VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schilderen – GA 305

.
GA 305

Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst

Opvoeding en onderwijs

Voordracht 7, Oxford 23 augustus 1923

Die Waldorfschule als Organismus

De Waldorfschool als organisme

Blz. 142    vert. 131/132

Da ist es natürlich ungeheuer wichtig, daß man zunächst das richtige Erleben des Farbigen im Kinde erzeugt. Wenn Sie die kleinen Farben nehmen, die man gewöhnlich bekommt in den Handlungen, und die Kinder mit dem Pinsel von den kleinen Farben von der Palette herab malen lassen, lernen sie gar nichts. Das ist not­wendig, daß man mit der Farbe leben lernt, nicht von der Palette herab malen läßt, sondern aus dem Tiegel im Wasser aufgelöste Farben nimmt. Da bekommt das Kind das Gefühl, wie Farbe neben Farbe leben kann, das Gefühl für innere Harmonik und für inneres Farbenerleben. Und wenn das auch manchmal Schwierigkeiten bietet – die Klasse sieht manchmal nicht gut aus, nachdem Malunterricht erteilt worden ist, weil nicht alle sehr geschickt sind, manchmal nicht sehr gelehrig sind in dieser Be­ziehung -, wenn das auch Schwierigkeiten macht, es gibt doch unge­heure Fortschritte, wenn man so die Kinder zunächst ins Farbenelement einführt, so daß sie aus dem Farbenerleben heraus, ohne daß sie natura­listisch etwas nachahmen wollen, zunächst malen lernen. Dann gibt sich schon selbst, ich möchte sagen, die Farbenfläche und Farbenform über

Daarbij is het natuurlijk van het allergrootste belang dat men van meet af aan het juiste kleurbeleven bij het kind weet op te kweken. Als u die kleurtjes gebruikt, die normaal gesproken in de winkels te koop zijn, en de kinderen die met hun penseel gewoon vanaf het palet laat opbrengen, dan leren ze helemaal niets.
Het is noodzakelijk met de kleur te leren leven en niet vanaf het palet te laten schilderen, maar uit het potje in water opgeloste kleuren te gebruiken.
Hoe dat in de praktijk kan gaan.
Dan krijgt het kind er een gevoel voor hoe de kleuren naast elkaar kunnen leven, een gevoel voor innerlijke harmonie en voor het innerlijk beleven van de kleur. En al levert dat wel eens wat problemen op – de klas ziet er soms niet meer zo netjes uit nadat er schilderles gegeven is, want niet iedereen is even handig of
leert even vlot op dit gebied –, al levert dat wat problemen op, toch boekt men een ongelooflijke vooruitgang als men de kinderen op zo’n manier met het element van de kleur in aanraking brengt, dat ze uit het beleven van de kleur leren schilderen, zonder dat ze in eerste instantie iets op naturalistische wijze
willen nabootsen. Dan ontstaan al vanzelf, zou ik willen zeggen, de kleurige vlakken en de gekleurde vorm

Blz. 143  vert. 132

die Papierfläche drüber. Und so wird so gemalt in der Waldorfschule, und auch in Dornach wird so gemalt, daß die Kinder zunächst das Farbenerleben malen. Es kommt überall auf die Nebeneinanderstellung, Übereinanderstellung der Farben an. So lebt sich das Kind in die Farbe ein, und dann kommt es schon nach und nach von selbst dazu, aus der Farbe die Form zu holen. Sie sehen, wie hier – bei allerdings vorge­schrittenen Kindern – schon, ohne daß man auf das Zeichnen ausgeht, hervorgeholt ist aus der Farbe ein Geformtes, ein Gestaltetes. Aber nach demselben Prinzip wird auch bei den kleinen Kindern unterrichtet. Wir haben hier zum Beispiel solche Blätter, welche das Farberleben anstreben. Da wird nicht etwas gemalt, sondern da wird aus der Farbe heraus gelebt. Das Etwas-Malen kann erst viel später kommen. Wenn man zu früh anfängt, etwas zu malen, dann verliert sich der Sinn für das Lebendige, dann kommt der Sinn für das Tote herauf.
Wenn man dann in dieser Weise vorgeht, so ist der Übergang zu irgend etwas Gegenständlichem in der Welt ein viel lebendigerer, als wenn man nicht diese Grundlage schafft. Sehen Sie, Kinder, die erst aus der Farbe heraus haben leben lernen, die malen dann die Insel Sizilien im Zusammenhang mit dem Geographieunterricht zum Beispiel, und es kommt dann eine Landkarte zustande. Und so gliedert sich zu­sammen künstlerisches Arbeiten und sogar geographischer Unterricht. Wenn man auf diese Weise ein Gefühl für Farbenharmonik hervor­ruft, dann bringt man es zustande, daß die Kinder Gegenstände, die irgendwie dem Leben dienen, dann machen. 

op het vel papier. Zo wordt er op de Waldorfschool geschilderd, en ook in Dornach wordt zo geschilderd dat de kinderen in de eerste plaats de kleurbeleving schilderen. Het gaat steeds om het naast en tegenover elkaar zetten van de kleuren. Op die manier leeft het kind zich in de kleur in, en dan komt het er langzamerhand vanzelf wel toe om uit de kleur de vorm te laten ontstaan.
Uit de praktijk
U ziet hoe hier [in de uitgave zijn die voorbeelden niet afgedrukt]– weliswaar bij gevorderde leerlingen – zonder dat men op het tekenen gericht is, vanuit de kleur al iets van een vorm is ontstaan. Maar volgens deze principes krijgen ook de jongste leerlingen les.
Hier [idem] zijn bijvoorbeeld een paar van zulke schilderingen waarin het gaat om het kleurbeleven. Daar wordt niet iets geschilderd, maar daar wordt geleefd vanuit de kleur. Iets schilderen kan pas veel later komen.
Uit de praktijk
Als men te vroeg begint met iets te schilderen, dan raakt men de zin kwijt voor het levende en treedt de zin voor het dode op de voorgrond.

