Maandelijks archief: november 2014

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 306 – voordracht 1

 

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

GA 306: vertaling
Inhoudsopgave   voordracht [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]+ [8]
met drie vragenbeantwoordingen 18 april19 april22 april
en inleidende woorden bij een euritmie-opvoering
+vertaald bij Pentagon

RUDOLF STEINER

DE PRAKTIJK VAN DE PEDAGOGIE BEZIEN VANUIT GEESTESWETENSCHAPPELIJKE MENSKUNDE

[1]*

blz. 9

Lassen Sie mich Ihnen am Beginn dieser Veranstaltung meinen herz­lichsten Gruß entgegenbringen. Wären Sie noch vor 4 oder 5 Mona­ten hier in für uns so erfreulicher Weise erschienen, dann würde ich Sie noch haben begrüßen können in jenem Bau drüben, den wir das Goetheanum genannt haben, und der Sie in seinen Formen, in seiner ganzen künstlerischen Ausgestaltung erinnert haben würde an dasjenige, was hier von Dornach aus, vom Goetheanum aus ge­wollt wird. Der Unglücksfall, der für viele, die das Goetheanum so lieb gehabt haben, so ungeheuer schmerzlich ist, der Unglücksfall der Silvesternacht hat uns dieses Goetheanum genommen, und wir werden vorläufig dasjenige, was als Geist walten wollte inner­halb dieser künstlerischen Stoffeshülle, ohne eine solche zu treiben haben.
Insbesondere darf ich herzlich begrüßen diejenigen Persönlichkei-ten, welche aus der Schweiz hier erschienen sind, und die damit be­kräftigen, wie sie trotz aller Anfeindungen, die ja gerade auf diesem Boden in der letzten Zeit uns betroffen haben, ein gewisses Interesse für unsere Sache nach der pädagogischen Seite hin gefaßt haben. Mit einer besonderen Befriedigung begrüßen darf ich auch die Freunde der anthroposophischen Pädagogik, oder solche, die denken, es hier werden zu können, die aus der Tschechoslowakei in so großer Zahl erschienen sind. Sie bekräftigen ja damit, daß die pädagogische Frage gegenwärtig unter den allgemeinen Menschheitsfragen durchaus in hervorragender Weise mitgezählt werden muß. Zu der großen sozia­len Bedeutung, zu der die pädagogische Frage kommen muß, kann sie ja doch nur kommen, wenn sie von den Lehrerpersönlichkeiten selbst in diesem Stile aufgefaßt wird. Dann begrüße ich auch diejeni­gen Persönlichkeiten, die auch aus anderen Ländern sich eingefunden haben, womit ja schon gesagt ist, wie dasjenige, was hier gesucht wird, eine in Wahrheit internationale Sache sein soll, eine allgemeine Menschheitssache.

Sta mij toe U aan het begin van deze bijeenkomst U mijn hartelijkste groet over te brengen. Was U nog 4 of 5 maanden geleden hier op een voor ons zo verheugende manier gekomen, dan had ik U nog kunnen begroeten in het gebouw verderop*, dat wij het Goetheanum hebben genoemd en dat U zich in heel zijn kunstzinnige vormgeving zou hebben doen denken aan hetgeen hier vanuit Dornach, vanuit het Goetheanum gewild wordt. Het ongeluk dat voor velen die zoveel van het Goetheanum hielden, zo vreselijk pijnlijk is, het ongeluk van de oudejaarsnacht heeft het Goetheanum van ons afgenomen en we zullen voorlopig dat wat als geest werkzaam wilde zijn in deze kunstzinnige  stoffelijke omhulling, zonder deze moeten uitvoeren.

In het bijzonder mag ik hartelijk begroeten de mensen uit Zwitserland die hier naar toe zijn gekomen en daarmee bevestigen hoe zij, ondanks alle vijandigheden die juist op deze grond de laatste tijd zich tegen ons richten, een bepaalde belangstelling voor onze zaak hebben wat de pedagogische kant betreft. Met een bijzonder tevreden gevoel mag ik ook de vrienden van de antroposofische pedagogie begroeten, of zij, die denken het hier te kunnen worden, die in zo’n grote getale uit Tsjecho-Slowakije gekomen zijn. U bevestigt daarmee dat de pedagogische vragen tegenwoordig beslist op een bijzondere manier tot de vragen van de algemene mensheid gerekend moeten worden. Tot de grote sociale betekenis waartoe de pedagogische vraag moet komen, kan deze alleen maar komen, wanneer ze door leraarpersoonlijkheden zelf in deze betekenis opgevat wordt. Dan begroet ik eveneens de mensen die ook uit andere landen aangekomen zijn, waarmee ook al is aangegeven hoe datgene wat hier gezocht wordt, In waarheid een internationale aangelegenheid moet zijn, een algemene zaak van de mensheid.

*in het gebouw verderop: zie Rudolf Steiner: ‘De bouwgedachte van het Goetheanum’ Stuttgart 1958, GA nr. 290.
In de oudejaarsnacht 1922/23 werd het gebouw door brand verwoest. De voordrachtenserie werd provisorisch gehouden in de ‘Schreinereisal’

Und begrüßen darf ich auch unsere Freunde, die Lehrer der Stutt­garter Waldorfschule, die ja hauptsächlich deshalb erschienen sind, um hier aus ihrer pädagogischen Praxis an der Waldorfschule mitzu­wirken, die vor allen Dingen deshalb hier uns so wertvoll sind, weil sie, als in unserer Sache tief drinnenstehend, diese Veranstaltung ha­ben mitmachen wollen.
Heute wird es sich darum handeln, daß ich in einer Art von Ein­leitung dasjenige vorbereite, was wir in den nächsten Tagen mitein­ander behandeln wollen.
Über Pädagogik und Erziehungswesen wird ja heute allerdings un­geheuer viel gesprochen. Unzählige Menschen aus dem Kreise der­jenigen, die Kinder zu erziehen und zu unterrichten haben, sprechen von notwendigen Reformimpulsen gerade mit Bezug auf das Erzie­hungs- und Unterrichtswesen. Und man darf schon sagen: es gibt der Standpunkte ungeheuer viele, von denen aus da gesprochen wird. Wenn man auf alle diese Standpunkte und auf dasjenige hinblickt, was von diesen Standpunkten aus gesprochen wird, manchmal mit einem ungeheuren Enthusiasmus für eine Neugestaltung und Reform des Erziehungs- und Unterrichtswesen, da könnte einem schon angst und bange werden. Nicht nur deshalb, weil man ja zunächst wirklich schwer absehen kann, wie sich eine gewisse Einheitlichkeit ergeben soll aus diesen allermannigfaltigsten Standpunkten, von denen natür­lich jeder behauptet, daß er einzig und allein recht haben kann; son­dem noch von einer ganz anderen Seite her könnte einem, möchte man sagen, angst und bange werden.

En ook mag ik begroeten onze vrienden, de leraren van de vrijeschool uit Stuttgart, die voornamelijk hiernaartoe zijn gekomen om hier vanuit hun pedagogische praktijkervaring aan de vrijschool mee te werken en die vooral voor ons hier zo waardevol zijn, omdat zij diep in onze onderneming staand, aan deze bijeenkomst hebben willen deelnemen.
Vandaag zal het er om gaan dat ik in een soort inleiding voorbereid wat we de komende dagen met elkaar willen behandelen.

Over pedagogie en opvoeding wordt tegenwoordig heel veel gesproken. Talloze mensen uit de kringen die kinderen moeten opvoeden en onderwijzen, spreken van noodzakelijke vernieuwingsimpulsen, juist met het oog op het gebied van opvoeding en onderwijs. En je kan wel zeggen dat er behoorlijk veel standpunten zijn van waaruit gesproken wordt.
Wanneer je naar al die standpunten kijkt en naar wat er vanuit deze standpunten wordt gezegd, vaak met een enorm enthousiasme voor een nieuwe vorm en vernieuwing van opvoeding en onderwijs, dan kan het je bang te moede worden. Niet alleen omdat je primair werkelijk moeilijk kan zien hoe er een bepaalde overeenstemming  kan ontstaan in deze meest uiteenlopende standpunten, maar nog vanuit een heel ander gezichtspunt kan de schrik je om het hart slaan.

Die Standpunkte, die da geltend gemacht werden, die machen mir weniger bange, denn die Notwen­digkeiten des Lebens ergeben ja vielfach Ausgleichungen, Abrundun­gen desjenigen, was von solchen Standpunkten aus gesagt wird. Aber etwas anderes ist es, was immer wieder und wiederum aus meiner Seele heraufzieht, wenn man heute, man kann schon sagen, fast jeden Menschen, dem man begegnet, von der Neugestaltung des Erzie­hungs- und Unterrichtswesens reden hört. Und woraus gehen denn eigentlich diese mit solch löblichem Enthusiasmus vorgebrachten

De standpunten die naar voren gebracht worden, maken mij minder bang, want de noodzaak van het leven brengt vaak compromissen met zich mee, de scherpe kantjes van wat vanuit zulke standpunten gezegd wordt, verdwijnen. Maar iets anders is het,  wat steeds weer opnieuw uit mijn ziel naar boven komt, wanneer je tegenwoordig, je kunt zeggen bijna ieder mens die je tegenkomt, hoort praten over opvoeding- en onderwijsvernieuwing.En waar komen dan uiteindelijk die vernieuwingsgedachten die met zo’n lofwaardig enthousiasme naar voren worden gebracht, vandaan.

blz. 11

Reformgedanken hervor? Sie gehen hervor aus der Erinnerung an die eigene Jugend und aus der Erinnerung an die eigene Erziehung. Man hat so in den Tiefen seiner Seele eine ungeheuer tiefe Unzufrie­denheit mit seiner eigenen Erziehung, seinem eigenen genossenen Unterricht. Ja, aber – indem man dieses Gefühl hat, gibt man etwas höchst Eigentümliches zu: Man gibt nämlich zu, daß man furchtbar schlecht erzogen ist. Man muß sich eigentlich, indem man aus diesen Untergründen heraus die Reformgedanken aufwirft, sagen: man ist ein furchtbar schlecht erzogener Mensch. Und eigentlich steckt die­ses Urteil, wenn die Leute es sich auch nicht eingestehen und es den anderen nicht eingestehen, wirklich so richtig drin in der besonderen Nuancierung der Worte, der Sätze ihrer Reformimpulse, die ausge­sprochen werden. Wie mancher denkt da: Wie schlecht war doch meine Erziehung; das muß anders werden! – Ja, aber da treten einem zwei Dinge vor die Seele, die gar nicht tröstlich sind. Denn erstens, wenn man so furchtbar schlecht erzogen ist, wenn alles mögliche Schlimme während der eigenen Erziehung auf einen eingestürmt ist, wie soll man denn jetzt wissen, wie gut erzogen wird? Woher soll man denn das eigentlich gelernt haben? – Also, wenn man sich für die Berechtigung von Erziehungsreformgedanken auf seine eigene schlechte Erziehung beruft, so geht das eigentlich nicht recht.

Ze komen uit de eigen jeugd- en opvoedingsherinneringen.
Men is in zijn eigen diepere gevoel behoorlijk ontevreden met zijn eigen opvoeding, met het onderwijs dat hij zelf genoten heeft. Ja, maar – als je deze gevoelens hebt, geef je iets hoogst merkwaardigs toe: je geeft namelijk toe dat je vreselijk slecht bent opgevoed. Je moet eigenlijk, wanneer je vanuit deze achtergrond vernieuwingsgedachten naar voren brengt, zeggen: je bent een verschrikkelijk slecht opgevoed mens.
En eigenlijk zit dit oordeel, ook wanneer de mensen dit niet willen toegeven zeer zeker in de bijzondere nuancering van de woorden, de zinnen van hun vernieuwingsimpulsen die worden uitgesproken.
Zoals velen denken: wat was mijn opvoeding toch slecht; dat moet anders worden! Ja, maar dan voel je twee dingen, die helemaal niet troostend zijn. Want ten eerste, wanneer je dan zo vreselijk slecht opgevoed bent, wanneer er van alles aan verkeerde dingen op iemand is afgestormd tijdens zijn eigen opvoeding, hoe zou je dan nu  weten, hoe er goed opgevoed moet worden. Van waaruit zou je dat dan geleerd moeten hebben? Dus, wanneer je een beroep doet op je eigen slechte opvoeding om de gedachten aan opvoedingsvernieuwing te rechtvaardigen, gaat dat eigenlijk niet echt.

Und das zweite tritt einem entgegen, wenn man hinhorcht auch auf die Art und Weise, wie manche Menschen von ihrer eigenen Er­ziehung und ihrem eigenen Unterricht sprechen. Ich möchte Ihnen da ein praktisches Beispiel anführen, denn ich möchte die ganzen acht Tage durchaus nicht aus der Theorie heraus, sondern überall aus praktischen Untergründen heraus sprechen. Sehen Sie, da ist eben vor einigen Tagen ein Buch erschienen, das eigentlich mich sonst nicht besonders interessiert, das aber interessant ist dadurch, daß nämlich in den ersten Kapiteln auch recht viel von einer Persönlich­keit über die eigene Erziehung und den eigenen Unterricht gesprc­chen wird, von einer sehr merkwürdigen, heute außerordentlich be-rühmten Persönlichkeit. Es sind ja die «Lebenserinnerungen» jetzt erschienen von Rabindranath Tagore. Nun, da ich nicht das selbe In­teresse für ihn habe wie andere Menschen heute in Europa, so darf

En het tweede kom je tegen, wanneer je luistert naar de manier waarop veel mensen over hun eigen opvoeding en hun eigen onderwijs  spreken. En ik zou daarvan een voorbeeld uit de praktijk willen aanhalen, want ik wil deze acht dagen beslist niet vanuit de theorie, maar vooral vanuit praktische achtergronden spreken.
Kijk, juist een paar dagen geleden is er een boek uitgekomen, dat mij eigenlijk anders niet zo geïnteresseerd zou hebben, maar interessant is, omdat met name in de eerste hoofdstukken juist veel door een persoonlijkheid over zijn eigen onderwijs gesproken wordt, door een zeer opvallende, tegenwoordig buitengewoon beroemde persoonlijkheid.
De ‘levensherinneringen’ van Rabindranath Tagore* zijn net verschenen. Wel, omdat ik voor hem niet dezelfde belangstelling heb als tegenwoordig andere mensen in Europa, mag ik toch wel zeggen dat mij de ‘levensherinneringen’

*Rabindranath Tagore, 1861-1924. De citaten komen uit ‘Levensherinneringen’, München, 1923

blz.13

ich sagen, daß mich ja die «Lebenserinnerungen» nicht so außeror­dentlich sonst interessieren, aber mit Bezug auf das Erziehungswe­sen bieten sie doch ganz interessante Einzelheiten.
Sie werden mir zugeben, daß dasjenige, was wir ins Leben hinüber-tragen aus unseren Kindheitstagen, als Schönstes wirklich nicht ent­hält – selbst wenn Unterricht und Erziehung ganz außerordentlich großartig gewesen sind – die Erinnerung an die Einzelheiten, die uns in dieser oder jener Unterrichtsstunde geboten worden sind. Das wäre auch traurig. Denn es muß dasjenige, wodurch wir erzogen werden und in dem wir unterrichtet werden, übergehen in eine Art Lebensgewohnheiten, Lebensgeschicklichkeiten. Wir dürfen im spä­teren Leben nicht mehr von den Einzelheiten geplagt werden; das muß zusammenfiießen in einen großen Strom der Lebenspraxis. Das­jenige aber, was wir als Schönstes hinübertragen aus den Tagen, in denen wir erzogen und unterrichtet worden sind, das ist eigentlich die Erinnerung an die einzelnen Lehrer- und Erzieherpersönlichkei­ten. Und da muß es schon als ein Glück gelten, wenn man mit einer innigen Befriedigung im spätesten Alter noch hinschauen kann auf diese oder jene verehrte Lehrerpersönlichkeit. Das ist Gewinn des Lebens. Das gehört auch durchaus zur Erziehungskunst und Erzie­hungspraxis, daß dies fürs Leben möglich werde.
anders niet zo buitengewoon zouden interesseren, maar dat ze met betrekking tot het gebied van de opvoeding toch heel interessante details leveren.

U zult het met me eens zijn dat wat we uit onze kindertijd in het leven meenemen als het mooiste, echt niet bestaat  uit herinneringen aan details die ons in deze of gene les geboden werden– zelfs als onderwijs en opvoeding buitengewoon groots zijn geweest. Dat zou zielig zijn. Want waardoor  we werden  opgevoed en wat we leerden, dat moet in de gewoonten van het leven, in vermogens om te leven overgaan. We mogen in het latere leven niet meer geplaagd worden door details; alles moet samenvloeien in de grote stroom van de praktijk van het leven. Maar wat we als mooiste meenemen uit de dagen waarin we opgevoed werden en les kregen, is eigenlijk de herinnering aan de verschillende opvoeders en leerkrachten. En je mag van geluk spreken wanneer je met een innige tevredenheid op het laatst van het leven nog terug kan kijken naar deze of gene onderwijspersoonlijkheid. Dat is winst voor het leven. Dat dit voor het leven mogelijk wordt, hoort beslist bij de opvoed- de onderwijskunst.

Nun, wenn wir nach dieser Richtung hin einmal die entsprechen­den Stellen in Tagores Lebenserinnerungen aufschlagen und die Art sehen, wie er über die Lehrerpersönlichkeiten spricht, so ist das nicht gerade so, daß er mit einer innigen Erhebung zu diesen Lehrerper­sönlichkeiten zurückblickt, indem er zum Beispiel sagt: «Einer von den Lehrern der Normalschule gab uns auch Privatunterricht im Hause. Sein Körper war mager, sein Gesicht wie ausgedörrt, seine Stimme scharf. Er sah aus wie ein leibhaftiger Rohrstock.» – Man könnte die Meinung haben, daß man von demjenigen, was in Erzie­hungs und Unterrichtsdingen notwendig sei, bloß in unserer, von den Asiaten ja so vielfach angefochtenen europäischen Kultur so viel zu sprechen habe. Aber Sie sehen daraus, daß ein Mann, der es schon zu einer Berühmtheit gebracht hat, in einer solchen Weise auf seine indische Schule zurückschaut. Also – ich gebrauche einen Ausdruck,

Welnu, als we met het oog hierop eens de desbetreffende plaatsen in Tagores levensherinneringen opzoeken en de manier zien waarop hij over de leraarpersoonlijkheden spreekt, dan is het niet meteen zo dat hij met een innige verhevenheid op deze persoonlijkheden terugblikt, wanneer hij bv. zegt: ‘Een van de leerkrachten van school gaf ons thuis ook privéles. Hij was mager, zijn gezicht uitgemergeld, hij had een scherpe stem. Hij zag eruit als een Spaans riet in levende lijve.’ Je zou kunnen denken dat er alleen in onze, door de Aziaten vaak bekritiseerde Europese cultuur zo veel moet worden gesproken over wat nodig is in opvoedings- en onderwijszaken. Maar je ziet dat een man die al een beroemdheid geworden is, op deze manier terugkijkt op zijn Indiase school.
Dus – ik gebruik nu een uitdrukking die ook Tagore gebruikt –

blz.13

den Tagore auch gerade gebraucht – dasjenige, was Schulmisere ist, scheint allerdings schon nicht mehr bloß in Europa international zu sein, sondern das scheint heute schon die ausgebreitetste Kulturfrage zu sein. Und wir werden viel darüber zu sprechen haben, wie man es dahin bringt, daß der Lehrende, der Erziehende, Interesse zu er­wecken versteht für dasjenige, was er vorzubringen hat. – Nun möchte ich Ihnen auch ein Beispiel zeigen aus Tagores Lebenserinnerungen, wie er zurückblickt auf das Interesse, das ihm in Indien drüben sein Sprachlehrer im Englischen hat beibringen können. Er sagt: «Wenn ich an seinen Unterricht im ganzen zurückdenke, so kann ich nicht sagen, daß Aghor Babu ein harter Lehrer war. Er regierte uns nicht mit dem Rohrstock.» Also das weist bei uns natürlich in ältere, über­wundene Zeiten zurück. Daß gerade Tagore – wenn Sie die «Lebens-erinnerungen)> vornehmen, so werden Sie das sehen – so außeror­dentlich viel vom Rohrstock spricht, das muß noch auf eine primitive Kultur hinweisen. Es ist schon berechtigt, dies anzunehmen, wenn er von einem Lehrer nicht nur sagt, er sei ein leibhaftiger Rohrstock, sondern daß er sich des Rohrstockes nicht bediene. Er sagt dann wei­ter: «Selbst seine Vorwürfe wurden nie zu einem Schelten. 

wat schoolellende is, schijnt al lang niet meer internationaal in Europa te zijn, maar dat schijnt tegenwoordig al de meest uitgebreide cultuurvraag te zijn. En wij moeten er veel over praten, hoe we er toe kunnen komen dat de leraar, de opvoeder interesse weet op te wekken voor de dingen die hij doen moet. Nu zou ik u een voorbeeld willen geven uit de levensherinneringen van Tagore hoe hij terugkijkt op die interesse die in India zijn Engelse taalleraar hem bij heeft kunnen brengen. Hij zegt: ‘Wanneer ik in het algemeen aan zijn lessen terugdenk, dan kan ik niet zeggen dat Aghor Babu een strenge leerkracht was. Hij regeerde ons niet met het Spaanse riet.’ Bij ons doet dat natuurlijk terugdenken aan oudere, overwonnen tijden. Dat nu juist Tagore – wanneer je zijn ‘levensherinneringen’ ter hand neemt zul je het zien – zoveel over het ‘Spaanse rietje’ spreekt, moet nog op een primitieve cultuur terugwijzen. Je kunt het met goed recht aannemen, wanneer hij van een leraar zegt dat hij een Spaans riet in levende lijve was, maar ook dat hij geen gebruik maakte van het Spaanse riet. Verder zegt hij dan: ‘Zelfs zijn verwijten werden nooit tot schelden.

