VRIJESCHOOL – De wereld is waar….(2)

.

Om invulling te kunnen geven aan ‘de wereld is waar..’ moet je goed op de hoogte zijn van de ideeën die tot een veranderend denken kunnen leiden, dan het gangbare dat ons een wereld heeft opgeleverd waarin de waarheid ver weg lijkt.

Een studieartikel voor de leraar economie, maatschappijleer

Hier gaat het over de huidige landbouw(crisis)
.

Meino Smit in Driegonaal jrg.39 nr. 5/6 dec. 2024
.

De ontwikkeling van de landbouw
.

Hoe duurzaam is de landbouw in Nederland? De sector zelf geeft aan dat er steeds duurzamer wordt gewerkt. Is dat werkelijk het geval?
Op basis van welke criteria meent men dit te kunnen beweren?

Niet hernieuwbare energie en niet hernieuwbare grondstoffen zijn niet oneindig beschikbaar. Het gebruik ervan heeft negatieve effecten op de omgeving. Lange tijd is er gehandeld alsof energie en grondstoffen onbeperkt aanwezig zijn en werden de schadelijke gevolgen van hun toepassing veronachtzaamd. Lucht en water werden als ‘vrije goederen’ beschouwd. Zij hadden geen prijs en konden dus onbeperkt en gratis worden gebruikt.

In de periode 1950-2000 is de inzet van menselijke arbeid in de landbouw sterk afgenomen en vervangen door allerlei hulpmiddelen. Vroeger werkten er in Nederland veel meer mensen op het land dan tegenwoordig. Veel werkzaamheden werden uitsluitend met handkracht uitgevoerd, waarbij eenvoudige gereedschappen werden gebruikt. Voor zwaarder werk, bijvoorbeeld het bewerken van de grond, werden paarden ingezet, die ook wel voor transportdoeleinden werden gebruikt. De input voor het uitvoeren van werkzaamheden bestond dus voornamelijk uit menskracht, paardenkracht, eenvoudige machines en (hand)gereedschappen. Die input kwam deels van buiten het bedrijf. De werktuigen en gereedschappen werden door de dorpssmid gemaakt en onderhouden en/of in kleine fabriekjes geproduceerd. De smid en de veearts zorgden voor de instandhouding van de paardenkracht. De dorpstimmerman was behulpzaam bij het bouwen en onderhouden van de bedrijfsgebouwen. Daarbij werden natuurlijke materialen gebruikt: hout, riet, stenen, leem. Deze werden meestal lokaal/regionaal verkregen. De boerenbedrijven produceerden deels voor eigen gebruik en deels voor de markt. Zo leefden toen veel meer mensen dan nu op en van het landbouwbedrijf.

In het verleden waren de meeste bedrijven gemengde bedrijven, waar men zelf voor de mest op het land zorgde! Er was sprake van kringlopen op het bedrijf zelf. Er was ruimte gereserveerd voor het houden van de paarden en het verbouwen van paardenvoer en veevoer. Er was bouwland en grasland voor het melkvee en daarnaast werden kleine aantallen varkens, kippen en schapen gehouden. Daarmee was er sprake van een cascade-gebruik: voer dat niet geschikt was voor de koeien ging naar de varkens en de kippen. Een deel van de landbouwgrond werd van nature bemest met vruchtbaar slib door regelmatige overstromingen. Tot in de tweede helft van de negentiende eeuw werd geen kunstmest gebruikt. Naast de mest van het eigen vee en groenbemesting met vlinderbloemigen, werden meststoffen van buiten aangevoerd: compost gewonnen uit huisvuil, straatmest en diverse soorten slib. Nog een kringloop dus, zij het op een schaal boven die van het landbouwbedrijf. De producten gingen ook naar degenen die het huisvuil produceerden. Het verzorgen van de infrastructuur, het waterbeheer en de wegen, was op kleine schaal geregeld via de toen kleine gemeenten en waterschappen.

Kenmerken van de input in die situatie:

• deels op het eigen landbouwbedrijf geproduceerd;

• deels van buiten het bedrijf betrokken, vaak wel lokaal/regionaal;

• bijna geen gebruik van fossiele brandstoffen, kleine hoeveelheden kolen en turf, die voornamelijk in de huishouding werden gebruikt;

• geen/weinig negatieve effecten op de omgeving;

• instandhouding van de bodemstructuur en de bodemvruchtbaarheid;

• lokale/regionale kringloop;

• veel menskracht op het landbouwbedrijf;

• lokaal/regionaal menskracht betrokken bij het produceren/verzorgen van de input;

• korte transportafstanden;

landgebruik op het landbouwbedrijf zelf voor het leveren van input door het eigen bedrijf en voor het eigen bedrijf;

• weinig landgebruik buiten het landbouwbedrijf voor het leveren van de input.

Tegen het einde van de negentiende eeuw begon de input van buiten het landbouwbedrijf toe te nemen. Bijvoorbeeld de aanvoer van guano (organische meststof) uit Chili en Peru en de aanvoer van terpaarde. Hier begon ook het kunstmesttijdperk en kwam de mechanisatie op.

Bij de landbouw van nu is het beeld ten aanzien van output en input geheel anders:

• de bedrijven zijn ontmengd (plantaardige en dierlijke productie zijn gescheiden, steeds meer specialisatie), waardoor er nauwelijks nog sprake is van een kringloop binnen het bedrijf;

• een deel van de landbouw produceert los van de grond: bijvoorbeeld substraatteelt in de glastuinbouw en veel dieren bij elkaar, die niet meer buiten komen, in de intensieve veehouderij;

• meer specialisatie, waardoor meer leveringen van buiten het bedrijf nodig zijn en dus ook meer transport; de opbrengsten per ha zijn gestegen. Met minder mensen wordt meer geproduceerd. Door de inzet van ‘high tech’ zou de landbouw nog efficiënter kunnen worden.

Deze ontwikkeling heeft zich mede kunnen voltrekken omdat arbeid in Nederland steeds duurder is geworden, terwijl energie en grondstoffen relatief gezien goedkoper zijn geworden. Daardoor werd het economisch aantrekkelijk om dure arbeid te vervangen door machines en andere input. Werd vroeger de input op het eigen bedrijf geproduceerd en/of dicht bij het bedrijf, nu komt de input van over de hele wereld. Daarbij wordt ook gebruik gemaakt van arbeid, maar die is vaak goedkoper dan in ons land. Niet zelden gaat het hierbij om arbeid die wordt verricht onder beroerde arbeidsomstandigheden.

Arbeid, grondstoffen en energie – de input van onze landbouw- komen nu van over de hele wereld. Het toepassen van arbeidsbesparende technieken in de landbouw en het stijgende gebruik van energie en grondstoffen van elders gaan hand in hand. Gelet op de groeiende geopolitieke instabiliteit en het klimaatprobleem, lijkt het meer dan verstandig om stappen te zetten naar een landbouwsysteem dat minder afhankelijk is van de input in de vorm van energie, grondstoffen en arbeid van elders.

In de Nederlandse landbouw is in de periode 1950-2020 veel veranderd. De opbrengsten per hectare, de arbeidsproductiviteit en het gebruik van energie en grondstoffen zijn aanzienlijk gestegen. Een hoge opbrengst per hectare wordt gezien als efficiënt en nuttig; daardoor blijft meer ruimte over voor een ander gebruik van de grond, zoals natuur, recreatie en verstedelijking. Kijken we alleen naar het directe landgebruik van de Nederlandse landbouw dan is er zeker sprake van een hogere opbrengst per hectare. Echter, activiteiten ter ondersteuning van de landbouw vergen ook het nodige landgebruik, denk bijvoorbeeld aan:

het verbouwen van veevoer ten behoeve van de Nederlandse landbouw in andere landen;

• het afgraven van grote gebieden ten behoeve van het winnen van allerlei grondstoffen, met als gevolg diepe kraters en grote bergen afval. Hierbij gaan grote oppervlaktes bos en landbouwgrond verloren en worden boeren van hun grond verdreven;

• de infrastructuur die nodig is voor energiewinning en transport;

• de oppervlaktes benodigd voor fabrieksterreinen, gebouwen, kantoren, silo’s, pakhuizen en opslagterreinen;

• de transportinfrastructuur: wegen, vaarwegen, spoorverbindingen, havens en overslagterreinen.

Dit indirecte landgebruik van de Nederlandse landbouw zou ook in beschouwing moeten worden genomen bij het beoordelen van de productie per hectare in Nederland. Dat het indirecte landgebruik van de Nederlandse landbouw zelfs tot een verlies van landbouwgrond elders op de wereld leidt, moet daarin ook meegenomen worden.

Naast het (vanouds) gebruiken van zonne-energie in de landbouw (ten behoeve van de fotosynthese) is men steeds meer gebruik gaan maken van fossiele brandstoffen. Dit gebeurt zowel direct – in trekkers, machines, verwarmingsinstallaties en verlichting – als indirect, voor het maken van de input. De toepassing van hernieuwbare energie (biomassa, wind, water, zon) is niet gratis. Om deze vormen van energie te kunnen gebruiken zijn er allerlei organisaties, fabrieken en installaties nodig en dat vergt weer energie en grondstoffen.

Wereldwijd neemt het gebruik van energie en grondstoffen toe. Het winnen van energiegrondstoffen kost steeds meer energie. Van de nog resterende voorraden aardolie is een groot deel niet meer zo eenvoudig te winnen als lang het geval is geweest. Er is steeds meer inspanning nodig om de olie te winnen, bijvoorbeeld het injecteren van stoom en het afgraven van teerzanden. Oliemaatschappijen moeten op steeds moeilijker bereikbare plaatsen (bijvoorbeeld de Noordpool) steeds dieper boren (tot kilometers onder de oceaanbodem) en daarbij steeds kostbaarder technieken gebruiken om de olie omhoog te krijgen. Het kost steeds meer energie en grondstoffen om energie uit aardolie te winnen. Dezelfde tendens zien we bij de grondstofwinning. De ertsen met de hoogste gehaltes aan metalen en mineralen zijn al gewonnen. Er moet steeds dieper en steeds meer worden gegraven om nog iets te kunnen winnen. Daarna moeten dan ook nog grotere hoeveelheden materialen worden gesorteerd, gescheiden, behandeld en getransporteerd.

In fabrieken is steeds meer gemechaniseerd. Handkracht is vervangen door machines. Deze machines werden eerst door mensen bediend, nu worden zij vaak via computers aangestuurd. De meeste energie gaat dan niet meer zitten in het hoofdproces (bijvoorbeeld de bewerking van metalen doorsnijden, boren, etc.) maar in de hulpprocessen er omheen, die nodig zijn om het hoofdproces te kunnen aansturen. Verdere automatisering en robotisering zullen de tendens tot een toename van het energiegebruik alleen maar versterken. In gebouwen zijn grote hoeveelheden energie opgeslagen, namelijk de energie die is gebruikt in mijnbouw, bouwstoffenproductie, transport, energie en het bouwproces zelf. De levensduur van gebouwen lijkt steeds korter te worden. De ligboxenstallen uit de jaren 1970 – 1980 worden nu als verouderd beschouwd. Vaak vindt vervangende nieuwbouw plaats en worden deze stallen al weer gesloopt. Ook in de glastuinbouw vindt veel vervangende nieuwbouw plaats. De kassen zijn steeds hoger geworden en het plat glas wordt bijna niet meer bedrijfsmatig toegepast. Dit, gevoegd bij het verwarmen en verlichten van kassen, maakt dat het energiegebruik is gestegen.

In de besluitvorming van overheidswege lijken deze ontwikkelingen geen rol te spelen. Niet alleen in de landbouw is deze tendens naar meer energiegebruik aanwezig. Bij bedrijfsgebouwen, kantoorpanden, sportvoorzieningen, openbare gebouwen en woningen wordt relatief gemakkelijk toestemming verkregen voor het slopen van gebouwen. Dat daarmee grote hoeveelheden energie verloren gaan blijft buiten beschouwing.

De verdergaande toepassing van arbeidsbesparende technieken met behulp van automatiseringen robotisering verhoogt het gebruik van energie en grondstoffen. Bij het toepassen van elektronica lijkt tot nu toe weinig oog te zijn voor deze effecten. Als je de landbouwbladen mag geloven ben je pas een moderne boer als je op een trekker rijdt die vol hangt met beeldschermen, je grond is vol gestopt met sensoren en er de hele tijd een drone boven je land vliegt. Op basis van allerlei gegevens van sensoren in het veld, drones en satellieten worden gegevens over de gewasgroei verkregen. Een koppeling van deze gegevens met die over de bodem, de hoeveelheden regen, de gedane bespuitingen en de gegeven hoeveelheden kunstmest maken dat de boer niet meer in het veld hoeft te kijken, maar op basis van al deze gegevens in staat is het laatste restje biodiversiteit uit zijn akkers te laten verdwijnen. Dit vergt wel heel wat hardware (grondstoffen), software en energie. Gewoon goed naar de bodem en het gewas kijken kan ook. Het toepassen van elektronica begint groteske vormen aan te nemen. Er is nu ook al een robot (op wieltjes) om de koeien op te halen. En een virtuele weide-afrastering door middel van een halsband met zender en een elektronisch signaal. Elektronica wordt overal toegepast: in stallen, op trekkers en machines, in de administratie, iPhones, tablets, laptops, allerlei sensoren, processoren, microchips. Het produceren van al deze spullen kost veel energie. Ook veroudert het snel, zodat het weer vervangen moet worden. Bij een gedeelte van deze toepassingen speelt het in de mode zijn een grote rol, waardoor de levensduur nog korter wordt. Hier is sprake van een levensduurverkorting, niet vanwege slijtage of niet meer functioneren, maar vanwege het op de markt brengen van nieuwe mogelijkheden en van kortstondige modetrends. Hierdoor neemt het energiegebruik nog meer toe. Dit is een bedrieglijke ontwikkeling, omdat de inzet van al deze spullen mede wordt gepropageerd onder het mom dat het de duurzaamheid ten goede zou komen (precisielandbouw). Zou het niet beter zijn deze technieken te reserveren voor toepassingen die echt een meerwaarde opleveren?

In het energieverbruik en het landgebruik van de landbouw zien we een verschuiving van direct naar indirect: de graanoogst duurt maar kort, maar er zijn wel combines geproduceerd, silo’s en fabrieken gebouwd, havens aangelegd, enz.;

• het landgebruik van de trekkracht telde vroeger mee in het directe landgebruik: het paard liep in de eigen weide, het terrein van de machinefabriek is ver weg;

• de ruimte nodig voor het winnen van ijzererts, de hoogovens, de trekkerfabriek, distributie, wegen-, of energie-infrastructuur telt niet mee bij het directe landgebruik, maar het is er wel in de vorm van indirect landgebruik ten behoeve van de landbouw;

• de energie werd vroeger op het eigen bedrijf gewonnen: verbouw van paardenvoer voor de trekkracht; veevoer werd niet van elders aangevoerd en hoorde bij het directe landgebruik van de landbouw;

• de energie die nodig is voor het verbouwen van veevoer in andere landen vergt ruimte voor de verbouw van het veevoer zelf en voor allerlei infrastructuur;

• de landbouw gebruikt naast directe energie ook grote hoeveelheden indirecte energie:

Het huidige westerse landbouwsysteem heeft geleid tot grote negatieve gevolgen voor de omgeving die het gevolg zijn van het toegenomen directe en indirecte energie- en grondstoffengebruik. De maatschappelijke kosten die dit heeft veroorzaakt zijn tot nu toe niet aan de landbouw doorberekend. Na de energiecrises in de jaren zeventig van de twintigste eeuw was er veel belangstelling voor energie en energiebesparing. Het Instituut voor Mechanisatie Arbeid en Gebouwen (IMAG) besteedde er toen veel aandacht aan. In het buitenland werd veel onderzoek gedaan naar het energiegebruik in de landbouw. Het IMAG is inmiddels opgeheven en de aandacht voor het onderwerp energie is in de loop van de tijd weer minder geworden. Hoewel er nu veel aandacht is voor de uitstoot van broeikasgassen en de noodzaak deze te verminderen, lijkt het beeld van de landbouw meer te worden overheerst door andere problemen (mestproblematiek, ziekte-uitbraken, voedselschandalen, fraude met mest en vee, fosfaatproblemen, stikstofproblemen).

De verschuiving van lokaal naar mondiaal heeft ook gezorgd voor grote transportstromen, want alle energie- en overige grondstoffen en alle producten moeten worden vervoerd. De toename van het energie- en grondstoffengebruik heeft geleid tot negatieve effecten op bodem, water, lucht, biodiversiteit, landschap en ecosystemen in het algemeen. Dit is een kostenverhoging voor de samenleving, omdat deze negatieve effecten om compenserende maatregelen vragen. Deze maatregelen worden niet of maar gedeeltelijk door de producenten betaald en worden zo grotendeels op de samenleving of op de toekomst afgewenteld; deze maatschappelijke of externe kosten worden niet geïnternaliseerd.

Tot nu toe is het steeds gelukt om de keuze voor een economisch systeem met een veel lager energie- en grondstoffengebruik te ontlopen. Dit komt omdat er nog een verschuiving mogelijk was naar lagelonenlanden en door de mogelijkheid energie en grondstoffen op grote schaal van elders aan te voeren. Dit is een weg die niet begaanbaar blijft en uiteindelijk tot grote problemen zal leiden. Het zal van cruciaal belang zijn of de politiek in staat zal zijn deze ontwikkeling tijdig en op een vreedzame wijze bij te sturen. Een politieke partij die naar de noodzakelijke maatregelen op de wat langere termijn kijkt en in haar programma opneemt dat onze materiële welvaart drastisch moet afnemen, zal waarschijnlijk niet veel stemmen krijgen. En daarmee houdt dit systeem zichzelf gevangen en kan het niet tot het treffen van de benodigde maatregelen komen. Uitvluchten als “groene groei”, “de technologie zal ons redden”, “ze vinden wel wat uit”, zullen het probleem maskeren, maar niet oplossen. Het feit dat energie en grondstoffen opraken en dat we een klimaatprobleem hebben veroorzaakt, heeft tot nu toe bijna geen rol gespeeld in de besluitvorming over de landbouw. In het kader van het Akkoord van Parijs moet een opwarming van de aarde met meer dan twee graden worden voorkomen. Op basis van deze tweegradendoelstelling dient de emissie van broeikasgassen in 2050 met 90% te zijn verminderd ten opzichte van 1990 (voor Nederland betekent dit een reductie van 50% per 2030). Maar tussen 1990 en 2020 is het energiegebruik nog gestegen, zodat de reductie nog groter moet zijn. Om deze doelstelling te kunnen realiseren is een drastische reductie van het energie- en grondstoffengebruik nodig. Men denkt de gewenste reductie te kunnen bereiken door een energietransitie van fossiele energie naar hernieuwbare energie. Maar dat is op grote schaal niet mogelijk omdat de daarvoor benodigde hoeveelheden materialen immens groot zijn.

De techniek kan niet alles oplossen. Tot nu toe is gebleken dat elke nieuwe techniek ook weer nieuwe nadelig effecten veroorzaakt. In de afgelopen 70 jaar zijn talloze nieuwe zaken bedacht. Organisaties en processen zijn voortdurend verbeterd. Er is veel gedaan aan energiebesparing. Sla een technisch tijdschrift er maar op na: het staat vol met artikelen over zaken die leiden tot efficiencyverbetering en energiebesparing. Men vergeet echter dat elke maatregel die is bedoeld om een bepaald negatief effect op te heffen weer nieuwe voorzieningen vraagt, waarvoor ook weer energie en grondstoffen nodig zijn. Het resultaat van dit alles is dan ook dat het energie- en grondstoffengebruik voortdurend is gestegen.

De voortdurende stijging van het gebruik van energie en grondstoffen is een treffende illustratie van de wet van behoud van ellende. Tot aan het begin van de twintigste eeuw (en ook nog wel enigszins tot 1950) kenden wij een landbouwsysteem dat zich bijna zonder hulpbronnen van elders kon handhaven en dat geen grote nadelige effecten op de omgeving veroorzaakte.

Het landbouwsysteem dat wij nu kennen is niet toekomstbestendig. De trek naar goedkope energiebronnen en grondstoffen loopt dood omdat deze eindig zijn; de trek naar goedkope arbeid strookt niet met een rechtvaardiger verdeling van de welvaart, en de gedachte dat de technologie met de oplossing komt is illusionair.

Het is noodzakelijk om ons productiesysteem aan te passen aan de draagkracht van de aarde. Dat betekent dat processen van aanpassing van het huidige productiesysteem tijdig op gang gebracht moeten worden. Zijn we hier toe in staat of laten we het er op aan komen en zullen veranderingen worden afgedwongen door de omstandigheden? Voor de landbouw is dit des te dringender, omdat de landbouw een onmisbare bedrijfstak is. Er moet immers altijd voedsel worden geproduceerd. Het is dan temeer van belang om in ieder geval ons landbouwsysteem op tijd aan te passen aan de randvoorwaarden van de toekomst. Wachten we op de klap of gaan we tijdig anticiperen?

Deze tekst is afkomstig uit: Meino Smit Naar een duurzame landbouw in 2040.
Een nieuw perspectief
Nearchus / Kolisko, 2e druk 2024
ISBN 9789o83466644

.

Dit artikel verscheen in ‘Driegonaal
Publicatie op deze blog met toestemming

Voor een abonnement: Sociale driegeleding
.

De wereld is waar: alle artikelen via [9-5]

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeledingalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3393-3191

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen – autisme (7-1/4)

.

Waarom ik deze oudere berichten toch nog een plaats geef.

.
Eindhovens Dagblad, 02-12-1998

.

Opzienbarende resultaten met Amerikaanse therapie

.

x*, een autist die zoent

.

X uit Y is vier jaar oud en lijdt aan een ernstige vorm van autisme. Volgens de klassieke leerboeken de meest onbeïnvloedbare variant van ernstige psychische gestoordheid en psychose. Met kenmerken als asociaal,gedrag, schijnbare doofheid, ontoeschietelijkheid, afkeer van fysiek contact, onvermogen tot mondeling contact of soms tot het maken van gebaren. En, ook karakteristiek voor autisten, het maken van ‘ismes’, steeds herhalende bewegingen, gewiebel of gedraai. A, de moeder: „Hij stond voor de televisie alsmaar met zijn hoofdje te wiebelen. Hartstikke gek werd je ervan.”

Dat wiebelen doet X niet meer en die andere ‘ismes’ van hem heeft hij al grotendeels afgezworen. Maar er is nog meer vooruitgang geboekt sinds hij volgens de Option-methode wordt begeleid.
In tegenstelling tot vroeger kijkt hij nu om als je hem roept. Dat is een klein wonder voor een autistisch kind. A en haar man B dachten zelfs dat hij doof was. Bovendien kregen ze indertijd met X vrijwel geen oogcontact. Nu wil hij communiceren. Een omwenteling: hij pakt je hand beet, trekt je mee en wijst aan wat hij wil. Ik ga naar de zolder, waar A en haar man een prikkelarme oefenruimte hebben ingericht. X roept er hartstochtelijk „bah”. Het plaspotje wordt tevoorschijn gehaald en X kwijt zich braaf van zijn plicht. Praten doet hij nog steeds niet, geluiden produceren wel. Maar nu floepen er soms wel woordjes uit dat roerige mondje van hem, zoals laatst: „Blauw!”

De wereld stortte in voor A en B toen de diagnose van autisme werd gesteld. Net zoals dat lang geleden het echtpaar Barry en Samahria Kaufman overkwam , ‘ en hun zeventien maanden oude zoon Raun als klassiek en diep autistisch werd bestempeld. Uit een van de testen bleek hij een IQ.-score van minder dan dertig te hebben.
‘Autisme is ongeneeslijk, laat hem in een tehuis opnemen: en besteed je tijd aan jullie gezonde kinderen’, waren kort samengevat de reacties van deskundigen en instellingen.

De Kaufmans namen daar geen genoegen mee, verslonden een boekenkast vol wetenschappelijke literatuur en ontwikkelden een volstrekt eigen behandelmethode die ze thuis op Raun toepasten. Een extreem intensieve therapie: acht, negen uur per dag, zeven dagen per week, vele maanden lang. Deze Option-therapie berust niet op traditionele drilmethodes, maar op het binnendringen in die schijnbaar gesloten wereld van het kind, een onvoorwaardelijke liefde voor hem en een volledige acceptatie van zijn afwijking. De Kaufmans hadden succes. Nu, ongeveer een kwart eeuw later is Raun volledig genezen en aan een Amerikaanse universiteit afgestudeerd. „Ik ben mijn ouders diep dankbaar dat ze indertijd tegen de stroom van de heersende deskundige opinies zijn ingeroeid”, zegt hij.

Trefwoorden in de therapie zijn: geen verwachtingen, geen oordeel, wel aanvaarding, erkenning. Bijvoorbeeld de erkenning dat ‘ismes’ oké zijn. Het autistisch kind mag vrijuit wiebelen, draaien of wat dan ook. Sterker, in plaats van de ismes af te keuren, wiebelt of draait de begeleider even heftig mee. Imitatie van zijn gedrag opent de deur van het vreemde universum van de autist, zoals Barry Kaufman in zijn boek ‘Verbroken stilte’ beschrijft.

De therapie vindt plaats in een ‘blanco’ oefenruimte, met zo weinig mogelijk zichtbare of hoorbare prikkels. Geen plaatjes aan de muur, geen uitpuilende dozen speelgoed, geen tv. Bij autisten kan het brein alle binnengekomen prikkels niet goed verwerken. Ze kunnen de belangrijke prikkels niet van de onbelangrijke onderscheiden. Om zich tegen die kakofonie van prikkels te beschermen, sluit het kind zich af.
„Het is een overlevingsstrategie”, zegt de Sittardse ergotherapeute Roelie Harlaar, die zich in de Option-methode heeft verdiept. „De wereld is zo onveilig voor het autistische kind, al die prikkels zijn zo overdonderend. Daarom richten deze kinderen zich eerder op levenloze dingen dan op mensen. Mensen zenden steeds veranderlijke prikkels uit, die ze niet kunnen bevatten.”

De begeleider doet in de prikkelarme ruimte urenlang spelletjes en andere stimulerende activiteiten die gericht zijn op ontwikkeling van (oog-)contact en van vaardigheden.

De methode is ongelooflijk arbeidsintensief. A volgde anderhalf jaar geleden in Amsterdam een korte cursus voor ouders, kwam razend enthousiast terug en stortte zich thuis op de therapie van X: „Dat red je op den duur dus niet. Je leeft alleen nog maar op de zolder.” Vandaar dat ze enkele vrijwilligers is gaan zoeken om een deel van de zware klus over te nemen. Zo ontfermt ergotherapeute Esther van Bool zich twee keer per week over X. „Hij is enorm vooruitgegaan”, bevestigt ze het positieve beeld van de afgelopen tijd.

De Option-methode heeft naam gemaakt. In 1983 richtte Barry Kaufman in Sheffield (Michigan) het gelijknamige instituut op. Ouders reizen, eventueel met hun zorgenkind, uit alle hoeken en gaten van de wereld naar deze afgelegen plaats om cursussen te volgen. Ook Jaap van Zweden, de bekende violist en dirigent, was er samen met zijn vrouw Aaltje en hun autistische zoon Benjamin op cursus. Diens toestand is sindsdien verbeterd. Raun Kaufman, tegenwoordig als docent aan het instituut verbonden: „We zien hier zo veel onmogelijke dingen gebeuren. Kinderen die gaan lopen of praten. Wij bieden dus hoop aan ouders. Valse hoop? Hoe kan hoop nu vals zijn? Wij geven ouders het ‘gereedschap’ waarmee ze een drastische verbetering kunnen bereiken. Ik geloof zeker dat autistische kinderen volledig kunnen herstellen. Of dit voor ieder kind geldt, weet ik niet. Ieder kind is weer anders, we kunnen de toekomst niet voorspellen.”

Het interview met A is afgelopen. Ik heb net mijn boeltje ingepakt, als X olijk lachend op me afkomt. Voordat ik me realiseer wat me overkomt, geeft dit ernstig autistisch kind die vreemde meneer een klinkende zoen op de mond. Er is hoop.

Barry Kaufman – Verbroken stilte. Uitg. Van Holkema & Warendorf.

Over de Option-methode

De namen van de betreffende personen stonden volledig in het artikel en een simpele zoekopdracht op Facebook toonde hun bestaan aan.
Vandaar het gebruik van willekeurige letters.

Ontwikkelingsbelemmeringenalle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3392-3190

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 301)

.

GA=Gesamt Ausgabede genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.
.

Beknopte inhoudsopgave:

Belang van de kennismaking met de wereld tussen het 9e en 12e jaar om geschiedenis te kunnen begrijpen; einde 12e jaar pas oordelen. <1>
Idem: het belang van de plantkunde. <2>
Hoe zit het met causaliteit? <3>
Geschiedenis en wat er aan de wording van de mens ten grondslag ligt <4>
Het ‘vroegere’ is soms in onze tijd nog zichtbaar. De Griekse tijd, over het Griekse drama, Griekse kunst, wat is er bij de Grieken ontstaan wat we nu nog hebben; <5>
Geschiedenis moet op gevoel en wil werken (nog steeds gaat het ook over de Grieken, gevolgd door het christendom) <6>
Het geheel en de delen. <7>
Het niet afkrijgen van de leerstof, met een uitstapje naar het onderwijzersexamen: wanneer ben je een goed leerkracht. <8
Over universele menswaardigheid, Avondmaal van Leonardo <9
Rome, verbreiding christendom; Europa, ontdekkingsreizen. <10>
Causaliteitsgeschiedenis maakt star, belangrijker symptomatologische geschiedenis, van concreet naar abstract, boekdrukkunst, verdieping van geschiedenis naar religie <11>

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 301

Voordracht 8, Bazel 3 mei 1920

Blz. 133

Kann man mit einer lebendigen Charakteristik von Erde, Pflanzen­reich, Tierheit und Menschentum in dem Kinde das, was sonst nur tot empfunden wird, einfach und elementar beleben – und zwar nament­lich in der Zeit vom 9. bis gegen das 12. Jahr hin, wo das Kind beson­ders veranlagt ist, sich nach und nach von der Welt zu unterscheiden und doch begierig ist, im Unbewußten aufzunehmen auf der einen Seite den Zusammenhang des Menschen mit dem Tierreich, auf der andern Seite das, was absondert vom Menschen, was Erde und Erdenleben ist -, dann wächst mit dem Menschen etwas heran, was ihn auch in das richtige Verhältnis zum geschichtlichen Leben der Menschheit auf der Erde bringt. Dann erst entwickeln sich die Empfindungen, die dann in der richtigen Weise die Geschichte aufnehmen. Vor dem 10., 11. Jahr wird man selbstverständlich die Geschichte nur in der Form der Erzählung, des Biographischen getrieben haben. Im 10., 11. Jahr wird man die Geschichte durchaus so zum naturgeschichtlichen Unter­richt hinzunehmen, daß man überall das, was man im Menschen heran­zieht an Empfindungen, die aus dem naturgeschichtlichen Unterricht kommen, gewissermaßen intensiv zusammenhält mit dem, was nun auch die Begriffe, die Ideen, die Empfindungen des geschichtlichen Unterrichts beleben kann. Erst im 12. Jahr ist eigentlich die Möglichkeit gegeben, überzugehen zu dem, was das eigentliche Urteil ist.

<1>Kun je met een levendige karakteristiek van aarde, plant, dier en mens in het kind eenvoudig en elementair tot leven wekken wat anders maar als iets doods beleefd wordt – en met name in de tijd van het 9e tot het 12e jaar waarin het kind de bijzondere aanleg heeft zich van de wereld los te maken en toch verlangt onbewust enerzijds de samenhang tussen de mens en de dieren te leren kennen, anderzijds de afzondering van de mens van de aarde en het aardeleven-, dan ontwikkelt zich met de mens iets wat hem in een goede relatie brengt tot het historische leven van de mens op aarde. Dan pas ontwikkelen zich de gevoelens waarmee op een goede manier geschiedenis wordt begrepen. Vóór het 10e, 11e jaar zal je vanzelfsprekend alleen maar geschiedenis gegeven hebben in de vorm van vertellen, iets biografisch. In het 10e, 11e jaar zal je geschiedenis ook bij plant- en dierkunde betrekken, dat je overal bij wat je in de mens ontwikkelt aan gevoelens die door het biologieonderwijs ontstaan, intensief samenneemt met wat de begrippen, ideeën, ervaringen van de geschiedenisles kan verlevendigen.
Pas aan het einde van het 12e jaar is het in feite  mogelijk over te gaan tot het eigenlijke oordelen.<1>
GA 301/133
Op deze blog vertaald/133
.

Voordracht 12, Bazel 7 mei 1920

Blz. 184

Zum Auffassen des Geschichtlichen der Menschheit ist ja das Kind tatsächlich nicht früher reif als so gegen das 12. Jahr hin. In erzählen­der Form, in umrissenen biographischen Bildern, sogar in einer ge­wissen Art von moralischem Erzählen kann man aber das Geschicht­liche durchaus vorbereiten.
Zum eigentlichen Geschichtlichen aber wird das Kind gerade durch die Art des botanischen, des zoologischen Unter­richtes reif, wie ich es charakterisiert habe. Im Geschichtlichen kann man außerordentlich viel erreichen, wenn man durch das Botanische gewissermaßen die Erde als Einheit dargestellt hat, die über ihre Ober­fläche hin und durch die verschiedenen Jahreszeiten die verschiedenen Pflanzen hervorbringt, und wenn man den Menschen aufgefaßt hat als eine Synthese, wie ich es dargestellt habe, der verschiedenen Tiergruppen, die jeweilen dasjenige, was dann beim Menschen harmonisch vereint ist, als Einseitigkeiten darstellen. Durch das Sich-Bewegen in solchen Vorstellungen wird das Kind für den geschichtlichen Unterricht reif.

