Categorie archief: geschiedenis

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis – Hendrik de Zeevaarder

.

HENDRIK DE ZEEVAARDER

prins van Portugal, 1394-1460

Prins Hendrik wordt door velen beschouwd als de ader van de Europese ontdekkingsreizen op de Atlantische Oceaan en langs de Afrikaanse kusten. Hij financierde een groot aantal reizen, waarbij onder meer de Azoren, Madeira en de Kaap Verdische Eilanden werden ontdekt en gekoloniseerd. De verste reis was naar Siërra Leone, bijna 2500 km verder dan de in die tijd bekende grens van de zeevaart naar Afrika.

Als volwassene was prins Hendrik de Zeevaarder een lange, gebruinde en sterk gebouwde man

Hendrik was een jongere zoon van Koning Johan I van Portugal en zijn Engelse vrouw Philippa, de dochter van Jan, de hertog van Lancaster. Hendrik onderscheidde zich al als negentienjarige door in Marokko de stad Ceuta, aan de Straat van Gibraltar, in te nemen. Volgens Diogo Gomez, in latere jaren een van zijn kapiteins, werd zijn fantasie geprikkeld door verhalen van gevangenen over fabelachtige goudmijnen ten zuiden van de Sahara. Hij ‘besloot een weg over zee te vinden en in die nieuwe landen handel te aan drijven om de edelen van zijn hofhouding te kunnen onderhouden’.

Ceuta was het eindpunt van de routes van de goudkaravanen dwars door de Sahara, routes die begonnen bij de rivieren de Opper-Volta, de Niger en de Senegal. Maar de werkelijke reden voor de expeditie was het vuur van de kruisvaarder en ridderlijke idealen, en niet goudkoorts. Hendrik nam later vaak deel aan andere expedities tegen de heidenen. Veel mensen geloofden, dat er een heel ander motief was voor zijn ontdekkingsreizen. Volgens hen wilde hij om het mohammedaanse Afrika heenvaren om zijn krachten tegen de islam te bundelen met ‘PrIester John’.

Er waren echter nog meer oorzaken voor zijn belangstelling. Zijn vader had door de steun van de Portugese handelaren de troon kunnen bestijgen. Het land was uitgesloten van de handel op de Middellandse Zee door de belangen van Aragon en Italië. Het was logisch, dat Portugal de aandacht op het Westen richtte.

In 1419 vestigde Hendrik bij zijn huis in Sagres in de Algarve een observatorium. Hij verzamelde daar wiskundigen, astronomen en deskundigen op het gebied van de navigatie om zich heen.

De beste kaarten waren de Catalaanse en die van Majorca en de Arabieren. De eenvoudige instrumenten: zeekompas, sterrenhoogtemeter en kwadrant, kwamen uit het Oosten. Kaap Bojador was de zuidelijke grens van de zeevaart op de Afrikaanse kust. De kaap lag ongeveer 300 km ten zuiden van de Canarische Eilanden. Het stormde er vrijwel altijd en er hing een zware mist. Erachter lag de ‘Groene Zee van Duisternis’. In die dagen geloofde men, dat terugkeer van die zee onmogelijk was. Prins Hendrik liet elk jaar expedities vertrekken. De schepen waren bemand met Portugezen, Italianen en Vlamingen. In 1434 slaagde men er eindelijk in Kaap Bojador te ronden. Dit was de doorbraak. Van dat jaar af voer men steeds verder langs de Afrikaanse kust. Terwijl de onderzoekers langs de rivier de Senegal voeren en verder naar Siërra Leone, begonnen de reizen al vruchten af te werpen. De schepen kwamen terug met onder meer specerijen en goudstof. Ook begon toen de slavenhandel. In 1445 werd in Afrika de eerste Portugese handelspost gevestigd.

Hendrik de Zeevaarder 2

De handelaren en edelen van Lissabon waren twintig jaar lang vol verachting geweest voor de ontdekkingen van de prins. Maar toen vochten ze om aandelen en vergunningen om handel te mogen drijven. Die inkomsten waren zeer welkom. Prins Hendrik had wel een groot inkomen uit allerlei monopolies en uit de landerijen van de Orde van Christus, waarvan hij Meester was. Maar het financieren van de lange jaren van pionieren en koloniseren was erg kostbaar geweest. Zijn inspanningen verschaften Portugal nóg een groot voordeel. In 1455 kwam er een pauselijke bul, die garandeerde dat Portugal in de toekomst het monopolie zou hebben in alle veroverde gebieden rond de kust van Afrika tot aan India toe. Waarschijnlijk was Afrika al omvaren in de Oudheid en was men toen ook al de Atlantische Oceaan opgegaan. Maar Hendrik ‘de Zeevaarder’ was de eerste man, die op systematische wijze de zee liet ‘ontdekken’. Zijn schippers legden de basis voor de zeevaart op de oceanen. Met prins Hendrik de Zeevaarder begon het belangrijke tijdperk van de Europese koloniale machten.

7e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Biografieën: alle artikelen

Een bijzonder boek over het leven van Hendrik de Zeevaarder vind ik:

Francisco d’Almeida van Maarten Ploeger

.

890-821

.

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (9-1)

 

HET ONTSTAAN VAN ROME


De Romeinen hebben eeuwenlang het overgrote deel van Europa beheerst. Ook Neder­land en België behoorden lange tijd tot het enorme Romeinse rijk. De Romeinen zijn genoemd naar de stad Rome, maar ze heetten eigenlijk ‘Latijnen’. Er was een tijd dat Rome een kleine nederzetting was aan de oevers van het riviertje de Tiber. Het zou toen nog wel enige tijd duren voordat de bewoners ervan hun wil aan de rest van de toen bekende wereld zouden opleggen. Vele duizenden jaren voor Chr. werd Italië al be­woond door verschillende volkeren. Ze hielden schapen en deden aan landbouw en visvangst. Ongeveer 800 jaar v. Chr. landde een vreemd volk in Italië. Het waren de Etrusken en ze kwamen waarschijnlijk uit Klein-Azië. Ze brachten een vrij hoge bescha­ving mee en overheersten al spoedig de andere volken in Italië. De Etruskische bescha­ving verbreidde zich over heel Italië. Een van de overheerste volkeren, de Latijnen, kwam op den duur in verzet tegen de Etrusken. De Latijnen versloegen de Etrusken en namen hun plaats in als leidend volk. Ze zetten de Etruskische beschaving voort.

40 Latijnse dorpen

De Latijnen woonden in Midden-Italië aan de Tyrreense Zee. Hun gebied heette ’ Latium’. [zie aanvulling in de reactieruimte] De Latijnen waren een volk van herders en landbouwers. Hun dorpen waren kleine, afzonderlijke staatjes, elk met een eigen koning. Tegen de 8e eeuw v. Chr. bestond Latium uit veertig van deze dorpen, waartussen een hechte band bestond door bloedverwantschap en de godsdienst. De hoofdstad van Latium was Albalonga, aan het Meer van Albano. Ieder jaar begaven de Latijnen zich naar deze stad om er feest te vieren. De feestdagen, die een godsdienstig karakter droegen, duurden vier dagen.

Dorpen op heuvels

In de laaggelegen gebieden van Latium, langs de rivier de Tiber en aan de kust van de Tyrreense Zee, waren vele moerassen. In dit vochtige gebied heerste de muskiet, die malaria overbracht.
Maar in de heuvels was de grond vruchtbaar en geschikt voor landbouw. Daarom bouwden de Latijnen hun dorpen op de heuvels.
Vandaaruit ontgonnen ze het moerasgebied en legden dijken aan langs de Tiber, die daardoor niet meer kon overstromen.
De rivier bleek bovendien een uitstekende handelsweg naar de zee en naar het bin­nenland te zijn.
Zelfs toen het meeste moerasland was drooggelegd, bleven de Latijnen hun dorpen bouwen op de heuvels. Daar waren ze veiliger tegen de rooftochten van de Liguriërs en de Feniciërs, die met hun schepen de rivier opvoeren. Ook tegen aanvallen van volkeren uit het binnenland waren de dorpen op de heuveltoppen beter beveiligd.
Die volkeren probeerden verschillende keren om zich van Latium meester te maken.

6e klas rome 10

Latijnse herders

6e klas Rome 11

(slecht leesbare tekst links:)
Deze kaart van Italië laat zien waar de verschillende volkeren woonden in de tijd dat de Latijnen Rome stichtten.

(rechts:)
Deze tekening laat zien hoe Rome ontstond op het kruispunt van twee belangrijke handelswegen. Bij het eilandje in de Tiber was de rivier doorwaadbaar. Op de linkeroever zien we de zeven heuvels waarop de stad zou worden gebouwd.

21 april 753 v. Chr.

De Latijnen moesten zich vaak verde­den tegen aanvallen van de Etrusken. Die probeerden vanaf de rech­teroever van de Tïber in Latium bin­nen te dringen, op de plaats waar een eiland in de rivier lag en waar het water doorwaadbaar was. De Latijnen besloten om de linkeroever van de Tiber, recht tegenover dit eiland, een versterkt dorp te bouwen. Het zou de vesting worden die de Etrusken moest beletten de rivier over te steken. Op de oever bij het eiland lagen verschillende heuvels, in totaal zeven.
De ‘Palatijn’, een van die heuvels, leek het meest geschikt om er een vesting op te bouwen. Vanaf die heuvel konden de Latijnen het rondliggende gebied goed overzien, ook de rivier de Tiber. Deze rivier was een belangrijke handelsweg. Van zee kwamen schepen met zout voor de volkeren in het binnenland. Naar zee voeren schepen met wol, die de Latijnen ruilden tegen de handelswaar van andere volkeren.
Zo werd de ‘Palatijn’ de plaats voor het nieuwe versterkte Latijnse dorp. De overlevering wil dat men op 21 april van het jaar 753 v. Chr. aan de bouw ervan begon. Het dorp werd ’Roma’ genoemd. Misschien is deze naam afgeleid van het Etruskische woord ’rumon’, wat ’rivier’ bete­kent. Volgens anderen komt de naam van het Griekse ’ròme’, wat ’kracht’ betekent.

De zeven heuvels

Het dorp Rome ontstond dus op de heuvel ’Palatijn’. Al spoedig werd Rome een belangrijke handelsneder­zetting. Naburige volkeren die in moerasachtige streken woonden, ont­vluchtten de malaria en vestigden zich op de andere heuvels bij het dorp. De nieuwkomers bestonden uit groe­pen Sabijnen, Latijnen en Etrusken, die met de bewoners van de ’Palatijn’ een verbond sloten.

Zo ontstond een grote nederzetting op de zeven heuvels aan de oever van de Tiber, waar de bewoners het zoge­naamde ’ verbond van de zeven heuvels’ sloten. Overigens waarborgde dit verbond niet altijd een vreedzame samenleving. De Latijnen, Sabijnen en Etrusken, allen oorlogszuchtig van aard, raakten nogal eens in bloedige gevechten met elkaar verwikkeld. Maar langzamerhand brachten de handelsbelangen de verschillende volkeren op de zeven heuvels nader tot elkaar. Ze smolten samen tot het grote, nieuwe Rome.

6e klas Rome 12 - 0002

Op 21 april 753 v. Chr. begonnen de Latijnen aan de bouw van het dorp Rome, op de heuvel ‘Palatijn’ tegenover een eilandje in de rivier de Tiber.

6e klas Rome 13 - 0003Zo moet de constructie van een Latijns huis zijn geweest.

Hoe een nieuw dorp werd gesticht

De oude gebruiken bij het stichten van een nieuw dorp waren waarschijnlijk van de Etrusken afkomstig. Ongetwijfeld zal Rome volgens dezelfde gebruiken zijn gesticht. Op de heuvel werd een groot vuur van takkenbossen ontstoken. Iedere bewoner van het nieuwe dorp sprong door de vlammen om zo ’gereinigd’ te worden van zijn zonden. Vervolgens werd een diepe kuil gegraven. Iedereen wierp daarin wat aarde uit het dorp waaruit hij afkomstig was. De leider van het nieuwe dorp trok vervolgens een priesterlijk gewaad aan en spande een stier en een koe voor de ploeg. Dan ploegde hij de voor, waarlangs men de muren van het dorp zou bouwen.

6e klas Rome 14 - 0002

Op de plaats waar de muren van het nieuwe dorp moesten komen, werd met de ploeg een voor getrokken.

De Latijnse godsdienst

De Latijnen waren een godsdienstig volk. Elk dorp, elk bos, elk huis en elke haard had een eigen beschermgod, die ’genius’ werd genoemd. Ook de mens had zo’n genius en de Latijnen geloofden, dat deze de mens van de geboorte tot de dood vergezelde. Kinderen stonden onder bescherming van vele goden.
Lucina moest het kind beschermen tijdens de geboorte, Cumina als het sliep, Rumina terwijl het melk dronk, enzovoorts.

Offers in de open lucht

6e klas Rome 15Zo brachten de Latijnen een offer. In het bos werd een ram geslacht.

De Latijnen bouwden geen tempels en brachten hun offers aan de goden in de open lucht. Dit gebeurde bijna altijd in de bossen.

6e klas Rome 18Dit oude Romeinse reliëf toont een offerplechtigheid aan de Latijnse god Penates, de beschermgod van het gezin.

Herders en boeren

De Latijnen woonden in ruwhouten hutten met lemen wanden en strooien daken. Ook Rome bestond aanvankelijk uit dergelijke hutten.
De inwoners waren herders en boeren, die ook nog wat handel dreven.
Sommigen beoefenden de jacht of de visserij. Na de terugkeer van hun akkers en weidegronden hielden de Latijnen zich vaak bezig met het maken van gereedschappen en andere voorwerpen die in het gezin nodig waren. Zo kon men een herder ’s avonds zien werken als schoenmaker of kleermaker.

6e klas Rome 16

Latijnse boeren bezig met het maken van gebruiksvoorwerpen.

Grensstenen

Iedere Latijnse stam had een eigen gebied. De grenzen daarvan werden aangegeven met zware stenen, de grensstenen. Voordat deze stenen geplaatst mochten worden, moesten eerst offers worden gebracht aan Termine, de beschermgod van de grenzen. Geld kenden de Latijnen niet. Alle handel vond plaats door het ruilen van goederen. Boeren boden melk, kaas, groenten en wol aan. Ze kregen er van de handwerkslieden metalen voorwerpen, potten kleding en schoenen voor terug.

6e klas Rome 17

Op de grens van hun gebied handelen Latijnen met een boer uit een ander gebied. Tussen hen in de grenssteen.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Vrijeschool in beeld6e klas geschiedenis

 

877-808

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Hargreaves en Arkwright

.

Hargreaves en Arkwright

Uitvinders van spinmachines

De eerste kleren werden gemaakt van ruige vachten van wilde die­ren, die de mensen met pezen aan elkaar naaiden. Taaie klimplan­ten draaiden ze tot stevige touwen en van riet werden matten ge­vlochten. Van de wespen leerden zij uit houtvezels een soort pap­achtig product maken, dat voor kleding bruikbaar was, op de Zuidzee-eilanden dragen de inboorlingen op dit ogenblik* nog dergelijke boomschorskleding, die ze fabriceren door het binnenste deel van de bast van bepaalde bomen te pletten in lange repen, die ze nat maken en aan elkaar stampen tot grotere lappen.
Er zijn vogels, die hun nesten onderaan de takken van bomen weven, spinnen weven meetkundige figuren in hun webben, rupsen maken zijdecocons en zijdewormen weven draden, die beter zijn dan die de mensen maken.
In oude tijden zetten de mensen twee stokken in de grond en span­den daartussen horizontale touwen bij wijze van schering of ketting; dan trokken ze daar verticale strengen doorheen: de inslag. Maar het was niet gemakkelijk de inslagdraden door de ketting heen te halen en toen kwam iemand op de gedachte een puntige spoel te ma­ken, die men veel sneller door de ketting heen kon halen. Dit primi­tieve weven had dus grote overeenkomst met het primitieve mattenvlechten.
Later vond iemand de schachten uit, die om de beurt op en neer gingen, waardoor de spoel (of het schuitje) zonder ophou­den heen en weer kon gaan en het tijdrovende doorsteken dus over­bodig werd.
Zo werden de weefgetouwen in de loop der jaren op allerlei manieren verbeterd. Doch tot op het midden der achttiende eeuw verschilden de spin- en weefmethoden nog niet veel van de primitieve spinnewielen en weefgetouwen. Toen ontstond er plotse­ling een geweldige ommekeer, die aanleiding gaf tot de industriali­satie van het spinnen en weven.

Een van de mannen, die veel bijdroeg tot de ontwikkeling van de spinnerij, was James Hargreaves, de uitvinder van de spinmachine (die hij naar zijn vrouw Jenny de spinning jenny noemde). Hij maakte die machine eigenlijk alleen maar voor zijn vrouw en hij maakte zo weinig ophef van zijn uitvinding, dat er bijna niets van hem bekend is geworden, zodat men zelfs niet eens precies weet, waar en wanneer hij geboren is. Wel weet men, dat hij in zeer ar­moedige omstandigheden leefde en niet schrijven en lezen kon, om­dat zijn ouders te arm waren om schoolgeld te betalen. Hij bracht zijn jeugd niet door met spelen en leren, maar met hard werken aan het weefgetouw.
Thuis had hij allerlei gereedschappen en instrumenten en hield zich daar bezig met het uitdenken van nieuwigheden. Zo maakte hij op een goeie dag een stel wolkammen met ijzeren punten die zo opge­hangen werden, dat de mogelijkheid ontstond om veel sneller wol of katoen te kaarden dan voorheen. In 1762 kwam dit een van zijn buren, Robert Peel, een rijk katoenspinner, ter ore en hij zei tot hem: ‘Zou je daar geen machine van kunnen maken, zodat een man er aan kan draaien en op die manier de katoen kaarden?’ Hargreaves zette zich aan het werk en kort daarna had hij een stel wolkammen in de vorm van een cilinder geconstrueerd met tanden van ijzerdraad, waardoor niet alleen de vezels in één richting kwa­men te liggen, maar waardoor tevens de resten van bladen, zaden en ander vuil werden verwijderd. Toen vroeg Hargreaves zich af, of hij er niet iets op zou kunnen bedenken, om het spinnen voor zijn vrouw Jenny gemakkelijker te maken.
Een poosje daarna zag hij een spinnewiel, dat omgevallen was en dat bleef doordraaien. Hé! dacht hij, de spoel staat overeind en werkt net zo goed als toen hij horizontaal stond. Dit stemde hem tot nadenken, vier jaar lang werkte hij in zijn vrije tijd tot hij een spinmachine in elkaar had gezet met een aantal spoelen, die rechtop naast elkaar stonden, en die in beweging werden gebracht door een wiel, zodat hij in plaats van één draad, er acht tegelijk kon spinnen en verbeterde daarna de machine tot hij dertig draden tegelijk kon spinnen. Hij was ervan overtuigd, dat men hem nu van alle kanten zou loven en prijzen om het feit, dat hij de spinners daardoor in staat stelde meer te spinnen.
Tot zijn grote verbazing waren zijn kameraden, de spinners en we­vers in de buurt, helemaal niet over zijn uitvinding te spreken. ‘Een mooie poets heb je ons daar gebakken,’ zeiden ze tegen hem, ‘je hebt een machine gemaakt, die sneller dan wij kan spinnen. Be­grijp je niet, waar dat op neer komt? Je neemt ons het werk uit han­den en waar moeten we dan van leven? Is dat je bedoeling? Dacht je ons zo te helpen?’ De belhamels staken de koppen bij elkaar en drongen onder luid geschreeuw zijn hut binnen. ‘Waar is die ma­chine van jou? We zullen je wel mores leren!’ Ze sloegen alles kort en klein en Hargreaves was blij, dat hij er levend afkwam.

De schrik zat hem zo in zijn benen, dat hij het beter vond met pak en zak te verhuizen naar Nottingham, een centrum van spinnerij en weverij. Daar nam hij zoveel geld op als hij kon en maakte toen een aantal jenny’s, waarmee hij een spinnerij oprichtte. Zo nu en dan maakte hij een jenny voor anderen om aan contanten te komen en zo zijn bedrijf gaande te kunnen houden. Deze jenny’s waren uitstekend geschikt voor de fabricage van de zachte inslagdraden, maar niet voor de harde, stugge kettingdraden.
Het geld, dat hij met de verkoop verdiende, gebruikte hij om rechts­kundig advies in te winnen en vroeg toen patent aan op zijn uitvin­ding. Zijn verzoek werd geweigerd op grond van het feit, dat hij reeds een aantal ongepatenteerde machines had verkocht, en daar­door deze machines tot een gewoon verbruiksartikel had gemaakt, dat iedereen, die er zin in had, nu ook zelf kon namaken. Hargreaves trok het zich erg aan en bracht de rest van zijn leven in eenzaamheid in zijn hut door met het spinnen van katoen; hij stierf in 1778 onbekend en onbemind.

Van 1750 tot 1767 had Richard Arkwright een barbierswinkel in Bolton, Lancashire, en onder het scheren en knippen hield hij geani­meerde discussies met zijn klanten over hun zaken. Hij was geboren in 1732, in Preston, Lancashire, als het jongste kind van een dood­arm gezin, bestaande uit vader, moeder en dertien kinderen. Toen hij nog maar heel klein was, zei zijn vader tegen hem: ‘Je zult uit werken moeten gaan, jongen, ik moet vijftien monden openhouden.’ Zijn vader deed hem in de leer bij een barbier, waar hij eerst bood­schappen moest doen en de vloer aanvegen, maar al heel gauw het vak leerde en kon scheren, knippen en pruiken verven. Hij luisterde met beide oren naar de gesprekken van de klanten en omdat Ark­wright een goed prater en een vriendelijk jongmens was, stond hij goed bij hen aangeschreven. Hij vond een haarverfmiddeltje uit, dat hem zoveel geld opbracht, dat dit de afgunst van de andere
leerjon­gens opwekte. Op zijn achttiende jaar hoorde hij, dat er in Bolton veel weefsters woonden. Hij dacht, dat daar goede zaken gedaan konden worden door het haar van die vrouwen op te kopen en er pruiken van te maken. Hij trok dus naar Bolton en installeerde zich daar als onafhankelijk kapper en pruikenmaker en bleef er tot zijn vijfendertigste jaar.
In Bolton en omgeving verdiende iedereen zijn brood met spinnen of weven en de klanten praatten graag met de kapper, die zoveel van hun vak afwist. Eens begon een van de klanten een verhaal over een John Kay, een klokkenmaker, die op de gedachte was gekomen een spinmachine te maken. Een zekere Tom Highs had nu Kay opge­dragen zo’n machine te maken en samen hadden ze een stelletje wie­len en allerlei andere dingen in elkaar gezet en nu beweerden ze, dat ze daarmee konden spinnen. ‘En konden ze er werkelijk ook mee spinnen?’ vroeg Richard met grote belangstelling. ‘Welnee kerel, dat is juist de mop. Geen draadje konden ze ermee maken en dus hebben ze de hele boel maar op straat gegooid. Iedereen lachte ze uit en ze konden niet in de stad blijven.’ ‘Zozo!’ zei de barbier. Ongeveer dertig jaar geleden had Lewis Paul uit Birmingham
pa­tent genomen op een spinmachine, waarbij rollen paarsgewijze wer­den gebruikt, maar niemand had het patent willen kopen. Arkwright had van die machine gehoord in zijn kapperswinkel en hij had ook allerlei details opgevangen van dergelijke uitvindingen. Toen hij nu eens in een ijzergieterij zag, hoe de arbeiders een staaf witgloeiend ijzer tussen twee zware rollen door haalden, zodat de staaf lang en dun werd, vatte de gedachte bij hem post, dat hij ook van dergelijke rollen gebruik moest maken. Zo kon je een draad ook rekken en in­een draaien tot hij hard en sterk was.
Arkwright ging naar Kay, de klokkenmaker, en stelde hem voor sa­men een spinmachine met rollen te maken. Ze construeerden toen een machine met twee paar rollen; het ene paar draaide echter veel harder dan het andere paar en de draad werd zo stevig ineenge­draaid en dun en sterk en bruikbaar voor alle soorten ketting. Zo slaagde Arkwright erin – net als Hargreaves – een aantal draden tegelijk te maken, van de verlangde sterkte. De nieuwe machine was de beste, die ooit gemaakt was en de spinners en wevers uit de buurt werden uitgenodigd het wonder te komen bekijken. Het gevolg was een herhaling van wat er met Hargreaves was gebeurd, want ze gin­gen allemaal tegen Arkwright tekeer en zeiden, dat hij hun van hun broodwinning zou beroven met zijn vervloekte machine en dreig­den die stuk te slaan.
Arkwright en Kay waren zo bang voor hun bedreigingen, dat ze in allerijl naar Nottingham verhuisden, maar daar konden ze eerst nie­mand vinden, die belangstelling toonde voor hun uitvinding en er geld in wou steken. Toen kwamen ze in aanraking met een rijk fa­brikant, genaamd Strutt, uitvinder van een kousenmachine. Hij werd deelgenoot in de zaak en in 1769 namen ze patent op de uitvinding, richtten een spinnerij op, waarbij ze gebruik maakten van paardenkracht. Later richtten ze in Birkacre in Lancashire een tweede spin­nerij op, maar daar verwoestte een woedende menigte de spinnerij en de machines, ook al weer omdat de arbeiders zich in hun brood­winning bedreigd zagen. Zo algemeen was in die dagen de haat tegen alles wat machine was, dat de politie rustig bleef toezien bij het ver­nielingswerk.
Nog geen twee jaar, nadat ze Strutt er als partner hadden bijgeno­men, richtten Arkwright en Kay een grote spinnerij op in Cromford en gebruikten daar water als beweegkracht. Geruime tijd daarna voerden ze in andere spinnerijen stoommachines in.
Een aantal gewetenloze concurrenten trok profijt van de uitvin­ding van Arkwright zonder er voor te betalen en toen Arkwright een gerechtelijke vervolging tegen hen liet instellen, verloor hij al zijn processen, op grond van de overweging, dat het patent, dat hij genomen had, te vaag was, en verder door het getuigenis van Tho­mas Highs, dat hij de uitvinder van de methode van spinnen met be­hulp van rollen was. Ten slotte verklaarde John Kay nog, dat hij het toestel gemaakt had, al was hij er dan ook voor betaald door Ark­wright.
Arkwright liet zich echter door al die tegenslagen niet in het minst ontmoedigen en begon van voren af aan. Hij vestigde fabrieken te Lancashire, Derbyshire en in Schotland en verzamelde een groot fortuin. In de loop der jaren namen zijn aspiraties steeds groter vlucht, zodat hij zelfs het plan opvatte de katoenmarkt van de hele wereld in handen te krijgen en zoveel geld te verdienen, dat hij daarmee de nationale schuld van Engeland kon betalen. Hij bracht voortdurend verbeteringen aan in het kaarden en spinnen en in het beheer van zijn fabrieken. Zijn vrouw werd echter op den duur af­gunstig op de zorg en de aandacht, die hij aan zijn fabrieken be­steedde en voelde zich verwaarloosd; op een goede dag vernielde zij toen een paar modellen, die hij pas had gemaakt. Arkwright, voor de keus gesteld zijn vrouw of zijn werk op te geven, liet zich schei­den. Hij verdiende steeds meer geld en bezat langzamerhand ruim zes miljoen gulden, reisde in vliegende vaart met een vierspan het land door, liet een kasteel bouwen, werd opperbaljuw van het graaf­schap Derbyshire en bekleedde nog een aantal andere belangrijke functies.

Ondanks dit alles, hinderde zijn gebrekkige opvoeding hem en toen hij al ver in de vijftig was en eindelijk over wat vrije tijd beschikte, nam hij een kloek besluit en besteedde iedere dag een uur aan de studie van de grammatica en een uur aan het maken van opstellen. Tot het eind van zijn dagen stond hij om vijf uur op en werkte zes­tien uur per dag. Arkwright stierf op zijn zestigste jaar in Cromford.

*onbekend wanneer dit is geschreven

.

8e klas vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

Algemene menskundeleeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

874-805

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – James Watt

.

JAMES WATT
.

Uitvinder van de stoommachine met condensor
.

James Watt*, Henry Howard – National Portrait Gallery

In het plaatsje Greenock, aan de oevers van de Clyde, staat een marmeren standbeeld van James Watt, en niet ver daar vandaan zijn de gebouwen van het Wattinstituut en de Wattbibliotheek, opge­richt ter gedachtenis aan de uitvinder, die de wereld toonde, hoe men zich de stoomkracht ten nutte kon maken met een zo gering mogelijk verlies aan arbeidsvermogen.
James Watt werd in dat plaatsje in het jaar 1736 geboren en bracht daar zijn jeugd door. Zijn vader, Thomas Watt, nautisch instrumentmaker, was buitenge­woon gehecht aan zijn enig overgebleven en zwakke zoontje; zijn vijf broertjes en zusjes waren al heel jong gestorven. Op een goede dag, toen de kleine Jamie met een hamer op een stuk ijzer stond te slaan, vroeg zijn vader hem, of hij zelf een kleine smidse zou willen hebben.

Meen je dat, pappie?’ En van die dag af stond Jamie van ’s mor­gens tot ’s avonds aan de blaasbalg te trekken, maakte het ijzer wit­gloeiend en liet de vonken lustig in het rond spatten op zijn eigen aambeeld. Zijn moeder, die zelf ook niet sterk van gestel was, gaf hem in die tijd les met behulp van de boeken, die zij in huis had­den. Maar James was leergierig en de kennis van zijn moeder schoot tekort; daarom deden ze hem op school. Daar kon hij we­gens zijn zwakte niet goed mee en de meester vond hem dom. ‘Hij kan niet leren,’ zei hij tegen de ouders.

James Watt was zeventien jaar, toen zijn moeder stierf en bracht van dat ogenblik af al zijn tijd in de werkplaats van zijn vader door met repareren van instrumenten; hij leerde ook zelf instrumenten maken. Toen hij achttien was, wilde hij het vak grondig leren en trok naar Glasgow, een dertig kilometer daar vandaan. Toen hij in het voornaamste deel van Glasgow was aangekomen, vroeg hij aan een voorbijganger, waar de werkplaats was.
‘Welke werkplaats bedoel je, jongen?’ ‘De werkplaats van de instrumentmaker.’ ‘Gunst nog toe, beste jongen, er is geen instrumentmaker in heel Glasgow.’
Daar stond hij moederziel alleen in de grote stad, maar hij gaf de moed niet op en zocht net zo lang, tot hij werk vond bij een opticien.
Een jaar daarna had hij twee pond gespaard en besloot hij naar Londen te gaan, zeshonderd kilometer daarvandaan, met het vaste plan een prima instrumentmaker te worden. In Londen duurde het dagen, voordat hij werk vond, maar net toen de moed hem in de schoenen begon te zakken, kreeg hij een plaatsje als leer­jongen bij de instrumentmaker John Morgan.
De eerste maanden, die hij daar doorbracht, had hij iedere avond barstende hoofdpijn en overdag viel hij soms van uitputting met zijn hoofd voorover op de werkbank.
Toen het jaar om was, begreep Watt, dat hij het werk niet kon volhouden en ging naar Glasgow terug.

Eerst was hij van plan zelf een werkplaats te openen, maar de gil­den lieten het niet toe, want hij had zijn proef niet afgelegd. Hij moest dus wel voor anderen werken en slaagde er in een betrekking te krijgen als instrumentmaker aan de universiteit van Glasgow. Daar werkte hij een tijd lang gelukkig en tevreden en bekwaamde zich in zijn vak. Op drieëntwintigjarige leeftijd ging hij voor de tweede maal naar Londen, kocht daar de nodige werktuigen en be­gon een winkel in Glasgow, waar ‘alle mogelijke mathematische en muziekinstrumenten te koop’ waren.

In dat winkeltje verkocht James zeven jaar lang instrumenten aan landmeters en zeevaarders, repareerde hun instrumenten, hield ge­sprekken over wiskunde met professoren en studenten, experimen­teerde wat in de chemie, en betoonde zich een goed en consciën­tieus vakman.

Op een goede dag kwam prof. John Anderson bij hem en vroeg hem, of hij misschien zijn oude newcomenpomp, die met stoom ging, zou kunnen repareren, want er mankeerde iets aan en hij wist niet wat. De newcomenpomp was een zwaar, moeilijk te han­teren ding, dat gebruikt werd om water uit mijnen op te pompen; het was dus eigenlijk helemaal geen karwei voor een instrumentma­ker.

Vanaf het ogenblik, dat mensen ketels hadden gebruikt, hadden ze gemerkt, dat de deksels door stoom werden opgetild, en reeds lang geleden hadden ingenieuze mensen machientjes gemaakt, die door stoom in beweging werden gebracht. In 1679 kwam Denis Papin, een Fransman, tot de onaangename ontdekking, dat stoom een gro­te explosieve kracht kon ontwikkelen. Hij vond toen een veilig­heidsklep uit en zette zijn experimenten voort, tot hij in 1690 be­kend maakte, dat hij genoeg stoom in een metalen cilinder kon maken, om een zuiger in beweging te brengen, en dat hij door de stoom te verdichten de zuiger weer in zijn oorspronkelijke stand kon brengen. In 1698 leidde kapitein Thomas Savery de stoom uit een stoomketel direct door een pijp naar een bewaarplaats, waarin slechts één uitgang was: een pijp met een klep, die onder water kon worden gebracht. Door water buiten op het vat met de verza­melde stoom te gieten verdichtte hij de stoom en veroorzaakte hij een vacuüm, met het gevolg, dat er water naar boven werd geperst, wanneer de klep werd geopend. Al werkte deze zogenaamde pomp niet vlug, toch kon men er kolenmijnen mee leegpompen. Savery nam patent op zijn uitvinding en maakte zich gereed om haar in praktijk te brengen, toen hij hoorde van een handelaar in ijzerwa­ren, Thomas Newcomen, die ook proeven met stoom nam; daar­om stelde hij hem voor samen met hem stoompompen te con­strueren. Na verloop van zeven jaar construeerde Newcomen toen een veel verbeterde pomp met een cilinder en een zuiger, wier bewe­gingen werden vergemakkelijkt door een contragewicht en met ge­condenseerde stoom, die men verkreeg door een straal water in de cilinder te laten lopen. Daar hij er niets anders op wist, liet New­comen de kleppen met de hand openen en sluiten door een jongen, die niets anders te doen had. Op een goede keer kwam een van die jongens, die te lui was om aldoor die kleppen open en dicht te ma­ken, op de ingenieuze inval het blok hout, dat als contragewicht diende, al dat werk te laten doen; hij construeerde daartoe een ap­paraat, dat samengesteld was uit stukjes metaal, die hij met touw­tjes aan elkaar bond. Dat was de onbeholpen pomp, die James Watt in opdracht van prof. Anderson moest repareren. Het was of men een horlogemaker vroeg een smidskarweitje op te knappen.

Watt vond de opdracht eerst niet erg aanlokkelijk, maar bekeek de pomp, ontdekte de fout en repareerde hem. Het hinderde hem, die gewend was aan de precisie van zijn instrumenten, dat het ding zo lomp in elkaar zat en hij nam zich voor een betere pomp te ma­ken. Hij begreep, dat hij moest proberen stoom en brandstof te be­sparen, en maakte te dien einde in de loop van vele jaren experi­menteren een aparte condensor, zodat hij voor het condenseren van stoom de cilinder niet behoefde af te koelen. Om verder de cilinder zo heet mogelijk te houden, bekleedde hij die en in plaats van de bovenkant open te laten, sloot hij die volkomen af, en bespaarde, door verder nog zoveel mogelijk kieren dicht te stoppen, op deze wijze stoom. Ten slotte voegde hij er nog een pomp aan toe, om water en lucht aan de condensor te onttrekken; de newcomenpomp werkte daardoor zuiniger en kon meer kracht ontwikkelen.

Vlak voordat Watt patent aanvroeg op zijn verbeterde mijnpomp (1769), ging hij naar Birmingham en maakte daar kennis met een van de leidende fabrikanten, Matthew Boulton (1728-1809). ‘Hoeveel mensen werken er in uw fabriek?’ vroeg Watt. ‘Op het ogenblik ongeveer zeshonderd.’ ‘Doen die arbeiders allemaal hetzelfde soort werk?’ ‘O nee. We doen allerlei werk. maar hoofdzakelijk zilverpletterij. We maken bijv. knopen, zoals u daar aan uw jas heeft, horloge­kettingen en gespen voor schoenen, en verder van alles.’

Watt had nooit een som gelds van enige betekenis bezeten en om zijn stoomproeven te kunnen voortzetten had hij zelfs geld moeten opnemen. Ja, nog erger, hij had twee derden van zijn rechten op zijn nieuwe pomp moeten afstaan aan degene, die hem financieel had ondersteund en die hem ook met raad en daad had bijgestaan: Dr. John Roebuck, geneesheer, chemicus, fabrikant van chemica­liën en handelaar in ijzerwaren. Nu wilde het geluk, dat Roebuck Boulton twaalfhonderd pond schuldig was, waarvoor hij hem zijn aandeel in de pomp in ruil aanbood. Boulton zag het grote belang van de verbeterde stoommachine van Watt in, erkende de be­kwaamheid van de uitvinder en maakte hem in 1775 deelgenoot van de nieuwe firma ‘Boulton en Watt’.

Twee jaar tevoren had Watt in zak en as gezeten en zich als een volslagen mislukkeling beschouwd. Hij verdiende niet veel met zijn winkeltje en zijn werkplaats en kwam tot de slotsom, dat hij niet geschikt was voor zaken. Zijn vrouw was pas gestorven en hij schreef naar aanleiding daarvan aan een vriend: ‘Nu ben ik de enige troost in mijn leven kwijt.’
Omdat hij van scheppend werk hield, was hij blij zo nu en dan landmetingen te kunnen verrichten en zich te belasten met de aanleg en het onderhoud van wegen, of kanalen te projecteren en plannen te maken voor bruggenbouw en aanleg van havens. Al gaf hem dit wel wat afleiding, toch voelde hij zich te veel gebonden aan zijn werkplaats en een van zijn pessi­mistische notities uit die tijd luidt als volgt: ‘Ik geloof dat ik ge­doemd ben mijn hele leven zakenman te blijven. Ik kan me niets ergers voorstellen. Ik zou me aan de landmeetkunde willen wijden; daar ben ik het meest geschikt voor.’

Uit die toestand van afstomping en neerslachtigheid redde Matthew Boulton hem. ‘Trek je niets aan van zaken. Laat de geldkwestie maar aan mij over. Zorg jij maar, dat je pomp goed wordt.’

En zo gebeurde het ook. Vijfentwintig jaar lang duurde hun com­pagnonschap, tot ze beiden al op hoge leeftijd waren en die twee vormden een voortreffelijke combinatie.
De firma Boulton en Watt werd wereldberoemd en leverde pompen aan bijna alle Britse mij­nen. Watt legde zich ook toe op het fabriceren van drijfstangen, askrukken, wielen en ander drijfwerk. Vroeger werd er slechts stoom gebruikt voor druk op één kant van de zuiger; Watt ge­bruikte nu stoom aan beide kanten. En hij gebruikte niet meer stoom dan nodig was; de toevoer regelde hij door middel van een veel verbeterde smoorklep. Hij vond een manometer uit om de spanning van de stoom te meten en een centrifugaalregulateur ter verkrijging van een gestadige beweging van de machine. Om kort te gaan: de stoommachine, die we ook nu nog gebruiken, heeft de wereld aan Watt te danken.

Watt had groot ontzag voor de reus, die hij aan banden trachtte te leggen, want hij wist welk een onheil hij kon aanrichten, als de druk te hoog werd. Toen een van zijn arbeiders eens de opmerking maakte, dat je meer kracht kon ontwikkelen door de druk op te voeren, antwoordde Watt, dat het gevaar voor ongelukken daar­door ook groter werd. Hij ging zelfs zo ver, dat hij zich samen met enige anderen beijverde om een wet aangenomen te krijgen, waarbij het gebruik van stoom onder hoge druk verboden werd, wegens het daaraan verbonden levensgevaar. Op een goede dag zei een van zijn beste arbeiders, William Murdoch, tegen hem: ‘Kijkt u eens, me­neer Watt, we gebruiken machines om er wielen mee in beweging te brengen. Kunnen we geen wagen maken, die sterk genoeg is om een machine te dragen en de wielen van die wagen door de machine in beweging laten brengen? Dan kunnen we met een wagen zonder paarden over de weg rijden. Ik weet zeker, dat het gaat.’

‘Nee, nee,’ zei Watt, ‘denk eens aan de gevaren, die dat zou ople­veren. Hoe zou je zo’n ding onder controle houden? Je zou de men­sen overrijden, de paarden zouden ervan op hol slaan en je zou brand veroorzaken. Nee hoor, de regering zou zo’n monster niet op de grote verkeerswegen dulden. En ik ook niet.’ Later kwam Watt hiervan terug en toen hij zevenenveertig jaar was, ontwierp hij schetsen voor een wagen, die door stoom werd voortbewogen.

Toen James Watt vierenzestig was en Matthew Boulton tweeën­zeventig, deden ze de zaak over aan hun zoons, James Watt Jr. en Matthew Boulton Jr., beiden zeer bekwame jongemannen.

Kort nadat de grote uitvinder zich uit het zakenleven had terugge­trokken, zei een vriend tegen hem: ‘Wat ga je nu doen?’ ‘Werken natuurlijk,’ antwoordde Watt onmiddellijk. ‘Er bestaat geen groter genot op de wereld.’

In de buurt van Birmingham, waar hij zoveel jaar lang machines had gemaakt, liet hij op zijn oude dag een groot buitenverblijf zet­ten in een vredige omgeving met een groot park eromheen. Daar kwamen velen hem opzoeken en daar ging hij voort met zijn expe­rimenten en zijn werk. Slechts zelden ging hij uit. Twee jaar nadat hij zich op zijn buitenverblijf had teruggetrokken, maakte hij een reis naar het vasteland van Europa en schepte groot behagen in de kastelen en wijnbergen aan de Rijn. De rest van zijn leven bracht hij op zijn landgoed door en deed hij allerlei uitvindingen, waarop hij patent nam: een toestel om brieven te kopiëren, een methode om geweven stoffen te bleken met chloor en een middel om rook uit fabrieksschoorstenen te benutten. Hij experimenteerde ook in chemie en medicijnen.

In het laatste jaar van zijn leven vond hij een apparaat uit om een getrouwe kopie van beeldhouwwerk te maken, zowel op de natuur­lijke grootte als op schaal.

James Watt was er wel eens bang voor, dat hij op zijn oude dag de soepelheid van geest en de wilskracht zou verliezen, die zijn voor­naamste karaktertrekken waren; gelukkig was daar geen sprake van. Toen hij al in de tachtig was, zat hij eens met een vriend te genieten van het invallen van de duisternis na een prachtige zomer­dag. James Watt staarde peinzend in de verte en zijn vriend vroeg hem, waarom hij zo treurig keek. ‘Ik ben een beetje bezorgd; mijn hele leven heb ik plannen gemaakt en gewerkt. Ik ben nu al in de tachtig … Ik ben benieuwd … ik ben benieuwd hoe lang ik nog in het bezit van mijn geestesvermogens zal blijven.’

Hij behield ze tot het laatste ogenblik en stierf de negentiende augustus van het jaar 1819.

*uit deze link blijkt dat het portret James Watt voorstelt; deze link zegt dat het Newcomen zou zijn.

James Watt, Newcomen e.a: geschiedenis klas 8

James Watt en de industriële revolutie

8e klas vertelstof: alle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

Algemene menskundeleeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

870-801
.
.
.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Magalhaen

.

VEROVERAAR DER ZEEËN
.

Het begon met het zoeken naar specerijen. Sinds de tijd, dat de Romeinen de smaak te pakken hadden gekregen van de sterk gekruide gerechten uit het Oosten, kon het Westen er onmogelijk meer buiten. Tot ver in de middeleeuwen was het voedsel in Europa onvoorstelbaar laf. Vruchten, die nu heel ge­woon zijn, waren toen nog onbekend. Er waren geen tomaten, geen maïs, evenmin thee en koffie. Zelfs de tafels der rijken boden niets waarmee deze eentonigheid kon worden doorbroken, tenzij men specerijen kon bemachtigen.

Die waren alleen in Indië te krijgen en de handelswegen daar­heen en weer terug waren zo lang en gevaarlijk — zozeer be­dreigd door bandieten — dat specerijen tegen de tijd dat zij Euro­pa bereikt, hadden, uitermate kostbaar geworden waren. Zo wer­den gember en kaneel op een apothekersbalans gewogen. Peper­korrels gingen per stuk en waren hun gewicht in zilver waard.

De stoutmoedigheid die leidde tot de reizen van Columbus, Dias, John Cabot en andere grote ontdekkingsreizigers uit die tijd, kwam bovenal voort uit een brandend verlangen nieuwe, onbedreigde handelsroutes naar de Specerij-eilanden in het Verre Oosten te vinden. En nadat Vasco da Gama, die in 1498 de zuide­lijke tip van Afrika rondde, Indië had bereikt, begon er een wed­loop om handels- en militaire posten in het Verre Oosten te be­zetten. In 1505 zonden de Portugezen een vloot uit om in Indië factorijen te vestigen en een jonge Portugese soldaat, de 24-jarige Fernao de Magalhaen, reisde mee. Van deze en volgende expedi­ties naar Malakka (nabij het huidige Singapore, toegangspoort tot de Specerij-eilanden) kwam Magalhaen terug als een man van ervaring en met een Maleise slaaf, die hij in Malakka had gekocht. Deze slaaf, die hij Enrique noemde, zou een verbazingwekkende rol spelen in Magalhaens latere loopbaan.

Magalhaen had nu de blik op verre einders gericht en hij droomde ervan de Specerij-eilanden te bereiken door naar het westen te varen, zoals Columbus vóór hem had willen doen. Ook andere avonturiers — onder wie Amerigo Vespucci, Cortez en Cabot — hadden de Amerikaanse kust afgezocht op een door­gang naar Indië, en waarschijnlijk had Magalhaen zich laten leiden (en naar later zou blijken misleiden) door een geheime kaart — gebaseerd op Vespucci’s waarnemingen — die een zee-engte aangaf, verborgen achter Cabo Santa Maria in Uruguay.

Hoe het ook zij, terwijl andere ontdekkingsreizigers bescheiden zeiden: “Ik hoop een zee-engte te vinden,” kondigde Magalhaen met overtuiging aan: “Ik wéét waar ik die moet vinden.” En op grond van die zekerheid vroeg hij koning Manuel I van Portugal een vloot uit te rusten om die nieuwe weg naar het oosten te ont­dekken.

Toen de koning zijn steun aan zo’n onzeker avontuur weigerde, bood Magalhaen Portugals grootste mededinger in de specerijenhandel, Spanje, zijn diensten aan. Bij het Spaanse hof maakte zijn boute bewering dat hij als enige de ligging van de geheime paso kende, diepe indruk. Koning Karel, die er tuk op was zijn Portugese rivaal een slag voor te zijn, zegde de verlangde steun toe en machtige Spaanse bankiers namen het op zich een vloot van vijf schepen uit te rusten.

Op dat ogenblik gaf koning Manuel zijn ambassadeur in Spanje order de onderneming te torpederen. Zo werd Magalhaen bij zijn voorbereidingen voortdurend belemmerd door ruzies, vertra­gingen en onlusten. Bemanningen vond hij slechts met de grootste moeite. Maar onder het allegaartje avonturiers raakte toevallig een jonge Italiaan verzeild, Antonio Pigafetta, die meeging omdat hij “de pracht en verschrikkingen van de oceaan” wilde zien. Het nageslacht is hem veel verschuldigd, want hij hield uiterst zorgvuldig een dagboek bij van deze historische reis.

