijks iemand vinden die de oude spelmethode bejubelt. Naar de huidige opvatting een domkop, dus nee, de oude spelmethode mag niet meer bejubeld worden.
De klankmethode, maar ook de normaalwoordenmethode worden gebruikt. Men is erg trots op de klankmethode, waarmee het kind de klank wordt bijgebracht. Het kind leert niet: dit is een p(ee) of dat is een (e)n of dat is een (e)r, maar het leert alles uitspreken, zoals het in een woord klinkt. Wel,

blz.85

das ist ganz gut. Die Normalwörtermethode ist auch gut, wo man manchmal von ganzen Sätzen ausgeht, wo man dem Kinde den Satz bildet, dann erst analysierend zu dem Worte und dem einzelnen Laut geht. Aber schlimm ist es, wenn diese Dinge schrullenhaft werden. Die Gründe für alle drei Methoden, sogar für die alte Buchstabier­methode, die Gründe sind alle gut, sind alle geistreich – es läßt sich nicht leugnen, daß die Dinge alle geistreich sind. Aber woherkommt es, daß sie geistreich sind? Das kommt von dem Folgenden. Denken Sie, Sie haben einen Menschen nach der Photographie gekannt und immer en face gesehen. Da haben Sie halt so irgendeine Vorstellung von dem Menschen. Jetzt kriegen Sie einmal ein Bild in die Hand, und es sagt einer: Das ist das Bild von dem Menschen. – Das Bild ist nun ein Profilbild. Sie werden sagen: Aber nein, das ist doch ein ganz fal­sches Bild! der Mensch schaut ja ganz anders aus: hier das Bild en face, das ist das richtige Bild, das andere ist ganz falsch. – Es ist das Bild desselben Menschen in diesem Falle, aber es ist von der anderen Seite aufgenommen.
.

dat is heel goed. De normaalwoordenmethode is ook goed wanneer men van hele zinnen uitgaat, waarbij men voor het kind een zin vormt en dan pas analyserend naar de woorden gaat en naar de losse letters. Maar verkeerd is, dat het doorschiet. De basis voor alle drie de methoden, ook voor de oude spelmethode, is wel goed, zijn wel geestrijk – je kunt niet ontkennen dat het geestrijk is. Maar waardoor komt dat? Dat komt zo. Denk je eens in dat je een mens kent van een foto, dat je hem steeds en face hebt gezien. Dan heb je van die mens een bepaalde voorstelling. Nu krijg je een foto in handen en iemand zegt: ‘Dit is een foto van een mens.’ Het is een foto en profile. Je zou zeggen: ‘Nee toch, dat is toch een heel verkeerde afbeelding! De mens ziet er heel anders uit: hier, de foto en face, dat is het juiste beeld, het andere is helemaal verkeerd.’- In dit geval is het een foto van hetzelfde mens, alleen van een andere kant genomen.
.

Und so ist es im Leben immer – die Dinge im Leben müssen überall von den verschiedensten Seiten betrachtet wer­den. Man kann sich ja zwar in irgendeinen einseitigen Standpunkt verlieben, weil er sehr geistreich sein kann, man kann seine guten Gründe haben, man kann die Buchstabiermethode, die Lautierme­thode, die Normalwörtermethode verteidigen, und der Gegner wird einen nicht widerlegen können, weil man ja nur an seine eigenen Gründe selbstverständlich glaubt. Das ist gut möglich, daß die be­sten Gründe vorgebracht werden, aber: es sind Einseitigkeiten. In der Lebenspraxis müssen die Dinge eben immer von den verschie­densten Seiten angegriffen werden.
Wenn man schon einmal aus dem malenden Zeichnen, dem zeich­nenden Malen heraus die Formen gewonnen hat, und wenn man dann übergegangen ist dazu, daß man allerdings jetzt ganz gut tut, eine Art Lautier- oder Wörtermethode zu pflegen, damit man das Kind nicht so sehr sich an die Einzelheiten verlieren läßt, sondern es hinlenkt zum Ganzen, so ist doch wiederum dem materialistischen Zeit­alter eines abhanden gekommen, und das ist das Folgende: der Laut als solcher, das einzelne M, das einzelne P, das ist eben auch etwas.
.

En zo is het in het leven altijd: de dingen in het leven moeten overal vanuit de meest verschillende kanten bekeken worden. Weliswaar kun je verliefd worden op een of ander eenzijdig standpunt, omdat dit zeer geestrijk kan zijn, je kunt er gegronde redenen voor hebben; je kan de spelmethode, de klankmethode en de normaalwoordenmethode verdedigen en de opponent zal het niet kunnen weerleggen, omdat men vanzelfsprekend aan zijn eigen redenen hecht. Het is goed mogelijk dat de beste redenen aangevoerd worden, maar: het zijn eenzijdigheden. In de praktijk van het leven moeten de dingen nu eenmaal steeds vanuit de meest verschillende kanten benaderd worden.
Wanneer je al eens van het schilderende tekenen, het tekenend schilderen vormen ontwikkeld hebt en wanneer je er dan toe over bent gegaan – daar doe je zeker heel goed aan – een soort van klank- of woordenmethode toe te passen opdat het kind zich niet te veel in details hoeft te verliezen, maar op de totaliteit gewezen wordt, dan is er toch in de materialistische tijd weer wat verloren gegaan en wel: de klank als zodanig, de losse m, de losse p, die zijn er ook nog.

blz. 86

Und es kommt darauf an, daß, wenn der Laut im Wort drinnen ist, er schon den Weg nach der Außenwelt genommen hat, da ist er schon übergegangen in die materiell-physische Welt. Das, was wir in der Seele haben, sind nämlich die Laute als solche, und das hängt sehr stark ab von der Art und Weise, wie unsere Seele beschaffen ist. In­dem wir buchstabieren, sprechen wir, wenn wir das M ausdrücken wollen, eigentlich EM. Der Grieche tat das nicht, der Grieche sprach MY. Das heißt: er setzte den Hilfsvokal nach dem Konsonanten, wir setzen ihn vorher. Wir bekommen den Laut heute in Mitteleuropa, indem wir vom Vokalischen zum Konsonantischen den Weg nehmen. Denselben Laut bekam man in Griechenland, indem man den umge­kehrten Weg ging. Das weist hin auf die Seelenverfassung, die da zu­grunde liegt.
Das ist außerordentlich wichtig und bedeutsam. Denn derjenige, der nun nicht bloß auf das Äußerliche der Sprache schaut, wie nun die Sprache schon einmal geworden ist als Bedeutungssprache – unsere Sprachen sind ja fast alle Bedeutungssprachen, wir haben in den Wor­ten kaum mehr etwas anderes als Zeichen für das, was draußen ist
.

En het komt erop aan dat wanneer de klank in een woord zit, deze al onderweg is naar de buitenwereld, die is al overgegaan naar de stoffelijke wereld. Wat we in onze ziel hebben zijn namelijk de klanken als zodanig en dat hangt zeer sterk af van hoe onze ziel is. Wanneer we spellen, spreken we, wanneer we de m willen zeggen, eigenlijk em. De Griek deed dat niet, de Griek zei my. Dat betekent: hij plaatste een hulpklinker na de medeklinker, wij zetten hem ervoor. Tegenwoordig krijgen we in Midden-Europa de klank wanneer we vanuit de klinker naar de medeklinker gaan. Dezelfde klank kreeg je in Griekenland langs de omgekeerde weg. Dat wijst op de zielengesteldheid die daaraan ten grondslag ligt.
Dat is heel belangrijk en betekent veel. Degene die niet alleen naar het uiterlijk van de taal kijkt, zoals de taal nu eenmaal geworden is, begripstaal – onze talen zijn bijna allemaal begripstalen, we hebben in de woorden nauwelijks meer iets anders dan tekens voor wat buiten ons is –
.

derjenige, der von da zurückgeht auf das Seelische, das in den Wor­ten lebt, das überhaupt in der Sprache lebt, der kommt schon zurück zu dem sogenannten Laut. Denn alles Konsonantische hat einen ganz anderen Charakter als alles Vokalische. 
Sie wissen: In bezug auf die Entstehung der Sprache gibt esja die mannigfaltigsten Theorien. Es ist da wiederum so wie bei der Photographie. Unter anderem hat man ja zum Beispiel die «Wau-Wau» -Theorie. Sie besteht ja darin, daß man meint: dasjenige, was der Mensch sprachlich bildet, das ahmt er dem nach, was als Laut heraustönt aus Wesenheiten. Er ahmt nach dieses Wesenhafte. Er hört den Hund: Wau-Wau. Wenn er selbst glaubt, ein Ähnliches in seiner Seelenverfassung auszudrük­ken, so gebraucht er auch einen ähnlichen Laut. Es ist nichts dagegen einzuwenden. Es sind sehr viele Gründe für diese Wau-Wau-Theorie anzuführen, sehr geistreiche Gründe. Wenn man nur auf ihrem Bo­den stehenbleibt, sind sie nicht zu widerlegen. Aber das Leben besteht nicht in Begründung und Widerlegung, sondern das Leben besteht in lebendiger Bewegung, in Transformation, in lebendiger Metamorphose.
.

degene die van daaruit teruggaat op wat aan gevoel in de woorden leeft, wat zeer zeker in de taal leeft, komt weer terug op de zgn. klinker. Want al het consonantische heeft een heel ander karakter dan al het vocale.
U weet, m.b.t. het ontstaan van taal zijn er de meest uiteenlopende theorieën. Het is hier net als met de foto’s. Je hebt o.a. bijv. de ‘wau-wau’-theorie. (3) Die behelst dat men van mening is: wat de mens sprekend doet, is nabootsen van wat als klank uit een wezen komt. Hij bootst dit ‘wezen’lijke na. Hij hoort een hond: ‘Waf, waf’. Wanneer hij zelf denkt dat hij net zoiets vanuit zijn gemoedsstemming uitdrukt, dat hij dan ook een soortgelijke klank gebruikt. Daar is niets tegen in te brengen. Er zijn veel redenen voor deze waf-waftheorie aan te voeren, zeer geestrijke redenen. Wanneer je slechts bij deze redenen blijft, zijn ze niet te weerleggen. Maar het leven bestaat niet uit bewijs en het weerleggen daarvan, het leven bestaat uit een levendige beweging, uit transformatie, uit levendige metamorfose.

blz. 87

Was an einer Stelle richtig ist, ist von einer anderen Stelle aus falsch, und umgekehrt. Das Leben muß in seiner ganzen Beweglich­keit erfaßt werden. – Sie wissen: es gibt eine andere Theorie, die der Wau-Wau-Theorie gegenübersteht und sie bekämpft. Da leitet man das Entstehen der Sprache davon her, daß so, wie wenn eine Glocke angeschlagen wird, das Metall eine bestimmte innere Konstitution hat und dieser oder jener Laut dann herauskommt, so sich der Mensch den Dingen gegenüber verhält. Es ist mehr ein Sichhereinfühlen in die Dinge, nicht ein äußeres Nachahmen, bei dieser Bim-Bam-Theo­rie. Sie ist wiederum durchaus richtig für gewisse Dinge. Man kann sagen, diese Theorie hat viel für sich, die Wau-Wau-Theorie auch. Aber die wirkliche Sprache entsteht nämlich weder auf dem Bim­Bam-Weg noch auf dem Wau-Wau-Weg, sondern auf beide Arten und noch auf manche andere Art. Es sind Einseitigkeiten. Manches in unserer Sprache ist wirklich so gebildet, daß das Bim-Bam erfühlt ist, manches ist so, daß es Wau-Wau oder Muh-Muh nachgebildet ist.
.

Wat op de ene plaats juist is, is vanuit een ander standpunt fout en omgekeerd. Het leven moet in zijn volle beweeglijkheid begrepen worden. – U weet: er bestaat een andere theorie, tegengesteld aan de ‘woef-woeftheorie en deze bestrijdt. Het ontstaan van de taal wordt afgeleid van de omstandigheid dat wanneer er op een klok wordt geslagen, en het metaal van een bepaalde samenstelling is, dit of dat geluid klinkt en zo verhoudt de mens zich ook tot de dingen. Het is meer een voelend zich inleven in de dingen, niet een uiterlijk nabootsen, bij deze ‘bim-bam’theorie. Ook nu is deze zeker juist voor bepaalde dingen. Je kunt zeggen, op zich zit er veel in deze theorie, ook in de waf-waftheorie. Maar de echte taal ontstaat toch noch langs de bim-bamweg, noch langs de waf-wafweg, maar via beide vormen en nog vele andere. Het zijn eenzijdigheden. Veel in onze taal is inderdaad zo gevormd dat daarbij het bim-bam gevoeld is, dat waf-waf of boe-boe nagebootst is.
.

Es ist durchaus so: es sind beide Theorien richtig und manche andere auch noch. Es kommt aber darauf an, daß man das Leben er­faßt. Erfaßt man das Leben, dann wird man finden, daß die Wau­Wau-Theorie mehr paßt für die Vokale, die Bim-Bam-Theorie für die Konsonanten ; aber wieder nicht ganz, es sind wieder nur Einsei­tigkeiten. Doch zuletzt kommt man darauf, zu erkennen – wie ich es schon in der kleinen Schrift «Die geistige Führung des Menschen und der Menschheit»> angedeutet habe -, daß die Konsonanten in der Tat nachgebildet sind den äußeren Geschehnissen und den äußeren For­men der Dinge: sie bilden das F dem Fisch nach, das M dem Mund nach, oder das L dem Laufen nach usw. Die Konsonanten sind schon so entstanden, daß sie in einem gewissen Sinne zu der Bim-Bam­Theorie stimmen – aber nur feiner ausgestaltet müßte sie werden. Die Vokale aber sind Ausdrucksweisen, Offenbarungen für das Innere des Menschen. Da ahmt er nicht in der Form, die er dem Laut oder dem Buchstaben gibt, das Äußere nach, da ahmt er überhaupt zu­nächst nicht nach, sondern da drückt er seine Gefühle von Sympathie und Antipathie aus. Sein Gefühl von Freude oder Neugierde mit I; von Staunen oder Verwunderung: A, ich bin erstaunt ; E, ich will
.