Dit ‘iets’ is dus een voorstelling en hoort als zodanig bij de zenuw-zintuigmens, bij het verleden, bij de doodskrachten. Vanuit het gevoel, een stemming – hier die van de kleur – in het doen komen, hoort tot het gebied van de wil, de toekomst, de bloedkrachten, bij de levenskrachten.
Meer daarover in ‘Algemene menskunde’ voordracht 2.

Wanneer men op deze manier te werk gaat, verloopt de overgang naar iets concreets in de wereld veel levendiger dan wanneer men niet die basis legt. Kijk, kinderen die eerst vanuit de kleur hebben leren leven, schilderen dan bijvoorbeeld in de aardrijkskundeles het eiland Sicilië, en dan ontstaat er een landkaart. Op die manier vloeit kunstzinnig werk zelfs met aardrijkskunde
samen. Uit de praktijk
Wanneer men op die manier gevoel wekt voor de harmonie van kleuren,

willekeurige illustratie
.

dan krijgt men het voor elkaar dat de kinderen vervolgens ook voorwerpen maken die in het leven van nut zijn.
Hierna volgt een voorbeeld voor een boekomslag.
GA 305/142-143
Vertaald/131-134
.

Rudolf Steiner over schilderen: alle artikelen

Schilderenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3324-3128

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Schilderen n.a.v. de vertelstof (3-5)

.

Onderstaand artikel is een bewerkte vertaling uit:
.
Der künstlerische Unterricht. Mahlen und Zeichnen
Jünemann/Weitmann  (1e druk 1976)
(Inmiddels is er een 5e druk 2007)
.

Zwart = tekst uit het boek
Blauw = mijn eigen woorden over het e.e.a.

N.a.v. blz. 46 – 50

De schrijver besteedt ook aandacht aan wat je als motief uit de vertelstof voor het schilderen kan nemen.
In alle vorige artikelen kwam met name aan de orde het ‘hoe’ en het ‘waarom’ van de kleur en de schildertechniek.
Ook daar kwam naar voren welke motieven je zou kunnen gebruiken bij je opdrachten.
Maar die werkte je als leerkracht nog zelf uit.

Kies je de vertelstof als uitgangspunt, leg je jezelf wel iets vaster, maar er blijft genoeg ‘vrije fantasieruimte’ over om een opdracht te geven.

1e klas.
Nu volgen als voorbeeld een paar sprookjes.
Uiteraard zijn die eerst verteld en na een poosje kom je erop terug. Nadat het verhaal is opgefrist, kan je het schilderen.
Raponsje.
Wat er snel gebeurt – er wordt ook op gewezen – is dat wanneer je bv. zegt ‘in het donkere bos staat een toren’ die dan geschilderd zou moeten worden, de kinderen een ‘echte’ toren willen schilderen.

Maar in de lagere klassen willen we nog wegblijven van het figuratieve, van de voorstelling.
De kinderen moeten dus iets donkerblauws opzetten, met daaromheen wat lichter bauw. Daar komt geel overheen, zodat groen ontstaat.

Dus, hier moeten de kinderen zelf op het papier mengen. En hebben ze dat al geleerd?
Uit wat in de artikelen hiervoor gezegd werd, kun je opmaken dat alle oefeningen die in de eerste klas worden gedaan, een hele tijd in beslag nemen. Kom je eigenlijk wel aan mengen toe. Zeker, als je het doet, doe je het, maar ligt er een bepaalde methodische opbouw aan ten grondslag.
Aan wat de auteur hier voorstelt, kwam ik – maar ik ben niet de maatstaf der dingen – pas laat in de 1e klas aan toe. Het was voor mij veel meer 2e-klasstof.
Maar dan kun je natuurlijk ook nog sprookjes schilderen en erop terugkomen.

Goed, bij de blauwe toren, ernaast, moet nog Rapsonsjes gouden haar komen. Dat kan alleen maar zuiver geel blijven, als er geen blauw is, dus daarvoor moet eigenlijk een ruimte worden ‘uitgespaard’. Of heel dun blauw, dat het weer weg te halen is met een schone penseel.
Allemaal technieken, dus.

Dan komt de koningszoon met de rode mantel – dus een rode kleur die door het blauw dringt, waardoor dit violet wordt.

Mét het verhaal en de kleuren, is er een kleurensfeer, een kleurenstemming te creëren, waarbij tegenstellingen een extra indruk maken.
De schrijver neemt hiervoor het sprookje van Jorinde en Joringel.

