Categorie archief: jaarfeesten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (20)

 Carnaval 1

.

Agge mar leut et

Carnaval, zo leert de grote Van Dale ons, is ’de drie dagen die aan de Vasten, dus aan Aswoensdag voorafgaan, inzonderheid de laatste dag daarvoor (Vastenavond) waarop velerlei feestelijkheden, meestal met vermommingen gepaard, in de R.-K. streken plaats hebben; ook die feestviering zelf.’
Het kan bijna niet droger, deze definitie van een van onze uitbundigste folkloristische feesten: een feest van dolle pretmakerij, verkleedpartijen, bals, allerlei evenementen en veel eten en minstens zoveel drinken.
De carnavalsviering bereikt ieder jaar in februari in Noord-Brabant en Limburg haar hoogtepunt, al weet men ook boven de grote rivieren wat carnaval is; maar het blijft daar meer een besloten en wat gezapige aangelegenheid in vergelijking met de ongeremde feestvreugde in het zuiden van ons land. In voorbije tijden was het wel anders maar de reformatie gooide roet in het eten.
‘Ja, vele mans trecken dan niet alleen vrouwecleederen, ende vrouwen manscleederen aen, maer mismaecken hun verder met momaensichten ende hebben harpen, psalten, tamborijnen, luyten, cyters, vedelen, duytsche fluyten, pijpen, ende wijn in haeren welleven, ende sien niet op dat werc des Heeren ende hebben gheen acht op het geschapen sijner handen’
mopperde Caspar Coolhaes in de in 1606 verschenen Comptoir Almanach.
Twee jaar daarvoor verwonderde Walich Sieuwertsz zich erover dat mensen aan deze uitbundigheid meededen ‘die, welcke haer ghereformeert noemen ende daer voor aenghesien willen sijn.’

Toch wilde de overheid juist voor carnaval ook wel wat door de vingers zien. Een oude keur uit Alkmaar vermeldt in ieder geval: ‘Voort en moet men gheen spel spelen met taerlinge om geldt, uitgeseyt drie dagen op den Vastelavondt.’

Langzaam maar zeker werd de carnavalsviering teruggedrongen, maar het feest bleef bestaan en keerde terug en dan nog veel grootser, nog veel uitbundiger. En waarom ook niet? ‘Een jaar lang’ zo verdedigde de godsdiensthistoricus prof. dr. Th. P. van Baaren in 1969 carnaval in een artikel in de N.R.C., ‘hebben wij in het gareel gelopen: wij hebben belasting betaald en onze munten aan de parkeermeters geofferd, wij hebben geen mini-meisjes gemolesteerd en geen van onze collega’s een bloedneus geslagen, maar een mens is ook slechts een wezen van vlees en bloed, en het bloed, zoals een Oudhollands spreekwoord zegt, kruipt waar het niet gaan kan. Dus gaan we carnaval vieren. Maar zouden wij het hele jaar carnaval willen hebben? Alstublieft niet! In wezen hebben wij geen hoger ideaal dan te leven in een geordende wereld, een wereld die, althans in geest en hoofdzaak, berekenbaar en voorspelbaar is.

Dit kunnen wij leren uit de godsdienstwetenschap en de cultuurpsychologie.’ Hij vervolgt dan: ‘Er kan een moment komen waarop de mensen het gevoel hebben, dat zij deze orde moeten verbreken, het koste wat het kost (Wie zal dat betalen, zoete lieve Gerritje?), willen zij er niet in verstikken. Wanneer nu iedereen individueel en op elk willekeurig moment aan zulke impulsen gehoor gaf, dan zou een geordende maatschappij weldra onmogelijk worden. Daarom hebben de meeste culturen een ventiel geschapen, een uitlaatklep, waardoor de mensen in de gelegenheid gesteld worden op periodieke tijden stoom af te blazen. Een dergelijke uitlaatklep is in het zuiden van ons land het carnaval. Wanneer men een masker opzet en joelend en zingend door de straten host, dan is men geen ambtenaar of winkeljuffrouw meer, zelfs geen huisvader of huisvrouw, maar men is- een ander mens geworden, een ander die, zolang het feest duurt, zich vrij kan voelen van al die dingen die hem gedurende de rest van het jaar belemmeren en binden.’

Ook anderen kunnen het mooi zeggen. Tilburgs burgemeester mr C. J. G. Becht beschreef het als carnavalsprins Nillis I in 1955 als volgt: ‘Ja, carnaval is meer dan een gemaskerd bal, meer dan een hos- en ’dweilavond’, anders dan een bacchanaal. Carnaval is het volksfeest bij uitnemendheid. Het feest waarin de volksgeest zich in zijn zuiverste of veelzijdigste vorm kan uiten. Het feest, waarin we onszelf ontdekken of terugvinden, om daarna ons alleen-zijn te verliezen in het allen-een-zijn. Tracht uw beste zelf te vinden? Laat u niet leven! Leef!! Hoe? Geef. Wat? Iets van uzelf. Aan wie? Aan mensen om u heen, die minder met levensvreugde bedeeld zijn dan gij. Maar grijp dieper dan uw portefeuille. Grijp in uw hart. Geef van uzelf. Geef uw vreugde, uw lachen, uw hartelijkheid. Wees vrij, wees mens, en maak gelukkig. Dan zijt ge op de goede weg. Dan viert ge op uw manier het feest van

de dankbaarheid om het leven zelf. Agge mar leut et.’
Een belangrijke figuur bij carnaval is prins Carnaval die bijgestaan door zijn raad van elf ervoor zorgt dat overal de feestvreugde op gang komt. Die prinsen dragen uitzonderlijke namen, zijn fraai uitgedost, spelen drie dagen lang de baas. Iedere stad die zich een beetje respecteert, zorgt voor zijn eigen prins Carnaval.
Tussen de bonte avonden en de optochten heeft Steyl in de gemeente Tegelen om de twee jaar een bijzonder evenement. Daar wordt een ‘kaetelgerich‘ gehouden, een volksgericht onder aanvoering van de duivelse vorst Lucifer, waarin de humor de boventoon voert, ook al schroomt men het niet maatschappelijke en persoonlijke kritiek te geven. Het is een zeldzame carnavalstraditie die plaats vindt op carnavalsdinsdag.
Bij feest hoort lawaai en muziek, leder jaar heeft men zijn carnavalschlager. Liedjesdichters, componisten, platenmaatschappijen vechten om het hardst om voor de hit van het jaar te zorgen. Het gaat allemaal om de leut. Dat hebben zeker de kinderen op hun geweten die in deze vastenavondtijd met foekepot of rommelpot rondtrekken. Zo’n rommelpot is een blikje of potje, waarop een varkensblaas is gespannen. Een riet wordt met een knoop aan het einde tegen de blaas gestoken, wanneer die nog nat is. De varkensblaas wordt dan met een touw stevig om de knoop van het rietje gebonden en bij de kachel gespannen en gedroogd. Door het rietje, zo vertelt de deskundige beschrijving, op en neer te bewegen en door er met een wat vochtig gemaakte hand steeds langs te blijven strijken, krijgt men muziek ter begeleiding van de liedjes die gezongen worden, waarmee om lekkernijen of centen wordt gebedeld. Een heel oude gewoonte.
Bredero vertelde er in 1617 al over in zijn Moortje.
.
‘Ja wel, het is te mal, de geck is seecker sot,
Hier schort niet dan een blaas, of so een rommel-pot,
Om voor de luyer deur te rasen en te singhen,
De neske-deurtjes met de kinderlycke dinghen.
Als: gheeft my een Panckkoeck uyt de pan, Ho, man ho!
De Vastelavondt die komt an, So, mijn Heer, also!’
.
Die pannenkoeken horen er op Vastenavond echt wel bij, een uitgezochte lekkernij voor deze tijd. Ook meer moderne liedjes vertellen erover.
.
’Vrouwke, ’t is vastenavond
We komen niet thuis voor ’tavond
’tAvond in de maneschijn
Als vader en moeder naar bed toe zijn
Dan gaan we naar de Fransen
Daar laten we ons potje dansen
Hier ’ne stoel en daar ‘ne stoel
Op elke stoel ’n kussen.
Vrouwke, houdt Uw kinnebak toe
Of ik gooi er ’n pannenkoek tussen.
Tussen uw neus en tussen uw kin
kan nog hendig ’n pannenkoek in.’
.
Naast de pannenkoek is in vele plaatsen het worstenbrood nog een symbool van de Vastenavond. Er zijn nog steeds bakkers die op de hoorn blazen als het worstenbrood gebakken is. Het is per slot van rekening carnaval en dan moet, met de vasten voor de deur, het vlees vaarwel gezegd worden. Het worstenbrood smaakt dus extra best. Over worsten weet men in Boxmeer in het bijzonder mee te praten. Daar organiseert men op maandag voor Aswoensdag het metworstrennen. Een traditie van eeuwen geleden, toen een freule hier met koets en al te water raakte en gered werd door Boxmeerse jongens. De freule stelde een fraaie prijs in, namelijk een wedren om een metworst, die de jaarlijkse beloning moet zijn voor de edelmoedige daad van de Boxmeerse jongelingen aan bovengenoemde dame bewezen. De wedstrijd wordt te paard gehouden en wie als eerste de eindstreep passeert is de koning van de dag, de metworstkoning. Alleen ongehuwde jongelui, geboren en getogen in Boxmeer mogen aan dit koningsrennen deelnemen. De prijs is nog altijd een vele ellen lange metworst met een ton bier, brood en een halve varkenskop.
.
Shell Journaal van Nederlandse folklore 1972
carnaval: alle artikelen
.

Carnaval 2

.

996-923

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (23-1)

.

driekoningen 1

.
Zingen en springen met de Koningen. Op 6 januari wordt het feest van Driekoningen gevierd, al neemt men het met die datum op het
ogenblik niet zo heel nauw, want als het beter uitkomt wordt het ook wel eens een paar dagen eerder gevierd. Een populair volksfeest, vooral voor de kinderen. Zo populair dat het in 1961 als motief voor een van de kinderpostzegels werd gekozen.
Hil Bottema knipte met vaardige hand voor de zes-cents-postzegel een aardig driekoningenplaatje. Een heel oud feest, dit driekoningenfeest dat de afsluiting van de kerstviering aangeeft.
Het verhaal uit de bijbel is overbekend: de wijzen uit het Oosten die het pas geboren Christuskind in Bethlehem hun goede gaven komen aanbieden: goud, wierook en mirre. Die wijzen werden in het volksgeloof tot koningen en men wist zelfs hun namen: Balthasar, Caspar en de zwarte Melchior. In het tiende vers van Mattheüs 2 lezen wij over deze koningen:
’Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde’. Die vreugde is gebleven bij het vieren van Driekoningen; ook de ster speelt hier nog een opvallende rol, want op deze dag worden door kinderen, verkleed als koningen, allerhande sterren in prachtige versieringen rondgedragen. Een héél oud gebruik. Lang geleden al gingen de kinderen de straat op om liederen te zingen. Voor velen tevens een mooie aanleiding om wat te bedelen. Verschillende van die liederen zijn bekend gebleven, zoals dit sterrelied:
.
Hier treden wij, Heere, met onze Steere,
Wij zoeken Heer Jezus, wij hadden hem geere.
Wij klopten al aan Herodes zijn deur,
Herodes, de Koning, kwam zelvers veur.
Hij sprak er al met een valscher hart:
Hoe ziet er de jongste van drieën zoo zwart?
Al is hij zoo zwart, hij is wel bekend,
Het is er de Koning van Oriënt.
Wij kwamen die hooge bergen opgaan,
Daar zag men de sterre stille staan.
O Sterre, gij moet er zoo stille niet staan!
Gij moet er met ons naar Bethlehem gaan.
Te Bethlehem in die schoone stad,
Daar Maria met haar kindeken zat.
Zoo kleiner kind en zoo grooter God,
Een zalig nieuwjaar verleene ons God.
.
Uit Tilburg komt het volgende oude liedje met een mondje Frans erin.
.
Wij komen van oosten, wij komen van ver,
A la berline postiljon,
Wij zijn er drie koningen met een ster,
A la berline postiljon,
Van cher ami, tot in de knie.
Wij zijn drie koningskinderen,
Sa pater trok na Vendalo, van cher ami.
.
Populair is nog steeds het volgende versje, waarover verteld wordt dat het zou herinneren aan het feit dat lagere ambtenaren op driekoningendag in verschillende gemeenten op het stadhuis een nieuwe hoed kregen.
.
Driekoningen, driekoningen,
geef mij ’n nieuwen hoed,
m’n oude is versleten,
m’n vader mag ’t niet weten,
m’n moeder heeft ’t geld
al op de toonbank neergeteld.
.
Hoewel de reformatie in ons land zich tegen vele kerkelijke feesten heeft verzet, bleek Driekoningen een taai leven te hebben.
De geschiedenis wil dat Willem Barentsz met zijn mannen tijdens hun barre overwintering op Nova Zembla het driekoningenfeest vierde. Begrijpelijk, want zij hadden wel iets bijzonders nodig om de tijd te doden.
En dit is een waar verhaal uit 1662 over de toen twaalfjarige prins Willem lll:

‘Men verhaalt dat de jonge prince van Oranje in den Hage zijnde, op drie koningen dach, in presentie van sijne grootmoeder, de princesse douairière van Orangiën, prins Willem, stadholder van Vrieslant, en meer andere illustre personagien, in het trecken den hooggemelden prince het lot van coning te sijn is toeghekomen, waerop oock een heerlijeke donatie sou sijn gevolgt.’

In Amsterdam was het omstreeks 1900 nog de gewoonte op straat te venten met de zogenoemde trekbrief met de kroon. Op de brief stonden zestien figuren, voorstellende koning, koningin, raadsheer, rentmeester, secretaris, kamerling, hofmeester, voorsnijder, proever, schenker, zanger, speelman, portier, kok, zot, zottin. Bij iedere figuur stond een vierregelig versje. De brief werd in repen gesneden en deze werden op staafjes gerold, waarna ieder op zijn beurt kon trekken welke rol hem werd toebedeeld.
.
driekoningen 2
.
Driekoningen werd ook in huis gevierd met als hoogtepunt een bonenfeest. in het driekoningenbrood was een boon gebakken en wie ’dat heilige boontje’ tijdens de maaltijd te pakken kreeg, was de koning van de dag met alle daaraan verbonden voordelen. Na de maaltijd mochten de kinderen in de keuken het kaarsjesspringen beoefenen, met natuurlijk het bijbehorende gezang.
.
Kaarsies, kaarsies, drie aan een,
Springen wij er over heen.
Al wie daar niet over en kan,
Die en weet er nou niemendal van.
.
Dolle pret; maar omdat de minimode nog niet bekend was, wel een gevaarlijk spelletje waarbij de nodige ongelukken gebeurden en heel wat brandjes moesten worden geblust. Ook daarom afgeschaft.
Nu nog trekken op of rond driekoningendag door steden en dorpen – vooral in Brabant en Limburg – honderden kinderen langs de wegen. Zij dragen hun sterren, zij zingen de liederen, zij maken muziek en zij zijn heel prachtig uitgedost. Als koningen. Er wordt snoepgoed en geld gevraagd. In Den Bosch trekken zij naar de grote kerststal in de Sint- Janskathedraal.
In Tilburg besteedt een deskundige jury aandacht aan de verkleedkostuums en geeft beoordelingen en prijzen. Tot diep in het duister trekken de kinderen met hun sterren, met hun lichtjes, in hun wonderlijke kledij door de straten.
.
driekoningen 3

.