Magalhaens vloot vertrok op 20 september 1519 uit de Spaanse haven Sanlúcar. Van de 265 man aan boord namen de meesten voor eeuwig afscheid van hun vaderland. Voor het vertrek gaf Magalhaen een order uit, dat de vier andere schepen elke avond tot dichtbij het vlaggenschip de Trinidad moesten koersen om beve­len voor de nacht in ontvangst te nemen. Dank zij deze dagelijkse contacten werd de discipline gehandhaafd.

De gezagvoerders hadden verwacht aan boord van het vlaggenschip te worden genodigd en geraadpleegd te worden over de te volgen koers. Maar Magalhaen vroeg niet naar hun mening. Zij hadden overdag de vlag maar te volgen en ’s nachts het baken, met de gehoorzaamheid van een hond. Toen Magalhaen dus zuidwaarts zeilde langs de kust van Afrika, in plaats van een zuid­westelijke koers naar Brazilië te volgen zoals men had verwacht, vroeg Juan de Cartagena, kapitein van de San Antonio, ronduit waarom de koers was gewijzigd. Waarschijnlijk had Magalhaen dat gedaan in de hoop een gunstige wind in de zeilen te krijgen, maar hij antwoordde slechts, dat niemand het recht had hem om uitleg te vragen. Daarmee nam hij Cartagena zozeer tegen zich in, dat deze op een avond weigerde de San Antonio naar het vlaggenschip te sturen om orders in ontvangst te nemen. Voor iedereen op de vloot was het nu duidelijk, dat Juan de Cartagena het onbe­perkte gezag van de Portugese bevelhebber niet erkende.

Magalhaen liet er enige dagen overheen gaan. Toen, alsof hij capituleerde, belegde hij een vergadering van de vier kapiteins aan boord van het vlaggenschip. Juan de Cartagena kwam met de anderen mee en, woedend over Magalhaens weigering uitleg te geven over de nieuwe koers, zegde openlijk de gehoorzaamheid op. Onmiddellijk ontbood Magalhaen zijn militaire adjudant en liet de muiter arresteren.

Magalhaens neef Mesquita kreeg nu het bevel over de San Antonio en de vloot vervolgde zijn koers zonder verdere incidenten. Op 13 december, na elf weken op zee te zijn geweest, liep men de baai van Rio de Janeiro binnen. Voor de vermoeide bemanning moet die baai een paradijs geweest zijn. De inboorlingen kwamen uit hun hutten aan de rand van het bos te voorschijn en begroetten de zeelieden heel nieuwsgierig, maar zonder achterdocht.

Na dertien dagen — om uit te rusten en leeftocht in te nemen — hervatte Magalhaen de reis zuidwaarts langs de kust van Brazilië en bereikte op 10 januari 1520 Cabo Santa Maria. Daarachter zagen de matrozen een lage heuvel, die oprees uit een wijde vlakte en noemden die Montevidi — nu Montevideo. De reusach­tige baai, die zij toen binnenvoeren, was in feite de monding van de Rio de la Plata, maar daar had Magalhaen geen vermoeden van. Veertien dagen lang verkende hij dit water en tot zijn bittere teleurstelling ontdekte hij, dat het slechts de monding van een grote rivier was.

Magalhaen besefte dat geen van de kapiteins iets van zijn teleurstelling mocht vermoeden. Dus voer hij vastberaden verder langs een kust, die er voortdurend verlatener begon uit te zien. Magalhaen verkende elke baai met telkens opflakkerende en telkens weer ijdel blijkende hoop. Al verder naar het zuiden zeilde de vloot. De dagen werden steeds korter, de nachten langer. De zeilen zagen wit van de sneeuw, stengen en ra’s werden versplinterd in orkanen. Een halfjaar was voorbijgegaan en de zuidpoolwinter was in aantocht. Magalhaen scheen zijn doel nog geen stap genaderd. Op 31 maart 1520 doemde er een nieuwe inham op. Het was een afgesloten baai. Niettemin ging Magalhaen er binnen. Het was een beschutte plek en er scheen veel vis te zijn, dus gaf hij bevel tot ankeren. Hij had besloten in dit Port San Julian, deze onbekende, verlaten baai, te overwinteren.

Hier opgesloten en op karige rantsoenen gesteld, begon de be­manning te morren, terwijl de spanning tussen Magalhaen en de Spaanse gezagvoerders zodanig steeg dat het op een open rebellie uitliep. Onder dekking van de nacht ging de muiter Cartagena met twee andere Spaanse kapiteins en dertig gewapende man­schappen aan boord van de San Antonio en nam bezit van dat schip, waarbij één officier werd vermoord. Magalhaen besloot nu tot straffe maatregelen over te gaan. Hij zond zijn provoost, Espinoza, op wie hij bouwen kon, met vijf man naar de Victoria en gaf hem een brief mee voor de muitende kapitein Luis de Mendoza.

De muiters aan boord van dit goed bewapende schip koesterden geen argwaan, toen zij het kleine bootje zagen naderen. Hoe kon­den zes mannen een schip met een bemanning van zestig koppen aanvallen? Alsof hij alle tijd had klom Espinoza aan boord en overhandigde Magalhaens brief aan kapitein Mendoza, waarin deze op het vlaggenschip werd ontboden. Mendoza las de bood­schap en barstte in lachen uit omdat de valstrik duidelijk was. Maar zijn lach eindigde in een afschuwelijk gereutel, want de provoost stak hem een dolk in de keel.

Magalhaen had geen moeite met het arresteren van de twee muitende gezagvoerders, die overgebleven waren, Juan de Car­tagena en Gaspar Quesada. Quesada werd ter dood veroordeeld. Juan de Cartagena, de eigenlijke leider van de muiterij, en een priester, die getracht had een tweede muiterij te beginnen, waren niet minder schuldig dan Quesada. Maar Magalhaen besloot hen op de kust achter te laten. Toen de vloot opnieuw onder zeil ging, werden de twee aan hun lot overgelaten, met een voorraad proviand en wijn. De Almachtige God zou beslissen of zij daar zouden sterven.

In Port San Julian hadden de Spanjaarden niets dan rampen gehad. Zodra de winter voorbij was, moest de kleine Santiago, het meest wendbare schip van de vloot, op verkenning buiten de baai. Het schip ging onder in een storm, hoewel de bemanning veilig aan land wist te komen. Magalhaen zond prompt een boot uit om de schipbreukelingen te redden.

Op 24 augustus 1520 gaf Magalhaen ten slotte bevel het ramp­spoedige San Julian te verlaten, met een laatste blik op het on­gelukkige tweetal dat moest achterblijven. Een van zijn schepen was gezonken, twee van zijn kapiteins waren dood, er was bijna een jaar voorbijgegaan sedert het begin van de reis ………….een jaar waarin men geen duimbreed verder was gekomen, niets ontdekt had en niets bereikt had.

Het moeten de somberste dagen van Magalhaens leven geweest zijn. Hij probeerde verder te zeilen, maar gedurende nog twee lange maanden werd hij door stormen voor de barre kust opge­houden. Toch was hij dicht bij zijn doel, zonder het te weten. Op 21 oktober 1520 kreeg hij witte klippen in zicht, die zich boven een vreemd gekartelde kustlijn verhieven en al spoedig liep hij een diepe baai binnen, waar het water zwart getint was. Er was geen spoor van menselijk of plantaardig leven te bekennen. Niets dan een huilende wind. De manschappen keken bedenkelijk naar de inham, donker als Hades en omringd door bergen. Maar Magal­haen, geobsedeerd door de gedachte aan een verborgen straat, drong erop aan deze merkwaardige baai te verkennen. De San Antonio en de Concepción gehoorzaamden aarzelend toen hij die twee schepen bevel gaf zo ver zij konden naar het westen te varen, maar na vijf dagen terug te keren om rapport uit te brengen.

Nauwelijks had de vloot zich in twee delen gesplitst of het water in de baai werd opgezweept door een storm en Magalhaens schip werd bijna op de rotsen geworpen. Maar zijn grootste bezorgd­heid gold de San Antonio en de Concepción. De orkaan moest hen in de zee-engte overvallen hebben en als er geen wonder was gebeurd, waren zij nu te pletter geslagen. Na vier dagen angstig afwachten kwam er een zeil in zicht. God zij dank, er was één schip gered! Nee, beide schepen, want zowel de San Antonio als de Concepción kwamen veilig en wel terug. De twee gezagvoerders brachten Magalhaen het vurig verbeide nieuws. De schepen die naar het westen waren voortgedreven, zouden op de rotsen te pletter ge­slagen zijn, indien zich niet op het laatste moment een doorgang voor hen had voorgedaan. Al hadden zij het westelijke uiteinde daarvan niet verkend, zij twijfelden er niet aan of dit was een zeestraat. Beter nieuws had de zwaar beproefde Magalhaen niet kunnen krijgen. Men moest dus niet langer aarzelen. Met vast­beraden moed de doolhof in, die hij op dat moment Todos los Santos noemde, maar die bij het nageslacht Straat Magalhaen zou heten.

Toen de zeestraat zich ten slotte opende en de wijde oceaan voor hen lag, rolden er vreugdetranen in zijn zwarte baard, zo lezen we. Nu ontbood Magalhaen de gezagvoerders om te rapporteren hoe het met de proviand stond. Zij hadden hun eerste doel bereikt. Waren zij nu bereid verder te zeilen om een weg naar de Specerij­eilanden te ontdekken? Hij kon niet ontkennen, dat de geringe voorraad leeftocht ernstige gevaren meebracht. Maar hijzelf bleef daar onbevreesd onder. Men zou doorzeilen. Magalhaen gaf zijn kapiteins echter bevel, de bemanningen onkundig te laten over het tekort aan proviand. De San Antonio, uitgezonden om een diepe zijarm te gaan verkennen, keerde niet terug op de afgesproken tijd. Dagenlang zocht Magalhaen vergeefs naar het schip en ten slotte vroeg hij een astroloog een horoscoop te trekken. De astro­loog bracht de boodschap over die de sterren hem gegeven hadden en ditmaal bleek die juist te zijn. De San Antonio, zei hij, was ervan­door en had koers gezet naar Spanje.

Opnieuw stond Magalhaen voor een verschrikkelijk dilemma. Het grootste deel van de mondvoorraad was aan boord van de San Antonio. De reis voortzetten zou nu vrijwel gelijk staan met zelfmoord. Toch besloot hij dat te doen. Op 28 november 1520 zetten de drie overgebleven schepen koers over de onbekende oceaan in noordwestelijke richting. Ergens achter de einder moes­ten de Specerij-eilanden liggen, de eilanden die hun rijkdom zouden brengen. En daarachter moesten China en Hindoestan te vinden zijn. En daarachter, in de verre verte, het vaderland, Spanje. Met kanonschoten brachten de drie eenzame scheepjes een eerbiedige groet aan de onbekende zeeën.

De eerste tocht over deze tot dusver naamloze oceaan is een der onsterfelijke daden in de geschiedenis der mensheid. Magalhaen zeilde de leegte binnen. Zijn manschappen waren uitgeput. Zij hadden honger en ontbering achter de rug en honger en ontbering lagen nu ook dreigend voor hen. Hun kleren waren tot op de draad versleten, de zeilen verrot en het want was aan rafels. Velen moeten hun kameraden, die ervandoor waren, benijd hebben. Niettemin zeilden ze verder en nog kwam er geen land in zicht. Hij moest Japan al lang voorbij zijn, dacht Magalhaen. In feite had hij van de uitgestrekte oceaan, die hij de Stille noemde, omdat het er zo vredig was, nog geen derde bezeild. Op 24 januari 1521 kregen ze een eiland in zicht (St. Paulus) en daar namen ze proviand in. Daarna vertrouwden ze zich opnieuw aan de uit­gestrekte wateren toe.

Niet minder dan negentien man, ongeveer een tiende van het aantal, dat nog over was, stierven een vreselijke dood op deze martelende reis over de Stille Oceaan.

Ten slotte klonk er op 6 maart 1521 een kreet uit het kraaienest: ‘Land vooruit!” Het was net op tijd. Indien men nog twee, drie dagen in die leegte had moeten ronddobberen, was er wellicht geen woord over deze heroïsche reis voor ons bewaard gebleven. Maar daar lag een eiland! Nauwelijks was de vloot de baal bin­nengevallen of kleine, beschilderde bootjes met zeilen vervaardigd uit palmbladeren staken van wal. Behendig als apen klauterden de naakte natuurkinderen aan boord en, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was, eigenden zich prompt elk voorwerp toe dat niet spijkervast was. Zelfs de roeiboot van de Trinidad werd in triomf meegevoerd. Magalhaen besloot de diefachtige eilanders mores te leren en stuurde veertig gewapende matrozen op hen af, die de hutten platbrandden en meenamen wat zij maar vinden konden — kippen, vis en fruit.

Deze plundertocht redde de Spanjaarden van de ondergang. Drie dagen rust, verse vruchten, vlees en water maakten dat de meeste bemanningsleden weer spoedig op krachten kwamen. Met hernieuwde moed vervolgde men de reis naar het westen. Toen men een week later nog een eiland en toen nog een in het zicht kreeg, wist Magalhaen dat zij gered waren. Hij had een volledig onbekende archipel ontdekt, de Filippijnen, en daarmee Keizer Karel een nieuwe provincie bezorgd, die langer onder de Spaanse kroon zou blijven dan enig gebied door Columbus, Cortez of Pizarro ontdekt.

Op 28 maart bereikte de vloot Mazzava, een klein eilandje in de Filippijnengroep, en hier had Magalhaen een van de merk­waardigste ervaringen van zijn leven. Terwijl de drie grote, vreemde schepen naderbij kwamen, dromden de vriendelijke bewoners samen op het strand en Magalhaen zond zijn slaaf Enrique op hen af in de juiste veronderstelling, dat de inboorlingen meer vertrouwen zouden hebben in een kleurling dan in een ge­baarde blanke.

Toen gebeurde het wonderlijke. Terwijl babbelende eilan­ders om Enrique heen kwamen staan, ontdekte de Maleise slaaf tot zijn verbijstering, dat hij heel veel kon verstaan van wat zij zeiden. Het was al heel wat jaren geleden dat hij in zijn eigen taal had horen spreken. Door dit verbazingwekkende voorval wist Magalhaen dat hij zijn doel bereikt had. Hij was weer in het deel van de wereld waar Maleis gesproken werd. Wat enige geleerden gedroomd hadden, was nu zekerheid geworden. De aarde was rond, want men was er nu omheengevaren.

De week op Mazzava was de gelukkigste episode van Magalhaens reis. Calamboe, de koning van het eiland, bereidde hem een gastvrije ontvangst en bezorgde hem een overvloed van voed­sel en water. Hij behoefde nu alleen nog maar naar de Specerij-eilanden te varen om zijn opdracht te vervullen. Toch wilde hij de Filippijnen niet verlaten zonder deze archipel tot permanent Spaans bezit te hebben gemaakt, en daarvoor was het niet vol­doende één klein eiland bezocht en geannexeerd te hebben. Hij vroeg Calamboe daarom wat het grootste van de naburige eilan­den was en vernam dat dit Zebu (Cebu) heette. Daarheen zette Magalhaen koers, “want,” zo schrijft de trouwe Pigafetta, “zijn noodlot wilde het aldus.”

Zodra hij Cebu in zicht had gekregen, wist Magalhaen dat dit een plaats van groot belang was. In de haven lagen jonken uit vreemde streken en een groot aantal binnenlandse schepen. Om zich als heer van donder en bliksem aan te dienen liet Magalhaen een kanonsalvo afvuren, waarop de eilanders in alle richtingen vluchtten. Daarna zond Magalhaen Enrique onmiddellijk aan land om als tolk te fungeren en de vorst van het eiland mee te delen dat de donder geen teken van vijandschap was, maar een eerbewijs voor de machtige Radja van Cebu. De admiraal, aldus Enrique, was bereid Zijne Majesteit een verscheidenheid van kostbare goederen te tonen en handelsbetrekkingen met hem aan te knopen. Humabon, Radja van Cebu, nodigde Magalhaens afgezanten op een banket en verklaarde een eeuwigdurend vredes­verdrag met de vreemdelingen te willen sluiten. Zijnerzijds deed Magalhaen zijn uiterste best de vriendschap te bevorderen en de betrekkingen werden zo hartelijk, dat de Radja en de meesten van zijn hovelingen spontaan het verlangen kenbaar maakten christenen te worden.

Zo vierden de Spanjaarden op zondag 14 april 1521 hun groot­ste triomf. Op het marktplein werd een groot kruis opgericht aan de voet waarvan de Radja en vijftig anderen neerknielden en met grote plechtigheid gedoopt werden. Het nieuws werd overal bekend. De volgende dag kwamen er hoofden van de naburige eilanden om ook in deze magische ceremoniën te worden inge­wijd. Binnen enkele dagen hadden bijna alle eilandhoofden trouw aan Spanje gezworen en waren zij besprenkeld met water uit het doopvont.

Magalhaen was over de hele linie geslaagd, alsof engelen zijn pad hadden verlicht. Maar toen deed zich een onverwachte tra­gedie voor. Op een heel klein eilandje, Mactan, dicht bij Cebu, heerste een vorst, Silapulapu, die zich nooit aan de Radja van Cebu had onderworpen. Sedert de komst van de Spanjaarden had hij gedaan wat hij kon om te voorkomen dat de andere eilandhoofden de vreemdelingen van proviand zouden voorzien. Deze weigering om leveranties te doen leek Magalhaen een uitstekende reden om een demonstratie op touw te zetten. De Radja van Cebu stelde voor duizend krijgers tegen Mactan in te zetten, maar Magalhaen sloeg dit aanbod af. Hij wilde bovenal een bewijs geven van het prestige van Spanje door aan te tonen, dat inboorlingen gewapend met krissen en speren, een Spaans soldaat in een stalen harnas zelfs geen verwondingen konden toebrengen. Daarom nam hij niet meer dan zestig man mee en nodigde hij de Radja uit de strijd vanaf een schip gade te slaan.

Tot Magalhaens ongeluk bezat het vorstje van Mactan echter een machtig bondgenoot in de vorm van de kustlijn. De boten konden niet over een koraalrif heenkomen, met dat gevolg dat een landingsdetachement van veertig man, met Magalhaen zelf aan het hoofd, gedwongen was naar de kust te waden, verstoken van de dekking, die de haakbussen en kruisbogen van de boten af verschaften. In groten getale wachtten de inboorlingen hen met uitdagende kreten op. Pigafetta, een van de aanvallers en zelf door een pijl gewond, beschrijft het gevecht als volgt:

Toen de eilanders zagen dat het geschut van onze boten hen niet bereikte, renden zij op ons toe en bestookten ons met pijlen, spiesen en speren, zodat wij ons vrijwel niet verdedigen konden. Toen ze ontdekten, dat onze lichamen geharnast waren maar onze benen niet, mikten zij vooral daarop. Magalhaen kreeg een giftige pijl in zijn voet, waarna hij bevel tot langzaam terugtrekken gaf. Maar vrijwel al onze manschappen sloegen overhaast op de vlucht, zodat er niet meer dan zes of acht bij hem bleven. Al jaren kreupel, kon hij niet snel meekomen. De eilanders herkenden Magalhaen en begonnen nu voornamelijk op hem te richten, waarbij hem tot tweemaal toe de helm van het hoofd werd geslagen. Hij bleef door­vechten tot een zware slag op zijn linkerbeen hem voorover in het water deed vallen. Toen wierpen de eilanders zich op hem en door­staken hem met speren en zwaarden tot hij dood was.

De Spanjaarden verloren niet meer dan acht man bij deze schermutseling, maar de dood van hun aanvoerder maakte de tegenspoed tot een ramp. Er was meteen een eind gekomen aan de mythe van hun onkwetsbaarheid. Was de Radja van Cebu er niet getuige van geweest, hoe Silapulapu, een der meest on­beduidende prinsjes, de blanke god had verslagen?

Maar het was een domme belediging, Magalhaens slaaf Enrique aangedaan, die de uiteindelijke tragedie veroorzaakte. De trouwe Enrique had tot het laatste moment aan de zijde van zijn meester gestreden. Men had hem gewond teruggebracht naar het schip, waar hij bewegingloos in zijn mat gewikkeld lag. Daarop was Duarte Barbosa, die samen met Joao Serrao tot het leiderschap van de expeditie verkozen was, zo dwaas geweest om de arme drommel toe te voegen, dat een hond er niet zo maar zijn gemak van kon nemen als zijn meester dood was. Als hij dus niet prompt aan wal ging om als tolk te fungeren bij de uitwisseling van goe­deren, zou hij een stevig pak slaag krijgen. Enrique liet niets merken, maar hij was diep gekwetst in zijn trots als Maleier. Gehoorzaam ging hij naar de markt, maar daar smeedde hij een samenzwering met de Radja van Cebu. Toen, vier dagen na Magalhaens dood, kwam Enrique bij de kapiteins terug met ver­heugend nieuws. De Radja, zei hij, wilde een schat aan juwelen naar de koning van Spanje zenden. Wilden de kapiteins Barbosa en Serrao aan wal komen om die in ontvangst te nemen?

Serrao en Barbosa liepen blindelings in de val. Al met al gingen er negenentwintig Spanjaarden aan land en onder hen bevonden zich de meest ervaren officieren en stuurlieden. (Gelukkig was Pigafetta nog altijd ziek vanwege zijn verwonding en bleef aan boord). Na een plechtige ontvangst werden de mannen naar een palmhut gebracht, waar een banket gereed stond. Plotseling hoorden degenen, die op de schepen waren achtergebleven, schreeuwen en gillen. De arglistige Radja van Cebu was bezig zijn gasten af te maken. Joao Carvalho, aan wie nu het bevel toeviel, gaf order de kanonnen op de stad te richten. Het ene salvo na het andere werd afgevuurd. Daarna wendden de schepen de steven en vertrokken in alle haast.

Van de 265 schepelingen, die in Sevilla gemonsterd hadden, waren er niet meer dan 115 over, zodat de drie schepen onderbemand waren. De beste oplossing was dus om een van de drie op te offeren. De wrakke Concepción werd daarop gelost en in brand gestoken. De overige twee schepen zetten de reis samen voort, de Trinidad en de Victoria. Hoe node de oorspronkelijke bevelhebber op deze geslonken vloot werd gemist, bleek nu uit de onzekere koers die men voer. In plaats van koers te zetten naar de Molukken, waar men dichtbij was, zwierf men zes maanden rond. Ten slotte, op 8 november 1521, landde men op Tidore, een der Specerij-eilanden. De bewoners waren uiterst vriendelijk. Al wat Spanjaarden maar konden verlangen werd in overvloed verschaft. In wilde haast kochten zij specerijen, waarvoor zij hun musketten, mantels en gordels in ruil gaven. Want nu gingen zij huiswaarts, waar zij rijk zouden worden met de verkoop van deze schatten, die zij hier zo gemakkelijk hadden verkregen.

De schepen werden geladen en van proviand voorzien. Maar terwijl de zeilen gehesen werden, kreunde de Trinidad onder de lading en sprongen de naden open. De Victoria kon niet langer wachten. Men besloot 51 schepelingen op de Trinidad achter te laten, totdat het schip gerepareerd zou zijn.

De reis van de gehavende Victoria rond de tweede helft van de aardbol, nadat men over de eerste helft dertig lange maanden had gedaan, is een der meest heroïsche daden uit de geschiedenis van de zeevaart. Men had proviand voor ruim vijf maanden in­genomen, maar geen zout kunnen krijgen, zodat de grote voorraad varkensvlees in de tropische zon begon te rotten. Om de stank kwijt te raken wierp de bemanning de hele voorraad overboord.

Als gevolg daarvan werd de hongersnood opnieuw hun met­gezel, terwijl zij de Indische Oceaan overstaken. De Victoria was barstensvol specerijen geladen. Maar wie kan met uitgedroogde lippen en een lege maag peperkorrels kauwen, de bijtende smaak van kaneel verdragen of nootmuskaat slikken in plaats van brood? Dagen achtereen werd het ene verschrompelde lijk na het andere overboord gezet. Meer dan twintig bemanningsleden waren ge­storven toen de Victoria op 9 juli 1522, na zes maanden varen, op de rede van Santiago op de Kaap Verdische Eilanden voor anker ging. Men had de Kaap de Goede Hoop gerond en was langs de oostkust van Afrika gezeild.

Dit was een Portugese haven in een Portugese kolonie. Aan wal gaan betekende zich aan de vijand overleveren. Maar de honger liet geen keus en de bevelhebber, Sebastian del Cano, zond enige manschappen aan wal met de instructie dat zij moesten zeggen dat hun schip uit Amerika kwam. De boot van de Victoria keerde terug, volgeladen met proviand, en ging toen om een tweede lading. Maar plotseling zag del Cano, dat enige schepen in de haven bezig waren uit te varen. Hij begreep dat men zijn list doorzien had. Hij liet zijn kameraden aan hun lot over, lichtte snel het anker en hees de zeilen.

Hoe kort en riskant het verblijf op de Kaap Verdische Eilanden ook was geweest, Pigafetta, de ijverige kroniekschrijver, ontdekte er opnieuw een wonder, een fenomeen, waarvan hij als eerste in de wereld getuige was. De mannen, die aan wal waren gegaan om proviand te halen, waren teruggekeerd met het verbazingwekken­de nieuws, dat het daar donderdag was, hoewel het aan boord ongetwijfeld woensdag was. Met de grootste nauwkeurigheid had Pigafetta zijn dagboek drie jaar lang bijgehouden. Kon hij mis­schien een dag gemist hebben? Hij vroeg dit aan Alvo, de stuur­man, die in zijn logboek de dagen eveneens had bijgehouden, en Alvo was er even zeker van dat het woensdag was. Door voort­durend in westelijke richting te koersen moesten de wereldrei­zigers op de een of andere onverklaarbare manier een kalenderdag hebben verloren en Pigafetta’s verslag van dit vreemde verschijn­sel zou later in Europa heel wat verbazing wekken. Tot dusver had niemand vermoed dat men, door tegen de wenteling van de aarde in te gaan, een dag wint.

Nog was de Victoria echter niet thuis. Met krakende spanten, langzaam en moe en met het laatste beetje energie legde het schip de laatste etappe af. Van de 66 opvarenden, die van de Specerij­-eilanden waren vertrokken, was er nog slechts een handjevol over, dat wanhopig moest blijven pompen. Toen ze op 4 september 1522 Kaap St. Vincent, in de zuidwestelijke hoek van Portugal, in zicht kregen, waren zij “zwakker dan mannen tevoren ooit geweest waren”. Twee dagen later zeilden zij de monding van de Guadalquivir binnen — vanwaar zij drie jaar tevoren vertrokken waren. De volgende ochtend voer de Victoria de rivier op naar Sevilla.

Sevilla! “Geef een salvo!” riep del Cano. Er klonk een donderend saluut over de rivier. Met de ijzeren monden van deze kanonnen had men drie jaar eerder Spanje vaarwel gezegd. Met dezelfde kanonnen had men een plechtige groet gebracht aan Straat Magalhaen en daarna aan de Stille Oceaan. Met deze grote stukken had men voor de pas ontdekte Filippijnen een saluut afgevuurd, maar nooit hadden die ijzeren stemmen zo luid en zo jubelend geklonken als nu zij aankondigden: “We zijn terug. We hebben gedaan wat niemand voor ons ooit gedaan heeft. Wij zijn als eersten rond de aarde geweest.”

In Sevilla had zich een enorme menigte op de kade verzameld. Diep ontroerd keken de burgers naar de achttien overlevenden, die van de Victoria aan wal gingen. Zij zagen hoe de mannen haast niet konden lopen van zwakte. Hoe ziek en uitgeput waren deze helden, ieder van hen tien jaar ouder geworden in die drie jaar van ontbering. Maar alvorens iets te nemen van het hun ge­boden eten wilden ze een plechtige gelofte nakomen, die ze hadden afgelegd toen de nood het hoogst was, en liepen barrevoets in boeteprocessie naar de kerk. Plechtig dankten zij de Almachtige voor hun redding en murmelden gebeden voor hun bevelhebber, die bij Mactan gevallen was en voor de meer dan tweehonderd kameraden, die het leven hadden verloren.

Het nieuws van hun terugkeer was als een lopend vuurtje door Europa gegaan. Sinds de reis van Columbus had geen enkele gebeurtenis bij de tijdgenoten zoveel opschudding verwekt. De geografen behoefden nu geen enkele twijfel meer te koesteren. Nu er een schip uit de haven van Sevilla was vertrokken en na voort­durend een westelijke koers te hebben gevolgd in de haven van Sevilla was teruggekeerd, was bewezen, dat de aarde een bol was, rondom bedekt door een oceaan. Onder Spaanse vlag was Colum­bus het moderne ontdekkingswerk begonnen en onder diezelfde vlag had Magalhaen het voltooid. In een periode van dertig jaar had men over de wereldbevolking meer geleerd dan in de duizend jaren, die daaraan waren voorafgegaan.

Zelfs de bankiers, die de vloot hadden uitgerust, hadden reden tot verheugenis. De 520 kwintalen (ongeveer 26 ton) specerijen, die de Victoria als lading had thuisgebracht, waren 45 000 dukaten waard — een zoet winstje. De lading van dit schip maakte het verlies van de vier andere meer dan goed — indien men het ver­lies van meer dan tweehonderd mensenlevens tenminste niet meetelde. In de hele wereld waren er maar een stuk of tien man­nen, die door paniek werden bevangen toen bekend werd, dat één schip van Magalhaens armada veilig was teruggekeerd. Dat waren de muitende officieren, die met de San Antonio ervandoor waren gegaan en meer dan een jaar tevoren in Sevilla waren aan­gekomen. Zij hadden hun muiterij voorgesteld als een patriot­tische daad en geen melding gemaakt van enige zeestraat. Zij hadden alleen verteld over het bereiken van een “baai” en be­weerd, dat Magalhaen voornemens was geweest de vloot aan de Portugezen uit te leveren. Gelukkig voor deze muiters was del Cano, de kapitein, die het er levend had afgebracht, hun mede­plichtige geweest bij de muiterij van San Julian. Dank zij hem ontkwamen zij aan hun straf.

Del Cano oogstte veel van de lof, die Magalhaen toekwam. In feite bleek de prestatie, waarvoor Magalhaen zijn leven had ge­geven, voor niemand van veel nut te zijn. Zoveel schepen, die naderhand door Straat Magalhaen probeerden te zeilen, gingen daarbij ten onder, dat zeevaarders gedurende tientallen jaren deze gevaarlijke doorgang vermeden en er de voorkeur aan gaven hun goederen via de omslachtige landroute door de engte van Panama te verschepen. Natuurlijk bleven tevens velen de oude weg via de Kaap de Goede Hoop gebruiken.

Binnen één generatie was de Straat bijna vergeten. Achten­vijftig jaar na Magalhaens ontdekking maakte Drake er gebruik van voor een verrassingsaanval op de Spaanse koloniën aan de westkust van Zuid-Amerika. Maar sedertdien wordt de route, waarvan Magalhaen had verwacht, dat zij de voornaamste ver­bindingsweg tussen Europa en de zuidelijke zeeën zou worden, alleen door walvisvaarders en enkele andere schepen gebruikt. Toch zal de geschiedenis nooit de man vergeten, die de Straat voor het eerst bevaren heeft — de man, die de juiste omvang van onze aardbol ontdekte en tevens bewees tot welke hoogten een moedig mens kan stijgen.

.

8e klas vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

Algemene menskundeleeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

860-792

.

 

 

VRIJESCHOOL – Het leerplan en Ernst Haeckel (12-1)

.

DE BIOGENETISCHE GRONDWET VAN ERNST HAECKEL in het leerplan van de vrijeschool

                                                                          WAARHEID OF VERDICHTSEL?

In ‘Lexicon antroposofie’ [1] vinden we onder =biogenetische grondwet=:

 ‘De ontogenese is de herhaling van de fylogenese’.
Rudolf Steiner onderschrijft dit principe en hanteert deze gedachte bij het ontwerp van het leerplan van de vrijeschool. In de achtereenvolgende leerjaren doorloopt de leerling de bewustzijnsfasen die de mensheid als geheel ook heeft doorgemaakt.’

Wanneer ik hieronder de woorden van Steiner zal citeren over de wet van Haeckel en de toepasbaarheid daarvan in het leerplan van de vrijeschool, geciteerd uit de pedagogische voordrachten 1919-1924, kan er maar één conclusie zijn: Steiner ziet er niets in!

Uiteraard heb ik de schrijver gevraagd waar Steiner dit principe dan onderschrijft, maar een concrete plaats is (nog) niet aan gegeven, ook niet van de plaats waar Steiner een link legt tussen ‘bewustzijnsfasen van de mensheid en die van het kind’.

Er is wel een voordracht uit 1907 die wél de indruk wekt dat het kind ‘fasen’ herhaalt.
In [12-7] wordt daar nader op ingegaan.

Ook Werner Govaerts die weliswaar voorzichtig en genuanceerd opereert, kan geen citaat voor zijn beweringen aangeven: [2]

‘Ook Rudolf Steiner baseert zijn voorschriften voor het curriculum deels (dus niet consequent) op de recapitulatietheorie die zegt dat kinderen in hun emotionele en verstandelijke ontwikkeling dezelfde weg volgen als de mensheid in haar geschiedenis. Steiner ontwikkelde deze theorie voor het eerst in 1919.’

De bron ontbreekt waar en hoe Steiner in 1919 deze theorie ontwikkelde.

Govaerts vervolgt:

‘Een andere afwijking van Steiner t.o.v. bijvoorbeeld Spencer e.a. is dat hij steeds uitgaat van de individuele ontwikkeling van het kind (die hij uitvoerig beschrijft en documenteert) en daarop historische periodes ent, terwijl het in de meeste recapitulatietheorieën omgekeerd gebeurt: men gaat uit van de geschiedenis en postuleert dan een bepaalde ontwikkeling van het kind. Steiner daarentegen stelde zich steeds de vraag: welk aspect uit de geschiedenis past bij deze bepaalde leeftijd? Daaruit volgt dat de behandeling van de historische periodes in de steinerschool, zeker wat het basisonderwijs betreft, niet strikt chronologisch is.’

Deze visie is veel realistischer en komt overeen met de opvatting van Rudolf Grosse, die m.i. de kern van het waarom van bepaalde leerstof op een bepaald ogenblik – leeftijd, klas – weet te vinden. Zie [12-8]

In ‘De seizoener’ – lente 2015 – zegt Karel Post Uiterweer:
‘Je kunt volgens Steiner de ontwikkeling van de mensheid namelijk in zeker opzicht terugvinden in de ontwikkelingsfasen van het kind.’

Het is jammer, dat dit ‘in zeker opzicht‘ niet nader wordt behandeld.

Het ‘passen bij de leeftijd’ heeft m.i. vooral te maken met: hoeveel inlevingsvermogen heeft het kind op deze leeftijd om ‘iets’ te kunnen begrijpen, op te kunnen nemen. Vanaf het 9e levensjaar zien we daarin duidelijke veranderingen optreden die mogelijk maken dat er bij de kinderen een begrip ontstaat voor bv. breuken of de samenhang van de elementen met de plantengroei.
Geschiedenis is, dat er vroeger ‘iets’ was en dat dit ‘vroeger’ steeds dichter bij onze tijd – het heden – komt te liggen.
Voor dit fenomeen krijgen de kinderen rond het 11e jaar steeds meer begrip. Dan vindt Steiner het heel belangrijk dat het kind kennis maakt met cultuur en/of cultuurimpulsen, ‘die nog tot in het heden doorwerken’ [3] en de eerste cultuurimpulsen vind je in het Midden-Oosten: landbouw, veeteelt, stedenbouw. Wat daar a.h.w. begonnen is, hebben we nu nog. Je vindt bij Steiner nergens dat ze hiervan moeten weten omdat ze op hun 11e zelf landbouwer, veeteler of stedenbouwer zijn.
In de geschiedenisperioden van de 5e klas  treedt de chronologie minder op de voorgrond; vanaf de 6e klas  is dat steeds meer het geval; niet zozeer om chronologisch geschiedenis te geven, maar om de kinderen een besef bij te brengen, wáár in de tijd zich iets afspeelde (denk aan Steiners voorbeeld(en) van de generatieketting). Daarom kan Boeddha eerder behandeld worden dan de Egyptische piramiden.
Boeddha wordt niet behandeld omdat de kinderen op een bepaalde leeftijd de zielenstoestand van Boeddha zouden recapituleren. Zij hebben hopelijk wel de rijpheid bereikt waarmee ze iets van Boeddha’s gedachtewereld en strevingen kunnen begrijpen.

Steiner:
Wanneer in  een bepaalde tijd, laten we zeggen Gutenberg werkzaam is en de boekdrukkunst uitvindt, hangt zoiets samen met wat in de diepere lagen van de mensheid gebeurt. En de uitvinding van de boekdrukkunst is een uitdrukking voor het feit dat de mensheid in deze tijd rijp geworden is om van bepaalde alleen maar concrete voorstellingen tot abstracte te komen.’ [4]

De leerling moet ook tot een bepaalde abstractie kunnen komen om dit te begrijpen. Houdt dat dan meteen in dat hij nu de tijd van de boekdrukkunst – ‘deze fase’- recapituleert?

Na de cultuurimpuls van de Grieken, volgt die van de Romeinen – dat is een chronologische volgorde. Dat de 6e klas op de 5e volgt ook. De impuls van het rechtsleven – als typisch Romeins – begint het kind van 12 goed te begrijpen. Is dat een bewijs dat hij nu de ‘Romeinse fase’ recapituleert?
Hij krijgt dat jaar ook meetkunde – een Griekse impuls; de stelling van Pythagoras wordt echter vaak in de 7e behandeld.
De geschiedenis van de 7e klas behelst voor een groot deel de ontdekkingsreizen: ja het kind krijgt steeds meer belangstelling voor ‘de grote’ wereld; maar het krijgt ook algebra – dat 4 eeuwen daarvoor al bestond.
De 6e-klasser gaat van Rome door de Middeleeuwen: een chronologische volgorde! Is hij nu als 6e-klasser én Romein én middeleeuwer?

Is dit het ‘verkeerde vaarwater‘?

Steiner over Haeckels biogenetische wet: *
‘Men heeft geprobeerd deze wet ook op de geestelijke- en  gevoelsontwikkeling van de mens toe te passen, op de individuele mens in verhouding tot de hele mensheid. Daardoor is men in een verkeerd vaarwater terechtgekomen. [5]

‘De ontwikkeling van een kind is een herhaling van de ontwikkeling van het mensengeslacht’ kan men als fantasiebouwwerk opzetten, maar het is niet in overeenstemming met de werkelijkheid.
Wanneer je het menselijk embryo volgt van de eerste, tweede, derde week – zo goed als men dit nu kan – tot aan de volgroeiing – dan zie je daar de opeenvolgende, steeds volmaakter wordende vormen, visgestalte enz. Wanneer je daarentegen het kind waarneemt in de eerste ontwikkelingsjaren, dan zie je niets van een herhaling of in een verdere ontwikkeling van volgende fasen van de mensheidsontwikkeling.’ [5]

Ik ben mij er zeer van bewust dat ik passages waarop van Oort, Govaerts en Post Uiterweer zich beroepen over het hoofd kan hebben gezien en dat ik mijn opvattingen zou moeten aanpassen, wanneer ik ze zou kennen.

Dan zal ik dat ook meteen doen.

Maar tot zo lang zie ik geen verband tussen de recapitulatiewet van Haeckel en het leerplan van de vrijeschool.

[1] Henk van Oort: Lexicon antroposofie
[2] Werner Govaerts: Visie op het secundair onderwijs onderzoeksrapport 2002
[3] Steiner: GA 301/186 e.v.   Op deze blog vertaald/186
[4] Steiner: GA 301/193   Op deze blog vertaald/193
[5] Steiner: GA 301/66   Op deze blog vertaald/66

Meer over het leerplan en Haeckel

[2] Een antwoord daarop uit GA 297
[3] Een antwoord daarop uit GA 301
[4] Steiners visie op ontwikkelingsfasen van de mensheid en van de individuele mens uit GA 297
[5] De ontwikkelingswet die Steiner n.a.v. Haeckel beschrijft in GA 301
[6] Het gevaar van speculeren bij het doorgronden van het leerplan en ontwikkelingsfasen van de mensheid
[7] Steiner over ‘ontwikkelingsfasen mensheid’ en ‘ontwikkelingsfasen kind’.
Uit GA 55
[8] Rudolf Grosse over het leerplan: de verhelderende splitsing in ‘de stroom van de tijd en van de ruimte

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

 Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

820-755

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (7-3)

.

HET ENGE SAMENLEVINGSPATROON

Geld zonder waarde

De volksverhuizing veranderde het eens zo rustige Europa in een chaos. Het West-Romeinse rijk was ten val gebracht en de Frankische koningen zouden nog een paar eeuwen lang de ene oorlog na de andere voeren. Het gevolg van die oorlogen was, dat de Romeinse beschaving ten onder ging in de wanorde.

Eerst onder Karel de Grote, rond achthonderd na Chr., zou de rust weerkeren. De klok leek een paar eeuwen te zijn teruggedraaid. Steden waren vervallen of verdwenen geheel. Bovendien betaalde men weer in natura. Geld diende niet meer als betaalmiddel, maar als sieraad. In Europa bedreef men weer uitsluitend ruilhandel.

De feodale maatschappij

Aan het begin van de middeleeuwen leefden arm en rijk in strikt gescheiden groepen. Wie grond bezat en over mensen beschikte, was rijk. Een grondbezitter verpachtte zijn land aan boeren, die nauwelijks vrije mensen genoemd konden worden. Ze hoorden bij het stuk land dat ze bewerkten. Als het land werd ver­kocht, werden niet alleen de boerderijen en het vee, maar ook de boeren mee verkocht.

De boer zelf had niets te vertellen over zijn boerderij, zijn gereedschap­pen en zijn familie. Hij werd ‘horige’ genoemd, hij ‘hoorde’ bij de grond waarop hij woonde. Hij bezat slechts het recht, een deel van de opbrengst van die grond voor zichzelf te behou­den. Later zou de horige steeds meer rechten krijgen.

Helemaal geen rechten hadden de ‘lijfeigenen’. Ze waren persoonlijk aan hun heer gebonden. De maat­schappij waarin horigen en lijfeigenen volledig ondergeschikt waren aan hun heer, wordt ‘feodaal’ genoemd. Het woord ‘feodaal’ is afgeleid van ‘feodum’, wat oorspronkelijk ‘vee’ betekende. Later werd het in ruimere zin gebruikt voor goederen en geld. In een feodale maatschappij bezit dus een kleine minderheid de macht.

Boeren en ambachtslieden

De feodale maatschappij van om­streeks het jaar 1000 steunde volledig op de landbouw. Alles wat voor het bestaan nodig was, werd zo mogelijk zelf geproduceerd. De eerste levens­behoeften van de mensen konden worden bevredigd: onderdak, eten en drinken. Maar een boer moest gereedschappen hebben om het land te kunnen bewerken. Zijn gezin moest zich kleden. Daarom waren er in vrijwel elk boerendorp wel mensen, die nog iets anders deden dan de grond bewerken. Ze bewerkten ijzer of hout. Ze maakten potten om in te koken of weefden stoffen om kleren van te maken of ze looiden leer om er schoenen van te maken. Veelal ruilden ze hun producten voor het voedsel dat ze zelf niet meer verbouwden. Zo ontstond het verschil tussen boeren en ambachtslieden. De heer, vaak een edelman en soms een abt van een klooster, wilde graag van de diensten van de ambachtslieden gebruik ma­ken. Een ambachtsman was niet langer een horige. Hij hoorde niet bij een stuk grond. De ambachtsman was vrij. De ambachtslieden bemerkten al spoedig dat het voordeliger was, als ze voor meer dan één opdrachtgever werkten. Toen de vraag naar hun producten steeg, omdat de bevolking groeide, maakten vele ambachtslieden zich los van de landbouwgemeenschap. Ze zochten een andere woon­plaats, om hun producten gemakke­lijker en voor meer geld te kunnen verkopen.

Het ontstaan van de steden

De ambachtslieden zochten bij voor­keur een vestigingsplaats in de buurt van rivieren, waar de aanvoer en afvoer van hun grondstoffen en producten gemakkelijk was. Of ze vestigden zich op het kruispunt van belangrijke wegen. Daar vestigden zich dan ook bakkers, slagers, brou­wers en kooplieden. De handelsnederzettingen, want steden waren het toen nog niet, vertoonden al snel een toenemende handel. Dagelijks trokken de boeren ernaar toe om hun producten aan de man te brengen. De nederzettingen trokken steeds meer mensen. Zo ontstonden in de jaren 1000-1200 de eerste nederzettingen. De kerk vormde daarvan het middelpunt. Rond de kerk bouwde men huizen, werk­plaatsen en pakhuizen. Om rovers en ander gespuis te weren, werd om de stadskern een muur opgetrokken. Eerst was dat een muur van houten palen, later van steen. Toen kon er al bijna van steden worden gesproken.

Gilden

In de steden ontstonden de ambachts­gilden en de koopmansgilden. De ambachtsgilden waren een vereniging van vakgenoten waar godsdienst, liefdadigheid en cultuur elkaar ont­moetten. Hoe ouder het gilde, des te groter de plaats die werd ingeruimd voor godsdienstige bepalingen. Vrij­wel elk gilde had een schutspatroon. In latere tijden werd het gezelligheids­aspect van de gilden steeds belang­rijker. Het religieuze aspect uitte zich in de zorg voor weduwen en wezen. De onderlinge hulpverlening werd dus een meer sociaal aspect. Met de koopmansgilden zien we een nieuwe ontwikkeling ontstaan: de handel tussen de steden. Op hun tochten naar jaarmarkten reisden de kooplieden in groepen, om beter bestand te zijn tegen roofovervallen. Later, vanaf de 11e eeuw, zouden de koopmansgilden ook een belangrijke rol gaan spelen in het ontstaan van stedelijke instellingen. Door de handel tussen de steden ontstond ook het bankwezen. De Hanze was een verbond tussen steden welke handel met elkaar dreven.

Langzame vooruitgang

De wetenschap werd nog beheerst door de kerk. Tekenend is
bijvoor­beeld, dat men een grondige kennis had van het Latijn. Het Latijn, de oude taal van de Romeinen, was de voertaal van de geestelijken. Het Latijn werd door alle geestelijken in alle landen gesproken. Tevens was het een soort geheimtaal, die de weten­schap afschermde tegen de niet-geestelijken. Want iemand die kon lezen en schrijven, behoorde vrijwel altijd tot de geestelijke stand. De wetenschap, die vrijwel uitslui­tend door geestelijken werd be­oefend, was niet gericht op maat­schappelijke vooruitgang. De weten­schap diende slechts om godsdien­stige vraagstukken op te lossen. Maar de middeleeuwer voelde ook maar weinig behoefte om de maat­schappelijke vooruitgang te bevorde­ren. Hij wist nauwelijks wat er zich op enige kilometers afstand van zijn huis of boerderij afspeelde. En daar was hij ook niet nieuwsgierig naar. Hij nam de dingen zoals ze waren. Hij voelde zijn onwetendheid niet als een last: God was immers alwetend en zorgde voor alles. Op aarde kon de middeleeuwer geen beter leven verwachten en daarom was zijn stre­ven ook niet gericht op maatschappe­lijke verbeteringen. Hij berustte in zijn lot en rekende op de eeuwige zaligheid na zijn dood… Maar onder die berustende middel­eeuwse mensen waren er ook die anders over de dingen dachten. Aan hen is het te danken, dat er tijdens de middeleeuwen op wetenschappelijk gebied toch een lichte vooruitgang te bespeuren viel en dat de wetenschap niet meer uitsluitend door de kerk be­heerst zou worden.