Het sprookje wordt in het boek door Jünemann met mooie, ‘kleurrijke’ woorden nog eens in het kort verteld.
De opdracht is, eerst de warme gouden stemming te schilderen, maar dan, het donker worden, het naderbij komen van de dreiging: het licht verdwijnt.
Ze beginnen met goudgele tonen die oranje worden. Daar komt het donkere blauw aan. Het geel wordt bedreigd en de lichtkracht verdwijnt en wordt groen.

Er volgt nog een voorbeeld van de kikkerkoning.
Het glanzende element verdwijnt, met de gouden bal in de bron, en wordt donker.
Het geel moet donkerder worden door er blauw overheen te schilderen, er ontstaat weer groen; daaruit kan er weer goudgeel naast komen, a.h.w. eruit, om aan te geven dat de bal er weer is.

Als laatste wordt Doornroosje genoemd.
De donkere haag – pruisisch blauw – wordt doorkliefd met het gouden zwaard van de koningszoon. Er ontstaan groentonen, met rood kunnen de rozen aangegeven worden.

Als Steiner voor het vertellen aanwijzingen geeft, heeft hij het over ‘de gevoelens van de kinderen’ en het aanspreken van de ‘hele mens’ o.a.( GA 294)
Door het schetsen van die stemmingen, spreek je dus m.n. het gevoelsleven aan, gevolgd door het tot uitdrukking brengen op een kunstzinnige manier, het wilselement.
Zoals de auteur zegt: ‘de manier van het vertellen wordt weerspiegeld in de kleurencomposities.’

Dit is geen voorbeeld uit het boek, ook niet van een van de mogelijkheden die hierboven zijn genoemd. Het is wel het idee van wat zoiets kan worden. Een 1e-klasser zal het nog wat ‘onbeholpener’ schilderen.

Over de tweede klas wordt niets gezegd.
Maar als leerkracht beschik je over voldoende fantasie om uit het leven van heiligen iets nemen of uit de fabels.
Het omhullende warme rood van de mantel van Sint-Maarten om de (veel kleiner afgebeelde blauwe kleur van de bedelaar) of de fel rood tegenover elkaar staan de bokken die niet voor elkaar opzij willen gaan op de plank over de sloot, enz.

Wel genoemd wordt: de derde klas: het Oude Testament.

De idee die hierboven is uitgewerkt, kan je ook hier toepassen. De schrijver neemt als voorbeeld de woede van Mozes die van de berg komend met de stenen tafelen, het volk om het gouden kalf ziet dansen.
De toorn van God, de woede van Mozes wekken wel vrees bij de mensen. Oefeningen voor deze gevoelens kunnen in rood en blauw.

Een tweede voorbeeld is dat van David en Saul. Saul heeft zijn zwaarmoedige buien en David wil hem opfleuren met zijn harpspel.
Donker blauw, violet en groen worden geel-oranje, rood zo er tegenover dat de lichte kant over het donker heen komt en het verlicht.

Bij de vierde klas komt de vraag of je eigenlijk wel door moet gaan met net zo de vertelstof ‘in kleur’ brengen als in de jaren daarvoor.
Ook de Germaanse mythologie biedt uiteraard aanknopingspunten.
De woede van Thor in sommige verhalen, de lichtglans van Baldur en de dag Ragnarok, om maar wat te noemen.

Met het 9e, 10e jaar verandert bij het kind de houding tot de wereld. De fantasiekrachten nemen af. 
Bij de vuurwereld van Muspelheim en de koude wereld van Neveloord zal dat nog niet zo te merken zijn.
Inmiddels kunnen de kinderen al veel meer wat de techniek betreft, zodat ook steeds vaker allerlei nuancen van de kleur kunnen worden gebruikt.

Er volgt niets over de vijfde en zesde klas. Er wordt in een ander hoofdstuk over de 4e, 5e en 6e klas gesproken n.a.v. dier- en plantkunde en mineralogie.
Maar daar gaat het niet meer om de ‘kleurenverhalen’, maar over hoe je dieren, planten en mineralen schildert.

Dan worden er dus voorstellingen geschilderd. M.i. hoeft dat daar niet alleen, ook bv. de Germaanse mythologie leent zich daarvoor, m.n. in de al genoemde tegenstelling Muspelheim-Niflheim: vuuroord en neveloord.
Als opdracht gaf ik eens: vuuroord zo met vlammen te schilderen dat je in die vlammen Surtur zag met het vlammend zwaard, maar niet al te duidelijk, a.h.w. deel uitmakend van die vlammen.
Hetzelfde kan dan weer in het koude blauw, waarin je ook de vormen ontwaren kan van de ijsreuzen.

Zo zou Asgard, Midgard en Jotunheim eruit kunnen zien:

Dit zijn goede mogelijkheden om ook schilderend te kunnen gaan illustreren, dus in beeld brengen van wat je beleefd hebt aan een verhaal.
Of als illustratie bij de lesstof.

Dan kan de vraag opkomen of je niet ook eens in het periodeschrift zou kunnen schilderen. Een aardige gedachte en ik heb het ook wel gezien en zelf ook gedaan, maar k ben er al snel van afgestapt. Er kan bv. van alles misgaan, waardoor het periodeschrift er niet (meer) uitziet. Het papier gaat ‘bobbelen’, wat het schrift een rommelig aanzien geeft. 
Als je tóch iets uit een periode wil schilderen, gaat dat toch het beste op papier.

