Tagarchief: spel en temperament GA 297 vragenbeantw. blz. 268

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over spel (GA 297)

.

Zie de inleiding

GA 297

Blz. 58    vert. 58

Was wird heute zum Beispiel für Unfug getrieben mit der Einordnung des Spiels in den Unterricht, in die Kindererziehung. Bei dieser Einordnung des Spiels wird sehr häufig das Allerwichtigste nicht berücksichtigt: Wenn das Spiel streng geregelt wird und das Kind sein Spiel in einer bestimmten Richtung verlaufen lassen muß, ist es kein Spiel mehr. Das Wesen des Spiels besteht darin, daß es frei ist. Wenn Sie aber das Spiel wirklich zum Spiel machen, wie es nötig ist für den Unterricht und für die Erziehung, dann werden Sie auch nicht mehr in die alberne Redensart fallen: daß auch der Unterricht ein bloßes Spiel sein solle. Dann werden Sie vielmehr in dem Rhyth­mus, der in das Leben des Kindes hineingebracht wird, das Wesentliche suchen, indem Sie Spiel und Arbeit abwechseln lassen.

Wat wordt er tegenwoordig niet aan onzin te berde gebracht wanneer het spel een plaats moet krijgen in het onderwijs, in de opvoeding van kinderen. Hierbij wordt heel vaak het allerbelangrijkste van het spel over het hoofd gezien: als spel strak geregeld wordt en het kind moet zijn spel zus of zo spelen, is het geen spel meer. Het wezenlijke van het spel is nu juist dat het vrij is. 
Wanneer je echter het spel werkelijk tot spel wil maken zoals dit voor het onderwijs en voor de opvoeding nodig is, dan zul je ook niet meer in de naïeve spreektrant vervallen: dat ook het onderwijs louter spel moet zijn. Dan zul je veel meer het wezenlijke zoeken in het ritme dat in het leven van het kind een plaats moet krijgen, wanneer je afwisselend speelt en werkt.
GA 297, 58-59
Op deze blog vertaald/58-59

Blz. 193     vert. 193

Sie [die Beobachtungen] lassen erkennen, daß diejenigen Fähigkeiten, die das Kind im Spiele bis zum siebenten Jahre entwickelt, später wieder auftreten, aber erst in den zwanziger Jahren. In der Zwischenzeit bleiben sie gewissermaßen unter der Oberfläche. In der Zwischenzeit werden die Kräfte verwendet, um Lebenserfahrungen zu sammeln. Vom siebenten Jahre an wird das Spiel zu einem sozialen Spiel. Indivi­duelles Spiel wird erst wieder lebendig in den zwanziger Jahren als Lebenserfahrungskraft.

De waarnemingen laten je weten dat de vaardigheden die een kind tot aan zijn zevende ontwikkelt, later weer tevoorschijn komen, pas tussen het twintigste en dertigste jaar. In de tussentijd blijven ze min of meer onder de oppervlakte. In die tussentijd worden de krachten gebruikt om levenservaringen op te doen. Vanaf het zevende jaar wordt spel sociaal spel. Individueel spel wordt pas weer actief na het twintigste als bron van levenservaring.
GA 297/193
Op deze blog vertaald/193

Blz. 261     vert. 261

Wer gut versteht, wie das Kind in den ersten Lebensjahren, etwa bis zum fünften Jahre hin spielt, wer aus dem ganzen Charakter der kindlichen Indivi­dualität ihm sein Spiel angenehm herrichtet, der bereitet in dem Kinde etwas vor, was nun wiederum im viel späteren Leben zum Ausdruck kommt. Dazu muß man eben das menschliche Leben in seiner Totalität zu betrachten verstehen. Der Botaniker betrachtet die Pflanze in ihrer Totalität. Was heute «Psychologie» sein will, das betrachtet nur immer im Augenblick. Wer einen Menschen betrachtet etwa im fünfündzwanzigsten, sechsundzwanzigsten,

Wie goed begrijpt hoe het kind in de eerste jaren van zijn leven speelt, ongeveer tot het vijfde jaar, wie, met het oog op het hele karakter van de kinderlijke individualiteit, mogelijk maakt dat het fijn kan spelen, die bereidt in het kind iets voor, wat ook weer veel later in het leven tot uitdrukking komt. Daarvoor moet je wél het mensenleven in zijn totaliteit leren begrijpen. De plantkundige bekijkt de plant in zijn totaliteit. Wat tegenwoordig doorgaat voor ‘psychologie’ kijkt slechts naar het moment. Wie naar een mens kijkt wanneer die vijf- zesentwintig,

Blz. 262     vert. 262

siebenundzwanzigsten, ächtundzwanzigsten Jahre – oder etwas früher -, wenn er sich in die Lebenserfahrung hineinfinden soll, ein Verhältnis finden soll zur Lebenspräxis, ein geschickter Mensch, ein zielbewußter Mensch werden soll, wer den Menschen in diesem Lebensalter sachgemäß, exakt zu beobachten versteht, der sieht, wie im kindlichen Spiel – zwischen der Geburt und dem fünften Lebensjahre etwa -, in der Natur des Spielens sich die Art ange­kündigt hat, wie dann in den Zwanzigerjähren der Mensch sich in das Leben als ein praktischer Mensch hineinfindet, als ein geschick­ter, als ein zielbewußter Mensch. Im frühesten Kindesalter bringen wir das, ich möchte sägen mit der Wurzel zur Entwicklung, was später erst als Blüte herauskommt.

zeven- achtentwintig – of iets eerder, wanneer hij om moet kunnen gaan met wat hij ervaart in het leven, het leven aan te kunnen, een doelbewust mens wil worden, wie een mens op deze leeftijd adequaat, precies weet waar te nemen, die ziet hoe in het spel van het kind – zo’n beetje tussen de geboorte en het vijfde jaar – in hoe gespeeld wordt, zich aankondigt hoe, wanneer die mens in de twintig is, die zijn plaats in het leven als een praktisch mens inneemt, als iemand die het leven aankan, als een doelbewust mens. In de vroegste leeftijd brengen wij daarvoor a.h.w. de wortel tot ontwikkeling van wat pas later als bloem tevoorschijn komt. 
GA 297/261-282
Op deze blog vertaald: 261-282

Blz. 267      vert. 267

Fragenbeantwortung

Rudolf Steiner: Es ist zunächst hier eine schriftliche Frage einge­laufen:
In welcher Weise sollte die Individualität des Kindes durch das Spiel beein­flußt werden?
Die hier gemeinte Geisteswissenschaft soll durchaus wirklichkeits­gemäß und niemals als Abstraktion und aus Theorien heraus arbei­ten; daher sind diejenigen Fragen, die man sonst gewöhnlich gern, ich möchte sagen in Kürze, in Bausch und Bogen beantwortet, für Geisteswissenschaft nicht in Kürze zu beantworten. Aber man kann wenigstens immer auf dasjenige hinweisen, wo Geistes­wissenschaft die Richtung sieht. Man wird es ja beim Spiel mit den kleinsten Kindern zu tun haben. Das Spiel ist am charakteristisch­sten etwa bis zum fünften Jahr. Natürlich spielen nachher die Kin­der auch, aber da mischen sich schon in das Spiel allerlei andere Dinge hinein, und das Spiel verliert den Charakter, ganz, ich möchte sagen aus der Willkür des Inneren heraus zu fließen.
Nun wird man, wenn man das Spiel sachgemäß leiten will, vor allen Dingen ein Auge haben müssen für dasjenige, was man die Temperamentsanlägen des Kindes nennt, und andere Dinge, die mit den Temperamentsanlagen zusammenhängen. Da handelt es sich dann darum, daß man gewöhnlich meint, man solle ein Kind, das zum Beispiel einen phlegmatischen Charakter zeigt, durch et­was besonders Lebendiges, das es aufrege, auf den richtigen Weg bringen; oder ein Kind, das Anlage zeigt zu einem mehr in sich geschlossenen Wesen, etwa zu einem melancholischen Temperament

Beantwoording van vragen:

Rudolf Steiner: er is zojuist een schriftelijke vraag ingediend:

Hoe moet de individualiteit van het kind door het spel worden beïnvloed?

