VRIJESCHOOL – 5e, 6e klas – handvaardigheid

Ik vond nog een verslag van een handenarbeidbijeenkomst uit 1984.
De gezichtspunten zijn niet verouderd.

Het gaat eerst om klas 5:
Er wordt door Felo Hettich gesproken over de zintuigen: tastzin, levenszin, evenwichtszin en de gezichtszin.
Op deze blog is over deze zintuigen al het een en ander verschenen:

[1] De 12 vensters naar de wereld: over de 12 verschillende zintuigen
[2] De tastzin
[3] De levenszin
[4] De evenwichtszin
[5] De bewegingszin
[6] Luisteren door het oog
[7] Poorten naar de wereld: korte karakteristiek van alle zintuigen
[8] De 12 zintuigen

De leeftijd 7 -14jr is de leeftijd waarin het gevoelsleven het overheersende zielenelement is, de gevoelsperiode en we zouden onze stof zó moeten brengen dat de leerlingen er met hun hartewarmte op in kunnen gaan.

Houtbewerken, zoals Felo het doet – begint in de 5e klas en de ‘werkplaats’ is een heerlijk domein voor de kinderen die daar voor het eerst binnengaan.

Hij gaat met de kersverse 5e-klassers hout zoeken in de omgeving. Dit wordt gekloofd en bekeken op groeirichting-sapstroom-lichtinvloed, kortom: de hele geschiedenis van de stam of tak proberen te ontdekken.
De jaarringen tellend legt hij een link met de leeftijd van hen zelf – ouders, grootouders.

Het zagen wordt dwars op de stam voltrokken: kops
Het splijten/hakken in de nerfrichting: langs.

De bijlslag vraagt wel gerichtheid, concentratie – maar kost geen kracht: het hout láát zich splijten.
Hij gaat ervanuit dat je het beste gereedschap altijd bij je hebt – je handen.

Al ‘duwend’ en ‘trekkend’ wordt het hout bewerkt.

Als de kinderen als een van de eerste werkstukjes een muis maken, werken ze ‘dicht bij het hart’ (de kinderen doen dat zittend op een stoel en houden het werkstukje min of meer tegen de borst).
De muis, met zijn bolle achterlijf en zijn spitse, nieuwsgierige snuit. Zijn schichtigheid zit geheel in zijn vorm.
Die vormenwereld maken we tastbaar bij de kinderen en we laten hen tevens ervaren waarom het hout zó gehanteerd moet worden.

handenarbeid 7

Een kandelaar, een vis zijn volgende mogelijkheden.
Daarbij plaatst de leerling het werkstuk al meer van zich af: in de werkbank.
Er wordt geraspt en gevijld: de duwgereedschappen.
De leerling staat wat gebogen over zijn werk: een ‘omhullende’ werkhouding.

Rolf Otger merkt op dat het ritmisch, geconcentreerd van binnenuit bezig zijn heilzaam werkt waar het ritmisch leven ge-ver-stoord is.

Intussen komen de leerlingen steeds vrijer van hun werk te staan.

Een 6e-klasser moet bruikbare werkstukken gaan maken. Deze leeftijd vraagt om ‘realiteit”.

Over het afwerken met schuurpapier klonken verschillende meningen. De gladheid van het hout langs je wang uitproberen.
Voor de pollepel steeds fijner schuurpapier geven: daar moeten geen etensresten aan blijven hangen.

Voor het overige werk – zeker voor dierfiguren – schept een golvend gesneden oppervlak meer leven.
Dit bereik je door ritmisch snijdend met de duim op het mes het hout te bewerken.
Gebruik ook knoestig hout, bijv. snoeihout van wilg of populier en laat het karakter van de boom meespelen in de vorm van het werkstuk. Bij ‘vrije’ diervormen komt daar de begrenzing vandaan.
Rasprichting-houtrichting stellen verder hun eisen bij de bewerking van een stuk hout, bijv. het blok van een molen uit rondhout.

handenarbeid 8

Het is heel belangrijk alle gewoonten in het lokaal m.b.t. materiaal en gereedschap vanaf het begin goed aan te leren – nu zijn de leerlingen er gevoelig voor. Daarna lukt het niet meer.

.

Handvaardigheid – alle artikelen

.

1020-946

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – heemkunde – de ploeg

In onderstaand artikel wordt gedetailleerd ingegaan op de ontwikkeling van de ploeg.
Die geschiedenis hoeven de kinderen m.i. niet in hoofdzaak te leren. Wat belangrijk is, staat in het artikel: ‘heemkunde: over ‘hand’elingen.
Ook niet allerlei namen van ploegen en onderdelen, een paar soorten natuurlijk wel en wanneer je dit weet en kunt aanwijzen wanneer je bijv. in een museum (Openluchtmuseum Arnhem) bent waar ze staan: ploegboom; ploegstaart; zoolijzer; rister; schaar; slof; meskonter – ja, dan weet je als 9-jarige wel wat!
N.a.v. de verhalen over Thubal-Kaïn kunnen de kinderen meedenken over hoe het gereedschap eruit moet zien om de aarde te kunnen bewerken.
Het uitgangspunt is steeds de hand.
Ze zullen dan ‘vanzelf’ op de hak en ander gereedschap komen en dan kun je laten zien dat de mensen ‘vroeger’ dat ook zo deden.
Gaffel- en hakachtige vormen zijn nog steeds in het bos te vinden.
Ga ze met de kinderen zoeken of stimuleer hen ze zelf op te zoeken en mee te nemen naar de klas.
Dan ermee werken in de grond of in de zandbak.
Als de kinderen met hun handen zelf een soort ploegblad hebben gevormd, begrijpen ze de ontwikkeling naar de grote metalen ploegbladen heel goed en ook dat er met de tractor ‘meer handen’=ploegbladen tegelijk kunnen worden ingezet.
Zo’n tractor met ploeg zou je ook bezig moeten kunnen zien.
Heemkunde is niet terug naar nostalgische tijden, maar vanuit het verleden een verbinding leggen naar vandaag de dag. Met bewondering voor wat de menselijke geest vermag te scheppen en daardoor ook bewondering voor de technische hoogstandjes van nu.

.

ploeg

De ploeg in het heemkunde-onderwijs op de vrijeschool

De wordingsgeschiedenis en de praktische toepassing

Opmerking vooraf:
Deze bijdrage is bedoeld als hulp bij het werk voor zowel de tuinbouw- als ook de klassenleerkracht aan een vrijeschool.

Omdat  het ploegen in de 3e klas vaak sterk afhankelijk is van de plaatselijke omstandigheden, wordt er hier alleen het allernoodzakelijkste over gezegd. Het deel met het ontstaan van de ploeg krijgt de meeste aandacht. Veel illustraties  leek mij* belangrijker en stimulerender voor een verder gebruik in het onderwijs. Wanneer je deze stof bestudeert, doe je interessante ontdekkingen. Zo viel het mij op dat al in heel oude tijden een koehoorn of een gewei een rol speelden, dus van die dieren die we bij het maken van preparaten weer tegenkomen. Ook de beschrijvingen van de ploeg en de woorden daarbij laten belangrijke samenhangen zien. De meeste woorden uit andere talen komen van de ploegenshow in Hohenheim in het jaar 1958. Een paar talen werden er nog bijgezet. Wat ik van de geschiedenis van de ploeg aanduidt, heb ik voornamelijk uit het boek van Emil Werth: ‘Graafstok, hak en ploeg’. De meeste oude afbeeldingen komen, in zoverre niet anders vermeld, uit dit boek; die van de gaffelspade bv. uit het werk van Karutz (zie literatuuropgave).

De ontwikkeling van de ploeg waarvan ik de wezenlijke trekken inzichtelijk wil maken, kan niet los gezien worden van de cultuurplanten, dier en mens. Daarom werd de tabel met de verspreiding van de cultuurstromen toegevoegd.

De eerste ontmoeting met bodem en ploeg hebben de leerlingen in de 3 klas tijdens de heemkunde. De klassenleerkracht schetst de oerberoepen: de boeren en het daarmee verbonden handwerk (smid, molenaar, bakker enz). Op veel vrijescholen is het een gewoonte geworden dat deze beleving niet alleen in de klas plaatsvindt of dat de klas toekijkt hoe de boer ploegt, maar dat de kinderen zelf in de schooltuin ploegen. Hier kunnen ze beleven hoe de grond gekeerd wordt. Die ploegdag zullen leerkracht en kinderen niet gauw vergeten. De leerkracht kan veel waarnemen bij zijn leerlingen. En hoe gelukkig zijn de kinderen bij het ploegen niet, wanneer het hen lukt om een mooie rechte voor te trekken. Ook kunnen de kinderen waarnemen hoe tot hun verwondering als na een paar rondjes de lichte roest verdwenen is en de schaar en het ploegblad glanzen! (Rust-roest). Met het ploegen begint het praktische gedeelte van het heemkunde-onderwijs in klas 3 dat zich over de hele 3e, maar ook tot in de 4e klas kan uitstrekken: zaaien van de belangrijke graansoorten, oogsten, dorsen, broodbakken.

kinderen trekken ploeg
Vrijeschool Kassel: 3A en 3B samen aan het ploegen op de Essenhof: de eerste vore is getrokken!

De wiel- of karploeg
Om met de 3-klassers te ploegen, is de kantelploeg goed geschikt. Hier moet de boer zelf de diepte en breedte bij het ploegen regelen. Veel scholen beschikken over een karploeg. Bij deze kan de diepte en breedte van te voren ingesteld worden, waarbij de ploeg makkelijker te sturen is, maar meestal moeilijker te trekken. Omdat de meeste scholen geen os of paarden bezitten, trekken de kinderen zelf de ploeg en op deze leeftijd spelen ze nog graag de rol van trekdier. Voor een kleine ploeg zijn 8 kinderen genoeg. Het aantal is afhankelijk van de grond en de grootte van de ploeg.
Als de voren breed zijn, is het bijna niet te vermijden dat het trekkende kind aan de rechterkant over de geploegde grond moet lopen. Mij lijkt het belangrijk dat dat de kinderen een stuk ploegen dat dan later in het passende jaargetijde weer bewerkt wordt.Daarom moeten ze ook ervaren hoe de boer op grote stukken ploegt.

Bovengenoemde ploegen werken naar rechts en zijn alleen geschikt voor het zgn. ‘bedden’ploegen. Hierbij ga je aan het einde van een vore of naar links of naar rechts. Bij grote lappen grond worden ze beide afgewisseld naast elkaar
ploeg 21=ploegboom; 2=ploegstaart; 3= zoolijzer; 4=rister; 5=schaar; 6=slof; 7=meskonter

uitgevoerd. In beide gevallen wordt vooraf een ondiepe vore getrokken zodat dan bij de eerste echte vore de aarde niet op ongeploegde grond valt. Bij het spitten in de tuin gaat het net zo.

De kantelploeg om met derdeklassers te ploegen kan makkelijk gebouwd worden. Ploegboom en ploegstaart kunnen van hout worden gemaakt. Het ploegblad kun je beter ergens kopen. De maten die erbij staan zijn die van de ploeg van de vrijeschool in Stuttgart (Uhlandshöhe) die al 30* jaar meegaat.

ploeg 3

Omdat de leerlingen de daaropvolgende jaren weinig meer met de ploeg doen – ook bij de tuinbouw gaat het meer om de spade, volgt nu een kort overzicht over de ontwikkeling van de ploeg. In de 5e klas bij de geschiedenis van de oude culturen kan je er als klassenleerkracht weer op terugkomen. Ook de tuinbouwleerkracht kan, wanneer het buiten te slecht weer is om te werken, het over de ploeg en de ontwikkeling daarvan in de geschiedenis, ingaan en in de klas een paar ploegmodellen tekenen.

Wetenschappelijk onderzoek heeft aan het licht gebracht dat de ontwikkeling van de ploeg ontstaan is in het gebied waar ook de hak gebruikt werd. De ploeg is in een bepaalde streek ontstaan en heeft zich vandaaruit verspreid. Hij is niet bepaalde plaatsen gelijktijdig ontstaan. De verschillende typen ploeg hebben zich wel op een afzonderlijke manier verder ontwikkeld en verspreiding gevonden. De streek waar de hak werd aangetroffen omvat Midden- en Zuidafrika, India, het Maleise eilandengebied en loopt wel tot in Amerika. Het belangrijkste element van de hak is de graafstok.

ploeg 4Gaffels uit Klein-Azië, van de Basken en uit Nuristan (Afghanistan)

ploeg 5Werken met twee graafstokken. Batak (Sumatra)

ploeg 6Baskenland: werk met de gaffel (daar Laya geheten)
Een man werkt er met twee; meerdere mannen naast elkaar stoten in een ritme de laya in de grond

Er waren ook huisdieren: kippen, honden en geiten; in bepaalde streken ook runderen, schapen en varkens; in Afrika zou al een eenvoudige bijenhouderij zijn geweest. Als voedingsgewas speelt de banaan een belangrijke rol. Het gebied waar de ploeg werd gebouwd strekte zich uit van Noord-Afrika en Europa tot in Azië. In India en de Maleise eilanden overlapt deze de gebieden van de hak. Als begin van de ploegcultuur worden India en Afghanistan genoemd. Met de ploeg raakt ook het rund en later het paard in zwang. Je treft er gerst en tarwe (vooral de oervorm ervan) als cultuurplanten aan. In Voor-India en de buurlanden vind je de grootste variatie aan ploegvormen binnen het gebied van de ploegbouwcultuur.

ploeg 7Graafstokvormen uit Zuidoost-Azië. Rechts een graafstok met koehoorn als punt – eiland Sylt.

ploeg 8Hakken uit Zuidoost-Azië en Afrika.
Naast hout werden ook antilopenhoorns, koehoorns, hertengeweien gebruikt; later metaal.

ploeg 9Bijlen uit het neolithische tijdperk

De ploeg is niet uit de hak ontstaan, maar uit de graafstok ontwikkeld. De graafstokploeg bestaat uit een graafstok die een bepaalde trekmogelijkheid heeft (ploegboom, soms een touw)

ploeg 10Graafstokploeg, haakploeg. De vorm is een van de oudste.

De graafstokploeg vind je verspreid over heel het gebied waar ploegen worden gebouwd en in een paar streken is hij tot kort geleden blijven bestaan, ook voor speciale doeleinden. In Bohuslän (Zweden) ontdekte men rotstekeningen uit de bronstijd die zo’n type ploeg met runderen ervoor en de ploeger laten zien.

ploeg 11Indiase ploeg uit Bengalen

De Indiase ploeg onderscheidt zich boven alles door zijn korte zool die meestal met de schuin naar achter gerichte ploegstaart uit één stuk bestaat. In een stompe hoek zit met pen- en gatverbinding de ploegboom eraan vast, schuin naar voren omhoog; aan het vooruiteinde kan het dubbele juk voor de trekdieren bevestigd worden. Er zijn ook Indiase ploegen waarbij zool en staart samengesteld zijn, waarbij de pen- en gatverbinding voor de ploegboom door deze combinatie geboord wordt.

ploeg 12Ploeg uit Pendik aan de Zee van Marmora

ploeg 13Eenvoudige ploeg (Duits: Vierkantpflug -geen juiste vertaling kunnen vinden-) uit Breddin (Oostpriegnitz)

De Maleise ploeg kan uit de Indiase ploeg worden afgeleid. De zool is sterker ingekort, bovendien heeft deze een ploegschaar die vervangen kan worden; deze bestaat  uit bijzonder hardhout, later ook uit ijzer vervaardigd.
Graafstokploeg, Indiase en Maleise ploeg zijn uitgesproken  jukploegen.

Dat de ploegen zich niet alleen na elkaar, maar ook gelijktijdig ontwikkeld hebben, is te zien aan de Chinese ploeg die terug te voeren is tot de graafstokploeg. Bij de Indiase ploeg vind je vaak een houten steunstuk tussen ploegstaart en ploegboom, aangebracht in de bovenhoek. Bij de chinese ploeg zit dit in de benedenhoek tussen staart en boom, omdat hier geen jukbespanning gebruikelijk is; de ploeg wordt met trekbanden en zwenghout getrokken. Daarom zit de ploegboom schuin naar beneden en is er een steun van onderaf nodig. Door dit verstevigingshout zet de ontwikkeling naar zoolploeg in. Het steunhout wordt zoolijzer en zo zie je een vierkante ploeg voor je. Er is wel verschil met het Europese vierkant dat maar een ploegstaart heeft, steeds zwenkploeg blijft en een rister voor het zoolijzer heeft. Deze ontwikkeling kun je aan de oude Chinese rijstploeg aflezen.

ploeg 14Zuid-Chinese ploeg

De kruimelploeg is vanaf de nieuwste steentijd tot in de laathistorische en het jongste verleden te vinden. Hij kan wel de meest bekende ploeg van de wereld worden genoemd. De kruimelploeg is genoemd naar het deel achteraan dat gebogen is, dus een kromme ploegboom is, die in het onderhavige geval met de zool uit één stuk is samengesteld. De aan de voorkant spits toelopende  zool dient als schaar of er wordt een opzetstuk opgezet. Achter aanhechtpunt van de kruimel bevindt zich dikwijls de loodrecht opgebrachte staart met handgreep.

ploeg 15Ploeg uit Walle (jonge steentijd)

Een heel goed voorbeeld is de ploeg van Walle bij Aurich (Oost-Friesland – Duitsland). Hij werd gevonden onder een 1.70m diepe turflaag. De ploeg is van eikenhout, die zool is 60 cm., de kruimel(stok?) 3 meter lang. Door analyse van pollen heeft men vast kunnen stellen dat de ploeg uit een jongere fase van de jongste steentijd stamt. Ook in Papau bij Thorn vond men in een moeras een ploeg van dit type uit eikenhout met gelijke maten, ook uit die tijd. De kruimelploeg is ons bekend uit vondsten en afbeeldingen uit het neolithicum, de bronstijd, ijzertijd, maar ook uit afbeeldingen uit de Hallstadtijd, de Etruskische, Griekse en Romeinse tijd. In het Middellandse Zeegebied kun je deze vorm ook nu nog vinden.

ploeg 16Ploeg uit Dabergotz

Een verdere ontwikkeling van de kruimelploeg vind je in de prehistorische ploeg van Dabergot (Brandenburg). Deze heeft een roeipootvormig blad, voor de zoolpunt is een versterking bevestigd en de steel ervan gaat door een gat.
Deze ploeg heeft zich later ontwikkeld tot de Mecklenburger haak die tot in de 19e eeuw in gebruik was.

ploeg 17Mecklenburger haakploeg

De Mecklenburger haakploeg is een hoog ontwikkelde vorm van een kruimelploeg die wel beperkt bleef tot het Duitse gebied. Hij staat in samenhang met het Nederduits en de daarbij horende boerderijvorm. De Mecklenburger haakploeg onderscheidt zich vooral door de staart die door de kruimel naar de zool gaat. Met de verdere ontwikkeling hangt ook de verbouw van (amel)koren samen.