Driekoningen: alle artikelen
Shell Journaal van Nederlands folklore 1972

.

994-921

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Nieuwjaar

.

Feestdagen krijgen hoofdletters. De feestdag 1 januari wordt dus geschreven als Nieuwjaar. In samenstellingen vervalt die hoofdletter weer. Zo is het ‘Met Nieuwjaar kijken we altijd naar het nieuwjaarsconcert – een nieuwjaarsduik is ons te koud.’

.

Shell Journaal van Nederlands folklore 1972
.

Veel heil en zegen

.

nieuwjaar 1.

‘Wat soort van Vis men brengt en welke Schepen varen,
Het rijtuyg dat bevragt de Passagiers en Waaren,
Soo meede ’t geen voor nieuws ook aangecomen is,
’t Verloorne en de Vond, wy roepen uyt gewis;
En met dees Nieuwen-Jaar u allen zeegen wenschen,
Leefd altoos vergenoegd, in vree met d’Eeven menschen:
Opdat het u welgaa in dees vernieuwde tyd,
En gy dan reeden hebt, met recht te zyn verblyd.’
.
Dat was het lied dat ’U Ed. Dienaers De Roepers der Stad Nijmegen‘ op 1 januari 1774 voor hun medeburgers van de Keizer Karelstad in petto hadden. Een heel oud gebruik; de gezongen, geschreven, gedrukte nieuwjaarswens waarmee het nieuwe jaar werd ingeluid.
Daar is niet veel van overgebleven. Naast de traditionele nieuwjaarskaarten, steeds meer in combinatie met ‘gelukkig kerstfeest’, genieten alleen de simpele kaartjes van de krantenbezorgers nog enige bekendheid. Als het kaartje persoonlijk wordt afgegeven, verwacht de brenger zijn obligate beloning.
.
Eens is het anders geweest
.
Folklore-kenner J. ter Gouw laat zijn licht fraai schijnen over de Germanen. ‘Elk was nieuwsgierig te weten, of ’t nieuwe jaar hem goed of kwaad zou brengen. De een zat op het dak van zijn huis met zijn zwaard in de hand, waarop tooverrunen gekrabbeld waren, en meende dan in de toekomst te kunnen zien. Vooral lette hij op het ruischen van den wind; – kwam die uit het westen, dan zouden er in dat jaar veel vorsten en helden sneuvelen; woei ’t uit het zuiden dan zou er veel volks omkomen; of uit het oosten, dan zou ’t vee sterven; maar kwam de wind in den nieuwjaarsnacht uit het heilig noorden, dan zou ’t zeker een gelukkig en voordeelig jaar zijn. Anderen zaten aan een kruisweg op een stierenhuid, om zich van de Elfen, die in dien nacht bij menigte rondtrokken, omdat het hun verhuisnacht was, goed geluk te laten voorspellen. Men begrijpt, dat ze, na veel heil gedronken te hebben, op hun stierenhuid spoedig in slaap vielen, en wat ze dan droomden, gold voor profecie der Elfen.’

Alles ging toen en later met veel herrie en lawaai gepaard met daarbij de befaamde baldadigheid. Zelfs de huizen van de deftige poorters binnendringen om de nieuwjaarskost, die daar netjes klaar stond, aan te spreken. Stedelijke overheden hebben alle mogelijke moeite gedaan om de nieuwjaarsviering in ordelijke banen te leiden en om het plechtige karakter van de eerste dag van het jaar niet te verstoren. Met veel vreugde hoorden de gegoede burgers dat het minder bedeelde volk ook nette en passende liedjes kon zingen, waarin de vroomheid niet ontbrak.

Nu singhet en clinghet mit groot gheluut
Al in den Nyeuwen jaeren,
Den Ickers jaeghet al uut ende uut,
Her Jhesus moet ons bewaren.
.
Wie met zo iets op de proppen kwam, kon zeker op een beloning of een versnapering rekenen. Geleidelijk aan nam het zingen bij de huizen af. Het maakte plaats voor geschreven en gedrukte nieuwjaarswensen, waarmee verschillende lagere beroepsgroepen zich tot hun cliënten richtten. Allerlei rijmers vonden werk om voor de beoefenaren van nu al veelal helemaal vergeten beroepen zoals porders, straatvegers, puinhaalders, klokkeluiders, gasopstekers, nachtwakers, boden, jagers, maar dan van veerschuiten, de meest passende nieuwjaarswensen te schrijven; verzen, die vaak voorzien van illustraties, werden aangeboden, nadat zij gezongen of gedeclameerd waren.
.
Op de nieuwjaarsprent van de Amsterdamse nachtwachten van 1 januari 1839 deed de maker zijn best: met fielten, stadgenoten en reine maagden.
.
Eerwaarde tempelheeren en acht’bre burgerstand
Wanneer de klok heeft tien geslagen,
Dan vangen wij het ronden aan,
Totdat de morgen op komt dagen
En elk van ons naar huis kan gaan.
Wanneer er onraad wordt bevonden,
Aan ’t eigendom der stadgenoot,
Of reine maagden zijn geschonden
Geheel van tegenweer ontbloot
De fielten worden zeer onzacht
Gegrepen door de ratelwacht
In ’t holst der nacht, in ’t holst der nacht!
.
De ’asch- en vuilnislieden’ van Den Haag kwamen in 1812 met een ‘zegen- en heilgroet’ èn in het Nederlands èn in het Frans. Vanwege de Napoleontische bezetting.
.
Aldus wat er wenschlyk is,
tot uw heil en tot uw zegen,
Voor elk burger in ’t gemeen en tot elk Heilryks-Zon
Wordt u door ons gewenscht, volzalig zyn uw wegen,
En tot uw waar geluk diene Vorst Napoleon.
Napoleon verdween van het toneel en maakte plaats voor een andere vorst, die evenals zijn opvolgers er zeker van kon zijn in de wensen te worden betrokken. In 1857 richtte de ’vuilnis-karreman’ zich aldus tot ‘Amstels ingezetenen’.
.
Moog, zeer geachte Burgerschaar!
Voor U dit ingetreden jaar,
Een rijke bron van welvaart wezen!
Ja, Landbouw, Scheepvaart, Handelstand,
Zijn, tot het verst verwijderd strand,
Oud-Hollands glorie als voor dezen!
Door eendragt en tevredenheid
Zij Neêrland steeds der rust gewijd!
En heersche ook voorspoed in elks woning!
Zoo rijze uit aller hart en mond:
‘Wij leven op deez’ dierbren grond,
Vereend voor Vaderland en Koning!’
.
Was getekend: UEd. Dienaar J. Domhoff, Vuilnis-Karreman, Wijk 15.
.
Engagement was de schrijvers van deze verzen niet vreemd. Porster Jansje Rijke kwam in 1850 – voor het goede verstaan een jaar na de dood van koning Willem II – met de volgende regels op straat.
Heeft ook alom weêr de bloedvlag gezwierd,
Hier bleef het rustig bij ’t woên der orkanen,
Balie vlocht lauw’ren om Nederlands vanen,
’t Feest onzer zege werd juichend gevierd,
’t Jaar wond een rouwfloers om schepter en kroon,
’t Doodde den vader en kroonde den zoon.
.
Het was niet alleen goedhartigheid die al deze verzen deed ontstaan. Er werd ook een tegenprestatie verwacht.
.
Veel van deze nieuwjaarsliederen zijn regelrechte bedelverzen, zoals de Nieuwjaarswensch aan mijne geachte begunstigers, en dat waren dan de Haarlemmers, van A. Krook.
Neen, ’t is geen schand’ om arm te zijn,
Te zitten in den nood,
Vol ongemak, vol angst en pijn
En zonder daag’lijks brood!
.
Het wintert wel, de nacht is lang,
En ’t ongeluk is mijn deel,
En geen verdiensten hoegenaamd,
O God, wat lijd ik veel!
.
En ’k ben voor het werken onbekwaam,
’k Lijd daarom bitter veel;
Maar ach! hoe treurig dat het zij,
De rampspoed is mijn deel.
‘k Ga ginder, naar die schoone buurt,
Daar alles weelde biedt;
’k Bel aan dat groote, rijke huis
Misschien wel niet voor niet.
.
Mijn hart is goed, ja – kon ik maar,
Ik werkte zeker trouw,
Weest dus mijn hulp, want ’k weet geen raad,
Als men niet koopen zou! , ,,
.
Maar neen – het muschje valt niet neêr
Van armoê en ellend’,
Want als het beestje niet meer vindt,
Is ’t God die eten zendt.
.
Ziet dus op ons, uw evenmensch
In diepen ootmoed neêr,
Dan leent gij – weest daar zeker van,
Aan onzen lieven Heer. –
.
Dan zij voor U dit nieuwe jaar
Een schoone, nieuwe tijd,
Want dan hebt gij een traan gedroogd,
Die God, den Heer verblijdt.
.
Ook in de huiselijke kring bleef het vaak niet bij de handdruk, de omhelzing, de korte gelukwens. Van de kinderen werd meer verwacht. Tegen het einde van het jaar werd gezwoegd om op grote vellen papier in fraaie letters wensen uit te schrijven voor vader en moeder, grootmoeder en grootvader, ooms en tantes. In 1827 schreef een ‘lief hebbende Kleinzoon’ – de grootvader van een der schrijvers – aan ‘Mijne Waarde Grootmoeder’ enkele gevoelige regels. Moge het een aansporing zijn om zelf in oude paperassen op zoek te gaan naar zulke versjes. Ze vormen een heerlijke wandversiering. In een lijstje.
.
De nooit begonne eeuwigheid,
Bevat een God wiens wys beleid,
En aanzijn nooit zal enden;
Hiervan getuigt dit nieuwe Jaar,
En eischt dat wij nu met elkaar
Een loflied tot hem wenden.
Een rijke oogst van voorspoed daal,
Op uw en d’uwen neder,
Opdat Gods gunst u steeds bestraal
Dit wenscht mijn hart U teder.
.
nieuwjaar 2
nieuwjaar 3
.
Het spreekt vanzelf dat de rederijkers zich bij het vervaardigen van nieuwjaarswensen ook niet onbetuigd hebben gelaten. Een mooie gelegenheid om weer eens iets op papier te zetten met als gevolg een grote stroom jaardichten, liedekens en refereinen. In de schouwburgen werden liederen voorgedragen en samenspraken op de planken gebracht, waarvan die van Thomasvaer en Pieternel voor een langdurig en eindeloos gevarieerde en nog niet geheel verdwenen traditie hebben gezorgd.
.
De Amsterdammers die zich op 1 januari 1814, vers bevrijd van het Franse juk, naar de schouwburg spoedden, konden de volgende wens – geschreven door Marten Westerman – horen.
.
’k Wensch vrede aan alle huisgezinnen:
’k Wensch ieder kans om veel te winnen.
En daar toch ieder burgerman,
Nu weer zijn pijpje rooken kan
Wensch ik dat van zijn leven dagen,
Ook geen régie ons meer zal plagen.
De Hemel schenke ons nu ook ’t zoet
Na ’t zure weêr in overvloed.
Kaneel en Koffij, Thee en Suiker
En Rijst met Krenten . . .
.
Toen er in 1919 weer een oorlog voorbij was, brachten Louis Gimberg en Betty Holtrop-Van Gelder in de karakters van Thomasvaer en Pieternel met tekst van Jean Louis Pisuisse in de schouwburg brandende kwesties uit die dagen: de eerste vrouw in het parlement.
.
Pieternel:
Och Thomasvaer, bedaert,
‘k Heb Suze Groeneweg
Gesproken in de stad . . .
.
Thomasvaer:
Suus Groeneweg, wat hamer,
Die naam is mij bekend:
Zit die niet in de Kamer?
.
Pieternel:
Ja zeker, d’eerste vrouw
Die in ons parlement
De eer, wat zeg ik d’eer?
Nee, ’t recht is toegekend,
Bij ’t stellen van de wet
’n Woordje mee te spreken,
En nu ons kiesrecht nog .. .
.
Niet alle tradities houden stand. Jarenlang heeft Amsterdam als nieuwjaarspremière voor een uitgelezen gezelschap een steeds maar weer nieuw geënsceneerde opvoering van Vondels Gijsbrecht van Aemstel gehad met het ovationeel klappen bij de zin ’Vaerwel, mijn Aemsterlant; verwacht een’andren heer.’ Het is sinds kort voorbij en een remplagant stuk dat zo klassiek zou kunnen worden, is nog niet gevonden
.
De nieuwjaarsdagfolklore verdwijnt meer en meer. Het wordt uitslapen, de laatste koud geworden oliebollen nog verorberen, telefonisch wensen aan vrienden en bekenden overbrengen, een extra bezoekje aan opa en oma of aan pa en ma.
.
Alleen hier en daar nog een speciaal gebruik zoals in Roermond waar het ’nuujaorswinse’ een hele ceremonie is gebleven, waaraan de burgerij zo mogelijk getooid met hoge hoed in groten getale deelneemt. De visites gelden bisschop, deken, burgemeester. Er vormen zich op nieuwjaarsdag hele groepen mensen die van de ene ontmoeting naar de andere trekken.
.

In Ootmarsum, waar men hart voor folklore heeft, wordt de nachtwacht uit de ijskast gehaald die dan aan het hoofd van een stoet een nieuwjaarsomgang maakt, waarbij veel gezongen wordt. Als de torenklok de befaamde twaalf slagen heeft afgeleverd, trekken de mensen naar het marktplein en vandaar gaat de hele groep zingend verder door de straten.
.