De geesteswetenschap die hier wordt bedoeld moet m.n. werkzaam zijn in overeenstemming met de werkelijkheid en nooit als abstractie en vanuit theorieën, vandaar dat de vragen die men meestal gewoonlijk graag kort en krachtig beantwoordt, voor de geesteswetenschap niet in het kort te beantwoorden zijn. Maar men kan in ieder geval steeds wijzen in welke richting de geesteswetenschap het ziet. Bij spel heb je te maken met de kleinste kinderen. Tot aan het vijfde jaar is het spel het meest karakteristiek. Natuurlijk spelen de kinderen daarna ook, maar daar vermengen zich allerlei andere dingen met het spel en het verliest het karakter dat het helemaal vanuit de willekeur vanuit het innerlijk tevoorschijn komt.
Nu zal je, wanneer je het spel adequaat wil begeleiden, vooral oog moeten hebben voor wat men de temperamentsaanleg van het kind noemt en voor andere dingen die met het temperament samenhangen. Dan gaat het erom dat je gewoonlijk denkt dat je een kind dat bv. een flegmatisch karakter vertoont, door iets bijzonder levendigs waar het door geprikkeld wordt, op het juiste spoor zet; of een kind dat aanleg heeft om zich meer in zichzelf te keren, dus een melancholisch temperament

blz. 268

wenn das als solches auch noch nicht bei dem Kinde auf­tritt, aber es kann in der Anlage da sein -, möchte man wiederum durch etwas Erheiterndes auf den richtigen Weg bringen. Das ist im Grunde genommen, namentlich insoferne es das Spiel betrifft, nicht sehr richtig gedacht, sondern es handelt sich im Gegenteil darum, daß man versuchen soll, den Grundcharakter des Kindes zu studieren – sagen wir, ob es ein langsames oder ein schnelles Kind ist -, und man soll dann auch versuchen, das Spiel dem anzupassen. Man soll also versuchen, für ein Kind, das langsam ist, gewisserma­ßen auch im Spiel ein langsames Tempo einzuhalten, für ein Kind, das schnell ist, auch im Spiel ein schnelles Tempo einzuhalten und nur einen allmählichen Übergang suchen. Man soll gerade das dem Kinde entgegenbringen, was aus seinem Inneren fließt. Man macht ja die schlimmsten Erziehungsfehler eben dadurch, daß man meint, Gleiches sollte nicht gleich behandelt werden, sondern Entgegen­gesetztes sollte durch Entgegengesetztes behandelt werden. Es ist auf eines da hinzuweisen, was besonders immer verfehlt wird.

ook al wordt dit in het kind nog niet manifest, maar het kan het in aanleg zijn – zou je dan graag met iets luchthartigs weer op het goede spoor zetten. Uit de aard der zaak, voor zover het het spel betreft, is dit niet zo goed bedacht, want het gaat er, in tegendeel, juist om dat je moet proberen het basiskarakter van het kind te bestuderen – of het een langzaam of een vlug kind is – en dan moet je ook proberen het spel daarop aan te passen. Je moet dus proberen voor een kind dat langzaam is, in zekere zin ook in het spel een langzaam tempo aan te houden; voor een kind dat snel is, ook in het spel een snel tempo aan te houden en dan een geleidelijke overgang zoeken. Je moet juist aan het kind aanbieden wat vanuit zijn innerlijk naar buiten komt. De ergste opvoedingsfouten worden gemaakt door te denken dat je ‘het gelijke’ niet met ‘het gelijke’ moet behandelen, maar juist omgekeerd. Op één ding zij nog gewezen, waar vooral steeds fouten worden gemaakt.

Es gibt aufgeregte Kinder. Diese aufgeregten Kinder, die möchte man selbstverständlich abregen, und man glaubt dann, wenn man ihnen etwa Spielzeuge anschafft, die in dunkleren Farben gehalten sind, also in den weniger aufregenden Farben, Blau und der­gleichen, oder wenn man ihnen Kleider anschafft in Blau, so würde das gut sein für das Kind. Ich habe in meinem kleinen Büchelchen «Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswis­senschaft*» darauf hingewiesen, daß das nicht der Fall ist, daß man gerade dem aufgeregten Kinde die Spielzeuge rötlich machen soll, dem lässigen Kinde, dem nicht lebhaften Kinde die Spielzeuge blau und violett machen soll. Durch alle diese Dinge wird man eben herausfinden, was für das Kind gerade nach seiner besonderen individuellen Anlage geeignet ist. Es ist eben außerordentlich viel zu berücksichtigen. Sehen Sie, man glaubt gewöhnlich – so sagte ich -, wenn man ein lebhaftes, ein zu lebhaftes Kind hat, so solle man ihm durch dunkle Farben, durch Blau oder Violett beikom­men; aber Sie können sich überzeugen davon, daß, wenn Sie auf Rot, auf eine rote Fläche schauen und dann wegschauen auf eine

*«Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft» (1907) in «Lucifer-Gnosis. Grundlegende Aufsätze zur Anthroposophie und Berichte aus den Zeitschriften ‘luzifer’ und ‘lucifer-gnosis’, 1903-1908, GA34. auch als’ Einzelausgabe erhältlich.

Er zijn drukke kinderen. Die wil men natuurlijk minder druk laten zijn en men gelooft dan wanneer men speelgoed voor ze koopt dat een meer donkere kleur heedt, dus de minder felle kleuren, blauw enz.. of wanneer men kleren voor ze koopt, blauwe, dat dit dan goed zou zijn voor dat kind. Ik heb mijn boekje ‘De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’* erop gewezen, dat dat niet het geval is, dat je juist de drukke kinderen speelgoed moet geven dat rood is, het trage kind, het niet-drukke kind speelgoed in blauw en violet. Door dit alles zal je vinden wat voor het kind met het oog op zijn bijzondere individuele aanleg geschikt is. En er is veel waarmee je rekening moet houden. Men denkt meestal wanneer je te maken hebt met een druk, te druk kind, je het dan donkere kleuren, blauw of paars moet geven; maar je kan tot de overtuiging komen dat wanneer je naar iets roods kijkt, naar een rood vlak en daarna wegkijkt naar

*De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie‘, (1907) in «Lucifer-Gnosis. Basisartikelen voor antroposofie en berichten uit de tijdschriftenz ‘luzifer’ en ‘lucifer-gnosis’, 1903-1908, GA34. Ook als losse uitgave te verkrijgen

blz. 269

weiße, Sie in sich die Tendenz haben, die sogenannte Komplemen­tärfarbe als subjektives Gebilde zu schauen. Es wird also innerlich erregt gerade die Gegenfarbe. Es werden die dunklen Farben inner­lich erlebt an den hellen. Daher ist es gut, wenn ein Kind aufgeregt ist, es in hellen Farben in seinem Spielzeug und auch in seinen Kleidern zu halten, damit es gerade innerlich erregt wird. Also auch diese Dinge dürfen nur so betrachtet werden, daß man gewis­sermaßen in das Innere der menschlichen Natur und Wesenheit hineindringt. Dann mache ich darauf aufmerksam, daß man in der Regel gar nicht die Individualität oder gar keine Individualität eines Kindes trifft, wenn man durch die Spiele zu sehr auf das Kombinatorische hinhorcht. Daher muß der Geisteswissenschafter von seinem Standpunkte eigentlich alles dasjenige, was Kombinationsspiele sind, Bausteine und dergleichen, das muß er als geringerwertig ansehen, weil es zu stark an den kindlichen Intellekt heranwill; dagegen wird alles dasjenige, was mehr Leben vor das Kind bringt
– entsprechend variiert nach der Individualität -, ein besonders günstiges Spielzeug abgeben

een wit vlak, er dan in je een tendens ontstaat dat je de zgn. complementaire kleur ziet. Innerlijk wordt er dus een tegenkleur opgeroepen. De donkere kleuren worden innerlijk ervaren aan de lichte. Vandaar dat het goed is wanneer een kind dat druk is, dat je het speelgoed en zijn kleren licht houdt, zodat het juist innerlijk beweeglijk wordt. Dus ook deze dingen mogen alleen maar zo bekeken worden dat je in zekere zin in het innerlijk van de menselijke natuur en zijn wezen dóórdringt. Dan wijs ik erop dat je als regel helemaal niets doet voor de individualiteit of zelfs niet voor de individualiteit van een kind, wanneer je voor het spel te veel je hoofd laat hangen naar wat in elkaar gezet moet worden. Vandaar dat de geesteswetenschapper vanuit zijn standpunt eigenlijk alles van dit soort speelgoed, blokkendozen enz. van mindere waarde moet schatten, omdat het te sterk aan het kinderlijke intellect appelleert; daarentegen zal alles wat voor het kind levendiger is – aangepast aan de individualiteit – een bijzonder gunstig werkend speelgoed opleveren.