Zo is het beslist: beide theorieën zijn juist en vele andere ook. Maar het komt erop aan, dat je het leven begrijpt. Begrijp je het leven, dan vindt je dat de waf-waftheorie meer aansluit bij de klinkers, de bim-bamtheorie meer bij de medeklinkers; maar weer niet helemaal, opnieuw zijn het eenzijdigheden. Maar uiteindelijk kom je tot het inzicht – zoals ik dat in een boekwerkje ‘De geestelijke leiding van mens en mensheid’ aangegeven heb* -, dat de medeklinkers werkelijk nagevormd zijn van gebeurtenissen en vormen van dingen in de buitenwereld: ze vormen de V naar de vorm van de vis, de M van de mond of de L van het lopen enz. De consonanten zijn dus zo ontstaan dat ze in zekere zin overeenstemmen met de bim-bamtheorie – die zou fijner afgestemd moeten worden. De vocalen zijn een manier van uitdrukken, van uiten van het innerlijk van de mens. Hier wordt de vorm voor een klank of een letter niet nagebootst van iets uit de buitenwereld; hierbij wordt helemaal niets nagebootst, maar gevoel wordt tot uitdrukking gebracht, sympathie en antipathie. Zijn gevoel van vreugde of nieuwsgierigheid met de I; van verbazing of verwondering: A, ik ben verbaasd; E, ik wil
GA 15
vertaald

blz. 88

etwas weg haben, was mich stört ; U, ich fürchte mich ; Ei, ich habe dich lieb. Alles dasjenige, was in den Vokalen liegt, das ist unmittel­bare Offenbarung der seelischen Sympathien und Antipathien. Es ent­steht zwar nicht durch Nachahmung, aber so: Der Mensch will sich äußern, will seine Sympathien und Antipathien äußern. Nun hört er an dem Hunde, wenn der Hund etwas Schreckhaftes erfassen will, Wau-Wau: da paßt er sich an, wenn sein Erlebnis ähnlich ist dem Wau-Wau des Hundes, und dergleichen. Es ist aber der Weg des Vokalisierens ein solcher von innen nach außen ; es ist der Weg des Konsonantierens von außen nach innen, von dem Nachbilden. Schon im Laute bildet man nach. Sie werden das nachweisen können, wenn Sie auf Einzelheiten eingehen.
Sie werden aber dann sehen, weil das nur für die Laute gilt, nicht für Worte – es hängt nicht an der Seele -, daß es schon ein Fortfüh­ren des Wortes ist zum ursprünglichen Seelenzustad, wenn man dann auch in der Analyse so weit kommt, daß man dem Kinde Buch­staben bei bringt. So daß man sagen kann: man muß nur richtig er­fassen dasjenige, was das Kind in einem bestimmten Lebensalter sel­ber fordert, man wird dann im Grunde genommen lauter Buchstaben durcheinander anwenden, so wie ein ordentlicher Photograph –
.

iets niet, wat me stoort; U, ik ben bang; Ei, ik heb je lief. Alles wat in de vocalen ligt, is een onmiddellijk zich uiten van de gevoelens van sympathie en antipathie. Dat ontstaat niet door nabootsing, maar aldus: de mens wil zich steeds uiten, wil zijn sympathieën en antipathieën uiten. Nu hoort hij bij de hond wanneer deze iets waarvan hij schrikt, wil grijpen: waf, waf: hij past zich erbij aan wanneer zijn beleving lijkt op het waf-waf van de hond en dergelijke. Het is de weg van het vocaliseren van iets van binnenuit naar buiten toe; het is de weg van consonant worden van buitenaf naar binnen toe. Je kan het zien, wanneer je op de details ingaat.
Maar dan zal je ook zien, omdat dit alleen voor de klanken geldt, niet voor de woorden – dat zit niet aan de ziel vast – dat het meer een verder leiden van het woord is tot de oorspronkelijke zielentoestand, ook al kom je dan met de analyse zo ver dat je het kind letters aanleert. Zodat je kunt zeggen: je moet wel goed weten wat het kind op een bepaalde leeftijd vanuit zichzelf vraagt en dan zul je in wezen alleen maar letters door elkaar gebruiken, zoals een bekwame fotograaf –
.

einem ja meistens gerade dadurch lästig werden kann – auch den Betreffenden sich drehen läßt und ihn von allen Seiten photographiert ; dann hat er ihn erst. So ist es auch notwendig, daß derjenige, der her­ankommen will an den Menschen, diesen Menschen eben von allen Seiten erfaßt. Mit der Normalwörtermethode erfaßt man nur das Körperlich-Leibliche. Mit der Lau tiermethode kommt man schon dem Seelischen nahe, und – horribile dictu -ja, es ist schrecklich zu sagen: mit der Buchstabiermethode kommt man ganz ins Seelische hinein. Das Letzte ist selbstverständlich heute noch Idiotismus, aber seeli­scher ist es zweifellos ; nur ist es nicht unmittelbar anzuwenden. Man muß es mit einer gewissen pädagogischen Geschicklichkeit und Pra­xis, mit künstlerischer Pädagogik an das Kind heranbringen, so daß das Kind nicht dressiert wird, den Buchstaben konventionell auszu­sprechen, sondern daß es das Entstehen des Buchstabens erlebt, was ja in seinen Bildekräften liegt, was es da wirklich hat. Darauf kommt es an.
.

die  meestal lastig wordt voor iemand doordat deze zich moet draaien zodat hij hem dan van alle kanten kan fotograferen, dan pas staat hij er op. En dat heeft iemand ook nodig die de mens wil begrijpen – hij moet de mens veelzijdig begrijpen.
Met de normaalwoordenmethode begrijp je slechts het lichamelijk-lijfelijke. Met de klankmethode kom je in de buurt van het gevoel, en horribile dictu – ja, het is vreselijk om te moeten zeggen, met de spelmethode kom je helemaal in het gevoel terecht. Dat laatste klinkt tegenwoordig nogal idioot, maar zonder twijfel zit daar meer ziel in; alleen, het is niet meteen toe te passen. Je moet het met een bepaalde pedagogische handigheid een kind aanbieden, zodat het kind niet gedrild wordt de letters conventioneel uit te spreken, maar het moet het ontstaan van de letter beleven, het zit in zijn vormkrachten, in wat zijn realiteit is. Daar komt het op aan.
GA 306/85-88
Niet vertaald

=

In GA 310 wordt dit nogmaals aan de orde gesteld:

Wie muß das Kind lesen und schreiben ler­nen? Es ist ja eigentlich eine viel größere Misere damit verbunden als man, da man ja das Lesen- und Schreibenlernen als eine Notwendig­keit ansieht, mit brutalem Menschensinn gewöhnlich meint. Man sieht es als eine Notwendigkeit ein, also muß das Kind unter allen Umstän­den dazu dressiert werden, lesen und schreiben zu lernen. Aber be­denken Sie, was das für das Kind heißt! Die Menschen haben nicht die Neigung, wenn sie einmal erwachsen sind, sich in die kindliche Seele hineinzuversetzen, was das Kind erlebt, wenn es lesen und schreiben lernt. Da haben wir in unserer heutigen Zivilisation Buchstaben, a, b, c und so weiter; sie stehen in gewissen Bildern vor uns. Ja, das Kind hat den Laut «ah». Wann gebraucht es ihn? Der Laut ist ihm Ausdruck einer inneren Seelenverfassung. Es gebraucht diesen Laut, wenn es in
.

Hoe moet het kind leren lezen en schrijven? Daarmee is eigenlijk veel grotere ellende verbonden dan men met het brute mensenverstand gewoonlijk denkt; men beschouwt immers het leren lezen en schrijven als een noodzaak; dus moet het kind onder alle omstandigheden worden gedresseerd om te leren lezen en schrijven. Maar stelt u zich eens voor wat dat voor een kind betekentl De mensen hebben niet meer de neiging, als ze eenmaal volwassen zijn, zich te verplaatsen in de kinderziel, in wat het kind beleeft wanneer hij leert lezen en schrijven. In onze huidige beschaving hebben we letters: a, b, c enzovoort. Zij staan in bepaalde beelden voor ons. Het kind heeft de klank ‘a‘. Wan­neer gebruikt een kind deze? Voor hem is deze klank uitdrukking van een innerlijke zieletoestand. Hij gebruikt deze klank wanneer hij

blz. 56

Bewunderung, in Erstaunen oder in einer ahnlichen Seelenverfassung vor etwas steht. Den Laut versteht es; der hängt mit der menschlichen Natur zusammen. Oder es hat den Laut «eh». Wann gebraucht es die­sen? Wenn es andeuten will: Da ist etwas an mich herangetreten, was ich erlebt habe, was in meine Natur eingreift. Wenn mich jemand sticht, sage ich «eh!». Und so ist es auch mit den Konsonanten. Jeder Laut entspricht einer Lebensäußerung; die Konsonanten ahmen eine äußere Welt nach, die Vokale drücken das aus, was man in der Seele innerlich erlebt. vertritt die Anschauung, daß die Sprache zustande komme aus dem, was die Seele erlebt, wie es schon beim Tier in der primitivsten Form auftritt, daß irgendein inneres Seelenerlehnis her­auskommt: «muh-muh», was die Kuh erlebt; was der Hund erlebt: «wau-wau». Und so würde in Komplikation das, was im Menschen die artikulierte Sprache wird, aus diesem Drängen des Inneren, Emp­findungen zur Gestaltung zu bringen, hervorgehen.
.

in bewondering, of in verbazing, of in een soortgelijke zielestemming iets meemaakt. Het kind kan de klank begrijpen: die hangt samen met de menselijke natuur. Of neem de klank ‘e’ wanneer gebruikt het kind die? Als hij aan wil geven dat er iets op hem af is gekomen – dat heeft hij beleefd – wat in zijn wezen ingrijpt. Als iemand hem steekt, zegt hij ‘e!’.
En zo gaat het ook met de medeklinkers, de consonanten. Elke klank komt overeen met een levensuiting. De medeklinkers boot­sen een uiterlijke wereld na, de klinkers of vocalen drukken uit wat men van binnen beleeft. – De huidige taalkunde, de filologie, komt op dit gebied niet verder dan het zetten van heel elemen­taire stappen. De geleerdste taalkundigen hebben nagedacht over de vraag: hoe zou in de loop van de menselijke evolutie de taal tot stand kunnen zijn gekomen? Er zijn twee theorieën. De ene vertegen­woordigt de visie dat de taal tot stand is gekomen uit wat de ziel beleeft, zoals dat al in de meest primitieve vorm bij het dier optreedt; een innerlijke zielebelevenis komt te voorschijn – wat de koe beleeft: ‘boe-boe’; wat de hond beleeft: ‘woef-woef’. Zo zou op een meer gecompliceerde wijze dat wat in de mens de gearticuleerde taal wordt, ontstaan uit deze innerlijke drang om gevoelens te uiten.
.

Man nennt diese Anschauung etwas humoristisch die «Wauwau-Theorie». Die andere Anschauung geht davon aus, daß man im Sprachlaute nachahmt, was äußerlich sich vollzieht. Wenn die Glocke tönt, so kann man in der Sprache nachahmen, was in der Glocke drinnen vorgeht: «bimbam­bimbam». Da versucht man nachzuahmen, was äußerlich vorgeht. Das ist diejenige Theorie, die in der Sprache alles auf Anklingen, auf Imi­tation der äußeren Geschehnisse zurückführt, die «Bimbam-Theorie». So stehen sich diese zwei Theorien gegenüber. Ich meine es gar nicht humoristisch, denn in Wirklichkeit sind beide richtig: die Wauwau­Theorie ist für den Vokalismus richtig, die Bimbam-Theorie für den Konsonantismus. – Wir lernen, indem wir die Gesten in die Laute um­setzen, im Inneren äußere Vorgänge nachzuahmen durch die Konso­nanten, und innere Seelenerlebnisse auszugestalten in den Vokalen. Inneres und Äußeres fließt in der Sprache zusammen. Das ist der menschlichen Natur homogen, das versteht sie.
.

Men noemt deze visie enigszins humoristisch de ‘wauwau-theorie’ (naar het Duits wau-wau voor woef-woef;- vert.). De andere opvatting gaat ervan uit dat men in de spraak­klanken nabootst wat er zich uiterlijk voltrekt. Wanneer een klok luidt, kun je in de taal nabootsen wat er binnen in de klok gebeurt: ‘bimbam-bimbam’. Daar probeer je te imiteren wat er buiten je gebeurt. Dat is de theorie die alles in de taal herleidt tot wat er te horen is, op het imiteren van de uiterlijke gebeurtenissen, de ‘bimbam-theorie’.3 Zo staan deze twee theorieën tegenover el­kaar. Ik bedoel dit helemaal niet humoristisch, want in wezen zijn ze allebei juist: de wauwau-theorie is juist voor de klinkers, de bimbam-theorie voor de medeklinkers.
Door de gebaren in de klanken om te zetten leren wij innerlijk uiterlijke processen na te bootsen door middel van de medeklin­kers, de consonanten; en innerlijke zielebelevenissen leren we vorm te geven in de vocalen, de klinkers. Het innerlijk en het uiterlijk stromen in de taal samen. Dat is voor de menselijke natuur homogeen, dat begrijpt ze.
GA 310/55-56
vertaald/58-59

3)  Wauwau-theorie, bimbam-theorie: deze aanduidingen gaf de in Oxford werkzaam zijnde beroemde Duitse taalgeleerde Max Müller (1823-1900) voor de theorieën omtrent het ontstaan van de talen, die indertijd al in de Griekse oudheid, o.a. door Epikurius, werd vertegenwoordigd.
.

[1]   onze huidige lettervormen zijn ontstaan in het verleden; de vormen staan niet meer in verband met hun oorsprong; voor kinderen zijn het (wezens-)vreemde tekens

[2] om aan kinderen de lettertekens aan te leren, daarbij uitgaand van een beeld, is het niet nodig om de historische beelden te gebruiken. Eigen fantasie is voldoende.

[3] om de beelden te kiezen die voor het kind een letter gaan worden, is het van het grootste belang het wezenlijke verschil tussen klinker en medeklinker in acht te nemen.

[4] hoofdletter of kleine letter
De hoofdletter uit het oorspronkelijke Latijnse schrift. Het eerste schrijven is meer een tekenen: het gaat om het beeld en de klank.

[5] de conventionele letter wordt aangeleerd vanuit een beeld, eerst schilderend/tekenend of tekenend/schilderend; Steiners voorbeelden daarvan uit alle pedagogische voordrachten.

[6] de menskundige achtergronden van de schrijf- en leesmethode. Kunstzinnig werken: schilderen/tekenen; maar ook: vanuit de wil; totale mens – deel mens:hoofd; abstractie en intellect(ualisme); allerfysieks-halffysiek-bovenfysiek.
.
[8] Steiners methode, mits consciëntieus gevolgd, kost meer tijd dan reguliere methodes. Dat wordt heden ten dage nog steeds schromelijk verward met ‘achter lopen’.

Schrijven en lezen: alle artikelen

Rudolf Steiner over…..: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: letterbeelden klinkers en medeklinkers
.

1130-1051

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament – (28)

.

KARAVANSERAI OF HERBERG

leven O.T. 124Karavanserai of herberg 
In het Oude Testament is op enkele plaatsen sprake van een herberg of karavanserai, waar men overnacht (Gen. 43 : 21; Ex. 4 : 24; Jeremia 9 : 2). In het Evangelie van Lukas lezen wij in het kerstverhaal dat „voor hen lieden geen plaats was in de herberg” (Luk. 2:7). Een karavanserai is een groot, vierkant gebouw, rondom een binnenplaats waar hier gezadelde kamelen zijn; op de binnenplaats is meest een overdekte put, waar de lederen zakken gevuld kunnen worden. Deze karavanserai heeft om de binnenplaats een zuilengalerij: onder de bogen ziet men de dieren. Een stenen trap (d) leidt naar boven: op een vloer van houten balken is daar een verdieping (a) waar kleine kamertjes zijn als logeervertrekken in de herberg voor de reizigers. Over de balustrade hangen matrassen, die als „bedden” gebruikt kunnen worden.