Je kan ook van schilderbladen een boekwerkje maken. Je schrijft op een blad en op een ander blad dat er naast komt, staat de schildering. 
Later kan dat bij elkaar gebonden worden.

Dat kan heel goed in het begin van de 3e klas: een boek over de schepping.
Daar komt in zekere zin wat boven aan de orde kwam, samen.

De aarde is duister (blauw) en daar is het lichte: ‘Er zij licht’. 
Blauw en geel nog van elkaar gescheiden, het geel ‘zweeft boven de wateren’
Bij een volgende schildering dringt het licht door in het blauw: er ontstaat groen.
(Ik deed dit in een 3e klas waarop een meisje riep: nu weet ik waarom de wereld groen is).


Sterren, zon en maan: verschillende geeltinten in verschillend blauw.
De planten zijn eerst a.h.w. nog oerplanten: er hoeven niet per se bestaande te worden genomen, maar het plantachtige wat nu eenmaal aan een plant zit.
Concreter wordt het bij de dieren. Die nemen al bestaande vormen aan en dat geldt ook voor de mens.

Dit zou ‘de aarde woest en ledig kunnen zijn’ of ‘de wateren beneden’.

3e klas vertelstof 1

Kortom: de kinderen kunnen hier hun fantasie laten spreken. Voor de leerkracht interessant wat er komt. 

Dit is waarschijnlijk nog niet door een 3e-klasser gemaakt: 

3e klas vertelstof Adam en Eva 2

Voor 4e, 5e en 6e klas:

Schilderen alle artikelen bij [3-8]

Rudolf Steiner over schilderenalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3323-3127

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.

IK STOND LAATST VOOR EEN POPPENKRAAM
.

Ook dit spelletje was in mijn jeugd heel bekend. Vooral op de kleuterschool, die toen door oudere inwoners van ons dorp nog ‘bewaarschool’ werd genoemd, deden wij het.

Mellie Uyldert heeft vele van deze kringspelen beschreven met een achtergrond waarvan ik soms ook bij Steiner dingen tegenkom.
Vandaar dat ze in mijn  belangstelling staan, al weet ik ook niet wat ik met sommige verklaring moet.
Misschien iemand anders wel en daarom geef ik hier weer wat Uyldert zegt.

In het midden van de kring staan 1 kind; er wordt gezongen:

Ik stond laatst voor een poppenkraam, o, o, o!
Daar zag ik mooie poppen staan: zó, zó, zó!
De poppenkoopman ging op reis,
de poppen raakten van de wijs,
ze deden allemaal zó!
ze deden allemaal zó!
ze deden allemaal zó!

Lied

Bij: O! o! o! wordt het hoofd geschud en met de rechterhand een gebaar gemaakt van: o zo mooi!

Bij: zó, zó, zó! wordt met de hand een bepaalde grootte, van de grond af gerekend, aangegeven, steeds hoger.

Bij: ze deden allemaal zó! doet het kind midden in de kring een gebaar of beweging voor, die door de kring-kinderen wordt nagevolgd. Na enige tijd mag een ander kind midden in de kring gaan staan.

Verklaring

Uyldert deelt het spel in bijSpelen van geboorte‘.
In dat artikel vind je een verklaring, ook voor de namen die hier worden gebruikt.

Dat de spelers eerst onbeweeglijk staan, zou een uitbeelding zijn van de ongeboren zielen bij Moeder Holda. 
In “Anneke Tanneke Toverheksis er een ‘afwezigheid’ van vrouw Holda die ‘naar de pap gaat kijken’ met het gevolg dat de zielen incarneren.
Hier raken ‘de poppen van de wijs’ wanneer de poppenkoopman weg is. 

Meer zegt ze er niet over. 

Vanuit dezelfde achtergrond wordt nu het spel

POTTENWINKEL – STOELENWINKEL

vermeld.

Een van de kinderen houdt een winkel, de andere kinderen min één zijn de potten of de stoelen die zij verkoopt en zitten gehurkt achter haar. (Zij is weer Holda, de hoedster der zielen.)

Het andere, overgebleven kind komt de winkel binnen en er ontspint zich weer een gesprek:

Heb je stoelen (potten) te koop?

Ja, bekijk ze maar eens!

De klant draait nu de potten om en om, of gaat op de stoelen zitten! Bij het laatste: neiging tot luid gegil van de ’stoelen’, dat zij echter moeten bedwingen! Wie lacht of beweegt, wordt meegenomen.

Deze zal ik maar nemen!

De klant betaalt en verdwijnt met de pot of stoel. Dit herhaalt zich tot alle potten of stoelen verkocht zijn. Daarna worden de rollen omgekeerd.

Bekender voor mij is dit spel, dat ik als kind ook deed:

ALLES IN DE WIND

De kinderen staan weer in een kring en houden elkaar bij de hand. Binnenin de kring staan een paar kinderen, 3, 4, dicht bij de kring. Die begint nu linksom te huppelen, de andere kinderen rechtsom.
Er wordt gezongen:

Alles in de wind, alles in de wind,
’t Is maar een schipperskind!
Alles in de wind, alles in de wind,
’t Is maar een schipperskind!