In Drenthe koesterde men jarenlang een mooi bijgeloof rond nieuwjaarsdag. Er werd gezegd dat men aan de binnenlopende nieuwjaarwensers zou kunnen aflezen hoe het kalverjaar zou zijn. Als de eerste die de boer veel heil en zegen kwam wensen een vrouw was, dan zou het merendeel van de te verwachten kalveren ’vêrskalver’ zijn; was het echter een man dan werden het ’bólkalver’ oftewel stiertjes die heel wat minder waard zijn. Boze tongen beweren dat menige boer er een flinke fooi voor over had om vrouwen om te kopen toch vooral als eerste bij hem aan te komen.
Voor een staartje van de nieuwjaarsviering zorgde koppermaandag, maandag na Driekoningen. Zetters en boekdrukkers boden op deze dag vanouds een proeve van hun werk als nieuwjaarsgeschenk aan. Na de tweede wereldoorlog is deze traditie weer nieuw leven ingeblazen. De opzet is geslaagd. Koppermaandag is weer in.
Een ’Eerekroon voor Laurens Koster en alle voorstanders der boekdrukkunst’ werd, zoals de aanhef dat aangaf, ‘gegeeven op Kopper-maandag MDCCCIII’.
.
Mooi stuk met zes coupletten. Hier is er één van.
.
Waar vind men op aarde,
Een kunst zoo bemind,
Zoo duurbaar voor ’t leven
Van Grijsaard tot Kind?
Wat kunst men mag roemen,
In fraaiheid en schoon,
De drukkunst wint immer,
Van allen de Kroon.
.
Verdwenen sinds kort is de nieuwejaersdunderdag op Walcheren; de eerste donderdag na nieuwjaar, een heel bijzondere dag voor de neringdoenden. De moeite waard om nog in herinnering te brengen. Vroeger kende men -toen over renteverlies en investering nog niet zoveel problemen bestonden – het systeem van de jaarrekeningen. Eens per jaar werden de rekeningen uitgeschreven en betaald. Op nieuwejaersdunderdag stuurde men zijn kinderen of personeel rond bij de leveranciers om de rekening op te halen die vader of de baas dan zelf zou komen betalen. Dat was een mooi dagje uit en er viel nog wel wat af om de genoten klandizie over een heel jaar te honoreren. Menig vader vermaande dan ook aan het begin van de dag ‘en dienkt er om: nie jen eige onbekwaem drienke oor. Dae nie vö spot en smaed van ’n ander loopt. Dat ei je g’oore é?’
Het jonge volk maakte van de vrije dag en de vele glaasjes meteen gebruik om wat beter kennis met elkaar te maken en dan vooral met leden van het andere geslacht om het nieuwe jaar vol goede hoop en verwachting te kunnen beginnen. Er moeten op Walcheren heel wat echtparen rondlopen waarvoor het op nieuwejaersdunderdag begonnen is.
.
nieuwjaar 4
.

.

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeldjaarfeesten

,

991-918
.
.
.
.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – oudjaar (3)

.
Shell Journaal van Nederlandse folklore 1972
.

Uren, dagen, maanden, jaren

.
Van Kerstmis naar het einde van het jaar is maar een heel klein stapje, welgeteld vijf dagen. Voor velen tegenwoordig vrije dagen, snipperdagen.
Vroeger op het boerenland gelegenheid tot uitslapen. Tussen Kerstmis en Nieuwjaar werd er niet bijster hard gewerkt. In de landbouw was weinig te doen en de veeboeren hadden hun dieren in de stal. Gelegenheid om eens wat anders te doen.
Daarom vrije tijd voor het blazen op de midwinterhoorn, een traditie die in Twente nog steeds in gebruik is, vanaf de eerste zondag van advent tot en met Driekoningen.
 
In Denekamp, Oldenzaal, Losser, Ootmarsum, Tubbergen, Weerselo en in de omgeving van Almelo, Borne en Hengelo hoort men in deze tijd het vreemde melodieuze geluid van deze herauten van Kerstmis. Over de oorsprong van het midwinterhoornblazen bestaan natuurlijk verschillende meningen. Dat kan nu eenmaal niet anders. En we geven hier een paar opvattingen. De een zegt dat het gebruik zijn ontstaan dankt aan het joelfeest van de oude Germanen, die door het blazen op horens in de midwintertijd de vruchtbaarheid van hun essen wilden beschermen tegen demonische geesten. Een andere mening wil de nadruk leggen op een oud gebruik van de Israëlieten, die de tuba staken om de gasten ter bruiloft te noden.
 

De hoorn zelf is een kunststuk met een lengte van 1,20 meter. Het geval bestaat uit twee gekuipte tegen elkaar passende stukken hout, die met sterke houten banden aan elkaar worden bevestigd. De hoorn heeft een schuin afgesneden mondstuk, dat bij voorkeur gemaakt wordt van eenjarige vlierloten. Een heel secuur werkje om een midwinterhoorn te maken: het vinden van het juiste hout, het uitsnijden en passend maken, het bespeelbaar maken. Daarbij gaat de hoorn in de waterput, want vocht is bijzonder belangrijk: als het hout uitdroogt gaat het barsten, maar het mag ook weer niet te nat worden omdat het hout anders zou gaan rotten. Een goede hoorn gaat wel lang mee, maar er moet dan veel zorg en aandacht aan worden besteed. Denk vooral niet dat het best meevalt om zo’n hoorn te bespelen. In de eerste plaats is het midwinterhoornblazen een inspannende bezigheid. De niet geoefende blazer brengt slechts een wat benauwd klinkend toontje voort. En dan gaan de boze geesten echt niet op de loop. De ware blazers letten extra op de klankbodem. En dat betekent dat bij voorkeur boven een put wordt geblazen, zodat de tonen een goede resonantie krijgen.

 
Het blazen zelf kan men nog altijd horen. Want men schat dat er in Twente zo’n tweehonderdvijftig midwinterhoornblazers zijn, die ook in concoursen hun vaardigheid komen bewijzen.
Toon Borghuis schreef er eens een mooi liedje over, natuurlijk in het Twentse dialect.
 
Holt’n doed’lenden hoorn baven de putte
Kneep vast oewe lipp’ op de vleerholten spool;
En blaost den Adventsroop van Vass’ tot de Lutte
Van Saosel naar Lettrop tot aover nen paol.
 
In Friesland gaat het niet om een hoorn maar om een klok. Vanaf 21 december – Sint Thomas – tot nieuwjaar wordt in enkele plaatsen zoals Katlijk (uit te spreken als Ketlik), Oudehorne en de buurtschap Brongerga bij Oranjewoud, allemaal in de buurt van Heerenveen het Sint Thomasluiden beoefend. Vrijwel elke dag en nacht wordt dan de klok geluid en met een vasthoudendheid en energie dat de klokkentouwen het nog wel eens willen begeven. Aan het gebeier komt geen einde. Dat werd vroeger een wild feest waarbij niemand zich onbetuigd liet. Gevolg: allerlei baldadigheden en onzedelijke uitspattingen. De grietman van Smallingerland probeerde er in 1842 dan ook een eind aan te maken en liet het klokkentouw verwijderen, maar dat namen de Friezen niet. Het Sint Thomasluiden is gebleven.
 
M. D. Teenstra uit Drachten rijmde er in 1844 over.
 
Slechts één dag in ’t jaar, aan Sint Thomas gewijd,
Dan komt men uit het veen, van wijd en zijd,
Dan luidt men te Dragten de klokken,
Dan luidt men, dan drinkt men, dan viert men hier feest,
Doch hoe oud of wat oorsprong ’t gebruik is geweest,
Weet niemand, na veel zoeken en blokken.
 
Vlak voor oudejaar, op 28 december is het de dag van de onnozele kinderen. Dat herinnert aan het feit dat – zoals in het bijbelverhaal wordt verteld – koning Herodes in Bethlehem alle pasgeboren kinderen liet ombrengen om er zeker van te zijn dat de zo juist geboren Koning der joden, waarover hij van de wijzen uit het Oosten had gehoord, ook gedood zou worden. Daarom zijn in en in de omgeving van Roermond en Venlo op onnozelekinderendag de kinderen de baas. Vooral de jongste kinderen hebben dan veel te zeggen. Zij spelen voor vader en moeder en maken zelfs uit wat er op die dag gegeten zal worden. Een heel bijzonder privilege. Verkleed als grote mensen en met veel muziek wordt dan tevens een tocht door de straten gemaakt om duidelijk te maken dat het Alderkindere is.
 
En dan oudejaarsdag, 31 december. De dag van de oliebollen en de appelflappen. Alle ellende van een heel jaar wordt vergeten; een nieuw jaar staat voor de deur en vraagt om de nodige bezinning. Vandaar dat de kerkgang voor velen op oudejaar een niet te missen traditie is. Men zingt over de uren, de dagen, de maanden, de jaren die als een schaduw voorbij vlieden. Wel een beetje vreemd dat juist dit lied een nationaal oudejaarslied is geworden. Zwolles burgemeester Rhijnvis Feith schreef het indertijd als nieuwjaarslied. Wie het goed leest, zal trouwens gauw ontdekken dat het echt om een nieuwjaarslied gaat, maar dat doet er niet toe, het wordt op oudejaar gezongen. En wat maakt het ook uit? Als de klok ’s nachts om twaalf uur slaat, is er geen verschil meer tussen oud en nieuw. Dat het zover is, blijft bepaald niet onopgemerkt: de klokken beginnen te luiden, de scheepsfluiten gaan gillen, de glazen worden geheven, vuurwerk gaat de lucht in. Een heidens kabaal al die gillende keukenmeiden, rotjes, vuurpijlen en wat dies meer zij. Op een paar gulden meer of minder wordt niet gekeken. Er gaat in een korte spanne tijd voor miljoenen de lucht in.
 

Hier en daar leven nog speciale gebruiken, zoals in Schildwolde waar men het kloksmeren kent. Kloksmeren is een mooi woord, al weet niemand of dat smeren nu op de klok of de keel van toepassing is. Half december is de kloksmeervergadering, waarbij iedere kloksmeerder zijn eigen traject krijgt aangewezen om het kloksmeergeld bij de bewoners op te halen. Dat is nodig om drank, worst en brood te kopen. Niemand vergeet in Schildwolde dat hij ook eens kloksmeerder is geweest, dus met de opbrengst zit het wel goed. Op oudejaarsavond begint het gebeier van de klok. Het duurt van acht uur op oudejaarsavond tot acht uur op nieuwjaarsdag. Het café is gelukkig aan de overkant, zodat iemand die niet aan het klokkentouw hangt, gemakkelijk even kan gaan doorsmeren. Op die avond komt het hele dorp in het café; er wordt een borreltje geschonken. Voor de gaande en komende man of vrouw. Iedereen wil wel eens zien of de kloksmeerders hun werk wel goed doen. En nog iets zinvols ook. Als er een voordelig saldo is, wordt dat geld voor een goed doel bestemd: hulp bij ongelukken, reisje voor de bejaarden of iets dergelijks.

 
In Dokkum gaat het weer anders. Op deze avond komt iedereen, ook de jeugd, naar de ‘zijl’, de sluis vlak voor het stadhuis. Als de klok twaalf slaat, wordt er gelukgewenst en omhelsd en trekt jong en oud door de straten. In Friesland is het in verschillende streken op oudejaarsavond oppassen geblazen. Men heeft de gewoonte alles wat ‘los zit’ te verplaatsen of naar een centrale plaats te slepen. Dus niets buiten laten staan; dan wordt het een hele toer om de eigendommen weer terug te vinden. De jeugd die aan de gang is geweest, blijkt bijzonder vindingrijk te zijn. Een fiets opgehangen in een boom is nog maar een kleinigheid; een boerenkar wil nog wel eens boven op een dak terechtkomen en om zo’n kar er weer af te halen wordt een hele klus op nieuwjaarsdag.
 
 
 
oudjaar
 
.
 
Jaarfeesten: alle artikelen
.
 

Vrijeschool in beeldjaarfeesten

.

986-913.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (8-2)

In dit artikel worden gebruiken beschreven ‘van vroeger”. Soms in de tegenwoordige tijd, alsof deze gebruiken er nog zijn. Dat is niet in alle gevallen zo.

OUDE GEBRUIKEN

Jeremias heeft ghesprocken.
Sint Nicolaas heeft nog maar net de aftocht geblazen om een jaar lang weer in Spanje uit te rusten of de kerstbomen komen op de markt. Iedereen komt zijn boompje uitzoeken om thuis zo feestelijk mogelijk op te tuigen met slingers, ballen, glinstertjes en kaarsen. Die kaarsen dreigen* in de verdrukking te komen nu de elektrische kerstboomversiering hand over hand toeneemt, maar zij die nog een beetje gevoel voor traditie hebben, houden het op het levende licht.
Traditie? De kerstboom met kaarsen is in ons land een vrij jong verschijnsel, overgewaaid uit buurland Duitsland waar men de kerstboom al heel lang kende. Pas na de eerste wereldoorlog werd de kerstboom ook in ons land meer algemeen. Nog aan het einde van de vorige eeuw* foeterde dr. Eelco Verwijs ‘Laat Duitschland zijn kerstboom’, maar het is er toch van gekomen, al was er dan vooral in orthodox-protestantse kringen nog vele jaren verzet tegen de kerstboom als een heidens gebruik. Ook de Duitse gewoonte om elkaar met Kerstmis geschenken te geven, neemt in Nederland toe; maar het blijft een zwakke afschaduwing van wat Sinterklaas te schenken heeft.
Kerstmis is in Nederland een huiselijk feest en dat is goed te merken. Men gaat bij voorkeur niet de straat op om het kerstfeest te vieren, de obligate kerkgang of de kerstmis (mis tot viering van Christus’ geboorte) op de avond voor Kerstmis daargelaten. Vroeger was dat wel anders. Vooral de kinderen kwamen op straat om kerstliederen te zingen; radio, televisie en grammofoonplaten waren nog niet uitgevonden. Het zingen toen was nodig om de stemming er in te brengen en – hoewel het repertoire ook straatliederen bevatte – het waren toch vooral kerstliederen die ten gehore werden gebracht, vaak in de hoop dat de geleverde inspanning een materieel beloninkje zou opleveren.
Jeremias heeft ghesprocken,
Dat Hij comen sal,
Uit Davids wortel ghesproten,
Die ons verlossen sal.
Het gezamenlijk buitenshuis zingen is niet helemaal verdwenen. Het is min of meer opgeleefd in de massale volkskerstzang die in verschillende grote steden wordt georganiseerd en waarvan die in Amsterdam een zekere vermaardheid gekregen heeft. Dan klinkt natuurlijk ook het Stille nacht, heilige nacht, dat in 1818 in het dorpje Oberndorf ten noorden van Salzburg ontstond. Uit nood geboren. Vlak voor Kerstmis raakte daar het orgel van de dorpskapel onklaar en er was geen tijd meer om het te repareren. Toen schreef de dorpsonderwijzer en organist van het nabijgelegen Arnsberg een kerstlied waarbij Josef Mohr de melodie componeerde. Een lied om samen te zingen nu het orgel kapot was. Zo ontstond Stille nacht, heilige nacht en het werd internationaal een van de populairste kerstliederen.