Wenn wir mit der Geschichte an das Kind herankommen, handelt es sich nun aber darum, diesen geschichtlichen Unterricht auch dazu zu verwenden, gewisse Kräfte aus der menschlichen Natur herauszuholen, ihnen entgegenzukommen, gewissermaßen das zu erfüllen, was die

<2>Voor het echt begrijpen van de geschiedenis van de mensheid is het kind in feite niet eerder rijp dan zo tegen het 12e jaar. Op een vertellende manier, in concrete biografische beelden, zelfs op een enigszins moralistische verteltrant kun je het geschiedenisonderwijs echter zeker voorbereiden.
Voor de eigenlijke geschiedenis echter wordt het kind rijp door de manier van plant- en dierkundeles zoals ik het gekarakteriseerd heb. Bij geschiedenis kan je buitengewoon veel bereiken, wanneer je door de plantkunde in zekere zin de aarde als een geheel hebt gepresenteerd die over haar oppervlak verspreid door de verschillende jaargetijden de verschillende planten voortbrengt en wanneer je de mens beschouwd hebt als een synthese van de verschillende diergroepen die telkens, wat bij de mens tot harmonie gekomen is, als eenzijdigheid vertegenwoordigen. Door zich in deze voorstellingen te bewegen wordt het kind rijp voor geschiedenisles.<2>
<3> Wanneer we het kind geschiedenis geven, dan gaat het er echter om deze geschiedenis ook te gebruiken om bepaalde krachten uit de menselijke natuur naar boven te halen, die tegemoet te komen door in zekere zin mogelijk te maken, wat

blz. 185

menschliche Natur in dieser Lebensepoche will. Da aber stoßen wir bei dem, was uns gewöhnlich selbst als Geschichte dargeboten wird, auf einen kräftigen Widerstand. Denn was uns heute als Geschichte dar­geboten wird, ist doch eigentlich im Grunde genommen die Erzählung von Ereignissen, oder aber es ist das Zusammenfassen von Ereignissen oder kulturhistorischen Erscheinungen unter einem gewissen kausalen Gesichtspunkt. Es ist dasjenige, was im Grunde genommen doch an der Äußerlichkeit des Geschehens hängenbleibt. Sie werden, wenn Sie un­befangen sind, nicht das Gefühl haben, daß Sie von dem, was eigent­lich dem Menschenwerden zugrunde liegt, durch diese Geschichte eine richtige Vorstellung bekommen können. Wir haben ja in der neueren Zeit viel davon gehört, daß die Geschichte davon absehen soll, Kriege zu erzählen oder sonstige Ereignisse mehr äußerlicher Art zu erzählen, daß sie darauf gehen soll, den Kausalzusammenhang der Kultur-erscheinungen darzustellen. Allein da ist denn doch noch stark die Frage, ob das unbedingt berechtigt ist, einen solchen Kausalzusammen­hang anzunehmen, daß man zum Beispiel das, was in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts geschieht, mehr oder weniger zurückführt auf das, was in der ersten Hälfte des 19. Jahrhunderts geschehen ist, und so weiter zurück.

de menselijke natuur in deze levensfase wil. Daarbij echter stoten we bij wat gewoonlijk zelf als geschiedenis aangeboden wordt, op heftige weerstand. Want wat ons vandaag als geschiedenis aangeboden wordt, is eigenlijk in de grond van de zaak het verhaal van gebeurtenissen of is het samenvatten van gebeurtenissen of cultuurhistorische verschijnselen onder een bepaald causaal gezichtspunt. Het is in de aard der zaak iets wat bij de uiterlijkheden van wat er gebeurt, blijft steken. U zal, als u onbevooroordeeld bent, niet het gevoel hebben dat u door deze geschiedenis een juiste voorstelling kan krijgen van wat eigenlijk ten grondslag ligt aan de wording van de mens. We hebben de laatste tijd veel gehoord dat geschiedenis ervan af moet zien, over oorlogen te vertellen of  te vertellen over andere gebeurtenissen met een meer uiterlijke karakter, dat ze zich moet richten op het geven van causale samenhangen van de cultuurverschijnselen. Maar dan is daar toch nog sterk de vraag aanwezig of het zonder meer te rechtvaardigen valt zo’n causale samenhang aan te nemen, bijv. dat men wat in de tweede helft van de 19e eeuw gebeurt, min of meer terugleidt naar wat in de eerste helft van de 19e eeuw gebeurd is, en dan zo verder terug. <3>

Es könnte ja doch dasjenige, was dem Menschen-werden zugrunde liegt, sich in einer ganz anderen Weise in der Ge­schichte äußern. Und da handelt es sich wirklich beim Geschichtsunter­richt darum, daß wir uns sozusagen nicht gehen lassen, daß wir nicht in irgendeiner Klasse es unternehmen, Geschichtsunterricht etwa so zu erteilen, daß wir selbst nur ein eng begrenztes Pensum zunächst unmit­telbar beherrschen. Selbstverständlich legen wir die seminaristischen Vorbereitungen zugrunde, und das ist ganz richtig, und wir kennen die ganze Geschichte sozusagen, aber das meine ich jetzt nicht, sondern ich meine, wenn wir den Geschichtsunterricht beginnen für irgendeine Klasse, so beginnen wir gewöhnlich irgendwo irgendwomit, und wir überlassen es dann den späteren Zeiten, das Folgende selbst erst in der richtigen Weise aufzunehmen und dergleichen. Das ist dann die Ursache, daß wir den Geschichtsunterricht gewissermaßen bloß in der Zeitenfolge behandeln.
Diese Art, die rechnet eigentlich nicht mit den aus der Menschen-natur heraus uns entgegenkommenden Kräften. Wir müssen da auf anderes Rücksicht nehmen. Wir müssen uns zum Beispiel klar sein dar­über, daß das Wesentliche zunächst das ist, was wir Menschen, die wir 

<4> Wat er aan de wording van de mens ten grondslag ligt, zou toch nog op een heel andere manier uit de geschiedenis kunnen blijken. Het gaat er werkelijk om dat we ons bij geschiedenisonderwijs niet laten gaan, dat we in een of andere klas geschiedenis niet zo gaan geven en dat we zelf rechtstreeks maar een klein deel beheersen. Natuurlijk nemen we de voorbereidingen van onze opleiding ter hand, dat is heel goed en we kennen zogezegd de hele geschiedenis, maar dat bedoel ik nu niet, ik bedoel wanneer we in een klas met geschiedenis beginnen, beginnen we gewoonlijk ergens met iets en we laten wat er nog gaat volgen maar voor later om dat eerst op een goede manier in ons op te nemen en dergelijke. Dat is de oorzaak ervan dat we het geschiedenisonderwijs in zekere zin alleen maar als tijdverloop behandelen.
Die manier houdt eigenlijk geen rekening met de krachten die uit de menselijke natuur op ons af komen. We moeten hier met iets anders rekening houden. We moeten duidelijk weten dat het wezenlijke is, wat wij mensen, in het heden staand,

blz. 186

in der unmittelbaren Gegenwart stehen, als »Geschichte« eigentlich noch erleben. Wenn wir so abstrakt einfach die Kinder zurückführen in die griechische Geschichte, selbst wenn die Kinder schon Gymnasia­sten sind, so ist das eben ein abstraktes Zurückversetzen in einen frü­heren Zeitraum. Man versteht nicht konkret, warum man aus der Gegenwart heraus irgendwie nötig hat, die griechische Zeit zu verstehen. Man begreift aber sofort, um was es sich handelt, wenn man davon ausgeht, daß wir ja in der Gegenwart noch unmittelbare, lebendige Kräfte aus der griechischen Zeit darinnen haben. Davon müssen wir zunächst den Kindern eine Vorstellung geben. Wir können es auf ver­schiedenen Gebieten tun. Wir können es auch schon früher vorbereitet haben, aber wir müssen beim Geschichtsunterricht von dem ausgehen, was wir von einer bestimmten geschichtlichen Epoche noch in der Ge­genwart darinnen haben.
Nun wird Ihnen ja ein unbefangener Überblick über unsere Kultur sehr leicht das Folgende ergeben. Wollte ich es im einzelnen ausführen, was ich skizzenhaft andeuten will, so wären dazu viele Stunden not­wendig; aber das kann ja jeder selbst machen. Ich will nur die Leit­linien hier andeuten. 

eigenlijk nog als ‘geschiedenis’ beleven.<4>
<5> Wanneer we zo abstract de kinderen terugbrengen naar de Griekse geschiedenis, zelfs wanneer de kinderen al gymnasiasten zijn, is het toch een abstract teruggaan naar een vroegere tijdsfase. Men begrijpt niet concreet waarom men vanuit het heden op de een of andere manier iets nodig heeft om de Griekse tijd te begrijpen. Je begrijpt echter meteen waarom het gaat als je ervan uitgaat dat de Griekse tijd in de huidige tijd nog rechtstreeks, actief van invloed is. Daarvan moeten we de kinderen allereerst een voorstelling geven. We kunnen dat op verschillende manieren doen. We kunnen dat al eerder voorbereid hebben, maar we moeten in de geschiedenisles uitgaan van wat wij uit een bepaalde geschiedkundige episode nog hebben in de huidige tijd.
Nu zal voor u wel door een onbevangen blik op onze cultuur makkelijk het volgende blijken. Zou ik het in detail willen uitwerken, wat ik nu schetsmatig wil aanduiden, dan waren daar vele uren voor nodig; maar dat kan ieder voor zich wel doen. Ik wil alleen de grote lijnen aangeven.

Sehen Sie, alles, was wir an umfassenderen uni­versellen Vorstellungen haben, wovon wir eigentlich vorstellungsgemäß als Menschen leben, das haben wir im Grunde genommen als Erbschaft des griechischen Zeitalters angetreten. Wir haben auch gewisse Kunst-empfindungen, mit denen unsere Seele heute noch arbeitet, rein als Erbschaft des griechischen Zeitalters angetreten. Nehmen Sie die ge­wöhnlichsten Begriffe, die uns gang und gäbe sind, wie zum Beispiel der Begriff der Ursache, der Begriff der Wirkung, der Begriff nament­lich des Menschen selber. Alles dasjenige, was unsere universellen Be­griffe sind – die Griechen haben sich zu diesen Begriffen hingearbeitet. Nehmen Sie den Begriff der Geschichte selbst, die Griechen haben zu­erst diesen Begriff der Geschichte aufgestellt. Also unser ganzes Vor­stellungsleben, wir können es überblicken, und wir werden finden, es ist eine Erbschaft des griechischen Zeitalters. So können wir in einer ganz elementaren Weise uns zunächst mit den Schülern unterhalten über unseren universellen Vorstellungsschatz und gar nicht dabei Rücksicht darauf nehmen, daß das in Griechenland entstanden ist. Wir können uns durchaus von der Gegenwart mit unseren Schülern unter­halten und zunächst dabei stehen bleiben; dann versuchen wir irgend­wie etwas Dramatisches, etwas Lyrisches mit den Kindern so durchzunehmen,

Kijk, alles wat wij aan meer omvattende universele voorstellingen hebben, waaruit wij eigenlijk volgens onze voorstellingen als mens leven, hebben we in de grond van de zaak beschouwd, als erfenis van de Griekse tijd overgenomen. Ook hebben we bepaalde kunstervaringen waarmee onze ziel nu nog werkt, puur als erfenis van de Griekse tijd overgenomen. Neem de gewoonste begrippen die voor ons gemeengoed zijn, zoals bijv. het begrip oorzaak, het begrip gevolg, met name het begrip mens zelf. Alles wat universele begrippen zijn – de Grieken hebben naar deze begrippen toegewerkt. Neem het begrip geschiedenis zelf, de Grieken hebben voor het eerst dit begrip omschreven. Dus heel ons voorstellingsleven, we kunnen het overzien en we zullen vinden dat het een erfenis is van de Griekse tijd. Wel kunnen we op een heel elementaire manier met de leerlingen spreken over onze universele begrippenschat en er dan helemaal geen rekening houden dat dat in Griekenland is ontstaan. We kunnen ook met onze leerlingen over de tegenwoordige tijd spreken en daar eerst bij stilstaan; dan proberen we op de een of andere manier iets van drama, iets van lyriek zo met de kinderen door te nemen

blz. 187

daß wir zum Beispiel beim Dramatischen aufmerksam ma­chen, wie ein Drama in Akte eingeteilt ist, wie ein Drama aufgebaut ist, wie es zu einer Verwicklung führt, wie bei ihm eine Lösung herbei­geführt wird. Wir können dabei in ganz elementarer Weise den Begriff der Katharsis entwickeln. Wir brauchen ja wahrhaftig dabei nicht komplizierte philosophische Vorstellungen in den Kindern zu ent­wickeln, aber wir können den Begriff der Katharsis entwickeln, indem wir dem Kinde zeigen, wie im Drama unsere Gefühle angespannt wer­den, wie wir wirklich in eine Art von Mitleid und Furcht versetzt werden, und wie wir dadurch lernen, ein gewisses Gleichmaß des Füh­lens gegenüber Furcht und Mitleid zu bekommen, wie ja das von den Griechen als das Wesentliche der dramatischen Kunst angesehen wor­den ist. Das taugt dann durchaus, wenn wir die Kinder schon für das 11., 12., 13. Lebensjahr ordentlich vorbereitet haben. Wir können dann irgend etwas von einem griechischen Kunstwerke, irgendeine Aphro­dite-Gestalt oder dergleichen vor die Kinder bringen, können ihnen erklären, wie das Schöne in dieser Darstellung sich offenbart und so weiter. Wir können sogar so weit gehen, daß wir den Unterschied er­klären zwischen dem Ruhenden der Kunst in der einzelnen Darstel­lung, zwischen dem Bewegten in der Kunst und so weiter. 

dat we bijv. bij de dramatiek erop wijzen, hoe een drama in akten is verdeeld, hoe een drama opgebouwd is, hoe die leidt naar een verwikkeling, hoe een oplossing gevonden wordt. Daarbij kunnen we op een heel elementaire manier het begrip catharsis ontwikkelen. We hoeven wis en waarachtig zeker geen gecompliceerde filosofische voorstellingen in de kinderen te ontwikkelen, maar we kunnen het begrip catharsis ontwikkelen door het kind te laten zien, hoe in het drama onze gevoelens aangesproken worden, hoe wij werkelijk in een soort medelijden en angst verplaatst worden en hoe we daardoor leren een zeker evenwicht te krijgen tussen ons gevoel en angst en medelijden, hoe dat door de Grieken als het meest wezenlijke van de dramatische kunst gezien werd. Het is het zeer zeker waard als we de kinderen daar al goed op voorbereid hebben als ze zo 11, 12, 13 jaar zijn. Dan kunnen we iets van een Grieks kunstwerk aan de kinderen laten zien, een of andere Afrodite-gestalte o.i.d., we kunnen hun dan uitleggen hoe de schoonheid in de gestalte zich vertoont, enz. We kunnen zelfs zo ver gaan, dat we het verschil uitleggen tussen wat in een individuele gestalte het rustende principe in de kunst is en het bewegende, enz.

Wir können dann gewisse Vorstellungen über das öffentliche Leben, sagen wir, anknüpfend an dasjenige, was jetzt noch im öffentlichen Leben ist, und was schon in der griechischen Zeit da war als politische Grundbegriffe, mit den Kindern besprechen. Und dann, wenn wir uns über so etwas unterhalten haben, dann versuchen wir, dasjenige, was der Grund-charakter der ganzen griechischen Geschichte ist, vor die Kinder wie einen großen Kreis zunächst hinzustellen, klarzumachen den Kindern, wie in Griechenland Menschen von einem gewissen Charakter gelebt haben, wie die Städte-Einrichtungen bei den Griechen waren. Dann aber haben wir hauptsächlich darauf hinzuweisen, wie dasjenige, wor­über wir uns zuerst unterhalten haben, was heute noch lebendig ist, bei den Griechen entstanden ist; wie, sagen wir, bei den Griechen ent­standen ist so etwas, wie eben die plastische Kunst, wie bei den Grie­chen entstanden ist die Einrichtung der Städte und so weiter. Also aus­gehen von dem, was heute noch lebt, müssen wir und übergehen dazu, den Kindern zu zeigen, wie dies in dem griechischen Zeitalter zuerst in der Menschheitsentwickelung Fuß gefaßt hat, so daß das Kind einen ganz bestimmten Begriff erhält von dem Beitrag, den das griechische

We kunnen dan bepaalde voorstellingen met de kinderen bespreken over het openbare leven – laten we zeggen – aanknopend bij wat er nu nog in het openbare leven aanwezig is, van wat er ten tijde van de Grieken al was aan politieke grondbegrippen. En dan, wanneer we daarover hebben gesproken, proberen we voor de kinderen eerst als een grote cirkel neer te zetten wat het grondkarakter van de hele Griekse geschiedenis is, de kinderen duidelijk te maken hoe er in Griekenland mensen geleefd hebben met een bepaald karakter; hoe de steden bij de Grieken waren georganiseerd. Dan hoeven we er echter hoofdzakelijk op te wijzen hoe hetgeen waarover we eerst hebben gesproken, wat nu nog leeft, bij de Grieken is ontstaan; zoals – laten we zeggen – bij de Grieken de beeldhouwkunst is ontstaan, de inrichting van de steden enz. Dus we moeten uitgaan van wat we er tegenwoordig nog van hebben en ertoe overgaan de kinderen te laten zien hoe dit voor het eerst in de mensheidsgeschiedenis in de Griekse tijd is begonnen, zodat het kind een heel bepaald begrip krijgt van de bijdrage die de Griekse

blz. 188

Zeitalter als einen ewigen Beitrag für die Menschheitsentwickelung ge­leistet hat.
Das Kind muß durch eine solche Darstellung eine Idee davon be­kommen, daß das geschichtliche Leben nicht eine ewige Wiederholung ist, sondern daß etwas ganz Bestimmtes in einem bestimmten Zeitalter für die Menschheit geleistet wird, was dann bleibt; wie spätere Zeit­alter etwas anderes leisten, was dann wiederum bleibt. Dann bekommt das Kind auch eine gewisse feste Stellung in der Gegenwart. Es sagt sich: Unser Zeitalter hat auch etwas ganz Bestimmtes für die Ewigkeit zu leisten. Solch eine Geschichtsdarstellung, die wirkt dann wirklich auf das Gemüt, die wirkt dann begeisternd auch auf den Willen; und auf das Wie einer solchen Darstellung kommt eben außerordentlich viel an. Wir werden dabei Gelegenheit haben, an das Kind eine ganze Summe von Vorstellungen, eine ganze Summe von Eindrücken heran-zubringen, von denen wir ihm dann zeigen: die Griechen waren es, die das eingeführt haben in den Schatz des Menschenlebens. Und wir haben Gelegenheit, eine längere Zeit aus jetzt noch Lebendigem heraus mit den Kindern zu sprechen so, daß in all dem, was wir darstellen, nichts Christliches noch liegt.

tijd als een eeuwige bijdrage voor de ontwikkeling van de mensheid heeft geleverd.
Het kind moet er door een dergelijke schets een idee van krijgen dat het geschiedkundige leven niet een eeuwige herhaling is, maar dat iets heel speciaals in een bepaalde tijd voor de mensheid tot stand wordt gebracht, wat dan blijvend is; hoe andere tijdperken weer iets anders tot stand brengen, wat dan ook blijft. Dan krijgt het kind ook een bepaalde vaste positie in het heden. Het zegt: ook onze tijd moet iets heel bijzonders voor de eeuwigheid presteren. <5>
<6>Een dergelijke voorstelling van geschiedenis werkt dan echt op het gevoel, werkt ook enthousiasmerend op de wil; en op het ‘hoe’ van zo’n voorstelling komt buitengewoon veel aan. Daarbij zullen we de gelegenheid hebben het kind heel wat voorstellingen, heel wat indrukken te geven, waarvan we hem dan laten zien: het waren de Grieken die dit ingebracht hebben als iets kostbaars in het mensenleven. En we hebben de gelegenheid wat langer met de kinderen te spreken over wat nu nog leeft, zodanig dat daar nog niets christelijks in voorkomt.

Denn indem wir über das Griechentum so sprechen, und so sprechen, daß das Griechentum als lebendig emp­funden wird, ergehen wir uns in einer Materie, in der noch nichts Christliches drinnen liegt. Aber gerade dadurch, daß wir längere Zeit in dem Kinde Vorstellungen lebendig erhalten, die dem Christentum gegenüber noch ganz neutral sind, dadurch erringen wir uns die Mög­lichkeit, den Einschlag des Ereignisses von Golgatha, den Einschlag der Entstehung des Christentums mit aller Schärfe dann vor die Kin­der hinzustellen. Und wir werden, wenn wir auf eine solche Art die griechische Geschichte geben, von einer Art Charakteristik des ganzen Griechentums dann übergehen zu den Einzelheiten. Wenn wir in dieser Weise die griechische Geschichte durchnehmen, werden wir gerade die richtige Vorbereitung für eine Empfindung des Christentums in den Kindern hervorrufen.
Nun wird ja mancher von Ihnen mit einem gewissen Recht zunächst das Folgende sagen: Ja, aber da regst du uns ja an, über die Einzel­heiten der Geschichte zunächst zu schweigen und in Bausch und Bogen, im Großen das ganze Griechentum zu charakterisieren, das ist doch nicht eine richtige Methode, denn da geht man nicht aus von den ein­zelnen konkreten Ereignissen, um dann zusammenzusetzen die griechische

Want wanneer we over het Griekendom zo spreken dat dit levendig wordt ervaren, begeven we ons in een materie waarin nog niets christelijks aanwezig is. Maar juist omdat we een langere tijd in het kind de voorstellingen levend houden die t.o.v. het christendom nog heel neutraal zijn, maken we het mogelijk de impuls van de gebeurtenis op Golgotha, de impuls van het ontstaan van het christendom in alle scherpte voor het kind neer te zetten. En we zullen, wanneer we op een dergelijke manier de Griekse geschiedenis geven vanuit een soort karakteristiek van het hele Griekendom, overgaan tot de details. Wanneer we op deze manier de Griekse geschiedenis doornemen, zullen we bij de kinderen juist een goede voorbereiding voor het invoelen van het christendom oproepen. <6>
<7> Nu zullen sommigen van u zeggen: ‘Ja, maar nu spoor je ons aan eerst het niet te hebben over de details van de geschiedenis, en in grote trekken het hele Griekendom in het groot te karakteriseren, dan is dat toch geen goede methode, want daarbij ga je niet uit van aparte concrete gebeurtenissen om dan de Griekse

blz. 189

Geschichte in ihrer Ganzheit aus den einzelnen Ereignissen und so weiter.
Ja, da berühren wir eine bedeutsame methodische Frage, die nicht aus Eigensinn und Vorurteil heraus beantwortet werden sollte, son­dern die beantwortet werden sollte aus einer vollen unbefangenen Er­fassung des Lebens. Ich frage Sie: Ist denn das Leben so, daß es immer das Ganze aus dem Einzelnen zusammensetzt? Bedenken Sie einmal, wenn Sie diese Anforderung an das gewöhnliche Wahrnehmungsleben stellen wollten, so müßten Sie den Menschen anleiten, einen mensch­lichen Kopf, ein menschliches Haupt aus den einzelnen Teilen des Ge­hirns und so weiter, zusammenzusetzen. Wir schauen ja im Leben Ganzheiten unmittelbar an. Wir gewinnen nur dadurch ein lebendiges Verhältnis zum Leben, daß wir Ganzheiten unmittelbar anschauen, und es handelt sich niemals darum, daß wir in willkürlicher Weise von dem Teile zu den Ganzheiten übergehen, sondern daß man dasjenige, was im Leben als eine Ganzheit auftritt, auch als eine Ganzheit charak­terisiert. Ja, für den Griechen selber, da war es so, daß er in irgend­einem Jahrzehnt lebte, und daß er die Eindrücke, die dieses Jahrzehnt geben konnte, als einzelner Mensch erlebte.

in totaliteit uit de aparte gebeurtenissen samen te stellen enz.
Ja, hier raken we een belangrijke methodische vraag die niet eigenzinnig en bevooroordeeld beantwoord moet worden, maar vanuit een volledig onbevangen opvatting over het leven. Ik vraag u: is het dan zo in het leven dat het geheel altijd vanuit de delen gevormd wordt? Denk eens wanneer u deze eis aan het gewone waarnemingsleven zou willen stellen, dan zou je de mens aansporen een menselijk hoofd uit de losse delen van de hersenen enz. samen te stellen. In het leven zien we direct het geheel. We krijgen alleen een levende verhouding tot het leven doordat we meteen totaliteiten waarnemen en het gaat er nooit om op een willekeurige manier van de delen naar het geheel te gaan, maar om wat er in het leven zich als totaliteit voordoet, ook als totaliteit te karakteriseren. Ja, voor de Griek zelf was het zo, dat hij in een of ander decennium leefde en dat hij de indrukken die dit op hem maakte, meebeleefde.

Dasjenige aber, was heute noch lebendig ist vom Griechentum, das hat sich zusammengefaßt, das bildet ein Ganzes, und über das schauen wir hinweg, wenn wir nicht, ausgehend von diesem Lebendigen, den ganzen Kreis des Griechentums vor das Kind charakterisierend hinstellen.
Und noch eine mehr praktische Frage erledigt sich dadurch. Ich habe es immer wieder und wiederum erleben müssen, was es wirklich im einzelnen heißt: der Lehrer wird mit seinem Unterrichtsstoff im Jahre nicht fertig. Das ist eigentlich etwas, was in doppelter Hinsicht zu einem Unfug führt, denn erstens wird man eben nicht fertig, das ist der eine Unfug; zweitens aber wird oftmals, damit man fertig wird, in den letzten Wochen so überhudelt, daß das ganz vergebliche Arbeit ist, daß das überhaupt gar nichts heißt, was man in den letzten Wochen macht. Hat man aber zuerst einen großen Kreis umfaßt, hat man den Zeitraum, den man für die betreffende Klasse nehmen will – die Klassenabteilungen, den Lehrplan und die Lehrziele werden wir noch besprechen -, vor die Kinder hingestellt, dann schadet es gar nicht so viel, wenn man in der Betrachtung der Einzelheiten da oder dort über manches hinweggehen muß und dergleichen. Denn wie leicht ist es dem Menschen im Leben, wenn er einen Überblick über eine Sache

Maar wat tegenwoordig nog van het Griekendom leeft, is één geheel geworden, het vormt een totaliteit en daar kijken we overheen wanneer we niet uitgaand van dit levende, het hele domein van het Griekendom, karakteriserend voor het kind neerzetten. <7>
<8> En daardoor wordt nog een meer praktische vraag beantwoord. Ik heb het steeds weer meegemaakt, wat het concreet betekent: de leraar komt met de onderwijsstof in het jaar niet klaar. Dat is eigenlijk iets wat in dubbel opzicht tot iets onbehoorlijks leidt, ten eerste krijg je de lesstof niet af, dat deugt niet; ten tweede echter wordt er om het wél af te krijgen, de laatste weken zo afgeraffeld, dat dat werk voor niks is, dat het geen naam mag hebben, wat daar de laatste weken gebeurt. Heb je echter eerst het grote overzicht in de gaten, heb je de tijdsduur voor de betreffende klas bepaald – de klassen, het leerplan en de leerdoelen zullen we nog bespreken – en dat de kinderen meegedeeld, dan is het niet zo erg wanneer je bij het beschouwen van de details hier of daar eens iets moet weglaten en dergelijke. Want hoe gemakkelijk is het niet voor de mens, wanneer hij overzicht over een zaak

blz. 190

hat, sich besonders in unserer Zeit in den Konversationslexika das ein­zelne nachzusehen. Keinen Überblick bekommen zu haben, das ist unter Umständen ein bleibender Verlust für das Leben. Denn einen rechten Überblick bekommt man nur unter der Anleitung einer leben­digen Persönlichkeit. Einzelheiten aufnehmen kann man auch aus einem Buche.
Dies muß man doch als ein sehr Wichtiges in der pädagogischen Kunst berücksichtigen. Das ist sogar etwas, was bei den Lehrerprüfun­gen im ausgesprochensten Maße berücksichtigt werden sollte. Würde mit Bezug auf die Lehrerprüfungen dasjenige durchgeführt, was ich versuchte – es ist ja natürlich das im Anfange – für die Waldorfschule in Stuttgart geltend sein zu lassen, so würde man eben sagen: Bei der Lehrerprüfung sollte es eben darauf ankommen, sich von der Gesamt-verfassung des Lehrers in bezug auf ein Weltbild zu überzeugen und im übrigen die einzelnen Kenntnisse dem überlassen, was er für nötig findet für den einzelnen Unterricht von Stunde zu Stunde, von Tag zu Tag vorbereitend durchzunehmen. Daß man bei Lehrerprüfungen Ein­zelheiten verlangt, das ist überhaupt ein Unfug. Es kommt darauf an, den Gesamteindruck zu bekommen, ob irgend jemand als Lehrer ge­eignet ist oder nicht.

heeft, speciaal wanneer hij in deze tijd in de encyclopedie de details wil zien. Wanneer je geen overzicht hebt gekregen, is dat onder bepaalde omstandigheden een blijvend manco in het leven. Want een goed overzicht krijg je alleen onder leiding van een levendige persoonlijkheid. Details kun je ook uit een boek halen.
Dat moet je toch als een heel belangrijk punt in de pedagogische kunst beschouwen. Het is zelfs iets, wat bij de lerarenexamens zeer uitgesproken in acht zou moeten worden genomen. Zou wat betreft die lerarenexamens doorgevoerd zijn wat ik probeerde – het staat nog maar aan het begin – voor de vrijeschool in Stuttgart te laten gelden, dan zou men zeggen: ‘Bij het lerarenexamen komt het erop aan zich ervan te overtuigen wat de totale grondhouding van de leraar is m.b.t. een wereldbeeld en voor de rest de feitenkennis over te laten aan wat hij nodig vindt om voor iedere les, van uur tot uur, van dag tot dag, als voorbereiding door te werken.’  Dat men bij lerarenexamens feiten wil, is zeer zeker iets wat niet klopt. Het komt erop aan een totaalindruk te krijgen of iemand als leerkracht geschikt is of niet.

Natürlich darf man diese Dinge auch nicht pres­sen. Man darf selbstverständlich nicht glauben, daß man alle diese Dinge bis ins Extreme treiben darf. Aber im wesentlichen gilt das, was ich gesagt habe.
Nun wird man all das, was ich charakterisiert habe, als heute noch lebendig, gewissermaßen als einen Übergangsimpuls zum Griechentum betrachten können. Dann aber wird man übergehen können zu dem, was auch heute lebendig ist, was aber im Griechentum noch nicht lebendig war. Man wird vor allen Dingen nun sich lebendig unter­halten können mit dem Schüler über einen solchen Begriff wie all­gemeine Menschenwürde. Man wird sich unterhalten können über einen solchen Begriff wie individuelles Bewußtsein des Menschen, na­türlich alles in elementarer Weise. Den Begriff der allgemeinen Men­schenwürde, den hatten die Griechen nicht. Sie hatten den Begriff der Polis, den Begriff einer Gemeinschaft, der der Einzelne angehörte. Darnach waren die einzelnen eingeteilt: Herren, Sklaven. Den eigent­lichen Fundamentalbegriff des Menschen hatten sie nicht. Darüber unterhält man sich nun mit den Schülern. Man unterhält sich ferner mit den Schülern über den Begriff des allgemein Menschlichen, de

Natuurlijk moet je deze dingen niet dwingen. Je moet vanzelfsprekend ook niet geloven dat je al deze dingen tot in het extreme moet doen. Maar in wezen geldt, wat ik heb gezegd.
Alles wat ik nu gekarakteriseerd heb, moet je als iets wat tegenwoordig nog levend, in zekere zin als een overgangsimpuls naar het Griekendom, kunnen beschouwen.<8>
<9> Dan zou je over kunnen stappen naar iets wat tegenwoordig ook nog leeft, maar wat bij de Grieken nog niet leefde. Je zou vooral op een levendige manier met de leerlingen kunnen spreken over zo’n begrip als universele menswaardigheid. Je kunt over zo’n begrip als individueel bewustzijn van de mens spreken, natuurlijk allemaal op een elementaire manier. Het begrip van de universele menswaardigheid kenden de Grieken niet. Ze hadden het begrip van de polis, het begrip van de gemeenschap waartoe de enkeling behoorde. Daar waren de enkelingen bij ingedeeld: meesters, slaven. Het eigenlijke fundamentele mensbegrip hadden ze niet. Daarover praat je nu met de leerlingen. Verder ook met het algemeen menselijke, dat

blz. 191

weil wir wirklich in der heutigen Zeit nicht genug christlich sind, gar nicht so sehr in dem Menschen lebendig ist, aber, ich möchte sagen, durch die Naturgeschichte, die Geschichte sehr wohl in den Kindern lebendig werden kann. Dieser Begriff des allgemein Menschlichen kann etwa so erweckt werden: Man stellt vor die Kinder hin das Abendmahl des Leonardo – es ist ja eigentlich nur noch seinem Sinne nach da, es sind einige Farbflächen noch vorhanden in Mailand davon -, dasje­nige, was Leonardo mit diesem Bilde einmal gewollt hat, davon kann man sich heute, ich möchte sagen, nur hellsichtig noch einen Begriff machen, aber der Gedanke des Bildes, er ist noch da. Er ist lebendig zu machen, indem man das Bild vor die Kinder hinstellt. Hat man da diese zwölf Apostel mit dem Herrn in der Mitte, dann ist man in der Lage, tatsächlich an diesem Bilde klarzumachen, daß zwölf Menschen da sind, zwölf Menschen, die vom Künstler selbst schon in ihren Stel­lungen mit den verschiedensten Gesinnungen dargestellt worden sind, vom hingebungsvollen Johannes bis zum verräterischen Judas. Man kann gewissermaßen alle menschlichen Charaktere an diesen zwölf Bildern entwickeln.

omdat we tegenwoordig niet christelijk genoeg meer zijn, helemaal niet zo in de mens leeft, maar door de biologie, de geschiedenis wel levend kan worden in de kinderen. Het begrip voor het algemeen menselijke kan bijv. zo gewekt worden: je laat de kinderen Het Avondmaal van Leonardo zien – het is er eigenlijk alleen nog maar als idee, er zijn nog wat schildervlakken van in Milaan* – van wat Leonardo eens met dit beeld wilde, kun je je alleen tegenwoordig maar helderziend een begrip vormen, maar de idee van het beeld is er nog. Je kunt het levend maken als je de kinderen het beeld laat zien. Wanneer je de twaalf apostelen hebt, met de Heer in het midden, dan ben je in staat, aan dit beeld daadwerkelijk duidelijk te maken dat er twaalf mensen zijn, twaalf mensen die door de kunstenaar zelf al in hun houdingen en met de meest verschillende stemmingen afgebeeld zijn, van Johannes, vol overgave tot de verraderlijke Judas. Je kan in zekere zin alle menselijke karaktertrekken aan deze twaalf beelden ontwikkelen.

