Categorie archief: jaarfeesten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St-Nicolaas en Zwarte Piet (30-1)

.

WAT DOEN DE VRIJESCHOLEN?
.

Afgelopen zondag wandelde ik ergens en vond dit blaadje, beschermd door een plastic hoesje. En hoewel het vocht al bezig was er een mooie nat-in-natschildering van te maken, was de tekst goed leesbaar:

Sint Nicolaas

En dan was daar op het journaal die mevrouw uit Hellevoetsluis die strijdvaardig in de camera keek en vol overtuiging zei, dat Piet zo bleef als hij altijd was.

Ik hoef niet meer mee te beslissen of de Zwarte Piet die de vrijeschool bezoekt, er anders moet gaan uitzien en zo ja, hoe dan.

Mijn antwoord is duidelijk: geen verandering. Piet moet gewoon zwart blijven.

Sta ik dan niet open voor de ‘discriminatie-slavernij kritiek’?

Ik beleef Piet niet als een ‘geknechte’ slaaf of als een ‘zwarte’ die het vuile werk moet doen. Kortom, bij mij leeft geen enkel discriminatoir gevoel.

Ach, ik zou best bepaalde, voor de tegenstanders te overduidelijke kenmerken willen verzachten: geen dikke rode lippen en/of kroeshaar of opzichtige oorbellen.

Maar zwart moet hij blijven: of hij nou historisch een Moor was of niet en of we nu steeds minder schoorstenen hebben waar hij doorheen kruipt, voor mij is hij veel meer een symbool, samen met de witte Sint. Ik zeg expres niet ‘blanke’ Sint, want het gaat niet om de huidskleur als rassenkenmerk.

Zoals we het traditionele trouwkostuum hebben: een witte jurk en een zwart pak. Het is een twee-eenheid. Waarom zou het pak zich gediscrimineerd moeten voelen? Of de mindere van de witte trouwjapon? Dat aanpassen zou tot grijs leiden en de taal heeft het in dit opzicht niet zo op grijs: het is vlees noch vis.

Wit en zwart: ze horen bij elkaar. Sterker: ze kunnen niet zonder elkaar. Wat zou Sint zijn zonder Piet. En Piet dom?  ‘Alles ziet die slimme Piet, zich vergissen kan hij niet!”. Het is een twee-eenheid en daarmee alleen al overstijgen ze het ‘discriminatie-niveau’.

Hij is de rechterhand van Sinterklaas.

(Ik weet het: dit roept maar zo een nieuwe discussie in het leven: wat is de rechterhand meer dan de linker, huh?) Maar vanuit de taal dan maar weer, als metafoor.

Een ander kleurtje geven is voor sommigen de oplossing. Voor mij dus niet. Je verlaat daarmee de prachtige symboolwaarde van die hogere eenheid wit/zwart.

Als ik die laatste zou vergelijken met humor, echte, ware humor, dan is de gekleurde Piet voor mij niets meer dan ‘leut’.

Dan wordt het Sint-Nicolaasfeest iets in de trant van ‘agge mèr leut heit’. Hodsikidee!

In de reeks artikelen over Sinterklaas die op deze blog zijn verzameld, wordt op o.a. deze even ingegaan op de wit-zwartsymboliek.

Ik heb de kinderen van het tekenblaadje niet kunnen vragen naar hun waarom, maar ik ben het roerend met hen eens:

Sint Nicolaas

‘Mooi zijn de regenboogpiet en de kleurenpiet, vind je ook niet?’
‘Ja….ja…eh, maar als ze gaan douchen zijn ze gelukkig weer zwart!’

kleuter over kleurenpiet
.

(Trouw ‘opgetekend gesprek’ 03-10-2015)
.

Opspattend grind
.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Sint-Nicolaas

717-654

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (21)

.
Verteltijd ca. 12 min.
.

SINT-MAARTEN

verteld door Jakob Streit

Martinus

Hoe hij zijn naam kreeg

In het land Pannonië dat nu Hongarije heet, woonde in het stadje Sabaria een dappere ridder.
Als beroep had hij oorlog voeren gekozen en diende in het leger van de Romeinse keizer Justinianus en Constantijn. Deze ridder trok als hoofdman in de landen rond en voerde de Romeinse soldaten aan.
Zo kwam het dat zijn vrouw vaak alleen met haar dienstmeisje in Sabaria achterbleef. Omdat ze echter een kindje verwachtte, liet ze haar man een boodschap sturen. En inderdaad, toen de geboorte dichterbij kwam, keerde de echtgenoot terug. De vreugde van de ouders was groot toen ze een zoontje geschonken kregen. Omdat de vader echter een heiden was die met toewijding de oorlogsgod Mars diende, dacht hij dat zijn zoon ook eens een dappere krijger zou zijn. Hij liet het jongetje naar het altaar van Mars brengen. Er werd een offervuur aangestoken. De vader hield zijn zwaard in de vlam tot de punt gloeiend was. Toen zwaaide hij het zwaard over het jongetje heen en weer om het in te wijden. Daartoe riep hij driemaal de naam: ‘Martinus, Martinus, Martinus!’ Deze naam betekent zo veel als ‘kleine Mars’.

De vader kon niet lang thuisblijven; want hij moest naar Italië terugkeren naar de stad Pavia, waar zijn soldaten gelegerd waren. Toen de moeder zag, dat ze helemaal alleen met de kleine achter zou blijven, smeekte ze de vader: ‘Neem ons allebei mee! Hoe moet de jongen een flinke soldaat worden, wanneer hij zonder vader moet opgroeien?’

Deze smeekbede van de moeder vond gehoor. Het gezin vertrok met paard en wagen, met geld en goederen naar Pavia. Hier vonden ze een huis in de stad en daarin groeide Martinus op. Omdat de vader bij deze stad aan de soldaten het vak van oorlog voeren leerde, kon hij vaker thuis zijn en hij was er blij mee dat de jongen ieder jaar vrolijker en sterker werd.

De dierenbeulen

Martinus had van zijn vader en moeder het goede hart meegekregen. Zag hij een jongen een dier plagen, dan liet hij dat niet gebeuren. En omdat hij er sterk uitzag en rechtvaardig was, was zijn woord wet. Op een dag slenterde Martinus over het veld. Bij een meertje zag hij drie jongens die gevangen kikkers kwelden. Met draadjes hadden ze de pootjes bij elkaar gebonden en ze stonden zich eraan te vergapen hoe de geplaagde diertjes trappelden en steeds maar weer over de kop sloegen. Martinus werd heel kwaad. Hij snauwde ze toe: ‘Wat zijn jullie nou aan het doen? Die beestjes hebben pijn! Laat ze los!’ Een spottend gelach was het antwoord. De grotere stond op, trok een dik touw uit zijn zak en zei tegen de anderen: ‘Kom op, dan binden we bij hem ook de benen bij elkaar!’ en tegelijkertijd liep hij op Martinus toe. De woede gaf hem dubbele kracht. Hij pakte de jongen van onderen vast en voor de anderen te hulp konden komen, had Martinus hem al in het modderige water gegooid. Nu wierpen de andere twee zich op hem. Martinus was dapper. De tweede vloog, kopje buitelend de eerste in het meertje achterna. De derde zette het op een lopen en ging er jammerend vandoor, dat je alleen zijn schoenzolen nog zag. Terwijl die twee drenkelingen uit het water kropen, maakte Martinus de knoopjes los van de vastgebonden kikkers en liet ze de een na de ander rustig in het water glijden.

Ondertussen waren de moddergeuzen iets verder naar een beekje gelopen om hun kleren schoon te maken. Ze durfden Martinus niet nog eens aan te pakken. Toen hij alle kikkers weer in het water had gedaan, ging hij weer naar huis.

Op zijn twaalfde jaar

Toen zijn vader op een keer naar huis was gekomen om te eten, sprak hij aan tafel met zijn moeder over mensen, die een nieuwe godsdienst beleden. ‘Ze worden christenen genoemd. Ze minachten de oude goden. Hun geheimteken is een vis. Velen willen geen soldaat worden. Zij vinden dat alle mensen broeders en zusters zouden moeten zijn. Maar omdat de keizer ze hun gang laat gaan, kunnen we niets tegen hen beginnen.’

Martinus vroeg: ‘Zijn er ook christenen in Pavia?’  ‘Ja, er is een huis in de buurt van de watertoren waar ze bij elkaar komen; maar er zijn er maar weinig in deze stad.’

Vanaf dat ogenblik dacht Martinus vaker over de christenen na die met alle mensen broeder en zuster wilden zijn. Uit nieuwsgierigheid liep hij op een avond eens naar die watertoren. Uit een huis klonk gezang. En inderdaad, op de boog van de poortingang was een vis in een steen gegrift. Graag was Martinus naar binnen gegaan. Toen hij nadenkend bleef staan, naar het zingen luisterde en naar het vissenteken keek, kwamen er een man en een jongeling aan. Toen ze de poort doorgingen, keerde de man zich om en nodigde Martinus uit om mee te komen. Zo kwam hij voor de eerste keer onder christenen. Hij hoorde hoe hun meester in Jeruzalem aan het kruishout was gestorven en na drie dagen uit zijn graf was verrezen. Sinds die tijd gaat hij als onzichtbare helper en trooster over de aarde en wekt liefde op in mensenharten.
Thuis durfde Martinus er niets van aan zijn ouders te zeggen of te vertellen; want hij had gemerkt dat zijn vader de christenen vijandig gezind was. Maar zij hadden wel het hart van Martinus gewonnen. Ook al was er maar zelden een heimelijke gelegenheid om erheen te gaan, werd zijn hart toch steeds meer vervuld met een wonderbaarlijke liefde voor mens en dier en voor heel de schepping.

De harde weg

Als zoon van een ridder en Romeins hoofdman deed de vader zijn zoon Martinus in de leer bij een leermeester die hem het boogschieten bijbracht, met een speer leerde werpen, paardrijden en een wagen mennen. Toen hij vijftien was besloot zijn vader dat hij soldaat kon worden. Dus moest hij mee op legerexpeditie tegen de Germanen, die steeds opnieuw de Romeinse gebieden binnenvielen. Soldaat zijn betekende veel ontbering en harde strijd. Zo ging jaar na jaar voorbij waarin Martinus in zijn leger diende. Elk contact met de christenen ging verloren. Maar er was iets in hem waardoor hij als soldaat niet echt blij kon zijn: in de strijd kon hij de kracht opbrengen en moedig zijn, maar zijn hart bleef leeg.

Het gebeurde dat het leger tegen de herfsttijd, toen de dagen kouder werden, in de buurt van de stad Augusta Treverorum kwam, die tegenwoordig Trier heet. Hier grensden Gallië en Germania aan elkaar. De verdienstelijke krijgers en officieren zouden nieuwe kleding krijgen. Martinus bevond zich onder hen. Er was een grote, wijde mantel bij waarvan het rugpand ’s winters met schapenvacht gevoerd was en zo lang, dat ook de rug van het paard ermee bedekt kon worden. Begin november werd het legioen waarin Martinus diende, naar de buurt van Amiens verplaatst.

De ontmoeting

Op een novemberdag reed Martinus naar de stad Amiens. Er stond een ijskoude wind en zelfs de raven vonden het te koud om te vliegen. De laatste dorre bladeren van de naherfst dwarrelden van de bijna kale bomen. Plotseling ontwaarde Martinus voor zich, opzij, een gedaante. Die was nauwelijks gekleed, stond tegen een grote steen geleund om beschutting voor de bijtende noordenwind te zoeken. Nu hief de bedelaarsgestalte een open hand op, fluisterde woorden die op de wind wegdreven en keek met grote ogen omhoog naar Martinus. Toen nam deze zijn wijde mantel van de schouder, trok zijn scherpe zwaard en sneed van boven naar beneden het kleed in tweeën. Hij reikte de helft aan de bedelaar die er dankbaar zijn bevroren ledematen mee omhulde. Het andere deel sloeg Martinus om zijn schouders. Hij reed verder om een herberg te zoeken.

In de volgende nacht toen Martinus in een diepe slaap lag, hoorde hij zijn naam noemen. Als in een droom werd het lichter om hem heen en hij zag twee engelgestalten zweven die zijn halve mantel droegen. Daarachter verscheen het gelaat van de bedelaar, maar met een van zonlicht glanzend gelaat met stralende ogen. Een stem sprak: ‘Martinus, je hebt in de bedelaar mijn nood verwarmd. Ik ben de broeder van iedere mens.” Toen het beeld verdween, was het of er bij Martinus in zijn hart warme zonneschijn neerdaalde, die nooit meer zou kunnen uitdoven.

