VRIJESCHOOL – 2e klas vertelstof – Sint-Joris (3-16)

.

RIDDER JORIS

Eens in het verre Morgenland in de tijd na de komst van Jezus Christus leefden er dappere ridders die de ‘ridders van de gerechtigheid’ werden genoemd. Onherkenbaar trokken ze door de landen. Waar een kwaad, wild dier een landstreek vernielde of waar brutale rovers de mensen op eenzame wegen overvielen en beroofden, kwamen zij er op een dag aan.
De wilde dieren werden bestreden, de rovers gestraft of weggejaagd. Niemand wist waar en wanneer die ridders zouden opduiken om de mensen die in nood zaten te helpen. Dat kon diep in het bos zijn, op een afgelegen weg of midden in een drukke stad.
Zo waren deze ridders van de gerechtigheid een vaste hoop voor de zwakken en een schrik voor de booswichten.
Welke eed ze hadden gezworen bij hun ridderschap, wist niemand, maar wel wist men dat ze nooit langer dan drie dagen op dezelfde plaats bleven.

In deze tijd was er een mooie stad aan zee, met de naam Silena. De muren liepen beschermend tot aan de kust. Een hooggelegen slot was de woning van de koning die over dit land regeerde.

Sinds lange tijd heerste er veel verdriet en was er veel leed in deze stad. Van tijd tot tijd dook uit het water een draak op. Half vliegend, half kruipend bewoog hij zich over het land, roofde dieren uit de veekudden, verwoestte hutten en verslond ook mensen. Niemand, ook de soldaten van de koning niet, had tot nog toe dit ondier kunnen weren. De koning liet aan een wijs man in de bergen vragen wat er moest gebeuren. De kluizenaar gaf als raad:

‘Wanneer de zee onrustig wordt, bindt dan twee schapen bij de oever vast waar hij meestal uit het water komt. Hij zal ze opvreten en weer terug gaan in zee.

De raad werd opgevolgd. Toen de draak weer kwam, slokte hij de schapen op en keerde om. Maar er was nog geen jaar voorbij of de draak nam met dit voedsel geen genoegen meer. Hij vrat de schapen wel op, maar ging weer over het land en zijn verwoestingen begonnen weer van voor af aan.

Opnieuw zond de koning boden naar de kluizenaar. Toen deze hoorde dat het allemaal weer erger was geworden, was hij zeer bedroefd en hij sprak: ‘Kom na drie dagen terug om mijn raad te vernemen!’

Toen de boden na deze tijd weer bij hem kwamen, wilde hij de raad eerst niet geven. Doch zij drongen er bij op aan: ‘Zonder uw raad durven wij niet terug te keren. De koning zou ons de schuld geven dat u niet met ons heeft gesproken.’ Toen gaf de kluizenaar de droevige boodschap: ‘Wanneer deze draak weer tevreden gesteld moet worden, wil hij zuiver mensenbloed proeven. Dat kan het lichaam van een jonge vrouw hem geven!’

Deze woorden brachten de boden over aan de koning.

De ontsteltenis was groot. Uiteindelijk bleef er niets anders over dan de jonge vrouwen uit de stad bijeen te brengen en door het lot de ongelukkige te kiezen die het offer zou zijn.

Bij de zee bevond zich een rots die men de drakensteen noemde, omdat de draak daar in de buurt uit het water opdook. Daarheen werd de jonge vrouw gebracht die het rode staafje had getrokken. Ze werd geblinddoekt en aan de steen vastgebonden.
De draak dook op, verslond haar en keerde onmiddellijk weer in het water terug.

Maar onder het volk ontstond gemor, omdat de koning zijn dochter niet mee had laten loten en toen er weer een nieuwe loting moest plaatsvinden, liep een huilende menigte tot voor het slot en riep: ‘Prinses Elees moet ook meeloten! ‘Prinses Elees moet ook meeloten!

De koning kon tegen de wil van het volk niet langer op, want ook zijn raadsheren waren het met deze stemmen eens. Dus stond ook Elees net als de andere jonge vrouwen van de stad in de rij om het lot te trekken. De opperraadsheer had een zakje van zwart fluweel met daarin vele dunne staafjes. Aan de bovenkant zagen die er allemaal hetzelfde uit. De onderhelft was bij alle wit, behalve bij één: dat offerstaafje was aan de onderkant rood als bloed. Bij wie een wit staafje trok, sprong het hart van vreugde op. Elees trok het rode….

Hoewel haar vader en moeder bitter huilden en weeklaagden, werd hun dochter naar de drakensteen gebracht. Toen men haar aan een ijzeren ring wilde vastmaken, zoals men dat gewend was, smeekte Elees: ‘Bind mij niet vast aan de steen. Ik zal niet vluchten en mijn ogen zal ik zelf met mijn witte sluier verhullen.’ Toen deed ze de fijne stof over haar hoofd en ging tegen de rotssteen staan.
Boven op de muur van het slot stonden haar ouders, smeekten de oude goden dat er een wonder zou mogen geschieden en dat hun dochter gered mocht worden.

In de zee begon het te woelen, er ontstonden hoge golven die tegen de drakenrots aanklotsten.

Maar nu verscheen er op de hoogte van de nabij gelegen heuvels een ridder op een wit paard. Zijn uitrusting glansde in het licht van de zon. Hij moet van de gebeurtenissen gehoord hebben, want toen hij diep beneden zich aan het water de jonge vrouw  op de drakenrots aanschouwde, slaakte hij een kreet. Zijn paard sprong heuvelafwaarts op het opschuimende water af. Daar verscheen uit het ziedende water de kop van de draak. Begerig flikkerden zijn tanden in de grote muil. Maar toen het monster uit het water oprees, stond daar de ridder met zijn zwaard en sterke lans. Na een hevig gevecht doorstak hij het schubbige lijf van het ondier. Met een vreselijke doodskramp stortte de draak terug in zee en liet een streep donker bloed achter en zonk.

Toen het tumult met de wapenen begon, tilde Elees de sluier op en maakte van dichtbij de hevige strijd mee.
Toen de draak in de diepe golven verzonk, zag ze de vreemde, wonderbare ridder van zijn paard afstijgen. Hij stootte zijn zwaard in de grond en knielde neer en bad. Met verbazing zag Elees dat hij in de richting van de weggezonken draak het teken van het kruis maakte. Toen zag ze dat er ook op het schild van de ridder een rood kruisteken stond. Nog altijd beefde ze over haar hele lijf door de doorgemaakte schrik.
Toen de ridder haar zijn sterke hand reikte en haar van de steen naar beneden hielp, stroomde er rust en nieuwe moed in haar hart.

Vanaf de stadsmuren waar veel volk de strijd meebeleefd had, hief een groot gejuich aan. De poorten gingen open en de menigte stroomde in drommen naar de drakensteen. Elees en haar bevrijder werden jubelend omringd. Vol geluk sloten de ouders hun dochter in de armen. Ten aanschouwen van het hele volk vroeg de koning naar de naam van de ridder: ‘Onbekende, edele ridder en redder, zeg mij uw naam, dat ik u kan danken en zeg mij in welk teken uw strijd stond.

Toen wees de ridder op het kruisteken op zijn schild en sprak:
‘Joris is mijn naam. In het teken van Christus strijd ik en Michael de hemelse strijder tegen de duisternis geeft mij kracht.’

Het volk verzamelde zich rondom Joris en verlangde van hem dat hij over dit teken zou spreken. Hij klom op de drakensteen en verkondigde aan het volk de boodschap van het kruis van Jeruzalem.

Graag had de koning de koene ridder in zijn land gehouden en hem zijn dochter tot vrouw gegeven. Maar op de derde dag nam hij afscheid om nieuwe daden te verrichten.
Bij zijn vertrek bond Elees haar sluier als aandenken boven aan zijn lans en die wapperde als een vaantje toen hij achter de heuvel van het palmenbos verdween.

Joris 9

Jakob Streit: Ich will dein Bruder sein

2e klas vertelstofalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld2e klas

.

2204-2071

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen (5)

.
Noor Prent, Weleda Puur Kind, herfst 2002 nr.10
.

ADHD

A’s vader lijdt aan ADHD. Nog voor zijn geboorte vragen zijn ouders op het consultatiebureau om begeleiding bij de verzorging en opvoeding van de baby op komst. Dit om ADHD-gedrag te voorkomen of zo nodig in een vroeg stadium te kunnen opvangen.

Steeds vaker horen ouders van drukke, ongeconcentreerde en ongestructureerde kinderen dat hun kind lijdt aan ADHD.

Vaak wordt dan gekozen voor behandeling met Ritalin of andere onrust onderdrukkende medicijnen. ADHD-kinderen zijn kwetsbaar en vaak moeilijk, maar hebben meestal ook bijzondere begaafdheden. Door hen met Ritalin te behandelen, wordt niet alleen hun moeilijke gedrag onderdrukt, maar ook hun bijzondere en sterke kant. Daardoor wordt het moeilijker te ontdekken wie hij is en wat hij jou te vertellen heeft. Hoe dan ook vraagt het van ouders veel moed en wijsheid een kind met ADHD op te voeden. Het is zinvol daar medische en vooral opvoedkundige ondersteuning bij te vragen.

Erfelijk

De ouders van A realiseren zich al voor de geboorte van hun eerste baby dat ze die hulp wilden zoeken. Bij de vader is recent de ‘diagnose’ ADHD gesteld. Tot nu toe wordt ervan uitgegaan dat ADHD voor 80 procent erfelijk is en bovendien veel vaker voorkomt bij jongens dan bij meisjes. A’s ouders vroegen om te helpen bij het in een vroeg stadium voorkomen of begeleiden van ADHD-gedrag bij hun kind. Dat hield in dat er vanaf de geboorte veel aandacht zou zijn voor een ritmische dagindeling en een rustige omgeving met zo min mogelijk invloeden die overprikkeling kunnen veroorzaken, zoals radio- of tv-geluid, veel bezoek, meenemen naar de supermarkt enzovoort. Over de box zou de eerste tijd een roze doek worden gehangen om invloeden uit de omgeving wat te filteren. Bovendien zou de borstvoeding goed worden begeleid, omdat een baby zich door borstvoeding vaak diep ontspant, wat een harmoniserende invloed heeft. De vertering en darmfunctie is dan beter en juist de verteringsorganen hebben een belangrijke rol bij ADHD-gedrag.