De invloed van de Arabieren

Behalve de weinige geleerden die de wetenschap beoefenden en een
bijdrage leverden aan de geringe voor­uitgang, hebben ook de Arabieren invloed gehad op de ontwikkeling van Europa.
Aan de keizerlijke universiteit van Salerno werden door Arabieren de beginselen van de geneeskunde on­derwezen. Ze hanteerden een ency­clopedie uit de 10e eeuw, geschreven door de Perzische geleerde Al-Razi. De Arabische heelmeester en wijsgeer Avicenna (980-1037) schreef een me­disch handboek, de ‘Canon Medicinae’ dat ijverig werd bestudeerd. De Arabieren leerden de Europeanen ook een nieuwe manier van rekenen. Tot ver in de middeleeuwen rekende men met de oude Romeinse cijfers en getallen, die vijftallig waren (de Romeinen kenden toen nog maar 5 cijfers; die van I tot en met V). De Arabieren daarentegen gebruikten 10 cijfers: 0 tot en met 9. Vooral door het invoeren van het cijfer 0 werd het rekenen veel gemakkelijker.
Men kon zich zelfs met hogere wiskunde gaan bezighouden.
De tegenwoordige cijfers 0 tot en met 9 worden daarom nog steeds ‘Arabische cijfers’ genoemd. (De Arabieren hadden deze cijfers weer overgenomen van de oude Chinezen.)
Niet 
alleen de geneeskunde en de wiskunde, maar ook de bouwkunde, de literatuur en de metaalbewerking in Europa hebben de invloed ondergaan van de Arabieren. Vooral tijdens de kruistochten nam die invloed flink toc.

De eerste universiteiten

In de jaren 1000-1200 ontstonden in Europa de eerste universiteiten. De eerste werden opgericht in Italië en Frankrijk. Daarna volgden Spanje en Engeland.
De universiteit van Parijs dateert uit 1150, die van Salerno uit 1173 en die van Bologna uit 1185. De universiteit van Bologna in Italië en zijn georganiseerde studenten kre­gen van keizer Frederik Barbarossa belangrijke voorrechten. De studen­tengemeenschap kon daardoor een geheel eigen leven leiden binnen de muren van de stad. De studenten hadden hun eigen wetten en hun eigen rechters. Het stadsbestuur van Bologna zat er danig mee in de maag. Ze probeerden keer op keer invloed te krijgen op het universiteitsbestuur, om uitwassen binnen de perken te houden. Uiteindelijk maakten de studenten het zó bont dat een grote groep de stad uit moest vluchten. Zo ontstonden rond 1200 in de Italiaanse steden Mantua en Vicenza nieuwe universiteiten, gesticht door gevluchte studenten van Bologna. Een andere groep studenten uit Bologna stichtte in 1215 in Arezzo en in 1222 te Padua een nieuwe hoge­school. Het universitaire onderwijs verbreidde zich zo over heel Italië en later over heel Europa. De middeleeuwse hoogleraren waren geheel afhankelijk van de studenten. Ze werden namelijk rechtstreeks door de studenten betaald. Een slech­te hoogleraar was al snel brodeloos, omdat geen student zijn lessen nog wilde bijwonen…

De wijsbegeerte van Aristoteles

De opvattingen van de oude Griekse wijsgeer Aristoteles waren bijzonder geliefd aan de middeleeuwse universi­teiten. Zijn werken werden met grote belangstelling gelezen. Vooral zijn ideeën over het logisch beredeneren van allerhande zaken spraken veel mensen aan. Aristoteles leerde niet wat men moest denken, maar hóe men moest denken. Zijn gedachten pasten zeer goed in het middeleeuws denken op het gebied van de wijsbe­geerte en de godgeleerdheid, die men samenvattend de benaming ‘scholas­tiek’ heeft gegeven. De scholastiek vormde een poging om wijsbegeerte en godsdienst te verenigen. Men probeerde de gedach­ten van het christendom een wijsbegerige gestalte te geven. Deze hoogst ernstige zaak ontaardde vaak in vitterijen over kwesties die nauwe­lijks van belang waren. Zo werden in het Latijn hoogdravende verhande­lingen geschreven over de vraag hoe een paard nu eigenlijk werd gemend: door de menner of door het leidsel dat de menner vasthield…
Tot de grootste denkers van de scholastiek behoorde Thomas van
Aquino (1224-1274). Hij verbond alle denken en handelen van de mens met de gedachten van de kerk. Op die 
manier verdedigde hij het katholieke geloof.  

De groei van de bevolking

Met de groei van de Europese bevol­king kwam er ook een grotere
be­hoefte aan bouwland. En daarmee ontstond weer de behoefte het bouw­land beter te benutten. Grotere oog­sten hadden tot gevolg dat de boeren­gezinnen groter werden, waardoor weer meer en beter bouwland be­schikbaar moest komen. De bevolkingsgroei veroorzaakte zo een ontwikkeling in de landbouw en omgekeerd. De ontwikkeling in de landbouw bestond voornamelijk uit het bemesten van het land en het in gebruik nemen van werkdieren voor het ploegen.
De sterke groei van de bevolking werd van tijd tot tijd krachtig
onder­broken. Besmettelijke ziekten als pest, cholera, malaria, roodvonk en pokken braken regelmatig in geheel Europa uit. Tussen 1300 en 1400 werden West-Europa en Midden-Europa getroffen door vier grote pestepidemieën, die een derde tot de helft van de toenmalige bevolking doodde…

DE EERSTE STEDEN

De stadsrechten

De grondheren vonden het maar beter om de steden niet te veel vrijheid te geven. Ze bezaten nog steeds de grond, waarop de steden waren gebouwd. De stedelingen werden verplicht een soort pacht te betalen voor die grond, eigenlijk een regel­rechte belasting. De grondheren eisten tevens, dat de stedelingen allerlei diensten verrichtten zoals ze dat gewend waren van hun horigen en lijfeigenen. De grondheer beschouwde een stad als een rijke bron van inkomsten.
Dit zette bij de vrije stedelingen al snel kwaad bloed. Er volgde een lange, hardnekkige en vaak bloedige strijd om de onafhankelijkheid van de steden. Vele steden werden daarbij gesteund door de vorsten. Koningen en keizers lagen nogal eens overhoop met hun leenmannen, die soms zo machtig waren geworden, dat ze zich van hun leenheer niets meer aantrok­ken. En daardoor werd de leensom, die tussen vorst en leenman was afgesproken, vaak niet meer betaald… Sommige vorsten sloten daarom vriendschap met de steden, die ze buiten de plaatselijke leenman om bepaalde voorrechten verleenden. Zo was vaak het jaarlijks bedrag dat de steden aan de koning betaalden voor het gebruik van de grond, lager dan de belasting die ze voordien moesten betalen. Voor een stad was het belangrijk, als ze ‘stadsrechten’ had. Aanvankelijk konden die alleen ver­leend worden door de koning, maar later gebeurde dat ook door grote leenmannen of belangrijke bis­schoppen. Een stad met stadsrechten was een werkelijk vrije stad, met eigen grond, een eigen wetgeving en een eigen rechtspraak. Meestal hielden de stadsrechten ook in, dat er om de stad een muur gebouwd mocht worden of een gracht worden aangelegd. De landsheer die de stadsrechten verleende, benoemde zijn vertegen­woordiger in de stad, de baljuw of schout. De schout of baljuw regelde het bestuur van de stad, bijgestaan door de schepenen, die door de schout werden aangesteld. Het stadsbestuur kon van de lands­heer het recht kopen om zelf een schout aan te stellen. Hoe welvarender de steden waren en hoe groter de geldnood van de landsheer was, des te meer voorrechten of privileges konden de steden zich verwerven. Die voorrechten konden bestaan uit het recht om weekmarkten en jaar­markten te houden, het recht om accijns te heffen, het recht een waag te bouwen, enz.

Na omstreeks 1300 werden schout en schepenen voor het bestuur van de stad bijgestaan door raden van meestal vier en soms twee personen, gekozen uit de aanzienlijke burgers van die stad. Later raakten de namen poortmeesters of burgemeesters in gebruik.
De stadsrechten waren ook belangrijk voor de horigen en lijfeigenen. Binnen de muren van een stad werden ze gastvrij ontvangen. En als ze één dag inwoner van de stad waren geweest zonder dat ze door hun heer waren opgeëist, dan waren ze vrij!

6 e klas steden 1

De wet en dus ook de rechtspraak verschilden sterk van stad tot stadVoor diefstal werd men in de ene stad in het schandblok geslagen (hierboven), in de andere stad hakte men de rechterhand af. Merkwaardigerwijs was de straf voor overspel in vele steden dezelfde: men stopte de veroordeelde in een pot met kokend water. 

Bestuur en rechtspraak

De privileges hielden later gewoonlijk in, dat de stad mocht worden bestuurd door ‘schepenen’ die allen of voor een deel werden gekozen uit de inwoners. Zo’n toestemming kon in de officiële papieren soms worden toegelicht met: ‘opdat al datgene wat in de stad ongeregeld is, na rijp beraad in de juiste staat gebracht zal worden…’

Aan het hoofd van de schepenen stond de schout. De schout trad op zoals tegenwoordig de commissaris van politie en de officier van justitie. De schout was tevens belast met de administratie en de regeling van de financiële zaken. Maar in de pas ontstane steden bestonden nog geen echte rechtsregels. Het recht moest dus nog op schrift worden gezet. De rechtsregels zoals die zich in de loop van de eeuwen in een bepaald gebied hadden ontwikkeld, werden opgete­kend. Soms waren enkele van die bepalingen al beschreven in oudere wetboeken, maar meestal waren ze mondeling overgeleverd. Het is duidelijk, dat in de nieuwe steden nog geen sprake was van een wetgeving die in alle behoeften voor­zag. Bovendien verschilden de wetten van stad tot stad. In de ene stad werd een bepaald misdrijf heel anders beoordeeld en berecht, dan in een andere stad, eenvoudig omdat het overgeleverde of opgetekende recht plaatselijk grote verschillen ver­toonde.

Het dagelijks leven in een middeleeuwse stad

Het leven in een middeleeuwse stad verliep volkomen anders dan in dc moderne steden. Om te beginnen was de omvang van zo’n stad eigenlijk maar klein. De meeste steden hadden nog geen 2.000 inwoners. Plaatsen met meer dan 10.000 inwoners werden tot de wereldsteden gerekend! Uit de verte gezien leek zo’n stad op een plaatje uit een sprookjesboek. De vele torenspitsen schitterden in het zonlicht. De zware wallen met de begroeide muren, de grachten met helder water en de machtige poorten deden denken aan het kasteel van een rijke koning. Maar aan de andere kant van de ophaalbrug, voorbij het zware poortgebouw met z’n grimmige wachters, veranderde het beeld volkomen.
De straatjes waren nauw, donker, krom en bedekt met taaie modder. Uit de huizen en donkere straathoeken steeg een ondraaglijke stank op. Riolen waren er niet. Overal liepen koeien, schapen en varkens. Huisvuil, achteloos naar buiten gegooid, bleef stinkend op een hoop liggen. Het werd nooit opgehaald. In de rivier, die gewoonlijk door zo’n stad liep, vond het vee een drinkplaats. En in dezelfde rivier wasten vrouwen hun kleren en ze haalden er in hun houten emmers ook het water om het eten in te kunnen koken… Het was geen wonder dat er veel bier en wijn werd gedronken!

’s Nachts zorgde alleen de maan voor straatverlichting. De meeste straten waren ’s avonds dan ook uitgestor­ven, als er geen maan was. Alleen rovers waagden zich in het donker op straat.

De huizen van de schepenen en de rijke kooplieden waren kleine paleisjes, vaak omgeven door hoge bomen en kleurrijke tuinen. De huisjes van de gewone man waren klein, vochtig en tochtig. In dezelfde donkere kamer huisden alle leden van het kinderrijke gezin. Zelden sliep het vee in een apart schuurtje. De armsten woonden in een uitholling van de stadsmuur. Vrijwel alle huizen en huisjes waren gebouwd van hout en klei, bedekt met stro. Alleen kerken, kloosters en stadhuizen waren soms uit steen opgetrokken.

Besmettelijke ziekten

De erbarmelijke toestanden in de steden werkten verspreiding van besmettelijke ziekten in de hand. Pest, cholera, malaria, roodvonk en tuberculose roeiden soms wel de helft van een stadsbevolking uit. Sommige stadsbestuurders probeerden de verschrikkelijke epidemieën te voor­komen. De kleren, het bed en soms wel de hele woning van een aan de pest of andere ziekte bezweken stad­genoot werden verbrand. Maar het verbranden van een woning was bijzonder riskant. De steden waren opgetrokken uit louter brandbaar materiaal. Bijna elke Europese stad is in de middeleeuwen wel één keer of meermalen tot het laatste huis toe afgebrand! Een paar emmers water konden bij de enorme vuurzee die ontstond natuurlijk weinig uitrich­ten…

Ondanks de gruwelijke epidemieën en de verschrikkelijke branden bleven de steden groeien. Steeds meer boeren zochten hun heil in de stad. Vooral op de armsten oefende de rijke stad een grote aantrekkingskracht uit. Soms werden de verschoppelingen door de schout en zijn helpers bijeen­gedreven en buiten de poorten ge­bracht. Daar bouwden ze dan schamele hutjes en afdaken tegen de stadsmuren. Ze voorzagen in hun levensonderhoud door bij de
stads­poorten te bedelen. En als er op marktdagen veel volk naar de stad trok, glipten ze weer mee naar binnen…

Het begin van de koopvaardij

Iedere soort handel had in een stad zijn eigen wijk en iedere wijk had zijn eigen markt. Handwerkslieden met hetzelfde ambacht woonden bij el­kaar in dezelfde straat, Zo ontstonden ook vele straatnamen: Brouwersgracht, Mandemakerssteeg, Leerlooierskade, Touwslagersstraat. Het handelsgebied van vele steden was maar beperkt. Hooguit werd wat handel gedreven met kooplieden uit nabijgelegen steden. Maar meestal vond de handel plaats tussen de burgers van de steden en de boeren uit de dorpen in de omgeving. Met het groeien van de steden groeide ook het handelsgebied. Sommige steden werden vermaard om hun aardewerkproducten, andere om hun wollen stoffen enz. De mensen werden steeds veel­eisender: ze namen alleen nog maar genoegen met aardewerk uit de ene stad en wol uit de andere. De handelswegen begonnen daardoor langer te worden. Steden die aan zee lagen, begonnen zelfs producten overzee te kopen en te verhandelen. Dat was bijvoorbeeld het geval met de steden Brugge en Dordrecht aan de Noordzee, met Lübeck en Novgorod aan de Oostzee en met Genua, Pisa en Venetië aan de Middellandse Zee.

Kostbaarheden uit het Oosten

Voor de Italiaanse havensteden speel­den de kruistochten een belangrijke rol in hun ontwikkeling. Tijdens de eerste kruistocht waren de kruis­ridders niet bepaald zachtzinnig om­gesprongen met de boerenbevolking van Klein-Azië. Een ware hongers­nood was het gevolg. De kooplieden uit Genua, Pisa en Venetië brachten met hun koopvaardijschepen voedsel en vee naar het hongerende gebied. Ze lieten zich er goed voor betalen met geld en… rechten. Vooral die rechten legden de Italianen geen windeieren. Ze verkregen het recht handelsposten te stichten in vele havensteden aan de kust van Klein-Azië. Die handelsposten ontwik­kelden zich al snel tot echte kolonies, met een eigen bestuur en een eigen rechtspraak. Een belangrijk deel van de kust van Klein-Azië kwam onder invloed te staan van Italiaanse steden. De Italiaanse koopvaarders brachten koren, vee en wollen stoffen naar het Oosten. En ze brachten olijfolie, wijn, suiker en specerijen mee terug. Vanuit hun handelsbolwerken in Italië vonden deze producten hun weg door heel Europa. Ook zijde, edelstenen en andere kostbaarheden waren erg gewild in de Europese steden. Niet alleen bij vorsten, edelen en kerkelijke hoogwaardigheidsbe­kleders vielen de nieuwe luxe­artikelen goed in de smaak. Ook in de steden, waar zich steeds meer rijke kooplieden vestigden, ontstond een grote vraag naar de goederen uit het Oosten. Vooral de specerijen gingen duur van de hand. Peper en kruid­nagelen bleken uitstekend te voldoen bij het bereiden van gedroogde of zwaargepekelde spijzen. De lange handelsreizen waren niet zonder gevaar. Over land reisden de kooplieden onder gewapende geleide. Roofridders en struikrovers
over­vielen de konvooien met waardevolle goederen, als ze daar de kans voor kregen. Op zee werden de koop­vaarders belaagd door piraten. De steeds groter wordende schepen werden daarom bewapend met sol­daten, die de aanvallen moesten afslaan.

De jaarmarkten

Eenmaal per jaar was er in de steden een groot feest: de jaarmarkt. Van heinde en verre kwamen kooplieden en kooplustigen naar de stad, waar wel meer te doen was dan alleen kopen en verkopen. Er werd onge­remd feestgevierd. Voordat de jaar­markt begon, werd een speciale mis opgedragen. In Duitsland wordt een jaarmarkt nog steeds een ‘Messe’ genoemd. Het woord ‘kermis’ is afkomstig van de ‘kerkmis’, die vóór de jaarmarkt werd opgedragen. Daarna werd de jaarmarktvrede afgeroepen. Als teken daarvan plantte men een kruis op het markt­terrein. Aan het kruis hingen een rood vaandel, een zwaard en een hoed (soms ook een handschoen). Rondreizende toneelspelers voerden kluchten op. Goochelaars en acro­baten vertoonden hun kunsten, kwakzalvers en kiezentrekkers klop­ten eenvoudige boeren en burgers het geld uit de zakken. Bij wijze van uitzondering gaven de stadsbesturen toestemming om te dansen en te dobbelen. De jaarmarkt, een uit­bundig feest dat soms wel een week kon duren, heeft in de bekende kermis een laatste overblijfsel.

GILDEN EN HANZE

Het ontstaan van de Gilden

In de jaren 1000 – 1200 ontstonden in de handelsnederzettingen, waaruit later de steden zouden voortkomen, bepaalde ambachtsgemeenschappen. Handwerkslieden met hetzelfde am­bacht zagen al snel in, dat ze hun krachten beter niet konden verspillen aan moordende concurrentie. Wilde een stad sterk worden, dan moesten de ambachtslieden de handen ineen­slaan om de kwaliteit en de prijs van hun producten op het gewenste hoge peil te houden. Ze sloten zich aan bij een soort verenigingen, die hun be­langen behartigden: de latere gilden. Het woord ‘gilde’ betekende oor­spronkelijk de betaling of bijdrage, die betaald moest worden om de vereniging in stand te houden.

De taak van de gilden

De gilden waren geen vakbonden in de moderne zin van dit woord. In een gilde waren alle ambachtslieden met hetzelfde beroep verenigd, zowel de werkgevers als de onbetaalde leer­jongens. Ook waren het geen gezel­ligheidsverenigingen, al wilden de gildebroeders, zoals ze genoemd werden, soms met genoegen eet- en drinkgelagen aanrichten. De gilden waren pure belangenverenigingen, die niet alleen de plichten, maar vooral ook de rechten van de gildebroeders vastlegden. Een aantal democratisch gekozen gildemeesters en keurmeesters vorm­den de leiding van een gilde. In schriftelijke verklaringen, de zoge­naamde ‘keuren’, werden alle plich­ten en rechten vastgelegd. De keur van het gilde van de goudsmeden bepaalde bijvoorbeeld het gehalte van gouden en zilveren voorwerpen. De keur van de bakkers legde vast hoeveel bakkers zelfstandig mochten werken, om te voorkomen dat er te veel bakkerijen in de stad zouden ontstaan. Zelfs het aantal personeelsleden mocht niet zelfstandig door een werkgever worden bepaald. Het gildebestuur hield het aantal leden nauwgezet in de hand, omdat ‘vele varkens de spoeling dun maakten’. Het gildebestuur bepaalde de prijs van de producten, de hoeveelheid die mocht worden gemaakt en de kwali­teit waaraan die producten moesten voldoen.

Het loon dat ieder gildelid ver­diende, werd door de gildemeesters vastgesteld, evenals de werktijden. Weduwen en wezen van gestorven gildebroeders moesten door de overige gildeleden worden onder­houden.

Van leerjongen tot meester

Was er binnen een gilde plaats, dan kon iemand worden toegelaten als leerjongen. Zo’n leerjongen werd dan in een van de werkplaatsen opgeleid. Hij verdiende daar geen geld. Integendeel, hij moest ‘leergeld’ betalen. Desnoods kon het leergeld door het gilde worden voorgeschoten. Later, als hij zich gevestigd had, moest hij dat leergeld dan terug­betalen.
Na een jarenlange leertijd kon een leerjongen het brengen tot gezel. Een gezel was een geschoolde arbeider, die een vast loon verdiende in de werkplaats van een meester. Zo’n zelfstandige meester, die zelf als leerjongen en gezel het vak had moeten leren, had zijn plaats als meester moeten kopen met een aan­zienlijk garantiebedrag. Maar alleen met het betalen van het garantiebedrag werd men nog geen meester. Dat werd men pas, nadat men een goedgekeurd proefstuk of ‘meesterwerk’ had afgeleverd. De gildekeuren stelden vast welke
werk­stukken tot het meesterwerk be­hoorden en aan welke kwaliteiten het werk moest beantwoorden. Alleen iemand die zijn meesterstuk met goed gevolg had afgeleverd, kon zelfstandig een werkplaats openen en er gezellen en leerjongens op na­houden.

De schuttersgilden

In de vroege nederzettingen was een leger, samengesteld uit de burgerij, een kwestie van noodzaak en puur lijfsbehoud. Weerspannige landheren en op buit beluste rovers hadden het maar al te vaak op de rijker wor­dende steden gemunt. Tijdens de latere middeleeuwen werd deze taak overgenomen door de schuttersgilden. Uit prestige-overwegingen werden de schuttersgilden gewoonlijk gekleed en uitgerust door de stadsbesturen. De schutters­feesten, waarop vele schuttersver­enigingen hun vaardigheid met de boog demonstreerden, werden ver­maard. In het jaar 1350 namen de schuttersgilden van 36 verschillende steden deel aan het grote schutters­feest van de Vlaamse stad Doornik.

De machtige Hanzen

De koopmansgilden, die uitgroeiden tot internationale
koopmans-bolwerken, werden ‘Hanzen’ genoemd. Koopmansgilden van bepaalde steden spraken af, dat ze met elkaar de han­del in bepaalde goederen zouden be­heersen, zonder inmenging van bui­tenstaanders. Op die manier kon de prijs van vele goederen tot grote hoogte worden opgedreven… Onder de talrijke Hanzen waren er drie, die de meeste macht in West-Europa bezaten: De Vlaamse Hanze van Londen, de Hanze van de Zeven­tien Steden en de Duitse Hanze. De Vlaamse Hanze van Londen bestond uit Vlaamse kooplieden, die het alleenrecht hadden verworven om handel te drijven met Engeland en Schotland. Het bestuur van deze Hanze bestond uit een ‘Hanze-graaf’, een ‘vaandrig’ en een dertigtal rechters.

De Hanze van de Zeventien Steden was opgericht voor de handel op Italië. Sommige steden in Vlaanderen en Noord-Frankrijk waren er lid van. De kooplieden hielden zich vooral bezig met de lakenhandel en ze hielden grote jaarmarkten in het Franse Champagne.

De Duitse Hanze, ontstaan om­streeks 1150, was aanvankelijk alleen bedoeld voor Noord-Duitse koop­lieden. Na 1300 sloten zich ook kooplieden uit Nederland en België bij de Duitse Hanze aan. Sinds omstreeks 1250 bezat het Duitse Hanze-verbond het alleenrecht op de handel via de Oostzee en de Noord­zee.

De Hanze van de Zeventien Steden

De Hanze van de Zeventien Steden, tot 1344 kortweg ‘de 17 steden’ ge­noemd, heeft een grote rol gespeeld in het handelsverkeer tussen West-Europa en Zuid-Europa. Van oorsprong was het een verbond tussen slechts een paar steden, ge­vormd door een groep van invloed­rijke kooplieden. Later, in het begin van de jaren 1200, groeide het verbond uit tot een vereniging van 17 steden in Vlaanderen en Noord-Frankrijk. Later zouden zich nog acht andere steden, waaronder Doornik en Hoei, bij het verbond aansluiten.

Vooral de handel in producten van de lakennijverheid werd in de Hanze­steden gestimuleerd. Toen in het begin van de jaren 1300 de Vlaamse lakenindustrie minder belangrijk werd en de handelswegen werden verlegd, werd de betekenis van de Hanze beduidend kleiner.

De Vlaamse Hanze van Londen

De Hanze van Londen was een handelsverbond tussen enkele Vlaamse steden, onder leiding van Brugge.
De bloeitijd van de Hanze van Londen, die handel dreef met Enge­land en Schotland, viel samen met de bloeitijd van de Vlaamse handel (12e en 13e eeuw). Behalve Brugge en omgeving (o.a. Damme en Aarden­burg), waren leper met omgeving en Doornik en Rijssel (Lille) belangrijke kernen van de Hanze van Londen. Het verval van Brugge en leper viel samen met de opkomst van de Brabantse lakenindustrie (o.a. Mechelen).
Toch zou die opkomst van tijdelijke aard zijn. Tegen 1300 was de teruggang in Vlaanderen én Brabant algemeen.

Antwerpen, het financieel hart

Een oorkonde uit het jaar 726 maakte voor het eerst melding van het bestaan van de stad Antwerpen. In 836 werd het stadje door de Vikingen geplunderd en verwoest. Tegen 1200 verkreeg Antwerpen stadsrechten en er werden wallen en poorten omheen gebouwd. In 1295 verwierf de stad het alleen­recht op de handel in Engelse wol. Vlaanderen was tijdens de middel­eeuwen het middelpunt van de
wol­industrie. Vlaams laken en tapijt werden in heel Europa verkocht en brachten het graafschap tot groot aanzien. Door het alleenrecht van de Antwerpenaren op de wolinvoer, werden belangrijke handelssteden als Brugge en leper ten dode opge­schreven.
Omstreeks 1350, toen de Engelsen zelf hun wol tot laken gingen verwerken, begonnen de Antwerpse koopvaar­ders dit laken in te voeren. Op de Antwerpse jaarmarkt kwamen koop­lieden uit heel Europa het goed­kope Engelse laken inkopen. De wolindustrie van Vlaanderen en Brabant gleed daarmee naar de rand van de afgrond.

Omstreeks het jaar 1400 telde de trotse stad aan de Schelde ongeveer 12.000 inwoners. Aan het eind van de middeleeuwen was Antwerpen de grootste handelsstad en het financiële hart van West-Europa. Grote kun­stenaars en wetenschapsmensen von­den in Antwerpen een trefplaats.

Dinant

Aan de rivier de Maas was Dinant de belangrijkste stad uit de middel­eeuwen. Reeds in de jaren 500 – 900 werd Dinant een bloeiend handels­centrum. Na 1100 ontstond in Dinant de koperindustrie, die de belang­rijkste werd van heel Europa. Het bloeiende Dinant had vele jaloerse vijanden. In 1466 werd de stad op bevel van hertog Filips van Bourgondië geheel verwoest.

De Duitse Hanze

De Duitse Hanze is omstreeks 1150 ontstaan, gevormd door een groe­pering van kooplieden uit Noord-Duitse steden.
Rond 1350 had de Duitse Hanze zich uitgebreid tot een vereniging van steden die zich bevonden in de gebieden tussen de Zuidzee, de Finse Golf, de Baltische Zee en Thüringen. Tussen 1300 en 1400 bereikte het verbond zijn bloeitijd. Het omvatte toen meer dan 150 steden, waarvan Lübeck de voornaamste was. Andere Hanzesteden aan de Oostzee waren Riga, Koningsbergen, Danzig en Rostock. Hanzesteden in Noord-Duitsland waren Hamburg en Bremen. Tot de Hanze behoorde in de toenmalige Nederlanden o.a. Groningen, Deventer, Arnhem en Harderwijk.
In de loop van de jaren 1400 trad het verval in. De laatste bijeenkomst van de Duitse Hanze werd gehouden in 1669.

De Hanze en Holland

De Hollandse en Zeeuwse steden hebben nooit deel uitgemaakt van een Hanzeverbond. Dat leidde in de loop van de jaren 1400 tot enkele zee-oorlogen om het recht van alleen­handel in het Oostzeegebied te ver­krijgen. Pas tegen 1500 zouden de Hollanders een groot deel van de Oostzeehandel in handen krijgen. De opkomst van de staten in de 16e eeuw en de verlegging van de handelswegen naar het Atlantische Oceaangebied zouden echter het einde Het in de gebieden tussen de Zuidzee, de Finse Golf, de Baltische Zee en Thüringen. Tussen 1300 en 1400 bereikte het verbond zijn bloeitijd. Het omvatte toen meer dan 150 steden, waarvan Lübeck de voornaamste was. Andere Hanzesteden aan de Oostzee waren Riga, Koningsbergen, Danzig en Rostock. Hanzesteden in Noord-Duitsland waren Hamburg en Bremen. Tot de Hanze behoorde in de toenmalige Nederlanden o.a. Groningen, Deventer, Arnhem en Harderwijk.
In de loop van de jaren 1400 trad het verval in. De laatste bijeenkomst van de Duitse Hanze werd gehouden in 1669.

De Hanze en Holland

De Hollandse en Zeeuwse steden hebben nooit deel uitgemaakt van een Hanzeverbond. Dat leidde in de loop van de jaren 1400 tot enkele
zee-oorlogen om het recht van alleen­handel in het Oostzeegebied te ver­krijgen. Pas tegen 1500 zouden de Hollanders een groot deel van de Oostzeehandel in handen krijgen. De opkomst van de staten in de 16e eeuw en de verlegging van de handelswegen naar het Atlantische Oceaangebied zouden echter het einde betekenen van het verbond van Hanzesteden.

GELD

Munten als sieraad

‘Geld moet rollen’ is een veelgehoorde uitdrukking en een waarheid zo oud als het geld zelf. Na de val van het West-Romeinse rijk in 476 na Chr. ging deze zegswijze niet meer op, want geld was in onbruik geraakt. Aanvaardde men geld in het Romeinse rijk nog overal als betaalmiddel, in de vroege middeleeuwen was er niets meer van in omloop. Daarna bediende men zich weer van ruilhandel en daarin zou tot omstreeks het jaar 800 geen verandering komen. De adel en de geestelijkheid bezaten nog wel gouden munten uit de Romeinse tijd, maar die gebruikten ze hoogstens als sieraad of verzamelstuk. De gewone man kwam nauwelijks met geld in aanraking. De meesten kenden de waarde van de munten niet eens. De boeren op het platteland waren als horigen ondergeschikt aan hun heer en leefden van een deel van de opbrengst van hun land. Geld was nog geen noodzaak. Door bebouwing en ruilhandel voorzagen de boeren en hun heer in eigen behoeften.

Het muntrecht

Omstreeks 800 na Chr. liet Karel de Grote munten slaan. Hij bracht ze in omloop om de handel te bevorderen. Het zou echter nog een paar eeuwen duren, voor geld als betaalmiddel weer algemeen werd aanvaard. Eerst met het ontstaan van de steden begon het geld langzamerhand weer in zwang te raken. Het was een voor­recht, een privilege, als een neder­zetting toestemming kreeg eigen munten te slaan. De waarde van de munten werd door de bewoners zelf bepaald. Dit systeem zou niet stand­houden. Velen begonnen stukjes van de munten af te snijden. Deze schilfertjes zilver werden dan bewaard om later omgesmolten en verkocht te worden. Zo nam de waarde van de munten af.
In ons land bestond het woord ‘geldsnoeier’ al… Dat snoeien van munten is echter niet de enige oorzaak van de geldontwaarding in de middel­eeuwen geweest. De waarde van de munten hing af van de prijs van het zilver. Het edelmetaal daalde in waarde als er meer zilver uit de mijnen kwam. Werd het zilver echter zeldzamer, dan steeg de waarde van het geld. Ook de kwaliteit van het metaal speelde een grote rol. Boven­dien droeg de muntmeester zelf vaak zijn steentje bij aan de geldontwaar­ding. Om zijn munten te slaan moest hij zilver inkopen en omsmelten. Het was voor hem dan voordelig het zilver te vermengen met een ander metaal, bijvoorbeeld koper. Zo verkreeg hij meer munten, maar de waarde van het geld nam opnieuw af…Omdat de munten aan slijtage onder­hevig waren en omdat de waarde van het zilver soms sterk kon veranderen, moest van tijd tot tijd nieuw geld worden geslagen. De oude munten werden dan ongeldig verklaard en moesten worden ingeruild tegen nieuwe. Meestal kreeg men minder geld terug dan men had ingeleverd. De winst verdween als een soort belasting in de zak van de heer, de eigenaar van de grond, waarop de muntmeester zijn werk deed. Op die manier ontstonden steeds nieuwe munten. Bovendien had iedere plaats zijn eigen geld, zodat er een vrij wanordelijke toestand ontstond. Een groot bezwaar waren de afstanden, die men niet zo snel kon overbruggen als tegenwoordig. Mensen die op een dag reizen van de muntmeester woonden, wisten meestal niet zo snel dat een munt moest worden ingeruild. Ook gebeurde het wel dat de oude munt gewoon in gebruik bleef. Het kwam daarentegen ook voor, dat men helemaal geen vertrouwen meer stelde in het geld dat in omloop was. Vaak sleten de munten zo erg, dat het stempel op den duur onzichtbaar werd. Het was dan onmogelijk de waarde en de herkomst te onder­scheiden. Dit was, mede door het aantal verschillende soorten geld dat in omloop was, niet bevorderlijk voor het vertrouwen, dat men in het betaalmiddel stelde.

Zucht naar geld

De kruistochten versterkten de be­hoefte aan geld bij de West-Europese adel. Het kruisleger moest grote afstanden afleggen om het Heilige Land te bereiken. Het was niet mogelijk proviand mee te nemen met het oog op bederf. Voedsel moest onderweg worden gekocht, zodat veel geld nodig was. Het gevolg was geldontwaarding, omdat er steeds meer munten werden geslagen. Na elke kruistocht werd bovendien de geldhonger groter, omdat de kruisridders in de islamitische landen in aanraking kwamen met een veel grotere luxe dan waaraan ze gewend waren. De adel begon daarom hogere eisen te stellen aan allerlei zaken, zoals aan de inrichting van hun woningen en aan hun voedsel. In Frankrijk leidde een oorlog met Engeland in de vijftiende eeuw tot een rampzalige geldontwaarding. De Franse koning Karel VII moest legers huren, maar kampte met geldgebrek. Daarom gaf hij zijn muntmeester Jacques Coeur opdracht een grote hoeveelheid minderwaardige munten uit te geven. Het gevolg daarvan was een grote onrust onder de bevolking. Vooral de boeren voelden zich sterk getroffen door de ontwaarding van het geld. Karel VII was toen wel gedwongen een aantal hervormers te benoemen om de waarde van de Franse munt te verhogen. Dat kostte de muntmeester bijna de kop. De koning kon hem slechts van de galg redden door hem persoonlijk gratie te verlenen.

Op den duur werd zilver minder geschikt als betaalmiddel. Het
ver­trouwen in de munten nam sterk af. Zilver was niet erg waardevast en er was veel vals geld in omloop. Omstreeks 1350 raakte het goud in zwang. Goud betekende standvastig­heid, betrouwbaarheid en rijkdom. Dat metaal was echter in de middel­eeuwen erg zeldzaam. Volgens sommigen zou het in omloop zijnde goud in Midden-Europa toen onge­veer 400 ton hebben bedragen. Dat is minder dan de huidige wereldproductie van goud in een jaar. Goud was heel geschikt om munten van te slaan. Het was schaars en daarom konden kleine munten een hoge waarde hebben. Ook was de kwaliteit gemakkelijk te beoordelen naar gewicht en hardheid. Vele beten in de munten om erachter te komen of het goud wel zuiver was. Goud werd in ieder land voornamelijk gebruikt voor de handel met het buitenland. Veel goud uit India en Arabië kwam terecht in de landen aan de oostkust van de Middellandse Zee. De handel op die gebieden was voornamelijk in handen van de Italiaanse steden Venetië en Florence. Die handelssteden konden het goud daar goedkoper krijgen dan in Midden-Europa.
Venetië en Florence waren toen ook welvarende handelssteden. De gouden munt uit Florence was de florijn, een munt die in Noord-Europa zeer in trek was. De Nederlandse gulden wordt nog steeds aangeduid met ƒ of fl, afkortingen van ‘florijn’.

6 e klas steden 2

In de middeleeuwen was het de gewoonte dat bij overeenkomsten een eed van trouw en respect werd afgelegd. Nadat het contract was getekend, werd het in tweeën gesneden. Beide partijen behielden een deel, voor het geval dat er onenigheid zou ontstaan.

De eerste bankiers

Tussen 1000 en 1400 breidde de handel zich sterk uit. Er moesten soms betalingen verricht worden over lange afstanden. De plaatselijke handel werd al bemoeilijkt door de vele verschillende munten die er bestonden. In de internationale handel kreeg men te maken met nóg meer verschillende munten. Maar handel moest er worden gedreven en vanuit die behoefte ontstond het vak van geldwisselaar. Dat was een moei­lijk beroep. Een geldwisselaar moest de waarde kennen van al die honder­den verschillende gouden en zilveren munten om ze tegen elkaar te kunnen uitwisselen. Die mensen kregen de naam ‘banchiere’, waarvan later het woord bankier werd afgeleid. De banchiere werkte in een kraampje op straat. Om gemakkelijk met de hon­derden muntsoorten te kunnen werken, maakte hij gebruik van een toetssteen, een goudweegschaal en een soort telraam. Meestal was de wisselaar tegelijk goudsmid en ver­werkte hij de ingekochte munten ter plaatse in zijn werkplaats. Toch was het systeem met banchieres verre van ideaal voor de internationale handel. In Europa wemelde het van roversbenden, plunderende soldaten en aan lager wal geraakte edelen. Reizen was levensgevaarlijk. Vooral kooplieden waren nooit veilig. Zij hadden immers altijd grote sommen geld bij zich op hun reizen, omdat ze vaak ver van hun woonplaats beta­lingen moesten verrichten. Bovendien duurden de reizen in de middeleeuwen erg lang, wat het gevaar overvallen te worden alleen maar vergrootte. Als een koopman van Noord-Europa naar Zuid-Europa moest reizen, was hij weken onderweg. De tocht voerde over wegen die niet meer waren dan karrensporen. Bovendien werd de reis vaak bemoeilijkt door wisselende weersomstandigheden, bruggen die het begaven en lieden van onzuivere levenswandel, die het op het geld van de kooplieden hadden voorzien. Ongetwijfeld zullen velen in die tijd er diep over hebben nagedacht hoe ze iets konden betalen over grote afstanden, zonder zakken vol goud en zilver met zich mee te hoeven slepen.

Geld in bewaring

De banchieres vonden daarvoor echter een oplossing. Ze zouden de eerste bankiers worden. Bij hen kon iedere koopman geld in bewaring geven. Daarvoor in de plaats ontving de koopman een bewijs, een schuld­bekentenis. Daarop kon hij later in een andere plaats geld krijgen. Zo kon hij lange afstanden afleggen zonder al te veel geld bij zich te hebben. Zou hij onderweg worden beroofd, dan konden de rovers met de kredietbrief niets beginnen, omdat alleen de koopman zelf daarop geld kon ontvangen. Met de uitbreiding van de handel ontstond dus het eerste giroverkeer.

In het middeleeuwse Europa wist men nog niet, dat de Babylonen vijfduizend jaar tevoren op ongeveer dezelfde manier al handel dreven. Bij hen waren de priesters en de tempels de banken. Met het ondergaan van die grote rijken ging ook deze kennis verloren.

De geldwisselaars hebben dat systeem echter opnieuw ontdekt en het kwam hun beurs ten goede. Ze werden schatrijk. Zo rijk zelfs, dat de ban­kiers als geldschieters langzamerhand onmisbaar werden voor vorsten, bisschoppen en stadsbesturen. Er is een zeer oude schuldbekentenis uit 1199 van Jan zonder Land, koning van Engeland, bewaard gebleven. Omdat de kooplieden van Piacenza aan Richard Leeuwenhart, zijn voorganger, geld hadden geleend voor een kruistocht, was Jan I verplicht hun 2125 zilveren marken te betalen. In een andere schuldbeken­tenis verplichtte de koning zich, 500 zilveren marken uit te keren tegen overlegging van de kredietbrief. Jan zonder Land betaalde al zijn schulden uit de belastingopbrengsten. De geld­schieters kregen voor verstrekte leningen van alles in ruil, zoals opbrengsten van grond van land­eigenaren of belastingopbrengsten van bepaalde steden. De steden maakten op hun beurt weer gebruik van kredieten om bepaalde rechten te kopen bij hun heer. Dat was voor de steden een aanzienlijke steun in hun strijd om hun onafhankelijkheid. Door de toe­nemende handel raakten de grond­bezitters steeds vaker in geldnood. Daarvan waren ook de oorlogen een belangrijke oorzaak. De landeigena­ren werden daarom steeds scheutiger met het verkopen van privileges aan steden. Het geld voor die voorrechten moest echter uit de zakken van de burgerij komen. Daardoor werden de belastingen soms zeer hoog, wat dikwijls weer aanleiding gaf tot onrust. Als het stadsbestuur bij het betalen van de schulden in gebreke bleef, zag het er voor de burgers niet rooskleurig uit. De stedelingen werden persoonlijk aansprakelijk gesteld. Ze konden overal worden opgepakt en gegijzeld, als een schuldeiser een betaling wilde afdwingen. Bovendien werden al hun bezittingen verbeurd verklaard.

Geestelijkheid in zaken

Niet alleen de bankiers, maar ook de kloosters deden grote zaken als geld­schieters. Voor de geestelijkheid bestond echter een kerkelijk verbod op het berekenen van rente. Een tijdlang was de geestelijke Orde van de Tempelieren de grootste bankier in Europa. Zij had haar hoofdkan­toren in Londen en Parijs. Zelfs tot in het Midden Oosten bevonden zich bijkantoren van deze orde. Later zouden de Joden een grote rol gaan spelen in het kredietwezen. Dat was nadat de Franse koning de Orde van de Tempelieren had opgeheven en haar bezittingen in beslag had geno­men. De Joden konden wél rente berekenen, omdat zij niet waren gebonden aan een pauselijk verbod. Andere grote bankiers in de late middeleeuwen waren de Longobarden uit Noord-Italië. Zij worden ook wel Lombarden genoemd. Geruime tijd bezaten zij een monopolie. In Engeland waren zij toen de enigen, die krediet verleenden. De Londense Lombardstraat herinnert daar nog aan. Ook de Nederlandse naam Lommerd is van Lombard afgeleid. Het zou de bankiers steeds beter gaan. In 1251 verpandde de Duitse keizer zelfs zijn troon aan bankiers uit Genua. Ook heeft een paus wel eens zijn gouden tiara als onderpand bij bankiers in bewaring gegeven.

DE TECHNISCHE ONTWIKKELING

Weinig vooruitgang

De vooruitgang van de techniek is in de middeleeuwen niet zo groot
ge­weest. De wetenschap ontwikkelde zich maar matig. Slechts weinig uitvindingen hadden werkelijk in­vloed op het maatschappelijk leven. Toch komt aan de middeleeuwers de eer toe een tweetal uitvindingen te hebben gedaan die zeer verstrekken­de gevolgen hadden: het buskruit en de boekdrukkunst.

De uitvinding van het buskruit

Bekend is, dat de Chinezen in de oudheid het buskruit al kenden. Ze gebruikten het aanvankelijk alleen voor vredelievende doeleinden, zoals voor het vervaardigen van vuurwerk dat bij feestelijkheden werd afgestoken.
In 1325 werd het buskruit in Europa opnieuw ontdekt door de Franciscaner monnik Berthold Schwarz uit Freiburg. Schwarz was een vrome geestelijke, die zijn vinding uitsluitend voor vredelievend gebruik had bestemd. Hij deed er proeven mee in de mijnbouw en bij sterke kasteelmuren, die moesten worden gesloopt. Maar het duurde niet lang, of minder vredelievende lieden zagen de grote mogelijkheden van het buskruit in de oorlogvoering.
In de Slag bij Crécy in 1346 werd voor de eerste maal gebruik gemaakt van de nieuwe uitvinding. Het geschut dat de eerste kogels afvuurde, veroorzaakte grote paniek onder de vijandelijke paarden, die daardoor hun berijders op de grond wierpen en op hol sloegen. Schade door kogels was er nauwelijks…
Door de ontwikkeling van de vuur­wapens viel de ridderstand aanmer­kelijk in macht terug. Geen harnas bleek bestand tegen kogels, die een eenvoudig soldaat kon afschieten. Geen zwaard was zo snel en kon zover reiken, dat het de schutter verhinderde zijn schiettuig te laten ontbranden. Zelfs zware kasteelmuren wer­den met enige welgerichte kanonschoten in puin geschoten.

De boekdrukkunst

Tijdens de middeleeuwen werden de boeken met de hand geschreven en overgeschreven. Eén boek overschrij­ven kostte vaak jaren monniken­werk.
Ook de uitvinding van de boekdrukkunst vindt zijn oorsprong in het Verre Oosten. Al omstreeks 770 na Chr. was in China sprake van blokdruk. Hele bladzijden werden in spiegelschrift in hout gesneden. De houten blokken werden daarna ingesmeerd met inkt, waarna er op een papier een afdruk van werd gemaakt. Boeken die op deze manier waren gedrukt, worden ‘blokboeken’ genoemd. Maar de blokken sleten snel en dan konden ze niet meer worden gebruikt. Bovendien vergde het snijden van een boek ook vele jaren werk. Omstreeks 1050 ontdekte men in China een manier van druk­ken met losse letters. Aanvankelijk gebruikte men daarvoor letters van aardewerk, maar al spoedig werkte men met letters van tin. De Chinese uitvinding was al omstreeks 1250 tot in Egypte doorgedrongen. Of dit de basis is geweest voor de Europese uitvinding, is niet bekend. Rond 1450 werden op verscheidene plaatsen in Europa pogingen ondernomen om een bruikbare techniek te ontwik­kelen voor het drukken van boeken. Het Chinese boekblok werd opnieuw uitgevonden, evenals het drukken met losse letters. Het Westerse alfa­bet leende zich bijzonder goed voor die techniek en er kwam dan ook een snelle ontwikkeling tot stand. Al eeuwenlang wordt er fel gediscus­sieerd over de vraag of de Nederlan­der Laurens Janszoon Coster of de Duitser Johann Gutenberg de Euro­pese herontdekker is geweest. Inter­nationaal gezien wint Gutenberg het, hoewel de Nederlandse versie hier zeker niet onvermeld mag blijven.
Omstreeks 1400 werd in Mainz Johannes Schöfer geboren. Hij werd lettersnijder. Enige tijd was hij ook in dienst bij de Haarlemse drukker Laurens Janszoon Coster. Coster zocht al enige tijd naar een goede oplossing om sneller letters te kunnen maken waarmee gedrukt kon worden. Ten slotte kwam hij op het idee om in een stukje koper een letter te grave­ren en daar met lood een afdruk van te maken. Met die loden letter kon dan gedrukt worden. Afgesleten let­ters konden snel vervangen worden door een nieuw gegoten letter.
Coster kreeg niet de kans zijn ding zelf als eerste in de praktijk toe te passen. Zijn leerling Schöfer ging er niet alleen met zijn dochter, ook met zijn idee van de uitvinding vandoor. In de Duitse stad Gutenberg werkte Schöfer, die later door iedereen ‘Gutenberg’ werd genoemd zijn gestolen uitvinding uit. Rond 1450 stichtte hij de eerste lettergieterij.