Wat nu de herberg betreft, bedoeld in Lukas 2 : 7, daarover zijn de meningen verdeeld. Wij lezen in het boek van I. Snoek, In Bethlehem en Nazareth (bl. 149, 150): „Sommigen denken bij dit „herberg” aan de gewone oosterse herberg. Volgens hen konden Jozef en Maria geen plaats vinden in het overdekte gedeelte, en moesten zij een plek zoeken op het open stuk, in de binnenhof. De meeste uitleggers verwerpen deze opvatting. Wat is dan wel de betekenis van herberg in Lukas 2 : 7. Daarbij zijn er 3 opvattingen:

a. De herberg zou zijn het huis, waar Jozef als Bethlehemiet eigenaar van was, en dat tijdens zijn afwezigheid tijdelijk aan anderen verhuurd was. Bij Jozefs terugkeer in Bethlehem nam hij daar toch tijdelijk zijn intrek; het was zijn herberg. Toen voor Maria de ure kwam, kon zij in het overvolle huis niet blijven; zij trok zich terug in dat deel van het gebouw, dat als stal gebruikt werd.

b. Elk huis, waar een vreemde tijdelijk zijn intrek nam, was voor hem een herberg. In Lukas 2 : 7 moeten wij denken aan een gewone fellahwoning. In zulk een boerenwoning is een verhoogd deel, waar de mensen, en een lager deel, waar de dieren verblijf houden. Daar, in dat lagere gedeelte, zou voor Jozef en Maria een plaatsje zijn geweest. Aan weerszijden van het trapje, dat naar boven leidt, zijn voederbakken (plaats 5; 2c); één daarvan zou de kribbe geweest kunnen zijn. — Beide groepen van uitleggers leggen er de nadruk op, dat vers 6 zegt: „als zij daar waren”; niet „als zij daar kwamen”. Maria en Jozef kunnen vóór de geboorte al geruime tijd in Bethlehem vertoefd hebben, en dan is het verblijf in een huis voor de hand liggend.

c. De voorstelling der traditie: de geboorte had plaats in een grot, als schaapskooi gebruikt. Het is in Palestina niets ongewoons, dat mensen de nacht in een stal doorbrengen; zulk een warme stal was een betere verblijfplaats voor Maria in de toestand, waarin zij zich bevond, dan de herberg. Wanneer wij ons houden aan de traditie, kunnen wij ons de gang der dingen als volgt voorstellen: Jozef en Maria komen in Bethlehem. Alle huizen zijn vol. Ook in de herberg is geen plaats. Men wijst hen de grot, als schaapskooi benut. Voor deze opvatting pleit, dat de engel straks tegen de herders zegt, dat zij het kindeke zullen vinden in de kribbe, de hun bekende kribbe, in de stal, waarheen zij gewoon waren hun schapen te drijven. Zo zegt ook Dalman:. „De oeroude traditie kan zeer wel het juiste getroffen hebben.”

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1129-1050

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – impressie (4)

.

DE EERSTE KLAS

Nu waren ze allemaal wel binnen. Wat verlegen zenuwachtige ouders stonden nog wat verloren op de gang. En onwennig zaten achttien kinderen op een plaatsje in die grote klas.

Alles lijkt zo groot in vergelijking tot die kleine hummeltjes.

Het is tijd…, de deur moet dicht…. voor het eerst. Een jongetje dat met zoveel verwachting had uitgekeken naar dit moment werd het nu opeens onduidelijk wat er zo fijn is aan ‘de grote school’ en begon hard te huilen. Gadegeslagen door zeventien paar ogen die ook nu eigenlijk grote moeite hadden geen tranen te laten vloeien.
Ze keken niet alleen naar hem, maar ook naar mij! Opeens realiseerde ik me dat dit de momenten zijn waaruit het werkelijke contact met de kinderen zou groeien. We gingen samen over die grote drempel en al die in vol vertrouwen toegestoken handen nam ik graag vast.

Dit moment zou steeds weer terugkomen, soms na een extra mooi verhaal, soms bij het begin van iets nieuws wat we zouden leren, soms bij een lied, soms bij het tekenen. Altijd een moment waarop je het gevoel had, niet alléén met de kinderen te zijn.

Ja zo was het die eerste dag.

Hoe gauw was je al gewend aan al die verschillende kinderen die allemaal hun eigen plaats in de groep vonden. Hoe gauw waren de kinderen niet gewend aan jou.

In de eerste periode verschenen de letterbeelden aan ons, begeleid door een gedicht waarin het karakter van die letter duidelijk naar voren kwam.

Voor de B hadden we bijvoorbeeld:

Ik ben de bolle boom
beschut nu het meisje
dat bang bij mij bescherming zocht.
Ik buig mijn takken behoedend naar beneden
en breng haar wat licht
in bange tijden.

De basis voor de beelden vormen de sprookjes. Zij waren goede stof om het vertellen (spreken) van de kinderen te oefenen,

Hoe moeilijk was het niet in ‘het begin voor een kind het beeld wat haar verschenen was toen juffie vertelde, terug te vertellen.

Daar is een vorm van afstand nemen voor nodig, die de kinderen nog niet hadden. Ze gingen nog helemaal in de beelden op. En van iets waar je in op gaat kun je moeilijk afstand nemen.

Zo verschenen voor ons zoveel mogelijk letterbeelden rond de medeklinkers. De klinkers kregen grote aandacht in de euruthnielessen. Toen de kinderen na kerstmis helemaal hiermee vertrouwd waren kwam er een grote fee (ik vertel het hier slechts kort!!), die de sluier van de beelden lichtte en de letters deed verschijnen.

Niet alleen de letter werd uit het beeld gehaald, maar ook de klank uit het gedicht. Frappant is, dat de kinderen dan een heel zuiver gehoor hebben voor die klank. En enthousiast mee klappen als ze hem weer in een woord horen. Het was ook geen probleem woorden te zoeken met een bepaalde klank.

Toen kwam de grote dag. We gingen schrijven!
Eerst werd er een grote tekening gemaakt waarin alles benoemd werd.

Na de losse woorden kwamen de gedichten, die reeds vele malen waren gesproken, in een prachtig eigen gemaakt boek. Vol aandacht werd er gewerkt aan ieder woord. Dit proces eens door de mensheid doogemaakt, vanuit het beeld naar de vom, het letterteken, vormt de basis voor het lezen.

Ook de herkenning speelt een grote rol, en van daaruit het zien.

Boe groot was de vreugde toen de klas met elkaar opeens terwijl juf het aanwees, een gedicht van het bord kon ‘lezen’!!

Dit wat het taalaspect betreft.

Daarnaast staat het rekenen.

Terwijl we vertelden en praatten over de kwaliteiten van de getallen verschenen de verschillende getallen één voor êên in mooie Romeinse cijfers op het bord.

Toen we hiermee bezig waren deden we elke dag met grote verbazing weer nieuwe ontdekkingen in de wereld der getallen. En natuurlijk niet te vergeten de getallen in de verschillende sprookjes. Het allerbelangrijkste bij het rekenen vormt de omhulling bij dit alles, namelijk de beweging. Klappend stampend en springend telden we; deden de vier bewerkingen en legden de basis voor de latere tafels van vermenigvuldiging.

Het zou veel te veel worden om in alle vakken deze ontwikkeling aan te geven die we hier kunnen zien. Ik wilde U slechts een indruk geven van de sfeer in ’mijn’ eerste klas en van de dingen die aan de orde kwamen. Een heel bijzondere ervaring hierbij is, dat de kinderen je zelf tonen, vertellen wanneer ze rijp zijn naar een volgende fase in hun ontwikkeling over te gaan. Als je je ogen maar open houdt, hoef je nooit een plantje uit de grond te rukken om het ‘groter’ te laten worden. Maar geef je het genoeg voeding dan komt er een moment waarop het je vanzelf tegemoet groeit.

Goed toegedekt worden in de eerste klas, vele kiemen gelegd, waarvan vele als het de tijd daarvoor is, tot ontkieming zullen komen.
Het is belangrijk dat geprobeerd wordt de bodem zo vruchtbaar te laten zijn dat het zaad kan ontkiemen, de worteltjes houvast kunnen vinden en het eerste groene onzekere kiempje de kracht en de moed zal vinden een grote plant te worden, opgericht naar de hemel en het licht. En ook sterk genoeg om ook eventuele stormen te doorstaan.
.

G.Zuijdam, vrijeschool Rotterdam, nadere gegevens onbekend

1e klas: alle artikelen

sprookjes: alle artikelen

spraakoefeningen

euritmie

VRIJESCHOOL  in beeld: 1e klas: alle beelden

1128-1049

.

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parzival (6)

.

Inleiding voor de V.P.C.-overlegkring op 30 april 1988.

De weg van Parzival en de weg van Lohengrin

wat betekenen ze voor ons in deze tijd

Het is met een mengeling van vreugde en schroomden ook gewoon zenuwachtigheid,dat ik* hier voor u sta om deze inleiding te houden. Vreugde over het feit dat dit Parzivalepos hier vandaag vanuit deze tweeheid: Parzival-Lohcngrin behandeld mag worden.
Ik meen dat juist deze tweeheid, die we in dit verhaal terugvinden, voor de antroposofische beweging en voor onze schoolbeweging van groot belang is.

Schroom, omdat het een veelomvattend thema is wat met het allerhoogste in de mensheidsontwikkeling, het vinden van de Graal, te maken heeft. Daarom wil ik zo veel mogelijk in plaats van zelf aan het woord te zijn, in mijn verhaal de beelden van het Lohengrinverhaal en Steiner aan het woord laten.

Stellen wij ons voor dat hier, in deze ruimte, waar we bij elkaar zijn, dat hier in ons midden een grote, mooie kristallen klok zou hangen. In dit kristallen glas zouden de kleuren dooreenweven in een bont spel. En dan, plotseling, zou de klok gaan klinken : een toon zou zij voortbrengen. Tegelijkertijd zouden de kleuren die zo dooreengeweven hebben, die zouden zich verdichten tot letters. Deze letters zouden zich vormen tot een naam, en zo zou daar de naam verschijnen van’Gijs Langeslag’! En daarachter zou een opdracht verschijnen: “Parzivalschool, Arnhem”. Dan zou het weer vervagen, het zou weer stil zijn.

Op een zeker moment zou opnieuw die klok klinken: weer zouden de kleuren elkaar vinden in letters en de naam vormen van “Attie Lichthart”, met daarachter : “Vrijeschool Zutphen”. Allemaal klinkende namen zouden op deze klok verschijnen van degenen die hier, vandaag, bij elkaar zijn.

Mischien zou het ook kunnen gebeuren dat, wanneer wij straks de grote deur, de voordeur van deze school, zouden verlaten en op weg zijn naar onze auto of naar de trein, dat daar plotseling uit hemelhoogten een zwaan zou neerdalen. En dan in het water, wat daar plotseling aanwezig zou zijn, zou neerstrijken. Dat deze zwaan een klein schuitje zou voorttrekken, en ons zou uitnodigen in dit schuitje plaats te nemen, om op die manier naar huis te gaan.
Milieuvriendelijk, dat in ieder geval. Is het een onwaarheid? Is het fantasterij? Die vraag wil ik meenemen in deze inleiding, om er aan het eind op terug te komen.

In ieder geval verging het zo Lohengrin. Deze beelden zijn de beelden van het Lohengrinverhaal. Aan de meesten van ons zal het verhaal bekend zijn. We weten ook dat er meerdere versies zijn en dat er versies zijn waarin de hoofdfiguur Helias heet. Alle hebben zij gemeen dat deze beelden centraal staan en in alle versies terug komen.

Voor vandaag wil ik mij bepalen tot het Lohengrinverhaal van Wolfram von Eschenbach, Lohengrin de zoon van Parzival.

In het zestiende hoofdstuk, het laatste hoofdstuk van het Parzivalepos, komt Parzival ten tweede male op de Graalsburcht. Het is dan, dat hij de vraag weet te stellen die Amfortas verlost van zijn pijnen. Daardoor wordt hij zelf Graalskoning. Het is in dit zestiende hoofdstuk dat ook over Lohengrin wordt gesproken; in het allerlaatste hoofdstuk van het Parzivalverhaal, Er wordt dan verteld, door Wolfram, hoe er op de Graal opdrachten verschijnen voor graalsridders,om overal naar vreemde volkeren te gaan. Wanneer zij daar op hun missie zijn, zo vermeldt Wolfram, mogen zij hun naam en hun geslacht niet noemen. Hij vermeldt dan ook nog dat, voor Parzival kwam, er een tijdlang geen ridders weggezonden werden, zolang het leed van Amfortas duurde.

En dan wordt er over Lohengrin gesproken. Kerst wordt nog van hem gezegd dat hij wordt gevraagd door Feirefiz, de gevlekte broeder van Parzival, wordt gevraagd om mee naar het oosten te gaan. De moeder van Lohengrin en ook Parzival, zijn vader, zijn er echter op tegen. Zij zeggen: “Het leven van onze kleine zoon zal gewijd zijn aan de Graal.” Blijkbaar was dit een opdracht die niet voor Lohengrin was weggelegd.

We zullen straks zien dat Lohengrin een andere opdracht krijgt. Maar eerst vernemen we nog hoe na twaalf dagen Feirefiz met zijn vrouw, Repanse de Schoye, wegreist; een lange reis maakt naar India. Het verhaal vermeldt dan nog dat daar in India hun zoon geboren wordt: Johannes, die de priester Johannes wordt genoemd. Een geheimzinnige figuur, die in de middeleeuwen , en ook nog in de tijd van de ontdekkingstochten, een belangrijke, maar verborgen rol speelde. De priester Johannes die een taak heeft in de verdere toekomst van de mensheid. En dan volgt het verhaal over Lohengrin.

Wolfram vertelt hoe er in Brabant een vorstin leeft, in andere versies wordt zij Elsa genoemd, en hoe dat deze vorstin kuis en rein is.
En hoe dat er vele vorsten zijn die dingen naar haar hand. Maar de vorstin van Brabant is niet erg onder de indruk van al deze mannen. Als zij uiteindelijk maar blijft weigeren, worden zij vertoornd op haar. Zij zegt: “Wie God mij zal zenden, die wordt mijn man”. Als dan juist deze ridders zo kwaad dreigen te worden dat zij haar kwaad aan zullen doen, verschijnt er een witte zwaan die een scheepje voorttrekt, en in dat scheepje bevindt zich een ridder: Lohengrin. Zij weet meteen dat zij met hem trouwen wil. Hij zegt haar: “Vraag mij niet naar mijn naam en naar mijn koningkrijk”, en zij belooft het.

Dan weidt Wolfram uit over de kwaliteiten van Lohengrin, als hij eenmaal de vorst van Brabant is geworden door het huwelijk dat hij met deze vorstin is aangegaan. Hij zegt: “Iedere heer ontvangt zijn leengeld; er is een voorspoedige heerschappij; hij is een rechtvaardig rechter; de bloem der ridderstand; hij verbreidde de zegen alom; hij had een gelukkig huwelijk en schone kinderen “.

Na verloop van jaren vraagt Elsa toch aan hem waar hij vandaan komt. Wolfram vertelt niet na hoeveel tijd dat gebeurde, in andere versies wordt meestal de tijdspanne van tien jaar vermeld, en hij vermeldt ook niet waardoor het nu precies gebeurde dat zij nu juist die vraag stelt. Maar die vraag wordt gesteld en op hetzelfde moment bijna dat die vraag gesteld wordt, verschijnt de zwaan, Lohengrin zal moeten vertrekken. Hij laat slechts een zwaard, een hoorn en een ring achter als herinnering. En natuurlijk zijn kinderen. Dat, beste mensen, is bijna het einde van het Parzivalepos. Dan volgen nog slechts ruim dertig regels, waarin Wolfram een soort slotbeschouwing houdt en dan is het Parzivalepos voorbij.

We mogen wel stellen dat het verhaal van Lohengrin zich in een grote vernieuwde belangstelling mag verheugen de laatste tijd. Er zijn scholen in ons land, maar ook daarbuiten, die zich naar de Zwaanridder of naar Lohengrin gaan noemen. In Nijmegen hebben we het afgelopen jaar een aantal werkbijeenkomsten gehouden rond het thema van de zwaanridder.
Mensen als Hans-Peter van Maanen, Fred Beekers en Ignaz Anderson hebben er over dit thema gesproken. In Den Bosch, op de Rudolf Steinerschool hebben wij het thema van de zwaan opgepakt, een thema dat al.sinds eeuwen in onze stad leeft; we kennen daar de zogenaamde Zwanenbroederschap. De leraren van de school zoeken nu naar de nieuwe inhoud die het zwanenthema heeft in deze tijd.