Naast de al genoemde rotstekeningen in Bohuslän zijn daar ook afbeeldingen te vinden van voorlopers van de vierkantploeg.
Hier zie je het gespan, de horizontale ploegboom en de sterk gebogen achterboom die tegelijkertijd de ploegkop en de staart voorstelt met de loodrechte verkruimelaar. Zulke ploegen bestaan nog steeds.

ploeg 18Rotsgraveringen uit Bohuslän, Zweden, bronstijd

Ook de Turkse ploeg hoort hierbij. Bestaan bij de kruimelploeg ploegboom en zool meestal uit één stuk, staan bij de vierkantploeg staart en zool in verband. De ploegboom zit in of dichtbij de hoek van de zool en de staart, bovendien is er nog een steun voorhanden.
In Turkije laten deze ploegen een belangrijke verbetering zien. Meteen na de kruimelstok schuin naar achter gericht zitten twee ‘oren’die de ploegvoor verbreden. Je kunt er het begin van onze strijkborden in zien. Later worden uit deze oren smalle borden waaruit zich dan weer de ploeg met het eenzijdig grote strijkbord kan ontwikkelen. Een nog verdere ontwikkeling komt met de voorsnijder, de kouter. Tenslotte krijgt de ploeg een betere beweeglijkheid door de wielen. Een technisch volmaakte vorm is bereikt, die tot nu toe gebleven is (tot de trekker het trekdier verdrong).
In de vorm met dubbelstaart, eenzijdig strijkblad en wielen treffen we de ploeg aan in de 10e eeuw na Chr. Ook Plinius (79 na Chr.) zou de wielploeg al beschreven hebben.
Kouter en ijzeren ploegschaar zijn al in de laatste eeuwen voor Chr. in gebruik. Dit type ploeg was sterk verbonden met de cultuur van het noorden.
De Romeinen hebben de vierkantploeg hoofdzakelijk van de Germanen overgenomen. Het uitbreidingsgebied van de vierkantploeg dekt in hoofdzakelijk het gebied waar eenkoren verbouwd werd.  Het gebogen strijkblad zoals wij het kennen bij de aangespannen ploeg verschijnt voor het eerst in hert begin van de 18e eeuw.

ploeg 19Oud-Chinese voorstelling van een ploeger

ploeg 20Graafstokploeg uit Libanon

ploeg 21Oud_Egyptisch, twee staartenploeg, dubbele schaar. Grafschildering

ploeg 22Voorstelling van een kruimelploeg op een oud-Griekse drinkschaal van Nikosthenes uit de 6e eeuw v.Chr.

Een ander type is de ploeg met twee ploegstaarten, soms met twee ploegscharen die in de Egyptisch-Babylonische tijd heel belangrijk waren. Nu zie je hem nog in de Russische (Duits: Zoch). De ploegboom is een vorkdissel geworden.
Door de grafschilderingen zijn er mooie afbeeldingen van de Egyptische ploeg.
Uit de Babylonische tijd zijn er afbeeldingen die deze ploeg met een daarop geplaatste zaaitrechter laten zien.

Om de ontwikkelingsgang van de ploeg verder te volgen, zullen we nu het oerverleden verlaten en ons richten op de nieuwe tijd.
We kunnen aansluiten bij de al genoemde aangespannen ploeg. Tot de 2-schaarploeg behoren ook de meerscharenploegen die hoofdzakelijk vroeger voor het vlakploegen werden gebruikt. De keerploeg (draaiploeg, wentelploeg) kunnen in dezelfde voor terugploegen. Ze hebben zich bijzonders bewezen op glooiend terrein.

Wanneer je met de leerlingen over de ploegen in deze tijd spreekt, zij gewezen op het boek van Max Eyth: ‘Hinter Pflug und Schraubstock’
Hierin wordt o.a. op een aanschouwelijke manier een wedstrijd tussen twee systemen van stoomploegen (Fowler en Howard) weergegeven die 100 jaar geleden in Egypte plaatsvond. Deze vertelling is heel geschikt als een spannend verhaal. Zo’n ‘locomobiel’ met een bijbehorende ploeg staat tegenwoordig op het terrein van de landbouwhogeschool in Stuttgart-Hohenhem.

ploeg 23Oude ploegtypen die er nu nog zijn: houten ploeg uit de Hunsrück

ploeg 24Houten ploeg uit Tenerife

ploeg 25Vanuit het centrum van de ploegbouw uitgaande ploegcultuurstromen

Op veel vrijescholen worden in de bovenbouw landbouwpractica gehouden** Zo zou er nog een keer een ontmoeting met de ploeg kunnen plaatsvinden.
Van een beschrijving van moderne ploegen en apparaten kan hoer worden afgezien. Door de zich ontwikkelende techniek zullen de leerlingen nauwelijks gelegenheid krijgen  met een aangespannen ploeg het ploegen te leren. Ook ploegen met een tractor kan maar in een paar gevallen mogelijk zijn.
De leerlingen kunnen wel bekend worden gemaakt met de problemen van het bewerken van de bodem.
Het moet nog worden opgemerkt dat de boer die achter de aangespannen ploeg loopt, zijn akker zeer grondig leert kennen. Door zijn voeten weet hij hoe de verschillende plaatsen zijn. Vanaf de tractor kun je dat niet meer zo subtiel vaststellen. Ook is het bij het ploegen met de trekker de kans groter dat je te diep of te nat ploegt, waarbij je de bodem beschadigt.

De moderne landbouw houdt zich voor een deel  met de vraag bezig of er nog wel geploegd moet worden of dat het losmaken van de grond genoeg is. Beantwoording van die vraag zal steeds afhankelijk zijn van de bodemstructuur en de manier van landbouw bedrijven.
Al deze vraagstukken moeten voor de leerlingen tijdens het practicum aan de orde komen
Het werken met de biologisch-dynamische landbouwmethode  maken het mogelijk de techniek op een positieve manier in te schakelen; meer nog moeten de kosmisch-aardse samenhang in ogenschouw worden genomen die nodig is voor een gezondhouden van de plantengroei. Daarom is het belangrijk dat een practicum op een biologisch-dynamische boerderij nog volgt.

Wanneer er tijdens de schooltijd een herhaalde ontmoeting met de ploeg (praktisch en theoretisch) plaatsvindt, kunnen de leerlingen later misschien inzien hoe sterk de ploeg met name de ontwikkelingsgang van de mens begeleid heeft.

.

Literatuur:
Emil Werth: Grabstock, Hacke und Pflug -niet vertaald
Eduard Hahn: Die Entstehung der Pflugkultur  – niet vertaald, vanaf de link te downloaden
R.Karutz: Die Völker Europas – niet vertaald
K.Dieckmann: Der kleine Schlipf – niet vertaald

*Reinhart Ziller, Erziehungskunst *7/8- 1976

**Voor zover bekend: niet in Nederland. De practica vinden plaats in het bedrijfsleven, winkels, scholen, zorginstellingen enz.
.

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

Musea:o.a.

Anna Pauwlona
Arnhem
Borculo
Luttenberg
Oldenbroek: video met voorbeelden van werken op het land
Overasselt
Reusel

aanvulling welkom: pieterhawitvliet -voeg toe apenstaartje gmail punt com

1019-945

VRIJESCHOOL – Rekenen – een som voor klas 1 t/m 7

OEFENEN MET DE BASISBEWERKINGEN

Voor kinderen is het niet verkeerd om in de les eens te horen over iets wat ze pas later, in hogere klassen, zullen leren of wanneer ze iets leren dat later in een andere vorm weer terugkomt.

Een kleine oefening die met de kinderen door verschillende jaren mee kan gaan, ontstond tijdens het werken met de kinderen en deze werd daarna vaak toegepast.

Je zou deze bijna een basisoefening kunnen noemen.

Ieder kind kan met een zelf gekozen getal beginnen; de vier basisbewerkingen worden toegepast en de uitkomst is voor iedereen dezelfde.

Het gaat op voor de hele getallen (mondeling of schriftelijk), voor breuken (gewone en decimale), voor negatieve getallen en wanneer je wil ook voor procenten, worteltrekken en logaritmen.

De oefening is zo opgebouwd:

Laten we 5 nemen:

Het verrassende is, dat de uitkomst steeds 1 is:

cijferen 7 . jpg

De kinderen van de 3 klas hebben op deze manier een mooie controle over wat ze in het schriftelijk rekenen kunnen.

cijferen 8 . jpg - 0004

In de 4e klas gaat het met breuken zo:

Bij de 10-delige breuken in klas 5 zo:

cijferen 10. jpg - 0001

De leerlingen van klas 7 kunnen alle regels van het rekenen met negatieve getallen toepassen:

cijferen 11

Bij de toepassing in het algemeen zie je dat het begingetal niet terugkomt in de uitkomst.

cijferen 12

Veel plezier ermee!

Georg Hofmann, Erziehungskunst nr.5 1965

rekenen: alle artikelen

1018-944

VRIJESCHOOL – Zintuigen (9-9)

.

De zintuigen

De gaven van Doornroosje

In de nieuwe* onderwijswet vraagt artikel 10 onder meer ‘zintuiglijke oefening’ in samenhang met de rest van het onderwijs.

Het kleine kind is één en al zintuig in de eerste zevenjarige levensfase, volgens een bekende uitspraak van Rudolf Steiner. Reden te over om geen pedagogie voor de geïntegreerde kleuter- en lagere school te behandelen zonder grote aandacht aan de zintuigen te besteden.

Een korte beschouwing over Rudolf Steiners zintuigenleer en de pedagogische waarde ervan mag hier niet ontbreken.
Wat zijn zintuigen? Naar het uiterlijk te oordelen, heeft de mens er enige, die een opvallend orgaan bezitten. Denkt u zich een mens in zonder ogen, neus, mond en oren! Van het hoofd vooral zou weinig herkenbaars overblijven. Ogen worden ‘spiegels der ziel’ genoemd; oren zijn zo individueel, dat men de mens aan zijn oren kan identificeren.
Gogolj wil ons in zijn satirische verhaal ‘de neus’ doen geloven, dat de neus meer individualiteit bezit dan de gehele verdere mens. Laat ons even stil blijven staan bij het oog.

Dit oog is zonder twijfel het belangrijkste zintuig voor de westerse mens, ook al kunnen wij niet verhelen, dat de blinde met zijn kwalitatief sterk ontwikkelde gehoor sociaal sterker in het leven staat dan de dove. Aan het oog kan men het wezen van het zintuiglijke goed demonstreren.

Het is een instrument, dat ons een gezichtswaarneming van de wereld-buiten-ons mogelijk kan maken. Let wel, ook ons eigen lichaam behoort tot die buitenwereld! Het oog is een poort, waardoor indrukken van buiten tot de ziel komen en verinnerlijkt worden.

De meeste van deze ‘poorten’ zijn in ons hoofd gelokaliseerd: ogen, oren, mond, neus. Later leerde men ook andere, meer verborgen poorten kennen: evenwichtszin, warmte- of temperatuurzin, tastzin. In het geheel zijn er twaalf. De beste systematiek vindt men bij Rudolf Steiner, Révesz en Lievegoed.

Twaalf is een mooi getal.

Laten we de zintuigen eens beschouwen vanuit het sprookje. In ‘Doornroosje’ vinden we bijzonder mooi gekarakteriseerd wat de zintuigen zijn. De twaalf feeën brachten elk hun gave aan het prinsesje. Maar er ging iets mis met die gaven. Doornroosje werd door de scherpe spoel van de oude vrouw in de toren getroffen. Zij viel in slaap en haar gehele wereld ook.

Dit sprookje is geen verzinsel, maar, zoals alle sprookjes, een beeld, een in aardse beelden geklede, spirituele werkelijkheid. Met onze zintuigen is er ook iets merkwaardigs aan de hand. Doornroosje had in het geheel niets meer aan al haar gaven, zolang zij sliep, dat wil zeggen: zo lang haar het normale waakbewustzijn ontbrak. Hoe staat het echter met ons bewustzijn met betrekking tot onze zintuiglijke waarneming? Keren wij terug tot het oog.

Ziet het oog als zodanig iets? Ziet dit fysieke orgaan met zijn oogbol, lens, iris, netvlies, oogspiertjes, oogzenuwen en bloedvaatjes iets? Het antwoord is neen. Het oog van een gestorvene ziet niets. Wordt het echter getransplanteerd bij een ander mens, dan ziet het oog nog niets, maar de andere mens kan zijn gezichtswaarnemingen door middel van dit oog weer doen. De mens zelf kijkt immers en niet zijn oog. Er zijn echter in het leven ook ogenblikken, waarin de levende mens, wakker en met open ogen toch niets ziet. Dat is een merkwaardige zaak. Is ‘zien’ dan niet alleen een passieve aangelegenheid?

De gehele natuurwetenschap is opgebouwd uit mathematica en experiment en men wil daardoor slechts laten meetellen wat telbaar, weegbaar en meetbaar is. Dat sluit geestelijke factoren uit, waardoor het kwantitatieve gaat overheersen. De waarde van de kwalitatieve dingen is grotendeels verdwenen. De menselijke ziel viel daardoor ‘in slaap’.

De boze fee uit het sprookje is ons abstracte, intellectuele bewustzijn. Deze fee bracht de gereduceerde wetenschap tot stand, de materialistische natuurwetenschap, die zoals bekend, dood en vernietiging kan brengen. Ook de rijkdom van het door onze zintuigen waarneembare gebied is ernstig aangetast door de boze fee. Deze rijkdom moet weer ontsloten worden.

Onze waarnemingstheorie is namelijk onjuist. Rudolf Steiner heeft al in 1894 overtuigend aangetoond, dat men inconsequent is, wanneer men meent, dat het oog géén werkelijkheid kan waarnemen. Er is een denkfout in het spel… Want wanneer de wereld voor de mens slechts voorstelling is, zijn ook ‘het oog’ en ‘de hand’ voorstellingen en geen werkelijkheid. Het z.g. veroordeelde ‘naïeve realisme’ moet dan óók voor oog en hand gelden.

Wanneer ik als denkend subject een begrip op een object betrek, dan is deze betrekking niet louter subjectief. Welnee. Immers niet het subject als zodanig brengt die betrekking tot stand, maar het denken. Een conducteur denkt niet, omdat hij conducteur is, maar hij is conducteur, omdat hij in staat is om te denken.

Rudolf Steiner heeft dit probleem van de waarneming en de zintuigen tot onderwerp van zijn proefschrift gemaakt. Later werkte hij dit proefschrift uit tot een groter boek ‘Die Philosophie der Freiheit’.
De opstanding van het ware denken uit de slaap van het intellectuele bewustzijn is de prins uit het sprookje van Doornroosje. Hierdoor kunnen de twaalf goede feeën alias de twaalf zintuigen weer beginnen te werken. Men mag ervan uitgaan, dat ons oog evenzeer indrukken van de werkelijkheid geeft als de mathematisch te meten resultaten van druk, afmeting, toestand, snelheid, die in wezen evengoed met zintuigen samenhangen, nl. met tastzin, bewegingszin en evenwichtszin.

De zintuigen moeten opnieuw in hun totaliteitsaspect worden bekeken. Als zodanig zijn zij oefenbaar en voor de pedagogie uiterst nuttig en vruchtbaar.

Door de waarneming via mijn oog, pakt mijn ik de wereld. Dan komt er pas een gewaarwording in mijn ziel. Waarneming en denken zijn de pijlers, waartussen het bewustzijn tot stand komt. Ik zie en ik weet wat ik zie.

Of ik weet niet, wat ik zie, maar ik tracht het te weten te komen door vergelijking met dat, wat ik al gezien had. De zintuigen zijn er aan toe wederom als kenbronnen voor het weten van de mens in ere te worden hersteld.

De honderd jaar slaap van Doornroosje zijn voorbij. Nu is het de tijd om wakker te worden. Vooral in de pedagogie. In de mens is het de wilsmatige kern van het zielenwezen, die de bij de zintuiglijke waarneming behorende processen zinvol opvat, en innerlijke activiteit ontplooit, die als het ware naar buiten straalt. Er gaat dus niet alleen iets door de zintuigen naar binnen, maar er bestaat een spirituele stroom, die als een ‘tegenstroom’ van de ziel door de zintuigen naar buiten gaat.

Zoals gezegd is, beschreef Rudolf Steiner het kind als een wezen, dat één en al zintuig is. Maar een zintuig, zegt hij, waarin bij elke schrede de wil gewerkt heeft.

Een zintuig, waarin de wil werkt? ‘Ja’, zegt Rudolf Steiner. ‘het is ook bij het oog zo, dat het wilsmatige het innerlijke beeld tot stand brengt. In ieder zintuig schept het wilsmatige het innerlijke beeld. Het zintuig zelf heeft natuurlijk de passieve kant: het heeft eerst de taak zich (en de mens) bloot te stellen aan de buitenwereld, maar in elk zintuig vindt een innerlijke activiteit plaats en die is van wilsmatige aard. En dit wilsmatige werkt bij het kind intensief door het gehele lichaam tot de tandwisseling.’

Deze wilsmatigheid werkt zelfs nog door tot het negende levensjaar. Wat betekent dat voor pedagogie en heilpedagogie? Wat komt alleen goed over op deze wilsmatige activiteit van de zintuigen? Wat doet het innerlijke beeld slechts tot stand komen bij het kind?

Nu, alleen datgene, wat uit innerlijke activiteit van de leerkracht is voortgekomen: op een menselijk-beeldende wijze moet gesproken worden over alle dingen van natuur en mens. Dat betekent: kunstzinnig onderwijs.