In het teken van de vis

De volgende dag, toen Martinus doelloos, in gedachten verzonken door de stegen van de stad Amiens slenterde, kwam hij langs een huis waarop hij het teken van de vis gekerfd zag. Hij ging naar binnen en werd door de kleine gemeenschap vriendelijk opgenomen. Hij vertelde hen over de christenen in Pavia. Hier liet hij zich na dagen de christelijke doop geven. Moest hij hierna nog soldaat blijven?

Pas na twintig jaar krijgsdienst, zo luidde de regel, kon toen een Romeins soldaat het leger verlaten. Met zijn nood zocht hij de wijze, christelijke leermeester Hilarius op, die in de buurt van de stad Poitiers woonde. Na een lang gesprek toen Hilarius inzag dat Martinus een ridder wilde zijn in de naam van Christus, gaf hij hem een goede raad. Er was toen een nieuwe verordening van keizer Constantijn afgekondigd, dat wie priester wilde worden, het leger mocht verlaten. Dat wist Hilarius en hij raadde Martinus aan dit te doen. Dat gebeurde. Martinus werd leerling van de wijze Hilarius. Bij hem kon hij het leven en de boodschap van Christus ervaren en in zijn hart opnemen. Schild en wapens, paard en zwaard gaf hij terug en hij kleedde zich in een sober gewaad. Omdat hij echter de zegen van Christus in zich meedroeg, stelde hij zijn leven in dienst van het verkondigen van de christelijke boodschap onder de heidenen.

Droom en reis

Op een nacht, in de slaap, hoorde Martinus een stem die hem opdroeg zijn ouders op te zoeken die naar Hongarije terug gekeerd zouden zijn. Martinus nam de weg over de Alpen via Milaan naar Pavia. Toen hij over een eenzaam bergpad liep, sprongen er rovers tevoorschijn. Eentje zwaaide een bijl boven zijn hoofd om hem te doden. Bliksemsnel pakte een andere rover de hand die wilde doden en hield die tegen. Martinus werd vastgebonden. Omdat ze geen geld of spullen bij hem aantroffen, wilden ze hem als knecht verkopen. Hij werd onder de hoede gesteld van de rover die hem voor de dood behoed had. De anderen gingen weg om weer te roven. Toen Martinus alleen was met zijn redder, begon hij met hem te praten en aangezien deze zijn hart openstelde, vertelde hij hem over de zoon van God, die in Jeruzalem met twee misdadigers werd gekruisigd, een ter rechter en een ter linker zijde. Hij vertelde dat de ene anders over de betekenis van het sterven begon te denken en de woorden van Christus in zich opnam. Wat Martinus vertelde bewoog het hart van de rover zo zeer, dat hij hem losmaakte en hem in vrijheid zijn weg verder liet vervolgen.

In Pavia aangekomen, vernam Martinus dat zijn ouders inderdaad naar hun thuisland Pannonië teruggekeerd waren. Dus trok hij daarheen tot aan de stad Sabaria, waar hij ze terugvond. Zijn moeder sloot al zijn woorden en de boodschap die Martinus bracht, in haar hart. Zijn vader echter vond: ‘Met de god Mars heb ik geleefd en gevochten; die is ouder dan jouw Christus!’ En hij bleef daarbij.

Langs vele wegen keerde Martinus terug naar Hilarius in de buurt van Poitiers en stelde zich voortaan in dienst om de Christus te verkondigen onder de Galliërs.

Martinus van Tours

In de stad Tours bracht Martinus vele mensen tot Christus. Zij bouwden een mooie kerk. De gemeenschap van de christenen wenste Martinus als hun opperherder; maar hij ontvluchtte hen door naar het platteland uit te wijken. Hij wilde in afzondering werken, niet als bisschop een ambt bekleden. Omdat de burgers van Tours hem overal in de omgeving zochten, kwamen er ook een paar bij de boerderij waar Martinus zich verscholen had. Hij sliep in de stal, waar ook ganzen waren. Toen het volk dichterbij kwam, begonnen de ganzen luid te gakkeren. De staldeur werd geopend. De ganzen hadden niet alleen Martinus wakker gemaakt, maar ook zijn schuilplaats verraden. Met vreugde begroetten de burgers van Tours hem. Eindelijk stemde hij toe opperherder te willen zijn.
Vandaar het gebruik dat op 11 november, Martinusdag, in iedere streek bij elke familie nog altijd een gans wordt gebraden.

Martinus bleef niet lang in kerkelijke dienst. De vele dagelijkse bezoekers stoorden hem. Buiten de stad zocht hij een rustige kluizenaarshut. Hier vestigde zich langzamerhand een broederschap en werd er een klooster gebouwd. Naar het voorbeeld van Martinus leidden ze een vroom en werkzaam leven. Er kwamen zieken en vertwijfelden naartoe, misdadigers en zondaren. Martinus was voor elk een broeder. Omdat hij geen mantel en geen spullen meer had, schonk hij de rijke gaven van zijn ziel, van zijn hart.

Uit: Jakob Streit: ‘Ich will dein Bruder sein

(Eigen vertaling: bij mijn weten niet vertaald)

.

St.-Maarten: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSt.-Maarten

.

680-621

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (43)

Boeken over Michael en de herfsttijd

.
.

OVER MICHAËL:

De kringloop van het jaar
Rudolf Steiner, Steinervertalingen

Jaarfeesten
Rudolf Steiner, Steinervertalingen

De jaarfeesten als kringloop door het jaar
Emil Bock, Christofoor

Jaarfeesten
Henk Sweers  Christofoor

LIEDJES EN SPREUKEN

zie: vrijeschoolliederen;   Tineke’s doehoek

Door het rozenpoortje
Maries Theissen, Christofoor

De gouden poort
Beatrijs Gradenwitz, Christofoor

Spreuken en liedjes voor kinderen
Arie Boogert e.a., Christofoor

Het groene boekje
Lena Struik
Hierin bevinden zich ook mooie Michaëls- en herfstgedichten

(PRENTEN)BOEKEN, VERHALEN

Het hele jaar rond
Marijke van Raephorst, Lemniscaat
Ook bekend als: Van Sinterklaas tot Sintemaarten

Aus Michaels Wirken, eine Legendensammlung
Mellingerverlag

Sprookjes van Grimm,
Lemniscaat
Daaruit:
De grafheuvel (195) – De twee gebroeders (60) – IJzeren Hans (136) – Het blauwe licht (116) – De stukgedanste schoentjes (133) – De gouden sleutel (200), Het gespuis (10), Sterke Hans (166)

De drie bruiloftsgaven
Ineke Verschuren, Lemniscaat
(Hier is een aantal verhalen te lezen)

Het verhaal van Sint-Joris
Legenda aurea

De Keltische drakenmythe
Christofoor

De koningszoon van Ierland
Christofoor

Het goud van de armen
Dreissig, Christofoor

Kaboutersprookjes
Christofoor
Daaruit:
De sterke smidsknecht

Zonnegeheimen, deel 4
D.Udo de Haes (Christofoor)

Florinoors herfstboek,
Hermien IJzerman

Sprookjes van de avondwind,
Hermien IJzerman
Daaruit
Het wandtapijt

Het jaar rond (gedichtjes)
Rie Cramer, van Goor
(via de link gedeeltelijk in te kijken)

Het jaar rond
Elsa Beskow, Christofoor

Hansje in ’t bessenland
Elsa Beskow, Christofoor

Okke, Nootje en Doppejan
Elsa Beskow, Christofoor                      bespreking op deze blog

De kabouterkinderen
Elsa Beskow Christofoor

Bloemenkinderen van de herfst
Barker, Ploegsma

Zonneroos, sprookjes uit de Oekraïne
Kluwer
Daaruit:
Iwan van de tsarendochter; Iwan van de keukenmeid

Vier grote Jan Klaasenspelen
A.Weissenberg, Christofoor

JAARFEESTEN EN KINDEREN

Jaarfeesten vieren met kinderen
Barz, Christofoor

Zonnejaargroep: Het Michaëlsfeest vieren
ABC-boeken

JAARTAFEL

De seizoenentafel
van Leeuwen/Moeskops, Christofoor

 .

Michaël: alle verhalen

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michaël  bordtekeningen e.d.     jaartafel

.

 

.

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten van de herfst (4)

.

Juultje van der Stok, Jonas 2, 26-09-1975

.

DE HERFST ALS FEEST
.

Daar staat de herfsttafel! En of er nu kro­kussen bloeien op die tafel, of koningen op weg gaan naar het kind in de stal, het hele jaar rond wordt gepraat over ‘de herfsttafel’. Als het lage septemberlicht de bedauwde spinnenwebben laat glinsteren en het eerste goudgerande berkenblad het natte gras siert, is er grote bedrijvigheid rond deze centrale plaats in het huis. De kinderen trek­ken naar buiten om herfstschatten te verza­melen die binnen met veel zorg worden ver­werkt, of zo maar op tafel worden neerge­legd.
Déze bedrijvigheid is er alleen aan het einde van de zomer, en voor de kinderen is het een begin van een lange heerlijke tijd die komen gaat.
Als ze met hun volle mandjes voor de herfst­tafel staan hoor je ze zacht tegen elkaar zeggen: ‘Straks staat hier de stal’. Na een lange warme zomer, waarin we op­gingen in alles wat de natuur ons zo uitbun­dig bood, komt nu de tijd dat de plantenwe­reld nog één keer in haar herfstkleuren zal oplichten. Dan verdwijnen licht en warmte uit de natuur die ons omgeeft. De vruchten worden geoogst en de levens­krachten trekken samen in de zaden, die zul­len blijven rusten tot ze door warmte en licht weer worden gewekt. Wij mensen verinnerlijken de krachten die in de zomer werden opgedaan, maar hoeven niet op licht en warmte van buiten te wach­ten. Met bewustzijn en enthousiasme doen we in ons zelf die krachten opnieuw ontkie­men. Alles wordt weer opgepakt en nieuwe initiatieven ontwikkeld (de scholen begin­nen niet voor niets weer tegen de herfst). Kinderen die nog weinig zelfbewustzijn hebben, beleven deze processen intuïtief door het omgaan met de herfstschatten. Op 29 september wordt van oudsher het herfstfeest gevierd. Het is gewijd aan Michael. In het twaalfde hoofdstuk van de open­baring van Johannes staat geschreven hoe de aartsengel Michael, als aanvoerder van het hemelse leger, de draak verslaat en hem uit de hemel op aarde werpt (de val van Lu­cifer). Op afbeeldingen zien we hem met het zwaard, soms met een weegschaal. Verhalen en legenden vertellen, hoe hij staand voor Gods aangezicht mensen leert goed en kwaad te onderscheiden en hoe hij hemels licht in mensen harten, denken en doen kan kan laten doordringen.
En wat doen we in deze tijd dan met de kin­deren, de kleintjes die binnen manden vol eikels omkeren, en de groten, die
kastanje­mannetjes maken, flauwekul vinden? Kleine kinderen kunnen veel beleven aan een plek waar met zorg bijvoorbeeld herfsttakken, een mooie zonnebloem, gekleurde bla­deren, opgewreven vruchten, graanhalmen of gevonden schatten te zien zijn. Wanneer alles wat uit de manden en jaszak­ken tevoorschijn komt, zoals schors, hout, veertjes, eikels, kastanjes, beukennoten met hoedjes of bolsters, bij elkaar op tafel wordt gelegd, en daarbij komen: luciferhoutjes, priem, papier, plasticine of bijenwas, scha­penwol of watten, een tube lijm en voor de kastanjeketting een stevig touw en een brei­naald, die roodgloeiend door de kastanjes heengeprikt moet worden, dan gaan de kin­deren vanzelf aan het werk (en misschien zijn de voorbeelden een hulp). Halve walnoten, die een kaarsje dragen of een zeil, kunnen echt op het water varen. Grote kinderen kunnen zelf een vlieger ma­ken (het Duitse woord voor vlieger is Drache). In sommige streken proberen kin­deren met scherpe voorwerpen aan het vliegertouw, elkaars vliegers los te snijden om zo de draak te overwinnen. Als er gereedschap in huis is kunnen de ou­dere kinderen zelf een pers maken (zie voor­beeld) om de gekleurde blaadjes, en in de zo­mer de bloemen, in te drogen. (Tussen kranten onder een stapel boeken gaat het ook).
Maaltijden kunnen op zo’n feestdag anders zijn dan anders. Uit de grote keus van vruch­ten en granen, die zij zelf hebben zien oogs­ten, of hebben geoogst en waaraan verhalen verbonden kunnen worden, zal iedereen een feestelijke maaltijd samen kunnen stellen. (Denk dan bijvoorbeeld ook aan maiskolven, noten, meloenen, kalabassen…)

.

