VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (35)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, herfst 2001, nr.8
.

In de regel zullen oma en opa rust en tijd hebben om met de kleinkinderen een prentenboek te kijken of hen voor te lezen. Voor grootouders is het dan ook handig een paar ‘klassieke’ voorleesboeken in de kast te hebben staan. Boeken met verhalen die veel kinderen aanspreken en die bovendien niet te zeer zijn toegespitst op een bepaalde leeftijd.

‘Echte’ boeken zijn voor de hele kleintjes nog niet nodig. Zij hebben het grootste plezier wanneer je zo nu en dan een liedje voor ze zingt of een rijmpje opzegt en dat vooral vaak herhaalt.
Een echt oma- en opawerkje is het zelf maken van een lappenboekje met op elke bladzijde een afbeelding uit de omgeving van dit ene kind: de appelboom uit de tuin, de viool van opa, de poes, enzovoort. Je kunt al je gevoel voor het kind in zo’n boekje leggen, zodat je er zelf ook van geniet als je het met je kleinkind bekijkt. Dat laatste is belangrijk, want je eigen beleving stroomt direct door naar het kind. Zo is het ook goed om straks, als je kleinkind wat groter is, alleen dingen voor te lezen waaraan je zelf ook plezier beleeft.

Grootouders zijn anders dan ouders. Juist door die onzichtbare draden die er wederzijds lopen, zijn kleinkinderen bij opa en oma extra gevoelig voor geuren, sferen, interesses. Mijn zoon heeft bijvoorbeeld een sterke vroege herinnering aan opa die met hem achter in de tuin bloemen van de dovenetel plukte. Dan gingen ze heel behoedzaam aan elk los bloemetje zuigen om de zoete honing te proeven. Dit soort ‘kleine’ belevenissen zijn heel bepalend voor een kinderleven. 

In Toen ik zo klein was als jij van Jill Paton Walsh gaat Sanne met oma een dagje naar zee. Sanne zegt voortdurend wat ze ziet en dan vertelt oma hoe het vroeger was toen zij een kind was. Vond je vroeger alles leuker, oma? ‘Nee hoor Sanne,’ zegt oma. ‘Het is nu veel leuker, omdat jij bij me bent’. Het leuke van dit boek is dat het een stimulans vormt om eenvoudige dingen uit je eigen jeugd aan de kleinkinderen te vertellen.


Jill Paton Walsh
Ill. Stephen Lambert

Boek

3 – 6jr.

,

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2144-2013

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (16-6)

.

Noor Prent, Weleda Puur Kind, herfst 2001 nr.8
.

verwennen en ontwennnen

Ouders zijn vaak bang dat opa en oma de kleinkinderen te veel verwennen. Maar verwenning ontstaat niet door die ene keer per maand dat opa en oma met een tas vol lekkers en cadeautjes op bezoek komen. Verwennen is een sluipend proces.
En ook ‘ontwennen’ kost tijd.

De moeder van W van twee vindt haar dochtertje verwend: ‘Ze zeurt de hele dag en zet mij en haar zusjes aan het rennen. Eigenlijk heb ik het verwennen wel zien aankomen. W is gewend in huis allerlei dingen aan te wijzen en dan luid ‘die… die… die…’ te roepen. Dan moeten we allemaal komen kijken en als ze vervolgens niet meteen krijgt wat ze wil, zet ze het op zo’n dwingend krijsen dat iedereen meestal braaf geeft wat ze hebben wil. Dat is nu moeilijk terug te draaien. Mijn man vindt haar gedrag zo lastig dat hij direct doet wat ze vraagt of afstand van haar neemt en haar negeert. En dan moet ik uiteindelijk weer ingrijpen.’ Nu de omgeving W’s dwingelandij niet langer pikt, realiseert haar moeder zich dat het moment is gekomen dat ze echt moet gaan ingrijpen. Maar het is lastig de ingeslepen patronen waardoor het verwende gedrag is ontstaan terug te brengen tot normale proporties en daarin consequent te zijn.

In de watten leggen 

Wat is verwennen eigenlijk? Verwennen is te veel geven: te veel met de ander meegaan in zijn wensen. Vaak gebeurt dit uit zorgzaamheid of tederheid. Maar een verwend kind raakt er zo aan gewend dat anderen zijn problemen voor hem oplossen, dat hij niet leert zich er zelf voor in te zetten. Verwennen kun je ook omschrijven als ‘in de watten leggen’. Je geeft de ander niet de kans te leren omgaan met grenzen. Want in zachte watten voel je geen grenzen. Dat maakt passief en uiteindelijk ook angstig. Als je iemand verwent, neem je dus iets over van wat die ander eigenlijk zou moeten doen. Dat is natuurlijk niet altijd verkeerd. Er is niets op tegen dat je iemand die herstelt van een ziekte een poosje makkelijk verteerbare voeding geeft, zodat zijn spijsvertering niet zo hard hoeft te werken. Maar er gaat wel degelijk iets verkeerd als je een kind van twee jaar nog steeds voedt met gemalen prakjes. Die vormen geen enkele uitdaging voor zijn kauwspieren, waardoor hij gemakkelijker eetstoornissen kan ontwikkelen.

De scheidslijn tussen verzorgen en verwennen is niet altijd makkelijk te vinden. Verwen je een kind door hem warm te kleden? Niet zolang je hem ook de kans geeft in de confrontatie met regen en kou zijn warmte-organisatie te ontwikkelen. Maar je verwent een kind wel als je hem altijd overal lekker warm houdt. Zijn spieren worden verwend als je ze niet aan het werk zet en je verwent zijn lever als je hem te veel kant-en-klare suikers aanbiedt. Verwend gedrag is eigenlijk een ultieme vorm van hulpeloosheid. Een verwend mens weet zelf geen oplossingen te vinden voor allerhande dagelijkse problemen. Een verwend kind kan zich niet aanpassen, want dat heeft hij niet geleerd.

Verwennen is anti-opvoeden

Wanneer je als ouder bang bent je kinderen te verwennen, kun je wel eens in het andere uiterste vervallen. Opvoeden wordt dan drillen en afharden. Dan zal zijn warmte-organisatie inderdaad niet verwend raken, maar wel afgestompt. Want als je een kind consequent te koud kleedt, zal hij niet het intens behaaglijke gevoel leren kennen van het je tot in elke vezel van je lichaam warm voelen. Laat je hem consequent huilen omdat je hem niet wilt verwennen, dan kan het gebeuren dat hij afleert door huilen te vertellen dat er iets met hem aan de hand is. Dan kan het heel zoet lijken, maar innerlijk is het lam geslagen en heeft het opgegeven iets van zichzelf te laten zien. Net als verwennen is afharden een vorm van anti-opvoeding.

Bij verwennen spelen zoveel factoren een rol dat het onmogelijk is een recept te geven voor een niet-verwennende opvoeding. Wat bij het ene kind verwenning oplevert, is voor de ander juist de aandacht die hij nodig heeft om zich goed te ontwikkelen. Een heel atletisch kind hoeft niet gestimuleerd te worden een flinke wandeling te maken. Maar een rustig, in zichzelf gekeerd kind zul je zo nu en dan uit zijn wereldje moeten halen, opdat hij meedoet aan een gezamenlijke activiteit. De spijsvertering van een allergisch kind is over het algemeen gebaat bij hypo-allergene voeding, maar toch zul je hem af en toe ook eens moeten uitdagen met een hapje waar hij zich wat meer voor moet inspannen. Verwennen maakt lui, en luiheid wekt irritatie op. Het verwende kind zelf snapt niets van de irritatie die hij in zijn omgeving oproept. Voor hem is het immers gewoonte dat hij op zijn wenken wordt bediend.

Ontwennen

Het ontwennen van een verwend kind vraagt tijd. Gaandeweg zal de moeder van W de ingesleten gewoontes die van W een dwingeland maakten moeten zien te vervangen door zinvolle gewoontes. Gewoontes zijn nodig om een stevige basis te geven aan het dagelijkse leefpatroon. Daarbij horen ook de grenzen die een kind in de opvoeding moet tegenkomen om zichzelf te leren kennen. Het doet er eigenlijk niet zo toe welke grenzen dat zijn. Het is wel van belang dat de gekozen lijn consequent wordt aangehouden. Beter één duidelijke grens dan veel vage grenzen. Binnen die grens kan een kind op ontdekkingstocht gaan. Daar hoort bij dat hij tegen de grens oploopt, eraan gaat peuteren en onderzoekt hoe lang die grens het uithoudt overeind te blijven als hij er tegenaan schopt. En als dat te veel gejengel en gehuil oplevert, dan verwen je je kind echt niet als je hem helpt zijn aandacht op iets anders te richten. 

.
voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

2143-2012

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over spel (GA 300A)

.

Zie de inleiding
.

GA 300A

Dies ist die Konfiguration beim Spielen: Ein Kind, das gewisse For­men des Spielens zeigt, zeigt dieselbe Form dann in der Art und Weise, wie sich der Mensch ins Leben findet. Ein Kind, das langsam spielt, wird in den Zwanzigerjahren langsam sein und langsam den­ken in all dem, was im Leben zusammengefaßt wird als Lebens­erfahrung. Ein Kind, das oberflächlich ist im Spielen, wird auch später ober­flächlich werden. Ein Kind, das sagt, ich will mein Spielzeug zerschmeißen, weil ich sehen will, wie es innen ausschaut, das wird ein Philosoph werden. Das ist die Art des Denkens in der Beherrschung des Lebens.
Ja, gewiß, man kann im Spiel sehr vieles tun. Man kann ein Kind, das Neigung hat zum langsamen Spielen, veranlassen, schneller zu spie­len. Man gibt ihm eben solche Spiele, wo einige Schnelligkeit not­wendig ist.

De samenhang met spelen is: een kind dat een bepaalde manier van spelen vertoont, vertoont op een zelfde manier hoe hij als mens zijn weg in het leven vindt. Een kind dat traag speelt, zal in zijn twintiger jaren langzaam zijn en langzaam denken bij alles wat in het leven samengevat wordt als levenservaring. Een kind dat oppervlakkig is met spelen, zal ook later oppervlakkig zijn. Een kind dat zegt:  ‘Ik wil mijn speelgoed kapot maken, omdat ik wil kijken hoe het er van binnen uitziet’, wordt later filosoof. Dat is het soort van denken om het leven te beheersen. Zeker, je kunt bij het spelen erg veel doen. Je kunt een kind dat de neiging heeft om rustig te spelen, aansporen tot sneller spel. Je kunt spel aanbieden waarbij wat meer snelheid nodig is.
GA 300A/146-147
Niet vertaald
.

Rudolf Steiner over spelalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Spelalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle beelden

.
2142-2011

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over peuter-kleuteropvang

.
PEUTER- KLEUTEROPVANG

Bij de oprichting van de vrijeschool in Stuttgart (sept. 1919) was er nog geen vrijeschoolkleuterklas ingericht zoals Steiner die wilde hebben. Wel brachten ouders hun kinderen – onder de 6-7 jaar – om te worden opgevangen. Een vorm van ‘voorschoolse opvang’ waarvoor eigenlijk nog niets geregeld had kunnen worden)

X: Soll die Vorklasse den Charakter eines Kindergartens haben?

X: Moet de voorklas het karakter dragen van de kleuterschool?

Dr. Steiner: Dort sind die Kinder, die noch nicht die Schule begon­nen haben. Wir können nicht irgendwelche Lernfächer bringen. Man soll sie so beschäftigen, daß sie spielen; nicht wahr, gewisse Spiele müssen da sein. Man kann auch etwas in der Form, in der es nicht zum Lernen gehört, erzählen. Aber auch da nicht die Schulanforde­rungen stellen, nicht darauf sehen, daß unbedingt alles nacherzählt werden muß. Ein eigentliches Lehrziel scheint mir gar nicht nötig zu sein, sondern man versucht herauszukriegen, womit man die Kinder am besten beschäftigen kann. Man braucht kein Lehrziel. Es wird sich darum handeln, daß man Spiele treibt, etwas erzählt, kleine Rätsel löst. Auch das würde ich nicht pedantisch begrenzen. Ich würde sie behal­ten, solange die Eltern sie abgenommen haben wollen. Ja, wenn wir könnten, könnten wir sie auch den ganzen Tag haben. Wenn es geht, warum nicht? Eurythmie können Sie auch versuchen, sie dürfen nur nicht verdorben werden. Sie dürfen auch durch sonst nichts verdor­ben werden. Ich sagte ja, dabei handelt es sich im wesentlichen darum, daß man die Kinder bemuttert, nicht Fröbelei treibt. Sie wollen ganz gewiß nichts schulmäßig Bestimmtes tun, da kann man das mit ihnen tun, was sie wollen.

Dr. Steiner: Daar bevinden zich de kinderen die nog niet aan school begonnen zijn. We kunnen niet een of ander leervak aanbieden. We moeten ze zo bezig houden, dat ze spelen; er moeten bepaalde dingen zijn om mee te spelen. Je kunt ook op een bepaalde manier iets vertellen wat niet om te leren bedoeld is. Maar daarbij ook niet de schooleis stellen, niet regelen dat per se alles naverteld wordt. Een echt leerdoel lijkt mij helemaal niet nodig; je moet er achter zien te komen waarmee je de kinderen het beste kunt bezighouden. Je hebt geen leerdoel nodig. Het gaat erom te spelen, iets te vertellen, kleine raadsels op te lossen. Maar dat zou ik ook niet pedant willen begrenzen. Ik zou ze zo lang bij me houden als de ouders ze willen afstaan. Ja, als we de gelegenheid hadden, zouden we ze ook de hele dag kunnen hebben. Wanneer het gaat, waarom niet? Je zou ook euritmie met ze kunnen doen; je mag ze alleen niet bederven. Ze mogen ook door niets anders bedorven worden. Ik zei het al, het gaat er in hoofdzaak om dat je de kinderen bemoedert, geen fröbeldingen doet. Je moet heel beslist niets schools met ze doen, dan kun je doen wat je wil.

Deze vraag staat in de gedrukte tekst meteen onder de bovenstaande, zonder alinea-opening. Dit veronderstelt dat de vraag óók bedoeld is voor de ‘kleuterklas’. Het is onduidelijk of er toen al 6-jarigen in de 1e klas zaten.

Es wird nach Chorsprechen gefragt.

Er wordt een vraag gesteld over in koor spreken

Dr. Steiner: Man kann es schon machen. – Märchen können auch erzählt werden. Es gibt sehr viele Märchen, die man den Sechsjähri­gen nicht vorsetzen kann. Damit meine ich nicht das, was der Verein für Ethische Kultur* ausmerzt, sondern weil es kompliziert ist. Die Kleinen würde ich noch nicht nacherzählen lassen. Wenn sie aber selbst etwas erzählen wollen, dann anhören. Das ist etwas, was man abwarten muß.

Dat kun je wel doen. Er kunnen ook sprookjes verteld worden. Er zijn heel veel sprookjes die je aan zesjarigen niet kan vertellen. Daarmee bedoel ik niet wat de ‘Vereniging voor ethische cultuur’ geschrapt heeft, maar omdat het moeilijk is. De kleintjes zou ik nog niet laten navertellen. Maar wanneer ze zelf iets willen vertellen, moet je er wel naar luisteren. het is iets wat je moet afwachten.
GA 300A/146-147
Niet vertaald

*Verein für Ethische Kultur

.
Rudolf Steiner over spel: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Peuters en kleuters: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: peuters en kleuters

.