Man kann den Kindern zeigen, wie die Menschen-charaktere verschieden sind, und man weist dann darauf hin, wie in der Mitte der Herr sich verhält zu jedem einzelnen, und man wird den Kindern sagen können: Nehmt meinetwillen irgend jemanden, der aus einem fremden Himmelskörper herunterkommt – man braucht es nicht in der Weise zu sagen, aber man kann es so klarmachen -, nehmt irgend jemanden, der von einem fremden Himmelskörper herunterkommt und alle Bilder auf der Erde sieht – ein solches Wesen braucht nur die zwölf Menschen anzuschauen, und dann das verklärte Antlitz in der Mitte, und es weiß als ein ganz erdenfremdes Wesen: Das hat etwas zu tun mit dem, was der Erde Sinn gibt. Daß einmal eine Zeit da war in der Erdentwickelung, die Vorbereitung war, daß dann eine andere Zeit kam, auf die gewartet wurde, und die gegenüber der Vorbereitung eine Art Erfüllung gibt, daß mit der ganzen irdischen Menschheits­entwickelung dieses Ereignis von Golgatha zusammenhängt, daß die Erde keinen Sinn hätte in ihrer Entwickelung, wenn dieses Ereignis nicht eingetreten wäre, das ist etwas, was man klarmachen kann. Das ist also, was auch heute noch lebendig ist, was sehr leicht belebt werden kann, insofern es in unserer halb heidnischen Zeit wiederum erstorben ist. Kurz, darum handelt es sich, daß man jetzt gewissermaßen das zweite Zeitalter des Menschen klarmacht. Das ist das Zeitalter, das im

Je kan de kinderen laten zien, hoe verschillend mensen in hun karakter zijn en dan wijs je erop hoe de Heer in het midden t.o.v. ieder individu staat en je kan tegen de kinderen zeggen: ‘Neem wat mij betreft een of ander persoon die vanaf een vreemd hemellichaam naar beneden komt – je hoeft het niet zo te zeggen, maar zo kun je het duidelijk maken – neem iemand die van een andere planeet komt en alle beelden van de aarde ziet – zo’n wezen hoeft maar naar die twaalf mensen te kijken en dan naar het bezielde gezicht in het midden en als wezen dat niet thuis is op aarde, weet het: dat heeft te maken met wat zin aan de aarde geeft. Dat er eens een tijd was in de aardeontwikkeling als voorbereidingstijd, dat er dan een andere tijd kwam waarop werd gewacht en die t.o.v. de voorbereiding een soort vervulling gaf, die met de hele aardse mensheidsontwikkeling van deze gebeurtenis op Golgotha samenhangt, dat het voor de aarde in haar ontwikkeling geen zin zou hebben gehad als deze gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden, dat is iets wat je duidelijk kunt maken. Dat leeft ook nu nog, dat kan heel makkelijk weer gaan leven, voor zoverre het in onze halve heidense tijd niet gestorven is. Kortom, het gaat erom dat je in zekere zin het tweede tijdperk van de mens duidelijk maakt. Dat is het tijdperk dat in

blz. 192

Gegensatz zu dem Schaffen von Begriffen, von künstlerischem Emp­finden zu alle dem, was eigentlich nur entstehen konnte, indem eine Aristokratie der Menschheit es ausbrütete, das im Gegensatze zu dem, was eben als Erbschaft geblieben ist, auftrat mit der Entstehung des Christentums: das allgemein Menschliche.
Nun kann man zeigen, indem man jetzt erst die römische Geschichte nachholt, wie die römische Geschichte nach irgend etwas hin tendiert, was eigentlich in sich selbst kaum eine Bedeutung hat; denn es wird dem unbefangenen Betrachter der römischen Geschichte klarwerden, wie groß eigentlich der Abstand dieses römischen Volkes von dem griechischen Volke ist. Das griechische Volk hat uns und den Römern
– denn die Römer waren die Schüler der Griechen in wirklich allem bedeutenden Menschlichen -, das Griechentum hat uns und den Rö­mern dasjenige gegeben, was geblieben ist. Die Römer für sich, sie waren ein phantasieloses Volk, ein Volk, welches eigentlich nur sich vorbereitet hat durch den Bürgerbegriff zum christlichen Menschen-begriff. Den Einschlag des Christentums in das Römertum kann man dem Kind in diesem Lebensalter durchaus schon beibringen und damit auch zeigen, wie die alte Welt Stück für Stück zugrunde geht und das Christentum Stück für Stück sich im Abendlande verbreitet.

tegenstelling tot het creëren van begrippen, van kunstzinnig gevoel voor alles wat eigenlijk alleen maar kon ontstaan wanneer een aristocratie van de mensheid het uitdacht, dat in tegenstelling tot wat als erfenis gebleven is, optrad met het ontstaan van het christendom: het algemeen menselijke. <9>
<10>Nu kun je laten zien, wanneer je nu de Romeinse geschiedenis er nog bijhaalt, hoe deze naar iets neigt wat eigenlijk op zich nauwelijks betekenis heeft; want het zal de onbevangen onderzoeker van de Romeinse geschiedenis duidelijk worden, hoe groot eigenlijk de afstand van dit Romeinse volk tot het Griekse volk is. Het Griekse volk heeft ons en de Romeinen – want de Romeinen waren de leerlingen van de Grieken van werkelijk alles wat voor de mens van betekenis is – het Griekendom heeft ons en de Romeinen datgene gegeven wat gebleven is. De Romeinen op zich, het was een fantasieloos volk, een volk dat zich eigenlijk slechts voorbereid had door het begrip van burger tot het christelijke begrip van mens. De impuls van het christendom bij de Romeinen kan je een kind op deze leeftijd al wel bijbrengen en daarmee ook laten zien, hoe de oude wereld geleidelijk ten onder gaat en het christendom zich geleidelijk in het Avondland verbreidt.

Ich möchte sagen: Das erste Jahrtausend des Christentums gewinnt dadurch einen gewissen einheitlichen Charakter. Es ist die Verbreitung des allgemei­nen Menschenbegriffes. Und wenn man einen so lebendigen, einen so intensiven Begriff von dem Einschlag des Christentums in die Mensch­heitsentwickelung an die Kinder heranbringt, dann bekommt man auch die Möglichkeit, das ganze neue Zeitalter nun für die Menschen­kinder zu charakterisieren.
Nachdem das erste Jahrtausend christlicher europäischer Entwicke­lung vorüber ist, beginnt doch wiederum etwas ganzNeues. Dieses ganz Neue bereitet sich langsam vor. Dasjenige tritt klar in die Menschheits­entwickelung ein, was, ich möchte sagen, das Allerprosaischste ist für uns. Für unsere Nachkommen in Jahrtausenden wird die Sache anders liegen, aber wir müssen selbstverständlich heute »Geschichte« für unsere Zeit lehren. Wir blicken also zurück ins Griechentum, in dasjenige, was heidnisch sein darf, künstlerisches Leben, Vorstellungsleben und so weiter, wir blicken zurück in das erste Jahrtausend christlicher Ent­wickelung und finden das europäische Gefühlsleben gerade darin ent­wickelt; und wir finden dann in dem, was nach dem ersten Jahrtausend

Het eerste millennium van het christendom krijgt daardoor het karakter van een zekere eenheid. Het is de verbreiding van het algemene begrip mens. En wanneer je een zo levend, een zo intensief begrip van de impuls van het christendom in de ontwikkeling van de mensheid aan de kinderen leert, krijg je ook de mogelijkheid het geheel nieuwe tijdperk voor de kinderen te karakteriseren.
Nadat het eerste millennium van de christelijke Europese ontwikkeling voorbij is, begint totaal weer iets heel nieuws. Dit bereidt zich langzaam voor. Het verschijnt duidelijk in de mensheidsontwikkeling als het meest prozaïsche voor ons. Voor onze nakomelingen in duizenden jaren zullen de zaken anders liggen, maar wij moeten vanzelfsprekend vandaag ‘geschiedenis’ voor onze tijd leren. Wij kijken dus terug naar de Grieken, naar wat niet-christelijk mag zijn, kunstzinnig leven, voorstellingsleven enz., we blikken terug naar  het eerste millennium van christelijke ontwikkeling en vinden de ontwikkeling van het Europese gevoelsleven juist daar; en we vinden dan in wat na het eerste millennium

blz. 193

christlicher Entwickelung eintritt, das europäische Willensleben, vor allen Dingen zunächst dadurch herankommend, daß die wirtschaft­lichen Angelegenheiten für die Menschen Gegenstand eines ausgebilde­ten Nachdenkens werden, Gegenstand von Schwierigkeiten werden. Sie wurden früher in viel naiverer Weise besorgt, als sie nachher be­sorgt werden. Und mit dem zusammenhängend dann versucht man gerade zu schildern, wie die Erde ein einheitlicher Schauplatz wird für die Menschen, wie sie es wird durch die Entdeckungsfahrten, wie sie es wird durch die Buchdruckerkunst, und man versucht, diesen letzten Zeitraum als denjenigen zu erfassen, in dem wir eben noch drinnen-stehen. Da wird man nicht mehr in einer solchen Weise große Gesichts­punkte, wie für die griechische Zeit und für die christlich-römische Zeit mit einer Nachwirkung in das mitteleuropäische Leben herein darstel­len können; da wird man dann mehr oder weniger zerfallen lassen müssen dasjenige, was vom 11., 12., 13.Jahrhundert an und so weiter geschehen ist, in Einzelheiten. Aber gerade dadurch wird man von dem in dieser Zeit in die Geschichte eintretenden Völkerwillensleben die richtige Empfindung in dem Kinde erwecken.

van christelijke ontwikkeling optreedt, het Europese wilsleven, vooral eerst opkomend doordat de handelszaken voor de mensen onderwerp worden om uitgebreid over na te denken, onderwerp worden van problemen. Die werden vroeger op een veel naïevere manier afgehandeld dan later. En daarmee samenhangend probeer je dan te schetsen hoe de wereld een meer eenheid vertonend toneel wordt voor de mensen, hoe dat komt door de ontdekkingsreizen, door de boekdrukkunst en je probeert dit laatste tijdperk op te vatten als het tijdperk waar we nu nog in zitten. Dan zal je niet meer op zo’n manier grote gezichtspunten neer kunnen zetten zoals je kon doen voor de Griekse tijd, voor de christelijk-Romeinse tijd met de nawerking in het Midden-Europese leven; dan zal je daar min of meer, wat er vanaf de 11e, 12e, 13e eeuw enz. gebeurd is, dat in details moeten opsplitsen. Maar juist daardoor zal je voor wat er vanaf deze tijd in de geschiedenis als verschijnend wilsleven van de volkeren begint te leven, bij het kind het juiste gevoel wekken.<10>

Was erreicht man dadurch, daß man dieses tut? Sehen Sie, dadurch treibt man nicht Kausalgeschichte und auch nicht pragmatische Ge­schichte, all die schönen Dinge, die zeitweilig so bewundert worden sind. Was heißt denn Kausalgeschichte? Ich sagte es schon, es setzt vor­aus, daß immer das Folgende als die Wirkung des Vorhergehenden entstanden ist. Aber wenn man eine Wasseroberfläche hat, und man sieht aufeinanderfolgende Wellen – wird man denn jede folgende Welle als die Wirkung der vorhergehenden ansehen dürfen? Wird man denn da nicht in den Tiefen des Wassers die Ursache suchen müssen, die gemeinsame Ursache für die Folgen der Wellen? In der Geschichte ist es nicht anders. Man übersieht das Wichtigste, wenn man nur nach dem Zusammenhange von Ursache und Wirkung sieht. Man übersieht dasjenige, was in den Tiefen der Menschheitswerdenskräfte waltet, welche die einzelnen Erscheinungen im Laufe der Zeit an die Ober­fläche bringen, so daß sie sich nicht bloß darstellen unter dem Gesichts­punkt von Ursache und Wirkung. Dasjenige, was in einem Jahrhun­dert geschieht, ist nicht bloß die Wirkung desjenigen, was im früheren Jahrhunderte geschehen ist, sondern es ist selbständig – nebenbei, daß es Wirkung ist -, es ist selbständig, ich möchte sagen, aus den Tiefen des Menschenwerdestromes an die Oberfläche getragen.

<11> Wat bereik je ermee dit zo te doen? Kijk, daardoor geef je geen causaliteitsgeschiedenis en ook geen pragmatische geschiedenis, al dat moois, wat tijdelijk zo werd bewonderd. Wat is dan causaliteitsgeschiedenis? Ik zei al, het gaat ervan uit, dat steeds het volgende als de werking van het voorafgaande ontstaan is. Maar wanneer je een wateroppervlak hebt en je ziet de na elkaar aankomende golven, mag je dan iedere volgende golf als de werking van de voorafgaande beschouwen? Moet je de oorzaak dan niet in de diepte van het water zoeken, de gemeenschappelijke oorzaak voor de golven die volgen? In de geschiedenis is het niet anders. Je kijkt over het belangrijkste heen, wanneer je alleen kijkt naar de samenhang van oorzaak en gevolg. Je kijkt over datgene heen wat in de diepte van de krachten bij het worden van de mensheid gaande is, die de afzonderlijke verschijnselen in de loop van de tijd aan de oppervlakte brengen, zodat die zich niet alleen maar vertonen onder het gezichtspunt van oorzaak en gevolg. Wat in de ene eeuw gebeurt, is niet alleen maar het gevolg van wat in een eerdere eeuw gebeurd is, maar staat op zich, laat staan dat het een gevolg is – , het staat op zich en is op zich staand, uit de diepten van de stroom van de menswording aan de oppervlakte gebracht.

blz. 194

Davon kann man im kindlichen Lebensalter einen Eindruck hervor­rufen. Und man muß ihn in dieser Zeit hervorrufen. Denn wenn man Lhn nicht in diesem Alter hervorruft, dann bleibt der Mensch eigen­sinnig, bleibt bei seiner pragmatischen oder kausalen Geschichte. Er er­starrt dann in seiner Auffassung des geschichtlichen Werdens und ist später eigentlich wenig mehr geneigt, etwas aufzunehmen von dem, was eigentlich Zukunft hat, und was ich im Gegensatz zu aller übri­gen Geschichtsdarstellung nennen möchte die symptomatologische Ge­schichte. Wer symptomatologische Geschichtsbetrachtungen treibt, wird nicht glauben, man müsse an die geschichtlichen Ereignisse unmittelbar herangehen und sie schildern um ihrer selbst willen, sondern er wird sie als Symptome eines tieferen Werdens betrachten und sich sagen:
Wenn in einem bestimmten Zeitalter, sagen wir, der Gutenberg auf-tritt und die Buchdruckerkunst findet, so hängt das zusammen mit etwas, was in den Tiefen der Menschheit geschieht. Und die Auf­findung der Buchdruckerkunst ist nur ein Symptom dafür, daß die Menschheit in dieser Zeit reif geworden ist, von gewissen bloß kon­kreten Vorstellungen zu abstrakten überzugehen. 

Daarvan kun je in de kinderleeftijd een indruk oproepen. En die moet je in deze tijd oproepen. Want doe je dat op deze leeftijd niet, dan blijft de mens eigenzinnig, blijft bij zijn pragmatische of causale geschiedenis. Hij wordt dan star in zijn opvattingen over de geschiedkundige wording en is later eigenlijk weinig meer genegen iets op te nemen van iets wat eigenlijk toekomst heeft en wat ik in tegenstelling tot alle andere geschiedschrijving de symptomatologische geschiedenis noem. Wie geschiedenis symptomatologisch bekijkt, zal niet geloven dat je meteen de geschiedkundige gebeurtenissen moet nemen en die schetsten om ze te schetsen, maar die zal ze als symptomen van een dieper worden bekijken en zeggen: wanneer er in een bepaalde tijd – laten we zeggen – sprake is van Gutenberg die de boekdrukkunst ontdekt, dan hangt dat samen met iets wat in een diepere laag van de mensheid gebeurt. En de uitvinding van de boekdrukkunst is er maar een symptoom van, dat de mensheid in deze tijd rijp geworden is van bepaalde enkel concrete voorstellingen over te gaan tot abstracte.

 Indem man dasjenige Leben antritt im Laufe der Zeit, das zusammengehalten wird mehr durch den Druck, als durch die unmittelbar gründlichen Inhalte, wird das Leben wesentlich verabstrahiert oder ins Abstrakte getrieben.
Wie im Verlaufe des geschichtlichen Werdens das Leben verabstra­hiert, ins Abstrakte getrieben wird, davon machen wir uns in der Regel überhaupt keine Vorstellung. Denken Sie doch nur einmal, um ein kleines zu sagen, ich kann sagen: Mein Rock ist schäbig. Darüber hat heute jeder eine Vorstellung, wenn ich sage: Mein Rock ist schäbig. Aber er wird nicht sich klarwerden darüber, was das eigentlich heißt. Es heißt, daß das, was ich da meine, ursprünglich etwas mit den Scha­ben, mit den kleinen Insekten zu tun hat. Röcke hat man hängen-lassen in Schränken, hat sie nicht ordentlich gebürstet, und da sind diese kleinen Insekten, diese Schaben, gekommen und haben den Rock zerfressen. Man hat Löcher. Und aus dem Zerstören von Röcken durch Schaben ist das Wort »schäbig« entstanden. Das ist der Übergang vom Konkreten zum Abstrakten. Dieser Übergang vom Konkreten zum Abstrakten vollzieht sich in der Menschheit immerfort, und auf den sollten wir eigentlich aufmerksam sein. Sehen Sie, in meiner Gegend, wo ich aufgewachsen bin, in dieser österreichischen Gegend, da redeten die Bauern sehr konkret vom Nachtschlaf. Der Nachtschlaf war für sie

Wanneer men in de loop van de tijd het leven binnenstapt waarin er meer verband is door de drukpers dan door zonder omwegen iets zeer inhoudelijks, dan wordt het leven in belangrijke mate abstracter of tot abstracties geforceerd.
Hoe in de loop van de geschiedkundige wording het leven geabstraheerd is, tot abstracties geforceerd is, daarvan maken wij ons in de regel helemaal geen voorstelling. Bedenk eens, om een klein voorbeeld te geven: mijn jas is mottig. Als ik dat zeg, heeft iedereen daar wel een voorstelling van. Maar het wordt hem niet duidelijk, wat dat eigenlijk betekent. Het betekent dat wat ik daar zeg, oorspronkelijk met motten, met die kleine insecten te maken heeft. Jassen heeft men in kasten laten hangen, ze niet naar behoren geborsteld en toen zijn deze kleine insecten, de motten, gekomen en hebben de jas aangevreten. Er zitten gaatjes in. En door het beschadigen van jassen door motten is het woord ‘mottig’ ontstaan. Dat is de overgang van concreet naar abstract. Deze overgang voltrekt zich in de mensheid steeds weer en daar moeten we eigenlijk op letten. In de omgeving waarin ik ben opgegroeid, in deze Oostenrijkse omgeving, spraken de boeren zeer concreet over de “nachtslaap”. De nachtslaap was voor hen

blz. 195

nicht jenes Abstraktum, an das wir heute denken, wenn wir sagen: der Nachtschlaf; sondern der Bauer rieb sich die Augen aus und das, was da in den Augenecken am Morgen drinnen war, was er herausrieb, diese konkrete Absonderung, die nennt er den Nachtschlaf, und einen anderen Begriff von dem Nachtschlaf hat er nicht, er muß erst auf den abstrakten Begriff des Nachtschlafes gebracht werden. Allerdings, diese Dinge sterben aus. Wir Älteren erinnern uns, wenn wir gerade unsere Jugend nicht in der Stadt zugebracht haben, sondern auf dem Lande, wie alles konkret war. Aber es ist sozusagen mit dem 19. Jahrhundert mehr oder weniger ausgestorben. Ich könnte Ihnen eine ganze Anzahl solcher Beispiele vorbringen, und Sie wirden kaum glauben, daß in solch konkreter Weise auf dem Lande gedacht wird. Man kann sehr Merkwürdiges erleben. Es gibt einen österreichischen Dialektdichter, der sehr schöne Dinge gemacht hat, die die Stadtleute alle bewundert haben, aber eben nur die Stadtleute, denn die Landleute verstehen sie nicht, weil er alle Worte so gebraucht, wie sie die abstrakten Stadtleute gebrauchen. Das versteht der auf dem Lande aber gar nicht, weil der konkrete Dinge im Auge hat, so daß alles für ihn etwas ganz, ganz anderes bedeutet.

niet zo’n abstractie waaraan wij nu denken als we zeggen: de nachtslaap; maar de boer wreef in zijn ogen en wat er ’s morgens in zijn ooghoeken zat, wat hij eruit wreef, wat daar concreet uitgescheiden was, noemde hij nachtslaap en een ander begrip van nachtslaap had hij niet, tot het abstracte begrip nachtslaap moest hij eerst gebracht worden. Maar ja, deze dingen sterven uit. Wij ouderen weten het nog, als we dus niet onze jeugd in de stad hebben doorgebracht, maar op het platteland, waar alles concreter was. Maar dat is met de 19e eeuw min of meer uitgestorven. Ik zou u heel wat van dergelijke voorbeelden kunnen geven en u zou het nauwelijks geloven dat er op zo’n concrete manier op het platteland gedacht werd. Je kunt er veel opmerkelijks aan beleven. Er is een Oostenrijkse dialectdichter, die veel mooie dingen heeft gemaakt, die de mensen uit de stad alle bewonderden, maar alleen de mensen uit de stad, want de mensen van het land begrijpen ze niet, omdat hij alle woorden zo gebruikt als de abstracte stadsmens doet. Die van het boerenland begrijpt dat helemaal niet, omdat hij concrete dingen voor ogen heeft, zodat voor hem alles iets heel, heel anders betekent.

Ich will nur daran erinnern, daß zum Beispiel, wenn dieser österreichische Dialektdichter in seinem Gedichte von der Natur spricht, er für den Bauern ganz unverständlich ist, weil der Bauer die­sen Begriff der Natur, den der gebildete Mensch hat, überhaupt nicht hat, sondern unter Natur etwas sehr, sehr Konkretes versteht. So könnte man überall Beispiele anführen, welche zeigen würden, wie der Übergang vom Konkreten zum Abstrakten im ganzen Werdegang der Menschheit bedingt ist, und wie über die ganze Menschheit eine Welle von Abstraktionsneigung sich ergießt mit der Buchdruckerkunst. Die Menschen filtrieren gewissermaßen unter demEinfluß der Buchdrucker-kunst ihre Begriffe.
Dann wäre es nicht schlecht, wenn man den Kindern aus der neueren Geschichte heraus gewisse Begriffe beibringen würde, die eigentlich dem Leben gegenüber objektiv machen. Es würde zum Beispiel viel weniger deklamiert werden von Bekämpfung des Kapitalismus und so weiter, wenn nicht die Menschen, die heute diese Dinge reden, so redeten, als wenn sie über diese Dinge gar nichts gehört hätten und gar keine Vor­stellung davon hätten, daß es eigentlich gar nichts heißt, wenn man einfach wütend loszieht über den Kapitalismus; denn es hat gar nichts zu tun mit dem, was die Leute eigentlich wollen. Es beruht bloß darauf

Ik wil er alleen maar aan herinneren, dat bijv. wanneer deze dichter over de natuur spreekt, hij voor de boeren totaal niet te begrijpen is, omdat de boer dit begrip van de natuur die de geschoolde mens heeft, echt niet heeft, maar onder natuur iets heel, heel concreets verstaat. Zo zou je overal voorbeelden kunnen aangeven die zouden laten zien hoe de overgang van het concrete naar het abstracte in de gehele wording van de mensheid veroorzaakt is en hoe de hele mensheid door de boekdrukkunst overspoeld wordt met een golf van een hang naar abstractie. De mensen filteren in zekere zin onder invloed van de boekdrukkunst hun begrippen.
Dan zou het niet verkeerd zijn, wanneer je aan de kinderen over de nieuwere geschiedenis bepaalde begrippen leert die eigenlijk wat het leven betreft, objectief maken. Er zou bijv. veel minder pathetisch over de bestrijding van het kapitalisme gepraat worden enz., wanneer de mensen die tegenwoordig over deze dingen spreken, dat zo zouden doen, alsof zij van deze dingen helemaal niets hadden gehoord en er helemaal geen voorstelling van hadden, dat het eigenlijk helemaal niets betekent wanneer je woedend tegen het kapitalisme tekeergaat, want het heeft helemaal niets van doen met wat men eigenlijk wil. Het berust alleen maar

blz. 196

daß die Leute über die Bedeutung von Kapitalismus und so weiter bloß keine ordentliche Vorstellung bekommen haben. Daher werden auch meine Bücher, wie »Die Kernpunkte der sozialen Frage«, so un­verständlich gefunden, weil die aus dem Leben heraus geschrieben sind, nicht aus den phantastischen Einbildungen der heutigen Agitatoren.
Für eine lebensvolle Betrachtung des Geschichtlichen ist es so not­wendig, daß man wirklich die äußeren Ereignisse so faßt, daß sie Sym­ptome für ein verborgenes Inneres sind, auf das man aber ahnend immer niehr und mehr kommt, wenn man diese Symptome betrachtet. Betrachtet man die Geschichte einmal symptomatologisch, dann kommt man schon nach und nach darauf, daß zuerst ein Aufstieg, dann ein höchster Gipfel mit Bezug auf gewisse Ereignisse erreicht wird, dann wiederum ein Abstieg. Und hier ist das Ereignis von Golgatha. Wenn man die Geschichte so betrachtet, daß die äußeren Ereignisse Zeugen sind für innere Vorgänge, dann steigt man aus dem Geschichtlichen nach und nach in das Religiöse hinein, dann vertieft sich in der Tat die Geschichte von selbst in das Religiöse hinein. 

op het feit dat de mensen over de betekenis van het kapitalisme enz. helemaal geen juiste voorstelling hebben gekregen. Daarom worden ook mijn boeken ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk’ [1] zo onbegrijpelijk gevonden, omdat die vanuit het leven geschreven zijn, niet vanuit de onwerkelijke hersenschimmen van de tegenwoordige opruiers.
Voor een levensecht beschouwen van de geschiedenis is het zo nodig, dat je werkelijk de uiterlijke gebeurtenissen zo opvat, dat ze symptomen zijn voor iets wat innerlijk verborgen aanwezig is, waarop je echter voorvoelend steeds meer komt, als je naar deze symptomen kijkt. Als je eenmaal de geschiedenis symptomatologisch beschouwt, kom je er langzamerhand achter dat er eerst een toenemende ontwikkeling is, dan wordt m.b.t. verschillende gebeurtenissen een hoogtepunt bereikt, dan loopt het weer af. En neem de gebeurtenis op Golgotha. Wanneer je de geschiedenis zo beschouwt, dat de uiterlijke gebeurtenissen getuigen zijn van innerlijke processen, kom je vanuit het historische langzamerhand tot het religieuze, dan vindt er inderdaad vanzelf een verdieping plaats van geschiedenis naar religie.

Und dann bekommt man schon einen Weg, der gefühlsmäßig zum Verständnisse führt desjeni­gen, was man ja schon früher an das Kind heranbringen kann, sagen wir die Evangelien oder das Alte Testament. Aber man kann es nicht früher zum inneren Verständnis bringen. Das ist auch gar nicht nötig. Man bringt es in erzählender Form vor das Kind, und wenn das Kind dann den lebendigen Geschichtsbegriff erhält, dann bekommt auch wiederum der biblische Stoff ein neues Leben. Und das ist gut, daß die Dinge in Etappen ihr volles Leben erst erreichen. Aber vor allen Dingen wird der religiöse Trieb, das religiöse Empfinden vertieft durch Geschichtsbetrachtung in Symptomen.

En dan vind je al een weg die gevoelsmatig tot het begrijpen leidt van wat je al eerder aan het kind kan leren – de evangeliën of het Oude Testament. Maar eerder kun je het kind niet tot een innerlijk begrip brengen. Dat is ook helemaal niet nodig. Je geeft het aan het kind in de vertelvorm en wanneer het kind dan het levende geschiedenisbegrip krijgt, dan krijgt ook de Bijbelse stof weer nieuw leven ingeblazen. En het is goed dat de dingen in fasen pas hun volle leven bereiken. Met name wordt de hang naar het religieuze, het religieuze gevoel verdiept door geschiedenisbeschouwing in symptomen. <11>
GA 301/184-196  
Op deze blog vertaald/184-196

.

Rudolf Steiner over geschiedenisalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3391-3189

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen – autisme (7-1/3)

.
Waarom ik deze oudere berichten toch nog een plaats geef.
.

Maria Hendriks, 01-1985

VOOR- EN TEGENSTANDERS TWISTEN OVER VRAAG OF AFWIJKING TE GENEZEN IS

Autisme vraagt om een serieuze benadering

Opnieuw is de strijd opgelaaid over de vraag of autisme te genezen is en wat de oorzaak ervan is. Is het een hersenafwijking of een afwijking in de relatie tussen moeder en kind? Veertig jaar geleden werd aangenomen dat autisme het gevolg was van een kille houding van de moeder. Nu wordt veelal gedacht aan een hersenbeschadiging. Voor beide theorieën is nog onvoldoende bewijs. Nu een nieuwe behandelmethode is overgewaaid uit Amerika, staan voor- en tegenstanders weer lijnrecht tegenover elkaar.

Autisme is een ernstige stoornis van het vermogen contact te leggen. Een autistisch kind kijkt je niet aan, wil niet aangeraakt worden, lacht niet naar mensen (wel naar lantaarnpalen), luistert ogenschijnlijk niet en leert vaak niet of met zeer grote moeite praten. Autisten doen vreemd. Ze hebben vaak monomane gewoonten: eindeloos schommelen in een stoel of langdurig in een brandende lamp staren. Ze zijn vaak angstig, vooral als de dingen anders gaan dan ze gewend zijn. Tegelijkertijd lijken ze vaak geen angst of gevoel te kennen; branden hun vingers, maar trekken hun hand niet terug.

Autisme is pas als een op zichzelf staande handicap herkend toen Leo Kanner het in 1943 voor het eerst omschreef. Er zijn niet zo veel autistische kinderen, naar schatting vier of vijf op elke tienduizend, [de cijfers kloppen voor 2025 niet meer: het aantal is toegenomen] ongeveer net zoveel als het aantal dove en blinde kinderen. 

De opwinding die nu is ontstaan, is veroorzaakt door de New Yorkse kinderpsychiater Martha Welch, die begin deze maand in Utrecht was om haar ideeën over de behandeling nader toe te lichten.

Welch heeft in Amerika naar eigen zeggen veel succes met de holding-therapie (vasthouden, koesteren). Het contact-onwillige kind wordt net zo lang door de moeder vastgehouden totdat het uit zichzelf toenadering zoekt. De eerste keer zal het zich hevig verzetten en kan het een paar uur duren voordat het kind z’n moeder aankijkt of aanraakt. Het vasthouden moet net zo lang worden herhaald totdat het autistische gedrag is verdwenen.

Verzet

Welch was in Utrecht op uitnodiging van de afdeling stem- en spraakstoornissen van de universeit. De afdeling kinderpsychiatrie van diezelfde universiteit verzette zich echter zodanig tegen haar ideeën dat de lezingen van Welch in een ander gebouw moesten worden gehouden. Ook de Nederlandse Vereniging van Autisme, de vereniging van ouders van autistische kinderen wil niets met de praktijken van Welch te maken hebben.

Dat verzet van Nederlandse deskundigen tegen anderen die beweren dat autisme te genezen is, duikt steeds weer op. De bioloog Nico Tinbergen en zijn vrouw pleiten — als vervolg op zijn studies naar het gedrag van angstige dieren waarvoor hij de Nobelprijs kreeg— al jaren voor koestering van autistische kinderen. Maar Tinbergen en zijn vrouw zijn in Nederland altijd min of meer weggehoond met de mededeling dat hij zich maar bij z’n meeuwen moet houden.

De Tinbergens zijn niet de enigen die ervan uitgaan dat autisme te genezen moet zijn. Ook de Haagse kinderpsychiater Jo Stades-Veth gaat daarvan uit, getuige haar zojuist verschenen boek Autisme/verbroken symbiose. (Uitgegeven bjj Swets & Zeitlinger bv). Stades heeft al meer gepubliceerd over het verbroken contact tussen moeder en kind in het algemeen. In dit boek concentreert ze zich op het eerste begin van autisme: het ontbreken van oogcontact tussen moeder en baby.

De ogen van de moeder, zo verklaart Stades het ontstaan van autisme, zijn voor de baby de sleutel naar de wereld. De eerste weken heeft een baby een slecht geheugen. Het kan wel onderscheiden, maar het kan zich niets herinneren. Pas in de tweede maand gaat het kind voor korte tijd dingen onthouden. Als in die periode de vertrouwde ogen van de moeder een tijdje vervangen worden door steeds weer andere, vreemde ogen, wordt het kind angstig.

Het kind waant zich onbeschermd, in gevaar. Het is bang geworden voor het belangrijkste contact met de buitenwereld, de ogen, en durft niet meer te kjjken. Ook als de moeder daarna de verzorging weer overneemt zal die angst blijven, omdat het kind met zijn kortlopende geheugen zich de ogen van zijn moeder niet meer kan herinneren. Zij is dan net zo goed vreemd en gevaarlijk voor het kind.

Dit begin van autisme moet volgens Stades direct worden aangepakt. Daarbij moet de moeder het kind wel koesteren, maar vooral niet aankijken, want dat maakt het alleen maar angstiger. Het kind moet wel de kans krijgen de ogen van de moeder te bekijken. Pas als de baby niet meer schrikt als de moeder snel even kijkt, mag ze het kind langer aankijken.

Stades noemt een aantal kinderen waarbij op deze manier het contact tussen moeder en kind weer werd hersteld. Haar theorie sluit naar haar zeggen aan bij soortgelijke methoden van anderen: ‘Welch, Jirina Prekop die in Stuttgart met de Holding-methode werkt en waar volgens Stades al vijftien van de 57 behandelde autisten zijn genezen en de Nederlanders Van Rees en Biemans die met „lichaamstaal” contact proberen te krijgen met autisten (zonder overigens te spreken van genezing).

Zoals in zoveel boeken over het genezen van autisme (de Kaufmans met hun Option-methode; de harde-handmethode van de ouders van het Engelse meisje Ann) zijn de bewijzen van Stades weinig hard. Haar beschrijvingen klinken heel aannemelijk, want van autistische kinderen wordt altijd gemeld dat ze wegkijken, maar wetenschappelijk zijn ze nauwelijks getoetst.