Babymassage

A blijkt inderdaad een onrustige baby te zijn met veel darmkrampjes. Hij maait flink met armen en benen, ook in zijn slaap. Het inbakeren heeft succes, maar na een week of drie worden de ouders er zelf nerveus van en gaat het averechts werken. In plaats daarvan raad ik babymassage aan. Zachte inwrijving helpt een baby de grenzen van zijn lijfje te ervaren en het geeft bovendien een harmonische verdeling van de lichaamswarmte. Om dat weldadige gevoel te versterken, adviseer ik om hem na de inwrijving van het hele lijfje met Calendula Babyolie een mutsje op te doen en hem in de winter een wollen hemd en maillot te laten dragen.

Na zeven weken kan A de overstap op biologische flesvoeding redelijk goed aan. Omdat recent onderzoek (Orthofolia, mei 2002) uitwijst dat er een belangrijke relatie is tussen onrustig gedrag en allergie of intolerantie voor bepaalde voedingsmiddelen, laten we een kinesiologe de voeding uittesten. A blijkt geen voedingsallergie te hebben, hij verteert de voeding goed.

Verder heeft ervaring uitgewezen dat vaccinaties bij kinderen een aanwezige, maar nog niet manifeste aanleg naar boven kunnen halen. Daarom besluiten de ouders de inentingen op een later moment en niet allemaal tegelijk te geven. Zo kunnen we A leren kennen in zijn aanleg, zijn ontwikkeling en zijn reacties op zijn omgeving zonder eventuele verstorende invloed van de vaccinaties. Het  voordeel van uitstel is ook dat we het effect van de gekozen aanpak goed kunnen beoordelen.

Hysterisch wakker worden

A ontwikkelt zich zeer snel. Met vier maanden rolt hij om en terug, ruim zes maanden oud staat hij op handen en voeten en gaat hij zelf zitten. Bij negen maanden wordt hij ’s nachts vaak hysterisch wakker en is dan niet meer stil te krijgen. We vermoeden dat dit te maken heeft met zijn snelle en heftige motorische ontwikkeling. Alleen een flesvoeding kan dan uitkomst bieden. Gelukkig slaapt hij overdag nog veel om alle indrukken te verwerken. Met dertien maanden is A een zeer ondernemend ventje dat stevig los loopt, nieuwsgierig en onderzoekend is en al de eerste woordjes spreekt. Hij vindt het prima om in de box te zitten. Ook blijkt hij zich goed te kunnen concentreren op nieuwe dingen en straalt dan rust uit. Wel is hij nog steeds supersnel en begrijpt hij meer dan bij zijn leeftijd past.
Voor A’s ouders was het organiseren van een ritmische dagindeling, waarin ze zichzelf en A beperkingen moesten opleggen, een intensief proces met veel vallen en opstaan.

Geneesmiddel

Wanneer een ADHD-kind wat ouder is, is onrustig gedrag minder makkelijk te voorkomen, op te lossen of om te buigen.
Maar ook dan zijn regelmaat, rust en ritme en een omgeving waarin het kind zo min mogelijk wordt geprikkeld basisvoorwaarden.

Onderzoek naar mogelijke voedingsallergie of mogelijk andere verstorende factoren, het laten ervaren van de eigen lichaamsgrenzen door inwrijving met olie, duidelijkheid in de opvoeding, een passende schoolsituatie en het goede voorbeeld van ouders die zelf ook worstelen met chaos, maar die het toch lukt om zichzelf grenzen te stellen, zijn belangrijke hulpmiddelen in de therapie.

Een mild geneesmiddel dat zijn waarde voor mij heeft bewezen bij de harmonisering van ADHD-gedrag is Weleda’s Aurum/Hyoscyamus, dat alleen op doktersrecept te krijgen is. Dit is een geneesmiddel dat een kind als het ware tot in zijn organisme voordoet hoe je rust kunt brengen in het proces van indrukken opnemen en ze weer uiten in gedrag, daden en gevoelens. Die rust is absoluut nodig voor het goed ‘verteren’ van indrukken. Bovendien helpt het middel als je kind angstig is.

Natuurlijk zal een aanleg voor ADHD niet verdwijnen. Maar jij en je kind kunnen wel leren omgaan met die aanleg, zodat hij zich niet zal laten leven door zijn onrust, maar die zelf een plek geeft in zijn leven.»

.

voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

.

Ontwikkelingsbelemmeringen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2203-2070

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Wereldoriëntatie

.

WERELDORIËNTATIE

Het vak ‘wereldoriëntatie’ deed zijn intrede in het onderwijs in de jaren 1970. Het omvat natuurlijk de aardrijkskunde, de plant- en dierkunde – ooit ‘natuurlijke historie’ genoemd, en nog meer vakken, w.o. geschiedenis. Sommige van die vakken werden wel ‘zaakvakken’ genoemd.

Wereldoriëntatie is eigenlijk wel een mooi woord. Maar ook hier is weer het mensbeeld – of je dat nu denkt te hebben of niet – beslissend voor de inhoud die je er aan geeft.

Voor Rudolf Steiner is de aarde altijd een ‘levend organisme’ geweest en hij beschrijft vanuit allerlei gezichtspunten de eenheid die aarde, mens, plant en dier, in samenhang met de kosmos vormt.

In zijn pedagogische voordrachten komt dat bv. sterk tot uiting in zijn beschouwingen over plant– en dierkunde.

Wanneer de vrijeschool in 1919 is opgericht, is er nog geen kant en klaar leerplan. Hoe dat in de latere jaren vorm kreeg, vind je als een soort neerslag in de pedagogische tijdschriften die vanaf die tijd werden uitgegeven.

Wat nu ‘Erziehungskunst’ heet, begon als ‘Mitteilungen’, gevolgd door ‘Zur Pädagogik Rudolf Steiners’.
Hoewel die beginartikelen nu zo’n 100 jaar geleden zijn geschreven, bevatten de meeste nog steeds essentiële gezichtspunten over het vrijeschoolonderwijs van nu. 

Onderstaand artikel schetst de sfeer van verschillende vakken die we nu ‘wereldoriëntatie’ noemen.
.

Friedel Naegelin, Mitteilungen, 6-1924
.

DE STEMMING VAN WAARUIT WERELDORIËNTATIE WORDT VOORBEREID

Bij wereldoriëntatie proberen wij vanaf het begin bij het kind een levendig gevoel te wekken voor de aarde als organisme.
Wat er op de aarde leeft, de manier waarop, neemt de mens over het algemeen voor lief, zonder erover na te denken wanneer hij zijn weg over de aarde volgt en van haar gaven geniet, dat het iets bezields is, iets wezenlijks waardoor hij gedragen en gevoed wordt.
De aarde neemt al het leven, de werking van de zon overdag, die van de sterren in de nacht in zich op. Al het leven hangt op een sterke of minder sterke manier met het leven van de mens samen in de kleine en grote ritmen en fasen. In dag en nacht, winter en zomer, in periodieke aardbevingen en vulkaanuitbarstingen, in de luchtbewegingen en de kringloop van het water enz. zijn krachten werkzaam die zoals in het menselijk lichaam vooral leven en vormgeving betekenen.
De betrokkenheid van de mens bij de wereld kan dieper worden, als hij beleeft hoe in de warmte, de zuiverheid en helderheid van het zonlicht iets meekomt wat in het aardse op de meest subtiele manier de kiem vormt voor morele ontwikkeling.
Vaak noemt de volksmond de zon het symbool van het licht, dat geen duisternis verdraagt en leugen en bedrog aan het licht brengt.
Uit oeroude tijden worden ons keerpunten in de ontwikkeling van de aarde duidelijk die doen denken aan de fasen waar ieder mens doorheen gaat tijdens zijn fysieke bestaan (tandenwisseling, puberteit), die echter ook doen denken aan de mijlpalen in de innerlijke ontplooiing en ontwikkeling van de mens, aan geboorte en dood op de weg door de incarnaties.
In vroegere bestaansvormen was de mens met de aarde verbonden. Dat is hij ook vandaag waarbij de stoffelijkheid van zijn lichaam afgezonderd is van de aarde tot aan zijn dood, zoals een druppel van de zee.
Maar in de verre toekomst word je weer één als je in jezelf de kiemen van de zon ontdekt, verzorgt en stap voor stap tot ontwikkeling brengt; want de menselijke geest wordt door zonnekracht gevormd en die schept daaruit als doel om naartoe te werken een nieuwe moraal die door de bevrijdende liefde en de beminde vrijheid zijn eigen stoffelijkheid en die van de aarde bevrijdt.
Doordrongen van deze gedachten, proberen wij in het onderwijs de lesstof zo te brengen dat in de ziel van de kinderen een gevoel ontstaat dit ze behoedt voor materialistisch denken en beleven.
Wie tegenwoordig overtuigd materialist is, kan alleen maar egoïstisch van de aarde houden. Hij ziet als naïef mens alleen de huidige toestand van de aarde, als wetenschapper het ontstaan en vergaan.
De aarde is voor hem niets waard als die niet de goederen levert die zijn lichamelijke behoeften bevredigen of nuttig is voor andere materiële interesse. Voor hem is de aarde dood als hij dood is; want zij gaat dood voor hem met het verval van zijn lichaam.
Van de aarde houden vanuit een beleving van de eigen natuur die door de zon doortrokken wordt, betekent aan haar verandering en ontwikkeling tot in verre toekomst meewerken en met haar samen de kosmische opgave vervullen.

.
Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld

.

2202-2069

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-5)

.

Artikel in opbouw

Enige opmerkingen bij blz. 131 vert.

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

5. WARMTEZIN

Blz. 134  vert. 131

Die nächsten Sinne: Geruchssinn, Geschmackssinn, Sehsinn, Wärmesinn, sind hauptsächlich Gefühlssinne.

Ten tweede zijn er de reukzin, de smaakzin, de gezichtszin en de warmtezin. Dat zijn voornamelijk gevoelszintuigen.