2141-2010

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over spel (GA 298)

.

Zie de inleiding

GA 298

Blz. 75/76

Es gibt etwas im menschlichen Leben im zweiten, dritten, vierten, fünften, sechsten, siebenten Lebensjahr und auch während der Schulzeit, das ist die Spielneigung des Kindes. Alles was zum Spiel des Kindes gehört, ist besonders lebhaft in diesem Lebensalter. Dann geht es so wie dieser Fluß in die Untergründe des menschlichen Lebens hinunter. Man sieht dann, wenn die Geschlechtsreife kommt, wenn andere Dinge kommen, diesen Spieltrieb nicht mehr in der gleichen Art wirksam.
Aber dann, wenn die Zwanzigerjahre kommen, dann kommt dasselbe, was im Spiel wirksam war, wiederum heraus. Es ist aber jetzt nicht mehr als Spieltrieb wirk­sam; es ist jetzt etwas anderes. Es ist jetzt die Art und Weise geworden, wie der Mensch sich ins Leben hineinfinden kann. Und in der Tat ist es so: wenn man das Kind in der richtigen Weise nach seinen besonderen Anlagen spielen läßt, wenn man ihm die richtigen Spiele beibringt, dann wird das Kind sich in der richtigen Weise dem Leben anpassen können.
Wenn man etwas verfehlt mit Bezug auf die Natur des Kindes in den Spielen, die man an das Kind heranbringt, so wird das Kind auch ungeschickt sein, sich in das Leben hineinzustellen. – So hängen die Sachen zusammen: Dasjenige, was Spieltrieb ist, die besondere Art, wie das Kind spielt, die verschwindet, versickert im Leben. Dann tritt sie wieder an die Oberfläche, sie ist aber jetzt etwas anderes, sie ist jetzt Lebensgeschicklichkeit, Anpassungsfähigkeit an das Leben.

Er is iets in het 2e t/m 7e levensjaar in een mensenleven en ook gedurende de schoolleeftijd en dat is de neiging tot spelen bij het kind. Alles wat tot het spel van het kind behoort is op deze leeftijd bijzonder levendig. Dan komt dat, zoals een rivier ondergronds gaat, in de diepere lagen van het mensenleven terecht. Dan zie je, wanneer de geslachtsrijpheid begint, wanneer er andere dingen komen, dat deze neiging om te spelen niet meer op dezelfde manier werkzaam is.
Maar dan, als twintiger, komt datzelfde wat in het spel werkte, weer tevoorschijn. Maar het is niet meer als speeldrift werkend, het is nu wat anders. Het is nu de manier geworden waarop de mens zijn plaats kan vinden in het leven. En het is inderdaad zo, dat wanneer je een kind met zijn bijzondere aanleg laat spelen, wanneer je hem het juiste spelen leert, het kind zich dan op de juiste manier aan het leven kan aanpassen.
Wanneer je iets nalaat wat de natuur van het kind betreft, in het spel, dat je het kind laat doen, zal het kind niet zo handig zijn met in het leven staan. Zo hangen deze dingen samen: wat speeldrift is, de bijzondere manier waarop een kind speelt, die verdwijnt; zakt in het leven weg. Dan komt die weer aan de oppervlakte, maar nu als iets anders; nu is het een vermogen in het leven te staan, zich aan het leven aan te passen.
GA 298/75-76

Niet letterlijk vertaald 

.

Rudolf Steiner over spelalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Spelalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle beelden

.

2140-2009

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over spel (GA 297A)

.

Zie de inleiding

GA 297A

Blz. 20         vert. blz. 20

Wir wissen aber auch, daß das Kind im Nachahmen spielt. Im Grunde genommen ist der Spieltrieb nicht etwas Uroriginelles, son­dern er ist eine Nachahmung dessen, was in der Umgebung gesehen wird. Wer unbefangen genug zu Werke geht, wird schon gewahr, wie dem Spiel durchaus auch Nachahmung zugrunde liegt. Aber jedes Kind spielt anders. Der Erzieher des kleinen Kindes vor dem siebenten Jahr muß sich ein sorgfältiges Urteil darüber erwerben -und man hat künstlerischen Sinn notwendig zu einem solchen Ur­teil, weil das bei jedem Kind anders ist -, der Erzieher muß sich einen künstlerischen Blick aneignen dafür, wie das Kind spielt. Im Grunde genommen spielt jedes Kind auf seine eigene Art. Und das, wie ein Kind spielt, namentlich wie es im vierten, fünften, sechsten Jahr spielt, das geht dann in die Tiefen der Seele als eine Kraft hin­ein. 

We weten echter ook, dat het kind nabootsend speelt. In de grond van de zaak is de speeldrift niet iets oerorigineels, maar deze is een imitatie van wat er in de omgeving wordt gezien. Wie onbevangen genoeg te werk gaat, wordt al gauw gewaar dat aan spel zeer zeker ook nabootsing ten grondslag ligt. Maar ieder kind speelt anders. De opvoeder van het kleine kind voor het zevende jaar moet dat zorgvuldig leren beoordelen – en voor zo’n oordeel heb je een kunstzinnige blik nodig, omdat dit bij ieder kind anders is -, de opvoeder moet een kunstzinnige blik krijgen voor hoe het kind speelt. Basaal genomen speelt ieder kind op zijn eigen manier.En hoe een kind speelt, vooral hoe het op zijn vierde, vijfde, zesde jaar speelt, gaat als kracht diep in de ziel naar binnen. 

Das Kind wird älter, man merkt zunächst nichts davon, wie die eine oder andere besondere Art zu spielen in den späteren Charak­tereigenschaften des Kindes zutage tritt. Das Kind wird andere Kräfte, andere Seelenfähigkeiten entwickeln; was die besondere Wesenheit seines Spieles war, das schlüpft wie ins Verborgene der Seele hinein. Aber es tritt später wieder zutage, und zwar tritt es auf eigentümliche Weise zutage, so im fünfundzwanzigsten bis dreißig­sten Lebensjahr des Menschen, in derjenigen Zeit des Lebens, in der der Mensch sich hineinzufinden hat in die äußere Welt, in die Welt der äußeren Erfahrung, der äußeren Schicksale. Der eine stellt sich geschickt, der andere stellt sich ungeschickt hinein. Der eine wird fertig mit der Welt, so daß er von seinem eigenen Handeln gegen­über der Welt eine gewisse Befriedigung hat; der andere kann nicht mit seinem Handeln da oder dort eingreifen, er hat ein schweres Schicksal. Man muß das Leben des ganzen Menschen kennen lernen, man muß sehen, wie in geheimnisvoller Weise der Spielsinn in diesem Lebenssinn in den zwanziger Jahren wiederum herauskommt. Dann wird man eine künstlerisch geartete Vorstellung darüber gewinnen, wie man den Spieltrieb zu lenken und zu leiten hat, um so für eine spätere Lebenszeit dem Menschen etwas mitgeben zu können.

Het kind wordt ouder, je merkt er eerst niets van hoe de ene of de andere bijzondere manier van spelen in de latere karaktereigenschappen van het kind tevoorschijn komt. Het kind zal andere krachten, andere zielenvermogens ontwikkelen; wat het bijzondere karakter van zijn spel was, sluipt min of meer onzichtbaar de ziel binnen. Maar het komt later weer tevoorschijn en wel op een bijzondere manier, zo tussen het vijfentwintigste en dertigste jaar, in die tijd van het leven waarin de mens zijn plaats moet vinden in de maatschappij, in de buitenwereld, in de wereld van maatschappelijke ervaring, het uiterlijk lot. De een is daarvoor geschikt, de ander niet. De een vindt zijn weg wel in de wereld zodat hij door zijn eigen handelen tegenover de wereld een zeker tevreden gevoel heeft; de ander krijgt er met zijn handelingen hier of elders geen grip op; hij heeft een zwaar lot. Je moet het leven van de hele mens leren kennen; je moet zien hoe op een geheimzinnige manier de speelzin als levenszin er weer uitkomt in de jaren van de twintigers. Dan kun je een soort kunstzinnige voorstelling krijgen hoe je de speeldrift moet sturen en begeleiden ten einde de mens voor een latere tijd in het leven iets mee te kunnen geven.
GA 297A/20-21
Op deze blog vertaald/20-21

Blz. 52/53

Die erste Lebensepoche zeigt uns das Kind als ein nachahmendes Wesen. Bis in das Spiel hinein ist das Kind ein nachahmendes Wesen. Gewiß, mancher glaubt, im Spiel präge sich ein gewisses imaginatives Wesen aus. Das ist auch der Fall, aber wenn Sie das Spiel im tiefsten Wesen studieren, wer­den Sie überall die Nachahmungsmomente gerade im kindlichen Spiel wahrnehmen. Und in Anknüpfung an dieses Spiel möchte ich gleich bemerken, wie ungeheuer bedeutungsvoll für eine lebensvol­le, wirklich ins Dasein eingreifende Erziehung und pädagogische Kunst Menschenerkenntnis, Erkenntnis des Menschen in bezug auf seine Totalität ist.
Sehen Sie, jedes Kind spielt anders. Wer einen unbefangenen Beobachtungssinn hat, kann genau unterscheiden, wie das eine Kind, wie das andere Kind spielt. Wenn auch der Unterschied kein großer ist – man muß Psychologe sein, um so etwas beobachten zu können, wenn man überhaupt Pädagoge werden will.
Kann man das aber, dann muß man die verschiedenen Arten des Spielens auf eine ganz andere Lebensepoche des Menschen beziehen. In bezug auf die Menschenbeobachtung ist ja die äußere Wissenschaft so, daß sie überhaupt nur das Nächste an das Nächste reiht. Aber damit kommt man nicht weit. Das, was man beobachten kann im kind­lichen Spiel, bleibt nicht in der nächsten Lebensepoche. Da ist das Kind anderen Dingen zugewendet, also in der Zeit vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife. Wenn es auch fortspielt, das eigentliche Spielalter prägt sich nicht mehr so charakteristisch aus wie früher. 

De eerste leeftijdsfase laat ons het kind zien als nabootsend wezen. Tot in zijn spel is het kind een nabootsend wezen. Weliswaar geloven velen dat zich in het spel een bepaald fantasiewezen uitdrukt. Dat is ook het geval, maar wanneer je het spel in zijn diepste kern bestudeert, zul je overal de nabootsingsmomenten in het kinderspel waarnemen.
En bij dit spel aansluitend zou ik meteen willen opmerken hoe ongelooflijk belangrijk voor een levende, werkelijk in het bestaan ingrijpende opvoeding en pedagogische kunst menskunde, kennis van de mens met betrekking tot zijn totaliteit, is.
Ieder kind speelt anders. Wie onbevangen kan waarnemen, kan precies onderscheiden hoe het ene kind, hoe het andere kind speelt. Ook al is het verschil niet groot – je moet psycholoog zijn om zoiets te kunnen waarnemen, zeker als je pedagoog wil worden. En wanneer je dat kunt, moet je de verschillende manieren van spelen in relatie brengen met een heel andere leeftijdsfase van de mens. Wat het waarnemen van mensen betreft is het bij de gewone wetenschap zo dat deze eigenlijk alleen maar het ene aan wat er op volgt koppelt. Maar daarmee kom je niet ver. Wat je waarnemen kan in het kinderspel, blijft in de volgende levensfase niet. Dan richt het kind zich op andere dingen, dus zo in de tijd van de tandenwisseling tot de puberteit. Ook al speelt het nog, zo karakteristiek als het daarvoor was, komt het spel niet meer tot uitdrukking.

Das, was die Spielleidenschaften sind, tritt in die Tiefe der Seele zurück und erst in einem viel späteren Lebensalter tritt es wieder zutage: in der zweiten Hälfte der zwanziger Jahre, wenn der Mensch sich in das praktische Leben hineinstellen soll. Der eine stellt sich mit großer Geschicklichkeit in die Aufgaben des Schick­sals hinein, der andere wird ein weltenferner Träumer, und zwi­schen beiden sind die mannigfaltigsten Nuancen möglich. Die Art, wie sich der Mensch in diesen Jahren in das praktische Leben hin­einstellen kann, ist durchaus zu erklären, wenn man weiß, wie der Mensch mit vier, fünf, sechs, sieben Jahren gespielt hat. Daher ist es von einer durchgreifenden Wichtigkeit, als Pädago­ge, als Erzieher das kindliche Spiel zu leiten; zu beobachten, was aus dem Kind herauswill, zu lenken dasjenige, was nicht heraus soll, weil das Kind dadurch ungeschickt würde im späteren Leben. Denn man gibt dem Kind, wenn man das Spiel im zartesten Alter in der richtigen Weise leitet, etwas mit für die Lebenspraxis, wie sie sich erst in den zwanziger Jahren ausbildet. Das ganze Leben des Men­schen hängt zusammen, und was wir in der Jugend in die kindliche Seele einpflanzen, das kommt erst viel später im Leben in den man­nigfaltigsten Metamorphosen zutage. Nur eine totale Menschen­kenntnis, wie sie anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft gibt, kann tatsächlich Zusammenhänge, die so weit auseinan­derliegen wie die zwanziger Jahre und das kindliche Alter, wie das Hineinfinden in die Lebenspraxis und die Spieltriebe, durchschau­en; nur solche Geisteswissenschaft kann so tief hineinschauen in das Leben.

De speeldrift trekt zich in de diepere lagen van de ziel terug en pas op een veel latere leeftijd komt deze weer tevoorschijn: in de tweede helft van de twintiger jaren, wanneer de mens zijn plaats moet vinden in het leven van alle dag. De een vindt met gemak zijn weg in de opgaven die het leven stelt, de ander wordt een levensvreemde dromer en hier tussenin zijn heel wat nuances mogelijk. De manier waarop de mens in deze jaren zijn draai in de praktijk van het leven vindt, is zeer zeker te verklaren, wanneer je weet, hoe de mens op vier-, vijf-, zes-, zevenjarige leeftijd heeft gespeeld.
Daarom is het van doorslaggevende betekenis om als pedagoog, opvoeder het spelen van een kind zo te leiden: te kijken wat er uit het kind komt, te sturen wat er niet uit moet komen, omdat het kind daardoor ongeschikt zou worden voor het latere leven.  Want je geeft het kind, wanneer je zijn spel in zijn meest prille leeftijd op de juiste manier leidt, iets mee voor de praktijk van het leven zoals zich dat pas in de twintiger jaren vormt. Het hele leven van de mens hangt samen en wat wij in de jeugd in de kinderziel planten, komt pas veel later in het leven tevoorschijn, op de meest verschillende manieren gemetamorfoseerd.
Alleen een totale kennis van de mens, zoals de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap die geeft, kan daadwerkelijk samenhang zien in wat zo ver uit elkaar ligt als de twintiger jaren en de kinderleeftijd, ook tussen het zich een plaats kunnen verwerven in de praktijk van het leven en de speeldrift; alleen zo’n geesteswetenschap kan zo diep in het leven waarnemen.
GA 297A/52-53
Niet vertaald

.

Rudolf Steiner over spelalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Spelalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle beelden

.

2139-2008

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sterrenkunde (1-7)

.
Artikel opgenomen in een bundel met artikelen over sterrenkunde vrijeschool Eindhoven
.

