VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (20)

 

 Carnaval 1

.

Agge mar leut et

Carnaval, zo leert de grote Van Dale ons, is ’de drie dagen die aan de Vasten, dus aan Aswoensdag voorafgaan, inzonderheid de laatste dag daarvoor (Vastenavond) waarop velerlei feestelijkheden, meestal met vermommingen gepaard, in de R.-K. streken plaats hebben; ook die feestviering zelf.’
Het kan bijna niet droger, deze definitie van een van onze uitbundigste folkloristische feesten: een feest van dolle pretmakerij, verkleedpartijen, bals, allerlei evenementen en veel eten en minstens zoveel drinken.
De carnavalsviering bereikt ieder jaar in februari in Noord-Brabant en Limburg haar hoogtepunt, al weet men ook boven de grote rivieren wat carnaval is; maar het blijft daar meer een besloten en wat gezapige aangelegenheid in vergelijking met de ongeremde feestvreugde in het zuiden van ons land. In voorbije tijden was het wel anders maar de reformatie gooide roet in het eten.
‘Ja, vele mans trecken dan niet alleen vrouwecleederen, ende vrouwen manscleederen aen, maer mismaecken hun verder met momaensichten ende hebben harpen, psalten, tamborijnen, luyten, cyters, vedelen, duytsche fluyten, pijpen, ende wijn in haeren welleven, ende sien niet op dat werc des Heeren ende hebben gheen acht op het geschapen sijner handen’
mopperde Caspar Coolhaes in de in 1606 verschenen Comptoir Almanach.
Twee jaar daarvoor verwonderde Walich Sieuwertsz zich erover dat mensen aan deze uitbundigheid meededen ‘die, welcke haer ghereformeert noemen ende daer voor aenghesien willen sijn.’

Toch wilde de overheid juist voor carnaval ook wel wat door de vingers zien. Een oude keur uit Alkmaar vermeldt in ieder geval: ‘Voort en moet men gheen spel spelen met taerlinge om geldt, uitgeseyt drie dagen op den Vastelavondt.’

Langzaam maar zeker werd de carnavalsviering teruggedrongen, maar het feest bleef bestaan en keerde terug en dan nog veel grootser, nog veel uitbundiger. En waarom ook niet? ‘Een jaar lang’ zo verdedigde de godsdiensthistoricus prof. dr. Th. P. van Baaren in 1969 carnaval in een artikel in de N.R.C., ‘hebben wij in het gareel gelopen: wij hebben belasting betaald en onze munten aan de parkeermeters geofferd, wij hebben geen mini-meisjes gemolesteerd en geen van onze collega’s een bloedneus geslagen, maar een mens is ook slechts een wezen van vlees en bloed, en het bloed, zoals een Oudhollands spreekwoord zegt, kruipt waar het niet gaan kan. Dus gaan we carnaval vieren. Maar zouden wij het hele jaar carnaval willen hebben? Alstublieft niet! In wezen hebben wij geen hoger ideaal dan te leven in een geordende wereld, een wereld die, althans in geest en hoofdzaak, berekenbaar en voorspelbaar is.

Dit kunnen wij leren uit de godsdienstwetenschap en de cultuurpsychologie.’ Hij vervolgt dan: ‘Er kan een moment komen waarop de mensen het gevoel hebben, dat zij deze orde moeten verbreken, het koste wat het kost (Wie zal dat betalen, zoete lieve Gerritje?), willen zij er niet in verstikken. Wanneer nu iedereen individueel en op elk willekeurig moment aan zulke impulsen gehoor gaf, dan zou een geordende maatschappij weldra onmogelijk worden. Daarom hebben de meeste culturen een ventiel geschapen, een uitlaatklep, waardoor de mensen in de gelegenheid gesteld worden op periodieke tijden stoom af te blazen. Een dergelijke uitlaatklep is in het zuiden van ons land het carnaval. Wanneer men een masker opzet en joelend en zingend door de straten host, dan is men geen ambtenaar of winkeljuffrouw meer, zelfs geen huisvader of huisvrouw, maar men is- een ander mens geworden, een ander die, zolang het feest duurt, zich vrij kan voelen van al die dingen die hem gedurende de rest van het jaar belemmeren en binden.’