Ook de kerstkaart, waarvan er nu jaarlijks vele miljoenen over de hele wereld worden verzonden, werd bij toeval en uit nood geboren. De geschiedenis vertelt dat dat in 1843 was toen Henry Cole, de stichter van het Victoria and Albert Museum in Londen plotseling ontdekte dat hij geen tijd meer had om aan vrienden en relaties voor Kerstmis een brief te schrijven om hen het allerbeste toe te wensen. Goede raad was duur, maar de inventieve Cole vond een oplossing. Hij liet door de schilder J. C. Horsley een kaart ontwerpen. Deze kaart werd gedrukt en verzonden. Cole was zakenman genoeg om er wat meer te laten drukken die hij voor een shilling per stuk verkocht. Hij haalde er zelfs de pers mee, want een dagblad gaf van die eerste kerstkaart een uitvoerige beschrijving. ‘Een omlijsting van lofwerk in Duitse stijl deelde de kaart in een middenpaneel en twee zijstukken. De zijden waren gevuld met afbeeldingen van het spijzigen van de hongerigen en het kleden van de naakten; op het middenstuk werd een familie aan tafel getoond – een oude man, een jonge vrouw met haar man en enige kinderen – en zij waren weergegeven tijdens het uitbrengen van een heildronk met wijn.’ Niet alleen lof voor de eerste kerstkaart. Critici hekelden het feit dat kunst aan industrie werd gepaard doordat het kunstwerk door het te laten drukken was verveelvoudigd. Er waren er ook die vonden dat de afbeelding de dronkenschap zou bevorderen. De laatste jaren is in eigen land nogal kritiek geleverd op de folkloristische kerstkaartenrage als vorm van geldverspilling; bovendien zo traditioneel dat het allemaal niets meer zegt. Maar dat is één opvatting. Velen zouden de kerstkaart echt niet over boord willen zetten. Folklore of niet. Dat Kerstmis in aantocht is, kan men steeds goed merken in Gouda, de kaarsenstad. Daar wordt in de dagen voor Kerstmis de binnenstad in kaarslicht gezet. Duizenden kaarsen verlichten de gevels en een kolossale kerstboom op het marktplein draagt een ontelbaar aantal kaarsen.

Er is ook feeststemming in het Gelderse rivierengebied waar in Tiel de indrukwekkende kerstveiling van het zogenoemde hardfruit – appels en peren – wordt gehouden. Voor het fruit geveild wordt, kan het publiek in de grote veilinghallen de fruitmozaïeken bewonderen. En het publiek kan zelf ook veilen. Iets waar men letterlijk bij staat te watertanden.
Regelrechte confrontatie met hét onderwerp van Kerstmis – de herdenking van de geboorte van Christus -wordt in Rijen, tien kilometer van Breda geboden. Daar is tegen Kerstmis het kerstdorp Klein Bethlehem te bezichtigen. Op een stuk land ter grootte van een voetbalveld wordt Bethlehem herbouwd met stadsmuren, poorten, het paleis van Herodes en natuurlijk de kerststal. In en rond de kerststal lopen tientallen dieren: schapen, kamelen, de ezel, de os. Er staan levensgrote mensenfiguren, gekleed volgens de traditie uit de tijd van Christus.
Ook elders vindt men openbare kerststallen zoals in Den Bosch, terwijl in de schaapskooi in Rheden op het landgoed Heuven de typische kerstsfeer wordt weergegeven op de avond voor Kerstmis. De schaapherder leest dan voor wie het horen wil het kerstevangelie. Wie daar gaat kijken, moet er aan denken dat volgens een oud verhaal de dieren op kerstavond met elkaar praten. Alleen wie rein van hart en geweten is, kan het horen! Wel van te voren informeren, bijvoorbeeld bij de V.V.V., want dit is nu zo’n gebruik dat zo weer verdwijnt.

Konijn, haas, fazant, gans, kalkoen; het zijn typische

kerstlekkernijen die met veel smaak en goed gegarneerd worden verorberd. Daarnaast natuurlijk kerstbrood en de uit Engeland overgewaaide plumpudding. Heel speciaal voor deze gelegenheid is de Noordhollandse duivekater, een soort cakebrood, waarvan het echte recept een zorgvuldig bewaard bedrijfsgeheim is. Een echt oud-Hollandse lekkernij die men zeker eens moet hebben gegeten. En bij dit alles niet vergeten wat een oude dichter eens voor Kerstmis schreef.
Ghy swemt dan in ruyme weelden,
in leckerney, in lust, in bancketteren.
Maar er is meer waaraan men op deze dag moet denken, want hij gaat voort met:
Vermeut o mensch dyn leven,
doet op de poort van ’t slaperich hert en ooren
siet hoe d’Engeltjens sweven
wiens zoet gejuyg ghij kennelyck meugt hooren.
Tweede kerstdag is vroeger in vele streken van ons land een wilde dag geweest; de naamdag van Sint Stefanus of Sint Steffen. Er werden allerlei spelletjes gedaan, zoals het steffen uit de ton jagen, waarbij een kat uit een vat moest worden geknuppeld. De dierenbeschermers hebben voor dit wrede vermaak een stokje gestoken. In Drenthe trok de jeugd naar de boerderijen met hooi en oud brood om de koeien te voeren. Tegen de boer werd gezegd: ‘Ik steffen joe koe’ en dan moest die boer met wat centen of een goed belegde boterham over de brug komen. Er werd ook gezongen.
Hum, koe, hum,
Sunt Steffen is gekomen.
Hard gelopen; duur verkopen.
Honderd gulden veur die koe
En een dikke stoetbrugg toe.
In Gorssel heeft men nog steeds* het Sint Steffenrijden in ere gehouden, waarbij een bepaalde groep een tocht te paard maakt; het paard wordt die dag afgereden. Dat is een gebruik dat van vader op zoon overgaat. Alleen weinigen weten nog waar het vandaan komt.
.
*Uit ‘Shell-Journaal van Nederlandse  folklore 1972

.

kerstmis: alle artikelen
jaarfeesten: alle artikelen

.

985-912

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (22)

.

DRIEKONINGEN

De winter is de tijd van abstractie. De bomen zijn kaal, onbekleed is de natuur en naakt tonen zich haar patronen. Naar hun silhouet kan men het wezen der bomen nu goed onderscheiden!
Zo gaat nu ook de mens nadenken, zijn ervaringsbeelden afpellen om er de les uit te trekken en dan het beeld op te ruimen, lezend, denkend en tezamen sprekend, bij lampschijnsel in het besloten huis, ontdekt men de achtergronden der feiten, de zin van het gebeuren.
De kinderen doen spelletjes die overblijfselen zijn van heilige handelingen der volwassenen in een ver verleden. Dansen en optochten  die het wezen van een seizoen uitbeelden.
Op elf november vierden zij Sint – Maarten, gingen in optocht door het dorp, elk met een uitgeholde mangelwortel, waarin venstertjes waren uitgesneden, en een lichtje binnenin. Wat stelde dat voor?
Het lichaam waar het licht van de geest door uitschijnt!
Een ander maal spelen zij Jan Huygen. Eén kind staat middenin; de andere, in een kring er om heen dansend en zingend:
.
Jan Huygen in de ton met een hoepeltje erom
Jan Huygen, Jan Huygen,
en de ton die viel in duigen!
.
De kring, die de ton vormde, waar Jan Huygen in zat, wordt op die laatste regel verbroken en de kinderen, als de duigen, tuimelen gierend van de pret over de grond.
De ton is de levensvorm, die in het najaar ontbonden wordt. Maar J.H., het geestelijk wezen, dat zich van de stoffelijke belichaming bediende, dat is gebleven en komt nu des te duidelijker uit!
De kersttijd wordt besloten met het feest van Driekoningen, op 6 jan. Na de 12 heilige nachten van 24 december tot 5 jan. is dit de dertiende dag, waarop men voor’t eerst weer bonen mag eten. Daarom zit in het Driekoningenbrood een heilige boon verstopt.

De kersttijd is immers de tijd waarin de levensgeest neerdaalt in de stof met een nieuwe uitstorting van zonnekracht voor de mensen. Hij grijpt aan in de bonen, de zaden de bollen in alle kiemen die verborgen zijn in de moederschoot der aarde. Het is de heilige tijd der conceptie. Nu hebben de kiemen de heilige zonnekrachten ontvangen en kunnen gaan groeien. Zo verborgen als zij in de aarde, ligt de heilige boon in het driekoningenbrood.

Een Oudhollands kinderspel op driekoningenavond is ‘het kaarsje aan de deur”.
De kinderen dansen in een kring om een brandend kaarsje. Drie van hen zijn verkleed als de drie koningen, waarvan één, de Zwarte Melkert*, een zwarte Jood uit Abessinië was. Daarom heeft het kind dat koning Melchior voorstelt, zijn gezicht roetzwart gemaakt. Dan zingen zij onder het dansen:
.
Vinger in de roet, wie er mee doet!
Vanavond, met een kaarsje,
met ’n lichtje aan de deur,
hoezee!
.
Op de laatste regel laten zij elkaar los en rollen over de grond. Evenals in J.H. wordt de stoffelijke vorm ontbonden en wordt de heilige geestelijke kern zichtbaar.
De zwarte Melchior werd later Zwarte Piet. In het Friese dorp Grouw wordt op 6 jan., dus op driekoningen, het feest gevierd van Zwarte Piet, zonder Sinterklaas. (In dit artikel is sprake van in februari)
Elk van de driekoningen beeldt een deel van de mens uit.
Zwart is de kleur van stof. Het is de rouwkleur in die materialistische landen, waar men staart op het stoffelijk overschot en zijn vergankelijkheid. Terwijl toch juist de geestvonk door het afvallen van het stoffelijk kleed bevrijd is! De zwarte koning Melchior beeldt het stoffelijk lichaam van de mens uit. Hij bracht de bittere mirre mee: een kostbare medicijn, die als tonicum en antisepticum het stoffelijk lichaam versterkt. Koning Caspar bracht het goud mee, dat behoort bij het hart en het gevoel, het astraal lichaam van de mens, dat, als het rein is gevoelens bergt, zuiver als goud. En koning Balthasar voerde de wierook mee, Weih-rauch gewijde rook van het hars van de boom olibanum. De wolken wierookgeur behoren tot het luchtelement, zij stijgen ten hemel zoals de gedachten die zich tot God verheffen. De wierook beeldt het verheven denken uit, het mentaal lichaam van de mens.
Wilsdaad, gevoel en verstand: dat zijn de drie koningen in de mens, die zijn karakter tezamen binden. Als een vat, waarin het wezen, de geestvonk, besloten is en wonen mag.
De drie koningen brachten hun gaven mee voor de godszoon. De drie lichamen of vermogens van de mens zijn er voor het geestlicht van binnen. Opdat het ze heilige en er doorheen schijne naar buiten.
In de heilige wintertijd zien wij het onverhulde licht zelf. Opdat wij het kennen en later zullen herkennen, ook door de bekleedsels heen.
.
Ieder mens draagt het licht.

.

(De Kaarsvlam, 27-01-1973)

.

*In het Oberuferer driekoningenspel heten de koningen Melchior (rood gekleed; goud), Balthasar (blauw gekleed; wierook), de donker kleurige Caspar, groen gekleed: mirre).

.

Driekoningen: alle artikelen

.

981-908

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen – (21)

 

 

goud, wierook en mirre

Zij, die aan het kind in de kribbe de symbolen gebracht hebben, of beter gezegd de symbolische gaven goud, wierook en mirre, zij hebben van de sterren afgelezen op de manier van een duizenden jaren oude wetenschap, het mysterie van de geboorte uit de Maagd – dus het kerstmysterie. En zij, de wijzen met het goud, de wierook en de mirre, waren op die manier zoals de oude wijsheid dit opvatte, astrologen; zij waren op de hoogte met die geestelijke processen die zich in de kosmos afspelen, wanneer bepaalde tekens zich aan de hemel vertonen.

Zo’n teken was voor hen dat in de nacht van 24 op 25 december – in het jaar dat wij tegenwoordig als het geboortejaar van Christus Jezus benoemen – toen de zon, het grote wereldsymbool van de wereldverlosser, vanuit het hemelgewelf neerfonkelde uit het sterrenbeeld van de maagd. Zij zeiden: wanneer de constellatie aan de hemel zichtbaar zal zijn, dat de zon in de nacht van 24 op 25 december in het sterrenbeeld maagd staat – dan zal er met de aarde een belangrijke verandering plaatsvinden. Dan is de tijd aangebroken dat wij het goud, d.w.z. het symbool van onze kennis van het goddelijk wereldbestuur, dat we tot nog toe alleen in de constellatie van de sterren hebben gezocht, zullen brengen aan de weerkende kracht die nu deel wordt van de ontwikkeling der mensheid op aarde;
dat wij de wierook die tegelijkertijd de hoogste menselijke deugd symboliseert, zo kunnen offeren dat wij ons om deze hoogste menselijke deugd ten uitvoer te kunnen brengen, ons verbinden met de kracht die van Christus uitgaat, die geboren zal worden in die menselijke persoon  die wij de wierook als symbolische gave brengen; en ten derde de mirre –als het symbool van wat eeuwig is in de mens. Wat wij als verbonden gevoeld hebben door de millennia heen met de krachten die uit de sterrenconstellaties ons een taal spreken, wij zoeken het verder, wanneer wij het als gave brengen aan hem die de mensheid een nieuwe impuls zal geven. Wij zoeken onze onsterfelijkheid ddor onze ziel te verbinden aan de impuls van Christus Jezus. Wanneer uit de maagd het kosmische symbool van de wereldkracht, de zonnewereldkracht, neerwaarts lichten zal, dan zal er een nieuwe tijd op aarde aanbreken.

Zo werd het geloofd, zo werd het gezien gedurende duizenden jaren. En toen de wijzen zich geroepen voelden de wijsheid van het goddelijke, het menselijke gevoel van de deugd, het tastend voelen van de menselijke onsterfelijkheid – symbolisch uitgedrukt in goud, wierook en mirre – aan de voeten van het goddelijke kind te leggen, herhaalden ze als een historische gebeurtenis wat in talloze mysteriën, in talloze offerhandelingen door de duizenden jaren heen, even symbolisch gedaan werd, toen ze als een profetische verwijzing naar de gebeurtenis die zou beginnen wanneer de zon om middernacht van 24 op 25 december vanuit de maagd vanuit de hemel neerwaarts zou schijnen, aan het symbolische godskind dat in de oude tempels als de representant van de zon behoed werd, in deze kerstnacht schonken: goud, wierook en mirre.

Rudolf Steiner: GA 180/9

Driekoningen: alle artikelen

978-905

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten -Kerstmis (32)

van een natuurfeest tot het kerstfeest

Stel je eens voor dat de zon steeds maar kleiner wordt en een kleinere boog gaat beschrijven aan de hemel. Voor ons, met al onze kennis, is dat niet zo vreemd, wij weten immers wat er gebeurt. Maar voor oude volkeren moet het korten van de dagen en het afnemen van het licht wel beangstigend zijn geweest, zoals zo veel natuurverschijnselen om hen heen.