De snelle verspreiding van de uitvinding van de boekdrukkunst is vooral te danken aan het feit dat Duitse drukkers door Europa gingen reizen.  Ze brachten enige tijd door in verschillende plaatsen en gaven zo hun kennis door. De uitvinding van het lettergieten en de enorme vlucht die de boekdrukkunst daardoor kon nemen, is uitermate belangrijk geweest. Bijbelse en wetenschappelijke werken konden veel gemakkelijker vermenigvuldigd worden dan vroeger. Het boek bereikte daardoor ook de eenvoudige burger, die de moeite nam het lezen te leren. Het volk begon zich te ontwikkelen, waardoor de Europese samenleving zich drastisch zou wijzigen.

Ontwikkeling van de scheepvaart

De soorten schepen die de Middellandse Zee en later ook de Noordzee en Oostzee bevoeren, werden steeds handzamer en sneller. Een
belangrijke bijdrage daartoe leverden de zeerovers, die om snel weg te kunnen snellere schepen nodig hadden. Het gevolg daarvan was weer, dat de reders hun schepen ook steeds sneller lieten maken. De Vikingen met hun rappe, ranke vaartuigen, hadden ook een belangrijk aandeel in de ontwikkeling van de scheepvaart. De zeelieden durfden zich steeds verder op zee te wagen. En met behulp van eenvoudige middelen konden ze zich al redelijk goed oriënteren. De uitvinding van het kompas maakte het mogelijk de koers nog beter te bepalen. De eerste kompassen waren zeer eenvoudig. Met behulp van een stuk magnetisch steen moesten de kom­pasnaalden steeds opnieuw magne­tisch worden gemaakt. Pas omstreeks 1492, toen Columbus Amerika ont­dekte, werd het kompas sterk ver­beterd. Men kon erop rekenen, dat het noorden werkelijk door het kom­pas werd aangegeven.

De eerste molens

Naar alle waarschijnlijkheid werden omstreeks 1150 de eerste windmolens gebouwd. Het toen gebouwde type noemt men een staakmolen of stan­daardmolen. Ook in rivieren werden molens gebouwd, aangedreven door de  waterstroom. Molens werden aan­vankelijk alleen gebruikt voor het malen van graan.
Pas na 1300 begon men de kracht van de wind te gebruiken voor het weg­pompen van overtollig water. Na 1400 verschenen de eerste fabrieksmolens voor het zagen van hout. De ontdekking en het gebruik van wind ­en waterkracht als aandrijving voor machines leverde een belangrijke bij­drage tot de ontwikkeling van be­paalde vormen van industrie.

6 e klas steden 3

Naar alle waarschijnlijkheid werden de eerste windmolens gebouwd omstreeks 1150. Links een waterrad. Rechts een windmolen.

De textielnijverheid

De techniek van het weven van stoffen stond in de middeleeuwen op een hoog peil. Net als de moderne mechanische weefgetouwen, waren ook de middeleeuwse handweefge­touwen gebouwd volgens systemen die al bekend waren bij de Assyriërs en de Babyloniërs in de oudheid. Aanvankelijk werden stoffen die men wilde verfraaien met de hand gebor­duurd. De oudste geborduurde lap­pen stof dateren uit de zesde eeuw. Ze bevinden zich in de tombe van St. Cesarius te Arles in Frankrijk. Later begon men de stoffen te bedrukken. Vooral in het Rijnland stond de textieldrukkunst op een kunstzinnig hoog peil. Men drukte zelfs goud en zilver op stoffen. De adel kocht dergelijke stoffen niet alleen om er kleding van te laten maken, maar ook voor gordijnen en wandkleden.
Tegen 1500 raakte het bedrukken van stoffen in verval. Duurdere zijden stoffen als brokaat en damast, door Venetiaanse kooplieden ingevoerd, kwamen toen in de mode. Later werd de zijderups ook in het Middellandse Zeegebied geteeld en kwam de Italiaanse zijde-industrie op gang. Vooral in Vlaanderen bestond een bloeiende lakennijverheid. De wol voor de lakense stoffen werd uit Engeland ingevoerd. In de jaren 1400-1500 was de wandtapijtnijver­heid van Vlaanderen een grote wel­vaartsbron  voor  het  graafschap.

Primitieve landbouw

In het begin van de middeleeuwen stond de landbouw op een laag tot zeer laag peil. Bossen werden afge­brand, het land werd enigszins omge­woeld en er werd gezaaid en geoogst tot de grond was uitgeput. Van bemesting hadden de boeren nog nooit gehoord. Dat was ook niet mogelijk, want vrijwel geen boer bezat meer dan één magere koe om van de melk kaas te kunnen maken en een paar schapen om wol te kunnen spinnen.
Pas in de tijd van keizer Karel de Grote werd begonnen met het ver­beteren van de landbouw.

Het drieslagstelsel

In de jaren 700-900 werd het drieslagstelsel ingevoerd. Het was een manier om met eenvoudige middelen meer uit de grond te halen, zonder de grond al te veel uit te putten. Het vee liep in het ‘braakjaar’ op het braakland. Zo werd het land bemest en leverde het een jaar later weer een goede oogst op. De mogelijkheid om meer vee te houden, zoals paarden en ossen, leidde ertoe dat men deze dieren ging gebruiken bij het ploe­gen. Toen de boeren nog geen werkvee hadden, trokken ze zelf de ploeg. Gewoonlijk ploegden ze met een soort houten wig die schuin in de grond stak, of ze woelden de grond om met de hak, een soort schep die als een houweel werd gehanteerd. Het spreekt vanzelf, dat het ploegen met die eenvoudige middelen de grond maar zeer oppervlakkig om­woelde. De vruchtbare klei onder het oppervlak kwam nauwelijks naar boven. Toen de boeren meer paarden en ossen konden houden, werden die voor steeds zwaardere ploegen ge­spannen, die de grond steeds verder openscheurden. De vruchtbare klei kwam dan naar boven en de oogsten werden rijker.

6 e klas steden 4

Deze afbeelding laat het verschil zien tussen het ‘oude’ en het ‘nieuwe’ trekspan dat omstreeks de 10e eeuw in gebruik werd genomen. Bij het oude span werd het paard tijdens het trekken de luchtwegen afgesneden, waardoor het dier gevaar liep te stikken.

Beter gereedschap

Naarmate de middeleeuwen vorder­den, begonnen de boeren de
moge­lijkheden van hun trekdieren steeds beter te benutten. Ze lieten ploegen smeden van ijzer en voorzagen die van wielen. Daarmee bereikten ze dat het ploegijzer steeds tot op dezelfde diepte sneed. De paarden en ossen, die tot dan toe hun werk op ‘blote voeten’ hadden gedaan, wat vaak tot verwondingen leidde, werden besla­gen met hoefijzers. Het eerste primi­tieve trekspan voor ossen en paarden bestond uit een eenvoudige lus, die de beesten om de hals werd gehangen. Bij het trekken sneden de dieren zich daarbij vaak hun luchtwegen af. Erg hard konden ze dan niet meer trek­ken. De uitvinding van een beter trekspan, dat tegen de schouders van de trekdieren rustte, betekende een aanmerkelijke verbetering.

DE MEDISCHE WETENSCHAP

De vier lichaamsvochten

Het geneeskundig denken tijdens de middeleeuwen werd beheerst door de veronderstelling, dat het menselijk lichaam in stand werd gehouden door lichaamsvochten. Men onderscheid­de vier lichaamsvochten: bloed, slijm, gele gal en zwarte gal. In ieder lichaam, zo dacht men, hoorden die vier vochten in een bepaalde verhou­ding voor te komen. Alle ziekten werden toegeschreven aan een ver­storing van de verhouding tussen de verschillende lichaamsvochten. In de ogen van de primitieve genees­heren was de enige manier om het evenwicht in de lichaamsvochten bij een ziek mens te herstellen, het aftappen van bloed. Dat aftappen van bloed werd ‘aderlaten’ genoemd. Aderlaten werd in de middeleeuwen op grote schaal toegepast bij alle mogelijke ziekten.

De barbier

De middeleeuwse kapper werd ‘bar­bier’ genoemd, naar het Italiaanse woord ‘barba’ dat ‘baard’ betekent. Maar behalve baard- en haarsnijder, was de barbier ook tandarts en geneesheer. Veel barbiers gaven zichzelf de fraaie titel van ‘chirurgijn’. Tot de belangrijkste taken van de barbier behoorde het aderlaten bij zieke mensen. Dat gebeurde in veel gevallen door op een ader bloed­zuigers te plaatsen. Die zogen zich door de huid heen vol met bloed. Dikwijls ook opende de barbier een bloedvat en ving hij het bloed op in een kommetje. Voor die ‘operatie’ hanteerde de barbier zeer eenvoudige instrumenten. Een goede chirurgijn gebruikte een speciaal vlijmscherp aderlaatmesje. Een alledaagse bar­bier daarentegen nam gewoon zijn scheermes… Het uithangbord van de barbier was een grote witte stok, waaromheen zich een rode band slingerde, als vloeiend bloed. De barbiers traden ook op als kiezen-en tandentrekkers. Op vele kermissen stond zo’n kiezentrekker, die voor weinig geld het volk van kiespijn wilde verlossen. Voor de patiënt was het kiezentrekken een zeer pijnlijke ingreep, die niet alleen zonder ver­doving, maar tot in de late
middel­eeuwen zelfs zonder tang geschiedde. De barbier gebruikte een ijzeren wig, waarmee hij de tand of kies uit de kaak van zijn slachtoffer wrikte. Wie bang was voor pijn, dronk eerst een paar pinten brandewijn…

Geen hygiëne

De middeleeuwer wist niets over bacteriën of virussen. En om

per­soonlijke hygiëne bekommerde hij zich niet. Voor mensen die leden aan duidelijk herkenbare ernstige ziekten als melaatsheid, pokken en pest, sloot men de stadspoorten. Men wist dat een ziek mens een gezond mens kon aansteken. Alleen hoe dat ge­beurde, wist men niet. Melaatsen hadden de plicht, hun komst van verre aan te kondigen door een bel te luiden…
Het reinigen van het eigen lichaam werd als ongezond beschouwd. Men leefde zonder problemen tussen rot­tend afval, dat alleen als een bezwaar werd ondervonden als het te erg ging stinken. Men dronk alles wat op water leek en niet te erg stonk. Het drinkwater moet een grote bron van besmetting zijn geweest. Ook de barbier kon zich, niet gehinderd door enige kennis omtrent ziek­tekiemen, helemaal niet druk maken over hygiëne. Ontsteking van won­den na een ingreep door de barbier was eerder regel dan uitzondering.

De chirurgijns

Van iets beter gehalte waren de afgestudeerde chirurgijns. Hun
voor­naamste taak bestond uit het oplap­pen van gewonden na de jacht of een oorlog. Om gebroken armen en benen te zetten, werd soms operatief ingegrepen. Maar omdat men niets afwist van hygiëne, overleed de pa­tiënt vaak aan hevige koortsaanval­len.

De Duitse keizer Frederik II (1194-1250) stichtte op Sicilië een
genees­kundige school. Daar liet hij bekende geleerden, waaronder Joden en Ara­bieren, lesgeven. De studie duurde jaren en de afgestudeerden mochten zich meester-geneesheer noemen. Er was ook een opleiding voor vroed­vrouwen. Het spreekt bijna vanzelf, dat deze geneesheren en vroed­vrouwen zich niet bezighielden met de kwalen van het gewone volk…
De Franse koningen Lodewijk de Heilige en Filips de Schone stichtten in hun land het ‘Collège Sant Côme’, een soort medische universiteit. De afgestudeerden vormden een broe­derschap van beëdigde heelmeesters, die in de ontwikkeling van de chirur­gie een belangrijke rol hebben ge­speeld.
Een conflict tussen de afgestudeerde heelmeesters (chirurgijnen) en de minder bekwame barbiers bleef niet uit. In 1292 telde Parijs meer dan 200 barbiers, die waren aangesloten in het bij de bevolking hoog aangeschre­ven barbiersgilde. Meer dan vier eeu­wen moest het barbiersgilde zich ver­dedigen tegen de geschoolde chirurgijnen. Tot 1700 konden de Parijse barbiers zich ongestoord wijden aan het aderlaten van zieken en het trek­ken van kiezen.

De bronzen afkoophand

Sommige misdrijven, zoals diefstal, konden worden bestraft met het afhakken van een hand. Maar de veroordeelde kon die straf in sommige gevallen afkopen, door een bronzen hand bij de gerechtsdienaren in te leveren. Deze werd dan voorzien van de naam van de gestrafte en tot diens schande aan de muur van het stadhuis bevestigd. In het stadhuis van het Zeeuwse Veere kan men zo’n afkoophand bezichtigen.

De gildebeker

In het gildehuis van ieder gilde werden de namen van alle gildebroeders vermeld op grote perkamenten oorkonden of metalen platen. Maar dat was niet de enige plaats waar alle namen prijkten. De trots van elke gildebroederschap was de gildebeker! Meestal was die beker van zilver, soms ook van tin. De gildebeker (soms ook een kan) was vaak wel 40 cm hoog! Alle namen van de leden werden erin gegraveerd. Tijdens vergaderingen of feesten werd de kan geheel met wijn gevuld, waarna deze in de broederkring de ronde deed.

Meestermerken en keurmerken

Om de kwaliteit van producten te kunnen waarborgen, stelden de meeste gildekeuren verplicht, dat de meesters hun waren voorzagen van hun naam. Een ontevreden klant kon dan altijd bewijzen bij wie hij het product waarover hij klaagde had gekocht. De meeste meesters signeerden hun waren met hun initialen: de voorletters, gevolgd door de eerste letter van hun achternaam. Sommige meesters gebruikten ook wel een tekentje om hun werk te signeren. Meester Knol kon een getekend knolletje gebruiken, meester Vogel een klein vogeltje enz. Al snel gingen de gildemeesters en keurmeesters alle waren aan een controle onderwerpen, meestal op aandringen van het stadsbestuur. Op een goedgekeurd product werd dan het merk van de keurmeesters aangebracht, vaak het stadswapen.

.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 6e klas geschiedenis

761-697

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (8-1)

.

Hoe ga je te werk

In de artikelen (vanaf 3) n.a.v. Lindenberg ‘Geschichte lehren’ staat de lesstof van de 6e klas in grote lijnen beschreven.

Dit is wat je eigenlijk met de kinderen zou moeten behandelen en wel in 2 perioden van 3 à 4 weken.

Lindenberg geeft in zijn boek perioden van 3 weken, maar de ervaring is bij velen dat 4 weken nodig zijn, dus totaal 8.

Zeker, wanneer je niet voortdurend – gedurende die 2 uur hoofdonderwijs waar ook vaak nog iets vanaf gaat (een paar liederen, getuigschriftspreuken enz.???) – aan het woord wilt zijn. Dat verdragen de leerlingen niet en vanuit de algemene menskunde kun je weten dat ze dan teveel wegdromen en derhalve niet veel opnemen. Je doet dus moeite voor niets.

Het is dus belangrijk dat je kijkt naar de werkvormen die je wilt hanteren bij het aanleren van de stof.

Het vertellen is toch een belangrijk onderdeel en hierbij gelden, ook al hebben we hier met een hogere klas te maken, dat het ‘beeldend’ moet zijn. (Dat geldt ook zeker nog voor klas 7 en 8).

Beeldend is, wanneer je iets voor je ziet; wanneer je iets meebeleeft; wanneer er spanning en ontspanning is; humor en verdriet enz.

In de stof in bovenbedoelde artikelen is daarvan niet erg veel aanwezig; het gaat daar meer om de inhoud, hoewel er enkele leuke anekdotes tussen staan. Die mogen zeker niet ontbreken.

Goede schrijvers van historische (jeugd)romans kunnen een zeer inspirerend voorbeeld zijn. Het betekent wel dat je die boeken zelf eerst moet lezen en er vervolgens die onderwerpen uit moet halen die je nodig hebt.

Voor de geschiedenis van de lage landen bestaat er een serie die voor ons buitengewoon geschikt is: ‘Geschiedenis van de lage landenvan Jaap ter Haar.

Hij laat steeds de mensen iets beleven en doet dit zoals wij dit met onze vertelstof door de klassen heen, ook doen.
De kinderen in je klas kunnen dit zo meebeleven, dat hun gevoel aangesproken wordt en niet, zoals bij het feitelijk overbrengen van de stof, het hoofd – de ‘antipathiekrachten van het spiegelend moeten leren’ (Algemene menskunde o.a. 2e voordracht, bijv. [2-2] blz. 31-33).

Hier volgt het hoofdstuk ‘Romanisering’ uit deel 1
.

DE ROMANISERING
.

De zon is opgegaan en beschijnt de antieke wereld, die langs rivieren en heir­banen de lage landen heeft bereikt. Ingrijpende veranderingen hebben zich, in die eerste eeuwen na Christus, in het leven voltrokken. Forten en legerplaat­sen zijn na de opstand der Bataven in flink aantal gebouwd. Wisselplaatsen lig­gen langs de heirbanen: met woningen, herbergen, winkels en stallen voor de paarden. Er staan loodsen, gevuld met producten die de omringende bewoners daar hebben gebracht: melk, kaas, graan, vee, hout, geweven stoffen, turf, hui­den. De belangrijkste knooppunten groeien uit tot levendige marktplaatsen, waar van alles is te doen. Grote transporten bewegen zich over de altijd drukke, uiterst belangrijke heirbaan van Keulen naar Boulogne, met het einddoel: Brittannië.

,,Vooruit, jullie, trek eruit!” In de houten barakken wekken onderofficieren de maffende soldaten. Bij zonsopgang moeten zij de wachtposten van de 4de nachtwacht bij de Porta Decumana van de legerplaats (castra) aflossen. „Kom eruit, luie honden!”

De jongens van het 10de cohort komen foeterend overeind. Zo beginnen zij in de grootste legerplaats in Nederland – op de Hunerberg bij Nijmegen – een nieuwe dag.

De soldaten van het 10de Legioen Gemina, die daar na de opstand der Bataven gelegerd zijn, raken al gauw in een goede stemming. Straks zal de quaestor op het forum de soldij uitbetalen: 120 denarii voor een kwart jaar dienst.

De legioensvesting en alles wat er omheen ligt, de kazernes, werkplaatsen, stallen, excercitievelden, tepels en hoofdkwartier beslaan een oppervlakte van circa 30 hectare. Daar staan de woningen van de officieren en geneesmees­ters, van de priesters, tentenmakers, bakkers, slagers, leerbewerkers, kleer­makers, van de inners der belastingen en van de ambtenaren, die in dienst van de legioenen met de proviandering zijn belast. Nu er weer rust heerst zijn zij al­om weer graag geziene gasten:

,,Salve, Gargilius!” Op de hoeve van Lopeteus in het Friese Westergo begroet de veehouder Stelus een leverancier van het leger. ,,Vee kopen? Ik heb een mooi rund!” Gargilius knikt. Stelus laat hem zijn rund zien en de onderhandelingen begin­nen : ,,130 denariën en geen denarius minder!” ,,Ik geef je 100!”,,In geen 100 jaar. Gargilius, kijk hoe hij in zijn vlees zit!”
Met loven en bieden gaat het rund tenslotte voor 115 denariën van de hand. Twee centurio’s van het 1ste en 5de legioen zijn getuigen van deze transactie. Een veteraan van het leger, die zich daar misschien met een Friese vrouw heeft gevestigd, stelt zich borg voor de uitbetaling van het bedrag.
Gargilius laat de koopacte opmaken. In cursiefschrift wordt de koop op een schrijftafel genoteerd. Eeuwen later is dat schrijftafeltje bij Tolsum vrijwel ongeschonden uit de aarde te voorschijn gekomen. Daarom weten we met zekerheid, dat ze daar bij Tolsum in het Friese land, mét dat rund en met de getuigen, hebben gestaan.
„Dag Gargilius! Dat de goden je vergezellen!” „Dag Stelus!”
Waarschijnlijk hebben ze nog een stevige beker bier op de goede afloop gedron­ken . . .

De zon is opgegaan boven het immense Romeinse Imperium. Terwijl bekwame keizers zich hebben ingezet om de eenheid en gelijkvormigheid van bestuur in alle delen van het rijk te versterken, verwatert het plaatselijke, inheemse bestuur in tal van provincies tot schone schijn. De aanzienlijken en edelen bij de onder­worpen stammen dienen als officieren in het leger. Zij winnen burgerrecht, gaan Latijn spreken en . . . beginnen zich Romein te voelen. Ze zijn daar trots op, want na de opstand der Bataven beleeft het Romeinse Imperium een glans­periode van orde en rust. Nimmer meer zal de wereld zó’n langdurige periode van vrede hervinden. Ook de lage landen koesteren zich nu in de milde zon van het Romeinse rijk.

,, Blijf trouw aan eigen bloed! Blijf trouw aan eigen bodem! Blijf trouw aan eigen goden!” zullen de Germaanse priesters keer op keer hebben uitgeroepen. Maar er is geen houden aan. Oorspronkelijke volkstalen en culturen verdwijnen. Kel­tische en Germaanse goden versmelten geleidelijk met hun Romeinse collega’s in hemel en hel: Donar met Jupiter, Freya met Venus. Bij de massa zit de vroomheid diep geworteld. Het ganse leven is ervan doortrokken. “Jupiter, Venus, gij onsterfelijke goden, ontvang dit offer!” klinkt het overal. Geboorte en dood, huwelijk, zaaien en oogsten, bouwen en reizen, gaan als van ouds met offers en godsdienstige plechtigheden gepaard. Voortekenen, tovenarij, vrees voor heksen en boze machten liggen verweven in een bijgeloof, dat heel het leven omslaat. Alom worden talismannen gekocht om geesten en demo­nen te bezweren.

,,Flectere si nequeo superos, Acheronta movebo . . .” heeft Vergilius in zijn Aeneïs geschreven. ,,Als de mensen de goden niet op hun hand kunnen krijgen, willen zij de onderwereld daartoe bewegen …”

De kern van de staatsgodsdienst is de keizercultus: een vage, symbolische vorm van geloof aan het noodlot; aan de Bestemming van Rome; aan de eeuwigheid en onaantastbaarheid van het rijk . . .

In het Germaanse land – langs Rijn en heirbanen — verrijzen steden, die het strakke, rechthoekige schema tonen van een Romeinse legerplaats. In die ste­den : zuilenhallen, markten, tempels, theaters, badhuizen – met de grafmonu­menten van de aanzienlijken even buiten de poort. Het muntgeld is snel inge­burgerd, zodat de omslachtige ruilhandel uit het leven verdwijnt. Geld blijkt ook in de lage landen een stimulans, waarvoor de plaatselijke bewoners zich gaan inspannen. Zowel de steenhouwers in Belgica als de Drentse schapen-boeren ontvangen baar geld voor de stenen en wol die zij leveren. De Nerviërs in Henegouwen verdienen goed met het weven van een dik, soepel laken, waar­uit de kleermakers mantels en uniformen snijden voor de Romeinse militair. En evenals in het verre Rome, bouwen ook hier rijke Romeinen hun fraaie villa’s — vooral op de hoogvlakte in België en op de heuvels van het huidige Zuid-Limburg:

,Ja, mijn waarde, dit is de plek!”

De bouwmeester trekt even aan zijn toga, neemt dan de omgeving in zich op. Hij heeft zijn schetsen gemaakt. Het grote probleem zal echter zijn aan goede werklui te komen.

„Wij willen natuurlijk badvertrekken, een zuilengalerij en mijn vrouw staat erop, de woonvertrekken met muurschilderingen te verfraaien!” De bouwmeester knikt. ,,Rond de Idus van maart zal ik u mijn uitgewerkte plannen laten zien.”

Wie was het, die op de Kloosterberg bij Mook een luxueus buitenverblijf liet verrijzen – een villa urbana met een voorgevel van 84 meter lang? Wie is de bezitter geweest van de immense herenboerderij, de villa rustica te Voerendaal, waar de lengte van het gebouwencomplex zich na een aantal verbouwingen over 190 meter uitstrekte?

De geromaniseerde kolonisten en grootgrondbezitters in Limburg hebben hun woningen op uitgelezen plaatsen laten optrekken. De bouwmeesters hebben zorggedragen, dat het hypocaustum de vloeren en wanden in die villa’s centraal verwarmde. Sommige vloeren zijn met kostbare mozaïeken verfraaid. Met pan­nen, vermoedelijk afkomstig uit een nabij gelegen steenbakkerij, hebben werk­lieden de daken gelegd.

Flinke grindwegen, die naar de villa’s leiden, doorkruisen het Limburgse land om op de heirbanen uit te komen. Over die wegen rijden hoge officieren, ambtenaren, boodschappers en rollen de karren van ondernemende kooplui in een sukkelgang voort. Soms vragen zij de weg:
,,Hoe ver nog naar het Forum Hadriani, het centrum der Cananefaten?” ,,Is dit de weg naar Matilo?”

Ze kijken op hun kaarten, maar komen er soms toch niet helemaal uit. Bij de wisselplaatsen krijgen zij alle informaties die zij wensen.

,,Hoeveel dagmarsen nog naar Noviomagus, de stad der Bataven?”

De vicus Heerlen is bekend om de pottenbakkerijen. Vermoedelijk zijn heel wat reizigers daar gestopt om zich na een lange, warme rit in het open zwembad met een duik te verfrissen. Of zij brengen een bezoek aan de thermen die voorzien zijn van een keurig kleedvertrek, een koudwaterbad, een lauwwaterbad, een heetwaterbad, een zweetbad, compleet met vloerverwarming, waar de welgestelden uit de villa’s en herenboerderijen zich zo graag verpozen. Misschien zal een gepensioneerde kok uit het leger naast de thermen een eethuis begonnen zijn.

,,Claucus, aannemen!”

„Wat zal het zijn, edele heer? Ik heb verse riviervis . . . gewoon uit de kunst.”

Ivnoni meae – Aan mijn Juno!

Die woorden staan op een gouden ring, die tussen de verbrande beenderen van een vrouw in een sarcofaag te Simpelveld is gevonden.
Zonder twijfel heeft Juno in één van de Limburgse villa’s gewoond. Mis­schien heeft haar man haar met een zachte stem de vurige liefdesverzen van Catullus voorgelezen:

,,Uit jouw mond, lieveling, heeft het geklonken
dat onze liefde één geluk zal zijn
één eeuwigheid van ongekende blijdschap . . .”

De liefde van Juno’s man moet groot zijn geweest. Haar schitterende askist getuigt daarvan. De kist is vervaardigd uit zandsteen. Een kundig beeldhouwer – wellicht afkomstig uit Keulen – kreeg opdracht de binnenkant met reliëfs te versieren.
,,Ik wil dat zij, ook in haar dood, vertrouwde dingen om zich heen zal zien.” zal de weduwnaar hebben gezegd. De beeldhouwer heeft geknikt en is aan het werk gegaan.
Op de ene wand heeft hij een vrouw uitgebeiteld. Ze ligt op een rustbed. Half opgericht kijkt zij rond. Is het Juno? Een rieten stoel, tafeltjes, kannen, kasten, flessen zijn in het zandsteen uitgehouwen. Zelfs een huis siert een van de wanden: een Romeinse villa met hoektorens, zijvleugels, vierkante vensters met ruiten en luiken. Op het geveldak boven de drie verdiepingen zijn de dak­pannen duidelijk te onderscheiden.
Heeft de weduwnaar zijn geliefde Juno willen binden aan de sfeer, waarin hij zelf nog leeft? Heeft hij zich bij haar dood getroost met een ander vers van Catullus:

“Zij wil niet meer. Wil niet, wat toch niet kan. Loop haar niet langer na, betreur haar niet maar wees verstandig en verman dit hart! Vaarwel . . ”

Zakenmensen die steenbakkerijen beginnen, mergelgroeven of bossen exploi­teren, ceramiek-bedrijven oprichten en behoorlijke kapitalen verdienen, bou­wen hun prachtige huizen van twee, soms drie verdiepingen hoog. Zij bouwen voorraadschuren, stallen en woningen voor hun personeel. Zo ontstaan ge­meenschappen van soms meer dan 100 mensen bij elkaar. Buiten de villa’s lig­gen de weidevelden, bouwlanden, boomgaarden en moestuinen, waarop de Romeinen de Germanen het werk voor zich laten doen.

Veteranen uit het leger trouwen Germaanse vrouwen en gaan zich na hun diensttijd in de Lage Landen vestigen. Dan beginnen zij een herberg bij de wis­selplaatsen. Of ze raken in goeden doen met kalkbranderijen, met handel of met een landbouwbedrijf.

Vele vondsten, zoals fundamenten van gebouwen, tempels, altaren, aardewerk, begraafplaatsen en tal van munten met de beeltenis van keizers, geven het heden het rijke, maar nog onvolledige beeld van de romanisering van de lage landen bij de zee – een beeld ook van de wijze, waarop de samenleving in allerlei districten was georganiseerd.

Valerius Silvester, een Bataaf uit de Neder-Betuwe, heeft de ogen gesloten. Zijn lippen prevelen een zacht gebed:

,,Godin Hurstrga, hoor mijn smeekbeden, vervul mijn ene grote wens. Ik beloof u een altaar. Onsterfelijke, luister naar dit gebed . . .”

De godin heeft geluisterd en de wens van Valerius Silvester vervuld. Want om zijn dank te tonen, heeft Silvester een klein stenen altaar aan haar gewijd. Een steenhouwer beitelde het opschrift:

Voor de Godin Hurstrga heeft volgens haar opdracht Valerius Silvester, Gemeenteraads­lid van het Municipium der Bataven, dit al­taar opgericht. Gaarne en met reden. Dit stenen altaar met Latijns opschrift werd in 1954 bij Kapel-Avezaat gevon­den.

Hurstrga had Valerius Sylvester vast in een visioen of droom laten weten, dat zij voor zijn voorspoed had gezorgd. Was hij dankbaar voor het Romeins burgerrecht? Of was het voor de benoeming tot gemeenteraadslid, dat Syl­vester die altaarsteen gaarne en met reden liet beitelen?

Te Elst. in de Betuwe, is de eerste stenen tempel uit de grond verrezen: 11 meter lang en bijna 9 meter breed. Tijdens de opstand der Bataven is dat bouwwerk vernield. Onder keizer Vespasianus (70-78) wordt op de verwoeste fundamen­ten een nieuwe tempel opgetrokken van omstreeks 31 bij 23 meter: het nationale heiligdom der Bataven, een symbool van het verbond dat met de Romeinen gesloten is.

,,Ik wil mij reinigen. Dit is mijn offer . . .” Ernstig wijst een gelovige aan de priester, welke dieren hij aan één van de goden wil wijden.

Terwijl tempeldienaren een rund, een schaap en een varken driemaal rondleiden en de priester in de cella zijn heilige woorden spreekt, laat de gelovige Bataaf de muurschilderingen op zich inwerken en overdenkt hij de zonden die hij bedreef

„Mmmèè . . . mè-è!” Een mes flitst neer en bloed van de dieren druipt voor het altaar op de grond.

De schedels van een varken, een schaap en een rund — typerend voor een offer aan Mars – zijn daar bij Elst, dichtbij elkaar, in de grond gevonden.

Overal en in de grootste verscheidenheid zijn tot in de verste uithoeken van het rijk altaren voor bekende en onbekende goden opgericht. Aan de kust bij Dom­burg heeft een heiligdom gestaan, waar mensen in hun dankbaarheid de plaat­selijke godinnen en goden met altaren vereerden:

Aan de Godin Nehalennia heeft Dacinus,
de zoon van Liffio, zijn gelofte ingelost.

Gaarne en met reden. Op een altaarsteen is de godin Nehalennia uit de antieke hemel tot leven geko­men. Gekleed in een lang gewaad, zit zij onder een baldakijn op haar troon. Zij houdt een schaal met appelen in haar handen. Een hond ligt naast haar op de grond.
Nehalennia is een schutsvrouw van de zeelieden, die bij Domburg de Noordzee overstaken om in Engeland zaken te doen. Zij wordt aangeroepen als een schip in nood verkeert:

“Nehalennia, bezweer de woeste golven! Neem de stormwind van ons weg, Nehalennia, Nehalennia, geef ons een behouden vaart…..”

Misschien heeft Dacinus, zoon van Liffio, die woorden tijdens een stormnacht naar de donkere wolken, naar de stormwind en de woedende golven geroepen – staande aan het roer van zijn krakend schip.

“Ik beloof een altaar, een kostbaar altaar, maar laat mij de kust bereiken…..”

Aan de Godin Xehalennia heeft Marcus
Secundinius Silvanus. handelaar in aar-
dewerk. die op Brittannië handel drijft,
wegens de behouden overtocht van zijn
koopwaar, zijn gelofte ingelost. Gaarne
en met reden.

Silvanus had waarschijnlijk goede zaken gedaan. Of ook hij had op een woelige zee in zijn rats gezeten . . .

In het jaar 1647 zijn vele altaren van de cultusplaats Domburg aan de
voet van de duinen te voorschijn gekomen. Stille getuigen van de eerbied en het diep ontzag, waarmee de zeelieden en handelaren de natuurkrachten om zich heen hebben gevoeld. Stille getuigen ook, hoezeer de bewoners van de Lage Landen gewoonten en gebruiken van de Romeinen hebben overgenomen en eigen hebben gemaakt.

Hoog in het noorden blijven de Friezen nog het meest aan zichzelf gelijk. Zij tonen zich in staat hun nationale cultuur en tradities te verstevigen. Levend buiten de rijksgrens op hun terpen, wonen zij in hoeven, die de vorm hebben van de huidige Friese boerderij : vóór ligt het woongedeelte, daarachter de deel, die plaats biedt aan 50, soms 70 stuks vee. In cilinderachtige vormen bereiden zij hun kaas. Met hun honden gaan de mannen vol animo op jacht in de dichtstbijzijnde bossen op de zandgrond. Als de buit groot is, komen zij opgetogen thuis:
“Mijn lief. kijk eens? Voor jou!” Vol trots houdt een Friese jager, nog bezweet van de jacht, de tanden van buitgemaakte beren en zwijnen in zijn handen. En vol trots zal zijn jonge vrouw die tanden in een ketting, of als amulet, om haar hals gaan dragen.

Rond de dorpen op de terpen graast het vee in de kwelders. Dichte zwer­men muggen zullen dikwijls een plaag zijn geweest.

Als de mannen na het werk thuis komen eten, gebruiken zij hun dolken en keurige lepels, die zij uit de horens van hun vee hebben gesneden. Het voedsel en de drank komen in potten, borden, schalen en bekers, die zij zélf bakken, op tafel.

Zonder twijfel zijn er nauwe contacten geweest met Romeinse kooplieden. Heel wat Friese jongelingen zullen zich – op avontuur belust – als vrijwilligers bij de legioenen hebben gemeld. Maar overigens gaat het leven bij de Friezen vrij ongehinderd en in eigen stijl voort. Hoe anders is dat voor de stammen, die bij het Imperium werden ingelijfd:
De Bataaf Titus Flavius Romanus was een ritmeester (decurio) in het Romeinse leger. Hij diende onder meer in Beieren. Daar heeft hij zijn naam op een altaar laten beitelen – met de vermelding, dat hij Romeins burgerrecht bezat en af­komstig was uit Noviomagus, het centrum van het land der Bataven. ,,Salve, Tite . . .” Hoe zat je daar tussen de Romeinen in de officiers-mess? Had je af en toe heimwee? Was je getapt, of was je voor de soldaten een lastig kreng? Hoe vaak mocht je met betaald verlof naar huis, Titus, en wat bracht je dan uit het verre Beieren voor je familie mee?

In het verre Hongarije is een Germaanse vrouw begraven. In haar sarcofaag staat vermeld, dat zij de vrouw was van een geneesheer van het 1ste legioen en dat zij afkomstig was uit Forum Hadriani, in het woongebied der Cananefaten. Daaruit kan blijken, dat een nederzetting bij de riviermonden van Maas en Rijn, bij het bezoek van keizer Hadrianus, marktrecht had verkregen.

Zouden de kinderen van die geneesheer van het 1ste legioen óóit hun groot­ouders in het Germaanse land hebben gezien?

In wijde landstreken is de invloed van de Romeinen niet of nauwelijks merk­baar. Ten noorden en ten zuiden van het land der Bataven lagen uitgestrekte gebieden met donkere wouden en weinig toegankelijke moerassen, waar het leven van Germanen en Kelten primitief en onberoerd verder ging (zoals nu nog het geval is met bevolkingsgroepen in Afrika, Zuid-Amerika en Azië!).

De Romeinen hadden hier als eerste en voornaamste taak: de woeste Ger­maanse stammen, die het rijk omringden, buiten de grenzen te houden! Met dat hoofddoel voor ogen, bouwden zij hier hun vestingen (60 castella langs de Rijn) — het ver­moedelijke begin van steden als Nijmegen, Maastricht, Utrecht. Een fasci­nerende vesting is de geheimzinnige Brittenburg geweest, waarvan de resten voor Katwijk door de zee zijn overspoeld.

In het theater van Tongeren, hoofdstad van de civitas Tungrorum, wordt door een rondreizend toneelgezelschap Vrouwen van Troje opgevoerd. Het stuk is door de Griek Euripides geschreven en door de Romein Seneca bewerkt. Op het toneel staat Hecuba. Het machtige Troje is gevallen en zij spreekt vanaf de denkbeeldige ruïnes op het toneel:

Wie zijn vertrouwen stelt in koninklijke macht
En in een groot paleis regeert – op rijkdom trots!
Hij moge u aanschouwen, Troje; op mij werpen zijn blik.
Nooit heeft het lot zwaarder beproeving opgelegd,
Hoe broos is van de machtigen de trotse toeverlaat . . .

“Ja, in de grijze oudheid werd Troje verwoest, maar dat zal ons nimmer gebeu­ren !” zeggen de Tongri na afloop van het stuk. Welgedaan en tevreden kijken ze naar hun stad, die in de 2de eeuw volgens een groot opgezet plan uit steen werd opgetrokken. Omgeven door een dubbele gracht, door muren van 2 meter dik (omtrek 4500 meter!) met flinke torens versterkt en voorzien van stoere poorten op de weg van Keulen naar Bavay, lijkt Tongeren onaantast­baar. In de stad staan de kantoren van ambtenaren en magistraten, de gerief­lijke woningen van hoge officieren en rijke handelaren, de eenvoudiger huizen van bakkers, slagers, leerbewerkers of een edelsmid. Maar net als de gestadige druppel, die de hardste steen uitholt, zal ook de tand des tijds gaan knagen aan die trotse torens, die stoere poorten, die dikke muur.

..Tempus edax, homo edacior!” De tijd is een verwoester, maar de mens nog meer!

In het noorden groeien alleen Noviomagus en vermoedelijk het centrum der Cananefaten tot werkelijke steden uit. De Romeien bouwen hier hun vestin­gen, scheepswerven, huizen en tempels, bruggen en wegen. Maar het hoogste goed, dat zij in de wereld uitdragen – duurzaam tot op deze dag! – is niet van steen, noch uit hout vervaardigd:

Salvius Julianus, de grote jurist in Rome, schuift de papyrusrollen van zich af en leunt vermoeid achterover. Van keizer Hadrianus (117-138) heeft hij de grootste en meest omvangrijke opdracht gekregen, die ooit aan een jurist was verleend:

,,Ik wens een herziening van het Romeinse Recht, een Edictum Perpetuum – een Eeuwig Edict, dat als onveranderlijke grondslag voor het rechtswezen zal kun­nen gelden!” heeft Hadrianus gezegd.

Sinds oeroude tijden heeft de rechtspraak in Rome op de edicten van de pretoren berust. Nu moet Julianus die serie edicten herzien.

Iedere plaatselijke gemeenschap in het Romeinse Rijk had zijn eigen wet­ten en leefregels. Dat had heel wat moeilijkheden opgeleverd. Ieder beriep zich op de wetten van zijn eigen land. Er moesten nu wetten komen, die voor alle volkeren onder alle omstandigheden van kracht zouden zijn: zowel voor Germaanse veeboeren, Joodse vissers, Griekse filosofen, als voor Spaanse hande­laren of een primitief woestijnvolk. Moesten de menselijke natuur en de rede dan niet het uitgangspunt zijn ? Het belang van de staat, die vóór alles souverein was, moest daarbij op de voorgrond staan.

Salvius Julianus leunt achterover. Het formidabele werk nadert zijn vol­tooiing en de voldoening die hij begint te voelen is groot. ,,Breng me de Edicten uit de tijd, dat Iunius Silanus en Sillius Nerva consuls waren,” zegt Salvius Julianus tegen zijn Griekse slaaf. Dan buigt hij zich over zijn werktafel en verdiept zich opnieuw in de stukken die voor hem liggen: over huwelijk en misdaad, godslastering en erfrecht, over rechten én plichten van de mens in de gecompliceerder wordende wereld . . .

Diepgaande wijzigingen voltrekken zich, wanneer het Edictum Perpetuum eindelijk gereed komt. Langzaam beginnen zich onder keizer Hadrianus twee grote takken van dienst af te tekenen: de militaire en de juridisch-burgerlijke. Juristen worden allengs de belangrijkste mensen, die de keizer en hoge bestuur­ders als raadslieden bijstaan.

Wat een macht heeft de keizer van dat ontzagwekkende Romeinse rijk! Van Brittannië tot de Eufraat, van diep in Afrika tot de Krim kan hij zijn beslis­singen laten gelden. Voor zijn onderdanen is hij een soort god op aarde. Zijn voorspoed betekent bloei, zijn tegenspoed nood en rampen. Als de postzendingen uit Rome arriveren, bespreken de bewoners van Tongeren, Noviomagus of Forum Hadriani het nieuws en zeker ook het wel en wee van hun keizer: “Keizer Hadrianus heeft een ernstige kwaal en lijdt hevige pijnen!” “Hadrianus wil sterven, maar is er niet toe in staat!” “Hadrianus heeft om een zwaard en om vergif gevraagd, maar hij was te ver­zwakt om zijn einde te forceren. Hij heeft beloningen uitgeloofd aan ieder die hem doden wil. Geen enkele vrijwilliger meldde zich. Toen heeft hij een krijgsgevangene laten komen. Op zijn borst wees hij de plek aan, waar deze hem moest doorsteken. Maar de man vluchtte weg en de keizer huilde . . .”

Onder de voorbeeldige keizer Antoninus Pius (138-161) viert Rome haar 90e-jarig bestaan. Alom heerst vrede.

“Ze kunnen de muren van Rome nu wel afbreken,” zeggen de mensen, als een brief van de keizer al voldoende is om de koning der Parthen te bewegen van een oorlog af te zien. Maar in die jaren van rust en voorspoed lijkt het, of de cultuur tot stilstand is gekomen. Of er niet meer naar nieuwe wegen wordt gezocht. Men richt de blikken op het verleden – en niet langer vooruit.

Vulcacius kijkt zijn leerlingen aan. Dan zegt hij met nadruk: “Te allen tijde is de zorg voor monumenten, oprichting en instandhouding van musea een zeer gewichtige zaak. Het zou bedenkelijk worden, wanneer een nageslacht de erfenis der voorvaderen achteloos laat vervallen en te gronde laat gaan!”
Vulcacius heeft lang gesproken. Hij heeft als hoogste ideaal gesteld, erin slagen “de ouden” te evenaren. Nu verwacht hij bijval, maar die blijft uit.
Eén van zijn leerlingen staat op en waagt het zijn meester tegen te spreken: “Is het niet bedenkelijk, als de zorg voor de instandhouding van het oude, de ontwikkeling naar iets nieuws in de weg gaat staan?” Achter hem wordt gegrinnikt. „Iets nieuws?” Vulcacius kijkt hem ontzet aan. „Wéét, dat alles wat de moeite waard is, reeds gedacht, gezegd, gedicht is. Alles wat belangrijk en waardevol is, heeft het voorgeslacht reeds geleverd!”
De geleerde Vulcacius beseft niet, dat een wereld die zich niet vernieuwt, tot ondergang is gedoemd!

De Grieks-Romeinse cultuur is oud en verzadigd en begint originaliteit en geestkracht te missen. Er is heftig verzet tegen nieuwlichters. Af en toe komen verontruste, opgehitste massa’s tegen de christenen in beweging. Willen die volgelingen van Jezus met hun wonderlijke theorieën over liefde, barmhartig­heid en geweldloosheid de bestaande maatschappij omver werpen? Dat nooit! ,,Grijpt ze! Grijpt ze! Ze willen niet de keizer, maar alleen hun eigen God eer bewijzen. Grijp dat tuig, dat zo anders denkt dan wij!”

Hoewel de Romeinse autoriteiten zich verdraagzaam tonen en weinig geneigd zijn tot vervolgingen over te gaan, moeten zij aanklachten toch in be­handeling nemen. Zo komt de oude bisschop Polycarpus van Smyrna voor de stadhouder in Azië. De stadhouder smeekt hem haast: ,,Brand toch enkele wierookkorrels voor het beeld van de keizer!” De oude bisschop blijft standvastig: ,,Tachtig jaar heb ik mijn Heer gediend,” zegt hij. ,,Zou ik Hem nu verlooche­nen?” Dapper gaat hij zijn dood tegemoet.

Ondanks die vervolgingen – of juist daardoor – breidt het geloof der chris­tenen zich gestadig uit. De Evangeliën komen op schrift. De Zendbrieven der Apostelen worden vermenigvuldigd en gebundeld. Ontwikkelde en geletterde mannen treden tot de beweging toe. Er begint een organisatie te ontstaan. De kleine, wankelijke christelijke gemeenschappen groeien uit tot episcopaten met bisschoppen aan het hoofd. Via de steden en nederzettingen langs de Rijn en Moezel verbreidt het nieuwe geloof zich geleidelijk naar het noorden. „Christus overwinnaar! Onze God is een enig God. Hij eist geen bloedoffers, broeder Claucus. Hij is een God van liefde, zuster Julia . . .”

Behoedzaam dragen de eerste christenen hun boodschap uit. Haast pro­vocerend plaatsen zij het teken van de vis, het symbool van hun geloof, op wanden en muren:„God is de liefde!”

Omstreeks het jaar 250 verrijst in Reims de eerste christelijke kerk. De eerste bisschop die Germanië tot arbeidsveld krijgt, vestigt zich in diezelfde tijd in Trier – bijgestaan door een bisschop die iets later in Keulen verschijnt: „Al ware het, dat ik met de tongen der mensen en der engelen sprak, maar de liefde niet had, ik ware een schallend koper of een rinkelend cimbaal. Al ware het dat ik profetische gaven had, en alle geheimnissen en alles wat er te weten was, wist en al het geloof had, zodat ik bergen kon verzetten, maar had de liefde niet, ik ware niets …”

Die woorden van Paulus dringen in de Germaanse provincies door.
Te­midden van tientallen goden, bloedige offers, angst voor demonen, toeslaande heksen en een ontstellend bijgeloof, dragen de eerste zendelingen hun overtui­ging uit. Iedere vorm van organisatie, die buiten de staatsdienst valt, is streng verboden. Slechts begrafenisverenigingen vormen daarop een uitzondering.

„Broeders en zusters, alleen door geloof in Christus is hier op aarde heil te ver­wachten. Alleen door Zijn geboden te volgen en Hem lief te hebben, zoals Hij de mensen liefheeft …” Zo spreken de voorgangers.

„Het leven kan niet rusten op uiterlijke macht en rijkdom. Slechts de daden van innerlijk gevoelde liefde voor de naasten kunnen tellen . . .

Een nieuw geloof! De voorgangers preken, sluipen weg door de nacht, worden vervolgd en maken hun bekeerlingen.

St. Servatius komt in de 4de eeuw als eerste bisschop in de Lage Landen, naar Tongeren en begint daar zijn moeilijke werk:

„God Christus, Alvader, aanvaardt dit offer!” Het ligt haast voor de hand dat de bekeerde Tongri hun ossen en lammeren slachten om de god Christus gunstig voor zich te stemmen . . .