En toch beweegt ze

In 1543 schreef de astronoom Copernicus in zijn beroemde boek „De revolutionibus orbi-um coelestrium”:

Praktisch alle geleerden zijn het er over eens, dat de aarde in het centrum van het heelal RUST. Zij vinden het onbegrijpelijk en zelfs belachelijk, als iemand er anders over denkt. Maar als men de zaak zorgvuldig overweegt, zal men inzien, dat het laatste woord hierover nog niet gesproken is en dat men niet zomaar aan deze kwestie voorbij kan gaan.

Honderd jaar later is de wetenschappelijke wereld (op enkele uitzonderingen na) er nog van overtuigd, dat de aarde in het middelpunt van het heelal staat; dat de sterrenhemel dagelijks éénmaal rond die aarde draait en dat de zon in één jaar een baan om de aarde beschrijft.

In 1633 wordt de bekende Italiaanse wis- en natuurkundige Galileo Galileï, een fervent aanhanger van het wereldbeeld van Copernicus, zelfs gedwongen zijn opinie niet meer in het openbaar te verkondigen. De legende zegt, dat Galileï na het proces uitgeroepen zou hebben: EN TOCH BEWEEGT ZE! Gedacht heeft hij het zeker.

Het duurt dan nóg bijna een eeuw vóór het copernicaanse wereldbeeld algemeen aanvaard wordt. In 1791 wordt voor het eerst met valproeven een experimenteel bewijs voor de aswenteling van de aarde gegeven. Zestig jaar later bedenkt de Franse natuurkundige Foucault zijn bekende slingerproef, waarbij de toeschouwers als het ware de aarde konden ZIEN draaien.

In het Panthéon te Parijs had hij een slinger opgehangen bestaande uit een staaldraad van 67 m met daaraan een stalen bol van 28 kg. De meer of minder geleerde toeschouwers konden zien, dat bij het verstrijken van de tijd het vlak, waarin de slinger zich bewoog, draaide. Dit kon bijvoorbeeld afgelezen worden op de schaalverdeling, die in de op de afbeelding zichtbare rand was aangebracht. Deze draaiing was een experimenteel bewijs voor de dagelijkse aswenteling van de aarde.

Bron Rémih, Wikipedia

Het gemakkelijkst is dat in te zien, als men zich de slinger opgesteld denkt aan de noordpool, het ophangpunt zuiver boven de plaats, waar de aardas het aardoppervlak snijdt.

Is in fig. 1 N de noordpool, waar we van boven af op kijken, dan zien we de aarde zich bewegen in de door de pijl bij P aangegeven richting. Beweegt de slinger zich in het door de rechte lijn aangegeven vlak, dan zal een toeschouwer, die zich niet boven maar op de aarde bevindt, en dus de draaiing van de aarde meemaakt, de indruk krijgen, dat hij zelf zich in rust bevindt en dat het vlak van de slingerbeweging draait en wel in een richting tegengesteld aan zijn eigen beweging, dus met de klok mee. Hij zal in de loop van een etmaal de indruk krijgen, dat het slingervlak 360° draait. Daarmee heeft hij dan de aswenteling van de aarde waargenomen.

We gaan een poging ondernemen dit te verklaren:

Dat de toeschouwer aan de noordpool het slingervlak ziet draaien is het gevolg van het feit, dat de slinger zich in de ruimte beweegt ten opzichte van een assenstelsel, dat onafhankelijk is van de aarde, alsof hij aan de sterrenhemel was opgehangen. De aarde draait dan onder hem door. Op de plaats, waar Foucault zijn proef nam, is de zaak nogal wat ingewikkelder. Nu wordt nl. het slingervlak ook door de aarde meegenomen. Toch blijft ook het verschijnsel bestaan, dat de slinger zich beweegt ten opzichte van een assenstelsel buiten de aarde.

Het onderste eind van de slinger beweegt zich in het raakvlak aan de aarde op de plaats van waarneming. Bij benadering kunnen we daarom de beweging van dit ondereind wel vervangen door die van een oscillator, die een harmonische trilling uitvoert rondom het raakpunt. Een waarnemer buiten de aarde ziet nu, dat na verloop van enige tijd het raakvlak, waarin de oscillator zich beweegt, een andere stand heeft aangenomen. Het is met de aarde mee gedraaid ten opzichte van de eerste stand.

Het raakvlak, dat bij de proef van Foucault de aarde raakt in een punt van de breedtecirkel van Parijs, rolt bij deze draaiing bij wijze van spreken over deze cirkel. Het rolt daarbij tevens over de kegel, die de aarde volgens deze breedtecirkel omhult (Fig.2). Zouden we op het raakvlak (aan de „onderzijde”) een veld van krijtlijntjes evenwijdig met de vector  atrekken, dan zouden die bij het draaien van het raakvlak sporen op de kegel achterlaten, waaraan het draaien van de vector te zien zou zijn. Die sporen zouden „evenwijdig” spiraallijnen zijn. Deze zelfde sporen zou men echter ook zien, als men niet het raakvlak over de kegel liet rollen, maar de kegel over het raakvlak. Stel je nu voor, dat de beschrijvende lijn TA van de kegel met het raakvlak samenvalt aan het begin van de beweging en dat op dat moment de richting van de oscillator samenvalt met de richting van TA (zie fig.4).

Is de kegel éénmaal rond gerold over het vlak, dan valt de beschrijvende lijn TA niet weer met zijn oorspronkelijke ligging samen, maar bijvoorbeeld met TB. Immers, als we een kegel over een vlak laten rollen, dan doen we het zelfde als wanneer we de oppervlakte van de kegel in het vlak uitslaan. De uitslag van een kegel is echter een cirkelsector, bijvoorbeeld met hoek a. De sporen van de krijtlijntjes zouden in deze uitslag van de kegel weer evenwijdig lijnen worden, zodat de richting van de vector in het punt B evenwijdig is met die in punt A. Maar die in punt A viel in het verlengde van de beschrijvende lijn TA. Die in B maakt met de beschrijvende TB (die eigenlijk ook TA is) de hoek a. De toeschouwers, die de draaiing een etmaal meemaakten, zouden als eindrichting van de oscillator dus die zien, die de hoek ∝ met de oorspronkelijke richting maakt. Het komt er nu nog maar op aan de hoek ∝te berekenen; dat gebeurt als volgt:

Nog eens de slingerproef van Foucault

Prof. Dr. O.Bottema te Delft

„…. dat in het gebouw van de Verenigde Naties te New-York, als geschenk van de Nederlandse regering, een slinger van Foucault is geplaatst, die in de hal gemonteerd veel aandacht trekt. Het geschenk, van het land van Huygens, is in 1955 door minister Luns aangeboden. Het technisch ontwerp is van Prof. Haringx te Eindhoven”.

De foto toont ons hoe de slinger in de grote hal is opgehangen. Hij bestaat uit een 90 kg zware bol, die aan een 17½ m lange staaldraad hangt. Vanzelfsprekend wil men deze slinger ononderbroken in beweging houden, zodat de bezoekers van het gebouw steeds de proef van Foucault kunnen aanschouwen. Daarvoor waren bijzondere voorzieningen nodig. Door geringe afwijkingen in het materiaal zou de bol zich op den duur niet langer in een verticaal vlak bewegen, zodat deze een ellips zou gaan beschrijven. Verder zou door de luchtweerstand en andere remmende factoren de slinger na zekere tijd tot stilstand komen. Door een bijzondere wijze van ophangen heeft men het slingeren in een elliptische baan voorkomen. Door op een vernuftige wijze gebruik te maken van Foucault-stromen in een koperen plaat, die in de bol is ondergebracht, wordt de slinger in beweging gehouden. Ieder keer nl. als deze het krachtenveld van een verticale spoel passeert, die in het voetstuk is aangebracht, krijgt de plaat een kleine energietoevoer, die juist voldoende is om de amplitude ongeveer 80 cm te doen blijven. Een uitvoerige bespreking van deze slinger van Foucault vindt men in Philips Technisch Tijdschrift, jaargang 19, no. 718, 1957, pag. 236-241. (Niet op deze blog)

.

Sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld7e klas

.

2138-2007

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over spel (GA 297)

.

Zie de inleiding

GA 297

Blz. 58    vert. 58

Was wird heute zum Beispiel für Unfug getrieben mit der Einordnung des Spiels in den Unterricht, in die Kindererziehung. Bei dieser Einordnung des Spiels wird sehr häufig das Allerwichtigste nicht berücksichtigt: Wenn das Spiel streng geregelt wird und das Kind sein Spiel in einer bestimmten Richtung verlaufen lassen muß, ist es kein Spiel mehr. Das Wesen des Spiels besteht darin, daß es frei ist. Wenn Sie aber das Spiel wirklich zum Spiel machen, wie es nötig ist für den Unterricht und für die Erziehung, dann werden Sie auch nicht mehr in die alberne Redensart fallen: daß auch der Unterricht ein bloßes Spiel sein solle. Dann werden Sie vielmehr in dem Rhyth­mus, der in das Leben des Kindes hineingebracht wird, das Wesentliche suchen, indem Sie Spiel und Arbeit abwechseln lassen.

Wat wordt er tegenwoordig niet aan onzin te berde gebracht wanneer het spel een plaats moet krijgen in het onderwijs, in de opvoeding van kinderen. Hierbij wordt heel vaak het allerbelangrijkste van het spel over het hoofd gezien: als spel strak geregeld wordt en het kind moet zijn spel zus of zo spelen, is het geen spel meer. Het wezenlijke van het spel is nu juist dat het vrij is. 
Wanneer je echter het spel werkelijk tot spel wil maken zoals dit voor het onderwijs en voor de opvoeding nodig is, dan zul je ook niet meer in de naïeve spreektrant vervallen: dat ook het onderwijs louter spel moet zijn. Dan zul je veel meer het wezenlijke zoeken in het ritme dat in het leven van het kind een plaats moet krijgen, wanneer je afwisselend speelt en werkt.
GA 297, 58-59
Op deze blog vertaald/58-59

Blz. 193     vert. 193

Sie [die Beobachtungen] lassen erkennen, daß diejenigen Fähigkeiten, die das Kind im Spiele bis zum siebenten Jahre entwickelt, später wieder auftreten, aber erst in den zwanziger Jahren. In der Zwischenzeit bleiben sie gewissermaßen unter der Oberfläche. In der Zwischenzeit werden die Kräfte verwendet, um Lebenserfahrungen zu sammeln. Vom siebenten Jahre an wird das Spiel zu einem sozialen Spiel. Indivi­duelles Spiel wird erst wieder lebendig in den zwanziger Jahren als Lebenserfahrungskraft.

De waarnemingen laten je weten dat de vaardigheden die een kind tot aan zijn zevende ontwikkelt, later weer tevoorschijn komen, pas tussen het twintigste en dertigste jaar. In de tussentijd blijven ze min of meer onder de oppervlakte. In die tussentijd worden de krachten gebruikt om levenservaringen op te doen. Vanaf het zevende jaar wordt spel sociaal spel. Individueel spel wordt pas weer actief na het twintigste als bron van levenservaring.
GA 297/193
Op deze blog vertaald/193

Blz. 261     vert. 261

Wer gut versteht, wie das Kind in den ersten Lebensjahren, etwa bis zum fünften Jahre hin spielt, wer aus dem ganzen Charakter der kindlichen Indivi­dualität ihm sein Spiel angenehm herrichtet, der bereitet in dem Kinde etwas vor, was nun wiederum im viel späteren Leben zum Ausdruck kommt. Dazu muß man eben das menschliche Leben in seiner Totalität zu betrachten verstehen. Der Botaniker betrachtet die Pflanze in ihrer Totalität. Was heute «Psychologie» sein will, das betrachtet nur immer im Augenblick. Wer einen Menschen betrachtet etwa im fünfündzwanzigsten, sechsundzwanzigsten,

Wie goed begrijpt hoe het kind in de eerste jaren van zijn leven speelt, ongeveer tot het vijfde jaar, wie, met het oog op het hele karakter van de kinderlijke individualiteit, mogelijk maakt dat het fijn kan spelen, die bereidt in het kind iets voor, wat ook weer veel later in het leven tot uitdrukking komt. Daarvoor moet je wél het mensenleven in zijn totaliteit leren begrijpen. De plantkundige bekijkt de plant in zijn totaliteit. Wat tegenwoordig doorgaat voor ‘psychologie’ kijkt slechts naar het moment. Wie naar een mens kijkt wanneer die vijf- zesentwintig,

Blz. 262     vert. 262

siebenundzwanzigsten, ächtundzwanzigsten Jahre – oder etwas früher -, wenn er sich in die Lebenserfahrung hineinfinden soll, ein Verhältnis finden soll zur Lebenspräxis, ein geschickter Mensch, ein zielbewußter Mensch werden soll, wer den Menschen in diesem Lebensalter sachgemäß, exakt zu beobachten versteht, der sieht, wie im kindlichen Spiel – zwischen der Geburt und dem fünften Lebensjahre etwa -, in der Natur des Spielens sich die Art ange­kündigt hat, wie dann in den Zwanzigerjähren der Mensch sich in das Leben als ein praktischer Mensch hineinfindet, als ein geschick­ter, als ein zielbewußter Mensch. Im frühesten Kindesalter bringen wir das, ich möchte sägen mit der Wurzel zur Entwicklung, was später erst als Blüte herauskommt.

zeven- achtentwintig – of iets eerder, wanneer hij om moet kunnen gaan met wat hij ervaart in het leven, het leven aan te kunnen, een doelbewust mens wil worden, wie een mens op deze leeftijd adequaat, precies weet waar te nemen, die ziet hoe in het spel van het kind – zo’n beetje tussen de geboorte en het vijfde jaar – in hoe gespeeld wordt, zich aankondigt hoe, wanneer die mens in de twintig is, die zijn plaats in het leven als een praktisch mens inneemt, als iemand die het leven aankan, als een doelbewust mens. In de vroegste leeftijd brengen wij daarvoor a.h.w. de wortel tot ontwikkeling van wat pas later als bloem tevoorschijn komt. 
GA 297/261-282
Op deze blog vertaald: 261-282

Blz. 267      vert. 267

Fragenbeantwortung

Rudolf Steiner: Es ist zunächst hier eine schriftliche Frage einge­laufen:
In welcher Weise sollte die Individualität des Kindes durch das Spiel beein­flußt werden?
Die hier gemeinte Geisteswissenschaft soll durchaus wirklichkeits­gemäß und niemals als Abstraktion und aus Theorien heraus arbei­ten; daher sind diejenigen Fragen, die man sonst gewöhnlich gern, ich möchte sagen in Kürze, in Bausch und Bogen beantwortet, für Geisteswissenschaft nicht in Kürze zu beantworten. Aber man kann wenigstens immer auf dasjenige hinweisen, wo Geistes­wissenschaft die Richtung sieht. Man wird es ja beim Spiel mit den kleinsten Kindern zu tun haben. Das Spiel ist am charakteristisch­sten etwa bis zum fünften Jahr. Natürlich spielen nachher die Kin­der auch, aber da mischen sich schon in das Spiel allerlei andere Dinge hinein, und das Spiel verliert den Charakter, ganz, ich möchte sagen aus der Willkür des Inneren heraus zu fließen.
Nun wird man, wenn man das Spiel sachgemäß leiten will, vor allen Dingen ein Auge haben müssen für dasjenige, was man die Temperamentsanlägen des Kindes nennt, und andere Dinge, die mit den Temperamentsanlagen zusammenhängen. Da handelt es sich dann darum, daß man gewöhnlich meint, man solle ein Kind, das zum Beispiel einen phlegmatischen Charakter zeigt, durch et­was besonders Lebendiges, das es aufrege, auf den richtigen Weg bringen; oder ein Kind, das Anlage zeigt zu einem mehr in sich geschlossenen Wesen, etwa zu einem melancholischen Temperament

Beantwoording van vragen:

Rudolf Steiner: er is zojuist een schriftelijke vraag ingediend:

Hoe moet de individualiteit van het kind door het spel worden beïnvloed?