Doch was auch seine persönlichen Vorzüge gewesen sein mögen, seine Zeit war Abend und sein Gegenstand Englisch! Ich bin sicher, daß selbst ein Engel einem jeden Bengalenknaben als ein wahrer Bote Jamas (Gott des Todes) erscheinen würde, käme er nach all dem Schulelend des Tages am Abend zu ihm und zündete eine trostlos trübe Lampe an, um ihn Englisch zu lehren.»
Na, Sie sehen ein Beispiel dafür, wie eine Zelebrität von heute da­von redet, wie sie erzogen worden ist! Aber Tagore redet auch da­von, wie das Kind schon gewisse Bedürfnisse für die Erziehung und den Unterricht mitbringe, und er deutet damit in einer ganz lebens-wirklichen Weise darauf hin, wie man demjenigen entgegenkommen soll, was eigentlich das Kind von einem verlangt, und wie das bei sei­ner Erziehung nicht der Fall war. Ich will es Ihnen überlassen, diese Dinge auf europäische Verhältnisse anzuwenden. Denn mir erscheint es ganz sympathisch, diese Dinge, die vielleicht da oder dort Anstoß erregen könnten, wenn man sie aus europäischen Verhältnissen her

Maar wat zijn persoonlijke goede eigenschappen ook geweest mogen zijn, hij kwam ’s avonds en zijn vak was Engels! Ik ben er zeker van dat zelfs  een engel voor iedere Bengalenknaap als een echte ware bode van Jamas (god van de dood) zou verschijnen, wanneer die ‘s avonds na al die schoolmisère van overdag naar hem toe kwam en een troosteloos zwak lampje  aanstak om hem Engels te leren.’
Nu, neemt u het als voorbeeld hoe een beroemdheid van tegenwoordig spreekt, over hoe hij opgevoed is! Maar Tagore spreekt er ook over hoe een kind al bepaalde behoeften aan opvoeding en onderwijs met zich meebrengt en hij wijst er met een realistische manier op hoe je tegemoet zou moeten komen aan wat het kind eigenlijk van je verlangt en hoe dat in zijn opvoeding niet het geval was. Ik laat het aan u over deze dingen op Europese omstandigheden toe te passen. Maar voor mij is het heel aangenaam deze dingen die misschien hier en daar ergernis kunnen veroorzaken wanneer je vanuit Europese omstandigheden vertelt, er nu eens vanuit Aziatische omstandigheden

bloz. 14

 

op te wijzen. Dat kan iedereen dan wel op Europa toepassen.                                                           (blz.14)
Tagore vertelt dus: Aghor Babu probeerde van tijd tot tijd de frisse wind van wetenschap van buiten mee naar binnen te brengen, opdat die over het saaie alledaagse van onze klas heenstreek. Op een dag nam hij een in papier verpakt pakje uit zijn zak en zei: ‘Vandaag wil ik jullie een wonderbaarlijk kunstwerk van de schepper laten zien.’ Daarbij haalde hij het papier eraf en haalde een menselijke strottenhoofd te voorschijn, waarmee hij ons het wonder van dit apparaat uiteenzette. Ik weet nog wat voor een schok het mij toen gaf. Ik had steeds gedacht dat heel de mens sprak – ik had  nooit het flauwste vermoeden gehad dat je het spreken zo afgesnoerd kon beschouwen. Hoe prachtig ook het mechanische van een apart deel mag zijn, het is zeker wel minder dan de hele mens. Niet dat ik er toen zo duidelijk over dacht, maar het lag ten grondslag aan mijn afwijzende gevoel. Dat de leerkracht deze waarheid uit het oog had verloren, was misschien wel de reden dat de leerlingen zijn enthousiasme niet konden delen waarmee hij over het voorwerp sprak. Nu, dat was de eerste aanzet m.b.t. de kennismaking met het wezen mens zelf.
Er kwam er nog een, die erger was: ‘Een andere keer nam hij ons mee naar de snijzaal van de school voor geneeskunde.’ Je kunt er wel vanuit gaan, dat Aghor Babu er voor de jongen een heel bijzonder feestelijke dag van wilde maken. ‘Het lijk van een oude vrouw lag op de tafel uitgestrekt. Daaraan ergerde ik mij niet zo erg. Maar een geamputeerd been dat op de grond lag, maakte me helemaal in de war. Het zien van een mens in deze fragmentarische toestand kwam mij zo verschrikkelijk voor, zo weerzinwekkend, dat ik de indruk van dit trieste, uitdrukkingsloze been dagenlang niet kwijt kon raken.’
Aan zo’n voorbeeld leer je nu hoe het met de jonge mens gaat, wanneer hij tegenwoordig met de mens zelf in aanraking gebracht wordt. Want in de grond van de zaak wordt dit alleen maar in de opvoeding opgenomen, omdat het lijkt dat het op de juiste manier vanuit het wetenschappelijke doen van    (blz.15)
tegenwoordig stamt. Vanzelfsprekend denkt men zo vanuit de wetenschap, die men – god zij dank – moet je zeggen, als leraar opgenomen heeft; dat het geweldig is wanneer je het spreken aan een strottenhoofdmodel kan verklaren of wanneer je kan uitleggen hoe bijzonder de inwendige anatomisch-fysiologische eigenschappen van een been zijn. Want volgens het huidige wetenschappelijke denken en waarnemen heeft men de totale mens helemaal niet nodig. – Maar voorlopig zijn dit niet de gezichtspunten die voor mij aanleiding zijn, juist deze passages uit Tagores levensherinneringen op te voeren. Daarover zullen we in de loop van deze week nog spreken, niet in verband met Tagore, maar in verband met de zaak op zich. Iets anders geeft mij daartoe aanleiding. Dat is: wie tegenwoordig  Tagore beschouwt als schrijver, als dichter, zegt: dat is een bijzonder mens – en terecht. En deze man vertelt nu zijn levensverhaal en wijst op een heel verschrikkelijke opvoed- en onderwijskunst in zijn kindheid. Daarbij krijg je een heel merkwaardige gedachte, nl. dat het Tagore helemaal geen schade berokkend heeft dat hij slecht is opgevoed en slecht onderwijs heeft ontvangen. En nu zou je kunnen denken: het geeft helemaal niets al is de opvoeding nog zo slecht; want je kunt er niet alleen een tamelijk goed mens door worden, maar zelfs een beroemde Tagore. En zo voelt het eigenlijk  tegenwoordig  in dubbel opzicht best lastig, wanneer je alles aanhoort wat als reformpedagogische impuls gegeven wordt. Aan de ene kant wordt gezegd: Wanneer je terug moet kijken hoe je zelf vreselijk slecht  opgevoed bent, hoe weet je dan hoe je het beter moet doen? Aan de andere kant: wanneer je nu toch niet alleen een redelijk goed mens, maar ook een beroemd mens kan worden, dan heeft zo’n opvoeding toch helemaal geen kwaad gedaan? Waarom dan zoveel moeite doen om de opvoeding  goed te laten zijn?
Zo ziet je, wanneer je zo naar de uiterlijke dingen kijkt, dan kan het er zo uitzien dat je je heden ten dage  toch eigenlijk veel meer met andere zaken   (blz.16)
zou moeten bezighouden dan met vernieuwingsgedachten over opvoeding en onderwijs. Want ten eerste komt iemand tot het inzicht dat je door je eigen slechte opvoeding  niets verstandigs kan weten en aan de andere kant – de voorbeelden van Tagore kunnen natuurlijk verhonderdvoudigd worden, zij het niet op zo’n buitengewone stijlvolle manier – aan de andere kant krijgt je het benauwd van de vraag: ‘Maar is het dan zo strikt noodzakelijk dat je zoveel moeite doet om een opvoedingsideaal te vinden, terwijl een mens die toch zo veel te klagen heeft over zijn eigen opvoeding, dan toch maar een Tagore is geworden?
Wanneer antroposofie, deze vaak aangevallen antroposofie, ook alleen maar zo – zoals dikwijls vernieuwingsgedachten tegenwoordig opgepakt worden – reformgedachten zou formulieren, dan zou ik, juist vanuit het standpunt van de antroposofie het helemaal niet zo belangrijk vinden ook pogingen te ondernemen voor de opvoeding- en onderwijskunst. Maar antroposofie is in de grond van de zaak toch iets heel anders dan wat de meeste mensen er tegenwoordig  van denken. Antroposofie komt toch echt voort uit de diepste noden van de cultuur. En antroposofie doet niet zo als haar tegenstanders, dat wat niet meteen bij haar hoort, te verketteren, daarentegen wil antroposofie overal het goede waar dat in de wereld aanwezig is onderkennen, en fundamenteel onderkennen. Zoals gezegd, ik wil nu alleen maar bij wijze van inleiding tot u spreken; wat ik nu al als bewering naar voren breng zal ik de komende dagen onderbouwen. Antroposofie wijst erop hoe geweldig de prestaties van de wetenschap sinds drie, vier eeuwen zijn, hoe geweldig ze in het bijzonder in de loop van de 19e eeuw zijn geworden. Zij erkent de prestaties van de natuurwetenschap ten volle.
Maar antroposofie moet niet alleen kijken naar de op zichzelf staande prestaties van de natuurwetenschap, zij moet ook kijken naar de gemoedstoestand van de mens die uit de natuurwetenschappelijke stroom van de nieuwere tijd ontstaat. We kunnen niet zeggen: ja, wat gaat ons dat eigenlijk aan wat een paar (blz.17) natuurwetenschappelijk gevormde mensen tegenwoordig denken; het heeft voor de mensheid in het algemeen weinig betekenis. – Dat kunnen wij niet zeggen. Want ook degenen die helemaal niets weten van natuurwetenschap, krijgen tegenwoordig de meest fundamentele bases voor hun gemoedstoestand en hoe ze zich in de wereld moeten oriënteren door de resultaten van de natuurwetenschap. Je kunt welhaast redeneren: de in deze of gene richting meest orthodoxe mensen hebben een orthodox geloof vanuit de traditie, uit gewoonte, maar hun staan in de wereld, dat hebben ze door de resultaten van de natuurwetenschap. Het moderne menselijke gemoed neemt steeds meer van de natuurwetenschap en de grootse niet genoeg te roemen – resultaten in zich op.
Maar voor die gemoedstoestand heeft de natuurwetenschap nu ook iets merkwaardigs gebracht. Zij heeft de mens steeds meer vertrouwd gemaakt met de uiterlijke natuur, maar zij heeft hem ook steeds meer vervreemd van zijn eigen wezen. Want wat doen we eigenlijk wanneer we met natuurwetenschappelijke middelen de mens benaderen? Wij leren tegenwoordig nu al op een  vervolmaakte manier, je zou kunnen zeggen, de basiswetten van de levenloze, de anorganische wereld kennen. Dan ontleden we de mens, kijken hoe het er bij hem fysiologisch, chemisch aan toe gaat en passen datgene toe op hem wat wij uit het laboratorium weten. Of we kijken naar andere natuurrijken – het planten-, het dierenrijk. De natuurwetenschap is zich er duidelijk bewust van, dat zij nog niet zulke bevredigende wetmatigheden heeft als die voor het anorganische rijk; maar in ieder geval met betrekking tot de dieren is dat wat men daar geleerd heeft, ook op de mens van toepassing. Daardoor is de mens, je kan tegenwoordig al zeggen voor het populaire bewustzijn, niet geworden de mens die gezien wordt als de kroon der schepping, maar die het eindpunt van een reeks dieren is. Men kijkt naar de dieren in een bepaalde opeenvolging  en hoe volmaakt die zijn tot aan de mens. Men begrijpt tot op zekere hoogte (blz.18)  het dier, past dan datgene toe wat de dieren hebben: botten, spieren en men krijgt als eindpunt het hoogste dier – de mens.
Maar een realistische opvatting over het wezen mens is daar tot op heden nog niet uitgekomen. Dat moeten wij in het bijzonder voor een paar details die ons nu juist voor de pedagogie interesseren, wel inzien. Je kunt zeggen: terwijl in antieke wereldbeschouwingen nu juist de mens in het middelpunt van de waarneming stond, is hij daar nu uitgehaald, hij staat niet meer in het midden. Hij komt niet meer tot zijn recht door de geologische perioden; hij komt niet meer tot zijn recht door wat de evolutieleer over de opeenvolgende dierenreeks kan zeggen. Men is al blij wanneer men, laten we zeggen, een gehoorsbeentje terug kan voeren op een vierkantsbeen van een lagerstaand nog dierlijk wezen. Dit is maar een voorbeeld; maar de manier waarop, hoe vanuit de mens door ziel en geest het fysieke wezen van de mens opgebouwd wordt: dat is uit het blikveld verdwenen, dat is er niet meer.
En daarmee houdt men veel te weinig rekening omdat men steeds zo’n proces als ik zojuist heb gekarakteriseerd, als iets heel vanzelfsprekends beschouwt. Dat heeft nu juist de moderne cultuur vooruit geholpen. En het zou treurig zijn wanneer deze niet verder zou zijn gekomen; het is juist goed dat ze verder gekomen is, want de mens kon met de oudere voorstellingen die voor het natuurwetenschappelijk tijdperk heersten, niet verder komen. Maar nu hebben we in het kader van het natuurwetenschappelijk denken weer nieuw inzicht in het wezen mens nodig. En daardoor winnen we ook aan inzicht in wat de wereld is.
Ik heb dikwijls geprobeerd te verduidelijken hoe juist vanuit de tegenwoordige, zoals gezegd, niet genoeg te roemen natuurwetenschappelijke standpunten, de grootste illusies opgeroepen worden dat deze natuurwetenschap altijd gelijk heeft. Zouden we ergens kunnen aantonen dat ze ongelijk heeft, dan is de zaak betrekkelijk eenvoudig; maar het moeilijkste is uit te komen bij waar ze gelijk heeft. Ik wil u daar iets over aanduiden. Hoe ontstaat nu die theorie  die (blz.19) al gemeengoed is geworden onder de ontwikkelde mens – die theorie die teruggaat naar het ontstaan van de aarde, het ontstaan van het planetensysteem; naar de beroemde, nu wel aangepaste theorie van Kant-Laplace?* Men gaat lange perioden terug in de tijd. Wanneer iemand over 20 miljoen jaar spreekt dan is hij eigenlijk maar een kleine jongen, want andere spreken over 200 miljoen jaar, enz. Men berekent de processen die zich tegenwoordig op aarde afspelen en terecht – fysiek kan men naar niets anders kijken – men bekijkt hoe hier of daar zich een afzetting vormt en nu maakt men zich een voorstelling over wat er in sterke mate veranderd is, en rekent uit hoeveel tijd dat nodig gehad moet hebben. Bv. wanneer de Niagara zo lang al op de stenen beneden neervalt en men kan berekenen hoeveel hij daarbij afslijpt, dan kan men op een andere plaats, waar er meer afgeschuurd is, enkel en alleen door een  vermenigvuldiging die helemaal goed is, op 20 miljoen jaar komen. En zo kan men van het huidige standpunt uitgaan en voor de toekomst uitrekenen wanneer de aarde aan de beroemde warmtedood ten onder zal gaan, enz. Maar, ziet u, dezelfde berekening zou je ook anders kunnen uitvoeren. Kijk eens naar het hart van de mens, hoe dat verandert. Schrijft u die verandering op en u kunt nu wanneer u het juist uitrekent zich de vraag stellen die in overeenstemming is met een juiste methode en volgens het voorbeeld van de geologische methode opgebouwd kan zijn, hoe het hart van de mens er 300 jaar geleden uitzag en hoe het er over 300 jaar uit zal zien. De berekening zal absoluut kloppen daar is niets tegen in te brengen. Wanneer je de leeftijd van de mens neemt op ongeveer de helft, 35 jaar, dan krijg je een lange tijdsduur waar het menselijke hart doorheen heeft kunnen gaan. Maar een detail is over het hoofd gezien: het hart van die mens bestond 300 jaar geleden niet en zal er over 300 jaar ook niet meer zijn. Dus de berekening is absoluut goed uitgevoerd, maar de zaak is niet in overeenstemming met de realiteit. –

*Kant-Laplacesche Tbeorie: Uit Kants »Naturgeschichte und Theorie des Himmels» (1755) de daarin vastgelegde  »Nebularhypothese» en uit »Exposition du systeme du monde» (1796) van Laplace.

 

Wij zijn nu eenmaal tegenwoordig in ons intellectualistische tijdperk  te zeer op uit het juiste en we hebben de gewoonte losgelaten             (blz.20)
dat alles wat we in het leven moeten begrijpen, niet alleen maar logisch juist moet zijn, maar ook in overeenstemming met de werkelijkheid.
Dit begrip zal in de loop van deze week nog vaak opduiken. Maar dikwijls is het ook zo dat heel veel uit het oog wordt verloren, wanneer men tegenwoordig juiste theorieën formuleert.
Hebt u het dan zelf niet meegemaakt – ik wil niet zeggen dat u het zelf hebt gedaan, want de aanwezigen zijn altijd uitgesloten van de dingen die men nu bepaald niet op sympatieke manier zegt – hebt u het dan niet meegmeaakt dat de draaiing van de planeten om het centrale lichaam, de zon, heel aanschouwelijk werd gemaakt, op school al, doordat men een kaartje neemt, het rond knipt, het door een druppel olie haalt, een naald erdoorheen steekt, het door water laat dragen en het  aan het draaien brengt. Dan splitsen de kleine planeetjes zich af, de olieplaneetjes en men fabriceert een wondermooi planetensysteem. De zaak is nu ‘bewezen’, vanzelfsprekend. Welnu, bij zaken van de morele wereldorde is het goed wanneer de mens zichzelf wegcijfert, maar bij wetenschappelijk onderzoek is het eerste grondbeginsel om iets te berde te brengen wat in overeenstemming is met de realiteit, dat men geen voorwaarde vergeet – en de belangrijkste voorwaarde dat hier iets tot stand is gekomen, is toch mijnheer de leraar, die de naald draait! U mag dus dit alleen maar als hypothese vormgeven, wanneer u accepteert dat er een reuze mijnheer de leraar aan een grote wereldnaald gedraaid heeft; anders mag u die hypothese helemaal niet opstellen.
En zo zitten nou precies in het juiste wat tegenwoordig uit de natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing, wat op zich, vanuit de eigen methode helemaal niet aanvechtbaar is, heel veel elementen van een geestesgesteldheid die niet in overeenstemming is met de werkelijkheid; die toch de school binnen komt. Want wat zou je ook anders moeten? Je maakt natuurlijk die actuele ontwikkeling mee. Dat is helemaal oke. Je buigt je over zo’n geologische berekening, over zo’n astronomische vergelijking, je bestudeert de zaak en dan klopt alles. Je kunt je vaak verbazen over zoiets wat    (blz.21)
ongelooflijk geestrijk is; wat men doet klopt allemaal – maar het leidt af van de werkelijkheid! Wanneer we echter mensen willen opvoeden, dan moeten we niet van de werkelijkheid afwijken; want dan staat de werkelijkheid voor ons, dan moeten we de mens zelf benaderen. Maar in zekere zin is ook al in het denken over opvoeding- en onderwijspraktijk iets binnengedrongen waardoor men de mens niet benaderen kan. Dat zou ik u aan een voorbeeld willen laten zien. Kijk, wanneer je een jongen of een meisje moet opvoeden, dan blijkt: de een heeft een talent voor dit, maar voor iets anders minder. Je weet waarschijnlijk al deze dingen wel die je in de pedagogiek leert; ik breng ze alleen maar te berde opdat wij elkaar begrijpen. Je hebt dus verschillende vormen van aanleg. Wel, hoe gaan we tegenwoordig met deze aanleg om daar waar zich het wetenschappelijke denken het meest ontwikkeld heeft. U weet allemaal wel uit de pedagogische literatuur: men benadert deze vanuit de zogenaamde correlatiemethode. De correlatiecoëfficiënt wordt gemaakt, zoals men zegt. Dat gaat zo: wanneer steeds twee talenten samengaan, wat geen uitzondering is, geeft men de correlatiecoëfficiënt het cijfer 1. Eigenlijk bestaat dat niet, maar we gaan er vanuit. Wanneer er twee talenten zijn die elkaar niet verdragen, geeft men dit aan met cc. 0. En volgens deze methode onderzoekt men nu, hoe de individuele talenten van de kinderen met elkaar overeenstemmen. Dan vindt men bv. dat tekenen en schrijven de cc. van, laten we zeggen 0’70 hebben. Dat betekent dat het bij meer dan de helft van de kinderen voorkomt, dat wanneer er één onder hen is met aanleg voor tekenen, het ook aanleg heeft voor schrijven. Men zoekt deze cc. voor andere verhoudingen tussen aanleg – laten we zeggen voor de schrijfles en de taalles; de cc. is bv. 0’54. Dan zoekt men de cc.’s voor rekenen en schrijven en vindt 0’20; voor rekenen en tekenen 0’19 enz.                 (blz.22)
Dus rekenen en tekenen ligt het minst bij elkaar, schrijven en tekenen het meest. De aanleg voor taal en tekenen zie je bij ongeveer de helft van de leerlingen. Kijk, het is niet de bedoeling dat er ook maar het minste aangevoerd wordt tegen de juistheid van deze onderzoeken op het gebied van de wetenschap. Je zou vanzelfsprekend op een verkeerd spoor lopen wanneer je iets zou zeggen als: dit hoeft niet onderzocht te worden. Deze dingen zijn nu eenmaal buitengewoon interessant. En ik heb niet het minst tegen experimentele of statistische methoden in de psychologie.