659-604

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten van de herfst (3)

 

(Marcel de Leuw, Jonas 5, **02-11-1990)
.

VERBORGEN LICHTJES
.

Sint-Maarten staat niet op zichzelf. Het donkere jaargetijde wordt ingeluid door Michael, om via Martinus en Sint-Nicolaas uiteindelijk tot het kerstlicht te komen.
Hoe het u vergaat weet ik niet, maar ik word elk jaar weer verrast door het Michaelsfeest. Nog nazinderend van de zomer lukt het me nog net om de voorbereidingen te treffen. Het is alsof je met een schok wakker wordt; ongeveer het gevoel dat je hebt als je na het aflopen van de wekker nog even blijft liggen en dan ineens ziet dat het kwart voor acht is in plaats van kwart voor zeven. Je bent nog net op tijd op je werk, maar vraag niet hoe. Soms nog tijdens de dag zelf, maar anders in ieder geval in de dagen erna hoor je om je heen dezelfde geluiden: de plannen die we voor de zomer hadden, moeten nu maar eens worden uitgevoerd.
Voor een Michaelsfeest op school kunnen spelen en opdrachten die moed en slagvaar­digheid oproepen, worden gemaakt en be­dacht. Met mikspelletjes, zoals in zijn een­voudigste vorm de spijker op de kop slaan, boogschieten of het moeilijke speerwerpen, wordt gericht op het gestelde doel. Ook
op­drachten en speurtochten waarbij de rich­ting en de goede weg zelf moeten worden ge­vonden en waarbij moeilijkheden worden overwonnen, vormen een goed motief voor zo’n feest.
Moeilijkheden de baas worden en zuiver­heid van richting en doel te pakken krijgen, is nodig om de draak te bestrijden. Nauw verweven met Michael is namelijk het beeld van de draak die zieltogend het onderspit zal delven. In veel verhalen is het de jonkvrouw die ten offer valt aan de draak, als een moe­deloos, berustend volk de kracht niet bezit om zich tegen deze donkere onheilsmacht te verweren. De kracht om nieuw leven te ba­ren, ontwikkelingskrachten te schenken, droogt dan op, wat tot uitdrukking komt in de opgedroogde bron of de verdorrende ap­pelbomen in deze legendes.

Metamorfose

Van 29 september naar 11 november, het Sint-Maartensfeest, lijkt een hele sprong. Tijdens de uitvoering van al die gerijpte plannen, komt een feest waarin een heel an­dere stemming ontstaat. Toch is er een rela­tie te ontdekken. Deze reikt echter verder en wordt zichtbaar door de daaropvolgende feesten Sint-Nicolaas, advent en Kerstmis erbij te betrekken.
We kennen het verhaal van Sint-Maarten: een groep Romeinse soldaten komt voor de poort van de stad Amiens. De soldaten heb­ben een lange rit achter de rug en verlangen ongetwijfeld naar eten en een bed. Naast de poort zit een man, een bedelaar, half naakt en hongerig. Hoewel de kans klein is dat hij wat krijgt, vraagt hij toch om een aalmoes. Maarten wordt getroffen door de aanblik van deze mens. Hij houdt zijn paard in en trekt zijn zwaard. Hij snijdt zijn mantel doormidden en reikt de helft aan de bede­laar. Die nacht verschijnt Christus in zijn droom. Hij draagt het afgesneden stuk van de man­tel om zijn schouder en spreekt tot de enge­len die bij hem zijn: ‘Martinus, de onge­doopte, heeft mij met een kleed omhult.’ Maarten laat zich hierna dopen en stelt zijn leven in dienst van Christus.
Zoals Maarten deelde, moeten wij ook de­len. Het is de kunst om onze ideeën en plan­nen met anderen te delen, niet om hen voor onze plannen te winnen, maar om daadwer­kelijk te delen. Ook al worden de plannen dan anders dan wij hadden gedacht, of mis­schien wel juist daarom.
De kleinsten doen het ons voor, uiteraard in het gebied waar zij zich thuis voelen: de na­tuur. Een knol of grote winterpeen wordt uit­gehold. Van deze vrucht, tot wasdom geko­men in de donkere aarde, wordt de buiten­kant, de huid of schil, bewerkt zodat de uit­gesneden zon, maan en sterren transparant oplichten door het licht van het kaarsje dat er binnenin is geplaatst.
Wie ooit zelf als kind met zo’n lichtje langs de deuren van het dorp of de hele stadswijk heeft gelopen, kan zich – naast de pret – het bedelaarsgevoel dat je kreeg zodra er werd aangebeld nog levendig herinneren. Lopen met zo’n lichtje over straat is spannend en feestelijk, maar jezelf als arme tentoonstellen en zingend vragen om een appel of een peer is wel een hele drastische metamorfose van moed en besluitkracht. Toch komt het bij Sint-Maarten daarop aan. Uiterlijke kracht werkt in het sociale leven al­leen maar vruchtbaar in samenhang met in­nerlijke moed. Het liedje heeft in al zijn een­voud ook een verborgen wijsheid:

Vriend van verre landen
Dat wij hier met lichtjes lopen
is geen schande

Hier woont een rijk man
Die ons heel wat geven kan
Geef een appel of een peer
Komen we ’t hele jaar niet meer*

De rijke man kan van zijn oogst schenken aan de kinderen; een appel die met zijn ster­vormig hart en ronde vorm de verbinding met de hemel representeert of een peer die door zijn zwaar uithangende vorm en over­rijpe smaak meer met de aardse krachten is  verbonden. Tegelijkertijd wijst dat nog verborgen lichtje ons op het grote licht dat gaat komen. In de steeds donker wordende tijd van het jaar kan ons dat tot troost zijn.

Kindervriend

In de daarop volgende adventstijd beleven we het korter worden van de dagen en de steeds lager staande zon. Het lijkt of de maan aan invloed wint en de zon zich terugtrekt. De eerste adventzondag (dit jaar** op 2 decem­ber) wordt volgens oud gebruik de eerste kaars van de adventskrans aangestoken. In Nederland lijkt deze eerste week overvleu­geld te worden door het feest van Sint-Nico­laas.
Van deze goede bisschop van Myra, een Arabische stad, geeft de geschiedenis weinig of geen feiten. Er wordt zelfs getwijfeld of hij in de vierde of de zesde eeuw leefde. Pas na het jaar 1000 komen de legendes en verhalen over de beschermheilige van zeevaarders, jonkvrouwen en kinderen ook in de streken ten noorden van de Alpen voor. De goedheilig man brengt degenen die in moeilijkheden verkeren tot nieuw leven. Zo­als in het verhaal van de kindertjes die bij een slager om onderdak vragen, maar wreed worden weggestuurd. De slagersvrouw is echter belust op het geld dat ze bij zich zou­den hebben en biedt hen toch een slaap­plaats aan. Als zij en haar man ’s nachts ont­dekken dat er niets van rijkdom bij de arme wichten is te bespeuren, brengen ze de kin­deren om, hakken ze in stukjes om ze vervol­gens in een pastei te verwerken. Nicolaas in een droom gewaarschuwd door een engel, gaat naar de markt waar de vlees­waren liggen, slaat een kruis boven hen en brengt ze terug in het leven. Dit is een legende die ver af staat van de wijze waarop we thans het Sinterklaasfeest bele­ven. Sinterklaas heeft in deze moderne tijd een aantal feestaspecten die zowel eigentijds zijn als hun wortels in het verleden hebben. Overgebleven is in elk geval de kindervriend. Met Sinterklaas verras je de ander. Door het delen, het samen werken en leven, hebben wij elkaar zo goed leren kennen dat er ruimte is gekomen om de ander te verrassen. Eerst met een gedicht waarin we de ander een spiegel voor mogen houden, hem of haar iets van zichzelf mogen laten zien. Goedmoedig, vriendelijk en met humor, maar wel duide­lijk, glashelder. Als pleister op de wonde volgt dan een geschenk, met zorg en liefde voor de ander uitgekozen. Het is altijd weer spannend of je het gevoel van gewaardeerd worden kunt oproepen.

Edelsteen

Met Sint-Maarten krijgt ieder een geschenk dat hetzelfde is. Met Sint-Nicolaas is het juist de kunst iets persoonlijks voor ieder apart te vinden. Het gebaar is bij Michael doelge­richt, bij het Sint-Maartensfeest ontvangend en bij Sint-Nicolaas schenkend. In de weg van het licht door deze drie feesten is waar te nemen dat waar de uiterlijke zon afneemt – en niet alleen in het kinderlied ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ – de invloed van de nacht toeneemt en het licht binnen juist aan kracht wint.
Tijdens de adventstijd bereiden wij ons voor op de komst van het Zonnekind. Het is een tijd van bezinning; hoe werken de uitgevoer­de plannen, zijn ze in overeenstemming met onze idealen of moeten ze meer doorwarmd, meer doorlicht worden? Uiterlijk wordt die voorbereiding zichtbaar door de kerststal. Op de eerste adventzon­dag: wordt een tafel met behulp van mooie stenen en hout een landschap gemaakt met daarop het stalletje. De weg er naar toe voert langs edelstenen en Jozef en Maria komen met hun ezeltje elke dag een beetje dichterbij.
Op de tweede adventzondag wordt de tafel versierd met bloemen. Het is elk jaar weer een feest om te zien hoe kleurrijk het geheel daar van wordt.
Op de derde adventzondag verschijnen de schapen en de os in de stal; ook de dierenwe­reld bereidt zich voor. Tenslotte komen op de vierde adventzondag de herders. Als dan ook nog de kerstboom in huis wordt gehaald, versierd met kaarsen, tekens en dertig rode en drie witte rozen, is alles klaar om het Kind te ontvangen.

 

*dit liedje begint zo:

 Sint Martinus Bisschop
roem van alle landen (vriend is een variatie geworden, evenals
‘komt uit verre’)

[1-1] Jaarfeesten door het jaar
[1-2] Jaarfeesten door het jaar – peuter/kleuterklas

[2-1] Herfst met peuters
[2-2] Herfst: oogstfeest (dorsen, malen, bakken)
[2-3] Herfst met kleuters

[3-1] Michael (20)
[3-2] Michaël (29)

jaarfeesten: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: peuters/kleuters

.

658-604

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten in de herfst

.

(schoolkrant, nadere gegevens onbekend)
.

HERFST – ST- MICHAEL – ST – MAARTEN – ST – NICOLAAS – HERFST

De herfsttijd is duidelijk zichtbaar aangebroken. Het afstervingsprcoes buiten, maakt wat melancholiek. Het is mooi al dit kleuren en die bessen en die paddenstoelen en die fijne vogelgeluidjes, maar ja……
Drie heiligen doen in deze herfsttijd van zich spreken. Drie heiligen in hetzelfde jaargetijdemaar onderling toch verschillend.

St-Michaël29 september, in de natuur vinden we vruchten en een
uitbun­dige kleurenpracht. Het blad valt al. De zon schenkt haar laatste warmte als de ochtendnevel is opgelost. Er is veel te zien buiten. Nu maken we onze herfstwandeling.

St-Maarten, 11 november, de avonden zijn koud en winderig (het kaarsvlammetje in de knol waait steeds uit). Wanten aan en mutsen op. Het is al vroeg donker. De voeten gaan door het bladerenpak op de grond. De vogels hebben zich tegoed gedaan aan de bessen en trekken zuidwaarts.

St-Nicolaas, 5 dec, zijn naamdag is eigenlijk 6 december. Kaal zijn de bomen. De eerste sneeuw, de eerste nachtvorst, er is nog maar weinig te beleven buiten. We eten s avonds met het licht op. St-Nicolaas valt samen met het begin van de advent. De eerste kaarsen branden. Alles speelt zich binnen af.

In de herfsttijd zien we het proces van verinnerlijking, we zijn op weg naar de kerst.

Hebben deze drie heiligen iets gemeenschappelijk? Als we ze eens nader bekijken, dan zien we dat ze als overeenkomst hebben: GEVEN.

St-Michaël, meestal afgebeeld met zwaard of weegschaal. Het zwaard voor de strijd geeft ons de strijdlust en de weegschaal herinnert ons aan
het onontbeerlijke evenwicht: Michaëls gift is voor de geest, dus immaterieel.

St- Maarten geeft de helft van zijn mantel aan de bedelaar ondanks de
spottende woorden van zijn kameraden. De bedelaar wordt in zijn droom Christus. De knol die de kinderen meedragen is een gift van de aarde.
Het kaarsje in de hand duidt al op Kerstmis, maar het licht is nog buiten. Het rondlopen en zingen is vragen om een gift bij bepaalde huizen. Vroeger gaven de welgestelden met St-Maarten de armen een gift.