Het feit dat er zoveel mensen zijn die in deze tijd een drang hebben om zich met dit zwanenthema en dit Lohengrinthema uiteen te zetten zegt iets over de tijdssituatie. Blijkbaar is het een drang van mensen die juist nu geincarneerd zijn, om zich daarmee uiteen te zetten. Wellicht is het van belang hierbij te vermelden dat wij ongeveer duizend jaar leven na de tijd die Rudolf Steiner aangeeft als de tijd waarin de Lohengrinimpuls voor de mensheid heeft gewerkt, n.l. de tiende eeuw.

Vanuit de beelden die het verhaal geeft, wil ik nu graag overstappen naar hetgeen Rudolf Steiner in een zestal voordrachten over Lohengrin heeft gezegd. De voordrachten vindt u op het lijstje dat u allemaal hebt ontvangen. Naast de zes voordrachten van Rudolf Steiner over dit thema vindt u nog het boek van Max Stibbe vermeld, ‘Van zwaneridder tot vliegende Hollander”. Stibbe brengt in dit vrij uitgebreide werk het zwaneriddermotief in verband met de Nederlandse volksziel. Hij werkt eigenlijk helemaal uit hoe dat in de historische ontwikkeling van het Nederlandse volk, hoe dat zwaneriddermotief eigenlijk de gang van dit volk door de geschiedenis begeleidt.
Walter Johannes Stein en Isabel Wyatt die u ook in de literatuurlijst vindt, werken met name een belangrijke opmerking van Rudolf Steiner uit over Lohengrin, datgene wat hij heeft gezegd, dat Lohengrin eigenlijk staat voor de stedenstichtingsimpuls in de tiende eeuw. Dit gegeven weten zij in verhand te brengen met historische personen die in de tiende eeuw en daarna hebben geleefd.

Rudolf Meyer schreef een zeer veelzijdig boek over de graal en in het tiende hoofdstuk vindt u het een en ander over Lohengrin,

Ik wil mij nu verder bepalen tot de zes voordrachten die u op uw lijst vindt en vanuit die zes voordrachten proberen de beelden van het verhaal te benaderen.

Wij weten dat Parzivai aan het begin van het Parzivalverhaal een kleine jongen is, bij zijn moeder Herzeleide woont in een natuurlijke omgeving. Hoe hij als een kleine, we mogen wel zeggen simpele, jongen, die als hij ridders ziet denkt dat het engelen zijn; hoe hij als een kleine jongen de wereld ingaat, weg van zijn moeder en dan eigenlijk door het hele Parzivalepos heen een ontwikkelingsweg gaat, tot hij uiteindelijk bij de Graal komt. Hoe hij daar eenmaal onrijp wordt bevonden, weer terugkomt in de wereld en opnieuw die weg moet gaan.

Het is een weg die door de twijfel gaat. Van dofheid via de twijfel, dan uiteindelijk voert tot de Graal, dat is de trap van de saelde.

Wat is nu eigenlijk die weg naar de Graal? Rudolf Steiner heeft het in een van deze voordrachten heel eenvoudig gezegd: “De weg naar de Heilige Graal is niets anders dan de weg naar het diepste innerlijk van de menselijke natuur”. Ook zegt hij ergens, in 1906: “Het is de weg van ieder mens naar zijn hoger zelf” Het gaat hier om een innerlijke menselijke weg, vandaar dat dit verhaal ons ook zo kan ontroeren en ook zo kan aanspreken, dat wij ons zelf daar allemaal in kunnen herkennen. Zoals gezegd van dofheid via twijfel naar saelde. En wat is nu saelde? Saelde, zegt Rudolf Steiner, dat is de inwijdingstrap van de Zwaan. En het is door Trevrezent, dat Parzival in deze trap wordt ingewijd. Wat is dan wel die trap van de zwaan? In een van die voordrachten zegt Steiner het wel op een heel eenvoudige manier. Hij zegt: “De zwanentrap wil zeggen dat men zich niet hoger acht dan anderen”.

Maar in alle andere beschrijvingen die ik in deze voordrachten tegenkwam, wordt zijn beschrijving van de zwanentrap dichterlijk, lyrisch, bijna muzikaal. Hij spreekt dan over het uitvloeien over alle wezens; vreemde smart is onze smart; medelijden; we begeven ons in de sfeer van de hemelse sferenharmonie; we komen in de hogere regionen van het devachan; de stemmen van alle wezens klinken daar in een grandioze harmonie. Alle wezens, ook de stenen, planten en de dieren (we kennen het als sprookjesmotief ) die spreken tot ons en we horen ze niet buiten ons maar in onszelf. Dat is de trap van de Zwaan.

Men ervaart, zegt Rudolf Steiner, de bron van het universumen van de Logos.

Daar, vanuit die staat van zijn, vanuit die trap moeten we dan het verhaal verder denken. Daar is het dat het verhaal van Lohengrin begint. Want Lohengrin is een zwanenridder. En als het verhaal zegt dat Lohengrin de zoon van Parzival is, dan betekent dat niets anders dan dat Lohengrin verder gaat in de ontwikkeling waar Parzival gekomen is. En we weten het uit het verhaal, hij gaat de weg de wereld in; er is nood in de wereld .

En in dit geval gaat het om de nood van Elsa van Brabant. Maar wie is dan Elsa van Brabant? Zij staat, zegt Rudolf Steiner, voor het middeleeuwse bewustzijn. Het vrouwelijke, zegt hij, duidt steeds op een staat van bewustzijn.

Wat wil er opkomen in dit bewustzijn? Wat wil er opkomen in de middeleeuwen? Het materialisme wil opkomen. Maar daarvoor is het nodig dat het strevende menselijke bewustzijn, het vrouwelijk principe, Elsa, vanuit de buitenwereld, de Heilige Graal wordt bevrucht. En deze bevruchting is de stedenstichtingsimpuls.

Steiner zegt: Het gaat hier om een historisch-sociale missie, in het midden van de middeleeuwen, tiende eeuw. En hij stelt deze historisch sociale missie in een van die voordrachten direct tegenover de innerlijke menselijke weg van Parzival. Door de steden heeft er een grote ruk voorwaarts plaatsgevonden in de mensheidsontwikkeling. Dankzij de steden ontstonden boekdrukkunst, moderne wetenschap, universiteiten en nog veel meer, maar ook een werk als Dante’s Divina Comedia, zegt Steiner, had nooit geschreven kunnen worden als er geen steden waren geweest. En hetzelfde zegt hij over de schilders van de Renaissance.

De huidige fase van het Christendom werd door Lohengrin ingeleid en heeft geleid tot de fase van de dienstbaarheid. De mens is bevrijd uit zijn oude verbanden. Het burgerdom is bevrijd onder invloed van het Christendom. Als het verhaal zegt dat Lohengrin een zoon van Parzival is, dan geeft dat aan dat de impuls die Lohengrin bracht een christelijke impuls was. De stedenstichtingsimpuls is een christelijke impuls.

Toen ik in een van deze voordrachten aan het eind las hoe Steiner zegt dat de antroposofie de opvolger wil zijn van bewegingen zoals de Parzivalbeweging en de beweging die van de ingewijde Lohengrin uitging, heeft dit mij aan het denken gezet, en ik heb mij afgevraagd waar wij de Parzivalweg en de Lohengrinweg in de antroposofie terugvinden. En ik meen daar een antwoord op gevonden te hebben, ik meen dat er in de antroposofie sprake is van twee wegen. De ene weg is de innerlijke ontwikkelingsweg : “Je ontwikkelt je rot”, zeggen we in deze tijd; de andere weg is de sociale weg.

De eerste weg, de innerlijke ontwikkelingsweg, komt van binnen uit. Het is een innerlijke menselijke weg die Parzival gaat, en waar je in je eentje bezig bent om alsmaar verder jezelf te vervolmaken. Het is de weg die door de twijfèl gaat, met vallen en opstaan. In de zin van hoe Steiner spreekt over het sociale in zijn voordracht “Sociale en anti-sociale impulsen in de mens” is dit een anti-sociale weg. En hij zegt daarbij (citaat):” Tot in het tijdperk van het derde millennium moeten de anti-sociale driften zich nog ontwikkelen.”

En wat is dan die sociale weg, de tweede weg die de antroposofie wijst ? Dat zegt hij meteen daarop in diezelfde voordracht: We moeten daar, zegt hij, sociale structuren tegenover zetten, die ervoor zorgen dat de mens niet de andere mens verliest in het sociale leven”.

Het anti-sociale bestaat en moet bestaan. Het heeft te maken met mensen die hun ontwikkelingsweg gaan vanuit de krachten van hun Ik in deze bewustzijnszielentijd. Het mag beslist niet bestreden worden, maar deze staat van bewustzijn van de mensen moet met iets anders verbonden worden, iets dat van buitenaf bevruchtend daaraan wordt toegevoegd.

En dan zegt Steiner in deze zelfde voordracht het volgende: Het gaat er om de inrichting van de maatschappij, de stuctuur, de organisatie van datgene wat niet in de menselijke natuur besloten ligt, maar zich daarbuiten afspeelt, op een zódanige manier vorm te geven en in te richten dat er een tegenwicht ontstaat voor datgene wat in het innerlijk van de mens werkt als anti-sociale drift. Alleen datgene wat buiten de mens is wordt sociaal ingedeeld.

Beste mensen, toen Rudolf Steiner zijn sociale driegeleding aan de wereld bracht, heeft hij niets anders gedaan dan een vorm gegeven; een ordeningsprincipe gegeven. Zoals de ingewijde Lohengrin de stedenstichtingsimpuls in de wereld heeft gebracht, van buitenaf vormend.

De sociale driegeleding heeft geen inhoud, maar is een ordenings-principe.

Zelfs zo’n wet die Rudolf Steiner geeft als de “sociale hoofdwet”, we kennen hem uit het in het Nederlands vertaalde boekje: “Antroposofie en het sociale vraagstuk”. Daarin vinden we op blz.36 en 37 de vertaling van de sociale hoofdwet. Daar blijkt heel duidelijk hoe Steiner deze sociale hoofdwet niet heeft bedoeld als een moreel iets, maar als een wet die tot in de vorm, tot in inrichtingen zich zou moeten uitdrukken.
Luistert u maar, eerst de wet: ”Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter, naarmate de enkeling minder aanspraak maakt op de opbrengsten van zijn prestaties, dat wil zeggen, naarmate hij meer van deze opbrengsten aan zijn medewerkers afstaat en naarmate meer van zijn eigen behoeften niet door zijn eigen prestaties maar door de prestaties van de anderen worden bevredigd”.

Daar zouden we nog kunnen denken dat het om zo’n morele aansporing van Rudolf Steiner zou kunnen gaan, maar om daar alle twijfel uit te bannen, wil ik nog voorlezen wat hij dan even verderop zegt. “Men moet echter niet denken dat het voldoende is om deze wet als algemene morele wet op te vatten; ook moet men haar geenszins in zo’n gezindheid om willen zetten dat iedereen in dienst van zijn medemensen zou moeten werken. Nee, in werkelijkheid is deze wet alleen van kracht wanneer het een gemeenschap van mensen gelukt om zodanige inrichtingen in het leven te roepen, dat niemand de vruchten van zijn werkzaamheden voor zichzelf kan opeisen, maar dat deze, zo mogelijk in hun geheel, aan de gemeenschap ten goede komen.”

Het anti-sociale dat samenhangt met het feit dat mensen in onze scholen en in de schoolbeweging zich ontwikkelen vanuit de krachten, vanuit het vuur van hun Ik, wordt niet voldoende in evenwicht gehouden door onze sociale structuren. Het is overmoedig van ons om te denken dat we het met onze persoonlijke scholingswegen wel redden. Zolang wij nog geen zwanen zijn, is het anti-sociale overal in en om ons. Toch kunnen wij iets van een zwanenridderschap aan de wereld laten zien als we er voor durven kiezen om deze sociale structuren in school en schoolbeweging werkelijk vorm te geven. Sociale strukturen die onszelf en de ander voor de negatieve kanten van de ontwikkelingsdrang beschermen. Als we daarvoor durven kiezen is het beeld aan het begin van deze inleiding beslist niet onwaar geweest.

LITERATUURLIJST LERARENFEDERATIE 1988.

VERSCHILLENDE VERSIES VAN HET LOHENGRIN/HELIAS-VERHAAL(onvolledig).
Leonard Beuger (bew). Parzival-Christofoor
D.L. Daalder: Mythen en sagen uit het oude Europa-Utrecht/Antwerpen (Bol)
H.A.Guerber: Mythen en legenden uit de middeleeuwen-Zutphen
Jaap ter Haar: Sagen uit de donkere middeleeuwen
H.R.Niederhauser: Ritter, Reiter, Gottesstreiter-Verlag Freies Geistesleben.
Joh. Vorrink: Een schone en wonderlijke historie van den Zwaanridder-N.V. Servire, ‘ s-Gravenhage 1930.
Werner Greub: Willem van Oranje, Parzival en de Graal –
Wolfram von Eschenbach als historicus”
Deel I is te lezen op www.willehalm.nl.

ACHTERGRONDLITERATUUR BIJ HET LOHENGRIN-THEMA (onvolledig).
Rudolf Meyer: Het mysterie van de Graal ; Christofoor.
R.Steiner: Negende voordracht (4-10-1905) GA 93A .
R.Steiner: Parzival en Lohengrin (3-12-1905) GA 92 en “Graalschrift”2 .
R.Steiner: Parzival und Lohengrin (29-3-1906); GA 54
R.Steiner: Twaalfde voordracht (8-6-1906); GA 92
R.Steiner: De Europese mysteriën en hun ingewijden (6-5-1909) GA 57 
en ”Graalschrift”
R.Steiner: Eerste voordracht (23-7-1922); GA 214
W.J.Stein: England as the nucleus of the foundation of commercial towns; “The Present Age” februari 1936.
*Max Stibbe: Zwanenridder en vliegende Hollander-Utrecht z.j.
Isabel Wyatt: De stedenstichters-“Graalschrift“3 en 4.

ACHTERGRONDLITERATUUR OVER DE ANTRPOSOFISCHE SOCIALE IMPULS (onvolledig).
Dieter Brull: De sociale impuls van de antroposofie-Christofoor Zeist.
Dieter Brull: De structuur van de Geert Groote School; artikel in; “Maatschappijstructuren in beweging“-Christofoor, Zeist.
Bernard Lievegoed: Over instituties van het geestesleven-Vereniging ter bevordering van de heilpedagogie, Zeist.
R.Steiner: Antroposofie en het sociale vraagstuk GA 34 (blz 191, 1905)-Christofoor, Zeist.
R.Steiner: Hoe werken de engelen in ons astrale lichaam; GA 182 (1918)-Christofoor, Zeist.
R.Steiner: Sociale en anti-sociale impulsen in de mens GA 186 (1918)-Christofoor, Zeist.
R.Steiner: Die Kernpunkte der sozialen Frage (1919) GA 23
R.Steiner: Die Erziehungsfrage als soziale Frage (1919) GA 296
Gieljan Vingerhoets: Sociale driegeleding in de vrijeschool-eigen uitgave
.

Dit is de letterlijke weergave van een gesproken tekst. Daardoor lopen niet alle zinnen even vlot. Een omwerken van de tekst was op zo’n korte termijn niet mogelijk.

Gieljan Vingerhoets.
Inleiding voor de V.P.C.-overlegkring op 30 april 1988.

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg [1]   [2]   [3]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival

11e klas – Parcival: over de 3 bloeddruppels in de sneeuw

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

.

1127-1048

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen (10)

.

In dit artikel gaat het over (bijna) blinde kinderen. En de mogelijkheden die er zijn voor hen om ook te kunnen spelen.
Het is begrijpelijk dat, nu de gezichtszin is weggevallen, andere zintuigen intensiever worden aangesproken, zoals de gehoorszin en de tastzin.

Ook voor kinderen die wèl kunnen zien, zijn deze spelletjes/oefeningen goed voor het leren aandacht te hebben voor dingen, waar je, dankzij je gezichtsvermogen, veel oppervlakkiger aan voorbijgaat. 