Hier blijft de kring staan en de  andere kinderen ook, die staan dus vóór een kind van de buitenkring. Daarvan pakken ze de handen kruiselings en dansen in de kring in het rond, waarbij ze zingen:

Rozi, roza,
 ’k heb een zusje!
’k heb een zusje!
Rozi, roza,
’k Heb een zusje, trala!

Ik herinner me deze tekst:

Kom hier, Roza,
je bent m’n zusje
je bent m’n zusje
Kom hier, Roza,
je bent m’n zusje
ja, ja.

De stilstaande kinderen klappen in hun handen op de maat. Als het liedje uit is, gaan de binnen-kinderen in de kring en de andere waarmee gedanst is, komen ni in de binnenkring en het spel gaat opnieuw.
Het is natuurlijk belangrijk dat alle kinderen een keer aan de beurt komen.

De verklaring zou zijn dat kinderen die binnen in de kring zijn, in een aparte toestand zijn, andere wezens zijn, hier de ongeboren zielen die een plaatsje op aarde zoeken. Misschien zullen die wel Roza heten omdat ze hemelwei met de gouden rozen afkomstig zijn! Ze komen, volgens de overlevering, door ’het land van wind, zon en maan’: de sferen van denken (wind), willen (zon) en voelen (maan), die zij in deze sferen in het stoffelijk lichaampje vastgelegd hebben met het bind-band.

En dan: de ene ziel kómt, de andere gaat!

Nu zijn er nog een paar coupletten, maar daar zegt Uyldert niets over.
Hier, samen met de melodie, zijn ze afgedrukt, tevens met een andere manier van spelen.

DAAR LIEP EEN OUDE VROUW OP STRAAT

De kinderen vormen een stilstaande kring, handen los. Eén kind is ‘de oude vrouw’. Zij loopt binnen langs de kring, terwijl deze zingt:

Daar liep een oude vrouw op straat,
jutekei, jutekei, jutekei, sa sa,
en waar die oude vrouw ook liep,
vergat ze haar rode mutsje niet!
Jutekei, jutekei, jutekei, sa sa,
Jutekei, sa sa!

Melodie

Op de laatste twee regels keert de oude vrouw haar gezicht naar het kind, waar zij dan juist aan toe is, en maakt danspassen voor dat kind, dat dezelfde passen maakt, beide beginnen tegelijk met het rechterbeen vóór (schrede-sprong). Aan het eind wisselt zij met dat kind van plaats, en laat dat kind nu de oude vrouw zijn. Daarna begint het spel opnieuw. Er moet op gelet worden, dat elk kind een beurt krijgt om de oude vrouw te zijn. Is de kring heel groot, dan kan men beter twee of meer kinderen tegelijk, over de kring verdeeld, oude vrouw laten zijn.

De oude vrouw is geen gewoon mens: daar duidt het rode mutsje op dat vaak een teken is dat het om een etherisch wezen gaat. De kabouters dragen ook een rode puntmuts!
Is deze vrouw een elf, die een elfenkind verwisselt met een mensenkind, dat pas geboren is.? Dan zou het om een ‘wisselkind‘ gaan. Zo’n kind bleek zich anders te gedragen dan de ‘gewone’ kinderen.

’Jutekei’ is wellicht een verbastering van het Duitse Juch-hei!

DAAR ZIT ER EEN IN DE HOGE TOREN

Dit lijkt weer veel op Anneke Tanneke Toverheks, maar met een andere tekst.
Door aftellen wordt een kind gekozen. Dat gaat op de knieën zitten. Behalve één kind, gaan de andere om de geknielde staan en houden de jurk op die de geknielde draagt. 
Dit zittende kind zou weer vrouw Holle, Holda kunnen zijn die de zielen een schuilplaats onder haar rokken aanbiedt.) Het overblijvende kind loopt om de kring heen en vraagt:

Wie zit daar in die hoge toren?

Het knielende kind antwoordt:

Een jonkvrouw, een koningsdochter.

En dan volgt dit gesprek:

Anne, buiten de kring:

Van wie zijn al die kindertjes?

Holda: van mij!

Anne: Mag ik er eentje nemen?

– Nee! –

Mag ik er eentje stelen?

– Nee! –

Ik zal de schoutendiender halen, die zal jou de kop af slaan!

Dit kind zal meegaan!

Anne tikt een van de kinderen in de kring op de schouder, dat dan opstaat en achter Anne aan gaat lopen, haar rok vasthoudend. Nu herhaalt zich het gesprek en dit gaat zo door, tot alle kinderen uit de kring achter Anne aan lopen en Holda geheel alleen gebleven is.

Ook de volgende tekst bestaat:

Daar zit er een in de gouden ketel, die kan naaien, die kan breien, die kan gouden poppetjes maken!

Mag ik er eentje nemen? — enzovoort.

Bij Uyldert doet de gouden ketel aan de baarmoeder denken, de poppetjes zijn de wordende kinderen.

Een andere variant is:

Daar zit er een in de brouwersketel
Die kan naaien
Die kan spinnen
Die kan mooie popjes winnen!
.

Ritme, waaronder ritmen in de natuuralle artikelen

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3322-3126

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – 7 thema’s (7)

.