St-Nicolaas is ogenschijnlijk een feest van de middenstand. Als we ons aan dit idee onttrekken en eens fris naar het feest kijken, dan zien we veel symboliek: het paard is wilskracht, de gekrulde staf duidt op inkeer, het zwart van Piet is het aardse element en het wit van de Sint – het hemelse, de schoorsteen is de verbinding tussen aarde en hemel enz.
Centraal staat bij dit feest de gift. Maar deze gift is anoniem, is voorzien van levenswijsheden en heeft moraliserende bedoelingen. Sint vindt steeds tekortkomingen bij onze levenswandel die met gift en rijmwoorden gesigna­leerd worden. Dan geeft de Sint ons weer een jaar de tijd om met zwaard en weegschaal aan de slag te gaan. Wij geloven in Sint-Nicolaas, hij moet blijven bestaan, ter leringe ende vermaeck!

Drie heiligen begeleiden ons in deze melancholieke tijd. Zij komen vanuit de Middeleeuwen tot ons. En in de Middeleeuwen werden de mensen dagelijks begeleid door de heiligen. In de Middeleeuwen waren engelen en heiligen voor de mensen binnen handbereik. Deze drie heiligen hebben de beeldenstorm overleefd. Zij begeleiden heden ten dage nog steeds het belangrijke proces van de verinnerlijking.

.

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldJaarfeesten – alle beelden
.

657-603

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten in de herfst (1)

.

Hans ter Beek, Steinerschool – nadere gegevens ontbreken
.

Michaël – Sint-Maarten – Sinterklaas

In de herfst vieren wij op school 3 feesten, nl.

op 29 september     – Michaël
op 11 november      ~ Sint-Maarten
op  5 december      ~  Sint-Nicolaas.

We kunnen dit als een trits van drie herfstfeesten beschouwen, waarvan sinterklaas duidelijk is uitgegroeid tot een nationaal feest.
Twee vragen doemen dan op:
Hebben deze herfstfeesten iets met elkaar van doen?
Hoeveel feesten zijn er eigenlijk?

Eerst even ingaan op de 2e vraag

Voor het kleine kind, kleuter en onderbouwer lijkt het wel of we van feest naar feest gaan. Zo beleeft hij het. De feesten zijn inderdaad de hoogtepunten van het jaar, denk maar eens aan de verjaardag; hoe geweldig belangrijk is dat toch! De jaarfeesten zijn voor het kind, maar toch eigenlijk ook voor de volwassen mens, wat de maaltijden zijn in de dag. De maaltijden, of ze nu iets feestelijks hebben of niet, vormen toch de vaste punten van onze dagindeling, en hoe jonger het kind, hoe belangrijker dat is. En zoals de maaltijden er zijn om ons lichaam te voeden, zo zijn de jaarfeesten het voedsel voor onze ziel. Het zijn er 9 in totaal.

In de 1e klas kun je bij de kwaliteiten van de getallen, voor het getal 9 (nog geschreven als Vllll of lX zeggen: DE 9 FEESTEN VAN HET JAAR. Eigenlijk merkwaardig. Je zou er misschien minder verwachten, 4 of 5, of veel meer: eerder 12 dan 9. Hoe zit dat? En welke feesten zijn het? Eerst maar de 9 feesten:
1.Michaël
2.Sint-Maarten
3. Sinterklaas
4.Kerstmis
5.Driekoningen
6.Pasen
7.Hemelvaart
8.Pinksteren
9.Sint-Jan

Er ontbreken dus in deze rij bv. advent, nieuwjaarsdag, carnaval, Palmpasen. Daar wil ik nu niet op ingaan. Wel wil ik deze NEGEN FEESTEN VAN HET JAAR nog aanvullen tot twaalf, maar met dien verstande dat dat voor ieder kind individueel geldt:
10.IK ben jarig.
11.De meester/juf is jarig.
12.De koning(in) is jarig.

Het is duidelijk dat deze van een andere orde zijn dan de 9 feesten van het jaar.
Laten we nu nog even naar de eerste vraag kijken. Hebben de eerste 3 feesten iets met elkaar te maken?
Inderdaad, het zijn feesten van 3 heiligen: Sint-Michaël, Sint-Maarten en Sint-Nicolaas (Michaël is een aartsengel, maar wordt als een heilige beschouwd). De feesten vallen in de herfst en zijn feesten van het lichaam.

De 2e groep van 3 feesten : Kerstmis, Driekoningen en Pasen zijn de feesten van de ziel, dwz.: feesten van het heden, feesten van de gemeenschap.

De 3e groep van 3 feesten tenslotte: Hemelvaart, Pinksteren en Sint-Jan zijn de feesten van de geest, dus waarin nog veel meer het bovenzinnelijke beleefd wordt en waardoor ze ook des te moeilijker te vieren zijn; maar daarover een andere keer.

Wat de eerste 3 feesten betreft zien we ook iets merkwaardigs:

MICHAËL – Strijd met de Hemelse Draak die hij niet doodt maar uit de hemel werpt, niet op maar naar onder de aarde verbant. Het is het beeld van het DENKEN. Een heldere, zuivere gedachte is als een scherp zwaard en krachtiger dan het fysieke gebruik van het zwaard.

ST.-MAARTEN – In alle St.-Maartenslegenden valt op dat hij, die zoon was van een Romeinse legerofficier, het zwaard niét wilde gebruiken om mee te strijden; ook gebruikt hij dit niet om het als een ploegijzer te gebruiken, hij gebruikt het om zijn mantel ermee door te snijden. Het is het feest van het MEDEDOGEN, van het voelen. Deze kracht is zo sterk dat hij indertijd het Christendom over heel Europa heeft verspreid, getuige de tal van St.-Maarten – of St.-Martinuskerken, van Amiëns tot de Domkerk in Utrecht, de St.-Martinuskerk in Groningen, als ook die in Cuyck.

NICOLAASZijn naamdag is 6 december, zoals we vroeger tot onze verbazing ineens ontdekten, toen we voor het eerst een agenda inkeken. Maar slechts in Nederland en Vlaanderen wordt Sinterklaas hoofdzakelijk gevierd op de vooravond van de naamdag, evenals de avond van 24 december kerstavond heet.
St.-Nicolaas werkt op het WILLEN van de mens. Hij staat erom bekend dat hij vrijgevig was, maar niet willekeurig vrijgevig, geen kostbare zaken die een bevrediging geven van je verlangen. Een typerend sinterklaasgeschenk was (en is nog steeds) de ‘vrijer’ of ‘vrijster’, een grote speculaaspop. Maar die werd alleen gegeven aan jonge mannen en vrouwen die nog vrij waren en dus nodig een vrijer of vrijster moesten vinden.

In de overlevering hoort St.-Nicolaas geweeklaag uit een openstaand venster. Hij blijft stilstaan en luistert, en begrijpt dat de man zijn 3 dochters publiekelijk moet verkopen, als slavin of aan een bordeel, omdat hij te arm is voor hen een bruidsschat te geven, die nodig was voor een ordentelijk huwelijk. Drie maal achtereen vindt de vader nu een zakje met goud in de schoenen van zijn dochters, waardoor het lot van deze meisjes wel een totaal andere loop neemt.
Daarom is het ook onze opgave de kinderen niet zozeer te overladen met geschenken, maar ieder die geschenken geeft moet op zoek gaan naar datgene wat de ander nodig heeft om zijn weg goed te vervolgen. In de klas kan dit bijvoorbeeld zijn: een eigen puntenslijper, omdat hij of zij die altijd komt lenen. Daarom kennen we ook de surprises en de sinterklaasgedichten, waarmee de maker tracht ‘iets van dat moeilijke gebied van het lot te ontdekken. Tenslotte is interessant om op te merken dat bij St.-Nicolaas het zwaard ontbreekt, en de pen de plaats van het zwaard heeft ingenomen, zodat we een soort metamorfose hebben van: ~ Michaël ~ denken door te doen. – St.-Maarten – voelen door invoelen en te delen. ~ Sinterklaas – willen door zich in te denken in de ander.

Daarom is het goed deze 3 herfstfeesten, de 3 feesten van het LOT, intensief te vieren en het wezenlijke van het feest daarin tot zijn recht te laten komen.

.

Jaarfeestenalle artikelen 

Vrijeschool in beeldjaarfeesten   jaartafels

.

656-602

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – drie feesten van de herfst (2)

.

Hier wordt nog een vierde feest genoemd, dat van Lucia, op 13 december
.

P.la Rivière, vrijeschool Zutphen, nadere gegevens onbekend
.

De lichtfeesten van de herfst

Op zeer uiteenlopende wijze wordt een jaar ingedeeld. Tot in ons taalgebruik kennen we verschillen: cursusjaar, boekjaar, competitiejaar, kalenderjaar.
Het is in tal van samenhangen raadzaam, zeer duidelijk te zijn wat voor soort jaar je bedoelt en dan nog…….

Eigenlijk alleen het begin van het kalenderjaar is met zekerheid te noemen: 1 januari. Hoewel, zodra we ons in de Joodse traditie verplaat­sen, is dit alweer een andere dag.

Volop bekend zijn de zeer verschillende aanvangsdata van de verschillende cursussen; een onderscheid van weken is normaal.

Nog maar enkele jaren geleden waren er vrijescholen in Duitsland die met Pasen begonnen!
Wie herinnert zich niet zijn eigen schoolbegin in de eerste week van september; en wanneer de plannen doorgaan zullen de scholen in den lande, in drie regio’s verdeeld, drie verschillende aanvangsdata hebben, dit ter wille van de zoveelste vakantiespreiding.

Het is duidelijk dat vooral het economische leven hierbij regelend optreedt. Hoe praktisch in veel gevallen deze regelingen ook mogen zijn, een ander facet in het leven waar wij als mens deel aan hebben, komt hier vaak mee in botsing.

Bedoeld wordt het geestelijk leven.

Hier heersen andere wetten, hier leven andere ritmen dan het bij voorkeur continu-achtige verloop van het economische leven. Daar immers zou het liefst de scheiding dag en nacht worden opgeheven, terwijl de mens in geestelijk opzicht juist door deze afwisseling zijn krachten hervindt.
Aan grotere ritmen dan die van dag en nacht, waken en slapen, is de mens onderhevig. Slechts zeer ten dele zijn wij ons daarvan bewust, terwijl het meebeleven daarvan onze ogen kan openen voor een andere, geestelijke realiteit.

Voor onze tijd lijkt dit steeds meer noodzakelijk. Immers de uiterlijke werkelijkheid, de alledaagse, is in onze cultuur zo overheersend gewor­den,  dat deze realiteit de enige lijkt.
De mens als burger van twee werelden, van twee realiteiten, en die zelf de brug tussen beide vormt, raakt daardoor uit zijn evenwicht.
Het zal wel onnodig zijn, voorbeelden te noemen die aantonen dat onze cultuur, dus ook de afzonderlijke mens, uit het lood geslagen is.

Het meebeleven van de jaargetijden en de jaarfeesten in een vrijeschool heeft o.a. tot doel, een verbroken evenwicht of een nog niet bewust geworden evenwicht te herstellen of op den duur te bewerkstelligen.

De zomer heeft inmiddels met hevig onweer afscheid genomen en plaats gemaakt voor de hevige najaarsstormen. Straks keert voor het laatst dit jaar de felle zomerse gloed terug in de laaiende herfstkleuren. Dan begint het afstervingsproces dat aan het eind de naakte skeletten van bomen, de kale landerijen, achterlaat.
De natuur lijkt dood, al weten wij dat de zaden in de aarde het leven bewaren en behoeden voor een nieuwe lente, een nieuwe zomer. De duisternis krijgt steeds meer de overhand op het licht. Zo ziet het er in de uiterlijke realiteit uit! De andere, geestelijke realiteit toont het tegendeel in de feesten van herfst en winter. Het laaiend herfstvuur wordt in het Michaelsfeest het gloeiende zwaard dat uiteindelijk de draak (en wat is duisterder dan een draak) doodt.

In vooral de Russische sprookjes wordt deze draak vaak voorgesteld als rover van de zon! Na diens dood kan de ‘zon’ innerlijk bij de mens gaan schijnen.

De plaats van het licht in het Sint-Maartensfeest (11 november) maakt het innerlijke aspect van het licht nog duidelijker. Als een kaars vindt het licht zijn plaats binnen een omhulling. Het liefst een koolraap of een suikerbiet,  die in de donkere aarde is gegroeid.
Als een vreugdevonk in het hart van het kind (en de van voorpret fonkelen­de ogen van de ouderen) verschijnt het licht bij het Sint-Nicolaasfeest. Opmerkelijk is, dat zowel Michaël en Nicola bij de Slavische volken ware volkshelden zijn.