MET GESLOTEN OGEN OP ONTDEKKING

Kinderen worden aangetrokken door dingen die zij kennen, door vormen en door kleuren. Zij zien een fiets en springen erop. Elke bal krijgt een trap. Een doos met stiften vormt een uitnodiging om er eens lekker op los te kliederen. Kinderen zijn zich nauwelijks bewust van het feit dat zij willen gaan spelen. Dat doen zij gewoon.

Bij blinde en zeer slechtziende kinderen werkt het anders. Zij nemen pas het initiatief tot het spelen van een spel als ze daar een prettige herinnering aan bewaren. Als een blind kind met de bal wil spelen, moet iemand anders eerst zeggen waar de bal ligt. Ook tijdens het balspel blijft hulp nodig. Als de bal wegrolt bijvoorbeeld, kan het zoeken zoveel moeite kosten dat de lol van het balspel af is. Misschien wel voorgoed.

Theofaan, centrum voor hulpverlening aan slechtziende en blinde mensen, heeft een gids gemaakt met spelmogelijkheden voor blinde en zeer slechtziende kinderen. Wat er allemaal kan is bedoeld als inspiratiebron voor iedereen die privé of op het werk goede ideeën kan gebruiken voor de omgang met deze kinderen. ‘Denk niet te snel dat iets onmogelijk of gevaarlijk is’, schrijft Margo Knaapen in de gids. ‘Een goede stelregel is dat u kinderen zelf laat uitvinden wat ze gemakkelijk kunnen en leuk vinden. Blind zijn brengt al vaal afhankelijkheid met zich mee. Door te veel in te grijpen of door overbezorgdheid vergroot u die afhankelijkheid onnodig.’

De lezer hoeft de ogen niet te sluiten om te zien dat Wat er allemaal kan ook voor ziende kinderen een ontdekkingstocht voor de zintuigen biedt. Het hoeft niet altijd de speelgoedwinkel te zijn die de fantasie van kinderen prikkelt. ‘Alles wat u nodig hebt, staat waarschijnlijk in de schuur, de keukenkastjes of de huiskamer.’

Wie vult er nog lege jampotten of melkflessen met water, erwten of kiezelstenen om een eigen geluidencarillon te maken? Ooit de variant gespeeld van ‘ik zie, ik zie wat jij niet ziet’? Ogen dicht, op ruiten kloppen, tafels verschuiven, met de besteklade rammelen en de vraag stellen ‘ik hoor, ik hoor wat jij niet hoort’. Wat voor geluid maakt een sinaasappel als hij in het water valt? Zeepsop voelt niet alleen lekker aan, maar maakt ook een prachtig geluid als het uit elkaar spat.

Zelfs memory kun je met geluid spelen. Hoe? Verzamel en vul lege doosjes waar fotorolletjes in gezeten hebben. Vul ze m paren met zand, rijst, kraaltjes en andere materialen met een eigen geluid. Schuddend en luisterend kunnen de bij elkaar behorende doosjes opgespoord worden. Lege luciferdoosjes gevuld met koffie, thee, kruiden, zeep, suiker of andere geurende substanties kunnen weer een heel andere variant op memory opleveren.

In gespecialiseerde winkels zijn bekende gezelschapsspellen verkrijgbaar die zijn aangepast voor blinden en slechtzienden. Scrabble in braille, Master Mind met puntjes op de pionnen in plaats van verschillende kleuren, rummikub met de cijfers in braille. Veel spellen kunnen geschikt gemaakt worden voor blinden. Pionnen kunnen gemerkt worden door er een stukje van af te zagen of er een spijkertje of punaise in te slaan.

Gewoon tekenen met een potlood of stift op papier is voor blinde kinderen niet leuk. Zij kunnen het resultaat niet voelen. Tekenen met houtlijm is een alternatief. Als de lijm is opgedroogd kunnen ze de tekening voelen.

Ooit voelbingo geprobeerd? Maak een grote zak met allerlei voorwerpen en een aantal kleine zakjes met daarin een paar van dezelfde voorwerpen als in de grote zak. Iemand haalt een voorwerpje uit de grote zak en laat dat rondgaan. Vervolgens zoeken alle deelnemers in hun eigen zakje of daar hetzelfde voorwerp in zit. Als dat zo is, halen ze dat eruit. Wie het eerst zijn zakje leeg heeft, roept bingo en wint. Gegarandeerd succes op kinderfeestjes!

Nou, vooruit dan, omdat het zo moeilijk is het zelf te bedenken en omdat het zo leuk is om te doen, nog een idee uit het gidsje. Een spel voor binnen of buiten. Wel eerst de meubels aan de kant. Leg een bochtig parcours aan met wegen van stroken karton, verpakkingsmateriaal, vloerbedekking, grind, zand of wat dan ook. Kinderen volgen het parcours kruipend of lopend op hun blote voeten. Ziende kinderen wel eerst blinddoeken!

Mirjam Verheijen, in een dagblad, nadere gegevens onbekend.
.

blind

Wat er allemaal kan. Vormen van vrijetijdsbesteding voor blinde en zeer slechtziende kinderen, uitgegeven door Theofaan*, Grave

*nu: Visio

Zintuigen: alle artikelen

1126-1047

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (27)

.

ANDERE MIDDELEN VAN VERVOER

leven O.T. 1191. Vrouwen op reis
Assyrisch relief uit het paleis van Sanherib. De bekende geleerde Alfred Jeremias geeft dit plaatje om aanschouwelijk te maken, hoe men zich voorstellen kan de reis genoemd in Gen. 12 : 6. En Abraham is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem. Oorspronkelijk waren de wielen één rond hout; van later tijd zijn pas de spaken in de wielen. Uit die latere tijd zijn ook deze tweewielige wagens; de bouw ervan geschiedde door wagenmakers, welke vooral onder de Elamieten gevonden werden. De twee vrouwen voor dragen beide een sluierkap, maar het gelaat is onbedekt; een ervan heeft een kruik.

leven O.T. 1202. Filistijnsche ossenkarren
De Filistijnen zijn herkenbaar aan hun vederhelm (a) die met een snoer of band bevestigd is; aan de helm is verbonden een halsbedekking. De Filistijnen zijn gewapend met lansen (b) en dolken (c). Zij worden hier voorgesteld in strijd met Egyptenaren. Het schild (d) der Filistijnen is rond. De ossenkarren (e) waarop vrouwen en kinderen zich bevinden, worden door vier ossen getrokken. De wagen of kar is vierhoekig, gemaakt van hout, of gevlochten takken. Als wielen dienen ronde houtschijven (ƒ). De vrouwen in de wagen houden de kinderen omhoog, smeekend om erbarmen. Dat een Filistijnsche wagen van hout is (1 Sam. 6 : 14) en door runderen wordt getrokken, vindt men ook in het bekende verhaal over de terugkeer van de ark (1 Sam. 6:7).

leven O.T. 1213. Wagens van Takkari
(een Aziatisch volk in de berichten der Egyptenaren). Zij rijden in karren met zware schijfwielen (a) getrokken door een vierspan ossen (b). De ene drijver met de stok in de hand drijft de ossen aan; de ander, die achterom ziet heeft een rond schild (c). De wagen is met een vierkante houten wand omgeven. In de wagen staat een vrouw, die een kind aan de bovenarm vasthoudt.

leven O.T. 122

4. Zadels van de kameel
Reeds in de dagen der aartsvaders is sprake van gezadelde kamelen (Gen. 37 : 25). De koningin van Scheba kwam te Jeruzalem met een zeer zwaar heir, met kemelen, dragende specerijen (1 Kon. 10 : 2). Behalve van lastkemelen spreekt de Bijbel ook van snelle kemelen (Jesaja 66 : 20; 60 : 6). Gewoonlijk legt een rijkameel 5—6 km. per uur af en loopt dan 8 tot 10 uur per dag en dat weken lang. Dat houdt geen paard vol. Om de last goed op te laden, wordt gebruik gemaakt van eigenaardige zadels; twee lange stokken aan weerszijden van het dier dienen om het draagvlak te vergroten. De kameelzadels worden dikwijls bewaard in de vrouwenafdeeling van de tent (Gen. 31 : 34).

leven O.T. 1235. Weg tussen steenmren
De handelslieden trokken langs grote internationale karavaanwegen (Genesis 37 : 25) en de eenzame reiziger langs een holle weg (Numeri 22 : 24) die door de wijngaarden loopt met een muur aan deze en een muur aan gene zijde. Tuinen, boomgaarden, wijngaarden en soms de groepen olijfbomen en vijgebomen zijn omsloten door een muur (a) (jedar). De jedar wordt opgebouwd van onbehouwen stukken steen. Deze los-ongestapelde muren zijn vaak vol stoffige gaten, die welkome schuilplaats voor slangen bieden (Prediker 10 : 8). De jedar wordt in de Bijbel gebruikt als beeld van Gods bescherming (Ezra 9 : 9; Micha 7 : 11); het deel van de goddelozen vergelijkt David met een muur die door de winterstormen is vernield (Ps. 62 : 4).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1125-1046

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (25)

.

opspattend grindEnkele vrijescholen melden:

Weer een leuke film* over VS onderwijs;

De Vereniging Van Vrijescholen heeft een mooi filmpje gemaakt als introductie op het vrijeschoolonderwijs. Bekijk het hier.

Het filmpje begint met een kindje in de natuur. Is het op weg naar school? Idyllisch in het herfstbos? Dat zouden al die ouders ook wel willen, die zich iedere dag, een kind voorop en achterop de fiets door het drukke verkeer moeten worstelen om op school te komen.

Dan zien we een kind schrijven en we horen meteen kennelijk iets heel belangrijks voor het vrijeschoolonderwijs: ‘de scores zijn landelijk goed’.
Het kind is dus kennelijk aan het leren, maar heeft het zijn potlood al goed leren vasthouden?

voorlichtingsfilm

Zo moet het:
schrijfhouding 3

Dan wordt ons uitgelegd waar ‘vrij’ voor staat:

‘Vrij’ betekent dat de scholen de vrijheid hebben voor hun eigen visie op onderwijs en opvoeding en de leerkracht heeft de ruimte om dit in de praktijk te brengen.

Ik heb, vanaf de jaren 70 van de vorige eeuw niet anders meegemaakt dan dat de regelgeving van de overheid ‘het in de praktijk brengen‘ nog al in de weg stond en dat is er niet beter op geworden.

Of, zoals een Kamerlid zei: ‘De overheid bepaalt de regels en daarbinnen heeft het onderwijs enige speelruimte.’

Fractievoorzitter van het CDA Flevoland, Marianne Luyer, formuleert het zo:

‘Het beleid van minister Bussemaker heeft bijgedragen aan te sterke overheidssturing op output, financiën, cijfers, de invoering van het sociale leenstelsel en het bij het onderwijs leggen van allerlei extra maatschappelijke taken.’

En hoe gaat het in de bovenbouwen waar het lijkt dat het ‘examenspook’ de geest van het vrijeschoolonderwijs is geworden, met als gevolg dat wie havo doet en slaagt, na de 11e klas van school gaat. Exit 12e klas!

Even later zien we nog een leerkracht die voor het bord iets doet met een boek in de hand. Geeft hij les of leest hij voor. Dat laatste wordt gesuggereerd, want op het bord bewegen Sint-Joris en de draak. Ha, tweede klas of….?

voorlichtingsfilm

Ik weet het (weer) niet en dat is toch vreemd als je wordt voorgelicht.

Ik stel me bij een bordtekening van St.-Joris meer dit voor:

Michael 1

En bij het boek in de hand moest ik denken aan wat Rudolf Steiner opmerkte over lesgeven vanuit een boek:

‘(  ) maar ik zou razend kunnen worden wanneer ik een leraar of lerares met een boek voor de klas zag staan. Bij het lesgeven moet alles innerlijk zijn, moet alles vanzelfsprekend zijn.
GA 310/61
vertaald/65

‘Ik zei al dat het me altijd tegenstaat als ik zie dat men de huidige, op de wetenschap georiënteerde leerboeken in de school haalt en daar het onderwijs naar inricht.’
GA 310/72
vertaald/76

‘Maar deze manier van onderwijs geven krijgt nog een ander gezicht als je weet hoe imponderabilia, – onweegbare zaken – werken en als je er rekening mee houdt dat het onderbe­wuste in het kind nog sterker werkt dan bij de mens op latere leeftijd. Dit onderbewustzijn is verschrikkelijk slim. En wie in het geestelijk leven van het kind kan schouwen, die weet ook het volgende: wanneer er een klas is waarin de leraar met zijn aante­keningen rondloopt die de kinderen wil bijbrengen wat die aan­tekeningen inhouden, dan hebben de kinderen altijd het oordeel: ja, waarom moet ik dat weten? Hij weet dat zelf niet eens! – Dat stoort het onderwijs enorm, want het komt vanuit het onderbe­wuste  naar boven. Van zo’n klas die je met aantekeningen in de hand lesgeeft, komt weinig terecht.’
GA 310/77
vertaald/80

Voorlichten valt niet mee, kennelijk

Er zijn meer filmpjes:
o.a. [1]  [2]  [3]

*Korte animatiefilm over de vrijeschool.
Door filmmakers van Trenchcoat in opdracht van de Vereniging van vrijescholen gemaakt.
De film schetst een paar uitgangspunten van de vrijeschool.
Kijk voor meer informatie op http://www.vrijeschoolonderwijs.nl of bezoek een vrijeschool in de buurt.

alle grindjes

1124-1045

VRIJESCHOOL – 2e klas – impressie (1)

.

‘Uit de oude doos’.
Een artikel uit 1930, maar met nog springlevende menskundige opvattingen. 

HET ONDERWIJS IN DE TWEEDE KLASSE

Het juiste tijdstip, waarop het schoolonderwijs voor het kind aanvangen kan, is dat, waarop de tandwisseling plaats heeft. Het wezen, dat, uit geestelijke werelden komende, bij de geboorte in het aarde-leven treedt, vangt aan, zijn lichaam, het hulsel, waarin het zijn aardeleven moet doorbrengen, op te bouwen. Gedurende ongeveer zeven jaren moet het daaraan werken, met alle krachten, waarover het in dien tijd beschikt. In deze jaren brengt het zijn zielelevcn het sterkst tot uiting door de beweging zijner ledematen. Ook de volwassene drukt zijn innerlijk leven uit in zijn gestes en gebaren. Het kind nu wil, tot het negende jaar, alles nadoen en door nadoen zich eigen maken, wat zijn opvoeders in hunne gebaren en gestes aan zieleleven uiten.

Wanneer dan de geërfde tanden worden uitgestooten en de eigen, blijvende tanden verschijnen, is het tijdstip aangebroken, waarop de lichaamsbouw klaar is. De lichaam-opbouwende krachten komen nu vrij en zijn te gebruiken als voorstellings- en geheugenkrachten. Zonder de gezondheid van het kind te schaden, kan nu het schoolonderwijs aanvangen. Zonder de gezondheid van het kind te schaden, d. w. z., wanneer het zóó gegeven wordt, dat aan het kind zelf afgelezen wordt, wat het behoeft; wanneer uitsluitend en geheel voldaan wordt aan de eischen, gesteld door de wetten van de zich, ontwikkelende menschennatuur; wanneer de opvoeder er zich rekenschap van geeft, met welke krachten hij werkt.

Een kunstwerk van de allerhoogste orde is het menschenlichaam. Plastische, boetseerende, kunstzinnige krachten zijn het, die het lichaam bouwden en waarmee nu de opvoeder en onderwijzer te werken heeft. Kunstzinnig moet het onderwijs zijn, in alle vakken. Vandaar, dat eurhythmie, schilderen en teekenen, niet alleen op zichzelf belangrijke leervakken zijn, maar bij het leeren lezen, schrijven en rekenen een groote rol spelen.