De 7 thema’s die Erich Gabert als inleidingen verwoordt, geven een beknopt overzicht van wat er zich rond de oprichting van de waldorfschool en de verdere jaren waarin Steiner de school leidde, plaatsvond. 
Om niet te veel ‘leesvoer’ in één keer te geven, zullen de thema’s in aparte artikelen verschijnen die ik later bij elkaar zal voegen.
Het is nog niet mogelijk om alle plaatsen waarnaar verwezen wordt, van een link te voorzien. Wat hier ‘overzicht’ wordt genoemd, bevat voor een groot gedeelte verwijzingen naar de Gesamt Ausgabe (volledig overzicht van alle werk van Steiner, afgekort GA). Naar die GA’s heb ik direct een link geplaatst, waar mogelijk ook naar een vertaling.
Dit overzicht staat in deel 3 van de vergaderingen – GA 300C/213)
De aanduiding, bv. (1/184) betekent deel 1, dus GA 300A, blz. 184)

Blz. 35

Konfessioneller und freier Religionsunterricht;
Christengemeinschaft

Confessioneel en vrij godsdienstonderwijs;
de Christengemeenschap

In einem Verhältnis ganz eigener Art stand die Waldorfschule zur umgebenden Welt in bezug auf den Religionsunterricht. Er wurde in den Räumen der Schule erteilt und war doch nicht deren eigene Sache. Er war, wie Rudolf Steiner wohl sagte, „exterritorial”.
Das galt sichtlich von dem sogenannten konfessionellen Religionsunterricht, von dem anfangs allein die Rede war. Schon am Abend
des 20. August, noch vor dem grundlegenden pädagogischen Kurs,
sprach Rudolf Steiner von dem „Kompromiß”, der hier gemacht
werden müsse (1/63). „Wir wollen keine anthroposophische Dogmatik lehren. . . . Wir wollen umsetzen das, was auf anthroposophischem Gebiet gewonnen werden kann, in wirkliche Unterrichtspraxis. . . . Die religiöse Unterweisung wird in den Religionsgemeinschaften erteilt werden.” Und am Ende des Kurses, in der Rede zur Eröffnungsfeier am 7. September hieß es: „Ehrlich werden wir einhalten, was wir gelobt haben: daß die verschiedenen
Religionsbekenntnisse, die von sich aus den Religionsunterricht erteilen wollen, ihre Weltanschauungsprinzipien in unsere Schule

De vrijeschool had een heel bijzondere relatie met de wereld met betrekking tot godsdienstonderwijs. Dat werd gegeven in de ruimten van de school en was toch niet haar eigen aangelegenheid. Het was, zoals Rudolf Steiner weleens zei, “extraterritoriaal”.
Dit gold duidelijk voor het zogenaamde confessionele godsdienstonderwijs, waarvan alleen in het begin sprake was. Al op de avond van 20 augustus, nog voor de pedagogische basiscursus, sprak Rudolf Steiner over het “compromis” dat hier gesloten moest worden. (In deze band op blz. 63, echter niet op deze blog vertaald, omdat de vertaling in GA 293, blz. 15) staat.

“Wij willen geen antroposofische dogmatiek onderwijzen. . . . Wij willen datgene wat op antroposofisch gebied te leren valt, omzetten in echte onderwijspraktijk.  . . Religieus onderricht wordt gegeven in de religieuze gemeenschappen.”
En aan het einde van de cursus, in de toespraak bij de openingsceremonie op 7 september, werd gezegd: “We zullen onze belofte eerlijk nakomen: dat de verschillende godsdiensten die uit eigen beweging godsdienstonderwijs willen geven hun levensbeschouwelijke principes op onze school kunnen onderwijzen.

Blz. 36

hineintragen können.” („Rudolf Steiner in der Waldorfschule” S. 27; Liste Nr. 8.) Für Rudolf Steiner schien es dem Wesen und den Bedürfnissen des
heranwachsenden Menschen unangemessen, ja schädlich, wenn er
ohne jegliche religiöse Unterweisung aufwachsen müßte. Deshalb
wurden gleich von Anfang an Zeit und Räume bereitgestellt für die
von den Konfessionen beauftragten Lehrer, selbst wenn dafür an sich
bessere Prinzipien des Stundenplans aufgeopfert werden mußten
(1/65,69).
Und Rudolf Steiner bestand streng darauf, daß diese Übergabe an die
Religionsgemeinschaften in jedem Sinne „ehrlich” durchgeführt
werde. Er wurde ungehalten, als von manchen Schulkindern einige
Kameraden nicht recht ernst genommen wurden, nur weil sie aus
anderen Konfessionszusammenhängen stammten (2/111, 112).
Aber schon gegen Ende des pädagogischen Kurses muß Rudolf Steiner gebeten worden sein, auch für solche Kinder, deren Eltern gar
keiner Konfession angehörten, und das war bei den Arbeiterkindern
vielfach der Fall, einen auf anthroposophischer Erkenntnis gegründeten Religionsunterricht einzurichten, einen „freien Religionsunterricht” von durchaus christlichem Charakter.
In der ersten Lehrerkonferenz am 8. September 1919 wurde ein
Doppeltes bemerkbar. Es war schon die Rede vom „anthroposophischen Unterricht, dem freien Religionsunterricht”, aber es wurde
auch deutlich, daß die Gedanken über die Gestalt dieses Unterrichts
noch nicht voll ausgereift waren