Een creatieve, een kunstzinnige activiteit weet innerlijk vorm te geven en alles antropomorf, menselijk-beeldend te maken in alle onderwerpen, die door het kind met de zintuigen kunnen worden opgenomen.

Daar is het spelelement in de zin van Schiller aanwezig!

Voor een kind tot negen jaar is het belangrijk, wat de roos tegen het viooltje zegt. of het broodmes tegen het broodje. Het spelelement helpt om het beeldkarakter te vormen. Beeldkarakter draagt niet alleen bij tot het leven, maar ook tot latere, gezonde begripsvorming.

Men denke weer aan de beelden uit ‘Doornroosje’.

In de spirituele wereld aan het hof van de koning was de dertiende fee niet uitgenodigd. Men had geen bord om haar voor te zetten. Want de waarheden van het intellect zijn bespottelijk voor een geestwereld — ‘dwaasheid bij God’ heet dat later — en het intellect wreekt zich: Doornroosje moet sterven. De laatste fee zet de dood om in een slaap. Zij is de enige macht die de dood kan veranderen in opstandingskracht. Doornroosje valt in slaap om haar opstanding mogelijk te maken.

5.4.2 De indeling van de zintuigen
De zintuigen, onze twaalf feeën, worden in drie groepen van vier ingedeeld: tastzin, levenszin, bewegingszin en evenwichtszin is de eerste groep; reukzin, smaakzin, gezichtszin en warmtezin is de tweede groep; gehoorzin, woordzin, begripszin, ik-zin is de derde groep. De drie groepen spiegelen de drieledigheid van het menselijke zielenleven: willen, voelen en denken.

Rudolf Steiner noemt de eerstgenoemde groep ‘wilszintuigen’, de tweede groep ‘gevoelszintuigen’ en de derde groep ‘denkzintuigen’.

Prof Lievegoed geeft in aansluiting op Prof. Révesz een iets andere terminologie. Elke groep wordt genoemd naar het meest kenmerkende van zijn zintuigen, die dan ook ‘haptische zintuigen’ (hapto = ik tast. Gr.) worden genoemd. Voor de tweede groep is het kenmerkende zintuig het oog, dus wordt de groep gevoelszintuigen ‘optische zintuigen’ genoemd. Het gehoor is het kenmerkende zintuig voor de derde groep. ‘Akoestische zintuigen’ (akou-o = ik luister. Gr.) worden die genoemd.

Laten we eerst de middelste groep bekijken en hun relatie tot het gevoelsleven vaststellen. Die staan, zoals gezegd, bekend als ‘optische’ zintuigen. Deze zintuigen geven de mens een objectief-subjectieve informatie over de omgeving, de natuur, en de natuurlijke wezens.

Onder de andere zintuigen springt deze groep met grotendeels herkenbare organen, als een flinke neus in het gezicht, naar voren.

We verplaatsen ons als reizigers in gedachten naar Agrigento op Sicilië in de voorzomer. Wij ervaren heerlijke warmte van de zon en koele schaduwplekken. Wij genieten van de geuren die de aromatische plantenwereld schenkt: rosmarijn, thijm, marjolein cn munt. Wij proeven een paar vroege bramen, ze zijn warm en zoet. Wij genieten van dc kleuren: stralend-blauwe lucht, diepblauwe zee en goud-kleurige, edel gevormde tempels.

Onze gewaarwordingen zijn in hoofdzaak afkomstig van respectievelijk warmtezin, reukzin, smaakzin en gezichtszin. Huid, neus, tong en ogen genieten. Die zintuigen wekken gevoelens, zij zijn zintuigen in de gevoelssfeer, hebben een sterke uitbreiding naar het psychische.

Juist vanwege de gevoelens is dit viertal gewantrouwd.

Ten onrechte, zoals uit de inleiding blijkt.

De gevoelsmatigheid van het viertal wordt in onze taal zeer duidelijk geaccentueerd. Sterke gevoelens spreken in uitdrukkingen als: ‘Wat een fijne, warme persoonlijkheid!’ Dat is een kille tante!’ ‘Ik kan haar niet luchten of zien!’ ‘Hij staal in de reuk van heiligheid.’ ‘Dat huis is met smaak ingericht.’ ‘Wat een bittere ervaring!’  Ook de vier elementen komen er aan te pas: men proeft pas als iets vloeibaar gemaakt is, men ruikt als iets gasvormig wordt, men ziet pas, als het licht er op valt en de kleuren zich manifesteren. Water, lucht, warmte cn aarde zijn er bij betrokken. Waarom zou men dit viertal niet evenzo in beeld brengen als de middeleeuwse Universiteit de zeven jonkvrouwen van de vrije kunsten? Nu, we noemen de zintuigen de ‘duodecim deae sensoriae’ waarvan we nu de gezichtszin: fee Omma. de reukzin: fee Naseia, de smaakzin: fee Gusta en de warmtezin: fee Caloria, genoemd hebben als onderdeel van een twaalfvoudige zintuigenkring.

Het volgende viertal bestaat uit minder duidelijk aanwijsbare zintuigen. Slechts één ervan heeft een bijzonder orgaan, maar om het te vinden, moet men de schedel open maken: de z.g. drie halfcirkelvormige kanalen van de evenwichtszin in het oor. De andere zintuigen zijn overal verspreid. Wat nemen deze zintuigen waar? De waarnemingen zijn wilsprocessen, die zich bijna in het onbewuste afspelen.
Rudolf Steiner noemt dit viertal ‘onderste’ of ‘wilszintuigen’, de ook wel gebruikte term ‘haptische’ zintuigen hangt samen met het Griekse werkwoord ‘hapto’, dat ‘tasten’ betekent.

Stellen we ons voor, dat wij gedurende een reis in een grot terecht komen, die plotseling door een puinstorting achter ons wordt afgesloten. Het is pikdonker. We hebben geen zaklantaarn of lucifers. We tasten moeizaam voorwaarts, met voelen en handen. We voelen soms iets van steen, hout of ijzer. We moeten wankelend steeds ons evenwicht bewaren. We voelen ons onbehagelijk, hebben hoofdpijn of koorts.

Deze haptische zintuigen helpen ons iets van onszelf waar te nemen. Zij zijn naar binnen toe gericht, in ons lichaam spelen zich drukprocessen af bij het tasten. Levensprocessen worden waargenomen, wanneer zij niet goed functioneren. Anders is er een vaag gevoel van welbehagen. Wij voelen onze bewegingen en ook, of we in evenwicht zijn.

De mens neemt met deze vier zintuigen op subjectieve wijze naar binnen toe waar, maar wat hij gewaar wordt, heeft objectief karakter. Die maag kan werkelijk van streek zijn, dat is geen verbeelding. Mijn stand kan werkelijk verkeerd zijn ten opzichte van de aard-as. Tastzin, levenszin, bewegingszin en evenwichtszin zijn wilszintuigen.

De gehele natuurwetenschap en de techniek zijn door de mens ontwikkeld. Het zijn de ‘onderste’ zintuigen die de mens op het idee van afmeting, druk. toestand, zwaarte, snelheid hebben gebracht

Maar in het kunstzinnige beeld van de zintuigenkring mogen we voor kinderen zeker spreken van de tastzin als: fee Contacta, van de levenszin als: fee Viviane, van de bewegingszin als: fee Kinela en van de evenwichtszin als: fee Harmonia.

In de zin van elementen is fee Contacta aards, fee Viviane met de vloeistoffen verbonden, fee Kinela vol van het bewegelijke luchtelement en fee Harmonia heeft met de warmte te maken.

Onze derde en laatste groep zintuigen is eigenlijk geheel gericht op de informatie, die een medemens ons door’ waarneming oplevert. Daardoor zijn deze zintuigen grotendeels onbekend. Er is zeker sprake van een on-ontgonnen gebied, aangezien men meent voldoende te hebben aan de acht reeds genoemde zintuigen om de medemens te leren kennen.

Het gehoor neemt bij deze vier zintuigen een aparte plaats in, want het heeft veel weg van de vier gevoelszintuigen, maar het opent ook de poort voor de volgende drie.

Rudolf Steiner noemt deze vier: kenniszintuigen of geestelijke zintuigen. Ook worden ze ‘akoestische’ zintuigen genoemd.

We wagen ons aan een beschrijving:

De omgeving doet er niet toe. Wij raken in een gesprek. We  luisteren aandachtig en we trachten ons alleen te concentreren op datgene, wat de ander probeert te zeggen. We horen de klank van de stem. We nemen méér waar. We onderscheiden in de klankenstroom, die de ander voortbrengt, woorden en zinnen. Wij verstaan zijn taal. De zinnen van de ander bevatten gedachten, zij drukken gedachten uit. Wij luisteren, stellen ons geheel open. Denken we er maar één gedachte tussen door, dan nemen wij niet meer waar, wat de ander denkt. Wel beleven wij onderwijl de persoonlijkheid van de ander, we beleven hem als ik-mens.

Het volkomen nieuwe van Rudolf Steiner is ten aanzien van het geheel der zintuigen, dat hij erop gewezen heeft, dat er aparte zintuiglijke waarneming nodig is om in klanken woorden en zinnen te onderscheiden (woordzin of taalzin). Ook is er een apart zintuig nodig om in de woorden en zinnen de gedachten en ideeën van een ander waar te nemen, maar behalve in de taal ook nog in gebaar of mimiek.

Dit zintuig heet dan ook denk- of begripszin.

Tenslotte is ook het waarnemen van het ‘ik’ van een ander mens geen vorm van redenering, maar van zintuiglijke waarneming. Om het verschil tussen ik en niet-ik in de omgeving bij een ander mens waar te nemen, is een apart zintuig nodig, dat de ‘ik-zin’ genoemd wordt.

De akoestische zintuigen vragen, dat zij in hun geestelijke waarde worden ontdekt. Zij zijn kennis-zintuigen, die met uitzondering van het gehoor alleen aan de mens eigen zijn.
Voor degene die de mens als een soort dier beschouwen bestaan zij dus niet.
In onze feeënkringen nemen zij uiteraard een belangrijke plaats in. We hebben de gehoorzin als: fee Akoestica, de woordzin als: fee Logica, de denkzin als: fee Noëtica en de ik-zin als: fee Christiane.
Men kan zich afvragen of in het sprookje fee Noëtica de boze fee was. Door fee Christiane werd haar boze plan doorkruist. Daarna nam zij in ieder geval haar plaats in de kring weer in.
Ook al wordt men wakker uit de 100-jarige slaap. die veroorzaakt werd door het intellectueel-eenzijdige, toch kan men het verworven intellect als controlerende factor niet missen, ook bij  elke spirituele ontwikkeling. Dit laatste is dikwijls door Rudolf Steiner met nadruk betoogd.

Deze hoogste zintuigen kunnen geoefend worden. En hun waarnemingen worden dan de vrucht van een ontwikkelingsweg naar innerlijke activiteit.

Het is duidelijk, dat de natuurwetenschap de begrippen ‘woord’, ‘gedachte’ en ‘ik’ slechts als zuivere abstracties moet beschouwen. Rudolf Steiner geeft door zijn werk de mogelijkheden om deze abstracties weer ‘schouwbaar’ te maken, hetgeen pedagogisch en sociaal van het grootste belang mag worden geacht.

Tenslotte wordt het twaalftal zintuigen in beeld gebracht:

Rudolf Steiner merkte eens op, dat ons ik, als centrum van ons zielenleven. zich in de twaalf zintuigensfeer beweegt als de zon in de twaalf sterrenbeelden van de ecliptica.

Zo’n aanwijzing kan tot levend beeld worden.

zintuigen 1

5.4.3. Zintuigen en de kinderontwikkeling
Hoe past men de totaliteit van de twaalf zintuigen in ons mensbeeld? Het beeld van het zich naar lichaam, ziel en geest ontwikkelende kind, dat op weg naar de volwassenheid door drie zevenjarige fasen gaat?

Het kan duidelijk zijn, dat de zintuigactiviteit van het kind zeer intens is en onmiddellijk na de geboorte begint. De baby proeft nog voor hij kijkt. Tot in zijn kwispelende teentjes geniet hij van de zoete moedermelk. Het kleintje hoort ook al van alles: het kan van geluiden schrikken en het wordt rustig bij het zingen of spreken van de moeder.

Al betrekkelijk gauw komt in de tijd, waarin de lichamelijke basis van het kind wordt gevormd en uitgebouwd, de beweging als hoofdkenmerk van deze levensfase te voorschijn. Alles betasten, vasthouden, evenwicht bewaren, zich omdraaien, gaan zitten, pakken en gooien, schuiven, kruipen, staan, waggelen en lopen. Het kind denkt nauwelijks, het beweegt voortdurend. Eigenlijk is het merkwaardig, dat het pas lopende peutertje een hond en een boom herkent, ook al was de eerste ontmoeting met een pekinees en een treurwilg en de tweede met een Sint Bernard en een dwergconifeertje. Hond is hond en boom is boom. Deze begrippen zijn waarnemingen en geen conclusies na een denkproces!

Het kind gebruikt in de eerste zevenjaarfase — de wilsfase — wel alle zintuigen, maar de hoofdrol wordt toch gespeeld door het viertal, dat men ‘wilszintuigen’ noemt: tast – levens – bewegings – en evenwichtszin. Hoe kunnen deze ‘onderste zintuigen’ tot een goede ontplooiing komen? Door nabootsing in het algemeen en door het spel in het bijzonder! Rustige, zinvolle bewegingen van de volwassenen in de omgeving en beweegbaar speelgoed (hamerende timmerlui, zagende houthakkers, pikkende kipjes, dansende popjes) dat alles stimuleert de onderste zintuigen op goede wijze. Het kinderspel is ook bijzonder goed voor de wilszintuigen: de oude kinderspelen, kringspelen met goede klank en ritme, balspelen, touwtje springen.

Er zijn ook dingen die in onze technische civilisatie veel voorkomen en een regelrechte aanslag zijn voor de harmonische ontplooiing van tast – levens – bewegings – en evenwichtszin. Onrust, haastige, geïrriteerde bewegingen, toestellen die schijnbare beweging laten zien (film, T.V.) tasten de onderste zintuigen aan. Vooral ook gebrek aan ruimte voor spelen in de bovenbedoelde zin vormt een aantasting.

Kleuterscholen waar niet geleerd, maar gespeeld wordt, zijn gunstig in dat opzicht.

Bij sommige kinderen is de bewegingszin door een onrustige omgeving met een overmaat aan onritmische, mechanische, onregelmatige beweging zó aangetast, dat bij het kind geen gezonde bewegingsdrang, maar een ‘beweegzucht’ is ontstaan. Het kind kan dan geen seconde meer stil zitten, en beweegt, constant wriemelend en peuterend. Het kan ook niet meer luisteren.

Het viertal onderste zintuigen vormt een basis voor de volgende vier gevoelszintuigen in de schoolkind- of gevoelsfase. Die middelste vier – reuk – smaak – gezichts – en warmtezin geven op hun beurt een basis voor de harmonische ontplooiing van de laatste vier, de denkzintuigen in de laatste zevenjarige ontwikkelingsfase.

Het verband tussen de drie groepen is van het allergrootste belang voor de pedagogie en het onderwijs.

Het blijkt namelijk mogelijk te zijn om door het leggen van het juiste verband tussen een wils-, een gevoels- en een denkzintuig gebreken in het leervermogen geheel of gedeeltelijk te herstellen.

Men is daar nog in het begin, maar steeds meer studie van de zintuigen zal kunnen leiden tot het efficiënt helpen van leerlingen met moeilijkheden.

Een enkel voorbeeld mag thans volstaan. We zien een jongen, die met het oog niet goed kan waarnemen d.w.z. hij vergist zich met kleuren en vormen en hij kan nauwelijks een begrip ontwikkelen. We geven hem een opdracht om iets te tekenen.

We merken het volgende:

Het kind voelt niet, dat zijn papier op de tafel wegschuift. Hij voelt ook niet, dat hij te hard op zijn krijt drukt. Hij heeft ook niet in de gaten, dat zijn linkerhand een ander kleurkrijtje vasthoudt. Het papier ligt te schuin om prettig te werken. Geleidelijk komt het ongemerkt onderste-boven te liggen. Het kind krast te hard. Hij blijkt niet te zien, of zijn werk mooi of lelijk is.

Kijken we naar Trigoon III dan zien wij een samenhang tussen bewegingszin, gezichtszin en begripszin. De aangetaste bewegingszin beïnvloedt het oog en de begripsvorming (zie afb.).

Een aantal oefeningen om zich ritmisch en ontspannen te leren bewegen, bewerkt, dat de jongen normaal leert lopen en normaal leert zitten. Daarna is het mogelijk hem te leren zien, of hij het krijtje los en toch stevig hanteert. Hij leert ook zien, dat krassen niet zo mooi is; dat hij de lengte en dikte van de streepjes zelf kan controleren en veranderen. Hij begrijpt, hoe men dat aanpakken kan.

Het gaat er wel om een goede verstandhouding met het kind op te bouwen en het gedichtje zo uit te zoeken (of zelf te maken) dat het kind er iets waardevols in kan zien. Kortom, met de zintuigen als uitgangspunt is er zeer veel mogelijk. Men moet zich realiseren, dat zoiets in een gewone groep zevenjarigen kan worden gedaan.

Alles wat de zintuigen overbrengen, behoort tot de materiële wereld. Maar dit innerlijk ontstane beeld heeft zijn tehuis in het rijk van de onzichtbare levenskrachten.

Wat onze geest denkt, onze ziel beleeft, heeft onmiddellijk invloed op de levensuitingen van het organisme. Het zintuigorgaan wordt ook van de psychische zijde direct geëngageerd. Het van vreugde vervulde hart vindt zijn weerspiegeling in de glans van het oog!zintuigen 2

zintuigen 3

zintuigen 4

zintuigen 5

5.4.4 Aanhang             Samenvatting zintuigen.

A. Haptische of wilszintuigen.

1. De tastzin.|
Contact van de wil met de buitenwereld. Wanneer ik iets betast, neem ik toch mijn lichamelijkheid waar. Drukprocessen spelen zich onder mijn huid af. Ik projecteer dit op de buitenwereld met mijn bewustzijn en ik vel het oordeel ‘dit is een ruwe muur’. Er is een reactie van ons innerlijk op uiterlijke gebeurtenissen. Overigens werken bewegings- en evenwichtszin mee met de tastzin, evenals het oog. Het orgaan van de tastzin is ons gehele lichaam, vooral de huid.