Na het zevende jaar begint het kind zijn zieleleven meer tot uiting te brengen in het rhythme van ademhaling en bloedsomloop. Vandaar, dat veel moet worden gereciteerd; dat met rhythmisch bewegen, loopen, klappen, springen, het kind rekenen leert.

Is, met inachtneming van al het boven gezegde, het onderwijs in de eerste klas van onze school aangevangen, in de tweede klasse is het zoo voortgezet. Iets afgeslotens is niet bereikt. Tegen het achtste levensjaar bereikt ook de ontwikkeling van het zieleleven van het kind nog geen grens.

Van het schilderen en teekenen van groote Latijnsche hoofdletters, zijn de kinderen-in het afgeloopen jaar gekomen tot het lezen en schrijven van het gewone latijnsche druk- en schrijf schrift. De vier hoofdbewerkingen met getallen tot 100 zijn geleerd. Groote getallen zijn bekend; rhythmisch tellen met getallen tot millioenen b.v. De tafels van vermenigvuldiging zijn tot en met die van zes geleerd. Veel is uit het hoofd gerekend, ’t Is van zeer groot belang, dat de geheugenkrachten van het kind gebruikt worden in den tijd, waarin deze het sterkst zijn.

Hiervan wordt ook profijt getrokken bij het leeren van Fransch en Duitsch. De neiging van het kind tot nadoen en de plasticiteit der spraakorganen zijn hierbij ook van belang. Het laten verkommeren van krachten, welke in een bepaalde levensperiode aanwezig zijn, werkt fnuikend voor de geheele verdere ontwikkeling van den mensch. Liedjes, spelletjes, gedichtjes, welke het kind rhythme, melodie en klank der spraak in ’t gehoor brengen, zijn geleerd.

In het muziekonderwijs is dit jaar voor het eerst het fluitspelen ingevoerd, dat door de kinderen met zeer veel animo wordt beoefend.

Over het onderwijs in handwerken, ’t welk jongens en meisjes meemaken en dat ook medewerkt aan de opwekking van de intellectuele vermogens, alsmede over het eurhythmie-onderwijs, kan misschien door een andere hand nog iets geschreven worden.

H.Kwindt, Ostara, 3 jrg. 5/6, okt.1930, vrijeschool Den Haag
.

2e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

.

1123-1044

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven (2-8)

.

TAAL lN DE EERSTE KLAS :

We hebben de eerste dag proberen te verwoorden waarom wij op school gekomen zijn. Dat is om de dingen te leren die de grote mensen al kunnen, omdat ze die ook eens geleerd hebben.

Ook hebben we opgemerkt dat voor dat leren een lange weg nodig is, voor je het verre doel kunt bereiken. Een van de dingen die de kinderen het liefste willen leren is het lezen.
Met het doel van het leren lezen in de toekomst, zijn we vol enthousiasme die lange weg ingeslagen. Ik wilde u hier een beetje van laten meebeleven, door een ochtend hoofdonderwijs voor u uit te werken.

Na de ochtendopening met de spreuk, versjes, liedjes en intensief bewegen, komen we tot rust op onze stoeltjes. We proberen samen om de dag van gisteren in ons bewustzijn terug te roepen en halen daarbij uit het sprookje het beeld van het water, waar de wind overheen waait. Dan vertel ik nogmaals dat stuk uit het verhaal. Wanneer we dat allemaal voor ons hebben, laten we de wind waaien. Eerst de juf samen met twee kinderen:

WOELIGE WIND WAT WAAI JE VANDAAG
OVER HET WATER DAT WIL JE ZO GRAAG
DAAR LAAT JE GOLVEN SPATTEN EN SCHUIMEN
DAAR BUIGT HET RIET MET ZIJN WUIVENDE PLUIMEN
JE WIJDE MANTEL WAAIT ACHTER JE AAN
WOELIGE WIND WAAR KOM JE VANDAAN.

Als enkele groepjes kinderen dit gedaan hebben begint het te regenen;

Vingertoppen tikken op tafel:               -HELE KLEINE WATERDRUPPELS.,…
Platte handen slaan op tafel                  -GROTE DRUPPELS…..
Vuisten slaan op tafel                             -HAGELSTENEN……..
Platte handen slaan op tafel                 -GROTE DRUPPELS…………….
Vingertoppen tikken op tafel                -HELE KLEINE WATERDRUPPELS….
Armen in een cirkel boven het hoofd – DAAR IS DE ZON.

Na wind en regenbui begint het water pas echt te stromen. Alle waterdruppels (=kinderen) zitten achter hun stoel en gaan vanaf hun plaats door sloten stromen om aan het eind van het vers bruisend in de zee voor de klas uit te komen:

WATERDRUPPELS IN DE SLOOT
WATERDRUPPELS KLEIN EN GROOT
WEET JE WAAR JE HEEN ZULT GAAN
ALS DE WERVELWIND KOMT AAN
WEL HlJ NEEMT JE ALLEN MEE
NAAR DE GROTE WIJDE ZEE
WAAR DE DRUPPELS MET ZOVELEN
BRUISEND MET ELKANDER SPELEN
WATERDRUPPELS GROOT EN KLEIN
WAT EEN FEEST ZAL HET DAAR ZIJN.

letterbeeld W 3

Als het water weer tot rust is gekomen en alle druppels naar hun plaats zijn teruggestroomd, dan bekijken we hoe de wervelwind ze allen mee nam. We maken met onze handen in de lucht een grote spiraal die zich inwikkelt. Dan tekent juf hem op het bord.

Enkele kinderen mogen de spiraal over komen trekken, tot de kleur van het krijt als een glans op het bord ligt.

Daarna mogen de kinderen met een waskrijtstiftje, op een groot vel oefenpapier, deze spiraal vanuit de beweging proberen te maken.

Er wordt individueel en in rust gewerkt. Als ieder kind genoeg geoefend heeft met grote en kleine’wervelwinden wordt de naam op het papier geschreven en worden de werkjes opgehaald.

Als afsluiting van de ochtendperiode doen we in de klas tussen de banken door, het zangspel:

TWEE EMMERTJES WATER HALEN

Het is de bedoeling dat de kinderen het beeld van het water zo goed doorleefd hebben, dat ze zich één voelen met het water en dat ze de golven voelen wanneer we die op een andere keer van een bordtekening natekenen.

Ook de beginklank van dit alles heeft zo vaak in onze versjes geklonken, dat we later zullen ontdekken dat we iets geleerd hebben, zonder dat we wisten dat we aan het leren waren.

Monique Kok, nadere gegevens onbekend
.

1e klas: schrijven – alle artikelen

1e klas: Rudolf Steiner over schrijven en lezen

1e klas: alle artikelen

 VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle letterbeelden

.

1122-1043

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – GA 309 – toespraak

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 309: vertaling
inhoudsopgave;  voordracht  [1]  [2]   [3]  [4]   [5]
vragenbeantwoording [1]
vragenbeantwoording [2]

RUDOLF STEINER

UITGANGSPUNTEN VAN HET VRIJESCHOOLONDERWIJS

5 voordrachten gehouden in Bern van 13 t/m 17 april 1924, met beantwoording van vragen en een toespraak bij een pedagogische euritmie-opvoering.(1)

bLZ. 103

ANSPRACHE
vor einer Vorführung pädagogischer Eurythmie
Bern, 14. April 1924

TOESPRAAK
bij een pedagogische euritmie-opvoering

Meine sehr verehrten Anwesenden, vor kurzer Zeit durften wir hier in Bern im Theater aufführen Proben der eurythmischen Kunst, welche vom Goetheanum aus gepflegt wird. Damals handelte es sich vorzugs­weise darum, Eurythmie als Kunst vorzuführen. Die Eurythmie ist eine Kunst, die mit heute noch ungewohnten Kunstmitteln arbeitet, in heute noch ungewohnten künstlerischen Formen spricht, und über die vielleicht daher ein paar Worte der Verständigung im voraus not­wendig sind.
Der Mensch offenbart dasjenige, was in seiner Seele lebt, durch das Gesanglich-Musikalische und durch die Sprache. Beides, sowohl das Gesanglich-Musikalische wie die Sprache, sie gehen hervor aus dem­jenigen, was der Mensch in sich erlebt; aber sie sind gewissermaßen konzentriert auf ein gewisses Organ, ein organisches System: auf die Sprach- und Gesangsorgane. Nun sehen wir schon im gewöhnlichen Leben, wenn wir sprechen, wie wir so häufig das Bedürfnis haben, das­jenige, was wir durch die Sprache zum Ausdruck bringen, möglichst zu unterstützen durch allerlei Gebärden, und wir
.

Zeer geachte aanwezigen,
een korte tijd* geleden mochten we hier in het theater van Bern onderdelen van de euritmische kunst uitvoeren die vanuit het Goetheanum verzorgd wordt. Toen ging het er voornamelijk om euritmie als kunst te laten zien. De euritmie is een kunst die tegenwoordig nog met ongebruikelijke kunstmiddelen werkt, tegenwoordig nog zich uitdrukt in ongebruikelijke kunstzinnige vormen en waarover daarom misschien een paar woorden vooraf nodig zijn voor een beter begrip.
Wat in de ziel van de mens leeft, uit hij zingend, muzikaal en door het spreken. Beide, én het zingend-muzikale én de apraak komen uit wat de mens van binnen beleeft; maar in zekere zin concentreert zich dat op een bepaald orgaan, een orgaansysteem: op het spraak- en zangorgaan. Nu zien we als we in het dagelijks leven spreken, hoe we zo vaak de behoefte hebben om wat we door het spreken uitdrukken, wanneer het maar mogelijk, is te ondersteunen door allerlei gebaren en we

vermeinen, wenn wir das auch nicht immer uns klarmachen, daß die Gebärde geeignet ist, den Anteil des Seelischen an dem, was wir da aussprechen, größer zu gestalten, als wenn wir die Sache bloß aussprechen. Das ist das eine, was als eine Beobachtung aus dem gewöhnlichen Leben hergenommen wer­den kann, und woraus wir dann sehen werden, wie es sich zum Euryth­mischen verhält.
Ein anderes ist ein kleines Stück von einer Erkenntnis, die die heu­tige Wissenschaft schon hat, während eine ganze Erkenntnis daraus werden kann. Die heutige Wissenschaft weiß, daß das Sprachzentrum, das gewöhnliche Sprachzentrum des Menschen, in der linken Hirn-hälfte liegt, daß da ein ganz bestimmtes Organ ist, aus Hirnwindungen bestehend, ohne das der Mensch unfähig ist zu sprechen – nicht des­halb, weil seine Sprachorgane in irgendeiner Weise unfähig wären, die können ganz intakt sein; der Mensch kann doch nicht, wenn dieses

denken, ook al weten we dat niet altijd, dat het gebaar in staat is de betrokkenheid van de ziel bij wat we dan uitspreken groter te maken dan wanneer we het alleen maar uitspreken. Dat is één ding dat je als waarneming uit het dagelijks leven kan nemen en waaraan we dan zullen zien hoe dit zich verhoudt tot het euritmische.
Het andere is het kleine beetje kennis dat de huidige wetenschap al heeft, terwijl daaruit heel veel kennis komen kan. De huidige wetenschap weet dat het spraakcentrum, het gewone spraakcentrum van de mens, in de linkerhersenhelft ligt, dat zich daar een heel bepaald orgaan bevindt, uit hersenwindingen bestaand en zonder dat kan de mens niet spreken – niet omdat zijn spraakorganen op de een of andere manier niet te gebruiken zouden zijn, die kunnen helemaal intact zijn; de mens kan toch niet, wanneer dit

*Vor kurzer Zeit: am 26. Januar 1924 hatte im Stadttheater Bern eine öffent­liche Eurythmie-Aufführung stattgefunden, in der u. a. die Ariel-Szene aus «Faust» II eurythmisch dargebracht worden war.

blz. 104

Gehirnorgan nicht in Ordnung ist, sprechen und singen, weil er Sinn nicht in diese Sprachlaute hineinlegen könnte. Nun ist das Merkwür­dige dieses, daß die meisten Menschen dieses Sprachzentrum in der linken Hirnhälfte haben. Die rechte Hirnhälfte in ihren Windungen zeigt dieses Sprachzentrum gewöhnlich bei den Menschen nicht. Da ist das Gehirn nicht in den Formen, in denen es geformt ist in der lin­ken Seite des Gehirnes. Nur die wenigen linkshändigen Menschen haben die Sache umgekehrt; sie haben auf der linken Seite einen ungeformten Teil und auf der rechten Seite das geformte Sprachzentrum des Ge­hirns. Daraus kann man sehen, daß die Bewegung des Armes und der Hand etwas zu tun hat mit dem Sprechen. Das Kind führt zunächst das, was aus seiner Seele heraus leben will, in den Handbewegungen aus, und wir haben die Handbewegungen dazu veranlagt, ausdrucks-volle Gesten zu bilden, ausdrucksvolle Gebärden zu formen. Bei dem­jenigen Menschen, dessen rechte Hand und rechter Arm dazu veran­lagt sind, ausdrucksvoll zu werden, Sprache zu werden, bei ihm geht durch eine geheimnisvolle innere Organisation dieser Impuls aus Arm und Hand über auf die linke Seite des Kopfes, und man kann durchaus davon sprechen, daß es bei den Linkshändern auf die rechte Seite des Kopfes übergeht. Als muß die Sprache mit der Veranlagung von Arm und Hand etwas zu tun haben.

hersenorgaan niet in orde is, spreken en zingen, omdat hij  deze spraakklanken geen betekenis kan geven. Nu is het merkwaardige dit, dat de meeste mensen dit spraakcentrum in de linkerhersenhelft hebben. In de rechterhersenhelftwindingen wordt dit spraakcentrum bij de mens gewoonlijk niet gevonden. Daar zijn de hersenen niet zo gevormd als in de linkerkant van het brein. Alleen een handjevol linkshandige mensen hebben het omgekeerd; zij hebben aan de linkerkant een ongevormd deel en aan de rechterkant het gevormde spraakcentrum van de hersenen. Daaraan kan je zien, dat de beweging van de arm en de hand iets te maken heeft met het spreken. Het kind drukt meteen dat wat vanuit zijn ziel naar buiten wil, uit met handbewegingen en in aanleg maken onze handbewegingen het mogelijk, betekenisvolle gebaren te maken, gebaren, uitdrukkingsvolle gebaren te vormen. Bij de mensen bij wie de rechterhand en de rechterarm in aanleg uitdrukkingsvol worden, spraak worden, gaat door een geheimzinnige inwendige organisatie deze impuls uit arm en hand over op de linkerkant van het hoofd en je kan gerust zeggen dat het bij de linkshandigen op de rechterkant van het hoofd overgaat. Dus moet de spraak iets te maken hebben met de aanleg van arm en hand.