Maar wanneer je dit nu direct moet toepassen in de praktijk van opvoeden en leren, dan lijkt het er toch op dat wanneer je iemand wil opleiden tot schilder je hem er niet toe aanzet om met kleur om te gaan, maar in plaats daarvan zegt: ‘Kijk eens, hier heb je een mooi boek over schoonheid, lees het hoofdstuk over schilderen eens door, dan word je schilder.’
Een heel beroemd schilder heeft mij in München eens verteld – ik heb het al eens vaker gezegd: het gebeurde op de schilderschool; daar was de beroemde estheticus Carriere*, die in München esthetiek doceerde. Nu gingen de schilderstudenten eens naar deze wetenschapper toe, die ook over het schilderen sprak. Maar ze gingen maar één keer, want, zeiden ze over deze beroemde estheticus, dat is een ‘esthetische zwijmelaar’. Daar lijkt het op wanneer je uit wat ik hierboven aanhaalde, iets zou moeten halen voor de praktijk van opvoeding en onderwijs. Als wetenschappelijk resultaat is het allemaal heel interessant, maar om op te voeden en les te geven is toch wel wat anders nodig. Wat bv. nodig is, is dat je zo diep tot het mensenwezen doordringt, dat je weet uit welke innerlijke functies het kunnen tekenen komt en uit welke het vermogen van de moedertaal. Je hebt een levendige manier van naar (blz.23)
de mens kijken nodig om erachter te komen hoe vanuit het kind naar buiten komt een bijzondere aanleg voor tekenen, een bijzondere aanleg voor de taal. En dan heb je die getallen niet nodig, dan houd je je aan wat het kind jou geeft. Dan zijn die getallen achteraf hooguit een heel interessante bevestiging. Ze zijn daarom wel wat waard, maar erdoor te willen leren opvoeden en onderwijzen wijst er al op hoe ver wij ons op het gebied van kennis, van het wezen mens hebben verwijderd. Wij willen het wezen mens statistisch begrijpen. Dat heeft op bepaalde gebieden iets goeds. Wij kunnen de mens wetenschappelijk statistsich begrijpen, maar het wezenlijke bereiken we daarmee niet.
Denk eens in hoeveel de statistiek van nut is op een bepaald terrein, waar ze realitstisch gebruikt kan worden: in het verzekeringswezen. Wanneer ik mij tegenwoordig wil verzekeren, vraag men naar mijn leeftijd, wordt mijn gezondheid onderzocht. Dan kun je heel mooi uitrekenen hoeveel je aan verzekeringspremie moet betalen wanneer je nog jong bent of een oude vent. Men rekent de waarschijnlijke levensduur uit en deze leeftijd klopt heel goed voor wat de verzekering nodig heeft. Maar wanneer je je nu verzekerd hebt, laten we zeggen op 37- jarige leeftijd voor 20 jaar, zou je je dan verplicht voelen om op je 57ste dood te gaan, omdat de berekening klopt? Het is toch beslist iets heel anders of je nu direct met het leven te maken hebt of dat je logisch juiste overwegingen maakt die op een bepaald terrein heel vruchtbaar kunnen zijn.
Bij schrijven en tekenen gaat het er bv. om: wanneer je onderzoek doet bij kinderen die leerplichtig zijn geworden, dat dit kinderen zijn – wij zullen in het verloop van deze voordrachten over de leeftijdsfasen moeten spreken –die ongeveer op de leeftijd zijn dat ze hun tanden wisselen. Nu zullen we in de loop van de verdere voordrachten horen, dat we heel de opvoeding moeten indelen in de drie belangrijkste drie levensfasen van de opgroeiende mens: die van geboorte tot tandenwisseling, die van tandenwisseling tot puberteit en de    (blz.24)
leeftijd daarna en dat we apart moeten bestuderen hoe het gedrag van de mens in deze drie leeftijdsfasen is.
Nemen we het geval met het schrijven en tekenen. Omdat men dus zo goed de drie natuurrijken bestudeerd heeft en alles wat men bestudeerd heeft past men op de mens toe, dan lijkt het: men begrijpt de mens wanneer men dit allemaal kan toepassen, wanneer men in zekere zin over de mens net zo denken kan zoals men geleerd heeft te denken over de drie natuurrijken. Maar wanneer je je eerst op de mens richt, vind je het volgende. Je moet alleen de moed hebben om de mens net zo te beschouwen als je de natuur buiten ons bekijkt; de wereldbeschouwing van nu heeft wel de moed om de uiterlijke natuur te bekijken, maar niet de moed om de mens net zo te bekijken als  de uiterlijke natuur.
Kijken we naar het kind, hoe het zich ontwikkelt tot aan de tandenwisseling: het wisselt de tanden. U weet het tandenwisselen – er komt niet nog eens een tandenwisseling van elke tand – is in een normaal mensenleven in dit aardse bestaan de laatste keer; iets soortgelijks vindt tot aan de dood niet meer plaats. Nu zult je, wanneer je net zo’n gewaarwording hebt als Tagore bij het geamputeerde been, zeggen: wat het ontstaan van de blijvende tanden bewerkt, bevindt zich niet alleen in de kaken, maar dit zit in de hele mens. Je zou kunnen zeggen: in de hele mens zit tot ongeveer het 7e jaar iets wat tot uiting komt in een afsluiting, bij de tandenwisseling. In zijn oorspronkelijke vorm waarin het in de mens aanwezig is, zit het tot het zevende jaar; later is het niet meer in deze vorm voorhanden.
Nu hebben we tegenwoordig de moed om bv. in de natuurkunde te zeggen: er bestaat latente warmte en er bestaat vrije warmte. Een bepaalde warmte is gebonden, die kun je met de thermometer niet bepalen; op de een of andere manier komt ze vrij en nu kun je ze wel meten. Deze moed hebben wij bij (blz.25) uiterlijke natuurverschijnselen. Bij de mens hebben wij deze moed niet, want anders zouden we zeggen: wat tot een jaar of 7 in de mens aanwezig was, is met de tandenwisseling naar buiten gekomen; het was gebonden aan zijn organisme – dat komt ook tot uitdrukking in de bouw van botten – maar dan komt dat vrij en verschijnt in een andere vorm, nu als innerlijke, als zieleneigenschappen van het kind. Het zijn dezelfde krachten waarmee het kind aan zijn organisme gewerkt heeft. Je moet de moed hebben de mens via de kennis net zo te bekijken als je de natuur via de kennis bekijkt. De huidige natuurwetenschap bekijkt de mens niet zoals de natuur, ze bekijkt de natuur, maar durft het niet aan met dezelfde methoden de mens te bekijken.
Wanneer wij dit zeggen dan moeten wij wel kijken naar alles wat botachtig is aan de mens, wat in zekere zin de menselijke gestalte hard maakt en steun geeft. Nu, zo ver zou desnoods ook de gewone fysiologie kunnen gaan en die zal zo ver gaan, ook al wil ze dit vandaag de dag nog niet. Juist de belangrijkste wetenschappen zijn nu aan het veranderen en ze zullen nog wegen inslaan, zoals ik die net aangeduid heb. Maar er komt nog wat anders bij. We doen in het verdere leven ook nog van alles met gevoel. We doen bv. meetkunde. Men heeft tegenwoordig in onze abstract-intellectualistische tijd de voorstelling – laten we iets eenvoudigs nemen – van de drie ruimterichtingen, die zweven daar ergens in de lucht.

GA 306 blz.25

 

Het zijn nu eenmaal drie  loodrecht op elkaar staande lijnen die (blz.26)
tot in het oneindige gedacht kunnen worden. Dat kun je natuurlijk door abstractie eruit krijgen, maar doorleefd is dat niet. Maar de drie dimensies wil je ook ervaren; en ze worden ervaren, onbewust nog, wanneer het kind leert uit de situatie van onhandig kruipen waarbij het overal zijn evenwicht verliest, te gaan staan en met de wereld in evenwicht te komen. Daar zijn de drie dimensies bij aanwezig. Dan kun je geen drie lijnen in de lucht tekenen, maar daar heb je een lijn die met de rechtopgaande lichaamsas samenvalt, die we merken, wanneer we slapen en liggen en ons daarin niet bevinden, die we ook hebben als het belangrijkste verschil met het dier dat zijn ruggengraat parallel aan de aarde heeft, terwijl de onze vertikaal is. De tweede dimensie die wij onbewust ons eigen maken is die waarbij we de armen uitstrekken. De derde ruimterichting gaat van voor naar achter. De drie richtingen zijn nu echt concreet ervaren: boven-onder; rechts-links; voor-achter. En wat in de meetkunde gedaan wordt, is abstract. De mens beleeft in zichzelf wat hij in meetkundige figuren beschrijft, maar wel op de leeftijd die nog erg onbewust, half dromend verloopt; later komt dat er dan uit en wordt abstract. Met de tandenwisseling wordt nu juist sterker wat de mens steun geeft, innerlijke steun. Vanaf het tijdstip in het leven waarop het kind gaat staan tot het tijdstip waarop het die innerlijke verharding doormaakt die samengaat met de tandenwisseling, oefent het kind onbewust aan zijn eigen lichaam meetkunde, het tekenen. Dat komt nu in het gevoel; juist met de tandenwisseling wordt het iets van de ziel. En we hebben dan enerzijds het fysiologische, in zekere zin krijgen we net als bij een oplossing wanneer we die afkoelen, bezinksel; aan de andere kant blijft het gevoelselement achter en is meetkunde, tekenen enz. geworden. We zien wat de ziel eigen is naar buiten komen. En denk je eens in wat dat voor een interesse in de mens       (blz.27)  teweegbrengt. We zullen zien hoe alles op zich naar buiten komt en hoe het gevoelsmatige weer op de mens inwerkt.

GA 306 blz 27

In dit opzicht is er in het hele leven van de mens samenhang. Wat wij met het kind doen, doen wij niet alleen voor dit ogenblik, maar voor het hele leven. Voor het hele leven een blik ontwikkelen doen de meeste mensen niet, omdat ze alleen in het nu willen waarnemen; bv. het experiment. Bij een experiment is men in het nu. Maar neem eens waar hoe er bv. mensen zijn die wanneer ze op betrekkelijk hoge leeftijd onder andere mensen komen, hoe heilzaam die kunnen werken. Zij hoeven helemaal niets te zeggen, alleen al door de manier waarp ze aanwezig zijn, werken ze heilzaam. In zekere zin gaat er iets zegenrijks van hen uit, ze kunnen zegenen. En wanneer je de levensloop van zulke mensen nagaat, vind je dat zij als kind niet op dwangmatige, maar op een goede manier hebben leren vereren, ik zou ook kunnen zeggen, hebben leren bidden; waarbij ik onder bidden meer omvattend versta, ook het vereren van een ander mens. Ik zou het in een beeld willen uitdrukken dat ik vaker gebruik:
Wie in zijn jeugd niet geleerd heeft zijn handen te vouwen, kan ze op latere leeftijd niet zegenend heffen. De leeftijden van de mens hangen met elkaar samen en wanneer we inzien hoe die samenhangen wordt het voor ons heel erg belangrijk oog te hebben bij de opvoeding- en onderwijspraktijk voor heel de menselijke levensloop. Voor het kind leren wij veel, als we leren hoe de ziel naar buiten toe zich ontplooit, nadat die in de eerste levensfase innerlijk aan het lichaam heeft gewerkt. De psychologen denken tegenwoordig met (blz.28)
de meest merkwaardige hypothesen na over de wisselwerking tussen ziel en lichaam. De ene levensfase verschaft kennis over de andere. Wanneer we bij het kind de relatie kennen tussen de tandenwisseling en de puberteit, dan leert dat ons wat in het lichaam plaatsvond door de ziel tot aan het tandenwisselen. De feiten moeten elkaar informeren. Denk je eens in hoe dan de belangstelling toeneemt! En belangstelling voor het wezen van de mens hebben we nodig voor de praktijk van opvoeding en onderwijs. Maar de mensen denken tegenwoordig op een abstracte manier over de relatie tussen ziel en lijf of ziel en lichaam. En omdat ze door hun nadenken zo weing hebben gevonden, is er tegenwoordig zelfs een zeer grappige theorie uitgerold, de theorie van de zgn. psychisch-fysieke parallel. De zielen- en lichamelijke processen lopen parallel, om raakvlakken behoeven wij ons niet te bekommeren. De psychisch-fysieke parallel hoeft zich niet meer bezig te houden met de relatie tussen ziel en lichaam, die snijden elkaar in eindeloze verten. Maar wanneer je je bezig houdt met wat echt uit de ervaring komt, dan vind je deze samenhang. Je moet alleen het hele leven in ogenschouw nemen. Wanneer we naar een mens kijken die, laten we zeggen op een bepaalde leeftijd diabetes krijgt of reuma. De mensen kijken maar steeds naar het nu: men denkt over medicijnen na voor deze ziekten. Dat is heel goed, daar wordt niets ten nadele van gezegd. Maar wie nu naar de hele menselijke levensloop kijkt, die ontdekt dat sommige diabetes veroorzaakt wordt door een onjuiste manier van geheugenbelasting tussen de tandenwisseling en de puberteit of op een andere verkeerde manier. De gezondheid van de oudere mens op aarde is afhankelijk van de manier waarop in de kinderleeftijd met de ziel wordt omgegaan. Hoe je het geheugen vormt is na een berpaalde tijd van invloed op de stofwisseling.  Blijven er tussen het 7 en 14e jaar door de ziel van het kind onverwerkte geheugenresten achter, dan laat het lichaam  (blz.29)
zo ongeveer tussen het 35e en 45e jaar resten in het lichaam achter die zich afzetten en die reuma en diabetes veroorzaken. Je zou kunnen zeggen: de leerkrachten moeten ook iets van geneeskunde weten. De omstandigheden zijn niet goed waarin aan de ene kant de leerkracht staat die dan voor alles wat voor de gezondheid van het kind nodig is, zich tot de schoolarts moet richten, die het kind verder niet kent. Wanneer er in onze tijd algemene ontwikkeling verlangt wordt – de opvoeding- en onderwijspraktijk vragen deze wel het meest.
Dit is het eigenlijk, wat ik als inleiding wilde geven, om u erop te wijzen waar het werkelijk omgaat wanneer antroposofie steun wil geven, ook al is volgens sommige lui deze nu ‘ook de pedagogie binnengerommeld’; en volgens anderen dat ze iets bij te dragen heeft. Het ligt niet in de lijn van dat opvoeding en onderwijs overbodig zouden kunnen zijn of dat die niet besproken hoeven te worden omdat men zelf slecht opgevoed is; in de antroposofie wordt meteen van iets heel anders uitgegaan, niet van een verbetering van oude ideeën, maar van een mensenkennis die tegenwoordig simpelweg door de ontwikkeling van de mensheid, gevraagd wordt.
Als je nog eens naar de oude opvoedsystemen kijkt: die stammen overal uit de menselijke beschaving, uit het universele dat de mens in zich voelde en beleefde. Wij moeten ook weer tot zoiets komen wat als iets universeels uit de mens tevoorschijn komt. Ik had het liefst dat ik de antroposofie iedere dag anders zou kunnen noemen, opdat de mensen niet bij het woord blijven hangen, dat woord uit het Grieks vertalen en daar dan een mening over hebben. Het is om het even hoe je noemt wat hier behandeld wordt. Waarop het op aan komt is dat wat hier gedaan wordt, overal bij de realiteit begint en strikt bij de werkelijkheid blijft; niet om een sektarisch idee uit te werken.
En zo, zou je kunnen zeggen, heb je aan de ene kant wat je veelvuldig (blz.30) tegenkomt dat de mensen zeggen: Ach wat, van opvoedingssystemen die best wel goed doordacht zijn, hebben we er genoeg gehad. Wij leiden heel erg onder het intellectualisme; in ieder geval moet dat uit het opvoedingssyteem verdwijnen! –Dat is waar. Maar dan zeggen ze: dus moeten we geen wetenschappelijke pedagogie meer hebben, maar we moeten weer aan de pedagogische instincten appelleren. Ja, dat is heel mooi, maar dat gaat helaas niet, want de mensheid heeft een stap gezet. De insticten die voordien nog aanwezig waren, hebben we niet meer en je zal de naïviteit weer terug moeten krijgen op basis van kennis. Dat kan alleen wanneer je weer toegang krijgt tot het wezen mens. En dat is wat antroposofie wil.
En er is nog wat anders.Overal voel je het intellectualisme en de abstractheid en er wordt gezegd: kinderen moeten niet alleen maar zo worden opgevoed dat men alleen maar het intellect opvoedt; je moet het hart van het kind opvoeden! – dat is heel terecht. Maar in de pedagogische literatuur en in de pedagogische praktijk vind je vaak dat je er met de formulering van de eis niet bent. Nog minder zie je dat je niet alleen die eis voor het kind mag stellen dat zijn hart wordt opgevoed, maar dat die eis ook aan de leerkracht wordt gesteld en vooral aan de pedagogiek zelf. Ik zou er graag, nu we weer bij elkaar zijn, over willen spreken dat we niet alleen de eis formuleren: je moet het hart van het kind en niet alleen zijn verstand opvoeden, maar hoe je die eis gestalte kan geven: wat moet er gebeuren wil de pedagogie weer een hart krijgen.

[1] GA 306  1e voordracht

* eigen vertaling
(Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt.(waarvoor excuses). Verbeteringen e.d. zijn meer dan welkom):

pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com
alle pedagogische voordrachten

 

662

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-5)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

JULIUS CAESAR  (100 – 44 v. Chr)

Caesar weigerde zijn vrouw te verstoten
Na de dood van Sulla werd het poli­tieke leven van Rome bepaald door drie mannen. De belangrijkste van hen zou Gaius Julius Caesar blijken te zijn.

Hij werd in 100 of 101 v. Chr. gebo­ren en behoorde tot één van de meest vooraanstaande Romeinse families. Als iets hem onderscheidde van zijn medemensen, dan was het wel zijn wilskracht. Zoals hij het wilde, moesten de dingen gebeuren.
Suetonius geeft er in zijn boek ‘Het leven van de twaalf keizers’ (van Caesar en de elf eerste keizers) verschillende voorbeelden van.
Hij vertelt bijvoor­beeld hoe een priester eens waarschuwde dat de ingewanden van het offerdier ongeluk voorspelden en hoe Caesar antwoordde: ‘Als ik dat wil, voorspellen ze geluk!’ Hij toonde zijn wilskracht al heel jong. Op een zekere dag vaardigde Sulla het bevel uit dat allen die door hun huwelijk banden met de partij van Marius of Cinna hadden, hun vrouwen moesten wegsturen. Caesar, toen pas 19 jaar oud, weigerde te ge­hoorzamen. Hij hield zijn Cornelia, Cinna’s dochter, bij zich. Hiermee liep hij een enorm risico. Het kwam Sulla ter ore dat de jonge Julius Cae­sar zijn bevel niet had opgevolgd en hij was hierover zéér ontstemd. ‘Laat hem maar,’ zeiden zijn vrien­den, ‘het is nog maar een jongeman.’ Maar Sullla getuigde van veel men­senkennis, toen hij opmerkte: ‘Jullie zijn niet slim. In deze slechtgeklede knaap steekt méér dan een Marius!’ Toen deze woorden aan Caesar wer­den overgebracht, leek het deze toch beter voor een tijdje uit Rome te ver­dwijnen…

Ik ben veel meer waard!
Korte tijd later ging de jonge patriciër Julius Caesar naar het Griekse eiland Rhodos om daar welsprekendheid te studeren. Voor een politieke loop­baan was de beheersing van de wel­sprekendheid nu eenmaal een eerste vereiste. En van niemand kon je het  spreken zo goed leren als van de Grie­ken. Daarom gingen vele rijke jonge­mannen een poosje in Griekenland studeren.

Maar Caesar kwam niet zonder avonturen op Rhodos aan. Onderweg werd hij door zeerovers gevangengenomen. Ze deelden hem mee dat ze 20 talenten losgeld voor hem gingen vra­gen. Caesar schoot in de lach, toen hij dit hoorde. Want hij vond dat hij veel meer waard was. ‘Vraag maar gerust vijftig,’ zei hij spottend. Die vijftig talenten van toen staan ge­lijk met 1.200.000 gulden [500.000 euro]. Caesar zond zijn dienaren terug naar Rome om het geld te gaan halen. Hij bleef alleen bij de zeerovers achter. Dat was niet ongevaarlijk, omdat dezen hun gevangenen niet zelden ter dood brachten. Zo bracht Caesar 38 dagen met hen door. Hij deelde hun ruwe leven en ’s avonds las hij hen de gedichten voor die hij maakte. De zeerovers kwamen onder de indruk van zijn krachtige persoonlijkheid. Ze geloofden hem echter niet, toen hij beweerde dat hij, eenmaal vrijge­komen, terug zou komen en hen alle­maal zou laten kruisigen. Ze namen die woorden niet ernstig. Maar toen het losgeld aankwam en Caesar werd vrijgelaten, huurde hij schepen om de zeerovers op te sporen. Hij vond hen en liet allen die hij gevangen kon nemen zonder uitzondering kruisigen zoals hij beloofd had. Pas daarna reisde hij naar Rhodos om zijn studie te beginnen!

Schulden
Weer in Rome teruggekeerd, ging Caesar werken aan zijn politieke loopbaan. Hij behoorde tot de Populares, de Volkspartij van Marius. Dat viel ook wel te verwachten, omdat  zijn vrouw een dochter was van Cinna, een aanhanger van Marius. En tevens omdat hijzelf een neef van Marius was. Caesar viel van jongs af aan in de smaak bij het volk door zijn vrijgevigheid. Hij liet bv. grote gladiatorengevechten houden. Daarbij stak hij zich wel in de schulden. Hij had het aan zijn vriendschap met de rijke Crassus te danken dat hij niet in moeilijkheden kwam. In noodgevallen wilde Crassus wel borg voor hem staan. In 69 v. Chr. begon Caesar als quaestor in Spanje. Daarna doorliep hij nog een aantal ambachtelijke rangen in Rome. In 63 v. Chr. spreken, omdat hij zich verzette tegen de terechtstelling Catilinariërs. Wat was er gebeurd?

De samenzwering van Catalina
Marcus Tullius Cicero was een groot bewonderaar van het vroege Rome en hij nam stelling tegen iedereen die de oude wetten wilde negeren. Zo kwam hij in het kamp van de Optimaten te­recht, de Senaatspartij. In het jaar 63 werd Cicero consul. Twee jaar eerder had hij een samenzwering ontdekt om de regering omver te werpen. Hij beweerde dat dit complot nog steeds bestond. De leider van de samenzweerders was Catalina, een wrede, woeste figuur die in het troebele water van de strijd tussen Marius en Sul­la zeer voordelig gevist had. Hij was nu bezig in de buurt van het huidige Florence troepen samen te trekken, waarmee hij Rome wilde binnenvallen. Op zijn barbaarse programma stonden het doden van Cicero en ver­scheidene senatoren, alsmede het in brand steken van de stad. In een aan­tal meesterlijke redevoeringen wees Cicero de Senaat op het dreigende gevaar. Eerst had hij nog geen bewijzen. Maar toen meldden zich enige Gallische gezanten bij hem. Ze vertel­den hem dat Catalina hun stam had willen omkopen om tegen Rome op te trekken. Toen kon hij zijn beschuldi­gende redevoeringen met een prachtig vuurwerk laten eindigen. Iedereen prees hem om zijn waakzaamheid. De consul had het recht het doodvon­nis over de reeds gearresteerde sa­menzweerders uit te spreken. Cicero maakte hier echter geen gebruik van. Hij vroeg de Senaat hem raad te ge­ven. Het bleek dat de meningen zeer uiteenliepen. Julius Caesar was genadig en wilde de samenzweerders tot levenslange gevangenisstraf veroor­delen. Maar Cato, een achterklein­zoon van de man die eens op de ver­woesting van Carthago had
aange­drongen, eiste de doodstraf en wist de meerderheid op zijn hand te krijgen.

Het volk morde en riep om de ter­doodbrenging van de Catalinariërs. ‘Zij zijn dood,’ zei Cicero dan ook, toen hij de vergaderzaal verliet en de menigte hem vroeg wat er met de sa­menzweerders zou gebeuren. Hij liet de vijf voornaamste Catalinariërs te­rechtstellen. Catalina zelf was naar Etrurië gevlucht, maar werd enige maanden later in een gevecht gedood. Zijn aanhangers sneuvelden tot de laatste man.

Het Eerste Driemanschap
In 61 v. Chr. zat Caesar zó diep in de schulden, dat hij maar weer naar Spanje ging om daar zijn financiën te verbeteren. Hij mocht Rome echter alleen verlaten omdat de rijke Crassus borg voor hem stond. Caesar be­perkte zich ditmaal niet tot ambtelij­ke bezigheden, maar ontpopte zich als een bekwaam veldheer. Verschei­dene gebieden die nog niet door de Romeinen veroverd waren, wist hij aan de provincie toe te voegen. Bin­nen een jaar schraapte hij bovendien zoveel rijkdommen bijeen, dat hij al zijn schulden kon betalen. Toen hij terugkwam in Rome, wilde hij een triomftocht houden. Daarvoor moest hij buiten de stad blijven tot hij toestemming had gekregen. Maar hij wilde zich ook kandidaat stellen voor het consulschap en daarvoor moest hij juist in de stad zijn! Hij liet daarom zijn triomftocht maar varen om zich in Rome kandidaat te kunnen stellen.
De hele Adelspartij was hem echter vijandig gezind, wat betekende dat hij niet tot consul zou worden geko­zen… Maar met de steun van Crassus en Pompejus – één van de vroegere officieren van Sulla – wist hij de be­geerde positie toch te verkrijgen. Hij sloot toen met zijn vrienden een ge­heim verbond. Later heeft men dit wel het Eerste Driemanschap ge­noemd. De vijanden van het verbond noemden het overigens ‘het driekop­pig monster’.

Een heel bijzondere brandweer
Crassus was zo rijk geworden, omdat hij op het idee was gekomen een brandweer op te richten. Een heel bij­zondere brandweer… In Rome, met zijn hoge etagewonin­gen en zijn nauwe, volle straten, was het brandgevaar bijzonder groot. Maar zodra de kreet ‘Brand!’ weer­klonk, was Crassus ter plaatse. Ter­wijl zijn brandweerlieden zich gereed maakten om het vuur te lijf te gaan, zocht hij de eigenaar van het pand op. Hij bood er een prijs voor die zeer laag lag, maar toch net iets hoger dan de waarde van het huis als het af­gebrand zou zijn. Ging de eigenaar niet op zijn bod in, dan haalde hij zijn schouders op en liet hij de vlammen hun vernielende werk doen. Maar aanvaardde de eigenaar zijn bod, dan spoorde hij zijn brandweer­lieden aan de brand snel te blussen. Vervolgens knapte hij het huis op en verkocht het met een grote winst… Omdat er geen tweede brandweer in Rome was, had Crassus herhaaldelijk succes met zijn afpersingspraktijken. Hij vergaarde een groot fortuin. Al spoedig beheerste hij het Romeinse zakenleven. Met zijn fortuin kocht hij stemmen. Hij leende zijn geld na­melijk uit, en wanneer iemand hem niet op tijd terug kon betalen, zei hij: ‘Dat geeft niet, zolang je maar op mij stemt.’
Crassus wilde graag een groot bevel­hebber en heerser worden. Van al zijn dromen kwam helaas weinig terecht. Maar één keer kreeg hij de gelegen­heid de held te spelen. Dat was bij de opstand van de slaven, onder leiding van de gladiator Spartacus.