Zij beschikten immers nog niet over de wetenschap waarmee zij alles konden verklaren. De zon betekende voor oude volkeren in de eerste plaats licht, daarnaast ook warmte en voeding, want wat ze aten was afhankelijk van de zon. De zon was dus noodzakelijk om te overleven.

Dit alles zorgde ervoor dat er allerlei mythische verhalen ontstonden over wat er allemaal was gebeurd in het donker, terwijl de goden en demonen op dat moment in een strijd waren gewikkeld om de zon te veroveren.

Daarnaast vierden veel volkeren op het noordelijk halfrond midden in de donkere winter een feest om de komst van het licht te begroeten. Deze winterzonnewende was van groot belang. Men vierde er de terugkeer van het zonlicht, dat met het lengen der dagen nieuw leven zou brengen.

Rituelen
In de culturen van bijna alle natuurvolkeren werd het ‘keren van de zon’ als een regelmatig terugkerend verschijnsel gezien. Vanouds werd in de rituelen dan ook veel aandacht besteed aan de beide jaarlijkse zonnewendedagen (bij benadering: 21 december en 21 juni.) Vooral aan de winterzonnewende, die periode van het jaar dat de zon als het ware tot stilstand komt in haar laagste stand boven de horizon, hechtte men veel belang. Daar de eerste nacht van de winter de langste nacht is, en vanaf hier de dagen lengen en het licht en de warmte van de zon vermeerderen, werd deze nacht verondersteld het moment te zijn van de wedergeboorte van de zon.

Zo vierden de Germanen rond 25 december joelfeesten. Dat waren feesten van dankbaarheid voor wat geweest was en hoop voor wat nog kwam. Ze duurden dertien dagen en twaalf nachten (van 24 december tot 6 januari) en sloten direct aan op de grote slachttijd. Er werd niet gewerkt, maar wel veel gegeten, gedronken en lawaai gemaakt. Ook werden er enorme vreugdevuren aangestoken in een poging om de stervende zon te laten herleven.

De Romeinen
Mithras, een zonnegod die al voorkomt in de Vedische geschriften van India, werd vooral populair in Perzië als beschermer van de onschuldigen en als bemiddelaar tussen het zuiver hemelse licht en de aardse corruptie ervan. Herders waren getuige hoe hij uit een rots geboren werd als aanvoerder van de lichtlegioenen, die streden tegen de machten der duisternis. In het bijzonder dit laatste zou hem zo populair maken bij de soldaten van de Romeinse legioenen. Zij brachten hem in de eerste eeuw voor Christus mee uit het Oosten. Omdat de Romeinse legers ’overal’ heen trokken, verspreidde de cultus van Mithras zich snel en het duurde niet lang of het Mithrasïsme werd de belangrijkste godsdienst van het Romeinse rijk.
Opvallend zijn trouwens de parallellen met het christendom. Zo werd van Mithras verteld dat hij gestorven was en weer opgestaan en zijn vereerders dronken symbolisch zijn bloed om zo te vieren dat hij in hen zelf opnieuw geboren werd. In Rome zelf wemelde het in de 3e eeuw trouwens van mensenreddende goden of godenzonen. En van bijna allemaal werd de geboorte in december gevierd in de buurt van de winterzonnewende.

In 274 werd het keizer Aurelianus te bar en hij verordonneerde dat al die feesten op één dag gebundeld moesten worden en wel op de 25ste december, de feestdag van de Sol Invinctus (de onoverwinnelijke zon). En aan het hoofd van heel die godenschare benoemde hij Mithras, die volgens de mythe ook op 25 december geboren was, tot staatsgod.

Toen het christendom zich verspreidde over het Romeinse rijk werden steeds meer Romeinen christen. Zij bleven echter het feest van Mithras op 25 december vieren. Omdat dat feest, het feest van de onoverwinnelijke zon, gemakkelijk te combineren was met het feest van Jezus als het Licht der wereld (men wist immers niet wanneer Jezus geboren was) besloot paus Liberius in het jaar 354 dat voortaan de geboorte van Jezus op 25 december gevierd moest worden met een speciale ’Christusmis’ (Kerstmis).

Aanpassingen
Dit soort aanpassingen deed de kerk overigens vaker. Want naarmate het christendom zich meer en meer uitbreidde onder ‘heidense’ volkeren, kwamen ook steeds meer ‘heidense’ gebruiken de leefwereld van de christenen binnen. Het was belangrijk voor de kerk deze te christianiseren om niet ten onder te gaan. Zo heeft ze kunnen integreren in de cultuur van vele volkeren.

Omdat de christelijke beweging in het begin zo sterk was, misschien wel dankzij de ernstige vervolgingen waaronder zij in de eerste eeuwen te lijden had, verdween de verering van Mithras steeds meer naar de achtergrond, zeker na de bekering van keizer Constantijn de Grote tot het christendom. Vanaf die tijd wordt er steeds meer aandacht gegeven aan de geboorte van Jezus en ontwikkelt het kerstfeest zich tot het feest dat wij tegenwoordig kennen. Buiten proporties gegroeid, vieren we nog steeds hetzelfde als de oude volkeren: de warmte, de knusheid en gezelligheid midden in de kilheid en tegenwoordig voor veel mensen, de eenzaamheid van de wintermaanden. Laten we het Licht daarbij niet vergeten.

Theo Hofland in een regionaal dagblad, nadere gegevens onbekend

Kerstmis: alle artikelen

.

974-901

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (31)

het donkere gat tussen os en ezel

Dagen, soms wel een hele week, mochten we niet in de voorkamer komen. De mooie kamer. Zelfs op zondag niet. Want ook op die dag werd er gewerkt. De stoelen gingen aan de kant. De tafel werd ergens anders opgeslagen en als de geur van warme worstenbroodjes uit de oven van het fornuis kwam, mochten we binnen. Kerstmis. Het was een sprookje. In een week tijd was Bethlehem en wijde omgeving compleet in onze voorkamer overgeplant De kamer was Bethlehem geworden. Honderden lampjes flonkerden in de blauwe hardboardhemel. Weggetjes slingerden zich wit onder piepkleine lantaarntjes omhoog in de papieren rotsformatie. Een wand vol Alpen. Plukjes schapen keken op van mossige weitjes of spiegelden zich in waterpartijtjes.
Midden in dat gigantische land brandde een piepklein lampje in een stalletje. Daar woonden ze. Tijdelijk, omdat er in de herberg een steenworpje verderop geen plaats was.

Weken lang tot 2 februari, Maria Lichtmis, was Israël een flinke lap grond kwijt en Judea samen met Lucas II  l-14 bij ons in de voorkamer te gast.

En niet alleen bij ons. In veel huiskamers waren ‘stalmeesters’ keihard aan het werk om Kerstmis vorm te geven. Er was er zelfs een, zo werd gefluisterd, die een electrische trein tussen Bethlehem en de stal had lopen.

Elk jaar opnieuw worden de kerststalletjes van stal gehaald. Soms uitbundig, dan weer jarenlang rustig. Een simpel stalletje. De stal als tijdsbeeld. Dwarrelende plukken engelenhaar, glitterballen, gipsen heiligen, nog grotere kerstbomen. En na de nachtmis: worstenbroodjes, stollen, een plas of een plats, balkenbrei of kerboet.

Maar niet alles is heilig pal onder de plek waar de drie stralen door één schieten. Daar zou het engeltje een kleur van kunnen krijgen.

Een Tour de Noël door de oude boeken van het kerstverhaal Op zoek naar het licht in het donkere gat tussen os en ezel.

De kerstboom, de bijl van St. Winifried, worstenbroodjes en balkenbrij

‘We dromen naar Kerstmis toe,
het is in ons hart geweven…’

De eerste regels van een warm kerstgedicht gemaakt op een stille middag oog in oog met de kerststal, met de kerstboom. Een piek in de top, een engeltje ter bewaking van het prille geluk in de schaduw van de os en de ezel.

Een vredig tafereel. Niets is er te horen van het briesen en stampvoeten van de de blonde Germaan Winifried, ergens tijdens een koude winternacht in het jaar 725.
Winifried was een van de eerste brengers van het evangelie die in Noorwegen de Scandinaviërs probeerde te bekeren. Geen makkelijke opgave, want de druïden hadden een dikke vinger in de toverpap. Onder de leiding van die druïde kwamen de Noormannen onder de heilige eik van Donar bij elkaar om de dondergod te vereren. Telkens als Winfried dat zag, bad hij tot zijn god om hulp. Maar hij hoorde niets terug.

Tot die koude decemberwinternacht. Winifried wandelde door het grote woud en kwam oog in oog te staan met de Heilige Eik. Maar er was meer: vlakbij zag Winifried hoe een stel woeste barbaren met iets bezig waren: een klein kind. Winifried had niet veel nodig om te begrijpen dat dat kleine kind aan de god Donar geofferd zou worden. Dat was teveel. Hij ontstak in woede, sprong naar voren, het kind onder de wrede handen van de woestelingen weg en pakte een bijl. Met ferme klappen viel hij de Heilige Eik aan. De barbaren hielden hun adem in. Donar zou dat nooit toelaten en met donder en bliksem die blonde Germaan mores leren.

Geraas
Maar er gebeurde niets. De Noormannen waren sprakeloos. Iemand die geen ontzag had voor de donderdergod Donar en ook niet gestraft werd…. Terwijl de eerbied voor de prediker met elke klap toenam, brak een donderend geraas los. Geen Donargedonder, maar de laatste splinters die de gigantische eik nog aan de wortels bond, werden gebroken en met een daverend geweld klapte de woudreus als een toren naar beneden. Niets ontziend, alles meesleurend, bomen brekend.

Behalve…… een jonge den.

Het boompje bleef onbeschadigd en zoals het in het scenario van een goede legende altijd geregeld is: geheel onverwacht brak een straal maanlicht door de donkere wolken en zette de naalden in een zilveren glans. Een wonder, dachten de mannen met baarden en Winifried sprak de historische woorden: „Dit boompje zal vanavond uw heilige boom zijn. Zijn hout is het hout van de vrede, want uw huizen zijn van dennenbomen gebouwd. Hij is het teken van het eeuwige leven, want zijn tooi is altijd groen. Zie, hoe hij naar de hemel wijst. Het is de boom van het Christkind.”

En het was de Eerste Kerstdag.

Winifried zelf: hij had succes, bekeerde bossen Noormannen en werd beloond met de titel ‘St’

Voorgebakken
Waar of niet waar. „’t Is echter een gewoon verschijnsel in de geschiedenis van het Christendom, dat de kerk een heidensch feest, dat niet zo gemakkelijk was uit te roeien, annexeerde door er een christelijke beteekenis aan te geven”, zo staat in het boek Mozaik Tegels uit 1892.
De schrijver F.W. Drijver heeft het over de accommodatie- of verzoeningstheorie en legt uit: het is hem opgevallen dat het Kerstfeest samenvalt met het Joodse feest van de Tempelreiniging en het heidense feest Saturnalia. De Saturnaliën werden eind december na de oogst gevierd ter ere van Saturnus, de god van de landbouw. Aan het feest van de Romeinse god was ook de zogenaamde Brumalia verbonden, het feest van de kortste dag, dat door Julius Caesar zelf met enig historisch besef op 25 december was vastgesteld. „Die dag, ook solstitium, zonnestilstand, of dies natalis invicti solis, geboortedag der onoverwinlijke zon geheeten, kan misschien de overgang gevormd hebben tusschen ’t feest der Heidenen en dat der Christenen.”

Maar niet alleen de Romeinen hadden feest. Ook de Germanen in de noordelijke bossen vierden hun midwinterfeest, de Joeltijd, het feest ter ere van de zon, die na de korste dag aan een nieuw leven begon. Joel staat voor toverij. De aarde die ontwaakt in nieuw leven, het begin van dertien dagen Joelfeest

Van 25 december tot 6 januari was een tijd van rust voor de zon en voor de mensen. Een feesttijd van dertien dagen, waarvan de laatste als dertiendag gevierd werd en nu nog als Driekoningen.

Maar het was dé tijd voor de geesten, de elfen, de nixen en de nimfen om los te breken in een nieuw leven. Ze trekken met vliegende vendels over de aarde. „Woeste horden”, staat er in het volkskundig leesboek voor de lagere scholen uit 1931. „Nu moet er ook geofferd worden aan de god der vruchtbaarheid, aan Wo- dan; onder ’t winterkleed vergadert de aarde nieuwe levenskrachten, en ’t is Wodan, die dat alles schikt en die over dat alles zijn zegenende zorg doet gaan. Nu verheugt men zich bij dans en drank….”

Eten
En wat zegt de schrijver Drijver: voor de zendelingen was het een makkie om een feest dat bij de heidenen al bestond een Christelijk betekenis aan te geven. Een voorgebakken feest, inclusief heidense gebruiken.

Het klokgelui in de kerstnacht om de boze geesten te verjagen, de midwintersboom. Het gebruik bij onze oosterburen om elkaar met kerst geschenken te geven: het is een oud Germaans gebruik, de ‘Jul-klapper’, de Joelcadeautjes in het Zweeds. Het branden van het kerstblok, dat in veel landen wordt gedaan, de ‘Souche de Noël’ in Frankrijk, de Letten noemen kerstavond zelfs ’Bluckewart’ blokavond. In sommige delen van Nederland werd vroeger de Kerststobbe op het vuur gelegd, het kerstblok. In een charter van 1264 gaven de schepenen van Susteren aan ieder de vrijheid om tegen kerstmis een kerststobbe uit het bos te halen.
Allemaal staat het in verbinding met de vuren van de Germaanse eredienst, zeggen historici.

Offer
En het eten. Het schoolboekje uit 1931 heeft het over de de ‘dikke vretaovond1  zoals die in de Gelderse Achterhoek werd genoemd. De Kerstnacht en eten. ‘Het kerstgebak’, zo schrijft de heer Drijver uit 1892, „dat mede afstamt uit de heidensche oudheid, toen men nog godenbeelden van deeg maakte.”
De krakeling, met de vier spaken, het zinnebeeld van de Zonnegod. Het kerstbrood is niets anders dan een overblijfsel van de oude offermaaltijden, waarbij koeken een zinnebeeldige vorm hadden. De benaming duvekater voor kerstbrood, bepaald geen heilige naam.

Eten: later het worstenbroodje, balkenbrij dampend op tafel na de nachtmis. De smaak van Kerstmis.

Het donkere gat tussen os en ezel: heidense gebruiken, Germanen, Wodan, Donar, duvekater, offerbrood.