(“Rudolf Steiner in de vrijeschool”, de betreffende toespraak staat in GA 294 blz. 
Voor Rudolf Steiner leek het niet passend bij de aard en behoeften van de opgroeiende mens, zelfs schadelijk, als deze zonder enig godsdienstonderwijs zou moeten opgroeien.
Daarom werden vanaf het begin tijd en ruimtes beschikbaar gesteld voor de
leraren die door de kerkgenootschappen waren aangesteld, zelfs als dit betekende dat er betere uitgangspunten van het lesrooster opgeofferd moest worden. (1/65, 69).
En Rudolf Steiner stond er streng op dat dit overdragen aan de religieuze
gemeenschappen in alle opzichten “eerlijk” werd uitgevoerd.
Hij was verontwaardigd toen sommige schoolkinderen niet echt serieus genomen werden door hun schoolgenoten, alleen maar omdat ze een andere confessionele achtergrond hadden. (2/111, 112).
Maar al tegen het einde van de pedagogische opleiding moet Rudolf Steiner gevraagd zijn om ook de kinderen te onderwijzen van wie de ouders tot geen enkel kerkgenootschap behoorden, en dit was vaak het geval bij de kinderen van de werknemers, om een op antroposofische inzichten gebaseerde religieuze opvoeding met een door en door christelijk karakter tot stand te brengen.
Op de eerste lerarenvergadering op 8 september 1919 werden twee dingen duidelijk: Er werd al gesproken over ‘antroposofisch onderwijs, het vrije godsdienstonderwijs’, maar het werd ook  duidelijk dat de ideeën over de vorm van dit onderwijs nog niet volledig ontwikkeld waren.

So hieß es, die Klassenlehrer könnten ihn geben (1/67). Davon war zwei Wochen später, in den Konferenzen vom 25. und 26. September (1/79-81 , 98—105) nicht
mehr die Rede. Es wurden Herbert Hahn und Friedrich Oehlschlegel mit diesem Unterricht beauftragt. Nun wurde auch der gesamte Lehrplan des Religionsunterrichts für alle damals vorhandenen acht Klassen gegeben. Sie sollten in zwei Gruppen zusammengefaßt werden, 1.—4. und 5.-8 . Klasse. Als dann im Herbst 1920 die 9. Klasse hinzukam, wurden es drei Gruppen, 1.—3., 4.-6. , 7.-9. , und stufenweise näherte sich die Einteilung für den Religionsunterricht der üblichen Klasseneinteilung (3/157). Das machte auch immer mehr Lehrer nötig für diesen Unterricht. Dem Lehrplan wurden ständig
Einzelheiten und die Erweiterungen für die neu hinzukommenden Klassen angefügt. (Näheres vgl. Sachwortverzeichnis.)
Bei einem Elternabend am 3. November 1919 wurde nun gefragt, ob nicht auch für die Schüler des freien Religionsunterrichts an den Sonntagen eine religiöse Feier eingerichtet werden könne. Nachdem

Dus werd er gezegd dat de klassenleraren het konden geven (1/67). Dit was twee weken later niet het geval, in de vergaderingen van 25 en 26 september (1/79-81 , 98-105) werd er niet meer over gesproken.
Herbert Hahn en Friedrich Oehlschlegel werden met deze lessen belast. Nu werd het hele leerplan voor godsdienstonderwijs gemaakt voor alle acht klassen die er toen waren.
Ze zou in twee groepen worden gegeven, 1e-4e en 5e-8e klas. Toen de 9e klas werd toegevoegd in de herfst van 1920, waren er drie groepen, 1e – 3e, 4e – 6e, 7e – 9e , en de verdeling voor godsdienstonderwijs benaderde geleidelijk de gebruikelijke klassenindeling (3/157).
Dit betekende ook dat er steeds meer leerkrachten nodig waren voor deze lessen. Aan het leerplan werden voortdurend details toegevoegd en uitgebreid met
aanvullingen voor de nieuwe klassen die erbij kwamen.
(Voor meer details, zie de register -niet oproepbaar).
Op een ouderavond op 3 november 1919 werd de vraag gesteld of niet ook een godsdienstige viering ontworpen kon worden op zondag voor de leerlingen van het vrije godsdienstonderwijs

Blz. 37

Überlegungen darüber unbefriedigend verlaufen waren, baten die beiden Religionslehrer in der Weihnachtszeit 1919 Rudolf Steiner um seinen Rat. Wenige Tage später übergab er ihnen das Ritual für die Sonntagshandlung. Weil Oehlschlegel bald für geraume Zeit nach Amerika reiste und dann nicht mehr an die Schule zurückkam, hatte Herbert Hahn lange allein für die Sonntagshandlung zu sorgen. Sie wurde zum ersten Male gehalten am 1. Februar 1920. Rudolf Steiner war immer, wenn er in Stuttgart war, dabei anwesend, zuerst am 29. Februar 1920.
Die Teilnahme an diesen Sonntagshandlungen war strenge beschränkt auf die Schüler des freien Religionsunterrichtes, auf die Lehrer der Schule, die Eltern und diejenigen, ,,die anerkannt werden können durch die Lehrerschaft als moralische Vormünder” (1/137).
Rudolf Steiner rechnete darauf, daß möglichst viele Lehrer der Schule, nicht nur die Religionslehrer, bei den Handlungen dabei seien (2/58,199).
Nach und nach kamen die anderen Handlungen hinzu, die Weihnachtshandlung (1/252) zum ersten Male am 25. Dezember 1920, die Jugendfeier (1/136) am Palmsonntag, dem 20. März 1921. Als letztes wurde von Rudolf Steiner, nachdem im September 1922 schon die Wirksamkeit der Christengemeinschaft angefangen hatte, im Frühling 1923 für die beiden obersten Klassen die Opferfeier hinzugefügt (2/222, 241, 305). Sie fand zum ersten Male statt in der Osterzeit 1923. 