Zij die gaan sterven, groeten U!
De Romeinse gladiatorengevechten stamden af van het Etruskische ge­bruik om bij begrafenissen een aantal zwaardvechters tegen elkaar te laten strijden. Later werd dit een volksver­maak. Krijgsgevangenen, slaven en misdadigers werden gedwongen om in de arena op leven en dood met el­kaar te vechten.

Hoewel ‘gladiator’ is afgeleid van ‘gladius’, het Latijnse woord voor ‘zwaard’, kreeg het publiek ook an­dere wapens en andere strijdmethoden te zien. Sommige gladiatoren moesten de tegenstander met een net proberen te vangen. Daarna doodden ze hem met een drietand, die ze in de andere hand hielden. Het kwam ook voor dat de gladiatoren slechts gewa­pend waren met een lasso, waarmee ze de tegenstander wurgden, zodra ze hem te pakken hadden gekregen. De voorstelling begon altijd met de intocht van de gladiatoren. Wanneer de keizer of een andere prominent aanwezig was, maakten de vechters hun opwachting met de woorden: ‘Zij die gaan sterven, groeten U!’ Dan kon de strijd een aanvang ne­men. Als een strijder zwaar gewond werd, riep het volk: ‘Habet!’ (Hij heeft hem!). De gevallen gladiator kon in dit geval zijn hand opheffen en daarmee om genade vragen. Het hing vooral van de stemming van de keizer of het publiek af of hij gespaard werd. Beslissend daarbij was of hij goed gestreden had of niet. De keizer balde zijn vuist als de gladi­ator mocht blijven leven, en stak zijn duim omlaag als hij moest sterven. In het laatste geval ontving de gladiator de genadestoot van de collega die hem geveld had.

De opstand van de slaven en gladiatoren
Voor de wrede gladiatorensport waren natuurlijk steeds nieuwe, getrain­de vechtersbazen nodig. Eén van de opleidingscentrums bevond zich in Capua. Daar brak in 73 v. Chr. een opstand uit. Zeventig gladiatoren wisten zich te bevrijden. Op straat ge­komen, plunderden ze een winkel waar mensen te koop waren. Als hun aanvoerder wierp zich Spartacus op. Spartacus was als vrij man geboren in Thracië, het tegenwoordige Roeme­nië. Omdat hij gedeserteerd was uit het Romeinse leger, was hij als slaaf in de gladiatorenschool terechtgeko­men. Maar nu had hij zijn vrijheid te­rug, en hij was niet van plan deze weer te verliezen! Doordat zich vele weggelopen landbouwslaven bij hem voegden en zijn rebellenleger uit­groeide tot 70.000 man, kon hij tot tweemaal toe de op hem afgestuurde Romeinse legers verslaan die uitge­zonden waren om hem te bedwingen.
Intussen drong hij op naar het noor­den, in de hoop dat hij over de Alpen zou kunnen ontkomen en zijn ge­boorteland weer zou kunnen berei­ken. Maar zijn volgelingen bleven lie­ver roven en moorden in Italië. De discipline in het slavenleger was ver te zoeken. Toen trok Spartacus naar het uiterste zuiden van het schiereiland, waar de rijke generaal Crassus zich met hem kwam meten. Nog éénmaal versloeg Spartacus de Romeinse troe­pen. Maar de volgende keer moest hij het onderspit delven. Toen hij in 71 v. Chr. tegenover het leger van Cras­sus stond, doodde hij zijn paard om daarmee te kennen te geven dat hij niet zou vluchten. Zijn aanhangers waren echter minder dapper en lieten hem in de steek. Hij werd door een speer getroffen en vocht nog moedig door. Maar ten slotte zakte hij ineen. De meeste aanhangers van Spartacus vonden tijdens deze veldslag eveneens de dood. En met hetgeen er nog over was van zijn leger, rekende de veld­heer Pompejus af tijdens een felle drijfjacht.
Als afschrikwekkend voorbeeld wer­den  zesduizend  gevangen slaven langs  de  Via  Appia  gekruisigd.

Hoe de Provence aan zijn naam kwam
In het jaar dat Caesar consul was, maakte hij vooral wetten die hem ver­zekerden van de steun van het volk. Zo kwam er een wet die toewijzing van land aan gepensioneerde soldaten regelde, en een andere wet voor de uitdeling van graan. Na afloop van zijn consulaat vroeg Caesar aan de Senaat of hij gouverneur van de provincie Gallië mocht worden. Zoiets was gebruikelijk. Maar niet normaal was dat hij het ambt voor de duur van vijf jaar wilde hebben, in plaats van voor één jaar. De Senaat was evenwel bang voor zijn invloed en vond het niet zo’n slecht idee dat hij voor een tijdje van het toneel verdween. Daarom ging men op zijn verzoek in. De jaren in Gallië vormen één lange reeks verove­ringen en overwinningen. Caesar be­schreef ze zelf in zijn boek ‘Over de Gallische Oorlog’. Het is geen bescheiden boek, omdat hij het ge­bruikte om propaganda voor zijn ei­gen persoon te maken. Er waren twee Gallische gebieden: Cisalpijns Gallië dat samenviel met de Povlakte, en Transalpijns Gallië, dat ruwgezegd Zuid-Frankrijk om­vatte. In de tijd dat ze zich Iberië (Spanje) toeeigenden, hadden de Ro­meinen het zuidoostelijk deel van Frankrijk bezet. Want dat was de toegangsweg naar Spanje. Ze noem­den dit gebied vaak kortweg ‘de pro­vincie’ en daaruit is de huidige naam Provence’ ontstaan. De rest van het latere Frankrijk werd in de jaren 58 -50 v. Chr. door Caesar veroverd.

Belgen – de dappersten onder de Galliërs
De Romeinen kwamen aanvankelijk altijd – of het nu oprecht was of niet -te hulp en dat deed Caesar nu. Een Gallische natie riep zijn hulp in tegen Germaanse stammen die vanuit het oosten opdrongen. Welwillend dreef Caesar eerst het Gallische volk van de Helvetiërs, dat vanuit Zwitserland op de vlucht was, terug. Daarna joeg hij de oprukkende Germanen met hun aanvoerder Ariovistus terug over de Rijn. Hij bezette meteen elk gebied dat hij doortrok. Door deze succes­sen kreeg Caesar de smaak van het veroveren te pakken. In 57 en 56 v. Chr. veroverde hij geheel Frank­rijk en delen van de Nederlanden be­zuiden de Rijn. Deze gebieden wer­den allemaal tezamen Gallië genoemd en de bewoners Galliërs. Verreweg de meeste weerstand bood het Gallische volk van de Belgen. Toen Caesar bij de rivier de Sambre in de Ardennen door de stam der Nerviërs werd aangevallen, leek het even of hij zou gaan verliezen. Als hij niet – zo vertelt hij tenminste zelf -een schild had gegrepen en zijn mannen was voorgegaan in het gevecht, dan zouden de Romeinen misschien nooit noordelijker gekomen zijn. Met een zeker ontzag noemt Caesar de Belgen dan ook ‘de dappersten onder de Galliërs’.

De Rijngrens in Nederland
In de Nederlanden hebben de Romei­nen zich nog even ten noorden van de Rijn vertoond. Er is een ogenblik ge­weest dat ze bijna het hele Nederland­se grondgebied beheersten. Maar de Rijndelta bestond uit moeilijk toe­gankelijke gebieden en de Friezen maakten het hun te moeilijk. Ze wa­ren gedwongen de Rijn voorgoed als grens te aanvaarden. Langs deze na­tuurlijke grens bouwden ze een reeks sterkten, zoals Noviomagus (Nijme­gen), Fectio (Vechten) en Praetorium Agrippinae (Valkenburg-Z.H.), wel­ke door een weg verbonden waren. Hier, bij deze Nederlandse plaatsen, eindigde dus het onmetelijke
Ro­meinse Rijk! In de Zuidelijke Neder­landen legden de Romeinen ‘villae’ (herenboerderijen) aan, waarvan de eigenaars behalve aan landbouw ook aan nijverheid deden. Door de aanleg van wegen werd dit gebied voor de Romeinse handel ontsloten. Op de knooppunten van deze wegen ont­stonden steden, zoals Atuatuca Tungrorum (Tongeren) en Orolaunum (Aarlen).

Landing in Engeland
Caesar moest in 56 v. Chr. even terug naar Italië om ervoor te zorgen dat hij zijn greep op de politiek aldaar niet verloor. Hij verlengde zijn geheime verbond met Crassus en Pompejus en hij sprak met hen af dat zij tweeën het eerstvolgende jaar consul zouden worden en dat hij nog vijf jaar in Gallië zou blijven. Eigenlijk koesterde Caesar nog grotere plan­nen. Kooplieden hadden hem verteld dat in Engeland tin en lood in de aardbodem aanwezig waren en dat de edelstenen er voor het oprapen lagen. Maar bovenal wilde hij naar Brittannië om er de inwoners de omvang van zijn macht te tonen. Caesar was beze­ten van macht. In het jaar 55 v. Chr. stak Caesar met 80 schepen en 80.000 man naar Engeland over. Hij landde bij het tegenwoordige plaatsje Deal. De invasie verliep moeilijk. Toen men de barbaren eindelijk had terug­geslagen, bleek dat er maar weinig buit in dit land te behalen viel. Toch deed Caesar het volgende jaar nog een tweede aanval, ditmaal met 800 in plaats van 80 schepen. Het succes was nauwelijks groter. Pas in 43 na Chr. zou onder keizer Claudius het zuidelijk deel van Engeland veroverd worden. Voordat de grens van het Romeinse Rijk in Schotland kwam te liggen, zouden nog dertig jaar ver­strijken. In 122 na Chr. liet keizer Hadrianus in Schotland de bekende Hadrianuswal aanleggen, een grens-wal tegen de barbaarse Schotten.

Caesar en Vercingetorix
In Gallië was Caesars taak nog niet geëindigd, want in 52 v. Chr. kwa­men zuidelijke stammen in opstand tegen de Romeinse overheersing. Hun leider was Vercingetorix. Omdat hij Caesar veel last bezorgde, is hij sindsdien vereerd als een nationale beid van Frankrijk. Toen Vercingeto­rix zich in de stad Gergovia [in de buurt van Clermont-Ferrand] in Auvergne verschanste, lukte het Caesar niet de stad te veroveren. De eerste keer dat een Gallische stad sterker was dan hij! Deze vernederende gang van za­ken leek zich even later te gaan herha­len in Alesia, niet ver van het huidige Dijon. Vercingetorix had zich daar verschanst en hij was erin geslaagd boodschappers dwars door de Ro­meinse linies te zenden om andere stammen te hulp te roepen. Vier da­gen lang zag het er voor de Romeinen somber uit. Maar ten slotte kregen ze toch de overhand. Om zijn leger te redden gaf Vercingetorix zich over en wierp zich aan de voeten van Caesar. Maar dit opofferende gebaar was niet aan Caesar besteed. Hij zond Vercingetorix als gevangene naar Rome en zes jaar later, op de dag van zijn triomftocht, liet hij hem wurgen.

De teerling is geworpen
Terwijl Caesar in Gallië roem voor zich zelf en voor zijn land behaalde, vocht Crassus in Syrië tegen de Par­then. Hij werd niet de legendarische veldheer die hij had willen worden. In 53 v. Chr. sneuvelde hij. Toen was er van het Driemanschap nog maar één in Rome over: Pompe­jus. Hij wendde zich van de Volks­partij af en sloot zich bij de Se­naatspartij aan. Alles ging hij doen om de macht van Caesar te ondermij­nen…

Het resultaat was dat de Senaat Cae­sar beval terug te komen in Rome. Zijn vijanden beschuldigden hem van wandaden die hij tijdens zijn consu­laat begaan zou hebben. Daar moest hij zich maar eens voor komen ver­antwoorden. Maar hij mocht uiter­aard niet zijn leger meebrengen! Dat moest hij achterlaten bij de rivier de Rubico, die de grens tussen Gallië en Italië vormde. Caesar aarzelde. Als hij niet aan het bevel van de Senaat gehoorzaamde en toch zijn leger mee­bracht, betekende dat een burgeroorlog. Maar kon hij zich zo maar gaan uitleveren aan zijn vijand? Peinzend stond hij aan de Rubico. ‘We kunnen nog terug,’ zei hij tegen zijn mannen. Op dat ogenblik begon een herder aan de overkant een lief­lijk wijsje te spelen. Hierdoor aange­trokken staken een paar soldaten het riviertje over. Caesar vond het een goed voorteken. ‘Laat ons gaan waar de voortekenen van de goden ons roepen,’ riep hij uit, ‘de teerling is geworpen!’

Hij gaf zijn paard de sporen en stak aan het hoofd van zijn leger de Rubi­co over. En dit had zoveel gevolgen dat men nog steeds de uitdrukking ‘de teerling is geworpen’ en ‘de Rubi­co* oversteken’ gebruikt voor het ne­men van een belangrijk besluit.

Het hoofd van Pompejus
Zonder Italië te verdedigen vluchtte Pompejus met de Senaat naar Grie­kenland. Daar wilde hij troepen ver­zamelen om Caesar vanuit het oosten en vanuit Spanje aan te vallen. Cae­sar maakte zich niet druk om zijn te­genstander en veroverde eerst Italië. Vele aanhangers van Pompejus lie­pen naar hem over. Vervolgens trok hij naar Spanje, waar hij Pompejus’ troepen versloeg en opnieuw vele overlopers kreeg. Pas in de winter van 48 v. Chr. stak Caesars strijd­macht over naar Griekenland. Na enige schermutselingen hier en daar verpletterde Caesar de troepen van Pompejus bij Pharsalus. Pompejus vluchtte verder, nu naar Egypte. Zou men hem daar asiel ver­lenen? De koning, Ptolemaeus XII, was pas dertien jaar, maar de kroon­raad nam het besluit. Men zou Pom­pejus niet wegsturen en men zou hem niet welkom heten. Bij de landing werd Pompejus vermoord! Toen Caesar tien dagen later in Egypte landde, kon men hem het hoofd van Pompejus tonen. Caesar maakte nog een korte strafexpeditie door Klein-Azië om de vorsten te straffen die steun aan Pompejus hadden verleend en een opstand hadden ontketend. Alles liep daarbij zo op rolletjes dat hij aan een vriend kon schrijven: ‘Veni, vidi, vici!’ ofwel ‘ik kwam, ik zag en ik overwon!’

In het jaar 45 v. Chr. kon hij naar Rome terugkeren. Zijn soldaten wa­ren de oorlog moe geworden. Ze lie­ten dit duidelijk merken; er dreigde opstand. Caesar sprak slechts één woord tot hen, waarmee hij niet al­leen de dreigende opstand bedwong, maar ook alle soldaten de hun toeko­mende oorlogsbuit en triomf
ont­nam. Hij sprak alleen maar: ‘Burgers…!’

Eind 45 trok Caesar naar Afrika. Daar had de verslagen Se­naatspartij zich verschanst met de hulp van de Numidische koning Juba. De republikeinen werden aange­voerd door Cato en ene Scipio. In 46 werden ze bij Thapsus door Caesar verslagen. Daarmee kwam aan het laatste republikeinse verzet een einde. Cato, Scipio, Juba en anderen pleeg­den zelfmoord.

Dictator voor het leven
Caesar liet zich enorme volmachten geven. Hij werd dictator voor het le­ven en hij kreeg het recht om de titel ‘Imperator’ te dragen, wat wil zeggen opperbevelhebber van het leger in het hele rijk. De bevoegdheden van con­sul, censor, opperpriester en tribuun, allemaal trok hij ze aan zich. Hij mocht voortaan de wetten maken, hij mocht rechtspreken zonder dat hier beroep op mogelijk was en hij mocht vrijwel alle magistraten benoemen. Kortom, het gezag van de Volksver­gadering, van de Senaat en van de magistraten was weggevaagd. Alleen Caesar bleef over! Het moet eveneens erkend worden dat Caesar zijn macht niet, zoals Marius en Sulla, gebruikte om zijn tegenstanders te vervolgen. ‘Laten we een nieuwe manier van overwinnen invoeren,’ zei hij, ‘en la­ten we proberen ons te handhaven door te vergeven en zacht te zijn.’ Hij ging erop toezien dat de provin­cies rechtvaardiger bestuurd en niet meer zo uitgezogen werden. Ook trachtte hij iets voor de armsten van Rome te doen. Hij gaf hun trouwens liever werk dan aalmoezen, en hij on­dernam daarom grote publieke wer­ken, zoals het plan tot het droogleg­gen van de Pontijnse Moerassen. Hij bracht ook de verdediging van de rijksgrenzen in uitstekende staat. Voorts wist hij de financiële positie van de staat weer gezond te maken. De tijdrekening, die geheel in de war was, verbeterde hij door invoering van een nieuwe, de zogenaamde Juli­aanse kalender.

Ook jij, Brutus?
Maar toen er geruchten gingen dat Caesar zich tot koning wilde laten uitroepen – en sinds de Etruskische koningen hadden de Romeinen een intense afkeer van de monarchie – konden zijn vijanden vrij gemakke­lijk zijn val bewerkstelligen. Zij kon­den nu immers zeggen dat ze de repu­bliek wilden redden… Er werd een complot gesmeed om Caesar te vermoorden. De voor­naamste samenzweerder was Cassius, een voormalige tegenstander van Caesar, die echter begenadigd was. Met Brutus, een tweede samenzweer­der, was dit ook het geval. Maar Bru­tus was intussen een beschermeling en vriend van Caesar geworden. Hij deed alleen mee, omdat hij de inner­lijke overtuiging had dat het staatsbe­lang dit eiste. De samenzweerders, al­lemaal senatoren, besloten snel te handelen vóór hun plan ontdekt werd. Ze kozen als datum de 15e maart 44 v. Chr. Er zou dan een
be­langrijke Senaatsvergadering plaats­vinden. En ze wisten dat Caesar
on­gewapend en zonder lijfwacht naar het Senaatsgebouw zou komen. Hoewel hij vanwege talrijke slechte voortekenen en herhaalde waarschu­wingen eerst niet wilde gaan, begaf Caesar zich op de bewuste dag toch naar die vergadering. Op een afgesproken teken trokken de samenzweerders hun dolken en vielen hun slachtoffer van alle kanten tege­lijk aan. Toen Caesar zag dat Brutus eveneens zijn wapen ontblootte, sta­melde hij teleurgesteld: ‘Ook jij, Bru­tus…?’

Vervolgens trok hij zijn toga over zijn hoofd en bezweek onder de dolksteken.

6e l;as Rome Julius Caesar

Een mooie vrouw
Tijdens zijn verblijf in Egypte raakte Caesar nog betrokken bij een konink­lijke familiestrijd. De jonge ‘Ptolemaeus XII regeerde samen met zijn zuster Cleopatra. Zij was geen katje om zonder handschoenen aan te pak­ken, en men had aan het hof op een ze­kere dag zo genoeg van haar streken en eisen dat men haar eenvoudig de stad uitzette. Dit gebeurde juist toen Caesar in Egypte kwam. Cleopatra ging gauw zijn hulp vragen. Omdat zij een mooie vrouw was, kreeg ze die.

Caesar mar­cheerde Alexandrië binnen, nam Ptolemaeus gevangen, maar werd toen plot­seling door het Egyptische leger aange­vallen. Samen met Cleopatra en de 13-jarige koning moest hij zijn toevlucht zoeken op het eiland Pharos, waar de vuurtoren stond. Hij zat daar zes maanden ingesloten vóór hij door Ro­meinse troepen ontzet werd. Caesar zorgde ervoor dat Cleopatra de Egyptische troon voor zich alleen kreeg en in de toekomst niets meer hoefde te vrezen. Maar nadat dit alles geregeld was, bleef hij vanwege haar charmes nog een hele tijd bij haar han­gen…

Omdat de Romeinen in ons land veel hebben nagelaten, is het vanzelfsprekend ook aan dat deel van de vaderlandse geschiedenis aandacht te besteden.

Dat kan bv. heel goed vanuit plaatselijke omstandigheden. Een vrijeschool in Nijmegen heeft allerlei mogelijkheden om de interesse van de kinderen voor de Romeinse tijd te wekken.

Julius Caesar in Engeland
E
en leesboekje in het Engels – een 6e klas met Engels vanaf klas 1 zou het met wat hulp moeten kunnen lezen.

Julius Caesar in de lage landen

In ‘Geschiedenis van de lage landen‘ van Jaap ter Haar staat in deel 1 heel veel wat je meteen kunt gebruiken en bijna letterlijk vertellen

*Steiner gebruikte het woord vaak om de overgang van vóór het 9e of 1oe jaar naar de tijd erna te karakteriseren.
.

 6e klas geschiedenis: alle artikelen
.
 6e klas: alle artikelen
 .
661

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Voltaire

DE VONK DER REDEVoltaire

“Met geen uwer woorden ben ik het eens, maar uw recht van meningsuiting zal ik tot aan mijn dood verdedigen.” 

Ve­len schrijven deze beroemde zin aan Voltaire toe. Ze vloeide evenwel uit de pen van één zijner biografen die zo op vol­maakte wijze Voltaire’s leven van strijd voor vrijheid van denken samenvatte. Hij was in een tijdperk van kwezelarij de eerste ver­lichte denker, en hij veranderde het in het Tijdperk van de Rede.

Men heeft Voltaire wel een cynicus genoemd omdat hij zich het recht voorbehield te twijfelen aan hetgeen hij niet kon ge­loven. Voltaire is ook wel een atheïst genoemd. Hij gaf hiervan uitleg aan zijn Schepper, niet aan degenen die hem beschuldigden:

O verborgen God die spreekt uit Zijne werken
Hoor mijn laatste woorden nu:
Zo ik dwaalde, ik dwaalde zoekend naar Uw Wet,
Doch mijn dwalend hart was immer vol van U.

Dit zijn woorden uit een berouwvol, nederig hart. Nimmer be­streed Voltaire het eenvoudige geloof, wel echter bespotte hij de bijgelovige goedgelovigheid, die onterende vervalsing van het geloof.

Het kind dat als man het pseudoniem “Voltaire” zou voeren, werd op 21 november 1694 te Parijs geboren en Francois-Maric Arouet gedoopt. Op zevenjarige leeftijd verloor hij zijn moeder. Hij had een zwakke gezondheid en was erg klein voor zijn leef­tijd. Deze vurige kabouter had een schelmse lach en een onna­tuurlijke liefde voor de wetenschap. Op zeventienjarige leeftijd gaf hij het voornemen te kennen, letterkundige te worden. Papa Arouet, een maatschappelijk streber, die bovendien benauwend vroom was, vond dat een onfatsoenlijk beroep en dwong de jongen te gaan werken op een advocatenkantoor, waar hij glorieus mis­lukte. Hij werd daarna in diplomatieke dienst naar Nederland gezonden, alwaar hij prompt probeerde een meisje van arme ouders te schaken, en met schande overladen naar huis terugge­zonden werd. En nog steeds wilde hij schrijver worden.
“Schrijver zijn betekent honger lijden,” riep papa Arouet uit, en hij pro­beerde het lot een handje te helpen door hem te onterven. Binnen tien jaar was de jonge “monsieur Voltaire” een beroemd man.