De geesteswetenschap die hier wordt bedoeld moet m.n. werkzaam zijn in overeenstemming met de werkelijkheid en nooit als abstractie en vanuit theorieën, vandaar dat de vragen die men meestal gewoonlijk graag kort en krachtig beantwoordt, voor de geesteswetenschap niet in het kort te beantwoorden zijn. Maar men kan in ieder geval steeds wijzen in welke richting de geesteswetenschap het ziet. Bij spel heb je te maken met de kleinste kinderen. Tot aan het vijfde jaar is het spel het meest karakteristiek. Natuurlijk spelen de kinderen daarna ook, maar daar vermengen zich allerlei andere dingen met het spel en het verliest het karakter dat het helemaal vanuit de willekeur vanuit het innerlijk tevoorschijn komt.
Nu zal je, wanneer je het spel adequaat wil begeleiden, vooral oog moeten hebben voor wat men de temperamentsaanleg van het kind noemt en voor andere dingen die met het temperament samenhangen. Dan gaat het erom dat je gewoonlijk denkt dat je een kind dat bv. een flegmatisch karakter vertoont, door iets bijzonder levendigs waar het door geprikkeld wordt, op het juiste spoor zet; of een kind dat aanleg heeft om zich meer in zichzelf te keren, dus een melancholisch temperament

blz. 268

wenn das als solches auch noch nicht bei dem Kinde auf­tritt, aber es kann in der Anlage da sein -, möchte man wiederum durch etwas Erheiterndes auf den richtigen Weg bringen. Das ist im Grunde genommen, namentlich insoferne es das Spiel betrifft, nicht sehr richtig gedacht, sondern es handelt sich im Gegenteil darum, daß man versuchen soll, den Grundcharakter des Kindes zu studieren – sagen wir, ob es ein langsames oder ein schnelles Kind ist -, und man soll dann auch versuchen, das Spiel dem anzupassen. Man soll also versuchen, für ein Kind, das langsam ist, gewisserma­ßen auch im Spiel ein langsames Tempo einzuhalten, für ein Kind, das schnell ist, auch im Spiel ein schnelles Tempo einzuhalten und nur einen allmählichen Übergang suchen. Man soll gerade das dem Kinde entgegenbringen, was aus seinem Inneren fließt. Man macht ja die schlimmsten Erziehungsfehler eben dadurch, daß man meint, Gleiches sollte nicht gleich behandelt werden, sondern Entgegen­gesetztes sollte durch Entgegengesetztes behandelt werden. Es ist auf eines da hinzuweisen, was besonders immer verfehlt wird.

ook al wordt dit in het kind nog niet manifest, maar het kan het in aanleg zijn – zou je dan graag met iets luchthartigs weer op het goede spoor zetten. Uit de aard der zaak, voor zover het het spel betreft, is dit niet zo goed bedacht, want het gaat er, in tegendeel, juist om dat je moet proberen het basiskarakter van het kind te bestuderen – of het een langzaam of een vlug kind is – en dan moet je ook proberen het spel daarop aan te passen. Je moet dus proberen voor een kind dat langzaam is, in zekere zin ook in het spel een langzaam tempo aan te houden; voor een kind dat snel is, ook in het spel een snel tempo aan te houden en dan een geleidelijke overgang zoeken. Je moet juist aan het kind aanbieden wat vanuit zijn innerlijk naar buiten komt. De ergste opvoedingsfouten worden gemaakt door te denken dat je ‘het gelijke’ niet met ‘het gelijke’ moet behandelen, maar juist omgekeerd. Op één ding zij nog gewezen, waar vooral steeds fouten worden gemaakt.

Es gibt aufgeregte Kinder. Diese aufgeregten Kinder, die möchte man selbstverständlich abregen, und man glaubt dann, wenn man ihnen etwa Spielzeuge anschafft, die in dunkleren Farben gehalten sind, also in den weniger aufregenden Farben, Blau und der­gleichen, oder wenn man ihnen Kleider anschafft in Blau, so würde das gut sein für das Kind. Ich habe in meinem kleinen Büchelchen «Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswis­senschaft*» darauf hingewiesen, daß das nicht der Fall ist, daß man gerade dem aufgeregten Kinde die Spielzeuge rötlich machen soll, dem lässigen Kinde, dem nicht lebhaften Kinde die Spielzeuge blau und violett machen soll. Durch alle diese Dinge wird man eben herausfinden, was für das Kind gerade nach seiner besonderen individuellen Anlage geeignet ist. Es ist eben außerordentlich viel zu berücksichtigen. Sehen Sie, man glaubt gewöhnlich – so sagte ich -, wenn man ein lebhaftes, ein zu lebhaftes Kind hat, so solle man ihm durch dunkle Farben, durch Blau oder Violett beikom­men; aber Sie können sich überzeugen davon, daß, wenn Sie auf Rot, auf eine rote Fläche schauen und dann wegschauen auf eine

*«Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft» (1907) in «Lucifer-Gnosis. Grundlegende Aufsätze zur Anthroposophie und Berichte aus den Zeitschriften ‘luzifer’ und ‘lucifer-gnosis’, 1903-1908, GA34. auch als’ Einzelausgabe erhältlich.

Er zijn drukke kinderen. Die wil men natuurlijk minder druk laten zijn en men gelooft dan wanneer men speelgoed voor ze koopt dat een meer donkere kleur heeft, dus de minder felle kleuren, blauw enz.. of wanneer men kleren voor ze koopt, blauwe, dat dit dan goed zou zijn voor dat kind. Ik heb mijn boekje ‘De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’* erop gewezen, dat dat niet het geval is, dat je juist de drukke kinderen speelgoed moet geven dat rood is, het trage kind, het niet-drukke kind speelgoed in blauw en violet. Door dit alles zal je vinden wat voor het kind met het oog op zijn bijzondere individuele aanleg geschikt is. En er is veel waarmee je rekening moet houden. Men denkt meestal wanneer je te maken hebt met een druk, te druk kind, je het dan donkere kleuren, blauw of paars moet geven; maar je kan tot de overtuiging komen dat wanneer je naar iets roods kijkt, naar een rood vlak en daarna wegkijkt naar

*De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie‘, (1907) in «Lucifer-Gnosis. Basisartikelen voor antroposofie en berichten uit de tijdschriften ‘luzifer’ en ‘lucifer-gnosis’, 1903-1908, GA34. Ook als losse uitgave te verkrijgen.

blz. 269

weiße, Sie in sich die Tendenz haben, die sogenannte Komplemen­tärfarbe als subjektives Gebilde zu schauen. Es wird also innerlich erregt gerade die Gegenfarbe. Es werden die dunklen Farben inner­lich erlebt an den hellen. Daher ist es gut, wenn ein Kind aufgeregt ist, es in hellen Farben in seinem Spielzeug und auch in seinen Kleidern zu halten, damit es gerade innerlich erregt wird. Also auch diese Dinge dürfen nur so betrachtet werden, daß man gewis­sermaßen in das Innere der menschlichen Natur und Wesenheit hineindringt. Dann mache ich darauf aufmerksam, daß man in der Regel gar nicht die Individualität oder gar keine Individualität eines Kindes trifft, wenn man durch die Spiele zu sehr auf das Kombinatorische hinhorcht. Daher muß der Geisteswissenschafter von seinem Standpunkte eigentlich alles dasjenige, was Kombinationsspiele sind, Bausteine und dergleichen, das muß er als geringerwertig ansehen, weil es zu stark an den kindlichen Intellekt heranwill; dagegen wird alles dasjenige, was mehr Leben vor das Kind bringt
– entsprechend variiert nach der Individualität -, ein besonders günstiges Spielzeug abgeben

een wit vlak, er dan in je een tendens ontstaat dat je de zgn. complementaire kleur ziet. Innerlijk wordt er dus een tegenkleur opgeroepen. De donkere kleuren worden innerlijk ervaren aan de lichte. Vandaar dat het goed is wanneer een kind dat druk is, dat je het speelgoed en zijn kleren licht houdt, zodat het juist innerlijk beweeglijk wordt. Dus ook deze dingen mogen alleen maar zo bekeken worden dat je in zekere zin in het innerlijk van de menselijke natuur en zijn wezen dóórdringt. Dan wijs ik erop dat je als regel helemaal niets doet voor de individualiteit of zelfs niet voor de individualiteit van een kind, wanneer je voor het spel te veel je hoofd laat hangen naar wat in elkaar gezet moet worden. Vandaar dat de geesteswetenschapper vanuit zijn standpunt eigenlijk alles van dit soort speelgoed, blokkendozen enz. van mindere waarde moet schatten, omdat het te sterk aan het kinderlijke intellect appelleert; daarentegen zal alles wat voor het kind levendiger is – aangepast aan de individualiteit – een bijzonder gunstig werkend speelgoed opleveren.

Ich habe mich schon lange bemüht, irgendwie eine Bewegung dafür hervorzubringen – aber es ist ja in der Gegenwart so schwer, die Leute für solche Kleinigkeiten, scheinbare Kleinigkeiten zu begeistern -, daß wieder mehr einge­führt würden die beweglichen Bilderbücher für die Kinder. Es waren da früher solche Bilderbücher, welche Bilder hatten und man konnte unten an Fäden ziehen; da bewegten sich die Bilder, da wurden ganze Geschichten aus den Bildern daraus. Das ist etwas, was in ganz besonders günstiger Weise, wenn es verschieden vari­iert wird, auf Kinder wirken kann. Dagegen alles, was ruhig bleibt und was namentlich auf Kombination Anspruch macht wie die Baustein-Geschichte, das ist etwas, was für das kindliche Spiel eigentlich nicht geeignet ist, und es sind auch die Bausteine nur ein Ausfluß unserer materialistischen Zeit. Dann mache ich noch darauf aufmerksam, daß man bei den Spielen vorzugsweise darauf sehen muß, wie weit die kindliche Phantasie wirkt. Sie können die schönsten Kräfte in einem Menschen

Ik ben er al lang mee bezig op de een of andere manier een beweging in het leven te roepen – maar het is in deze tijd heel moeilijk om de mensen voor dergelijke kleine dingen, schijnbaar kleine dingen – enthousiast te maken, om weer meer boeken met beweeglijke platen* voor de kinderen te krijgen. Vroeger waren er van die boeken, die plaatjes hadden waarbij je onder aan de bladzij aan een touwtje kon trekken, dan bewogen de plaatjes en dan ontstonden er hele beeldverhalen. Dat is iets wat op een heel bijzonder gunstige manier wanneer er verschillende variaties zijn, op kinderen kan werken. Alles wat daarentegen rustig blijft en wat een beroep doet op combineren zoals de bouwdozen, is iets van voor het kinderspel eigenlijk niet geschikt is en die bouwsteentjes zijn eigenlijk een uitvloeisel van onze materialistische tijd. Dan wil ik er nog op wijzen dat je er bij het spelen vooral op moet letten hoe ver de fantasie van het kind gaat. Je kan de mooiste krachten in een mens

Blz. 270

dadurch ertöten, daß Sie ihm, dem werdenden Menschen, als Knaben einen «schönen» Bajäzzo oder als Mädchen eine sehr «schöne» Puppe geben – sie ist ja doch immer scheußlich vom künstlerischen Standpunkte, aber man strebt nach «schönen Pup­pen». Dem Kinde wird am besten gedient, wenn man womöglich der Phantasie selber gerade solchen Spielzeugen gegenüber den allergrößten Spielraum läßt. Das Kind fühlt sich im Grunde ge­nommen am glücklichsten, wenn es aus seinem Taschentuch, das oben zusammengebunden wird und ein kleines Köpfchen hat, eine Puppe machen kann oder einen Bajazzo. Das ist etwas, was man pflegen soll. Es soll im Grunde genommen die Seelentätigkeit in Regsamkeit versetzt werden können.

om zeep helpen wanneer je die wordende mens als jongen een ‘mooie’ paljas of als meisje een erg ‘mooie’ pop geeft – die is vanuit een kunstzinnig standpunt altijd afschuwelijk, maar men streeft naar ‘mooie poppen.’ Het kind wordt het best gediend, wanneer je zo mogelijk bij het speelgoed aan de fantasie de grootste speelruimte laat. Het kind voelt zich in wezen het gelukkigst wanneer het uit een zakdoek die bovenaan samengebonden wordt en een klein hoofdje heeft een pop kan maken of een kleine paljas. Dat is iets waarvoor je moet zorgen. In de grond van de zaak moet de activiteit van de ziel in beweging kunnen komen.

Da wird man durchaus das Richtige treffen, wenn man ein Auge hat für das Temperament, wenn man also zum Beispiel einem besonders aufgeregten Kinde wirklich möglichst komplizierte Spielzeuge in die Hand gibt und einem langsamen Kinde möglichst einfache Spielzeuge in die Hand gibt, und dann, wenn es zu Hantierungen kommt, auch wiederum in dieser Weise vorgeht. Es ist ja auch dasjenige, was das Kind nun mit sich selber vornimmt, dann in späteren Jahren von besonderer Wichtigkeit. Man kann dem auch darinnen folgen, ob man ein Kind schnell oder langsam laufen läßt: Ein aufgeregtes Kind läßt man gerade schnell laufen, und ein lässiges Kind, ein denkfaules Kind zwingt man dazu, daß es langsam läuft in irgendwelchen Spielen und dergleichen. Also es handelt sich darum, daß man beim Anpassen des Spieles an die Individualität Gleiches mit Gleichem behandeln soll und nicht etwa mit dem Entgegengesetzten. Das wird denjenigen sehr weit führen, der in dieser Richtung wirklich danach strebt, die Kinder entsprechend zu behandeln.

En dan doe je het juiste wanneer je oog hebt voor het temperament; wanneer je bv. een heel druk kind echt zo veel mogelijk ingewikkeld speelgoed ter hand stelt en langzame kinderen zo veel mogelijk eenvoudig speelgoed. Wat het kind uit zichzelf doet is ook in latere jaren van bijzondere betekenis. Je kunt het kind ook zo volgen dat je het vlug of langzaam moet laten lopen. Een druk kind laat je juist vlug lopen, een langzaam kind, traag in het denken, probeer je ertoe te krijgen dat het langzaam loopt bij een of ander spel. Het gaat er dus om wanneer je het spel aanpast, je het aan de individualiteit aanpast, dat je het gelijke met het gelijke moet behandelen en niet met het tegenovergestelde. Dat zal degene die ernaar streeft  in deze richting de kinderen adequaat te behandelen, erg ver brengen.
GA 297/267-270
Op deze blog vertaald/267-270

*voor illustratie

.

Rudolf Steiner over spelalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Spelalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle beelden

.

2137-2006

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over spel (GA 34)

.

