VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Nieuwjaar

 

Feestdagen krijgen hoofdletters. De feestdag 1 januari wordt dus geschreven als Nieuwjaar. In samenstellingen vervalt die hoofdletter weer. Zo is het ‘Met Nieuwjaar kijken we altijd naar het nieuwjaarsconcert – een nieuwjaarsduik is ons te koud.’

.

Veel heil en zegen.

nieuwjaar 1

‘Wat soort van Vis men brengt en welke Schepen varen,
Het rijtuyg dat bevragt de Passagiers en Waaren,
Soo meede ’t geen voor nieuws ook aangecomen is,
’t Verloorne en de Vond, wy roepen uyt gewis;
En met dees Nieuwen-Jaar u allen zeegen wenschen,
Leefd altoos vergenoegd, in vree met d’Eeven menschen:
Opdat het u welgaa in dees vernieuwde tyd,
En gy dan reeden hebt, met recht te zyn verblyd.’
Dat was het lied dat ’U Ed. Dienaers De Roepers der Stad Nijmegen‘ op 1 januari 1774 voor hun medeburgers van de Keizer Karelstad in petto hadden. Een heel oud gebruik; de gezongen, geschreven, gedrukte nieuwjaarswens waarmee het nieuwe jaar werd ingeluid.
Daar is niet veel van overgebleven. Naast de traditionele nieuwjaarskaarten, steeds meer in combinatie met ‘gelukkig kerstfeest’, genieten alleen de simpele kaartjes van de krantenbezorgers nog enige bekendheid. Als het kaartje persoonlijk wordt afgegeven, verwacht de brenger zijn obligate beloning.
Eens is het anders geweest.
Folklore-kenner J. ter Gouw laat zijn licht fraai schijnen over de Germanen. ‘Elk was nieuwsgierig te weten, of ’t nieuwe jaar hem goed of kwaad zou brengen. De een zat op het dak van zijn huis met zijn zwaard in de hand, waarop tooverrunen gekrabbeld waren, en meende dan in de toekomst te kunnen zien. Vooral lette hij op het ruischen van den wind; – kwam die uit het westen, dan zouden er in dat jaar veel vorsten en helden sneuvelen; woei ’t uit het zuiden dan zou er veel volks omkomen; of uit het oosten, dan zou ’t vee sterven; maar kwam de wind in den nieuwjaarsnacht uit het heilig noorden, dan zou ’t zeker een gelukkig en voordeelig jaar zijn. Anderen zaten aan een kruisweg op een stierenhuid, om zich van de Elfen, die in dien nacht bij menigte rondtrokken, omdat het hun verhuisnacht was, goed geluk te laten voorspellen. Men begrijpt, dat ze, na veel heil gedronken te hebben, op hun stierenhuid spoedig in slaap vielen, en wat ze dan droomden, gold voor profecie der Elfen.’

Alles ging toen en later met veel herrie en lawaai gepaard met daarbij de befaamde baldadigheid. Zelfs de huizen van de deftige poorters binnendringen om de nieuwjaarskost, die daar netjes klaar stond, aan te spreken. Stedelijke overheden hebben alle mogelijke moeite gedaan om de nieuwjaarsviering in ordelijke banen te leiden en om het plechtige karakter van de eerste dag van het jaar niet te verstoren. Met veel vreugde hoorden de gegoede burgers dat het minder bedeelde volk ook nette en passende liedjes kon zingen, waarin de vroomheid niet ontbrak.