De eerste bisschoppen richten hun aandacht vooral op de steden. In het Rijn­land (Xanten, Keulen, Mainz, Trier) winnen zij een stevige aanhang. Maar de noordelijke Nederlanden met hun uitgestrekte landbouwgebieden bereiken zij nog niet. Bekeerlingen worden daar vrijwel niet gemaakt. Dat zal nog vele eeu­wen duren, want juist in die jaren begint het machtige rijk van Rome in al haar voegen te kraken.

Mede door het christendom gloeit onder de oppervlakte van het uiterlijk zo vredige, eensgezinde rijk een steeds feller wordende strijd: een oude cultuur tracht zich te handhaven tegen een nieuw geloof. Toch zijn het niet de christenen die het Imperium ondermijnen. De donkere, barbaarse wereld, die de Romei­nen aanvankelijk zonder veel moeite achter Donau en Rijn hebben gehouden, steekt nu dreigend de kop op: loerend naar de rijke, welvarende gewesten der Romeinen én . . . belust op buit.

De avondzon van de antieke wereld neemt bloedend afscheid van het westen, als die barbaarse wereld met geweld in beweging komt . . .

.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld6e klas geschiedenis

.
756-692

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (7-2)


 .

Opkomst en verval van de adel
.

De macht van het zwaard

De adel dankte zijn bestaan voor­namelijk aan het ontbreken van een sterk gezag in de middeleeuwen. Vorstenhuizen als de Merovingers, de Karolingers, de Capetingers, de Ottonen en de Hohenstaufen wisselden elkaar af. Zelfs een genie als keizer Karel de Grote wist West-Europa maar voor korte tijd tot eenheid te brengen. Onder zijn zwakke opvolgers viel het rijk uiteen in talrijke staten en staatjes. Oorlogen werden met een grote regelmaat gevoerd. Strubbelin­gen waren aan de orde van de dag. Invallen van barbaren kon men steeds weer verwachten. De enige macht die gold, was de macht van het zwaard. En die macht lag bij de adel.

Een besloten groep

De adel is ontstaan uit de militaire stand. De edellieden waren de
be­roepsmilitairen van de middel­eeuwen. Een vrij man die een paard bezat en er in naam van de koning geducht op los hakte, werd al spoedig tot ridder geslagen. Soms ontving hij als beloning voor zijn moedig gedrag een stuk grond. Zo kreeg de adel niet alleen de militaire macht, maar ook de macht van het grootgrondbezit. De adel ontwikkelde zich tot een besloten groep. Edelman werd men door geboorte. Het werd zelfs als een zonde beschouwd, als een gewone burger ernaar streefde edelman te worden. ‘Het zou tot een gruwelijke verwildering van de zeden leiden als de hogere standen vernederd werden tot de lagere en deze opstegen tot de hogere. God heeft zijn volk op aarde in verschillende standen ingedeeld,’ verzekerde Hildegard van Bingen, een vrome abdis die in de middel­eeuwen zeer veel aanhangers telde. Zij was van mening dat eerst het lichaam van een mens werd ge­schapen en daarna pas de ziel. En voor die ziel zocht God de ouders uit die daarbij het beste pasten. Zo kwam een edele ziel altijd terecht in een edelman en een veel lagere ziel moest zich tevredenstellen met een boer. Wie met deze schikking van God niet tevreden was, maakte zich schuldig aan een verschrikkelijke zonde. In dit licht gezien is het begrijpelijk dat de vrome abdis haar eigen klooster vulde met uitsluitend hooggeboren jonkvrouwen…

Internationale broederschap

De broederschap van de edellieden strekte zich uit over alle landen. Dat had in tijden van oorlog soms merkwaardige gevolgen. De overwinnaars spaarden vaak hun adellijke tegenstanders, maar het gewone volk werd zonder mededogen tot de laatste man uitgemoord. Zoiets vonden de edellieden heel gewoon. Toen in 1346 de slag bij Crécy was uitgevochten nodigden de Engelse edellieden die als overwinnaars uit de strijd voorschijn waren gekomen, de gevangen genomen Franse edellieden uit om gezamenlijk te feesten en te drinken!
Een edelknaap werd op 7-jarige leeftijd page en op 14-jarige leeftijd schildknaap. Als hij 21 was geworden kon hij tot ridder worden geslagen. Maar in de latere middeleeuwen gebeurde het vaak, dat een schildknaap niet veel voelde voor het ridderschap. Velen wijdden zich liever aan de wetenschap of de kunst, zoals die in de kloosters werd bedreven. In zo’n geval werd de ridderslag achterwege gelaten en bleef hij zijn leven lang schildknaap. In Engeland kwam dat zó vaak voor, dat de Engelse betiteling voor schildknaap ‘esquire’ aan elke vrije burger werd gegeven.

Edelman en zakenman

De edelen leefden, materieel gezien, altijd boven hun stand. Hun kastelen kostten handenvol geld en vechten was een dure bezigheid. De edelen persten hun horigen zo veel mogelijk uit. Maar misoogsten kwamen vaak voor en van een kikker kon zelfs een edelman geen veren plukken.
Vaak trok de ridder ten strijde en dan moest hij het bestuur van zijn gebied overlaten aan een rentmeester, een zogenaamde meier. Vele meiers zagen dan hun kans schoon om hun eigen zakken te spekken.
Het belangrijkste bezit van de adel was grond. De waarde daarvan werd minder, toen de steden opkwamen. Geld werd toen steeds belangrijker. De adel leed voortdurend geldgebrek. Dat bracht de ridders ertoe, veldslagen als een zakelijk bedrijf te beschouwen. Waren er veel ridders gevangen te nemen die een hoog losgeld zouden opbrengen, dan was het de moeite waard om zich flink in te spannen…

Ideaal en werkelijkheid

Ridders hadden hun eigen erecode. Wie daartegen zondigde, werd
barbaars gestraft. Een ridder die een paar koeien van een weduwe had gestolen, werd levend gekookt. Ridders die een koopman plunderden, werden ter plaatse opgehangen. Schenders van jonkvrouwen werden met een houten zaag het hoofd afgezaagd.
In oorlogstijd golden andere wetten. Dan waren de ridders die een dorp hadden veroverd en alleen de mannen vermoordden, al zeer barmhartig. De ridder had een hooggestemd ideaal. Maar hij kwam er zelden toe iets van dat ideaal te verwezenlijken. De werkelijkheid trad steeds als een storende factor op. Er zal zelden een tijd zijn geweest waarin ideaal en werkelijkheid zo ver uit elkaar lagen als in de middeleeuwen.

Nieuwe wapens

De macht van de adel berustte op het zwaard. Daarom begon de adel in verval te geraken, toen andere strijdmethoden dan het gevecht van man tegen man hun intrede deden. De kruisboog, het wapen van het gewone voetvolk, werd groter en sterker. De kruisboog werd zo zwaar, dat hij moeilijk meer met met de hand was te spannen. Daar moest een man ‘op gaan liggen’. De pijlen van zo’n zware kruisboog konden dan ook op 200 m afstand een plank van 2 ½ cm doorboren.
De maliënkolders van de ridders waren niet be­stand tegen deze pijlen. Maar het voetvolk schoot bij voorkeur op de paarden van de ridders. Als een paard door een pijl werd getroffen, begon het dier wild te steigeren en wierp zijn ruiter af. Op de grond was  een geharnaste ridder een verloren man. Hij kon in zijn zware, ijzeren harnas nauwelijks een stap verzetten. Zwitsers, die vaak als huurlingen meevochten met de vorst die het meest betaalde, kwamen met een nieuw wapen: de hellebaard. Een hellebaard was ongeveer vier meter lang en had aan het uiteinde een bijl met een haak. Met de haak trokken de Zwitsers de ridders van hun paarden en daarna hakten ze er met de bijl op los. De Zwitsers maakten ook pieken van ongeveer zes meter lengte. Als ze in een rij stonden opgesteld met hun scherpe pieken vooruit, dan bedacht een ridder zich wel even voordat hij daarop los­stormde.

6e klas adel 1

Het buskruit

De uitvinding van het buskruit maakte ten slotte de edellieden helemaal tot hulpeloze ridders. De Chinezen had­den het buskruit uitgevonden en de Mongolen brachten het explosieve kruit bij hun veroveringstochten naar het Westen. Maar het heeft lang geduurd voordat de Europeanen het doeltreffend konden gebruiken. De monnik Barthold Schwarz moest het buskruit (omstreeks 1325) nog eens opnieuw uitvinden.

De eerste schietwapens waren zeker schrikaanjagend, maar doelen wer­den er zelden mee getroffen. Ze waren eerder gevaarlijker voor de schutters dan voor de vijand, want de ‘kanonnen’ sprongen op de meest ongelegen momenten uit elkaar. Om­streeks 1400 was de techniek zover gevorderd, dat men grote kanonnen kon bouwen. Ook van de uitwerking van die kanonnen moet men zich geen al te overdreven voorstelling maken. Ze konden hoogstens zeven schoten per dag afvuren, want alleen al voor het laden had men twee uur nodig…

Tijdens het beleg van een stad of een kasteel had het kanon wel degelijk een belangrijke uitwerking. De muren konden stukgeschoten worden, zonder dat de belegeraars dicht in de buurt van die muren hoefden te komen.
Het handgeweer heeft ook lange tijd nodig gehad voordat het uiteindelijk bruikbaar was. Maar ten slotte kwam het toch zover dat het voetvolk de ridders zonder al te grote moeite kon verslaan. De militaire taak van de ridders werd in Europa overgenomen door de huurlegers, die zich aan de meest biedende vorst verhuurden.

Een noot zonder pit

Het verval van de adel werd bespoedigd door de opkomst van de steden. De stedelingen betaalden de boeren graag goed voor hun producten. Maar de boeren waren horigen, die de opbrengst van het land dat ze bewerkten moesten afstaan aan hun heer. Ze mochten alleen het deel behouden, dat ze nodig hadden voor eigen gebruik.

Als een horige echter naar een stad vluchtte en na een jaar en een dag niet door zijn heer was opgeëist, dan was hij vrij. Het feit dat ‘stadslucht vrijmaakte’, werd nogal eens benut. De steden hielden van orde en rust. Als de edelen in de buurt het een stad lastig maakten, werd vaak steun gezocht bij de vorst. Die zag meestal graag dat de lastige adel wat minder machtig werd. De samenwerking tussen de vorst en de steden werd een belangrijke oorzaak van de achteruitgang van de adel. Frankrijk en Engeland werden goed georganiseerde koninkrijken. Tradities ver­dwenen en werden vervangen door moderne wetgeving De taak van de adel was voorbij. Het ridder-ideaal had geen inhoud meer. Wat er van ovcrbleef was een naam, niet meer. Iemand schreef omstreeks 1450: ‘Een noot zonder pit en een ei zonder dooier.’

Voor 400.000 francs aan ridders…

Froissart,  een Franse middeleeuwse kroniekschrijver, wist over de zakelijke kant van het ridderschap sterke staaltjes te vertellen. In een veldslag tussen 1.800 Engelse en Franse ridders waren na een hele dag vechten slechts drie ridders gesneuveld. Maar er waren al wel 140 gevangenen gemaakt. En dat gebeurde niet omdat ze elkaar om de vreze Gods’ spaarden, zoals een tijdgenoot meende! Froissart verhaalde ook dat eens door een misverstand de Engelsen al hun Franse gevangenen ombrachten. ‘Zie wat een kwaad avontuur die dag,’ schreef Froissart, ‘ze sloegen wel voor 400.000 francs aan Franse ridders dood…’

Leenheren en leenmannen

Strijders te paard

In de maand oktober van het jaar 732 rukte een grote Arabische
strijd­macht Frankrijk binnen. Eerder had­den ze al Spanje en Portugal ver­overd. Het bedreigde Frankrijk werd in die dagen geregeerd door Karel Martel. Een kleinzoon van Karel Martel zou later de beroemde Karel de Grote worden. Karel Martel trok met zijn leger de Arabieren tegemoet. Hij wilde niet alleen het Franse grondgebied bevrijden van de indrin­gers, maar ook het christendom be­schermen. Frankrijk was juist tot het christendom bekeerd en de Arabieren probeerden overal waar ze kwamen hun mohammedaanse godsdienst, de islam, ingang te doen vinden. De legers ontmoetten elkaar in de buurt van Poitiers. Toen Karel Mar­tel de Arabische strijdmacht zag, schrok hij hevig. Alle Arabische strijders zaten te paard, terwijl Karel Martel maar over een kleine ruiterij beschikte. Zijn leger bestond voor­namelijk uit voetvolk. Bovendien bleken de Arabieren een uitvinding te hebben gedaan, die het vechten te paard aanzienlijk gemakkelijker maakte. Ze hadden de beschikking over stijgbeugels!
Met de moed der wanhoop stelde Karel Martel zich te weer. Zijn leger vormde een muur, die ondanks alle stormlopen van de Arabieren
on­neembaar bleek te zijn. Na zware gevechten, die zeven dagen duurden, kwam hij uiteindelijk als overwin­naar uit de strijd te voorschijn. Maar hij had zijn les geleerd! Hij gaf opdracht voortaan te zorgen voor paarden, voorzien van stijgbeugels.

Grond voor geld

Het aanschaffen van paarden, har­nassen en stijgbeugels kostte geld. Maar over geld beschikte men in de middeleeuwen nauwelijks. Men leef­de van de landbouw. Rijkdom werd uitgedrukt in de hoeveelheid land die men bezat. De opbrengst van het land was het ruilmiddel dat als betaling diende.
Karel Martel gaf grote grondge­bieden – ontnomen aan de kerk – in leen voor de kostbare militaire bij­stand die hij van de edellieden vroeg. De opbrengst van de grond mochten ze houden, maar de grond werd niet hun eigendom. Zo ontstond de ver­houding tussen leenheer en leenman.

De middeleeuwse piramide

De middeleeuwse samenleving was opgebouwd als een piramide. Aan de top van de piramide stond de keizer of de koning als de grote leenheer. Onder deze grote leenheer stonden enkele zeer machtige leenmannen, die op hun beurt weer land in leen gaven aan achter-leenmannen. Maar ook deze achter-leenmannen gaven weer grond in leen. De piramide verbreed­de zich steeds verder. De voet van de piramide werd ten slotte gevormd door leenmannen die te arm waren om zelf als leenheer voor andere leenmannen op te treden. Deze opbouw van de middeleeuwse maatschappij wordt het ‘feodale stel­sel’ genoemd. Elk stukje grond, hoe klein ook, had zijn eigen heer. Helaas was die duidelijke opbouw in de praktijk niet zo doorzichtig.

Verwarrende toestanden

Het kwam niet zelden voor dat een en dezelfde leenman van verschillen­de leenheren stukken grond in leen kreeg. Zo hadden de graven van Champagne in Frankrijk maar liefst negen verschillende leenheren. En een graaf in Beieren had zelfs twintig verschillende leenheren. In de prak­tijk leidde dat vanzelfsprekend tot grote moeilijkheden. Een leenman met veel leenheren kon nooit aan al zijn verplichtingen voldoen. Het kwam er dan meestal op neer dat hij één van zijn leenheren beschouwde als opperleenheer. Met zijn verplich­tingen ten opzichte van de overige leenheren nam hij het dan niet al te nauw.
Soms kwam het voor dat een leen­man meer macht bezat dan een leenheer. Dat was bijvoorbeeld het geval met de hertogen van
Normandië. Die waren veel machtiger dan hun leenheren, de koningen van Frankrijk.
Ook in Engeland kende men deze situatie.
De Engelse leenmannen wisten in 1215 hun koning Jan zonder Land een overeenkomst af te dwingen, de ‘Magna Charta’, waarin de
weder­zijdse rechten en plichten nauwkeurig werden omschreven. Sommige leenmannen trachtten hun macht uit te breiden door eenvoudig het gebied van een naburige leenman te veroveren. Talloze kleine oorlogen waren daarvan het gevolg, evenals voortdurende stormlopen op elkaars kastelen.

Een vrijwillige overeenkomst

De verhouding tussen leenheer en leenman is niet te vergelijken met de verhouding tussen meester en knecht. Het was een vrijwillige overeenkomst, aangegaan tussen twee vrije mensen, gesloten ‘te goeder trouw’.
De gedachte die daaraan ten grondslag lag, was al heel oud. Germanen als de Galliërs kenden reeds vóór de middeleeuwen machtige lieden, die een aantal volgelingen om zich heen verzamelden. Die volgelingen werden door hun leider beschermd, terwijl zij op beurt hun leider bij stonden. Bij de Galliërs heette zo’n machtige man ‘senior’, wat ‘de oudere’ betekent. Dat woord ‘senior’ is blijven bestaan als seigneur, sieur of sir.
Een volgeling van een senior heette een ‘vasallus’.Deze naam werd in het middeleeuwse leenstelsel vervormd tot ‘vazal’.

Bescherming en bijstand

Het sluiten van de overeenkomst tussen een leenheer en zijn leenman was een plechtige gebeurtenis. De vazal knielde voor zijn leenheer neer en hief zijn gevouwen handen omhoog. De leenheer omvatte die handen als teken van bescherming en kuste de vazal op de mond als bezegeling van hun overeenkomst. Daarna kreeg de nieuwe vazal symbolisch een geschenk. Vaak was dit een staf, maar het kon ook een kluit aarde zijn, als symbool van de grond die hij in leen kreeg. In de leenovereenkomst beloofde de leenheer zijn vazal met al zijn bezittingen te beschermen. Aan de andere kant beloofde de leenman zijn heer raad bijstand te geven.

Militaire hulp

Die bijstand betekende in de eerste plaats militaire hulp. De leenman moest voor een bepaald aantal soldaten zorgen, als zijn heer in oorlog raakte. Die soldaten moesten op kosten van de leenman met een volledige militaire uitrusting worden geleverd. Een niet geringe verplichting, vooral als de leenman een leenheer trof die nogal oorlogszuchtig was. Om ervoor te zorgen dat de vazal zich niet verplichtte tot iets wat hij toch nooit zou kunnen nakomen, werd in de leenovereenkomst de militaire hulp meestal beperkt tot een aantal dagen per jaar. Vaak kon de leenheer zijn vazal niet langer dan veertig dagen per jaar tot militaire hulp verplichten.

Gratis logeren

Maar behalve tot militaire hulp was de leenman ook tot andere bijstand verplicht. Zo kon de leenheer met zijn hele gezin op het landgoed van zijn vazal neerstrijken en daar gratis kost en inwoning genieten. Ook dit voorrecht was gebonden aan een maximum aantal dagen, om misbruik tegen te gaan. Soms moest de leen­man zijn leenheer met goederen en geld steunen, als de leenheer grote uitgaven moest doen. Dat kwam nog­al eens voor als de leenheer een feest ging vieren. De bruiloft van zijn zoon of dochter was bijvoorbeeld een goede aanleiding tot zo’n feest, dat vaak wekenlang duurde.
Al te inhalige leenheren werden wel eens door hun vazallen ter
verant­woording geroepen. Een historisch voorbeeld daarvan is de opstand van de Engelse edelen tegen hun leenheer koning Jan Zonder Land.

Een kroning uitgesteld

Jagen was de voornaamste sport van de edellieden in de middeleeuwen. Vooral de valkenjacht was zeer ge­liefd. Het jagen met roofvogels was reeds lang voor de middeleeuwen bekend. De oude Chinezen hadden deze vorm van jagen reeds beoefend, evenals de Romeinen. Omstreeks 500 begon de valkenjacht onder de edelen in Duitsland een geliefde sport te worden. Deze sport werd zo’n rage, dat op zekere dag zelfs de kroning van een keizer moest worden uitge­steld, omdat de man toevallig op valkenjacht was. Voor een dergelijke gebeurtenis wenste hij niet voortijdig van de valkenjacht terug te keren… Van 1218 tot 1250 werd het Heilige Roomse Rijk (Duitsland en Italië) geregeerd door de beroemde keizer Frederik II. Deze keizer was behalve een geniaal diplomaat ook dichter en geleerde. Tot de belangrijkste werken die hij schreef, behoort een stan­daardwerk over de kunst van het jagen met valken!

De valk werd een loer gedraaid

De slechtvalk, de soort valk die het meest voor de jacht werd gebruikt, was ongeveer 45 centimeter groot. Hij was een zeer felle jager. Als hij een prooi zag, steeg hij eerst tot grote hoogte op, om zich daarna loodrecht op zijn prooi te laten neervallen. Het africhten van valken voor de jacht was een langdurig werk, waar veel geduld voor nodig was. Eerst moest men de vogel leren zitten. Daarna werd binnen in het valken­huis verder met hem geoefend, met dode vogels als prooi. Bij de oefenin­gen buiten werd de valk aan een lang koord gebonden. Keerde de valk na het veroveren van een prooi vanzelf weer op de hand van zijn meester of meesteres terug, dan was hij klaar voor de jacht. Het africhten van een valk voor de jacht zou heden ter dage een klein fortuin kosten…
Voor de jacht werd de valk een leren kapje over het hoofd getrokken, vaak voorzien van een pluim. Hij was dan opgetuigd. Had hij een vogel gevangen, dan werd voor hem ‘de loer gedraaid’. De loer was een leren kussentje met een stuk vlees er op, dat aan een lange riem werd rondge­draaid. Dat maakte een heel typisch geluid. De valk was zo afgericht, dat hij bij het draaien van de loer terug­kwam naar zijn meester. Behalve met slechtvalken werd ook wel gejaagd met boomvalken, havi­ken en zeearenden.

Jagen met de katapult

De valkenjacht was alleen weggelegd voor edelen. Zo’n jacht ging altijd gepaard met grote feesten. De ge­wone man mocht eigenlijk niet jagen. Het jachtrecht was voorbehouden aan de edelen. Alleen de koning kon het jachtrecht verlenen. Maar dat er werd gestroopt, staat wel vast. Zo’n stro­per gebruikte dan pijl en boog om mee te jagen. Die pijlen schoot hij af met een katapult of met een kruis­boog. Vooral de katapult was een krachtig wapen. Het had een reik­wijdte van zo’n 550 meter. Later werd het gebruik van de katapult en de kruisboog voor de jacht door de kerk verboden. De driehoekige of vierhoekige pijlen ver­oorzaakten verschrikkelijke wonden. Maar dit verbod van de kerk haalde maar weinig uit. De katapult bleef een geliefd wapen, zelfs toen er na 1400 vuurwapens in gebruik kwa­men. De eerste geweren, de haakbus­sen, legden het zowel in trefzekerheid als in reikwijdte af tegen de ouder­wetse katapult.

Burchten en kastelen

Niet hoger dan ’n ruiter kon kijken

Aanvankelijk woonde de leenman in een boerenhoeve op zijn leengoed. Het leven was daar niet altijd even rustig. Rondtrekkende roofridders, gewone dieven of ander gespuis kwamen nogal eens een ongewenst bezoek afleggen. Om zich daartegen te beschermen, ging de leenman zijn hoeve versterken. Hij mocht dat niet doen zonder toestemming van zijn leenheer.
Die leenheer voelde meestal weinig voor onneembare behuizingen in zijn gebied. Meestal kreeg de leenman alleen maar toestemming om zijn hoeve met een gracht te omringen en er een palissade omheen aan te brengen. Zo’n palissade bestond uit dicht naast elkaar geplaatste houten palen, die van boven gepunt waren. De leenheer wilde liever niet dat die palissade te hoog werd opgetrokken. Een ruiter te paard moest erover heen kunnen kijken!
Pas in de jaren na 1200 kreeg de leenman het recht de bescherming te bouwen die hijzelf noodzakelijk achtte.

‘Het huis’
Toen de leenman eenmaal het recht had gekregen zijn woning naar eigen inzicht te beschermen, maakte hij daar een goed gebruik van. Overal in Europa werden in groten getale kas­telen gebouwd.
Het woord ‘kasteel’ is afgeleid van het Latijnse woord ‘castrum’ of
‘castellum’. Een castrum was een ver­sterkt, vierkant Romeins soldaten-kamp.
In het Nederlands wordt behalve van kasteel ook van ‘slot’ of ‘burcht’ of ‘borch’ gesproken. In dat laatste woord zit iets van ‘geborgen’, in de betekenis van ‘beschermd’.
Het verschil tussen al deze benamingen is moeilijk aan te duiden. In de middeleeuwen zelf werden ze zelden of nooit gebruikt. De
middeleeuwer sprak eenvoudig van ‘het huis’.

Woontorens

De leenman, die eindelijk zo vrij was dat hij mocht bouwen wat hij wilde, wenste al gauw niet meer op een hoeve te wonen. Hij bouwde voor zichzelf en zijn gezin een torenachtig gebouw. Dat gebouw diende als opslagplaats voor zijn voorraden, als zijn woning en als zijn versterkte burcht. In het onderste gedeelte bewaarde hij zijn levensmiddelen en zijn krijgsuitrusting. Vaak had hij ook een cel ingericht voor gevangen genomen dieven. Dat onderste gedeelte had alleen maar een deur en een trap naar boven. Die onderste verdieping was alleen maar bereikbaar via de verdieping erboven Daar had de edelman zijn woonvertrekken ingericht. Boven de woonvertrekken lagen de slaapzalen, onder een plat dak. Vanaf dat platte dak kon, vanachter de borstwering met kantelen, het torenhuis worden verdedigd.
Aanvankelijk werden deze woontorens van hout gebouwd. Hout was in de uitgestrekte bossen voldoende voorhanden en de bouw was niet moeilijk. Wanneer de edelman over voldoende werklieden beschikte, was zo’n woontoren in drie weken gebouwd. Later zou men de woontorens van stukken natuursteen of gebakken stenen gaan bouwen.

De eerste kastelen

De stenen woontorens ontwikkelden zich al spoedig tot wat we zouden kunnen beschouwen als de ‘voorlopers’ van de echte kastelen. Men begon met het graven van een slotgracht. Van de grond die daarbij vrij kwam maakte men een heuvel binnen de gracht. Langs de gracht, aan de binnenkant, plaatste men een palissade. Achter die palissade werden de dienstgebouwen en de stallen opgetrokken. Op het hoogste punt van de heuvel werd de woontoren gebouwd.
Een afbeelding van een dergelijk kasteel komt voor op het beroemde wandtapijt van Bayeux, dat de tocht van Willem de Veroveraar naar Engeland in 1066 weergeeft.
Een nadeel van zo’n bouwwerk was, dat het vanaf de hoogte moest worden verdedigd. De verdedigers konden vaak niet zien wat er vlak beneden hen gebeurde. Maar al te vaak werd de muur van een woontoren onder­graven, zonder dat de verdedigers dat tijdig bemerkten!
Men trachtte later de verdediging van een dergelijk kasteel gemakkelijker te maken, door ook om de woontoren nog een gracht te graven. Maar helemaal afdoende was dat toch niet. Er waren vaak goede zwemmers en duikers onder de belegeraars!

6e klas adel 2

Verschillende ringen van onneembaar hoge muren, voorzien van kantelen, omgeven de machtige burcht van Carcassonne (Fr). Binnen de muren van dit kasteel leefden zoveel verschillende ambachtslieden en knechten met hun gezin, dat het eigenlijk een volledig ommuurd dorp was, geheel het eigendom van de trotse kasteelheer.

Vierkante kastelen

Om het probleem van de verdediging van de ‘woontoren’ op te lossen, begon men eerst nieuwe kleine torens te bouwen, vanwaar uit men de muur van de hoofdtoren kon zien. Daarna werden die torens met de muren verbonden. En zo kwam men uitein­delijk tot een vierkant kasteel met ronde torens op de hoeken. Bij die ontwikkeling hebben de kruis­ridders een belangrijke rol gespeeld. Die zagen in het Heilige Land vele rechthoekige kastelen en dat bracht hen op het idee die manier van bouwen ook in eigen land toe te passen. Soms werd één van de torens op de vier hoeken van het kasteel zwaarder gebouwd. Die toren gold dan als het verdedigingswerk dat tot het laatst toe werd behouden. Die belangrijke toren heette ‘donjon’.

Kastelen veranderden in woningen

Met de komst van de vuurwapens rond 1400 kregen de kasteelheren het bijzonder moeilijk. De muren van de meeste kastelen waren niet bestand tegen het geweld van kanonskogels. Hoewel de muren vaak twee of drie stenen dik waren, was het metselwerk meestal van niet al te beste kwaliteit. Een paar kogels konden soms al grote bressen in de muren slaan. Sommige kasteelheren probeerden hun kastelen te beschermen tegen het opkomend vuurgeweld, door de mu­ren te versterken met wallen van aarde. Maar het was onbegonnen werk. Met het kasteel als versterkte woning was het afgelopen. De adel die nog op de kastelen bleef wonen, paste zijn bewoning aan en zocht vooral naar meer behaaglijk­heid. Zo werd vaak de zuidelijke muur afgebroken om een zonniger  binnenplaats te krijgen. Van dergelijke kastelen waren die aan de Franse rivier de Loire goede voorbeelden.
In het Loiregebied werden vele kastelen gebouwd die zelfs nooit bedoeld waren om ooit als verdedigingswerk te dienen. Het waren van het begin af aan uitsluitend luxe woningen voor rijke edellieden.

Een onaangename hark

Hoe zag zo’n middeleeuws kasteel, toen het nog op de verdediging was ingesteld, er van binnen uit? Er was meestal maar een mogelijkheid om binnen te komen, over een smalle ophaalbrug. Achter die brug lag de poort, voorzien van zware eikenhouten deuren ­met een luikje dat beschermd was door ijzeren tralies. Die enige toegangsweg tot het kasteel was ook het meest kwetsbare deel van het kasteel. Daarom werden aan beide kanten van de toegangspoort torens gebouwd. Die torens waren door muren verbonden met een hoge­re toren daarachter. In die laatste toren was een valhek aangebracht. Dat was een hek met ijzeren staven, die van onderen puntig waren. Was een aanvaller al zover gekomen dat hij zich onder dat hek bevond, dan wachtte hem een onaangename ver­rassing. Het hek werd dan vliegens­vlug neergelaten. Als het valhek vóór de aanvaller viel, had hij meer geluk dan wanneer het iets later naar bene­den kwam. Het hek, verzwaard met dikke houten balken, werd ook wel kenmerkend ‘hark’ genoemd.

Brandend pek

De hark was overigens niet de enige verrassing die onwelkome gasten te wachten stond. De muren die de achterste toren met de beide kleine torens naast de brug verbonden, waren rijkelijk voorzien van kante­len. In de kantelen zaten spleten, waardoorheen pijlen en later kogels konden worden afgeschoten. Tussen de kantelen waren openingen, die in het Nederlands ‘mezekouw’ heetten. Ze werden door de verdedigers ge­bruikt om allerlei onplezierige zaken als huisvuil, brandend pek en koken­de olie over de binnendringers uit te storten. Achter de kantelen was de muur verbreed om er gemakkelijk te kunnen lopen. Dat was de ‘weer­gang’.

De levensbron

De torens bij de brug, de muren naar de grote toren met het valhek en die toren zelf noemde men gezamenlijk het voorwerk van het kasteel. Dat voorwerk diende om de zwakste plaats van het kasteel extra bescherming te geven. Achter het voorwerk lag de binnenplaats met de levens­bron van het kasteel: de waterput. Was de waterput eenmaal in handen van de vijand, dan was het bijzonder moeilijk de verdediging van het kas­teel nog lang vol te houden. Op den duur was het gebrek aan water slopender dan het gebrek aan voedsel! In veel kastelen groeide boven de waterput een lindeboom, om het water in de zomer zo koel mogelijk te houden.

De levendige binnenplaats

Aan de binnenplaats lagen de stallen, de schuren, de koetshuizen en de werkplaatsen voor de ambachtslie­den. Ook de verblijfplaatsen voor de bedienden lagen daar. Vaak groeiden er vruchtbomen en was er een krui­dentuin aangelegd. Die kruiden dien­den niet alleen om het eten wat smakelijker te maken, maar ze waren ook voor de geneeskunde van groot belang.
Het kon op zo’n binnenplaats van een kasteel een lawaai van jewelste zijn. Eigenlijk speelde zich daar het leven af, zoals dat zich ook in de dor­pen afspeelde.
Timmerlieden maakten meubels of vaten. Smeden besloegen de hoeven van de paarden en smeedden zwaar­den of andere wapens voor de
kas­teelheer en zijn ridders. Boeren ver­zorgden het vee. Schildknapen brach­ten hun tijd door met het africhten van valken. Het was één en al leven en drukte op zo’n binnenplaats.

Strenge straffen

De geluiden van al deze bedrijvig­heden zullen zo nu en dan wel eens onderbroken zijn door het kermen van gevangenen, die opgesloten zaten in de kelder van de hoofdtoren, de donjon. De leenman kreeg van zijn leenheer ook altijd het recht om de rechtspraak in zijn gebied te verzor­gen.
De straffen waren in de middel­eeuwen niet bepaald zachtzinnig. Afhakken van handen, uitsteken van ogen, geselen en brandmerken waren heel gewoon. Voor het afdwingen van bekentenissen werden gruwelijke foltermethoden gebruikt. Wie een gloeiende ijzeren staaf kon beetpak­ken zonder brandblaren te krijgen, bewees daarmee zijn onschuld. Wie in het water werd gegooid en zonk, leverde daarmee ook het bewijs van zijn onschuld. Meestal had het arme slachtoffer daar maar weinig aan…

Stormrammen en evenhogen

Om een kasteel tot overgave te dwingen, hadden de belegeraars de beschikking over een aantal vernuf­tige wapens. Met een stormram, een grote zware balk, konden ze poorten en muren rammeien. Vaak lukte het hun daarmee bressen in de muren te slaan. De zware stenen waaruit de muren waren opgetrokken, bleken vaak minder sterk te zijn dan ze eruit­zagen.
Behalve de stormram, hadden de belegeraars ook de gevreesde
‘even-hoog’. Dat was een vierkante houten gevechtstoren, die op wielen naar de kasteelmuur werd gereden. Was hij daar aangekomen, dan werd uit die toren een valbrug geklapt. Over die brug konden de aanvallers de muren van het kasteel bereiken. Vanzelf­sprekend moest de toren even hoog zijn als de muren van het kasteel. Vandaar de naam ‘evenhoog’.

Katten en katapulten

Om wapens als de evenhoog te kunnen gebruiken, moest eerst een andere hindernis worden overwon­nen: de slotgracht. Die dempte men plaatselijk, meestal met takkenbos­sen.
Natuurlijk zaten de bewoners van het kasteel dan ook niet stil. Ze bescho­ten de aanvallers met pijlen. Om zich tegen de pijlen te beschermen, bouw­den de belegeraars ‘katten’. Dat waren afdaken van hout of van twijgen, die gemakkelijk verplaats­baar waren en die bescherming boden tegen pijlen.
Intussen werden ook de katapulten in stelling gebracht. Een bijzonder grote katapult was de ‘blijde’. Daarmee werden zware stenen binnen de muren van het kasteel geslingerd en ook wel bossen brandend stro of kadavers. Met dat laatste probeerde men te bereiken dat er op het kasteel besmettelijke ziekten zouden uit­breken…

Het jaargetijde als voornaamste bondgenoot

Een belegering vloeide vaak voort uit een verschil van mening tussen de leenman en zijn leenheer. Maar ook twisten tussen vazallen onderling, wat vaak leidde tot een belegering. Men moet zich van een dergelijke belegering niet al te veel voorstellen. Het gebeurde maar zelden dat een groot leger zijn kamp voor de kasteelmuren opsloeg. Meestal waren het maar enkele tientallen strijders waaruit de krijgsmacht van een ridder bestond. Ook de kasteelheer beschikte vaak over niet meer dan tien of twintig verdedigers.

Het voornaamste wapen van de aanvaller was uithongering van het kasteel. De kasteelheer vond daarom zijn voornaamste bondgenoot in het jaargetijde. Het was in de winterkou vrijwel niet doenlijk om een open kamp buiten de kasteelmuren in stand te houden. Meestal vertrok een belegeraar dan ook voordat de winter inviel. In de komende lente zou hij, als hij tenminste niet wijzer was geworden, het nog wel eens pro­beren…

Het leven op een kasteel

Weinig comfort

Voor 1200, toen de kastelen nog voornamelijk bestonden uit
woon­torens, was het leven op een kasteel allesbehalve aangenaam. De kasteel­heer woonde met zijn gezin in een vaak veel te kleine, tochtige ruimte, waar hoogstens een paar kisten ston­den om op te zitten. Die kisten dienden ook als opbergruimte voor alles en nog wat. Als een vijand zo’n woontoren had veroverd en de kreet klonk: ‘Breek de kisten maar open!’ dan kon het plunderen beginnen. Soms lieten kasteelheren aan een van die kisten een opstaande leuning maken. Dat was dan het gemak dat de kasteelheer zichzelf gunde. Mocht een gast op de kist met leuning gaan zitten, dan betekende dat een gewel­dige eer.

Eén groot bed

In het woonvertrek stond ook een grote bak, die als bed moest dienen. Tegen de nacht kroop de kasteelheer met zijn hele gezin in dat bed. En de nacht begon al vroeg, want men beschikte nauwelijks over verlichting. Ook overdag baadde het vertrek niet in het licht. Grote vensters kende men niet. Zoiets was uit het oogpunt van verdediging veel te gevaarlijk. De woontoren was in de eerste plaats een versterkt huis en aan de verdediging werd bij alles de voorrang gegeven. De smalle spleten die als schietgaten dienden, moesten tevens het licht verschaffen.
Voor het naar bed gaan werd de avond meestal doorgebracht met het vertellen van verhalen. Verhalen over de heldendaden die men had beleefd of die men ter plaatse verzon. Soms was er ook wel een kapelaan die wat voorlas uit een ridderroman. Gewoonlijk was men zelf de kunst van het lezen niet machtig. Veel boeiender werd het wanneer rondzwervende zangers langskwamen. Dan schuimde het bier overvloedig in de bekers en volgde het ene heldhaftige verhaal na het andere. Na zo’n geslaagde avond konden de gasten gaan slapen mét het gezin in het ene grote bed. Als het wat al te vol werd in dat bed, dan werden er wel een paar kinderen in het stro op op de vloer gelegd.

Dansende beren

Ook voor de kinderen betekende een dergelijk bezoek een plezierige avond. De zangers brachten vaak potsenmakers en jongleurs mee. Het woord ‘jongleur’ is afgeleid van het Latijnse woord ‘ioculator’. De middeleeuwer maakte daar ‘gokelaer’ van, een woord dat als ‘goochelaar’ nog steeds bestaat. De jongleurs haalden voor de verbaasde gezichten van de kinderen allerlei goocheltoeren uit. De potsenmakers zorgden voor de ene grap na de andere. Soms was er in een rondtrekkend gezelschap een berengeleider, die een beer kon laten dansen. Aan het slot van de avond werd dan vaak een bediende met honing ingesmeerd. Daarna werd de beer op hem losgelaten. De arme man kronkelde zich van angst in allerlei bochten, als de beer hem tussen zijn sterke klauwen hield en met zijn ruwe tong schoonlikte. Dan was het schater­lachen niet van de lucht.

Wat er ter tafel kwam

Als er gegeten moest worden, werden eenvoudig twee houten schragen uit een hoek gehaald, een plank erover gelegd en de tafel was klaar. Vlees vormde het voornaamste voedsel. Men beschikte vaak over een spit waaraan een volledige os kon worden gedraaid. Behalve vlees kwam ook eigen gebakken brood ter tafel en soms wat knollen en groenten. Met een mes werd een stuk vlees afge­sneden en op een dikke plak brood gelegd. Dat stuk brood noemde men ‘telloor’. Bier moest ervoor zorgen dat alles gemakkelijk naar binnen gleed.
Melk werd zelden gedronken. Het werd als een zeer ongezonde drank beschouwd. Vooral voor de tanden en het tandvlees zou melk bijzonder slecht zijn. Wie melk had gedronken, moest dan ook ogenblikkelijk zijn mond spoelen! Als iedereen genoeg had gegeten, werd de tafel in de meest letterlijke zin ‘opgeheven’. De plank en de schragen werden weer in de hoek gezet.

Tafelmanieren

Toen de kasteelheren in plaats van woontorens hun stenen kastelen gingen bewonen en wat meer woonruimte kregen, nam ook het comfort toe. Ze kregen de beschikking over verschillende zaken, waarvan sommige zelfs door een schouw verwarmd konden worden. Zo’n verwarmd vertrek noemde men een ‘kemenade’.
Met de grotere welstand van de ridders werden ook hun manieren wat verfijnder. Zo deden bijvoor­beeld de eerste tafelmanieren hun intrede. Men mocht nog wel zijn mond aan het tafellaken afvegen, maar niet zijn tanden. Ook behoorde het niet tot de goede manieren om ontstoken ogen met het tafelkleed schoon te maken.
Op het hoofd krabben tijdens het eten werd oogluikend toegestaan, als het maar niet zo gebeurde dat een ander er hinder van had. Het getuig­de evenmin van goede smaak om zijn benen al op tafel te leggen, terwijl een ander nog niet met zijn maaltijd klaar was. Daarmee wachtte de wel­opgevoede middeleeuwer tot iedereen genoeg had gegeten. Men kon dan gezamenlijk die gemakkelijke hou­ding aannemen om nog wat gezellig na te praten.

Vruchten voor, zoet na

Later kwam er ook meer dan alleen vlees op tafel. Vooral ’s zomers werd vis een geliefd gerecht. Karpers en palingen bijvoorbeeld, pas gevangen in de slotgracht. De groenten werden uitgebreid met spinazie, sla, prei, bieten en radijs. Zelfs verschenen er vruchten op tafel.
De kasteelvrouwe kon kiezen uit appels, peren, aardbeien, bramen, druiven, pruimen, perziken, kersen en kastanjes. Vruchten werden in de middeleeuwen altijd vóór de maaltijd gegeten. Na het eten kwam de zoetig­heid aan bod, in de vorm van taarten en pasteien.

Het vlees, dat na het slachten werd gezouten of gerookt, werd in de winter op smaak gebracht met sterke kruiden of sauzen. Ook vis begon men te drogen en te roken. Hoewel de maaltijden van de middel­eeuwer steeds afwisselender werden, was het voedsel naar moderne be­grippen lang niet ‘gezond’. Het feit dat de middeleeuwer in het algemeen geen hoge leeftijd bereikte, is misschien toe te schrijven aan zijn voedingsgewoonten. Iemand die veertig jaar werd, was oud en vijftig jaar haalden alleen de zeer sterken.

Zoute en kruidige dranken

Na de maaltijd werd met gulle hand bier geschonken of wijn. Soms hield men een wedstrijd wie de meeste wijn kon drinken zonder ‘onder tafel te raken’. De wijn, meestal uit de Rijnstreek of uit de omgeving van Bordeaux, werd rijkelijk voorzien van kruiden. Om de dorst te prik­kelen, voorzag men de wijn behalve van kruiden ook van een flinke dosis zout.
Van ridder Jan van Blois is bekend dat hij een stel zilveren lepels bezat die speciaal waren gemaakt om zout aan zijn wijn toe te voegen. Hij stierf jong…

Een wat zoetere drank was mede. Die werd bereid uit honing en behalve om zijn smaak werd deze drank ook genuttigd om zijn geneeskrachtige werking.

Het kleinste kamertje

Mocht men na al het eten en drinken aan zijn natuurlijke behoeften willen voldoen, dan kon men zich terug­trekken in het ‘kleinste kamertje’. Dat kleinste kamertje was niet veel meer dan een uitholling in de buiten­muur, waar een zitgelegenheid was gemaakt. Onder de zitting was een opening die rechtstreeks uitkwam op de slotgracht.
Behalve voor de natuurlijke behoef­ten van de bewoners werd die ope­ning ook gebruikt voor alles wat men maar kwijt wilde. Huisvuil en gebroken serviesgoed verdween er even­eens doorheen in de slotgracht.

Zang en spel

De zangers van heldenliederen, die met hun potsenmakers en dansende beren de woontorens hadden bezocht, verdwenen. Ze maakten plaats voor minstrelen en troubadours, die een veel fijnzinniger kunst brachten.
De zeer beschaafde Eleanora, hertogin van Aquitanië (1122-1204), had een grote voorliefde voor troubadours. Ze verzamelde hun liederen en hield vele troubadours in vaste dienst aan haar hof. Het feit dat haar grootvader zelf een beroemd troubadour was geweest, zal daar niet vreemd aan zijn geweest. De minneliederen van de troubadours brachten haar er zelfs toe een ‘minnehof’ in te richten naar het voorbeeld van een gerechtshof. Haar ‘minnehof’ behandelde uitsluitend liefdeszaken.
Ridders of de geliefden van ridders die misdaden uit hartstocht hadden begaan, konden op haar grootste medeleven rekenen… Niet alleen de zang, ook het spel onderging een verfijning. Het oude kaartspel bleef bestaan, maar daar­naast deden moeilijker spelen als schaken en dammen hun intrede. Ook triktrak werd vaak gespeeld. Die ‘bordspelen’ waren door de kruisrid­ders uit het Oosten meegenomen. Maar niet elke ridder had er genoeg geduld voor. ‘De wijste man,’ schreef een tijdgenoot, ‘verliest bij het spelen zijn geduld.’

6e klas adel 3

Met een vernuftig uitgedachte katrol hijst een meisje de minstreel Kristan van Hamnle tot bij het raam van haar kamer.

‘Neem geen vrouw om haar schoonheid’

De minneliederen die de troubadours zongen, hadden zelden of nooit betrekking op de liefde tussen een ridder en zijn eigen vrouw. Het was altijd een verre geliefde waarover werd gezongen, een toevallige ont­moeting met een beeldschone en onvergetelijke jonge vrouw.
De verhouding van de kasteelheer tot zijn eigen vrouw was veel zakelijker. In de eerste plaats mocht hij niet trouwen zonder toestemming van zijn leenheer. En de leenheer waakte er zorgvuldig voor dat zich niet te veel macht kon samentrekken, door­dat bijvoorbeeld zijn leenman trouw­de met de dochter van een andere belangrijke leenman in zijn gebied. En in de tweede plaats zag de leenman zelf zijn vrouw ook meer als een gewaardeerde arbeidskracht dan als een aanbiddelijk wezen. ‘Als je een vrouw trouwt,’ schreef een kas­teelheer aan zijn zoon, ‘denk dan aan je eigen welzijn. Neem er geen om haar schoonheid of om haar boeken­wijsheid, want die zijn dikwijls be­drieglijk van aard.’
Vrouwen stonden altijd onder toe­zicht. In hun jeugd stonden ze onder toezicht van hun vader en als ze getrouwd waren onder toezicht van hun man, aan wie ze absolute ge­hoorzaamheid verplicht waren. Ze konden in de latere middeleeuwen wel een leen erven, maar besturen mochten ze die niet. Het besturen van een leen was vooral een militaire aangelegenheid en daar waren vrou­wen nu eenmaal niet geschikt voor. Vrouwen moesten zich beperken tot spinnen, naaien en borduren. Als er gasten waren en er werd feestgevierd, dan mochten de vrouwen dansen en zingen. Maar verder werd van hen verwacht dat ze zich rustig en inge­togen gedroegen.

Van page tot schildknaap

Ook wat de opvoeding van de kin­deren betrof, had de vader het voor het zeggen. De opvoeding was streng en hardhandig. De roede werd zeker niet gespaard. Een jongen moest al vroeg leren paardrijden, vechten en met wapens leren omgaan. Het paardrijden werd in de eerste jaren van zijn leven beoefend op de ruggen van de bedienden. Maar als hij een jaar of vijf was, werd hij door zijn vader op een echt paard vastgebonden. Hij moest dan vaak dagmarsen meemaken en ’s nachts werd hij in een koude, vochtige stal te slapen gelegd. Daar werd hij, volgens de opvatting van die tijd, alleen maar sterker van.
Was hij zeven jaar geworden, dan werd hij bij een bevriende leenman op een ander kasteel in de leer gedaan. Dan was hij page geworden. Zijn leermeester bekwaamde hem in allerlei sporten en bracht hem de beginselen bij van de verschillende vechttechnieken. Zo mocht hij opgehangen poppen met zijn lans doorsteken. Mislukte dat, dan viel de page in een bak met water die onder de pop stond.