Zijn succes was ook een beetje te danken aan de omstandigheid dat de censors bijna al zijn boeken verboden en na twee opvoerin­gen meestal ook zijn toneelstukken. Het gevolg was, dat de voor­aanstaande Parijzenaars de premières van zijn stukken in drom­men bijwoonden en de bijtende volzinnen in het geheugen prent­ten; zijn boeken deden de ronde alsof het de vlugschriften van de een of andere ondergrondse organisatie waren, en ook in het bui­tenland werden ze gretig gelezen. De officiële beschuldiging, die luidde dat Voltaire de openbare zeden bedierf, sloeg niet op de burgerlijke fatsoensnormen; het betekende wat het tegenwoordig in Rusland zou kunnen betekenen — dat kritiek op de regering de hoogste graad van “immoraliteit” was. De toneelstukken en fantastische romans speelden weliswaar gewoonlijk in exotische en vreemde landen, maar iedereen begreep de politieke dubbel­zinnigheden en schudde van het lachen. Nu is vrolijkheid een vlam die regeringen niet kunnen doven. Voltaire werd derhalve veroordeeld tot bijna een jaar gevangenisstraf in de Bastille.

Aan hem begaan onrecht kon Voltaire wel verdragen, maar niet het onrecht dat anderen werd aangedaan. Toen de beroemdste toneelspeelster van Frankrijk, Adrienne Lecouvreur, een vreselijke doodsstrijd streed, hoorde Voltaire die aan haar sponde zat, de priester van haar verlangen dat ze haar kunst als een zondig kijkspel zou verloochenen. Adrienne Lecouvreur weigerde fier. De priester verliet haar zonder geestelijke bijstand te hebben gegeven, en ze werd door de politie in een naamloos graf begraven. Vanaf die dag koesterde Voltaire haat — niet tegen het christen­dom, zoals wel wordt beweerd, maar tegen onchristelijke
wreed­heden. “De man die mij zegt: ‘Geloof als ik, of God zal u ver­doemen,” vermaande hij, “zal al gauw zeggen: ‘Geloof als ik of ik zal u doden.”

Het duurde niet lang of Voltaire werd ten tweede male in de Bastille geworpen. Onder de belofte dat hij Frankrijk zou verlaten, werd hij vrijgelaten, waarop hij scheep ging naar Engeland. In Londen werd hij getroffen door de liefde — in plaats van de vrees — die men voor de koning koesterde. Hij kwam ook diep onder de indruk van de begrafenis van Isaac Newton in de Abdij van
West­minster — in Frankrijk zou men zo’n onbelangrijk man als een geleerde niet hebben geridderd, laat staan met zoveel pracht begraven. Hij verbaasde zich over de macht en de onafhankelijk­heid van het parlement en bovenal over de rechtspleging in Engeland.

Voltaire heeft in zijn leven slechts één Amerikaan gekend, Benjamin Franklin, en die bewonderde hij zeer; maar hoeveel meer zou hij zich verwant hebben gevoeld met Jefferson die later schrijven zou dat “alle mensen gelijk geschapen zijn,” en dat ze “het onvervreemdbare recht hebben op vrijheid, leven en het nastreven van geluk!” Want dat waren gedachten waaraan Vol­taire lang voordat Thomas Jefferson werd geboren uitdrukking had gegeven.

In 1729 kreeg de toen 35-jarige Voltaire toestemming om naar Frankrijk terug te keren. Hij maakte handig gebruik van een ver­gissing die de regering bij het uitgeven van loterijbriefjes had be­gaan en wist een syndicaat op te richten dat alle briefjes opkocht. Hij schepte openlijk genoegen in zijn aldus verworven rijkdom. Hij hield van comfort, mooie kleren en fraaie rijtuigen. Hij was zich echter scherp bewust van het lijden om hem heen dat hij niet, zoals de genotzieke rijken en de op weelde gestelde geestelijkheid, gemakshalve toeschreef aan “Gods wil”. Hij had fouten in over­vloed. Hij was zelfzuchtig en twistziek; hij placht zich met om­standige leugens uit moeilijkheden te draaien, en als hij in we­zenlijk gevaar kwam te verkeren, koos hij het hazepad. Niettemin bezat hij een van de belangrijkste zedelijke waarden: hij zag de mens als een vrij individu dat verantwoordelijk was voor zijn eigen daden, met zijn geweten als rechter.

Hij verafschuwde wreedheid en onverdraagzaamheid en be­streed ze op een geestige manier die voortkwam uit zijn gevoel voor rechtvaardigheid, door “woede te veranderen in een lach en vuur in licht.”

“Het is mijn vak,” zei hij, “om te zeggen wat ik meen.” En wat hij dacht vulde 99 boekdelen met toneelstukken, gedichten, romans en artikelen. Hij schreef ongeveer 8000 brieven aan be­roemde mensen. Catharina de Grote van Rusland schreef te hopen dat haar antwoordbrieven niet zo veelvuldig waren dat ze hem verveelden. Christiaan VII van Denemarken maakte zijn verontschuldigingen voor het feit dat hij niet alle hervormingen tegelijk doorvoerde. Gustaaf III van Zweden schreef dat hij poog­de te leven naar de door Voltaire gestelde maatstaven van men­selijkheid, en Frederik de Grote, toentertijd kroonprins van Prui­sen, kwam incognito om aan de voeten van de meester te zitten.

Degenen met wie Voltaire briefwisseling onderhield hadden moeite om zijn adresveranderingen bij te houden, want hij werd vaak gedwongen, onder te duiken. Herhaaldelijk lieten de censors zijn boeken in het openbaar verbranden, en geheel Europa kon bij het licht van die vlammen zien wat Voltaire dacht van hoge militairen, wondergenezingen, de goddelijke rechten van konin­gen, en het Heilige Officie van de inquisitie. Met één zin kon hij iemand vernietigen: kardinaal Mazarin, zo schreef hij, was schul­dig aan “alle goede daden die hij niet had begaan”.
In 1749 aan­vaardde Voltaire een veel vroeger gedane uitnodiging van Frede­rik de Grote om het nieuwe en boerse Pruisische hof te Potsdam met zijn aanwezigheid op te luisteren. Al gauw werd Voltaire, die zich ergerde aan het militarisme van de Pruisische Junkers, en die zich amuseerde om hetgeen het hof zich aanmatigde, Frederik een doorn in het oog, die hem gestadig meer last be­zorgde. Hij joeg Voltaire van het hof weg. Door wraakgierige invloed van Frederik, vond Voltaire daarop vrijwel elke grens voor hem gesloten.

In 1755 vond de bejaarde filosoof in de kleine, vrije Republiek van Genève een toevlucht. Drie jaar later kocht hij grond in Ferney, een kilometer of zes buiten Genève, op Frans grondgebied. Vrijwel een ieder die in Europa iets betekende, kwam hem daar opzoeken. Daar amuseerde Voltaire, het broodmagere lichaam gehuld in een prachtige geelsatijnen mantel, en de bekende schelmse lach op het gerimpelde gelaat, zijn gasten met de meest onderhoudende tafelgesprekken in Europa. Men kwam voor drie dagen en bleef drie maanden. “God behoede me voor mijn vrien­den!” verzuchtte hij. “Ikzelf bescherm me wel tegen mijn
vijan­den.”

Ontelbare slachtoffers van godsdienstige en politieke vervol­gingen stelden zich onder zijn bescherming. Hij liet huizen voor hen bouwen en hielp de vaklieden onder hen, hun eigen zaak te beginnen — timmerlieden, schoenlappers, melkveehouders, we­vers en pottenbakkers. Het duurde niet lang of hij had een heel dorp op zijn landgoed, en hij bouwde er een kerk en een school voor de dorpskinderen. Men zou mogen hebben verwachten dat hij zijn laatste jaren in rust en vrede zou slijten, maar zijn bitterste strijd en zijn belangrijkste werk wachtten hem nog. In het jaar 1762 — een jaar waarin godsdienstfanatici nog immer de jaardag van de kettermoorden herdachten — vond men in een winkel in Toulouse een jongeman dood in een strop. Het gerucht wilde dat hij een protestant was die zich tot het katholicisme had willen bekeren, en dat zijn vader, Jean Calas, een zwak en zachtmoedig man, zijn grote, potige zoon had opgehangen. Galas werd na afgrijselijke martelingen terechtgesteld zonder dat hij een beken­tenis had afgelegd. Naarmate Voltaire zich meer in deze zaak ver­diepte, werd hem de erbarmelijke toestand van het strafrecht zoals dat in bijna geheel Europa — behalve in Engeland — ge­pleegd werd, steeds duidelijker. Er was geen jury geweest; men had de aangeklaagde geen rechtsbijstand verleend; de getuigen a charge legden in het geheim hun verklaringen af, en de rechters gedroegen zich als openbare aanklagers. Erger nog, Voltaire kwam erachter dat het merendeel der strafwetten zelfs niet op schrift stond, maar in de hoofden van de juristen werd bewaard en werd “uitgelegd” zoals dat voor het bewerkstelligen van een veroordeling het beste uitkwam.

Voltaire bestreed deze misstanden met inzet van al zijn invloed en zijn gehele vermogen. Drie jaar lang, zo zei hij, kon hij zich in feite geen lachje veroorloven. Hij wijdde doorwaakte nachten aan het bestormen van advocaten, geestelijken, koningen en de ganse Europese pers met de eis dat de zaak Calas werd heropend. Op het laatst moest de koning zelve voor de aandrang van het publiek zwichten, en de hele zaak opnieuw in beschouwing ne­men. De dode werd onschuldig verklaard. Deze zaak zette een hervorming van de sinds 800 jaar door de regeringen verwaarloos­de strafwetten aan het rollen.

De zaak Calas was nog niet gewonnen, of de slachtoffers van gelijksoortige onrechtvaardigheden klopten bij Voltaire aan. Niets wekte zijn woede meer op dan de macht van de geestelijkheid om leken die de godsdienstige wetten hadden overtreden te beschul­digen, te martelen en terecht te stellen. Hij eiste dat de geestelijk­heid zich van het bedrijven van politiek en het plegen van recht zou onthouden, en zich om de verwaarloosde zielszorg zou be­kommeren. Hiermee stelde Voltaire zich bloot aan een stortvloed van scheldtaal, maar stapje voor stapje wist hij het verschil tussen wetsovertreding en zondigen duidelijk te maken.

Deze stekelige oude man aanbad zijn vaderland en was bezeten van een onbedwingbaar verlangen, vóór zijn dood nog eenmaal zijn geliefde Parijs te aanschouwen. Op een februaridag in 1778 hield een Franse douanier een rijtuig aan om het op smokkelwaar te controleren. “Niets aan te geven,” klonk een vrolijke oude stem vanuit het rijtuig. “Ik ben de enige contrabande.” De douanier wierp het portier open. “Mon Dieu” riep hij uit, “het is monsieur Voltaire!” Miljoenen mensen kenden zijn rimpelige oude glim­lach.

Parijs haalde hem uitgelaten binnen. De Académie francaise die hem tot zijn benoeming tot lid in 1746 jarenlang had afgewe­zen, opende haar armen. Op de trappen van de Comédie francaise verzamelden zich alle acteurs om de toneelschrijver te begroeten. Zijn nieuwe toneelstuk kreeg een denderend applaus waaraan geen einde wilde komen. De feestelijkheden werden de oude man in mei echter te veel, en hij stierf op 83-jarige leeftijd. Hij liet ons in zijn laatste wil zijn gehele geloofsbelijdenis na.

“Ik sterf,” liet hij zijn secretaris opschrijven, “in aanbidding van God, in liefde voor mijn vrienden en in afschuw van bijgeloof.”

De geestelijkheid weigerde hem te begraven, en zijn lijk zou het lot van dat van Adrienne Lecouvreur hebben gedeeld, als zijn vrienden zijn lichaam niet tussen zich in hadden genomen, de wachtposten niet in de waan hadden gebracht dat Voltaire nog leefde, en het lijk niet haastig buiten de stad een behoorlijke begrafenis hadden gegeven.

Ten slotte echter begreep het Franse volk, dat worstelde met zijn tirannen, de man die had uitgeroepen: “Ontwaak, volk! Slaak uwe ketenen!”

In 1791, toen de Revolutie in volle gang was, werd het lichaam van Voltaire naar Parijs teruggebracht, waar het triomfantelijk een nacht lang te midden der puinhopen van de Bastille lag opgebaard. Een kwartmiljoen mensen verdrong zich langs de erewachten om zijn stoffelijk overschot eer te be­wijzen, alvorens het werd overgebracht naar het Panthéon, waar Frankrijks grote mannen begraven liggen. En terwijl de stoet voorwaarts ging, wapperde er een banier in de wind, met de woorden:

“Hij gaf de menselijke geest vleugels. Hij bereidde ons voor op de vrijheid.”

alle biografieën

660

 

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-4)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

Lindenberg geeft in zijn weekplanning aan dat ook de Gracchen behandeld moeten worden.

TWEE VOORUITSTREVENDE BROERS

De boeren werden vervangen door slaven

Hoewel de slaven voor een belangrijk deel bijdroegen tot de economische
macht die Rome in de wereld was gaan vormen, zorgden ze ook voor
onverwachte maatschappelijke problemen die vooral na de Punische
Oorlogen de kop opstaken. Vele boeren kwamen in moeilijkheden. De
troepen van Hannibal waren plunderend over het Apennijnse schiereiland
getrokken en hadden tal van boerderijen verwoest. Vele boeren, ook
plebejische, waren in militaire dienst op­geroepen, wat velen in moeilijkheden had gebracht. Velen waren gesneu­veld, anderen hadden zich diep in de schulden moeten steken om hun be­drijfjes tijdens hun afwezigheid draaiende te houden. Voor rijke lie­den was het geen kunst om in die na­oorlogse jaren tientallen boerenbe­drijfjes op te kopen. Ze voegden de landerijen samen tot onafzienbare plantages, waarop honderden, vaak zelfs duizenden slaven het werk ver­richtten. Een slaaf was altijd nog goedkoper dan een betaalde werkkracht. We zouden kunnen zeggen dat op deze manier de landbouw op grote schaal werd gesaneerd. Zij die noodgedwongen afstand van hun boerderij hadden moeten doen, trok­ken massaal naar Rome, zoals alle eeuwen door de grote, rijke steden een grote aantrekkingskracht op de armen hebben uitgeoefend. Maar ook in Rome vonden ze geen werk; ook daar werd de meeste arbeid door slaven verricht. Aan slaven was im­mers geen gebrek, zeker niet toen de oorlog juist achter de rug was en tal­loze Puniërs in gevangenschap waren geraakt.

Zo werd Rome allengs bevolkt door mensen zonder bezit en zonder een ander vak dan dat van boer. Ze beza­ten eigenlijk maar twee dingen: de Romeinse burgerrechten en veel, heel veel kinderen.

Om het eerste, de burgerrechten, vormden de armen van Rome een toch niet te verwaarlozen groep. Ze mochten immers in de Volksvergade­ring stemmen en daarom dongen zij die de macht begeerden naar de gunst van deze armen. Ambitieuze politici beloofden het volk brood en spelen, met andere woorden: voldoende voedsel en genoeg amusement om de tijd te doden. De armen waren daarom te vinden in het circus of in één van de andere grote stadions en thea­ters, óf ze brachten hun tijd door in de Volksvergadering.
Aan de tweede reden, hun rijke kin­dertal, dankten ze hun naam:
prole­tariërs of ‘kroostbezitters’. De vele kindertjes immers vormden de enige ‘rijkdom’ van de armen en speelden alleen al een grote rol als het ging om voedsel en andere uitdelingen. Er waren politici die wel begrepen dat het snel toenemend aantal prole­tariërs voor Rome een gevaar zou gaan betekenen. Twee van de politici die de toestand niet meer gezond von­den, waren de gebroeders Gracchus.

De roem van Cornelia
Tiberius en Gaius Gracchus kwamen uit een aanzienlijk en ontwikkeld
mi­lieu. Hun moeder Cornelia was een dochter van de held Scipio de
Afri­kaan die Hannibal had verslagen. Zij had kwaliteiten en zij was één van de leidende persoonlijkheden in de Ro­meinse hogere kringen. Zij
verzamel­de alle mensen om zich heen die iets te betekenen hadden. De riante wo­ning van Cornelia onderscheidde zich door de culturele belangstelling die er heerste. Het meest welkom waren natuurlijk   de   Griekse   kunstenaars. Maar ook Romeinse schrijvers verschenen er.  Aan Cornelia komt de eer toe dat ze door deze vermenging het letterkundig leven van Rome enorm gestimuleerd heeft. Haar roem ging tot over de grenzen. Het schijnt zelfs dat Ptolemaeus haar ten huwelijk heeft gevraagd en haar tot koningin van Egypte wilde maken!
In deze om­geving groeiden Tiberius en Gaius op. Het Griekse stempel dat hun opvoeding kreeg, gaf hun natuurlijk een wat ruimere blik. Ze bekeken de za­ken niet alleen van de nuchtere Romeinse kant maar ook van de meer filosofische Griekse kant. Hierbij kwam uiteraard nog dat ze de best denkbare relaties hadden en daarmee grote mogelijkheden in de politiek

Een onfatsoenlijke streek
Tiberius Gracchus werd voor het jaar 133 v. Chr. als volkstribuun geko­zen. Hij kwam toen met de eis dat de zogenaamde Licinische wetten, die in het vergeetboek waren geraakt, opnieuw van kracht zouden worden ver­klaard. Deze wetten hadden onder meer bepaald dat niemand meer dan 125 hectare van de staatslanderijen in bezit mocht hebben. Tiberius wilde dat grotere grondbezittingen zouden worden verdeeld onder de vele werk­loze boeren, die als pachters zouden optreden. Hij vergat niet de groot­grondbezitters een ruime vergoeding toe te denken in zijn hervormingspro­gramma.

Het plan kreeg de instemming van de Volksvergadering. Maar de
tegen­standers – de grootgrondbezitters, waartoe ook alle senatoren
behoor­den – zaten niet stil. Als de Volksvergadering een wet aan­nam, hoefde je maar één van de tri­bunen zover te krijgen dat hij ‘Veto’ (= Ik verbied het) zei en de wet kon niet meer worden uitgevoerd. Er wa­ren tien tribunen. De Senaat had geen moeite er één te vinden die bereid was het verlammende ‘Veto’ uit te spre­ken.

Hevig verontwaardigd over deze on­fatsoenlijke streek van de Senaat, besloot Tiberius tot een forse maatre­gel. Hij verzocht het volk de dwars­liggende tribuun uit zijn ambt te ont­zetten. En hoewel de tribunen onaan­tastbaar waren, werd de betrokken tribuun weggestemd!
Tiberius kreeg nog wel de gelegenheid een begin te maken met zijn landverdeling. Er werd een college van drie mannen aangewezen om de plannen te verwe­zenlijken: Tiberius zelf, zijn broer Gaius en zijn schoonvader Appius Claudius. Maar toen Tiberius in 133 v. Chr. probeerde herkozen te worden, wisten zijn tegenstanders hem tijdens een gewapend conflict te laten vermoorden.

De hervormingen van Gaius
Dankzij Tiberius Gracchus waren 70.000 burgers landbezitters gewor­den. Bovendien was voor het eerst in de geschiedenis gebleken dat men de machtige, eerbiedwaardige Senaat met enig succes kon uitdagen. Tien jaar later zette Gaius Gracchus, de jongere broer van Tiberius, de her­vormingen voort. Hij werd tribuun in 124 v. Chr. Onmiddellijk begon hij het probleem van de werkloosheid en armoede aan te pakken. Hij handhaafde niet alleen het idee van landverdeling van zijn broer, maar hij stelde ook maatregelen voor als: emigratie naar de overzeese provincies waaronder het verdoemde gebied van Carthago!), de aanleg van wegen naar afgelegen landbouwgebieden in Italië en het maandelijks uitdelen van graan tegen zeer lage prijzen. Met die wegen zouden niet alleen de wegarbeiders aan werk geholpen zijn, maar zouden de boeren gemakkelijker hun landbouwprodukten naar de markt kunnen vervoeren. De uitdeling van goedkoop graan zou betekenen dat het volk voortaan verzekerd was van het hoofdbestanddeel van zijn voedsel.
Gaius Gracchus liet gro­te graansilo’s bouwen en liet het graan tegen een lage standaardprijs verkopen.

Mevrouw had moeten wachten
‘Niet lang geleden kwam een consul naar Teanum. Zijn vrouw zei dat ze graag een bad wilde nemen in het badhuis van de mannen. De quaestor Marius kreeg opdracht alle baders weg te sturen. De vrouw vertelde achteraf
aan haar man dat ze had moeten wachten en dat de baden niet schoon waren geweest. Meteen richtte men op het stadsplein een paal op, om Marius, de aanzienlijkste man van de stad, aan vast te binden en een aantal stokslagen te geven.’
Met dit verhaal vestigde Gaius Gracchus tijdens een van zijn redevoerin­gen de aandacht op het wangedrag van de overmoedige patriciërs.

Een nieuwe stand: de ridders
Zoals alle politici kon Gaius het niet zonder stemmen doen. Om zijn posi­tie te versterken, won hij de steun van de ‘ridders’. Dit was een nieuwe groep in de Romeinse samenleving. De ‘ridders’ of ‘ruiters’ waren oor­spronkelijk de niet-patriciërs die ver­mogend genoeg waren om op eigen kosten dienst te nemen bij de ruiterij. Naderhand kwamen de grote kapita­len in hun handen, omdat de patri­ciërs zich te goed achtten voor de handel. De patriciërs vonden de land­bouw een edeler beroep. Aan de sena­toren was het bovendien verboden om aan handel – althans buitenlandse handel – te doen. Gaius wist de ridders op zijn hand te krijgen door aan hen het rechtersambt op te dragen. Daarvóór was de rechtspraak in han­den van de patriciërs geweest. Het be­tekende een klap voor de Senaatspar­tij, want de patriciërs waren gewend geweest zich in de provincies op schandelijke wijze te verrijken, in de wetenschap dat ze in geval van een proces door hun eigen mensen zou­den worden berecht en vrijgesproken. De ridders daarentegen lieten zich aan de patriciërs niets gelegen liggen! Bovendien kregen de ridders (rijke kooplui, speculanten en geldwisse­laars) door het rechtersambt een enorme macht, die ze veelal ten eigen bate zouden aanwenden.