Ich habe mich schon lange bemüht, irgendwie eine Bewegung dafür hervorzubringen – aber es ist ja in der Gegenwart so schwer, die Leute für solche Kleinigkeiten, scheinbare Kleinigkeiten zu begeistern -, daß wieder mehr einge­führt würden die beweglichen Bilderbücher für die Kinder. Es waren da früher solche Bilderbücher, welche Bilder hatten und man konnte unten an Fäden ziehen; da bewegten sich die Bilder, da wurden ganze Geschichten aus den Bildern daraus. Das ist etwas, was in ganz besonders günstiger Weise, wenn es verschieden vari­iert wird, auf Kinder wirken kann. Dagegen alles, was ruhig bleibt und was namentlich auf Kombination Anspruch macht wie die Baustein-Geschichte, das ist etwas, was für das kindliche Spiel eigentlich nicht geeignet ist, und es sind auch die Bausteine nur ein Ausfluß unserer materialistischen Zeit. Dann mache ich noch darauf aufmerksam, daß man bei den Spielen vorzugsweise darauf sehen muß, wie weit die kindliche Phantasie wirkt. Sie können die schönsten Kräfte in einem Menschen

Ik ben er al lang mee bezig op de een of andere manier een beweging in het leven te roepen – maar het is in deze tijd heel moeilijk om de mensen voor dergelijke kleine dingen, schijnbaar kleine dingen – enthousiast te maken, om weer meer boeken met beweeglijke platen* voor de kinderen te krijgen. Vroeger waren er van die boeken, die plaatjes hadden waarbij je onder aan de bladzij aan een touwtje kon trekken, dan bewogen de plaatjes en dan ontstonden er hele beeldverhalen. Dat is iets wat op een heel bijzonder gunstige manier wanneer er verschillende variaties zijn, op kinderen kan werken. Alles wat daarentegen rustig blijft en wat een beroep doet op combineren zoals de bouwdozen, is iets van voor het kinderspel eigenlijk niet geschikt is en die bouwsteentjes zijn eigenlijk een uitvloeisel van onze materialistische tijd. Dan wil ik er nog op wijzen dat je er bij het spelen vooral op moet letten hoe ver de fantasie van het kind gaat. Je kan de mooiste krachten in een mens

Blz. 270

dadurch ertöten, daß Sie ihm, dem werdenden Menschen, als Knaben einen «schönen» Bajäzzo oder als Mädchen eine sehr «schöne» Puppe geben – sie ist ja doch immer scheußlich vom künstlerischen Standpunkte, aber man strebt nach «schönen Pup­pen». Dem Kinde wird am besten gedient, wenn man womöglich der Phantasie selber gerade solchen Spielzeugen gegenüber den allergrößten Spielraum läßt. Das Kind fühlt sich im Grunde ge­nommen am glücklichsten, wenn es aus seinem Taschentuch, das oben zusammengebunden wird und ein kleines Köpfchen hat, eine Puppe machen kann oder einen Bajazzo. Das ist etwas, was man pflegen soll. Es soll im Grunde genommen die Seelentätigkeit in Regsamkeit versetzt werden können.

om zeep helpen wanneer je die wordende mens als jongen een ‘mooie’ paljas of als meisje een erg ‘mooie’ pop geeft – die is vanuit een kunstzinnig standpunt altijd afschuwelijk, maar men streeft naar ‘mooie poppen.’ Het kind wordt het best gediend, wanneer je zo mogelijk bij het speelgoed aan de fantasie de grootste speelruimte laat. Het kind voelt zich in wezen het gelukkigst wanneer het uit een zakdoek die bovenaan samengebonden wordt en een klein hoofdje heeft een pop kan maken of een kleine paljas. Dat is iets waarvoor je moet zorgen. In de grond van de zaak moet de activiteit van de ziel in beweging kunnen komen.

Da wird man durchaus das Richtige treffen, wenn man ein Auge hat für das Temperament, wenn man also zum Beispiel einem besonders aufgeregten Kinde wirklich möglichst komplizierte Spielzeuge in die Hand gibt und einem langsamen Kinde möglichst einfache Spielzeuge in die Hand gibt, und dann, wenn es zu Hantierungen kommt, auch wiederum in dieser Weise vorgeht. Es ist ja auch dasjenige, was das Kind nun mit sich selber vornimmt, dann in späteren Jahren von besonderer Wichtigkeit. Man kann dem auch darinnen folgen, ob man ein Kind schnell oder langsam laufen läßt: Ein aufgeregtes Kind läßt man gerade schnell laufen, und ein lässiges Kind, ein denkfaules Kind zwingt man dazu, daß es langsam läuft in irgendwelchen Spielen und dergleichen. Also es handelt sich darum, daß man beim Anpassen des Spieles an die Individualität Gleiches mit Gleichem behandeln soll und nicht etwa mit dem Entgegengesetzten. Das wird denjenigen sehr weit führen, der in dieser Richtung wirklich danach strebt, die Kinder entsprechend zu behandeln.

En dan doe je het juiste wanneer je oog hebt voor het temperament; wanneer je bv. een heel druk kind echt zo veel mogelijk ingewikkeld speelgoed ter hand stelt en langzame kinderen zo veel mogelijk eenvoudig speelgoed. Wat het kind uit zichzelf doet is ook in latere jaren van bijzondere betekenis. Je kunt het kind ook zo volgen dat je het vlug of langzaam moet laten lopen. Een druk kind laat je juist vlug lopen, een langzaam kind, traag in het denken, probeer je ertoe te krijgen dat het langzaam loopt bij een of ander spel. Het gaat er dus om wanneer je het spel aanpast, je het aan de individualiteit aanpast, dat je het gelijke met het gelijke moet behandelen en niet met het tegenovergestelde. Dat zal degene die ernaar streeft  in deze richting de kinderen adequaat te behandelen, erg ver brengen.
GA 297/267-270
Op deze blog vertaald/267-270

*voor illustratie

.

Rudolf Steiner over spelalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Spelalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle beelden

.

2032

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297 – vragenbeantwoording bij de 9e voordracht

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER

BASISGEDACHTEN EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL

9 voordrachten, een bespreking en vragenbeantwoordingen tussen 24 augustus 1919 en 29 december 1920 in verschillende plaatsen [1]

GA 297: vertaling
Inhoudsopgave   voordracht   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]
vragenbeantwoording bij de 5e vdr.;  vragenbeantwoording bij de 6e vdr.; bespreking van pedagogisch-psychologische vragen;

Vragen n.a.v. de 9 voordracht, Olten 29 dec. 1920

Inhoudsopgave bij de vragenbeantwoording

Blz. 267 e.v.: over het spel van het kleinere kind
Blz. 268 e.v.: spel, speelgoed en temperament, drukke, snelle kinderen en rustige, trage kinderen; welke kleuren voor hen;
Blz. 269: nabeeld complementaire kleur; blokkendoos; intellectueel speelgoed; prentenboek met beweegbare platen; 
Blz. 270: de ‘mooie’ pop; speelgoed dat te af is; fantasie; het gelijke met het gelijke behandelen; 
Blz. 271 e.v.: zelf geloven in de beelden die je gebruikt; hoe zit het met bv. de paashaas, Sinterklaas [zie ook 273]; Steiner geeft deze een diepere betekenis; Ernst Mach
Blz. 272: over mythen, sagen e.d.
Blz. 273: dromen;
Blz. 274 e.v.: Sinterklaas en de kerstboom; relatie psycho-analyse en geesteswetenschap; een voorbeeld van psycho-analytische verklaring (vrouw en koets)

blz. 267

Fragenbeantwortung

Rudolf Steiner: Es ist zunächst hier eine schriftliche Frage einge­laufen:
In welcher Weise sollte die Individualität des Kindes durch das Spiel beein­flußt werden?
Die hier gemeinte Geisteswissenschaft soll durchaus wirklichkeits­gemäß und niemals als Abstraktion und aus Theorien heraus arbei­ten; daher sind diejenigen Fragen, die man sonst gewöhnlich gern, ich möchte sagen in Kürze, in Bausch und Bogen beantwortet, für Geisteswissenschaft nicht in Kürze zu beantworten. Aber man kann wenigstens immer auf dasjenige hinweisen, wo Geistes­wissenschaft die Richtung sieht. Man wird es ja beim Spiel mit den kleinsten Kindern zu tun haben. Das Spiel ist am charakteristisch­sten etwa bis zum fünften Jahr. Natürlich spielen nachher die Kin­der auch, aber da mischen sich schon in das Spiel allerlei andere Dinge hinein, und das Spiel verliert den Charakter, ganz, ich möchte sagen aus der Willkür des Inneren heraus zu fließen.
Nun wird man, wenn man das Spiel sachgemäß leiten will, vor allen Dingen ein Auge haben müssen für dasjenige, was man die Temperamentsanlägen des Kindes nennt, und andere Dinge, die mit den Temperamentsanlagen zusammenhängen. Da handelt es sich dann darum, daß man gewöhnlich meint, man solle ein Kind, das zum Beispiel einen phlegmatischen Charakter zeigt, durch et­was besonders Lebendiges, das es aufrege, auf den richtigen Weg bringen; oder ein Kind, das Anlage zeigt zu einem mehr in sich geschlossenen Wesen, etwa zu einem melancholischen Temperament

Beantwoording van vragen:

Rudolf Steiner: er is zojuist een schriftelijke vraag ingediend:

Hoe moet de individualiteit van het kind door het spel worden beïnvloed?