Blz.. 124 (pdf)     vert. blz. 126:

[ ] wobei es sogar noch vorkommt, daß der Wärmesinn und der Tastsinn in eins zusammengeschoben werden, was ungefähr so wäre, wie wenn man bei der äußeren Beobachtung der Dinge «Rauch» und «Staub» in eins zusammenzählte,
weil es äußerlich nämlich gleich ausschaut. Daß Wärmesinn und Tastsinn zwei durchaus verschiedene Arten des Menschen sind, sich mit
der Welt in Beziehung zu setzen, sollte man nicht mehr zu erwähnen
brauchen.

Het komt voor dat men warmtezin en tastzin samenneemt. Dit is ongeveer hetzelfde als wanneer men de verschijnselen ‘rook’ en ‘stof’ waarneemt en ze als één beschouwt omdat ze er uiterlijk hetzelfde uitzien. Dat warmtezin en tastzin bepaald wel twee verschillende manieren zijn waarop de mens verbinding legt met de wereld zou eigenlijk niet meer gezegd hoeven te worden.

bLz. 135  vert. 131

Das naive Bewußtsein empfindet ja ganz besonders beim Riechen und Schmecken die Verwandtschaft mit dem Fühlen.
Daß man es beim Sehen und der Wärme nicht so empfindet, hat eben seine besonderen Gründe. Beim Wärmesinn beachtet man nicht, daß er mit dem Gefühl sehr nahe verwandt ist, sondern wirft ihn mit dem Tastsinn zusammen. Man konfundiert zugleich unrichtig und unterscheidet zugleich unrichtig. Der Tastsinn ist in Wahrheit viel mehr willensmäßig, während der Wärmesinn nur gefühlsmäßig ist

Bij een naïeve beschouwingswijze ervaart men vooral bij het ruiken en proeven de verwantschap met het voelen.
Dat men dat niet ervaart bij het zien en bij de warmtezin heeft speciale oorzaken. Bij de warmtezin onderkent men de nauwe verwantschap met het gevoel niet, maar men gooit hem op één hoop met de tastzin. Men voegt onjuist samen en men onderscheidt onjuist. De tastzin is in werkelijkheid veel wilsmatiger, terwijl de warmtezin louter gevoelsmatig is.

GA 293 pdf       GA 293             vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: zintuigen [8-4]/

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

2201-2068

.

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-6)

.

Artikel in opbouw

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

6. GEZICHTSZIN

Blz. 134  vert. 131/133

Die nächsten Sinne: Geruchssinn, Geschmackssinn, Sehsinn, Wärmesinn, sind hauptsächlich Gefühlssinne.

Ten tweede zijn er de reukzin, de smaakzin, de gezichtszin en de warmtezin. Dat zijn voornamelijk gevoelszintuigen.

bLz. 135  vert. 131

Das naive Bewußtsein empfindet ja ganz besonders beim Riechen und Schmecken die Verwandtschaft mit dem Fühlen.
Daß man es beim Sehen und der Wärme nicht so empfindet, hat eben seine besonderen Gründe.

Bij een naïeve beschouwingswijze ervaart men vooral bij het ruiken en proeven de verwantschap met het voelen.
Dat men dat niet ervaart bij het zien en bij de warmtezin heeft speciale oorzaken. 

Daß der Sehsinn auch Gefühlssinn ist, dahinter kommen die Menschen deshalb nicht, weil sie nicht solche Betrachtungen anstellen wie sie in Goethes Farbenlehre zu finden sind. Dort haben Sie alles Verwandte der Farben mit dem Gefühl, was zuletzt dann sogar zu Willensimpulsen führt, deutlich ausgesprochen. 

Dat ook de gezichtszin een gevoelszintuig is, ontdekt men niet omdat men niet de onderzoekingen doet zoals ze in Goethes kleurenleer zijn te vinden. Daar vindt u duidelijk de verwantschap van de kleuren met het gevoel* beschreven, die tenslotte zelfs tot wilsimpulsen leidt. 

*verwantschap van de kleuren met het gevoel: Vgl. Goethe, Kleurenleer, Zeist 1991, het hoofdstuk ‘De werking van de kleuren op de menselijke psyche’.

Aber warum merkt dann der Mensch so wenig, daß beim Sehsinn hauptsächlich eigentlich ein Fühlen vorhanden ist?

Maar waarom merkt men eigenlijk zo weinig op, dat bij het zien voornamelijk sprake is van voelen?

De volgende uiteenzetting levert belangrijke aanwijzingen op waarmee we rekening zouden moeten houden bij het (vorm)tekenen!

Wir sehen ja im Grunde genommen die Dinge fast immer so, daß sie uns, indem sie uns die Farben zuordnen, auch die Grenzen der Farben zeigen: Linien, Formen. Wir werden aber gewöhnlich nicht darauf aufmerksam, wie wir da eigentlich wahrnehmen, wenn wir zugleich Farbiges und Formen wahrnehmen. Wenn der Mensch einen farbigen Kreis wahrnimmt, sagt er grob: Ich sehe die Farbe, ich sehe auch die Rundung des Kreises, die Kreisform.

Dat komt hierdoor: wanneer we voorwerpen bekijken, dan zien we de kleuren bijna altijd begrensd door lijnen of vormen. Gewoonlijk letten we er niet op hoe we eigenlijk waarnemen wanneer we tegelijkertijd kleur en vorm waarnemen. Wanneer de mens een gekleurde cirkel waarneemt, zegt hij grofweg: ik zie de kleur, ik zie ook de ronding van de gebogen lijn, de vorm van de cirkel.

Da werden aber doch zwei ganz verschiedene Dinge durcheinandergeworfen.

Maar hier worden twee totaal verschillende dingen door elkaar gehaald.

Blz. 135 v ert. 132

Durch die eigentliche Tätigkeit des Auges, durch die abgesonderte Tätigkeit des Auges sehen Sie zunächst überhaupt nur die Farbe. Die Kreisform sehen Sie, indem Sie sich in Ihrem Unterbewußtsein des Bewegungssinnes bedienen und unbewußt im Ätherleib, im astralischen Leibe eine Kreiswindung ausführen und dies dann in die Erkenntnis hinaufheben. Und indem der Kreis, den Sie durch Ihren Bewegungssinn aufgenommen haben, in die Erkenntnis heraufkommt, verbindet sich der erkannte Kreis erst mit der wahrgenommenen Farbe. Sie holen also die Form aus Ihrem ganzen Leibe heraus, indem Sie appellieren an den über den ganzen Leib ausgebreiteten Bewegungssinn.

Door de specifieke functie van het oog ziet u in eerste instantie slechts kleur. De vorm van de cirkel ziet u doordat u in uw onderbewuste uw bewegingszin inschakelt en onbewust, in het ether- en astrale lichaam, een cirkelvormige beweging maakt en u deze tot bewustzijn brengt. En pas doordat de cirkel, die via uw bewegingszin tot u is doorgedrongen, onderkend wordt, worden de herkende cirkel en de waargenomen kleur met elkaar verbonden. U haalt dus de vorm uit uw gehele lichaam, doordat u appelleert aan de zich over het gehele lichaam uitstrekkende bewegingszin.

Steiner wijst dan naar de 3e voordracht:

Das kleiden Sie in etwas, was ich schon auseinandergesetzt habe, wo ich
sagte: Der Mensch vollzieht eigentlich die Formen der Geometrie im Kosmos und hebt sie dann in die Erkenntnis hinauf.

Dat kleedt u in iets wat ik al behandeld heb toen ik het had over de mens die eigenlijk de geometrische vormen* in de kosmos uitvoert en zich deze dan bewust maakt.

*geometrische vormen: Zie ook de derde voordracht.

In dit artikel [3-8-1] is e.e.a. nader uitgewerkt.

Hoewel er geen concrete woorden over bestaan, wijst voor het vormtekenen van geometrische vormen alles in de richting dat je deze voor het laten beleven van deze vormen, staand staand laat tekenen.
Dat geldt niety voor de vormtekeningen als voorbereiding op het schrijven of de therapeutische oefeningen voor de temperamenten. 

Blz. 136 vert. 132

Denn wie soll man erziehen zum Sehen, wenn man nicht weiß, daß in den Sehakt hinein der ganze Mensch mit seinem Wesen auf dem Umwege durch den Bewegungssinn sich ergießt?

Want hoe moet men kinderen leren zien wanneer men zelf niet weet dat het gehele wezen van de mens zich via de bewegingszin uit in het zien?

Aber jetzt kommt etwas anderes zum Vorschein. Sie betrachten den Sehakt, indem Sie farbige Formen wahrnehmen. Es ist ein komplizierter Akt, dieser Sehakt, das Wahrnehmen farbiger Formen. Aber indem Sie ein einheitlicher Mensch sind, können Sie das, was Sie auf den zwei Umwegen wahrnehmen, auf dem Wege durch das Auge und auf dem Wege durch den Bewegungssinn, wieder in sich vereinigen. Sie würden stumpf hinschauen auf einen roten Kreis, wenn Sie nicht auf einem ganz anderen Wege das Rote und auf einem ganz anderen Wege das Kreisförmige wahrnehmen würden. Aber Sie schauen nicht stumpf hin, weil Sie von zwei Seiten her – die Farbe durch das Auge, die Form mit Hilfe des Bewegungssinnes – wahrnehmen und im Leben innerlich genötigt sind, diese beiden Dinge zusammenzufügen. Da urteilen Sie. Und jetzt begreifen Sie das Urteilen als einen lebendigen Vorgang in Ihrem eigenen Leibe, der dadurch zustande kommt, daß die Sinne Ihnen die Welt analysiert in Gliedern entgegenbringen. In zwölf verschiedenen Gliedern bringt Ihnen die Welt das entgegen, was Sie erleben, und in Ihrem Urteilen fügen Sie die Dinge zu- sammen, weil das einzelne nicht bestehen will als Einzelnes. 