De Senaat hielp een handje
Gaius Gracchus kwam echter ten val toen hij voorstelde de verschillende Italiaanse bondgenoten het Romeinse burgerschap te verlenen. Want daar voelde het Romeinse volk niets voor. Het piekerde er niet over zijn
voor­rechten, zoals goedkoop graan, toe­deling van het land en gratis gladiato­rengevechten, met anderen te delen. Vele varkens zouden immers de spoe­ling dun maken. De bondgenoten moesten maar voor zichzelf zorgen! Zo kwam het Romeinse volk in op­stand tegen zijn eigen weldoener. De senatoren   hielpen   natuurlijk   een handje. Ze maakten ijverig stemming tegen de man die ‘nota bene een kolo­nie wilde stichten op de verdoemde plaats van Carthago’.
Tijdens een onrustige offerplechtig­heid werd een lictor door één van Gaius Gracchus’ aanhangers gedood. Lucius Opimius, de consul, was vast van plan om van deze gebeurtenis ge­bruik te rnaken om Gracchus ten val te brengen. Hij had Kretensische boogschutters, die zich toen juist te Rome bevonden, op het Capitool ontboden. Alle aanhangers van de Senaat werden opgeroepen om gewa­pend te verschijnen. Ook die leden der ridderschap, die de Senaat trouw waren gebleven, kwamen op, elk door twee gewapende slaven verge­zeld. De Senaat besloot de consuls met onbeperkte volmacht te bekleden en hun recht te verlenen om de moor­denaars desnoods met aanwending van geweld te tuchtigen. Gracchus en zijn vrienden gingen naar de Aventijn en verschansten zich in de tempel van Diana. De aanval kwam. Onder aan­voering van de consul Lucius Opimius rukten de gewapende senatoren, door de Kretensische boogschutters en de adellijke ridders vergezeld, op de Aventijn aan. Bijna zonder slag of stoot werd de kleine bende omsingeld en overhoop gestoken. Gracchus wil­de zichzelf van het leven beroven, maar vrienden bezworen hem dit niet te doen, want hij kon nog zoveel tot stand brengen. Toen vluchtte hij, ver­gezeld van een slaaf. Hij bereikte de andere oever van de Tiber, maar ver­stuikte in de haast zijn voet. Een paard was nergens te krijgen. In het bos van Furina vond men later zijn lijk en dat van zijn slaaf. Ongetwij­feld op bevel van zijn meester had de trouwe dienaar eerst zijn heer en daarop zichzelf van het leven be­roofd.

Het volk vergat de Gracchen echter niet. Eerst na de dood van de
voor­treffelijke mannen zag het in wat het in hen verloren had. Cornelia werd voortaan nooit anders dan ‘de moeder der Gracchen’ genoemd, waarmee men zowel de moeder als de zoons wilde eren.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen
659

VRIJESCHOOL – Schrijven en lezen – alle artikelen

 

.

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle letterbeelden

 

[1] Rudolf Steiner over schrijven en lezen: alle artikelen

[2-1] 1e klas – schrijven:
voorbereiding; zit- handhouding

[2-2] 1e klas – schrijven:
voorbeelden van voor-oefeningen (vormtekeningen)

[2-3] 1e klas – schrijven:
Elisabeth Klein over: schrijven in de 1e klas: wat is beeld; klinker-medeklinker

[2-4] 1e klas – schrijven:
G.Hartman over de uitgangspunten van het schrijven in de 1e klas

[2-5] 1e klas – schrijven:
D.J.van Bemmelen over: de uitgangspunten van het schrijven in de 1e klas. Met voorbeelden van letters

[2-6] 1e klas – schrijven
Sieglinde Fischer geeft een voorbeeld van hoe je met een zelf bedacht verhaal de kinderen letters kunt aanleren

[2-7] 1e klas – schrijven en lezen
Irmgard Hürsch geeft een voorbeeld van/ voor het eerst leren lezen

[2-8] 1e klas – schrijven
Monique Kok geeft een voorbeeld van het aanleren van een letter (W)

[2-9] 1e klas – schrijven
Rudolf Treichler beschrijft zijn manier om de kinderen letterbeelden aan te leren
(deel van een artikel over de 1e klas; het laatste deel behandelt het rekenen)

[2-10] 1e klas – schrijven
Ingrid Boelens over: de methode José Schraven i.v.m. de door Steiner beschreven methode; autoriteit in de klas;

[2-11] 1e klas schrijven – de omgekeerde weg
Kees Warmerdam over: het hierboven genoemde artikel van Ingrid Boelens, met dezelfde conclusie: de methode Schraven is géén vrijeschoolmethode; ontwikkelingsgericht contra opbrengstgericht;

[2-12] Ontdekkend leren en lezen
Ewald Vervaet over: Piaget en Steiner: grote overeenkomsten; onomkeerbaar en omkeerbaar denken bij kleuters; hoe leert een kind lezen – voorbeeld;
Jacqueline van Laerhoven, vrijeschoolleerkracht over ervaringen met de opvattingen van Vervaet.

[2-13] Het eerste schrijfonderwijs
Willy Aeppli over: beeldschrift bij verschillende volken; kind heeft beeldbewustzijn; kind leeft in beweging; van beeld naar teken; klinker – medeklinker; van beeld naar abstractie.

[2-14] Het belang van de eerste klas op de vrijeschool
D.J. van Bemmelen over: in alle rust leren schrijven vanuit het beeld; het belang van spel; kunstzinnig onderwijs.

zie 8 voor methodes

[3-1] 1e klas – schrijven
Rudolf Steiner: over wel of geen blokletter schrijven

[3-2] 1e klas – schrijven
Rosemarie Jänchen over: waarom geen drukletters schrijven

[3-3] Begeleidingsdienst van vrijescholen; Luc Cielen; Pieter Witvliet over blokletters schrijven? Geen blokletters schrijven.

[4] 1e klas: Nederlandse taal waaronder schrijven/lezen

[5] 1e klas: Nederlandse taal waaronder schrijven/lezen

[6] 1e klas: moeilijkheden bij schrijven: gezichtspunten Alfred Bauer
Dyslexie
Men weet eigenlijk niet wat het is

Dyslexie
Balt van Raamsdonk – zelf dyslectisch – ontwerpt eigen methode.|
Opmerkelijk veel overeenkomsten met visie van Steiner

[7] Schrijver Maksim Gorki leert lezen
Olaf Oltmann vertelt over Gorki als vijfjarige die letters leert (uit beelden)

[8-1] Monique Derwig ontwikkelde een schrijfmethode op muziek voor kinderen die met schrijven veel moeite hebben. Allerlei onderdelen vinden we terug in het vrijeschoolonderwijs

[8-2] Jos Bruschke en Ton Baan ontwierpen in 2002 een nieuwe schrijfmethode: schrijven tussen lijntjes wordt losgelaten en schrijven en motoriek passen als een ritssluiting in elkaar

Zie [2-10] 1e klas – schrijven
Ingrid Boelens over: de methode José Schraven i.v.m. de door Steiner beschreven methode

[9] ‘Uit de oude doos’.
Marius Lindeman over: moet je wel met kleuters gaan schrijven? Motoriek en vaardigheid

[9-1]Leren lezen en het belang van motorisch vaardig zijn
Philia de Vries
over: Leuke spelletjes voor in de vakantie….en ool aan de leer- en leesvoorwaarden van je kind werken, het kan!  n.a.v. het boek van Marijke van Vuure: dyslectie en touwtjespringen; het belang van eerst motorsich ‘klaar’ zijn om te gaan schrijven en lezen. 

 

[10] Waarmee laten we onze kinderen schrijven?
J.P. Westerik in een oud artikel met nog verrassende gezichtspunten over: gebruik balpen, vulpen, schrijfhouding, handschrift

 

Het eerste leesboekje in de geschiedenis van het Nederlandse onderwijs

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-3)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

DE TANKS VAN HANNIBAL

Een onverzoenlijke haat
Hannibal, die tijdens de Eerste Punische Oorlog geboren was, zou altijd een onverzoenlijke haat tegen Rome blijven koesteren. Hoe kwam dat? De Griekse geschiedschrijver Polybius laat hem het zelf vertellen: ‘Mijn vader stond op het punt naar Spanje te vertrekken om daar oorlog te gaan voeren. Ik was negen jaar. Hij bracht een offer aan de goden. Ik stond daar ook bij het altaar, niet ver van hem af. Toen hij de wijn geplengd had en alle riten had volbracht, vroeg hij de aanwezigen zich even terug te trekk­en. Daarop liet hij me dichterbij komen en vroeg me vriendelijk of ik hem wilde volgen naar het leger. Ik zei geestdriftig ja, ik smeekte hem zelfs met kinderlijke hevigheid me mee te nemen. Toen nam hij mijn rechterhand, leidde me naar het al­taar en liet me zweren dat ik nooit een vriend van de Romeinen zou wor­den’.

Hij maakte geen verschil tussen dag en nacht
Reeds op 26-jarige leeftijd kreeg Hannibal het opperbevel over de Carthaagse troepen in Spanje. Ondanks zijn jeugd was hij al een groot veldheer. Zoals Livius vertelt: ‘In niemand hadden de soldaten meer vertrouwen en tegenover niemand waren ze openhartiger. Hij ging altijd stoutmoedig op het gevaar af, en zo­dra hij zich erin bevond, toonde hij veel koelbloedigheid. Geen arbeid kon zijn geest of zijn lichaam ver­moeien. Hij verdroeg de kou even goed als de hitte. Bij het eten en drin­ken hield hij alleen rekening met zijn behoeften en niet met zijn plezier. Voor slapen en waken maakte hij geen enkel verschil tussen de dag en de nacht. Hij ging gewoon slapen als hij even niets te doen had. Dikwijls zag men hem, tussen de schildwach­ten, onder een deken op de grond lig­gen. Hij was verreweg de beste ruiter en de beste infanterist. Als eerste ging hij in de aanval en als laatste keerde hij terug’.

Een machtig wapen: strijdolifanten
Zodra Hannibal meende dat hij sterk genoeg was om zich met de Romeinen te meten, veroverde hij de Spaanse stad Saguntum. Hier woonden welis­waar Grieken, maar die hadden een verbond met de Romeinen. Hannibal veroverde de stad en liet alles plat­branden. We schrijven het jaar 219 v. Chr. Rome kwam zijn verplichtin­gen aan de Grieken na en eiste van Carthago dat het Hannibal zou uitle­veren. Toen het dit weigerde, ver­klaarde Rome de oorlog. Precies wat Hannibal gewild had. Na een aantal schermutselingen in Spanje, besloot Hannibal het jaar daarop het strijd­toneel naar Italië te verplaatsen. Zijn officieren waren verbluft toen ze hoorden hoe hij dat wilde doen. Om­dat Rome de zee beheerste, legde hij uit, zouden zij te land aanvallen. Ze zouden hun leger over de Pyreneeën en vervolgens over de Alpen naar Noord-Italië voeren. Toen men in Rome van dit plan hoorde, werd men nauwelijks ongerust. Het plan leek namelijk onuitvoerbaar. Toch stuur­de men voor alle zekerheid onder be­vel van Scipio een leger over zee naar Gallië (Frankrijk) om de eventuele Carthaagse strijdmacht op te vangen, Hannibals leger bestond uit 90.000 man voetvolk, 12.000 ruiters en 37 krijgsolifanten. Carthago was op zijn olifanten al even trots als op zijn ma­rine. Men zei dat zich in de stallen van de stad wel 300 van deze dieren bevonden. Een deel hiervan was dus naar het Europese vasteland
ver­scheept. Vanwege hun onstuitbare kracht kan men de krijgsolifanten misschien het best vergelijken met de tanks van vandaag. De Romeinen hadden er voor het eerst mee kennis­gemaakt tijdens hun gevechten met Pyrrhus. Vooraan op de rug van de olifant zat gewoonlijk één man die het dier bestuurde. Achter hem was een bak geplaatst, van waaruit een aantal boogschutters de vijanden be­stookte. Tijdens de veldtocht door Spanje verloor Hannibal ongeveer een kwart van zijn strijdmacht, ter­wijl hij ook nog de minst geoefende soldaten ontsloeg. Zijn leger bestond toen nog uit 50.000 man voetvolk, 9000 ruiters en 37 olifanten.

Star onder het ijs
Hannibal rukte op en kwam aan de Rhône. Er was geen Romein te zien. Scipio lag nog met z’n leger in Massilia (Marseille) en Hannibal besloot snel verder te gaan. Toen Scipio ein­delijk oprukte, was Hannibal hem ve­le dagmarsen voor. De Galliërs, die nog probeerden Hannibal tegen te houden, werden verslagen. Toen kwam het ogenblik waarop de Carthagers voor een zeer machtige vijand kwamen te staan: de Alpen. Scipio besefte dit en ging ervan uit dat Han­nibal nooit over de Alpen zou kunnen komen. Hij stuurde z’n broer met troepen naar Spanje om er de Car­thaagse versterkingen te verslaan en Hannibals voorraden te veroveren. Zelf ging hij met een handvol solda­ten terug naar huis. Hannibal stond in de vroege herfst aan de voet van het gebergte. De eerste sneeuw begon te vallen. Maar laten we naar Livius luisteren:
‘Hoewel men zich op grond van wat er over verteld werd al een voorstel­ling van de werkelijkheid gemaakt had en zo’n voorstelling meestal overdreven is, kregen ze toch weer een nieuwe schok, toen ze van nabij die hoge bergen zagen: die sneeuw die zich bijna verliest in de hemel, die vormeloze hutten tegen de rotsen aangeplakt, die schapen en ezels ver­schrompeld door de kou, die behaar­de en primitief geklede mensen, die hele bezielde en onbezielde wereld star onder het ijs…’.

Een list
Alsof de natuurlijke hindernissen niet al genoeg waren, bleken de bergbe­woners Hannibals troepen ook nog te willen tegenhouden: Toen ze langs de eerste hellingen omhoogtrokken, vertoonden zich bergbewoners op de heuvels die hun route beheersten. Als dezen in tussendalen een meer ver­dekte stelling hadden betrokken om dan ineens gezamenlijk aan te vallen, zouden ze paniek en grote verliezer hebben veroorzaakt. Daarom liet Hannibal halt houden en nadat hij van Galliërs, die vooruitgezonden waren om de omtrek te verkennen, gehoord had dat men daar niet langs kon, sloeg hij zijn kamp op in de wijdste vallei die hij vinden kon tus­sen al die oneffenheden en steilten. Daarop hoorde hij van diezelfde Gal­liërs dat de pas alleen maar overdag werd bezet: ’s nachts ging ieder weer naar zijn eigen huis. Bij het eerste morgenlicht rukte hij daarom op te­gen de heuvels, alsof hij openlijk en overdag een aanval op de pas wilde doen. Nadat hij de dag met die schijnmanoeuvres had doorgebracht, betrok hij weer op de oude plaats een versterkt nachtkwartier. Zodra hij echter merkte dat de burgerbewoners van de heuvels waren weggegaan en dat er niet meer gewaakt werd, liet hij eerst als camouflage méér vuren aan­leggen dan nodig waren voor degenen die in het kamp moesten blijven, te weten de ruiterij, de tros (legerbagage met daar bijbehorende manschappen) en het me­rendeel van de infanterie. Vervolgens beklom hijzelf met de dapperste mannen die hij had, zonder enige bepak­king mee te nemen, in aller ijl de bergpas en bezette de vijandelijke stelling op de heuvels’.

Met het geweld van instortende muren
Hiermee waren de bergbewoners he­laas nog niet bedwongen, zoals blijkt uit de verdere uiteenzetting van Livius:
“De volgende morgen vroeg brak men het kamp op en begon de rest van het leger zich in beweging te zetten. Reeds verlieten de bergbewonersop een gegeven signaal, hun dorpen om hun gewone posten te betrekken, toen ze daar in de hoogte plotseling vijanden zagen en ­tegelijkertijd andere vijanden die langs de weg gingen. De waarneming van deze twee feiten en de gedachte aan de gevolgen daar­van deden hen een ogenblik als aan de grond genageld staan. Vervolgenstoen ze bemerkten wat een verwarring er op die nauwe weg heerste en hoe de colonne daardoor zichzelf al in moeilijkheden bracht (vooral de paarden bleken onhandelbaar), vatte de gedachte bij hen postdat er van hun kant maar een kleinigheid gedaan hoefde te worden. De angst daarvoor zou de vernietiging van al­len ten gevolge hebben. Zo stormden ze telkens naar beneden van de rotsen aan weerszijden, door hun ver­trouwdheid met het terrein onbekom­merd om pad of geen pad. Toen kregen de Carthagers het pas echt te kwaad, én met de vijand en met de onmogelijke weg: ja, ze vochten nog het meest met zichzelf, omdat ieder het eerst aan het gevaar wilde ontkomen. De paarden brachten de voortmarcherende troep in de grootste moeilijkheden. Ze werden zenuwachtig door al die voor hen onbegrij­pelijke kreten, welke door de weerkaatsing tegen beboste hellingen nog harder klonken. En wanneer ze
ge­troffen of anderszins gewond wer­den, steigerden ze zo hoog op, dat ze ontzaglijk veel mensen en bagage van allerlei aard op de grond wierpen. Het gedrang dat dan ontstond, deed velen in de afgronden ter weerszijden van de nauwe weg storten, zelfs enke­le soldaten. Maar de lastdieren met hun bepakking vielen naar beneden met het geweld van instortende mu­ren’.

Zo werd er maar wat rondgebuiteld
En de Carthagers waren nog niet eens in het hooggebergte! Daar, op de nog steilere wegen en in de nog dikkere la­gen sneeuw, leek hun hele onderne­ming dan ook te stranden:
‘De weg was ten gevolge van een lawi­ne geheel verdwenen. Toen de ruiters daar halt hielden, als hadden ze hun bestemming bereikt, liet Hannibal vragen wat het oponthoud veroor­zaakte. Men rapporteerde hem dat men voor een afgrond stond. Daarop ging hij zelf kijken. Onmiddellijk zag hij in, dat men een omweg moest ma­ken – hoe lang deze ook worden zou -over de nog onbetreden omgeving van de weg. Maar dat bleek helemaal onmogelijk. Er was daar namelijk op een oude sneeuwlaag weer verse sneeuw gevallen en deze, die nog zacht was en niet erg hoog lag, bood eerst wel een makkelijke ondergrond voor degenen die erop liepen. Toen ze echter onder de voeten van zoveel mensen en dieren wegsmolt, ging de tocht over het ijs daaronder en door het smeltwater. En dat werd een afschuwelijke worsteling. Men kon op het gladde ijs niet overeind blij­ven, des te minder omdat men berg­afwaarts liep. Zodat de soldaten, zelfs als ze steunend op de handen of op een knie wilden opstaan, hun steun voelden wegglijden en voor de tweede maal neervielen. En geen boomstam of wortel zagen ze om er de voet tegen schrap te zetten of zich aan op te hijsen. Zo werd er maar wat rondgebuiteld in die vlakte van louter ijs en sneeuw­water. De lastdieren zakten soms ook in de onderste sneeuw weg, en wan­neer ze vielen en te hard met hun benen sloegen bij hun pogingen om weer op te staan, braken ze er hele­maal doorheen, zodat zeer vele, als in voetboeien gekluisterd, vastzaten in de harde en dikke ijslaag’.

Fabius de Draler
Met niet meer dan 20.000 man voet­volk, 6000 ruiters en 20 olifanten be­reikte Hannibal ten slotte de Povlakte. De rest van zijn leger was gedood door de Zwitserse bergstam­men, in de afgronden gestort of doodgevroren. De verzwakte strijd­macht bleek echter nog voldoende om de Romeinse legers te verslaan, eerst bij de rivier de Ticinus, later bij de Trebia. Na deze successen voegden de Galliërs die in de Povlakte leef­den, zich bij de Carthagers en kwa­men in opstand tegen Rome. Hanni­bal stak toen de Apennijnen over en drong in Etrurië door. Bij het Trasimeense Meer lokte hij de Romeinen in een hinderlaag en hakte opnieuw hun legers in de pan. Heel Etrurië lag toen voor de Carthagers open! Zou hij hierna op Rome afgaan? Hanni­bal verkoos langs de stad heen te trekken. Hij hoopte Rome’s buurvolken tot een opstand te bewegen en de stad op die manier te isoleren. Maar de buurvolken reageerden niet zoals de Galliërs gedaan hadden. Ze bleven Rome trouw. Ditmaal had Hannibal zich dus vergist. In Rome vond men dat de kritieke situatie om een dicta­tor vroeg. Men wees Quintus Fabius Maximus aan, een reeds bejaard man, bekend om z’n onverstoorbare kalmte. Deze koos een geheel eigen tactiek. In plaats van openlijk slag te leveren met de Carthagers, bestookte hij hen alleen maar en trok zich steeds tijdig terug. Het bleek een goe­de methode te zijn, die de Carthagers meer en meer uitputte. De Romeinse dictator kreeg dan ook de bijnaam ‘Cunctator’ en dat betekent ‘de Dra­ler’.

Een staaltje van Romeinse vaderlandsliefde
Op een zeker ogenblik werden de Ro­meinen toch ongeduldig. Ze maakten Fabius voor een lafaard uit. En in 216 v.Chr. traden de Romeinse consuls, die minder voorzichtig waren, Hanni­bal met gesloten gelederen tegemoet. Dat was bij Cannae, aan de westkust van Italië, op de hoogte van Napels. Hannibal bracht de Romeinen hier een verpletterende nederlaag toe. Terwijl de Romeinse troepen frontaal op de de Carthagers afmarcheerden, maakte Hannibals ruiterij aan beide zijkanten een omtrekkende beweging en legde zo een dodelijke ring om het vijandelijke leger. Van de 80.000 Ro­meinse legioensoldaten ontkwamen er maar 10.000 en die werden nog na afloop van de slag gevangengeno­men! Tijdens deze catastrofe gaf de consul Paulus Lucius Aemilius een staaltje weg van Romeinse vader­landsliefde en zelfverloochening. Wanneer we Livius mogen geloven, ging het aldus:
‘De stafofficier  Gnaeus  Lantulus reed voorbij de consul, die hij badend in zijn bloed op een grote steen zag zitten. Heer consul, zei hij, u bent de enige man die de goden moeten ont­zien, omdat u geen schuld hebt aan deze ramp. Neem dit paard zolang u volkomen uitgeput bent en ik u erop kan tillen en met u mee kan gaan om u te beschermen. Wijd dit slagveld niet volkomen aan de Dood, door het sneuvelen van een consul! Ook zonder dat is er al genoeg reden voor tranen en  rouwbeklag! Maar de consul antwoordde: Houd jij maar goede moed, Gnaeus. Verlies met dat nutteloze gejammer toch niet het korte ogenblijk dat je hebt om aan de vijand te ontkomen. Ga heen. Meld officieel aan de senatoren, dat ze Rome in staat van verdediging brengen en er troepen leggen, voordat de overwinnende vijand komt’.

Hannibal staat voorde poort!
Na de nederlaag bij Cannae waren de bondgenoten van Rome heel wat meer bereid om met de Carthagers samen te gaan. Tal van steden, waaronder Capua en Syracuse, kozen de zijde van Hannibal. Rome leek verloren. Er vonden nog verscheidene veldslagen plaats en in 211 v.Chr. trokken de Carthagers  inderdaad naar Rome zelf op. Uit die dagen stamt de uitdrukking ‘Hannibal staat voor de poort’, wat later zoveel ging betekenen als: ‘de nood is aan de man’.
Maar terwijl het zuiden van Italië de kant van de Carthagers had gekozen, was dit niet het geval met Rome’s bondgenoten in Midden-Italie. Hierdoor kon de kans eindelijk keren. Hannibal was niet in staat Rome te belegeren en van toen af aan werd hij steeds meer naar het zuiden verdreven. De vasthoudendheid van de Romeinen ging het winnen van het veldheersgenie van Hannibal. In Rome liet de Senaat alle burgers, en zelfs de slaven, onder de wapenen roepen. En men viel terug op de voorzichtige tactiek van Fabius de Draler. Na een uitputtingsoorlog was Hannibal ten slotte zo verzwakt, dat Rome eindelijk van de verdediging in de aanval kon gaan. De steden Capua en Syracuse werden weer in bezit geno­men. De jonge generaal Scipio begon Zuid- en Oost-Spanje op de Cartha­gers te heroveren. Nog even dreigde alles mis te gaan. Hasdrubal, de broer van Hannibal, kwam vanuit Spanje met een ontzettingsleger aan­zetten. Maar Hasdrubal werd versla­gen en gedood aan de oever van de Metauro. En de Romeinen wierpen zijn hoofd in het kamp van Hanni­bal!