De geesteswetenschap die hier wordt bedoeld moet m.n. werkzaam zijn in overeenstemming met de werkelijkheid en nooit als abstractie en vanuit theorieën. vandaar dat de vragen die men meestal gewoonlijk graag kort en krachtig beantwoordt, voor de geesteswetenschap niet in het kort te beantwoorden zijn. Maar men kan in ieder geval steeds wijzen in welke richting de geesteswetenschap het ziet. Bij spel heb je te maken met de kleinste kinderen. Tot aan het vijfde jaar is het spel het meest karakteristiek. Natuurlijk spelen de kinderen daarna ook, maar daar vermengen zich allerlei andere dingen met het spel en het verliest het karakter dat het helemaal vanuit de willekeur vanuit het innerlijk tevoorschijn komt.
Nu zal je, wanneer je het spel adequaat wil begeleiden, vooral oog moeten hebben voor wat men de temperamentsaanleg van het kind noemt en voor andere dingen die met het temperament samenhangen. Dan gaat het erom dat je gewoonlijk denkt dat je een kind dat bv. een flegmatisch karakter vertoont, door iets bijzonder levendigs waar het door geprikkeld wordt, op het juiste spoor zet; of een kind dat aanleg heeft om zich meer in zichzelf te keren, dus een melancholisch temperament

blz. 268

wenn das als solches auch noch nicht bei dem Kinde auf­tritt, aber es kann in der Anlage da sein -, möchte man wiederum durch etwas Erheiterndes auf den richtigen Weg bringen. Das ist im Grunde genommen, namentlich insoferne es das Spiel betrifft, nicht sehr richtig gedacht, sondern es handelt sich im Gegenteil darum, daß man versuchen soll, den Grundcharakter des Kindes zu studieren – sagen wir, ob es ein langsames oder ein schnelles Kind ist -, und man soll dann auch versuchen, das Spiel dem anzupassen. Man soll also versuchen, für ein Kind, das langsam ist, gewisserma­ßen auch im Spiel ein langsames Tempo einzuhalten, für ein Kind, das schnell ist, auch im Spiel ein schnelles Tempo einzuhalten und nur einen allmählichen Übergang suchen. Man soll gerade das dem Kinde entgegenbringen, was aus seinem Inneren fließt. Man macht ja die schlimmsten Erziehungsfehler eben dadurch, daß man meint, Gleiches sollte nicht gleich behandelt werden, sondern Entgegen­gesetztes sollte durch Entgegengesetztes behandelt werden. Es ist auf eines da hinzuweisen, was besonders immer verfehlt wird.

ook al wordt dit in het kind nog niet manifest, maar het kan het in aanleg zijn – zou je dan graag met iets luchthartigs weer op het goede spoor zetten. Uit de aard der zaak, voor zover het het spel betreft, is dit niet zo goed bedacht, want het gaat er, in tegendeel, juist om dat je moet proberen het basiskarakter van het kind te bestuderen – of het een langzaam of een vlug kind is – en dan moet je ook proberen het spel daarop aan te passen. Je moet dus proberen voor een kind dat langzaam is, in zekere zin ook in het spel een langzaam tempo aan te houden; voor een kind dat snel is, ook in het spel een snel tempo aan te houden en dan een geleidelijke overgang zoeken. Je moet juist aan het kind aanbieden wat vanuit zijn innerlijk naar buiten komt. De ergste opvoedingsfouten worden gemaakt door te denken dat je ‘het gelijke’ niet met ‘het gelijke’ moet behandelen, maar juist omgekeerd. Op één ding zij nog ewezen, waar vooral steeds fouten worden gemaakt.

Es gibt aufgeregte Kinder. Diese aufgeregten Kinder, die möchte man selbstverständlich abregen, und man glaubt dann, wenn man ihnen etwa Spielzeuge anschafft, die in dunkleren Farben gehalten sind, also in den weniger aufregenden Farben, Blau und der­gleichen, oder wenn man ihnen Kleider anschafft in Blau, so würde das gut sein für das Kind. Ich habe in meinem kleinen Büchelchen «Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswis­senschaft*» darauf hingewiesen, daß das nicht der Fall ist, daß man gerade dem aufgeregten Kinde die Spielzeuge rötlich machen soll, dem lässigen Kinde, dem nicht lebhaften Kinde die Spielzeuge blau und violett machen soll. Durch alle diese Dinge wird man eben herausfinden, was für das Kind gerade nach seiner besonderen individuellen Anlage geeignet ist. Es ist eben außerordentlich viel zu berücksichtigen. Sehen Sie, man glaubt gewöhnlich – so sagte ich -, wenn man ein lebhaftes, ein zu lebhaftes Kind hat, so solle man ihm durch dunkle Farben, durch Blau oder Violett beikom­men; aber Sie können sich überzeugen davon, daß, wenn Sie auf Rot, auf eine rote Fläche schauen und dann wegschauen auf eine

.
*«Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft» (1907) in «Lucifer-Gnosis. Grundlegende Aufsätze zur Anthroposophie und Berichte aus den Zeitschriften ‘luzifer’ und ‘lucifer-gnosis’, 1903-1908, GA34. auch als’ Einzelausgabe erhältlich.

.

Er zijn drukke kinderen. Die wil men natuurlijk minder druk laten zijn en men gelooft dan wanneer men speelgoed voor ze koopt dat een meer donkere kleur heedt, dus de minder felle kleuren, blauw enz.. of wanneer men kleren voor ze koopt, blauwe, dat dit dan goed zou zijn voor dat kind. Ik heb mijn boekje ‘De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’* erop gewezen, dat dat niet het geval is, dat je juist de drukke kinderen speelgoed moet geven dat rood is, het trage kind, het niet-drukke kind speelgoed in blauw en violet. Door dit alles zal je vinden wat voor het kind met het oog op zijn bijzondere individuele aanleg geschikt is. En er is veel waarmee je rekening moet houden. Men denkt meestal wanneer je te maken hebt met een druk, te druk kind, je het dan donkere kleuren, blauw of paars moet geven; maar je kan tot de overtuiging komen dat wanneer je naar iets roods kijkt, naar een rood vlak en daarna wegkijkt naar

*De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie‘, (1907) in «Lucifer-Gnosis. Basisartikelen voor antroposofie en berichten uit de tijdschriftenz ‘luzifer’ en ‘lucifer-gnosis’, 1903-1908, GA34. Ook als losse uitgave te verkrijgen

blz. 269

weiße, Sie in sich die Tendenz haben, die sogenannte Komplemen­tärfarbe als subjektives Gebilde zu schauen. Es wird also innerlich erregt gerade die Gegenfarbe. Es werden die dunklen Farben inner­lich erlebt an den hellen. Daher ist es gut, wenn ein Kind aufgeregt ist, es in hellen Farben in seinem Spielzeug und auch in seinen Kleidern zu halten, damit es gerade innerlich erregt wird. Also auch diese Dinge dürfen nur so betrachtet werden, daß man gewis­sermaßen in das Innere der menschlichen Natur und Wesenheit hineindringt. Dann mache ich darauf aufmerksam, daß man in der Regel gar nicht die Individualität oder gar keine Individualität eines Kindes trifft, wenn man durch die Spiele zu sehr auf das Kombinatorische hinhorcht. Daher muß der Geisteswissenschafter von seinem Standpunkte eigentlich alles dasjenige, was Kombinationsspiele sind, Bausteine und dergleichen, das muß er als geringerwertig ansehen, weil es zu stark an den kindlichen Intellekt heranwill; dagegen wird alles dasjenige, was mehr Leben vor das Kind bringt
– entsprechend variiert nach der Individualität -, ein besonders günstiges Spielzeug abgeben

een wit vlak, er dan in je een tendens ontstaat dat je de zgn. complementaire kleur ziet. Innerlijk wordt er dus een tegenkleur opgeroepen. De donkere kleuren worden innerlijk ervaren aan de lichte. Vandaar dat het goed is wanneer een kind dat druk is, dat je het speelgoed en zijn kleren licht houdt, zodat het juist innerlijk beweeglijk wordt. Dus ook deze dingen mogen alleen maar zo bekeken worden dat je in zekere zin in het innerlijk van de menselijke natuur en zijn wezen dóórdringt. Dan wijs ik erop dat je als regel helemaal niets doet voor de individualiteit of zelfs niet voor de individualiteit van een kind, wanneer je voor het spel te veel je hoofd laat hangen naar wat in elkaar gezet moet worden. Vandaar dat de geesteswetenschapper vanuit zijn standpunt eigenlijk alles van dit soort speelgoed, blokkendozen enz. van mindere waarde moet schatten, omdat het te sterk aan het kinderlijke intellect appelleert; daarentegen zal alles wat voor het kind levendiger is – aangepast aan de individualiteit – een bijzonder gunstig werkend speelgoed opleveren.