2. De levenszin
We nemen door de levenszin op zeer algemene en onbepaalde wijze de toestanden van ons lichaam waar. De waarneming betreft in hoofdzaak de vitale sfeer, de functionering van de levenssappen: bloed en lymfevochten. We voelen dingen die het gehele lichaam betreffen: moeheid, uitgerust zijn, honger, dorst, uitputting, verzadiging, slaperigheid
Ook ontstaat bewustzijn van een orgaan, dat niet werkt zoals het zou moeten doen. Functioneert alles goed, dan neemt de levenszin een vaag behagen waar: wij voelen ons gezond en fit. De levenszin geeft objectieve feitelijkheden: Wanneer wij ons onplezierig in de maag voelen zou een chemicus met zijn retort precies kunnen nagaan, wat er aan onze spijsvertering mis is.

3. De bewegingszin
Dit zintuig neemt alle eigen beweging waar. Het zegt ons of wij in rust of in beweging zijn. De bewegingszin neemt alle bewegingen waar die in ons lichaam gebeuren, maar met beweging buiten ons? Een vergissing is het om te menen, dat wij bewegingen buiten ons door het oog direct kunnen waarnemen. Dat gaat anders. Het oog neemt slechts kleuren en licht-donker nuances waar. Wij doen alle bewegingen, die in ons waarnemingsveld zijn, onbewust mee in ons organisme, in het bewegingssysteem van onze lichamelijkheid.
Door onze eigen bewegingszin worden onze medebewegingen waargenomen, zodat alle beweging buiten ons tot ons subjectieve bewustzijn komt. Een cirkelvorm op een schoolbord is een ‘gestolde’ beweging. die ik met mijn bewegingszin waarneem. Met mijn bewustzijn verbind ik deze waarneming met de optische waarneming van de witte krijtstreep.
Een blinde neemt vormen alleen waar met zijn tastzin en bewegingszin. Rudolf Steiner noemt dit zintuig ook wel ‘eigenbewegingszin’.

4. De evenwichtszin
Met dit zintuig nemen wij onze stand in de ruimte waar. Zijn wij in evenwicht ten opzichte van de drie ruimteassen: boven-onder,  links-rechts, voor-achter? In feite wordt de betrekking waargenomen tussen het middelpunt van de aarde en ons eigen lichaam. Een z.g. onmacht betekent, dat onze evenwichtszin ons het middelpunt van de aarde ‘niet kan laten zien’.
Onze gehele oriëntatie in de ruimte is mogelijk door de evenwichtszin, die haar orgaan in het oor heeft, de drie z.g. half-cirkelvormige kanalen.

B. Optische of Gevoelszintuigen

5. De reukzin
De reukzin is in de neus gelegen. Via de lucht wordt alles waargenomen, wat van de materie in gasvormige toestand is overgegaan. De door de neus waargenomen geur, lucht of stank heeft een zeer sterke uitwerking op ons lichaam, die door vaak heftige gevoelens wordt vergezeld. Lichamelijke reacties b.v. braken zijn ook mogelijk.

6. De smaakzin
De smaakzin laat ons met tong en gehemelte proeven wat van de materie in vloeibare toestand is overgegaan.
Het proeven via de smaakzin veroorzaakt bij de mens zowel een groot genot en welbehagen als ook walging en misselijkheid met alle tussenliggende schakeringen.

7. De gezichtszin
De gezichtszin kan via het oog alleen functioneren, wanneer er licht is; toch kan ons oog het licht zelf niet waarnemen, aangezien licht geen stoffelijke maar een geestelijke kwaliteit is. Wel neemt het oog de dingen waar, die het licht aan hun oppervlakken veroorzaakt nl. kleur- en licht-donker nuances. Over het waarnemen van vorm zie de bewegingszin.

8. De warmtezin
De warmtezin heeft als orgaan onze gehele oppervlakte, al zijn er gevoeliger en ongevoeliger plekken. Waargenomen worden warmte en koude en de schakeringen daartussen.
Dit zintuig heeft duidelijker dan andere zintuigen een brug naar het psychische. Zielenwarmte en -koude worden ook door de warmtezin waargenomen, in combinatie met de akoestische zintuigen.

C. De akoestische zintuigen of Denk-zintuigen

9. De gehoorzin of klankzin
De gehoorzin heeft een Januskop. Ten dele behoort zij tot de z.g. middelste zintuigen, voor zover de natuur wordt waargenomen en de waarneming gevoelsmatig geëngageerd is. Maar het zintuig heeft ook het opmerkelijk vermogen om kwaliteiten hoorbaar te maken. Dit geldt niet alleen voor het onderscheiden van ‘echte’ munten, maar vooral voor het onderscheiden van kwaliteiten in de stem van de mens. Vandaar de sociale vermogens van de blinde!

10. De woord- of taalzin
De taal van een medemens is een zelfstandig te beleven wereld. Via de gehoorzin nemen we slechts het akoestische of muzikale element van de taal waar, niet het wezenlijke van de taal zelf.
Om woorden en zinnen in de stroom van klanken te kunnen onderscheiden is een apart zintuig nodig. Wij bouwen in de loop van ons leven via de woorden een soort klankorganisme op. Orgaan is: ons gehele bewegingsorganisme.

11. De gedachte- of begripszin
Taal en gedachte zijn niet identiek. Wij kunnen de gedachte van een ander mens ook leren kennen door zijn gezichtsexpressie en zijn gebaren. Er is een hoger zintuig nodig om uit de taalstroom de gedachten en ideeën te weten te komen. Dit is geen resultaat van verstandelijke redenering, maar van een zintuiglijke waarneming.
Kinderen kunnen al begrippen ervaren, wanneer zij nog niet kunnen denken. Orgaan voor het begripszintuig is het levensorganisme. Interessant is het, dat Chinezen, Koreanen en Japanners hetzelfde schrijfteken voor ‘boom’ hebben, terwijl zij geheel verschillende talen spreken.

12. De ik-zin
Wij moeten tussen eigen denken en het waarnemen van de gedachten van een ander mens onderscheiden.
Evenzo hebben wij onderscheid te maken tussen de beleving van ons eigen ‘ik’ en het waarnemen van het ‘ik’ van een ander.
Er is geen conclusie uit mijn eigen ik-beleven ten aanzien van een ander. Er is werkelijk sprake van een waarneming. Daartoe hebben wij een apart zintuig, de ik-zin. Het leert ons de keuze te maken tussen ‘ik’ en ‘niet-ik’ bij de ander. Het ik van de ander is een geestelijke realiteit. Onze eigen ik-zin — ons gehele lichaam is het orgaan ervan — moet door innerlijke activiteit geoefend worden.
.

Het binnenste buiten – publicatie Rudolf Steinerschool Leiden, *mei 1985, hoofdstuk V waarvan 5.4

.
Ik-zin: artikel in Antroposofie Magazine

.

Zintuigen: alle artikelen
.

1017-943

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Hannibal

Hannibal 247-183 v. Chr.

Hannibal

Hannibal trok met zijn leger en zijn olifanten over de Alpen. Waar ging hij heen en waarom? Hannibal is meer bekend om zijn briljante tactiek dan om zijn overwinningen. Uiteindelijk waren ook zijn overwinnigen niet voldoende. Zelfs Hannibal was niet in staat Carthago te beschermen tegen de groeiende macht van de Romeinen.

Carthago was een Fenicische stad-staat in Noord-Afrika, in wat nu Tunesië is. De stad was al in de 8e eeuw v. Chr. gesticht, ongeveer gelijktijdig met de stad-staat Rome. Carthago was uitgegroeid tot een belangrijke handelsstad. Carthago had geleidelijk haar grondgebied over grote delen van het westelijke Middellandse Zeegebied uitgebreid, terwijl Rome bijna het hele Italiaanse schiereiland veroverde. Er kwam een botsing tussen de twee steden, die uitliep op een grote veldslag. In de eerste van de drie Punische (van het Romeinse woord voor Phoenicisch) Oorlogen verloor Hannibals vader, Hamilcar Barcas, het eiland Sicilië aan de Romeinen. Maar daarna voerde hij een invasie uit in Spanje en veroverde dit voor Carthago. De machtsovername in Spanje was het sein voor het begin van de Tweede Punische Oorlog. Hierin bestreed Hannibal de Romeinen voor het eerst.

6e klas Hannibal 2

Hannibal tijdens de beroemde tocht van zijn leger over de Italiaanse Alpen. Het leger maakte deze barre tocht om ten strijde te trekken tegen het Romeinse leger onder leiding van Scipio Africanus. Hannibals mannen, olifanten en pakpaarden waren na deze gruwelijke expeditie volledig uitgeput.

Volgens de legende moest Hannibal als jongen van zijn vader zweren, dat hij de Romeinen eeuwig zou haten. Zijn hele leven vocht hij tegen de Romeinen. Hij begon als de rechterhand van zijn zwager Hasdrubal, die Hamilcar in Spanje was opgevolgd. Na de dood van Hasdrubal werd hij door het leger tot leider gekozen. Hannibal wist maar al te goed dat er aan de veroveringsdrang van Rome geen eind zou komen. Hij was vastbesloten te voorkomen, dat het Romeinse Rijk zich verder zou uitbreiden. Hij belegerde de Spaanse stad Saguntum om een confrontatie uit te lokken. Hoewel Saguntum binnen het gebied van Carthago lag, onderhield de stad vriendschapsbanden met Rome. Hij veroverde de stad in 219 v. Chr. Daarop verklaarde Rome Carthago de oorlog. Hannibal vertrok met zijn leger van huursoldaten, paarden, voorraadwagens en olifanten om de Romeinen op hun eigen grondgebied te bestrijden. Hij koos de weinig gebruikelijke route over land. Die leidde door de Pyreneeën en Gallië naar de rivier de Rhône. Nadat hij zijn doodsbange olifanten op vlotten over de rivier had gebracht, liet Hannibal zijn leger door het Rhônedal marcheren om een confrontatie met het wachtende Romeinse leger te ontwijken. In plaats daarvan wilde hij hen onverwacht overvallen in meer open terrein. Daarom besloot hij over de Italiaanse Alpen te trekken en naar het dal van de rivier de Po af te dalen.

6e klas Hannibal 1

Dit is een detail van een 18e eeuwse gravure. De olifanten van Hannibal werden met een veerpont over de rivier de Rhône gezet. Daarna trok zijn leger over de Alpen. De schepen waren met aarde bedekt in een poging de olifanten geen schrik aan te jagen, maar niettemin waren deze doodsbenauwd.

de eerste dagen van de oorlog die toen in volle hevigheid losbarstte, won Hannibal alle veldslagen. Dit gebeurde ondanks de uitputting van zijn uitgedunde strijdmacht en het uitblijven van steun uit Carthago. Hij gebruikte allerlei slimme tactieken. Door vindingrijke troepenbewegingen wist hij twee Romeinse legers in de pan te hakken. Hij trok op tot aan Rome zelf, maar zijn leger was niet sterk genoeg meer om de stad in te nemen. De Romeinen ontplooiden na verloop van tijd een strategie waarbij veldslagen werden vermeden, maar waarmee ze op allerlei plaatsen met aanvallen dreigden. Hannibal was gedwongen zijn verzwakte leger te verspreiden en om te schakelen van de aanval naar de verdediging. De Romeinse generaal Scipio Africanus was intussen naar Spanje overgestoken en bestreed en overwon daar het leger dat door Hannibal was achtergelaten om zijn gebied te beschermen. Toen Scipio weer de zee overstak om in Noord-Afrika Carthago zelf aan te vallen, haastte Hannibal zich in 204 v. Chr. naar huis om de stad te verdedigen. De bijzonderheden van de veldslag waarin de twee generaals elkaar ontmoetten, zijn vaag. Maar Scipio gebruikte blijkbaar van Hannibal geleerde tactieken om de Carthagers te verslaan. Er werd een vredesverdrag gesloten. Carthago werd gedwongen om Spanje op te geven.

De oorlog betekende niet het einde van Hannibals strijd tegen Rome. Hij werd als hoge ambtenaar in de regering van Carthago aangesteld. Hij voerde allerlei hervormingen door, die de edelen veel van hun macht ontnamen. Uit wraak rapporteerden ze aan de Romeinen dat hij tegen hen samenzwoer. Hannibal vluchtte naar Klein-Azië (het huidige Turkije), eerst naar Efese en later naar Bithynië. Daar steunde hij de plaatselijke heersers in hun strijd tegen Rome, totdat de Romeinen eisten dat hij aan hen zou worden uitgeleverd. Liever dan zich gevangen te laten nemen, vergiftigde hij zichzelf en stierf op 64-jarige leeftijd in Bithynië.

Hannibal ante portas!

Nadat hij zijn olifantenleger over de Alpen had geleid, deed de beruchte Hannibal (270 – 183 voor Christus) ook Campania aan. Hannibal was een briljant strateeg en Carthaagse generaal gedurende de Punische Oorlogen. Onder zijn leiding kregen de Romeinen het zwaar te verduren. Hij was zo’n afschrikwekkende figuur in de Romeinse wereld dat hij als een boeman werd voorgesteld. Wanneer Romeinse kinderen ondeugend waren, werd dreigend geroepen dat Hannibal aan de poorten van de stad stond om ze weer in het gareel te krijgen. Maar de uitspraak Hannibal ante portas!’ werd ook door Romeinse senatoren gebruikt wanneer er calamiteiten waren, als er grote problemen waren of ergens paniek uitbrak. In antieke geschriften werd ooit geschreven dat het Hannibal was, die de Romeinen leerde wat angst écht inhield.

UIT: De charme van Napels en Campania: Esther van Veen

6e klas geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas

vertelstof: alle biografieën

1017-943

VRIJESCHOOL – 5e klas – vertelstof – Odysseus

.

De zwerftocht van Odysseus

Polyfemus, de éénogige reuzencycloop, was eindelijk in slaap gevallen na een uitgebreide maaltijd bestaande uit mensenvlees. Dit was het ogenblik waarop de gevangen Grieken hadden gewacht. De scherpe stam van een olijfboom was in het vuur gloeiend heet gemaakt. Met vereende krachten stootten de gevangenen de stam door het oog van de reus. Waanzinnig van pijn en woede brulde de cycloop: ‘Broeders, help…, help me toch…!’De cyclopen in de omgeving hoorden het hulpgeroep van Polyfemus en snelden naar zijn hol in de rotsen. Ze konden echter z’n hol niet binnen, want Polyfemus had een groot rotsblok voor de ingang gerold. Alleen Polyfemus had de kracht het rotsblok te verplaatsen. ‘Wat is er aan de hand?’ schreeuwden de toegesnelde reuzen. ’Niemand maakt mij dood…!’ antwoordde Polyfemus vanuit de grot. Verbaasd keken de cyclopen elkaar aan. ’Als niemand je dood maakt, dan heb je zeker een nachtmerrie. Moge Poseidon je daarvan bevrijden.’ Met die woorden draaiden de cyclopen zich om en gingen terug naar hun eigen holen.

De gevangen Grieken konden elkaar opgelucht aankijken. De kans dat ze uit handen van de reus zouden blijven was groter geworden. De list van hun aanvoerder was geslaagd. De cycloop had geloofd dat deze ’Niemand’ heette. Wie was die ’Niemand’? Het was Odysseus, één van de beroemdste helden uit de Griekse mythologie.

De blinde dichter Homerus
In het Oude Griekenland waren tal van verhalen over Odysseus in omloop. De Ilias en de Odyssee zijn de belangrijkste werken die de Griekse dichter Homerus heeft geschreven. Maar wie was eigenlijk Homerus? Waar leefde hij? De geschiedenis van het Oude Griekenland laat deze vragen onbeantwoord. Er wordt verteld dat Homerus blind was. Verschillende steden in Griekenland eisen de eer op dat Homerus op hun grond werd geboren. Sommige deskundigen menen dat de verhalen rond Odysseus van geslacht op geslacht zijn doorverteld. De verhalen werden steeds mooier, spannender en uitgebreider. In de 8e eeuw voor Chr. zou Homerus tenslotte deze verhalen op schrift hebben gesteld als de Ilias en Odyssee.

De held Odysseus
Homerus beschrijft in zijn heldendicht Ilias de avonturen, die Odysseus beleefde na de inname van de stad Troje. Deze stad werd tien jaar lang door de Grieken belegerd. Odysseus veroverde de stad tenslotte door een houten paard, met daarin Griekse soldaten verstopt, de stad binnen te brengen. Dankzij deze list kon Troje worden veroverd. De Griekse koningen keerden met schepen vol buitgemaakte goederen terug. Ook Odysseus en zijn mannen lichtten het anker en voeren terug naar het eiland Ithaca, waar Odysseus koning was. De god van de zee – Poseidon – was Odysseus echter niet gunstig gezind. Poseidon stuurde een verschrikkelijke storm, die de schepen van Odysseus naar vreemde en angstaanjagende stranden dreef. Odysseus was vastbesloten om naar zijn vrouw en zoon op Ithaca terug te keren. Dat gaf hem steeds weer de kracht om alle gevaren het hoofd te bieden, zoals we hierboven kunnen lezen in het avontuur met de cyclopen.

Na een zwerftocht van tien jaar keerde Odysseus eindelijk weer terug naar zijn vaderland. Het werd geen prettige thuiskomst. De edelen hadden van de afwezigheid van hun koning gebruik gemaakt om zijn paleis te bezetten. Eén van hen had zelfs het plan opgevat om met Odysseus’ vrouw Penelope te trouwen. De wraak van Odysseus was verschrikkelijk. Vermomd drong hij zijn eigen woning binnen en doodde alle edellieden. Na een zwerftocht van tien jaar was de held van Troje eindelijk weer heerser over Ithaca.

Een Franse geleerde, Victor Bérard, heeft getracht de reis van Odysseus in kaart te brengen.

Odysseus 1

Homerus heeft vele van de plaatsen die in de ‘Odysseus’ voorkomen, zó nauwkeurig beschreven, dat sommigen menen dat hij er zelf moet zijn geweest. Toch is het waarschijnlijker dat Homerus zijn inlichtingen heeft gekregen uit de verhalen van de zeelieden. Bérard heeft aan de hand van het boek “Odysseus’ het gehele Middellandse Zeegebied afgereisd om de vermelde plaatsen aandachtig te bestuderen. Hieronder zijn gereconstrueerde route.