Scipio de Afrikaan
De oorlog zette zich voort in de ber­gen van Zuid-Italië, waar Hannibal zich verschanste als in een natuurlijk fort. Om een eind aan de strijd te ma­ken, stelde Scipio voor de Carthagers in Afrika aan te vallen. De senatoren aarzelden even, omdat ze aan de slechte ervaringen van Regulus moes­ten denken. Maar ten slotte gaven ze hun toestemming. Scipio behaalde in Afrika zulke grote successen, dat de Carthagers in paniek Hannibal terug­riepen. Deze kwam over zee. De be­slissende veldslag vond in 202 v.Chr. plaats in het hart van Tunesië, bij Zama. Dankzij de hulp van een inheem­se leider kwam Scipio als overwin­naar uit de strijd. Hij mocht zich voortaan Scipio de Afrikaan noe­men. Het verslagen Carthago moest zijn vloot en zijn olifanten afstaan, een grote schadevergoeding betalen, Spanje ontruimen en zich verplichten nooit een oorlog aan te gaan zonder de toestemming van de Romeinse Se­naat. Hiermee was een eind gekomen aan de Tweede Punische Oorlog.

Het dodelijk gewonde dier
Maar al waren ze verslagen, de Carthagers bleven Rome angst inboeze­men. Cato de Oudere, die in de Twee­de Punische Oorlog had gestreden, eindigde al zijn redevoeringen in de Senaat – waarover ze ook mochten gaan – met de woorden: ‘Overigens ben ik van mening dat Carthago ver­woest moet worden.’
De eerste de beste gelegenheid werd aangegrepen om dit advies daadwer­kelijk op te volgen. Toen de Carthagers door een buurvolk werden aan­gevallen en de wapens opnamen om zich te verdedigen, vond Rome dat ze contractbreuk hadden gepleegd. De Carthagers mochten immers geen oorlog gaan voeren zonder toestem­ming te vragen…
In 149 v.Chr. stak een Romeins leger over naar Afrika en eiste van de Car­thagers dat ze hun stad zouden afbre­ken en een eind landinwaarts weer zouden opbouwen. Dit was de Car­thagers te gortig. Want het zou de dood van hun havenstad betekenen. Verontwaardigd besloten ze Cartha­go tot het uiterste te verdedigen. Drie jaar duurde het beleg. De Romeinse geschiedschrijver Florus schreef over het hardnekkige verzet van de Car­thagers:
‘Juist wanneer ze dodelijk gewond zijn, geven dieren de meest giftige be­ten. Op dezelfde manier bezorgde Carthago, toen het al half verwoest was, meer last dan toen het nog over­eind stond. De Romeinen hadden de vijand in de vesting teruggedrongen en blokkeerden de haven. De Cartha­gers groeven daarop een andere uit­weg naar de zee… waar hun vloot toen plotseling verscheen als door een wonder. Er ging geen dag en geen nacht voorbij, waarin ze niet met een nieuw oorlogstuig kwamen aanzetten of nieuwe soldaten die bereid waren te sterven, in de strijd wierpen. Toen er echter geen hoop meer was, gaven 40.000 man zich over. En verrassend was dat ook hun leider Hasdrubal zich met hen overgaf. Maar zijn vrouw wierp zich met haar twee kinderen van de bovenste verdieping van haar huis in de vlammen’.

‘Onze Zee’
Carthago werd door de Romein met de grond gelijkgemaakt. Het schijnt dat de Romeinse veldheerr Scipio Aemilianus, een aangenomen zoon van Scipio de Afrikaan, zich er niet voor schaamde een paar tranen te laten over het vreselijke lot van de vijand. Men verklaarde de plaats waar Carthago gestaan had, tot een verdoemd oord, opdat er nooit meer gebouwd zou worden. Het gehele Carthaagse gebied in Tunesië werd een Romeinse provincie, genaam Africa Proconsularis. In hetzelde jaar 146 v.Chr. waarin ze Carthago van de aardbodem lieten verdwijnen verwoestten de Romeinen ook Korinthe in Griekenland. Daarmee maakten ze de Grieken duidelijk dat ze voortaan onder Romeins gezag stonden.
Spanje en een deel van Frankrijk hoorden al bij Rome. Sinds 1 v.Chr. bestond er bovendien een Romeinse provincie in Klein-Azië. En zelfs Egypte was tot de overtuiging gekomen dat men een staat die nooit een oorlog bleek te verliezen, maar beter niet kon uitdagen. Aan het begin van de Punische Oorlogen was Rome nog slechts één van de vijf grote mogendheden in het Middellandse Zeegebied geweest. In de volgende jaren hadden die andere machten bijna allemaal Rome op de proef gesteld. Maar net als Carthago waren die versslagen. Het resultaat was dat bij het einde van de Punische Oorlogen de hele Middellandse Zee aan de Romeinen behoorde. Ze noemden hem  het vervolg dan ook ‘Onze Zee’.

Het einde van Hannibal
Na afloop van de Tweede Punische Oorlog eisten de Romeinen van de Carthagers dat zij Hannibal zouden uitleveren. Toen deze hiervan hoorde, vluchtte Hannibal naar Syrië, waar ko­ning Antiochus III hem onderdak
ver­leende. Maar de Romeinse macht zou zich ook uitstrekken naar dit deel van de wereld! Na Antiochus’ nederlaag te­gen de Romeinen, vluchtte Hannibal verder naar koning Prusias I van Bithynië, een staatje in Noord-Turkije. Toen de Romeinen even later ook aan­kwamen en Prusias bereid bleek te zijn Hannibal aan hen uit te leveren, pleeg­de de grote Carthaagse veldheer zelf­moord. Hij gebruikte hiervoor het gif dat hij voor deze gelegenheid altijd op zak had gehad en dat hij had buitge­maakt op het slagveld van Cannae.

6e klas rome 7

tekst boven 11:Lucus Paulus Aemilius en Gaius Terentius Varro vallen Hannibal in Cannae aan (216 v. Chr) Hoewel Hannibal het Romeinse leger een vernietigende nederlaag toebrengt, valt hij de stad rome toch niet aan.

tekst naast 1: De Mamertijnen – Campaanse huurlingen die heer en meester zijn in Messina – vragen Rome om hulp tegen de Carthagers. Een Romeins verovert Messina en Argento. (264 v. chr)

tekst naast 12: Marcus Claudius Marcellus belegert en verovert Siracuse (212 v. Chr). Archimedes vindt in bloedbad de dood.

6e klas rome 5

6e klas rome 8

Halverwege de 2 eeuw voor Chr. hadden de Romeinen afgerekend met al hun mogelijke concurrenten in het Middellandse Zeegebied. Rome was een militaire macht geworden, die enorm veel geld uitgaf aan de legioenen, die voor een belangrijk deel uit huurlingen en bondgenoten bestonden.

Wapenrusting uit de tijd van de republiek
1.  lansen met bronzen of ijzeren punten
2) de galea, een lederen helm
3) de cassis, een metalen helm
4) de helm van een centurion, een officier over honderd man;
5)opperbevelhebbershelm;
6) een schild van het Samnitische type, bestaande uit latwerk dat met leer werd overtrokken;
7) een borstharnas dat uit 5 of 6 metalen banden bestaat die op lederen banden zijn bevestigd;
8) een kolder, bestaande uit metalen kettinkjes en plaatjes;
9) een borstpantser wan leer en metaal
10) een bronzen beenbeschermer; droeg men aanvankelijk aan elk been zo’n beschermer, later trok men het alleen aan het rechterbeen, omdat het linker met het schild werd beschermd
11) de gladius, het korte Romeinse zwaard;
12) de zogenaamde schildpadformatie, die men toepaste bij het bestormen van vestingen; de soldaten droegen manshoge schilden, die met elkaar één groot schild vormden.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen
658

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-2)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

Democratie of aristocratie?

Zoals het werkelijk ging
Natuurlijk is Rome niet, evenmin als enige andere stad, in één dag ge­bouwd. De ontwikkeling van een stad begint er meestal mee dat een paar boeren of handelaars zich ergens vestigen. Daar komen dan meer men­sen bij, het plaatsje groeit, het gaat één geheel vormen met nog enige andere vestigingen en zo ontstaat ge­leidelijk de stadskern. Op deze ma­nier moet het ook, ongeveer 1000 jaar v. Chr., aan de benedenloop van de Tiber gegaan zijn. Geen Aeneas of Romulus heeft daar in één klap een stad neergezet. Maar bij de door­waadbare plaats die hier in de rivier was, zullen een paar dorpen gegroeid zijn. Via deze doorwaadbare plaats liep een belangrijke weg: de zoge­naamde ‘zoutweg’. Zout en ook andere handelswaren werden hierlangs van noord naar zuid en van zuid naar noord gevoerd. Een andere weg was er niet tussen de hoge Apen­nijnen en de Tyrrheense Zee. De be­woners zullen dan ook zeker gedaan hebben wat bewoners van dergelijke sleutelposities altijd plegen te doen: ze zullen tol hebben geheven. Er ont­stonden dus dorpen aan beide zijden van de rivier. Die dorpen hadden deels Etruskische, deels Latijnse be­woners. Op zekere dag verenigden deze dorpen zich plechtig tot een gro­tere woongemeenschap, die Rome zou heten. De eerste Romeinen leef­den in eenvoudige hutten met strooi­en daken en lemen vloeren. Op de vruchtbare velden rondom bedreven ze landbouw en veeteelt.

Het Forum
Archeologische vondsten hebben be­wezen dat Rome in de eerste twee eeuwen van het bestaan door konin­gen werd geregeerd. Dat waren waar­schijnlijk allemaal Etruskische ko­ningen.

Na de regering van de laatste koning was Rome langzamer­hand een echte stad geworden. Want de bouw van steden kon je aan de Etrusken wel overlaten. In het jaar 575 v. Chr. hadden die door middel van een afwateringssysteem het moerassige gebied tussen de heuvels Palatijn en Capitolijn (kaartje zie (3-1_weten droog te leg­gen. Op deze plaats ontstond het ‘hart’ van Rome. Eerst diende de plek nog even als kerkhof, maar ver­volgens legden de Romeinen er een geplaveid plein aan met overdekte wandelgangen en winkels er omheenIn het midden bevond zich een recht­hoekige vergaderplaats. Later zouden rond het Forum, zoals dit centrum heette, talrijke tempels en andere be­langrijke openbare gebouwen verrij­zen.

Wat gebeurde er precies na het verdrijven van de laatste koning? De pa­triciërs – dat waren de rijke adellijke families – riepen de republiek uit. Maar wie zou het staatshoofd van de­ze republiek worden? Men wees twee consuls aan die samen gedurende één jaar zouden mogen regeren. Daarna moesten weer twee nieuwe gekozen worden. Dit systeem getuigde van veel gezond verstand. Want als de verantwoording over twee mensen verdeeld wordt, controleren die elkaar voortdurend en bestaat er nau­welijks kans dat één man oppermach­tig gaat worden. Er zal steeds zelfkri­tiek blijven in de regeringstop. Rome heeft misschien veel te danken gehad aan dit stelsel van gedeelde macht.

Omdat de gedeelde macht echter ook| wel eens tot besluiteloosheid kon lei­den, hadden de Romeinen nog een noodoplossing. In geval van ernstig gevaar voor de republiek kon de Se­naat alle macht aan een ‘dictator’ ge­ven. Deze hoefde tegenover niemand meer verantwoording af te leggen. Tegen zijn maatregelen was geen be­roep mogelijk. Maar hij behield zijn absolute macht voor hoogstens zes maanden. Was de toestand dan nog steeds gevaarlijk, dan kon deze ter­mijn met ten hoogste nog eens zes maanden verlengd worden. Mocht hij dus misbruik maken van zijn macht, dan bleef de schade nog beperkt.

toneelstuk

Wilt u zich wel even verkleden!
Een prachtig voorbeeld van een dicta­tor die niet langer aanbleef dan het staatsbelang vereiste, is Cincinnatus. Hij stamde uit een der aanzienlijke families van Rome, maar hij leidde een sober leven. Hij was zijn land aan het ploegen, op de noordelijke oever van de Tiber, toen men hem kwam melden dat drie heren hem wilden spreken. Hij spande de ossen uit en liep naar zijn huis. De drie heren ble­ken senatoren te zijn en ze hadden een belangrijke boodschap voor hem. Maar ze vroegen of hij zich eerst even wilde verkleden, omdat zijn werk­plunje niet geheel in overeenstem­ming met het gewicht van hun op­dracht was…

Cincinnatus trok zich terug en kwam even later schoongewassen in zijn to­ga weer te voorschijn. De senatoren deelden hem toen mee dat Rome zich in een zorgwekkende situatie bevond. De ene consul was met het leger om­singeld door vijanden, terwijl men op de andere consul niet durfde vertrou­wen. Volk en Senaat waren daarom tot de slotsom gekomen dat er een dictator aangesteld moest worden. Eensgezind hadden ze voor die func­tie Cincinnatus gekozen, van wie de vele talenten algemeen bekend waren. Na enige aanwijzingen te hebben ge­geven voor het beheer van zijn boer­derij en na afscheid te hebben geno­men van zijn vrouw en kinderen, volgde Cincinnatus de drie senatoren naar het voor hem gereed liggende schip. Aan de overkant van de Tiber stond reeds zijn lijfwacht klaar van  vierentwintig ‘lictoren’ waarop een dictator recht had – tweemaal zoveel als van een consul.

De roedenbundel met de bijl
Alle Romeinse magistraten hadden het recht zich te laten begeleiden door een aantal lictoren. Het hing van de hoogte van hun rang af, hoeveel het er mochten zijn. De lictoren droegen over hun schouder een bundel roeden waaruit een bijl stak. Deze uitrusting was een symbool van Etruskische oorsprong. Oorspronkelijk had ze echter gediend om te straffen: de boodschapper werd eerst met de roe­den geslagen en, als het misdrijf waar was, daarna met de bijl onthoofd. Behalve de magistraten werden ook de Vestaalse Maagden door lictoren vergezeld, al was het er in hun geval maar één.

Omdat de roedenbundel met de bijl -de ‘fasces’ – een symbool van oud-Romeins gezag was, nam in onze eeuw de Italiaanse dictator Mussolini deze over voor zijn beweging. Met deze ‘fasces’ hangt daarom het woord ‘fascist’ samen.

’s Ochtends nog achter de ploeg, ’s middags heerser van Rome
Cincinnatus begaf zich onmiddellijk naar het Senaatsgebouw, waar hij of­ficieel alle volmachten kreeg. Luttele uren nadat hij achter de ploeg had ge­lopen, was hij de absolute alleenheer

ser over Rome. De volgende dag riep Cincinnatus het volk bijeen op het Forum. Hij legde uit in welk gevaar de stad zich bevond en hij beval alle mannen die een wapen konden hante­ren, zich te melden voor een veld­tocht. Ouden van dagen en invaliden moesten zorgen voor de proviande­ring. Zo werd er binnen één dag een leger gevormd, dat diezelfde avond reeds de poort uitmarcheerde om het andere leger te gaan ontzetten. Mid­den in de nacht bereikten de mannen de plaats waar zich de consul bevond met zijn ingesloten strijdmacht. Ze wierpen zich met een ijzingwekkend krijgsgeschreeuw op de vijand. Het geschreeuw werd dadelijk verheugd beantwoord door de Romeinse solda­ten in het omsingelde kamp. De vij­anden kregen toen een aanval van twee kanten tfe verduren en moesten zich al spoedig overgeven. Ze moch­ten het leven behouden, maar op de voorwaarde dat ze hun wapens inle­verden en zich volledig aan de Romei­nen onderwierpen. Aan het hoofd van zijn met buit beladen leger trok Cincinnatus enige dagen later Rome weer binnen. En zestien dagen nadat hij de functie van dictator aanvaard had, legde hij deze weer neer. Hij keerde terug naar de ploeg!

Vooruitstrevendheid was een onbekend begrip
Cincinnatus, met zijn bescheiden en dienstbaar karakter, zou altijd als één van de grote voorbeelden blijven gel­den. De Romeinen uit later tijden be­schouwden deze vroegere periode van de republiek als de periode waarin de goede eigenschappen van hun volk het meest naar voren waren geko­men. Hun verering van de voor­ouders hield daar ongetwijfeld ver­band mee.

Net als in de meeste andere landen van de Oudheid, geloofde men in Ro­me geen moment dat de toekomst be­ter zou zijn dan het verleden. De goe­de oude tijd – daar sprak men graag over. Vooruitstrevendheid daarente­gen was een onbekend begrip. Als de Romeinen een toespeling wil­den maken op een betere wereld
had­den ze het over gisteren en nooit over morgen. En gisteren, dat was de
Gou­den Eeuw van het begin van de repu­bliek. De term ‘Gouden Eeuw*
ge­bruikten we overigens bij wijze van spreken, want het gaat om een perio­de die ongeveer twee eeuwen duurde: van de 5e tot de 3e eeuw v. Chr. In dat heldhaftige verleden moest egoïsme nog wijken voor burgerzin. Men leidde nog een sober bestaan, waarin geen plaats was voor gierig­heid en afgunst. De mannen waren dapper en hadden een eenvoudig en krachtig geloof in hun goden.

Overzicht staatsinrichting
Na de consuls golden als de belangrijkste magistraten: de ‘praetoren‘. Ook zij waren met z’n tweeën, sedert 197 v. Chr. met z’n zessen. Eén van de praetoren was belast met de rechtspraak onder de Ro­meinse burgers, de ander met de rechtspraak onder de vreemdelingen. De ‘aedilen‘ vervolgens – we zouden hen stadsbestuurders kunnen noemen – waren vier in getal. Zij organiseer­den de politie en hadden toezicht op de openbare gebouwen en de mark­ten. Tevens bewaakten ze het staats­archief en zorgden ze voor de volks­feesten en voor de graanbevoorrading.
Dan waren er nog 20 ‘quaestoren’ die de financiën beheerden. Ze waren verantwoordelijk voor de inkomsten en uitgaven van de staat. Hun taak was de rekeningen van de magistraten te controleren.
Ten slotte komen we bij de ‘censo­ren‘. Hun naam is afgeleid van het woord ‘census’: de lijst waarop de burgers volgens hun inkomen geno­teerd stonden.
Deze lijst speelde onder meer een rol bij de verkiezingen. De twee censoren oefenden ook toe­zicht uit op de openbare zeden. Ze vormden dus een soort zedenpoli­tie.
Wie een politieke carrière wilde ma­ken, kon beter maar oppassen dat hij zich niet misdroeg. Want een bekeu­ring door de censoren stond gelijk met de politieke dood.

Maar hoe kregen de mensen deze ambten? De Romeinse republiek was meer een oligarchie (een staat waarin enkelen de macht hebben) dan een democratie (een staat waarin het volk de macht heeft). Dat kwam door de verdeling van de politieke macht tus­sen de Senaat en de volksvergadering. Het woord ‘democratisch’ moeten we in dit verband dus wel met een kor­reltje zout nemen.

Reeds onder de ko­ningen kwamen volksvergaderingen bijeen. Volgens de overlevering deelde koning Servius Tullius het volk in in een aantal vermogensklassen en deze ver­mogensklassen weer in centuriën. Iedere centurie kon één stem uitbren­gen, maar omdat de rijkste klassen de meeste centuriën mochten vormen, hadden de rijken de meeste politieke invloed. De staatsvorm werkte als een als democratie vermomde aristocra­tie. Dit zou later ook strubbelingen gaan geven. Maar zover zijn we nog niet. Half juli werden de vertegen­woordigers van de centuriën bijeen­geroepen om de magistraten voor het volgende ambtsjaar te kiezen. Deze traden dan in januari in functie.

Het werd gebruikelijk dat een ma­gistraat voor het jaar daarop een post in een provincie aanvroeg. Dit geldt natuurlijk pas voor de tijd dat Rome deze provincies of winge­westen verworven had. In zo’n win­gewest, waar dikwijls volop geprofi­teerd mocht worden van wat de be­volking opbracht, kon de ambtenaar zich dan enigszins schadeloos stellen voor zijn vroegere uitgaven. De bur­gers in de volksvergadering deden overigens méér dan alleen de ma­gistraten verkiezen. Zij namen ook wetten aan, verklaarden de oorlog en sloten vrede. Bovendien vormden ze in strafzaken een hof van beroep.

Einde van de gelijkheid
Kort na het ontstaan van Rome wa­ren er nog nauwelijks rangen en stan­den geweest. Iedere Romein was boer, koopman of ambachtsman en verder niets. In de koningstijd kwam echter mét de groeiende bevolking ook een maatschappelijke hiërarchie. En toen de republiek gevestigd was, bestond er een diepe kloof tussen twee bevolkingsgroepen: de patriciërs en de plebejers.

In Rome, net als in Griekenland, was de samenleving samengesteld uit vrije mensen en slaven. Tot de vrije mensen behoorden zowel de patri­ciërs als de plebejers. De patriciërs waren de leden van de oude, sinds lang in Rome gevestigde families. Ze beweerden dat ze zeer voornaam wa­ren omdat hun voorouders er ook al­tijd al geweest waren, als het ware als de ‘vaders’ (in het Latijn: patres) van de staat. Zo ontstond het woord ‘pa­triciër’. De plebejers waren over het algemeen pas later naar Rome geko­men. Vreemdelingen dus eigenlijk, die nog geen gelijke rechten hadden gekregen. Het konden kleine boeren en handwerkslieden zijn, maar ook rijke kooplieden. Ze vormden het volk van de tweede rang, het ‘plebs’. Dit woord betekende overigens ge­woon ‘menigte’.

Tuniek met purperen rand
Uit hoofde van hun afkomst waren de patriciërs degenen die in de staat de leiding gaven. De senatoren, de consuls en alle andere ambtenaren werden uit hun midden gekozen. Zij waren trouwens verantwoordelijk geweest voor het afzetten van de laatste koning. En omdat dit in Rome als een heroïsche daad gold, die een nieuw en verlicht tijdperk had ge­opend, konden de patriciërs zich er nog altijd op beroemen. Het kiessysteem dat alleen voor de patriciërs gold, was gewoon een uit­vloeisel van de macht die de patriciërs bijna als vanzelfsprekend schenen te bezitten. Hun sterkste bolwerk was -en bleef voorlopig – de Senaat. Deze Raad van Ouderen werd samengesteld uit oud-consuls, en vanaf de le eeuw v. Chr. uit alle oud-magistra­ten. Er waren 300 senatoren. Het ge­tal zou later stijgen tot 600, en zelfs tot 900. Als ereteken hadden ze een purperen rand langs hun tuniek. Bo­vendien droegen ze een gouden ring en speciale schoenen van zwart en rood leer. Die tuniek was een
kle­dingstuk dat ze onder hun toga droe­gen. De toga was trouwens ook van een purperen rand voorzien, maar dat gold voor de toga’s van alle hoge­re ambtenaren.