Stades meldt niet bij hoeveel kinderen op deze manier het begin van autisme is vastgesteld en hoeveel kinderen met haar methode geholpen zijn. Bij de meeste kinderen wordt pas tussen het tweede en derde jaar vastgesteld dat ze autistisch zijn. Dat heeft ook te maken met de onbekendheid van artsen met de symptomen van deze handicap. Maar zijn ze dan nog te genezen volgens de methode-Stades? Heeft haar aanpak ook wel eens niet gewerkt? Kan het wegkijken niet gewoon overgaan?

Alles wat haar theorie een beetje aan het wankelen zou kunnen brengen, vermijd Stades te noemen. Alleen als ze schrijft over de aanpak van Welch zegt Stades dat het resultaat „uiteraard” afhankelijk is van het IQ van het kind en de al opgelopen ontwikkelingsachterstand. Tussen neus en lippen door wordt daar ineens een nogal belangrijke beperking genoemd, want uit andere gegevens blijkt dat tachtig percent van de autisten zwakzinnig is of is geworden.

Risico

Stades roept ouders op uitspraken over onherstelbaarheid van autisme niet meer te accepteren, zolang de moeder zelf nog niet al het mogelijke geprobeerd heeft. Dat bergt het risico in zich dat mensen jaren in de weer gaan en veel tijd, energie en emoties stoppen in een behandeling die niets oplevert. De psychologe Nan Snijders-Oomen, gespecialiseerd in dove en autistische kinderen en ook overtuigd van het feit dat autisme niet te genezen is, waarschuwde in 1978 al tegen „populaire artikelen” over autisme die een verwarrend effect zouden hebben op ouders. Al die valse hoop werkt hun ontevredenheid maar in de hand.

Waarschuwen tegen overdreven verwachtingen is niet slecht, maar zolang in het verlengde daarvan allerlei deskundigen blijven roepen dat er aan autisme niets te doen is en zich afsluiten voor andersluidende informatie, doen ze de zaak geen goed. Wie weet hebben Welch en Stades en de Tinbergens gelijk. Het minste dat van de critici-deskundigen mag worden verwacht is dat zij de methoden serieus bekijken en de resultaten wetenschappelijk onderzoeken. Oogkleppen opzetten is minstens zo erg als van de daken schreeuwen dat je het Ei van Columbus hebt gevonden.

.

Ontwikkelingsbelemmeringenalle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3390-3188

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen – ADHD (5-2)

.

Suzanne Boomans,Trouw 02-06-2022
.

Etiket ‘ADHD’ is een teken van onmacht
.

Hoe kwalijk is het om kinderen een ‘etiket’ als ADHD op te plakken? Kan dat begrip ople­veren van ‘problematisch’ gedrag, vooral in het onderwijs, en de moge­lijkheid bieden van extra ondersteu­ning? Volgens Sofïe van de Waart* wel. In haar column van 18 mei hield ze een pleidooi vóór ‘etiketjes in het onderwijs’. Ze verwees naar haar ei­gen ADHD-diagnose: ‘Had ik het maar eerder geweten’.

Maar wat begrijp je eigenlijk als een kind het etiket ADHD heeft? En waarom moet er eerst een psychia­trische (medische) diagnose gesteld worden voordat een onderwijzer ex­tra ondersteuning geeft?

Leest verder in Trouw
(Alleen te lezen met gratis account)

*Daar is ook een link naar dit artikel.


Er werd op gereageerd:

Met het label ADHD problematiseren we ten onrechte het gedrag van leerlingen, schrijft Suzanne Booms­ma (Opinie, 2 juni). Ooit kreeg ik aan het begin van groep 7 een leerling met deze diagnose. Hij slikte op advies van de psycholoog medicijnen. Na een week of zes belde de moeder van de jongen mij op en vroeg of ik iets bijzonders aan het gedrag van haar zoon had gemerkt. Ik zei dat ik niets had gemerkt en dat was ook zo. Het antwoord van de moeder was kort maar krachtig: “Dan hou ik op met die medicijnen”. Mijn advies: hou eens op met die etikettenplakkerij, doe normaal. Ieder mens is anders en dat geldt ook voor kinderen. Boomsma adviseert nog meer onderwijsassistenten in de klas te zetten. Dat geeft alleen maar meer drukte. Vraag maar eens aan de kinderen.

Wichert Groothuis, oud-onderwijzer, ’t Harde

.
Zie ook: Labels als molenstenen

Ontwikkelingsbelemmeringen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3389-3187

.

.

.

VRIJESCHOOL – De wereld is waar…..

.

Hoe WAAR is de wereld voor de opgroeiende mens vanaf 12 jaar?
Zie de inleidende gezichtspunten.

Waar kun je als leerkracht enthousiast over worden en als ideaal aan je leerlingen laten zien?

De serie ‘de wereld is waar…'[Algemene menskunde [9-5was tot nog toe vooral op de 7e, 8e klas gericht.

Maar wat kun je doen in bv. klas 11 of 12.

Ik ga even terug naar de jaren 1970 toen ik in Den Haag op de vrijeschool begon.
Het was toen de gewoonte dat er in de paasvakantie met de 12e klas een studiereis naar Stuttgart werd gemaakt. Ik werd een aantal keren meegevraagd.
In een kleine week maakten de leerlingen (en ik!) kennis met antroposofische werkgebieden: we brachten een bezoek aan de Weleda- en Walafabrieken; bezochten een biologisch-dynamische boerderij; een heilpedagogisch instituut en er kwamen mensen over hun werk vertellen, waaronder, herinner ik me de artsen Walther Bühler en Leen Mees.

De achterliggende gedachte was te laten zien dat er mooi werk was te doen in het zgn. ‘alternatieve circuit’, zoals dat toen nog heette.

Door hoe de wereld nu is, komen we er steeds meer achter dat het alternatieve van toen, eigenlijk de normale norm zou moeten zijn. Dat zou op het gebied van de landbouw m.n. Nederland een totaal ander aanzien hebben gegeven: geen stikstofcrisis, niet het verdwijnen van biodiversiteit, achteruitgang van waterkwaliteit enz.

Het zal nog wel even duren – de meeste mensen volharden liever in het oude dan radicaal, nu de nood aan de mens is, anders te gaan denken – voordat de gangbare methodes als een slecht alternatief worden beschouwd.

Je hoeft nu met een 11e, 12e klas niet meer naar Duitsland. Nederland heeft prachtige voorbeelden van wat als gevolg van anders-denken is ontstaan: de landbouwschool Warmonderhof, de Weledafabriek in Zoetermeer, diverse zorgboerderijen, akkerbouwbedrijven enz.

Ik weet niet hoe de praktijk op de bovenbouwen is. Bezoeken de leerlingen deze initiatieven, horen zij over de idealen die de wereld ‘meer waar maken’.
Zijn er leraren die deze idealen in het hart dragen en ze vandaar uitstralen naar de bijna volwassen mens?
Verlaat deze de school met ook andere inzichten?….

Hoe kom je aan die idealen als je ‘via, via’ eens op de vrijeschool aan het werk bent gegaan en ook in die hogere klassen les moet geven (onder examendruk?)

In de reeks ‘De wereld is waar…’ vind je al veel waar je enthousiast over kan worden.

In dit (studie)artikel vind je voor de landbouw ideeën uitgewerkt waarvan we nu – tegen de achtergrond van de huidige crisis – kunnen zeggen dat ‘de waarheid’ wel dichterbij is gekomen. 

Ik beschik helaas over te weinig in formatie om voorbeelden te kunnen geven van hoe bovenbouwleraren, bv. zij die economie of maatschappijleer geven, hun idealen behorend bij ‘de wereld is waar..’ in de lessen en gesprekken met de leerlingen kunnen verwoorden. 

.

De wereld is waar: alle artikelen via [9-5]

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3388-3186

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De wereld is waar…en de landbouwcrisis (1)

.

Om invulling te kunnen geven aan ‘de wereld is waar..’ moet je goed op de hoogte zijn van de ideeën die tot een veranderend denken kunnen leiden, dan het gangbare dat ons een wereld heeft opgeleverd waarin de waarheid ver weg lijkt.

Een studieartikel voor de leraar economie, maatschappijleer

Hier gaat het over de huidige landbouw(crisis)
.

Manfred Klett in Driegonaal*

.

De productieomstandigheden in industrie en landbouw
.


Aan het begin van het proces waardoor in de industrie toegevoegde waarde wordt gecreëerd, staat de inventieve geest van de mens. Natuurwetten, stoffen en krachten van de levenloze natuur worden losgemaakt uit hun natuurlijk verband en door menselijke werkzaamheid met elkaar in wisselwerking gebracht. Dit resulteert in producten die in de geschapen natuur niet voorkomen, zoals machines, kunstmest of bestrijdingsmiddelen.

Deze producten vinden vervolgens als koopwaar ingang in de economische kringloop. De verwachting dat een uitvinding een succes wordt, geeft een bank aanleiding een krediet beschikbaar te stellen voor de inrichting van een fabriek. Dat wil zeggen, de geest van de mens – de idee – creëert kapitaal, en dit stolt door arbeid tot gebouwen, productiemiddelen, grondstoffen, energie enzovoorts. Max Weber – Duitse econoom en socioloog (1864-1920) – stelde vast: “Een levenloze machine is gestolde geest.”[1]

1 Max Weber: Wirtschaft und Gesellschaft, Tübingen 1980, p. 834.

De geest nu streeft verder naar de verwezenlijking van de uitvinding; hij zet aan tot arbeid. Pas door arbeid ontstaat de fabrieksinstallatie en daarin, in verschillende werkfasen, het uiteindelijke product. Kenmerk van het industriële productieproces is het creëren van waarde enkel doordat de inventieve geest het verloop van de menselijke arbeid bepaalt en deze op allerlei manieren modificeert. De uitwendige uitdrukking van deze geest moet in de gevarieerde constellaties van het kapitaal worden gezocht.[2]

2.Rudolf Steiner: Nationalökonomischer Kurs, GA 340, Dornach 2002, voordracht van 25 juli 1922, p. 33; in het Nederlands: Economie. De wereld als één economie, Nearchus 2016.

De natuur in de vorm van grondstoffen en energie verschuift daarbij verder naar de achtergrond naarmate meer menselijke intelligentie aan het productieproces te pas komt, dus naarmate een grotere arbeidsdeling optreedt. Door arbeidsdeling wordt bovendien de productie goedkoper, wat de expansiedrift van industrie en nijverheid verder in de hand werkt, totdat ook de laatste dienst gecommercialiseerd is. Kapitaal heeft enerzijds zijn ontstaan te danken aan de vindingrijkheid van de mens en aan de arbeidsdeling, anderzijds zorgt het ervoor dat de arbeidsdeling mateloos wordt doorgedreven. Hierdoor dreigt het industriële productieproces volledig van de natuur en, via de digitalisering, van de werkende mens losgekoppeld te worden. De industrie wordt zo tot oppermachtige tegenpool van de landbouw en dreigt de perken te buiten te gaan die het industriële proces van twee kanten zouden moeten beteugelen: de natuur en de rechtsorde.

Het productieproces eindigt met de voortbrenging van waren waar het basisidee van de uitvinder en de kennis en vaardigheden van een groot aantal mensen in een tegenwoordig wereldwijde arbeidsdeling aan hebben bijgedragen. De door het kapitaal, dat wil zeggen, de gestolde idee, aangestuurde arbeid heeft zich in het eindproduct gematerialiseerd en daar een waarde aan verleend. Bij de ruil van waarden op de markt wordt hier vervolgens een prijs op geplakt. Als je naar de waardescheppende factoren kijkt – uiteindelijk is dat de geestgeleide arbeid – valt de prijs niet te berekenen. Bij zijn totstandkoming spelen onweegbare factoren en drogbeelden mee die met name het gevolg zijn van het feit dat grond, kapitaal en menselijke arbeid als verhandelbare waar worden beschouwd en zodoende als kostenfactor in de prijsvorming worden opgenomen. Het lijkt echter alsof de prijzen – volledig afwijkend van de werkelijke waarde van de producten – berekend kunnen worden doordat alles wat betrokken is bij de productie, als koopwaar wordt voorgesteld en daarmee tot een kostenfactor wordt gemaakt die in geldwaarde uitgedrukt kan worden. Zo zijn in de prijs van een industrieel product alle productiekosten opgenomen, inclusief de arbeidskosten en een reserve, het afschrijvingspercentage, waardoor de verbruikte productiemiddelen (slijtage van machines en dergelijke) geherfinancierd en gemoderniseerd kunnen worden.

Voor de industrie geldt dat een productiemiddel zichzelf niet vernieuwt. De plaats waar het gemaakt wordt, is gescheiden van de plaats waar het wordt ingezet. In het industriële productieproces worden eindige hulpbronnen verbruikt in de vorm van grondstoffen en energie. Er wordt afval geproduceerd, en de productiemiddelen zelf zijn onderhevig aan slijtage en verval. Hierdoor ontstaat vuil dat zich als hypotheek op een verre toekomst op de aarde ophoopt, bijvoorbeeld kernafval. Dit vormt een belasting voor water en lucht en verstoort de warmtehuishouding, voor zover het niet tegen hoge kosten opnieuw in de energie- en grondstofkringloop opgenomen kan worden. De groei van de industriële productie heeft zijn grenzen; de energie- en grondstofbalans ervan is negatief. Hoe kleiner het aandeel van de natuur aan de industriële productie is, dus hoe sterker menselijke intelligentie het productieproces domineert, bijvoorbeeld in het geval van de productie van computerchips, des te verder gaat de arbeidsdeling en des te minder plaatsgebonden wordt de productie. Hoogtechnologische producten kunnen op een willekeurige plaats op aarde geproduceerd worden om van hieruit aan de wereldwijde vraag naar deze producten te voldoen.

De landbouw is, in tegenstelling tot de industrie, ingebed in de hele huishouding van de natuur, de oikos. De toegevoegde waarde wordt tot stand gebracht door de natuur. Uit de wederzijdse relatie tussen levenloze (fysische), levende en bezielde natuur en onder de invloed die de kosmos heeft op alle ritmische processen, ontstaat als voortbrengsel van de natuur de graankorrel, de wortel, de melk enzovoorts. Dat gebeurt strikt plaatsgebonden. De natuur is degene die produceert; de mens komt erbij en stuurt door zijn werk haar scheppende kracht. De productiemiddelen zijn niet de machines, de tractor, de maaidorser enzovoorts – deze vervangen en verhogen alleen de prestaties van de menselijke hand en de dierlijke trekkracht – maar de vruchtbare bodem, de vruchtvormende, voedsel voortbrengende planten en de huisdieren, die elk hun eigen bijdrage tot de productie leveren. In figuurlijke zin vormen deze het productie-kapitaal in de landbouw. Ze zijn productiever, kwantitatief en kwalitatief, naarmate ze op iedere bedrijfslocatie in een inniger, elkaar wederzijds versterkende relatie staan. Ze verenigen zich op natuurlijke wijze tot levensgemeenschappen, tot kleinere en grotere biotopen.

Het is aan de arbeid en aan de geestelijke inspanning van de mens voorbehouden om hetgeen door de natuur is aangelegd, tot een hoger geheel, tot een zo mogelijk in zich gesloten organisme te vormen – het landbouwbedrijf. Gezien de kosmisch-aardse productieomstandigheden in de landbouw kan het vormgevend principe alleen een veelzijdig gestructureerd organisme zijn. Dit vormt in zijn geheel het productiemiddel van de landbouw en staat daarmee lijnrecht tegenover het productiemiddel van de industrie, het mechanisme. Het mechanisme is op eenzijdigheid gebaseerd, het organisme op alzijdigheid.

Onderken je en erken je ten volle de betekenis van de polariteit van de productieomstandigheden in de industrie, die uit de geest van de mens voortkomen, en die in de landbouw, die door de natuur gegeven zijn, dan kan in de landbouw strikt genomen geen kapitaal worden gevormd. Want de arbeid die door de geestelijke kracht van de mens aan de natuur besteed wordt, stolt niet tot een productiemiddel dat zich zoals de machine naast de natuur plaatst; er worden geen grondstoffen, energieën en natuurwetten uit hun natuurlijk verband geïsoleerd en nieuw gecombineerd. Integendeel, het geestelijke werk bestaat erin het begrip van de geslotenheid van het organisme als geheel te doordenken, en het fysieke werk is erop gericht de in de natuur werkzame productieve krachten daarin hun plaats te geven en ze met elkaar in wisselwerking te brengen. Als een landbouwbedrijf vorm krijgt overeenkomstig zijn productieomstandigheden, is het een totaliteit die continu in wording is, die de handelende mens insluit en die zich in het productieproces zelf reproduceert. De kapitaalvorming in de landbouw, in figuurlijke zin gesproken, moeten we derhalve vooral zoeken in een proces in de tijd, namelijk in de instandhouding en ontwikkeling van de productiemiddelen – de cultuurbodems, de gewassen en de huisdieren – in de context van het hoger geheel van het bedrijfsorganisme.

Industrie en landbouw verhouden zich tot elkaar zoals technologie tot kunst. De puur technologische aanpak streeft naar regeltechniek, naar automatisering. De mens staat buiten het productieproces of maakt zichzelf helemaal overbodig. De landbouw is, naar zijn diepste wezen, een kunst juist doordat de werkende mens zichzelf als hele mens met al de kracht van zijn geestelijke ziel in dienst stelt van de productieve krachten van de natuur. De landbouw heeft de werkende hand nodig, vele handen zelfs. De industrie heeft de inventieve geest en het kapitaal nodig dat de menselijke werkkracht tot een arbeidsdeling dwingt of geheel overbodig maakt.

De landbouw brengt producten voort, met name levensmiddelen, waar iedere mens dagelijks behoefte aan heeft. Deze treden op de markt met de industrieproducten, dus onder arbeidsdeling geproduceerde waren, in een waardeverhouding die haar neerslag vindt in de prijzen. De prijs van het industrieproduct wordt door verdergaande arbeidsdeling steeds lager. De prijs van een landbouwproduct is alleen al door de wisselende milieuomstandigheden, het optreden van plagen enzovoorts niet te berekenen. Het proces van prijsvorming bij landbouwproducten blijft volledig in het duister. De voortbrengingskracht van elk agrarisch bedrijfsorganisme is immers verschillend. Zonder een prijscompensatie in het kader van economische samenwerkingsverbanden waarin “de waarde van de waren door hun wederzijdse verhouding wordt bepaald”, [3] zou dan elk bedrijf zijn eigen marktprijzen moeten hebben.

3 Zo liet Rudolf Steiner zich uit in de zogenaamde eerste Hochschulkurs op 10 oktober 1920. Geciteerd naar Roman Boos: Landwirtschaft und Industrie, Darmstadt 1957, p. 110-111.

In de CSA-beweging wordt dit inderdaad bij benadering in praktijk gebracht. [4]

4 CSA: community-supported agriculture, ook gemeenschapslandbouw of pergola-landbouw genoemd. Zie hierover onder andere: Trauger Groh, Steven Mc Fadden: Höfe der Zukunft, gemeinschaftsgetragene/solidarische Landwirtschaft (CSA), Darmstadt 2013,276 pp.

In beginsel geldt dat de landbouw vergeleken met een industrieel bedrijf noodzakelijkerwijs duurder produceert omdat het prijsdrukkende principe van de arbeidsdeling onverenigbaar is met de productieomstandigheden in de landbouw, die je zou kunnen omschrijven als ‘diversiteit in een totaliteit’. Men probeert de productiekosten te verlagen door over te gaan op een meer industriële manier van produceren. De heelheid van het bedrijfsorganisme wordt hiervoor verbroken, de onderdelen worden uit elkaar gehaald. Elk afzonderlijk deel wordt door een aanzienlijke inzet van kapitaal tot een eigen agro-industriële onderneming, die onder schijnbaar calculeerbare randvoorwaarden met een hooggespecialiseerde massaproductie zonder concurrentie op goedkope wijze de markt beheerst. Deze prijsverlaging is echter een illusie omdat de rekening voor de hieruit voortvloeiende kosten buiten de markt om bij de gemeenschap wordt gelegd. Hierbij gaat het om kosten die ontstaan door de vernieling van het milieu en door de vermindering van de voedingswaarde van de producten, en de kosten van de subsidies – het gesubsidieerde onbenul. Als deze verborgen kosten bij de producentenprijs van de industriële landbouw opgeteld zouden worden, zou deze zijn hegemonie op de markt verliezen. Het zou duidelijk worden dat de geproduceerde waarde slechts schijn is.

Hoe een prijs in de landbouw tot stand komt, is een enigszins verborgen verschijnsel. [er stond hier ‘occult’, maar dat lijkt me te zwaar aangezet]. Door initiatieven zoals fair trade of producenten- en consumentengemeenschappen begint er een beetje licht in te komen. Berekenen kun je de prijs van de primaire landbouwproductie als zodanig niet. De waardebepalende factoren voor deze prijzen zijn:

• de natuurgegeven mogelijkheden met betrekking tot de wisselwerkingen tussen de lokale factoren aarde, water, lucht en warmte en de geomorfologische landschapsvorm

• de natuurgegeven mogelijkheden met betrekking tot de scheppende krachten van de levende wezens in de natuur (planten, dieren enzovoorts) en hun activiteiten in de ritmes van het jaarverloop

• de door ideeën geleide arbeid van de mens

• de harmonische afstemming van alle organen van het bedrijf tot het geheel van het bedrijfsorganisme.

Door het samenwerken van deze factoren ontstaat, tegengesteld aan de waardevorming in de industrie, een objectieve waarde van de producten, zoals die van tarwe, melk, brood, kaas enzovoorts. De prijs zou rechtvaardig zijn als hij met deze objectieve waarde zou overeenkomen of er tenminste in de buurt zou komen. Maar hoe kun je deze prijs bepalen?

Daarnaast wordt de waardevorming van de primaire landbouwproductie door twee kenmerken bepaald: ten eerste, het vermogen om in het productieproces zichzelf te reproduceren, en ten tweede, de mogelijkheid om tot voedingsmiddel voor mens en dier te worden. De tarwekorrel bijvoorbeeld is samen met de bodem waarin hij gezaaid wordt, productiemiddel voor de volgende oogst, maar hij is ook broodgraan. De koe reproduceert zichzelf in het kalf, en verbonden met dit proces heef ze het vermogen om meer melk te geven dan voor het grootbrengen van het kalf nodig is. De productiemiddelen in de landbouw hebben de eigenschap dat ze in het productieproces zichzelf kunnen voortbrengen en tegelijk tot voedingsmiddel voor mens en dier kunnen worden. De taak van de boer bestaat erin de omstandigheden van plantenteelt en veehouderij zodanig vorm te geven dat beide vermogens in het productieproces op een hoog niveau duurzaam met elkaar in evenwicht zijn. Dat wil zeggen, hij moet hier en nu de tarwe zo verbouwen, de koe zo houden, voeren, verzorgen en fokken dat deze levende productiemiddelen tot in de verre toekomst hun bijzondere eigenschappen kunnen behouden of zelfs nieuwe eigenschappen kunnen verkrijgen naarmate de voedingsbehoeften van de mens veranderen.

Het is met name dit feit dat ten grondslag ligt aan de principiële tegenstelling in de manier van produceren tussen industrie en landbouw. Deze komt ook tot uitdrukking in het gegeven dat de agrarische productiemiddelen – bodem, planten, dieren – dankzij hun vermogen tot zelfvernieuwing niet afgeschreven hoeven te worden. Wat de afschrijving als kapitaalreserve in de industrie is, is in de landbouw de waarde-behoudende en -ontwikkelende kracht van het bedrijfsorganisme als geheel. De vervanging van menselijke werkkracht en dierlijke trekkracht door machines heeft voor de landbouw evenwel hoge afschrijvingen met zich meegebracht, die echter geen betrekking hebben op het productiemiddel als zodanig. Het is niet de maaidorser die het graan voortbrengt, en niet de melkmachine die de melk produceert, maar het leven, de verbanden scheppende krachtenwereld die in plant en dier werkzaam is. De prijs van landbouwproducten zou dan ook pas redelijk zijn als hij overeen zou komen met hun objectieve waarde. Een criterium hiervoor zou kunnen zijn of de prijsstructuur van de primaire productie van het agrarisch bedrijfsorganisme – dus zonder verdere verwerking – de bedrijfskosten en het levensonderhoud van alle medewerkers en hun families van een oogstperiode tot de volgende dekt. [5]

5 Rudolf Steiner formuleerde voor deze prijsbepaling de volgende gedachte: de prijsstelling moet zodanig zijn “Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter naarmate het individu minder aanspraak maakt op het resultaat van zijn prestaties, dat wil zeggen naarmate hij deze opbrengsten meer aan zijn collega’s laat en naarmate zijn eigen behoeften niet vanuit zijn eigen prestaties maar vanuit de prestaties van de anderen bevredigd worden.” (Kernpunkte der sozialen Frage, GA 23, Dornach 1976, p. 132; in het Nederlands: De kernpunten van het sociale vraagstuk, Steinervertalingen 2004, p. 107).

Hiervoor zijn marktstructuren vereist waarbij landbouwers, verwerkers, groot- en detailhandelaren en ook consumenten die hier mee gestalte aan willen geven, in een regionale kring bij elkaar komen. In tegenstelling tot de industrie is de landbouw op een regionale economie georiënteerd. Afhankelijk van de productieomstandigheden vindt landbouwproductie in alle verscheidenheid overal plaats waar mensen leven en waar de vereiste omstandigheden gegeven zijn. Het is alleen maar logisch dat de kortste weg van de producent naar de consument de goedkoopste is, waarbij tegelijkertijd de kwaliteit het beste behouden blijft.

Ook de landbouw produceert in de loop van het kosmisch-aardse productieproces afval, maar geen vuil. Het afval is afkomstig uit de levende en bezielde natuur. Het zijn plantaardige en dierlijke resten die in de schoot van de natuur terugkeren en zich omvormen tot humus, de vruchtbaarheidsdrager van de bodem. In een bedrijf dat beheerd wordt in overeenstemming met het organisme-principe, regenereert de stof- en krachtenhuishouding zich grotendeels zelf. Tegenover het verbruik van energie en grondstoffen in de industrie staat de opbouw door de zelf geproduceerde mest en de nieuwvorming van humus. De zuivere primaire landbouwproductie heeft, als je rekening houdt met alle bodemopbouwende maatregelen (bemesting, vruchtwisseling, grondbewerking), een positieve energiebalans. Dit gegeven wordt tegenwoordig door het hoge kapitaalgebruik in de vorm van stikstofmeststoffen, bestrijdingsmiddelen, van buiten aangevoerde voedermiddelen en energie in zijn tegendeel veranderd. Ook het verlies van bodem door erosie moet hier worden genoemd, dat in de industriële landbouw al op licht hellende terreinen optreedt, met name bij verbouw van maïs. Met het oog op de gehele economie en op de toekomst van de aarde heeft de landbouw echter de taak om de negatieve energiebalans van de industrie te compenseren.

Het is duidelijk dat we de polariteit van industrie en landbouw radicaal moeten doordenken en de consequenties hiervan voor onze hele cultuur rigoureus moeten overwegen. Zonder een overbrugging van dit geweldige spanningsveld kunnen we niet tot een gezond economisch leven komen. Eerst moeten de prijzen van de agrarische producten worden vastgesteld, en wel in het regionale kader van de markt en van de samenwerkingsverbanden met verwerking en handel. Deze kunnen vervolgens als oriëntatie dienen voor de prijsvorming in de op arbeidsdeling gebaseerde economie. De proportionaliteit van de prijzen in industrie en nijverheid moet in de toekomst worden bepaald aan de hand van de primaire landbouwproductie.

Je hoeft alleen maar naar de ongelijkheid in productieomstandigheden in industrie en landbouw te kijken om te beseffen dat het vormgevende principe voor het creëren van toegevoegde waarde dat bij het wezen van de landbouw past, in eerste instantie het organisme is. Het organismeprincipe behoorde altijd onlosmakelijk bij de ontwikkeling van de landbouw, zij het onder steeds wisselende culturele omstandigheden. Wat nu een wetenschappelijk gefundeerd, bewust inzicht moet worden, was in vroegere tijden het resultaat van een uit het volksinstinct voortkomende, wijsheidsvolle handelwijze. De bewustzijnsontwikkeling van de mensheid en daarmee de geschiedenis van de landbouw weerspiegelen zich in grote lijnen in de manier waarop de mensen  vanuit een steeds bewustere beleving van hun eigen fysiek organisme het in de natuur werkzame organismeprincipe geleidelijk aan tot het fundament van een ware landbouwkunst hebben gemaakt.

De biologisch-dynamische landbouw wordt toegepast in 58 landen, op 268.000 hectare.
In Nederland zijn er 50 gecertificeerde BD-boeren die samen 10.000 hectare bewerken (dat is 0,4% van het landbouwareaal).

Uit langlopend onderzoek blijkt dat biologische en biologische landlandbouw in verhouding tot de gangbare landbouw enerzijds minder opbrengst per hectare realiseren (85% maar anderzijds aanmerkelijk minder kosten met zich meebrengen: 8% van de kosten van gewasbescherming; 57% van de kosten van bemesting; 62% van de kosten van energie.

Uit hetzelfde onderzoek blijkt: ten opzichte van de gangbare landbouw scoort de BD-landbouw beter op verschillende landbouwkundige aspecten, zoals de bodemvruchtbaarheid, gemeten in humus (+18%); bodemactiviteit (+83%); mineralendynamiek (+37%). Het onderzoek toont ook aan dat het gebruik van BD-preparaten een positief effect heeft op de bodem en op de voedingswaarde van de gewassen.

Deze tekst is afkomstig uit:

Manfred Klett: Van agro-industrie naar landbouwkunst.
Karaktertrekken van de biologisch-dynamische landbouw. Een landbouw voor de toekomst.
Nearchus / Kolisko ISBN 9789492326935

Dit artikel verscheen in ‘Driegonaal
Publicatie op deze blog met toestemming

Voor een abonnement: Sociale driegeleding

De wereld is waar: alle artikelen via [9-5]

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeledingalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3387-3185

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen – autisme (7-1/2)

.
Over het waarom van deze berichten.

Krantenbericht ‘De Gelderlander’, 01-11-1995*
.

SPOREN VAN CONTACT
.

Het Leo Kannerhuis in Oosterbeek opent vrijdag* een trainings-en therapiecentrum voor autische jongeren, het eerste in zijn soort in Nederland. Het Leo Kannerhuis is het enige in autisme gespecialiseerde kinder-en jeugdpsychiatrisch ziekenhuis van ons land. Van elke tienduizend kinderen in ons land zijn er naar schatting 25 autistisch of hebben een aan autisme verwante contactstoornis. Een jongere moet gemiddeld zes jaar wachten op opname.
[de wachttijd is naar weken teruggebracht]
[Inmiddels uiteenlopende cijfers over de jaren]

De film Rain Man, waarin Dustin Hoffman een autist speelt, heeft de ogen van veel mensen geopend voor autisme. Niet die van de autisten zelf. Die staan erbij en kijken ernaar, alsof het hun helemaal niet aangaat. Ze herkennen de zich eindeloos herhalende bizarre spelletjes met voorwerpen, maar betrekken deze niet op zichzelf.
„Ze lijken zich buiten hen af te spelen”, zegt directeur ir. E.J. Borgmeijer van het Leo Kannerhuis in Oosterbeek. De film wordt overigens – als een mogelijk teken van herkenning- nog regelmatig ‘in huis’ gedraaid.

Autisten tonen een beeld van totaal in zichzelf opgesloten zitten. Oogcontact met anderen hebben ze niet. Bij hen krijg je eerder het idee van een muur, waar je doorheen moet. Ze hebben de neiging om veel meer houvast te hebben aan steeds terugkerende dingen dan aan mensen. Als je hier tenminste al van houvast zou kunnen spreken.
Volgens het Geneeskundig woordenboek van Hilfman is autismus ‘een ziekelijke geestestoestand, waarbij de patiënt een sterk afwerende en afsluitende houding aanneemt ten opzichte van de realiteit van de omgeving’.
Autisme, afgeleid van het Griekse woord autos (‘zelf), zou een aangeboren defect in de hersenen zijn waardoor een kind van jongs af aan niet in staat is om nieuwe, ingewikkelde gewaarwordingen te verwerken.

Contact maken met anderen is in die zin dan ook niet of nauwelijks mogelijk. Een autist sluit zich als het ware in zichzelf op als in een fort, waardoor hij de boze buitenwereld buitenhoudt. De omgeving kan daardoor regelmatig voor verrassingen komen te staan. Zo kwam Borgmeyer er op een gegeven dag tot zijn verbazing achter dat een van ‘zijn’ autisten op het punt stond zijn motorrijbewijs te halen. Niemand in huis had er ooit van geweten dat de betreffende autist met rijles bezig was.

Als de autist dan niet uit zijn schulp wil of kan kruipen, dan kruipt het Leo Kannerhuis maar in de huid van de autist. Zo ongeveer moet gedacht zijn met betrekking tot het inrichten van een gespecialiseerd trainings- en therapiecentrum, dat jonge autisten zover wil brengen dat ze – zij het onder begeleiding- op een gegeven moment weer aardig op eigen benen kunnen staan. In Oosterbeek kwamen ze erachter dat autisten wat hebben met treinen. Meer dan met auto’s. Dat bleek eind vorig jaar tijdens een expositie. Daar bleken jonge autisten heel knap treinen te tekenen en te schilderen. Daarop inhakend is het trainings- en therapiecentrum ‘de Wissel’ gedoopt. Het lestijdenschema heet er geen rooster, maar spoorboekje.

Voor het centrum staat sinds maandag een heuse treinwissel, een cadeautje van de Nederlandse Spoorwegen. De autisten konden niet langer wachten en hebben het centrum al dagen voor de officiële opening in gebruik genomen met een soort houseparty. Groepsleiders en groepsleidsters moesten er verschijnen in de kleren van treinconducteur of treinconductrice en het lichtspel bij de dansvloer had alles weg van een seinlichtinstallatie langs de spoorbaan.

Maar ook op zo’n dag pleegt niet elke autist het spelletje mee te spelen. En zo trekt er zich eentje van de hele feestelijkheid niets aan en laat met opgestroopte mouw aan iedereen, die het wel of niet wil, zijn spierballen zien. Een ander staat, alsof er om hem heen geen orkaan van lawaai is, gefascineerd naar een groot schoolbord aan de wand van deze vroegere lagere school te staren.

Volgens de medische definitie is autistisch denken een ernstig gestoord denken met allerlei vreemde, irreële, vaak magische en paranoïde gedachtegangen. Een autist kan vanwege zijn gebrek aan zelfinzicht en een gezonde sociale intelligentie dan ook heel vreemd uit de hoek komen.