Anthroposophische Geisteswissenschaft, wie wir sie in Dornach trei­ben, ist nun imstande, diese Sache, die nur ein kleines Stück Weg be­kannt ist, weiter auszubilden; und da sieht man zuletzt, daß alles, was im Menschen organisch veranlagt ist, etwas zu tun hat mit der Fähig­keit zu sprechen. Wer das durchschauen kann, der braucht nur zu sehen, wie ein Mensch auftritt, wie er ein Bein vor das andere setzt im Gehen. Er kann aus diesem heraus sehen, ob dieser Mensch eine Sprache hat – auch wenn er ihn nie sprechen gehört hat – in scharfer Abgren­zung, ob er einzelne Laute betont oder alles gleich sagt. Wenn man einen Menschen anschaut, wie er Arme und Beine bewegt, bekommt man eine Anschauung vom Rhythmus seiner Sprache; das Mienenspiel des Gesichtes deutet das Melos der Sprache, ihre Melodie an. Der Mensch bildet das im Verlaufe seines Lebens nicht aus, sonst würden wir alle merkwürdige Betrachtungen fortwährend machen, wenn wir

Antroposofische geesteswetenschap zoals we die in Dornach uitoefenen, is nu in staat dit, waarvan maar een klein deel bekend is, verder uit te werken; en dan zie je uiteindelijk dat alles wat in de mens organisch aangelegd is, iets te maken heeft met de mogelijkheid te kunnen spreken. Wie dat kan inzien, hoeft alleen maar te kijken hoe de mens zich gedraagt, hoe hij het ene been voor het andere zet bij het lopen. Hieraan kan hij zien of deze mens – het is niet nnodig dat hij hem heeft horen spreken – afgemeten praat, of hij de nadruk legt op bepaalde klanken of alles hetzelfde zegt. Wanneer je kijkt hoe een mens zijn armen en benen beweegt, krijg je een beeld van het ritme van zijn spreken; de mimiek op zijn gezicht duidt op de melodie van de spraak. De mens ontwikkelt dit tijdens zijn leven niet verder, anders zouden we voortdurend die merkwaardige bespiegelingen hebben, wanneer wij

blz. 105

die Seele im Ausdruck der Sprache zur Offenbarung kommen lassen. Wir unterdrücken die Begleiterscheinungen, die unser Organismus da ausführen will für die Sprache. Sie können sogar sehen, wie es die An­gehörigen der einen Nation mehr tun als die Angehörigen der anderen Nation. Die Engländer stecken die Hände in die Hosentaschen, wenn sie reden; die Italiener bekräftigen das, was sie sagen wollen, was sie auf der Seele haben, mit allerlei Gebärden. Man kann wirklich, wenn man ein exaktes Anschauen von diesen Dingen hat, jeden Sprachlaut zurückführen auf eine Bewegung des menschlichen Organismus. So wie sich die Bewegung, die sich aber im Leben unterdrückt, in die Sprache verwandelt, so kann man die Sprache zurückverwandeln in Bewegung. Dieses gibt dann Eurythmie. Diese Eurythmie gibt das, was wir in meistens nicht sehr ausdrucksvollen Bewegungen, mit denen wir unsere Sprache begleiten, zeigen. Wie sich das unartikulierte Lallen des Kindes verhält zur ausgebildeten Sprache der Menschen, so verhält sich die Gebärde der gewöhnlichen Sprache zur Eurythmie. 

onze ziel door het spreken tot uitdrukking brengen. We dempen de verschijnselen die dat begeleiden; die ons organisme wat het spreken betreft naar buiten wil brengen. Je kan zelfs zien hoe mensen uit het ene land het meer doen dan die uit een ander land. De Engelsen steken de handen in de broekzak, wanneer ze praten; de Italianen zetten alles wat ze willen zeggen wat ze op hun hart hebben, met allerlei gebaren kracht bij. Je kan werkelijk, wanneer je exact naar deze dingen kijkt, iedere spraakklank terugleiden naar een beweging van het menselijk organisme. Zoals de beweging die in het leven afgeremd wordt, verandert in spraak, zo kun je de spraak weer veranderen in beweging. Dat doet de euritmie. Euritmie laat zien, wat wij meestal niet met té uitdrukkingsvolle bewegingen waarmee we ons spreken begeleiden, doen. Zoals het ongearticuleerde brabbelen van een kind zich verhoudt tot de gevormde spraak van de mens, zo verhouden de gebaren van het gewone spreken zich tot de euritmie.

Das, was der Mensch hat als Unterstützung seiner Sprache, ist ein Lallen seiner Gebärden; hier in der Eurythmie sehen Sie die ausgebildete Bewe­gungssprache, eine sichtbare Sprache, die aber ausdrucksvoller ist, die kunstvoll ist, weil sie nicht der Konvention unterliegt wie die gewöhn­liche Sprache.
Was den Gesang betrifft, so kommt ja in ihm zum Ausdruck das­jenige, was im Menschen – man kann schon sagen – als Musikalisches lebt. Da ist die Sache noch viel interessanter. Wenn der Mensch nämlich dasjenige in sich erlebt, was ihn über das Tier hinaushebt, dann wird das im Menschen unterbewußt als das Musikalische erlebt. Daher ha­ben wir für die anderen Künste überall Vorbilder in der Natur, weil in den Reichen der Natur das da ist, was in den anderen Künsten ge­pflegt wird. Für die Musik haben wir kein Vorbild der Natur. Wenn jemand musikalisch komponieren will, kann er nicht die Natur nach­ahmen. Derjenige, der den Menschen, ich möchte sagen, mit musika­lischer Anschauung betrachten kann, der findet in dem, was der Mensch innerlich durch Atmung, durch Blutzirkulation betätigt und wiederum durch dasjenige, was mit Atmung und Blutzirkulation in seiner Ge­staltung zusammenhängt, er findet im Menschen ein lebendes, ein fortwährend

Wat de mens heeft om zijn spreken te ondersteunen, is een brabbelen van zijn gebaren; hier in de euritmie zien we de uitgewerkte spraakbewegingen, een zichtbaar spreken dat echter meer uitdrukkingskracht heeft, dat kunstvol is, omdat ze niet onderhevig is aan conventie zoals het gewone spreken.
Wat het zingen betreft, daarin komt tot uitdrukking wat in de mens – je kan wel zeggen – als muzikaliteit leeft. Daar is het nog veel interessanter. Wanneer de mens namelijk beleeft wat hem boven het dier verheft, beleeft hij dat onderbewust als iets muzikaals. Voor de andere kunsten vinden we overal in de natuur voorbeelden, omdat in de natuurrijken aanwezig is wat in de andere kunstvormen gedaan wordt. Voor muziek is er in de natuur geen voorbeeld. Wanneer iemand iets componeren wil, kan hij de natuur niet nabootsen. Degene die de mens – ik zou willen zeggen – met een muzikale blik bekijken kan, vindt in wat in de mens inwendig met de adem, de bloedsomloop in zijn gestalte samenhangt, een levendig, een

blz.106

bewegliches musikalisches Instrument. Ach, es ist so trost­los pedantisch und philiströs, wenn wir nur mit der gewöhnlichen Ana­tomie und Physiologie den Menschen beschreiben; dieses wunderbare Gefüge von Nerven, das im Menschen verläuft und aufgefädelt ist, möchte ich sagen, auf dem Rückenmark, das da ausläuft in das Ge­hirn. Dieses ganze Nervensystem, angeschaut, ist eigentlich eine wun­derbare Abstufung von musikalischen Wirkungen, die von der Atmung übergehen durch die Blutzirkulation in das Nervensystem, die im Ner­vensystem sich absetzt als die wunderbarste, im Menschen lebendige Musik. Was musikalisch erlebt wird, überträgt sich wieder in die Ge­stalt des menschlichen Organismus. Geradeso wie die Handbewegung, die Beinbewegung, die Fußaufstellung, wie das lebt in der Sprache, so lebt das, wie der Mensch innerlich rhythmisch veranlagt ist, in dem Musikalischen, in dem, was er gesanglich hervorbringt. So wie das Ge­hirn nach den Bewegungen sich zum Mittelpunkt der Sprache macht, des sinnvollen Sprechens, so macht sich ein anderer Teil des Gehirnes zum Mittelpunkt dessen, was nicht äußerlich erscheint in Bewegung, sondern was innerlich in Blutzirkulation erscheint. Wir lernen das In­nere des Menschen kennen, wenn wir diejenige Bewegung, die eigent­lich im Inneren des Menschen verläuft als musikalische Bewegung des Gesanges, in die äußere Gebärde übersetzt, kennenlernen.

voortdurend zich bewegend muzikaal instrument. Ach, het is troosteloos pedant en filistreus, wanneer je met de gebruikelijke anatomie en fysiologie de mens beschrijft; deze wonderschone compositie van zenuwenbanen die door de mens lopen en met elkaar verbonden zijn, naar het ruggenmerg toe en vandaar naar de hersenen. Gekeken naar dit hele zenuwsysteem is het eigenlijk een wonderbaarlijke nuancering van muzikale invloeden die via de adem door de bloedsomloop in het zenuwsysteem komen en daar blijven als de wonderbaarlijkste, levendige muziek in de mens. Wat muzikaal beleefd wordt, gaat ook weer over in de gestalte van het menselijk organisme. Net zoals de beweging van de hand, van het been, van de plaatsing van de voet, hoe dat in de spraak leeft, zo leeft wat de mens ritmisch als aanleg heeft, in het muzikale, in wat hij zingend laat horen. Zoals de hersenen door de bewegingen zich tot het centrum van de spraak vormen, van het zinvolle spreken, zo maakt een ander deel van de hersenen zich tot middelpunt van wat niet uiterlijk zichtbaar wordt in beweging, maar wat in de bloedsomloop verschijnt. We leren het innerlijk van de mens kennen, wanneer we die beweging die eigenlijk in het innerlijk van de mens verloopt, als muzikale beweging van het zingen, in het uiterlijke gebaar omgezet.

Dadurch ent­steht die Toneurythmie. Sie ist eine Darstellung dessen, was aus dem rhythmischen Menschen heraus ist. So entsteht sichtbare Sprache und sichtbarer Gesang, die ebenso ausdrucksvoll sind wie die Lautsprache und der Tongesang selber. Nun, das alles kann künstlerisch ausgestal­tet werden, ist künstlerisch ausgestaltet und tritt als Kunst zu den an­deren Künsten hinzu.
Nun stellt sich noch ein anderes heraus. Wir haben in der Waldorf­schule in Stuttgart durch die ganze Volksschule hindurch und weiter die Eurythmie eingeführt als obligatorischen Lehrgegenstand neben dem Turnen. Sie ist ein geistig-seelisches Turnen. Wenn man das Tur­nen, das eigentlich heute etwas überschätzt wird, ansieht, dann ent­steht es so in der Zeit des Materialismus als ein Bewegen des Menschen auf Grundlage der Anschauung seiner Körperlichkeit. Ein sehr be­rühmter Physiologe der Gegenwart, der einmal einer Eurythmievorstellung

Daardoor ontstaat de tooneuritmie. Zij laat zien wat uit de ritmische mens komt. Zo ontstaat een zichtbaar spreken en een zichtbaar zingen die net zo uitdrukkingsvol zijn als de spraakklanken en het zingen van tonen. Welnu, dit allemaal kun je een kunstzinnige vorm geven; het is in een kunstzinnige vorm gebracht en bestaat als kunst naast de andere kunsten.
Nu is er nog iets anders. We hebben op de vrijeschool in Stuttgart in de hele basisschool en hoger euritmie ingevoerd als verplicht vak naast de gymnastiek. Het is de gymnastiek voor ziel en geest. Wanneer je de gymnastiek, die eigenlijk tegenwoordig wat overgewaardeerd wordt, bekijkt, dan ontstaat deze op die manier in de tijd van het materialsime als een bewegen van de mens op basis van het kijken naar het lichaam. Een zeer beroemde fysioloog* van nu, die op een keer een euritmie-

* Ein sehr berühmter Physiologe der Gegenwart: bezieht sich auf Prof. Emil Abderhalden, 1877-1950.

blz. 107

beigewohnt hat und diese Worte von mir gehört hat, als ich sagte: Das Turnen ist etwas Einseitiges und sollte durch solche geistig­seelische Eurythmie ergänzt werden -, dieser gar wohlbekannte Herr sagte von seinem Physiologen-Standpunkt aus, also nicht ich, sondern er sagte das, und wenn ich seinen Namen nennen würde, würden Sie einen Schreck bekommen, er sagte: Ich nenne das Turnen eine Barbarei; es ist gar kein Erziehungsmittel. – Jedenfalls möchte ich nicht so weit gehen, aber in der Waldorfschule führen wir das, was nun ebenso na­turgemäß aus dem menschlichen Organismus heraus entfalten läßt eine Sprache und einen Gesang, wir führen es im Unterricht als ein geistiges Bewegungsspiel ein, und als solches werden Sie es hier sehen, so aus­geführt durch die Schülerinnen von unserer Fortbildungsschule am Goetheanum in Dornach. Man kann dabei sagen, daß sich vom 6., 7. Lebensjahr ab durch alle Schulklassen durch Eurythmie zieht. Man kann sie in allen Lebensaltern treiben. Ich werde oftmals gefragt, wann man abfhören soll damit. Ich sage dann gewöhnlich: Jedenfalls nicht vor dem 80. Lebensjahr. Aber eigentlich sollte man sie bis zum Tode treiben. Es ist immer etwas, was in so harmonischer Weise aus dem Organismus herauskommt. 

voorstelling had bijgewoond en deze woorden van mij had gehoord, toen ik zei: ‘De gymnastiek is eenzijdig en zou moeten worden aangevuld door de euritmie voor ziel en geest’; deze welbekende heer zei vanuit zijn fysiologiestandpunt, dus niet ik, maar hij zei dat en wanneer ik zijn naam zou noemen, zou u schrikken, hij zei: ‘Ik noem gymnastiek barbaars; het is helemaal geen opvoedingsmiddel.’ Ik zou in ieder geval niet zo ver willen gaan, maar op de vrijeschool brengen wij dat wat nu eenmaal van nature uit het menselijk organisme spraak en zang laat ontplooien, wij brengen het in het onderwijs als een bewegingsspel van de geest en als zodanig zal u het hier zien, uitgevoerd door de studenten van onze vervolgschool aan het Goetheanum in Dornach. Je kunt daarbij zeggen dat er vanaf het 6e, 7e levensjaar in alle schoolklassen euritmie is. Je kunt het op elke leeftijd uitoefenen. Mij wordt dikwijls gevraagd, wanneer je ermee moet ophouden. Ik zeg dan meestal: ‘In ieder geval niet voor je 80e. Maar eigenlijk zou je het tot aan je dood moeten doen. Het is steeds iets wat op zo’n harmonische manier uit het organisme tevoorschijn komt.

Die Kinder finden sich mit demselben inne­ren Wohlgefallen, mit derselben inneren Behaglichkeit in die Eurythmie hinein, wie sie sich hineinfanden als viel kleinere Kinder in Sprache und Gesang. Daraus sieht man schon, daß sie mit Notwendigkeit her­auskommt aus der ganzen menschlichen Organisation.
Und als drittes haben wir die Eurythmie entwickelt als Heileuryth­mie, wo sie, weil sie hervorgeht aus der gesunden Bewegung des mensch­lichen Organismus, in der therapeutischen Entwickelung wesentlichen Krankheitsprozessen entgegenarbeiten kann und anderen therapeuti­schen Methoden als Hilfsmittel dienen kann. Wohlgemerkt, im Anthro­posophischen wird man nicht einseitig. Die Dinge werden genommen so, wie sie sich allseitig im Leben darbieten. Es fiele dem niemals ein, der Anthroposophie kennt, ein Allheilmittel in eurythmischer Therapie zu sehen. Aber sie wird manchen Heilprozeß wesentlich unterstützen, und die Heileurythmie ist deshalb eingeführt als ein wesentlicher Teil der Therapie. Nur so, wie ich es gesagt habe, ist am Klinisch-Therapeuti­schen Institut, das Frau Dr. Wegman in Arlesheim in Verbindung mit

De kinderen vinden in de euritmie innerlijk hetzelfde plezier, hebben innerlijke hetzelfde fijne gevoel, als ze als veel kleinere kinderen hadden bij het spreken en zingen, dat ze fijn vonden. Daaraan zie je al dat ze onvermijdelijk uit het hele menselijke organisme naar buiten wil.