Nu singhet en clinghet mit groot gheluut
Al in den Nyeuwen jaeren,
Den Ickers jaeghet al uut ende uut,
Her Jhesus moet ons bewaren.
Wie met zo iets op de proppen kwam, kon zeker op een beloning of een versnapering rekenen. Geleidelijk aan nam het zingen bij de huizen af. Het maakte plaats voor geschreven en gedrukte nieuwjaarswensen, waarmee verschillende lagere beroepsgroepen zich tot hun cliënten richtten. Allerlei rijmers vonden werk om voor de beoefenaren van nu al veelal helemaal vergeten beroepen zoals porders, straatvegers, puinhaalders, klokkeluiders, gasopstekers, nachtwakers, boden, jagers, maar dan van veerschuiten, de meest passende nieuwjaarswensen te schrijven; verzen, die vaak voorzien van illustraties, werden aangeboden, nadat zij gezongen of gedeclameerd waren.
Op de nieuwjaarsprent van de Amsterdamse nachtwachten van 1 januari 1839 deed de maker zijn best: met fielten, stadgenoten en reine maagden.
Eerwaarde tempelheeren en acht’bre burgerstand
Wanneer de klok heeft tien geslagen,
Dan vangen wij het ronden aan,
Totdat de morgen op komt dagen
En elk van ons naar huis kan gaan.
Wanneer er onraad wordt bevonden,
Aan ’t eigendom der stadgenoot,
Of reine maagden zijn geschonden
Geheel van tegenweer ontbloot
De fielten worden zeer onzacht
Gegrepen door de ratelwacht
In ’t holst der nacht, in ’t holst der nacht!
De ’asch- en vuilnislieden’ van Den Haag kwamen in 1812 met een ‘zegen- en heilgroet’ èn in het Nederlands èn in het Frans. Vanwege de Napoleontische bezetting.
Aldus wat er wenschlyk is,
tot uw heil en tot uw zegen,
Voor elk burger in ’t gemeen en tot elk Heilryks-Zon
Wordt u door ons gewenscht, volzalig zyn uw wegen,
En tot uw waar geluk diene Vorst Napoleon.
Napoleon verdween van het toneel en maakte plaats voor een andere vorst, die evenals zijn opvolgers er zeker van kon zijn in de wensen te worden betrokken. In 1857 richtte de ’vuilnis-karreman’ zich aldus tot ‘Amstels ingezetenen’.
Moog, zeer geachte Burgerschaar!
Voor U dit ingetreden jaar,
Een rijke bron van welvaart wezen!
Ja, Landbouw, Scheepvaart, Handelstand,
Zijn, tot het verst verwijderd strand,
Oud-Hollands glorie als voor dezen!
Door eendragt en tevredenheid
Zij Neêrland steeds der rust gewijd!
En heersche ook voorspoed in elks woning!
Zoo rijze uit aller hart en mond:
‘Wij leven op deez’ dierbren grond,
Vereend voor Vaderland en Koning!’
Was getekend: UEd. Dienaar J. Domhoff, Vuilnis-Karreman, Wijk 15.
Engagement was de schrijvers van deze verzen niet vreemd. Porster Jansje Rijke kwam in 1850 – voor het goede verstaan een jaar na de dood van koning Willem II – met de volgende regels op straat.
Heeft ook alom weêr de bloedvlag gezwierd,
Hier bleef het rustig bij ’t woên der orkanen,
Balie vlocht lauw’ren om Nederlands vanen,
’t Feest onzer zege werd juichend gevierd,
’t Jaar wond een rouwfloers om schepter en kroon,
’t Doodde den vader en kroonde den zoon.
Het was niet alleen goedhartigheid die al deze verzen deed ontstaan. Er werd ook een tegenprestatie verwacht.
Veel van deze nieuwjaarsliederen zijn regelrechte bedelverzen, zoals de Nieuwjaarswensch aan mijne geachte begunstigers, en dat waren dan de Haarlemmers, van A. Krook.
Neen, ’t is geen schand’ om arm te zijn,
Te zitten in den nood,
Vol ongemak, vol angst en pijn
En zonder daag’lijks brood!
Het wintert wel, de nacht is lang,
En ’t ongeluk is mijn deel,
En geen verdiensten hoegenaamd,
O God, wat lijd ik veel!
En ’k ben voor het werken onbekwaam,
’k Lijd daarom bitter veel;
Maar ach! hoe treurig dat het zij,
De rampspoed is mijn deel.
‘k Ga ginder, naar die schoone buurt,
Daar alles weelde biedt;
’k Bel aan dat groote, rijke huis
Misschien wel niet voor niet.
Mijn hart is goed, ja – kon ik maar,
Ik werkte zeker trouw,
Weest dus mijn hulp, want ’k weet geen raad,
Als men niet koopen zou! , ,,
Maar neen – het muschje valt niet neêr