Zie de inleiding

GA 34

blz. 325  vert. 34

Man kann einem Kinde eine Puppe machen, indem man eine alte Serviette zu­sammenwindet, aus zwei Zipfeln Beine, aus zwei anderen Zip­feln Arme fabriziert, aus einem Knoten den Kopf, und dann mit Tintenklecksen Augen und Nase und Mund malt. Oder man kann eine sogenannte «schöne » Puppe mit echten Haaren und bemalten Wangen kaufen und sie dem Kinde geben. Es braucht hier gar nicht einmal davon gesprochen zu werden, daß diese Puppe natürlich doch scheußlich ist und den gesunden ästhetischen Sinn für Lebenszeit zu verderben geeignet ist. Die Haupterziehungsfrage dabei ist eine andere. Wenn das Kind die zusammengewickelte Serviette vor sich hat, so muß es sich aus seiner Phantasie heraus das ergänzen, was das Ding erst als Mensch erscheinen läßt. Diese Arbeit der Phantasie wirkt bildend auf die Formen des Gehirns. Dieses schließt sich auf, wie sich die Muskeln der Hand aufschließen durch die ihnen angemessene Arbeit. Erhält das Kind die sogenannte «schöne Puppe», so hat das Gehirn nichts mehr zu tun. Es ver­kümmert und verdorrt, statt sich aufzuschließen … Könnten die Menschen wie der Geisteswissenschafter hineinschauen in das sich in seinen Formen aufbauende Gehirn, sie würden si­cher ihren Kindern nur solche Spielzeuge geben, welche ge­eignet

Men kan voor een kind een pop fabriceren door een oud servet* zo te vouwen, dat men van twee slippen benen, van twee andere slippen armen en van een knoop het hoofd maakt, waarop men met inkt ogen, neus en mond te­kent. Of men kan een zogenaamd ‘mooie’ pop kopen met echt haar en een geverfd blosje op de wangen en die dan aan het kind geven. Allicht is het onnodig om hierbij op te merken, dat deze pop natuurlijk toch af­schuwelijk lelijk is en alleen maar deugt om de gezon­de schoonheidszin van het kind voor zijn gehele ver­dere leven te bederven. Voor de opvoeder valt het hoofdaccent hierbij nog op iets anders. Wanneer het kind het in elkaar gevouwen servet voor zich heeft, moet het door de kracht van zijn fantasie juist dat aanvullen, wat het ding pas op een mens doet lijken. Deze activiteit van de fantasie werkt vormgevend op de hersenen. Deze ontplooien zich, evenals de spieren van de hand zich ontplooien door arbeid, die bij hand­spieren past. Krijgt het kind de zogenaamd ‘mooie’ pop, dan hebben de hersenen niets meer te doen, zij verkommeren en verdorren in plaats van zich te ont­plooien … Konden de mensen evenals de geestesvorser een diepere waarneming hebben van de krachten, die het hersenorganisme in zijn vormen opbouwen, dan zouden ze zeker alleen zulk speelgoed aan hun kinderen geven, dat geschikt

blz. 326  vert. 35

sind, die Bildungstätigkeit des Gehirns lebendig anzu -regen. Alle Spielzeuge, welche nur aus toten mathematischen Formen bestehen, wirken verödend und ertötend auf die Bil -dungskräfte des Kindes, dagegen wirkt in der richtigen Art alles, was die Vorstellung des Lebendigen erregt. Unsere ma­terialistische Zeit bringt nur wenig gute Spielzeuge hervor. Was für ein gesundes Spielzeug ist zum Beispiel das, welches durch zwei verschiebbare Hölzer zwei Schmiede zeigt, die ein-ander zugekehrt einen Gegenstand behämmern. Man kann dergleichen noch auf dem Lande einkaufen. Sehr gut sind auch jene Bilderbücher, deren Figuren durch Fäden von unten ge­zogen werden können, so daß sich das Kind selbst das tote Bild in die Abbildung von Handlungen umsetzen kann. Das alles schafft innere Regsamkeit der Organe, und aus dieser Regsamkeit baut sich die richtige Form der Organe auf.

is om deze vormschep­pende activiteit in de hersens tot een levendige wer­king te brengen. Al het speelgoed, dat alleen uit leven­loze, mathematische vormen bestaat, werkt verdorrend en dodend op de vormende krachten van het kind, daarentegen werkt alles ten goede, wat de voorstelling van iets levends opwekt. Onze materialistische tijd le­vert maar weinig goed speelgoed. Hoe gezond is bij­voorbeeld het speeltuig, dat uit twee verschuifbare houtjes bestaat, waarop twee smeden**, naar elkaar toegekeerd, om beurten op een voorwerp hameren. Men kan iets dergelijks op het platteland nog wel ko­pen. Zeer goed zijn ook prentenboeken***, waarin de figuren door touwtjes onderaan bewogen kunnen wor­den, zodat het kind zelf het dode beeld schijnbaar tot leven wekt. Dat alles brengt inwendige activiteit in de organen en uit deze activiteit ontstaat de juiste orgaanvorm.
[1] GA 34-326
De opvoeding van het kind  [nadere info via fondslijst]

* of een lap:

lappenpop2504Poppelien

**dat kunnen ook andere figuren zijn:

beweegbaar speelgoedAnke-Usche Clausen: Plastisches Gestalten in Holz, Mellinger Verlag Stuttgart

beweegbaar speelgoed 2(Hiermee hebben onze kinderen gespeeld; na een grondige renovatie is het nu het trotse bezit van een van de kleinkinderen)

***
of beweegbare wandplaten:

beweebare wandplaat

Ockeloen, Beweegbare wandplaten, Christofoor

.

Rudolf Steiner over spel: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Spel: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: alle beelden

.

2136-2005

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over spel – inleiding

.
Pieter HA Witvliet
.

Rudolf Steiner over spel: inleiding
.

Fantasie – hersenonderzoek – bewustzijn

In Steiners pedagogische voordrachten, de GA-nummers 293 t/m 311 [1] (en nog in daarbuiten vallende voordrachten, vind je regelmatig zijn opvattingen over spel.

Eigenlijk gaat het steeds over ‘fantasie‘ en wat voor de ontwikkeling daarvan juist wél of juist minder of niet geschikt is.
En meestal over de ‘onaffe’ pop en de ‘kant-en-klare’ pop.

Zo ook in Steiners enige geschreven boekwerkje over opvoeding:

‘Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft 
GA 34/309
Vertaald    (niet in GA 302a, zoals vermeld)

Hierin brengt Steiner de ontwikkeling van de fantasie d.m.v. een pop die voor het kind ruimte laat er van alles bij te denken, deze activiteit in verband met de ontwikkeling van de hersenen.

Dat doet hij o.a. ook bij het vak handwerken en handenarbeid.

Modern hersenonderzoek

In deze tijd (anno nu) is er op het gebied van hersenonderzoek – breinwetenschap – een grote activiteit en derhalve veel onderzoeksresultaat.

Discussies zijn losgebarsten of ‘we ons brein zijn’ of juist ‘onze geest’, of we een vrije wil hebben of niet.
Wekelijks verschijnt er bv. hier wel een artikel waarom deze of gene handeling met kinderen goed of niet goed is voor de hersenontwikkeling.

Van Arie Bos verscheen: ‘Mijn brein denkt niet, ik wel

Op blz. 51 merkt hij op:

Het beeld dat opdoemt over het verband tussen hersenen en bewustzijn is het volgende:
‘het bewustzijn verandert de mogelijkheden van de hersenen met de bedoeling dat het brein, als instrument, het bewustzijn vervolgens weer deze mogelijkheden laat gebruiken. een eenmaal gemaakte verbinding stuurt gemakkelijker een gedachte of een gedrag een bepaalde kant op. Dat is wat leren inhoudt en het is ook het proces dat automatiseren van een vaardigheid mogelijk maakt. Bewustzijn en hersenen interacteren.’

Ik ben hier niet bezig met ‘bewijzen’, maar wel wil ik wijzen op deze buitengewoon interessante ontwikkeling:
Als bewustzijn en hersenen interacteren, wat doet fantasie – scheppend bewustzijn – dan met de hersenen. Wat doet karakteriseren(i.p.v. definiëren) dan met het brein.

Het zou mij niet verbazen wanneer er in de nabije toekomst uit steeds meer onderzoek naar voren gaat komen hoe de vele aspecten van het vrijeschoolonderwijs een bijzonder zinvolle interactie tussen bewustzijn en brein teweegbrengen.

[1] GA 293-311

Voor de vertalingenRudolf Steiner over pedagogiek

2135-2004

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 7 (7-3)

.
Tekens als <1 zijn ankers van verwijzingen vanuit andere artikelen.

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Enkele gedachten bij blz. 111 –  in de vertaling [1]

Aan de periferie

<1 Dat we – en met name het kind – aan de periferie van ons lichaam, in de zintuigen, voelend/willend en/of willend voelend leven, is nog wel te volgen.
Dat we het hier over iets hebben dat vanuit de ziel [denken, voelen, willen] wordt bekeken, en tegelijk ook, als we vanuit het geestelijk standpunt [wakker, dromen, slapen] redeneren, dat we te maken hebben met een bewustzijnstoestand die dromend/slapend is. 1>

Op zich is de laatste opmerking paradoxaal: wanneer we bij bewustzijn zijn, dromen en/of slapen we juist niet. Maar dat is slechts een oppervlakkige mening, zoals we al hebben kunnen zien: ook wanneer we (overdag) wakker, bij bewustzijn zijn, is er nog veel in ons, waar het bewustzijn geen toegang toe heeft, waar we dus niet wakker zijn, ergo waar we a.h.w. dromen en/of slapen.

Wetenschap

We komen in ons leven, vooral wanneer we iets studeren, voortdurend in aanraking met de wetenschap, met wetenschappelijke inzichten, standpunten. Binnen de wetenschap veranderen die – het tempo waarin, verschilt, maar – dat zeggen wetenschappers vaak – ‘alles is voorlopig’.
Dat is echter niet zoals ‘het publiek’ – wij – ermee omgaan. Wij nemen de uitkomsten van de wetenschap aan – het is wetenschap, of wetenschappelijk bewezen – en wij nemen de ‘geldigheidswaarde’ dus als ‘waarheid’ mee en baseren ons erop en vaak, zonder dat we weten, langer dan eigenlijk gerechtvaardigd is, omdat de wetenschap inmiddels al weer verder is.

Bewustzijn

Een nog altijd moeilijk te doorzien verschijnsel is ons bewustzijn.
Nog altijd weten we niet wat het is en hoe het tot stand komt.
Het is al in vele toonaarden bezongen; vele gezichts- en standpunten zijn verkondigd, maar telkens bleken die na verloop van tijd ‘voorlopig’ te zijn geweest.

De laatste tijd zijn het vooral de neurowetenschappen die, mogelijk gemaakt door de verfijnde apparatuur, precisieonderzoeken, tot conclusies komen die na verloop van tijd gaan gelden als de waarheid.

Laatst had ik het met iemand over ‘de’ puber die er moeite mee heeft, o.a. zijn kamer op te ruimen.
‘Maar dat konden we hem nu niet meer kwalijk nemen’, zei mijn gesprekspartner, want: ‘wetenschappelijk was komen vast te staan, dat de puber nog helemaal niet plannen kan, dus ook niet gepland opruimen.’

Hij had dat gelezen bij Dr. Eveline Crone in haar boekHet puberende brein‘, Zij beweert datde prefrontale cortex van pubers nog niet helemaal uitgerijpt is. En omdat deze betrokken is bij impulsbeheersing en planning, zou je zo kunnen verklaren waarom pubers hun huiswerk niet maken, en soms nodeloos risico’s nemen.’

Over wat ze in 2008 schreef, merkt ze in 2012 op: ‘Het ligt iets genuanceerder. Het idee van een onderontwikkelde prefrontale cortex is te simplistisch.’

Intussen beweerde mijn gesprekspartner in 2019 op basis van het boek uit 2008, hoe het dus zit met de puber.

Universiteitsprofessor Willem Koops, psychologie, is zeer kritisch t.a.v. de ‘puberprofessor’:
Uit een interview:
Waar Koops vooral over struikelt, is dat Crone in haar boek benadrukt dat in het puberbrein de prefrontale cortex nog niet uitontwikkeld is. Juist daardoor zouden pubers slecht kunnen plannen, en soms nodeloze risico’s nemen. Terwijl, schrijft hij, Crone vorig jaar zelf in een vakblad constateerde dat dit ‘populaire’ model te simpel is, en door huidige studies niet wordt gesteund.
En u vindt: een wetenschapper moet ideeën herroepen die in te simplistische vorm bij een breed publiek zijn blijven hangen?
“Je moet voorzichtig zijn. Dat vind ik. Mensen geloven graag dat wij ons brein zijn. Dat is geruststellend. Ouders van een puberend kind kunnen dan denken: ik kan er niks aan doen en hoef er niks aan te doen, want mijn kind heeft nu eenmaal een puberend brein. Het gaat vanzelf over.

“We merken het hier in Utrecht als psychologen en pedagogen met ouders bespreken hoe ze gedragsafwijkingen van hun kind tegemoet kunnen treden. ‘Heel mooi’, zeggen die ouders, ‘maar ik kan even helemaal niks, want mijn kind heeft een puberend brein.’ Die hebben dan de boekjes van Crone gelezen. Terwijl dus dat inzicht niet blijkt te kloppen! Ja, dan vind ik dat je als onderzoeker de plicht hebt mensen van dat idee af te helpen.”

“Mensen hebben de strekking van het boek zelf misschien ook wel erg versimpeld.”

“Maar juist als psycholoog moet je beseffen hoe gemakkelijk mensen je boek verkeerd kunnen begrijpen.”

Zenuwen

Ik reken mijzelf tot ‘de gewone mens’ en heb dus ook altijd gesproken over motorische en sensitieve zenuwen, zoals gangbaar gebruikelijk.
Wanneer je je verdiept in Steiners menskunde – en dat gebeurt in deze artikelen – krijg je te maken met zijn opvatting dat er geen onderscheid tussen gemaakt moet worden.
Hier werd al gewezen op enkele uitspraken over het denken en de functie(s) van de hersenen.

Waar wakker?

Wanneer Steiner op blz. 111 zijn beschouwingen over de gewaarwording min of meer afrondt, gaat hij van het slapend in de periferie over naar ‘van binnen gelegen’ als antwoord op: waar zijn we dan wakker.
In voordracht 6 was dat duidelijk: bij het denken, bij het kenproces.

Blz.  113       vert. 111

Sie sind also nicht nur im denkenden Erkennen voll wach, sondern Sie sind überhaupt nur im Inneren Ihres Leibes voll wach. An der Körperperipherie, an der Leibesoberfläche schlafen Sie auch fortwährend.

Wakker bent u dus niet alleen in het denkend kennen, u bent ook alleen maar in het binnenste van uw lichaam volledig wakker. Aan de periferie, aan de oppervlakte van uw lichaam slaapt u ook voortdurend.

Nu volgt er iets wat tegenstrijdig lijkt, in ieder geval snel voor verwarring kan zorgen: dat we ook in het hoofd slapen, terwijl we toch ervaren dat we daar het meest wakker zijn. Als je echter de hele zin overziet, gaat het hier over de slaapprocessen van de stofwisseling, van het bloed. En aangezien er ook stofwisseling plaatsvindt in de hersenen die ook van bloed worden voorzien, is dat het gedeelte dat evenals in de spieren, in het bloed slaapt. 