Nu komt ook iets anders te voorschijn. Onderwerpt u het zien van gekleurde vormen aan een beschouwing, dan weet u dus dat het een complex proces is, deze activiteit van het zien, dit waarnemen van gekleurde vormen. Maar doordat u als mens een eenheid bent, kunt u dat wat u via twee omwegen, namelijk via het oog en via de bewegingszin, waarneemt weer in uzelf verenigen. U zou wezenloos naar een rode cirkel staren wanneer u niet het rood en het cirkelvormige via twee geheel verschillende wegen zou waarnemen. Maar u staart er niet wezenloos naar, omdat u van twee kanten uit waarneemt – de kleur via het oog, de vorm via de bewegingszin – en u zich in het leven innerlijk genoodzaakt ziet deze beide elementen samen te voegen.

Oordelen

Steiner roert het hier maar even aan; waarnemen en denken vormen samen de mogelijkheid tot waarheid. En de waarheid weergeven is toch wat we beogen als we oordelen. In GA 4Filosofie van de vrijheid (hfdst. 4 en 5) – behandelt Steiner dit uitvoerig.

Die Kreisform läßt es sich zunächst nicht gefallen, bloß Kreisform zu sein nach der Art, wie sie in den Bewegungssinn gekommen ist; die Farbe läßt es sich nicht gefallen, bloß Farbe zu sein, wie sie im Auge wahrgenommen wird. Die Dinge zwingen Sie innerlich, sie zu verbinden, und Sie erklären sich innerlich  
bereit, sie zu verbinden. Da wird die Urteilsfunktion zu einer Äußerung Ihres ganzen Menschen

Op zo’n moment vormt u zich een oordeel. En nu begrijpt u dat het oordelen een levend proces in uw eigen lichaam is, dat tot stand komt doordat de zintuigen de wereld geanalyseerd in afzonderlijke elementen naar u toe brengen. In twaalf verschillende elementen draagt de wereld u tegemoet wat u beleeft, en doordat u oordeelt, voegt u ze samen, omdat de afzonderlijke elementen niet afgezonderd willen blijven. De cirkelvorm wenst niet alleen de cirkelvorm te zijn zoals hij met de bewegingszin opgenomen is; het bevalt de kleur niet alleen de kleur te zijn zoals ze met het oog wordt waargenomen. De dingen dwingen u ze in uw innerlijk te verbinden en u verklaart zich innerlijk bereid om ze te verbinden. Daarmee wordt het oordelen een uiting van de gehele mens in u.

.

GA 293             vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: zintuigen [8-4]

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2200-2067

.

.

.

.

,

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-7)

.

Artikel in opbouw

Enige opmerkingen bij blz. 131 vert.

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

7. SMAAKZIN

Blz. 134  vert. 131

Die nächsten Sinne: Geruchssinn, Geschmackssinn, Sehsinn, Wärmesinn, sind hauptsächlich Gefühlssinne.

Ten tweede zijn er de reukzin, de smaakzin, de gezichtszin en de warmtezin. Dat zijn voornamelijk gevoelszintuigen.

bLz. 135  vert. 131

Das naive Bewußtsein empfindet ja ganz besonders beim Riechen und Schmecken die Verwandtschaft mit dem Fühlen.

Bij een naïeve beschouwingswijze ervaart men vooral bij het ruiken en proeven de verwantschap met het voelen.

.

GA 293   vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2199-2066

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-8)

.

Artikel in opbouw

Enige opmerkingen bij blz. 131 vert.

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

8. REUKZIN

Blz. 134  vert. 131

Die nächsten Sinne: Geruchssinn, Geschmackssinn, Sehsinn, Wärmesinn, sind hauptsächlich Gefühlssinne.

Ten tweede zijn er de reukzin, de smaakzin, de gezichtszin en de warmtezin. Dat zijn voornamelijk gevoelszintuigen.

bLz. 135  vert. 131

Das naive Bewußtsein empfindet ja ganz besonders beim Riechen und Schmecken die Verwandtschaft mit dem Fühlen.

Bij een naïeve beschouwingswijze ervaart men vooral bij het ruiken en proeven de verwantschap met het voelen.

.

GA 293   vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2198-2065

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-11)

.

Artikel in opbouw

Enige opmerkingen bij blz. 130 vert.

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

11. LEVENSZIN

Blz. 133/134  vert. 130

Wir haben also neben dem Gleichgewichtssinn einen Bewegungssinn, und wir haben außerdem noch für die Wahrnehmung des Gestimmtseins unseres Leibes im weitesten Sinne den Lebenssinn. Von diesem Lebenssinn sind sogar sehr viele Menschen sehr abhängig. Sie nehmen wahr, ob sie zuviel oder zuwenig gegessen haben, und dadurch fühlen sie sich behaglich oder unbehaglich, oder sie nehmen wahr, ob sie ermüdet sind oder nicht, und dadurch fühlen sie sich behaglich oder unbehaglich. Kurz, die Wahrnehmung der Zustände des eigenen Leibes spiegelt sich im Lebenssinn

We hebben bovendien nog de levenszin, het zintuig waarmee men waarneemt hoe het in de ruimste zin gesteld is met het lichaam. Veel mensen zijn zelfs zeer afhankelijk van deze levenszin. Ze nemen waar of ze te veel of te weinig gegeten hebben en voelen zich daardoor prettig of onprettig, of ze nemen waar of ze vermoeid zijn of niet en voelen zich daardoor prettig of niet. Samengevat: de waarneming van de toestand, de gesteldheid van het eigen lichaam wordt door de levenszin gespiegeld.

Blz. 134  vert. 130

Da haben wir zunächst vier Sinne: Tastsinn, Lebenssinn, Bewegungssinn, Gleichgewichtssinn. Diese Sinne sind hauptsächlich durchdrungen von Willenstätigkeit. Der Wille wirkt hinein in das Wahrnehmen durch diese Sinne.

De tastzin, de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin worden voornamelijk doordrongen door wilsactiviteit. De wil werkt door in het waarnemen door deze zintuigen.

Blz. 134  vert. 131

In den Lebenssinn wirkt der Wille ja sehr stark hinein,

In de levenszin werkt de wil heel sterk.     In de drift bijv. [4-3-2]

Blz. 134  vert. 131

 Gleichgewichtssinn, Bewegungssinn, Lebenssinn und Tastsinn sind Willenssinne im engeren Sinne. Beim TastSinn sieht der Mensch äußerlich, daß er zum Beispiel seine Hand bewegt, wenn er etwas betastet: daher ist es für ihn offenbar, daß dieser Sinn für ihn vorhanden ist. Beim Lebenssinn, Bewegungssinn und Gleichgewichtssinn ist es nicht so offenbar, daß diese Sinne vorhanden sind. Da sie aber im besonderen Sinne Willenssinne sind, so verschläft der Mensch diese Sinne, weil er ja im Willen schläft. 

Evenwichtszin, bewegingszin, levenszin en tastzin zijn wilszintuigen in engere zin.
Bij de tastzin ziet de mens van buitenaf dat hij bijvoorbeeld zijn hand beweegt wanneer hij iets betast. Daardoor blijkt duidelijk dat dit zintuig bestaat. Bij de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin treedt dat niet zo duidelijk aan de dag. Omdat ze namelijk in het bijzonder wilszintuigen zijn ‘verslaapt’ de mens deze zintuigen; hij slaapt immers in de wil.

GA 293   vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: zintuigen [8-4]

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2197-2064

.

.

.

.

.

.

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-10)

.

Artikel in opbouw

Enige opmerkingen bij blz. 130 vert.

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

10. (EIGEN)BEWEGINGSZIN

Blz. 133  vert. 130

Und so wie wir für die Wahrnehmung des Gleichgewichtes einen Sinn haben, so haben wir auch einen Sinn für die eigene Bewegung, durch den wir unterscheiden, ob wir in Ruhe oder in Bewegung sind, ob unsere Muskeln gebeugt sind oder nicht. Wir haben also neben dem Gleichgewichtssinn einen Bewegungssinn,

En zoals we een waarnemingszintuig hebben voor het evenwicht, hebben we ook een zintuig voor het waarnemen van onze eigen beweging, een zintuig waardoor we kunnen onderscheiden of we ons in rust bevinden of in beweging zijn, of onze spieren gespannen zijn of niet. Naast de evenwichtszin hebben we dus een bewegingszin.

Blz. 134  vert. 130

Da haben wir zunächst vier Sinne: Tastsinn, Lebenssinn, Bewegungssinn, Gleichgewichtssinn. Diese Sinne sind hauptsächlich durchdrungen von Willenstätigkeit. Der Wille wirkt hinein in das Wahrnehmen durch diese Sinne.

De tastzin, de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin worden voornamelijk doordrongen door wilsactiviteit. De wil werkt door in het waarnemen door deze zintuigen.

Fühlen Sie doch, wie in das Wahrnehmen von Bewegungen, selbst wenn Sie diese Bewegungen im Stehen ausführen, der Wille hineinwirkt! 

Voelt u maar eens hoe in het waarnemen van bewegingen de wil werkt – zelfs wanneer u stilstaand beweegt.

Blz. 134  vert. 131

Gleichgewichtssinn, Bewegungssinn, Lebenssinn und Tastsinn sind Willenssinne im engeren Sinne. Beim TastSinn sieht der Mensch äußerlich, daß er zum Beispiel seine Hand bewegt, wenn er etwas betastet: daher ist es für ihn offenbar, daß dieser Sinn für ihn vorhanden ist. Beim Lebenssinn, Bewegungssinn und Gleichgewichtssinn ist es nicht so offenbar, daß diese Sinne vorhanden sind. Da sie aber im besonderen Sinne Willenssinne sind, so verschläft der Mensch diese Sinne, weil er ja im Willen schläft. 

Evenwichtszin, bewegingszin, levenszin en tastzin zijn wilszintuigen in engere zin.
Bij de tastzin ziet de mens van buitenaf dat hij bijvoorbeeld zijn hand beweegt wanneer hij iets betast. Daardoor blijkt duidelijk dat dit zintuig bestaat. Bij de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin treedt dat niet zo duidelijk aan de dag. Omdat ze namelijk in het bijzonder wilszintuigen zijn ‘verslaapt’ de mens deze zintuigen; hij slaapt immers in de wil.