Zo leert het leesboek uit 1931:
„De dieren vertellen van het kerstfeit:
De haan kraait: Kin..detje ge- bóren”..
De duif roept: „Woe.. woar?”
Het lam zegt: „In Bê.. .t.lêm”

„Zeker, nog leeft het geloof, dat de Kerstnacht, zooals Midwinternacht weleer, een toovernacht is, voort.”

Hans Jacobs, De Gelderlander, 15 december 1989

Kerstmis, alle artikelen

972-899

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent en Kerst in de kleuterklas

.

ADVENT EN KERSTMIS 

Na de herfststormen met dwarrelende bladeren, vallende vruchten met felle kleuren, komt er nu een tijd van verwachting. Waarin we ook stil kunnen worden van een brandende kaars, een mooie kerstboom óf van het kerststalletje met Jozef en Maria.

Een heel andere tijd, de advent, waarin we langzaam met de kinderen toeleven naar het kerstfeest, de geboorte van Jezus.

Deze tijd begint al op de eerste adventszondag, 29* november. Die maandag (30 nov.) wanneer de kinderen op school komen, gaan we met de kinderen het adventstuintje lopen. Een grote spiraal van dennengroen op de grond waarin het midden een grote kaars brandt. Ieder kind neemt dan zijn eigen kaarsje mee in de spiraal en loopt deze tot de grote kaars, steekt daar zijn kaarsje aan, zet deze dan neer in de spiraal en loopt weer terug. Ondertussen zingen wij er steeds een liedje bij tot ieder is geweest. Als we dan weer terug in de klas zijn, steken we de eerste kaars aan van de adventskrans. Ook zien de kinderen dat de jaartafel anders is, want dan staat er alleen het kerststalletje nog maar met in de verte herders, verder nog wat sterren.

Photo from anoukert

Ook openen we die dag het eerste luikje van de adventskalender en begin ik het eerste deel van het kerstverhaal te vertellen. Wat later op de dag beginnen we ook met het kaarsen trekken. Al vroeg zijn we begonnen met de was te smelten en als het zacht genoeg is dopen de kinderen er om de beurt hun lontje in en hangen we ze aan het rek te drogen. Het beeld is erg mooi, want de bijenwas is uit het zonlicht gemaakt door de bijen en de bloemen en zal ons, wanneer de kaars klaar is, licht geven en een heerlijke geur. Ook zullen we in die eerste advents- week met het kerstspelletje beginnen wat de kinderen misschien later opvoeren.

Al deze dingen zullen zich iedere dag herhalen behalve het adventstuintje, dat doen we één keer. Verder zal er elke dag een luikje van de kalender opengaan en iedere dag vertel ik een stukje van het kerstverhaal.

In de tweede adventsweek een stukje verder en in de derde week nog verder en op het kerstfeest vertel ik het helemaal aan de kinderen. Zo ook met de adventskrans. Iedere week zal er één kaars bij gaan branden tot ze alle vier branden. En elke dag gaan we verder met ons kaarsje te trekken. Zo gaan we ons voorbereiden op het kerstfeest in een stille verwachting. Op de jaartafel zal er ook iedere week iets veranderen.

Steeds dichter komen Jozef en Maria bij het kerststalletje en wanneer ze er in zijn en het kindje ligt in de kribbe en alle luikjes van de adventskalender zijn open, dan vieren we het kerstfeest. In die laatste week zal er ook de kerstboom staan met de rode en witte rozen en echte kaarsjes.

Nu, in de eerste adventsweek is er ook nog een feest, het Sint-Nicolaasfeest, waar de kinderen in alle spanning naar uitkijken. Op deze dag zal Sint-Nicolaas even in de klas zijn en gaan we voor hem zingen. Van tevoren hebben we zijn stoel mooi versierd, ook een voor Zwarte Piet. Ook maken we een mooi cadeau voor hem en misschien heeft hij ook wel iets voor ons meegenomen. Dit is een spannend en leuk feest, wat echt goed past in die eerste adventsweek. Om dan daarna naar het kerstfeest toe te gaan leven in volle verwachting. Nu praten de kinderen er al over, wat straks gaat gebeuren. Ik hoop echt, dat het een fijne gezellige kersttijd gaat worden, want na deze tijd zal het driekoningenfeest zijn, maar eerst het kerstfeest, waar we echt van gaan genieten.

Annemiek Slotboom
*in het jaar waarin dit artikel werd geschreven – onbekend

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Advent: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

liedjes voor de feesten vind je hier

957-886

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Nicolaas (31)

.

Vijf december, ha dat is de blijde dag
.

Er kunnen boeken vol worden geschreven over het belangwekkendste, interessantste, merkwaardigste, oudste, bekendste feest op folkloristisch gebied. Wat men ook wil beweren, Sint-Nicolaas zal altijd hoge ogen gooien bij zo’n vergelijking. En er zullen ook nog mensen zijn die zich waarachtig en principieel keren tegen de goedheilig man.

Luister naar dit stukje proza.
‘Wat nu de St. Nicolaes- avonden belangt, die insonderheyt in deze onse Stadt Amstelredamme tot een blaem van onse Reformatie geviert ende jaerlijks onderhouden worden, het is niet ande’rs als een versiert en afgodisch werck.’

Zo foeterde dominee Wittewrongel in een oud boekje Christelicke Huyshouding. Na verteld te hebben dat de verhalen over Sint-Nicolaas ‘leugenachtige legenden’ zijn, vervolgt hij: ‘Wie en siet oock niet, dat de vruchten van de St. Nicolaesavonden, onvruchtbaer wercken der duysternisse zijn? Dat men sijne kinderen onderwesen heeft hare schoenen oock in de schouwe te hangen opdat desen Sint-Nicolaes oock daer iets goed in mochte bringen? Zijn het oock niet dagen van enckel weelde en wellust geweest, sal men nu noch geloove ende vertrouwen willen stellen op eenen Afgodt? Van eenen versierden Sant so veel wercks maken? Konnen versierde fabulen ende leugenen van een afghesette Sant noch goede vruchten geven? Wie en siet oock niet dat de vruchten van de St. Nicolaesavonden ongodsdienstige wercken der duysternisse zijn? En grouwelijcke afgoderijen? Voorwaar, sulcke vermaek ende apenspel moet nootsaekeleick op het eynde eene bitterheid sijn.’

De eerwaarde Wittewrongel stond niet alleen. In de zestiende eeuw werden in verschillende steden keuren uitgegeven om aan openbare Sinterklaasvieringen paal en perk te stellen en in de ‘gereformeerde’ kerken werd op de zondag voor 5 december met klem tegen de ‘Spaanse’ bisschop gepreekt. Het protestantse verzet tegen Sinterklaas is nooit helemaal verdwenen, al wordt het tegenwoordig weinig serieus genomen. Toch hoort men van tijd tot tijd nog van acties in streng calvinistische streken tegen ‘dit spotten met de heilige beginselen van de reformatie’, zoals een Staphorster raadslid dit in 1964 formuleerde.

Hoe vreemd het misschien mag lijken, toch werd een uit Klein Azië afkomstige, door de kerk nauwelijks erkende, heilige het middelpunt van Nederlands meest gevierde volksfeest. Om de verwarring nog groter te maken, komt hij ieder jaar uit Spanje per schip naar Nederland, waar hij te paard en omstuwd door Zwarte Pieten in vele steden en dorpen zijn glorieuze intocht houdt.

Hoewel 6 december de naamdag van Sint Nicolaas is, gaat het toch echt om 5 december; dat is de blijde dag.

De dag van pakjesavond, angst, beven, surprises, eten, snoepen, feest, pret, plezier. Daar is de nodige voorbereiding aan voorafgegaan. Dagen, soms reeds weken van tevoren, wordt door de kinderen voor het slapen gaan bij de schoorsteen gezongen. En waar geen schoorstenen meer zijn, wordt altijd wel een andere plaats gevonden waar de sinterklaasliedjes ten gehore worden gebracht. De schoen wordt gezet, gevuld met eten voor het paard en natuurlijk het verlanglijstje. Want daar gaat het om.

Piet komt alles hoogstpersoonlijk ophalen. De volgende dag ligt er een presentje in de schoen; een bewijs dat Sinterklaas bestaat en een voorproefje van wat nog komen gaat.

Sint Nicolaas 3

Op 5 december is de schoen te klein. Dan worden de pakjes vaak bij mandenvol, zakkenvol, krattenvol binnengedragen. Hier en daar verschijnt Sinterklaas in eigen persoon, spreekt een vermanend woord, prijst het kind dat goed zijn best deed, laat de Pieten pepernoten strooien, laat zijn cadeautjes achter en vertrekt snel naar het volgende adres. Want de goedheiligman heeft het, zoals iedereen, steeds drukker.

In de hoofdstad wordt het Sinterklaasfeest steeds zeer uitbundig gevierd. Dat is begrijpelijk want Sint- Nicolaas is niet alleen de schutspatroon van de zeevarenden, maar ook van Amsterdam. De eerste parochiekerk die hier in 1306 werd gesticht, werd opgedragen aan de bisschop van Myra en een van de bekendste kerken, recht tegenover de haven en het Centraal Station is nog steeds de Sint – Nicolaaskerk. Een oud liedje zegt heel terecht:

Sinterklaassie bisschop
Zet je hooge mutse op,
Trek je beste tabberd an,
Rij ermee naar Amsterdam.

Grote bekendheid kregen de Sinterklaasmarkten die van de zeventiende tot en met de negentiende eeuw op de Dam werden gehouden. Jos. Winkelmeyer heeft in zijn schetsen over oud-Amsterdam van zo’n markt – de laatste werd in 1836 gehouden – de volgende, levendige impressie gegeven.

’De Amsterdammers van elken stand stroomden daarheen, en onder het vroolijkste gewoel en gejoel kocht men de geschenken voor ouden en jongen. Men trakteerde elkaar op ‘Sinterclaeskoeck, amandel-broot, honincktaert en massepeyn’. Dan kwam de doedelzakblazer in de stad, en sprong op een ton, ergens in een hoekje op den Dam, bij een steegje en blies lustig zijn ’deuntgen’, terwijl de jeugd en de mannelijke leeftijd in uitgelaten vroolijkheid rondsprongen en dansten. Dan kwamen de reizende sprooksprekers of comedianten en sloegen hun schavot of plankier op, een stellaadje van planken op biertonnen of palen, en speelden hunne kluchten met een grappigheid, dat ’t volk het uitschaterde van het lachen. Dan vloog de komieke nar, met rinkelbellen behangen, links en rechts over den Dam, tot groot vermaak van iedereen.’

Sinds 1934 kent de hoofdstad het jaarlijks weerkerende feest van de ‘blijde inkomste’ van de goedheiligman. Gevolgd door praalwagens waarmee handel en industrie onderstrepen dat zij belang bij het Sinterklaasfeest hebben, rijdt Sint- Nicolaas dan door zijn stad. Aanvankelijk geschiedde de aankomst op de zaterdag voor de naamdag van Sinterklaas; de laatste jaren werd dit vervroegd, maar het blijft op zaterdag. Bij de Dam staat een beker bisschopswijn als traditionele begroetingsdronk te wachten. Vele Amsterdamse burgemeesters hebben in de loop der jaren de grijze maar vitale bisschop op plechtige en eerbiedige wijze welkom geheten, vroeger op het Stadhuis, daarna op de Dam.

Niet alleen Amsterdam weet wat Sinterklaasfeest is. Op de Waddeneilanden gebeurde en gebeurt er ook heel wat. Daar is Sinterklaas een heel apart feest. En daar gebeuren dan de gekste dingen.

Op Ameland heeft men in 1955 danig in het nauw gezeten of een zending buffelhorens wel op tijd zou aankomen. Die zending moest komen van missionaris De Jong in West-Afrika, een neef van wijlen kardinaal De Jong, die evenals zijn neef op Ameland werd geboren. Sinds eeuwen was er vrijwel in ieder huis van dit Waddeneiland ten minste één buffelhoren te vinden. Niemand scheen te weten waar die horens precies vandaan kwamen. Door het intensieve gebruik en het steeds toenemend aantal gebruikers moesten er nieuwe horens komen. Die horens zijn op tijd gekomen. Uit Afrika! Maar waarom? Om er op te blazen. Bij het feest van de Sunde- klazen. Inderdaad, niet te geloven. Maar absoluut waar. Want missionarissen laten wat Afrika en Sint Nicolaas betreft, niet met zich spotten. En zo konden dan de Amelanders op de oude en hun zo vertrouwde wijze Sinterklaas vieren: het feest van de Sundeklazen.

Ameland kent twee Sinterklaasavonden; de eerste op 4 december voor de jongens tot achttien jaar en de tweede of wel de grote Sundeklaasavond op 5 december, wanneer de mannen van boven de achttien jaar de straat op gaan. Let wel: het feest is een zuiver mannenfeest, waarbij een vermomming nodig is. Als een vrouw, zoals dat heet ‘in het pak’ kruipt, heeft zij een bijzonder slechte avond als de mannen dat merken. Mevrouw Van Brakel- Immink, de echtgenote van een Amelander predikant heeft in De Vrije Fries in 1929 beschreven wat er allemaal gebeurt.

‘Bij den echten Hollumer zit de onrust reeds de gehele dag in ’t huisgezin. Te ruim vier uur treft men op alle hoeken der straten, voornamelijk op ‘de Driesprong’ als centrum, troepjes jongemannen, omringd door kinderen, die angstig uitzien en bij elk verdacht witte aanblik uitroepen: ‘daar is er een’ en dan het bekende ba! ba! schreeuwen. Haastig lopend vrouwvolk, die je aan kunt zien dat ze anders zijn dan gewoon, haastig, onrustig, bang sommigen, vreugdevol, angstig. De spanning is er een van ‘vol verwachting klopt ons hart’ voor de te verwachten vreugdevolle avond. Van . . . zullen we ze kennen, wie wel en wie niet, hoe zullen ze zijn en hoeveel …’ Op 4 december, dus de kleine editie, gaan de jongens tegen de schemering de straat op. Zij zijn gehuld in lakens en kleden. Op 5 december komen de grote Sundeklazen, voorzien van de ons nu al bekende buffelhorens en onherkenbaar vermomd. De deuren van allerlei huizen staan voor de Sundeklazen open; in die huizen zit het vrouwvolk. De Sundeklazen kunnen nogal eens hardhandig en doortastend optreden, maar dat hoort er nu eenmaal bij. Het ideaal is onbekend te blijven. Wie dat bereikt, heeft de dag van zijn leven. Iedereen probeert door stemverdraaiing of anderszins zo min mogelijk op zichzelf te lijken. Wat de data 4 en 5 december betreft, nog wel één punt. Het kan vanwege zondagsheiliging ook op 7 en 8 december vallen. Dus vóór het verkleden wel informeren.