Was da in der Umgebung des Leibes oder, besser gesagt, an der Oberfläche des Leibes stattfindet, das findet in ähnlicher Weise auch statt im Kopf, und am stärksten findet es statt, je weiter wir in däs Innere des Menschen hineinkommen, in das Muskelhafte, das Bluthafte.

En wat er zich zo in de omgeving of, liever gezegd, aan de oppervlakte van het lichaam afspeelt, dat speelt zich op soortgelijke wijze ook af in het hoofd. Het sterkst is het hoe verder we binnen in de mens komen: in de spieren en het bloed.

Je zou die zin ook zo kunnen zeggen: 

Was da in der Umgebung des Leibes oder, besser gesagt, an der Oberfläche des Leibes stattfindet, findet am stärksten statt, je weiter wir in das Innere des Menschen hineinkommen, in das Muskelhafte, das Bluthafte. das findet in ähnlicher Weise auch statt im Kopf.

En wat er zich zo in de omgeving of, liever gezegd, aan de oppervlakte van het lichaam afspeelt, speelt zich het sterkst af naar mate we verder binnen in de mens komen, in de spieren en het bloed; dat vindt op soortgelijke manier plaats in het hoofd.

In de vertaling is daarmee rekening gehouden doorop soort gelijke wijze‘.

En dan volgt nog een kleine herhaling van wat al aan de orde is gekomen, m.n. in de 6e voordracht:

Da drinnen schläft der Mensch wiederum und träumt dabei. An der Oberfläche schläft und träumt der Mensch, und auch mehr gegen sein Inneres zu schläft er und träumt wiederum dabei. Daher bleibt in unserem Inneren dasjenige, was mehr seelisch-wollendes Fühlen, fühlendes Wollen ist, unser Wunschleben und so weiter wiederum in einem träumenden Schlaf.

Aan de oppervlakte slaapt en droomt de mens en ook meer in zijn binnenste. Daardoor bevindt ook het willend voelen, het voelend willen van de ziel, onze wensen en dergelijke, zich in ons innerlijk in een dromend slapen. Ook daar slaapt en droomt de mens.

Dus aan de periferie en inwendig in de organen voor groei en vernieuwing, in de kringloop van de sapstromen.

Dan volgt uiteraard de vraag:

Wo sind wir denn also nur voll wachend?

Waar hebben we dan wel een volledig waakbewustzijn?

In der Zwischenzone, wenn wir ganz wach sind.

In het tussengelegen gebied, althans wanneer we helemaal wakker zijn.

Dit tussengelegen gebied wordt later concreter beschreven. In de tekening worden ze ‘holle ruimten’ genoemd. Later wordt duidelijk dat dit ‘holle’, vanuit geestelijk standpunt, lege ruimten zijn: er is geen geest aanwezig.

Blz. 114  vert. 112

Sie sehen, wir gehen jetzt vom geistigen Gesichtspunkte aus, indem wir die Tatsachen des Wachens und des Schlafens auch räumlich auf den Menschen anwenden und dies auf seine Gestaltung beziehen, so daß wir uns sagen können: Der Mensch ist vom geistigen Gesichtspunkte angesehen so, daß er an seiner Oberfläche und in seinen Innenorganen schläft und nur in der Zwischenzone im Leben zwischen Geburt und Tod jetzt wirklich ganz wach sein kann.

U merkt dat we uitgaan van het geestelijk standpunt nu we de feiten van waken en slapen ook ruimtelijk op de mens toepassen en relateren aan zijn gestalte. Vanuit geestelijk standpunt is het dus zo dat de mens aan de oppervlakte en in zijn binnenste organen slaapt en alleen in het tussengelegen gebied werkelijk helemaal wakker kan zijn in dit leven tussen geboorte en dood.

Was für Organe sind denn in dieser Zwischenzone am meisten ausgebildet? 

Welke organen met name bevinden* zich in dit gebied?

*bevinden lijkt mij niet identiek aan ‘ausgebildet’ = gevormd, met een bepaald doel tot ontwikkeling gekomen. En hier nog wel ‘am meisten’ = het meest tot ontwikkeling gekomen (voor dit doel).

Dat Steiner eerst de hersenen noemt, is te begrijpen, en ook het ruggenmerg. Dat hij steeds ‘wakkerheid’ aan ‘zenuwen’ koppelt, ligt ook voor de hand. Maar voor mij niet letterlijk invoelbaar: ik voel geen wakkerheid in of bij mijn ruggenmerg. 
En dat geldt ook voor de zonnevlecht.

Diejenigen Organe, besonders im Kopfe, die wir die Nerven nennen, der Nervenapparat. Dieser Nervenapparat sendet seine Ausläufer in die äußere Oberflächenzone hinein und wieder in das Innere; da verlaufen die Nerven, und zwischendrinnen sind solche Mittelzonen wie das Gehirn, namentlich das Rückenmark, auch das Bauchmark.

Dat zijn – vooral in het hoofd – de organen die wij zenuwen noemen: het zenuwstelsel. De uitlopers van het zenuwstelsel lopen door tot in de buitenste lagen en ook weer naar binnen. Daar lopen de zenuwen en daartussen bevinden zich van die tussengebieden als de hersenen en met name ook het ruggenmerg en de zonnevlecht.

In het Duits staat niet ‘Sonnengeflecht’, maar Bauchmark.
De vraag is nu, is dat hetzelfde. Anatomieboeken spreken niet over ‘zonnevlecht’ en een letterlijke vertaling van Bauchmark naar buikmerg, i.t.t. rug(gen)merg vind je alleen in een bepaalde vorm aanwezig in lagere dieren (o.a. wormen). 
Sonnengeflecht is in deze verwijzing het vegetatieve zenuwstelsel, dat in het Nederlands dan weer autonoom zenuwstelsel heet. Het regelt een aantal onbewust verlopende functies.
Dat lijkt dus nog een onoverbrugbare tegenstelling: iets verloopt onbewust en toch zouden we daar de grootste wakkerheid hebben.

In GA 137 spreekt Steiner ook over deze drie plaatsen en in deze tekst wordt de tegenstelling overbrugd:

Denken Sie einmal, daß das wesentliche Organ des Kopfes, was Sie ja sehr leicht einsehen werden, das Gehirn ist. Der Mensch hat aber noch etwas, was dem Gehirn sehr ähnlich ist und was nur, ich möchte sagen, um etwas scheinbar Geringes, aber sehr Bedeutungsvolles von dem Kopfgehirn sich unterscheidet. Der Mensch hat tatsächlich etwas wie ein zweites Gehirn. Das ist das Rückenmarksgehirn, das Rückenmark, das im Rückgrat eingeschlossen ist. Fassen Sie einmal diesen Gedanken ins Auge. Nehmen wir an, wir haben es zu tun mit diesem eigentümlichen Rückenmark, das wir eigentlich bloß als ein stabförmiges, in die Länge gezogenes dünnes Gehirn empfinden können, wie wir anderseits auch das Gehirn empfinden können als ein Rückenmark, das in entsprechender Weise aufgeblasen ist. 

Denk je eens in dat het wezenlijke orgaan van het hoofd, dat zal u zeker makkelijk kunnen inzien, de hersenen zijn. De mens heeft echter nog iets wat zeer op de hersenen lijkt en wat zich alleen maar schijnbaar weinig, maar zeer belangrijk onderscheidt van de hersenen. De mens heeft inderdaad zoiets als een tweede brein. Dat is het ruggenmerg(brein), het ruggenmerg, dat in de ruggengraat ligt. Zie die gedachte eens onder ogen. We nemen aan dat we te maken hebben met dit bijzondere ruggenmerg, dat we eigenlijk alleen maar als een staafvormig, in de lengte getrokken, dun brein kunnen beleven en hoe we op een andere manier ook de hersenen kunnen ervaren als een ruggenmerg dat op een adequate manier opgeblazen is.

Sie wissen alle, daß sich im Menschen noch ein von den beiden anderen Nervensystemen, dem Gehirnsystem und dem Rückenmarksystem getrenntes Nervensystem befindet, das Gangliensystem, das Sonnengeflecht genannt, das sich im unteren Teile des Menschen ausbreitet und seine Stränge, parallel dem Rückenmark, nach oben schickt. Das ist ein von den übrigen genannten gesondertes Nervensystem, das heißt, dem richtigen Gehirn gegenüber betrachtet, ein besonderes, unausgebildetes Gehirn.

U weet allen dat er in de mens nog een zenuwsysteem zit dat van de andere twee systemen gescheiden is, van de hersenen en het ruggenmerg; het ganglionsysteem, zonnevlecht genoemd, dat zich onder in de mens uitstrekt en de strengen lopen parallel aan het ruggenmerg naar boven. Dit is een van de overig genoemde afzonderlijke zenuwsystemen, d.w.z. t.o.v. de hersenen een bijzonder onvolkomen brein.

Mit diesem Sonnengeflecht stehen im wesentlichen Zusammenhange – und das ist etwas, worüber die äußere Wissenschaft nicht so leicht in Klarheit kommen kann – die Nieren und das Nierensystem. So wie die Substanzmasse des Gehirns mit den Nervenverbindungssträngen zusammengehört, so gehören die Nieren zusammen mit dem Bauchgehirn, dem Sonnengeflecht. Tatsächlich sind Sonnengeflecht und Nieren zusammen eine besondere Art von untergeordnetem Gehirn.

Met deze zonnevlecht staan in een wezenlijke samenhang – en daarover kan de uiterlijke wetenschap niet zo makkelijk helderheid verschaffen – de nieren en het niersysteem. Zoals de substantiële hersenmassa bij de zenuwverbindingen hoort, staan de nieren in samenhang met de buikhersenen, de zonnevlecht. In feite zijn de zonnevlecht en de nieren samen een bijzondere vorm van hersenen die ondergeschikt zijn.
GA 137/117
Niet vertaald

Deze mededeling maakt begrijpelijker dat we ook in ons inwendige, plaatsen hebben met wakkerheid:

Blz. 115  vert. 117

Da ist uns Gelegenheit gegeben, so eigentlich recht wach zu sein. Wo die Nerven am meisten ausgebildet sind, da sind wir am meisten wach.

Op die plaatsen is ons de mogelijkheid gegeven werkelijk wakker te zijn. Daar waar de zenuwen het meest ontwikkeld zijn, zijn we het meest wakker. 

Nu volgt er een stukje tekst dat ons aan de inhoud van stof uit de 2e voordracht doet herinneren: de tegenstelling zenuw-bloed. Hier krijgen we daarover andere mededelingen, want hier worden ze bekeken vanuit een geestelijk standpunt.
Zie daarvoor [7-4]

.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 7: alle artikelen 

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2134-2003

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (78)

.

juf naomi

Juf Naomi gaat weg. Juf Naomi???

Ja, juf Naomi, die regelmatig een onderwijscolumn schrijft in Trouw.

Ze gaat niet weg bij de krant, wel bij de school waar ze werkt, maar ze blijft behouden voor het onderwijs: ze gaat alleen ergens anders lesgeven.

Ik vind het fijn dat juf Naomi nog even blijft (schrijven).

Ik genoot bv. van haar rechttoe rechtaan standpunt over de Citotoets

Eigenlijk vind ik het jammer dat ze geen vrijeschooljuf is, al heeft ‘onzeIngrid Busink gelukkig ook een duidelijke mening. (En zij is niet de enige, natuurlijk, maar de anderen blijven zo anoniem)

Hoe mooi zou het zijn als er op de vrijescholen vele ‘Naomi Smits’ ‘ zouden werken of dat het bestuur van de Vereniging voor vrijescholen uit Naomi Smits’ ‘zou bestaan.

Want dan hoorden we veel krachtiger de aanhef van haar column van 8 januari 2020:

DEN HAAG BEPAALT NIET WAT IK IN MIJN KLAS DOE

M.a.w.: dit is de vrijheid van INrichting, het ‘vrije’ in ‘vrijeschool’.

Juf Naomi verkondigt hier een echte (vrijeschool)onderwijsvisie:

Maar denkt u nou echt dat we van de regerende partijen binnen nu en afzienbare tijd concrete hulp krijgen? Denk het niet. En daarom moeten we de koe zelf bij de horens vatten, in plaats van de pijlen op de Hofstad te richten. Van de besluiten en besluiteloosheid des kabinets word je immers niet vrolijk, maar van je leerlingen wel.

Lesgeven, onderwijs vormgeven en leerlingen een stapje verder helpen in hun ontwikkeling; dat is wat wij leerkrachten het liefst doen. Dat is ons vak. Maar om het beste onderwijs te bieden moet je als leerkracht eerst in de spiegel kijken en antwoord geven op de volgende vragen: hoe ga jij dit jaar het onderwijs vormgeven? Wie of wat inspireert je? Hoe druk je die ratrace de kop in? Hoe krijg je de focus terug op wat echt belangrijk is? Hoe houd je plezier in je werk en blijf je gezond? Waarom ben je les gaan geven en hoe zorg jij ervoor dat je dit nog vele jaren met plezier gaat doen?

Laat juf Naomi nog maar even blijven!
..

Opspattend grind: alle artikelen

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: alle beelden

.

2133-2002

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-8)

.
In deze rubriek ‘opvoedingsvragen nr. 19’ gaat het om de invloed van tv op kinderen.
Ik krijg de indruk dat we er weinig bij stilstaan.
Jaren geleden hoorde je meer over ‘tv en agressie’ enz.
Uit dat verleden staan op deze blog verschillende artikelen.

Maar niet alleen uit die oude artikelen blijkt dat er negatieve invloed kan zijn.
Van veel recenter datum is bv. dit of dit

Op 08-01-2020  stond in Trouw dit bericht:

Sommige films zijn tóch te eng voor twaalfjarigen

Kijkwijzer maakt de leeftijdscategorieën voor films, series en tv-programma’s nog preciezer, de leeftijden 14 en 18 worden toegevoegd.

Heftige geweldfilms, heftige porno: tot nog toe werden ze geschikt geacht voor 16 jaar en ouder. Maar vanaf deze week is er ook een Kijkwijzer voor 18-plus. Zestienjarigen zijn nog erg beïnvloedbaar, zegt het Nicam, het instituut achter de Kijkwijzer. Bij hen kunnen extreme beelden leiden tot agressie of verhoogde tolerantie van geweld tegen vrouwen.

Tot kort werkte de Kijkwijzer met de vijf adviezen ‘alle leeftijden’, 6,9,12 en 16 jaar. Daar komen er nu twee bij: die voor 18 jaar en eentje voor 14 jaar. Die laatste grens geldt vooral voor films waarin de personages seks hebben terwijl ze dronken of onder invloed van drugs zijn, zonder dat wordt getoond welke negatieve gevolgen die combinatie kan hebben. Al bestaande films en series krijgen geen nieuwe leeftijdslabels, programma’s die vanaf deze week verschijnen wel.

Ook enge scènes hebben een grote impact op opgroeiende kinderen. De sciencefictionfilm ‘The Maze Runner’ uit 2014 zou het label 14+ krijgen als het dit jaar zou verschijnen. Zes jaar geleden zei de Kijkwijzer dat de film geschikt was voor tieners vanaf 12 jaar. The Maze Runner gaat over een tiener met geheugenverlies die wakker wordt in een bewegend doolhof waar reusachtige insecten wonen. Samen met een groep andere tieners moet hij uit het labyrint ontsnappen.