Als een zevenvoudig planetenlicht draagt halverwege de adventtijd (13 december) de Zweedse heilige Lucia het licht als een krans op haar hoofd.
Even lijkt het erop alsof het licht uiterlijk en daardoor duidelijker wordt. Overigens is dit geheel in overeenstemming met een astronomisch feit: het zonlicht dringt op deze dag, en deze dag alleen, de duisternis iets terug om daarna steeds verder terug te trekken.
We zijn dan in de donkerste tijd van het jaar, uiterlijk gesproken, aangekomen.

Wat dan gebeurt is in de christelijke tijd, en zelfs ook daarvoor, regel­recht de geboorte van het licht genoemd.
Mocht het bij andere feesten nog wat verhuld, verborgen zijn geweest, nu wordt het volop duidelijk dat met dit licht een innerlijk licht wordt bedoeld, waarmee de mens zich tegen zowel innerlijke als uiterlijke duisternis te weer kan stellen. De geboorte van het licht.

Zoals de geboorte van een kind in een 9 maanden durende zwangerschap wordt voorbereid, zo wordt de geboorte van het licht in de feesten van Michaël,  St.-Maarten, St.-Nicolaas en Lucia voorbereid.

 

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten   jaartafels

.

654-600

 

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (42)

.

Els Boekelaar, Jonas 6, 17-11-1978
.

HERFST
.

Dit jaar heb ik een poging gedaan op de herfst te letten. Soms is dat gelukt. Tot nu toe heb ik van alles gezien: stormen, onweer, bliksem, snel voortzeilende wolken, dichte mist, plotse­ling warme dagen met goudachtig licht, fel kleurende bladeren aan de bomen en op de aarde, stervende planten, veel zaden en vruchten.
Net als in de andere jaargetijden heb je innerlijk de vrijheid om te kiezen:
meegaan in het natuurgebeuren, of er ook iets tegenover te stellen vanuit je­zelf.

In de herfst betekent dit meegaan on­der andere, dat je heftig heen en weer geslingerd kan worden als in een storm. En ook: dat je ‘meesterft’ met de natuur: moedeloos wordt, het niet meer ziet zitten, diepe depressies. Dat kan elk jaar weer raak zijn: je let misschien een tijdlang niet op, bent niet wakker voor wat er na de zomer om je heen en met jezelf gebeurt, je zou zo graag die zomerdroom vast blijven houden. Dan komt de confrontatie met de werkelijkheid van jezelf en je omgeving. Als je dan nog niet wilt, heb je grote kans dat de draak met een grijns zijn koppen opsteekt, belust op een prooi.

Uit een gesprek:
Een paar eigenschappen van de draak: ‘Hebzuchtig, vult leemtes op, begerig, wil jonkvrouwen verslinden, verstard, afgunstig, onbetrouwbaar, sluw, laks, verterend, vuurspuwend, verschroei­end’.

Natuurlijk doet hij regelmatig een spectaculaire aanval. Maar ook in klei­nere dingen is hij sluw: hij fluistert bijvoorbeeld in je ene oor met zoete stem dat je maar mooi moet blijven dromen. En je breekt enkele servies­stukken, bent ontevreden met bijna al­les, de rommel in huis stapelt zich op, je stoot regelmatig flink je hoofd, je ledematen worden traag, je wordt doodmoe. Volwassenen en kinderen vragen je aandacht, maar je wilt het al­leen prettig hebben, weert ze geïrri­teerd af, nu kun je geen antwoord ge­ven.

Ook in je andere oor sist het ondier zo het een en ander. Je sluit je af, wordt ‘hard’, dreigt ruzie te maken of je doet het meteen, je kijkt scherp tegen de harde, materiële kant van de wereld aan, ziet graag de slechtste kanten van anderen en van jezelf en je bent daardoor hoofdzakelijk met je­zelf bezig.

Als je het positief kunt zien, dan weet je na die confrontaties met de ‘draak’ precies wat je nog niet in de hand hebt wat je nog niet kunt hanteren, en dan kun je dus aan het werk. Dat betekent strijd.

Hoe ga je daarmee om, hoe vind je een wapen in de strijd? Zijn er af en toe medestrijders?

Een eerste wapen: momenten ‘maken’ waarin je de moed hebt de draak recht aan te kijken en te accepteren. Dan misschien: erin te kruipen, je ermee te verbinden.

Luisteren naar het monster vergt ener­gie. Als je die energie kunt afwenden van het luisteren en richten op je ‘strijd’; bijvoorbeeld regelmatig tussen de drukte en het gewoel van je leven wél op anderen letten, wakker en open te zijn, alleen met datgene bezig te zijn wat je op dat moment doet. Dan heb je soms van die momenten dat er ‘invallen’ komen als iemand iets aan je vraagt, dan sneuvelen er minder kopjes, blijft de orde in huis binnen je maat, ben je niet zo gauw moe, krijg je zin om nieuwe dingen te doen, en heb je zekerheid in je gevoel over het be­staan van een niet-materiële wereld.

Er is een houvast: buiten ontstonden er in zomerwarmte en licht vruchten en zaden. Veel zaden worden door de aarde opgenomen, blijven rusten gedurende de winter, ontkiemen daar vol­gend jaar, als alles goed gaat. Als je in de zomer goed hebt opgelet, niet alleen maar gedroomd, weet je van de ‘vruchten en zaden’. Als je ‘harte-lijk’ kijkt, vermoed je soms bij anderen een dergelijk proces. De win­ter blijkt dus niet zó koud en ‘dood’ te zijn. In de aarde en in jezelf zijn warmteplaatsen die je niet vermoedde Dit jaar ga ik met verwachting de kersttijd tegemoet.

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichael    jaartafel

.

652-598

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – seizoenen – herfst (2-1)

.
Godelieve van Gemen, Jonas 4, 20-10-1978
.

DE ZOMER TREKT ZICH TERUG
.

Met het feest van Michaël, als de dag even lang is als de nacht, begint de herfst. De hele zomer zijn we naar bui­ten gericht geweest en zijn we veel naar buiten gegaan. Zelfs als het weer niet zo zonnig zomers was als we zou­den wensen, dan toch waren we bij ‘buiten’ betrokken. Nu gaan we weer binnenshuis leven. Buiten zien we de kleuren van herfst­bloemen- en bladeren feller opbloeien dan ooit, om hen dan te zien afsterven. Voor veel mensen is dit een weemoedige tijd, die herinnert aan de dood. Niet iedereen kan de troost voelen dat het licht van Michaël biedt aan het be­gin van een donkere tijd, en niet ieder­een voelt het weer licht worden in de kersttijd.

Herfst is niet alleen sterven. De zomer trekt zich terug, de winter groeit; maar de kiem voor de volgende lente en zomer is er. De afvallende bladeren hebben ruimte gemaakt voor de knop­pen. Wie nu naar bomen en struiken gaat kijken, zal de ronde bloemknop­pen en de spitse bladknoppen voor het volgende jaar ontdekken. Daar komt niets bij, daar gaat niets af. De hele winter zijn ze veilig, pas als ze zich openen in de lente lopen ze gevaar. Steeds weer gaan de seizoenen in el­kaar over. De winter met de kiem van zomer in zich, en de zomer met de kiem voor de winter in zich: in de vorm van voorbeschikt zijn om weer af te sterven.

Voor mij is de herfst een seizoen waar­in ik me oprecht dankbaar voel voor de oogst. Alweer is het hier gelukt! Tegelijkertijd komt er altijd een gevoel over me van een schuld die elk jaar groter wordt, naarmate het hier steeds weer lukt, en de oogsten op andere de­len van de wereld steeds maar weer ge­heel of gedeeltelijk mislukken. In deze tijd maak ik de meeste goede voorne­mens van het hele jaar. Ik krijg een enorme drang om van mijn ‘oogst’ te gaan delen; maar moet helaas vaak constateren dat mijn oogst te lijden heeft gehad van vorst en droogte en niet zo uitbundig is als ik zou wensen. Misschien is dat wel een aspect dat ons droevig kan stemmen: te voelen dat we te weinig oogst te bieden heb­ben.
Er is dan altijd nog een troost uit het plantenrijk: een boom kan niet elk jaar, ook als de uiterlijke omstandighe­den volmaakt zijn, even veel vruchten dragen. Soms heeft hij zoveel gedragen dat hij geen kracht heeft om bloem­knoppen te vormen en het volgend jaar ‘slechts’ blad geeft.

Een beetje herfst met de kinderen… Door de storm lopen, bedolven raken onder de dikke ritselende laag blade­ren, erdoorheen waden, nootjes zoe­ken. Het lijkt alsof het kind dat af­sterven overslaat en veel uitbundiger, stormender de winter in gaat. Het is nu nog niet de tijd om met hen in het winterse knutselen weg te duiken. De zomer en de herinnering aan de zomer zijn nog zo dichtbij. Om daar bij stil te blijven staan, geeft veel rust en warm­te aan de kinderen. Daarom laten we bladeren en vruchten door onze han­den gaan. Behalve het maken van jams en sappen heb ik het gevoel dat het in stukjes snijden, rijgen en ophangen (om te drogen) van vruchten heel zui­ver is en dat kinderen de oogst en de bewaarkracht ervan voor de winter, op die manier diep ervaren. Kleine kinde­ren, die anders nooit een mes krijgen, zullen verrukt zijn, als ze nu bananen in plakjes mogen snijden, en met een kinderschaartje appels en cham­pignons mogen knippen. De grotere kinderen kunnen ook goed prei en selderij snijden. Van elk soort wordt met katoenen garen een snoer geregen. Die kunnen vrij van de muur op droge warme plaatsen in huis op­gehangen worden. Bij verwarmings­buizen gaat het heel goed.
Ook bladeren drogen en rijgen, schil­derijtjes maken van nootjes, korrels en zaden, dat is namijmeren over de zo­mer die voorbij is en voorbereiden op de winter die komt.
En wie kleuters heeft en het geld er­voor kan missen zou (voor ongeveer zestien gulden) Tomtebobarnen‘ van Elsa Beskow* (uitg. Bonniers Stock­holm) moeten kopen. Daarin worden met ijver bessen en paddestoelen ge­wreven en geregen; graswol wordt ge­kaard en gesponnen. Daar kunnen deze ‘kabouterkindertjes’ zich de hele winter van voeden en kleden.

Het boek ‘Frederick’ van Leo Lionni is een hartverwarmend verhaal, dat ie­der op zijn eigen manier als eenvoudig vingerspel kan spelen.

Vier muisjes sjouwen af en aan. Ze verzamelen graankorrels, strootjes en nootjes voor de winter. Frederick, de vijfde muis, zit daar maar. Wat hij doet, vragen de vier muisjes. Wel, hij verzamelt zonnestralen voor de koude winter, kleuren voor de grijze winter en woorden voor de lange winter. De muisjes zijn tevreden met Fredericks antwoord, ook al snappen ze hem niet. Als dan de tijd gekomen is, dat de voorraad opgeknabbeld is, de muisjes uitgebabbeld zijn, dan is het koud en kil.
‘Waar is jouw voorraad, Frederick?’ En Frederick geeft hun zijn oogst en vertelt over de zonnewarmte, de kleu­ren van de bloemen en hij draagt een gedicht voor over de seizoenen. Alles is nu warm, kleurig en blij in hun hol. ‘Frederick, jij bent een dichter!’

herfst

*vertaald: ‘De kabouterkinderen’
.

Peuters en kleutersalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen
.
Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldpeuters en kleuters

.

651-597

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Peuters/kleuters – jaarfeesten door het jaar (1-1)

.
G.J. Rienks, kleuterjuf vrijeschool Rotterdam, nadere gegevens onbekend
.

Jaarfeesten in de vrijeschoolkleuterklassen

Kleuterleidsters vinden het van groot belang om de jaarfeesten in een kleu­terklas te vieren. Ieder jaarfeest heeft zijn eigen plaats in een van de 4 JAARGETIJDEN.

Door middel van deze feesten kan een kleuter met de 4 jaargetijden meeleven, Kinderen zijn sterk met de natuur verbonden. Ze staan a.h.w. zelf in de lente van het leven. In de toekomst moeten zij door de zomerkrachten volwas­sen en rijp worden. In hun herfsttijd kunnen ze dan de vruchten plukken, om in de wintertijd van hun leven de vergaarde wijsheid door te geven.