Op zijn veertiende jaar mocht de page zich schildknaap gaan noemen. Dan kreeg hij zijn eerste zwaard. Dan ook kreeg hij toestemming zijn heer te vergezellen naar veldslagen en toernooien. Het verzorgen van de wapenrustingen en de paarden was daarbij zijn voornaamste taak. Maar hij mocht ook de gasten voor zijn heer ontvangen, hen aan tafel
bedienen en hen uitgeleide doen. Als hij op die manier zijn heer vele jaren trouw had gediend, werd hij tot ridder geslagen en dan was hij volwassen geworden.
Niet alleen de jongens, ook de meisjes werden al vroeg van het kasteel weggestuurd om hun opvoeding elders te ontvangen. Zij kwamen eerst in dienst als kameniersters en werden later onderwezen in de kookkunst en naaldkunsten, als voorbereiding op het huwelijk.

Ridderlijkheid en hoofse liefde

Voor de strijd geschapen

Was de jonge edelman eenmaal tot ridder geslagen, dan wachtte hem een avontuurlijk leven. Hij kon dan zelf ten strijde trekken en deelnemen aan toernooien. Voortaan zou iedereen die hem belaagde, met zijn zwaard kennismaken. Vechten zou een van de belangrijkste bezigheden in zijn leven worden.

De jonge ridder had plechtig beloofd het geloof in Christus te verdedigen en weduwen, wezen en verdrukten te beschermen. Hij had gezworen zijn heer in de strijd te volgen. Hij zou zijn eigen leengoed verdedigen tegen roofridders en dieven. Er was voor een rechtschapen ridder, die niet de laffe dood in het bed wilde sterven, genoeg om voor te vechten.

Het onhandige harnas

De ridder beschikte over drie belang­rijke wapens: zijn zwaard, de lans en de strijdbijl. Het zwaard zwaar en zó groot, dat hij beide handen nodig had om er ‘rake klappen’ mee uit te delen. De lans diende om zijn tegenstander uit het zadel te stoten. En met de bijl doorkliefde hij de helm van de vijand.
Zo’n helm had een vizier dat open en dicht geklapt kon worden. Kleine oogspleten maakten het mogelijk te kijken. Verder droeg de ridder een maliënkolder over een leren buis. Een maliënkolder kon bestaan uit meer dan 40.000 kleine ijzeren ringen. Het beschermde de ridder, tot op zekere hoogte, tegen de slagen die hem met een zwaard werden toegebracht. Een harnas bood meer bescherming. Zo’n harnas bestond vaak uit 200 of meer stukjes plaatijzer. Een smid had aan het maken van zo’n harnas zeker drie jaar werk. Als het klaar was woog het ongeveer 60 kilo!
Eigenlijk was een harnas een onding. Als de zon erop scheen, zat de ridder letterlijk in een oven. Viel hij onver­hoopt van zijn paard, dan was hij overgeleverd aan de genade van zijn aanvaller.
In zijn zware ijzeren harnas kon hij nauwelijks een stap verzetten. Toch liet de ridder zo’n kostbaar harnas maken. Het verschafte hem het aanzien van een voorname edelman. Voor het gewone volk was een harnas onbetaalbaar.

Heraldieke herkenningstekens

De helm bedekte het hele gezicht van de ridder. Een bezwaar daarvan was, dat hij op het strijdtoneel niet meer herkenbaar was. En omdat elke ridder toch wel wilde weten met wie hij de strijd aanging, werden op de wapenrustingen herkenningstekens aangebracht. Deze herkenningstekens zouden zich ontwikkelen tot de heraldiek.
Dat de heraldieke tekens het eerst op het wapenschild verschenen, was niet toevallig. Het schild had van oudsher symbolische betekenis. Een Frankische koning kreeg zijn macht, doordat hij op een schild werd verheven. En elke edelman nam als enigszins mogelijk was, zijn schild, gebroken of niet, mee in zijn graf.
De meeste schilden waren langwerpig liepen uit in een punt. De oudste schilden waren van hout, bekleed met leer. Later werden ze gemaakt van metaal en kregen ze een bolle oppervlakte. Er werd erg veel zorg aan besteed en door regelmatig poetsen werd het oppervlak glad en glanzend gehouden.

Middeleeuwse schrijvers omschrijven ze als: ‘schilden, schitterend van edelstenen en in verschillende kleuren geschilderd’. De schilden die van edelstenen schitterden, werden echter alleen gebruikt tijdens toernooien of steekspelen. Ze waren betrekkelijk klein in vergelijking met de schilden die in een echte oorlog werden gebruikt.

Schild als herkenningsteken

In het begin veranderden de heral­dieke tekens nogal eens tijdens het leven van een ridder. Als hij bijvoor­beeld meende aanspraak te kunnen maken op het landgoed van een andere leenman, dan nam hij alvast de tekens van die leenman in zijn eigen schild op. Later hield een ridder zich tijdens zijn leven aan één voorstelling op zijn schild. Iedereen kon dan zien, ‘wat die ridder in zijn schild voerde’. Nog later werd het heraldieke teken een symbool voor een heel geslacht. De figuren begonnen zich te ontwik­kelen volgens vaststaande regels voor vorm, stand, kleur en aantal figuren.

Kleurige helmen

Behalve op de schilden werden ook heraldieke tekens aangebracht op de helmen. Meestal waren die helmen groot genoeg om ze in kleuren met leeuwen of vogels te beschilderen. Helmtekens zijn echter veel later erfelijk geworden dan schildtekens. Op de helm leefde de middeleeuwer zijn gevoel voor bonte kleurenpracht vrijer uit dan op het schild. Als men aanneemt dat het schild de familie­naam van de ridder droeg, dan symboliseerde de helm zijn voor­naam.

Wanneer de ridder stierf, kreeg zijn helm een plaats boven zijn graf. Dat heeft ertoe geleid dat er prachtige helmen zijn vervaardigd, soms zelfs van goud en versierd met edelstenen. Die werden in de kerk op het graf van de ridder gelegd, al waren ze op het slagveld nooit gedragen.

Levendige toernooien

Om zich te oefenen voor de strijd op het slagveld, hielden de middeleeuwse ridders vaak toernooien. Tenslotte moesten ze ‘in vorm’ blijven. De vroegste toernooien kunnen het beste beschouwd worden als grote militaire oefeningen. Honderden ridders bevochten elkaar in zo’n toernooi volgens de regels van de krijgskunst. Wie verloor moest met zijn overwinnaar onderhandelen over het losgeld voor zijn paard, zijn wapen­rusting en zichzelf. En dat kon vaak een dure geschiedenis worden. Rond­zwervende ridders, die wisten wat vechten was, konden op zo’n manier vaak een fortuin verdienen. In die toernooien ging het niet bepaald zachtzinnig toe. Er vielen harde klappen en talloze ridders moesten het toernooiveld verlaten met diepe wonden. Soms stikte een ridder, als hij ongelukkig kwam te vallen, in het stof dat door de oogspleten in zijn helm drong. Er is wel eens beweerd dat er tijdens de toernooien meer ridders zijn gesneu­veld dan in veldslagen…

Elegante steekspelen

Na 1300 veranderden de toernooien in de veel sierlijker steekspelen. Dat waren spiegelgevechten vol hoofse manieren en… hoofse liefde. Als een edelman een steekspel wilde houden, zond hij een heraut naar een andere edelman om hem uit te dagen. De heraut overhandigde daarbij een handschoen. Het aannemen daarvan betekende het aannemen van de uitdaging. Er was maar zelden een ridder die weigerde. De twee ridders moesten daarna elk twee kamprechters benoemen. Die kamprechters stelden tijd en plaats van het steekspel vast. Waren de kampende ridders beroemd, dan kon men op veel publiek en grote feesten rekenen. En er waren altijd genoeg ridders te vinden die het steekspel met bijgevechten wilden opluisteren. De dag voor de strijd begon werd er een helmschouw gehouden. De hel­men van de deelnemende ridders werden tentoongesteld en de he­rauten vertelden aan wie de helmen behoorden. Elke deelnemer moest te goeder naam en faam bekend staan. Was dat niet het geval, dan werd zijn helm op de grond gegooid en hij mocht dan verder niet aan het steek­spel deelnemen. Vanzelfsprekend werd zo’n helmschouw besloten met een groot eet- en drinkfeest. De volgende dag trokken de ridders naar het strijdperk. Dat strijdperk was afgeperkt met palen. Achter de palen waren de tribunes voor de toeschouwers opgericht. De toe­schouwers bestonden voor een groot deel uit vrouwelijke bewonderaars van de ridders.
De ridders kwamen door tegenover elkaar liggende ingangen binnen. Ze groetten de dames op de tribune en boden hun wapens ter keuring aan bij de kamprechters. De wapens bestonden uit een lans en een zwaard. De toernooilansen hadden stompe punten en ze waren gemaakt van niet al te taai hout. Ook het toernooizwaard had een speciale behandeling gekregen. Het was zo bot mogelijk gemaakt.

Als het trompetgeschal drie maal had geklonken, reden de ridders op elkaar in. Tot de spelregels behoorde, dat men elkaar niet in de rug mocht aanvallen. Men mocht elkaar ook niet onder de gordel stoten en ook het paard van de tegenstander moest worden ontzien. Brak een ridder een lans, dan mocht een page hem een nieuwe brengen.

Verliezer was degene die het eerst het ‘in het zand beet’. Door het openen van zijn vizier kon een ridder kenbaar maken, dat hij de strijd opgaf.

6e klas adel 4

Op een toernooiveld was een baan afgeperkt, waarop de ridders te paard streden, het zogenaamde strijdperk. In het midden van het strijdperk liep over de hele lengte een hek of houten muur, waarlangs de ridders op elkaar afstormden. De toernooilansen waren van speciaal, gemakkelijk breekbaar hout gemaakt, om al te grote ‘schade’ te voorkomen. Toch kwam het wel voor dat ridders dodelijk gewond uit het strijdperk werden gedragen. Er is zelfs een koning geweest, die tijdens zo ’n toernooi het leven liet: een splinter van een gebroken lans kwam door een van de spleten van zijn helm en drong in zijn hoofd.

Hoofse liefde

De hoofse liefde speelde in die steekspelen een grote rol. Soms droeg een ridder aan zijn helm de sluier van zijn geliefde of zelfs haar hemd. De dames zelf gooiden in hun opwinding vaak bloemen of hun sluier op het toernooiveld.
Deze eerlijke steekspelen leidden ook wel eens tot overspel en dan kon het gebeuren dat bij een volgend steek­spel werd gevochten op leven en dood.
Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat de kerk sterk tegen deze steekspelen was. Wie tijdens een steekspel sneuvelde, hoefde er niet op te reke­nen dat hij in gewijde grond werd begraven.
Het kerkelijk verbod haalde echter weinig uit. De middeleeuwse ridder had een grote behoefte aan het vertonen van edele moed.

Een onbereikbare geliefde

In de hoofse liefde stond de vrouw op een voetstuk. Vaak was ze getrouwd en dus onbereikbaar. De vrouw was het reine en milde idool van de ridderwereld: ‘een roos in de tuin der verrukking’.

Deze hoofse liefde, de romantische en onwerkelijke liefde, vinden we terug in de middeleeuwse literatuur. Een van de verhalen uit die tijd vertelt van twee gevangen ridders, die allebei dezelfde vrouw aanbaden. Van die vrouw hadden ze slechts een glimp door de tralies opgevangen. De twee ridders, die familie van elkaar waren, leefden in de gevangenis en nog vele jaren na hun vrijlating in vijandschap. En dat alleen vanwege hun geliefde, die ze niet kenden en maar één keer hadden gezien. De twee ridders bleven echter hard­nekkig hun verre geliefde vereren. Toen de vrouw vernam dat er twee ridders naar haar hand dongen, scheen haar dat nauwelijks te be­roeren. Tussen de twee ridders kwam het ten slotte tot een gevecht op leven en dood. De overwinnaar mocht zich in de gunst van de edele jonkvrouwe verheugen.

Een onvervulbaar ideaal

Het middeleeuwse ridderideaal in zijn zuiverste vorm komen we tegen in de verhalen over koning Arthur en zijn Ridders van de Ronde Tafel. Deze verhalen zijn ontstaan uit de Brits-Keltische traditie en ze werden mondeling overgedragen. In de twaalfde eeuw verwierven de avon­turen van koning Arthur en zijn ridders zich een plaats in de litera­tuur.
De ridders waren verenigd in de Tafelronde van koning Arthur. Ze kwamen op voor de armen en ver­drukten. Het zoeken naar de Heilige Graal staat in vele verhalen centraal. In deze graal zou Jozef van Arimathea het bloed van de gekruisigde Christus hebben opgevangen. Een van de ridders was Sir Lancelot. Hij zou de graal echter nooit in handen krijgen, vanwege zijn onkuise liefde voor Geneviève, de vrouw van koning Arthur. De ideale ridder, de zuivere en vrome Galahad, zou ten slotte de graal veroveren. Hij stierf echter zonder ooit de liefde van een vrouw te hebben gekend.

In deze verhalen wordt tevens het onbereikbare van het ridderideaal geschetst. Het was voor een ridder ondoenlijk tegelijkertijd zijn heer, zijn God en zijn geliefde te dienen. Een parodie op het ridderideaal verscheen van de hand van de Spaan­se schrijver Cervantes: de roman Don Quichot.

Boeren in de greep van de edelen

Grond is macht

De middeleeuwse edellieden ontleen­den hun macht aan het bezit van grond. De grond bracht de producten op waarmee ze in hun levens­onderhoud konden voorzien en waar­mee ze handel konden drijven. Die handel moest hen het geld verschaf­fen voor de bouw van de kastelen, voor hun kostbare wapenrustingen en voor alles wat ze nodig hadden om ten strijde te trekken. Het grondgebied van zo’n groot­grondbezitter of heer heette een heerlijkheid of domein. Een heerlijk­heid kon vele dagreizen groot zijn. Middenin een heerlijkheid stond de hoeve van de heer zelf, de hofhoeve of de vroonhoeve geheten. Grote heerlijkheden hadden vaak meer dan één vroonhoeve. De vroonhoeve werd soms tijdelijk bewoond door de landheer zelf, maar meestal was het beheer daarover in handen van een plaatsvervanger, een meier.

De boeren baadden in zweet

De heerlijkheid werd bebouwd door boeren. Elke boer had een stuk grond dat hij, onder bepaalde voorwaar­den, mocht bewerken. Die voorwaar­den kwamen er voornamelijk op neer dat de boer afstand moest doen van het grootste deel van de oogst. Dat deel van de oogst moest dan als pachtsom worden betaald aan de landheer.
De boeren woonden in groepjes bij elkaar in vaak armzalige hutten. Het enige licht in een dergelijke hut kwam door de open deur of door het rookgat dat boven de stookplaats was aangebracht. De vloer bestond uit aangestampte leem. Het hele boerengezin, samen met de huis­dieren, legde zich ’s avonds op de vloer te slapen. Voor bedden was er geen plaats.
De wollen kleren die de boeren droegen, werden dag en nacht aange­houden. Pas wanneer ze als lompen van hun lichaam vielen, was het tijd geworden iets anders aan te trekken. Zich wassen deed men zelden. De boer baadde zich alleen in zijn eigen zweet.

Melaatsheid was een ziekte die onder de boeren nogal eens voorkwam. Maar waarschijnlijk was die melaats­heid niets anders dan een hardnekkig soort eczeem. De boeren vormden in de middeleeuwen het grootste deel van de bevolking.

Het recht van de dode hand

De boeren waren horig aan de landheer. Dat wil zeggen dat ze, samen met het stuk land dat ze bewerkten, aan de landheer toebe­hoorden. De horigheid is voortgekomen uit de lijfeigenschap. De lijfeigene was persoonlijk aan zijn heer gebonden. De lijfeigenschap was een vorm van slavernij. De horigen hadden behalve hun vele plichten ook enkele rechten. Een landheer mocht hen niet zonder meer van hun stuk land verjagen. Ze hoorden bij ‘de kluit aarde’ die ze bewerkten. Daar stond weer tegen­over dat de horigen niet hun stuk land mochten verlaten. Het wereldje van de boer bestond dan ook vaak alleen maar uit zijn directe omgeving en het dichtstbij zijnde dorp. En als hij, door een wilde drang gedreven, er eens op uittrok, dan werd hij snel door de machtige arm van zijn landheer teruggehaald. Hij kon dan op een fikse straf rekenen.

Een horige kon met zijn stuk land worden verkocht, geruild of
wegge­geven. Een van de meest ingrijpende rechten die een landheer had, was ‘het recht van de dode hand’. Als een horige stierf had hij ‘een dode hand’ en daarmee kon hij niets geven. Het betekende dat het recht om op het stuk land te wonen en de schamele bezittingen die hij had na zijn dood niet vervielen aan zijn nabestaanden, maar aan de landheer. Dit onmenselijk recht werd in de latere middeleeuwen enigszins ver­zacht. De heer nam toen meestal genoegen met het beste schaap uit de nalatenschap of de mooiste koperen pan.

Weinig horige romantiek

Aan een huwelijk tussen horigen kwam weinig romantiek te pas. Een horige was niet vrij in de keuze van zijn vrouw. Hij mocht geen meisje kiezen dat op een andere heerlijkheid woonde. Daar zou de landheer van die andere heerlijkheid nooit toestemming voor geven. De kinderen die dat meisje kreeg, zouden hem dan immers als werkkrachten ontgaan. Een enkele keer kon in zo’n geval een minnelijke schikking tussen de land­heren getroffen worden. Dan werd overeengekomen dat het ‘broed’ uit een dergelijk huwelijk eerlijk zou worden verdeeld. Naar de mening van het echtpaar zelf werd niet gevraagd…

Ongetrouwde meisjes en weduwen waren op een heerlijkheid renteloos kapitaal en een doorn in het oog van de landheer. Bij tijd en wijle gaf de landheer zijn meier dan ook opdracht daar iets aan te doen en voor die vrouwen een geschikte man te zoe­ken.

De huwelijksplechtigheid tussen hori­gen was uiterst sober. Meestal gaf men elkaar een muntstuk, met de belofte dat men elkaar trouw zou blijven tot in de dood. De aanwezige getuigen zorgden er wel voor, dat die belofte ook werd nagekomen. De beperkte keuze voor de trouwlus­tige horige werkte vanzelfsprekend inteelt in de hand. En hoewel de kerk het huwelijk tussen twee bloedver­wanten verbood, moest om prak­tische redenen nogal eens wat door de vingers worden gezien. De gevolgen daarvan bleven niet uit. Het aantal geestelijk gestoorde of mismaakte kinderen dat werd geboren, was groot.

‘Kippen die zo jong zijn dat ze over een heg kunnen vliegen’

De boer betaalde de pachtsom voor zijn stuk land in natura. Het was meestal de meier die voor het innen van de pacht moest zorgen. Dat was een moeilijk werk, omdat de hoogte van de pacht meestal tot stand kwam in mondeling overleg. Er bestond geen enkele waarde-eenheid. Zo kon de pacht voor het ene stuk land twee potten honing en vier kazen zijn, voor het andere stuk land vijf korven met eieren en voor weer een ander stuk land twee schepels koren en een aantal ponden wol. Slimme boeren probeerden die le­veringen natuurlijk zoveel mogelijk naar eigen hand te zetten. Als hij kippen moest leveren, dan zocht hij de oudste en de taaiste kippen uit. De meier moest dat zien te vermijden door de pacht zeer nauwkeurig te omschrijven. ‘De kippen moeten nog zo jong zijn dat ze over een heg kunnen vliegen.’

Alle slimheid ten spijt waren de vele verplichtingen echter een zware last voor de boeren. De klacht van de boeren was dan ook: ‘Een boer drinkt nooit de wijn van zijn eigen druiven, noch smaakt hij een goed stuk voedsel. Zijn vette ganzen en kippen, zijn koeken van blank meel, het is alles voor de heer. Hij mag al blij zijn als hij een stuk zwart brood overhoudt.’

Het drieslag-stelsel

Als de oogst mislukte, dan woog de pacht dubbel zwaar. En de oogst mislukte nogal eens. De lichte ploeg waarmee de boeren werkten, die ze zelf moesten voorttrekken, was alleen maar in staat de bovenste laag aarde om te woelen. Een beetje droogte of lichte vorst waren dan meestal voor het pas gezaaide graan noodlottig. Van bemesting had de boer uit de vroege middeleeuwen nog nooit gehoord.

Later trad wel enige verbetering in. Tijdens de regering van Karel de Grote begonnen de boeren steeds meer het drieslagstelsel toe te passen. Dat drieslagstelsel was erop gericht de uitputting van de grond tegen gaan. Het ene jaar verbouwde de boer op een akker wintergraan, het volgende jaar zomergraan en het derde jaar liet hij de akker braak liggen om de grond rust te gunnen. Nog later ging hij op die braak liggende akker spurrie en klaver verbouwen. Die gewassen putten de grond niet uit, maar zorgden juist voor nieuwe voedingsstoffen in de bodem.
Later werden de akkers bemest met stro en na 1200 ging men bemesten met veemest. De Romeinen hadden dit al eerder toegepast, maar het werd door de kloosterlingen opnieuw ont­dekt. De ploegen werden zwaarder en maakten de voren dieper, wat ook gunstiger gevolgen had voor de af­watering van het land.

Handdiensten

Behalve het betalen van pacht moest de boer ook handdiensten verrichten voor zijn landheer. Hij moest een aantal weken per jaar op het kasteel of op de hofhoeve werken. Boven­dien moest hij zijn heer helpen bij het aanleggen van wegen en bruggen. Hij was verplicht zijn graan te laten malen door de molen van zijn heer. Voor het bakken van zijn brood en het brouwen van zijn bier gold hetzelfde. Ook daarvoor was hij verplicht gebruik te maken van de bakkerij en de brouwerij van zijn landheer. Alles natuurlijk tegen be­taling in natura.
Daar stond tegenover dat hij hout voor zijn stookplaats mocht
sprok­kelen en eikels voor zijn varkens mocht halen uit de bossen van de heerlijkheid. Al deze rechten en plichten verschilden van heerlijkheid tot heerlijkheid.

Kerkelijk begrip

Behalve de edellieden bezat ook de kerk grote grondgebieden. Op hun grondgebieden werkten eveneens horigen. Meestal werkten de horigen daar onder gunstiger omstandig­heden. De kerk was echter de enige die van de horigen mocht verlangen dat ze ook op zondag werkten en daar werd een druk gebruik van gemaakt!
Toch waren de huishoudingen van de kloosters beter georganiseerd dan die van de kastelen. Bij een misoogst stond de honger niet direct voor de deur, omdat de monniken meestal wel voorraden hadden aangelegd.

‘Leg een boer als boetedoening niet zoveel vastendagen op als een edel­man,’ adviseerden de bisschoppen. En de kloosters hielden zich gaarne aan dat advies, want ze wisten dat een boer met een lege maag maar slecht kon werken. Er was een zeker begrip van de kerk voor de boeren. Het feit dat de lagere geestelijkheid er niet veel beter aan toe was dan de boeren, droeg zeker bij tot dat begrip…

Hongerige pastoors

De pastoors moesten zichzelf en hun kerkjes instand houden van de ‘tiende penning’, die de horigen verplicht waren aan de kerk te betalen. De horigen betaalden deze kerkelijke belasting met grote tegenzin. Het kwam dan ook vaak voor dat de pastoor ‘met zijn mond open liep van de honger’.
Vaak probeerde de pastoor nog wat bij te verdienen door wat extra missen op te dragen of door een handel in wijwater te beginnen.
Wij­water heette een uitstekend middel te zijn tegen pijn en allerlei kwalen, zowel bij mens als dier. De meeste pastoors waren getrouwd. Zonder vrouw zouden zij ‘door honger en dorst en naaktheid zijn omgekomen’. Ook de landheer had nog wel eens een bijverdienste voor een pastoor. Als hij een groot feest gaf, mocht de pastoor komen om te bedienen. Het voedsel dat overbleef, ontving hij dan als een vorstelijke beloning…

Het mei-feest

De boeren werkten hard. Hun werk was gebonden aan de seizoenen. Als de eerste lenteregens de grond zacht hadden gemaakt en de laatste sporen van de vorst waren verdwenen, dan kon de boer gaan zaaien. Hij zaaide graan in zijn eigen grond en in de akkers van de landheer. Hij dreef het vee naar buiten, de frisse weiden in. De bossen werden afgestroopt om de jonge wolven die het vee konden bedreigen, dood te knuppelen. Als de koeien weer melk gingen geven, begon de boerin kaas en boter te maken. De eieren werden ingeza­meld om die met Pasen aan de landheer aan te bieden. In de paas­nacht brandden overal grote paas­vuren.
Maar in mei was het voor de boeren pas echt feest. Dan werd de meiboom geplant, waar iedereen omheen dans­te. Daarna trok men in processie langs de akkers om Gods zegen over het gezaaide af te smeken. Vóór die feesten had de boer zijn heggen geknipt en zijn erf keurig opgeruimd.

Zomerse drukte en winterse rust

De zomer is altijd de drukke tijd voor de boeren geweest. Dan werkte men van zonsopgang tot zonsondergang. Het werk was zwaar en werd zwaar­der naarmate de zomer vorderde. De akkers moesten gewied worden, de schapen gewassen en geschoren. In juni begonnen de wijnboeren in Frankrijk al met de eerste druiven­oogst. Een maand later begon men elders in Europa het hooi te oogsten. In augustus maaide men het graan. In de hele maand augustus had men nauwelijks tijd om te eten. Tijdens de hitte van de zomer was menige boer de uitputting nabij. In de herfst kon hij weer wat op adem komen. Dan werd het voedsel voor de winter opgeslagen. Het fruit werd van de bomen geschud en de peulvruchten uit de tuin werden geplukt. Het vee werd geslacht of verkocht. Zelden had een boer wintervoer genoeg om zijn hele veestapel aan te houden. Het koren werd gedorst. De druiven werden met blote voeten geperst en het sap werd in tonnen opgeslagen om te gisten. De winter bracht de boer enige rust. Dan werden de noodzakelijke op­knapbeurten gegeven aan huis en stallen. De vrouwen weefden en maakten nieuwe kleren. Soms moes­ten ze bedienen op de grote feesten die de landheer gaf. De kerstdagen brachten kerkelijke feesten met zich mee en vaak een kerstmaaltijd, aangeboden door de landheer. In februari was het dan alweer tijd geworden om de grond te bemesten en de ploeg te slijpen voor het voorjaar.

Waar was de baron?

De boeren leerden hun land steeds beter bewerken en hun oogsten wer­den steeds groter. Na 1200 was het zelfs zo dat ze, als ze de pachtsom aan de landheer hadden betaald en de tiende penning aan de kerk hadden afgedragen, nog wat van hun oogst overhielden. Dat overige verkochten ze op de markten van de dorpen en de opkomende steden in de buurt. De boer kreeg de beschikking over geld. Met dat geld kon hij bij de landheer bepaalde vrijheden kopen. Hij kon met de landheer overeen­komen dat de herendiensten en de pachtsom niet langer meer in natura hoefden te worden betaald, maar in de vorm van geld. Meestal was de landheer, die altijd om geld verlegen zat, daartoe gaarne bereid. De land­heer besefte niet, dat hij daarmee zijn eigen graf groef.
De boer, die steeds meer tijd kreeg toen hij van de lastige herendiensten was verlost, kon steeds meer produ­ceren. Hij kon dus ook steeds meer geld verdienen. De opkomende ste­den namen zijn producten voor steeds hogere prijzen af. Daardoor daalde de waarde van het geld. De landheer, die met een vaste afkoop­som genoegen had genomen, ontving elk jaar minder, in waarde uitge­drukt. Het betekende voor de adel een ramp.

Landheren vervielen tegen 1300 tot armoede en menige landheer moest zelf op het land gaan werken. Het volk zag dat met plezier. ‘Toen Adam spitte en Eva spon, waar was toen de baron?’ riepen ze spottend.

.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Vrijeschool in beeld: 6e klas geschiedenis

748-685

.

 

 

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (7-1)

.

Monniken en kloosters
.

Ketters en monniken

De tegenstelling tussen het ideale leven van de christen en de harde werkelijkheid van de middeleeuwen heeft het katholieke geloof geen goed gedaan. Van pausen en bisschoppen verwachtte het volk, dat ze het goede voorbeeld zouden geven. Helaas kwam daar meestal maar weinig van terecht.

Vooral lagere geestelijken, die niet zelden een zeer sober leven moesten leiden, was de praalzucht van de hoge geestelijkheid een doorn in het oog. Uit hun gelederen, aangevuld met goedwillende christenen uit het volk, ontstonden bewegingen, die het christendom zijn waarde moesten teruggeven. Sommige van die bewe­gingen gingen in tegen het woord van de paus. De aanhangers werden al snel bestempeld als ‘ketters’ en be­landden op de brandstapel. Maar andere bewegingen toonden juist respect voor het woord van de paus. Ze verenigden zich in klooster­orden en leidden een eenvoudig en vroom leven. De paus kon de leden van deze orden, de monniken, niets anders dan zijn zegen geven, vaak echter met tegenzin. Want de monniken leefden volkomen anders dan de pralende kerkleiders en dat kon het volk niet ontgaan…

Het ideaal van de monniken

De monnik Bruno van Keulen, die de Karthuizer Orde stichtte, heeft het doel en het ideaal van de monniken duidelijk omschreven: ‘Ik leid het leven van een kluizenaar, ver van de oorden van de mensen, met mijn broeders in de godsdienst, in heilige afwachting van de komst des Heren. Opdat wij, wanneer Hij klopt, Hem onmiddellijk kunnen opendoen.’
De kloosterlingen wilden terug naar het eenvoudige leven, zoals Jezus dat had geleefd. Een leven dat gericht was op de medemens, gevuld met studie en bezinning. De wereld van uiterlijke schijn en het eigen lichaam mochten daarbij geen enkele rol spelen.
De rol van de monniken in de middeleeuwen was veelzijdig. Ze verzorgden zieken, hongerigen, reizigers, eenzamen, weduwen en wezen. Ze hielden zich bezig met verschillende wetenschappen en schreven talloze boeken. De kloosters waren de bol­werken van het middeleeuwse denken en weten, voordat er universiteiten bestonden. De kloosters vormden voorts een opvangcentrum voor kin­deren uit overcomplete adellijke ge­zinnen. De edelman die niet genoeg bezat om al zijn kinderen tevreden te stellen, stuurde een deel van zijn kroost naar het klooster. Op die manier werden zowel het bezit als de eer van de familie behouden… Verder vervulden de monniken de voor ons minder begrijpelijke ‘peni­tentie’-functie. Al dan niet tegen betaling baden ze voor het zielenheil van de mensheid. Het gaf de middel­eeuwer een geruststellend gevoel, dat er mensen waren die de gehele dag en een deel van de nacht voor hun zielenheil tot God baden!

De oudste kloosters

De eerste kloosters ontstonden in Egypte, toen dat nog Romeins gebied was. Volgens de legende ontvluchtte omstreeks het jaar 250 een rijke christen, genaamd Paulus, zijn prachtlievende omgeving. Hij trok de woestijn in, om daar een leven van ontbering en zuiverheid te leiden. In het jaar 349, dus bijna een eeuw later, ging een priester op zoek naar Paulus. Hij vond hem, gezond en gelukkig, in de onafzienbare zand- en gruismassa. ‘Leeft de wereld nog?’ zou de oude en grijze Paulus hem gevraagd hebben. Toen de priester Paulus enige tijd later opnieuw wilde bezoeken, vond hij hem dood in het zand, de armen opgeheven. De priester, Antonius geheten, be­sloot het voorbeeld van de oude Paulus te volgen. Hij bracht vele kluizenaars in Noord-Egypte samen. Iedere monnik had zijn eigen kleine woonruimte: een soort cel. Gezamen­lijk zorgden de monniken voor hun schamele kleding en het weinige voedsel dat ze nodig hadden. Hun doel was: eenzaamheid, gebed en beschouwing. Ze wilden hierbij zo weinig mogelijk worden afgeleid. Er ontstonden ook andere kloosters in het Romeinse rijk. Zo kreeg een ruwe soldaat, Pachomius, spijt van zijn bloedige verleden en hij besloot als monnik Christus te gaan dienen. Maar zijn ideeën over het klooster­leven weken sterk af van die van Antonius. Hij vond dat hard wer­ken het ideaal moest zijn van een goed christen. De volgelingen van Pachomius verkeerden veel meer tus­sen de overige gelovigen. De Griekse bisschop Basilius nam het voor deze monniken op. Hij stelde zijn weelderige landgoed ter beschik­king van de monniken en verklaarde ‘De beste lofprijzing van deze plaats is, dat ze zeer geschikt is om elke fruitsoort voort te brengen en de zoetste voor mij: de rust.’ In de jaren 300-500 drongen de idealen van de verschillende klooster­lingen door tot West-Europa. Het kloosterleven zou in duizenden
ge­meenschappen een ongekend hoogte­punt bereiken.

In dit stukje tekst zit een tegenstrijdigheid: Antonius leefde van 251 tot 356 en was vanaf 285, 70 jaar in de woestijn.
.

De harde regels van Benedictus

Rond het jaar 480 werd in het Italiaanse stadje Nursia een man geboren, die de ‘Vader van het Westerse kloosterleven’ zou worden. Het was Benedictus, die bij gebrek aan een achternaam ‘Benedictus van Nursia’ werd genoemd. De jonge Benedictus koos een leven van een­zaamheid en tucht. In 520 trok hij zich met enige volgelingen terug op het topje van een berg, de Monte Cassino. Met de stenen van de ruïne van een Apollo-tempeltje bouwden de monniken, die zich Benedictijnen noemden, een klein klooster.
Het leven van de Benedictijnen was tot in de kleinste bijzonderheden geregeld. Gezangen werden volgens een vast rooster gezongen. De nacht werd doorgebracht in grote slaap­zalen. Het voedsel was karig: vlees mocht alleen door zieken en zwakken worden gegeten. De grootste deugden voor de monniken waren ontbering, gehoorzaamheid en naastenliefde. Benedictus stelde zelf de harde kloos­terregels op, samengevat in de ‘regel van Benedictus’: kuisheid, armoede en gehoorzaamheid. Niemand mocht iets bezitten. Iedere monnik moest zwijgen, altijd het hoofd gebogen houden, met de ogen neergeslagen en de begane zonden in gedachten hou­den. Het nemen van een bad was geoorloofd voor zieken, maar voor gezonden moest het een uitzondering blijven. De abt (het hoofd van de kloosterlingen) moest de monniken tuchtigen, maar met mate. ‘In zijn ijver de roest te verwijderen, mag hij de schaal niet breken,’ vond Benedictus. Ten slotte stelde hij, dat wijn geen drank was voor monniken. ‘Maar omdat de monniken daarvan tegenwoordig niet te overtuigen zijn, moet er in ieder geval matig gedron­ken worden…’

De eerste levensbehoefte

In de loop van de volgende eeuwen ontstonden door heel Europa vele kloosters. Maar in vele kloosters leidden de monniken hetzelfde ple­zierige leven als vele kerkelijke lei­ders. Het ideaal dreigde verloren te gaan. Tijdens de regering van Karel de Grote werd getracht het oude ideaal te herstellen. In 817 werd bepaald, dat alle kloos­terlingen volgens de harde regels van Benedictus van Nursia moesten leven. Enige tientallen jaren hielden monniken zich aan deze regels. Maar daarna ging het met de hoge idealen in de kloosters weer bergafwaarts. Vele kloosters werden schatkamers vol goud en andere rijkdommen. De eerste levensbehoefte van talloze monniken bestond uit een goed gevulde wijnkelder…

De Orde van Cluny

In 909 werd in Bourgondië de abdij van Cluny gesticht. Die abdij werd bewoond door monniken die zich verzetten tegen de slechte naleving van de kloostergeloften en de groeiende zedeloosheid onder de christenen. Vooral tijdens het bewind van abt Odillo (994-1049) was de invloed van de monniken, Cluniacensers genaamd, op andere kloosters en eigenlijk op de gehele christenheid enorm groot.

De monniken van Cluny streefden ernaar volledig onafhankelijk te zijn van welke wereldlijke macht dan ook. De abt, die alle kloosters van de orde onder zijn gezag had, was slechts aan de paus ondergeschikt. De kloosterlingen herstelden kloostertucht en onderwierpen zich in volledige gehoorzaamheid aan de kerk. Hun enige doel was, zo vroom mogelijk te leven. Ze verzetten zich tegen de afkoop van zonden door sommige monniken van bedenkijk allooi. De verkoop van kerkelijke functies en de aanstelling van priesters door edelen en vorsten verafschuwden de monniken. Ook het openlijk of stiekem samenleven van vele priesters met vrouwen werd door de Cluniacensers aan de kaak gesteld.
De Orde van Cluny vormde eigenlijk een grote hervormingsbeweging. De orde zélf verviel spoedig, maar gaf wel aanleiding tot het ontstaan van andere kloosterorden.

De Orde van de Cisterciënzers

In 1098 verliet de abt van het Cluniacenser klooster in het Franse plaatsje Molesme met 21 monniken zijn kloostergemeenschap. De abt, Robert van Molesme, keerde zich tegen de wereldse levenswijze van de monniken. In het verleden hadden juist zijn ordegenoten zich verzet tegen het verwilderde, zedeloze kloosterleven. Maar in de afgelopen twee eeuwen waren de Cluniacenser monniken in dezelfde slappe, wereld­lijke en zedeloze houding vervallen. Robert van Molesme begaf zich naar het Franse stadje Citeaux, in het Latijn Cistercium genoemd. Hij stichtte er een nieuw klooster en een nieuwe orde: de Orde van de Cister­ciënzers. Een halve eeuw later telde deze orde reeds 350 kloosters, een eeuw later ongeveer 670.

Bernardus van Clairvaux

De belangrijkste leider van de Cister­ciënzers zou Bernardus van Clair­vaux worden. Hij zette zich heftig af tegen de slappe Cluniacensers en vroeg spottend of ‘de verlossing moest komen van zachte gewaden en een weelderig leven. Wordt de ziel soms gevoed door de braadpan?’
De moeder van Bernardus van Clairvaux was een edelvrouwe: gemalin van de ridder van Chatillon. Kort voor de geboorte van haar derde kind kreeg ze een droom. Een witte hond blafte zonder ophouden. Een droomuitlegger vertelde haar: ‘U zult een zoon baren, die als een trouwe hond het huis van God zal bewaken en blaffen tegen de vijanden van het geloof. Uw zoon zal een uitmuntend spreker worden en de geneeskracht van zijn tong zal velen tot heil strekken.’
Toen Bernardus werd geboren, was het 1090 en zijn wieg stond in Fontaines, vlak bij Lyon. Hij be­zocht de kloosterschool en studeerde letteren. Op zijn 22e jaar trok Ber­nardus zich met 30 metgezellen terug in het nieuwe klooster van de Cister­ciënzers in Citeaux. Onder de scha­mele pij droegen de monniken een grof en hard onderkleed. Het voedsel was uiterst eenvoudig: grof brood, kool en bonen. De jonge Bernardus hield er voor de rest van zijn leven een maagkwaal aan over. In 1115 stichtte Bernardus met 12 monniken een nieuw klooster te Clairvaux, waaraan hij zijn naam zou ontlenen. De abdij was een en al grimmige eenvoud. De vloer van de eetzaal was niet van hout, maar bestond uit aangestampte leem. De bedden hadden geen poten, zodat ze op doodskisten leken. In de klooster­kerk werd elke verlichting geweerd.
De kamer van Bernardus leek meer op een hondenhok dan op een verblijf voor een mens.
Dertig jaar lang leefde Bernardus in Clairvaux. Hij had een sterk
recht­vaardigheidsgevoel en bezat grote overtuigingskracht. Hij stelde
be­driegerijen op de jaarmarkten aan de kaak en sprak schande van de uit­buiting van de boeren door de edelen. Tijdens een hongersnood organiseer­de hij een graanuitdeling onder het volk. Het graan haalde hij uit de overvloedige graanschuren van de graaf!
Het volk vereerde hem. Gekroonde hoofden vroegen hem om raad. In 1147 riep hij de gehele Westerse christenheid op tot de tweede kruistocht. Als Sint-Bernardus ging hij na zijn dood in 1153 de geschiedenis van de rooms-katholieke kerk in.

Grijze en witte monniken

De Cisterciënzers, onder leiding van Bernardus van Clairvaux, hadden hun orde uitstekend georganiseerd. Deze goede organisatie zorgde voor een bijzonder snelle verbreiding van de orde. Alle kloosterlingen moesten gehoorzamen aan de regel van Benedictus’.
Daarnaast waren de kloosters zo goed als zelfstandig. Binnen de kloosters leefden twee groepen mon­niken zo goed als gescheiden van elkaar. Het waren de grijze mon­niken en de witte monniken, zo genoemd naar de kleur van hun pij. De grijze monniken zorgden voor landbouw en ontginning van gebie­den en de witte monniken hielden zich bezig met studie en gebed. De Cisterciënzer kloosterorde schreef voor, dat de kloosters op afgelegen plaatsen moesten worden gebouwd. Ook dat was een oorzaak van de snelle verbreiding. Landbezitters maakten graag het edele gebaar een stuk onbewoonbare woestenij aan de orde te schenken. De Cisterciënzer monniken speelden daardoor een belangrijke rol in de ontginning van Europa.

.

Schiermonnikoog dankt zijn naam aan deze grijze monniken: schier=grijs; oog=eiland
.

Andere orden

Niet alleen bij de Cisterciënzers kwam het verlangen naar ware vroomheid en eenvoud tot uitdruk­king. Ook de monniken van de Karthuizer Orde wilden eenzaam leven. In de kloosters verbleven de Karthuizer monniken in kleine cellen met een tuintje. Ze spraken niet tegen elkaar en brachten de dag door met werk en gebed.

De Franciscaner monniken waren van een heel ander slag. De stichter van de Franciscaner Orde werd in 1182 geboren in het Italiaanse Assisi als zoon van een schatrijke koop­man. Tot grote ergernis van zijn vader keerde de jongeling, Francis­cus, zich spoedig af van het welvaren­de leventje. ‘Bewogen door een innerlijke stem’ besloot Franciscus van Assisi de vele vervallen kerkjes in zijn omgeving weer op te bouwen. Het benodigde geld vergaarde hij door handenarbeid te verrichten en te bedelen onder het volk. Na verloop van tijd besloot Francis­cus in volstrekte armoede het leven van Christus na te volgen. Barrevoets en gehuld in een grauwe pij trokken Franciscus en zijn volgelingen door de dorpen en stadjes van Italië. In het jaar 1221 waren er al 3000 Francis­caner monniken, die bedelend en predikend door Italië trokken. Van Franciscus zelf wordt beweerd, dat hij niet alleen de mensen, maar zelfs de dieren het evangelie verkondigde. Er zijn afbeeldingen van hem ge­maakt, waarop hij voor de vogeltjes predikt…

De Franciscanen maakten het de gevestigde kerkelijke leiders lang niet gemakkelijk. De monniken weiger­den demonstratief en openlijk elke vorm van bezit. En dat, terwijl de kerk de rijkste instantie van de christenheid was! Maar het was de paus vanzelfsprekend onmogelijk de Franciscanen van ketterij te beschul­digen. Als de arme Franciscanen niet deugden, wie dan wel? In de kerk van Assisi bevindt zich een schildering, waarop Franciscus een wankelende kerk ondersteunt. Men zegt dat de schilder daarmee een droom van de paus heeft vastgelegd. Toch aarzelde de paus, toen hij de Franciscanen zijn zegen moest geven: zo vreemd en bijna gevaarlijk kwam deze troep armoedzaaiers hem voor..

De brief in de regen

Bernardus van Clairvaux had veel kritiek op de monniken van Cluny. Hij legde die kritiek vast in de ‘brief in de regen’. Die brief werd zo genoemd, omdat volgens de legende op deze brief die onder de blote hemel werd ge­schreven, geen druppel viel terwijl het zwaar regende.
Bernardus had vooral grote bezwaren tegen de weelde waarin vele monniken leefden: ‘Het eeuwig geween en ge­krijs in de hel voor ogen houdend, zal men geen verschil zien tussen de strozak en het veren bed.’
Over het eten van de dikke monniken zei hij: ‘Ze eten dikke vissen, als vlees eten niet mag. Hoeveel recepten zijn er al om eieren klaar te maken?’
Ook de kerkgebouwen konden geen genade vinden in de ogen van Bernardus: ‘De kerken met hun de kijklust prikkelende beschilde­ringen belemmeren al­dus de zielsaandoening!’

6e klas kloosters 1

Karthuizer monniken bij hun klooster in Pavia, geschilderd begin van de 15 e eeuw.

6e klas kloosters 2

De koopmanszoon Franciscus van Assisi, die op jeugdige leeftijd afstand deed van al zin aardse goederen en besloot bedelmonnik te worden.

 

Franciscus

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis

 

.

744-681

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (6-2)

 .

De Tweede, Derde en Vierde Kruistocht

De nieuwe staatjes van de kruisridders

Na de bevrijding van Jeruzalem boden de ridders de dappere Godfried van Bouillon de koningskroon van de stad aan. Maar hij weigerde die met de woorden: ‘Ik kan geen gouden kroon dragen, waar Christus een doornenkroon droeg.’ Hij nam ge­noegen met de eretitel ‘Beschermer van het Heilige Graf’. Godfrieds neef Boudewijn van Boulogne had minder gewetensbe­zwaren. Hij ruilde zijn pas veroverde graafschap Edessa in voor Jeruzalem en aanvaardde wél de koningskroon. Boudewijn was niet de enige die zo gemakkelijk zijn eed aan keizer Alexius schond. Terwijl de meeste kruisridders met hun soldaten de reis naar huis aanvaardden, bleven zo’n 300 soldaten met hun aanvoerders achter in het Heilige Land. Ze stichtten staatjes in de veroverde gebieden. Bohemund van Tarente had zich Antiochië toegeëigend en Raymond van Toulouse werd de heer van Tripoli. Godfried van Bouillon was van plan naar huis te gaan, maar hij stierf in 1100, na een veldtocht tegen de stad Damascus.

De aansporing van Bernardus van Clairvaux

De muzelmannen berustten niet in de verovering van hun gebieden door de Europese ridders. Ze zonnen op wraak. Hun krachtigste leider, sultan Zengi, veroverde in 1144 Edessa. Dat was de zwakste, maar tevens de voornaamste voorpost van de kruis­vaarders. Dit wapenfeit werd aan­leiding voor het ondernemen van de Tweede Kruistocht (1147-1149). Deze veldtocht zou de glorie van de Eerste Kruistocht allerminst voort­zetten.
De in West-Europa thuisgekomen ridders hingen liever de held uit dan opnieuw de wapens op te nemen. In plaats van opnieuw de lange reis te ondernemen, reageerden ze lauw op de val van Edessa.

Maar toen kwam Bernardus van Clairvaux tussenbeide. Hij was een geestelijke, die aan alle Europese hoven in hoog aanzien stond. Hij besloot koningen en keizers af te reizen. Welbespraakt en vurig pleitte hij voor een nieuwe veldtocht tegen de moslims. Voor de eerste maal schaarden gekroonde hoofden zich onder de banier van het kruis. Lodewijk VII van Frankrijk maakte zich reisvaardig en vertrok met een groot leger van 70.000 man en begeleid door zijn gemalin Eleonora naar het Heilige Land. Vanuit het Duitse rijk vertrok Koenraad III met eveneens 70.000 man.