Ten derde hebben wij ook euritmie ontwikkeld als therapeutische euritmie, die omdat ze tevoorschijn komt uit de gezonde beweging van het menselijk organisme, in de therapeutische ontwikkeling wezenlijke ziekteprocessen tegen kan werken en als ondersteuning kan dienen bij andere therapeutische methoden. Let wel: met antroposofie word je niet eenzijdig. De dingen worden genomen zoals ze zich in het leven van alle kanten voordoen. Wie de antroposofie kent, komt nooit op het idee in de euritmische therapie een wondermiddel te zien. Maar ze kan veel genezingsprocessen wezenlijk ondersteunen en de therapeutische euritmie is daarom ingevoerd als een wezenlijk deel van de therapie. Alleen zo, zoals ik zei, is in het Klinisch-Therapeutische Instituut dat mevrouw Dr.Wegman* in Arlesheim in samenwerking met het

*Frau Dr. med. Ita Wagman, 1876-1943.

blz. 108

dem Goetheanum leitet, Heileurythmie eingeführt. Da zeigt sich auch die ganze Bedeutung der Heileurythmie.
Schon daraus sieht man, wie Eurythmie hervorgeht aus dem, was der gesunde Organismus will. Für das Therapeutische mußte sie etwas abgeändert werden. Nicht das, was Sie hier sehen, und was Sie im Theater als eurythmische Kunst gesehen haben, ist Heileurythmie. Eu­rythmie muß für das Therapeutische abgeändert werden, so daß ihre Wirkung so gestaltet wird, daß sie auf den kranken Organismus wirkt.
Heute werden wir uns bemühen, das vorzuführen, was ich an zwei­ter Stelle genannt habe: den pädagogischen Teil der Eurythmie, der sich dadurch bewährt, daß er den Menschen so ausbildet, daß dabei Geist, Seele und Leib gleichermaßen zur Geltung kommen. Aber es zeigt sich dabei allerlei. Nur eines möchte ich erwähnen. Die Dinge, die man beim Erziehen und Unterrichten als Waldorflehrer findet, sind manch­mal sehr im Verborgenen der menschlichen Entwickelung gelegen. Es zeigt sich, daß pädagogische Eurythmie entgegenwirkt der Lügen­haftigkeit der Kinder.

Goetheanum leidt, therapeutische euritmie ingevoerd. Daar zie je ook de totale betekenis van de therapeutische euritmie.
Daaruit alleen al zie je hoe euritmie tevoorschijn komt uit wat het gezonde organisme wil. Voor de therapie moest ze wel iets veranderd worden. Niet wat u hier ziet en wat u in de schouwburg als euritmische kunst gezien hebt, is therapeutische euritmie. De euritmie moet voor de therapie veranderd worden, zodat de werking zo wordt, dat die op een ziek organisme werkt.
Tegenwoordig moeten we moeite doen te laten zien wat ik in de tweede plaats genoemd heb: het pedagogische deel van de euritmie, die zich bewijst door in de vorming van de mens geest, ziel en lichaam in gelijke mate tot hun recht te laten komen. Maar daarbij kun je van alles zien. Eén ding wil ik noemen. Zaken die je bij opvoeding en onderwijs als vrijeschoolleraar tegenkomt, zitten zeer vaak in de menselijke ontwikkeling verborgen. Het blijkt dat pedagogische euritmie oneerlijkheid van kinderen tegengaat.

Es ist auch eine Erfahrung, daß nicht ganz wahr­haftige Kinder die einzigen sind, die Eurythmie nicht lieben. Die an­deren Kinder treiben sie als etwas Selbstverständliches. Die Menschen haben nur gelernt, etwas unwahrhaftig zu nennen, was durch die Spra­che ausgedrückt wird. Wenn man aber Lügenhaftigkeit auch durch die Bewegung offenbaren kann, kann man die Lüge wieder aus der Seele zurückdrängen, so daß für die Erziehung zur Wahrhaftigkeit die Eu­rythmie ein ganz ausgezeichnetes Heilmittel ist.
Wir wissen es alle, denn wir sind die strengsten Kritiker unserer selbst, daß die Eurythmie erst im Anfange der Entwickelung steht. Sie wird sich weiter auf den drei genannten Gebieten nach und nach ein­führen. In jeder Aufführung kommt dieses Einführen zum Ausdruck. Immerhin darf ich sagen, daß wir uns bewußt sind, einen Anfang zu haben, und ich glaube, daß es reizvoll ist, etwas, was eine bedeutsame Zukunft hat, im Anfang zu sehen. Nach und nach wird sich Eurythmie schon hineinstellen in die ganze menschliche Zivilisation, in alles, was künstlerisch, pädagogisch und auch therapeutisch angestrebt wird für die ganze menschliche Entwickelung, sowohl in der Erziehung wie auch in der Kultur.

Het is ook een ervaring dat niet helemaal waarheidslievende kinderen de enigen zijn die niet van euritmie houden. Andere kinderen doen het als iets vanzelfsprekends. De mensen hebben nu geleerd iets onwaarachtigs te zeggen, wat door de spraak uitgedrukt wordt. Wanneer je oneerlijkheid ook door beweging tot uitdrukking kan brengen, kun je de leugen weer uit de ziel bannen, zodat voor de opvoeding tot waarachtigheid de euritmie een heel uitstekende therapie is.
We weten het allemaal, want wij zijn onze eigen strengste critici, dat de euritmie pas aan het begin van een ontwikkeling staat. Ze zal langzaam maar zeker voor de drie genoemde gebieden verder ingevoerd worden. Bij iedere opvoering komt dit tot uitdrukking.
In elk geval mag ik zeggen dat wij ons bewust zijn aan het begin te staan en ik geloof dat het aantrekkelijk is iets wat een belangrijke toekomst heeft, aan het begin daarvan te zien. Langzamerhand zal de euritmie wel een plaats krijgen in de hele menselijke cultuur, in alles wat kunstzinnig, pedagogisch en ook als therapie nagestreefd wordt voor heel de menselijke ontwikkeling, zowel in de opvoeding als ook in de cultuur.

1) GA 309: Anthroposophische Pädagogik und ihre Voraussetzungen
De uitgave op de site is van 1972 – die is ook hier gebruikt.

Steiner: alle pedagogische voordrachten

Steiner: alle artikelen op deze blog

1121-1042

.

,

VRIJESCHOOL – 3e klas – Engels

.

HET VERHAAL VAN DE PANNENKOEK

Een impressie uit het vak Engels

Er was eens een derde klas die veel van de Engelse taal hield. Met veel plezier spraken de jongens en meisjes van deze klas de Engelse gedichtjes, zongen de Engelse liedjes en speelden met overgave de kleine Engelse spelletjes.

In de loop van de 3e klas leerden ze de namen van de verschillende vruchten kennen, ze maakten samen een ‘fruit-salad’ klaar en ze maakten voor het eerst kennis met een ‘pancake’. Deze ‘pancake’ stapte hun leven binnen, toen ze in een derde vakles al wat honger begonnen te krijgen. De Engelse juf voelde dat haar maag net zo leeg was als die van de leerlingen en zij droomde net zoals de haar toevertrouwde jongens en meisjes van lekker middageten, ja van een mooie, grote ‘pancake’.
Ook al lag zo’n pannenkoek niet lekker vers gebakken op een bord, dan moest deze toch op z’n minst maar gefantaseerd worden.

»Mix a pancake,
stir a pancake,
pop it in the pan;
fry a pancake,
toss a pancake,
catch it if you can.«

Het rijmpje toverde de mooiste, grootste, lekkerste pannenkoeken in het lokaal van de 3e klas. Zoveel koks en kokkinnen waren daar nog nooit binnengeweest. Er werd met de koekenpannen gezwaaid en de pannenkoeken draaiden in de lucht. [*]

Het plezier bij het pannenkoekenbakken werd zo groot, dat de lerares voor het overweldigende enthousiasme van haar leerlingen een verhaal moest bedenken om de overijverige koks en kokkinnen weer een beetje tot rust te laten komen. Wat lag er meer voor de hand dan het verhaal van de pannenkoek te vertellen.

THE PANCAKE

»A big fat cook made a big fat pancake. Near the cook were seven hungry little boys. >We like big round pancakes, Mr. Cook,< said all the little boys. >This pancake will be good to eat<, said the cook.

niet Nederlandse talen   Engels pancake

But the pancake in the pan said: >1 will not, not, not be eaten.<

So the big round pancake gave a hop. The pancake gave a jump. And off he rolled out of the pan. Mr. Pancake rolled round and round and round. And oh! so very, very fast. >Stop! Stop! Mr. Pancake!< said the cook.

But the pancake rolled faster and faster. Then the big fat cook began to run after the pancake.

>Stop! Stop!< said all the little boys. But the pancake rolled faster and faster.

Then all the little boys began to ran.

The pancake met a little man. >Stop, pancake, stop! I am hungry! I want to eat you!< said the little man. >The cook can’t stop me. The boys can’t stop me. You can’t stop me<, said the pancake and rolled faster and faster.

Then the little man began to run.

The pancake met a cock **]. >Stop, pancake, stop! I am very hungry! I want to eat you!< said the cock. >The cook can’t stop me. The boys can’t stop me. The man can’t stop me. You can’t stop me<. And the pancake rolled faster than ever.

Then the cock began to run.

The pancake met a duck. >Stop, pancake, stop! I am very, very hungry! I want to eat you<, said the duck. >The cook can’t stop me. The boys can’t stop me. The man can’t stop me. The cock can’t stop me. You can’t stop me.< And the pancake rolled faster and faster.

The pancake met a pig. >Why do you run so fast?< said the pig. >Can’t you see?< The cook, the boys, the man, the cock and the duck, all want to eat me.<

>That ist too bad. I will run with you,< said the pig. So the pig and the pancake went on and on and on. They came to a wide pond. >1 can’t swim<, said the pancake. >1 can<, said the pig. >Jump upon my nose and I will take you across.<
So the pancake jumped upon the pig’s nose. The pig gave a big grunt. And snip! snap! he ate up the big round pancake.

Yes, the pig ate up every bit.«

Dit verhaal werd in de daarop volgende weken nog vaak verteld; steeds meer leerlingen gingen meespreken, tot ze allemaal de tekst volledig, foutloos, uit hun hoofd kenden. Het werd helemaal gespeeld, voor de ouders opgevoerd en ten tonele gebracht op het maandelijkse schoolfeest. Maar daarmee was hun enthousiasme voor het pannenkoekenverhaal nog niet weggeëbd: aan het eind van het schooljaar zorgden de kinderen voor een bijzondere verrassing voor hun ouders, aan wie het enthousiasme voor de pannenkoek niet ontgaan was. Ze schreven en tekenden een prentenboek over de pannenkoek – zo mooi als ze konden.
Toen de kinderen in het begin van de 4e klas van hun Engelse lerares een boek [1] kregen, met daarin de tekst van ‘the pancake’, begroetten ze hun oude bekende met veel plezier en ze konden doordat ze al vertrouwd waren met de tekst, deze zonder fouten lezen – een bemoedigende ervaring!

Chrisl Schultz, Erziehungskunst jrg.58 7/8-1994 (blz.712)

[1]The pancake, James H. Fasset. Ill. by Ernest Shepard. |
Pädagogische Forschungsstelle beim Bund der Freien Waldorfschulen, Stuttgart 1992.

**in de uitgave staat ‘hen’
[*] Ik deed dit vaak in de 2e klas. Met een echte koekenpan, met een passend stukje gele vloerbedekking als pannenkoek. Voor de kinderen nog een hele toer om de pannenkoek op te gooien en op te vangen, met de onderkant boven.
Het was altijd, lange tijd een succesnummer. En heel goed voor de motoriek, natuurlijk.

wil je ook de overige illustraties zien:
mail naar: vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

.

1120-1041

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (26)

.

KLEDING

leven O.T. 1111. Arabische sjeik
Deze Arabier draagt de wijde mantel met lange mouwen, de z.g. kumber (a). Hij heeft de hoofdbedekking der Bedoeïenen, een grote grijswitte, vierkante doek, die tot een driehoek is gevouwen, de z.g. keffiyeh (b). Een dik snoer of agaal (c) van wol of in elkaar gedraaide bokkenharen houdt de doek op het hoofd vast.

leven O.T. 1122. Herder uit het gebied bij Bethlehem
De herder draagt een onderkleed (a) en daarover de mantel of kumber (b); het onderkleed wordt vastgehouden met een gordel (c); op het hoofd heeft hij de keffiyeh (d) omsnoerd door een agaal (e). Op de scherpe verweerde steenbrokken loopt hij de voeten geschoeid met een soort sandalen (ƒ). Boven de gordel houdt hij in de armen een jonge geit met lange afhangende oren (vgl. Amos 3 : 12); de geit heeft lang zwart haar (verg. Hoogl. 6:5).

leven O.T. 1133. Aartsvaderlijke verschijning met mantel en stok
De man draagt een onderkleed (a) samengehouden met een gordel (b). Het onderkleed heet in de Statenvertaling wel rok (Gen. 37 : 3). Over dit kledingstuk is een bovenkleed (c) (opperkleed Deut. 22 : 12). ’s Nachts wikkelden de armen en de herders er zich in (Jer. 43 : 12) daarom mocht het niet langer dan tot de avond verpand zijn (Deut. 24 : 13). Bij de arbeid werd het veelal afgelegd (Matth. 24 : 18; Hand. 7 : 58). De hoofddoek (d) is een om het hoofd gewikkelde lap. Hij draagt eenvoudige sandalen met riemen (e). De staf (ƒ) van een manslengte voltooit de uitrusting van de man (Gen. 38 : 18).

leven O.T. 1144. Joodse gevangenen in lange hemdrok
De twee vrouwen (a, a) dragen een sluierdoek (b) die van het hoofd tot de enkels reikt. In de regel was de sluier open en bedekte het gelaat niet (Gen. 12 : 14; 24 : 15, 16); wilde men dat dit geschiedde, dan hield de vrouw die sluier voor het gezicht met de handen samen (Gen. 24 : 65). — Deze vrouwen dragen deze over de hemdrok (c; dat ook de mannen dragen, d). De hemdrok heeft korte mouwen (e). Wanneer men snel moest gaan, werd het aan de voorzijde opgebonden („gord uw lendenen” 2 Kon. 4 : 29) of „de lendenen opgeschort” (Exodus 12 : 11).

leven O.T. 1155. Boerenvrouw uit Samaria
in een wit lang kleed met lange mouwen, tob, (a), witte hoofddoek (b) en daarbovenop een draagring (c) om de waterkruik op het hoofd te dragen.

leven O.T. 1166. Egyptenaar met lendenschort 
Bij de Egyptenaar en in Babylonië was zeer algemeen het lendenschort (a). De vorm van het lendenschort had ook de zak, een uit geiten- of kameelhaar geweven grove doek, dat als teken van rouw werd gedragen, op de blote huid (Job 16 : 15) soms als enig kledingstuk (2 Kon. 20 : 31) soms onder het opperkleed (2 Kon. 6 : 30).

leven O.T. 117

7. 8. Sandalen

leven O.T. 118

Het schoeisel bestond uit sandalen met riemen (Gen. 14 : 23; Jes. 5 : 27; Mark. 1:7). Gewoonlijk waren deze gemaakt van leer, maar zeer eenvoudig en van weinig waarde (Amos 2 : 6). Wanneer men in huis kwam, werden de sandalen uitgetrokken, eveneens als men een heilige plaats betrad (Exod. 3 : 5; Joz. 5 : 15). Overigens was het barrevoets gaan een teken van rouw (2 Sam. 15 : 30; Ezech. 24 : 17, 23). De oude Assyrische sandalen, die hier afgebeeld zijn waren eigenlijk hielkappen (a), met op de wreef de riemen (b) (de z.g. schoenriemen).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1119-1040