GA 293   vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskundezintuigen [8-4]

Algemene menskundevoordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2196-2063

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (39)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Pieter HA Witvliet

In de jaren 1990 verschenen er bij Wolters-Noordhoff speciaal voor het onderwijs series met bekende kinderboeken. Deze ‘Lijster’- serie bestond o.a. uit ‘de vroege lijsters’. Tegen een zeer redelijke prijs werden de ouders in staat gesteld voor hun kinderen goede boeken aan te schaffen.
Het was een soort feest om ze in de klas uit te zoeken, te bestellen en uit te pakken. En je hoopte natuurlijk dat ook het lezen thuis een feestje was.

In 1994 was nr. 3 het boek ‘Minoes’ van Anne M.G.Schmidt.
Een knotsgek boek met allerlei dolle situaties, met in de hoofdrol uiteraard Minoes, ooit een poes, maar nu (bijna) mens. Haar baas is Tibbe, een journalist, voor wie op zekere dag geen plaats meer is bij de krant. Maar de kattenvrienden en vriendinnen van Minoes houden er een kattenpersdienst op na en zo weet Tibbe eerder dan wie ook wat nieuws is. Zo wordt er allerlei onrecht aan de kaak gesteld, corruptie wordt bestraft, Tibbe in ere hersteld.
Het is in de bekende Annie M.G.-stijl geschreven, met veel hunor, die – er staat ergens een leeftijdsindicatie voor vanaf 8 jaar – door die leeftijd nog niet begrepen kan worden. Ook vanaf 12 zal dat nog niet altijd het geval zijn, maar die leeftijd zal er toch meer van kunnen genieten. Als die de straattaal van de Jakkepoes imiteren is dat minder erg dan dat het de taal van een 8-jarige wordt.

Annie M.G.Schmidt
Ill. Monique Beijer (omslag)
Carl Hollander

Boek

12 jr en ouder

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2195-2062

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-9)

.

Artikel in opbouw

Enige opmerkingen bij blz. 130 vert.

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

9. EVENWICHTSZIN

Blz. . 133  vert. 130

Dann den Gleichgewichtssinn. Wir haben ein sinnlich geartetes Bewußtsein davon, daß wir im Gleichgewicht sind. Ein solches Bewußtsein haben wir. Wir wissen durch ein gewisses innerliches sinnliches Wahrnehmen, wie wir uns zu rechts und links, zu vorn und rückwärts verhalten, wie wir uns im Gleichgewicht verhalten, damit wir nicht umfallen. Und wenn das Organ unseres Gleichgewichtsinnes zerstört wird, fallen wir um; dann können wir uns nicht ins Gleichgewicht setzen, wie wir uns zu den Farben nicht in Beziehung bringen können, wenn das Auge zerstört ist. 

En de evenwichtszin. We hebben een op de zintuigen gebaseerd bewustzijn dat we in evenwicht zijn. Zo’n bewustzijn hebben we. We weten door een zekere innerlijke zintuiglijke waarneming hoe onze positie is ten opzichte van rechts en links, voor en achter, hoe we ons evenwicht bewaren opdat we niet omvallen. Wanneer het orgaan van onze evenwichtszin niet meer functioneert, vallen we om. Dan kunnen we niet het evenwicht opzoeken, zoals we zonder functionerende ogen geen kleurbeleving kunnen hebben.

Blz. 134  vert. 130

Da haben wir zunächst vier Sinne: Tastsinn, Lebenssinn, Bewegungssinn, Gleichgewichtssinn. Diese Sinne sind hauptsächlich durchdrungen von Willenstätigkeit. Der Wille wirkt hinein in das Wahrnehmen durch diese Sinne.

De tastzin, de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin worden voornamelijk doordrongen door wilsactiviteit. De wil werkt door in het waarnemen door deze zintuigen.

Der ruhende Wille wirkt auch in die Wahrnehmung Ihres Gleichgewichtes hinein.

De wil in toestand van rust werkt ook door in de waarneming van uw evenwicht.

Blz. 134  vert. 131

Gleichgewichtssinn, Bewegungssinn, Lebenssinn und Tastsinn sind Willenssinne im engeren Sinne. Beim TastSinn sieht der Mensch äußerlich, daß er zum Beispiel seine Hand bewegt, wenn er etwas betastet: daher ist es für ihn offenbar, daß dieser Sinn für ihn vorhanden ist. Beim Lebenssinn, Bewegungssinn und Gleichgewichtssinn ist es nicht so offenbar, daß diese Sinne vorhanden sind. Da sie aber im besonderen Sinne Willenssinne sind, so verschläft der Mensch diese Sinne, weil er ja im Willen schläft. 

Evenwichtszin, bewegingszin, levenszin en tastzin zijn wilszintuigen in engere zin.
Bij de tastzin ziet de mens van buitenaf dat hij bijvoorbeeld zijn hand beweegt wanneer hij iets betast. Daardoor blijkt duidelijk dat dit zintuig bestaat. Bij de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin treedt dat niet zo duidelijk aan de dag. Omdat ze namelijk in het bijzonder wilszintuigen zijn ‘verslaapt’ de mens deze zintuigen; hij slaapt immers in de wil.

M.n. bijv. aan de evenwichtszin kun je beleven dat deze veel meer ‘wil’ is dan ‘kennis’. Bij de ‘gedachte-zin’, de ‘woordzin’ wordt een andere wakkerheid zichtbaar dan wanneer we ons evenwicht verliezen – dat we onmiddellijk – nog vóór we het echt verliezen, weer herstellen: daar komt geen denken aan te pas, maar een grote wilsactiviteit: een werkzaamheid, daad, van binnenuit om ons ‘overeind’ te houden. Je zou kunnen zeggen: wij herstellen ons evenwicht niet: het wordt hersteld – als wakkere mens staan we er eigenlijk buiten; dat is met het ervaren van het andere Ik of met het doorgronden van de gedachten van anderen, heel anders.
.

GA 293   vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: zintuigen [8-4]

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2194-2061

.

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over spel (GA 311)

.

Zie de inleiding

GA 311

Blz.  29/30      vert. 29/30

Und so muß man den Übergang im Zahnwechsel beobachtend er­leben. Man wird dann finden, daß das Kind vor allen Dingen die symbolisierende Gabe, die Phantasiegabe herausentwickelt aus dem, daß es vorher ganz Sinnesorgan ist, und darauf muß man rechnen, auch schon im Spiel. Unsere materialistische Zeit sündigt furchtbar dagegen. So bekommt man heute zum Beispiel überall sogenannte schöne Puppen für die Kinder. Oh, die haben ein so schön geformtes Gesicht, wunderbar gestrichene Wangen, sogar Augen, mit denen sie schlafen können, wenn man sie hinlegt, echte Haare, und was nicht alles! Aber damit wird die Phantasie des Kindes totgemacht. Es kann selber nichts mehr in der Phantasie aus dieser Gestalt ma­chen. Das Kind erlebt auch nicht so viel Freude daran. Dagegen macht man selbst eine Puppe aus einer Serviette oder einem Taschen­tuch, mit zwei Tintenklecksen die Augen, mit einem Tintenklecks einen Mund, man kann auch irgendwie Arme formen, dann kann das Kind mit der Phantasie sehr viel dazusetzen. Das ist für das Kind ganz besonders gut, möglichst viel dazusetzen zu können, die Phan­tasie, die symbolisierende Tätigkeit entwickeln zu können Das ist dasjenige, was man für sie suchen muß; möglichst wenig Fertiges, Schönes, wie man es nennt, geben. Denn das Schöne solch einer Puppe, wie ich sie vorhin beschrieben habe, mit echten Haaren und so weiter, ist nur konventionell schön; in Wahrheit ist diese Puppe ja scheußlich, weil sie unkünstlerisch ist.

En op deze manier moet je de overgang bij het tandenwisselen observerend meebeleven. Dan zul je ontdekken dat het kind bovenal de symboliserende gave, de gave van de fantasie ontwikkelt, uit, dat het daarvóór een en al zintuig is en daar moet je rekenen, mee houden, ook bij het spel. Daar zondigt onze materialistische tijd vreselijk tegen. Zo heb je tegenwoordig bv. overal de zogenaamde mooie poppen voor de kinderen. O, die hebben een mooi gevormd gezicht, wonderbaarlijk gladde wangetjes, zelfs ogen waarmee ze kunnen slapen als je ze neerlegt, echte haren en wat dies meer zij! Maar daarmee wordt de fantasie van het kind doodgemaakt. Het kan zelf niets meer in zijn fantasie uit dit ding maken. Het kind beleeft er ook niet zo veel plezier aan. Daarentegen kun je zelf een pop maken van een servet of een zakdoek, met twee inktvlekken als oog, met een inktvlek als mond; je kunt ook op de een of andere manier armen vormen, dan kan het kind er met zijn fantasie zeer veel aan toevoegen. Het is voor een kind heel goed er veel aan toe te kunnen voegen; om de fantasie, de symboliserende activiteit, te kunnen ontwikkelen. Dat moet je voor hem opzoeken; zo min mogelijk geven wat af en mooi is, zoals men dat noemt. Want het mooie van zo’n pop die ik net beschreven heb, met echte haren enz., is alleen maar conventioneel mooi; in waarheid is deze pop afzichtelijk, omdat die onkunstzinnig is.

GA 311/29    Op deze blog vertaald/29

Rudolf Steiner over spelalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Spelalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle beelden.

.

2193-2060

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-2)

.

Artikel in opbouw

Enige opmerkingen bij blz. 129 vert.

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

2. GEDACHTEZIN

Bij de Ik-zin gaat het dus NIET om het waarnemen van het eigen Ik, maar om dat van iemand anders; precies zo is het met de gedachtezin.

Blz.. 132     vert. blz. 129

Dann haben wir als nächsten Sinn, aber getrennt von dem Ich-Sinn und von allen übrigen Sinnen, denjenigen zu beachten, den ich bezeichne als Gedankensinn. Gedankensinn ist nicht der Sinn für die Wahrnehmung eigener Gedanken, sondem für das Wahrnehmen der Gedanken der anderen Menschen.

Het volgende zintuig is wat ik de gedachtezin noem, die los staat van de ik-zin en van alle andere zintuigen. De gedachtezin is niet het zintuig voor de waarneming van eigen gedachten, maar voor de waarneming van gedachten van andere mensen.