Het hele jaar rond kunnen wij met feesten bezig zijn. Feesten moeten immers voorbereid worden, en het kan gebeuren dat als het ene feest gevierd is, al weer met de voorbereiding van het volgende feest begonnen wordt.
Dit is bijv. het geval in de herfsttijd. Nadat wij in augustus op school zijn gekomen, leven wij naar het Michaëlsfeest in september toe. Daarna komt de voorberei­ding voor het St.-Maartensfeest in november, waarna achter elkaar de feesten AdventSt.-Nicolaas en Kerstmis volgen.

Het dichtst bij het kind liggen de feesten van St-Nicolaas en Kerstmis. Andere feesten, zoals dat van Michael,  het Paas- en Pinksterfeest, zijn moeilijker om met een kleuter te vieren. Toch is het belangrijk de kleuter ook iets van deze feesten te laten beleven.

Ieder jaargetijde heeft zijn eigen karakter, z’n eigen sfeer en stemming, waarin een bepaald feest een hoofdrol speelt. Spelletjes, liedjes, verhalen of versieringen, die naar een feest toeleiden, worden door de kleuterleidster zelf gemaakt of opgezocht.

Zo kan het gebeuren dat in vele vrijescholen kleuterklassen op verschillende manieren aan de voorbereiding gewerkt wordt en de feestdag overal een andere gestalte krijgt. Toch zal iedere kleuterleidster zich verdiepen in dezelfde motieven, die aan ieder jaarfeest ten grondslag liggen. Iedere leeftijd vraagt een bepaalde aanpak van een feest. Bij kleuters speelt de voorberei­ding een grote rol.
Net zoals in de natuur een vrucht niet ineens rijp is, zo is ook een feest er niet ineens. Daar groei je naar toe. De voorberei­ding kan bijv. bestaan uit het spelen van spelletjes, het zingen van liedjes, of het luisteren naar sprookjes. Het kan ook zijn dat gemeenschappelijk lange tijd aan de versieringen voor de komende feestdag gewerkt wordt.  Zo kunnen we in de herfst al weken van tevoren bezig zijn met het rijgen van blaadjes, eikels of kastanjes, en in de lente met het versieren van onze palmpaasstok­ken. Bij ieder feest zijn we weer anders bezig met onze voorbereiding, evenals ieder feest en jaargetijde ons wat anders wil laten belevenPlaatsen we twee jaargetijden tegenover elkaar, dan wordt ons dat duidelijk.

In de lente ontkiemen de planten en groeien hemelwaarts .
In de herfst vallen de vruchten en blad op aarde.

In de lente neemt het licht toe.
In de herfst neemt het weer af.

In de lente zien we de vogels terugkeren.
In de herfst het wegtrekken.

In de lente het toenemende gezang van de vogels.
In de herfst het steeds stiller worden in de natuur.

In de lente opent de aarde zich.
In de herfst wordt zij toegedekt,  sluit zich af.

Zo kunnen we in de zomer genieten van een uitbundigheid in groen, kleur, licht en warmte en in de winter beleven we het kale, grauwe, donkere en koude van de  natuur.
Hoe kunnen we nu van dit alles iets aan onze kleuters meegeven? Dit kan vooral door er met hen van te spelen en in beelden over te vertellen.
Kleuters leven in een grote fantasiewereld. Zij hebben het vermogen, een plantje te kunnen zijn dat groeit, maar ook de wind die de appels van de bomen waait. Zij kunnen in een spel vogels zijn die een nestje maken of beren die zich in hun holen terugtrekken.
Dit fantasie-element van de kleu­ters gebruik je om ze iets van de jaargetijden te laten beleven. En ieder jaargetijde heeft daarbij zijn eigen spelmotief.

In ’t begin van de herfst met het Michaelsfeest daarin, kan dit bijv. zijn: Wapen je met alles wat gegroeid en gerijpt is door de warme zomerzon. Verzamel en voed je ermee. Sterk zal je daarvan worden. Sterk en moedig, zodat je niet bang bent voor de komende wilde herfstwinden. Sterk en moedig zoals de engel Michael en St.-Joris die de draak kon weerstaan.
Wie veel geplukt, geraapt en ingemaakt heeft, behoeft geen angst voor honger te hebbenVan de voorraad kan je anderen wat geven, zoals St. -Maarten deed en het meisje in het sprookje van de Sterrendaalders.
Vreugde ontstaat er over deze daad. Blijdschap, die als een licht in je lampje kan branden en waarmee je in de komende donkere winter niet behoeft te verdwalen.
Waar eerst het motief ‘wapenen’ en ‘sterk worden’ was, wordt het nu ‘weggeven’ en ‘wegcijferen’. Geholpen door de Engel Michael en door St.-Maarten gaan we op weg met ons lichtje in de hand om het kerstkind te zoeken. Maar de weg is lang en moeilijk. Het wordt steeds donkerder en kouder. Ons doel zouden we bijna vergeten door alle narigheid. Wilde winden plagen ons en dreigen onze lichtjes uit te blazen. Verheugend is het daarom dat we met ons adventsfeest in de hemel mogen kijken. We zien daar Maria aankomen, het Kerstkind verbergend in haar blauwe hemelmantel. In de hemel is het heel licht. Daar lijkt het wel zomer. Op aarde wordt het steeds donkerder. Wij ontsteken nu voortaan steeds meer lichten om Maria met het Christuskind de weg naar de aarde te wijzen.

In deze adventstijd komt de heilige Nicolaas ons ook nog helpen. Komende uit de hemel op zijn witte wolkenschimmel, begeleid op aarde door zijn zwarte knecht, wijst hij ons op goed en kwaad.
Een kind willen we worden, zoals ‘Goudmarie’ in het sprookje van Grimm om net als zij lichtend als de zon door het leven te gaan en niet zoals haar zuster, zwart als pek. Soms gooit de heilige van boven door onze schoorsteen iets in onze (aarde)schoen. Meestal is dat iets zoets,  een suikerhart bijv. Wie zoet is, verstoort de gemeenschap niet. Wie stout is, plaatst zich ergens buiten. Wie zoet is, opent zich voor een ander, wie stout is, sluit zich af.
Open staan betekent dat je het Kerstkind wil en kan ontmoeten. En in die donkere, koude winter wil ieder graag licht en warmte van het kind ontvangen. Zo helpt St.-Nicolaas ons naar het kerstfeest toe.
Kinderen zijn zeer gelovig,  diep religieus. Het heilige kerstfeest is voor alle kleuters het hoogtepunt in de feestenreeks. Het kind zelf, nog maar zo kort geleden uit de lichtende, warme hemelsfeer op aarde gekomen, voelt zich a.h.w. één met het Kerstkind. Het is zelf meer ‘hemelkind’ dan ‘aardeburger’. Lang van tevoren,  soms al in oktober, wordt er door de kleuters van engelen, Josef, Maria, de os en de ezel gespeeld. Ook lang na Kerstmis wordt er door hen in hun spel terugge­grepen naar dit feest. Daarom is het voor de kinderen zo fijn, dat na de kerstvakantie de juf verder gaat in haar spelletjes, liedjes en verhalen met het kindeke Jezus, Josef en Maria. Immers de drie koningen moeten nog op bezoek komen. Heerlijk is het om nog lang van de Drie Koningen te spelen in de 3-Koningentijd. De kleuters krijgen dan de gelegenheid om alles te verwer­ken, na te laten klinken na die lange voorbereidingstijd van feesten, die tot het kerstgebeuren voerde.
Begin februari worden alle kaarsjes in een eindfeest opgebrand.

Nu komt de tijd van de ‘hoop’en het ‘zoeken’. De hoop dat er weer iets zal gaan groeien, dat het licht en de warmte steeds zullen toenemen. We horen buiten al hier en daar de sneeuwklokjes klingelen en weten daardoor dat alles zich in de aarde aan het voorbereiden is om weer
tevoorschijn te komen.

Zoeken gaan we nu. Eerst naar stokken, die in de winter van de bomen gewaaid zijn. Wanneer deze op zijn mooist versierd zijn, dan gaan we daarmee zoeken naar het nieuwe leven. Dit vinden we in de planten die uitkomen, in de eieren, die verstopt zijn en in de pasgeboren dieren.

De paastijd is gekomen.
En te midden van dit nieuwe groeiende leven waar we allen tezamen zo van ge­nieten, tooien we de Pinksterbruid en -bruidegom. Steeds meer vogels zijn uit de warme landen teruggekomen, alle dieren uit de winterslaap ontwaakt en tezamen roepen en lokken zij ons nu naar buiten te komen. De wereld is vol kleur en klank en we trekken erop uit om ons zomerfeest te vieren, het feest van de heilige Johannes, En op dit feest dansen en zingen, huppelen en sprin­gen we en zijn uitgelaten, vrolijk en blij. Een heel andere stemming hangt er nu in het bos waar we ons St.-Jansfeest vieren, dan in de tijd toen we naar noten, bessen en blaadjes zochten; of toen we met jas en das gewapend met onze St.-Maartenlichtjes in het donker liepen. De groene dennenboom,  te midden van alle andere bomen, ziet er ook heel anders uit, dan toen hij met al zijn lichtjes bij ons binnen stond te stralen.

Zo zijn we dan het jaar rond met onze feesten, want na het zomerfeest begint de grote vakantie.
Komen we terug op school dan gaan we weer de spelletjes spelen die naar het Michaelsfeest toe leiden.

Een heel jaar rondfeesten     

Kinderen vieren graag feest. Bij het woord ‘feest’ beginnen de ogen te stra­len en de stem vraagt: ‘Hoe lang nog?’ Iedereen weet dat kleintjes naar hun eigen verjaardagsfeest dagen, soms weken lang van tevoren uitzien. Zo’n dag doet iets aan een kind. Het wordt die dag niet alleen een dagje ‘ouder’, maar je zou kunnen zeggen dat het zich die dag wat bewuster gaat voelen. Het centraal in de belangstelling staan op die dag door bezoek, cadeautjes en het eten en uitdelen van taart en koek, draagt daartoe bij. Bij jaargetijdenfeesten staan de jaargetijden in de belangstelling en het feest daarin, is het middelpunt. Waar het bij huwelijks-, ‘geboorte- en ver­jaarsfeesten meer om het persoonlijke, om enkele personen gaat, zo gaat het bij het vieren van jaarfeesten om het gemeenschappelijke element, het samen beleven van een feest. Bij een feest hoort vreugde. Bij een feest hoort licht, versiering, eten en drinken. Wanneer een feest goed gevierd wordt, kan het voedsel,  schoonheid en vreugde geven aan lichaam, ziel en geest.
Feesten voeren boven het alledaagse uit. Door de vele feesten, die zinvol in een vrijeschoolkleuterklas gevierd kunnen worden, krijgt iedere kleuter volop gelegenheid zich boven het alledaagse te verheffen.

Iedere kleuterleidster hoopt,  dat haar kleuters iets van ieder feest zullen meenemen voor hun latere leven, als een vreugdevolle herinnering. In moeilijke tijden zal het hen kracht kunnen geven en een richtsnoer zijn in hun verdere leven.
.

Peuters en kleuters: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen
.
Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuters en kleuters

.

650-596

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – seizoenen

.

‘Kind op weg”, Jonas 11-01-1974
.

het hele jaar door…..
.

Op een lage tafel stalden de kinderen in de herfst alles uit wat ze op een wandeling gevonden hadden: mand­jes en schaaltjes met eikels, kastanjes en beukennoten, een tak met felrode rozenbottels, daarboven een mobile van herfstbladeren. Daarbij kwamen nog glanzend opgepoetste appels, no­ten, een tros druiven, wat korenaren en een paar stralend gele zonnebloe­men. Omdat paddenstoelen zeldzaam worden en beter in het bos kunnen blijven, zochten we een plaat met paddenstoelen op en hingen die bij on­ze oogsttafel. Het was een feestelijk gezicht en de kinderen brachten in de weken die volgden nog telkens nieu­we dingen aan.