Odysseus 2

1. Troje, de stad van Klein Azië, waar de zwerftochten van Odyssees begonnen.

2. Het land van de Kikonen, waar een aantal vrienden van Odyssees na een overvloedige maaltijd werd gedood.

3. Het land van de Lotuseters, het huidige Jerba in Tunesië (Noord-Afrika). Wie van de kostelijke lotusvrucht at, verloor alle herinnu ringen aan z’n vaderland.

4. Het land der cyclopen. Door een list slaagde Odysseus aan de mensetende reuzen te ontspannen.

5. Het rijk van Eolus, de god van de wind. Hier werd Odysseus vriendelijk ontvangen. De slimme Eolus gaf hem echter een zak vol storm als geschenk mee. Odysseus’ metgezellen, die dachten dat de zak kostbaarheden bevatte openden deze en een vliegende storm dreef de schepen in de richting van Sardinië.

6. Land der Laistrygonen. Zij waren mensetende reuzen. Een overhaaste vlucht onder een regen van rotsblokken bracht slechts enkelen redding. Alleen het schip van Odysseus bleef gespaard.

7. Het eiland van de tovenares Kirke. Kirke veranderde Odysseus’ kameraden in zwijnen. Gelukkig werd de betovering op aandrang van Odysseus verbroken.

8. De betoverende zangkust van de Sirenen kon worden weerstaan, omdat Odysseus zichzelf aan de mast vastbond en de oren van zijn mannen volstopte met was.

9. Twee verschrikkelijke monsters wachtten Odysseus op in de Straat van Messina. Skylla verzwolg matrozen van schepen die Charybdis in draaikolken schipbreuk liet lijden.

10. De overgebleven mannen van Odysseus werden in een woeste storm gedood, omdat zij zich hadden vergrepen aan de heilige runderen van de zonnegod Helios. Alleen Odysseus bleef gespaard.

11. Het eiland van de nimf Calypso. Negen dagen achtereen dreef Odysseus op zee en klemde zich vast aan een stuk wrakhout. De tiende dag spoelde hij aan op het eiland van de nimf Calypso. Hij zou er zeven jaar blijven.

12. Odysseus vergat zijn land niet. De goden droegen de nimf Calypso op Odysseus te laten vertrekken. Een vlot zou hem naar Ithaca voeren, maar door een storm verging zijn vlot. Zwemmend bereikte hij de kust van het eiland der Faïaken, waar hij door de koningsdochter Nausicaä werd ontvangen. De koning van de Faïaken zorgde ervoor dat Odysseus een schip kreeg. Eindelijk kon hij naar zijn vaderland terugkeren.

13.Vermomd drong Odysseus zijn paleis binnen, waar de edelen de macht over hadden genomen. Penelope, Odysseus’ vrouw, moest zelfs met één van hen trouwen. De pijlen van Odysseus tenslotte doodden alle edelen. Vanaf dat moment waren zijn zwerftochten ten einde. Odysseus was weer koning van Ithaca.

Odysseus 3

De sage van Odysseus
Zoals alle mythen, heeft het verhaal van Odysseus een diepere bedoeling. Met de dappere, ondernemende en slimme Odysseus wordt de ‘mens’ bedoeld. Net zoals de held uit het verhaal verlangt ieder mens ernaar het geheimzinnige te ervaren en te ontdekken. Door het verstand onderscheidt de mens zich van het dier en juist die eigenschap stelt hem in staat om moeilijkheden te overwinnen.

Drie dichters uit verschillende tijdvakken hebben de avonturen van Odysseus beschreven. In de allereerste plaats was dat natuurlijk Homerus, die de mondelinge overlevering op schrift heeft gesteld. Later beschreef de Romein Vergilius hoe Odysseus een houten paard, met daarin soldaten verstopt, gebruikte om de stad Troje te veroveren. Ten slotte beschreef de Italiaanse dichter Dante de reis van Odysseus.

Maar Dante nam de vrijheid de avonturen van Odysseus een ander eind te geven.

Een eind Odysseus waardig: Volgens Dante voer Odysseus tenslotte door de Zuilen van Hercules – de Straat van Gibraltar – om nieuwe werelden te ontdekken in onbekende oceanen. Voordat de grijze Odysseus vertrok, vermaande hij zijn reisgenoten: ‘Vergeet niet dat de mensen niet zijn bestemd om als dieren te leven, maar dat zij dienen te zoeken naar deugd en erkenning…

5e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 5e klas: alle beelden

1016-942

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (18)

.

Rudolf Steiner:
Niet met pedagogie als normwetenschap, maar met pedagogie als kunst moet je het kind benaderen. [74]

opspattend grind


Claire Boonstra:

“SCHOLEN, KOM UIT DIE KRAMP”

Eindexamen, bul, een goeie baan, een beter salaris, meer status. Civiel ingenieur en ondernemer Claire Boonstra (39) was hard op weg met creëren van een ‘inte­ressant visitekaartje’ toen ze zich realiseerde dat boven aan al die ladders niets is wat haar voldoening bracht. “We kijken alleen maar omhoog, maar daar is niets.”

Dat gevoel knaagde al langer aan haar. Op het jaarlijkse topoverleg van het World Economie Forum in Davos waar ze als ‘technology pio­neer’ wereldleiders mocht toespreken, besefte ze dat daar de verandering niet vandaan zal ko­men. “Die grijze mannen in pak zijn de titel op hun visitekaartje geworden.”

De basis van het probleem ligt volgens Boon­stra in het onderwijs. “Er is iets mis met een onderwijssysteem dat daartoe opleidt.” Boon­stra, succesvol ondernemer met een eigen soft­warebedrijf, gooide het roer om en zei haar be­drijf vaarwel. Dat is nu twee jaar geleden. “Het onderwijssysteem is gericht op hogere scores, betere, meetbare prestaties. Maar waarom ei­genlijk? Wat is het doel van onderwijs?” Daarover moeten we nadenken, zegt ze. Alle­maal. Aan de keukentafel, op borrels en in be­stuurskamers. Boonstra, zwart jurkje met bal­lerina’s die ze voor de foto verwisselt voor hak­ken, praat er bevlogen over. Ze maakt tekenin­getjes om haar voorbeelden kracht bij te zetten en praat als een waterval. Ze heeft een missie: het denken over onderwijs op zijn kop zetten.

Zo ontstond ‘Operation Education’, een stich­ting van vrijwilligers van binnen en buiten de onderwijssector die goeie, vernieuwende ideeën bij elkaar brengt en een maatschappe­lijk debat wil beginnen over hoe wij onze scho­len hebben ingericht.

Vandaag* presenteert ze een boek waarin hon­derd Nederlanders beschrijven wat volgens hén het belangrijkste is wat onderwijs moet bewerkstelligen. Er wordt gewerkt aan een do­cumentaire en over twee weken komt er nóg een boek: ‘Onderwijshelden’, waarin scholen en leerkrachten laten zien dat het anders kan.

Wat is er mis met het onderwijs?
“We proberen elk kind door dezelfde mal te persen. We leggen iedereen langs dezelfde meetlat. Succes wordt afgemeten aan een be­perkte hoeveelheid vaardigheden: rekenen, le­zen, schrijven. Die zijn zeker niet onbelangrijk, maar ze vormen maar een klein onderdeel van wat je nodig hebt in de maatschappij. Daarbij is er te weinig ruimte voor wie anders denkt. Mijn neefje bijvoorbeeld antwoordde in een toets dat het woord ‘iglo’ een ‘warm’ woord was, in plaats van een ‘koud’ woord. Zijn uitleg was dat eskimo’s een iglo bouwen om zich warm te houden. Maar zijn antwoord werd fout gerekend.’ Het geven van het ‘juiste
ant­woord’ is in het onderwijs belangrijker gewor­den dan kritisch nadenken, vragen stellen en op een dwarse manier naar de dingen kijken.”

Wat is het gevaar?
“Ik zie dat veel mensen last hebben van het huidige systeem, ook mensen die het heel net­jes hebben gedaan in het huidige schoolsys­teem. Een voorbeeld? Er zijn dertigers die cum laude afstuderen, een glansrijke carrière heb­ben bij een multinational en vervolgens een burn-out krijgen of depressief worden. Ze
heb­ben precies de ‘juiste’ weg gevolgd, maar vra­gen zich af: is dit het? Dat wordt het schoolsys­teem niet aangerekend, deze mensen hebben dat succesvol doorlopen terwijl ze later toch uitvallen. Volgens mij gaat er dan iets mis.”

Is het niet gevaarlijk om met kinderen te experimenteren?
“Weet je wat pas gevaarlijk.is? 150 jaar lang niet experimenteren met kinderen. We weten tegenwoordig heel veel over hoe leren werkt. En de kennis daarover strookt totaal niet met hoe ons onderwijs is geregeld. Continu stilzit­ten is bijvoorbeeld slecht voor het leerproces.”

Waarom doen we daar dan niets mee?
“Nog zoiets: mijn ene kind kon lopen na negen maanden, de ander pas na zeventien. Dat vin­den we normaal, maar eenmaal op school baart het ons zorgen. Een kind dat op zijn vierde klaar is om te leren lezen en de ander op zijn achtste. Toch labelen we het eerste kind als hoogbegaafd en het tweede krijgt remedial teaching.”

Hoe moet het dan?
“Je moet kijken waarop een kind ‘aangaat’. Waardoor het gegrepen wordt, hoe het geboeid raakt. Dan wordt leren interessant. Elk kind verdient dat, om gezien te worden. Waarom zou je dat niet faciliteren op school?

“Begrijp me goed. Ik heb niets tegen ouders, leraren of leerlingen die blij zijn met het hui­dige systeem en daarin gedijen. Als ze er maar over hebben nagedacht. Ik snap het wel dat mensen het een beetje eng vinden om daar­over na te denken. Die horen over scholen waar kinderen mogen meebeslissen over wat er geleerd wordt en denken: dat kan niet goed gaan. Maar waarom niet?”

Hebben ze ongelijk? Het Nederlandse onderwijs behoort toch tot het beste ter wereld?
“Dat klopt. Het schoolsysteem zoals we dat nu kennen, heeft ons ook welvaart gebracht, maar nu begint het te knellen. Met de beste bedoe­lingen en in onze drang om het steeds beter te doen, hebben we steeds meer regels gecreëerd. Daardoor hebben veel docenten het gevoel dat ze geen ruimte meer hebben en zich voortdu­rend moeten verantwoorden. Dat werkt ver­stikkend en houdt verandering tegen.

“Daarbij is de rol van kennis in onze samen­leving heel erg veranderd. Kennis is alomtegen­woordig. Het gaat erom wat je ermee doet. Dat vraagt een andere rol van leerkrachten. Het draait niet langer om kennisoverdracht van bo­ven naar beneden. Ik wil scholen niet afschaf­fen, maar anders inrichten.”

Is dit een pleidooi voor de iPadschool?
“Ja en nee. Ik ben geen adept van de manier van communiceren van Maurice de Hond, maar ik vind het wel interessant wat hij doet. Met een tabletcomputer kun je een individueel leerproces faciliteren. Het is een hulpmiddel. Je moet oppassen dat je daar geen karikatuur van maakt. Het is een manier om op een ande­re manier te kijken naar leren. Ouders moeten zich afvragen of dat bij hun kind past.”

Is uw pleidooi nieuw?
“Misschien niet. Wat me opvalt, is dat 90 pro­cent van de mensen deze vragen niet stelt. Ik denk omdat het antwoord te ongemakkelijk is.

We zijn eraan gewend geraakt dat scholen er gewoon zijn en we zijn gestopt met nadenken of die onze kinderen wel brengen wat ze nodig hebben.

“Ik heb de afgelopen twee jaar duizenden re­acties gekregen van leerkrachten, schoollei­ders, politici en ouders. Velen voelden zich een roepende in de woestijn. Ook kreeg ik berich­ten van leraren die zeiden: wij doen het al an­ders. Er zijn scholen waar ze de indeling in schoolniveaus van vmbo tot vwo loslaten, waar kinderen van verschillende leeftijden samen leren. Het kan dus wel. Waarom weten we dat niet? Waarom heeft niemand mij dat verteld toen ik voor mijn kinderen een basisschool moest kiezen?”

Naar wat voor school gaan zij?
“Mijn oudste zoon is vijfenhalf en ik moest al een school kiezen op het moment dat ik zwan­ger was, vanwege de enorme wachtlijsten. Het is een behoorlijk traditioneel dorpsschooltje hier in Bussum, met gelukkig heel goede kleuterleerkrachten. Hij is leeftijdsgenootjes cogni­tief ver vooruit, dus ik vind zijn sociale ontwik­keling heel belangrijk. Dat hij leert samenwerken en vriendjes maakt.

“Volgend jaar gaat hij naar groep 3, dat vind ik heel spannend. Ik ben bang voor de nadruk op prestaties. Ik hoop dat hij zich kan blijven ontwikkelen op al die andere belangrijke ge­bieden: creativiteit, samenwerken, onderne­merschap, nieuwsgierigheid. Hij is heel gevoe­lig voor wat anderen verwachten, dus ik hoop niet dat hem dat belemmert. Er is hier in de omgeving helaas niet zoveel keus qua scholen. Er is wel een montessorischool, een Jenaplan­school, een Daltonschool, een Vrije School…”

Dat zijn er niet genoeg? Wat ontbreekt er dan op die scholen?
“Er is weinig aandacht voor verschillen tussen kinderen, en er is weinig ruimte voor structu­rele vernieuwing. Dat soort scholen vind ik ook vaak te eenvormig, te dogmatisch in de leer. Je moet naar mijn idee meebewegen met wat er gebeurt in de maatschappij. Dat gaat allemaal heel voorzichtig.

“Sommige scholen zijn zo bang voor hun sco­res, prestaties en excellente predicaten dat ze verandering buiten de deur proberen te hou­den. Veel schoolleiders worstelen met lijstjesangst. Ze zijn bang dat ze op het spel zetten wat ze hebben opgebouwd als ze het rooster op z’n kop zetten, klassen anders indelen of meer tijd uittrekken voor de ontwikkeling van creativiteit, buitenspelen of leiddinggeven. Want stel dat de Cito-scores daardoor ietsje minder zullen uitvallen als ze iets bekends los­laten.”

Is die lijstjesangst niet logisch? Daar kijkt de onderwijsinspectie toch naar?
“Maar vinden wij dat écht het allerbelang­rijkst? De inspectie is bovendien helemaal niet zo star als sommige scholen denken. Zelfs de minister roept scholen op om niet dociel te denken dat ze de regels volgen. Als ouders zich ermee bemoeien, verandert er hopelijk echt iets. We moeten niet alleen de overheid, maar ook elkaar ter verantwoording roepen. De vrij­heid van onderwijs is in de Grondwet veran­kerd, die kunnen we benutten en oprekken als samenleving – we leven tenslotte in een demo­cratie.”

Wie is Claire Boonstra?
Claire Boonstra (1975) is afgestu­deerd civiel ingenieur, ze werkte bij KPN en Unilever. In 2009 was ze medeoprichter van Layar. Dat bedrijf ontwikkelde een applicatie om digitale informatie toe te voe­gen aan de realiteit, via de camera van een mobiele telefoon (‘augmented reality’)- Ze was adviseur van eurocommissaris Neelie Kroes op het gebied van technologie en werd in 2012 uitgeroepen tot Young Global Leader van het World Economie Forum en tot ‘On­line Mediavrouw van het Jaar’.

In 2012 gooide ze het roer om. Ze stopte bij Layar en richtte ‘Operation Education’ op. Haar zelfgespaarde pensioengeld stak ze in een festival over onderwijs. Haar geld verdient ze tegenwoordig met het geven van spreekbeurten. Ze woont in Bussum met haar man en drie kinderen (5 jaar, 3 jaar en 7 maanden).

Bron: Trouw *29-08-2014

Opspattend grind  [9]   [11]

Alle grindjes

Rudolf Steiner:
Uitgaan van het hele kind kun je slechts tot een gewoonte maken wanneer je een goed, realistisch streven hebt het kind in zijn verschillende verschijningsvormen te leren kennen. Ieder kind is interessant. [78]

1015-941

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis – Caesar in de lage landen (10-2)

Massamoord Caesar in Nederland

Romeinse keizer joeg bij Kessel 100.000 tot 150.000 Germaanse asielzoekers over de kling

Julius Caesar heeft in zijn boek ‘De bello Gallico’ (Over de oorlog in Gallië) beschreven hoe zijn manschappen een groot deel van een Germaans leger, wel 430.000 strijders, doodden, terwijl de overgebleven Germanen in de rivier sprongen en verdronken. Dat verschrikkelijke schouwspel speelde zich af in het jaar 55 voor Christus.

Dit verslag geldt als bewijs dat Caesar ooit hier geweest is. Het is ook het enige verslag, dus het oudste, van een veldslag in Nederland.

Recent onderzoek heeft uitgewezen dat de veldslag heeft plaats gevonden in een oude bedding van de Maas, in Noord-Brabant, in de buurt van Kessel.
In de voorbije tientallen jaren is daar van alles gevonden dat heel overtuigend wijst op een grote veldslag: allerlei zwaarden, veel botten en schedels, maar ook speerpunten en een Gallische helm. De datering komt uit op de eerste eeuw voor Christus. De conclusie is gerechtvaardigd:  Julius Caesar heeft hier echt slag geleverd.

In boek IV van De Bello Gallico beschrijft Caesar hoe twee Germaanse stammen de Rijn waren overgestoken, de grens tussen Gallië en Germania. Ze hebben asiel aangevraagd, maar Caesar moet niets hebben van deze barbaren. Hij rukt met zijn volledige legermacht -acht legioenen plus cavalerie, 45.000 soldaten – naar hen op. En terwijl de Germaanse stamhoofden met hun gcvolg in zijn legerkamp zijn, valt hij hun nederzetting aan.

Het is geen wonder dat er weinig van de massale slachting is teruggevonden. De Romeinen sloegen maar voor een paar dagen een kamp op. Later – maar dat pas in de tijd van Augustus – worden er vaste legerkampen gebouwd, zoals bijv. bij Nijmegen.