Zo krijgt een therapeut in Oosterbeek op zijn vraag hoe de autist denkt dat zijn leven er in de toekomst zal uitzien, als antwoord: ‘Ik ga zelfstandig wonen in een bolwoning. Dat zal wel lukken want ik kan al alleen macaroni en Mexicaanse pannenkoeken maken’.

In het werkmodel van het ruim twintig jaar bestaande Leo Kannerhuis, genoemd naar de Amerikaan die het syndroom een naam – autistic aloneness – gaf, neemt de leefgroep een centrale plaats in. In de leefgroepen zitten steeds vijf à zes pupillen tussen de 14 en 21 jaar van hetzelfde sociaal niveau bijen. Ze mogen hooguit vijf jaar blijven. Er zijn ‘betere’ en ‘slechtere’ groepen. Dat is met opzet gedaan omdat autisten overgevoelig reageren op een omgeving die niet vormvast en strak omlijnd is. Een autist die goed zijn best doet kan op een gegeven moment wel van een lagere naar een hogere leefgroep verhuizen.

In zo’n leefgroep wordt zeer streng de hand gehouden aan roosters en gebruiken. Elke leefgroep heeft een eigen woonruimte met een eigen plekje voor elke pupil. Bij de behandeling voeren zoveel mogelijk vaste mensen vaste functietrainingsprogramma’s op vaste tijden uit. Dank zij de relatief homogene opbouw kunnen in de meeste gevallen alle pupillen binnen de leefgroep aan dezelfde behandelprogramma’s meedoen. Die programma’s behelzen onder meer trainingen in communicatie, sociale vaardigheden en zelfredzaamheid. Omdat bij autisten vaak ook houdingsproblemen voorkomen en haperingen in de motoriek, maken handenarbeid, gymnastiek en motore functietraining deel uit van het standaard behandelingspakket. Ook sport en spel horen erbij. Daarvoor gaan de jongeren wekelijks naar het Nationaal Sportcentrum Papendal.

Deze gezamenlijke en doelgerichte programma-activiteiten zijn zeer gewenst om autisten uit hun isolement te halen. Sommigen zijn zo zwaar contactgestoord dat ze niet of nauwelijks praten. Anderen hebben zich wel een zekere taalvaardigheid eigen gemaakt en stellen zich in bescheiden mate open voor toenaderingspogingen. Maar er zijn er ook die zich tamelijk goed kunnen redden op een school of bij een werkgever.
Hoewel.

Psycholoog dr. H. Berger, die net een nota over de behandeling van autisten heeft afgerond: „Na een twee uur durend ‘gesprek’ met een autist over diens toekomst, bleek dat hij op een totaal andere golflengte zat. Zijn enige vraag bij het afscheid was: ‘Hoe gaat het eigenlijk met de provincie Gelderland?’
.

.

Ontwikkelingsbelemmeringenalle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3386-3184

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (101)

.
(Tekst in blauw van mij; zwart uit artikel)
.

Van juf Maxe de Rijke gaf ik al eerder een stukje onderwijsvisie weer, waar ik me als oud-vrijeschoolleerkracht volledig in kan vinden.

Ook haar onderstaande mening deel ik van harte: 

In Trouw van 8 januari 2025 schrijft ze o.a.:

De doorstroomtoets meet niet wat je in je mars hebt

.

Ze geeft een stukje gesprek weer met een kind dat graag wil weten ‘welk advies eigenlijk goed is.’

En haar antwoord: ‘Elk advies is goed dat bij je past.’

Een leerling zegt: “Jullie kunnen wel zeggen dat elk advies goed is, maar als ik een hogere score op mijn doorstroomtoets haal, haal ik een hoger advies. Het is gewoon net als in het echte leven: hoger is beter. En ik scoor altijd laag, dus ik ben slecht.”

Dan verzucht juf: ‘Daar zit je dan. Met je idealen.’

Dat lijkt me best frustrerend!

Maar erger vind ik dat er ‘ergens’ mensen zijn die voor kinderen iets bedenken, wat een negatief zelfbeeld oproept. Die dus een soort anti-pedagogie creëren.

Met de doorstroomtoets in groep 8 is het gewoon zo dat de leerlingen de onderdelen begrijpend lezen, rekenen en taalverzorging krijgen. En uiteraard:  Hoe meer antwoorden goed, hoe ‘hoger’ je score en hoe hoger de waardering in de samenleving. En, zegt juf: ‘leerlingen die laag scoren gaan echt niet zeggen: ‘Yes, dit past bij mij!’

Ze signaleert – terecht – nog een probleem, nl. dat de toets alleen meet wat je tot nog toe hebt geleerd.
De leerlingen van deze juf hebben van alles al in hun leven meegemaakt. Daar houdt de toets geen rekening mee. En ook niet, met wat de leerlingen nog aan mogelijkheden in zich hebben. En om dat eruit te krijgen, is simpelweg meer tijd nodig. 

Maxe hoopt op betere tijden: ‘Maar wie weet staan we wel aan de vooravond van een nieuwe revolutie. Opdat de toets niet meer als doel heeft de samenleving zo efficiënt mogelijk te verdelen. Maar onderwijs een middel wordt om ieder kind te helpen bij een route die past, met extra leertijd waar nodig én waardering voor alle talenten.
Ik laat mijn leerlingen vast weten dat het mogelijk is.

Juf Maxe werkt niet op een vrijeschool.

Rudolf Steiner:

Men kan er niet mee volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar men moet dit onderwijs vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.
GA 293/73
Vertaald/75

Dit moet de belangrijkste eis worden van de moderne opvoeding: handelen vanuit een wetenschap die oog heeft voor de totale mens.

GA297/32-33
Op deze blog vertaald/33

Meer in wegwijzers

.

Meer over toetsen in deze rubriek: [4]   [17]  [38]  [58]  [64]  [71]  [79]  [90]  [92]  [96]

Toetsen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

Opspattend grind: alle artikelen

.

3385-3183

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen – autisme (7-1/1)

.

Toen ik in de jaren 1960 voor onderwijzer studeerde, was er niet zo’n aandacht voor een pedagogie of didactiek voor het kind met ‘problemen’.

Ik ging me er in de loop van de jaren wel meer mee bezighouden, in de hoop die kinderen – mocht ik ze al kunnen waarnemen – te kunnen helpen.

Naast het bestuderen van de vrijeschoolpedagogie en het voorbereiden voor het klassenwerk, kwam er van ‘studeren’ op dit onderwerp niet veel terecht.
Ik behielp me aanvankelijk met het lezen van artikelen.

Ik heb die artikelen nog en ga ze nu opruimen door ze op deze blog te plaatsen.

Dat betekent dat hier niet ‘de laatste stand van zaken’ wordt weergegeven. Wel dat je een soort ontwikkeling ziet van wat er destijds werd gedacht en gedaan.
Veel zal weer veranderd zijn, achterhaald wellicht, maar er zullen toch ook aspecten zijn die nog steeds gelden. Misschien nog gezichtspunten waarmee de leerkracht rekening kan houden.

.

Op 19-12-1989 verscheen in ‘De Gelderlander’ dit artikeltje:

.

Doorbraak in behandeling autisme
.

Proeven en ruiken verdringen de zintuigen zien en horen

.

Bij autistische kinderen is de voorrang tussen de zintuigen gestoord. Bij autisten hebben zogenaamde nabijheidszintuigen als ruiken en proeven verre de overhand boven verte-zintuigen als zien en horen.

Op basis van deze verklaring voor het merkwaardige, ziekelijke gedrag van kinderen die nauwelijks contact maken met hun omgeving, niet reageren op mensen en dwangmatig handelingen herhalen heeft de Groningse psycholoog drs. M.H.G. van Soest een nieuwe behandeling ontworpen. Zeven inmiddels in behandeling genomen autistische kinderen zijn belangrijk vooruit gegaan.

In zijn proefschrift toont Van Soest aan, dat de behandeling van de sinds 1943 bekende autisme-aandoening niet langer uitzichtloos hoeft te zijn. De nieuwe behandeling van Van Soest is erop gericht de voorkeur die autisten hebben voor zintuigen als proeven en ruiken te doorbreken ten gunste van zien en horen, en daarmee ook van kijken en luisteren. Dat gebeurt door het gericht stimuleren van het horen en zien

Volgens Van Soest is het belangrijk dat de ontwikkeling van de zintuigen van kinderen al op het consultatiebureau door een psycholoog of orthopedagoog nauwkeurig worden gevolgd. Autisme moet naar zijn mening zo vroeg mogelijk ontdekt worden en zo snel mogelijk behandeld.
Ook na de behandeling dient het kind optimaal opgevangen te worden door een kindgerichte aanpak. Op die manier kunnen er grote bedragen in de gezondheidszorg bespaard worden, omdat autisten voor het grootste deel tot nu toe als onbehandelbaar gelden en levenslang verpleegd dienen te worden in psychiatrische inrichtingen.

Van Soest beschrijft in zijn studie de experimentele behandeling van zeven niet-sprekende autistische jongetjes met een zeer laag ontwikkelingsniveau. Na afloop van de behandeling bleken de kinderen zich te kunnen uiten in zinnetjes van twee of drie woorden. Van Soest wist met de kinderen ook de stap van baby- naar kleuterniveau te zetten, waarmee zij rijp werden voor opvoeding en ontwikkeling door ouders en leerkrachten.

Volgens van Soest is een van de belangrijkste kenmerken van autisme dat er een breuk is in de ontwikkeling van de zintuiglijke waarneming van kinderen. Bij normale kinderen ruimt het proeven en ruiken bij het ouder worden als vanzelf het veld voor zien en horen. Die stap is cruciaal voor de verdere ontwikkelingen van het kind, omdat je meer leert door luisteren en kijken dan door proeven en ruiken. Omdat autistische kinderen die stap niet zetten, kunnen zij lichamelijk, emotioneel, sociaal en communicatief niet verder groeien.
.

Een paar dagen later, op 23-12-1989 stond in de Volkskracht dit artikel:

.

Een omstreden behandeling van autisten

.

Dat een therapie effect heeft op autisme, zegt nog niets over de oorzaak. De psycholoog Van Soest slaagt erin autistische kinderen aan ’t praten te krijgen in korte zinnen. Hij is deze week op zijn onderzoek gepromoveerd. Maar tegenstanders blijven hun twijfels behouden.

IEDEREEN die wel eens autisten heeft meegemaakt, weet dat ze vaak ruiken, likken en voelen aan dingen en mensen. Vooral autisten die op een laag niveau functioneren, onderzoeken hun omgeving op deze manier, dus met behulp van de zogenaamde nabijheidszintuigen: smaak, reuk en tastzin. Op grond van deze waarneming heeft de psycholoog dr. M. van Soest een theorie opgebouwd die ervan uitgaat dat de oorzaak van autisme gelegen is in een foutieve hiërarchie van de zintuigen. Deze week promoveerde hij in Groningen op het proefschrift „Autisme als gevolg van een dysfunctionele zintuigenhiërarchie; de behandeling van autisme volgens de Van Soest-therapie”.

Een kind dat zich normaal ontwikkelt, stapt reeds als baby over van die nabijheidszintuigen op de vertezintuigen als zien en horen, stelt Van Soest, maar autisten maken die stap niet. Over de oorzaken daarvan blijft hij vaag. Alle afwijkende gedragingen die die groep verder kenmerken — zoals hun onvermogen oogcontact te maken, hun gestoorde cognitieve ontwikkeling, de moeite die ze hebben met taal en communicatie, hun verzet tegen veranderingen, hun stereotiepe handelingen als met de handen fladderen of wiegen — moeten worden verklaard uit deze overheersing van de nabijheidszintuigen, denkt Van Soest.

Hij maakte kennis met het verschijnsel autisme toen hij in 1973 de tienjarige Achim ontmoette in het psychiatrisch ziekenhuis in West-Duitsland waar hij werkte. Achim (in het proefschrift aangeduid als Guido) deed niets anders dan heen en weer schommelen en zich in het gezicht slaan. Van Soest kreeg te horen dat Achim autistisch was en dus een hopeloos geval. Hij legde zich daar niet bij neer; hij nam Achim onder zijn hoede en toen hij later van werkkring veranderde, nam hij hem bij zich thuis op. Achim genas van zijn autisme, zegt Van Soest. Hoger functionerende autisten kwalificeert hij eenvoudig als niet-autistisch.

Op dit punt vindt hij het overgrote deel van de wetenschappelijke wereld tegenover zich. Algemeen wordt aangenomen dat autisme niet over gaat; wel is het mogelijk autisten zo te helpen dat zijzelf en hun omgeving minder last hebben van de symptomen. Van Soest houdt zich uitdrukkelijk niet bezig met de oorzaak. Hij heeft altijd geschamperd op de bevinding van anderen dat die organisch van aard is. Toch zijn daarvoor zeer sterke aanwijzingen. Dat blijkt onder meer uit het onderzoek van H. van Engeland van de universiteit van Utrecht.

Deze houdt zich ook bezig met het waarnemingsvermogen van autisten, maar hij is aan de andere kant begonnen: hij trekt zijn conclusies niet op grond van het gedrag, maar op grond van de fysiologie. Hij heeft vastgesteld dat de reactie in de hersenen op prikkels van buitenaf bij autisten — globaal gezegd — langer op zich laat wachten dan gemiddeld. Met de verwerking van (vooral, inderdaad, visuele en auditieve) prikkels is iets mis. „Vooral de interpretatie van die prikkels blijkt een groot probleem”, aldus Van Engeland. „Die stelling over de nabijheidszintuigen is een oud standpunt. Maar de literatuur is er niet eenduidig over en onderzoek heeft het nooit bevestigd.” Hij kent het onderzoek van Van Soest overigens niet.

De „Van Soest-therapie” bestaat, kort gezegd, hieruit dat hij de „gedragsomgeving” van autisten kunstmatig vergroot. Doordat ze zich bijna uitsluitend bedienen van reuk, smaak en tastzin is het stukje wereld waarop ze zich richten erg klein. Van Soest dwingt hen dat uit te breiden door het gebruik van ogen en oren te stimuleren.

In Engagement, het maandblad van de Nederlandse Vereniging voor Autisme (NVA), beschreef Van Soest in 1976 hoe hij dat in de experimentele periode aanpakte, bij de behandeling van zijn eerste pupillen Achim en Susanne. Hij onderscheidt een eerste fase, waarin het gedrag van het kind wordt gestructureerd. Hij geeft het kind een opdracht en houdt het „met harde, korte stem” bij de les. „We laten het kind geen enkel initiatief.” Hij werkt op regelmatige tijden en is zelf uiterst consequent. Een dergelijke aanpak is overigens ook elders gebleken goed te werken bij autisten, voor wie de wereld een onbegrijpelijke chaos is. Hoe meer duidelijkheid, hoe beter.

Van Soest onthoudt autisten in die fase soms bewust prikkels. „Ik sluit bijvoorbeeld lange tijd de tastzin af (ik heb Susanne bijvoorbeeld bokshandschoenen aangedaan). Dan wordt het kind zeer onrustig en deze onrust gebruik ik om een opdracht in hoog tempo door te voeren.” Met een balspelletje is de gedragsomgeving steeds groter te maken.

In de tweede, begeleidingsfase gaat Van Soest soepeler met zijn pupillen om. Hij biedt dan ook meer materiaal aan. Pas als het kind een groter stuk van de wereld bestrijkt, kan een begin worden gemaakt met het aanleren van gewenst gedrag. Zo leerde Susanne het in deze fase af op haar tenen te lopen. Van Soest trok haar daartoe stijve, hoge schoenen aan waarop ze elke dag een stuk moest wandelen.

Na deze experimenten werkte Van Soest zijn methode uit. In zijn proefschrift beschrijft hij de behandeling van zeven laag functionerende, niet sprekende autisten die sinds 1982 in zijn praktijk kwamen. Alle zeven zijn zij nu in staat zich te uiten in twee- en drie-woordzinnen. Zij zijn, zegt Van Soest, nu „rijp voor opvoeding en ontwikkeling door ouders en leerkrachten. Ik krijg ze nu in vier- tot vijfhonderd uur aan het praten. Destijds werd mijn methode uitgelegd als een keiharde. Maar dat is helemaal niet waar. De ouders zijn er altijd bij. Er waren zelfs ouders die zo blij waren dat ik hun kind aan de praat had gekregen, dat ze 45 kilometer te voet aflegden naar Kevelaar, om Maria te bedanken.”

In Engagement van november 1982 haalt de ontwikkelingspsycholoog (inmiddels dr.) H. Baartman van de VU de Amerikaanse deskundige Rutter aan: „The cure is not the cause.” Dat wil zeggen: uit het feit dat een bepaalde geneesmethode of hulpmethode werkt, kan men niet automatisch afleiden wat de oorzaak is. (…) Het is zeer wel mogelijk dat Van Soest effect heeft met wat hij doet, maar dat rechtvaardigt op zich nog niet zijn theorie van de foutieve zintuigenhiërarchie!”

Bij de NVA, de belangenvereniging van ouders en deskundigen, is men niet enthousiast over de werkwijze van Van Soest. C. Hellingman zegt dat de NVA klachten bereiken van ouders die met hun kind naar de praktijk van Van Soest in Kleef gingen. Het zijn er „geen tientallen”, maar de berichten zijn volgens haar overwegend negatief, vooral omdat de behandeling veel tijd vergt en dus duur is.

De behandeling van de psycholoog wordt niet betaald door het ziekenfonds. „Terwijl bij de gevestigde autisme-teams de ervaringen voor 98 procent positief zijn. De enkele klacht betreft daar nu juist het gebrek aan tijd”, aldus Hellingman. De houding van de NVA is dan ook samen te vatten als: met zo’n zak vol tijd en geld zouden wij ook wel raad weten.

Van Soest heeft jaren gestreden voor erkenning, en zich over het gebrek daaraan herhaaldelijk verbitterd uitgelaten. In Engagement van november 1982 schrijft hij: „Ondanks herhaaldelijk verzoek van Van Soest om naar zijn resultaten te komen kijken en tot een gesprek te komen, geeft het ministerie niet thuis. Koelbloedig verlangt het ministerie dat Van Soest zijn behandelingsmethode door een objectief onderzoek laat analyseren. Wie zou daar nu bij gebaat zijn? Alsof je van het papier de praktijk kunt beoordelen.”

Van Soest nu: „Ouders hebben aan theorieën niets. Die vragen: kun je mijn kind helpen? Je kunt heel veel weten, maar zelf met de bal spelen is een heel andere aangelegenheid”’.

Met zijn dissertatie doet Van Soest een concessie aan „het papier”, maar door te promoveren heeft hij tegelijk zijn gram gehaald. „Ik vind het een hele eer dat ik na zoveel jaren eindelijk die wetenschappelijke erkenning heb gekregen.” 

.

Ontwikkelingsbelemmeringen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3384-3182

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 300A)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

Beknopte inhoudsopgave:

Enerzijds gaat het om ‘aanloopproblemen: wat doe je in nieuw gevormde klassen, daarbij opmerkingen over Griekenland, Perzische oorlogen; grondwet; Sparta-Athene; wetten bij Romeinen; Etrusken; Baäl <1>
De grote verbanden schetsen; ook hier over Athene; de generatieketting; humor. <2>


RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 300A

In de vergaderingen met de leerkrachten gaat het regelmatig over ‘geschiedenis’. Leerkrachten hebben vragen en Steiner geeft antwoord.

Vergadering van 25 september 1919

Blz. 82

X.: Wo soll man anfangen mit der Geschichte?

<1> X.: Waar moet je beginnen met geschiedenis?

Dr. Steiner: Sie werden fast bei jeder Klasse mit der Geschichte von vorne anfangen müssen. Beschränken Sie einfach den Unterricht nach Bedarf. Wenn Sie zum Beispiel im 8. Schuljahr genötigt sind, von Anfang an zu beginnen, dann nehmen Sie eben wenig, aber versuchen doch, ein Gesamtbild zu geben über die ganze Entwickelung der Menschheit, nur kürzer. Also man müßte schon im 8. Schuljahr die ganze Weltgeschichte durchmachen in unserem Sinn. Das trifft auch zu für Physik. In der Naturgeschichte wird es sich sehr leicht machen lassen, daß die Kinder das, was sie gelernt haben, benützen und beleben. Es sind nur diejenigen Fächer, die diesem Mangel unterliegen werden, von denen wir gesagt haben, daß sie nach dem zwölften Jahre anfangen, wo die Urteilskraft beginnt. In den beschreibenden Disziplinen wird man manches benützen können, was die Kinder, wenn auch vertrackt, gelernt haben.

In bijna iedere klas zal je met geschiedenis weer bij het begin moeten beginnen. Beperk gewoon de lessen naar behoefte. Als je bijvoorbeeld gedwongen wordt in klas 8 vanaf het begin te beginnen, neem dan gewoon een beetje, maar probeer dan toch een overzicht te geven van de gehele ontwikkeling van de mensheid, alleen korter. Je zou dus in klas 8 de hele wereldgeschiedenis in onze opvatting moeten doorlopen. Dit geldt ook voor de natuurkunde. Bij biologie is het heel makkelijk om wat de kinderen geleerd hebben, te laten gebruiken en te verlevendigen. Het zullen alleen de vakken zijn waarbij dit tekort optreedt, vakken waarvan we zeggen dat ze na het twaalfde jaar moeten beginnen, wanneer de oordeelskracht ontstaat. Je zult een aantal dingen kunnen gebruiken in beschrijvende vorm wat de kinderen hebben geleerd, zij het op een ingewikkelde manier .

X.: In der griechischen Geschichte kann man wohl mehr auf die Kulturgeschichte und die Sagen eingehen und das Politische weglassen; die Perserkriege zum Beispiel.

X.: In de Griekse geschiedenis kun je je waarschijnlijk meer concentreren op de culturele geschiedenis en de legenden en de politieke zaken achterwege laten; de Perzische oorlogen bijvoorbeeld.

Dr. Steiner: Die Perserkriege kann man schon so behandeln, daß man sie kulturgeschichtlich gestaltet. In älteren Zeiten kann man die Kriege noch kulturgeschichtlich behandeln; bis zu unserer Gegenwart sind sie ja immer unerfreulicher geworden. Man kann die Perserkriege schon wie ein Symptom betrachten der kulturgeschichtlichen Züge.

De Perzische oorlogen kunnen op zo’n manier worden behandeld dat je ze cultuurhistorisch brengt. In oudere tijden kan je de oorlogen nog vanuit een cultuurhistorisch perspectief behandelen; tot in onze huidige tijd zijn ze steeds onverdragelijker geworden. Je kunt de Perzische oorlogen zien als een symptoom van de cultuurgeschiedkundige aard.

Blz.83

X.: Das Innenpolitische ist doch weniger wichtig?

X.: Binnenlandse politiek is minder belangrijk, toch?

Dr. Steiner: Doch, zum Beispiel, wie das Geld entstanden ist.  

Jawel, maar hoe het geld er kwam, bijvoorbeeld.

X.: Die Verfassungen kann man wohl kurz behandeln?

X.: De grondwetten kunnen waarschijnlijk kort worden behandeld?

Dr. Steiner: Ja, aber den Geist der Lykurgischen Verfassung muß man schon schildern, zum Beispiel auch den Unterschied zwischen dem Athenertum und dem Spartanertum.

Ja, maar de geest van de Lycurgische grondwet moet je zo beschrijven, dat bv. ook het verschil tussen Athene en Sparta duidelijk wordt.

X.: Bei den Römern ist das Verfassungswesen so breit dargestellt in den Lehrbüchern.

X.: Het constitutionele systeem van de Romeinen wordt in de leerboeken breed uitgemeten.

Dr. Steiner: In den Lehrbüchern ist es breit und oftmals sehr falsch behandelt. Der Römer kannte keine Verfassung, aber er wußte auswendig nicht nur die Zwölf-Tafel-Gesetze, sondern eine große Anzahl von Rechtsbüchern. Man bekommt eine falsche Vorstellung vom Römertum, wenn man nicht durchnimmt mit den Kindern, daß der Römer ein Rechtsmensch war, und daß das gewußt worden ist. In den Lehrbüchern ist das langweilig dargestellt, aber man muß schon für das Römertum die Vorstellung erwecken, daß jeder Römer ein Rechtsknüppel war und die Gesetze an den Fingern herzählen konnte. Die Zwölf-Tafel-Gesetze sind dort so gelehrt worden, wie bei uns das Einmaleins.

In de leerboeken is het uitgebreid en vaak heel verkeerd behandeld. De Romein kende geen grondwet, maar hij kende niet alleen de Twaalf Tafelwetten uit zijn hoofd, maar ook een groot aantal juridische boeken. Je krijgt het verkeerde idee over Rome als je met de kinderen niet doorneemt dat de Romein een man van het recht was en dat men het kende. Het wordt op een saaie manier gepresenteerd in de leerboeken, maar voor Rome moet je al wel de voorstelling wekken dat iedere Romein voor het recht ging en op z’n duimpje de wetten kende. De Twaalf Tafelwetten werden daar zo aangeleerd als bij ons de tafels van vermenigvuldiging.
GA 300A/82
Vertaald/82

Vergadering van 23 december 1919

Blz. 115

X. berichtet über die humanistischen Fächer in der 7. und 8. Klasse, die er seit dem Herbst übernommen hat.

X rapporteert over de humanistische vakken in de 7e en 8e klas, die hij sinds het najaar overgenomen heeft.

Dr. Steiner: Römische Geschichte, da muß man die Hauptlinien entwickeln und dann erst, vom Hauptcharakter ausgehend, die Einzelheiten. Es liegt gar kein besonderer Grund vor, alles zu behandeln, zum Beispiel die Geschichte von der Lukretia. Es geschah in Rom viel mehr, als überliefert ist, und es hat keinen Sinn, die zufällig überlieferten Einzelheiten alle zu erzählen.

In de Romeinse geschiedenis moet je de hoofdlijnen uitwerken en vervolgens, beginnend bij de hoofdpersoon, de details. Er is geen specifieke reden om alles te behandelen, bijvoorbeeld het verhaal van Lucretia. Er gebeurde in Rome veel meer dan er overgeleverd werd en het heeft geen zin om de toevallig overgeleverde details te vertellen.

X.: Was sind die Etrusker?

X.: Wat zijn de Etrusken?

Dr. Steiner: Die Etrusker sind ein südliches keltisches Element, ein nach Süden verpflanzter Zweig der Kelten.

De Etrusken zijn een Zuid-Keltisch element, een tak van de Kelten die naar het zuiden kwam.

X. fragt nach kulturhistorischen Schriften zur orientalischen Geschichte.

X. vraagt ​​naar cultuurhistorische geschriften over de oosterse geschiedenis.

Dr. Steiner weist hin auf die Abschnitte über Geschichte Babyloniens und Assyriens von Stahl und Hugo Winkler und auf die Schriften von Friedrich Delitzsch. In Helmolts „Weltgeschichte”. Zum Beispiel „Geschichte Babyloniens und Assyriens”. Stuttgart, 3. Auflage 1891.

Dr. Steiner verwijst naar de hoofdstukken over de geschiedenis van Babylonië en Assyrië door Stahl en Hugo Winkler en naar de geschriften van Friedrich Delitzsch. In Helmolts “Wereldgeschiedenis”. Bijvoorbeeld ‘Geschiedenis van Babylonië en Assyrië’ Stuttgart, 3e editie 1891.

X.: Was ist Baal?

X: Wat is Baäl?

Dr. Steiner: Baal ist ursprünglich eine Sonnengottheit.

Baal is van oorsprong een zonnegod. 
GA 300A/115
Vertaald/115

Vergadering van 1 januari 1920

Blz. 118

X.: Wie weit soll ich die Geschichte weiterfuhren, ehe ich zu etwas anderem übergehe? Ich bin in der 7. Klasse mit der römischen Geschichte bis zum Ende der Königszeit und in der 8. bis zu den punischen Kriegen gekommen.
X.: Hoe ver moet ik doorgaan met geschiedenis voordat ik verder ga met iets anders? Ik ben in klas 7 met Romeinse geschiedenis tot en met het einde van de koningentijd gekomen en in de 8e eeuw tot de Punische oorlogen.

Met een grote boog tot het christendom komen en daarna twee maanden Duits; [bedoeld wordt geschiedenis, denk ik] Goethe en Schiller in de 8e klas. <1>
GA 300A/118
Vertaald/118

Vergadering van 26 juni 1921

Blz. 280

Het gaat ervoor over aardrijkskunde. Daar wijst Steiner naar het belang van grote verbanden.
De vraag werd gesteld n.a.v. ‘het geheugen, wat onthouden de kinderen. Steiner was waarschijnlijk op bezoek in die klas:

Die Kinder waren interessiert. Sie haben alles verstanden, waren enthusiasmiert. Sie haben sich aber
nichts gemerkt, weil er die Dinge heraushob und nicht größere Zusammenhänge gab. Größere Zusammenhänge herstellen, das ist eine gute Art von Gedächtnispflege.
Das gilt in der verschiedensten Weise für verschiedene Unterrichtszweige. Es gilt vor allem für solche Dinge wie Geographie, es gilt auch für gewisse naturgeschichtliche Dinge. Für Geschichte, natürlich, da
gilt es ganz besonders. Bei der Geschichte ist es wichtig, daß auf jede mögliche Weise gesucht werden muß, den Kindern konkrete Vorstellungen zu geben.
Wenn man so etwas bespricht wie die Perserkriege, würde ich niemals versäumen, wenigstens wo wichtige Knotenpunkte sind, irgend jemand herauszuheben. Heute haben Sie den athenischen Läufer
gehabt: ich würde niemals versäumen, den Kindern eine recht anschauliche Vorstellung zu verschaffen, wie lange es her ist, daß ein solcher Mensch gelebt hat, zum Beispiel die Generationen nachrechnen zu lassen: Großvater und Sohn und so weiter. Ich würde die Reihe konstruieren bis herauf zum athenischen Läufer. Es würden sich ergeben 55 bis 56 hintereinanderstehende Menschen. Die Kinder bekommen dadurch eine Vorstellung, wie lange die Zeitlinie hinaufgeht. Ich würde fragen, welcher ist Zeitgenosse des Mysteriums von Golgatha? Solche Vorstellungen zu Hilfe nehmen, und darauf ruhen lassen die Kinder. Man redet von Ägypten und will ihnen beibringen, wie sie von Stuttgart nach Ägypten kommen. Man
hält in Venedig, dann versucht man ein bißchen abzurücken vom

<2>De kinderen waren geïnteresseerd. Ze begrepen alles en waren enthousiast. Maar ze hebben niet iets opgemerkt omdat hij (de leerkracht) dingen benadrukte en niet het grotere plaatje schetste. Grotere verbanden leggen is een goede manier om het geheugen te verzorgen.
Dit geldt op verschillende manieren voor verschillende vakken. Dat geldt vooral voor onderwerpen als geografie, maar ook voor bepaalde aspecten van de biologie. En m.n. bij geschiedenis is het belangrijk.
Bij geschiedenis is het belangrijk dat op alle mogelijke manieren gezocht wordt om de kinderen concrete voorstellingen te geven.
Wanneer bv. de Perzische oorlogen besproken worden, zou ik nooit achterwege laten om bij belangrijke knooppunten, iemand extra aandacht te geven. Nu waren bv. de Atheense lopers aan de beurt. Hier zou ik nooit achterwege laten om bv. de kinderen een heel concrete voorstelling te geven van hoe lang het is geleden dat zo iemand leefde, bv. door de generaties na te tellen: vader en zoon enz. Die rij zou ik samenstellen tot aan de Atheense lopers.  Er zou uitkomen 55 of 56 achter elkaar staande mensen.
Zo krijgen de kinderen een idee van hoe lang de tijdlijn oploopt. Ik zou willen vragen: wie is een tijdgenoot van het Mysterie van Golgotha? Gebruik zulke ideeën en laat de kinderen erover nadenken. Je vertelt over Egypte en wil ze leren hoe ze van Stuttgart naar Egypte kunnen reizen. Je stopt in Venetië, dan probeer je een beetje afstand te nemen van het

Blz. 281

Thema und einen Witz zu machen, was auf Venedig Bezug hat. Es muß Humor in den Unterricht hinein, sonst leidet auch das Gedächtnis.

van het thema en een grap te vertellen die over Venetië gaat. Er moet humor in de les zitten, anders lijdt het geheugen daaronder. <2>

Rudolf Steiner over geschiedenisalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3383-3181

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.

In haar ‘Verborgen wijsheid van oude rijmen‘ besteedt Mellie Uyldert ook aandacht aan ‘dansen’.
In de inleiding tot ‘de dans’ vind je haar gezichtspunten.

Ze behandelt een aantal kringspelen, deze bv. rangschikt ze onder ‘Spelen van dood en de andere wereld’
w.o.:

HIER IS ’T GROEN

De kinderen staan in een kring. Een of twee kinderen lopen binnen in de kring zoekend langs de anderen. Daarbij maken ze de gebaren die in de tekst van het liedje voorkomen.

Bij: Draai je eens om! blijven de twee staan voor het kind waar ze juist aan toe gekomen zijn, maken een gebaar van draaien met de hand, terwijl het stilstaande kind zich omdraait, en kijken geïnteresseerd of zij het is.

Bij: Nee, nee! maken ze een afwijzend gebaar en gaan verder.
Het volgende kind dat zich omdraait, blijkt het wél te zijn, en bij de regel: En boven op de bergen’ pakken zij elkaar kruiselings bij de handen en dansen samen rechtsom, terwijl de kinderen van de kring op de maat in de handen klappen.

Variatie: de paren gaan binnen in de kring dansen en de kringkinderen huppelen achter elkaar aan met handen klappen. Bij de herhaling dansen en huppelen de kinderen naar de andere kant, dus links om.

Hier is ’t groen, daar is ’t groen, onder mijne voeten,
’k heb verloren m’n beste vriend,
’k zal hem zoeken moeten!
Zoek ik hier, zoek ik daar,
onder jullie allen
is er zeker toch wel een,
die mij zal bevallen!
Draai je ’s om, want ik ken je niet,
ben je het wel of ben je ’t niet?
Nee, nee, je bent het niet!
Keer je maar om, want ik ken je niet!
Draai je eens om, want ik ken je niet,
ben je ’t wel, of ben je ’t niet?
Ja, ja! Ik zie het goed,
dat jij met me dansen moet!

Dit 2x:

En – boven op de bergen,
simperdesim sim sim,
dansen alle dwergen,
simperdesim sim sim! 