Van armoê en ellend’,
Want als het beestje niet meer vindt,
Is ’t God die eten zendt.
Ziet dus op ons, uw evenmensch
In diepen ootmoed neêr,
Dan leent gij – weest daar zeker van,
Aan onzen lieven Heer. –
Dan zij voor U dit nieuwe jaar
Een schoone, nieuwe tijd,
Want dan hebt gij een traan gedroogd,
Die God, den Heer verblijdt.
Ook in de huiselijke kring bleef het vaak niet bij de handdruk, de omhelzing, de korte gelukwens. Van de kinderen werd meer verwacht. Tegen het einde van het jaar werd gezwoegd om op grote vellen papier in fraaie letters wensen uit te schrijven voor vader en moeder, grootmoeder en grootvader, ooms en tantes. In 1827 schreef een ‘lief hebbende Kleinzoon’ – de grootvader van een der schrijvers – aan ‘Mijne Waarde Grootmoeder’ enkele gevoelige regels. Moge het een aansporing zijn om zelf in oude paperassen op zoek te gaan naar zulke versjes. Ze vormen een heerlijke wandversiering. In een lijstje.
De nooit begonne eeuwigheid,
Bevat een God wiens wys beleid,
En aanzijn nooit zal enden;
Hiervan getuigt dit nieuwe Jaar,
En eischt dat wij nu met elkaar
Een loflied tot hem wenden.
Een rijke oogst van voorspoed daal,
Op uw en d’uwen neder,
Opdat Gods gunst u steeds bestraal
Dit wenscht mijn hart U teder.
nieuwjaar 2
nieuwjaar 3
Het spreekt vanzelf dat de rederijkers zich bij het vervaardigen van nieuwjaarswensen ook niet onbetuigd hebben gelaten. Een mooie gelegenheid om weer eens iets op papier te zetten met als gevolg een grote stroom jaardichten, liedekens en refereinen. In de schouwburgen werden liederen voorgedragen en samenspraken op de planken gebracht, waarvan die van Thomasvaer en Pieternel voor een langdurig en eindeloos gevarieerde en nog niet geheel verdwenen traditie hebben gezorgd.
De Amsterdammers die zich op 1 januari 1814, vers bevrijd van het Franse juk, naar de schouwburg spoedden, konden de volgende wens – geschreven door Marten Westerman – horen.
’k Wensch vrede aan alle huisgezinnen:
’k Wensch ieder kans om veel te winnen.
En daar toch ieder burgerman,
Nu weer zijn pijpje rooken kan
Wensch ik dat van zijn leven dagen,
Ook geen régie ons meer zal plagen.
De Hemel schenke ons nu ook ’t zoet
Na ’t zure weêr in overvloed.
Kaneel en Koffij, Thee en Suiker
En Rijst met Krenten . . .
Toen er in 1919 weer een oorlog voorbij was, brachten Louis Gimberg en Betty Holtrop-Van Gelder in de karakters van Thomasvaer en Pieternel met tekst van Jean Louis Pisuisse in de schouwburg brandende kwesties uit die dagen: de eerste vrouw in het parlement.
Pieternel:
Och Thomasvaer, bedaert,
‘k Heb Suze Groeneweg
Gesproken in de stad . . .
Thomasvaer:
Suus Groeneweg, wat hamer,
Die naam is mij bekend:
Zit die niet in de Kamer?
Pieternel:
Ja zeker, d’eerste vrouw
Die in ons parlement
De eer, wat zeg ik d’eer?
Nee, ’t recht is toegekend,
Bij ’t stellen van de wet
’n Woordje mee te spreken,
En nu ons kiesrecht nog .. .
Niet alle tradities houden stand. Jarenlang heeft Amsterdam als nieuwjaarspremière voor een uitgelezen gezelschap een steeds maar weer nieuw geënsceneerde opvoering van Vondels Gijsbrecht van Aemstel gehad met het ovationeel klappen bij de zin ’Vaerwel, mijn Aemsterlant; verwacht een’andren heer.’ Het is sinds kort voorbij en een remplagant stuk dat zo klassiek zou kunnen worden, is nog niet gevonden.
De nieuwjaarsdagfolklore verdwijnt meer en meer. Het wordt uitslapen, de laatste koud geworden oliebollen nog verorberen, telefonisch wensen aan vrienden en bekenden overbrengen, een extra bezoekje aan opa en oma of aan pa en ma.
Alleen hier en daar nog een speciaal gebruik zoals in Roermond waar het ’nuujaorswinse’ een hele ceremonie is gebleven, waaraan de burgerij zo mogelijk getooid met hoge hoed in groten getale deelneemt. De visites gelden bisschop, deken, burgemeester. Er vormen zich op nieuwjaarsdag hele groepen mensen die van de ene ontmoeting naar de andere trekken.