Over de samenhang denken-taal is veel gefilosofeerd. De mening heerst dat we met de taal ook altijd de gedachten in ons opnemen. Maar volgens Steiner kun je met je gedachtezin even goed gedachten waarnemen die liggen in ruimtelijke gebaren als gedachten die liggen in de gesproken taal.

Vor allen Dingen sind die Leute so sehr von der Zusammengehörigkeit von Sprache und Denken beeinflußt, daß sie glauben, mit der Sprache wird immer auch das Denken aufgenommen. Das ist ein Unding. Denn Sie könnten die Gedanken durch Ihren Gedankensinn ebenso als liegend in äußeren Raumesgebärden wahrnehmen wie in der Lautsprache. Die Lautsprache vermittelt nur die Gedanken. Sie müssen die Gedanken für sich selbst durch einen eigenen Sinn waIrrnehmen. 

Men is zozeer beïnvloed door de samenhang van taal en denken dat men meent dat we met de taal altijd ook de gedachten in ons opnemen. Dat is een onzinnig idee. Met uw gedachtezin kunt u namelijk even goed gedachten waarnemen die liggen in ruimtelijke gebaren als gedachten die liggen in de gesproken taal. De gesproken taal geeft alleen maar uiting aan gedachten. U moet de gedachten zelf met het daarbij behorende zintuig waarnemen.

Wij waren eens in het niet meer bestaande Joegoslavië op vakantie. Dat was toen nog een tamelijk streng communistisch land en je mocht er niet vrij kamperen. We vroegen wel bij tijd en wijle aan bewoners van boerderijen of we daar onze tent mochten opzetten. Toen we een keer een oprit opliepen, kwam er een oude vrouw op ons af die – het voor ons zo bekende ‘wegwerpgebaar’ maakte. We keerden dan ook om. Later hoorden wij dat dit een gebaar van uitnodiging was.
Hadden wij dit geweten, dan zouden wij in het gebaar haar gedachte: ‘Komen jullie maar’ hebben kunnen ‘lezen’. We zouden haar in ieder geval zonder woorden hebben begrepen. 

Steiner bevestigt deze ervaring min of meer met:

Und wenn einmal für alle Laute die eurythmischen Zeichen ausgebildet sind, so braucht Ihnen der Mensch nur vorzueurythmisieren und Sie lesen aus seinen eurythmischen Bewegungen ebenso die Gedanken ab, wie Sie in der Lautsprache sie hörend aufnehmen. Kurz, der Gedankensinn ist etwas anderes, als was im Lautsinn, in der Lautsprache wirkt. – Dann haben wir den eigentlichen Sprachsinn.

Wanneer ooit voor alle klanken de euritmische gebaren ontwikkeld zijn,° dan hoeft iemand u slechts voor te euritmiseren en u leest aan zijn euritmische gebaren even goed de gedachten af als u ze in de klanken van de taal kunt horen. Met andere woorden, de gedachtezin is iets anders dan wat in de klankzin, wat in de klankentaal werkt. Met dit laatste komen we bij de eigenlijke taalzin.

°euritmisch: De euritmie is een nieuwe bewegingskunst, die door Steiner is ontwikkeld. Daarbij is het lichaam het instrument om een muziekstuk of een literair werk (proza of poëzie) zichtbaar te maken. Vgl. Euritmie, spraakvorming en toneelkunst, WV-I13; Eurythmie. Die Offenbarung der sprechenden Seele, GA 277; Jelle van der Meulen/Willemijn Otte, Bezield bewegen. Wat is euritmie?, Zeist 1992.

De euritmische gebarentaal

Aan het eind van de opmerkingen over de gedachtezin, zien we voor de ‘woordzin’, nieuwe karakteristieknamen: klank-zin en taalzin.

GEDACHTEZIN ALS BEWUSTZIJNSZIN

Bij de Ik-zin gaat Steiner uitvoerig in op de kwaliteit van de de ‘bovenste’ zintuigen als ‘kenniszintuigen’ t.o. de gevoels- maar vooral de wilszintuigen.

Op blz. 137  vert. 133 voegt hij nog toe:

Ich habe noch hinzuzufügen, daß Ich-Sinn, Gedankensinn, Hörsinn und Sprachsinn mehr Erkenntnisse sind, weil der Wille darin eben der schlafende Wille ist, der wirklich schlafende Wille, der in seinen Äußerungen vibriert mit einer Erkenntnistätigkeit. So lebt schon in der Ich-Zone des Menschen Wille, Gefühl und Erkenntnis, und sie leben mit Hilfe von Wachen und Schlafen.

Ik moet hier nog aan toevoegen dat de ik-zin, de gedachtezin, de gehoorzin en de taalzin meer kenniszintuigen zijn, omdat de wil daarin slaapt, werkelijk slaapt en in zijn uitingen meetrilt met een ken-activiteit. Zo leven zelfs in de zone van het ik van de mens willen, voelen en kennen, en wel met behulp van waken en slapen.

.

GA 293   vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: zintuigen [8-4]

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2192-2059

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-1)

.

GA 293*    Vertaling

DE TWAALF ZINTUIGEN

[1] DE IK-ZIN

GA 293 [1]  blz. 124/125   vert. 121/122

( ) weil man einfach nicht beachtet, daß der Mensch ein ähnliches Verhältnis zu seiner Umwelt hat, wenn er das Ich eines anderen Menschen
wahrnimmt, wie er es hat, wenn er eine Farbe wahrnimmt durch den
Sehsinn. (  )

Wanneer de mens het ik van een ander mens waarneemt, heeft hij eenzelfde soort relatie tot de wereld om hem heen als wanneer hij een kleur waarneemt met zijn gezichtsvermogen.

Wenn einer an die Ich-Vorstellung denkt, so denkt er zunächst an seine
eigene Seelenwesenheit; dann ist er gewöhnlich zufrieden. Fast machen
es die Psychologen auch so. Sie bedenken gar nicht, daß es etwas völlig
Verschiedenes ist, ob ich durch das Zusammennehmen dessen, was ich
an mir selbst erlebe, zuletzt die Summe dieses Erlebens als «Ich» bezeichne oder ob ich einem Menschen gegenübertrete und durch die
Art, wie ich mich zu ihm in Beziehung setze, auch diesen Menschen als
ein «Ich» bezeichne. Das sind zwei ganz verschiedene geistig-seelische Tätigkeiten. Das eine Mal, wenn ich meine Lebenstätigkeiten in der
umfassenden Synthesis «Ich» zusammenfasse, habe ich etwas rein Innerliches; das andere Mal, wenn ich dem anderen Menschen gegenübertrete und durch meine Beziehung zu ihm zum Ausdruck bringe, daß
er auch so etwas ist wie mein Ich, habe ich eine Tätigkeit vor mir, die
im Wechselspiel zwischen mir und dem anderen Menschen verfließt.
Daher muß ich sagen: Die Wahrnehmung meines eigenen Ich in meinem Inneren ist etwas anderes, als wenn ich den anderen Menschen als
ein Ich erkenne. Die Wahrnehmung des anderen Ich beruht auf dem
Ich-Sinn, so wie die Wahrnehmung der Farbe auf dem Sehsinn, die
des Tones auf dem Hörsinn beruht. Die Natur macht es dem Menschen
nicht so leicht, beim «Ichen» das Organ des Wahrnehmens so offen zu
sehen wie beim Sehen. Aber man könnte gut das Wort «Ichen» gebrauchen für das Wahrnehmen anderer Iche, wie man das Wort Sehen gebraucht beim Wahrnehmen der Farbe. Das Organ der Farbenwahrnehmung ist außen am Menschen; das Organ der Wahrnehmung der Iche
ist über den ganzen Menschen ausgebreitet und besteht in einer sehr
feinen Substantialität, und daher reden die Menschen nicht vom IchWahrnehmungsorgan. Dieses Ich-Wahrnehmungsorgan ist etwas anderes als das, was bewirkt, daß ich mein eigenes Ich erlebe. Es ist sogar ein gewaltiger Unterschied zwischen dem Erleben des eigenen Ich
und dem Wahrnehmen des Ich bei einem anderen. Denn das Wahrnehmen des Ich bei einem anderen ist im wesentlichen ein Erkenntnisvorgang, wenigstens ein der Erkenntnis ähnlicher Vorgang; das Erleben des eigenen Ich dagegen ist ein Willensvorgang.

Denkt iemand aan de ik-voorstelling, dan denkt hij het eerst aan zijn eigen zielenwezen; dan is hij meestal al tevreden.
Maar er is sprake
van twee totaal verschillende dingen, wanneer ik alles wat ik van mezelf ervaar onder één noemer breng en het totaal daarvan ‘ik’ noem, en wanneer ik tegenover iemand anders sta en door de wijze waarop ik me met de ander verbind ook die ander een ‘ik’ kan noemen. Dat zijn twee totaal verschillende activiteiten van geest en ziel.
Wanneer ik al mijn doen en laten samenvat in de alomvattende synthese ‘ik’, dan is dat een louter innerlijk proces. Wanneer ik tegenover een ander sta en door mijn relatie tot de ander tot uitdrukking breng dat ook hij iets dergelijks is als mijn ik, dan is dat een activiteit die zich in de wisselwerking tussen mij en de ander afspeelt.
Ik moet dus zeggen dat het waarnemen van mijn eigen ik in mijn innerlijk iets anders is dan het inzien dat een ander mens ook een ik is. De waarneming van het ik van een ander berust op de ik-zin, zoals de waarneming van kleur berust op de gezichtszin en de waarneming van klank op het gehoor. De natuur maakt het de mens niet zo gemakkelijk om het waarnemingsorgaan voor het ik net zo duidelijk te zien als dat van het zien. Maar men zou heel goed het woord ‘ikken’ kunnen gebruiken voor het waarnemen van het ik van anderen, zoals men het woord ‘zien’ gebruikt voor het waarnemen van kleur. Het waarnemingsorgaan voor kleur zit aan de buitenkant van de mens; het orgaan dat het ik waarneemt, is over de gehele mens uitgestrekt en bestaat uit een zeer fijne substantie; daarom merken de mensen het niet op. Dit waarnemingsorgaan voor het ik is iets anders dan dat wat bewerkstelligt dat ik mijn eigen ik ervaar. Er is zelfs een geweldig groot verschil tussen het ervaren van het eigen ik en het waarnemen van het ik van een ander. Het laatste is in essentie een kenproces, althans een proces dat met het kennen verwant is; het eerste is een wilsproces.