De muziek

Dit spelletje is ook, als Twentse boerendans, bekend met een andere tekst:

Wat is ’t nat! Wat is ’t nat! onder mijne voeten,
uitverkoren, uitverkoren, waar zal ik je zoeken?
Een van deze meisjes dan,
die ik ’t eerste kiezen zal.
Nee, nee, je bent het niet,
draai je maar om, want ik ken je niet!
Een van deze meisjes dan,
die ik ’t eerste kiezen zal!
draai je maar om, wan ik ken je wel!
draai je om, ik ken je wel!
Hier m’n lieve vrouwtje, ik geef de hand aan jou!
Je zal me niet verlaten, en daarom kies ik jou!

De eerste tekst, waaraan wij persoonlijk de voorkeur geven, lijkt meer op de overeenkomstige Duitse. (Hier ist grün!)

Verklaring

Voor Uyldert is degene die binnen de kring loopt een levende ziel die in het dodenrijk afdaalt om er de geliefde te zoeken die door de dood verloren is gegaan. Hij gaat over het groen der graver en hij waadt – wat is ’t nat! – door de rivier der vergetelheid, of hij steekt die over, gebruik makend van de haardunne brug Bifrost – waarbij hij zelf zijn doel bijna vergeet. Maar zijn verlangen drijft hem voort.
Hier citeert ze: 

Aegidius, waar bestu bleven?
Mi langt naar di, geselle mijn!

En ze noemt Orpheus die Euridyce zoekt onder de schimmen. Is zij al een schim of is zij in Vrouw Holle’s rijk slechts verdwaald? Schimmen zijn van achteren hol, en hij laat elk meisje zich omdraaien, om te zien of zij de echte is!

Of is de geliefde enkel onder de dwergen terecht gekomen? Dan bevindt zij zich in het etherische rijk; daar wordt de mensenwereld vergeten. Is hij haar daar gaan verlossen – waarop de dwergen vrolijk in de maneschijn meedansen?

In het tweede versje danst het paar in de groene wei van Vrouw Holle. Is het de gestalte van de verloren geliefde, waar men mee danst – of is het de gedaante van de eigen ziel, die in de droomtoestand van het bewustzijn na de dood wordt ontmoet?

Zie hier

En hier voor een andere uitleg.
.

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3382-3180

.

.

.

.

VRIJESCHOOL Rudolf Steiner over geschiedenis – alle artikelen

.

Een kleine inhoudsopgave bij de opmerkingen die Rudolf Steiner in de pedagogische voordrachten maakte over geschiedenis. Toevoegingen in blauw zijn van mij. 

GA 294    vertaling: Opvoedkunst
8e voordracht        vertaling op deze blog    
Overgang leeftijd kind van 12 naar 13jr; dan open voor historische verbanden; noodzaak voor leerkracht om zich kennis van de historische impulsen eigen te maken.

GA 295    vertaling: Praktijk van het lesgeven
Artikel met de betreffende passages
Geschiedenisfeiten ordenen; oordelen en drijvende krachten; oordelen van nationale of confessionele oorsprong moeten overwonnen worden; iets over achtergrondliteratuur uit die tijd voor ons niet meer interessant; over de kruistochten; 1e, 2e, 3e; belangrijke personen daarbij; rol van de Grieken; belangrijk om beeldend te vertellen, ondersteund door schilderijen; gevolgen: wat kwam er mee terug: o.a. voorwerpen met nieuwe woorden; de tijd: lang geleden; over steden; met de nieuwe tijd veranderen denken, voelen en willen; iets over Egypte; perspectief; piramide; evt. mythologie; vakken met elkaar verbinden; volksverhuizing; Karel de Grote; Germanen en christendom.

GA 300A     (nog) niet vertaald
Artikel met de betreffende passages
Enerzijds gaat het om ‘aanloopproblemen: wat doe je in nieuw gevormde klassen, daarbij opmerkingen over Griekenland, Perzische oorlogen; grondwet; Sparta-Athene; wetten bij Romeinen; Etrusken; Baäl
De grote verbanden schetsen; ook hier over Athene; de generatieketting; humor. 

GA 301    op deze blog vertaald
Artikel met betreffende passages
Belang van de kennismaking met de wereld tussen het 9e en 12e jaar om geschiedenis te kunnen begrijpen; einde 12e jaar pas oordelen. Idem: het belang van de plantkunde. Hoe zit het met causaliteit? Geschiedenis en wat er aan de wording van de mens ten grondslag ligt. Het ‘vroegere’ is soms in onze tijd nog zichtbaar. De Griekse tijd, over het Griekse drama, Griekse kunst, wat is er bij de Grieken ontstaan wat we nu nog hebben; geschiedenis moet op gevoel en wil werken (nog steeds gaat het ook over de Grieken, gevolgd door het christendom); het geheel en de delen; het niet afkrijgen van de leerstof, met een uitstapje naar het onderwijzersexamen: wanneer ben je een goed leerkracht; over universele menswaardigheid, Avondmaal van Leonardo, Rome, verbreiding christendom; Europa, ontdekkingsreizen; causaliteitsgeschiedenis maakt star, belangrijker symptomatologische geschiedenis, van concreet naar abstract, boekdrukkunst, verdieping van geschiedenis naar religie.

in opbouw

.

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3381-3179

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Handwerken (5-4)

.
Een oud artikel, maar het had ook recent geschreven kunnen worden.
Een vergelijking tussen handwerken en handenarbeid.
.

Hedwig Hauck, Zur Pädagogik Rudolf Steiners, 3e jrg. nr. 3-4 sept.  1929

.

Over de opvoedkundige waarde van het maken van stoffen dieren
.

Steiner noemde handenarbeid en handwerken graag ‘hard’ en ‘zacht’ handwerk.
Hij wees op een belangrijk verschil tussen de twee werkgebieden, waarvan we ons pas geleidelijk in de volle omvang bewust werden. Niet alleen worden op de twee genoemde gebieden verschillende soorten materiaal gebruikt, maar bij de verwerking van hetzelfde worden zeer verschillende soorten zielskrachten van het kind gewekt en aangesproken. De educatieve waarde van het ene en het andere werkveld ligt waarschijnlijk in afzonderlijke gebieden, die elkaar echter op een mooie manier aanvullen, en vaak in elkaar overgaan of in de diversiteit van het werk, dat zowel met de ‘zachte’ als met de ‘harde’ handarbeid kan worden vervaardigd, elkaar overlappen.

Hierna worden echter alleen de verschillen aangegeven. Als voorbeeld nemen we het dier, hoe het van hout in de harde handenarbeid gemaakt wordt en vervolgens van stof in het zachte handwerken. Eerst wordt het plat aan elkaar genaaid en vervolgens door het opvullen in vorm gebracht.

Bij handenarbeid moet het hout bewerkt worden; er wordt gehamerd, geschaafd, gesneden, enz. — het is de krachtige wil die, door direct gebruik te maken van de met leven gevulde ledematen van het kind, creatief ingrijpt in de buitenwereld.

Bij handwerken gaan de stoffen zorgvuldig door de handen. Kleurrijke materialen strelen het hart en de zintuigen en worden met liefdevol begrip bij elkaar gebracht. Hier zijn de zielskrachten van het gevoel werkzaam, die niet tot de ledematen behoren, maar tot de borststreek van de mens, die in het bloed en de adem stromen en die daarom de handen slechts indirect gebruiken om datgene wat innerlijk wordt gevoeld, uiterlijk te laten verschijnen.

Zoals een levende waterstroom de steen van buitenaf vormt en verandert, zo is het de levende wil die het werk aan het hout van buitenaf uitvoert en het kunstwerkje, het dier, vanuit de levenskrachten vormgeeft.

Levenskrachten komen van buitenaf uit de kosmos naar de mens, zielskrachten werken innerlijk aan hem aan en vormen zijn fysieke gestalte van binnenuit.

Zoals ziel en geest in de mens zelf scheppend werken, wanneer het tussen het zevende en veertiende jaar het fysieke lichaam en zijn organen van binnenuit vormgeeft en bezielt, zo schept het kind door zijn werk aan het dier dat het van binnen opvult om vorm te geven aan de buitenkant. Daarom wordt zo’n dier als het ware ook door het kind bezield. Het is vaak verrassend om te zien hoe het temperament van het kind, zijn eigen wezen, tot uiting komt in het dier dat hij heeft gemaakt. Het gaat bijvoorbeeld niet altijd om cholerische leeuwen, maar soms duikt er ook een nogal flegmatisch of melancholisch roofdier op. De dieren zijn vaak grappig, humoristisch, die vaak al tijdens het werk het lievelingsspeeltje van het kind worden.

Tot het hier besproken gebied behoren ook de poppen. “Laat maar lachende poppen maken, poppen die de ziel uitdrukken,” zei Steiner ons ooit. De meisjes maken met grote toewijding poppen en dieren, terwijl de jongens over het algemeen de voorkeur geven aan dieren.
Van het negende tot het tiende levensjaar, wanneer in het hoofdonderwijs met de plaats van de mens in de natuur begonnen wordt, wordt het voor de kinderen mogelijk om hun dier- en poppenvormen op een meer bewuste manier te maken. Bij jongere kinderen komen dier- en poppenvormen volledig uit het onbewust-psychische tevoorschijn.

Zoals bij het zachte handwerken een zielvol dier ontstaat, zo ontstaat bij de harde handenarbeid een levendig dier. Het dier kan puur uiterlijk bewegen en door zijn bewegingen zijn ze vaak heel grappig en humoristisch waardoor ook emotionele aspecten tot uiting komen.

De stoffen dieren, met hun directe gevoelsuitdrukking en vaak onnavolgbare humor, hebben meestal geen uiterlijke beweeglijkheid. Maar ze leven van binnenuit toch. Als een kind bijvoorbeeld een aanstormende olifant met zijn slurf omhoog maakt, dan rent de olifant daadwerkelijk en in de verbeelding van het kind zwaait hij hard met zijn slurf. heen en weer. Het kind wordt door zo’n speeltje gestimuleerd tot steeds nieuwe fantasierijke activiteiten, waarvan het zeker het idee heeft dat het leeft. Dit heeft een vormend en structurerend effect op de hersenen. Het kind krijgt via dergelijk speelgoed een heel andere ontwikkelingskans dan via veel ‘mooi’ modern speelgoed, waarbij de fantasie, omdat het niets meer heeft om aan te vullen, moet afhaken en de hersenen verkommeren.

Er wordt over het algemeen veel te weinig aandacht besteed aan de ontzettend belangrijke educatieve waarde van poppen en dieren die kinderen zelf maken. Daarnaast is er nog iets anders belangrijks. Zo biedt een pop met dergelijke kleding de beste voorbereiding op het naaien van bijpassende kledingstukken die het kind – als het wat ouder is – voor zichzelf en anderen moet maken.

Op deze manier wordt het kind van spel naar zinvol werk geleid – en ook naar morele impulsen. Poppen en dieren worden door de kinderen altijd met liefde verzorgd. Door hen worden de kinderen tot die onbaatzuchtige liefde voor dieren en mensen aangezet – waaruit op latere leeftijd de mooiste sociale impulsen kunnen bloeien. —

Het zijn de vermogens van het gevoel, de vermogens van de liefde, die in het kind worden gewekt door het zachte handwerken, en vooral de wilskracht die wordt ontwikkeld door de harde handenarbeid. —

In de vrijeschool zijn euritmie en gymnastiek op een vergelijkbare manier met elkaar verbonden als de twee hierboven genoemde werkgebieden. In deze school, zoals uit vele andere voorbeelden kan blijken, ervaren gevoel en wil hun overeenkomstige, gelijke steun en vorming naast al het intellectuele, zodat de gehele mens, niet alleen de intellectuele, zich kan ontwikkelen. —

Zowel het zachte als het harde handwerk hebben beide kunstzinnig beleven en vormgeving als doel. Door kunstzinnig ervaren, door het plezier voor het mooie, wordt de ziel van het kind tot ontwikkeling gebracht en het gevoel voor waarheid, het gevoel voor morele goedheid in het kind aangelegd.

Een woord van Rudolf Steiner kan deze overweging wellicht afsluiten:

‘ Voor het gehele verdere leven is een vruchtbare bodem gelegd, waaruit vreugde, levensblijheid en werkkracht kunnen opbloeien, wanneer het gevoel voor schoonheid en kunst in de jeugd ontwikkeld is. En de verhouding van mens tot mens, hoeveel edeler en zuiverder wordt deze niet door de zin voor het schone.
De moraliteit, die in deze jaren ook ontwikkeld wordt door de beelden van de wereld en het leven, door het voorbeeld van de opvoeder, die als autoriteit aanvaard wordt, krijgt vastheid, wanneer door de schoonheidszin al het goede tevens als schoon, al het slechte als lelijk wordt aangevoeld.’
GA 34/340
Vertaald: De opvoeding van het kind

De zwart-wit foto’s zijn uit het artikel van Hauck, de andere via Pinterest, van veel recentere datum:

.

Handvaardigheid: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3380-3179

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 295)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.
.

Beknopte inhoudsopgave:

Geschiedenisfeiten ordenen; oordelen en drijvende krachten; oordelen van nationale of confessionele oorsprong moeten overwonnen worden  <1>
Iets over achtergrondliteratuur uit die tijd  <2>  en  <4>   <9> voor ons niet meer interessant
Over de kruistochten; 1e, 2e, 3e; belangrijke personen daarbij; rol van de Grieken; belangrijk om beeldend te vertellen <7>, ondersteund door schilderijen; gevolgen: wat kwam er mee terug: o.a. voorwerpen met nieuwe woorden; <3>
De tijd: lang geleden <5>  en  <7>
Over steden <6>
Met de nieuwe tijd veranderen denken, voelen en willen <8>
Iets over Egypte; perspectief; piramide; evt. mythologie <10>
Vakken met elkaar verbinden <11>
Volksverhuizing <12>
Karel de Grote <13>
Germanen en christendom <14>

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 295  

.

Werkbespreking 7, Stuttgart 28 augustus 1919

In deze werkbespreking behandelt Steiner o.a. ‘cultuurgeschiedenis’. Het is interessant dat hij het over ‘meningen’ heeft. Standpunten.
Al vele jaren is er in de didactiek van de geschiedenis de tendens om geschiedkundige gebeurtenissen niet alleen te bespreken vanuit het gezichtspunt van – in geval van oorlog bv. – de overwinnaar, maar ook ‘in de huid te kruipen’ van de overwonnenen.
De geschiedenis bekeken vanuit ‘Europa’ werd als te eenzijdig gezien. Dit ‘eurocentrisme’ moet niet de leidraad zijn bij geschiedenisbeschouwing.

Steiner:

Blz. 74  vert. 69

So möchte ich mit Ihnen besprechen, was mit der Kulturentwickelung Europas, so vom 11. bis 17. Jahrhundert, zusammenhängt. Sie werden nicht aus den Augen verlieren dürfen, daß das Durchnehmen geschichtlicher Dinge mit Kindern, und auch schließlich mehr oder weniger mit Erwachsenen, immer ein subjektives Element in sich haben muß. Man hat leicht sagen, man soll bei Geschichtsdarstellungen nicht Meinungen und subjektive Ideen in die Geschichte hineintragen. Verlangen kann man es, aber erfüllt werden kann es nicht. Denn nehmen Sie irgendeine Partie der Geschichte auf irgendeinem Gebiete; Sie werden mindestens die Tatsachen gruppieren müssen, entweder
selbst, oder wenn die Tatsachen weiter zurückliegen, so sind sie schon
gruppiert, dann haben andere sie gruppiert.

<1>Zo zou ik allerlei dingen met u willen bespreken die verband houden met de culturele ontwikkeling van Europa, ongeveer van de elfde tot de zeventiende eeuw. U moet goed voor ogen houden dat de behandeling van historische dingen voor kinderen, en voor volwassenen uiteindelijk in meerdere of mindere mate ook, altijd een subjectief element in zich moet hebben. Het is wel heel gemakkelijk om te zeggen dat men bij historische beschrijvingen geen meningen en subjectieve ideeën in de geschiedenis mag leggen. Eisen kan men het wel, maar vervuld kan het niet worden. Want neemt u maar een of ander gedeelte van de geschiedenis, op wat voor gebied dan ook; u zult op zijn minst de feiten moeten ordenen. Of u doet het zelf, of de feiten liggen verder terug en zijn al geordend, dan hebben anderen dat gedaan. <1>

<2> Nu volgen er voorbeelden van schrijvers die destijds zeker achtergronden vormden voor de leerkrachten van toen, in Duitsland.
Welke boeken gebruikten de leerkrachten van de eerste vrijescholen in Nederland? Daar heb ik geen zicht op. 
En welke gebruikte ik zelf in 1975, 1976 toen ik voor het eerst geschiedenis gaf in klas 5 en 6. Om gedegen monografieën te lezen, van bv. Le Goff e.a. ontbrak simpelweg de tijd. Waar ik uit putte, staat voor een groot gedeelte bij de artikelen over geschiedenis klas 5 en 6.
Als voorbeeld hoe dat in Steiners tijd toeging, geef ik wel zijn woorden uit deze werkbespreking weer:

Nehmen Sie an, Sie schildern den Geist der alten Germanen, so werden Sie die «Germania» des Tacitus heranziehen. Aber der Tacitus war gar sehr ein subjektiver Geist; er hat das, was er herangebracht hat, schon gar sehr gruppiert. Sie dürfen nicht hoffen, daß Sie anders zurechtkommen, als eine subjektive Gruppierung von Tatsachen entweder selbst aufzustellen oder von anderen zu übernehmen.
Sie brauchen sich ja das nur an Beispielen klarzulegen. Sehen Sie einige Literaturbeispiele an:
Treitschke hat eine mehrbändige «Deutsche Geschichte des 19. Jahrhunderts» geschrieben. Sie hat das Entzücken Herman Grimms, der doch auch ein fähiger Beobachter war, hervorgerufen; sie hat das Entsetzen hervorgerufen vieler Angehöriger der Entente. Aber wenn Sie Treitschke durchlesen, so werden Sie gleich das Gefühl haben, daß gerade seine Vorzüge auf seiner stark subjektiven Färbung in der Grup-

Neemt u eens aan, u schetst de cultuur van de oude Germanen, dan zult u de Germania van Tacitus raadplegen.* Maar Tacitus was een uiterst subjectieve geest. Hij heeft zijn materiaal op een wel heel eigen wijze geordend. U mag niet hopen dat er een andere mogelijkheid is dan een subjectieve ordening – hetzij van uzelf, hetzij overgenomen van anderen. Dat wordt aan de hand van een paar voorbeelden onmiddellijk duidelijk. Kijkt u eens naar een paar voorbeelden uit de literatuur.

*Publius Cornelius Tacitus, ca. 55-120, Romeins geschiedschrijver. Schreef o.a. Germania.

 Treitschke heeft een ‘Duitse geschiedenis van de negentiende eeuw’ geschreven.*

*Heinrich von Treitschke, 1834-1896, schreef een Deutsche Geschichle im 19. Jahrhundert in 5 delen. 

 Hermann Grimm, die zelf toch ook een getalenteerd waarnemer was, was er zeer over te spreken, maar vele leden van de Entente waren ontzet. Als u Treitschke echter doorleest, zult u onmiddellijk het gevoel hebben dat juist zijn sterke kanten liggen in een heel subjectieve hand in de ordening van de feiten.

Blz. 75  vert. 70

pierung der Tatsachen beruhen. Es kommt ja in der Geschichte darauf an, daß man ein Urteil hat über die in der Geschichte treibenden Kräfte und Mächte. Nun handelt es sich darum, daß bei dem einen das Urteil reifer, beim anderen weniger reif ist, und der also gar nichts urteilen sollte, weil er gar nichts versteht von den treibenden Kräften. Der andere wird gerade, wenn er gute subjektive Urteile hat, den geschichtlichen Fortgang sehr gut schildern.
Herman Grimm hat Friedrich den Großen geschildert, Macaulay hat auch Friedrich den Großen geschildert. Aber man bekommt ein vollständig verändertes Bild von Friedrich dem Großen durch Macaulay. Herman Grimm hat seinen Artikel sogar als eine Art Rezension des Macaulayschen Artikels verfaßt und hat von seinem Gesichtspunkte aus gesagt: Der Friedrich der Große des Macaulay «ist ein verzwicktes englisches Lordsgesicht mit Schnupftabak an der Nase.»
Der Unterschied ist nur der, daß Herman Grimm ein Deutscher des 19. Jahrhunderts ist, und Macaulay ein Engländer des 19. Jahrhunderts. Und derjenige, der als Dritter beides beurteilt, würde eigentlich sehr engherzig sein, wenn er das eine richtig, das andere falsch findet.

In de geschiedenis gaat het erom dat men een oordeel heeft over de drijvende krachten en machten in de geschiedenis. En nu is het zo dat het oordeel bij de een rijper is en bij de ander minder rijp – die dan ook geen oordeel zou moeten vellen, omdat hij volstrekt niets begrijpt van de drijvende krachten. De eerste zal juist wanneer hij goede subjectieve oordelen heeft de loop van de geschiedenis heel goed beschrijven.
Hermann Grimm heeft een beeld gegeven van Frederik de Grote, en ook Macaulay heeft dat gedaan.*

*Hermann Grimm, 1828-1901: ‘Friedrich der Grosse und Macaulay’ in Fünfzehn Essays. Erste Folge, 3e druk Berlijn 1884.
Lord Thomas Babington Macaulay, 1800-1859.

Maar door Macaulay krijgt men een volstrekt ander beeld van Frederik de Grote. Hermann Grimm heeft zijn artikel zelfs als een soort recensie over het artikel van Macaulay geschreven. Vanuit zijn gezichtspunt zei hij: de Frederik de Grote van Macaulay ‘is een gecompliceerde Engelse lord met snuiftabak aan zijn neus.’ Maar het enige verschil is dat Hermann Grimm een Duitser van de negentiende eeuw is en Macaulay een Engelsman van de negentiende eeuw. En degene die als derde beiden beoordeelt, zou eigenlijk heel bekrompen zijn wanneer hij het ene beeld als juist en het andere als fout zou beoordelen. 

So konnte man noch viel drastischere Beispiele auswählen. Viele von Ihnen kennen die Schilderung Martin Luthers aus den gewöhnlichen Geschichtsbüchern. Machen Sie nur einmal das Experiment und lesen Sie dasselbe in katholischen Geschichtsbüchern durch, da werden Sie einen Martin Luther kennenlernen, den Sie bisher noch nicht gekannt haben! Wenn Sie es durchgelesen haben, da werden Sie in Verlegenheit sein, zu sagen, daß der Unterschied ein anderer ist, als der, der sich aus verschiedenen Gesichtspunkten ergibt. Nun werden solche Gesichtspunkte, wie sie aus dem Nationalen oder aus dem Konfessionellen stammen, eben gerade von der Lehrerschaft der Zukunft überwunden werden müssen. Deshalb muß man so sehr anstreben, die Lehrerschaft weitherzig zu bekommen, die Lehrerschaft auf den Standpunkt zu stellen, eine weitherzige Weltanschauung zu haben. Von diesem Gesichtspunkte aus wird sich auch ein freier Ausblick bieten über die geschichtlichen Tatsachen, und man wird sie so gruppieren, daß man dem Schüler die Geheimnisse des Menschheitswerdens überträgt.

Zo zou men nog veel sprekender voorbeelden kunnen uitkiezen. Velen van u kennen het beeld van Maarten Luther uit de gewone geschiedenisboeken. Maar neemt u eens de proef op de som en leest u hetzelfde in katholieke geschiedenisboeken, dan zult u een Maarten Luther leren kennen zoals u hem tot nu toe niet kende! Als u dat gelezen hebt, dan zult u wel moeten zeggen dat het verschil niets anders is dan het resultaat van verschillende gezichtspunten. Maar zulke gezichtspunten die ontstaan vanuit een nationale of confessionele benadering, zullen nu juist door de leraren van de toekomst overwonnen moeten worden.

Wat veel later m.n. in Europa een gedachte werd voor het geschiedenisonderwijs, spreekt Steiner hier in 1919 al uit. En als we met ‘de leraren van de toekomst’ alle leerkrachten ter wereld bedoelen, zijn er nog veel gebieden (totalitaire staten bv.) waar deze gedachte niet welkom is, laat staan praktijk!

Daarom moet men werkelijk proberen te bereiken dat de leraren ruimdenkende mensen zijn, dat de leraren een standpunt vinden dat tot een ruimdenkende wereldbeschouwing leidt. Van dit gezichtspunt uit is het ook mogelijk een vrije blik te werpen op de historische feiten en we zullen deze zo ordenen dat we aan de leerlingen de geheimen van de ontwikkeling van de mensheid overbrengen. <2>

Blz. 76  vert. 71

Wenn Sie nun etwas über die Kultur vom 11. bis 17. Jahrhundert an Ihre Schüler übertragen sollten, so würden Sie da in erster Linie schildern, was zu den Kreuzzügen geführt hat. Sie würden schildern den Verlauf des ersten, zweiten, dritten Kreuzzuges. Wie die Kreuzzüge allmählich versumpft sind und nicht dasjenige erreicht haben, was durch sie hätte erreicht werden sollen. Sie würden schildern den Geist der Askese, der dazumal durch einen großen Teil von Europa ging; wie überall aus der Verweltlichung der Kirche, oder doch im Zusammenhang mit dieser Kirchenverweltlichung, Naturen hervorgingen wie
Bernhard von Clairvaux, die voll inniger Frömmigkeit waren, von einer solchen Frömmigkeit, daß sie den Eindruck von Wunderwirkern auf ihre Umgebung machten. Sie würden versuchen, aus einem Handbuch solche Gestalten biographisch kennenzulernen und sie lebendig vor Ihre Schüler hinzustellen, und würden versuchen, solchen lebendigen Geist aufwirbeln zu lassen, aus dem sich die für die damalige Zeit mächtigen Züge nach dem Orient entwickelt haben. Sie würden zu schildern haben, wie damals die Züge zustande gekommen sind durch Peter von Amiens und Walter von Habenichts; dann der Zug von Gottfried von Bouillon und einigen anderen.

<3>Moet u de leerlingen nu iets vertellen over de cultuur van de elfde tot de zeventiende eeuw, dan zou u in eerste instantie beschrijven hoe de kruistochten tot stand zijn gekomen. U zou het verloop schetsen van de eerste, de tweede en de derde kruistocht. Hoe de kruistochten geleidelijk aan in het slop raakten en niet datgene bereikten wat erdoor bereikt moest worden. U zou de geest van ascese schetsen die toentertijd door een groot gedeelte van Europa voer; hoe overal vanuit de verwereldlijking van de kerk of althans in verband met deze verwereldlijking figuren als Bernard van Clairvaux opstonden, die een innig geloof hadden. Ze hadden zo’n krachtig geloof dat ze op hun omgeving de indruk maakten wonderen te kunnen verrichten. U zou proberen om via een handboek de biografieën van zulke figuren te leren kennen en ze zo levendig te beschrijven dat de leerlingen ze helemaal voor zich zouden zien. U zou proberen net zo’n levendige geest te laten opbruisen als die waaruit de voor die tijd machtige tochten naar het Oosten zijn voortgesproten. U zou moeten beschrijven hoe toentertijd de tochten door Peter van Amiens en Walter von Habenichts tot stand zijn gekomen, en verder de tocht van Godfried van Bouillon en enkele anderen. 

Sie werden dann schildern, wie diese Züge sich nach dem Orient inBewegung gesetzt haben und wie ungeheure Mengen von Menschen umgekommen sind, oftmals ehe sie den Orient erreicht haben. Sie werden durchaus dreizehn- bis vierzehnjährigen Jungen und Mädchen schildern können, wie diese Züge sich zusammensetzten, wie sie sich in Bewegung setzten und sich ungeordnet nach dem Orient zu bewegten, und wie durch die Ungunst der Verhältnisse, aber auch im Durchdrängen durch fremde Völker viele Menschen zugrunde gingen.
Sie werden dann auch zu schildern haben, wie diejenigen, die im Orient ankommen, erst ein Weniges erreichen. Sie werden die Erfolge des Gottfried von Bouillon schildern, werden dann aber zeigen, wie sich ein Gegensatz ergibt zwischen den Kreuzfahrern der folgenden Kreuzzüge und der griechischen Politik. Wie die griechischen Völker eifersüchtig werden auf die Taten der Kreuzfahrer und den Gegensatz fühlen zwischen dem, was diese wollten, und dem, was die Griechen vorhatten mit dem Orient; wie die Griechen im Grunde genommen

Dan zult u schetsen dat men naar het Oosten trok en dat er ontzettende massa’s mensen omkwamen, vaak nog voor ze het Oosten bereikten. U zult voor jongens en meisjes van dertien, veertien jaar heel goed kunnen beschrijven wie er deel uitmaakten van die kruistochten, hoe ze in beweging kwamen en ongeordend richting Oosten trokken, en hoe er velen zijn omgekomen door ongunstige omstandigheden, maar ook doordat men zich door vreemde volkeren een weg moest banen.
Dan moet u beschrijven dat degenen die in het Oosten aankomen eerst maar weinig bereiken. U zult de successen van Godfried van Bouillon beschrijven, maar dan zult u ook vertellen dat er een tegenstelling ontstaat tussen de kruisvaarders van de volgende kruistochten en de Griekse politiek. Dat de Griekse volkeren jaloers worden op de daden van de kruisvaarders en de tegenstelling voelen tussen wat deze willen en wat de Grieken zelf van plan zijn met het Oosten; dat de Grieken in feite de oriëntaalse belangen net zozeer

Blz. 77   vert. 72

ebenso die orientalischen Interessen einbeziehen wollten in ihre Interessensphäre wie die Kreuzfahrer in die ihrige. Ich würde Sie bitten»
recht anschaulich zu schildern, wie der Gegensatz der Griechen aufgerufen wird gegen das Wollen der Kreuzfahrer.
Dann würde ich meinen, daß Sie schildern sollten, wie im Orient die kämpfenden Kreuzfahrer, statt die orientalischen Völker in Westasien zu bekämpfen, sich untereinander bekämpfen; wie die europäischen Völker selber sich aufeinanderhetzen, wie namentlich die Franken und ihre Nachbarvölker durch die Ansprüche, die sie erheben an das, was erobert worden war, wiederum hintereinanderkommen und sich untereinander bekämpfen. Die Kreuzzüge sind aus feurigem Enthusiasmus zustande gekommen, aber der Geist der Zwietracht ergriff die Teilnehmer der Kreuzzüge, und dann kam auch noch der Gegensatz zwischen Griechen und Kreuzfahrern herauf.

in hun belangensfeer willen inlijven als de kruisvaarders. Ik zou u willen vragen er een heel aanschouwelijk beeld van te geven hoe deze tegenstelling is ontstaan tussen de Grieken en het streven van de kruisvaarders.
Dan, zou ik denken, schetst u hoe de strijdende kruisvaarders, in plaats van de oosterse volkeren in Klein-Azië te bestrijden, elkaar onderling bestrijden; dat de Europese volkeren elkaar ophitsen en met name de Franken en de naburige volkeren hun recht doen gelden op de gebieden die veroverd zijn en dat zij elkaar daarom weer in de haren vliegen en onderling bestrijden. De kruistochten zijn ontstaan uit een vurig enthousiasme, maar de geest van de tweedracht maakte zich van de kruisvaarders meester. Daarbij kwam dan de tegenstelling tussen de Grieken en de kruisvaarders. 

Zu alldem kam dazu der Gegensatz, der sich immer mehr und mehr geltend machte, zwischen der Kirche und den weltlichen Mächten, gerade im Zeitalter der Kreuzzüge. Und es ist vielleicht nicht unnötig, schon den Kindern etwas zum Bewußtsein zu bringen, was wahr ist, was aber durch die tendenziöse Geschichtsschreibung in allen wesentlichen Punkten verhüllt worden ist. Gottfried von Bouillon, der Führer des ersten Kreuzzuges, hatte eigentlich die Absicht, Jerusalem aus dem Grunde zu erobern, um ein Gegengewicht gegen Rom aufzurichten. Das sagten er und seine Begleiter den anderen nicht öffentlich; aber im Herzen trugen sie den Kampfruf: «Jerusalem gegen Rom!» Sie sagten sich: Bringen wir Jerusalem in die Höhe, damit es werden könne
der Mittelpunkt des Christentums, damit nicht mehr Rom das sei. –
Sie werden den Kindern diese Grundstimmung der ersten führenden
Kreuzfahrer in taktvoller Weise übertragen, das wird wichtig sein.
Große Aufgaben waren es, die die Kreuzfahrer sich gestellt hatten, und auch diejenigen Aufgaben waren große, die sich nach und nach aus den Verhältnissen selber herausstellten für die Kreuzfahrer. Und die Menschen waren nach und nach zu klein, um diese Aufgaben ohne Schaden auf sich geladen zu sehen. Dadurch kam es, daß unter den Kreuzfahrern während der heftigsten Kämpfe allmählich Sittenlosigkeit und Unmoralität ausbrach.

Bovendien kwam daar juist in de tijd van de kruistochten ook nog de tegenstelling bij tussen de kerk en de wereldlijke machten, die steeds nadrukkelijker werd. En het is misschien niet nutteloos om de kinderen al iets te vertellen van iets wat waar is maar door een tendentieuze geschiedschrijving op alle essentiële punten verborgen is gehouden. Godfried van Bouillon, de aanvoerder van de eerste kruistocht, had eigenlijk de bedoeling Jeruzalem te veroveren om een tegenwicht te vormen tegen Rome. Dat zeiden hij en zijn metgezellen niet openlijk, maar in hun hart droegen ze de strijdkreet Jeruzalem tegen Rome!’ Ze zeiden bij zichzelf: laten we Jeruzalem sterk maken, opdat het het middelpunt kan worden van het christendom en Rome dat niet meer is. U zult de kinderen deze grondstemming van de eerste belangrijke kruisvaarders op tactvolle wijze overbrengen, dat zal belangrijk zijn. Het waren grote opdrachten die de kruisvaarders zich gesteld hadden, en ook de taken die geleidelijk aan uit de omstandigheden voor de kruisvaarders ontstonden waren groot. En langzamerhand bleken de mensen te klein om die taken zonder schade op hun schouders te nemen. Daardoor kwam het dat onder de kruisvaarders tijdens de hevigste gevechten langzamerhand zedeloosheid en immoraliteit ontstond. 