Ook anderen kunnen het mooi zeggen. Tilburgs burgemeester mr C. J. G. Becht beschreef het als carnavalsprins Nillis I in 1955 als volgt: ‘Ja, carnaval is meer dan een gemaskerd bal, meer dan een hos- en ’dweilavond’, anders dan een bacchanaal. Carnaval is het volksfeest bij uitnemendheid. Het feest waarin de volksgeest zich in zijn zuiverste of veelzijdigste vorm kan uiten. Het feest, waarin we onszelf ontdekken of terugvinden, om daarna ons alleen-zijn te verliezen in het allen-een-zijn. Tracht uw beste zelf te vinden? Laat u niet leven! Leef!! Hoe? Geef. Wat? Iets van uzelf. Aan wie? Aan mensen om u heen, die minder met levensvreugde bedeeld zijn dan gij. Maar grijp dieper dan uw portefeuille. Grijp in uw hart. Geef van uzelf. Geef uw vreugde, uw lachen, uw hartelijkheid. Wees vrij, wees mens, en maak gelukkig. Dan zijt ge op de goede weg. Dan viert ge op uw manier het feest van

de dankbaarheid om het leven zelf. Agge mar leut et.’
Een belangrijke figuur bij carnaval is prins Carnaval die bijgestaan door zijn raad van elf ervoor zorgt dat overal de feestvreugde op gang komt. Die prinsen dragen uitzonderlijke namen, zijn fraai uitgedost, spelen drie dagen lang de baas. Iedere stad die zich een beetje respecteert, zorgt voor zijn eigen prins Carnaval.
Tussen de bonte avonden en de optochten heeft Steyl in de gemeente Tegelen om de twee jaar een bijzonder evenement. Daar wordt een ‘kaetelgerich‘ gehouden, een volksgericht onder aanvoering van de duivelse vorst Lucifer, waarin de humor de boventoon voert, ook al schroomt men het niet maatschappelijke en persoonlijke kritiek te geven. Het is een zeldzame carnavalstraditie die plaats vindt op carnavalsdinsdag.
Bij feest hoort lawaai en muziek, leder jaar heeft men zijn carnavalschlager. Liedjesdichters, componisten, platenmaatschappijen vechten om het hardst om voor de hit van het jaar te zorgen. Het gaat allemaal om de leut. Dat hebben zeker de kinderen op hun geweten die in deze vastenavondtijd met foekepot of rommelpot rondtrekken. Zo’n rommelpot is een blikje of potje, waarop een varkensblaas is gespannen. Een riet wordt met een knoop aan het einde tegen de blaas gestoken, wanneer die nog nat is. De varkensblaas wordt dan met een touw stevig om de knoop van het rietje gebonden en bij de kachel gespannen en gedroogd. Door het rietje, zo vertelt de deskundige beschrijving, op en neer te bewegen en door er met een wat vochtig gemaakte hand steeds langs te blijven strijken, krijgt men muziek ter begeleiding van de liedjes die gezongen worden, waarmee om lekkernijen of centen wordt gebedeld. Een heel oude gewoonte.
Bredero vertelde er in 1617 al over in zijn Moortje.
.
‘Ja wel, het is te mal, de geck is seecker sot,
Hier schort niet dan een blaas, of so een rommel-pot,
Om voor de luyer deur te rasen en te singhen,
De neske-deurtjes met de kinderlycke dinghen.
Als: gheeft my een Panckkoeck uyt de pan, Ho, man ho!
De Vastelavondt die komt an, So, mijn Heer, also!’
.
Die pannenkoeken horen er op Vastenavond echt wel bij, een uitgezochte lekkernij voor deze tijd. Ook meer moderne liedjes vertellen erover.
.
’Vrouwke, ’t is vastenavond
We komen niet thuis voor ’tavond
’tAvond in de maneschijn
Als vader en moeder naar bed toe zijn
Dan gaan we naar de Fransen
Daar laten we ons potje dansen
Hier ’ne stoel en daar ‘ne stoel
Op elke stoel ’n kussen.
Vrouwke, houdt Uw kinnebak toe
Of ik gooi er ’n pannenkoek tussen.
Tussen uw neus en tussen uw kin
kan nog hendig ’n pannenkoek in.’
.
Naast de pannenkoek is in vele plaatsen het worstenbrood nog een symbool van de Vastenavond. Er zijn nog steeds bakkers die op de hoorn blazen als het worstenbrood gebakken is. Het is per slot van rekening carnaval en dan moet, met de vasten voor de deur, het vlees vaarwel gezegd worden. Het worstenbrood smaakt dus extra best. Over worsten weet men in Boxmeer in het bijzonder mee te praten. Daar organiseert men op maandag voor Aswoensdag het metworstrennen. Een traditie van eeuwen geleden, toen een freule hier met koets en al te water raakte en gered werd door Boxmeerse jongens. De freule stelde een fraaie prijs in, namelijk een wedren om een metworst, die de jaarlijkse beloning moet zijn voor de edelmoedige daad van de Boxmeerse jongelingen aan bovengenoemde dame bewezen. De wedstrijd wordt te paard gehouden en wie als eerste de eindstreep passeert is de koning van de dag, de metworstkoning. Alleen ongehuwde jongelui, geboren en getogen in Boxmeer mogen aan dit koningsrennen deelnemen. De prijs is nog altijd een vele ellen lange metworst met een ton bier, brood en een halve varkenskop.
.
Shell Journaal van Nederlandse folklore 1972
carnaval: alle artikelen
.
940

.

Carnaval 2

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.