“De film speelt zich af in een totaal andere wereld en dat stelt kinderen gerust bij enge scènes. Ze weten dat wat ze zien, niet echt kan gebeuren”, zegt Tiffany van Stormbroek van de Kijkwijzer. Uit onderzoek blijkt dat kinderen het verschil tussen echt en nep wel zien, maar ze vergeten tijdens het verwerken van de beelden dat het monster niet bestaat.

De Kijkwijzer is alleen een richtlijn en die kunnen ouders en kinderen gewoon naast zich neerleggen. Toch blijkt dat ouders én tieners er prijs op stellen, zegt Van Stormbroek. Ook omdat ze gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderzoek. Zo blijkt uit diverse studies:

= dat kinderen die te jong aan geweld op tv worden blootgesteld ongevoeliger kunnen worden voor geweld,

= het mogelijk sneller zelf gaan gebruiken

=er angstiger door kunnen worden.

Ouders kunnen zelf het beste inschatten hoeveel geweld hun kinderen aankunnen. De specifiekere adviezen maken het alleen makkelijker om een beslissing te nemen.”

Ook wordt het duidelijker hoe Kijkwijzeradviezen tot stand komen en waarom een specifieke film of serie deze aanbeveling krijgt. Het soort geweld dat te zien is, krijgt een uitgebreidere toelichting op de website van de Kijkwijzer. Zo kunnen kijkers opzoeken of zelfmoord of dierengeweld voorkomt in een bepaalde film. Momenteel is deze informatie alleen beschikbaar voor nieuwe bioscoopfilms, straks ook voor tv-programma’s, dvd’s en streamingsdiensten als NPO Start.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

2132-2001

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Het leerplan – Caroline von Heydebrand (10e klas)

.

Kort na het overlijden van Rudolf Steiner in maart 1925 verscheen voor de eerste keer een schriftelijke weergave van het leerplan van de vrijeschool.
Die werd samengesteld door Caroline von Heydebrand die vanaf het begin in 1919 aan de vrijeschool in Stuttgart was verbonden. Zij had ook de begincursus – GA 293294 en 295 – bijgewoond en de vele lerarenvergaderingen met Rudolf Steiner (GA 300abc). 
In de jaren 1919 – 1925 tekenden zich de contouren van een leerplan af dat nadien in grote lijnen hetzelfde is gebleven.
Dat betekent echter niet dat het ‘achterhaald’ zou zijn. In velerlei opzichten zijn de ideeën nog altijd even verfrissend en laten ruimte voor ontwikkeling.

Caroline von Heydebrand, Mitteilungsblatt, okt. 1925
.

DE JONGE MENS NA DE PUBERTEIT

De volledig ontwaakte denkkracht van de jonge mens en het vermogen te oordelen vraagt om voeding en om mogelijkheden ze te gebruiken in opgaven die door verstand en logica te benutten op te lossen zijn. De verhouding die de jonge mens nu bewust en zelfstandig met zijn omgeving wil krijgen, vraagt om voortdurend contact met het praktische leven en met de verworvenheden van de moderne techniek. Zijn rijke en turbulente gevoelsleven dat de jongen nog meer verbergt dan het meisje, verlangt naar impulsen vanuit serieuze mensheidsproblemen die aan de orde moeten worden gesteld en veelzijdig moeten worden belicht, omdat iedere eenzijdigheid naar zijpaden leidt. Bij de vele moeilijkheden en morele remmingen van deze aan raadsels, wonderen en verrassingen zo rijke leeftijd waarin het bewustzijn langzamerhand heer en meester wil worden over de overrompelende gevoelswereld, helpt het eigen kunstzinnig bezigzijn en het werken met de handen, maar ook de door fantasie, enthousiasme en kunstzinnig gevoel doordrongen lessen van de leraar. De jonge mens volgt nu niet alleen meer de autoriteit van de leraar die hem door de acht jaar basisschool heen heeft geleid, maar hij krijgt nu les van een aantal vakleraren waaruit hij nu zelf zijn favoriete leraar kiest. Wat voor hem voordien mooi of lelijk was, goed of verkeerd, nam hij als wet voor zijn handelen aan van de leerkracht; nu gaat hij ertoe over te handelen uit plichtsbesef en gaat op weg naar de vrijheid waarbij plicht betekent: ‘houden van datgene wat je jezelf oplegt.’

10e klas

Aardrijkskunde

De aarde wordt als morfologisch en fysisch geheel beschreven

Biologie

In de antropologie worden organen en orgaanactiviteit behandeld in samenhang met het gevoel en het denken. Vanuit de mens als individueel wezen verder gaan naar de etnografie. Bovendien komt de mineralogie en kristallogie aan de orde. Dit deel van het onderwijs gaat samen met de aardrijkskunde die de aarde als een morfologisch geheel beschrijft. Zo wordt er bv. bij het mineraal-geologische gesproken over de kalk: wat de kalk als proces op de hele aarde en ook in het menselijk en dierlijk organisme als schaal- en botvorming betekent, hoe de mens echter, om niet zo te verharden als het dier, dit verhardende, natuurlijke dierlijke kalkproces tot op zekere hoogte moet overwinnen. Ook over de metalen wordt naast een precieze beschrijving van hun voorkomen en chemische verhoudingen, waar ze aardrijkskundig voorkomen en ook de werking in het menselijk organisme, gesproken. 

E.H.B.O.

De leerlingen doen praktische oefeningen in verbinden en leren te helpen in geval van ongelukken. 

Euritmie 

De metriek en poëzie die bij taal aan de orde kwamen, kunnen ook euritmisch doorgewerkt worden vanuit verschillende invalshoeken. Die kunnen bv. zo gekozen worden, dat naast de opbouw van een gedicht, ook de inhoud aan de orde komt, al naar gelang of er gedachten, gevoelens of wilsimpulsen tot uitdrukking komen. Ook deze drieheid kan weer op velerlei manieren ingedeeld zijn en daardoor de grootte en richting van de gebaren bepalen. De zgn. dionysische vormen die de gevoelsinhoud van gedichten met de daarbij behorende ruimtelijke vormen tot uitdrukking brengen, kunnen langs de weg van een nieuwe kennismaking aan de leerlingen worden gegeven. Verder worden de verschillende rijmvormen, bv. ook de opbouw van een sonnet enz., door groepsbeweging in de ruimte beoefend.
Grotere gedichten waarvoor Rudolf Steiner zelf nog de ruimtevormen heeft gegeven, worden door de leerlingen uitgevoerd. Dergelijke oefeningen beslaan de tijd van de drie hoogste klassen. O.a. wordt geoefend aan ‘Harzreise’ van Goethe, ‘Meine Göttin’, van Goethe en de twaalf  ‘Urtriebe’ van Ferder von Steinwand.

Bij de tooneuritmie wordt verder gegaan met wat al geleerd is.

Geschiedenis

De oudste geschiedenis van het Morgenland tot de Griekse, tot de overgang van de Griekse vrijheid door Alexander de Grote, wordt doorgenomen. Als uitgangspunt om over geschiedenis na te denken, neem je de afhankelijkheid van de volkeren op aarde van de klimaten van de warme of gematigde zones enz. Je bespreekt bv. hoe een volk verandert wanneer het van de bergen in  het dal gaat wonen, maar alles historisch, niet aardrijkskundig.

Gymnastiek

Met de toestellen: Duitse gymnastiek

Verder werken aan de reeks oefeningen waarmee in de achtste en negende klas werd begonnen. Nieuw: de ontwikkeling van lopen naar een doel de hoogte in. De hoogte in de richting brengen.
Eenmalig springen met verschillende ritmen. Speer- en discuswerpen.

Handenarbeid

Wordt voortgezet, verder ontwikkeld naar iets wat kunstzinnig op zich staat.

Handwerken

Voor de tiende klas geldt hetzelfde als voor de negende.
Heel principieel voor alle klassen kan hier toegevoegd worden dat de leerlingen alleen zulk werk maken dat een bepaald doel dient. Zgn. ‘atelierwerk’ bv. het versieren van lappen ter wille van het versieren, moet worden vermeden. De leerlingen moeten gestimuleerd worden om werk te maken dat concreet ergens voor iets gebruikt kan worden. Er moet naar gekeken worden dat vorm en kleur van het te vervaardigen product, steeds in overeenstemming zijn met het doel. ja erdoor bepaald worden. Voorbeeld: een theemuts. Er  moet veel rood worden gebruikt, zodat alleen al door de kleur, het gevoel van warmte opgeroepen wordt. De versiering moet zo opgebracht worden, dat het open-zijn naar onderen, tot uitdrukking komt, enz. 

Kunstonderwijs

Het kunstonderwijs behandelt nu kunstzinnig-esthetische zaken uit het rijk van de dichter. Het woord moet nu als kunstelement in zijn eigen wereld begrepen worden. De totaal verschillende wereld van verzentaal en proza kan als uitgangspunt genomen worden om duidelijk te maken hoe de dichter door de kunstzinnige mogelijkheden van zijn taal op een heel andere manier dan de theoreticus de spreekbuis kan zijn voor de zielenstrijd van zijn tijd om de toekomst.
Sprekend  moet de leerling dichterlijke taal leren begrijpen, de diepere vormkracht daarvan heeft hij al lang door de objectieve werking van de euritmie onbewust leren  kennen. Daartoe worden voorbereidend praktische oefeningen gedaan die Rudolf Steiner voor de school heeft gegeven en die ook al in de lagere klassen zijn gedaan. Zo kan – opnieuw niet theoretisch – een gevoel voor de elementen van de dichtkunst ontstaan. Er wordt geprobeerd de kunstzinnige taal te verheffen boven het alleen maar communicatiemiddel voor voorstellingen te laten zijn en er weer iets van te maken dat op zichzelf staat, een eigen leven heeft.
Aansluitend bij het beleven van de ritmen in de euritmie worden de grondbeginselen van de metriek tot bewustzijn gebracht. Het verschil tussen de kunst in het noorden en zuiden treedt opnieuw aan het licht in de tegenstellingen van de manier van reciteren (hexameter – epos) en declamatie (alliteratie – lyriek enz), die beide sprekend geleerd moeten worden. De verwantschap van stijl bij Homerus en Rafael, in de Edda en bij o.a. Dürer, Grünewald of Rembrandt, enz. moet beleefd worden. Zo kan er praktisch begonnen worden met een ontwikkeling voor stijlgevoel. De tegenstelling van een apollinische en dionysische levenshouding komt daarbij ook aan het licht.
Door voorbeelden kan de lyriek van Goethe tot een kunstzinnig beeld worden van een moderne weg van het lot. Hierbij moet geprobeerd worden om uit de pure kunstzinnigheid van de taal van Goethe het grote zelfstandig worden van dit leven op een paar punten ‘luisterend begrijpend’ te volgen. Het gaat hier dus niet om literatuurgeschiedenis, maar om te horen hoe Goethe door de taal van zijn lyriek de ontwikkeling van zijn gevoel laat zien.

Muziek

Zie de 9e klas.

Natuurkunde

Je behandelt de mechanica, de eenvoudige machine enz. tot aan de schuine worp en toont het samengaan van de werpboog met de wiskundige parabool.

Niet-Nederlandse taal

Frans en Engels:

Op de voorgrond staat metriek met poëtische leesstukken. Bijzondere aandacht voor reciteren van gedichten, gezamenlijk en individueel.

Latijn en Grieks

In het Latijn wordt de systematische behandeling van de syntax voortgezet. Keuzestukken lezen uit Ovidius en de Aeneas van Vergilius, daarnaast als proza Sallustrius en iets makkelijks van Cicero, bv. Somnium Scipionis, het lezen daarvan is geschikt als inleiding tot het klassieke wereldbeeld of de vierde rede tegen Verres over de roof van kunstschatten waarbij je kan aanknopen voor een behandeling van antieke beeldhouwkunst. 
In het Grieks begint de syntax met de leer van de naamvallen. Zinvolle leesstukken van schrijvers, te beginnen met geschikte stukken van Xenofoon van Athene en de Odyssee van Homeres. Een zeer stimulerende oefening voor de grammatica bieden zo af en toe de vertalingen van Xenofoon in het Latijn.
In het algemeen is het leerdoel van de beginnende bovenbouw na te streven wat de moeilijkheidsgraad betreft, bij het begrijpen van de eigen stilistische aard van een Tacitus en een Thukydes. Rudolf Steiner raadde ook van tijd tot tijd geschikte leesstukken aan van middeleeuwse schrijvers.

Scheikunde

Zuren, basen en zouten worden besproken. Aan de hand van deze leidraad worden de chemische verschijnselen ontwikkeld en wel zo dat ze tegelijk voor het levend organisme geschetst worden. Zuren en basen bv., blijven dode begrippen, zolang de leerling niet gewaar wordt, dat deze tegenstelling in heel de natuur actief is, vooral in plant, dier en mens. Zo wordt er vanuit het beschrijven van de zo verschillende zuren en logen in zuiver organisch-chemische zin, overgegaan naar het begrijpen van hoe dergelijke tegenstellingen in de dieren, bv. in de bijen, in het zure voedingssap en het alkalische bloedsap aanwezig zijn. 

Taal

In de 1oe klas krijgt de leerling door het literatuuronderwijs een belangrijk probleem van de mensheid voorgeschoteld. Hij kan beleven dat er ook in zijn  ziel leeft waarmee de mensheid worstelt. De raadsels van zijn binnenwereld worden verhelderd in het licht van het wereldgebeuren. Het Nibelungenlied en het Gudrungedicht worden in de Middelhoogduitse taal doorgenomen. De kunstzinnige volkseigen betekenis van de werken wordt besproken. Een vergelijking met de Edda  legt belangrijke verschillen bloot. De leerlingen beleven aan deze drie dichtwerken de overgang van de mensheid van de niet-individuele liefde binnen de bloedverwantschap naar de individuele liefde, van de opvatting over bovenmenselijke wezens naar de wezens op aarde, van het heidendom naar het christendom. Door de vergelijking van de Middelhoogduitse taal met de Nieuwhoogduitse taal en grammatica is er stof voor het karakteriseren van de ontwikkeling van het eigen volk. Een samenvattend geheel van metrum en dichtkunst n.a.v. sprekende gedichten legt de basis, ook op de vorm van gedichten in te kunnen gaan. Aanknopend aan de literatuur wordt de oudste Germaanse geschiedenis behandeld. 

Technologie

Hier worden als verplicht vak nieuwe terreinen van praktisch werk ingevoerd:
spinnen: de leerlingen leren spinnen tot aan het maken van de juiste draad. In samenhang met het ontwikkelen van deze vaardigheid, worden de in de industrie gebruikte materialen voor draden besproken. De leerlingen moeten een industrieel proces op grond van de kennis en het gebruik van heel eenvoudige machines, zoals het spinnenwiel en het weefgetouw, leren kennen. Het weven wordt uitgelegd aan weefmodellen en bekeken in spin- en weefbedrijven.

Tuinbouw

Verdergaan met het werk in de praktijk in de zomertijd. In de winter een periode theorie: kennis van bodem en mest, verzorging van fruitbomen en snoeien. In het voorjaar praktische vorming bij manieren van veredeling.

Veldmeten en technische mechanica

De leerlingen leren op een stuk grond alle elementaire opgaven uitvoeren die bij het veldmeten horen. 
Bij de beginnende kennismaking van de technische mechanica worden de schroeven uitgebreid behandeld.