Blz. 78  vert. 73

Nehmen Sie irgendein Handbuch, damit Sie die Tatsachen wie illustrierend in diesen allgemeinen Gang der Ereignisse hineinstellen können. Sie werden bemerken, daß ich heute, indem ich gruppiere, wahrhaft nicht tendenziös schildere. Und auch weiterhin werde ich versuchen, rein kulturhistorisch zu schildern, was sich vom 11. bis 17. Jahrhundert in Europa zutrug.
Nehmen wir einmal an – was ja eine Hypothese ist, aber manchmal kann man sich gerade durch Hypothesen den Gang der Geschichte klarmachen -, die Franken hätten Syrien erobert und hätten in Syrien eine fränkische Herrschaft aufgerichtet, hätten sich mit den Griechen verständigt, hätten den Griechen Raum gelassen und ihnen mehr die Herrschaft im vorderen Teil von Kleinasien überlassen. Dann hätten sich alte Traditionen der Griechen erfüllt und Nordafrika wäre griechisch geworden. Ein Gegengewicht wäre geschaffen gewesen gegen dasjenige, was nachher geschah. Es hätten die Griechen eine Herrschaft ausgeübt über Nordafrika, die Franken über Syrien. So wären sie nicht alle untereinander in Streit gekommen und dadurch verlustig gegangen dieser Herrschaft.

Dan neemt u een handboek, onverschillig welk, om de feiten als het ware ter illustratie in te voegen in deze globale loop van de gebeurtenissen. U zult merken dat ik vandaag werkelijk niet tendentieus ben in mijn ordening en beschrijving van de feiten. En ook verder zal ik zuiver cultuurhistorisch proberen te schetsen wat er in Europa van de elfde tot de zeventiende eeuw gebeurde.
Laten we er eens van uitgaan — het is een hypothese, maar soms kan men juist door hypothesen de loop van de geschiedenis gaan begrijpen – dat de Franken Syrië veroverd hadden en onder Frankische heerschappij hadden gebracht; dat ze met de Grieken tot een overeenkomst waren gekomen en aan hen meer de heerschappij over het voorste deel van Klein-Azië hadden overgelaten. Dan zouden oude tradities van de Grieken in vervulling zijn gegaan en was Noord-Afrika Grieks geworden. Er zou een tegenwicht zijn gecreëerd tegen de latere gebeurtenissen. De Grieken zouden de heerschappij hebben gehad in Noord-Afrika en de Franken in Syrië. Dan waren ze niet allemaal met elkaar slaags geraakt en hadden ze die heerschappij niet verloren.

Dann wäre verhindert worden, daß gerade vorgebrochen wären die schlimmsten asiatischen Völker, die Mongolen, die Mamelucken und die türkischen Osmanen. Durch das Unmoralischsein und dadurch, daß zuletzt die Kreuzfahrer ihren Aufgaben nicht gewachsen waren, kam es, daß sich die Mongolen, Mamelucken und Osmanen gerade auf den Gebieten ausgebreitet haben, welche die Kreuzfahrer versuchten zu europäisieren. Und so sehen wir, wie auf den großen, weite Volksgebiete umfassenden Enthusiasmus, der zu den Kreuzzügen geführt hat, der Gegenstoß von der anderen Seite kommt:
der muselmanisch-mongolische Vorstoß, der Militärdespotien errichtet und der durch lange Zeit der Schrecken Europas und der dunkle Schatten der Kreuzzugszeit bleibt.
Sehen Sie, während Sie solche Dinge schildern, indem Sie sich aus den Handbüchern die Bilder verschaffen, die Sie dazu brauchen, erwecken Sie in den Kindern selber Bilder über die Kulturentwickelung, die bleibend sind. Und daß die Kinder Bilder bekommen, das ist das Wichtige. Die Bilder werden sie bekommen zunächst durch anschauliche Schilderung. Können Sie dann dahin kommen, irgendwie beträcht-

Dan zou verhinderd zijn dat juist de meest geduchte Aziatische volkeren, de Mongolen, de Mamelukken en de Turkse Osmanen, waren opgerukt. Door de immoraliteit van de kruisvaarders en doordat ze tenslotte niet meer tegen hun taken waren opgewassen, kwam het dat de Mongolen, de Mamelukken en de Osmanen zich juist over die gebieden verspreidden die de kruisvaarders Europees hadden willen maken. En zo zien we hoe na het grote, volkeren omvattende enthousiasme dat tot de kruistochten leidde, de tegenaanval van de andere kant komt: de opmars van de muzelmannen en Mongolen, die militaire dictaturen doen ontstaan en die lange tijd de schrik van Europa en de donkere schaduwkant van de kruistochten blijven.
Ziet u, als u de beelden die u nodig heeft uit handboeken haalt en zulke dingen aan de leerlingen vertelt, dan wekt u in hen beelden over de culturele ontwikkeling die blijvend zijn. En dat de kinderen beelden krijgen, dat is zo belangrijk. Beelden zullen ze in eerste instantie krijgen door aanschouwelijke beschrijvingen. Kunt u er verder toe komen om

Blz. 79 vert. 74

liche malerische Darstellungen aus dieser Zeit auch als Kunstwerke darzubieten, so werden Sie das gesprochene Wort gern durch so etwas unterstützen.
Nun haben Sie den Kindern klargemacht zunächst dasjenige, was in den Kreuzzügen geschehen war. Und Sie haben die Kinder dazu gebracht, innerlich Bilder davon aufzunehmen. Jetzt wird es gut sein, daß Sie zu dem Schattenbild des mongolisch-mohammedanischen Schreckens hinzufügen das Gegenbild, das Gute, das sich entwickelt hat.
Schildern Sie anschaulich, wie die Pilger, die nach dem Orient gezogen sind, noch ganz anderes, viel Neues kennengelernt haben. In Europa war die Landwirtschaft damals noch sehr weit zurück. Im Orient konnte man eine sehr viel bessere Bewirtschaftung der Ländereien kennenlernen. Die Pilger, die nach dem Orient gekommen sind und nachher wieder nach Europa zurückkehrten – es kamen ja noch viele zurück -, die haben eine ausgebildete Kenntnis landwirtschaftlichen Betriebswesens mitgebracht, und es kam wirklich ein Aufschwung der landwirtschaftlichen Produktion. Den verdankt man in Europa den Erfahrungen, welche die Pilger nach Europa mitbrachten.

op een of andere wijze belangrijke schilderijen uit die tijd ook als kunstwerken te presenteren, dan zult u het gesproken woord graag door zoiets ondersteunen.
Nu heeft u de kinderen allereerst duidelijk gemaakt wat er tijdens de kruistochten gebeurd is. En u heeft de kinderen ertoe gebracht om beelden daarvan in zich op te nemen. Dan is het goed om naast het schaduwbeeld van de Mongools-mohammedaanse schrik ook het positieve beeld te geven, het goede dat zich heeft ontwikkeld.
Schetst u aanschouwelijk dat de pelgrims die naar het Oosten zijn getrokken ook heel wat anders, ook nieuwe dingen hebben leren kennen. In Europa was de landbouw in die tijd nog een achtergebleven gebied. In het Oosten kon men zeer veel betere landbouwmethoden leren kennen. De pelgrims die naar het Oosten gingen en later weer naar Europa terugkeerden — velen kwamen immers nog terug — brachten een omvangrijke kennis van landbouwtechnieken mee terug en de landbouwproductie nam werkelijk een hoge vlucht. Dat heeft men in Europa te danken aan de ervaringen die de pelgrims meebrachten naar Europa. 

So anschaulich, daß es das Kind förmlich sieht, schildern Sie, wie der Weizen und das Korn schlechter gewachsen sind vor den Kreuzzügen, wie sie niedriger waren, wie sie schütterer waren, weniger voll waren, und wie sie nach den Kreuzzügen voller waren – das alles in Bildern! Dann schildern Sie, wie die Pilger wirklich auch kennengelernt haben, was der Orient damals hatte an Industriellem, was Europa damals noch nicht hatte. Es war der Okzident um vieles hinter dem Orient zurück. Was sich dann so schön herausbildet an industrieller Tätigkeit in den Städten Italiens, auch in den mehr nördlich gelegenen Städten, das ward den Kreuzzügen verdankt. Und auch Künstlerisches wird den Kreuzzügen verdankt. Da können Sie also Bilder hervorrufen von dem geistigen Kulturfortschritt in dieser Zeit.
Aber Sie können den Kindern auch schildern und sagen: «Seht ihr, Kinder, da haben die Europäer zuerst die Griechen kennengelernt; die sind schon im ersten Jahrtausend abgefallen von Rom, sind aber Christen geblieben. In allen westlichen Gegenden hat man geglaubt, daß

Zo aanschouwelijk dat het kind het werkelijk voor zich ziet, schetst u dat de tarwe en de rogge slechter groeiden voor de kruistochten, dat ze korter waren, dat niet al het zaad opkwam, dat de aren minder vol waren en dat ze na de kruistochten voller waren – alles in beelden! En dan beschrijft u dat de pelgrims werkelijk ook de industriële mogelijkheden hebben leren kennen die het Oosten toen had en die in Europa nog niet bestonden. Het Westen was in vele opzichten achter bij het Oosten. De industriële activiteit die zich zo fraai in de steden van Italië ontplooide, ook in de wat noordelijker gelegen steden, die was te danken aan de kruistochten. En ook kunstzinnige impulsen zijn te danken aan de kruistochten. U kunt dus beelden oproepen van de geestelijke en culturele vooruitgang in deze tijd.
Maar u kunt de kinderen ook iets anders schetsen: ‘Kijk, toen hebben de mensen uit Europa voor het eerst de Grieken leren kennen; die zijn al in de eerste duizend jaar afgevallen van Rome, maar ze zijn wel christelijk gebleven. In alle westelijke gebieden

Blz. 80 vert. 75

man überhaupt kein Christ sein kann, ohne zu dem Papst als oberstem Haupt der Kirche emporzuschauen.» Jetzt mache man den Kindern klar, wie die Kreuzfahrer kennengelernt haben, zu ihrer großen Überraschung und Belehrung, daß es auch Christen gibt, die nicht den römischen Papst anerkennen. Dieses Loslösen der geistigen Seite des Christentums von der weltlichen Kircheneinrichtung, das war etwas ganz Neues damals. Das mache man den Kindern klar.
Dann, daß unter den Muselmanen, die ja wenig erfreuliche Erdenbürger waren, es aber doch auch edle, freigebige, tapfere Menschen gab.
Und dadurch haben die Pilger Menschen kennengelernt, die sogar tapfer und freigebig sein konnten, ohne Christen zu sein. Man konnte also sogar ein guter, tapferer Mensch sein, ohne Christ zu sein. Das war eine große Lehre, die für die damaligen Menschen Europas durch die Kreuzfahrer nach Europa zurückgebracht worden ist.
Also eine ganze Menge haben die Kreuzfahrer sich erobert im Orient,
was sie für die geistige Kultur nach Europa gebracht haben.

heeft men geloofd dat men op geen enkele manier christen kan zijn zonder de paus als hoogste autoriteit van de kerk te eerbiedigen.’ En dan maakt men de kinderen duidelijk dat de kruisvaarders tot hun grote verbazing moesten leren dat er ook christenen bestaan die niet de Roomse paus erkennen. Dit scheiden van de geestelijke kant van het christendom en de wereldlijke organisatie van de kerk, dat was toen iets heel nieuws. Dat moet men de kinderen duidelijk maken.
En dan dat er onder de muzelmannen, die immers niet zulke aangename aardeburgers waren, toch ook edele, vrijgevige, moedige mensen bestonden. Daardoor hebben de pelgrims mensen ontmoet die zelfs dapper en vrijgevig konden zijn zonder christen te zijn. Het was dus zelfs mogelijk om een goed en dapper mens te zijn zonder christen te zijn. Dat was een grote les die de kruisvaarders voor de Europeanen van toen meebrachten naar Europa.
De kruisvaarders hebben dus een heleboel veroverd in het Oosten wat ze voor de geestelijke cultuur naar Europa hebben gebracht. 

Man macht den Kindern klar: «Seht, die Europäer, sie hätten nicht einmal Kattun, ja sie hatten nicht einmal ein Wort dafür. Sie hätten kein Musselin, auch das ist ein orientalisches Wort. Sie könnten sich nicht niederlegen, zurückräkeln auf ein Sofa, denn das Sofa haben die Kreuzfahrer, mit dem Ausdruck Sofa, erst mitgebracht. Sie hatten auch keine Matratze, auch Matratze ist ein orientalisches Wort. Auch der Bazar gehört hierher, was gleich auf eine ganze Gesinnung gegenüber dem öffentlichen Schaustellen von Erzeugnissen hinweist, was Schaustellungen im großen produziert. Bazare haben die Orientalen nach ihrer Gesinnung im weiten Umfange gemacht. In Europa gab es früher nicht etwas Ähnliches, bevor die Europäer die Kreuzzüge unternommen haben. Sogar das Wort Magazin ist kein europäisches, so sehr es mit Handeln und so weiter zusammenhängt. Diese Art, Magazine zu brauchen wegen des Umfangreichen des Handelns, das haben die Europäer erst von den Orientalen gelernt. – Man kann sich vorstellen», sagt man zu den Kindern, «wie eingeschränkt das Leben in Europa war, daß sie nicht einmal Magazine gebraucht haben. Auch das Wort Arsenal gehört hierher. Aber seht, etwas anderes haben die Europäer auch gelernt bei den Orientalen; das haben sie sich mitgebracht in dem Wort

Men vertelt de kinderen: ‘Kijk, de Europeanen hadden niet eens katoen, ja, ze hadden niet eens een woord daarvoor. Ze hadden geen mousseline, ook dat is een oosters woord. Ze konden niet gaan liggen, zich neervlijen op een sofa, want de sofa – en ook het woord sofa -hebben de kruisvaarders pas meegebracht. Ze hadden ook geen matras. Ook matras is een oosters woord. Hetzelfde geldt voor de bazar.’ De bazar wijst ons direct op een heel andere instelling tegenover het publiekelijk uitstallen van produkten, waardoor uitstallingen in het groot worden opgezet. De oosterlingen hielden vanuit hun instelling op grote schaal bazars, markten. In Europa bestond zoiets vroeger niet, althans niet voor de kruistochten. Zelfs het woord magazijn is niet Europees, hoezeer het ook samenhangt met handel en dergelijke. Die aanpak die magazijnen nodig heeft wegens de omvang van de handel, die hebben de Europeanen pas geleerd van de oosterse volkeren. ‘Je kunt je wel voorstellen,’ zegt men tegen de kinderen, ‘hoe beperkt het leven in Europa was, dat ze niet eens magazijnen nodig hadden. Ook het woord arsenaal hoort hier thuis. Maar er is ook iets anders wat de Europeanen geleerd hebben van de oosterlingen; dat hebben ze meegebracht in het woord tarief.

Blz. 81  vert. 76

Tarif. Steuerzahlen, das kannten die europäischen Völker bis zum 13.
Jahrhundert sehr wenig. Aber tarifmäßig Steuer bezahlen, allerlei Abgaben bezahlen, das wurde erst eingeführt in Europa, als die Kreuzfahrer es bei den Orientalen kennenlernten.»
Also man sieht schon, es ist vieles, vieles anders geworden in Europa durch die Kreuzzüge. Von dem hat sich nicht viel erfüllt, was die Kreuzfahrer gewollt haben. Es hat sich aber anderes, Vielfaches an Umgestaltung von Europa vollzogen durch das, was man im Orient kennengelernt hatte. Das alles verband sich dann noch mit der Anschauung der orientalischen Staatswesen, denn das Staatswesen hat sich im Orient schon viel früher ausgebildet als in Europa. In Europa waren die Gebilde der Verwaltung viel loser vor den Kreuzzügen, als sie nach den Kreuzzügen waren. Daß man dann weite Territorien unter staatlichen Gesichtspunkten zusammenfaßte, das ist schließlich auch erst durch die Kreuzzüge gekommen.

Belastingen kenden de Europese volkeren tot de dertiende eeuw zeer weinig. Maar belastingen betalen volgens tarieven, allerlei heffingen betalen, dat werd pas in Europa ingevoerd nadat de kruisvaarders het bij de oosterse volkeren hadden leren kennen.’
Men ziet wel dat er door de kruistochten heel veel veranderd is in Europa. Van wat de kruisvaarders wilden is niet veel in vervulling gegaan. Maar er zijn andere dingen gebeurd: talloze veranderingen zijn in Europa tot stand gekomen door de dingen die men in het Oosten had leren kennen. Daar kwam nog bij dat men kennis maakte met de staatsinrichting in het Oosten. Want het besturen van een staat was in het Oosten al veel vroeger ontwikkeld dan in Europa. In Europa waren de vormen van bestuur vóór de kruistochten veel losser dan daarna. Dat men toen grote gebieden als één staat ging beschouwen, is uiteindelijk ook pas door de kruistochten gekomen. 

Nun kann man aber auch – ich setze immer voraus, daß die Kinder das Alter haben, das ich angedeutet habe – sie mit folgendem bekanntmachen: «Seht, Kinder, ihr habt früher durch geschichtliche Erzählung erfahren, daß die Römer früher einmal ihre Herrschaft ausgebreitet haben. Damals, als die Römer ihre Herrschaft ausgebreitet haben im Beginne der christlichen Zeitrechnung, da wurde Europa sehr arm, immer ärmer. Wodurch kam dieses Arm werden? Man mußte sein Geld hergeben an andere. Mitteleuropa wird jetzt auch wieder arm werden, weil es sein Geld abgeben muß an andere. Damals mußten die Europäer ihr Geld an die Asiaten abgeben. An die Grenzen des Römerreiches wanderten die Geldmassen. Dadurch kam immer mehr die Naturalwirtschaft auf. Das ist etwas, was wieder passieren könnte, so traurig es wäre, wenn die Menschen sich nicht zum Geistigen aufraffen. Allerdings, in dieser Armut, da entwickelte sich der asketische, hingebungsvolle Geist der Kreuzzüge.
Jetzt aber lernten die Europäer durch die Kreuzzüge in Asien drüben allerlei Neues kennen, industrielles Produzieren, Landwirtschaft.
Dadurch konnten sie wiederum Dinge hervorbringen, die ihnen die Asiaten abkaufen konnten. Das Geld wanderte wieder zurück. Europa wurde immer reicher, gerade während der Kreuzzüge. Diese Bereiche-

Maar nu kan men ze ook – ik ga er nog steeds van uit dat de kinderen dertien, veertien jaar oud zijn — het volgende vertellen: ‘Jullie hebben vroeger in de geschiedenisles geleerd dat de Romeinen ooit hun heerschappij over grote gebieden hebben uitgebreid. In die tijd, toen de Romeinen in het begin van de christelijke jaartelling hun heerschappij uitbreidden, toen werd Europa heel arm, steeds armer. Hoe kwam dat? Men moest zijn geld aan anderen afgeven. Midden-Europa zal nu ook weer arm worden omdat het zijn geld aan anderen moet geven.*

* Het is de tijd direct na de eerste wereldoorlog. 

In die tijd moesten de Europeanen hun geld aan de Aziaten afdragen. Aan de grenzen van het Romeinse rijk rolden massa’s geld. Daardoor beperkte men zich steeds meer tot ruilhandel. Dat zou weer kunnen gebeuren, hoe treurig het ook zou zijn, als de mensen zich niet tot een spirituele leefwijze zouden zetten. Maar hoe het ook zij, in deze armoede ontwikkelde zich de ascetische, toegewijde geest van de kruistochten. 

Maar nu leerden de Europeanen door de kruistochten ginds in Azië allerlei nieuwe dingen kennen: industriële productie, landbouwmethoden. En daardoor konden zij weer dingen produceren die de Aziaten van hen konden kopen. Het geld rolde weer terug. Europa werd steeds rijker, juist tijdens de kruistochten. Dat Europa steeds rijker werd,

Blz. 82  vert. 77

rung Europas kam dadurch, daß es seine eigene Produktion erhöhte.
Das ist eine weitere Folge. Die Kreuzzüge sind wahre Völkerwanderungen nach Asien. Nach Europa kam wieder zurück ein gewisses Können. Nur durch dieses Können ist Florenz möglich und zu dem geworden, was es eben nachher war. Nur dadurch konnten sich Gestalten entwickeln wie Dante und änderte.»
Sehen Sie, es wäre notwendig, daß man die geschichtliche Darstellung von solchen Impulsen durchzogen sein ließe. Wenn heute gesagt wird, man soll mehr Kulturgeschichte treiben, dann denken die Leute, sie müssen recht trocken schildern, wie das eine aus dem anderen folgt.
Geschichte sollte aber auch schon auf diesen unteren Schulstufen so geschildert werden, daß man subjektiv dabei ist, daß man Bilder entwickelt, daß die Zeit wirklich aufersteht. Daß aufersteht das arme, nur mit schwachbesetzten Feldern überdeckte Europa, wo keine Städte waren, wo die Leute ihre Landwirtschaft betrieben, die aber spärlich war. Wie aber gerade aus diesem armen Europa hervorgeht die Begeisterung für die Kreuzzüge. Wie dann die Leute ihrer Aufgabe doch nicht gewachsen sind, wie sie in Streit kommen, wie Unmoral um sich greift, wie sie dann in Europa selber in Streit geraten.

kwam doordat het zijn eigen productie verhoogde. Dat is ook een gevolg. De-kruistochten zijn ware volksverhuizingen naar Azië. Naar Europa terug kwam een zeker kunnen. Alleen door dit kunnen was het mogelijk dat Florence ontstond en werd tot wat het later is geworden. Alleen daardoor konden figuren als Dante opstaan.’
Ziet u, het is eigenlijk noodzakelijk dat men zulke impulsen vervlecht in de historische beschrijving. Als er tegenwoordig gezegd wordt dat men meer aan cultuurgeschiedenis moet doen, dan denken de mensen dat ze heel droog moeten beschrijven hoe het een uit het ander volgt. Maar geschiedenis moet ook al in deze lagere klassen zo beschreven worden dat men subjectief is, dat men beelden oproept, dat de tijd werkelijk weer gaat leven. Dat het arme Europa weer gaat leven: bedekt met karige velden, zonder steden, waar de mensen hun schamele landbouw bedreven. Maar dan ontstaat juist in dit arme Europa het enthousiasme voor de kruistochten. En dan zijn de mensen toch niet opgewassen tegen hun opdracht, ze raken in strijd verwikkeld, zedeloosheid grijpt om zich heen. En dan raken ze zelfs in Europa slaags met elkaar.

Wie gerade dasjenige nicht erreicht wird, was durch die Kreuzzüge angestrebt
wird, sondern im Gegenteil, wie Boden geschaffen wird für die Muselmanen. Wie aber der Europäer vieles lernte im Orient; wie Städte, blühende Städte entstehen und in den Städten eine reiche geistige Kultur. Aber auch wie die Landwirtschaft sich hebt, wie die Felder fruchtbarer werden, wie die Industrie aufblüht, wie auch die geistige Kultur sich hebt.
Das alles versuche man in anschaulichen Bildern vor die Kinder hinzustellen und ihnen klarzumachen, wie sich die Menschen vor den Kreuzzügen nicht hingeräkelt haben auf Sofas, wie sich Spießbürgerlichkeit noch nicht geltend machen konnte in den Familien auf Sofas in den guten Stuben. Versuchen Sie anschaulich diese Geschichte zu schildern, dann werden Sie eine wahrere Geschichte geben. Zeigen Sie, wie Europa arm geworden ist bis zur Naturalwirtschaft und wieder reich geworden ist durch das, was man gelernt hat. Das wird die Geschichte beleben!

U vertelt dat datgene wat beoogd wordt met de kruistochten juist niet wordt bereikt, in tegendeel, dat het bedje gespreid wordt voor de muzelmannen. Maar dat de Europeanen veel in het Oosten leren; dat er steden, bloeiende steden ontstaan en in de steden een rijke geestelijke cultuur. Maar dat ook de landbouw een opbloei kent, dat de velden vruchtbaarder worden, de industrie opbloeit en ook de geestelijke cultuur tot bloei komt.
Dat probeert men allemaal in aanschouwelijke beelden weer te geven en men legt de kinderen uit dat de mensen zich vóór de kruistochten niet op sofa’s neervlijden en dat er nog geen burgerlijke behaaglijkheid kon ontstaan bij de families op hun sofa’s in de mooie kamer. Probeer deze geschiedenis beeldend te vertellen, dan zal het waarheidsgehalte groter zijn. Laat zien dat Europa arm werd en over moest gaan op ruilhandel, en weer rijk is geworden door datgene wat men geleerd had. Dan gaat de geschiedenis leven!
<3>

<4> Na deze uitgebreide schets over de kruistochten gaat het weer even over de achtergrondliteratuur (van toen):

Man wird oftmals heute gefragt: Was soll man lesen, welche Geschichtsdarstellung ist die beste? – Man kann immer nur sagen: schließlich ist jede die beste und jede die schlechteste; es ist schon einerlei, welchen geschichtlichen Autor man zur Hand nimmt. Lesen Sie nicht in den Zeilen, sondern zwischen den Zeilen. Suchen Sie sich erahnend inspirieren zu lassen, den wahren Gang der Handlung kennenzulernen.
Suchen Sie sich ein Gefühl dafür zu verschaffen, was geschichtliche Darstellung ist. An der Art werden Sie erkennen, welcher Geschichtsschreiber in die Wirklichkeit eingedrungen ist, welcher nicht.
Sie werden das eine oder andere bei Ranke lesen. Wenn Sie Ihre Geschichtslektüre bei Ranke mit dem durchdringen, was wir hier von Wirklichkeitsgeist in uns lebendig machen, werden Sie sagen: Ranke ist sehr fleißig, aber er schildert die Charaktere so, daß sie nur Schatten sind. Man kann überall durchgreifen; sie sind nicht Fleisch und Blut. Und Sie können sagen: Ich mag ja die Geschichte nicht nur als Schattenspiel haben.

Vaak vragen mensen tegenwoordig: wat moet ik lezen, welke geschiedschrijving is het beste? Het antwoord kan alleen maar luiden: uiteindelijk is elk boek het beste en elk boek het slechtste. Het doet er werkelijk niet toe welke historicus men raadpleegt. Maar lees niet de regels, lees tussen de regels. Probeer dingen aan te voelen en u te laten inspireren om de ware loop van de handeling te weten te komen. Probeer er een gevoel voor te krijgen wat historische beschrijving is. Aan de manier van vertellen zult u herkennen welke historicus tot de werkelijkheid is doorgedrongen en welke niet. U zult wel eens iets van Ranke lezen.*

*Leopold von Ranke, 1795-1886, vooraanstaand Duits historicus die veel heeft gepubliceerd. Zie over hem Renate Riemeck, Op zoek naar Midden-Europa, Zeist 1988.

Wanneer u Rankes historische beschrijvingen doordringt met de werkelijkheidszin die wij hier in ons oproepen, dan zult u zeggen: Ranke is heel ijverig, maar hij beschrijft de karakters zo dat het maar schimmen zijn. Je prikt er zo doorheen, ze zijn niet van vlees en bloed. En u kunt dan zeggen: ik wil de geschiedenis niet als een schimmenspel voor me zien.

Einer der Kursteilnehmer rät zu Lamprecht.

Een van de deelnemers raadt Lamprecht aan. 

Rudolf Steiner: Aber man kann da schon das Gefühl haben, Lamprecht schildert Kulturgeschichte, nicht Menschen, sondern angestrichene Pappfiguren, die er nur mit möglichst vollen Tönen anstreicht. Es sind nicht Menschen; sie schauen aus wie körperliche Menschen, sind aber nur angestrichene Pappendeckelfiguren. Da muß man schon sagen: Treitschke mag tendenziös sein, aber die Treitschke-Persönlichkeiten, die stehen doch auf ihren Beinen! Er stellt die Menschen doch auf die Beine, und sie haben Fleisch und Blut. Sie sind nicht Pappendeckel wie bei Lamprecht, und sie sind nicht bloß Schattenfiguren wie bei Ranke.
Leider gibt es von Treitschke nur die Geschichte des 19. Jahrhunderts.
Wollen Sie sich ein Gefühl aneignen von wirklich guter Geschichtsschreibung und für den Geist eines Geschichtserzählers, dann lesen Sie den Tacitus. Wenn Sie den Tacitus lesen, dann wird alles bis ins Wort hinein ganz lebendig. Dann steht die Zeit und die Menschen und die Menschengruppen, die der Tacitus schildert, die stehen, wenn Sie das alles auf Ihren Wirklichkeitssinn wirken lassen, da wie das Leben selber! Von da aus versuchen Sie, darauf zu kommen, wie man sich in eine andere Darstellung hineinlebt.

Maar bij Lamprecht kan men het gevoel hebben dat hij cultuurgeschiedenis beschrijft — geen mensen, maar alleen beschilderde kartonnen poppen, weliswaar met zo vol mogelijke kleuren beschilderd.*

*Karl Lamprecht, 1856-1915, schreef een Deutsche Geschichte in 19 delen. 

 Het zijn geen mensen, ze zien eruit als lijfelijke mensen, maar het zijn maar beschilderde poppen. En dan kan men niet anders zeggen dan dat Treitschke dan misschien wel tendentieus is, maar dat zijn persoonlijkheden stevig op hun benen staan. Zijn mensen staan en ze zijn van vlees en bloed. Het zijn geen papieren poppen als bij Lamprecht en niet enkel schimmen als bij Ranke. Jammer genoeg is er van Treitschke alleen een geschiedenis van de negentiende eeuw.
Wilt u een gevoel krijgen voor werkelijk goede geschiedschrijving en voor de geest van een geschiedenisverteller, leest u dan Tacitus. Bij Tacitus wordt alles levendig – tot in het woord. Als u alles wat Tacitus beschrijft laat inwerken op uw gevoel voor realiteit, dan staat de tijd en staan de mensen voor u als het leven zelf! Van daaruit probeert u te ontdekken hoe men zich kan inleven in een andere weergave. 

Blz. 84  vert. 78

Ganz Veraltetes kann man doch nicht lesen, sonst würde der feurige Rotteck noch immer etwas sehr Gutes sein. Aber er ist veraltet, nicht nur den Tatsachen nach, sondern der Gesinnung nach. Denn er betrachtet als Evangelium die damalige badische Staatsverfassung und den Liberalismus, er interpretiert sie hinein schon in das persische und ägyptische und griechische Leben. Aber alles mit Feuer, so daß man wünschen möchte, daß es auch in unserer Zeit noch viele solche Geschichtsdarsteller gäbe wie Rotteck.
Wenn Sie nun versuchen, die gebräuchlichen Darstellungen zu lesen, und sich anstrengen, Ihr Augenmerk zu richten auf das, was dort oftmals fallengelassen wurde, dann werden Sie sich geeignet machen, lebendige Bilder über die Geschichtsentwickelung vom 11. bis 17. Jahrhundert hinzustellen. Und Sie werden Ihrerseits fallenlassen vieles, was da erzählt wird über Friedrich Barbarossa, über Richard Löwenherz, über Friedrich IL Es ist ja manches interessant, aber für die wirkliche Erkenntnis der Geschichte nicht besonders wichtig. Viel wichtiger ist es, den Kindern die großen Impulse der Geschichte zu vermitteln.

Werkelijk verouderde dingen kan men echt niet lezen, anders zou de vurige Rotteck altijd nog heel goed zijn.*

*Karl von Rotteck, 1775-1840, schreef een 9-delige Allgemeine Geschichte en een 4-delige Allgemeine Welt geschichte

Maar hij is verouderd, niet wat de feiten betreft, maar wat zijn instelling betreft. Want hij beschouwt de grondwet van Baden en het liberalisme als een soort evangelie en hij meent dat hij ze al in het Perzische, Egyptische en Griekse leven aantreft. Maar alles met vuur, zodat men mocht wensen dat er ook in onze tijd nog veel van zulke historici als Rotteck zouden zijn.
Wanneer u nu de gebruikelijke beschrijvingen probeert te lezen en u zich inspant om uw aandacht te richten op wat daar dikwijls achterwege is gelaten, dan zult u het vermogen ontwikkelen om levende beelden van de historische ontwikkeling van de elfde tot de zeventiende eeuw te geven. En van uw kant zult u veel achterwege laten van wat er wordt verteld over Frederik Barbarossa, Richard Leeuwenhart en Frederik de Tweede. Er zijn heel veel interessante dingen over te melden, maar voor het werkelijk inzicht in de geschiedenis zijn ze niet bijzonder belangrijk. Veel belangrijker is het om de kinderen de grote impulsen van de geschiedenis over te dragen.
<4>
GA 295/74-84
Praktijk van het lesgeven/69-78

Werkbespreking 14, Stuttgart 5 september 1919

Blz. 147 vert. 136

<5> Er is sprake van ‘hoe leg je aan een kind het begrip ‘tijd’ uit. Voor de geschiedenis: ‘lang geleden’.
In dit artikel vind je de opmerkingen uit GA 295. <5>

Daarna gaat het in de werkbespreking verder met een opmerking van een deelnemer:

Blz. 148  vert. 136

E. schildert weiter, wie Heinrich aus der Erkenntnis heraus, daß er in dem befestigten Goslar den Magyaren habe widerstehen können, den Entschluß zur Gründung befestigter Städte gefaßt habe, und daß es auf diese Weise zu zahlreichen Städtegründungen gekommen sei.

<6> E. vertelt verder dat Hendrik, vanuit de wetenschap dat hij in het versterkte Goslar de Magyaren heeft kunnen weerstaan, besluit om versterkte steden te stichten en dat het op die manier is gekomen tot talrijke stichtingen van steden.

Rudolf Steiner: Könnten Sie diese Darstellung nicht noch einmal
kulturhistorisch bringen? Denn das ist etwas monarchisch auffrisierte
Geschichtslegende, daß Heinrich diese Städte gegründet habe. Alle diese
Städte des 10. Jahrhunderts waren ja in ihrer Grundanlage, in den Märkten, schon da. Sie wurden nur in ihrem Ausbau dadurch gefördert, daß Leute, die in der Nachbarschaft dieser Städte wohnten, sich anschlössen, um eine leichtere Verteidigungsmöglichkeit zu gewinnen gegen die anstürmenden Magyaren, und so diese Orte stärkten. Es waren mehr wirtschaftliche Gründe, die da wirkten und die zur Städtebildung führten. Heinrich hat nicht gar viel dazu getan.