Later stonden op dezelfde plaats de uitgeholde knollen van het Sint-Maar­tenfeest en ik vond net op tijd een prentbriefkaart met een afbeelding van Sint-Maarten op zijn witte paard, die zijn mantel deelt met de bedelaar. Daarna kwamen de dingen die de kin­deren voor het sinterklaasfeest maak­ten: een Sinterklaasje van crêpepapier, een stoomboot met Sint en Piet beide erop, prachtige tekeningen en aan de wand een plaat van de Sint-Nicolaasavond van Jan Steen. Zo ging het verder. In de kersttijd een mobile van strosterren, zelfgemaakte engeltjes, de adventskalender en aller­lei platen en kaarten waar het kerst­gebeuren zich op afspeelt. Tegen eind december zetten we het stalletje neer met Jozef en Maria en het Kind in het kribbetje. De kinderen maken een bos van houten bo­men uit de blokkenkist en leggen ste­nen neer, waartussen de herders met hun schapen de weg naar de stal zoeken.
Nadat ook de koningen en de laatste groene sparrentakjes verdwenen zijn, is het kaal geworden op de tafel. Nu staat er een grote stronk en de kinde­ren maken kabouters en dwergen die in de holletjes en gaten van de stronk worden gezet. De dwergen werken immers de hele winter diep in de aar­de, waar zij naar goud en edelstenen zoeken. Ook verzorgen ze de dieren en planten, die wachten tot het weer lente wordt. Voor aan de wand zoe­ken we een plaat uit met kinderen die in de sneeuw spelen, maar een schaal met krokussen, waarvan er al ééntje bloeit, kondigt aan dat de len­te, al duurt het nog wel even, heus in aantocht is.

Misschien komt er als het nog gaat sneeuwen een mobile van
sneeuw­mannetjes (van wattenbolletjes ge­maakt); maar als de lente vroeg is, maken we lentefeetjes van vloeipa­pier en hangen die boven de eerste sneeuwklokjes.

Daarna komt Pasen, maar voordat het zo ver is, zullen de kinderen allerlei dingen die ze buiten vinden of zelf maken op tafel zetten. Zo’n tafel — ’t kan ook een kistje of laag kastje zijn, geeft aan de kinderen en aan ons zelf een mogelijkheid, het hele jaar rond mee te leven met de jaarfeesten en met alles wat zich in de natuur afspeelt.
.

nog meer ideeën: Tineke’s doehoek

Jaarfeesten: alle artikelen

.

Vrijeschool in beeld: jaartafels

.

644-592

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (41)

.
J.F.Zeylmans van Emmichoven, Jonas *18-10-1974
.

strijd tussen moed en depressie in de herfsT

over de embryonale ontwikkeling van nieuwe kiemen

Tot groot verdriet van veel mensen is een paar weken geleden* de herfst weer begonnen. Om precies te zijn: op maandag 23 september jongstleden. De zon ging die dag (volgens de astronomen), in tegenstelling tot andere dagen precies in het oosten op en precies in het westen onder. Drie dagen later was de dag even lang als de nacht, elk duurde dus exact 12 uur. Met grote spoed blijven de dagen in deze tijd van het jaar korter worden — als dit nummer verschijnt duurt een dag al vijf kwartier minder dan drie-en-een-halve week geleden. Over ruim een maand is een dag nog maar 9 uur, kort voor Kerstmis nog maar 8½ uur, dat wil zeggen dat de nachten dan ruim 15 1/2 uur lang zijn. Toch is dat niet de enige reden dat de herfst elk jaar opnieuw voor veel mensen een deprimerend jaargetijde is — de moeilijkste periode om doorheen te komen.

Wie nog even volhoudt zal kort voor Sinterklaas, dus over ’n week of zes, zeven, een onschijnbare maar beslis­sende verandering kunnen zien: dan gaat de zon gedurende enkele dagen steeds op hetzelfde tijdstip onder (ca. tien over half vijf) en daarna begint het ogenblik van ondergang weer dage­lijks later te worden. Dat zet al op 14 december in. Toch blijft de duur van de dag in z’n geheel nog verder inkrimpen, tot 17 december, omdat de zon nog later opkomt. Dan blijft het gedurende negen etmalen onge­veer 8½ uur dag en ca. 15½ uur nacht. Op tweede kerstdag begint de lengte van de dag weer toe te nemen en de nachten worden korter. De meeste mensen interesseren zich niet voor dit soort verschijnselen, en dat zou weleens mede tot de oorzaken kunnen horen dat velen het zo moeilijk hebben in de herfst. Het jaarverloop zit vol met typische fenomenen waar we nooit bij stilstaan. Dat de dagen korter worden is bijvoorbeeld helemaal niet typisch voor de herfst – dat begint al op 24 juni! Goed, de dagen duren dan 16 uur en de nachten maar acht (ze zijn bovendien niet zo pikdonker als ’s winters) en daarom letten we er niet zo op. Typisch voor de herfst is veelmeer dat hij inzet met een eerlijke verdeling tussen licht en duisternis: dag en nacht zijn even lang (dag en nacht-evening’), een soort weegschaalsituatie.
De dag-en nacht-evening in de herfst heeft natuurlijk een parallel in het voorjaar, dan komt op 21 maart het ogenblik dat de dagen weer even lang zijn als de nachten (astronomisch ligt dat ogenblik iets vroeger). Winter en voorjaar is dus de tijd waarin de dagen langer worden, zomer en herfst die waarin de nachten langer worden. Globaal gezegd is de langste nacht (en tevens het keerpunt, waarop het licht weer toeneemt) met kerstmis; en de langste dag is op 24 juni, dat is de feesttijd van Sint-Jan (Johannes de doper).
Herfstpunt en lentepunt staan daar precies tussen: begin van het voorjaar tussen kerstmis en Sint-Jan, begin van het najaar tussen Sint-Jan en kerstmis.
Als je het jaar als een cirkel voorstelt, ontstaat er een kruisvorm binnen de jaarkring, waarbij tegenover Kerstmis de midzomer staat, en tegenover het lentepunt het herfstpunt. Er is al vaak op gewezen dat er nog andere  samenhangen in de perioden van de jaarkring verborgen zijn  – tegenover de langste nacht, met Kerstmis, staat de langste dag, met Sint-Jan; maar wat zijn dat voor feesten?

Er staan twee grote figuren tegenover elkaar:  Jezus en Johannes de doper. De geboortedag van de een valt op het ogenblik dat het licht be­gint toe te nemen, de feestdag van de ander als het licht gaat afnemen.

De verwekking van beiden staan ook in verband met elkaar: de ‘aankondi­ging’ van Johannes in de herfst —dat verhaal vormt zoals bekend het begin van het Lucasevangelie. En ‘zes maan­den daarna’ (dus in de lente) de ‘aan­kondiging’ van de geboorte van Jezus; die wordt direct aansluitend eveneens in het Lucasevangelie beschreven. De beide moeders kenden elkaar ook, Maria gaat bij haar nicht Elisabeth (Johannes’ moeder) op bezoek. In overeenstemming met de duur van een zwangerschap wordt het kind dat in het voorjaar is aangekondigd (als de natuur begint uit te lopen, en alles jong en nieuw is) in de midwinter ge­boren: in de langste nacht, maar ook op het keerpunt, als het licht weer gaat toenemen. De figuur van Johan­nes de doper heeft meer het karakter van het ‘oude’, afnemende, gerijpte: in de herfst wordt zijn geboorte aan­gekondigd (bij hoogbedaagde ouders), negen maanden later, op 24 juni, wordt hij geboren — de langste dag van het jaar, als het licht ‘oud’ begint te worden en gaat afnemen. Zo staan vier ogenblikken in het jaar twee-aan-twee diametraal tegenover elkaar; maar door het bovenstaande is in het zogenaamde jaarkruis nog een ander verband ontstaan: het len­tepunt blijkt met kerstmis, het herfst­punt met de midzomer (Sint-Jan) sa­men te hangen, doordat je de verwach­tingstijd van 9 maanden erbij betrekt.

Die ‘verwachtingstijd’ is niet alleen maar een biologisch feit — al zou de Stimezo het reuze fijn vinden wanneer iedereen dat voortaan zou denken. Het gaat om een tijdspanne van 280 dagen of 10 (maan-)maanden van 28 dagen (ofwel 7 periodes van 40 dagen).
Dat dat de ontwikkelingstermijn voor een menselijk embryo is wil niet zeg­gen dat het alleen maar daarvan de tijdmaat is. In oude geschriften en occulte literatuur staat de periode van ’40 dagen’ reeds als een heilige maat, die vanaf oertijden bekend is. De mens maakt die in Zevenvoud door om zijn aards lichaam krijgen. De geest, dus de individualiteit van een mens, gebruikt die periode om uit het voorgeboortelijke bestaan naar een aards bestaan toe te komen en bij de geboorte in ruimte en tijd te gaan leven. Zou het kunnen zijn dat de periode van 280 dagen nog op een andere manier in de jaarcyclus voorkomt? Als een tijdspanne waarin je ‘mens kunt worden’? Dat zou weleens zo kunnen zijn, maar op een subtiele wijze in het jaar verborgen, dat je er zonder meer overheen kijkt.

Als je namelijk van 29 september het bedoelde getal van 280 dagen terugtelt, kom je op 24 december. Die dag heet, naar een oeroude traditie, de dag van Adam en Eva. Zo­als bekend is dat het eerste oudste mensenpaar. Onmiddellijk op die dag volgt de kerstnacht: de geboortenacht van Jezus-Christus. Dat feest wordt elk jaar gevierd, niet alleen als herinnering aan de geboorte van Je­zus van Nazareth, maar omdat veel mensen aanvoelen dat er elk jaar in de kerstnacht een kiem gelegd wordt — of om het met de woorden van de mysticus Angelus Silezius te zeggen: ‘wordt Christus duizendmaal in
Betlehem geboren en niet in jou: dan ben je eeuwiglijk verloren.’
Vat je de impuls van Kerstmis zo op, dat er een kiem wordt gelegd voor een nieuwe mens in je oude mens dan is 29 september (veertig weken later) het geboorte-ogenblik (in mystieke, religieuze zin bedoeld) van die kiem. Dat is de naamdag van Michaël, de strijdende aartsengel uit het 12e hoofdstuk van de Apokalypse, aanvoerder van de hemelse hiërarchieën, de engel die als ‘gods aangezicht’ in het bijzonder met het mensengeslacht in verband wordt gebracht.
De oude christelijke jaarkalender kent na Sint-Jan geen grote feesten meer tot aan advent — zomer en herfst zijn daar een ‘feestloos’ halfjaar. Door het werk van Rudolf Steiner is de naamdag van Michaël echter voor veel mensen in de aandacht gekomen; Steiner heeft in de laatste jaren van zijn leven alles gedaan om een nieuw begrip te wekken voor Michaël, en er ook op opmerkzaam gemaakt dat deze hiërarchische macht op het ogenblik als ‘tijdgeest’ heerst (wat in de oude joodse mystiek en blijkens Agrippa von Nettesheim al in het vroegere occultisme bekend was).

Door Steiner en de antroposofie is op de vrijescholen, die volgens zijn leerplan trachten te werken, het feest van Michaël geïntroduceerd. In de beweging voor religieuze vernieuwing, de Christengemeenschap, wordt de feesttijd van Michaël — dit jaar vanaf zondag 29 september — met bijzondere hymnen ingeluid. Ook elders is in antroposofische werkgebieden de herfst de feesttijd van deze aartsengeltijdgeest. Op zijn naamdag kun je je erop bezinnen, met welke vernieuwingskiemen je sinds kerstmis ‘zwanger
bent’, in de zin van een strijd tussen licht en duister — niet zozeer in verband met het uiterlijke zonlicht, maar meer ten aanzien van het evenwicht tussen moed en vertwijfeling. Redenen om in deze periode van het jaar (en ook in de herfstsfeer van onze cultuur) te vertwijfelen, zijn er te over, maar het zijn uiterlijke redenen. Kiemen voor moed dient men zich op andere wijze te verwerven.

.

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichael    jaartafel

.

643-591

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (40)

.

Marika Ortmans Uit: ‘Wees stil mijn hart. Innerlijk leven met de jaarfeesten’, Uitgeverij Vrij Geestesleven. In Weledaberichten 166, najaar 1995
.

Het Michaëlsfeest
.

Een oogstfeest

Een lange draak van groengeverfde la­kens met daaraan vast een gevaarlijke kop, met vuurspuwende neus, sluipt voorzichtig, door vele kinderbeentjes gedragen, tussen de goudkleurige bo­men van het park. Hij wil zich verstop­pen, maar zijn lange lijf is duidelijk zichtbaar en verraadt hem. Kinderen die hem ontdekken, bekogelen hem met vruchten, door ouders en leerkrachten van papier-maché gemaakt. Onder luid gejuich en geschreeuw valt de draak neer. Hij is overwonnen. Ik ben erbij en denk na. Wat drukt dit beeld uit? Waarom sluipt op het feest van aartsengel Michaël een draak door het herfstige park en waarom wordt hij met zelfgemaakte vruchten bevochten?