Caesar schrijft dat de slag plaatsvond in een gebied waar Maas en Rijn samenvloeien. Die komen echter nergens bij elkaar, behalve als je de Waal geen Waal noemt, maar haar loop naar de Noordzee Rijn blijft noemen, wat op zich niet vreemd is.

Het onderzoek – ook van de eerder toevallige vondsten in die streken – bevestigt de af- en herkomst van de botten: de 1e eeuw voor Christus; met geweldsporen en ze waren ook van vrouwen en kinderen. En ze kwamen van elders.

De onderzoekers maken wel enkele kanttekeningen: Caesar overdreef. Die Germanen kunnen nooit met 430.000 zijn geweest. Zoveel mensen konden ze toen niet bevoorraden. Maar we moeten het ook niet bagatelliseren. Het zullen toch wel 150- tot 200.000 man zijn geweest. Of ze allemaal zijn omgekomen? Een deel moet wel hebben kunnen ontkomen, dat kan niet anders. Maar een fors deel zal zijn gesneuveld. 60 a 70 procent?

Caesar is in de Romeinse senaat heftig aangevallen. Niet vanwege die slachting zelf, zijn tegenstanders verweten hem dat hij de erecode had verbroken. Hij was tot de aanval overgegaan terwijl er een wapenstilstand was. Daar maakte men zich druk om.

Caesars verslag van de massavernietiging van de Tencteri en Usipetes bij de samenvloeiing van Maas en Waal:

Met mijn leger (…) arriveerde ik al bij het vijandelijke kamp voordat de Germanen door konden hebben wat er gebeurde. Door dit alles raakten ze plotseling in paniek: wij waren snel ter plaatse, hun stamhoofden ontbraken, en zij kregen geen tijd om te overleggen en naar de wapens te grijpen. (…). En terwijl hun angst zich manifesteerde in hun geschreeuw en gedraaf, drongen onze soldaten (…) het kamp binnen. Daar boden de mannen die in allerijl de wapens hadden kunnen grijpen korte tijd weerstand, en vochten tussen de karren en bagagewagens. (…) Maar er was ook een grote groep vrouwen en kinderen en deze sloegen nu naar alle kanten op de vlucht. Ik stuurde de ruiterij achter hen aan. De Germanen hoorden gegil achter zich en toen zij zagen dat hun vrouwen en kinderen gedood werden, smeten zij hun wapens neer (…) en renden hals over kop weg uit het kamp. Toen zij bij het punt waren gekomen waar Maas en Rijn samenstromen, zagen zij geen heil meer in verder vluchten. Een groot aantal van hen werd gedood en de rest wierp zich in de rivier, waar zij omkwamen overweldigd door angst, vermoeidheid en de kracht van de stroom.

(Caesar, ‘De Bello Gallico’ 4.14-15)

6e klas Julius Caesar in Nederland

6e klas geschiedenis: alle artikelen

Julius Caesar

Julius Caesar uitgebreide biografie

Julius Caesar in de Nederlanden

Julius Caesar in Engeland

vertelstof: alle biografieën

1014-940

VRIJESCHOOL – 3e klas – Nederlands – grammatica

 

GRAMMATICA IN DE DERDE KLAS

“In het begin schiep God de hemel en de aarde” –
Dat werd de kinderen één van de eerste dagen in de derde klas verteld. Heel het wonder van de schepping werd beleefd.
Er werd over getekend en geschilderd; gereciteerd en gezongen.

Tenslotte het hoogtepunt: de schepping van de mens. van Adam, die verwonderd en verheugd om zich heen kijkt.

“God gaf Adam het woord in de mond en Adam gaf namen aan al wat bestond. “

God zei tegen de mens’ “Heers over vogels, vissen en kruipende dieren, vervult de aarde en onderwerpt haar.”

En begint het heersen niet met het kunnen benoemen?

Adam geeft de vogels, vissen, -alle dieren, planten en dingen hun naam-
Vol vreugde gaat hij rond en geeft alles zijn naam, maar geen dier, hoe tam ook, geen plant of steen, kan daarop reageren.

Daarom geeft God aan Adam iemand die bij hem past- En met Eva gaat Adam nogmaals rond.

“Kijk Eva, dat is een leeuw. En nu krijgt hij antwoord van Eva? Wat een machtige leeuw is dat.”
En  “Daar in de verte staat een berg.” Eva antwoordt: “O, wat een hoge berg.”

“Hier staat een boom,” zegt Adam- “Wat is die boom dik“, roept Eva verbaasd.

De kinderen bedachten tientallen zinnetjes met “Adamwoorden” en steeds wist een ander te antwoorden met een “Evawoord” in de zin.

Toen Kaïn gevlucht was na de moord op zijn broer Abel, was hem door God voorspeld, dat de aarde niet zomaar vrucht zou geven. Dus Kaïn moest aan de slag: van alles moest hij doen: ploegen, eggen, zaaien, spitten. Zijn zonen, Jabal, Jubal en Tubal-Kaïn, gingen tenten maken, musiceren en smeden. Dit hebben we allemaal Kaïnwoorden genoemd, al deze dingen die je doet.

In het schrift laten we dit allemaal zien met kleuren. De Adamwoorden omcirkelen we met blauw, de Evawoorden met groen, de Kaïnwoorden met rood.

In.een liedje of recitatie gebruiken we onze armen en benen- Bij de Evawoorden strekken we onze armen in een open, verwonderd gebaar, bij Adamwoorden klappen we in de handen en bij een Kaïnwoord geven we een stevige stamp op de vloer.

Op deze manier trachten we de kinderen de wereld van de grammatica binnen te voeren, niet intellectueel wetend, maar belevend, door een gevoelsmatige verbinding te krijgen met de woordsoorten.

Noor Roes, vrijeschool Amsterdam, nadere gegevens onbekend

3e klas: alle artikelen

liederen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas

1013-939

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Ptolemeus l

.

Ptolemeus 1

Ptolemeus I 367-283 v. Chr.

Ptolemeus I was de zoon uit een onbekende Macedonische familie. Door zijn militaire loopbaan bereikte hij onverwacht een hoge positie. Hij diende als generaal onder Alexander de Grote. Hij maakte lange reizen, zelfs helemaal naar India. Hij kreeg veel lof toegezwaaid voor zijn militaire inzichten en werd daarvoor vele malen onderscheiden. Hij trouwde met een Perzische vrouw. Van 323-305 v. Chr. was hij satraap van Egypte en daarna nam hij de koningstitel aan. Hij bewees een kundig diplomaat en regeringsleider te zijn. Hij bouwde een bewonderenswaardig centrum van de Griekse cultuur, werd in Egypte als een god beschouwd en legde de grondslag voor een dynastie die in Egypte bijna driehonderd jaar aan de macht zou blijven.

Ptolemeus kwam na de dood van Alexander de Grote in Egypte aan het bewind. Zijn generaals hadden het enorme rijk onder elkaar verdeeld.
Het rijk bleef in naam bestaan en de generaals deden dienst als plaatselijke bestuurders. Maar in feite was er tussen hen vanaf het begin een strijd om de macht.
Ptolemeus koos binnen deze machtsstrijd voor een voorzichtige koers. Hij richtte zich voornamelijk op Egypte. Hij hechtte het meeste belang aan het veilig stellen van zijn positie. Maar hij aarzelde nooit nieuw gebied in te nemen, wanneer hij dacht dat het hem zou helpen te behouden wat hij al had.

In 321 v. Chr. trouwde hij met Eurydice, de dochter van de heerser over het Europese gedeelte van Macedonië. Hij nam in 317 een andere vrouw. Dit was Berenice, de kleindochter van Cassander, die uiteindelijk de heerser van Macedonië en Griekenland werd. In 305 v. Chr. lieten de ruziënde generaals alle schijn over de eenheid binnen het rijk varen en benoemden zichzelf in hun eigen gebied tot koning. Ptolemeus kroonde Berenice tot koningin en wees zijn eigen zoon aan om hem als Ptolemeus II op te volgen. Tijdens zijn regering was Ptolemeus voor het vormen van zijn leger afhankelijk van Griekse soldaten. Hij zorgde ervoor dat ze hem trouw bleven door hun in Egypte land en bijzondere voorrechten te geven. Andere Grieken werden ook aangemoedigd zich in Egypte te vestigen. Vele van hen kregen overal in Egypte hoge regeringsfuncties. In 332 v. Chr. had Alexander de Grote aan de monding van de Nijl een nieuwe stad gesticht, Alexandrië. Ptolemeus bouwde daar een nieuwe hoofdstad en stichtte er een museum en een bibliotheek. De stad werd het middelpunt van een nieuwe Griekse cultuur. Veel filosofen, geleerden, schrijvers en kunstenaars uit die tijd trokken er naar toe. De stad werd ook een centrum voor wetenschap en handel. De vuurtoren van de haven werd één van de wonderen van de Oudheid genoemd. Ptolemeus leefde er, omringd door de pracht en praal van een Griekse hofhouding, temidden van bevoorrechte immigranten. Dit waren niet alleen Grieken, maar ook Joden, Syriërs en Anatoliërs.

De oude Egyptische cultuur bleef naast de nieuwe Griekse beschaving bestaan. Hoewel de Egyptenaren niet veel macht meer hadden en ze het land met de Grieken moesten delen, behielden ze hun eigen taal, gewoonten en godsdienst. Ptolemeus won hun vertrouwen door de tempels die door vroegere indringers waren verwoest, weer op te rouwen. Hij offerde geschenken aan hun goden en steunde hun priesterstand. Ook vestigde hij in Memphis, de oude hoofdstad, een nieuwe religieuze cultus, die gebaseerd was op de aanbidding van een gezamenlijke Grieks-Egyptische god, Serapis. Ptolemeus werd na zijn dood door de Egyptenaren als god vereerd.
Ptolemeus werd opgevolgd door een lange lijn ztt troonopvolgers die allemaal Ptolemeus heetten. De laatste in die lijn was Cleopatra. Ze regeerde in Egypte, nadat dit land een vazalstaat van het groeiende Romeinse Rijk was geworden. Ze kreeg een kind van de Romeinse veldheer en politicus Julius Caesar. Later trouwde ze met Marcus Antonius. Misschien koesterde ze de hoop dat ze daardoor weer de volledige onafhankelijkheid van Egypte kon bewerkstelligen. Maar de Romeinen haatten en vreesden Cleopatra. In 31 v. Chr. stuurde Rome een vloot naar Alexandrië. Antonius en Cleopatra verzetten zich, maar toen ze inzagen dat ze onmogelijk konden winnen, pleegden ze allebei zelfmoord. Op die manier kwam er een einde aan de door Ptolemeus gestichte heerschappij.

Door de lange heerschappij van de Ptolemeeën werd de Griekse cultuur versterkt en verspreid. Nog belangrijker is, dat ze in Alexandrië een centrum voor de wetenschap stichtten, dat de hele wereld van de Oudheid beïnvloedde en verrijkte.

Ptolemeus 1

Ptolemeus I, die opdracht geeft voor het bouwen van het museum in Alexandrië. Onder het bewind van Ptolemeus werd Alexandrië een centrum van de wetenschap, dat in de wereld van de Oudheid op eenzame hoogte stond. In de volgende eeuwen behield het deze status.

alle biografieën

5e klas geschiedenis

1012-938

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof – runen

Hoe ziet je naam eruit in runentekens?

Dat vinden de meeste kinderen heel interessant.
En dan zelf maken, natuurlijk.

Er zijn allerlei mogelijkheden:

runentekens

.
Runen
Runen zijn afgeleid van de letters van de alfabetten die rond 200 v. Chr. in Noord-Italië in gebruik waren.
Het Germaanse runenalfabet telde oorspronkelijk vierentwintig letters, maar later werd het aangepast aan de talen van de verschillende gebieden.

De runen waren hoekiger dan hun Italiaanse voorbeelden. Ze werden vooral op hout en steen gebruikt, waarin rechte lijnen makkelijker uit te snijden zijn dan ronde. Het runenalfabet wordt “futhark” genoemd, naar de eerste zes letters:
F,U, D (th), A, R en K.

Runen hadden veel praktische toepassingen. Ze werden gebruikt op graf- en gedenkstenen, maar tevens om wapens en kostbaarheden te merken met de naam van de maker of de eigenaar.

Runen hadden ook magische associaties; het woord betekent zelfs “geheim”. Tacitus beschrijft in hout gekerfde symbolen die voor wichelarij werden gebruikt, en in IJslandse gedichten en sagen wordt dankzij runen genezen, vervloekt en de zege behaald, worden wapens bot gemaakt en bevallingen bespoedigd en laten ze zelfs de doden spreken.

runentekens  1

deze runensteen uit ca.1000 na Chr. staat in het Nationaal Museum in Kopenhagen.

Meer informatie: Wikipedia

Runentekens

Namen in runentekens

Zelf maken

Ze leren lezen

4e klas: vertelstof

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas: Germaanse mythologie

1011-937

VRIJESCHOOL – Vertelstof – mythen

Geen enkel onderwijstype heeft in zijn leerplan zoveel ‘cultureel erfgoed’ als de vrijeschool.
Sprookjes, fabels. legenden, verhalen uit het Oude Testament, volksverhalen en mythen.

Wie (klassen)leerkracht is, weet uit de ervaring, hoe de kinderen vrijwel allemaal opgaan in deze verhalen die rond een bepaalde leeftijd worden verteld.

Soms wordt er ‘op hoger niveau’ gediscussieerd over de waarde van of het gevaar van, of over ‘de ideologie van’ enz.

Lang geleden schreef Edith Boeke  n.a.v. zo’n vraagstelling een artikel, waarvan de inhoud niet achterhaald is – al zijn aanleiding en omstandigheden wel gedateerd.

DE OPKOMST VAN HET MYTHISCH DENKEN

Terug naar af?

In september vorig jaar* werd in Brussel een bijeenkomst gehouden onder de cryptische naam: Het Transpersonale Congres.
In Haagse Post schreef columniste Emma Brunt een week later: ‘Vertegenwoordigers van misdadige therapeutische stromingen, religieuze laaienlichters, alternatieve knollenkwekers met een medicinale kruidentuin en een ongezonde belangstelling voor De Heilige Grond, crypto-fascisten als Mellie Uyldert die wars zijn van ‘rasvermenging’, de Elfen van Findhorn, kortom het hele scala van obscurantistische warhoofden dat de afgelopen twintig jaar campagne heeft gevoerd tegen de rationaliteit in naam van een meer verlichte levenswijze, had zich daar verenigd onder leiding van ene mevrouw Ferguson die dit zootje ongeregeld wil drillen tot een internationale stoottroep, de Aquarian Conspiracy’.
Het feit dat deze ‘reïncarnatie van het bijgeloof’, opgekomen in de jaren zestig, gevestigd in de jaren zeventig, niet in de jaren tachtig is bezweken onder de druk van de economische recessie, zet haar aan het denken. ‘Waren de antroposofen, Baghwan, de Soefi’s, de Yoga-aanhangers, de Zenmeesters en hoe ze verder mogen heten, inmiddels aan het zieltogen, dan zou iedere socioloog vergenoegd opmerken dat hij het wel had zien aankomen, net als ik trouwens’, merkt Emma Brunt niet zonder spijt op. Maar het ‘magisch denken’ en de ‘pseudo-wetenschap’ houden stand en de columniste kan en wil haar ongenoegen daarover niet verhelen.

Deze citaten uit de Haagse Post vormen een topje van een publicitaire ijsberg. Er is het afgelopen jaar veelvuldig geschreven over het verschijnsel dat het ‘mythische denken van de jaren zestig’ kennelijk meer was (is) dan een hedonistisch en narcistisch modeverschijnsel, mogelijk gemaakt door economische groei en aanwas van vrije tijd.
In NRC-Handelsblad van 21 november 1984 stelt Andre Spoor de vraag: ‘Is het mystische denken onweerstaanbaar in opmars?’ Hij doet dat naar aanleiding van een conferentie in New York: The Presence of Myth in Contemporary Life. Spoor concludeert dat de opkomende belangstelling voor mythische elementen niet per se atavistische, reactionaire of obscurantistische trekken hoeft te hebben. Vaak is dat naar zijn mening echter wél het geval.

Vergelijkbare bedenkingen drijven mee in het kielzog van de aantijgingen tegen de antroposofie, als zou deze niet vrij zijn van racistische smetten. In een artikel van de heer Zondergeld, gepubliceerd in ’t Kan Anders, wordt Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie, ‘mistige occulte prietpraat’ aangewreven, bijvoorbeeld over Atlantis. (‘een reeds lang en breed achterhaald bij geloof’). Eenzelfde teneur spreekt uit een recentelijk artikel in de Haagse Post, waarin ‘de opmars’ van de antroposofen wordt beschreven. Een laatste voorbeeld uit de vele publicaties over het mythische denken is een uitvoerig en kritisch artikel in een zaterdagbijlage van De Volkskrant door Johanneke van Slooten over de zogenaamde New Age-beweging. Een citaat: ‘De mythe is net een stofzuiger. Hij ruimt alle twijfels, alle problemen op, zodat er weer orde heerst’.

Marge
Wij zullen bij de beoordeling van elk tijdsverschijnsel – en zeker bij dat van de opkomst van het ‘mythische denken’ – steeds rekening moeten houden met het feit dat er altijd vanuit het verleden en vanuit de toekomst iets in de mensen bij elkaar komt. Die ene stroom vanuit het verleden draagt ons oude mythische beelden aan: als gymnasiast moesten we ons nog een Helleense Mythos aanschaffen, ‘een lusthof van bonte verhalen’, speels en grappig, karikaturaal dus, verlucht voor jonge lieden. De Griekse tragedies, voortgekomen uit de mysteriën, mochten eeuwenlang onverdacht literatuur, schilderkunst en muziek inspireren: van speelse wulpserieën van de klassieke Franse schilderkunst tot Sartre’s Les Mouches, Anouilhs Antigone, en talloze herscheppingen van Arthur Miller, Steinbeck, Kafka, Vestdijk, Nijhoff, enzovoort. In deze werken wordt vooral dat ‘tragische’ levensbesef uitgedrukt dat als dimensie ontbreekt aan de westers rationeel christelijke levensbeschouwing. Het vindt zijn weg in de kunst, en dus in de marge.