Wiskunde

Bespreking van rekenkundige en meetkundige reeksen. Beginnen met de leer van de logaritmen en het rekenen met logaritmen. Behandeling van de trigonometrische functies en de vlakke trigonometrie tot het verklaren van niet-rechthoekige driehoeken. Inleiding in de projectieve meetkunde.

Beschrijvende meetkunde en meetkundig tekenen:

Verder met de beschrijvende meetkunde tot eenvoudige opgaven van voorwerpen die elkaar doorsnijden.

.

Het leerplan: alle artikelen

2131-2000

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-6)

.

Annet Schukking, Jonas, 14e jrg. nr. 8/9
.

de binnenkant van de continue beweging

Zon, maan en sterren

Hoog aan de hemel staan zon, maan en sterren. Hun plaats is ver, hun werking dichtbij: zonder hun aanwezigheid is leven op aarde onmogelijk.
Wat zien we als we de blik omhoog richten?

Kort geleden is het me weer eens overkomen: een simpele, algemeen bekende ervaring. Je zit in een wachtende trein, kijkt uit het raam en je ziet, je voelt zelfs dat hij gaat rijden. Je kijkt uit een ander raam en hij blijkt nog stil te staan. Wat gebeurt er? Het is een passerende trein langs het ene raam die de gewaarwording van eigen beweging teweeg brengt. Door het andere raam zie je de omgeving die op zijn plaats blijft en je concludeert daaruit dat je zelf ook nog stil staat. Het is een ondervonden en toch telkens weer verrassend verschijnsel.

Toch is dat een verschijnsel dat we allemaal op een andere manier heel goed kennen en iedere dag weer opnieuw ervaren. Niet bepaald op een station dus, maar bijvoorbeeld wandelend over het strand of misschien wel vanuit het raam van ons eigen huis, overdag of ’s nachts, het geeft eigenlijk niet wanneer of waar. Het gaat om een continue beweging die ons omgeeft, een beweging die ook als je je er geen rekenschap van geeft, van existentiële invloed is op het leven van mens, plant, dier en aarde. Dat is de beweging of beter gezegd: de bewegingen van zon, maan en sterren.

We kijken naar de hemel en zien zon, maan en sterren een boog van oost naar west beschrijven. We spreken van opkomende en ondergaande zon. Toch leert de astronomie ons, dat het de aarde is die beweegt en de zon die stil staat. Maar wie beleeft het zo? Geen mens die ooit zegt of ervaart: we draaien van de zon af. Wat is waar?

Middelpunt

Lange tijd stond voor de mensheid vast: de aarde staat stil in het middelpunt van het heelal en het hele uitspansel draait er omheen. En het is bekend dat het een enorme revolutie voor wetenschap en wereldbeschouwing geweest is en er mensen voor op de brandstapel zijn gebracht, toen de gedachte opkwam dat het ook andersom kon zijn: dat het de aarde was die ronddraaide en dat het heelal onbeweeglijk was.
Voor de waarneming en de beleving veranderde er niets, maar voor het denken werd alles anders. De aarde met zijn bewoners was niet langer het centrum van het heelal – en dus belangrijk! – maar de aarde werd een ding, een rondtollende grote bal en in het geheel van de kosmos zelfs een nietig balletje, een van de vele. De astronomische opvatting van de oudheid: de planeten verbonden met goden, de sterrenbeelden uitdrukking van kosmische krachten, kon zich in het nieuwe wereldbeeld niet lang meer staande houden en werd geleidelijk vervangen door het beeld van een mechanisme, een onmetelijk groot uurwerk, geheel onderworpen aan wetten van zwaartekracht, aan centrifugale en centripetale krachten, enzovoort.

Ieder tijdperk draagt de sporen van het zich verder inboren in de kennis, het meest recente is die van de kennis van de materie. Zo veranderde bijvoorbeeld de voorstelling van de zon in de laatste ongeveer 150 jaar van enorme kolenhaard via gasballon tot kernreactor. Ook de mens werd eerst tot machine, daarna tot elektrische centrale, nu tot elektronisch boodschappencomplex gebombardeerd. Hoewel alles denkbaar is, gedacht kan worden, in modellen gebracht en in techniek toegepast, lukt het de meeste mensen niet gevoelsmatig zich te verbinden met deze uitgedachte voorstelling van zaken. Want is eigenlijk het idee dat de stad Amsterdam ieder etmaal 24.626 kilometer aflegt (de lengte van de 52e breedtegraad) niet even absurd als het ronddraaien van de sterrenhemel om de aarde? Wat een mens beleeft is, dat niet de zon, zelfs niet de aarde, maar dat hij zelf het middelpunt is van zijn eigen leefwereld.

Fictie

Er is dus een kloof ontstaan tussen wetenschap en beleving. Wie de aarde als een balletje wil zien moet zich voorstellingsmatig eerst buiten de aarde verplaatsen en daarmee zijn normale werkelijkheidbeleven uitdoven. Hij vormt zich een fictief model van ons zonnestelsel. Dit model blijkt dan later, na terugkeer in het dagelijks leven, te kloppen, met de zintuiglijke waarnemingen. Het is een soort spel dat heel fascinerend is, dit wegdromen in een fictieve wereld, dat je helemaal in de greep kan krijgen, zeker als het de bevrediging geeft de wetten van de natuur en de kosmos op het spoor te zijn en daar steeds verder in te kunnen doordringen. Fictie schijnt tot weten te leiden.

Zo werd de natuurwetenschap geboren, groeide snel en voorspoedig en is een eigen leven gaan leiden. Deze nieuwgeborene blijkt dan na verloop van tijd zich als een aanvankelijk kleine, later grotere potentaat te ontpoppen. Dat wil zeggen: mensen gaan er zo mee om. Triomfen leiden vaak tot dictatuur en onverdraagzaamheid. De nieuwe wetenschap usurpeert in betrekkelijk korte tijd alle gebieden van het. leven en zet zichzelf de keizerskroon op. En merkt niet dat abstracte denkmodellen dan wel op het gebied van de levenloze ‘natuur’ bruikbaar zijn, maar niet van toepassing op leven en beleven. Dus blijft toch:

De zonne gaat op,
de zonne gaat neer,
de zonne gaat op en gaat onder.
Standvastiglijk heen,
standvastiglijk weer,
standvastiglijk werkt zij dat wonder.                              

Wat voor model de astronomie ook van het zonnestelsel vermag uit te denken – zelfs voor de belevingswereld van ‘hooggeleerden’ zal het bovenstaande simpele gedichtje van Guido Gezelle een onweerlegbare ervaring zijn.

Is er dan misschien iets voor te zeggen om deze ervaring ook serieus te nemen en je af te vragen wat die je te zeggen kan hebben?
Je kunt er dan op komen dat er een soort muzikaal-creatieve relatie is tussen de aarde en de zon en tussen aarde, maan en zon in samenhang met de zich nog verder verwijdende omgeving van de overige planeten en de vaste sterren. Niet alleen dat de zon een onontbeerlijke bron van licht en warmte is en dat de aarde met zoveel sferen omhuld is, dat deze warmte en dit licht in een milde en gespreide intensiteit de daar levende wezens bereikt en zodoende wel voedend maar niet vernietigend werkt, maar ook is er een opvallende relatie tussen de ritmen van zon, aarde en. mens.

Daar is om te beginnen het dag- en nachtritme. Een ritme dat behalve met waken en slapen ook samenhangt met onze spijsvertering. Onze spijsvertering heeft een etmaalritme – we voelen ons wel bij een dagelijks terugkerend ritme van bepaalde maaltijden. Dan is er het jaarritme: de jaarlijks terugkerende afwisseling van de seizoenen en de daarmee samenhangende opeenvolging van kiemen, groeien en rijpen van de gewassen. Maar er zijn nog fijnere, minder opvallende relatie-ritmen. Zo verschuift geleidelijk het lentepunt, de plaats waar de zon aan het begin van de lente opkomt, ten opzichte van de vaste sterren en wel zo dat dit lentepunt in 25920 jaar de hele dierenriem doorloopt. Deze periode, het zogenaamde Platonisch wereldjaar, kun je evenals het aardejaar onderverdelen in dagen, ‘werelddagen’ en daarbij vind je opvallende overeenkomsten met het menselijk ritmisch systeem. Zo verhoudt zich het wereldjaar tot het aardejaar als een aardejaar tot de menselijke ademhaling. Een mens haalt gemiddeld 18 x per minuut adem (in- en uitademing), dat is per etmaal 18 x 60 x 24 is 25920 maal. Maar ook is een werelddag 1/365 van 25920 jaar is ruim 71 jaar, een mensenleven globaal genomen.

In het grote ritme van de verschuiving van het lentepunt door de dierenriem vind je de grote cultuurperioden terug: een Stiercultuur, een Ramcultuur, het tijdperk van de Vissen (waarin wij nu leven) en over enkele eeuwen zullen we het Watermantijdperk ingaan. Elk tijdperk heeft een eigen karakter en maakt daardoor nieuwe ontwikkelingen in de mensheidsgeschiedenis mogelijk. Iets anders, waar je gewoonlijk ook niet bij stilstaat, maar dat eigenlijk meer dan verbazingwekkend is, is hoe de mens is toegerust om op aarde te kunnen leven door te beschikken over zo’n verfijnd instrument als het fysieke lichaam. Dit fysieke lichaam is op zichzelf al een dermate complex kunstwerk dat er jaren van studie nodig zijn om het in grote lijnen in kaart te brengen. Maar nog verbazingwekkender is het dat dit lichaam een onzichtbare mens herbergt, een ziel en een geestwezen, en dat in zoveel verscheidenheid als er individuen zijn. Het is iets dat we primair als een vanzelfsprekend gegeven aanvaarden, maar dat bij nadere beschouwing eenzelfde soort duizelingen teweeg kan brengen als het kijken naar de sterrenhemel.

Motor

Terug naar het triviale voorbeeld van de passerende trein. Je kunt daar dan stellen dat de trein die door een motor wordt voortbewogen de rijdende trein is en dat je zelf in de stilstaande zit. Dat is dan duidelijk. Maar hoe is dat bij hemellichamen? Waar zit de motor die onze aarde doet rondtollen en om de zon voortstuwt? Hoe is die zaak zo in gang gekomen? Vragen die je niet moet stellen, zeggen de natuurwetenschappers, want daar kom je toch niet achter. Grenzen stellen dus. Toch gek, dat de méns behept blijkt te zijn met een drang om altijd weer zulke vragen te stellen. Steeds weer probeert die grenzen te verleggen of er overheen te kijken. Zinloos toch, als er geen antwoorden zijn en ook niet te verwachten zijn. Flauwe plagerij. Of zou misschien toch…? Zouden er toch mensen zijn, één desnoods, die het inderdaad gelukt is om over de grenzen heen te kijken?

Laten we nog eens gewoon naar de zon kijken. Warmte geeft ze, en licht, beide zonder meer nodig voor het gedijen van het leven op aarde. Kracht, energie stroomt naar de aarde toe. Het is de fysieke aanwezigheid van de zon die dit mogelijk maakt.
Maar er is nog een ander aspect van warmte en licht. Er is de koesterende warmte, de warmte van ‘het zonnetje’ in het voorjaar. ‘Het zonnetje’ is niet die kolenhaard of die kernreactor daar in de lucht, het is een wezen dat ons liefderijk omhult. ‘De zon schijnt over goeden en kwaden.’ Ze maakt geen onderscheid. Ze is ook een kunstenaar: ze strijkt met haar stralen over het landschap, over steden en dorpen, dan van de ene, dan van de andere kant, de kleuren lichten op, zelfs de schaduwen krijgen kleur. Schoonheid.
Ze is ook trouw. Dag in, dag uit, eeuw in, eeuw uit, altijd maar geven, stralen, met een onvoorstelbare gulheid het wereldruim in. Een hele lichtsfeer is om de zon heen, voor een mensenoog niet zichtbaar. Niet meer dan een kruimpje ervan bereikt de aarde en dat heeft nog zo’n kracht. Liefde.

Wat een onmetelijke liefde moet dit zonnewezen hebben om zoveel te willen uitstralen, zo royaal te zijn, dat de aarde ervan kan leven, dat plant, dier en mens er door kunnen bestaan, miljoenen jaren lang. Klein en bekrompen kun je je voelen als je dat bedenkt, klein met je onnozele wensjes, hebbelijkheidjes, probleempjes, twijfels….Maar toch – blijkbaar ben je het waard. Het is alsof je iemand ontmoet die vertrouwen in je heeft, die een beroep op je doet en tegen je zegt: ik weet zeker dat je het kunt. Liefde die kracht geeft.

Drievoudige zon

Lang, lang geleden zijn er mensen geweest, ‘ingewijden’, die het ware wezen van de zon gekend hebben. Zij wisten dat de zon een woonplaats was van hoge geestelijke machten die zich met de ontwikkeling van de mens en de mensheid intensief bezighielden. Ze onderscheidden een drievoudige zon: als eerste de fysieke zon, die door bepaalde wezens zichtbaar gemaakt wordt, de buitenkant van de zon dus eigenlijk. Maar zoals een mens in zijn uiterlijk waarneembaar fysiek lichaam een ziel draagt, zo leefden in de zon andere, hogere wezens die het zielenleven van de mens zo gevormd hebben en verzorgen, zodat zijn denken, voelen en willen een samenhangend geheel zijn.

Dan kenden de ingewijden nog een derde zon, die zich achter de zichtbare zon verborg, de geestelijke zon, waarin het zonnewezen leeft dat eigenlijk de zon gemaakt heeft tot wat zij is: voor de mens de stralendste ster van de hele kosmos. Het is een heel hoog wezen, waaraan men in de loop der tijden verschillende namen heeft gegeven en dat men in onze tijd onder de naam ‘Christus’ kent. Het is dit zonnewezen dat zich in wat het mysterie van Golgotha genoemd wordt met de aarde heeft verbonden en daardoor voor de mens de mogelijkheid tot zijn ik-ontwikkeling heeft gegeven.

Het is lang, lang geleden dat mensen – namelijk diegenen die in de mysteriën ingewijd waren – dit zo hebben kunnen waarnemen. De mysteriewijsheid was toen een verborgen wijsheid en mocht niet geopenbaard worden. Zij werd aan het volk niet verkondigd maar wel in het praktische en religieuze leven ingevlochten.

Nu heeft de mens zich zover ontwikkeld dat de mysteriewijsheid niet meer voor hem verborgen hoeft te worden, want hij kan nu naar eigen inzicht hiermee omgaan. Hij kan de kloof tussen zijn voorstellingswereld en zijn belevingswereld zelf overbruggen. Hij kan heel goed werken met astronomische modellen, maar tegelijkertijd weten, dat hij, opziend naar de hemel, alleen de buitenkant van zon, maan en sterren ziet. Dat de hemelruimte in feite niet leeg is, maar bevolkt wordt door wezens van hoge orde die werkzaam zijn en allen hun opgave en functies hebben in een grootscheepse en zinvolle onderneming. Een . onderneming die de ontwikkeling van de mens beoogt in samenhang met de gehele wereld en waarbij elk mens vanzelfsprekend zo betrokken is dat hij zich terecht in het middelpunt mag beleven..

Sterrenkunde 7e klasalle artikelen

7e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld7e klas

.

2130-1999

.

.

.

.

.