 Zou u dit betoog niet nog een keer cultuurhistorisch kunnen brengen? Want dat Hendrik deze steden gesticht zou hebben, dat is een ietwat monarchaal gekleurde historische legende. Al die steden van de tiende eeuw waren immers in aanzet al aanwezig in de markten. Alleen werd de verdere uitbouw ervan bevorderd doordat mensen die in de omgeving van deze steden woonden, zich aaneensloten om een betere mogelijkheid tot verdediging te vinden tegen de aanstormende Magyaren. Zij versterkten deze plaatsen. Het waren meer economische redenen die doorslaggevend waren en die leidden tot de vorming van de steden. Hendrik heeft er niet zo heel veel toe bijgedragen. <6>

Ich würde Sie nur bitten, recht anschaulich das alles zu bringen, recht lebendig zu verfahren, damit die Kinder innerlich anschauliche Bilder bekommen, so daß die Kinder förmlich alles greifen können.
Sie müssen die Phantasie in Anspruch nehmen und solche Dinge benützen, wie ich sie Ihnen gezeigt habe bei dem Konkretmachen der Zeit. Man hat tatsächlich nichts davon, zu wissen, in welchem Jahre zum Beispiel die Schlacht bei Zama gewesen ist und so weiter, aber wenn man sich vorstellt, wenn man weiß, daß Karl der Große zum dreißigsten Vorfahren hinaufreicht, wenn man sich durch die Generationen hindurch die Hände reichen würde, dann erhält man dadurch
eine anschauliche, konkrete Vorstellung von der Zeit. Da rückt diese Zeit viel näher – ja freilich, sie rückt viel näher! -, wenn man weiß, daß Karl der Große bis zum dreißigsten Vorfahren hinauf zu finden ist.

<7> Ik zou u wel willen vragen om alles heel aanschouwelijk te vertellen, om heel levendig te werk te gaan, opdat de kinderen innerlijk aanschouwelijke beelden krijgen en ze alles als het ware tastbaar voor zich zien. U moet fantasie gebruiken en van die dingen gebruik maken die ik heb laten zien bij het concreet maken van de tijd. Men heeft er werkelijk niets aan om te weten in welk jaar de slag bij Zama is geweest enzovoort, maar als men zich voorstelt, als men weet dat Karel de Grote de dertigste voorouder is wanneer ze allemaal in een rij zouden staan en elkaar de hand zouden geven, dan krijgt men daardoor een aanschouwelijk, concreet idee van de tijd. Die tijd komt dan veel dichterbij – ja zeker, ze komt dichterbij! – wanneer men weet dat Karel de Grote te vinden is in de tijd van de dertigste voorouder. <7>

T.: Wäre es nicht gut, bei solchen Kulturbeschreibungen auch auf das ganz andere Denken und Fühlen der Menschen in diesen Perioden hinzuweisen?

<8>T.: Zou het niet goed zijn om bij zulke culturele beschrijvingen ook te wijzen op het heel andere denken en voelen van de mensen in die tijd? 

Rudolf Steiner: Ja, darauf habe ich ja immer in meinen Vorträgen
und auch sonst hingewiesen. Vor allem auch, daß Sie namentlich den
großen Umschwung um das 15. Jahrhundert, das ganz andere Emp-

Ja, daar heb ik immers altijd op gewezen in mijn voordrachten en ook elders. En vooral ook dat u met name de grote ommezwaai omstreeks de vijftiende eeuw, het volstrekt andere gewaarworden, voelen en denken van de mensen voor en na die tijd heel aanschouwelijk maakt. Ook Lamprecht bijvoorbeeld – die ik daarmee echter niet bij- 

Blz. 149   vert. 138

finden, Fühlen und Denken der Menschen vor und nach dieser Zeit
recht anschaulich machen. Zum Beispiel auch schon Lamprecht, den ich
aber damit nicht besonders empfehlen will, ist bemüht, ein ganz anderes Denken, Empfinden und Fühlen der Menschen vor dieser Zeitperiode zu konstatieren. – Die Dokumente sind daraufhin noch gar nicht benützt worden.
Wenn Sie sich ein bißchen hineinfinden wollen in die kulturgeschichtliche Betrachtung, so müssen Sie vor allem entwickeln können einen gewissen Spürsinn, und wenn Sie diesen haben für Weiteres und Engeres, was die Autoren erzählen, für Spießigeres und etwas Weitherzigeres, dann können Sie richtigere Vorstellungen gewinnen für Kulturgeschichtliches.

zonder wil aanbevelen – streeft ernaar om te constateren dat de mensen voor die tijd heel anders dachten, gewaarwerden en voelden. De documenten zijn nog helemaal niet in dit perspectief onderzocht. Als u enigszins wilt thuisraken in de cultuurhistorische beschouwingswijze, dan moet u in de allereerste plaats een zekere speurzin ontwikkelen voor het bredere en engere wat de auteurs vertellen, voor het bekrompene en het ruimere, en als u die hebt, dan kunt u juistere voorstellingen krijgen van cultuurhistorische dingen. <8>

<9> Nu volgen nog opmerkingen over allerlei achtergrondboeken.
In onze Nederlandse situatie zo’n 100 jaar later hebben we daar niets meer aan.
Wel kunnen de karakteriseringen je misschien van dienst zijn als je voor onze situatie boeken zoekt.
Ik geef die passages dus weer, te meer omdat de Nederlandse uitgave van de vertaling uitverkocht is.

Rudolf Steiner empfiehlt auf eine Anfrage hin zur Anschaffung für
die Lehrerbibliothek:
Buckle, Geschichte der Zivilisation in England.
Lecky, Geschichte der Aufklärung in Europa.
An diesen kann man die Methode schulen für die kulturgeschichtlichen
Betrachtungen. Von Lamprecht kämen in Frage die älteren Teile, aber
es ist vieles schief und subjektiv.
Wenn Sie sich diesen Instinkt für die wirklichen treibenden kulturgeschichtlichen Kräfte nicht angeeignet haben, dann werden Sie Gefahr laufen, mit wahrhaft Wildenbruchscher Blödigkeit, mit Wildenbruchscher Dilettantenhaftigkeit zum Beispiel die Kaiser- und Königsdramen und solche Familienkatzbalgereien wie zwischen Ludwig dem Frommen und seinen Söhnen für wesentliche kulturgeschichtliche Ereignisse zu halten.
Gustav Freytags «Bilder aus der deutschen Vergangenheit» sind
ganz gut, aber man darf sich nicht zu sehr beschmieren lassen von
dieser Gemütlichkeit einer für Tanten geschriebenen Geschichtsbetrachtung. Wir müssen gerade heute herauskommen aus dem Denk- und
Empfindungsstil, der so bei diesen Leuten der Grenzbotenliteratur der
Mitte des 19. Jahrhunderts da war, bei Gustav Freytag, Julian Schmidt
und so weiter. Lassalle nannte ihn «Schmulian Jüd»; bei Lassalle klang
das nicht antisemitisch.

Rudolf Steiner wordt gevraagd wat men kan aanschaffen voor de lerarenbibliotheek en hij beveelt aan: 

Buckle, Geschichte der Zivilisation in England.
Lecky, Geschichte der Aufklärung in Europa.
Met behulp van deze boeken kan men de methode voor cultuurhistorische beschrijvingen ontwikkelen. Van Lamprecht zouden de oudere delen in aanmerking kunnen komen, maar veel is er scheef en subjectief.
Als u zich dat instinct voor de werkelijke drijvende krachten in de cultuurgeschiedenis niet eigen heeft gemaakt, zult u gevaar lopen om met het onbenul, het dilettantisme van een Wildenbruch de keizer-en koningsdrama’s en bijvoorbeeld zulk familiegebakkelei als tussen Lodewijk de Vrome en zijn zoons aan te zien voor essentiële cultuurhistorische gebeurtenissen.
Gustav Freytags Bilder aus der deutschen Vergangenheit zijn heel goed, maar men mag zich niet al te zeer om de tuin laten leiden door deze gemoedelijke, oubollige geschiedschrijving. Wij moeten, nu meer dan ooit, uit zien te komen boven deze stijl van denken en voelen die bestond bij die mensen van de ‘Grenzbotenliteratur’ uit het midden van de negentiende eeuw, bij Gustav Freytag, Julian Schmidt enzovoort. Lassalle noemde hem ‘Schmulian Jüd’; bij Lassalle klonk dat niet antisemitisch.

Karl Lamprecht, Moderne Geisteswissenschaft, Freiburg i.Br. 1905.
H.Th. Buckle, 1821-1862: History of Civilisation in England, 1857.
E. H. Lecky, 1838-1903: History of the Rise and Influence of the Spirit of Rationalism in Europe, 2 delen, Londen 1865.
Ernst von Wildenbruch, 1845-1909, schreef o.a. Die Karolinger.
Gustav Freytag, 1816-1895: Bilder aus der deutschen Vergangenheil, 5 delen, Leipzig 1859 e.v.
Heinrich Julian Schmidt, 1818-1886, literatuurhistoricus. (Wat betreft de bijnaam die Lassalle hem gaf: in bepaalde dialecten klinkt ‘Jüd’ als ‘Jied’, wat rijmt op Schmidt.)
Ferdinand Lassalle, 1825-1864, grondlegger van de sociaal-democratie in Duitsland. 

Blz. 150  vert. 138

Es wird gefragt, nach Houston Stewart Chamberlains «Grundlagen des 19. Jahrhunderts».

Er wordt een vraag gesteld over het boek ‘Grundlagen des 12. Jahrhunderts’ van Houston Stewart Chamberlain.

Rudolf Steiner: Auch bei Chamberlain muß man erst recht einen guten Instinkt entwickeln, denn ein Viertel bei ihm ist geistreich, und drei Viertel ist wüstes, ungesundes Zeug. Es steht sehr viel sehr Gutes bei ihm, aber man muß alles selber übersehen und selber ein Urteil entwickeln. Die kulturgeschichtlichen Schilderungen sind besser bei Buckle und Lecky. Chamberlain ist mehr so ein Smokingträger. Er ist doch ein etwas eitler Herr, der nicht gerade als Autorität zu gelten hat, der aber doch manches richtig bemerkt hat. Es ist ja auch sein Ende kein schönes gewesen, ich meine den Prozeß mit der «Frankfurter Zeitung».

Ook en met name bij Chamberlain moet men een goed instinct ontwikkelen, want bij hem is een kwart geestrijk, en driekwart is chaotisch en ongezond. Er staat heel veel goeds bij hem, maar men moet alles zelf overzien en er zelf een oordeel over vormen. De cultuurhistorische beschrijvingen zijn beter bij Buckle en Lecky. Chamberlain is meer zo’n smokingdrager, een toch wat ijdel heerschap, die niet bepaald een autoriteit genoemd kan worden, maar die toch heel wat juiste dingen heeft opgemerkt. Zijn einde was nu ook niet bepaald fraai, ik bedoel het proces met de Frankfurter Zeitung.

Es werden Kantskys Schriften erwähnt.

Het werk van Kautsky wordt genoemd.

Rudolf Steiner: Ja, wenn man in der Regel das Gegenteil von dem
annimmt, das er da zeigt. Man bekommt von modernen Sozialisten ein
gutes und interessantes Tatsachenmaterial, wenn man sich nicht betäuben läßt von den Theorien, die ihre Schilderungen durchziehen.
Ein eigentümliches Bild bietet auch Mehring, wie er erst in seinem
Buch, in seiner Geschichte der Sozialdemokratie, auf die Sozialdemokraten schimpft, so lange er Freisinniger war; dann nachher, als er zu den Sozialdemokraten übergetreten war, ändert er das nur um auf die
Freisinnigen.

Ja, als men tenminste als regel het tegendeel aanneemt van wat hij laat zien. Men krijgt van de moderne socialisten goed en interessant feitenmateriaal, wanneer men zich niet laat verdoven door de theorieën waarmee hun beschrijvingen doorspekt zijn.
Een merkwaardig beeld biedt ook Mehring, zoals hij eerst in zijn boek, in zijn geschiedenis van de sociaal-democratie, op de sociaaldemocraten scheldt zolang hij nog liberaal is en dan later, wanneer hij is overgestapt naar de sociaal-democraten, gewoon doorscheldt, maar dan op de liberalen.

Karl Johann Kautsky, 1854-1938, publiceerde over de geschiedenis van het socialisme en over algemene geschiedenis.
Franz Mehring, 1846-1919: Geschichte der deutschen Sozialdemokratie, 4 delen, 1897. <9>
GA 295/146-150
Praktijk van het lesgeven/136-138

<10> Iemand vertelt iets over de Egyptische cultuur:

Blz. 152  vert. 140

B. gibt eine Darstellung aus der altägyptischen Kultur.

B. geeft een beschrijving van de oud-Egyptische cultuur. 

Rudolf Steiner: Vor allem müßte man dazu übergehen, das vorzubringen, was das ganz andere Prinzip der Nachbildung ist. Es besteht bei den alten Ägyptern der Mangel, daß sie unperspektivisch sehen. Es malt der alte Ägypter das Gesicht im Profil und den übrigen Körper en face. Diese Eigentümlichkeit der Auffassung müßte man den Kindern schon beibringen.
Dann müßte man herstellen den Zusammenhang des ägyptischen
Zeichnens und Malens mit dem naturgeschichtlichen Prinzip, das sie
hatten, daß sie die Menschen mit Tierköpfen machten und so weiter.
Schon in alten Zeiten ist die Vergleichung des Menschen mit den Tieren
sehr weit getrieben worden. Man könnte dann dem Kinde dasjenige
beibringen, was veranlagt ist in jedem menschlichen Kopf und was zum
Teil das Kind heute noch sieht. Die Ägypter haben noch diese Verwandtschaft der Menschenphysiognomie mit den Tieren wahrgenommen. Sie waren noch auf dieser kindlichen Stufe der Anschauung.

Men zou vooral naar voren moeten brengen welk geheel ander principe van nabootsing zij hadden. De oude Egyptenaren hebben het gebrek dat ze niet perspectivisch kijken. De oude Egyptenaar tekent het gezicht in profiel en de rest van het lichaam en face. Deze kenmerkende manier van kijken moet men de leerlingen eigenlijk bijbrengen.
Dan zou men het verband moeten leggen tussen het Egyptische tekenen en schilderen en het principe dat hun natuurbeschouwing kenmerkt, namelijk dat ze mensen met dierenkoppen afbeeldden, enzovoort. Al in oude tijden werd de vergelijking van de mens met de dieren heel ver gevoerd. Men zou het kind dan kunnen bijbrengen wat er in het hoofd van ieder mens in aanleg aanwezig is en wat het kind tegenwoordig gedeeltelijk nog ziet*

*Algemene menskunde 12e voordracht.

De Egyptenaren namen deze verwantschap van de menselijke fysionomie met de dieren nog waar. Zij bevonden zich nog in deze kinderlijke fase van waarnemen. 

B. fragt bei der Besprechung der Pyramiden, was man eigentlich den Kindern
darüber sagen solle

B. vraagt bij de bespreking van de piramiden wat men de kinderen daar eigenlijk over zou moeten zeggen.

Rudolf Steiner: Es ist natürlich außerordentlich wichtig, allmählich zu versuchen, auch für die Kinder das Richtige an die Stelle des Falschen zu setzen. Tatsächlich waren die Pyramiden ja Einweihungsstätten. Und da kommt man ja nun dahin, daß man den Kindern den Begriff des höheren ägyptischen Unterrichts, der zu gleicher Zeit eine Einweihung war, beibringt. Man muß etwas erzählen davon, was da vorgegangen ist. Es sind da religiöse Handlungen ausgeführt worden, wie sie heute in den Kirchen ausgeführt werden, die aber zugleich dazu führten, daß das Weltall erkannt werden konnte. Der alte Ägypter
hat eben so gelernt, daß ihm vorgezeigt worden ist in feierlichen Handlungen, was sich im Weltall und in der Menschheitsentwickelung vollzieht. Es war religiöse Übung und Unterricht eines. Es war so, daß Unterricht und religiöse Handlung eigentlich zusammenfielen.

Het is natuurlijk buitengewoon belangrijk om ook tegenover de kinderen stapje voor stapje te proberen het onware te vervangen door het juiste. In feite waren de piramiden immers inwijdingsplaatsen. En dan komt men ertoe om de kinderen een begrip van het hogere Egyptische onderwijs, dat tegelijkertijd een inwijding was, bij te brengen. Men moet iets vertellen van wat zich daar afspeelde. Daar werden religieuze handelingen uitgevoerd, zoals die tegenwoordig in de kerken uitgevoerd worden, maar die er tegelijkertijd ook toe leidden dat men inzicht kon krijgen in de kosmos. Het leren van de oude Egyptenaar hield in, dat hem in plechtige handelingen getoond werd wat zich in de kosmos en in de mensheidsontwikkeling voltrekt. Religieuze oefening en onderwijs waren één. Het was zo, dat onderwijs en religieuze handeling eigenlijk samenvielen. 

B. beschreibt die Arbeit an den Pyramiden und Obelisken und sagt, daß man
annehmen müsse, daß zum Herbeischaffen, Bearbeiten und Einbauen der riesigen

Blz. 153  vert. 141

Blöcke mehrere Millionen Menschen benötigt sein müßten. Man müsse sich fragen, wie es überhaupt möglich gewesen sei, mit den damaligen technischen Hilfsmitteln die großen, schweren Kalk- und Granitblöcke zu bewegen und aufzuschichten.

blokken aan te voeren, te bewerken en op hun plaats te brengen. Men moet zich afvragen hoe het eigenlijk mogelijk was om met de technische hulpmiddelen van
die tijd de grote, zware kalk- en granietblokken te verplaatsen en op te stapelen.

Rudolf Steiner: Ja, aber ganz richtige Vorstellungen werden Sie bei den Kindern nur hervorrufen, wenn Sie ihnen sagen, daß, wenn die Menschen mit der heutigen Körperkraft arbeiten würden, man zweieinhalbmal soviel Menschen brauchen würde. Aber in Wahrheit haben die Ägypter ja zweieinhalbmal soviel Körperkräfte gehabt wie unsere heutigen Menschen, wenigstens die, die an den Pyramiden und so weiter gearbeitet haben. Es gab natürlich auch schwächere Menschen.

Ja, maar helemaal juiste voorstellingen zult u alleen oproepen bij de kinderen, wanneer u hun vertelt dat als de mensen met de lichaamskracht van tegenwoordig zouden hebben gewerkt, dat men dan tweeëneenhalf keer zo veel mensen nodig zou hebben gehad. Maar in werkelijkheid hadden de Egyptenaren tweeëneenhalf maal zo veel lichaamskracht als de mensen van onze tijd, althans diegenen die aan de piramiden en dergelijke gewerkt hebben. Er bestonden natuurlijk ook zwakkere mensen. 

B. fragt, ob auch auf die Mythologie einzugehen wäre.

B. vraagt of men ook in kan gaan op de mythologie.

Rudolf Steiner: Nicht wahr, wenn man die ägyptische Mythologie
nicht in ihrer wahren Gestalt darstellen kann, so muß man sie eben
weglassen. Kann man aber die ägyptische Mythologie in der wahren
Gestalt darstellen, dann soll man es tun. In der Waldorfschule wird es
ganz gut sein, die richtigen Begriffe von der ägyptischen Mythologie,
die Sie ja ganz gut kennen, schon den Kindern beizubringen, wenn man
überhaupt darauf eingehen will.

Ja, als men de Egyptische mythologie niet in haar ware gedaante kan weergeven, dan moet men het weglaten. Maar kan men de Egyptische mythologie in een ware gedaante behandelen, dan moet men het doen. In de Waldorfschool zal het heel goed zijn dat men de juiste begrippen van de Egyptische mythologie, die u immers heel goed kent, de kinderen wel bijbrengt, als men daar tenminste op in wil gaan. 
GA 295/152
Praktijk van het lesgeven/141

1e leerplanvoordracht, Stuttgart 6 september 1919

<11> Dan volgt er op een aanwijzing om vakken met elkaar te verbinden, w.o. ook geschiedenis:

Blz. 154   vert. 143

Und so werden wir denn immer darauf bedacht sein, daß der Unterricht soviel als möglich zusammengefaßt werden soll in der Art, wie ich es Ihnen gezeigt habe, daß man das Mineralogische in das Geographische hinüberführen kann,
daß man in der geistigen Behandlung der Kulturgeschichte durch Völkercharakteristiken Geschichte und Geographie verknüpfen kann. 

En zo zullen we er steeds op letten dat het onderwijs zo veel mogelijk samengevat wordt op de wijze die ik u getoond heb, dat men de mineralogie over kan laten gaan in de geografie, dat men bij een spirituele behandeling van de cultuurgeschiedenis geschiedenis en geografie met elkaar kan verbinden door volkeren te karakteriseren. <11>
GA 295/154
Praktijk van het lesgeven/143

Blz. 162   vert. 149

Geschiedenis in klas 5: zie leerplan

Geschiedenis in klas 6: zie leerplan

Blz. 163  vert. 150

Geschiedenis klas 7: zie leerplan

Geschiedenis klas 8: zie leerplan
GA 295/162
Praktijk van het lesgeven/149

Werkbespreking 15 en 3e leerplanvoordracht, Stuttgart 6 september 1919

Blz. 178  vert. 162

D. spricht über ein geschichtliches Thema, über die Völkerwanderung.

<12> D. spreekt over een historisch thema, over de volksverhuizing. Rudolf Steiner maakt hierbij verscheidene opmerkingen tussendoor:

Rudolf Steiner macht dazu mehrere Zwischenbemerkungen: Was als Gründe für die Völkerwanderung angeführt wird, beruht sehr häufig auf geschichtlichen Konstruktionen. Das Wesentliche ist, wenn man den Dingen zu Leibe geht, bei der eigentlichen Völkerwanderung, wo die Goten und so weiter vorrücken, daß die Römer das Geld haben, und die Germanen kein Geld haben, und daß die Tendenz besteht, daß überall da, wo eine Grenze ist, die Germanen in irgendeiner Weise sich das römische Geld aneignen wollen. Daher werden sie Söldner und alles mögliche. Es sind ja ganze Legionen von Germanen in den römischen Sold eingetreten. Es ist die Völkerwanderung eine wirtschaftlich-finanzielle Frage. Erst auf dieser Grundlage konnte dann die Ausbreitung
des Christentums vor sich gehen. Die Völkerwanderung als solche rührt aber von der Habgier der Germanen her, die das Geld der Römer haben wollten. Die Römer wurden auch arm dabei! Auch schon beim Cimbernzug war es so. Den Cimbern wurde gesagt: Die Römer haben Gold! – während sie selbst arm waren. Das wirkte auf die Cimbern sehr stark. Sie wollen Gold holen. Römisches Gold!
Es sind verschiedene Völkerschichten da, auch noch keltische Überreste. Sie finden heute noch deutliche Sprachanklänge an die keltische Sprache, zum Beispiel bei den Quellflüssen der Donau, Brig und Breg, Brigach und Brege. Dann überall, wo in den Ortsnamen «-ach» vorhanden ist, zum Beispiel Unterach, Dornach und so weiter. «Ach» kommt von Wässerchen her, von aqua, weist auf Keltisches zurück. Auch «111» und dergleichen erinnert ans alte Keltische. Über das Keltische schichtet sich dann das Germanische. – Gegensatz von Arianern und Athanasianern.
Sehr wichtig ist, daß Sie den Kindern klarmachen müssen, daß ein großer Unterschied besteht – das ist gerade an der Völkerwanderung

De oorzaken die voor de volksverhuizing worden aangegeven berusten heel dikwijls op historische constructies. Als men deze dingen grondig onderzoekt, dan is de essentie bij de eigenlijke volksverhuizing — waarbij de Goten enzovoort oprukken — dat de Romeinen het geld hebben en de Germanen geen geld hebben, en dat de tendens bestaat dat de Germanen zich overal waar een grens is op een of andere wijze meester willen maken van het Romeinse geld. Daarom worden ze huurlingen en wat niet al. Er zijn immers hele legioenen Germanen in Romeinse dienst getreden. De volksverhuizing is een economisch-financiële kwestie. Pas op basis daarvan kon de uitbreiding van het christendom plaatsvinden. Maar de volksverhuizing als zodanig is gekomen door de hebzucht van de Germanen, die het geld van de Romeinen wilden hebben. De Romeinen werden daardoor ook arm! Ook bij de tocht van de Kimbren was dat al zo. Tegen de Kimbren werd gezegd: de Romeinen hebben goud! – terwijl ze zelf arm waren. Dat had een enorme werking op de Kimbren. Ze wilden goud halen, Romeins goud.
Er bestaan bevolkingslagen afkomstig van verschillende volkeren, ook nog Keltische overblijfselen. U vindt tegenwoordig nog duidelijke resten van het Keltisch in de Duitse taal, bijvoorbeeld bij de namen van de rivieren die de Donau vormen: Brig en Breg, Brigach en Brege. En verder overal waar ‘ach’ voorkomt in plaatsnamen, bijvoorbeeld Unterach, Dornach enzovoort. ‘Ach’ komt van watertje, van aqua, en verwijst naar het Keltisch. Ook ‘ill’ en dergelijke vormen herinneren aan het oude Keltisch. Boven die Keltische laag ligt dan de Germaanse. – De tegenstelling tussen de aanhangers van Arianus en die van Athanasius. Het is heel belangrijk om de kinderen duidelijk te maken dat het een groot verschil maakt – dat kan men juist bij de volksverhuizing

Blz. 179  vert. 163

ersichtlich -, ob, wie zum Beispiel in Spanien und Italien, die germanischen Völker, wie die Goten, in schon der Agrikultur nach völlig in Anspruch genommene Gebiete einziehen. Hier wurde alles besessen.
Da ziehen die gotischen und andere Völker ein. Die verschwinden. Die
gehen also auf in den anderen Völkern, die schon da waren. – Nach
Westen ziehen die Franken vor. Die kommen in Gegenden, die der Agrikultur nach noch nicht vollständig besetzt sind. Die erhalten sich.
Daher hat sich von den Goten nichts erhalten, die eben in Gegenden
eingezogen sind, wo der Boden schon ganz in Besitz genommen war.
Von den Franken hat sich alles erhalten, weil sie in noch brachliegende
Gegenden eingezogen sind. Das ist ein geschichtliches Gesetz, das sehr
wichtig ist. Später kann der Hinweis wiederholt werden bei der Konfiguration von Nordamerika, wo allerdings die Indianer ausgerottet worden sind, aber doch das bestand, daß in Brachgegenden eingewandert werden konnte.

goed zien — of de Germaanse volkeren zoals de Goten gebieden binnentrekken als bijvoorbeeld Spanje en Italië, die al volledig als landbouwgronden in gebruik zijn. Hier had men alles in bezit. Dan vallen de Gotische en andere volkeren binnen. Ze verdwijnen. Ze gaan dus op in de volkeren die daar al waren. — De Franken trekken naar het westen. Die komen in gebieden die nog niet volledig in cultuur zijn gebracht. Zij handhaven zich. Daarom is er van de Goten, die gebieden zijn binnengetrokken waar de bodem al geheel in bezit was genomen, niets overgebleven. De Franken hebben zich volledig gehandhaafd omdat ze nog braakliggende gebieden zijn binnengetrokken. Dat is een historische wet die heel belangrijk is. Later kan men hier ook weer op wijzen bij de configuratie van Noord-Amerika, waar weliswaar de Indianen zijn uitgeroeid, maar waar toch ook de situatie bestond dat men braakliggende gebieden kon binnentrekken. <12>

Es handelt sich auch darum, daß Sie dann klarmachen, welches der Unterschied ist zwischen so etwas, wie zum Beispiel das Frankenreich Karls des Großen war, und einem späteren Staat. Wenn Sie diesen Unterschied nicht kennen, kommen Sie nicht über den Rubikon des 15. Jahrhunderts hinweg. Das Reich Karls des Großen ist noch kein Staat. Wie ist es bei den Merowingern? Sie sind eigentlich zunächst nichts anderes als Großgrundbesitzer. Und bei ihnen gilt lediglich nur das Privatrecht.
Und immer mehr geht dann dasjenige, was aus den alten germanischen
Großgrundbesitz-Verhältnissen stammt, über in das römische Recht, wo derjenige, der bloß die Ämter verwaltet, nach und nach die Macht bekommt. So geht allmählich der Besitz über an die Verwaltung, an die Beamten, und indem dann später die Verwaltung die eigentliche Herrschermacht wird, entsteht erst der Staat. Der Staat entsteht also durch die Inanspruchnahme der Verwaltung. Es entsteht der Grafenadel im Gegensatz zum Fürstenadel. «Graf» hat denselben Ursprung wie Graphologe: es kommt her von graphein, schreiben. «Graf» heißt Schreiber. Der Graf ist der römische Schreiber, der Verwalter, während der Fürstenadel als alter Kriegeradel noch mit Tapferkeit und Heldenmut und dergleichen zusammenhängt. Der «Fürst» ist der Erste, der Vorderste. So ist also mit dem Übergang vom Fürsten zum Grafen

<13>Dan moet u ook uitleggen wat het verschil is tussen iets als het Frankenrijk van Karel de Grote en een latere staat. Kent u dit verschil niet, dan komt u niet voorbij het keerpunt van de vijftiende eeuw. Het rijk van Karel de Grote is nog geen staat. Hoe is dat bij de Merovingers? Ze zijn in eerste instantie eigenlijk niets anders dan grootgrondbezitters. En het enige wat bij hen geldt is het privaatrecht. En vervolgens gaat datgene wat uit de verhoudingen van het oude Germaanse grootgrondbezit stamt, steeds meer over in het Romeinse recht, waarbij degene die enkel ambtsdrager is steeds meer macht krijgt. Zo gaat het bezit geleidelijk over aan het administratieve apparaat, aan de ambtenaren, en wanneer de administratie later de eigenlijke heersende macht wordt ontstaat pas de staat. De staat ontstaat dus door de machtsvergroting van de administratie. De gravenadel ontstaat – in tegenstelling tot de vorstenadel. ‘Graaf’ heeft dezelfde oorsprong als ‘grafoloog’: het komt van ‘grafein’, schrijven. ‘Graaf’ wil zeggen ‘schrijver’. De graaf is de Romeinse schrijver, de ambtenaar, terwijl de vorstenadel als oude krijgsadel nog te maken heeft met dapperheid en heldenmoed en dergelijke. De ‘vorst’ is de eerste, de voorste. Zo is dus met de overgang van vorst naar graaf het

Blz. 180  vert. 164

das staatliche Prinzip entstanden. Das kann man natürlich an diesen
Dingen ganz gut anschaulich machen.

principe van de staat ontstaan. Dat kan men natuurlijk aan de hand van deze dingen heel goed aanschouwelijk maken. <13>

L. führt aus, wie er die Ausbreitung des Christentums bei den Germanen an die
Kinder heranbringen würde.

<14> L. vertelt hoe hij de kinderen zou vertellen over de uitbreiding van het christendom bij de Germanen.

Rudolf Steiner: Das arianische Christentum hat im praktischen Ausleben etwas sehr stark dem späteren Protestantismus ähnliches, es war aber weniger abstrakt, war noch konkreter.
Im 1. und 2. Jahrhundert war unter den römischen Soldaten an Rhein und Donau sehr stark der Mithrasdienst verbreitet, namentlich unter den Offizieren. – Thor, Wotan, Saxnot wurden im heutigen Elsaß und überall bis ins 6., 7., 8. Jahrhundert als die alten germanischen Volksgötter, als die drei wesentlichen  Hauptgötter verehrt mit germanischen religiösen Gebräuchen.
Man kann zahlreiche Szenen schildern, wie im Elsaß, im Schwarzwald die Kirchlein durch die römischen Kleriker gebaut werden. «Wir wollen dem Wotan das und das tun», sangen die Männer. Die Frauen sangen: «Der Christus ist für die gekommen, die nichts tun von sich aus.» Dieser Trick wurde schon benützt bei der Ausbreitung des Christentums, daß man nichts zu tun hatte, um selig zu werden.

Het arianische christendom lijkt in de praktijk heel sterk op het latere protestantisme, het was alleen minder abstract, het was nog concreter.
In de eerste en tweede eeuw was onder de Romeinse soldaten aan de Rijn en de Donau heel sterk de Mithrasdienst verbreid, met name onder de officieren.
Thor, Wodan, Saxnot werden in de huidige Elzas en overal tot in de zesde, zevende, achtste eeuw met Germaanse religieuze gebruiken vereerd als de oude Germaanse volksgoden, de drie voornaamste goden.
Men kan in talloze scènes beschrijven hoe in de Elzas, in het Zwarte Woud kerkjes werden gebouwd door Romeinse priesters. ‘Wij willen dat en dat doen voor Wodan,’ zongen de mannen. De vrouwen zongen: ‘Christus is voor hen gekomen die van zichzelf uit niets doen.’ Deze truc werd wis en waarachtig gebruikt bij de uitbreiding van het christendom, dat men niets hoefde te doen om zalig te worden. 

«Eiche» ist in der altgermanischen Kultsprache die Bezeichnung für den Priester des Donar. In der Zeit, als Bonifatius wirkte, kam noch stark in Betracht, ob man noch die Formeln wußte. Bonifatius wußte sich in Besitz gewisser Formeln zu setzen. Er wußte das Zauberwort, der Donarpriester wußte es nicht mehr. Bonifatius hat durch seine höhere Macht, durch die «Axt», das Zauberwort, den Priester des Donar, die «Donar-Eiche», gefällt. Der Priester starb vor Gram; er ging zugrunde «durch das Feuer des Himmels». Das sind Imaginationsbilder! Nach einigen Generationen ist das in das bekannte Bild umgeformt worden.
Solche imaginativen Bilder müssen Sie lesen lernen. Und so lernend lehren, lehrend lernen.
Bonifatius hat das germanische Christentum verromischt.
Karls des Großen Leben hat Eginhard beschrieben. Eginhard ist ein
Schmeichler.

Eik’ is in de Oudgermaanse cultustaal de aanduiding voor de priester van Donar. In de tijd van Bonifatius was het nog zeer belangrijk of men de formules nog kende. Bonifatius wist zich meester te maken van bepaalde formules. Hij kende het toverwoord, de priester van Donar niet meer. Bonifatius heeft door zijn hogere macht, door de ‘bijl’, het toverwoord, de priester van Donar, de ‘Donar-eik’, geveld. De priester stierf van verdriet; hij ging te gronde ‘door het vuur van de hemel’. Dat zijn imaginatieve beelden! Na enkele generaties is dat omgevormd tot het bekende beeld.
Zulke imaginatieve beelden moet u leren lezen. En zo al lerend de kinderen leren, al onderwijzend zelf wijzer worden.
Bonifatius heeft het Germaanse christendom verroomst.
Het leven van Karel de Grote is beschreven door Eginhard. Eginhard is een vleier.
(Vaak vermeld als Einhard) <14>
GA 295/178-180
Praktijk van het lesgeven/162

Van GA 295 heb ik een scan die je kan opvragen via vspedagogie  apenstaartje gmail punt com

.

Rudolf Steiner over geschiedenis: alle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3379-3178

.

.

.

.