Deze Ik-zin begrijpen lijkt op het eerste gezicht niet zo moeilijk.
Want als je er over nadenkt en nog niet alles gelezen wat er nog meer bijkomt, kom je makkelijk tot deze conclusie, waarvan Steiner weet dat vele mensen die trekken:
.
Eigentlich sieht man vom äußeren Menschen seine Gestalt, man hört seine Töne, und dann weiß man, daß man selbst so menschlich ausschaut wie der andere Mensch, daß man drinnen in sich ein Wesen hat, das denkt und fühlt und will, das also auch seelisch-geistig ein Mensch ist. – Und so schließt man durch Analogie: Wie in mir selbst ein denkendes, fühlendes, wollendes Wesen ist, so ist es auch beim anderen. – Ein Analogieschluß von mir selbst auf
den anderen wird vollzogen.

Je ziet eigenlijk de gestalte van een mensenlichaam, je hoort wat voor klanken de ander produceert en je weet dat je er zelf ook zo als een mens uitziet en dat je in jezelf een wezen hebt dat denkt, voelt en wil en dat de mens dus ook ziel en geest heeft. En analoog daaraan concludeer je: zoals in mijzelf een denkend, voelend en willend wezen bestaat, zo is dat ook bij die ander. -Dat is een conclusie naar analogie, waarbij je redeneert van jezelf naar de ander. 

Toen ik voor het eerst met deze inzichten kennis maakte, heb ik dat ook gedacht. Zo meende ik het te moeten begrijpen.
Niet wetende dat ik me daarmee onder de ‘abstractelingen’ schaarde ‘die een dwaasheid begaan’.
Dat heeft mij niet weerhouden te proberen minder abstract te zijn, maar dat valt tot op heden niet mee.
Want er gebeurt tussen de twee mensen-Ikken iets heel anders: 

Das Wechselverhältnis zwischen dem einen Menschen und dem anderen schließt etwas ganz anderes in sich. Stehen Sie einem Menschen gegenüber, dann verläuft das folgendermaßen: Sie nehmen den Menschen wahr eine kurze Zeit; da macht er auf Sie einen Eindruck. Dieser Eindruck stört Sie im Inneren: Sie fühlen, daß der Mensch, der eigentlich ein gleiches Wesen ist wie Sie, auf Sie einen Eindruck macht wie eine Attacke. Die Folge davon ist, daß Sie sich
innerlich wehren, daß Sie sich dieser Attacke widersetzen, daß Sie gegen ihn innerlich aggressiv werden. Sie erlahmen im Aggressiven, das Aggressive hört wieder auf; daher kann er nun auf Sie wieder einen Eindruck machen. Dadurch haben Sie Zeit, Ihre Aggressivkraft wieder zu erhöhen, und Sie führen nun wieder eine Aggression aus. Sie erlahmen darin wieder, der andere macht wiederum einen Eindruck auf Sie und so weiter. Das ist das Verhältnis, das besteht, wenn ein Mensch dem anderen, das Ich wahrnehmend, gegenübersteht: Hingabe an den Menschen – innerliches Wehren; Hingabe an den anderen – innerliches Wehren; Sympathie – Antipathie; Sympathie – Antipathie. Ich rede jetzt nicht von dem gefühlsmäßigen Leben, sondern nur von dem wahrnehmenden Gegenüberstehen. Da vibriert die Seele; es vibrieren: Sympathie – Antipathie, Sympathie – Antipathie, Sympathie – Antipathie.

De wisselwerking tussen twee mensen behelst nog iets heel anders. Staat u tegenover iemand dan gaat het als volgt. U neemt de ander gedurende korte tijd waar; hij werkt op u in, maakt een indruk op u. Deze indruk stoort u in uw innerlijk: u voelt dat de ander, die eigenlijk eenzelfde wezen is als u, een indruk maakt als van een aanval. Het gevolg is dat u zich innerlijk teweerstelt, dat u zich verzet tegen deze aanval, dat u innerlijk agressief tegen hem wordt. Uw agressie neemt weer af en houdt op; daardoor kan de ander weer op u inwerken. Daardoor heeft u de tijd uw agressie weer te versterken en dan maakt u innerlijk weer een agressieve beweging. Die agressie neemt weer af, de ander kan weer een indruk op u maken enzovoort. Dat is de relatie tussen twee mensen, wanneer de een het ik van de ander waarneemt: overgave aan de ander — innerlijke afweer; overgave — afweer; sympathie — antipathie; sympathie — antipathie. Ik heb het nu niet over het gevoelsleven, maar alleen over het waarnemen van de ander tegenover je. Daarbij vibreert de ziel in sympathie — antipathie, sympathie – antipathie, sympathie – antipathie. [2]

Nu zou er ook nog iets anders gebeuren. Ik weet (nog) niet of dat te maken heeft met een ervaring die ik heb – en die anderen ook hebben – dat het moeilijk is om wanneer je tegenover de ander zit of staat en met hem spreekt, steeds naar de ogen te kijken, je wendt je blik steeds af om weer terug te keren enz.’ of je kijkt niet meer naar de ogen, maar naar de mond, ook niet zo lang; in de aandacht lijkt dat wel op ‘meer’, ‘minder’, alsof er iets is van ‘wakkerder’ en ‘minder wakker’. 

Blz. 126   vert. 123

Aber es ist noch etwas anderes der Fall. Indem die Sympathie sich
entwickelt, schlafen Sie in den anderen Menschen hinein; indem die
Antipathie sich entwickelt, wachen Sie auf und so weiter. Das ist ein
sehr kurz dauerndes Abwechseln zwischen Wachen und Schlafen in
Vibrationen, wenn wir dem anderen Menschen gegenüberstehen. Daß
es ausgeführt werden kann, verdanken wir dem Organ des Ich-Sinnes.Dieses Organ des Ich-Sinnes ist also so organisiert, daß es nicht in seinem wachenden, sondern in einem schlafenden Willen das Ich des anderen erkundet – und dann rasch diese Erkundung, die schlafend vollzogen wird, in die Erkenntnis hinüberleitet, das heißt, in das Nervensystem hinüberleitet. So ist, wenn man die Sache richtig betrachtet, die Hauptsache beim Wahrnehmen des anderen doch der Wille, aber eben gerade der Wille, wie er sich nicht wachend, sondern schlafend entwickelt; denn wir spinnen fortwährend schlafende Augenblicke in
den Wahrnehmungsakt des anderen Ich ein. Und was dazwischen liegt,
ist schon Erkenntnis; das wird rasch abgeschoben in die Gegend, wo
das Nervensystem haust, so daß ich nennen kann die Wahrnehmung
des anderen wirklich einen Erkenntnisvorgang, aber wissen muß, daß
dieser Erkenntnisvorgang nur eine Metamorphose eines schlafenden
Willensvorganges ist. So ist also auch dieser Sinnesvorgang ein Willensvorgang, nur erkennen wir ihn nicht als solchen. Wir leben nicht bewußt alles Erkennen, das wir im Schlafe erleben.

Bij de ontwikkeling van sympathie geeft u zich slapend over aan de ander; bij de antipathie wordt u wakker enzovoort. Wanneer we tegenover een ander staan wisselen waken en slapen elkaar in zeer kortstondige trillingen af. Dat dit mogelijk is, hebben we te danken aan het orgaan van de ik-zin. Dit orgaan is dus zo opgebouwd dat het niet in de wakkere wil, maar in een slapende wil het ik van de ander waarneemt en dan snel deze slapend voltrokken waarneming tot kennis brengt, dat wil zeggen, in het zenuwstelsel brengt. Wanneer men de zaak dus precies bekijkt, dan is de hoofdzaak bij het waarnemen van de ander toch de wil en wel niet de wakkere, maar de slapend verlopende wil. Bij het waarnemen van een ander ik vallen we voortdurend kort in slaap. En wat daartussen ligt, behoort al tot het gebied van het kennen. Dat wordt fluks doorgeschoven naar het gebied van de zenuwen. Daarom kan ik de waarneming van een ander inderdaad een kenproces noemen, maar ik moet dan wel voor ogen houden dat dit kenproces slechts een metamorfose is van een slapend wilsproces. Zo is ook dit zintuigproces een wilsproces, alleen herkennen we het niet als zodanig. We zijn ons niet van elk kennen bewust dat we slapend doormaken.
GA 293/124-126
Vertaald/121-123

Op blz. 132  vert. 128

voegt Steiner hierover nog toe:

Ich habe noch hinzuzufügen, daß Ich-Sinn, Gedankensinn, Hörsinn und Sprachsinn mehr Erkenntnisse sind, weil der Wille darin eben der schlafende Wille ist, der wirklich schlafende Wille, der in seinen Äußerungen vibriert mit einer Erkenntnistätigkeit. So lebt schon in der Ich-Zone des Menschen Wille, Gefühl und Erkenntnis, und sie leben mit Hilfe von Wachen und Schlafen.

Ik moet hier nog aan toevoegen dat de ik-zin, de gedachtezin, de gehoorzin en de taalzin meer kenniszintuigen zijn, omdat de wil daarin slaapt, werkelijk slaapt en in zijn uitingen meetrilt met een ken-activiteit. Zo leven zelfs in de zone van het ik van de mens willen, voelen en kennen, en wel met behulp van waken en slapen.
GA 293/132
Vertaald/128

.

[1] GA 293   vertaald
[2] Steiner verwijst hier naar GA 4, Filosofie van de vrijheid/v.a. blz.208

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3]
GA 295
Praktijk van het lesgeven.

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: zintuigen [8-4]

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2191-2058

.

.

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4)

.

de twaalf zintuigen
.

ALGEMEEN

Op blz. 120 (vert) begint Steiner – zij het nog beknopt – met ‘de zintuigen’.
Hij is zeer stellig:

Blz. 124   vert. 120

Der Mensch hat im ganzen zwölf Sinne.

De mens heeft in totaal twaalf zintuigen.