Op Terschelling kent men iets soortgelijks. Speciaal in Midsland trekken op 6 december verklede mannen en jongens met rammelende kettingen en veel getoeter door de straten. Vrouwen worden ook hier niet geduld. De deuren staan open en in de huizen worden de rondtrekkende personages getracteerd. ‘Sinterklaes koom krek as op de aest- en noardfriese eilânen in dei letter as op de feste wal, 6 December. Dà wy lyts wanen, ronne dir jongs op de borren grizige Sinterklazen mei grinzen foar, en mei swiere, izeren kettings. ’t Waes akelik om to sjean, mar tige lillike dingen dogen se toch net. It slimste hwat ik wit is, se trokken wol rys troch de krûme schorstienen binne in grette izeren pot fol koitsjende sikkelaet nei boppen: ’t koe dir boppen op sò’n dak eak sò tige kâld wèze.’

Zo vertelt Knop over zijn jeugd op het eiland; een verhaal dat vermoedelijk niet al te veel moeilijkheden bij het vertalen oplevert.

Sint - Nicolaas 4

Op Texel gaat het weer anders toe. Daar zijn ook twee data te vermelden. Op 5 december vindt het huiselijk feest plaats. Een week later wordt Oude Sunderklaas gevierd. Dat is een openbaar feest dat op straat plaats vindt. Als het op 12 december donker begint te worden, stromen verklede en mooi toegetakelde kinderen de straat op. Later op de avond komen de volwassenen. Met iedereen en met alles wordt de draak gestoken.

In De Cocksdorp trekken de Sunderklaasspelers van huis tot huis; daar staan alle deuren open. En zo wordt Oude Sunderklaas een feest van deinende, hossende mensen. De muziek schijnt nooit te stoppen en de feestvreugde lijkt nooit op te houden. Met slechts één doel: onbekend te blijven.

Een aardige variant op het sinterklaasfeest bestond in het Noord-Hollandse dorp Koedijk, waar op oudejaarsavond het feest van de Gouden Engel werd gevierd, dat in vele opzichten herinnert aan wat elders op 5 december gebeurt. Hier reed niet Sinterklaas maar de Gouden Engel rond om zijn geschenken te brengen. Over de oorsprong van deze verlate pakjesavond bestaan veel veronderstellingen. Een van de mooiste is wel dat Koedijk vroeger een vissersdorpje was en dat de vissers pas tegen het einde van het jaar thuiskwamen. Zij konden dus niet eerder het sintnicolaasfeest vieren. De benaming Gouden Engelfeest zou dan ontleend zijn aan het feit dat de mannen met goede vangsten in de thuishaven arriveerden. Zoals het hoort. Maar helaas. Oude Koedijkers weten er nog wel van mee te praten, maar ook in Koedijk komen mensen van elders wonen en dat nam die Gouden Engel niet. En zo is dit ook al weer een feest dat hard aan het verdwijnen is.

Sint Nicolaas is – dat kunnen wij uit de moderne psychologie leren – zo’n overheersende en dominerende persoonlijkheid dat wij er maar al te weinig bij stil staan dat hij – naar men zegt – ook nog een broer heeft gehad, die met hem op reis ging en meehielp bij de uitdeling van de geschenken en versnaperingen op zijn naamdag. Maar – hoe bestaat het? – zij kregen ruzie. Dat was in Friesland onder Irnsum bij de weg naar Grouw. Sint – Nicolaas wilde naar Leeuwarden, maar broerlief wilde eerst naar Grouw. De ruzie ging zover dat Sint-Nicolaas met alle geschenken naar Leeuwarden trok. Broer bleef achter in Irnsum. Wat mismoedig keerde hij terug naar Spanje om geschenken op te halen, omdat hij de kinderen van Grouw niet in de steek wilde laten. De vervoersmogelijkheden waren toen ook voor Sint – Nicolaas’ broer nog zeer beperkt en Sint – Pieter – dat was de naam van de broer – keerde pas op 21 februari in Grouw terug. Dat gebeurt nu nog. Op de vooravond van Sint- Pieter komt deze Sint nog steeds in Grouw aan; een figuur die verdacht veel op Sinterklaas lijkt. Hoe kan het ook anders. Natuurlijk wordt hij toegezongen en uiteraard in het Fries:

Sint Pietersdei,
Dan grienet de wei,
Dan keallet de kou,
Dan leit de hin,
Dan hat de hûsman
It nei syn sin.

Zij die de brave heilige Sinterklaas zo graag aan vruchtbaarheidsriten koppelen, krijgen ook hier hun zin. Het zit er bij Sint- Pieter dik in: de weilanden worden groen, de koe kalft, de kip legt een ei en de boer heeft het naar zijn zin.

Shell Journaal 1972

Vijf december, ha dat is de blijde dag: lied

Sint-Nicolaas: alle artikelen

956-885

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Maarten (22)

.

ZAL ONS LICHTJE BLIJVEN BRANDEN?
.

Ook dit jaar* zullen op 11 november de knollen weer uitgehold worden. We halen er het vruchtvlees uit, dat gerijpt werd door de zomerzon en plaatsen er ons lichtje in, ons eigen zielenlicht. Dit ritueel heeft zoveel waarde als je beseft hoe wezenlijk dit lichtje is.

Als de kinderen in de optocht door de straten lopen, merken ze hoe moeilijk het kan zijn om je lichtje brandende te houden. Vaak waait het, soms regent het, soms ook loop je te hard. Het beste is om dicht bij elkaar te lopen om licht en warmte bij ons te kunnen houden.

Om ons heen zien we de afstervende natuur. Voor veel men­sen is dit niet de makkelijkste tijd van het jaar. Een tijd die er vaak donker, somber, mistig en troosteloos uit kan zien. Velen kennen rond deze tijd het gevoel van: “Mijn licht gaat uit”. We moeten dan zoeken naar het licht, want dat licht dat is er, als we maar goed kijken. Het leven kent ook zijn schaduwkan­ten, maar waar schaduw is, is ook licht. Wij moeten ons lichtje in de gaten houden, het inwendige licht van ons zielenleven dat wij allemaal in ons dragen. Soms is het onzichtbaar door alles wat er van buitenaf in ons komt. Het licht in ons moet blijven branden, daar moeten wij voor waken, zodat het kan gaan stralen en wij anderen kunnen verlichten en verwarmen. 11 November is de dag van St-Maarten. Toen St.-Maarten, toen nog Martinus, als jonge soldaat van 16 jaar aan de stadspoort van Amiëns kwam, zag hij daar een bijna naakte bedelaar. Martinus was te paard en droeg een rode mantel. Toen Marti­nus de man zag, die bijna bevroor van de kou, pakte hij zijn zwaard en sneed de mantel in tweeën. Een deel gaf hij aan de bedelaar en het andere deel was voor hemzelf. Die nacht zag Martinus in zijn droom Christus. Christus was de bedelaar die hij met een deel van zijn mantel omhuld had. De herfstheiligen leiden ons door de tijd naar Kerstmis. Met het zwaard houdt St.-Michaël de draak in toom. Met de kracht die daarbij vrijkomt kunnen wij aan het werk gaan. Met het zwaard snijdt St.-Maarten zijn krijgsmantel in tweeën. De tijd wordt hier gesplitst. De ene helft is het verleden om ons mee te verwarmen, de andere helft is voor ons hoger ik, voor de toekomst en voor onze naasten. Het zwaard is het heden, het ogenblik waarin wij zelf altijd weer moeten handelen. Wij hebben onze tekortkomingen, maar ook veel goeds in ons. Wij kunnen anderen zoveel geven. De kracht komt van binnenuit, uit de ziel en met die zielenkracht kunnen wij op onze beurt de ander helpen.

Hier (in mij) woont een rijk man
die mij hewel veel geven kan
Lang zal hij (in mij) leven
veel zal hij geven
Zalig zal hij sterven
de hemel zal hij erven
God zal hem lonen
met honderd duizend kronen
met honderd duizend lichten! aan
hier komt Sinte Maarten aan.

Het is ook de tijd dat wij naar binnen trekken. Het is het laat­ste feest, dat we nog even buiten zijn. Zo is dat ook met ons­zelf. We moeten van deze tijd gebruik maken om ook bij ons­zelf naar binnen te gaan. Dat is niet altijd zo gemakkelijk, want je komt jezelf tegen en je ziet ook je tekortkomingen. Maar het is de enige manier om aan jezelf te kunnen werken. Dan komt St-Nicolaas als derde herfstheilige bij ons aan. “St.- Nicolaas wil helpen een beter mens te zijn, opdat het kerstlicht strale in onze harten rein”. Het sinterklaasfeest staat eigenlijk bol van symbolen. De Sint die over de daken rijdt is de verbin­ding tussen hemel en aarde. Zijn baard is de wijsheid en zijn ouderdom het eind van het jaar. Hij komt met zijn knecht, die ons nog eens op onze tekortkomingen wijst. Zoals wij dat doen met onze surpises. Dan de geschenken in de schoen, de schoen het symbool van onze levensweg. En zo zijn er nog veel meer op te noemen. De Sint leert ons blij te zijn met dat­gene dat je geschonken wordt om dan op jouw beurt te leren een ander iets te schenken. Het is dus niet alleen maar een kinderfeest, het heeft ons veel meer te zeggen. Dit feest staat aan het begin van de advent. Een tijd van stilte. De stilte waar­aan we ons meer zouden moeten overgeven. Het zijn de laat­ste weken van voorbereiding op het Kerstfeest.

Stil nu, stil nu,
maak nu geen gerucht.
Stil nu, stil nu,
het ruist al door de lucht.
Het wonder komt heel zachtjes aan,
’t kerstkind wil naar binnen gaan.

Het feest van de geboorte van Christus, de geboorte van het ­licht dat wij ieder jaar weer mogen ontvangen, zijn licht. Wij staan nu nog voor het feest van Sint-Maarten. We maken ons klaar om de weg verder te gaan, de weg die we na de zomer met St.-Michaël zijn begonnen. Zal ons lichtje blijven branden? Om mijn lichtje brandende te houden en te laten stralen, zodat het kan verlichten daar waar het op dat moment het hardst nodig is, kies ik er voor om wat langzamer te gaan lopen.

Een goede herfsttijd wens ik U allen toe.

(José Berlage-Veldhuizen, schoolkrant Vrijeschool Brabant, okt.*1996)

St.-Maarten: alle artikelen

938-868

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (15)

opspattend grind

Zwarte Piet verbleekt

Gisteravond verscheen in het 20-uurjournaal de directeur van de Haagse vrijeschool. Of hij de woordvoerder van alle Haagse basisscholen is, weet ik niet – in ieder geval is hij wèl de woordvoerder van de vrijeschool Den Haag. De scholen willen/moeten ‘maatschappelijk betrokken zijn’ en kunnen er dus niet om heen, iets aan het uiterlijk van Zwarte Piet te doen.
Ook de oudste vrijeschool in Nederland niet, lijkt het.

We zagen hoe Piet van bruin!-  steeds iets van kleur veranderend – zelfs een beetje blank werd. In ieder geval: lichter

Als het voor een groep mensen frustrerend is of als beledigend wordt ervaren dat Piet kenmerken vertoont die aan slavernij doen denken, dan moet het geen probleem zijn die kenmerken te veranderen: geen oorbellen, geen dikke lippen en geen kroeshaar, bv.

Maar wie de kleur wil veranderen, zegt daarmee dat Piet een vertegenwoordiger is van een ras. En dus, mag hij niet (donker)bruin zijn. En dus, zie je hem steeds lichter (bruin) worden.

Op dit punt hebben (of is het al hadden?) de vrijescholen een eigen taak.

Als jaarfeesten – vol symboliek – gevierd worden om kinderen BEELDEN mee te geven, dan is het Sint-Nicolaasfeest bij uitstek een symboolrijk feest.
In deze symboliek is Zwarte Piet geen vertegenwoordiger van een ras; geen symbool van een maatschappelijk verwerpelijke toestand: de slaaf van een meester.

Wie daarvan overtuigd is, staat daar ook voor en dan is er maar één conclusie:

Zwarte Piet kan niet zwart genoeg zijn!

Over de symboliek: Sint-Nicolaas: alle artikelen

Wij willen niet dat er gekleurde Pieten komen

Opspattend grind: alle artikelen

verkeersbord uitholling overdwars

921-852

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Jan (35)

.

Annet Schukking, Jonas 21, 12-06-1987
.

Precies een half jaar voor Kerstmis, als de zon op zijn hoogst staat, valt het feest van Johannes de Doper, Sint-Jan. Het wordt op maar enkele plaatsen gevierd, toch is het een feest ter ere van ‘de grootste onder de mensen’.
.

SINT-JAN, Keerpunt in de tijd
.

Hoog langs de Tweeling wen­telt het zonnewiel. Hoe noor­delijker op het noordelijk half­rond, hoe overvloediger het licht. Uiteindelijk wordt het helemaal niet meer donker — de nachten zijn uitgevaagd. In deze tijd realiseer je je dat het hele wereldruim vervuld is van het licht van de zon. Onzicht­baar voor mensenogen waar het zich in de ijle, materieloze ruimte be­vindt die weliswaar donker lijkt, maar het niet is. Want zodra zich een stofje voordoet — klein of groot — dat dit licht niet doorlaat, maar terugkaatst, wordt er iets zichtbaar: de maan bijvoorbeeld. En het kan toch niet zo zijn dat er alleen maar op die plek waar de maan is, toevallig licht aanwezig zou zijn. Zintuigen zijn afgestemd op die wereld die in de materie in verschijning treedt. En even­als deze verschijning door licht mogelijk ge­maakt wordt, gebeurt dit ook door geluid, geur, smaak, kleur, vorm, beweging. In de materie drukt zich echter iets uit; datgene wat je niet rechtstreeks met je zintuigen kunt waarnemen: het pure licht bijvoorbeeld. Het alomtegenwoordige licht word je gewaar aan de atmosfeer, aan de fijne waterdeeltjes van de dampkring die om je heen is, waar­door de lucht blauw of grijs gekleurd wordt. In het hooggebergte is de hemel heel donker blauw, ook overdag, omdat daar weinig wa­terdamp is.

Alles wat in de materie in verschijning treedt, maakt niet alleen de materie zelf waarneembaar voor de zintuigen, maar ook datgene wat zich in de materie uitdrukt en wat je op geen andere manier kunt leren ken­nen tenzij je helderziende bent. De klanken van een muziekstuk, de gebaren van een danser, de gelaatsuitdrukking van een mens, de vormen van een landschap, de kleuren van een bloem — het is alles de vertolking van wat daarin leeft. Het proberen te verstaan van de taal van alles wat om je heen is, is een van de dingen waarmee je je hele leven bezig kunt zijn.