Ich habe mich schon lange bemüht, irgendwie eine Bewegung dafür hervorzubringen – aber es ist ja in der Gegenwart so schwer, die Leute für solche Kleinigkeiten, scheinbare Kleinigkeiten zu begeistern -, daß wieder mehr einge­führt würden die beweglichen Bilderbücher für die Kinder. Es waren da früher solche Bilderbücher, welche Bilder hatten und man konnte unten an Fäden ziehen; da bewegten sich die Bilder, da wurden ganze Geschichten aus den Bildern daraus. Das ist etwas, was in ganz besonders günstiger Weise, wenn es verschieden vari­iert wird, auf Kinder wirken kann. Dagegen alles, was ruhig bleibt und was namentlich auf Kombination Anspruch macht wie die Baustein-Geschichte, das ist etwas, was für das kindliche Spiel eigentlich nicht geeignet ist, und es sind auch die Bausteine nur ein Ausfluß unserer materialistischen Zeit. Dann mache ich noch darauf aufmerksam, daß man bei den Spielen vorzugsweise darauf sehen muß, wie weit die kindliche Phantasie wirkt. Sie können die schönsten Kräfte in einem Menschen

Ik ben er al lang mee bezig op de een of andere manier een beweging in het leven te roepen – maar het is in deze tijd heel moeilijk om de mensen voor dergelijke kleine dingen, schijnbaar kleine dingen – enthousiast te maken, om weer meer boeken met beweeglijke platen voor de kinderen te krijgen. Vroeger waren er van die boeken, die plaatjes hadden waarbij je onder aan de bladzij aan een touwtje kon trekken, dan bewogen de plaatjes en dan ontstonden er hele beeldverhalen. Dat is iets wat op een heel bijzonder gunstige manier wanneer er verschillende variaties zijn, op kinderen kan werken. Alles wat daarentegen rustig blijft en wat een beroep doet op combineren zoals de bouwdozen, is iets van voor het kinderspel eigenlijk niet geschikt is en die bouwsteentjes zijn eigenlijk een uitvloeisel van onze materialistische tijd. Dan wil ik er nog op wijzen dat je er bij het spelen vooral op moet letten hoe ver de fantasie van het kind gaat. Je kan de mooiste krachten in een mens

Blz. 270

dadurch ertöten, daß Sie ihm, dem werdenden Menschen, als Knaben einen «schönen» Bajäzzo oder als Mädchen eine sehr «schöne» Puppe geben – sie ist ja doch immer scheußlich vom künstlerischen Standpunkte, aber man strebt nach «schönen Pup­pen». Dem Kinde wird am besten gedient, wenn man womöglich der Phantasie selber gerade solchen Spielzeugen gegenüber den allergrößten Spielraum läßt. Das Kind fühlt sich im Grunde ge­nommen am glücklichsten, wenn es aus seinem Taschentuch, das oben zusammengebunden wird und ein kleines Köpfchen hat, eine Puppe machen kann oder einen Bajazzo. Das ist etwas, was man pflegen soll. Es soll im Grunde genommen die Seelentätigkeit in Regsamkeit versetzt werden können.

om zeep helpen wanneer je die wordende mens als jongen een ‘mooie’ paljas of als meisje een erg ‘mooie’ pop geeft – die is vanuit een kunstzinnig standpunt altijd afschuwelijk, maar men streeft naar ‘mooie poppen.’ Het kind wordt het best gediend, wanneer je zo mogelijk bij het speelgoed aan de fantasie de grootste speelruimte laat. Het kind voelt zich in wezen het gelukkigst wanneer het uit een zakdoek die bovenaan samengebonden wordt en een klein hoofdje heeft een pop kan maken of een kleine paljas. Dat is iets waarvoor je moet zorgen. In de grond van de zaak moet de activiteit van de ziel in beweging kunnen komen.

Da wird man durchaus das Richtige treffen, wenn man ein Auge hat für das Temperament, wenn man also zum Beispiel einem besonders aufgeregten Kinde wirklich möglichst komplizierte Spielzeuge in die Hand gibt und einem langsamen Kinde möglichst einfache Spielzeuge in die Hand gibt, und dann, wenn es zu Hantierungen kommt, auch wiederum in dieser Weise vorgeht. Es ist ja auch dasjenige, was das Kind nun mit sich selber vornimmt, dann in späteren Jahren von besonderer Wichtigkeit. Man kann dem auch darinnen folgen, ob man ein Kind schnell oder langsam laufen läßt: Ein aufgeregtes Kind läßt man gerade schnell laufen, und ein lässiges Kind, ein denkfaules Kind zwingt man dazu, daß es langsam läuft in irgendwelchen Spielen und dergleichen. Also es handelt sich darum, daß man beim Anpassen des Spieles an die Individualität Gleiches mit Gleichem behandeln soll und nicht etwa mit dem Entgegengesetzten. Das wird denjenigen sehr weit führen, der in dieser Richtung wirklich danach strebt, die Kinder entsprechend zu behandeln.

En dan doe je het juiste wanneer je oog hebt voor het temperament; wanneer je bv. een heel druk kind echt zo veel mogelijk ingewikkeld speelgoed ter hand stelt en langzame kinderen zo veel mogelijk eenvoudig speelgoed. Wat het kind uit zichzelf doet is ook in latere jaren van bijzondere betekenis. Je kunt het kind ook zo volgen dat je het vlug of langzaam moet laten lopen. Een druk kind laat je juist vlug lopen, een langzaam kind, traag in het denken, probeer je ertoe te krijgen dat het langzaam loopt bij een of ander spel. Het gaat er dus om wanneer je het spel aanpast, je het aan de individualiteit aanpast, dat je het gelijke met het gelijke moet behandelen en niet met het tegenovergestelde. Dat zal degene die ernaar streeft  in deze richting de kinderen adequaat te behandelen, erg ver brengen.

Frage:    Wie verhält sich das mit dem Heranbringen von Märchen an das Kind? Wenn wir zum Beispiel das Bild von der Schmetterlingspuppe und dem Schmetterling bringen, so können wir selbst daran glauben; wenn wir ihm nun aber Geschichten erzählen wie zum Beispiel von dem «Osterhasen» oder «Nikolaus», also Geschichten, an die wir ja selber nicht glauben und die doch die Kinder so glücklich machen, wirkt das schädigend auf das Kind, oder ist das harmlos, einfach als Bild?

Vraag:

Hoe zit het met het vertellen van sprookjes aan het kind?
Wanneer we bv. het beeld van de vlinderpop en de vlinder geven, dan kunnen we daar zelf in geloven; wanneer we het dan echter verhalen vertellen zoals bv. over de paashaas of Sinterklaas, dus verhalen waar we zelf niet in geloven en die de kinderen toch zo tevreden stellen, werkt dat dan niet verkeerd op het kind of is dat onschuldig, alleen maar beeld?

Blz. 271

Rudolf Steiner: Da handelt es sich nur darum, daß man an diese Dinge in der richtigen Weise herantritt. Nicht wahr, es gibt natür­lich durchaus Dinge, die man dem Kinde in seiner kindlichen Weise zu erzählen hat, und das wird bei solchen Dingen der Fall sein, weil das Bild etwas weit abliegt von demjenigen, um was es sich dabei handelt. Aber ich kann zum Beispiel durchaus nicht sagen, daß ich nicht an den Osterhasen glaube! Also es handelt sich nur darum, daß

Rudolf Steiner:

Het gaat er alleen maar om dat je deze dingen op de juiste manier doet. Er zijn natuurlijk nu eenmaal dingen, niet waar, die je het kind op een kinderlijke manier moet vertellen en dat is bij die dingen het geval waar het beeld wel wat verder verwijderd is van waarom het eigenlijk gaat. Maar ik kan echt niet zeggen dat ik niet in de paashaas geloof! Dus het gaat het er maar om dat

man den Weg findet zu diesem Glauben. Sie verzeihen, daß ich so offen das Geständnis mache. Aber ich kenne gerade auf diesem Gebiete nichts, was ich zum Beispiel nicht glau­ben könnte, wenn ich nur den Weg dazu finde. Es handelt sich darum, daß, wo die Sachen nicht so einfach liegen wie beim Schmetterling, sondern komplizierter, man dann auch einen gewis­sen komplizierteren Seelenvorgang durchmachen muß, um in sich die Seelenstimmung zu haben, die das in der richtigen, gläubwür­digen Weise an das Kind heranbringt. Es hat schon einen Sinn, wenn in gewissen Gegenden des Orientes* die Legende lebt, daß der Buddha bei seinem Tod auf den Mond versetzt worden ist und da in der Gestalt eines Hasen auf uns herunterschaut.