In toenemende mate zien wij de volgende schizofrenie optreden: er is een manier van denken, van leven en van maatschappelijke ordening die ‘erkend’ wordt: het is de geasfalteerde weg waarover we innerlijk en uiterlijk te lopen hebben; de weg is die van wat ooit het rationalisme is geweest, de natuurwetenschap en de staatserkenning: een patriarchaal hiërarchische ordening. Daardoor ontstaat er aan de kant van de officiële weg, in de marge, natuurlijk van allerlei: op smalle weggetjes, in bosjes en verborgen hoekjes speelt zich van alles af dat op de grote weg niet mag. Kunst is dan in zoverre ‘erkend’ dat zij de wegkant mag opsieren, maar echt meedoen is er niet bij. Kortom: er bestaan uitlaatkleppen te over voor de menselijke ziel, in allerlei alternatieven, die zeker als gemeenschappelijk uitgangspunt kritiek op de brede asfaltweg van een smalle rationaliteit en efficiency hebben. Het zou de rationalisten en materialisten tot zelfreflexie kunnen aansporen: wat schort er aan onze manier van doen en denken?

Hoopgevend in dit verband is dat kritiek op het rationalisme niet alleen uit ‘obscurantistische’ hoeken komt (en die obscure hoeken zijn er zeker; er wordt voortdurend en terecht op de ‘wetenschapskritiek’ van de nazi’s gewezen, op hun irrationaliteit en hun oneigenlijk gebruik van begrippen als instinct en intuïtie) – maar ook van de kant van door en door te goeder trouw zijnde denkers en schrijvers als de christen-marxist Garaudy en de humanistisch-socialist Erich Fromm bijvoorbeeld. De werkelijk zinvolle kritiek komt vooral van de kant van mensen die het politiek en levensbeschouwelijk onverenigbare in hun eigen ziel en denken tot een eenheid proberen te brengen. Zonder innerlijke strijd of zelfreflexie hebben wij geen nieuwe cultuurwaarden te verwachten.

Garaudy bijvoorbeeld streeft naar een volheid van bestaan, waarin plaats is voor het geloof waar Jezus van Nazareth van getuigde en dat Liefde als kern heeft. De traditionele rede kan geen antwoord geven op levensvragen. Jezus van Nazareth is voor de traditionele rede echter evenzeer een mythe als Zeus of Donar.

Erich Fromm bekritiseert de oppermachtige logica en vindt een paradoxale logica, niet alleen bij Hegel of Marx, maar ook bij Heraclites. Ook bij Fromm wordt de laatste werkelijkheid niet door het denken begrepen, maar in de beleving van de eenheid. Er is dus sprake van een zeer wezenlijke en gerechtvaardigde kritiek op de rationele, hiërarchisch-logische manier van denken die zich van de levende werkelijkheid heeft afgesneden en zich heeft prijsgegeven aan de technologie en tot een mechanisch denken is geworden. Deze kritiek wil een kwaliteitsdimensie aan leven, mens en milieu toevoegen; een kwaliteitsdimensie ook aan het eigen beleven.

Een dergelijke behoefte leeft onder een steeds  groter aantal mensen. De Mythe van Moedertje Staat en haar alles dirigerende en wetende Ambtenaren – de priesters van de Farao – voldoet niet meer. De Godin van de Rede is oud geworden, en een mensbeeld waarin het hart als pomp en de melk als motor functioneert, kan de dorst van de ziel niet lessen. Zo is het begrijpelijk dat er mensen zijn die terugkeren tot oude mythische voorstellingen. Begrijpelijk en ook gevaarlijk. Want voor we het weten is de mythe tot ideologie verheven, zoals ook de nazi’s hebben gedaan. Per definitie is de mythe geen ideologie. Maar wat is zij dan wel?

Beeldbewustzijn
Mythen vormen de neerslag van een totaal ander, in lang vervlogen tijden algemeen menselijk bewustzijn: het beeldbewustzijn. Daaruit stammen niet alleen de mythische voorstellingen, maar ook sagen en sprookjes. Om een indruk van dit oude bewustzijn te krijgen, moeten we naar de oude verhalen van heel veel verschillende volkeren kijken: van de Australische Aboriginals, de indianen, Egyptenaren, Babyloniërs, Perzen, Indiërs, Chinezen, de Slaven, Germanen, Grieken tot aan de Lappen en Eskimo’s toe. Totaal verschillende verhalen, totaal verschillende dimensies, maar één ding hebben zij gemeen, er is een sterke samenhang, een directe verbondenheid tussen natuur, cultuur en godsdienst. De inmenging van goden en geestelijke wezens, hoe verschillend ook, is existentieel. De hele natuur is doordrongen van goddelijk-geestelijke wezens van allerlei rangorden:  de hele natuur is terug te voeren op deze, voor het menselijk bewustzijn in oude tijden reëel zichtbare en beleefbare wezens, die in de aarde-natuur, in de kosmos en in de mens werkzaam zijn.

Het oude beeldbewustzijn bedient zich aanvankelijk helemaal niet van begrippen: taal is daar nog die puur magisch-cultische oorsprong van de poëzie (de ‘toverspreuk’). Er is dus in plaats van een begripsbewustzijn (door de westerse mens ontwikkeld tot de ontzagwekkende hoogte van abstractie bij Kant en Hegel), een bewustzijn dat de wereld in en buiten zich direct in beelden beleeft.

Een goed voorbeeld is hier het begrip tijd. Dat begrip is voor ons volledig geabstraheerd en vermaterialiseerd tot de tijdsindeling op een horloge en de uitspraak ‘time is money’. Zo niet voor het oude beeldbewustzijn, van de Grieken in dit geval. Het Griekse woord voor tijd is Chronos. Chronos wordt ook wel met ruimte vertaald. Alles wat in de ruimte bestaat, alles wat dus een materiële vorm heeft aangenomen, is onderhevig aan vertering, gaat ten onder, verslijt. Met andere woorden: tijd werd gezien in beeld als vuur, zelfs als een wezen vuur, wiens activiteit erin bestaat alles te verteren, te verbruiken van het leven van een ander wezen, namelijk Chtoon. In de natuur en mens verteert Chronos Chtoon. In de activiteit van het vuur heeft men tegelijkertijd een beeld van de tijd. Later wordt het wezen Chtoon tot het begrip materie. In de beeldspraak van de poëzie vinden we veel wat wezenlijk terugwijst op het oude beeldbewustzijn. Zo is het beeld bij ons begrip hoop, dat van een opstijgende leeuwerik, en voor die van een opkomende gedachte: een kiemend plantje.

Bloedsbanden
Het beeldbewustzijn was sterk gekoppeld aan bloedsbanden, aan mensengroepen die zich als de vingers aan de hand van hun volk, hun clan,  hun familie beleefden. In de Bhagavad Gita wordt het schokkende moment beschreven waarop Ardjuna door Krishna, de wagenmenner – die zich later als Godheid openbaart – wordt aangespoord de strijd tegen zijn familieleden aan te binden. Hij voelt zich alsof zijn linkerhand met zijn rechter moet strijden. Maar in de loop van het verhaal, dat eigenlijk is opgebouwd uit de leringen (de Yoga’s) van Krishna, komt hij tot een moderner soort bewustzijn: individueler en abstracter. Ardjuna is dan zijn tijd vooruit.
Bij een terugval op de mythologie, zoals bijvoorbeeld bij de nazi-ideoloog Rosenberg, wordt vaak aan deze bloedsbanden en rassen volkskenmerken geappelleerd. Maar die bloedsbanden vormen al lang geen wezenlijke kracht meer. Al bij de oude Grieken putten kunst, staatkunde en filosofie uit mysteriewijsheid uit het Europese noorden, het Aziatische oosten en het Egyptische zuiden. De bloedsbanden van de families werden vervangen door de nieuwe banden die de polis, de stadstaat, schiep.

Schijnwerkelijkheid
Bij de oude Grieken vinden we ook op allerlei manieren de overgang van het oude beeldbewustzijn naar die ons zo vertrouwde van het rationele denken. Het geeft hun verhalen iets herkenbaars, terwijl voor veel westerse mensen de verhalen uit de nog oudere culturen en van de natuurvolken eerder bizar en verheven overkomen.

Zo zien we de Achaeische helden rond koning Agamemnon bij de belegering van Troje: wanneer hun kamp met Gods wraak door pest wordt geteisterd, worden niet alleen zoenoffers gebracht aan de toornige Zeus, maar ook heel rationeel het kamp met zeewater ontsmet. En we zien de priester-arts Hippokrates van Kos zijn patiënten niet alleen in een heilzaam werkende tempelslaap brengen, maar ook notitie nemen van het klimaat waarin de patiënten woonden, de voedingsgewoonten, polsslag en ademhaling.

De grootste historische figuur in wiens werk de overgang van beeld naar rationeel bewustzijn zichtbaar wordt is Plato. Algemeen bekend is zijn ideeënleer. Om deze leer te brengen maakt Plato gebruik yan een beeld: de beroemde allegorie van de grot. De mensen zijn eigenlijk gevangen in de grot. Daarvan zijn zij zich niet bewust. Als enige realiteit ervaren ze de schaduwbeelden van wat zich buiten in het heldere licht van de zon afspeelt. Buiten de grot zijn de wezenlijke dingen; binnen ziet men niets dan hun schaduw. De grot stelt het aardse leven van mensen voor, en wat wij voor wezenlijk houden is schijnwerkelijkheid. Buiten is het licht van de zon (de geestelijke werkelijkheid)  leven de ideeën van alle dingen, dat is zoveel als hun wezen: de hoogste idee en oorzaak van alles is de zon als idee van het goede.

Wanneer we nu kijken naar het Griekse woord idee, dan staat daar eidos of idea. (Ons woord idee is daar dus rechtstreeks van afgeleid.) Nu betekenen deze woorden in de eerste plaats (zie gewoon woordenboek) gezichtsbeeld, gestalte, uiterlijk. Pas daarna volgt als betekenis totaalindruk, denkbeeld, idee. Dit laatste als bijzonderheid bij Plato: ‘Idee, als voorstelling van de formule die de veelzijdige werkelijkheid aan algemene normen bindt’. Deze explicatie is duidelijk al een interpretatie. Voor Plato hadden zijn ideeën nog een gezicht, een gestalte; voor hem manifesteerde het wezen der dingen zich in de idee.

Verbrokkeling
Als moderne mensen, zeker de ‘idealisten’ onder ons, kunnen we dit abstracte wezen van alle dingen, deze ideeën en idealen, misschien beter benaderen, wanneer we er de functie, de functionaliteit voor nemen. Het wezen van de verschillende dingen is datgene waardoor iets functioneert. Een werkelijk ideaal kan niet anders dan werkelijk functioneren. Bij Aristoteles wordt het begripsmateriaal verder uitgewerkt en gesystematiseerd in categorieën, zoals deze filosoof ook de dierenwereld in verschillende soorten onderbracht.

We kunnen in de loop van de geschiedenis waarnemen hoe steeds meer verschijnselen zich als het ware ontvouwen, ontwikkelen en verzelfstandigen vanuit een oorspronkelijke eenheid. Wanneer ziel en natuur en geest, wanneer religie, wetenschap en kunst uit elkaar gaan liggen, ontstaat de ons omringende wereld in steeds fijnere vertakkingen onderdelen en specialismen, onderwerp van onze waarneming, en buiten onze innerlijke belevingswereld geplaatst. Een voortdurend verder analyseren en differentiëren; de eenheid is zoek, de verbrokkeling totaal.

Wild Man
Geen wonder dus als men op congressen (behalve de genoemde te Brussel en New York ook een op Kreta, en wel over ‘Mythos, yesterday en today’) op zoek gaat naar de eenheid, en de mythisch-logische reconstructie van de mens. ‘Misschien kom ik over een week wel herboren uit dit congres te voorschijn en start ik mijn nieuwe leven met een nieuwe mythe, wordt opgemerkt (journaliste Johanneke van Slooten van de Haagse Post maakte het congres op Kreta mee en schreef er een -wellicht terecht – zeer kritische beschouwing over). Ook de aanwezige Duitse schrijver Günter Kunert merkt op dat het ‘zoeken naar de mythe de zucht is naar een nieuwe religiositeit, naar een geloven en niet naar nieuwe kennis of inzichten’. Op dat niveau ligt ook de ideologie-vorming.

De nieuwe ideologieën concentreren zich tijdens dit congres dan vooral rond neo-matriarchale verheerlijking van het oorspronkelijk-vrouwelijke, en de daar natuurlijk direct bij aansluitende mythe van de Dionysische ‘Wild Man’. In een rationele, koude en verburgerlijkte samenleving is de erotiek uiteraard in de marge geschoven, wat zich dan wreekt met de harde seks-en porno business. Wanneer we de mythologieën al te letterlijk nemen, en dus niet meer als beeld, valt er niet alleen op het gebied van de erotiek veel te halen, maar worden de sluizen open getrokken voor anachronismen van allerlei soort.
Iemand die daar rijkelijk uit put is Mellie Uyldert. In een betrekkelijk recent  verleden werden bloedsband-theorieën van de Nationaal Socialisten en het Derde Rijk direct op de oude Germaanse mythologieën geënt: daar liggen de gevaarlijke interpretaties, waar men de historische dimensie van de mythe wil terug halen. Dan roepen de Italianen om hun Romeinse Caesaren, en Duitsers om niet meer bestaande bloedsbanden.

Reactionair
Behalve de sensus historicus (al die verhalen hebben zich ooit eens ergens gedurende de mensheidsontwikkeling op de een of andere manier afgespeeld), kunnen de mythe en het sprookje ook als beeld in hun allegorische betekenis worden begrepen. Het beeld werkt sterk op de ziel (sensus moralis), want het werkt met archetypen zo men wil; met duidelijke beelden van goed en kwaad, met de diepste problemen van dood en leven, met thema’s als opstanding en loutering. Niet voor niets werkten de Griekse tragedies als een loutering van de ziel, een catharsis; en in feite moet iedere werkelijke kunst een dergelijke doorleving mogelijk maken. In die zin gebruiken psychotherapeuten in navolging van Jung en Marie-Louise von Franz de beelden ook als genezingsmiddel.

Tenslotte is er nog een sensus eschatologicus aan ieder verhaal: een interpretatielaag die zich tot in de toekomst uitstrekt. Zo vinden we in de Griekse mythologie veel eschatologie in de zin van een waarschuwend bedacht zijn op de scheiding van het mannelijke en vrouwelijke, als kwaliteit begrepen: het vrouwelijke gevoel dat het mannelijke rationele denken bijstaat in het verhaal van Ariadne en Theseus; het vrouwelijke dat geofferd wordt aan het mannelijke (het offer van Iphigeneia). Verschillende, zowel negatieve als positieve aspecten van het vrouwelijke en mannelijke zijn in deze verhalen herkenbaar voor de menselijke ziel, in wie al deze krachten in verschillende verhoudingen leven.

Zo kunnen we van de mythologieën als beeld veel leren, over onze eigen ziel, en over onze eigen ‘beschaving’. We kunnen er echter geen ideologie aan ontlenen; terug naar het Oude Eenheidsbeleven, de natuur en de bloedsbanden die niet meer bestaan, gaat nu eenmaal niet. Overal waar het verleden onveranderd in het heden wordt geprojecteerd, ontstaat het reactionaire, conservatieve, retarderende kwaad.

Nieuwe imaginaties
En dan is daar met betrekking tot de hernieuwde belangstelling voor mythen en sprookjes, ook de stroom die de mensen uit de toekomst tegemoet komt: de stroom die doet verlangen naar de ontwikkeling van een nieuw beeldend (‘imaginatief’) bewustzijn. Dit imaginatieve bewustzijn kan niet voortborduren op oude beelden; integendeel. Het zal geheel opnieuw in mensen zelf moeten worden ontwikkeld en aangeleerd.

In deze zin – het is goed daar eens duidelijk op te wijzen – onderscheidt de antroposofie zich zeer in het bijzonder van de andere alternatieven: het geeft stap voor stap een bewuste, denkende weg tot dat nieuwe bewustzijn aan. De nieuwe ‘imaginaties’ kunnen denkend begrepen worden; het zijn werkelijke denkbeelden in de zin van totaalbeelden, die niet illustratief, maar levend-
groeiend zijn en voor steeds verdere uitwerking en toepassing vatbaar. Zo ontwikkelde Goethe zo’n eerste imaginatie, toen hij aan de hand van
plantenstudies – niet in de zin van determineren, maar juist van relateren van de verschillende groeifasen tot zijn beeld van de oerplant kwam: het wezen dat aan alle planten ten grondslag ligt, de functie die in alle planten werkzaam is.

Nieuwe imaginaties zullen functionele denkbeelden zijn; geen abstracties of theorieën die de werkelijkheid onrecht doen, maar bruikbare en in de levende werkelijkheid wortelende voorstellingen.

Een belangrijke imaginatie heeft Rudolf Steiner ontwikkeld in de vorm van het beeld van de drieledige mens: de mens die met een zenuw-zintuigstelsel, een ademhalingsstelsel, en een stofwisselingsgebied het belangrijkste middelpunt voor het denken in het hoofd heeft, voor het voelen in het ‘ritmische’ middengebied, en voor het willen in de onderpool van het stofwisselingsstelsel. Aan dit beeld geeft hij een zowel fysiologische als psychologische grondslag, die het uitgangspunt vormen voor een geheel nieuwe, intussen in talrijke scholen gepraktiseerde pedagogie.

Hiermee samenhangend – hoewel zeker niet analoog – is een andere belangrijke imaginatie gegeven: die van de driegeleding van het sociale organisme. Waar alle maatschappelijke, economische en politieke problematiek zich uiteindelijk concentreert rond de vragen van individu en collectiviteit, van vrijheid, gelijkheid en broederschap, wordt door de driegeleding van het sociale organisme (en dat is net zomin een driedeling als dat mensen uit een losse kop, een losse borst en een los onderlijf bestaan) deze problematiek in haar juiste verhoudingen gezien: wij zijn vrij, en optimaal individueel binnen het gebied van het geestesleven, wij zijn volstrekt gelijk aan alle anderen voor het politieke rechtsleven, en wij hebben in allerlei verhoudingen van broederlijkheid en zusterlijkheid met elkaar te maken in het economisch leven.