De Raad der Koningen
Vergaderingen van de Senaat verlie­pen over het algemeen als volgt. De voorzitter, meestal één van de con­suls, deed een voorstel. Of hij legde een probleem voor. Of hij bracht rap­port uit over een politieke situatie. Daarna mochten de senatoren, in volgorde van hun waardigheid, hun mening zeggen over de onderhavige kwestie. Als er gestemd moest wor­den, ging dat niet met papiertjes of door handopsteken. De senatoren stonden dan op van hun plaats en be­gaven zich naar degene wiens mening ze deelden. In de vergaderzaal van de Senaat is honderden jaren lang over de wereldpolitiek beslist. Soms ge­beurde dat op indrukwekkende wijze, met prachtige redevoeringen zoals die van Cicero. Buitenlandse bezoekers waren zó onder de indruk van de senatoren dat zij spraken van ‘de Raad der Koningen’. Waarmee ze wilden zeggen, dat de macht van de senato­ren gelijk was aan die van een ko­ning.

Tot in alle uithoeken van de antieke wereld, tot op alle plaatsen waar de Romeinse invloed reikte, werd de for­mule ‘SPQR’ in metaal gegoten en in steen gebeiteld. We kunnen de letters nog steeds lezen op talrijke monu­menten en we vinden ze ook herhaal­delijk terug op archeologische voor­werpen. Eens duidden ze net zo’n macht aan als tegenwoordig de letters ‘USA’ en ‘USSR’. Ze waren de af­korting van ‘Senatus Populusque Ro­manus’ of wel ‘Senaat en Volk van Rome’. Dus zelfs in de officiële bena­ming van de Romeinse staat werd de Senaat genoemd!

Wanneer werd je wat
Er was een vastgestelde volgorde in de ambten die je achtereenvolgens mocht bekleden: quaestor, aedilis, praetor, consul. Je moest 30 jaar zijn om quaestor te kunnen worden. En er moesten steeds twee jaar verlopen vóór je de volgende functie kon krijgen. Dit hield dus in dat je geen consul werd voor je 43e jaar.

Stemmen in Rome
Vóór de centurie in de volksvergade­ring zijn stem uitbracht namens een he­le groep burgers, moesten die burgers apart stemmen. Hoe ging dat? De stemgerechtigde stak een ‘stembriefje’ in een urn. Als het een verkiezing be­trof, schreef hij gewoon de naam van zijn kandidaat op. Bij een wetsvoorstel schreef hij V (voor) of A (anti = te­gen).

Met de censoren valt niet te spotten
Aulus Gellius vertelt een voorval waaruit de macht van de censoren blijkt:
Twee censoren inspecteerden de ruite­rij en ontdekten een heel mager ver­waarloosd paard met een dikke en blo­zende eigenaar. ‘Waarom zie je er zo­veel beter uit dan je paard?’ vroegen ze. De man antwoordde lachend: ‘Om­dat ik voor mezelf zorg, terwijl mijn paard verzorgd wordt door mijn slaaf Statius.’ De censoren vonden dit een onbeleefd antwoord en degradeerden de man naar de laagste bevolkingsklas­se’.

Een boete voor het gapen
‘Op een dag was men aan het overleg­gen of een burger die gedurende een zitting van de censoren lang en luid­ruchtig gegaapt had, een boete moest krijgen. Hij ontkwam hier maar net aan, door te zweren dat hij er niets aan kon doen en dat het een familiekwaal was’.
Aulus Gellius, Romeins schrijver uit de 2e eeuw na Chr.

Patriciërs contra plebejers

Het leger werd te klein
In de koningstijd en in de eerste jaren van de Romeinse republiek was het oorlogvoeren helemaal een aangele­genheid van de adel, van de patri­ciërs. Maar toen Rome groter en gro­ter werd en er bijna voortdurend oor­log gevoerd werd, bleek dat het adelsleger eigenlijk te klein was. De patriciërs konden toen moeilijk an­ders doen dan de plebejers om hulp vragen. Steeds meer plebejers gingen in militaire dienst, wat hun een zekere belangrijkheid verleende. En natuur­lijk vochten de plebejers niet voor niets, al probeerden de patriciërs er vaak met een koopje vanaf te komen. Over dit laatste schreef Livius, dat de plebejers vaak klaagden ‘dat hun lot was te strijden voor de vrijheid en de heerschappij van Rome, maar in Ro­me door medeburgers te worden ge­knecht en onderdrukt’. Maar dat vele plebejers wisten te pro­fiteren van de vraag naar soldaten, blijkt uit het feit dat steeds meer van hen bezittingen verwierven: ze lieten zich betalen met krijgsbuit, zoals lan­derijen. Er waren ook plebejers die zich voor andere diensten aan de pa­triciërs goed lieten betalen. Som­migen ook werden rijk door de han­del. Zo werden de plebejers langzaam maar zeker belangrijker. En daarmee groeide ook hun besef dat het on­rechtvaardig was dat ze als tweede­rangs burgers werden beschouwd en behandeld.

Volksoproer
‘Op een dag’, schrijft Livius, ‘ge­beurde het in Rome, dat een oude man zich het Forum opsleepte, die er erbarmelijk uitzag. Zijn kleren waren overdekt met vuil; nog vreselijker zag zijn bleke, uitgemergelde lichaam er uit. Een lange baard en lange losse haren gaven aan zijn gezicht een wil­de aanblik. Ondanks zijn vervallen uiterlijk werd hij herkend; men zei dat hij onderofficier was geweest en dappere daden had verricht. Zelf ontblootte hij met trots zijn borst en toonde zijn littekens, die van vele eer­volle gevechten getuigden. Hij vertel­de dat hij in de oorlogen had gediend, dat zijn hoeve was verbrand en zijn vee door de vijand was weggedreven, dat hij leningen had moeten aangaan, die door rente op rente nog hoger wa­ren geworden, zodat zij de rest van zijn vermogen hadden opgeslokt. Ten slotte had een verterende ziekte zijn lichaam aangetast. Zijn schuldeisers hadden hem toen naar een tuchthuis gebracht, waar hij dwangarbeid moest verrichten. Nu toonde hij zijn rug, die misvormd was door de spo­ren van geselslagen. Toen de mensen dat zagen, ging er een kreet van af­schuw op. Heel de stad werd on­rustig. Allen die door een schuld in moeilijkheden waren, stroomden de straat op en smeekten hun medebur­gers om hulp. Toen het zover was, kwamen Latijnse ruiters Rome binnengalopperen met de tijding dat het buurvolk der Volsken naar de stad oprukte’.

De uittocht naar de Heilige Berg
Massaal dreigden de plebejers niet te helpen in de strijd tegen de Volsken. Als Rome z’n soldaten zo slecht be­handelde, moest het maar tenondergaan. Prompt beloofden de patriciërs dat ze de plebejers eerlijker zouden behandelen. De plebejers, hierdoor gekalmeerd, trokken braaf ten strijde en versloegen de Volsken. Maar bij hun terugkomst bleek dat de patri­ciërs zich niet aan het gegeven woord hielden. Dit herhaalde zich nog een paar keer. Ten slotte’, vertelt Livius, ‘was het geduld van de plebejers vol­komen uitgeput. Ze trokken uit Ro­me naar de Heilige Berg en verschansten zich daar in een kamp’.
Dit gebeurde in 494 v. Chr. Je zou het een soort staking kunnen noemen. Een staking van de soldaten. De pa­triciërs raakten geheel in paniek, om­dat Rome nog door verscheidene vij-anden bedreigd werd. En om hun sol­daten terug te krijgen, beperkten ze zich nu niet tot beloften, maar voer­den een aantal werkelijke verbeterin­gen in. Ten eerste scholden ze aan de armste plebejers hun schulden kwijt. En omdat de reeds bestaande volks­vertegenwoordiging in feite alleen een aangelegenheid van de patriciërs was, stonden ze de plebejers een eigen volksvergadering toe. Daarin zouden dezen hun eigen magistraten mogen kiezen: de volkstribunen. Dit ambt moest de plebejers bescher­men tegen willekeur van patricische magistraten. Tot welke maatregel er ook tegen een plebejer besloten werd, de volkstribuun mocht altijd ‘Veto’ zeggen: ‘Ik verbied’. Hij was on­schendbaar, wat inhield dat men zich onder ede verplichtte hem te bescher­men tegen alle krenkingen en aansla­gen. Zijn hulp kon natuurlijk op ieder ogenblik nodig zijn, en daarom stond zijn huis dag en nacht open.

Tien Mannen en Twaalf Tafelen
Het woord ‘tribuun’ is afgeleid van ‘tribus’ of volkswijk (district). Iedere wijk koos zijn eigen vertegenwoordi­ger, zijn eigen tribuun. De oorsprong van de tribunen moeten we zoeken in het feit dat de plebejers districtsgewijs werden opgeroepen voor militai­re dienst. De eerste tribunen waren vermoedelijk de bevelhebbers van de plebejische troepen. Aanvankelijk werden jaarlijks vier tribunen geko­zen, later steeg het aantal tot tien. Door hun vetorecht waren de volks­tribunen even machtig als de consuls. Terwijl de consuls konden gebieden, konden de volkstribunen verbieden. De een had positieve macht, de ander negatieve. En deze twee dingen wo­gen tegen elkaar op. Eindelijk werd Rome dus toch een beetje democra­tisch. Maar zolang er geen geschreven wetten bestonden en de patricische magistraten nog steeds volgens de ou­de gewoonten vonnisten, konden de plebejers zich niet geheel veilig en rechtvaardig behandeld voelen.
De volgende eis van het volk was dan ook dat er een wetboek zou komen. Na een jarenlange politieke strijd werd die eis in 451 v. Chr. ingewil­ligd. Een commissie – de Tien Man­nen – werd aangewezen om de wetten op te stellen. En voor dat jaar be­noemde men geen andere magistra­ten. Toen de wetten waren opgesteld en door de volksvertegenwoordiging bekrachtigd, werden ze op 12 bronzen platen, de Twaalf Tafelen, opgetekend. Ze vormen de basis van het Romeinse Recht, dat zo goed in elkaar bleek te zitten dat de hele Westerse wereld zich er later op zou baseren bij het maken van zijn eigen wetboeken. Iedere tegenwoordige student in de rechten begint zij studie dan ook met colleges Romeins Recht.
Er bleef nog één ding over dat de plebejers moesten verkrijgen: politieke gelijkheid, dus het recht om ook tot magistraat verkozen te kunnen worden. Ze zouden er een harde dobber aan hebben om dit recht te verwerven. Op alle mogelijke manieren probeerden de patriciërs de magistratuur voor zichzelf te houden. Iedere keer als de hervorming doorgevoerd zou worden, hadden ze weer een ander smoesje om de zaak uit te stellen. Desnoods kochten ze zelfs een vogel­wichelaar om, die dan verklaarde dat ‘de voortekenen ongunstig waren’. Niet voor het eerst in de geschiedenis diende het geloof de machthebbers! Het is zelfs gebeurd dat de Senaats­partij de benoeming van een haar on­sympathieke legeraanvoerder nietig verklaarde op grond van het feit dat er bij die gelegenheid een muis ge­piept had… De strijd tussen de patri­ciërs en de plebejers duurde eigenlijk de hele 5e en 4e eeuw. Pas tegen het jaar 360 v. Chr. gingen de patriciërs toegeven en werd het gewoonte dat één van beide consuls uit de kringen der plebejers kwam. Omdat de Senaat was samengesteld uit oud-consuls, werd de Senaat nu dus ook toegankelijk voor de plebe­jers. Voortaan konden dezen alle ho­ge ambten bekleden.

De held Coriolanus
Cnaeus Marcius was een held in de strijd tegen de Volsken. Dankzij zijn moed werd de stad Corioli veroverd. Daarom kreeg hij de bijnaam Coriola­nus.
Het lag voor de hand dat hij nu ook tot consul zou worden gekozen. Maar hij was een uitzonderlijk trotse patriciër, die niets wilde weten van meer macht voor de plebejers. Het volk koos om deze reden een ander tot consul. Kort hierna kwam een voorraad graan in de havenstad Ostia aan. De senatoren wil­den het graan gratis uitdelen onder het volk. Coriolanus maakte daar echter bezwaren tegen. Hij vond dat de plebe­jers niet zo verwend moesten worden. ‘Geef hun het graan uitsluitend op de voorwaarde dat ze afstand doen van hun volkstribunen,’ zei hij. Toen het volk hiervan hoorde, daagde het Cori­olanus voor het gerecht. Hij weigerde te verschijnen: een patriciër hoefde geen verantwoording af te leggen te­genover plebejers! Maar of hij nu ver­scheen of niet, het gerecht verbande hem uit de stad!

toneelstuk

De ledematen en de maag
Toen de plebejers zich op de Heilige Berg hadden teruggetrokken, kwam de patriciër Menenius Agrippa naar hen toe om te onderhandelen. Hij begon met een gelijkenis te vertellen: ‘In de tijd dat er nog geen eensgezind­heid binnen het menselijk lichaam bestond, waren de ledematen veront­waardigd dat al hun inspanningen er alleen maar toe dienden de maag lek­ker te laten genieten. Ze smeedden een komplot: de armen beloofden dat ze het voedsel niet meer naar de mond zouden brengen, de kaken beloofden dat ze het niet meer zouden kauwen, enzovoort. Welnu, het gevolg was dat het hele lichaam in verval raakte! De ledematen zagen toen in dat de maag wel degelijk z’n nut had en dat hij, be­halve zelf gevoed te worden, op zijn beurt ook de ledematen voedde. Zo moesten de plebejers’, besloot Meneni­us Agrippa, ook inzien dat ze niet zonder de patriciërs konden’.

toneelstuk

 6e klas geschiedenis: alle artikelen
 6e klas: alle artikelen
656

VRIJESCHOOL – Vertelstof -biografieën – Peter de Grote

DE “ECHTE” TSAAR

De huidige* machthebbers in Rusland koesteren een buiten­sporige bewondering voor tsaar Peter de Grote. Zij noemen hem “de echte”. Ze stellen hem bijna op één lijn met Lenin. De redenen zijn duidelijk. Peter maakte Rusland, dat door West-Europa veracht en als minderwaardig beschouwd werd, tot een krachtige militaire mogendheid. Hij versloeg het Westen door Rusland een westerse beschaving op te dringen — en hij deed het alleen, dwars tegen alle gezapige traagheid en heftige tegenstand in.

De tsaren vóór Peter hadden zwakke pogingen gedaan om van West-Europa te leren. Er waren wat beroepssoldaten en technici binnengehaald. Maar zij werden afgezonderd in een kleine voor­stad van Moskou en mochten slechts weinig contact hebben met de Russen. Peter bracht een groot deel van zijn jongelingsjaren door in deze buitenlandse voorstad. Een Zwitserse avonturier, François Lefort, en een Schot, Patrick Gordon, behoorden tot zijn beste vrienden. Wat zij hem over het Westen vertelden wekte bij hem een intense nieuwsgierigheid — hij wilde meer weten.
Toen hij zelf de regering in handen kreeg stelde hij zich als eerste doel “vensters op de wereld” te krijgen. Er waren twee mogelijkheden: de Oostzee en de Zwarte Zee. De Oostzeekust was in handen van Zweden, de grote staat in het Noorden, met veel invloed in alle Europese aangelegenheden; de Zwarte Zee behoorde aan de Turken toe.
De tsaar was al jarenlang zeer geïnteresseerd in de scheepsbouw en de scheepvaart, en ten einde de Turken te kunnen aanvallen besloot hij een vloot te bouwen, de eerste in Ruslands geschiedenis. Onmiddellijk werden er horden werklieden zonder veel omslag de wouden langs de Don ingestuurd om het benodigde hout te hakken, en scheepsbouwers werkten dag en nacht. Peter werkte zelf mee, hij was de ijverigste scheepsbouwer van allemaal. Er werden tien­tallen kleine oorlogsschepen gebouwd.

Peter viel nu de Turkse havenstad Azof over land en over zee aan. Hij voerde het bevel over de vloot vanaf een galei dat hij zelf gebouwd had. Hij wist Azof een tijdlang te bezetten maar het avontuur bracht de zwakheid van Rusland aan het licht: de troepen waren slecht geoefend; de verbindingen waren abomi­nabel; er stond geen doeltreffende industriële productie achter het leger. Peter besloot een nieuw Rusland te maken naar het model van het Westen; hij zou naar West-Europa gaan om de militaire en industriële technieken daar te leren.

De delegatie die in maart 1697 uit Moskou vertrok was een vreemd uitziend gezelschap. De hooggeplaatste afgezanten, aan­gevoerd door Lefort, droegen schitterende oosterse gewaden en zoveel juwelen als ze maar konden plaatsen. Iedere afgezant had een gevolg van dienaren, en voorts clowns, dwergen en hans­worsten, alles bij elkaar zo’n 270 mensen. Een van de leiders, die zich Peter Mikhailow noemde, was eenvoudig gekleed en droeg geen juwelen. De tsaar had besloten incognito te gaan.

Om de scheepsbouw te leren ging Peter naar de kleine Neder­landse havenstad Zaandam. Hier leefde hij als een gewoon werk­man, hij sliep in een huisje waar hij zijn eigen potje kookte, en stond bij het aanbreken van de dag op om te gaan werken bij de werven. Tijdens bezoeken aan andere delen van Nederland steeds met een notitieboekje in de hand — inspecteerde hij hout­zaagmolens, korenmolens en allerlei fabrieken, waarbij hij voort­durend vragen stelde. En overal waar hij kwam nam hij technici en handwerkslieden aan — en stuurde ze ook naar Rusland met de belofte van een goed loon.

Zijn weetgierigheid strekte zich ook uit naar de geneeskunde en de chirurgie. In Amsterdam zag hij toevallig eens een tandarts aan het werk. In Rusland kende men geen tandartsen. Peter nam de man mee naar zijn kamers, leerde hoe hij zijn gereedschappen moest gebruiken, en kocht ze van hem. Dagen achtereen oefende hij op de leden van zijn gevolg, waarbij hij zonder onderscheid gezonde en rotte kiezen trok.

De delegatie reisde verder naar Engeland. Een waarnemer heeft beschreven hoe de Russen door de straten van Londen liepen en “kwistig parels en ongedierte verspreidden.” In Deptford hervatte Peter zijn studie van de scheepsbouw.

Toen hij naar het vasteland van Europa terugkeerde, begon Peter zijn studie te beperken tot zaken van praktische aard — vervoermiddelen, mijnbouw, fabricagemethoden, militaire op­leiding. Hij had weinig belangstelling voor cultuur. Ondertussen had hij van een barbaarse methode gehoord om misdadigers te executeren — radbraken. Hij vroeg het eens te mogen zien. Toen men hem zei dat er geen misdadiger beschikbaar was die zo’n straf verdiende, werd hij ongeduldig. “Waarom maakt u zich zo druk om een mensenleven?” vroeg hij. “Neem maar een van mijn bedienden.”

De tsaar was nu gereed om een geheel nieuw Rusland te maken. Hij probeerde het uiterlijk van zijn volk te verwestersen door hun oude klederdrachten en hun baarden en snorren te verbieden; op een avond joeg hij de voornaamste edellieden de schrik op het lijf door hen te grijpen en zelf hun baard af te knippen. Hij probeerde zelfs de tafelmanieren te veranderen. Hij liet boeken over etiquette rondgaan waarin de Russen verteld werd dat ze geen botten meer mochten afkluiven als ze aan tafel zaten en niet op de vloer mochten spuwen en dat ze binnenshuis geen hoed moesten dragen.

Hij begon een nieuw economisch systeem in te voeren: een productievere industrie en verbeterde landbouw. Rusland werd afgezocht naar kolen- en ijzerertslagen. Het vervoer werd sterk verbeterd door de aanleg van verbindingskanalen. Nieuwe soorten vee werden ingevoerd en de schapenteelt werd bevorderd.

Het doel van de hervormingen was militaire macht — een modern beroepsleger op westerse wijze geoefend en gebaseerd op een stelsel van algemene dienstplicht. Geen enkele van Peters hervormingen had de bedoeling het lot van zijn volk te verbeteren. Dat gold voor alle standen. De oude adel werd beroofd van zijn onafhankelijkheid. Ze werd verdrongen door grote aantallen nieuwe edelen die door Peter in de adelstand waren verheven. De kerk die vroeger een grote onafhankelijkheid had, werd volledig onder het gezag van de tsaar gebracht. Zelfs de nieuwe industriëlen wonnen er niet veel bij. De winsten werden afgeroomd door nieuwe en vernuftige belastingmethoden. Het ergst van alles was het lot van het volk. Voordat Peter aan de regering kwam waren sommige kleine boeren lijfeigenen, anderen waren betrekkelijk vrije
land­eigenaren. Peter maakte er allemaal lijfeigenen van, aan wie het op gevaar van strenge straffen verboden was bij hun eigenaar weg te lopen. Ze werden gebracht waar ze het meest nodig waren. Men kwam aan arbeidskrachten voor de nieuwe fabrieken door een verplichte arbeidsdienst voor lijfeigenen.

Vele jaren lang, terwijl Peter zijn strijdmacht opbouwde, werd Karel van Zweden elders in Europa beziggehouden. Vandaar dat Peter naar de Oostzee begon op te dringen. Ten slotte kreeg hij vaste voet aan de kust, waar de Newa uitmondt. Nu kon Peter het plan ten uitvoer brengen dat hij al zo lang gekoesterd had. Voor hem was Moskou, de hoofdstad van het oude Rusland, een sta-in-de-weg voor het nieuwe. Hij wilde een nieuwe, moderne hoofdstad bouwen, een zeehaven met het gezicht naar het Westen in plaats van het Oosten.

Hij bouwde Sint Petersburg, dat tegenwoordig Leningrad heet. Het was een ongelooflijke prestatie. Voordat de funderingen konden worden gelegd, moesten er honderdduizenden palen geslagen worden in de moerassen langs de oevers van de Newa. Er was weinig gereedschap beschikbaar, maar er waren
arbeids­krachten in overvloed. Peters lijfeigenen groeven in de modder met stokken en hun blote handen. Ze werden opgejaagd met de zweep — door de snikhete zomer en de bitterkoude winter. Soms hanteerde Peter zelf de knoet. Volgens de verhalen zijn er bij de bouw van de stad 200 000 mensen omgekomen.

Eindelijk kwam de krachtmeting met Karel en Zweden. De laatste veldtocht tijdens de barre winter van 1708 lijkt op die waarin later Napoleon en Hitler verslagen werden in Rusland. Peters leger trok terug voor Karel, en ontweek de strijd. De Russen verwoestten het land tijdens hun terugtocht. De Zweden stierven van honger en koude; tegen het voorjaar was er nog maar een schaduw van het leger over. In de slag bij Poltawa verpletterde Peter hen volkomen. Bij de Vrede van Nystadt in 1721 kreeg hij de Oostzeekust van Finland tot aan de rivier de Njemen in het tegen­woordige Polen vast in handen.

In zijn laatste jaren leefde Peter aan de grens van krankzinnig­heid, misschien overschreed hij die grens wel. Vroeger had hij wreedheden bedreven met een bepaald doel; nu deed hij het om de wreedheid zelf. Hij liet vrouwen en priesters afranselen, martelen en ombrengen — zonder enige reden. Hij wantrouwde iedereen. Er ging een golf van haat tegen hem over Rusland en er werden vele aanslagen op zijn leven gepleegd.

Peter stier fin 1725 op 52-jarige leeftijd. Op eigen kracht had hij Rusland tot een nieuwe natie gemaakt, sterk in de oorlog, een machtige agressor. Hij had zichzelf absoluut dictator gemaakt.

Maar het valt te betwijfelen of zijn leven iets had bijgedragen tot het geluk van enig levend mens op aarde.
geschreven rond 1960

 

655