*wenn in gewissen Gegenden des Orientes die Legende lebt, daß der Buddha bei seinem Tod auf den Mond versetzt worden ist und da in der Gestalt eines Hasen auf uns berunterschaut: Siehe «Die Erzählung von dem Hasen» (Nr.316) in «Jatakam. Das Buch der Erzählungen aus’früheren Existenzen Buddhas», Dritter Band, übersetzt von Julius Dutoit, Leipzig 1911. – In dieser Erzählung stellt der Gott Sakka den in einem Hasen verkörperten Buddha auf die Probe, indem er Nahrung von ihm fordert. Der Hase ist bereit, da er nichts anderes zu bieten hat, sich selbst hinzuopfern, sich selbst als Nahrung zu geben. «Darauf sprach Sakka: ‘Du weiser Hase, dein Vorzug soll ein ganzes Weltalter hindurch offenkundig sein.’Er drückte einen Berg zusammen und zeichnete mit dem Saft des Berges auf die Mondscheibe das Bild eines Hasen.’   

 

 

I

dat je een weg vindt naar dit geloof. Neem me niet kwalijk dat ik dit zo open toegeef. Maar ik ken op dit gebied niets waaraan ik bv. niet zou kunnen geloven, als ik daartoe een weg vind. Het gaat erom dat waar het allemaal niet zo eenvoudig is, zoals bij de vlinder, maar ingewikkelder, je ook een zekere gecompliceerder zielenproces moet doormaken om de zielenstemming te krijgen die dat op een echte, geloofwaardige manier aan het kind geeft. Het is al zinvol wanneer in bepaalde streken van het Oostende legende leeft dat de boeddha bij zijn dood  een plaats op de maan heeft gekregen en in de gedaante van een haas op ons neerkijkt.*


.*Zie ‘De vertelling over de haas’ (nr. 316) in ‘Jatakom. Het boek van de vertellingen uit vorige incarnaties van Boeddha’, derde band, vertaald door Julius Dutoit, Leipzig 1911. In deze vertelling stelt de god Sakka de in een haas geïncarneerde boeddha op de proef door voedsel van hem te eisen. De haas is bereid omdat hij niets anders heeft te bieden, zich te offeren, zichzelf als voedsel te geven. Daarop zei Sakka: ‘Jij wijze hass, Jouw voortreffelijke eigenschap zal een hele wereldtijd door bekend zijn. Hij drukte een berg samen en tekende met het water van de berg het beeld van de haas op de maan.
.

Diese Dinge, die gerade in tieferen Legenden ursprünglich veranlagt sind, die weisen überall darauf hin, daß tiefe Naturgeheimnisse den Dingen zugrun­de liegen.
Ich mache Sie darauf aufmerksam, daß heute solche Dinge außerordentlich schwer beurteilt werden können. Es gibt einen sehr berühmten philosophischen Naturforscher, naturforschenden Philosophen, Ernst Mach*. Die meisten von Ihnen werden den Na­men kennen. Mach behauptet geradezu, es sei nicht mehr an der Zeit, den Kindern Märchen beizubringen oder dergleichen; das schicke sich nicht für eine so aufgeklärte Zeit wie die unsrige. Er versichert, er hätte seine Kinder ganz ohne Märchen und derglei­chen erzogen. Nun hat uns Mach auch ein merkwürdiges Beispiel gegeben von seiner Unmöglichkeit, an das menschliche Ich über­haupt heranzukommen. Mach sagte einmal – ich will durchaus nichts gegen seine Bedeutung auf einem eingeschränkten Gebiete, wo er sie hat, sagen; aber wir leben in einer Zeit, in der selbst ein.
.

Ernst Mach, 1838-1916, natuurkundige en materialistisch filosoof, een van de grondleggers van het emperiolkiticisme. In de kennistheorie vernieuwde hij de gezichtspunten van Berkeley en Humes voor de theoretische natuurkunde (het getal van Mach), in de Sovjet-unie vond zijn filosofie talloze aanhangers. Werken: Beiträge zur Analyse der Empfindungen» Uena 1886); «Die Mechanik in ihrer Entwicklung» (1883); «Erkenntnis und Irrtum. Skizzen zur Psychologie der Forschung» (1905).

 

.

De dingen die m.n. oorspronkelijk in diepzinnigere legenden zitten, wijzen er overal op dat aan de dingen diepe natuurgeheimen ten grondslag liggen.
Ik maak u erop attent dat deze dingen tegenwoordig buitengewoon moeilijk te beoordelen zijn. Je hebt een zeer beroemde filosofisch natuurkundige, natuurkundig filosoof, Ernst Mach.* De meesten van u kennen die naam wel. Mach beweert nu, dat het niet meer aan de tijd is om kinderen sprookjes o.i.d.  te vertellen; dat past niet meer in een zo verlichte tijd als de onze. Hij verzekert ons dat hij zijn kinderen helemaal zonder sprookjes e.d. opgvoeed heeft. Nu heeft Mach ons ook een merkwaardig voorbeeld gegeven van zijn onvermogen ook maar in de buurt van een menselijk Ik te komen. Mach zei eens – ik wil beslist niets tegen zijn betekenis inbrengen voor het beperkte gebied waarvoor dit geldt; maar we leven in een tijd waarin zelfs een

blz. 272

solcher Mensch so etwas sagen kann -, er sagte: Selbsterkenntnis ist eigentlich etwas, was einem Menschen ganz ferne liegt, denn er sei einmal ganz ermüdet – er war Universitätsprofessor – auf der Stra­ße gegangen, es sei gerade ein Omnibus gekommen, da sei er hineingesprungen und sah vor sich einen merkwürdigen Menschen auf der anderen Seite einsteigen – als wenn der Omnibus von der an­deren Seite auch bestiegen hätte werden können. Darüber wunder­te er sich, aber er sah eben einen Menschen herankommen, und er dachte sich: Was für ein verkommener Schulmeister steigt denn da ein! Da merkte er erst, daß da ein Spiegel auf der anderen Seite war und daß er so wenig seine eigene äußere Gestalt kannte, daß er sein Spiegelbild nicht erkannt hatte. – Ein andermal begegnete ihm die­selbe Sache, indem er auf der Straße das Trottoir entlang ging und eine Spiegelscheibe etwas schief stand, so daß er sich da auch sah, ohne sich sofort zu erkennen.
Es ist hier von ihm dieses als eine Art Begründung angebracht, wie wenig der Mensch eigentlich zu seinem Selbst vordringt.

een dergelijk iemand zoiets kan zeggen – hij zei: zelfkennis is iets wat eigenlijk van de mens heel ver af staat, want hij zou eens heel vermoeid – hij was professor aan een universiteit – de straat zijn opgegaan, toen er net een omnibus aankwam waar hij insprong, toen hij aan de andere kant ook juist een merkwaardig figuur zag instappen – alsof je aan de andere kant ook had kunnen instappen. Daar was hij zeer verbaasd over, maar hij zag iemand aankomen en hij dacht: wat stapt daar voor een verlopen schoolmeester in! Toen merkte hij pas dat er aan de andere kant een spiegel stond en dat hij zijn eigen gestalte zo slecht kende, dat hij zijn spiegelbeeld niet herkende. Dat overkwam hem nog een keer, toen hij op straat over het trottoir liep en er een enigszins schuin staand spiegelraam was, waarin hij zich ook zag, zonder zichzelf meteen te herkennen.
Dit nu nam hij als een soort bevestiging van hoe weinig de mens eigenlijk doordringt tot zichzelf.