Levenskiem

Het is herfst, de zomertijd is voorbij, de oogst zo goed als binnen, bloemen zijn er bijna niet meer, bladeren vallen van de bomen en vele vogels trekken naar warmere streken. De dagen worden kor­ter, de nachten langer. De duisternis lijkt het licht te overwinnen. In deze tijd trekt aartsengel Michaël ten strijde om de draak van de duisternis te verslaan. Hij wijst op de oogst en de levenskiem die in deze oogst verborgen ligt. Het feest van aartsengel Michaël wordt op 29 september gevierd. Voor velen is het een onbekend feest en toch is het al heel oud.

Rudolf Steiner heeft dit feest weer naar de voorgrond gehaald, omdat in het tijdperk waarin we nu leven duidelijke ‘herfstige’ verschijnselen zichtbaar zijn. In het seizoen van de herfst zien we dat het leven zich terugtrekt, bladeren val­len en alles wordt kaal. In de herfsttij van onze tijd zien we dat het leven zich terugtrekt, maar dan uit het leefmilieu, door een op de uiterlijke natuur gerichte natuurwetenschap, door het veelvuldige gebruik van de dode, starre taal van het verstandelijk denken en niet in de laat­ste plaats door onze liefdeloze omgang met de natuur. Het wordt donker. Hoe kan aartsengel Michaël de draak van de duisternis verslaan?

Aartsengel Michaël werd vroeger de be­schermgeest van de herfst en de behoeder van de vruchten en het graan ge­noemd. In deze vruchten en in dit graan ligt een nieuw levensbegin verborgen, en men zei dat aartsengel Michaël hierover waakt. Uit dankbaarheid hiervoor wer­den in die tijd aan Michaël oogst- en dankfeesten gewijd. Over welke oogst zal aartsengel Michaël in dit herfsttijdperk waken?

In het Nieuwe Testament (Openbaring van Johannes, hoofdstuk 12) komen we aartsengel Michaël tegen als de be­schermer van de hemel. Hij voert zijn hemelse heerscharen aan in de strijd te­gen de draak, die de plaats van God wil innemen. Michaël wint deze strijd en werpt de draak op de aarde.

Scheppingskracht

Rudolf Steiner vergelijkt deze draak met het verstandelijk denken. Vanaf het moment dat de draak op de wereld kwam, zo zegt hij, werd de mens geconfronteerd met dat wat uit het menselijk hoofd stamt. Was de mens in vroeger tijden meer met de godenwereld ver­bonden – maar dan vanuit een dromeri­ge persoonlijkheid – nu zien we het te­genovergestelde gebeuren. De mens wordt wakkerder in zijn persoonlijkheid en verliest daarmee grotendeels het contact met de geestelijke wereld. De deur naar de geestelijke wereld, waarin de mens als een paradijselijk wezen vertoefde, werd gesloten. De buitenkant van de verschijnselen, het zichtbare, meetbare werd steeds belangrijker. Dit heeft in de tijd waarin we nu leven ge­leid tot een zekere onafhankelijkheid van de mens ten opzichte van de gees­telijke wereld, een eerste voorwaarde voor vrijheid. De vraag is nu of de mens, met behoud van het moeizaam verworven vrijheidsbewustzijn, in staat is om vanuit een krachtige en sterke individualiteit ook in de geestelijke we­reld te ontwaken. Zijn wij in staat om een leerproces aan te gaan dat ons de mogelijkheid verschaft een blik te wer­pen achter de uiterlijke levensvormen? En zijn wij in staat het spel der elemen­ten te aanschouwen waaruit deze vor­men zijn voortgekomen? Een groeiend inzicht in deze scheppingskrachten lijkt vooral in deze tijd van groot belang, willen we meer kennis krijgen van de diepere bedoelingen van de wereld om ons heen en antwoorden vinden op de dringende vragen die ons nu worden gesteld over de schepping in herfststemming. Tot deze scheppingskrachten en het scheppingsproces krijgen wij echter niet gemakkelijk toegang.

In Italië, in de bergketen van de berg Monte Gargano aan de Adriatische Zee, ligt een van de vele heiligdommen die aan aartsengel Michaël zijn gewijd. Bo­ven de deur van het portaal, waardoor je moet lopen om bij het heiligdom te komen, staat:

Terribilis est locus iste. Hic domus Dei et porta coeli.

De betekenis van deze woorden is: ‘Verschrikkelijk is deze plaats. Hier is Gods huis en de poort naar de hemel’.
Aartsengel Michaël is de beschermer van deze hemel. De poort van de herfst, van de duisternis, leidt naar de schep­pende krachten van de geestelijke we­reld. Deze poort is niet gemakkelijk te openen. Maar wordt deze poort geo­pend, dan vinden we in dit heiligdom in de bergketen van de berg Monte
Gar­gano een beeld van Maria en haar kind. In dit seizoen, waarin de duisternis het licht wil overwinnen, wijst Michaël ons naar de scheppende krachten in de kiem van de oogst.

Wanneer we dit natuurbeeld en het beeld van het heiligdom van aartsengel Michaël als zielebeelden in ons opne­men, kunnen we ons afvragen wanneer wij in staat zijn de porta coeli te openen die ons toegang geeft tot deze kiem van scheppende krachten. Ik denk dat het belangrijk is om dan al­lereerst te leren de oogst van vruchten en levensvruchten in dankbaarheid te aanvaarden, iets waar aartsengel Mi­chaël ons in deze tijd toe oproept.

Bescherming

Het Michaëlsfeest is een oogstfeest dat gevierd wordt in een tijd dat de draak van de duisternis rondwaart. Dit oogst­feest draait om de bescherming van het nieuwe levensbegin dat in de oogst ver­borgen ligt.

Het Michaëlstijdperk, waarin wij nu le­ven, wordt ook gekenmerkt door
toene­mende duisternis, de draak van het een­zijdige, verstandelijk denken. In dit don­kere tijdperk is het meer dan ooit be­langrijk dat we het oogstfeest van de on­zichtbare zielevruchten vieren en wa­ken over de kiem van nieuw leven, die in deze zielevruchten verborgen ligt. Aartsengel Michaël vraagt dan ook aan ons of we deze oogst dankbaar in onze ziel willen ontvangen en, gelouterd van de diepere bedoelingen van deze oogst willen leren. En dat kan van de levens­vruchten van een jaar, van een mensen­leven of zelfs van de hele mensheids­ontwikkeling zijn. Al deze ziele-indrukken, deze levensvruchten, zijn voortge­komen uit de liefdesbron van de geest, en wanneer we ze met een ‘levend den­ken’ kunnen opnemen en begrijpen, zullen ze ons eens in staat stellen om ook uit onze eigen liefdesbron vruchten van hogere geestkiemen voort te bren­gen.

De draak sluipt door het park. Kinderen bekogelen hem met vruchten. De vruchten symboliseren de levensvruch­ten die wij onze kinderen kunnen meegeven. De draak is het levenloze, de duisternis, die in deze tijd de overhand dreigt te krijgen. Door de levensvruch­ten in dankbaarheid te oogsten, door de draak hiermee te bestrijden, kan de duisternis overwonnen worden en nieuw leven weer ontluiken. Een beeld van deze tijd. Een herfstspel met diepe inhoud!

 

Michael Cabellut

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michael    jaartafel

.

640-588

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (34)

.
Rinke Visser, Jonas 21, 16-06-1978
.

Zomer: tijd van beproeving
.

Buiten is het heerlijk weer. De zon schijnt. In de avonduren zie je men­sen genieten van hun tuin. Overdag worden sportvelden nat gehouden. Je gaat denken aan je vakantie, of hoe het zou zijn als je nu vakantie zou hebben.

Op hetzelfde ogenblik zitten dui­zenden over hun boeken en aanteke­ningen gebogen om zich voor te be­reiden op het examen dat morgen of overmorgen* plaats zal vinden. Een rare tegenstelling eigenlijk, die twee dingen: een zomerzon die je juist naar buiten trekt en de examenstof die je dwingt precies de tegenoverge­stelde beweging te maken. Iemand zei laatst dat het toch volkomen on­gerijmd was om juist in deze tijd van het jaar, in deze hitte, bij dit licht examen te moeten doen. En als je dan dan hoort hoe beroerd het is onder deze omstandigheden een examen af te leggen waar zoveel van af hangt voor de nabije of verdere toekomst: het jaar of een gedeelte daarvan wel of niet over moeten doen, wel of niet kunnen beginnen aan je vervolgoplei­ding, wel of niet aan het werk gaan in je nieuwe baan, wel of niet de promo­tie maken waar je zo hard voor ge­werkt hebt, maar die afhankelijk ge­steld is van ‘het papiertje’. Zou je die examens eigenlijk niet veel beter in de winter kunnen hebben, dan ben je toch het meest geconcentreerd? Daar kun je dan over na gaan denken. Hoe zit dat met het jaarverloop, welke activiteit past eigenlijk in welke tijd? En, waar het hier om gaat: is het waar dat examens beter in de wintertijd passen dan in de zomer? Om te begin­nen kom je erop dat examens een tweeledig karakter hebben, net als deuren: ze geven toegang tot iets, en ze sluiten iets af. Drempels: als je je voeten niet hoog genoeg optilt, ga je tegen de vlakte, met je hoofd binnen, maar met je voeten nog buiten de ka­mer. En om die voeten gaat het juist, als je op weg bent naar iets of iemand. Het tweede wat opvallend is: je zit altijd tegenover één of meer mensen die jou gaan beoordelen naar hun nor­men. Zij kennen de maat waarmee ge­meten moet worden. Als je die twee karakteristieken van examens nader bekijkt, kom je op een paar gedachten die misschien zinnig genoeg zijn om ze hier op te schrijven.

In de eerste plaats dat afsluitende of toegang gevende karakter van exa­mens. Als je daar naar kijkt in verband met het jaarverloop, waar kom je dan op? Wanneer sluit je het jaar eigenlijk af? Daar kan de boekhandel je veel over leren: twee keer per jaar kun je agenda’s kopen. In de winter koop je agenda’s die beginnen met Nieuwjaars­dag en lopen tot 31 december. En in de zomer beginnen ze met de maand augustus en lopen tot en met juli. Dat is toch eigenlijk erg leuk. Twee soor­ten agenda’s, twee soorten jaar, die el­kaar overlappen. Verder is het opval­lend dat die mensen die hun laatste examen hebben afgelegd heel vaak ophouden de agenda’s van het tweede soort aan te schaffen. Of ze dan ook dat tweede soort jaar afschaffen is daarmee natuurlijk nog niet gezegd. Hoe zit dat nu met het begin en einde van die twee soorten jaar? Hoe doen we dat eigenlijk. Oudejaarsdag. Niet de warmste dag van het jaar. Je zit binnen, in verschillende opzichten. De mensen met wie je het oude jaar ‘uitzit’, zijn niet willekeurig, dat zijn meestal intieme relaties, behorend tot je persoonlijke sfeer. Behalve het eten van bolvormig gebak proberen veel mensen vulling aan de avond te geven door zich voor zichzelf bezig te houden met het afgelopen jaar, niet alle in de zin van ‘wat heeft het jaar ons gebracht’, maar ook met de vraag: ‘hoe heb ik het zelf gedaan’. Een soort gewetensvraag. Daar komen dan de wel of niet uitgesproken goede voornemens vandaan. We geven onszelf rekenschap van onze daden, en er is niemand die navraag doet naar de normen die we daarbij aangelegd hebben. Die zijn van jezelf. Daar kan een ander ook niets over zeggen. Examinandi en examinator verenigd binnen één persoon. De uitslag staat bij voorbaat vast: toegelaten tot het nieuwe jaar. Overdoen is er niet bij. Het tweede soort jaar sluit je af met een examen of iets dat daar op lijkt. Je moet aan een ander laten zien wat je kunt. Hij beoordeelt of dat vol­doende is om het volgende jaar te
mogen beginnen. De tijd om voor dat examen te werken ligt juist daar waar de zon nog niet of niet meer hoog aan de hemel staat. Het is de tijd dat je wat meer naar binnen gekeerd bent dan in de zomermaanden. Precies het omgekeerde verhaal dan dat van de krekel en de mier.

Het komt mij voor dat ook zonder examens uit de schoolsfeer die twee soorten van beoordeling hun geldigheid hebben en ook altijd plaats vinden, zij het misschien wat minder duidelijk. Het oordeel van binnen uit, en het oordeel van buiten af. Het oordeel van binnen uit op momenten van naar binnen gekeerd leven, de beoordeling van buiten als we ons voor anderen zichtbaar maken.

Een metamorfose van het Sint-Jansvuur, als vuur van de beproeving.

*inmiddels vinden de examens vroeger in het jaar plaats

.

St.-Janalle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

579-532

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.