In zo’n maatschappij krijgt de menselijke beleving die kwalitatieve aanvulling waar zo naar wordt gezocht. Vanuit een creatief, want vrij, geestelijk-cultureel leven, kan de menselijke redelijkheid zich werkelijk in een politiek-actief rechtsleven oefenen, en kan ‘de leer van Jezus van Nazareth, waarvan de kern liefde is’, door ieder van ons in het economische leven worden gepraktiseerd.

Een ‘nieuwe mythe’ zou die van een organische, rechtvaardige, broederlijke wereldeconomie kunnen zijn: de grootste algemeen menselijke band die er bestaat. Dat is meer dan een verhaal. Dat is een functioneel idee.

Edith Boeke†, Jonas 13, *15-02-1985

vertelstof: alle artikelen

drieledige mens

1010-936

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof Germaanse (1-1) mythologie

.

G.Reyngoud, nadere gegevens onbekend
.

germaanse mythologie in de 4e klas

In de vierde klas worden de verhalen verteld van de Germaanse mythologie. In die verhalen vindt men ontzaglijk veel Goden en helden, die een ontwikkelingsweg gaan die vol van dramatiek is.
Ook in andere mythologieën kent men die verschijnselen.
In de Germaanse verhaalstof vindt men echter ook nog een ander aspect en dat maakt deze verhalen juist zo geschikt voor de vierde klas.

De Germaanse Goden strijden tegen de verkilling en verharding brengende reuzen. Zij doen dat aanvankelijk met veel succes, doch dat blijft niet zo.
Zo langzamerhand moeten de Goden steeds meer prijs geven van hun onbezorgdheid, hun optimisme, hun jeugd, hun alom aanwezige gunstige invloeden. De Goden beseffen dat de confrontatie met het “boze” zal gaan komen. Zij begrijpen ook dat de strijd niet zonder kleerscheuren voor het “goede” zal verlopen. Alle Goden weten dat er een zg. “Godenschemering” komt. Alle Goden bereiden zich op die strijd op eigen wijze voor.
De alvader Odin doet dat heel anders dan de felle strijder Tyr en die weer anders dan de krachtige dondergod Thor. De strijd tegen de koude ijsreuzen, die met hun verkillende invloeden de lente in het rijk der mensen onmogelijk trachten te maken, zal de ondergang van de Goden betekenen.

Ondanks het feit dat de Goden dit weten, is hun inzet in de strijd tegen de reuzen er niet minder om.

In de kinderontwikkeling vindt men in de vierde klas een dergelijke dramatiek terug. Definitief wordt de gouden kindertijd vaarwel gezegd, ieder kind moet de confrontatie met de aardewereld nu gaan geloven. Het besef van iets te kunnen of juist niet te kunnen grijpt in de psyche van een kind veel dieper in dan ooit daarvoor. In de leerstof van de vierde klas vindt men twee heel duidelijke voorbeelden van die confrontatie met de wereld en daarmee gepaard gaand het teruggeworpen worden op zich zelf nl:

Bij het rekenen zijn daar de breuken die het tot dan toe, in zich volkomen harmonische probleemloze hele getal, plotseling door elkaar beginnen te rammelen en te breken in talloze moeilijk uitspreekbare onhanteerbare kleine deeltjes die bewerkt kunnen worden volgens wetmatigheden waarvan het kind al snel inziet dat er de eerstkomende jaren rekenkundig nog wel wat te verhapstukken valt.

Bij de Nederlandse taal worden de tijden van het werkwoord behandeld. Plotseling kan bij het kind het besef ontstaan zelf als persoon in de tijdstroom te staan. Dit zijn voor het kind momenten van grote dramatiek, want het betekent dat het kind beseft dat het alleen is. Ook het gevoel van vrijheid groeit gelijk met het gevoel van eenzaamheid.
Als leraar sta je toch steeds weer verrast wanneer je het ene kind na het andere die stap ziet maken. Het ene kind doet het rustig en aandachtig, het andere vol angsten en onzekerheden. Kinderen kunnen zichzelf als het ware gaan verbergen in een quasi kleinkindergedrag anderen doen reuze flink en maken en extra veel kabaal.

Ook zijn er die met grote religieuze vragen op je afkomen, anderen zijn er die aan de lopende band leugentjes en uitvluchten verzinnen. Aangezien je al deze verschijnselen in de derde klas nog niet opmerkte, althans ze drongen zich niet aan je op, val je als leraar in de vierde klas vaak van de ene verbazing in de andere en al te vaak moet je stevig de zaak in de hand houden willen er geen grote emoties van hevige sympathieën en antipathieën in de klas ontstaan.
Ook ouders laten zich vaak door de vierdeklassers verrassen en menige ouder moet oppassen niet door de onstuimige heertjes en dametjes onder de voet gelopen te worden. Voor de leraar is het van belang te wachten met de “psychische” leerstof totdat hij vindt dat de klas eraan toe is.

De Germaanse God Thor heeft eens een tocht gemaakt naar het rijk van de ijsreus “Utgard Loki”. Hij ging daarheen om de reuzen te waarschuwen het voortdurend zenden van koude winden naar het mensenrijk te staken.

Utgard wil dan met Thor en zijn metgezellen een wedstrijd aangaan.

In deze wedstrijd presteert Thor vrijwel het onmogelijke. Hij verlost bijna al de mensen van hun egoïsme, hij overwint bijna de ouderdom enz. Dit prachtige, spannende, maar diep religieuze verhaal wordt door de kinderen ademloos aangehoord.

Hieronder volgt een korte weergave van het verhaal:

Thor nu wilde zijn kracht tonen door gewichten op te tillen. Utgard Loki daagde Thor toen uit het poesje van de reus op te tillen. Thor nam deze kans te baat, trok zijn gordel vast aan en deed zijn best. Helaas! Slechts één pootje tilde hij even van de grond.
Utgard-Loki glimlachte verachtelijk en zei, dat Thor misschien wel dorst had. Thor bevestigde dat en hij kreeg een beker van de reus met de opdracht die in drie teugen te ledigen. Thor zette nu zijn lippen aan de rand, maar ofschoon hij zo’n diepe teug nam, dat hij dacht te barsten, kwam het vocht nog tot bijna aan de rand toen hij het hoofd ophief. Een tweede en derde poging om de beker te ledigen, bleek al even weinig succes te hebben.

Een laatste poging deed Thor om de reuzen te verslaan door te gaan worstelen met de oude voedster van Utgard-Loki, de enige partij die de reus de nietige God Thor waardig keurde. Het eindigde al even ongelukkig en toen de Goden erkenden, de strijd verloren te hebben, werden ze door de reuzen onthaald.
Thor en zijn metgezellen begrepen niet waar zij deze egards aan te danken hadden en besloten op alles voorbereid te zijn en te blijven.

De volgende morgen werden zij begeleid tot de grenzen van het reuzenrijk, waar de reus hun beleefd te kennen gaf dat hij hoopte dat zij hem nooit meer zouden uitdagen daar hij genoodzaakt was geweest tovermacht tegen hen te gebruiken.
Hij vertelde dat hun krachten zelfs met de tovermachten nauwelijks te beteugelen waren geweest. Thor had nl. niet een beker leeg gedronken, maar bijna de hele oceaan, waarmee de beker verbonden was.
Voortaan zou de eb telkens weer aan dat feit herinneren.
Thor had niet de kat van Utgard-Loki opgetild, maar de Midgardslang, een slangachtig wezen, gekronkeld om de aarde en gevoed door het egoïsme van de mensen. Bijna was het Thor gelukt deze slang van het mensenrijk weg te trekken, doch met magische spreuken wist de reus het te voorkomen.
De oude voedster waar Thor tegen worstelde was de ouderdom zelf en bijna was het Thor gelukt deze te verslaan. Daarmee zouden de jeugdkrachten voortdurend kunnen blijven toestromen naar het rijk der mensen.
Ook Thors metgezellen kregen dergelijke verhalen te horen. En Thor draaide zich vertoornd om om de reus en zijn kasteel te vernietigen met zijn hamer, doch het kasteel werd in nevelen gehuld en Thor was genoodzaakt terug te keren naar Asgard, het Godenrijk, zonder zijn heilzame les aan de reuzen gegeven te hebben.

toneel
Thrymslied: Hoe Thor zijn hamer terughaalde –

Vertelstof:
de Edda – achtergronden; verklarende namen

4e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas vertelstof

1009-935

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Pericles

Pericles

Pericles ca. 490-429 v. Chr.

Tijdens de Gouden Eeuw van de Griekse democratie koos de Atheense bevolking Pericles meermalen voor hoge functies in de regering. Hij was een arrogant en emotieloos mens, maar iedereen wist dat hij diep geloofde in de democratie en in de vrijheid, die de mensen de kans gaf te denken, leren en scheppen. Dertig jaar lang maakte Pericles deel uit van het bestuur van Athene, dat onder zijn bewind een culturele bloeiperiode doormaakte. Doordat hij de Atheense ideeën overal verbreidde, bereikte de stad ook een hoogtepunt van politieke macht.

Pericles was een zoon uit een rijke en vooraanstaande Atheense familie. Hij trad voor het eerst op de voorgrond toen hij samen met een aantal anderen hervormingen wilde doorvoeren in de al zeer democratische grondwet. Ze wilden de politieke macht van de armen vergroten. Ze stelden voor om alle ambtenaren, van de hoogste tot de laagste leden van de volksvertegenwoordiging, te betalen. Dat was een uitstekende methode om de corruptie voor een deel onmogelijk te maken. Ook de leden van de rechtbank moesten voor hun verdiensten worden betaald. Kort na het aanvaarden van deze nieuwe hervormingen werd Pericles, in 461 v. Chr., gekozen tot een van de strategen (generaals). In die hoedanigheid werd hij vrijwel tot het eind van zijn leven jaarlijks herkozen.

In de tijd dat Pericles voor het eerst een regeringspositie bekleedde, was de onafhankelijke stad-staat Athene, samen met andere Griekse stad-staten, lid van de Delisch-Attische Bond. Dit bondgenootschap was tot stand gebracht om een eenheid te vormen tegen de overweldigende macht van het Perzische Rijk. Van alle steden in Griekenland had Athene de enige grote vloot, dus werden de meeste gevechten door Athene geleverd. De andere leden van de bond betaalden bijdragen. Het was niet verbazingwekkend, dat Athene de Delisch-Attische Bond geleidelijk aan begon te beheersen. Andere leden werden meer als vazalstaten dan als bondgenoten behandeld.

Pericles wilde Athene tot de politieke en culturele leider van de Griekse stad-staten maken. Door middel van het bondgenootschap verwierf hij de politieke macht. Om de culturele leiding te krijgen, liet hij een enorm bouwprogramma ten uitvoer brengen. In 480 v. Chr. hadden de Perzen de stad Athene geplunderd. Alle tempels die toen waren verwoest, liet hij herbouwen. De belangrijkste bouwplaats was de Acropolis. Er was een schitterende poort, de Propylaeën en een prachtige aan de godin Athene gewijde tempel, die later het Parthenon werd genoemd. Ook werd er een kleine tempel gewijd aan de godin van de overwinning, Nikè. Om deze en andere kostbare gebouwen te betalen, liet Pericles de schatkist van de Delisch-Attische Bond naar Athene brengen. De machtige stad-staat Sparta, ten zuiden van Athene, leverde heel wat meer problemen op dan de zwakke bondgenoten. Sparta was in het verleden even machtig geweest als Athene. Maar na de Perzische aanvallen tussen 490 en 480 v. Chr. was Sparta ernstig verzwakt. De stad had geen vloot waarmee de strijd kon worden voortgezet. De Spartanen verzetten zich tegen de groeiende Atheense macht en weigerden zich bij de Delisch-Attische Bond aan te sluiten en ze schonken geen geld voor de tempels. In plaats daarvan vormde Sparta een eigen bondgenootschap met de stadstaten die rond Sparta op de Peloponnesus lagen. Toen Athene probeerde haar invloed tot dit gebied uit te breiden, ontstond er tussen de twee staten een conflict. Na een aantal schermutselingen tussen de twee kampen sloten Sparta en Athene een overeenkomst. Het rijk van Athene moest beperkt blijven tot de eilanden en de Griekse steden overzee.  Het rijk van Sparta zou de steden op het vasteland en wel in het bijzonder die op de Peloponnesus omvatten.
Na het sluiten van dit verdrag volgden er vijftien  jaren van vrede, de enige vrede die Athene tijdens het leven van Pericles meemaakte. De inwoners hadden de vrijheid om te genieten van de meest creatieve en intellectueel stimulerende periode uit de hele geschiedenis.

De culturele vooruitgang zette zich tot in de volgende eeuw voort. Maar met de vrede was dat echter niet het geval. Tegen 431 v. Chr. ontstonden er grote spanningen tussen Athene en Sparta en er braken gevechten uit, die uiteindelijk uitliepen op de bittere en desastreuze Peloponnesische Oorlog. De Atheense vloot was oppermachtig en Pericles besloot de oorlog op zee uit te vechten. Hij liet alle Atheners naar de stad komen om hen achter de muren tegen het landleger van Sparta te beschermen. Maar het overbevolkte Athene werd zwaar getroffen door een pestepidemie. Duizenden bewoners stierven een ellendige dood. Niet lang daarna stierf Pericles zelf. De oorlog sleepte zich, met tussenpozen van vrede, nog 28 jaar voort. Uiteindelijk won Sparta. In de 4e eeuw v. Chr. herkreeg Athene voor korte tijd de macht. Uiteindelijk moest de stad zich, samen met de rest van Griekenland, overgeven aan de oprukkende legers van Philippus van Macedonië. Dit was in 338 v. Chr.

Andere naties hebben het veel langer volgehouden en waren rijker en machtiger dan het Athene van Pericles. Maar alles wat daarvan is overgebleven, zijn ruïnes, kunstvoorwerpen en onvolledige verslagen. Van Athene bleef veel meer bewaard. Het leeft voort, doordat het nog steeds invloed uitoefent op de regeringsvormen over de hele wereld. De reden is waarschijnlijk, dat Athene de eerste staat was die door het volk zelf werd geregeerd. En dat idee was te machtig om vernietigd te kunnen worden.

AtheneTerwijl Pericles Athene tot ontwikkeling bracht, werden er vele theaters zoals deze gebouwd. Dit theater had een van de eerste podiums ter wereld en bood plaats aan 14.000 toeschouwers. Het heeft een buitengewone akoestiek.

Athene 1De Acropolis, die Pericles liet bouwen. Vandaar heeft men een schitterend uitzicht over de tegenwoordige stad Athene. Het belangrijkste gebouw van de Acropolis is het enorme en smaakvolle Parthenon. Deze tempel werd gebouwd ter ere van de godin Pallas Athene. De tempel Erechteion was gewijd aan Athene Polias en Poseidon en genoemd naar de held Erechteus. Uiterst links op de foto de Propylaeën (poorthuis).

5e klas geschiedenis: alle artikelen

vertelstof: alle biografieën

vrijeschool in beeld: 5e klas geschiedenis: Griekenland

1008-934

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (17)

opspattend grind

‘GEZONDMAKEND ONDERWIJS’

Buikpijn door stress van school

ZWOLLE. Spanningen op school veroorzaken vooral in november en maart bij kinderen hoofdpijn, buikpijn en gewrichtsklachten. In die maanden kloppen fors meer leerlingen aan bij het ziekenhuis.

Dat kinderziektes zoals bronchitis en astma vooral tijdens de maanden voorkomen die eindigen op de ‘r’„ was bekend. Nu blijken ook klachten als hoofdpijn, migraine, buikpijn, vermoeidheid en gewrichtspijnen seizoensafhankelijk te zijn.

Dat stellen onderzoekers van het Amalia Kindercentrum in Zwolle. Zij spitten de patiëntdossiers van meer dan vijftigduizend kinderen tot 18 jaar door. Ze analyseerden met welke klachten de patiënten in het ziekenhuis kwamen en in welke maand. De onderzoekers zagen zes jaar achter elkaar een piek in november en maart van het aantal kinderen met onder meer buikpijn en hoofdpijn. Terwijl de spreekuren van de kinderartsen tijdens de zomermaanden juist opvallend rustig waren.

De kinderen krijgen gezondheidsklachten door spanningen op school, verklaren de onderzoekers. Want bij patiënten tussen o en 4 jaar ontbreken die seizoenspieken. „We zien de klachten echt bij schoolgaande kinderen”, concludeert Jolita Bekhof, een van de onderzoekers.

Maar waarom kloppen kinderen juist in november en maart bij de kinderartsen aan? „Stress bouwt zich op”, verklaart Bekhof. „Tijdens de zomermaanden zijn ze ontspannen. In november krijgen leerlingen meestal hun eerste rapport of horen ze of ze het gewenste niveau halen.” Ze krijgen zoveel stress dat ze ruim 13 procent vaker met klachten naar het ziekenhuis komen. Hét aantal jonge patiënten is in maart zelfs 34 procent hoger. „Dan merk je dat leerlingen stressen over de vraag of ze hun examen wel gaan halen of dat ze over mogen naar de volgende klas”, aldus Bekhof.

Het Amalia Kindercentrum wil aanvullend onderzoek doen naar eventuele andere oorzaken. Want school is niet de enige factor die stress bij kinderen veroorzaakt, zo beseffen de onderzoekers. Bekhof: „Je ziet dat soms andere problemen spelen. Sommige ouders vragen bijvoorbeeld veel van hun kinderen, zonder dat ze het zelf door hebben. Dat kan ook meespelen.”

Eindhovens Dagblad 19-12-2015

Rudolf Steiner:
Ik zou u er allereerst op willen wijzen dat heel onze vrijeschoolpedagogie een therapeutisch karakter draagt. Heel de onderwijs- en opvoedingsmethode zelf is er op gericht dat deze een gezondmakende (gesundend) invloed op het kind heeft. Dat betekent wanneer je de pedagogische kunst zo vormgeeft dat op ieder ogenblik in de ontwikkeling van de menswording van het kind het juiste wordt gedaan, dat dan  in de opvoedkunst, in het pedagogisch omgaan met de kinderen iets gezondmakends zit.

Rudolf Steiner: gezondmakend onderwijs

opspattend grind: alle artikelen

1007-933