Er be­trachtet diese Selbsterkenntnis auch nur von einem ganz äußeren Standpunkte. Er lehnt aus demselben Impuls heraus die Märchen ab. Nun handelt es sich ja darum, daß ja natürlich so, wie die Märchen heute vielfach vorliegen, es scheinbar so ist, daß man nicht mit inne­rem Anteil, mit einer gewissen inneren Überzeugungskraft an den Märchen hängen kann als Erwachsener; aber das ist doch etwas Trügerisches. Geht man zurück auf dasjenige, was da eigentlich erlebt wird, dann kommt man zu etwas ganz anderem. Gerade in dieser Beziehung ist es ja wirklich außerordentlich bedauerlich, daß gewisse Anfänge, die eigentlich nach der Geistes­wissenschaft schon seit langer Zeit hintendierten, daß die gar nicht ausgebaut worden sind. Mein alter Freund Ludwig Laistner hatte in den achtziger Jahren des vorigen Jahrhunderts sein zweibändiges Werk geschrieben «Das Rätsel der Sphinx», worinnen er nachweist, was für ein törichter Gedanke es ist, daß man glaubt, die Mythen, Sagen, Legenden seien dadurch entstanden, daß das Volk irgend etwas über Wolken, irgend etwas über Sonne, Erde und derglei­chen gedichtet hat; Frühlingsmythen seien dadurch entstanden, daß

Hij beschouwt deze zelfkennis ook maar van een heel uiterlijk standpunt. Vanuit zo’n zelfde impuls wijst hij de sprookjes af. Nu gaat het erom dat natuurlijk zoals de sprookjes nu te krijgen zijn, het erop lijkt dat je ze niet met een innerlijke betrokkenheid, met een bepaalde overtuigingskracht als volwassene kan accepteren; maar dat is toch iets bedriegelijks. Als je teruggaat naar wat er eigenlijk wordt beleefd, dan kom je bij iets heel anders. Juist wat dit betreft is het buitengewoon te betreuren dat een bepaalde vorm van ontstaan die volgens de geesteswetenschap eigenlijk al veel langer terug ligt, niet verder tot ontwikkeling is gekomen. Mijn oude vriend Ludwig Laistner schreef in de jaren tachtig van de vorige [19e] eeuw zijn tweedelige werk ‘Het raadsel van de sfinx’, waarin hij aantoont wat voor een dwaze gedachte het is te geloven dat mythen, sagen, legenden ontstaan zijn doordat het volk iets over wolken, over de zon, de aarde enzo verzonnen heeft; daardoor zouden er lentemythen zijn ontstaan.

blz. 273

die Volksphantasie gedichtet hat. Ludwig Laistner – insofern ist sein Buch natürlich unvollkommen, weil er nichts weiß von dem, wie eigentlich die Seelenverfassung früherer Menschen war, sie war eben mehr nach dem wirklichen Anschauen des Wirklichen hin gerichtet – schreibt alles dem Träume zu, aber wenigstens ist er so weit, daß er jedem Sagengebilde ein Erlebnis, wenn auch ein Traumerlehnis zuschreibt. Nun, betrachten wir aber den Traum. Er entspricht gewiß nicht einer solchen Erkenntnis, wie wir sie am Tage haben, wo wir durch unsere Sinne an die Dinge herankommen; aber wer das Traumleben intim studiert – man braucht natürlich deshalb nicht nach der Seite der Traumbücher abzuirren -, der wird sehen, daß das Traumleben auch ein Ausdruck ist von einer Wirklichkeit. Sie träumen von einem Kachelofen, verspüren, wie die Hitze Sie anstrahlt – und wachen auf mit heftigem Herzklopfen. Der Traum hat Ihnen sym­bolisiert einen inneren Vorgang. Sie träumen – ich erzähle wirk­liche Dinge – von Schlangen, die allerlei vor Ihnen darstellen, Sie wachen auf und haben irgendwelche Schmerzen in den Gedärmen; die Schmerzen in den Gedärmen werden symbolisiert durch die Schlangen.

Ludwig Laistner – in zoverre is zijn boek natuurlijk niet volledig omdat hij niets weet van hoe het gevoelsleven van de vroegere mens was – dat was meer gericht op het werkelijke waarnemen van de werkelijkheid – schrijft alles toe aan de droom, maar hij is tenminste zover dat hij iedere sagevorm toedicht aan een ervaring, zij het dan een droomervaring.
Laten we eens naar de droom kijken. Die is zeker niet in overeenstemming met de kennis die we overdag hebben wanneer we door onze zintuigen in contact staan met de dingen, maar wie het droomleven fijnzinnig bestudeert – dan hoef je niet de verkeerde kant te kiezen van de boeken die dromen duiden – die zal zien dat het droomleven toch ook een uitdrukking is van een bepaalde werkelijkheid. Je droomt over een kachel, je merkt hoe de hitte je bestraalt – en je wordt wakker met hevige hartkloppingen. De droom geeft je gesymboliseerd wat er inwendig in je plaatsvindt. Je droomt – ik heb het over reële dingen – over slangen die je van alles vertonen. Je wordt wakker en je hebt op de een of andere manier iets pijnlijks met je darmen; de pijn daarin wordt gesymboliseerd door slangen.

Jeder Traum ist im Grunde genommen hindeutend auf innere Vorgänge des Menschen, und die inneren Vorgänge des Menschen sind wiederum Ausdruck für die großen Seelenvorgänge. Wahrhaftig, die Welt ist eben durchaus tiefer, als wir sie heute in unserer sogenannten aufgeklärten Zeit denken. Und wer eigentlich die Märchen studiert, der findet in den Märchen eine so bedeutende Physiologie zum Beispiel, daß es schon einen Weg gibt, um an die Märchen zu glauben, so daß durchaus der Grad von innerer Seelenstimmung, den ich gebrauche, um dem Kinde irgend etwas beizubringen vom «Schneewittchen» oder dem «Osterhasen» oder vom «Nikolaus», so ist, daß durchaus das Gefühl entstehen kann, das in mir selbst eine Gläubigkeit hat. Ich muß nur innerlich durchdrungen sein von einer Beziehung zu der Sache. Nehmen Sie den «Nikolaus»: Der Nikolaus ist durchaus dasjenige, was zurückführt auf den alten germanischen Wotan, ist eigentlich dasselbe, wie der alte germanische Wotan, und wir kommen dann zu dem Weltenbaume,

Iedere droom duidt uit de aard der zaak op inwendige processen in de mens en die zijn op hun beurt weer een uitdrukking van grote zielenprocessen. De wereld zit echt wel gecompliceerder in elkaar dan wij nu tegenwoordig in onze zogenaamde verlichte tijd denken. En wie de sprookjes bestudeert vindt daarin bv. een belangrijke fysiologie, zodat dit al een mogelijkheid biedt om aan de sprookjes te geloven, zodat zeer zeker het niveau van onze gevoelsstemming dat ik nodig heb om het kind iets te laten horen van ‘Sneeuwwitje’ of de ‘paashaas’ of ‘Sint-Nicolaas’ zo is, dat zeker het gevoel kan ontstaan dat in mijzelf berust op erin geloven. Ik hoef alleen maar innerlijk doordrongen te zijn van een affiniteit met de zaak. Neem nu Sinterklaas. Die brengt je terug naar de oude Germaanse Wodan, is eigenlijk dezelfde als de oude Germaanse Wodan en dan komen we bij de wereldboom,

Blz. 274

und wir haben in dem Zweig, den ja Nikolaus trägt, einen Hinweis. Dieser Zweig ist es – der Weihnachtsbaum ist ja kaum hundertfünfzig Jahre alt, ist ja ganz jung noch -, der sich allmählich zum Weihnachtsbaum auswächst. Sie sehen, daß da überall innere Zusammenhänge sind. Es ist nur notwendig, daß man sich in diese inneren Zusammenhänge hineinfindet, aber es ist das schon möglich. Und dann sind es ganz andere Imponderabilien, die sich vom Lehrer- und Erziehergemüt zum Kindergemüt hin ziehen. – Ich weiß nicht, ob ich Ihre Frage mit dieser Antwort ganz genau getroffen habe; es handelt sich mit um dieses.

Frage [nicht wörtlich festgehalten]. Welches Verhältnis hat die Psychoanalyse zur Geisteswissenschaft?

Rudolf Steiner: Sehen Sie, in bezug auf viele Dinge ist die anthroposophische Geisteswissenschaft in der Lage, daß sie spre­chen muß. Es sind kleine Kreise, und sie bildet einen großen Kreis; der kleine liegt im großen drinnen, aber der große liegt nicht im kleinen, und meistens sind diejenigen Menschen, die die kleinen Kreise haben, die fanatischsten. Anthroposophie ist absolut das Gegenteil von jedem Fanatismus

en in de tak die Nicolaas draagt [er staat ‘Zweig’ – ik weet niet of Steiner hiermee ook ‘staf’ bedoelt] een aanwijzing. Deze tak is het – de kerstboom is nog maar zo’n [1920] honderdvijftig jaar oud, nog heel jong dus, die langzamerhand tot de kerstboom uitgegroeid is. Je ziet dat er overal samenhangen bestaan. Het is alleen nodig vertrouwd te raken met deze innerlijke samenhang, maar dat is wel mogelijk. En dan zijn er heel andere imponderabele banden die uit het leraren- en opvoedershart naar het kinderhart lopen. Ik weet niet of ik uw vraag met dit antwoord helemaal heb beantwoord; maar hier gaat het ook om.