Midden in de volheid van het zomerzonnelicht, op 24 juni, valt het feest van Sint-Jan. Een wat familiaire benaming voor Johannes, Johannes de Doper zoals bekend. Maar misschien hangt dat samen met de gemoedelijkheid van het katholieke volksdeel van waaruit deze benaming ingeburgerd is geraakt. En per slot was Johannes ook geen bovenaards wezen, maar een mens, zij het dan ook de grootste onder de mensen.

Dat Johannes de grootste was laat zich wel denken. Immers: hem viel de taak ten deel met het ritueel van de doop in de Jordaan de verbinding van de Godszoon Christus met de mensenzoon Jezus te helpen voltrekken en de mensen zowel te voren als hierna opmerkzaam te maken op het unieke, revolutionaire en wereldomspannende karakter van deze gebeurtenis!

Het Sint-Jansfeest valt exact een half jaar vóór Kerstmis. Beide feesten worden gevierd in de nacht van de 24e op de 25e. Beide kort na de zonnewende. Hoewel nog niet merkbaar zet dan toch al een nieuwe fase in wat de toe- of afname van de lichtintensiteit buiten betreft en de daarmee gepaard gaande processen in de natuur. Het ‘sintjanslot’ is een laatste vlam van de expansieve plantengroei in het voorjaar — daarna treedt er een perio­de van rust en rijping in. Het eerste hooi is binnengehaald, de jonge vogels zijn uitgevlogen, de uitbundige bloei gaat over in rijkelijke zaadvorming. De dynamiek is een zich terugtrekkende beweging. De zon zelf spiraalt ook geleidelijk omlaag. De zonneboog wordt iedere dag lager en kleiner en waar deze zich onder de horizon voortzet ontstaat er een spiraalbeweging.

Wereld ontspannend

Maar het is niet alleen de zon die zo’n spi­raalbeweging voltrekt. Overal waar je komt in de zomer tref je spiraalvormen in de natuur aan. Op het strand bijvoorbeeld vind je ze driedimensionaal: bij schaaldieren als hoorntjes en wulken en meer landinwaarts de ‘gewone’ en toch zo mooie slakkenhuizen. Bij de planten zijn het de windingen en ranken van de klimplanten, de aanzet van blad­stelen rondom een stengel, die deze vorm vertonen. Bladeren komen vaak spiraalvormig opgerold uit hun knop en ontvouwen zich dan; prachtig is dat te zien bij sommige varensoorten.
Dennenappels en sparrenkegels blijken, nader bekeken, een spiraalvormige inplanting van hun schubben te hebben. En dan de zonnebloem! Hier heb je met een andere spiraalvorm te maken. Vanuit een centrum waaieren de vele gebogen lijnen gelijkmatig uit naar de periferie en dit in twee richtingen zodat ze elkaar kruisen. Het hart van een uit­gebloeide zonnebloem laat een werkelijk fascinerend patroon te zien. Al deze vormen komen te voorschijn in een langzaam groeiproces — zij hebben een rustig ontstaansverloop gehad waarvan het tempo zo laag ligt dat het veel geduld vergt om het te volgen.
Maar er is ook korte-termijn spiraaldynamiek zoals in de vloeibare en vluchtige ele­menten water en lucht. Loop je langs het strand bij harde wind en opkomend getij, dan zie je hoe de machtig aanrollende golven op een gegeven moment overslaan en in zich zelf terugkrullen. Enorme watermassa’s komen met grote kracht opzetten, stuiten op de weerstand van de vaste bodem, ‘breken’ en worden in zichzelf teruggeworpen. Verderop in de oceaan kunnen twee verschillende stromingen op elkaar botsen; wildkolkende trechters ontstaan, die alles wat in de buurt komt genadeloos meezuigen.
Wervelende bewegingen ook in de lucht. Rustig en statig cirkelt een roofvogel of een zweefvliegtuig bij mooi weer boven je hoofd. Maar ook daar kan het woest toegaan als verschillende luchtstromingen krachtig op elkaar stoten. Stormen, orkanen, tornado’s. De weerkaartjes tonen overal spiraalbewe­gingen. Ja, en dan nog de gigantische toe­standen in de wereldruimte: de spiraalne­vels ! De plekken waar gedurig nieuwe ster­ren geboren worden. Ons hele zonnestelsel behoort tot zo’n spiraalnevel, de Melkweg.

Nieuwe inslag

Wat heeft dit alles met Sint-Jan te maken? De spiraal is een beweging met een dramatische dynamiek, die ontstaat wanneer iets door een stuwende kracht wordt aangegrepen. Of hij zet in aan de periferie en trekt zich ten slot­te in één punt samen, of hij begint vanuit één punt en verwijdt zich naar de periferie. Dit kan een eenmalige beweging in één richting zijn, maar het kan ook gebeuren dat er aan het eind een omslag plaats vindt waardoor de beweging weer terugloopt. Dit omslag­punt — meestal het centrale punt —, daar gaat het om. Dat is het keerpunt waar een nieuwe impuls geboren wordt. Even is er niets: ruimte, leegte, zoals midden in een hogedrukgebied, dan springt er iets over en een nieuwe beweging in tegengestelde richting zet aan. Je kunt ook zeggen: in het centrum vindt de ontmoeting met een tegenbeweging plaats. Door de confrontatie worden beide verder gebracht.

Het is een soort oermotief, deze in- en uit­wikkelende spiraal, dat je in de kunst van ou­de culturen veelvuldig tegenkomt. Bij de ou­de Grieken bijvoorbeeld in de decoratieve ‘Griekse band’, een geometrisch gestileerde vorm er van, maar ook in zijn meer vloeiende lijn. Of in Gotland, Scandinavië waarop ste­nen uit oude heiligdommen soms zowel zon­- als spiraalmotief tegelijk zijn afgebeeld. Voortstuwende beweging. Naar binnen ke­ren, omslaan, zich verwijden. Ontmoeting van twee stromen. Afnemen en groeien. Het is de dynamiek die bij Sint-Jan hoort.
Johannes staat op het keerpunt der tijden. Hij sluit om zo te zeggen het Oude Testa­ment af en opent het Nieuwe. Zijn geboorte valt een halfjaar voor de geboorte van het Christuskind, zijn leven staat in het teken van de voorbereiding van Christus’ werken op aarde.

De cultuur van die tijd, de Griekse cultuur wanneer je die als exponent mag beschou­wen, had het hoogtepunt bereikt van wat via de materie aan de zintuigen kenbaar ge­maakt kon worden en dit in een perfectie die op het laatst niet meer te overtreffen viel. Hoogst indrukwekkend is de rijkdom die de­ze cultuur aan kunstprestaties heeft voortge­bracht. Het was een stralende, naar buiten gerichte cultuur. Maar hij kwam aan een eindpunt, hij kon ten slotte niet verder meer ontwikkeld worden. De mens zou er in zijn verstard, hij zou te gronde zijn gegaan in de materie. Het was duidelijk dat er een nieuwe inslag moest komen. En dit kon niet anders zijn dan een ommekeer, een inkeer in het in­nerlijk wezen van de mens, een gaan werken aan de vorming van zijn innerlijke vermo­gens, zijn eigen geest- en zielenkrachten. Tienduizend jaar geleden is dit begonnen, maar voorlopig zijn we er nog niet mee klaar!

In een grote spiraal beweegt de zon door het jaar heen op en neer om de aarde. Maar ook de aarde beweegt zich ‘spiralend’ om de zon. Ons zonnestelsel, de zon zelf met alle plane­ten, beweegt zich in zijn geheel voort door de wereldruimte en spoedt zich in de richting van het sterrenbeeld Hercules. De rondgang van de aarde om de zon kan daardoor geen sluitende kring zijn, maar wordt tot een schroevende spiraalvorm. Nooit komt de aarde in het heelal op dezelfde plek terug.

Zo is het ook met de cyclus van de jaarfees­ten. Het is geen in zichzelf sluitende cirkel. De jaarfeestenreeks is als het hart van een zonnebloem; van de periferie uit golft het naar het centrum, van het centrum naar de periferie. Iedere volgende beweging komt iets verder uit dan de vorige. Van Sint-Jan tot Michaël, van Michaël tot Kerstmis, van Kerstmis tot Pasen en van Pasen tot Sint-Jan — het is als een zich samentrekkende en weer uitrollende golfslag. En iedere keer is er iets veranderd: in het innerlijk van de mensen, in de samenleving, in de sterrenconstellatie rondom.

Machtig klinkt de stem van Johannes als hij de mensen die naar hem luisteren toe­spreekt. En die stem wordt door de lucht ge­dragen, dringt het oor binnen en wordt op­genomen via het gehoororgaan. Het gehoor­orgaan met zijn inwendige windingen, het spiraalvormige ‘slakkenhuis’. De stem die niet anders is dan de fysieke mogelijkheid om de inhoud van zijn woorden over te brengen.
Waar het om gaat is de inhoud van die woor­den. Niet de stem, niet het oor, maar datgene wat Johannes te zeggen had, zou de grote omwenteling in de cultuurgeschiedenis van de mensheid inluiden.

 

Sint-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Ritme: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

,

869-800

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (44)

.
Verteltijd ca. 5 min.
.

In de artikelen Pasen (38) en Pasen (43) wordt gesproken over vertellingen voor kleinere kinderen waarmee ze kunnen meebeleven wat er buiten in de natuur rondom Pasen gebeurt.

In onderstaand verhaal heeft de schrijver geprobeerd iets van de zon met de aarde te verbinden. Daarin kun je zeker een paasmotief herkennen.

Het heeft m.i. ook een functie in bijv. de heemkunde, want met een kleine uitbreiding kun je met dit ‘zinrijke’ verhaal de kinderen ook vertellen hoe het graan op aarde is gekomen, dat ons dagelijks het brood geeft.

.

Jörg Undeutsch, Der Elternbrief 04-1993
.

HET ZONNEKOREN – een paasverhaal

.

Er was eens een groot statig gras. Op een dag had een oude boer het ontdekt en meegenomen. Hij plantte het in heel vruchtbare aarde en verzorgde het vanaf dat ogenblik heel liefdevol.
Wanneer het eens een tijd niet regende, gaf hij het water en als het veel te veel regende, groef hij er een diepe geul rondom, zodat het water weg kon lopen. Alle onkruid in de nabije omgeving haalde hij weg. Zo was het gras steeds een beetje groter en mooier geworden. Het dacht er nooit aan groter of mooier te worden, het wilde alleen maar naar het licht groeien; het wilde dichter bij de zon komen.

Daar, in het licht van de zon, woonde een machtige zonnestraal. Ook hij had het grote, statige gras ontdekt, zag hoe het groeide en had het daarbij geholpen. Als er eens wolken voor de zonnestralen, zijn broeders, schoven en zo het licht de weg naar de aarde versperden, vond hij altijd nog wel een opening waar hij doorheen kon sluipen om zo toch nog het gras te kunnen beschijnen.

Toen het gras zo groot geworden was dat het bijna niet meer verder groeien kon, vormde het op de punt een klein schaaltje en hield dat naar de zonnestralen omhoog.
Toen de machtige zonnestraal dat zag, wist hij dat zijn tijd gekomen was. Hij trok zich terug in zijn hart. Steeds dichter bij zijn hart kwam het eind van zijn straal. Voortdurend kleiner en kleiner werd hij, tot hij al het licht in zijn hart verzameld had en hij niets meer was dan een kleine, stralende druppel zonlicht.

Zo liet hij zich vallen. Vanuit de hemel viel hij naar de aarde, naar het gras dat hij zo lang had beschenen. Steeds dichterbij kwam de helder glanzende zonnedruppel op het grote, statige gras af en hij zag dat dit een klein schaaltje op zijn punt naar hem toe hield, net of het riep: ‘Hier moet je in vallen, ik vang je op!’
Zacht viel de zonnedruppel in het kommetje op het puntje van het gras. Dit was zijn huis, zoals een nestje voor de vogels.

Toen de boer dat zag, was hij heel verheugd. ‘Kijk nou toch eens,’ riep hij naar de knechten en meiden, ‘het grote, statige gras dat ik gevonden heb en meegenomen, heeft een zonnedruppel opgevangen.

Op zijn weg van de hemel naar de aarde was de zonnedruppel steeds meer gaan stralen. En ook nu nog was het alsof hij alles wat er om hem heen was, alle licht, alle warmte, alle geuren en klanken in zich op nam. Het leek erop of hij ook het water van de aarde in zich opzoog met alles wat er aan stevige aardestoffen hem door het gras werd aangereikt. Daardoor werd hij steeds steviger en harder. Maar zijn glans verloor hij niet. De zonnedruppel was gerijpt tot een zonnekorenkorrel.

Toen kwam de herfst en daarmee hevige stormen die zelfs zo’n groot en statig, zo’n sterk gras als het onze, toch behoorlijk lastig kunnen vallen. Het gras werd heen en weer geblazen. Er werd aan geschud en gerukt, zo dat het gras dacht dat het nu wel zou breken.

Op een dag was er een heel heftige storm. Toen verloor het gras de zonnekorrel. Het had geen kracht meer om het vast te houden.

Even dacht het gras dat de korrel uit zichzelf was weggesprongen.

De korrel viel op de grond. Hij rolde een beetje heen en weer – en toen verdween hij in een spleet in de donkere aarde. Het gras stond er, toen het de korrel kwijt was, treurig bij en verdorde. De knechten en meiden van de boer jammerden: ‘Het gras heeft de korrel niet kunnen vasthouden. Die is op de grond gevallen en in de aarde verdwenen. Die zullen we nooit meer terugzien.’

De oude boer zweeg.

Stilletjes lag de zonnekorrel in de donkere aarde en wachtte. Hij pakte al zijn krachten samen. En toen de tijd daar was, strekte hij kleine worteltjes uit, tastend in de aarde, dieper en dieper en hield zich daarin stevig vast. Toen stak hij zijn hoofdje omhoog en groeide. En spoedig groeide hij boven de aarde uit; hij ademde de kruidige lucht in, was blij met de warmte die naar hem toe kwam en groeide naar het licht, zijn zonnestralenbroeders tegemoet.

‘Dat gras heb ik nog nooit eerder gezien,’ zei de oude boer tot de knechten en meiden, ‘het moet de zonnekorrel zijn.’

Het koren groeide verder. Het werd groter en statiger dan het grootste en statigste van alle grassen. Hij werd zo groot dat hij met zijn hoofd het lichtrijk van de zon bereikte, waaruit hij ooit vandaan was gekomen.

Toen werd hij geel, stralend geel, zoals hij als zonnekorrel was geweest. Zo stond hij daar, met zijn hoofd naar de hemel en zijn voeten diep in de aarde: een gras en een zonnestraal.

.

Grohmann: grassen en granen

5e klas: geschiedenis
.

Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Ritmenalle artikelen

Vrijeschool in beeldPasen

.

816-751

.