6e klas kruistochten 2

Bernardus van Clairvaux onderwijst zijn volgelingen. Deze invloedrijke geestelijke wist zowel de koning van Frankrijk als de Duitse keizer in 1146 te bewegen om de Tweede Kruistocht te ondernemen.

Veldtocht vol fouten

Aanvankelijk volgden de nieuwe legers dezelfde route als van hun voor­gangers. Maar na Constantinopel weken ze van de oude route af. Eerst marcheerden ze een stuk langs de kust van Klein-Azië en toen scheepten ze zich in en voeren naar Palestina. Het lot was de kruisvaarders die keer slecht gezind. Het leger van Koenraad III werd vernietigend verslagen. Lodewijk VII verging het al niet veel beter. Hij liet zich in Antiochië feeste­lijk onthalen door Bohemund. Maar hij beging de fout zijn vrouw aan de bescherming van Bohemund toe te vertrouwen. Prompt begon Bohe­mund haar het hof te maken. Nadat hij met zijn troepen verder was getrok­ken, beging de onwetende Lodewijk VII zijn tweede, nog grotere blunder. In plaats van het beleg te slaan voor Edessa, waarvoor hij eigenlijk was gekomen, viel hij de stad Damascus aan. Het was de stad die Godfried van Bouillon het leven had gekost. Maar de bewoners van Damascus haatten de Turken zo erg, dat ze eerder als bondgenoten dan als vij­anden beschouwd moesten worden. Lodewijk verspilde zijn krachten dus tegen de verkeerde vijand. Damascus werd manmoedig en met succes ver­dedigd. Lodewijk moest het laten afweten. Hij moest genoegen nemen met de verschroeide akkers rond de stad. Kort daarop hoorde hij dat Bohemund in Antiochië zijn vrouw Eleonora had ingepalmd. Verslagen trok Lodewijk VII met de resten van zijn legers terug naar Frankrijk en liet daar zijn huwelijk ontbinden…

Zegevierende Turken

De Turken, die de mislukking van de Tweede Kruistocht uiteraard met genoegen hadden aanschouwd, grepen hun kans en sloegen terug. De zoon van sultan Zengi veroverde Antiochië en alle steden in het noorden van Klein-Azië. In 1174 greep de Turkse generaal Saladin de macht. Nog in hetzelfde jaar nam hij Damascus in. Daarna rukte hij op naar Jeruzalem.
Koning Boudewijn van Jeruzalem, die in 1185 aan melaatsheid stierf, wist de stad tot aan zijn dood te behouden. Maar daarna kon de stad de sterke legers van Saladin niet veel langer weerstaan. Op 2 oktober 1187 wapperde Saladins banier op de muren van de Heilige Stad.

Een schok door Europa

De val van Jeruzalem voer als een schok door Europa. De paus ver­maande de Europese vorsten hun onderlinge twisten bij te leggen en spoorde hen aan tot de Derde Kruis­tocht (1189-1192). Ditmaal trokken niet twee, maar drie vorsten hun harnas aan. De Duitse keizer Frederik Barbarossa bracht een gigantisch leger op de been. De Franse koning Filips II Augustus deed hetzelfde, gevolgd door koning Richard Leeuwenhart van Engeland. Keizer Frederik Barbarossa (met de rode baard) trok dwars door Europa en kwam als eerste in Klein-Azië aan. Bij dit leger bevond zich ook graaf Willem I van Holland. Zijn eerste krijgsverrichtingen waren zeer suc­cesvol. Maar toen sloeg het noodlot opnieuw toe: op 10 juni 1190 ver­dronk de keizer in de rivier de Calycadnus. Ontmoedigd maakte een belangrijk deel van het Duitse leger rechtsomkeert.

Het verdrag met Saladin

Richard Leeuwenhart was fortuin­lijker. Samen met de Franse koning Filips II Augustus scheepte hij zich in Zuid-Frankrijk in en voer over de Middellandse Zee naar Palestina. Onderweg veroverde hij het eiland Cyprus. Aangekomen in het Heilige Land (in 1191) kregen de Engelse en Franse koning een heftige ruzie, als gevolg van de vele oorlogen die Frankrijk en Engeland de afgelopen jaren met elkaar hadden gevoerd. Filips II Augustus besloot met zijn krijgsmacht terug te keren naar Frankrijk.
Het kon Richard niet deren. Moedig trok hij met alleen zijn Engelse soldaten verder. De gehele westerse wereld, maar ook de mohammedaanse wereld weergalmde van Richards dapperheid, die vaak aan roekeloos­heid grensde. In 1192 veroverde hij Jaffa, maar Jeruzalem zou een visioen aan de horizon blijven. Richard Leeuwenhart ontving alarmerende be­richten uit zijn land en besloot naar Engeland terug te keren. Maar voor­dat hij zich inscheepte, wist hij een overeenkomst te sluiten met Saladin. Pelgrims mochten weer ongehinderd het Heilige Graf bezoeken. De over­eenkomst gold voor drie jaren. Onderweg werd Richard Leeuwen­hart twee jaar gevangen gehouden door hertog Leopold van Oostenrijk, die hij vroeger eens beledigd had. In 1194 keerde Richard in Engeland terug.

Een paus met grote plannen

In 1198 werd Innocentius III, toen 37 jaar oud, tot paus gekozen. De bezetting van de Heilige Stad door de mannen van Saladin was een doorn in het oog van de jonge paus. Bovendien was hij bezeten van het verlangen, machtiger te zijn dan wie ook in Europa.
Hij besloot de gekroonde hoofden van Europa tot een nieuwe kruistocht aan te zetten, om tijdens hun af­wezigheid zijn macht voor eens en altijd te vestigen. Hij begon met de geliefde riddertoernooien voor de periode van vijf jaar te verbieden. Wat hij verwachtte, gebeurde. De ridders werden ongedurig en zochten actie. De geslepen paus Innocen­tius III wist die dadendrang om te zetten in het organiseren van de Vierde Kruistocht (1202-1204). De paus vond een gretige geldschieter voor de legers in de heerser van het machtige Venetië, de doge Dandolo. Venetië zou in ruil voor de helft van de veroveringen en een fors bedrag de schepen leveren voor de overtocht en bovendien 34.000 man een jaar lang van voedsel voorzien. De vloot zou naar Egypte varen en de muzelman­nen daar in het hart van hun rijk treffen.

Wat de paus niet besefte, was dat de sluwe doge andere plannen voor had met de kruisvaarders. Evenals Pisa en Genua had de stad Venetië aan de voorgaande kruistochten een bloeien­de handel met de christelijke staatjes in Palestina overgehouden. De doge besloot de rijpende plannen voor een volgende kruistocht te benutten tot meerdere glorie van zijn stad. Venetië onderhield zeer winstgevende handelsbetrekkingen met Egypte en de doge was zeker niet van plan die te verspelen.
De kruisvaarders konden het vereiste bedrag voor de schepen en de over­tocht niet bij elkaar krijgen. Daar­door kon de doge de kruisvaarders zover krijgen, dat ze koers zetten naar Constantinopel. Dat was bij­zonder slim van hem, want die stad was reeds eeuwenlang de grote con­current op de markt in het Oosten. In 1203 bestormden de kruislegers Constantinopel. Ze herstelden er de macht van keizer Isaac, die enige jaren terug was verjaagd door zijn broer Alexius III. Maar nog geen jaar later kregen de kruisridders laaiende ruzie met de keizer en stuurden hem zijn keizerrijk uit.
De ridders verdeelden daarna het Europese deel van Byzantium in vele vorstendommen. Een kwart van het rijk, met de stad Constantinopel, werd geschonken aan Boudewijn van Vlaanderen, een van de belangrijkste aanvoerders. Hij werd de eerste keizer van het nieuwe rijk, dat ‘het Latijnse keizerrijk’ ofwel ‘Romania’ werd genoemd.
De macht van Constantinopel was gebroken. De Venetiaanse doge had zijn zin gekregen. Venetië kon onbe­lemmerd de vruchten plukken van de handel met het Oosten. De Vene­tiaanse schepen waren de meesters van de Middellandse Zee. Paus Innocentius III zag maar weinig van zijn idealen terechtkomen. En Jeruzalem was vergeten…

De laatste kruistochten

Graaf Willem I

Een Hollandse graaf was voorbe­stemd om tijdens de Vijfde Kruis­tocht (1217-1221) een opvallende rol te spelen. Het was graaf Willem I. Hij was het voorbeeld van een dappere middeleeuwse vechtridder. Hij had al eerder, onder bevel van de Duitse keizer Frederik Barbarossa, aan een kruistocht deelgenomen. Op de terugweg was hij in Franse ge­vangenschap geraakt. Toen hij later in Holland terugkeerde, nam hij maar al te graag de uitdaging van een nieuwe kruistocht aan.

Rondtrekkende predikers

In 1215 werd tijdens een kerkvergadering in het pauselijk paleis te Rome opgeroepen tot een volgende kruistocht. Meer dan 1000 afgezan­ten van vorsten, bisschoppen en andere belangrijke figuren waren bij deze kerkvergadering aanwezig. Paus Innocentius III verwachtte dan ook niet anders, of alle Europese vorsten zouden eendrachtig voor altijd een einde maken aan de overheersing van het Heilige Land door de muzelman­nen.
Maar het  pakte  anders  uit.  De vorsten zaten niet bepaald te trap­pelen van ongeduld om hun paleizen en koninkrijken te verlaten. Ze had­den het te druk met hun onderlinge ruzies en waren bang dat hun vijan­den hun afwezigheid zouden aan­grijpen om hun tronen te bezetten. Daarop beval de paus dat Europa overstroomd moest worden door pre­dikers, die het volk moesten op­roepen tot de strijd tegen de muzel­mannen. Welsprekend en geestdriftig trokken de predikers rond om te zorgen voor een massale deelname. Sommigen kregen in de overvolle kerken visioenen van in de lucht zwevende kruisen: een ‘teken van God…’

Het Portugese avontuur

Ten slotte beantwoordden twee mach­tige Europese vorsten de oproep van de paus: Andreas II van Hongarije en Leopold VI van Oostenrijk. Ook graaf Willem I van Holland scheepte zich met duizenden Friezen, Hollan­ders en Vlamingen in en zeilde langs de Europese kust naar het zuiden. Hij wilde door de Middellandse Zee naar Palestina varen.
Maar het lot besliste anders. Storm­winden sloegen de schepen van graaf Willem uit de koers. De vloot, waarbij zich inmiddels ook Engelse schepen hadden gevoegd, vluchtte een Portugese rivier op. Voor de Portugese koning Alfonsus II kwa­men de kruislegers als een geschenk van de hemel. Al jaren vocht hij een verbeten strijd tegen de Moren. Maar nooit was het hem gelukt hen uit hun versterkingen te verjagen. De koning haalde de kruisridders over hem te helpen bij zijn strijd. Willem I voer daarop met zijn vloot naar de zwaar verdedigde vestingstad Lissabon, die bezet werd gehouden door de Moren. De kruisvaarders bestormden het bolwerk met zoveel vuur, dat de belegerden zich over­gaven. Graaf Willem beloofde de Moren een vrije aftocht. Maar toen de Moren de vesting verlieten, stort­ten de Friese en Vlaamse troepen zich op hun ongewapende tegenstanders en slachtten hen af. De Portugese koning had zijn doel bereikt en verplaatste zijn hof naar Lissabon, dat daarna de hoofdstad van zijn rijk bleef. Uit dank bood hij de kruisridders land aan. Velen aan­vaardden dit en waren verloren voor de goede zaak. Het leger van graaf Willem onderging hierdoor een ge­voelige aderlating. Bovendien had hij op het slagveld al de nodige verliezen geleden. Daarom vroeg hij paus Innocentius III hem te ontheffen van zijn kruisvaart en hem toe te staan in plaats daarvan strijd te voeren tegen de Moren in Portugal en Spanje. De paus weigerde.

Graaf Willem maakte zich kwaad

Graaf Willem van Holland over­winterde in Lissabon. In het voorjaar voer hij verder. Andreas II van Hongarije en Leopold VI van Oostenrijk waren inmiddels in Egyp­te aangekomen. Ze hadden besloten de sterke stad Damiate aan te vallen. Toen graaf Willem aankwam, was met de belegering net een begin gemaakt. Vooral dank zij de inzet van de energieke Willem I en zijn trouwe mannen, viel Damiate in november 1218.
Daarop stelde de Egyptische sultan voor, Damiate te ruilen voor Jeruza­lem. Veel kruisvaarders waren inge­nomen met dat voorstel. Het zou betekenen dat ze zonder verdere strijd de Heilige Stad konden binnen­trekken. Maar een pauselijke af­gezant verijdelde de inruilplannen. Niet door onderhandeling, maar door strijd moest Jeruzalem aan de muzel­mannen worden ontnomen! Graaf Willem I kon geen begrip opbrengen voor dit pauselijke standpunt. Woe­dend keerde hij met zijn Friezen, Hollanders en Vlamingen terug naar huis.

De resterende kruislegers rukten ver­der Egypte in, maar werden daar verrast door de jaarlijkse over­stroming van de Nijl. Hun legerkamp veranderde in een eiland, omgeven door brede stromen. Schaakmat ge­zet door deze speling van de natuur moesten ze zelfs het veroverde Damiate prijsgeven. Ze besloten geen verdere verliezen te maken en bliezen de aftocht.

Frederik II, de diplomatieke kruisvaarder

Wat met het wapengekletter van de Vijfde Kruistocht niet bereikt werd, zou de Duitse keizer Frederik II von Hohenstaufen langs diplomatieke weg wel bereiken. Toen Frederik II in 1215 trouwde, zwoer hij in aanwezig­heid van de paus (Innocentius III) dat hij het Heilige Land zou veroveren. Innocentius III overleed in 1216 en zijn opvolger Honorius III was de eed aan zijn voorganger gedaan weliswaar niet vergeten, maar hij viel er Frederik II ook niet erg mee lastig. Hij had tenslotte al een aantal malen op het punt gestaan om te vertrekken. Honorius III werd in 1227 opgevolgd door de energieke Gregorius IX en deze nieuwe paus zou Frederik II direct aan zijn eed herinneren. In 1227 werd er een kruisleger door Frederik II uitgerust. Maar twee dagen na het uitvaren legde de vloot weer aan in Zuid-Italië, omdat de pest aan boord uitgebroken zou zijn! Een woedende paus Gregorius geloofde daar geen snars van en hij deed Frederik II onmiddellijk in de ban. Het was misschien de beste manier om hem juist wél op kruis­vaart te sturen. In 1228 trok Frede­rik II aan het hoofd van een sterk leger naar Jeruzalem. Het sterke leger hoefde niet in actie te komen, want op 11 februari 1228 sloot keizer Frederik II vrede met de muzelman­nen, zonder enige voorafgaande strijd. Christelijke pelgrims mochten de steden Bethlehem, Nazareth en Jeruzalem ongehinderd betreden. Paus Gregorius misgunde Frederik II zijn succes en hij was woedend omdat er geen strijd geleverd was. Hij kon er echter niet onderuit om de keizer in 1229 van de banvloek te ontheffen. In 1244 sloten de muzelmannen de Heilige Stad opnieuw voor de christe­nen en die keer voorgoed.

De jammerlijke veldtocht van Lodewijk de Heilige

Het heilig vuur, waarmee Europa de muzelmannen te lijf ging, begon steeds lager te branden. Alleen de Fransen bleken nog in staat tot voldoende godsdienstige geestdrift te kunnen komen om een kruistocht te ondernemen. Lodewijk IX de Heilige wist een machtig leger te verzamelen. In 1248 scheepte hij zich in. Zijn metgezel tijdens de Zevende Kruis­tocht (1248-1254) was de graaf van Vlaanderen.
Via het eiland Cyprus voer de kruisvloot naar Damiate, dat in 1249 werd bezet. Maar de ontberingen en ziekte in het verre, hete land sloopten het trotse leger, tot de restanten nog maar nauwelijks een strijdmacht genoemd konden worden. Het uit­gedunde leger leed een gevoelige nederlaag. Lodewijk IX en zijn ridders werden gevangengenomen. Pas na betaling van een kolossaal losgeld werden ze vrijgelaten. De muzel­mannen verwachtten, dat de Euro­peanen zo snel mogelijk hun paleizen, burchten en garnizoenen zouden op­zoeken. Maar de Franse koning wist van geen opgeven. Met een handjevol getrouwen begaf hij zich naar het noorden van Klein-Azië, waar hij vier jaren lang op versterkingen wachtte.
Versterkt met nieuwe manschappen bouwden de Fransen de steden aan de kust van Klein-Azië uit tot sterke forten. Maar voor een hernieuwde aanval op de muzelmannen had Lodewijk IX een bondgenoot nodig.
Hij onderhandelde met Mongoolse ruiters, die zich op korte afstand ophielden. De Khan van de Mongolen was een gezworen vijand van de muzelmannen. Maar de pogingen om samen met de Mongolen tegen de muzelmannen op te trekken, liepen op niets uit. Teleurgesteld keerde de Franse vorst in 1254 het Heilige Land de rug toe.

Het rampzalige einde

Toen Lodewijk de Heilige de terug­tocht naar Frankrijk aanvaardde, bleven vele steden aan de kust van het Heilige Land bolwerken van de chris­tenheid. Veel soldaten waren al tij­dens vorige kruistochten achterge­bleven en vormden samen met andere bewoners van de steden militaire garnizoenen, die de steden verdedig­den. Die oorspronkelijke bewoners waren van oorsprong christenen door hun Byzantijnse verleden, maar ze waren als slaven door de muzel­mannen in de islam opgevoed. Ze werden mammelukken genoemd. Toen er door het uitblijven van nieuwe kruislegers geen nieuwe ver­sterkingen voor de Europeanen kwa­men, zagen de mammelukken hun kans schoon. Ze grepen de macht en vestigden hun eigen islamitische staat in Klein-Azië. De ene na de andere stad viel in hun handen. De ontgoochelde Lodewijk de Heilige waren deze verliezen een doorn in het oog. In 1270 besloot hij het nog een keer te proberen. Hij rustte een sterke vloot uit en was van plan naar Palestina te varen. Maar zijn broer, Karel van Anjou, die koning van Napels was, riep eerst de hulp van Lodewijk in voor een gevecht op een ander front. Aan de overkant van de Middellandse Zee, in Noord-Afrika, lag het Moorse bolwerk Tunis. De Tunesische vloot vormde een voort­durende bedreiging voor de handel van het welvarende Napels. Lodewijk gaf gevolg aan het verzoek van zijn broer en voer eerst na Tunis. Het zou het rampzalige einde worden van de Achtste Kruistocht eigenlijk nog voordat deze werkelijk begonnen was. Want tijdens het beleg van Tunis brak onder de deelnemers de gevreesde pest uit. De ongelukkige koning Lodewijk IX de Heilige stierf en velen met hem. Met deze tragische dood kwam tevens het einde van de kruistochten. Het heilige vuur was gedoofd…

De laatste schermutselingen

Nog steeds bleven ijveraars langs de Europese paleizen en steden trekken om op te wekken tot massale strijd tegen de moslims. Vele plannen werden gesmeed, geen ervan werd uitgevoerd.
De grote kruistochten maakten plaats voor kleine veldtochtjes in de 14e en 15e eeuw. Af en toe werd een Turkse stad veroverd. Na korte tijd viel zo’n stad weer onder het Turkse geweld en werd het garnizoen tot de laatste man over de kling gejaagd. Vooral de Hongaren probeerden vertwijfeld de Turkse opmars naar Europa te stui­ten. Maar ze moesten zich voor de woeste horden terugtrekken. In 1453 werd op de muren van Constantinopel de gevreesde Turkse banier geplant. Ze gaven de stad de nieuwe naam Istanboel en zouden haar nooit meer prijsgeven…

6e klas kruistochten 3

De gevolgen van de kruistochten

De werkelijke winnaars

Na bijna twee eeuwen van strijd aan de oostelijke oevers van de Middel­landse Zee hadden de muzelmannen zich steviger dan ooit genesteld in heel Klein-Azië. De kruistochten hadden vrijwel niets opgeleverd. In­tegendeel, zelfs Constantinopel werd voortdurend bedreigd en werd uitein­delijk door de Turken ingenomen. Wat er aan winst kon worden binnen­gehaald, lag thuis, in de verschillende landen van Europa. Vele vorsten hadden met groot genoegen de grootste herrieschoppers zien weg­trekken naar het Heilige Land en nooit meer zien terugkomen. De afstand tussen de edelen en het volk werd kleiner. In ruil voor geld voor hun kruislegers, hadden de edelen gul gestrooid met privileges aan de steden en de kooplieden. Het volk kreeg medezeggenschap. De macht van de adel begon te tanen. Vooral de handel behaalde winst door de kruistochten. Reeds vóór het begin van de kruistochten bestond er een bescheiden handel met het Oos­ten. Maar de oorlog met de Turken had de handelswegen afgesneden. Geen wonder dat rijke handelssteden als Venetië, Genua en Pisa zich haastten om de kruisvaarders te hel­pen met geld en schepen. Niet die kruisvaarders, maar de kooplieden kwamen als overwinnaars uit de strijd. Ze konden weer specerijen, tapijten, parfums, zijde, edelstenen, aardewerk, goud, ivoor en suiker ver­handelen door heel Europa. De kruisridders hielden de aanvoerwegen en de havens wel open…

Winst voor bouwmeesters en kunstenaars

De zijde, die tijdens en na de kruistochten naar Europa werd gevoerd, werd al snel een status­symbool. De in Europa onbekende dierenfiguren die in de oosterse zijde waren geweven, vormde een wat verwarrende inspiratiebron voor de beeldhouwers van de kerken. De gehele bouwkunst in Europa onderging de invloed van wat de kruisridders in het Heilige Land aan moois hadden gezien. Zo ontstond in Frankrijk een bouwkunst, die zich kenmerkte door langgerekte bogen en hoge gewelven, zoals die door muzelmannen al eeuwen werden toegepast. Die Franse bouwkunst zou zich ontwikkelen tot de meest grootste die Europa heeft gekend: de gotiek. In bijna alle grote steden van Europa werden aan het einde van de kruistochten enorme kathedralen in gotische stijl gebouwd.

Winst voor de wetenschap

De kruistochten hadden zelfs gevolgen voor het gedrag van de ridders en hun grove manieren. Het contact met de oosterse beschavingen werkte polijstend en verfijnend. Het rauwe krijgslied verstomde en maakte plaats voor dichterlijke gezangen vechtjasmentaliteit werd verdrongen door ridderlijkheid. De hang naar meer beschaving ging gepaard met hoofse manieren. De romantiek bloeide op in de dichtkunst. De wijsbegeerte en de kennis van de muzelmannen begonnen naar Europa door te sijpelen.
De oosterse aardewerktechniek werd in Spanje en Italië overgenomen. Het Europese aardewerk was altijd grof geweest en overtrokken met grauw zoutglazuur. Het met kleurrijk tinglazuur  overtrokken aardewerk van de moslims zou Europa in komende eeuwen veroveren. Het papier, een Chinese uitvinding, werd door de Moren naar Spanje en Sicilië gebracht. Vandaar vond het zijn weg door de hele westerse wereld. Het schrijven van boeken werd op grote schaal ter hand genomen en maakte de weg vrij voor de drukkers. Alle kunsten en wetenschappen in Europa wonnen door het contact met het Oosten. De kruistochten vormden de bloedige botsing tussen twee godsdiensten. Maar ze verlosten het Westen uit een isolement.

.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis

.

738-675

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (6-1)


 .

DE KRUISTOCHTEN

Een welbespraakte paus

Op 27 november 1095 schalde uit tienduizenden kelen een strijdlustige kreet tegen de grauwe stadsmuren van Clermont-Ferrand. Het was de kreet ‘Deus lo volt!’ (God wil het). Het was de leuze die bijna twee eeuwen lang het lot van heel Europa en Klein-Azië zou bepalen. Clermont-Ferrand lag in het hart van Frankrijk. De stad was tevens het middelpunt van de westerse christe­lijke wereld. Tienduizenden Fransen en buitenlanders waren naar de stad gestroomd. Zó groot was de mensen­massa, dat de stad te klein was voor allen. De menigte moest zich buiten de poorten verzamelen. Bisschoppen stonden naast paters, graven naast boeren en burgers naast lijfeigenen. Daar, in het open veld, hield paus Urbanus II een gloedvolle preek. De paus was een kleine, tengere man. Maar hij bezat de gave van het woord. Welbespraakt wist hij de menigte op te zwepen. ‘Deus lo volt!’ was de leuze, waarmee paus Urbanus II de aanwezigen opriep voor de strijd ter bevrijding van het Heilige Land.

Maar deze boodschap was niet alleen bestemd voor de menigte bij Clermont-Ferrand. Over de hoofden van de verzamelde toehoorders heen riep de paus de gehele westerse christenheid op tot de strijd tegen de muzelmannen en de bevrijding van Jeruzalem. Iedere christen afzonder­lijk riep hij op, zijn aardse goederen in de steek te laten. Ieder moest op zijn kleding een rood kruis naaien en het zwaard opnemen. De paus stelde daar tegenover: ‘En als u vraagt hoe God u voor deze moeite zal belonen, dan beloof ik u: ieder die het kruis draagt en boete doet, zal voortaan vrij zijn van zonden.’

Voor wie bang mocht zijn in de komende Heilige Oorlog het leven te laten, voegde de paus er nog aan toe: ‘Op welke plaats, op welk ogenblik en op welke manier hij het aardse leven ook zou verliezen, hij zal het eeuwige leven verwerven.’ Maar paus Urbanus II beloofde meer dan alleen geestelijke beloningen. Hij stelde ook tastbare beloningen in het vooruitzicht: ‘Het Heilige Land vloeit over van melk en honing, zoals het paradijs.’

Wie nóg mocht twijfelen om aan de oproep van de paus gevolg te geven, moest bijna wel zwichten voor de laatste belofte, dat iedere deelnemer opschorting van zijn schulden en ook vrijstelling van belastingen zou krij­gen. En ten slotte zouden alle deel­nemende horigen en lijfeigenen voort­aan vrij zijn! De opgezweepte me­nigte herhaalde geestdriftig de leuze van de paus: ‘God wil het!’

Verschillende drijfveren

Waarom kwam de paus helemaal uit het verre Rome naar Clermont-Ferrand? En waarom reageerde het volk zo geestdriftig op zijn oproep? Om dat te begrijpen, moet men iets weten van de innige verbondenheid tussen de middeleeuwse Europeanen en de kerk. Enerzijds werd Europa innerlijk verdeeld door de veelvuldige oorlogen tussen vorsten en volkeren. Maar de Europese volkeren waren anderzijds innerlijk sterk verbonden door het geloof in Christus. De katholieke kerk en de paus hadden van Europa een bolwerk van de christenheid gemaakt. De Europeaan uit die tijd, die niet kon lezen of schrijven, had een heilig ontzag voor de ontwikkelde priesters. Van zijn geboorte af was hem ingeprent, dat het geloof zijn hoogste goed was. En dat geloof werd bedreigd! Die bedreiging kwam van de muzelmannen of moslims, de volkeren in het Midden-Oosten die aanhangers waren van het mohammedaanse ge­loof, de islam. Van de stichter van hun geloof, de profeet Mohammed, had­den ze de opdracht gekregen de hele wereld te winnen voor de islam. Het is duidelijk dat de Europese christen­heid zich daartegen verzette. De bedreiging van de muzelmannen vormde de voornaamste drijfveer van de Europeanen om zich gedurende de 12e en 13e eeuw in een gigantisch en onoverzichtelijk avontuur te storten. De toespraak van paus Urbanus II gaf de stoot tot de eerste van een reeks van acht massale veldtochten tegen de muzelmannen. Deze ‘kruis­tochten’ zouden tussen 1095 en 1270 de grootste bewegingen in de wereld­geschiedenis veroorzaken. Geestelijkheid, adel en volk stonden in Clermont-Ferrand aan de vooravond van een woelige periode. Het zou een tijdvak worden waarin onder de banier van het christenkruis in vlammend rood, heldendom en gru­weldaden dicht bijeen lagen. Een tijd waarin godsdienstige vervoering vaak uitmondde in zinloze slachtpartijen. Maar niet alleen de bedreiging van de eigen godsdienst door de ‘barbaarse’ islam was de drijfveer tot het deel­nemen aan de kruistochten. Velen die de barre tocht naar het Heilige Land maakten, werden door minder hoog­staande motieven gedreven. Er waren misdadigers bij, die aan de arm van de wet probeerden te ont­komen. De paus had hen vergeving van zonden toegezegd. Er waren ook avonturiers bij, belust op buit. Ver­der waren er ridderzonen zonder veel toekomst in het voorvaderlijk kas­teel, dat het eigendom zou worden van de oudste zoon. De paus had hen de ‘melk en honing’ van het Heilige Land beloofd.
Verder waren er boerenzoons bij zonder akkers, lijfeigenen en hori­gen, die aan de hele of halve slavernij wilden ontkomen. De paus had im­mers gezegd dat ze vrij zouden worden!
Zo zochten velen, gedreven door andere dan godsdienstige motieven, hun toevlucht onder de banier van het kruis. Ze hoopten een nieuwe toekomst te kunnen opbouwen.

Een oplaaiende oude strijd

De strijd tegen de muzelmannen was niet nieuw. Al eerder hadden de aanhangers van de islam Europa aan de zuidelijke en oostelijke grenzen in de tang genomen. Al eeuwenlang waren de Europese vorsten bezig de muzelmannen op verschillende fron­ten terug te dringen. In Spanje ging de strijd tegen de Moren, op Sicilië en in Italië tegen de Saracenen en in het oosten tegen de Turken. De herovering van Spanje op de Moren werd aangeduid met het Spaanse woord ‘reconquista’. De reconquista werd ingezet met de overwinning op de Moren bij de Franse stad Poitiers in het jaar 732. Maar daarna was geen enkele macht in Zuidwest-Europa sterk genoeg om de Moren te verdrijven. Pas in 1031 werd de reconquista nieuw leven ingeblazen. Kleine delen van Spanje werden heroverd. Maar door onder­linge verdeeldheid van de kleine christelijke rijkjes in Noord-Spanje kwam de reconquista weer tot staan. Pas 100 jaar later moesten de Moren weer enkele delen van Spanje prijs­geven. Maar het duurde tot 1275, voordat de Moren alleen nog maar het zuidoostelijke deel van Spanje bezet hielden, met de stad Granada als laatste bolwerk.

In het zuiden van Italië werd de strijd tegen de oprukkende muzelmannen gevoerd door Normandiërs, die uit Frankrijk waren overgekomen. De Normandiërs dreven de mohamme­daanse Saracenen de zee in. Daarna veroverden de Normandiërs het eiland Sicilië. De Saracenen hadden daar lange tijd een vlootbasis gehad. Van­daar uit beheersten ze vrijwel de hele westelijke Middellandse Zee. De Saraceense schepen vluchtten de open zee op, maar daar werden ze door de Italiaanse vloot verslagen.

Het bedreigde christendom in Oost-Europa

Aan de Duitse oostgrenzen drong reeds eeuwenlang een andere vijand langzaam maar zeker naar het westen. Het waren geen muzelmannen, maar heidense Slavische stammen. De Duitse boeren die meer land wilden hebben, besloten dat zelf te vero­veren. Gewapenderhand namen ze grote delen land in het oosten in bezit en verdreven de Slavische stammen. Nieuwe steden en vorstendommen ontstonden en nieuwe kerken werden gebouwd. De katholieke kerk werd steeds meer een strijdende kerk. In het zuidoosten worstelde het chris­tendom tegen de ondergang. Het keizerrijk Byzantium, met als hoofd­stad Constantinopel, vormde het overblijfsel van het eens zo machtige Romeinse keizerrijk. Byzantium was in de loop van de eeuwen min of meer los van de rest van Europa uitge­groeid tot een welvarend rijk. In 1054 hadden de katholieke Byzan­tijnen zich losgemaakt van de rooms-katholieke kerk. Daardoor was de christenheid verdeeld in een westerse christenheid onder leiding van de paus van Rome en een oosterse christenheid onder leiding van de aarts-patriarch van Constantinopel.
Het spreekt bijna vanzelf dat de paus van Rome naar middelen zocht om de oosterse christenen weer binnen de rooms-katholieke kerk te krijgen. Van 1081 tot 1118 was Alexius keizer van Byzantium. Tijdens zijn regering werd een deel van het Byzantijnse gebied in Klein-Azië veroverd door de Turken. Het door de christenen als Heilige Stad beschouwde Jeruza­lem in het Heilige Land (Palestina) was een bolwerk van de muzelman­nen geworden. Pelgrims die vanuit alle delen van Europa eeuwenlang ongehinderd Jeruzalem en het Heili­ge Graf hadden bezocht, werden door de mohammedaanse Turken verdreven.

Keizer Alexius zag geen kans het alleen op te nemen tegen de Turken. Hij vroeg steun aan de paus van Rome. Die wilde wel helpen, temeer omdat hij hoopte met deze steun de oosterse christenen terug te winnen voor zijn kerk. Verschillende pausen smeedden plannen voor een veldtocht om Jeruzalem te bevrijden van de muzelmannen.
De welbespraakte paus Urbanus II was degene die de plannen uitwerkte. Hij riep iedereen in Europa op tot een kruistocht. De strijd in het Heilige Land moest de genadeslag toebrengen aan de oprukkende islam en de hele christenheid voorgoed in veiligheid stellen.

De Eerste Kruistocht

De jammerlijke kruistocht van het volk

De paus had verwacht, dat de vorsten van Europa zich eensgezind en onver­wijld met hun legers op weg zouden begeven naar het Heilige Land. Het waren echter niet de ridders, maar de armsten van de armen die als eersten een rood kruis op hun schamele kleding naaiden. Ze werden daartoe aangezet door slimme volkspredikers als Peter de Kluizenaar, die meestal meer belangstelling hadden voor hun geldkist dan voor hun bijbel. Het eerste kruisleger bestond uit horigen en lijfeigenen, bedelaars en dagdieven, schavuiten en verarmde boeren. Hun primitieve bewapening bestond voornamelijk uit knuppels en dorsvlegels en hun proviand uit geroofd vee en gestolen wijn. Op 12 april 1096 vertrok Peter de Kluize­naar met ongeveer 10.000 man uit Keulen. Dat aantal zou onderweg aangroeien tot 20.000. Hun spoor door de Europese landen leek op dat van een aanzwellende zwerm sprink­hanen.
De eerste vorst die de horde bande­loze mannen aan zijn grenzen zag verschijnen, was koning Columbanus van Hongarije. Vol wantrouwen ver­leende hij het leger havelozen de doortocht. Maar hij liet Peter de Kluizenaar uitdrukkelijk beloven, dat zijn mannen niet zouden plun­deren. Maar een ruzie over de ver­koop van een paar schoenen liep uit op een ware veldslag. De stad Semlin werd geplunderd en 4.000 Hongaren, geloofsgenoten van de kruisvaarders, werden gedood.
Daarna werd een deel van het volks­leger het werktuig van meedogenloze roofridders. Deze eerloze ridders, die zich bedreigd voelden door rijke handeldrijvende joden, ontketenden een wrede jacht op de joden. Ze maakten de onontwikkelde kruis­vaarders wijs, dat de joden een even grote bedreiging voor het christen­dom vormden als de muzelmannen. De joden hadden immers Christus zelf vermoord en dat was veel erger dan wat de mohammedanen deden tegenover de christenen. Joden werden als wild opgejaagd, bij hon­derden afgeslacht en hun bezittingen werden geroofd.

Op Byzantijns gebied aangekomen, vergrepen de kruistochtbenden zich aan de bewoners, die ze eigenlijk als bondgenoten moesten beschouwen. De stad Belgrado werd platgebrand achtergelaten. Ten slotte hakten By­zantijnse troepen, op wraak belust, op de horden in. Peter de Kluizenaar raakte daarbij niet alleen een flink gedeelte van zijn volksleger kwijt, maar hij verspeelde bovendien de hem zo dierbare geldkist… Keizer Alexius van Byzantium, die van de pauselijke oproep tot strijd tegen de muzelmannen had gehoord, had door ridders geleide huurtroepen verwacht. In plaats daarvan zag hij ongeregelde benden onder de muren van Constantinopel hun tenten op­slaan en de omgeving onveilig maken. Hij liet de ongewenste bondgenoten ijlings met zijn schepen naar de overkant van de Bosporus brengen. De Bosporus was de smalle zeestraat die Constantinopel scheidde van Klein-Azië, waar de mohammedaan­se Turken heer en meester waren. Zo leverde keizer Alexius de kruisvaar­ders uit aan de muzelmannen…

Hinderlaag

In Klein-Azië werd het volksleger een prooi van de Turken. De restanten van het nauwelijks bewapende bede­laars- en plunderaarsleger liepen in een hinderlaag. Vrijwel alle kruisvaarders werden afgeslacht tijdens een nachtelijke achtervolging. Peter de Kluizenaar, de geslepen schurk in monnikspij, was geen getuige van de ondergang van de volkskruistocht. Hij was wijselijk naar Constantinopel teruggegaan om keizer Alexius om hulp te vragen.

De adel werd kruisdrager

De volkskruistocht, die in 1096 een jammerlijk einde vond, wordt niet tot de officiële kruistochten gerekend. Die begonnen pas, toen goedbe­wapende soldaten onder leiding van edelen en hoge geestelijken de veld­tocht naar het Heilige Land onder­namen.

De Eerste (officiële) Kruistocht was een goed voorbereide militaire onderneming, maar werd toch niet geleid door staatshoofden. Noch de Engelse koning, noch de Franse koning, noch de keizer van het Duitse rijk behoor­den tot de kruisdragers. Het waren wel hun leenmannen, die hun wapen­rusting tooiden met het vlammend rode teken van de kruisvaarders. De kerkelijke leider van de veldtocht was de bekwame en betrouwbare Franse bisschop Adhémar. Onder zijn opperbevel schaarden zich ver­schillende ridderlegers uit voorname­lijk Franse leengebieden. De ridders die het bevel voerden waren de krijgshaftige Godfried van Bouillon (uit de Ardennen) en Robert van Vlaanderen. Maar ook graven en hertogen met een meer bedenkelijke reputatie waren van de partij: de wrede Raymond van Toulouse, de opschepperige Bohemund van Tarente, de drankzuchtige Robert van Normandië en de onbetrouwbare Boudewijn van Boulogne.

Het dubbele spel van keizer Alexius

Vier legergroepen rukten op korte afstand van elkaar op naar Constantinopel. Met Kerstmis 1096 kwamen ze in de stad aan. Keizer Alexius liet de legeraanvoerders zweren, in ruil voor goud en juwelen, dat ze de te bevrijden steden opnieuw onder Byzantijnse heerschappij zouden plaatsen. In de maanden die volgden, verzamelden zich in Constantinopel ongeveer 100.000 kruisvaarders, tegen Pasen 1097 liet keizer Alexius de kruislegers de Bosporus over­varen. Voor hen lag Klein-Azië, vijandig door de wrede Turken, het broeierige klimaat en de dorre natuur. De gelederen raakten verdeeld door op macht en buit beluste legeraan­voerders. Die verdeeldheid werd nog versterkt door de taalverschillen tus­sen de groepen kruisvaarders uit de verschillende delen van Europa. Het humeur van de soldaten werd er niet beter op, toen al snel de proviand opraakte.
De kruislegers rukten op naar Niceae, de hoofdstad van de Turken. Niceae was vroeger een Byzantijnse stad geweest en lag aan het Meer van Ascane. De stad vormde de toegangs­poort tot de eeuwenoude hoofdweg door Klein-Azië.
De Turkse sultan die Niceae bezet hield, had de gemakkelijke afslach­ting van het armzalige volksleger nog vers in het geheugen. Daardoor onderschatte hij de dreiging van de legers van de kruisridders. Toen de hongerige kruisvaarders de muren van Niceae bereikten, vocht de sultan ergens anders een veldslag uit.
Ge­waarschuwd kwam hij snel terug, maar zijn wanhopige poging tot ontzet van de stad werd in bloed gesmoord. De kruisridders bleven de stad belegeren.

Maar de belegerde Turken hielden vol en lieten zich bevoorraden door een poort, die aan het Meer van Ascane was gebouwd. Keizer Alexius, die van boodschappers van het beleg van Niceae had gehoord, stuurde een vloot om de waterweg naar de stad af te grendelen. De keizer speelde daar­mee dubbel spel. Hij wilde de stad in handen krijgen en daarom wilde hij plundering voorkomen. De admiraal van de Byzantijnse vloot onderhandelde in het geheim met de Turken. Hij beloofde hun een vrijge­leide en zelfs geschenken, als ze de stad ontruimden. Daarna spiegelde hij de kruisridders voor, dat ze de muren met zonsopgang moesten be­stormen. Niceae zou dan rijp zijn voor overgave.

Maar ’s morgens vroeg bleek boven de stad reeds de Byzantijnse vlag te wapperen. De Byzantijnse admiraal vertelde de verbaasde kruisridders, dat hij bij verrassing de stad door de poort aan het meer had genomen. Het duurde niet lang of het dubbele spel lekte uit. Maar de overwinning had slechts weinig slachtoffers gekost en aan het voedselgebrek was een einde gekomen. Daarom wonden de kruisvaarders zich niet zo erg op over het vreemde spel van de Byzantijnen. Maar vele ridders voelden zich toch wel zó bedrogen, dat ze hun eed aan keizer Alexius dat de veroverde steden Byzantijns zouden worden, niet meer serieus namen.

De hongertocht naar Antiochiè

De kruislegers trokken verder. Ze wisten niet dat de Turken een reusachtig leger hadden samengetrokken en op wraak uit waren. Plotseling dreigde een vloedgolf van 150.000 Turken de legers van Bohemund en Raymond te overspoelen. Net op tijd viel het leger van bisschop Adhémar de Turken in de rug aan en joeg hen op de vlucht.
De kruislegers veroverden de stad Edessa. Daar bleef Boudewijn van Boulogne achter als ‘graaf var Edessa’, met een garnizoen om de stad zonodig te kunnen verdedigen.

Verder trokken de kruislegers

De Turken pasten de tactiek van de verschroeide aarde toe. Ze brandden alle dorpen en akkers plat, zodat de kruislegers in de verre omtrek geen kruimel voedsel konden vinden. Bij een genadeloos brandende zon teis­terden honger, dorst en ziekte de uitgeputte kruislegers. De soldaten pelden het weinige overgebleven graan tussen hun vingers en aten het rauw op. Veel buit en wapenrusting werden weggeworpen. In de bergen die de legers moesten oversteken, werd de lijdensweg een ware martelgang. Vermoeide ruiters en lastdieren stortten in diepe ravijnen. Dodelijk vermoeid bereikten de weinige overgebleven manschappen in 1097 de stad Antiochië. Voor de stadsmuren van soms 18m hoog, waarboven 400 schitterende torens blonken in de zon, sloegen de kruisvaarders hun tenten op. Tijdens het zeven maanden
durende beleg van de stad werden de gelederen nog meer uitgedund door honger, ziekte en dood. Op 2 juni 1098 viel de stad door verraad. Een inwoner van Antiochië die vroeger christen was geweest, liet de kruisridders de stad binnen. Even flakkerde de geestdrift van de sol­daten op, toen ze eindelijk de stad konden binnentrekken.

Het wonder van de lanspunt

Maar nauwelijks hadden de kruis­legers bezit genomen van Antiochië, of er naderde een groot Turks leger. Toen werden de belegeraars op hun beurt belegerd. De voedselvoorraad slonk met de dag. Op de rijpaarden na werden alle dieren geslacht, zelfs de trouwe pakezels. De situatie was vrijwel hopeloos toen een pelgrim, Peter Bartholeus, be­weerde dat hij in een visioen de apostel Andrea had gezien. Die zou hebben verteld, dat de lans die de zijde van Christus had doorboord, begraven lag onder de kerk van Antiochië, die de Turken als paardenstal hadden gebruikt. Dit relikwie maakte zijn eigenaar onoverwinnelijk!
Het ‘wonder’ voltrok zich. De lanspunt, waarschijnlijk heimelijk in de grond gestopt, werd gevonden. De kruisvaarders waanden zich toen onoverwinnelijk, rukten de poort uit en versloegen de Turken. Niet langer bedreigd, sloegen de overwinnaars aan het plunderen. Toen bovendien de onbaatzuchtige opperbevelhebber bisschop Adhémar aan een besmettelijke ziekte bezweek, was het met de discipline van de legers helemaal gedaan.

Het beleg van Jeruzalem

Bohemund van Tarente en Raymond van Toulouse betwistten elkaar het bezit van Antiochië, een strijd die door Bohemund werd gewonnen. Andere, meer gewetensvolle ridders hadden de grootste moeite hun soldaten zover te krijgen dat ze verder trokken. Eindelijk trokken in januari 1099 Godfried van Bouillon en Raymond van Toulouse aan het hoofd van hun morrende troepen zuidwaarts. De ridders wilden Jeruzalem zien en veroveren. Bethlehem, de geboorteplaats van Jezus, werd met een nachtelijke aanval ingenomen en van de Turken bevrijd. Op 7 juni 1099 stonden de kruislegers ten slotte aan de poorten van Jeruzalem, de Heilige Stad. Het aantal overgebleven kruisvaarders bedroeg nog slechts 12.000 man. Jeruzalem werd niet bezet gehouden door de Turken, maar door een mohammedaans volk uit Egypte. De sultan van Jeruzalem had tot in de verre omtrek het vee laten weghalen, de akkers laten afbranden en de waterputten laten vergiftigen. Slechts één bron was overgebleven. Omdat die bron maar één keer per drie dagen water gaf, vertrapten de dorstige kruisvaarders elkaar om tenminste te kunnen drinken.
Godfried van Bouillon liet een vloot naar Palestina komen, die touwen en onderdelen van gevechtstorens op het strand afleverde. Het zware materiaal werd  over een afstand van 60 km op de ruggen van gevangenen naar Jeruzalem gevoerd. De kruislegers bereidden zich voor op de bestorming van de stad. Op 8 juli 1099 trokken de kruisvaarders ongewapend, met ontblote hoofden en barrevoets om de muren van de Heilige Stad. In hun processie voerden ze banieren, kruisen  en relikwieën mee! Vanaf de hoge muren werden ze bespot door de muzelmannen…

De bevrijding van de Heilige Stad

De aanval werd ingezet in de nacht 12 op 13 juli 1099. Een regen van pijlen en stenen en vuur daalde neer op de kruisridders. Enorme met natte huiden beschermde houten gevechtstorens werden tot vlak tegen de hoge muren gereden. Tientallen zwaar bewapende ridders bemanden deze torens. Na twee dagen van verbeten strijd slaagde een ridder erin vanaf een gevechtstoren op de stadsmuur te springen. Met zijn lange zwaard woest in het rond zwaaiend, sloeg hij een gat in de opeengehoopte verdedigers. Andere ridders volgden zijn voorbeeld, onder wie hun aanvoerder, de dappere Godfried van Bouillon. Langzaam vochten de ridders zich een weg door de fel strijdende muzelmannen, in de richting van de poort. Een ridder deed een uitval naar het mechanisme waar­mee de zware deuren werden ge­opend. Hij werd neergestoken door vele zwaarden en van de muur geworpen. Andere ridders vormden daarop een menselijke muur rond de deuren en begonnen aan de zware wielen te draaien. Langzaam en kreunend weken de deuren vaneen. Van buiten de poort glipte een soldaat naar binnen. Daarna weer twee. Toen zwaaiden de deuren wijd open en de kruislegers stroomden de stad binnen. Het was 15 juli 1099. Jeruzalem was veroverd!

6e klas kruistochten 1

Gebrek aan manieren

Het Byzantijnse hof was onthutst over het gebrek aan manieren van de westerse ridders. De hovelingen vonden hen ‘grof van natuur, onbeschaamd, geldziek en niet in staat weerstand te bieden aan hun ongebreidelde fantasie’. Bovendien vonden ze de ridders de ‘grootste kletskousen ter wereld.’