Zeker in de tijd waarin Steiner dit beweerde – zo vanaf 1909 – was dat = letterlijk = ongehoord – er werd over vijf zintuigen gesproken, soms zes of zeven, en dat is jaren zo gebleven. Inmiddels worden er wel meer dan vijf onderscheiden, maar tot twaalf is men ook meer dan honderd jaar later niet gekomen.

Steiners zintuigleer is niet te begrijpen zonder ‘geest – ziel – lichaam’.
En omdat ‘geest’ in 869 al werd afgeschaft, ligt het voor de hand dat de ‘geestelijke’ zintuigen voor de huidige manier van denken, nauwelijks toegankelijk zijn.

De twaalf zintuigen in schema:

Zintuigen van de geest:

1. Ik-zin                                                
2.Gedachte-zin
3.Woord-zin
4.Gehoors-zin

Zintuigen van de ziel

5. Warmte-zin                                                                           
6. Gezichts-zin
7. Smaak-zin
8.Reuk-zin

Zintuigen van het lichaam:

  9. Evenwichts-zin
10.(Eigen)beweging-zin
11.Levens-zin
12.Tast-zin                                           

Vaak wordt ook begonnen met de tastzin als nr. 1

Uiteraard is de ‘Algemene menskunde’ niet de enige plaats waar Steiner over de zintuigen spreekt. En telkens wordt er wel weer een nieuw aspect belicht of worden andere woorden gekozen.

Zo tot aan blz. 125 maakt hij wat losse opmerkingen over verschillende zintuigen.
Deze heb ik opgenomen bij de betreffende zintuigen, zie schema hierboven.

Met: So bekommen Sie die Tafel der Sinne als zwölf Sinne. Tatsächlich hat der Mensch zwölf solcher Sinne.

Zo krijgt u een scala van twaalf zintuigen. De mens heeft inderdaad twaalf zintuigen.
GA 293/128
Vertaald/125

lijkt er al een einde te komen aan de beschouwingen over de zintuigen.

ZINTUIGEN IN RELATIE TOT DENKEN, VOELEN, WILLEN

Op blz. 120 (vert) gaat Steiner even terug naar voordracht 7 [7-7-3][<1> waarin uiteengezet werd dat de zintuigprocessen voornamelijk wilsprocessen zijn en zich in een gevoels/wilssfeer afspelen. Hij constateert zijn eigen ‘tegenspraak’ wanneer hij over de ik-zin zegt dat deze meer een kenproces is. 
Op blz. 122 (vert) constateert hij dat hiermeede mogelijkheid tot pedante bezwaren tegen het kennisachtige van e n k e l e  zintuigen is weggenomen, doordat we hebben gezien hoe dit kennisachtige toch, verhuld, berust op de wil.

Het is goed om in de gaten te houden dat het bespreken van de zintuigen in deze 8e voordracht uitgaat van denken, voelen en willen en dat het verschijnsel ‘kennis (wakker) – wil (slaap) hoort bij het standpunt van de ‘bewustzijnstoestanden’.
We zien hier iets terug van ‘indelen’, dat enerzijds noodzakelijk is om tot kennen te komen, anderzijds tegelijk het gevaar inhoudt te dogmatisch vast te houden aan de (scherpe) indeling.
De zintuigen zijn dus in hoofdzaak wilsmatig, maar er zijn ook ‘gevoels- en kenniselementen’ aanwezig. 

Tastsinn, Lebenssinn, Bewegungssinn, Gleichgewichtssinn. Diese Sinne sind hauptsächlich durchdrungen von Willenstätigkeit.

De tastzin, de levenszin, de bewegingszin worden voornamelijk (! voornamelijk) doordrongen door wilsactiviteit.
GA 293/128
Vertaald/125

Ich habe noch hinzuzufügen, daß Ich-Sinn, Gedankensinn, Hörsinn und Sprachsinn mehr Erkenntnisse sind, weil der Wille darin eben der schlafende Wille ist, der wirklich schlafende Wille, der in seinen Äußerungen vibriert mit einer Erkenntnistätigkeit. So lebt schon in der Ich-Zone des Menschen Wille, Gefühl und Erkenntnis, und sie leben mit Hilfe von Wachen und Schlafen.

Ik moet hier nog aan toevoegen dat de ik-zin, de gedachtezin, de gehoorzin en de taalzin meer kenniszintuigen zijn, omdat de wil daarin slaapt, werkelijk slaapt en in zijn uitingen meetrilt met een ken-activiteit. Zo leven zelfs in de zone van het ik van de mens willen, voelen en kennen, en wel met behulp van waken en slapen.
GA 293/132
Vertaald/128

Nachdem wir nun die Möglichkeit hinweggeräumt haben, pedantisch Einwendungen zu machen gegen das Erkenntnisgemäße mancher Sinne, weil wir ja erkannt haben, daß dieses Erkenntnisgemäße doch in geheimer Weise auf dem Willen beruht, können wir jetzt die Sinne weiter gliedern. 

Nu de mogelijkheid tot pedante bezwaren tegen het kennisachtige van enkele zintuigen is weggenomen, doordat we hebben gezien hoe dit kennisachtige toch, verhuld, berust op de wil, kunnen we nu de zintuigen verder onderverdelen.
GA 293/128
Vertaald/125

Steiner past hier veelvuldig zijn methode toe, wil je tot in zicht komen, door tegenstellingen op te zoeken. Dat is verhelderend. Tegelijkertijd staan de opmerkingen over één zintuig dan verspreid. In de artikelen over de zintuigen ‘een voor een’ heb ik geprobeerd deze karakteristieken bij elkaar te zetten.

Na de gezichtszin in samenhang met de evenwichtszin te hebben besproken, uitmondend in wat oordelen is, merkt Steiner op:

Sie sehen jetzt hinein in den tieferen Sinn unseres Verhältnisses zur Welt.

U werpt hiermee een blik op de diepere zin van onze relatie tot de wereld.
GA 293/131
Vertaald/127

RELATIE TOT DE WERELD

En dat is toch iets wat je als vrijeschool(leerkracht) tot stand wil brengen: dat de kinderen een ‘relatie tot de wereld’ hebben.

Dat streef je al na met de inhoud van de leerstof zoals duidelijk blijkt uit – om  maar enkele vakken te noemen – plant- en dierkunde, natuur- en scheikunde. Met ‘de zintuigen’ komt daar een aspect bij.

Blz. 131  vert. 127

Hätten wir nicht zwölf Sinne,  würden wir wie Stumpflinge auf unsere Umgebung hinschauen, würden nicht innerlich das Urteilen erleben können. Da wir aber zwölf Sinne haben, so haben wir damit eine ziemlich große Anzahl von Möglichkeiten, das Getrennte zu verbinden.

Hadden we niet twaalf zintuigen, dan zouden we als stompzinnigen naar onze omgeving staren, dan zouden we niet tot een innerlijk oordelen kunnen komen. Maar aangezien we twaalf zintuigen hebben, hebben we daardoor een tamelijk groot scala aan mogelijkheden om de afzonderlijke delen met elkaar te verbinden.

Wat hierboven zo schematisch wordt weergegeven, komt uiteraard in het leven zo gescheiden niet voor. Dat werd duidelijk aan de gezichts- en evenwichtszin. Wat de wilszintuigen betreft zullen we nauwelijks in staat zijn, deze bewust met elkaar te verbinden, maar met de bewustzijnszintuigen gaat dat natuurlijk makkelijker, al verwacht je door deze opmerking anders:

Was der Ichsinn erlebt, können wir mit den elf anderen Sinnen verbinden, und das gilt so für jeden Sinn. Wir bekommen dadurch eine große Anzahl von Permutationen für die Zusammenhänge der Sinne.

Wat de ik-zin ervaart, kunnen we met de elf andere zintuigen verbinden en dat geldt voor ieder ander zintuig. Daardoor krijgen we een groot aantal permutaties in de samenhang van de zintuigen.

Ook algeldt dit voor ieder zintuigSteiner geeft alleen een voorbeeld met de ‘bewustzijnszintuigen’:

Aber außerdem bekommen wir auch noch eine große Anzahl von Möglichkeiten in dieser Beziehung, indem wir zum Beispiel den Ich-Sinn mit dem Gedankensinn und dem Sprachsinn zusammen verbinden und so weiter.

Maar bovendien hebben we ook nog een groot aantal mogelijke relaties, door bijvoorbeeld de ik-zin te verbinden met de gedachtezin en taalzin samen enzovoort.
GA 293/131
Vertaald/127

HET WEZENLIJKE VAN DE ZINTUIGEN

Da sehen wir, in wie geheimnisvoller Weise der Mensch mit der Welt verbunden ist. 

We zien hoe de mens op wonderbaarlijke wijze met de wereld is verbonden.

Durch seine zwölf Sinne zerlegen sich die Dinge in ihre Bestandteile, und der Mensch muß in die Lage kommen können, daß er sich die Dinge aus den Bestandteilen wieder zusammensetzt. Dadurch nimmt er teil an dem inneren Leben der Dinge.

Door de twaalf zintuigen worden de dingen geanalyseerd in hun bestanddelen en de mens moet in staat zijn deze bestanddelen weer samen te voegen tot de dingen. Daardoor neemt hij deel aan het innerlijk leven van de dingen.

VOOR DE OPVOEDING

Daher werden Sie begreifen, wie unendlich wichtig es ist, daß der Mensch so erzogen werde, daß vieles in gleichmäßiger Pflege in dem einen Sinn entwickelt wird wie in dem anderen Sinn, da dann ganz bewußt systematisch, die Beziehungen zwischen den Sinnen, den Wahrnehmungen, aufgesucht werden.

U zult dus begrijpen hoe uitermate belangrijk het is dat de mens een opvoeding krijgt waarbij alle zintuigen gelijkelijk worden verzorgd en ontwikkeld, zodat bewust en systematisch de relaties tussen de zintuigen, tussen de waarnemingen worden gezocht.
GA 293/131
Vertaald/128

Met de hieronder weergegeven link naar ‘zintuigen alle artikelen’ kom je bij allerlei artikelen waaronder een aantal waarin ‘het oefenen van de zintuigen’ vanuit praktische voorbeelden beschreven wordt.

.

GA 293   vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2190-2057

.

.

.

.

.

.

.