In Ootmarsum, waar men hart voor folklore heeft, wordt de nachtwacht uit de ijskast gehaald die dan aan het hoofd van een stoet een nieuwjaarsomgang maakt, waarbij veel gezongen wordt. Als de torenklok de befaamde twaalf slagen heeft afgeleverd, trekken de mensen naar het marktplein en vandaar gaat de hele groep zingend verder door de straten.

In Drenthe koesterde men jarenlang een mooi bijgeloof rond nieuwjaarsdag. Er werd gezegd dat men aan de binnenlopende nieuwjaarwensers zou kunnen aflezen hoe het kalverjaar zou zijn. Als de eerste die de boer veel heil en zegen kwam wensen een vrouw was, dan zou het merendeel van de te verwachten kalveren ’vêrskalver’ zijn; was het echter een man dan werden het ’bólkalver’ oftewel stiertjes die heel wat minder waard zijn. Boze tongen beweren dat menige boer er een flinke fooi voor over had om vrouwen om te kopen toch vooral als eerste bij hem aan te komen.
Voor een staartje van de nieuwjaarsviering zorgde koppermaandag, maandag na Driekoningen. Zetters en boekdrukkers boden op deze dag vanouds een proeve van hun werk als nieuwjaarsgeschenk aan. Na de tweede wereldoorlog is deze traditie weer nieuw leven ingeblazen. De opzet is geslaagd. Koppermaandag is weer in. Een ’Eerekroon voor Laurens Koster en alle voorstanders der boekdrukkunst’ werd, zoals de aanhef dat aangaf, ‘gegeeven op Kopper-maandag MDCCCIII’.
Mooi stuk met zes coupletten. Hier is er één van.
Waar vind men op aarde,
Een kunst zoo bemind,
Zoo duurbaar voor ’t leven
Van Grijsaard tot Kind?
Wat kunst men mag roemen,
In fraaiheid en schoon,
De drukkunst wint immer,
Van allen de Kroon.
Verdwenen sinds kort is de nieuwejaersdunderdag op Walcheren; de eerste donderdag na nieuwjaar, een heel bijzondere dag voor de neringdoenden. De moeite waard om nog in herinnering te brengen. Vroeger kende men -toen over renteverlies en investering nog niet zoveel problemen bestonden – het systeem van de jaarrekeningen. Eens per jaar werden de rekeningen uitgeschreven en betaald. Op nieuwejaersdunderdag stuurde men zijn kinderen of personeel rond bij de leveranciers om de rekening op te halen die vader of de baas dan zelf zou komen betalen. Dat was een mooi dagje uit en er viel nog wel wat af om de genoten klandizie over een heel jaar te honoreren. Menig vader vermaande dan ook aan het begin van de dag
‘en dienkt er om: nie jen eige onbekwaem drienke oor. Dae nie vö spot en smaed van ’n ander loopt. Dat ei je g’oore é?’
Het jonge volk maakte van de vrije dag en de vele glaasjes meteen gebruik om wat beter kennis met elkaar te maken en dan vooral met leden van het andere geslacht om het nieuwe jaar vol goede hoop en verwachting te kunnen beginnen. Er moeten op Walcheren heel wat echtparen rondlopen waarvoor het op nieuwejaersdunderdag begonnen is.
nieuwjaar 4
.
Shell Journaal van Nederlands folklore 1972

.

jaarfeesten: alle artikelen

 

 

935
Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Nieuwjaar

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s