De ridders drongen van de vroege ochtend tot de late avond het keizerlijk paleis binnen en bekommerden zich niet in het minst om de strenge regels aan het hof. Ze maakten het de keizer lastig met hun eindeloze gesprekken en ‘achtervolgden hem tot in zijn slaapvertrekken met hun verzoeken om geld en gunsten….’

.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis

730-667

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (5-3)

.

Paus Gregorius VII  1025-1085
.

Dertig jaar lang had Hildebrand Bonizo een grote rol gespeeld bij het invoeren van belangrijke hervormingen binnen de kerk. Toen werd hij tot paus gekozen. Hij koos de naam Gregorius VII. Hij was een van de werkelijk dramatische figuren uit de geschiedenis. Hij gaf het pauselijke ambt een aanzien, dat het nooit eerder had gehad. Hendrik III, de keizer van het Heilige Roomse Rijk, ging voor hem op de knieën tijdens de historische ontmoeting in Canossa. Gregorius bewerkstelligde dat de Paus het onbetwiste gezag binnen de kerk kreeg.

Hildebrand was de zoon van een arme Longobardische timmerman. Op zijn dertigste was hij al opgeklommen tot de positie van kapelaan van paus Gregorius VI. Er bestond in die tijd weinig eerbied voor het pausschap. De pausen werden gekozen door de geestelijken en de bevolking van Rome. Ze waren vaker slimme politici dan vrome Er was dringend behoefte aan hervor­mingen.
Verbeteringen kwamen er pas nadat de grote keizer Hendrik III zich ermee was gaan bemoeien.
De keizers hadden vage, maar erkende rechten, wanneer bij pauselijke verkiezingen beslissingen genomen moesten worden. Gregorius VI was een man, maar hij had voor het verwerven van de pauselijke zetel duidelijk een aardig bedrag neergeteld. Hendrik III gaf in 1046 het bevel om hem te onttronen. De keizer installeerde vervolgens een viermanschap, dat een begin moest maken met de hervormingen in de kerk. De belangrijkste van hen was Leo de IX (1049-1054). Hij koos nieuwe kardinalen en bracht Hildebrand, die nog maar aartsdiaken was, binnen het pauselijke bestuur. Leo hield jaarlijkse vergade­ringen in Rome. Daar werden besluiten uitgevaar­digd, die door provinciale synoden werden be­krachtigd en uitgevoerd. Hij probeerde ook de invloed van Rome uit te breiden tot Zuid-Italië. Daar hadden Normandische avonturiers nieuwe staten gesticht, in gebieden die eens het bezit van Constantinopel waren geweest. In 1059 sloot paus Nicolaas II met de Normandiërs een overeenkomst. In ruil voor militaire be­scherming schonk hij de Normandiërs de gebie­den die ze ingenomen hadden, gebieden die vol­gens de feodale wet aan het rijk toekwamen. Op aanraden van Hildebrand voerde paus Nico­laas II ook een nieuw systeem in bij de pauselijke verkiezingen. De paus werd gekozen door het col­lege van kardinalen. De politici van Rome werden uitgesloten en er kwam een einde aan de rol van de keizer als scheidsrechter. Binnen tien jaar hadden de pausen hun keizerlijke beschermers terzijde geschoven.
Maar de hervormingsbeweging had zijn vijanden. Hendrik III stierf in 1056. Daardoor kregen de pausen in Italië de handen vrij, maar ze verloren veel belangrijke steun in Duitsland. Paus Alexander II (1061-1073) probeerde hervormingen te bereiken door de diplomatieke weg te bewandelen. Hildebrand ergerde zich daaraan. Toen de oude paus stierf, werd Hildebrand door het Romeinse volk tot paus uitgeroepen. Hij werd door het conclaaf inderdaad gekozen. Het systeem van de vergaderingen in Rome en de provinciale synodes werd weer in ere hersteld. Er werden duidelijker besluiten uitgevaardigd tegen misstanden, zoals het negeren van het celibaat. In 1075 dreigde Gregorius met de kerkelijke ban voor elke leek, die een priester de tekenen van zijn ambt zou verschaffen. Hiermee tergde hij de Duitse koning.
De bisschoppen speelden een belangrijke rol in de regering. Ook waren ze vaak grootgrondbezitters. Bij hun inwijding ontvingen ze een ring en een staf van de keizer, als symbool van hun trouw. De 25 jaar oude Hendrik IV hoopte, dat hij Italië weer onder Duits bestuur kon brengen. Hij installeerde een nieuwe aartsbisschop van Milaan. De paus dreigde hem in de ban te zullen doen. In antwoord op dat dreigement riep Hendrik IV de Synode van Worms bijeen. Daar werd besloten dat Gregorius ‘niet langer paus was’. Gregorius deed Hendrik in de ban en verklaarde, dat hij was onttroond en dat Hendriks onderdanen niet langer tot gehoorzaamheid verplicht ware. Duitse opstandelingen vroegen de paus een nieuwe koning te kiezen.
In januari vertrok de paus naar het noorden.
Hij rustte onderweg uit in Canossa. Hendrik kwam daar naar hem toe als boeteling. Gregorius besefte, dat wanneer hij de koning vergiffenis zou schenken, hij daarmee zijn politieke positie in Duitsland zou verzwakken. Hij zag ook in, dat hij geen verraad kon plegen ten opzichte van zijn her­derlijke plicht om boetelingen genade te schen­ken. Hij hief daarom de ban op en Hendrik IV keerde naar Duitsland terug om de rebellen te bestrijden. Gregorius gaf het bevel dat beide par­tijen hem als scheidsrechter moesten aanvaarden. Toen Hendrik dat weigerde, werd hij weer in de ban gedaan en onttroond. Hendrik wees de aarts­bisschop van Ravenna aan als paus Clemens III. Drie jaar later rukte Hendrik III met zijn leger op naar Rome. Hij installeerde Clemens in de Sint Pieterskerk. De nieuwe paus kroonde hem tot kei­zer. Gregorius vluchtte naar het kasteel van St. Angelo. Hij was diep vernederd en riep de hulp in van de Normandische leider Robert Guiscard. Het leger van de Normandiërs redde de paus. Rome werd op een verschrikkelijke manier geplunderd. De Romeinen, die hun paus lang trouw waren gebleven, keerden zich tegen hem. Gregorius werd gedwongen samen met zijn Normandische ‘beschermers’ te vertrekken. Hij stierf nog hetzelfde jaar. Op zijn sterfbed sprak hij de woorden: ‘Ik heb de eerlijkheid liefgehad en de zonde gehaat… daarom sterf ik nu in balling­schap’

.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis

.

729-666

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (5-2)

.

 

OTTO I DE GROTE 912-973
.

Otto I werd door zijn tijdgenoten beschouwd als de grote voorvechter van een christelijk Europa. Hij was vanaf 936 koning van Duitsland en vanaf 962 keizer van het Westen. De staat die hij sticht­te, was twee eeuwen lang de grootste macht van het Europese vasteland. Zijn kroning tot keizer riep herinneringen op aan Karel de Grote. Het Heilige Roomse Rijk, dat door Otto werd gesticht, bleef tot 1806 bestaan.

Otto was de zoon van Hendrik, de hertog van Saksen. Dat was de noordoostelijke provincie van het Duitse Rijk, die grensde aan het gebied van de nog heidense Slaven. Hendrik werd in 919 tot koning van het Duitse Rijk gekozen. Hij legde de basis voor het succes van zijn zoon. Hij had een samenwerking tot stand gebracht tussen de andere grote Duitse hertogen van Frankenland, Lotha­ringen, Beieren en Zwaben. Hij kon daar alleen in slagen, door hun grote onafhankelijkheid te ver­zekeren. De eerste jaren van Otto’s koningschap werden gekenmerkt door vele opstanden. De jonge koning was al een geharde veldheer ge­worden tijdens de vele veldtochten van zijn vader tegen de Slaven. Hij had sterke zenuwen en was een geslepen politicus. Voor zijn vijanden kende hij geen genade. De hertog van Beieren werd ont­troond en verbannen, de hertog van Frankenland sneuvelde tijdens een veldslag. Hij verleende zijn aanvankelijk in ongenade gevallen broer gratie en schonk hem Beieren.
Aan de grenzen in het noordoosten voerden twee trouwe graven, Gero en Hermann Billung, gena­deloze oorlogen tegen de Slaven. Zelf wist Otto te bereiken dat Boleslav I van Bohemen zich moest overgeven.

In de vijftiger jaren van de 10e eeuw brak er een moeilijke tijd voor hem aan. Er was een opstand, waarbij zijn zoon uit het huwelijk met zijn overle­den eerste vrouw betrokken was. Gelijktijdig werd het zuiden van het Duitse Rijk geteisterd door het nomadenvolk van de Magyaren. Op 10 augustus 955 slaagde Otto erin hen te vernietigen. Dat was tijdens een lange en bloedige veldslag op het Lechfeld in de buurt van Augsburg. Zijn troe­pen riepen hem uit tot keizer en Europa eerde hen: als grote beschermer. De Magyaren trokken zich terug op de hoogvlakten van Hongarije. Maar alweer doemden er problemen op, ditmaal in het zuiden. In 951 had Adelaide, de koningin van Italië, hem om hulp gevraagd tegen de ambitieuze markies Berengar. Otto stuurde de herto­gen van Beieren en Zwaben om haar te helpen. Maar hij was bang dat er een nieuw machtsblok zou ontstaan en trok daarom uiteindelijk zelf tegen Berengar ten strijde. Hij trouwde met Adelaide en werd tot koning van Lombardije gekroond. Tien jaar daarna nam de macht van Berengar weer verontrustende vormen aan. Op ver­zoek van paus Johannes XII rukte Otto naar Rome op. Daar werd hij op 2 februari 962 tot kei­zer gekroond. Otto en de paus ondertekenden de Privilegium Ottonianum. Daarin werden de pau­selijke privileges vastgelegd en het gaf, naar Otto geloofde, de keizer bepaalde rechten in pauselijke aangelegenheden. Maar binnen een jaar smeedde de sluwe paus tegen de keizer een complot. Otto was woedend en zette hem af. Johannes was al paus sinds zijn zeventiende jaar en hij was berucht om zijn liederlijke levensstijl. Maar de Romeinen beschouwden het pausschap als iets waarover alleen zij konden beslissen. Ze kwamen meermalen in opstand en Otto was daardoor gedwongen een streng regime te hand­haven. Daarna marcheerde hij naar Zuid-Italië, dat een provincie was van het Byzantijnse keizer­rijk.
Otto was wijzer dan vele van zijn voorgangers. Hij kwam al snel tot het besef, dat zijn opmars een dure onderneming zou worden. Daarom be­gon hij de diplomatieke weg te bewandelen. In 972 werd zijn 16-jarige zoon Otto (de latere keizer Otto de Tweede) uitgehuwelijkt aan een Byzantijnse prinses. Met Pasen van het volgende jaar was de keizer voorzitter van een schitterende ver­gadering in Quedlinburg. Die werd bijgewoond door Boleslav II, koning van Bohemen en gezan­ten uit Kiev, Denemarken, Polen, het Hongarije van de Magyaren en Constantinopel. Otto was ooit door de Byzantijnse keizers be­schouwd als een landveroverende barbaar. Hij werd nu door hen erkend. De Slaven bedelden om zijn gunst. Hij vestigde in Maagdenburg de zetel van het Heilige Roomse Rijk. Hij verbreidde vandaaruit het christendom naar het oosten. In het Duitse rijk waren de bisschoppen de gewillige die­naren van de regering (velen hadden een familie­band met de keizer). In ruil voor gulle schenkin­gen bestuurden ze de kerk, maar erkenden steeds de hoogste macht van de keizer. De keizer was tot zijn dertigste analfabeet. Hij kende vrijwel niets van de Slavische en Romaanse talen. Toch had hij een staat opgebouwd, die reik­te van Rome tot aan de Baltische Zee en van de Rhône tot aan de Elbe. Hij had een paus afgezet en zijn eigen kandidaat aangesteld. Voor zijn tijd­genoten was het duidelijk, dat de toekomst van het Latijnse christendom in Duitse handen lag. Toch leidde deze keizerlijke droom tot onnodige avonturen op Italiaans grondgebied. Daardoor werd de aandacht van de Duitse leiders van belangrijker zaken afgeleid. Tijdens de regering van Hendrik IV veranderde de medewerking van de kerk in openlijke vijandschap. De spanningen binnen de zorgvuldig tot stand gebrachte burger­lijke en kerkelijke regering liepen zo hoog op, dat het systeem er bijna door werd vernietigd.

6e klas Otto 1Dit is waarschijnlijk een mythisch tafereel; Otto I gooit op Jutland een speer. volgens de overlevering zou de noordelijke grens van zijn rijk komen te liggen waar de speer neerkwam.

6e klas Otto 1  2Het rijk van Otto I. De grote kracht ervan was, de harmonie tussen de twee grote koninkrijken Italië en Duitsland.
.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis
.

728-665

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (5-1)

.

 .

DUITSLAND, HET HEILIGE ROOMSE RIJK
.

De gekozen koning

Met de dood van Lodewijk het Kind in 911, de laatste telg uit het geslacht van de Karolingers, dreigde het Duit­se rijk geheel uiteen te vallen. Om verdere versnippering te voorkomen, werd besloten om voortaan bij de dood van een koning het rijk niet meer onder zijn zoons te verdelen. De zoons zouden onder elkaar één op­volger kiezen, die koning werd. De eerste op deze manier gekozen Duitse koning was Koenraad van Frankenland (911 – 919). Tijdens zijn regering kregen de Duitsers te kam­pen met invallen van woeste stammen uit het oosten. Eenheid en gezamen­lijk optreden waren hard nodig om de vijanden te kunnen weerstaan. Maar Koenraad I was geen krachtige figuur en hij wist die eenheid niet te bereiken. In zijn rijk heersten wan­orde en verdeeldheid, omdat vele hertogen – allemaal van koninklijke afkomst – dongen naar de positie van koning. In plaats van zich in te zetten voor de eenheid van het rijk, sticht­ten de hertogen aparte rijkjes. Van het bestuur van de koning trokken ze zich maar weinig aan.

De keizerskroon als ideaal

Op zijn sterfbed in 919 benoemde Koenraad I een van zijn grootste tegenstanders, maar tevens de be­kwaamste, tot zijn opvolger. Het was Hendrik I. Toen Hendrik het bericht ontving van zijn benoeming tot koning van Duitsland, was hij juist op de valkenjacht. Jagen met valken was de grote liefhebberij van deze koning. Daarom ging hij de geschie­denis in als Hendrik de Vogelaar. Zijn zoon Otto de Grote volgde hem in 936 op. Otto bestreed met veel succes de invallende Hongaren, Slaven en Vikingen. Hij wist zelfs zijn rijk met grote delen van Italië uit te breiden. Otto’s grote ideaal was, net als zijn grote voorganger Karel de Grote de keizerskroon te mogen dragen. Handig gebruik makend van de hulp die de paus hem eens vroeg, wist hij dit ideaal te verwezenlijken. Zijn kleinzoon Otto III, die regeerde van 983 tot 1002, had nog grotere idealen. Hij probeerde in het grote Duitse rijk de glorie van het oude Romeinse rijk te laten herleven. Daarom bemoeide hij zich vooral met de Italiaanse rijksdelen. Hij bracht er met behulp van zijn Duitse ambtenaren orde en rust. Zo kwam er een einde aan een lange periode van wanorde in het oude moederland van de Romeinen.

Otto III herstelde ook de positie van de paus, die in de 10e eeuw een man zonder gezag was geworden. Hij bezorgde het hoofd van de katholieke kerk zelfs veel wereldlijke macht. Het zou latere Duitse keizers voor grote problemen stellen. De voortdurende strijd tussen de keizer van Duitsland en de paus van Rome zou als een rode draad door de geschiedenis van het middeleeuwse Duitsland lopen…

Frederik Barbarossa

Ondanks verwoede pogingen van de elkaar opvolgende Duitse vorsten, bleef het herstel van de koninklijke macht een visioen. Soms waren er lange of kortere periodes waarin het leek dat er eindelijk één sterk Duits­land was ontstaan. Maar dan volgde weer een tijd waarin de hertogen meer tegen elkaar vochten, dan ge­zamenlijk tegen een gemeenschap­pelijke vijand. Zo volgden de keizers elkaar op.

In het jaar 1152 was van eenheid binnen de Duitse rijksgrenzen geen sprake. Heerszuchtige hertogen voerden voortdurend oorlog met elkaar. Het volk betaalde de prijs van de ellende en leed onder plundering en brandstichting. In dat jaar kwam de toen 30-jarige Frederik I op de Duitse troon. Om zijn vurig rode baard noemden zijn Italiaanse onderdanen hem Frederik Barbarossa (Roodbaard).

Het Heilige Roomse Rijk

Frederik Barbarossa wist de hertogen tot meer eendracht te bewegen. In zijn eigen hertogdom Zwaben ver­stevigde hij zijn macht en hij kwam zoveel mogelijk tegemoet aan vele eisen van zijn hertogelijke leenman­nen. Daar stond tegenover dat ze hem als de leider van het Duitse rijk aanvaardden. Zelfs in het altijd oproerige Italië, dat door de hoge Alpen van de rest van het Duitse rijk werd gescheiden, stelde Frederik Barbarossa orde op zaken. Dit be­tekende voornamelijk, dat de paus als wereldlijk heerser de nodige veren moest laten.

Keizer Frederik I, uit het geslacht van de Hohenstaufen. wordt beschouwd als de stichter van wat genoemd wordt het ‘Heilige Roomse Rijk’. Met ‘Heilig’ wordt bedoeld, dat het rijk beschouwd kon worden als de vaandeldrager van het christendom in Europa. Met ‘Rooms’ wordt be­doeld dat de stad Rome als het middelpunt van het rijk werd be­schouwd. Overigens doet de naam ‘Heilige Roomse Rijk’ niet ver­moeden, dat de verhouding tussen keizer en paus in dit rijk bepaald slecht was.

Tot 1268 de Hohenstaufen

De opvolgers van Frederik Barbaros­sa bouwden het Duitse rijk nog verder uit. Ze beschouwden echter niet langer Duitsland als hoofdland, maar het beschaafder Italië. Ze be­stuurden een machtig rijk, waarin kunsten en wetenschappen bloeiden en op een hoog peil kwamen te staan. De strijd tussen keizer en paus bereikte tijdens de regeringsperiode van Frederik II (1218 – 1250) opnieuw een hoogtepunt. ‘Moge de hemel jubelen en de aarde zich verheugen,’ schreef de paus bij de dood van de keizer in 1250. De paus was toen naar Frankrijk gevlucht, omdat hij Rome na een verloren veldtocht tegen Frederik II had moeten verlaten. Ook de nazaten van Frederik II werden door de elkaar opvolgende pausen steeds fel belaagd. Koenraad IV stierf al in 1254. Zijn opvolger Manfred sneuvelde in 1266. De 15-jarige Konradijn kwam toen op de troon. Hem was geen lange regerings­periode beschoren, noch een lang leven. Nog geen twee jaar later werd Konradijn door een aanhanger van de paus gevangengenomen en ont­hoofd. Met de dood van deze laatste Hohenstauf kwam er een einde aan het Heilige Roomse Rijk.

De legende van Barbarossa

Keizer Frederik Barbarossa, de grondlegger van het Heilige Roomse Rijk, stierf tijdens een kruistocht. Toen hij in Klein-Azië op 10 juni 1190 de rivier Calycadnus wilde oversteken, werd hij door de stroom meegesleurd en verdronk hij jammer­lijk. De plotselinge dood van hun keizer stelde het geloof van de Duitse kruisridders danig op de proef. De meesten keerden geschokt naar huis terug.
In Duitsland ontstond de legende dat de geliefde keizer helemaal niet dood was (men had zijn lijk nooit terug­gevonden). Hij zou zich hebben teruggetrokken in het binnenste van de Kyffhäuserberg in het Duitse Thüringen. Zelfs in onze 20e eeuw zou hij daar nog steeds peinzend aan een grote stenen tafel zitten. Zijn rode baard groeit en groeit. Pas als de stenen tafel geheel door de baard is omwikkeld, zal de keizer definitief uit zijn mijmeringen ontwaken. Hoog rond de spitsen van de berg cirkelen zwarte raven. Zodra deze grote zwarte vogels door adelaars worden verjaagd, zal de keizer zijn onderaardse burcht verlaten. Slechts zelden is het stervelingen gelukt tot de oude keizer door te dringen. De keizer ontwaakte dan en vroeg of de raven nog steeds rond de berg vlogen. Als dit bevestigend werd beantwoord zuchtte de keizer diep en zei: ‘Het zal nog eeuwen duren voor ik weer onder mijn volk mag verschijnen. Mijn vermoeide ziel slaapt weer in. Ik heb nog honderden jaren de tijd…’

Hoe Duitsland weer een keizer kreeg

De vergevensgezinde Otto de Grote

Keizer Otto I, die als Otto de Grote de geschiedenis zou ingaan, liet zich in 936 de koningskroon op het hoofd drukken door de aartsbisschop van Mainz. Het levensdoel van Otto I was, keizer te worden over een machtig rijk, zoals vroeger Karel de Grote. Net als zijn grote voorbeeld was hij vergevensgezind tegenover ieder die hem te na kwam. Maar hij was ook mateloos eerzuchtig en vaak driftig in zijn optreden. Dikwijls nam hij be­slissingen zonder er eerst goed over na te denken. Dit leverde hem vele vijanden binnen zijn rijksgrenzen op. Nauwelijks was Otto I koning ge­worden, of een aantal hertogen kwam tegen hem in opstand. Zijn broer Hendrik, die liever zelf tot koning was gekozen, steunde de opstandelingen. Maar uiteindelijk moest Hendrik het onderspit delven. De koning vergaf zijn broer het verraad en benoemde hem zelfs tot hertog van Lotharingen, een wel­varend deel van het rijk. Maar twee jaar later nam de ondank­bare Hendrik opnieuw deel aan een samenzwering, toen tegen het leven van zijn broer. De plannen om de koning te vermoorden mislukten en Hendrik werd samen met zijn kor­nuiten opgepakt. Alle opstandelingen werden ter dood gebracht. Maar Hendrik werd voor de tweede maal door zijn broer gespaard. Na een gevangenschap van zes lange jaren werd Hendrik weer in genade aan­genomen. Als hertog van Beieren bleef hij verder trouw aan zijn broer.

De Hongaren verslagen

Het oostelijk deel van het rijk van Otto de Grote werd voortdurend aangevallen door woeste stammen, voornamelijk heidense Slaven en Hongaren. In de slag bij Lechfeld (955) wist hij de Hongaren definitief te verslaan.

Slimme zet met de bisschoppen

Koning Otto de Grote begon genoeg te krijgen van de opstanden van de hertogen, waarmee zijn voorgangers ook al het nodige te stellen hadden gehad. Hij bedacht een slim plan. Als de op macht beluste hertogen zich dan niet wilden onderwerpen aan hem, de leenheer, dan zou hij gehoorzamer leenmannen aanstellen. Die gehoorzamer vazallen vond de koning in… de Duitse bisschoppen. Op de bisschoppelijke belofte dat ze als leenman hun koning trouw zou­den zijn, begon Otto de kerkvorsten meer land te schenken dan ze reeds bezaten. De bisdommen kregen gra­felijke rechten. Dit betekende dat de bisschoppen voortaan zelf in hun steeds groter wordende gebieden de rechtspraak mochten regelen en… belastingen mochten heffen. De bisschoppen hadden wel oren naar deze uitbreiding van hun macht. En Otto de Grote stelde tot zijn volle tevredenheid vast, dat de bisschop­pen bijzonder trouwe leenmannen waren: trouwer dan de hertogen! Een bijkomend voordeel was, dat de bisschoppen niet mochten trouwen, zodat ze hun leen niet erfelijk konden maken. De Duitse keizer kon dus steeds aan iemand die hem welgezind was een bisdom in leen geven.

Bisdommen te koop…

Door de maatregel van Otto de Grote waren de Duitse bisschoppen voort­aan niet alleen verantwoordelijk voor het geestelijk welzijn van de gelovi­gen, maar ook de wereldlijke bestuurders van hun machtige bisdom­men. Want de slimme Otto be­noemde de bisschoppen vanzelf­sprekend niet meer om hun kwaliteit als geestelijken, maar om hun ge­schiktheid als heersers en hun trouw als leenmannen.
Otto paste op grote schaal vriendjes­politiek toe. Hij zette een van zijn broers op de aartsbisschoppelijke zetel van Keulen. Een van Otto’s zonen werd aartsbisschop van Mainz en een oom bracht het tot aartsbis­schop van Trier.
Anderen kregen de hoge kerkelijke positie, als zij Otto I geldelijke steun gaven. Otto bood bisdommen te koop aan!

Otto de Grote tot keizer gekroond

Otto’s hoogste levensdoel was het inruilen van zijn ‘eenvoudige’ koningskroon voor de begeerde kei­zerskroon. Hij deed een poging hier­toe, toen hij in 950 aanspraken kon laten gelden op de Italiaanse troon. Een verre nazaat van Karel de Grote overleed als koning van Italië. De macht werd daarop overgenomen door een leenman, die de weduwe van de koning gevangen zette. Otto de Grote verzamelde zijn legers en trok in 951 over de Alpen naar Italië. Hij versloeg het leger van de tiran­nieke leenman en bevrijdde de koningin. Toen hij met haar trouwde, werd hij uitgeroepen tot koning van Italië.

Otto de Grote bezat toen een rijk van de Oostzee in het noorden tot de Middellandse Zee in het zuiden. Naar hij zelf vond, was dat rijk groot genoeg voor een keizer in plaats van een koning. Maar de paus weigerde Otto tot keizer te kronen. Otto had geen tijd om de paus tot andere gedachten te brengen. Hij moest met zijn leger naar Duitsland terug, om zich met de strijd tegen de Hongaren te bemoeien. In 961 trok Otto de Grote voor de tweede maal over de Alpen zuidwaarts. Die keer was hij door de paus te hulp geroe­pen. Otto smeedde het goud voor de keizerskroon toen het heet was en stelde de paus zijn voorwaarden. Op 2 februari 962 kroonde de paus hem tot keizer van het Duitse rijk. Daarna werd het gebruikelijk dat de gekozen Duitse koning door de paus tot keizer werd gekroond, maar dat gebeurde niet altijd.

Ruzie om de Duitse bisschoppen

Naar Canossa gaan wij niet!’

Op 14 mei 1872, riep de Duitse staatsman Bismarck in de Rijksdag, het Duitse parlement, uit: ‘Nach Canossa gehen wir nicht!’ Hij had op dat ogenblik ernstige problemen en het zag ernaar uit, dat hij een zware politieke nederlaag zou moeten lij­den. Maar Bismarck wilde zich in geen geval onderdanig in het stof wentelen en zich ten aanschouwen van de wereld laten vernederen. Vandaar zijn uitroep: ‘Naar Canossa gaan wij niet!’

De Duitse kanselier doelde daarmee op de vernedering, die de Duitse koning Hendrik IV (1056 – 1106) acht eeuwen eerder had moeten onder­gaan tegenover paus Gregorius VII op het Italiaanse kasteel van Canossa. Deze gebeurtenis in Canossa heeft op de mensheid door de eeuwen heen een grote indruk achtergelaten.

De investituur-strijd

De strijd tussen de Duitse koning en de paus van Rome vormde het hoogtepunt in de strijd rond de ‘investituur’: het recht tot benoeming van de bisschoppen. Keizer Otto de Grote was al omstreeks 950 begonnen met het benoemen van de bisschop­pen, om zuiver politieke redenen. Hij had de bisdommen grafelijke rechten gegeven, waardoor de bisschoppen grote delen van het Duitse rijk bestuurden als wereldlijke heren. Dat die bisschoppen vaak onaanvaard­baar waren voor de kerk, kon zowel Otto de Grote als zijn opvolgers weinig schelen. De bisschoppen waren trouwe leenmannen en zorgden voor voldoende belastingopbrengst. Maar al gauw kwam het voor, dat iemand die bisschop wilde worden, de Duitse vorst een grote som geld aanbood.
De vorst nam dan de vrijheid zich te laten omkopen…
Vele Duitse bisschoppen hielden zich niet aan hun celibaatsverplichting. wat betekende dat ze er vaak vrou­wen en kinderen op na hielden. Een strijd tussen kerk en vorst over deze kwestie kon niet uitblijven. Van het begin af had de paus zich tegen deze misstand verzet. Maar hij kon in Duitsland maar weinig uitrichten, omdat de regerende vorsten gewoonlijk over voldoende machtsmiddelen beschikten om de paus te weerstaan.

Gregorius VII nam maatregelen

In 1073 werd de pauselijke troon bezet door Gregorius VII. Hij was een krachtige en intelligente monnik. Hij nam zich voor zijn kerk volledig onafhankelijk te maken van welke wereldlijke heerser ook. Elke be­moeienis van niet-geestelijken, zoals van de Duitse vorst, wees hij beslist van de hand. De paus was zelfs van mening, dat de minste priester nog belangrijker was dan de machtigste koning. De paus verklaarde ook waarom hij dit vond: ‘Een priester kan iemand op zijn sterfbed nog de eeuwige zaligheid bezorgen. Een leek kan dit nooit, hoe hoog zijn maatschappe­lijke positie ook is.’ Maar de Duitse koning trok zich van de paus niets aan en hij ging zijn eigen gang. Aanvankelijk wist de paus niet welke maatregelen hij moest nemen. Pas toen Hendrik IV in 1076 door een opstand in zijn rijk in moeilijkheden kwam, greep de paus zijn kans. Hij wees de Duitse bisschoppen op hun celibaats­verplichtingen en verbood de Duitse vorst om nog langer bisschoppen te benoemen. Elke bisschop, die het met dit pauselijk bevel niet eens was, werd onmiddellijk in de ban gedaan!

Hendrik IV in de ban

De openlijke uitbrander van de paus wekte bij Hendrik IV wrevel op. Woedend riep hij zijn Duitse bis­schoppen bijeen. Met hen nam hij de beslissing, die ‘valse monnik’ in Rome te verzoeken de pauselijke stoel te  verlaten. Prompt sprak Gregorius VII de banvloek uit over de drieste Hendrik.

Drie dagen en drie nachten

De macht van de paus was zó groot geworden, dat Hendrik IV door die banvloek zijn troon in gevaar zag komen. Er zat niets anders op dan te proberen de paus tot andere gedach­ten te brengen. Hij besloot de paus te smeken de ban op te heffen. Volgens de overlevering liet de paus de Duitse koning drie dagen en drie nachten in vorst en sneeuw voor de slotpoort van de burcht te Canossa staan. Toen pas was de heilige vader voldoende overtuigd van de geloof­waardigheid van de boetedoening van Hendrik IV. Hij hief de banvloek op.

In het tuinhuis

Ondanks de geweldige vernedering die Hendrik IV voor de ogen van zijn volk en de wereld moest ondergaan, verloor de koning niet zijn aanzien. Zijn tijdgenoten beschouwden het als een normale en eervolle zaak, dat de vorst boete deed om van zijn ban­vloek af te komen. Dat hij daarvoor drie etmalen op zijn blote voeten in de sneeuw moest blijven staan, werd door velen niet echt geloofd. Dit ongeloof is waarschijnlijk terecht geweest. Het verhaal werd zo goed als zeker in de wereld gebracht om de paus gunstig te stemmen. Ook staat vrijwel vast, dat Hendrik IV in het behaaglijke tuinhuis van het kasteel verbleef. Intussen onderhandelden zijn raadsheren met die van de paus over de voorwaarden die tot ophef­fing van de banvloek zouden moeten leiden. Uiteindelijk werden de paus en de koning het met elkaar eens.

Opnieuw naar Canossa

De gang naar Canossa maakte aan de banvloek een einde. Voor het ogen­blik had de paus gewonnen, maar de misstanden waren daarmee zeker niet verdwenen. De Duitse koning bleef zich heimelijk tegen de paus verzetten.
Toen Gregorius VII genoeg kreeg van Hendriks onwil, deed hij hem in 1180 opnieuw in de ban. Die keer miste het uitspreken van de banvloek de ge­wenste uitwerking. Het lag er voor iedereen te dik bovenop, dat de paus de Duitse vorst uitsluitend om poli­tieke redenen uit de kerk had gezet. Hendrik IV zelf reageerde laconiek op de tweede pauselijke banvloek, die over zijn hoofd was gekomen. Hij trok met een leger naar Italië. In 1084 veroverde hij Rome en zette de lastige paus af. Een van Hendriks Italiaanse leenmannen werd op aandringen van de Duitse koning tot paus gekozen. De eerste daad van de nieuwe paus, die zich Clemens III noemde, was het kronen van Hendrik IV tot keizer…

Het Concordaat van Worms

Op 23 september 1122 verklaarde de volgende vorst, Hendrik V, dat hij verder afzag van bemoeienissen met kerkelijke zaken. De benoeming van geestelijken op belangrijke posten werd voortaan uitsluitend overge­laten aan de kerk. Deze koninklijke beslissing wordt het ‘Concordaat van Worms’ genoemd. Maar toch bleef de Duitse vorst enige invloed uit­oefenen op de bisschopsbenoemin­gen. Want als de geestelijken het over een benoeming niet eens konden worden, had de koning het recht om zelf te beslissen. Toch kan worden gesteld, dat met het Concordaat van Worms een einde kwam aan de lange investituurstrijd.

Een geleerde op de keizerstroon

Opgevoed door de paus

Op tweede kerstdag 1194 werd in het Zuid-Italiaanse stadje Jesi de zoon geboren van de Duitse keizer Hendrik VI. Hendrik VI was op 20-jarige leeftijd getrouwd met de 10 jaar oudere Constanza, een Normandische prinses uit Sicilië. Na negen kinderloze jaren was er einde­lijk een zoon gekomen, die aanvan­kelijk de naam van Konstantijn kreeg. Pas later zou de jonge prins de naam aannemen van zijn beroemde grootvader: Frederik. In 1196, toen Frederik 2 jaar oud was, werd hij al gekozen tot koning van Sicilië. Hendrik VI stierf toen zijn zoontje pas 3 jaar was. Moeder Constanza maakte van de dood van haar echtgenoot gebruik om de prins een Italiaanse opvoeding te geven. Wat haar betrof, zou haar zoon het rijksdeel ten noorden van de Alpen hebben opgegeven en zich uitsluitend hebben beziggehouden met Italië. Toen de kleine Frederik 4 jaar oud was, liet zijn moeder hem tot koning van Sicilië kronen. Enige maanden later stierf Constanza. Op haar sterf­bed vertrouwde ze haar zoon toe aan de zorgen van de kerk en de paus.

Buitengewoon goed verstand

Frederik beschikte over een buiten­gewoon goed verstand en hij was bijzonder leergierig. Hij studeerde van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Zelfs de moeilijkste leerstof nam hij snel in zich op. Als kind leerde hij Frans, Duits, Italiaans, Latijn, Grieks en Arabisch. Hierdoor kon hij zich met al zijn onderdanen in hun eigen taal onderhouden.
De knapste Italiaanse professoren werden uitgezocht als leermeesters van de veelbelovende jongeman. Ze verbaasden zich keer op keer over de geweldige intelligentie van de prins. Frederik rijpte al snel tot een man, die begreep dat hij alleen op zichzelf kon vertrouwen. Hij verachtte de meeste leden van zijn hofhouding, die steeds in zijn nabijheid te vinden waren om te proberen bij hem in de gunst te komen.

Grote aantrekkingskracht op vrouwen

De enige wezens die Frederik ver­trouwde, waren dieren. Zijn paarden, honden en vogels behandelde hij als vrienden. Ondanks de vele uren die hij besteedde aan studie, ontwikkelde hij zich tot een lichamelijk sterke man, die uitblonk in paardrijden, schermen en boogschieten. Hij was een hartstochtelijk jager, die zowel met de speer en met pijl en boog, als met valken jaagde. Niet alleen door zijn hoge afkomst, maar ook door zijn krachtige ver­schijning oefende Frederik grote aan­trekkingskracht uit op vrouwen. Hij trouwde verschillende malen en had talloze minnaressen. Reeds op 16-jarige leeftijd werd hij vader. Zijn oudste zoon Hendrik zou hem later het leven zuur maken. Hendrik sloot zich namelijk aan bij opstan­dige hertogen in het rijk van zijn vader. Frederik moest zijn zoon gevangen laten zetten. Na vele tien­tallen jaren als een vogel in een vergulde kooi gevangen te hebben gezeten, pleegde Hendrik zelfmoord. Frederik liet daarbij niets van zijn gevoelens blijken. Want behalve be­minnelijk voor zijn omgeving kon hij ook meedogenloos wreed en hard zijn voor wie zich tegen zijn gezag verzette.

Geleerde en jager

Keizer Frederik II regeerde zijn grote Duits-Italiaanse rijk vanuit zijn pa­leis in de Siciliaanse stad Palermo. Hij verzamelde een grote kring van dichters en geleerden om zich heen. Samen met kunstenaars en geleerden bracht hij de tijd door met studie en wijsgerige gesprekken. Op die manier droeg Frederik II belangrijk bij aan de wetenschappelijke ontwikkeling in die tijd. Frederik zelf met zijn bril­jante geest en grote kennis werd in heel Europa als een groot geleerde beschouwd.
Door zijn grote voorliefde voor de valkenjacht bestudeerde de keizer diepgaand het leven van de vogels. Al zijn kennis over vogels legde hij vast in zijn boek ‘Over de Kunst van het Jagen met Vogels’. Uit alle hem bekende streken liet hij zich valken toesturen en richtte die zelf af. Frederik was door de valkenjacht gegrepen. Hij kon zich niets mooiers voorstellen dan een valkenier, die tien vogels de vrijheid gaf om te jagen en ze allemaal te laten terug­keren met buit. De geheimzinnige macht die de vogels hiertoe dwong, boeide Frederik mateloos. Hij koes­terde grote verachting voor jagers, die hun prooi met vallen en netten vingen.

Soldaat en toernooiridder

De Duitse keizer Frederik II, de geleerde op de keizerstroon, was een gevreesd soldaat. Hij zag niet veel nut in het deelnemen aan riddertoernooien. Maar als hij zich in het strijdperk begaf, toonde hij zich een geducht tegenstander, die alle andere ridders in het stof liet bijten. In de vele oorlogen die hij als keizer moest voeren, gedroeg hij zich als een dapper strijder. Frederik II ontzag zich niet, in de voorste linies te vechten. Hij was goed geoefend en wist altijd heelhuids uit de strijd te komen.
Hij bezat een ongelooflijk uit­houdingsvermogen. Voor vele leden van zijn hofhouding, die tijdens de strijd of de jacht niet van zijn zijde mochten wijken, was dit een verschrikking.
Een geschiedschrijver vertelde, dat Frederik II nog twee jaar voor zijn dood 24 uren achtereen te paard kon zitten, zonder zichtbaar vermoeid te raken. Eerst was hij in alle vroegte op de valkenjacht gegaan, waarna hij ’s middags slag leverde tegen de Lombarden bij Parma. Hij verloor de strijd en reed in de nacht terug naar zijn verblijf in Cremona. Bij het ochtendgloren begon hij daar onmiddellijk met het hergroeperen van zijn verslagen troepen. Ook werd van Frederik II verteld, dat hij eens in volle wapenrusting te paard een rit maakte van 140 kilo­meter. Aan het einde van die lange tocht rustte hij niet uit, maar nam onmiddellijk de stad Vicenza in. De verdedigers van die stad waren volle­dig verrast, omdat ze niet konden geloven dat Frederik II en zijn leger zich zó snel konden verplaatsen. De barre tocht had twee dagen en twee nachten geduurd.

Een krijgslist

De intelligente Frederik II nam bij veldslagen en belegeringen van steden of burchten vaak zijn toevlucht tot listen. In 1237 veroverde hij de stad Cortenuova door te doen alsof hij met zijn legers de aftocht blies. Maar in werkelijkheid gingen de keizerlijke troepen in hinderlaag. De verraste vijanden liepen erin en werden bij duizenden gevangen gemaakt. Daar­op maakte Frederik II als een zege­vierend Romeins veldheer zijn in­tocht in de stad, met veel pracht en praal en de gevangenen in triomf met zich meevoerend.

Frederik op kruistocht

Hoewel keizer Frederik weinig zin had om een kruistocht naar het Heilige Land te ondernemen, kwam hij er toch niet onderuit. Tijdens zijn huwelijksplechtigheid in 1215 had hij de gelofte afgelegd dat hij Jeruzalem van de muzelmannen zou bevrijden en de opvolgers van paus Innocentius waren dat niet vergeten. Steeds weer wist Frederik de datum van vertrek uit te stellen. In 1219 was het bijna zover geweest, maar de keizer had de veldtocht afgelast. Toen hij in 1227 opnieuw de voorgenomen kruistocht niet liet door­gaan omdat in zijn leger de pest was uitgebroken, werd Frederik door de paus in de ban gedaan. Maar in zijn hart hoopte de paus, dat de Duitse keizer helemaal niet op kruistocht zou gaan. Want als Frederik niet vóór 1229 ten strijde zou trekken tegen de muzelmannen, dan mocht de paus het koninkrijk Sicilië bij zijn kerkelijke staat trekken. Dat was nu eenmaal zo afgesproken… Frederik II besloot toen eindelijk om toch maar te gaan en in 1228 vertrok hij naar Palestina. Zijn faam snelde de keizer vooruit. De muzelmannen hadden groot ontzag voor de mach­tige keizer. De geruchten wilden, dat hij met een onvoorstelbaar groot en goed bewapend leger zou verschijnen. Maar in werkelijkheid had Frederik II een bescheiden krijgsmacht van 1000 ruiters en 10.000 man voetvolk. De Duitse keizer durfde niet op de kracht van zijn leger te vertrouwen, ook al omdat de paus monniken met het leger had meegestuurd, die probeerden de manschappen tegen hun in de ban verkerende keizer op te zetten. Frederik II besloot dan ook om het niet op een veldslag met de muzelmannen te laten aankomen…

De diplomatieke gaven van de keizer

Frederik II vertrouwde liever op zijn diplomatieke gaven. En niet ten onrechte, want zonder enige strijd kreeg hij van de sultan van Jeruzalem gedaan, dat die de stad openstelde voor de christenen. Ook andere heilige plaatsen, zoals Nazareth en Bethlehem, waren voortaan vrij toe­gankelijk voor de Europeanen. Een keizer die in de ban was gedaan, had kans gezien bij de muzelmannen zijn zin te krijgen zonder bloed te laten vloeien!
Met de sultan van Jeruzalem, met wie de Duitse keizer de overeenkomst had gesloten, kreeg Frederik II een bijzonder vriendschappelijke ver­houding. Door zijn kennis van de Arabische taal won de keizer de harten van alle muzelmannen. Hij werd door zijn moslimvrienden de ‘sultan van de christenen’ genoemd en genoot onder hen een ongekende populariteit. De paus kon het succes van de Duitse keizer slecht zetten. Maar hij kon er niet onderuit de keizer in 1229 van de banvloek te ontheffen in ruil voor Sicilië.

Frederiks dierentuin

Frederik II had een zwak voor mooie en bijzondere dingen. Hij hield ervan met zijn vaak bijzonder kostbare bezittingen te pronken. Zijn hof­houding in Palermo leek dan ook sterk op die van een oosterse sultan. Terwijl hij baadde in weelde en overvloed, keken de arme Siciliaanse boeren hun ogen uit. Soms reed de keizer uit, gevolgd door een volledig dierenpark, met beesten die men nog nooit had gezien. De keizer bezat luipaarden, leeuwen, panters, apen, beren, vele verschil­lende honden, kleurrijke pauwen, uilen, adelaars, buizerds, papegaai­en, struisvogels en olifanten, waar­onder een witte. De stoet werd gesloten door een giraffe.

6e klas Frederik II

Een afbeelding van Frederik II aan het begin van het boek ‘Over het jagen met vogels’, dat bewaard wordt in de bibliotheek van het Vaticaan in Rome

Frederiks harem

De keizer hield er niet alleen talloze dieren op na. In zijn paleis bevond zich ook een groot aantal Saraceense meisjes, bewaakt door oosterse lijf­wachten. Volgens Frederik waren al die meisjes nodig om te zingen, te dansen en fijn handwerk te doen. Maar zijn hofhouding wist wel beter…
Tot de buitenissige hofhouding van de keizer behoorde voorts een mu­ziekkorps, bestaande uit gevangen­genomen Noord-Afrikaanse negers.

De dood van de keizer

In december 1250 werd Frederik II tijdens het beleg van Parma plotse­ling overvallen door dysenterie. Hij kreeg hevige koortsen en begreep dat zijn leven ten einde liep. Ten slotte stierf hij in de armen van zijn lievelingszoon Manfred. Volgens de legende zag een monnik, die aan zee in gebed was verzonken, op het ogenblik van diens sterven de keizer in volle wapenrusting en ge­volgd door 5.000 ruiters de vulkaan de Etna inrijden… Het volk kon en wilde niet geloven dat de geliefde keizer echt dood was. Nog tientallen jaren lang werden bedriegers die zich uitgaven voor de keizer, aanvankelijk geloofd.
Het lichaam van keizer Frederik II werd bijgezet in een enorme, donker­rode graftombe in de kathedraal van Palermo, naast het graf van zijn vader Hendrik VI en zijn moeder Constanza.

Slag bij Lechfeld

Vooral de sterke Hongaren, die het Otto’s vader Hendrik I al lastig hadden gemaakt, maakten het Duitse rijk onveilig. Otto besloot de Hongaren voor eens en voor altijd een lesje te geven. Met een legermacht van 100.000 man waren de plunderende Hongaren in 955 het rijke Beieren binnen gevallen. Otto de Grote verzamelde de legers van al zijn hertogen en wist samen met zijn broer Hendrik de Hongaarse horden bij Lechfeld te verslaan. De zegevierende Duitse soldaten waren zó geestdriftig over de knappe wijze waarop hun koninklijke aanvoerder de overmachtige vijand had weten te verslaan, dat ze nog op het slagveld een grote parade organiseerden. Bij de stad Augsburg, omringd door de duizenden lijken van gesneuvelde Hongaren krijgsbroeders, bejubelden ze hun gevierde koning. In alle landen van de christenheid werd Otto de Grote om dit wapenfeit als held geëerd Alle vorsten van Europa zonden gezantschappen naar het Duitse hof, om toch vooral op goede voet te komen met deze machtige vorst!

De geruchten over keizerin Constanza

Keizer Frederik II heeft in een van zijn geschriften het plaatsje Jesi zijn “Bethlehem’ genoemd. Zijn moeder, die hem daar ter wereld bracht, stelde hij op één lijn met de ‘Goddelijke Moeder’ die de Heiland baarde.
In werkelijkheid was de sfeer waarin hij werd boren weinig heilig. De onderdanen van Hendrik VI waren na het negen jaar lange onvruchtbare huwelijk van hun koning ervan overtuigd geraakt dat er geen opvolger meer zou worden geboren. Daar kwam nog bij. dat keizerin Constanza 10 jaar ouder was dan Hendrik VI en de veertig reeds naderde. Toen ze toch zwanger werd, deed het verhaal de ronde dat zij in haar slaap door de duivel was bevrucht….
Een ander verhaal wilde dat Frederik een zogenaamd ondergeschoven kind was, dat Constanza niet zelf ter wereld had gebracht. Toen Constanza dit ter ore kwam, wilde ze bewijzen,  dat ze wel degelijk de moeder was. Ze ging naar de markt en liet daar aan iedereen haar volle borsten zien, terwijl de jonge Frederik dronk. Daarmee was het gerucht ontzenuwd….

..

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis

..

727-664

.