Vraag: (niet letterlijk bewaard gebleven) Welke relatie bestaat er tussen de psycho-analyse en de geesteswetenschap?

Rudolf Steiner:

De geesteswetenschap is in staat om op velerlei gebied te spreken. Het zijn kleine cirkels en die vormen een grote, de kleine liggen binnen de grote, maar de grote ligt niet binnen de kleine en vaak zijn de mensen die over de kleine cirkels beschikken de meest fanatieke. Antroposofie is absoluut het tegendeel van elke vorm van fanatisme.

Nicht wahr, in der Psychoanaly­se liegt eine viertels oder halbe Wahrheit. Man versucht herauszu­holen aus dem Inneren die Seelenprovinzen und so weiter, die iso­lierten Seelenprovinzen und so weiter. Darinnen liegt eine Wahr­heit, aber man muß weiter schürfen, wenn man die eigentliche Grundlage finden will. So daß man, wie wir das bei sehr vielen Anschauungen finden, sagen kann: Ja, aber der andere bringt uns nicht die gleiche Gegenliebe entgegen, er findet, daß, weil man es umfassender darstellen muß, man ihm widerspricht.
Ich erinnere Sie nur an das Glanzbeispiel, das ja fast in den meisten Büchern der Psychoanalyse vorgebracht wird. Sie wer­den sich erinnern, wenn Sie sich mit dem Stoff beschäftigt haben: Es wird eine Dame in eine Abendgesellschäft eingeladen. Die Dame des Hauses – nicht die Eingeladene – soll gerade an jenem Abend in ein Bad abfahren, und der Herr des Hauses soll dann allein zu Hause bleiben. Nun wird die Abendgesellschaft

De psycho-analyse bevat een kwart of de helft van de waarheid. Men probeert in het innerlijk, zielengebieden enzo te vinden, zielengebieden die op zichzelf staan enzo. Daar zit wel waarheid in, maar je moet verder graven, wil je de eigenlijke basis vinden. Zodat je, dat vinden we bij vele gezichtpunten, zeggen kan: ja, maar de ander geeft geen wederzijdse liefde terug, hij vindt, omdat je het meer omvattend moet weergeven, dat je hem tegenspreekt.
Ik herinner u slechts aan het schitterende voorbeeld dat bijna in de meeste boeken over psycho-analyse staat. Als u zich met deze stof heb beziggehouden, weet u het wel weer: een dame wordt uitgenodigd bij een avondgezelschap. De vrouw des huizes – dus niet de uitgenodigde dame – reist juist diezelfde avond af naar een kuuroord en de heer des huizes is dus alleen thuis gebleven. Nu wordt het avondgezelschap

veranstaltet; die Dame des Hauses wird abgeschickt nach dem Bade, der Herr ist wieder zurück, die Abendgesellschaft löst sich auf. Die Leute gehen auf der Straße. Um die Ecke herum saust eine Droschke – nicht ein Auto, eine Droschke. Die Abendgesellschaft weicht links und rechts aus, die eine Dame aber läuft vor den Pferden her, immer fort, läuft, läuft, läuft, wie sich die anderen auch bemühen und der Kutscher schimpft und flucht, aber sie läuft, bis ein Bach kommt. Sie weiß wohl ganz gut, daß man in dem Bach nicht ertrinken kann – sie wirft sich hinein und wird nun natürlich gerettet. Die Leute wissen nichts anderes zu tun: Sie wird in das Haus zurückgebracht, wo sie eben hergekommen ist, wo der Herr des Hauses ist, in dem die Dame des Hauses soeben ins Bad geschickt worden ist.
Nun, nicht wahr, der richtige Freudianer – ich habe das von Anfang an verfolgt, war sehr gut bekannt mit Doktor Breuer, der zunächst mit Freud die Psychoanalyse aufgebracht hat -, ja, ein richtiger Freudianer sucht nach irgendeinem verborgenen Seelenkomplex: In ihrem siebten, achten Jahre, als die Dame noch ein Kind war, da wurde sie von einem Pferd verfolgt; das ist nun ein unterdrückter Seelenkomplex, der kommt jetzt heraus

bij elkaar; de vrouw des huizes wordt uitgeleide gedaan naar het kuuroord, de heer des huizes is weer terug, het avondgezelschap gaat ook weer weg. De mensen gaan over straat. Om de hoek komt met flinke snelheid een koets aan – geen auto, een koets. Het avondgezelschap wijkt uit naar links en rechts, die ene dame loopt voor de paarden, steeds voor de paarden, loopt en loopt en loopt en wat de anderen ook proberen en hoe de koetsier ook tekeer gaat en vloekt, zij loopt maar, tot er een beek opdoemt. Zij weet heel goed dat je daarin niet kan verdrinken – ze springt erin en wordt natuurlijk gered. De mensen weten niets beters: ze wordt naar het huis teruggebracht waar ze net vandaan is gekomen, waar de heer des huizes is, nadat de vrouw des huizes naar het kuuroord gegaan is.
De echte aanhanger van Freud – ik heb het vanaf het begin gevolgd, kende dokter Breuer heel goed die in het begin met Freud de psycho-analyse ontwikkelde – de echte aanhanger van Freud zoekt naar een of ander verborgen zielencomlex: op haar zevende, achtste jaar, toen die dame nog een kind was, zat er eens een paard achter haar aan; dat is nu een verdrongen complex in de ziel, wat nu naar boven komt.

Aber so einfach liegen die Dinge eben nicht. Ich muß jetzt um Entschuldi­gung bitten, aber die Dinge liegen eben so, daß das Unterbewußt­sein manchmal ein recht raffiniertes sein kann. Dieses Unterbe­wußtsein, das arbeitet schon die ganze Zeit in der Dame: Wenn sie nur, nachdem die andere ins Bad abgeschoben wird, wenn sie nur bei dem Manne sein könnte! Und nun richtet sie alles her – also im Oberbewußtsein würde sich die Dame natürlich furchtbar schä­men, das zu tun, das braucht man ihr nicht zuzutrauen im Ober-bewußtsein, aber das tiefere, das Unterbewußtsein ist viel raffinier­ter, viel schlechter -, weiß alles so einzurichten, weiß das ganz gut voraus: Wenn sie da vor dem Pferde herläuft und sich ins Wasser stürzt, wird sie zurückgetragen in das Haus, weil ja die anderen [von ihrer eigentlichen Absicht] nichts wissen.
Da muß man auf ganz andere Dinge manchmal sehen. Es ist viel zu viel Verkünsteltes heute in der Methode der Psychoanalyse,

Maar zo simpel liggen de zaken echter niet. Neem mij niet kwalijk, maar die zaken liggen nu juist zo dat het onderbewsutzijn vaak heel geraffineerd kan zijn. Dit is al de hele tijd in de vrouw actief: wanneer zij nu maar eens, nadat die ander naar het kuuroord is gegaan, wanneer zij nu maar eens bij die man kon zijn! En nu stelt ze alles in het werk – als ze zich bewust zou zijn geweest van wat ze deed, zou ze zich natuurlijk diep schamen, dat hoef je bij vol bewustzijn niet achter haar te zoeken, maar het dieper liggende, het onderwustzijn is veel geraffineerder, veel slechter – dat weet alles goed te organiseren, weet bij voorbaat: wanneer ze voor die paarden gaat lopen en in het water springt, wordt ze naar dat huis teruggebracht [de anderen beseffen dat helemaal niet]. Je moet soms naar heel andere dingen kijken. In de methode van de psycho-analyse zit veel te veel gekunsteldheid.

Blz. 276

obwohl sie im Grunde genommen ja auf einen Teil der Wahrheit hinweist. Es ist eben ein Versuch mit unzulänglichen Mitteln, was begreiflich ist aus der materialistischen Zeitgesinnung heraus, wo man auch das Geistige zunächst mit materialistischen Methoden sucht.

hoewel ze in de grond van de zaak voor een deel wel op de waarheid wijst. Het is toch een poging met ontoereikende middelen, wat vanuit een materialistische tijdsbeleving begrijpelijk is en waarin men ook het geestelijke vooral met materialistische methoden probeert te vinden.

.

[1] GA 297 Duits
[2] GA 297 vragenbeantwoording bij de 9e voordracht Duits

Rudolf Steineralle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

.

2003

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.