Na onbevredigend overleg vroegen de twee godsdienstleraren in de kersttijd van 1919 Rudolf Steiner om advies. Een paar dagen later gaf hij hen het ritueel voor de zondagshandeling. Omdat Oehlschlegel al snel voor enige tijd naar Amerika reisde en vervolgens niet naar de school terugkeerde, moest Herbert Hahn lange tijd alleen de zondagshandeling verzorgen. Deze werd voor het eerst gehouden op 1 februari 1920. Rudolf Steiner was er als hij in Stuttgart was, altijd aanwezig, voor het eerst op 29 februari 1920.
Deelname aan deze zondagsdiensten was strikt beperkt tot de leerlingen van het vrije godsdienstonderwijs, de leraren van de school, de ouders en degenen “die door de leerkrachten erkend konden worden als morele hoeders” (1/137).
Rudolf Steiner rekende erop dat zoveel mogelijk leraren, niet alleen de godsdienstleraren, aanwezig waren bij de handelingen. (2/58,199).
Geleidelijk kwamen daar de andere handelingen bij, de kersthandeling (1/252) voor het eerst op 25 december 1920, de jeugdhandeling (1/136) op Palmzondag, 20 maart 1921. Als laatste werd door Rudolf Steiner, nadat de Christengemeenschap al in september 1922 was begonnen, in het voorjaar van 1923  de offerhandeling toegevoegd voor de twee hoogste klassen (2/222, 241, 305). Die vond voor het eerst plaats in de paastijd van 1923.

Die Absicht Rudolf Steiners war, man solle all diesen Kultus einrichten „mit großer Innigkeit und Herzlichkeit . . . als etwas Ernstes, aber ohne schwül zu sein”, dennoch ,,auf der anderen Seite ihn so schlicht halten, als es möglich ist” (2/199).
So wie der freie Religionsunterricht selbstverständlich kein „obligatorischer” Unterricht war (2/305), so war auch die Teilnahme an den
Sonntagshandlungen den Schülern des freien Religionsunterrichtes
durchaus „freigestellt, ob sie kommen wollen oder nicht” (2/304).
Das Wesen des freien Religionsunterrichtes und die Art, wie Rudolf
Steiner ihm gleichsam eine Mittelstellung gab zwischen der Schule einerseits und der Anthroposophie und Anthroposophischen Gesellschaft andererseits, ist nicht leicht zu durchschauen. Es stellte an die damaligen Waldorflehrer, und es stellt auch heute noch große Anforderungen an Erkenntnisbemühen und Bewußtsein. Es müssen da jedesmal Aspekte zusammengeschaut werden, die einander zu widersprechen scheinen.
Von der einen Seite her gesehen sollte nicht nur für den konfessio-

Het was Rudolf Steiners bedoeling dat al deze cultus tot stand zou komen “met grote intimiteit en hartelijkheid . . . als iets serieus, maar zonder zwaarte”, en toch ”aan de andere kant het zo eenvoudig mogelijk te houden” (2/199).
Net zoals het vrije godsdienstonderricht natuurlijk geen “verplichte” les was (2/305), was ook deelname aan de zondagshandeling volledig “facultatief”, want de leerlingen van het vrije godsdienstonderricht “waren vrij om te beslissen of ze wilden komen of niet” (2/304).
De aard van het vrije godsdienstonderwijs en de manier waarop Rudolf Steiner het als het ware een middenpositie gaf tussen de school aan de ene kant en de antroposofie en de Antroposofische Vereniging aan de andere kant, is niet eenvoudig te begrijpen.
Het stelde destijds eisen aan de vrijeschoolleraren en stelt ook nu nog hoge eisen aan hun streven naar kennis en bewustzijn. Aspecten die elkaar lijken tegen te spreken, moeten samen worden bekeken.
Vanuit het ene gezichtspunt is het niet alleen voor het confessio-

Blz. 38

nellen Unterricht, sondern auch für den freien vermieden werden, „daß er als etwas in die Schule Eingereihtes erscheine” (2/19). Demgegenüber steht die Antwort, die von Rudolf Steiner an Emil Moltmgegeben wurde, als der geäußert hatte, „eine reine Schulangelegenheit soll es ja nicht sein; es ist ja losgelöst von der Schule”. Da sagte ihm Rudolf Steiner: „Die Sonntagshandlung ist etwas im Rahmen der Schule Liegendes. Eine Einzelheit innerhalb der Schule, . . . die nicht eine allgemeine Schulangelegenheit ist” (1/138), weil eben nicht alle Schüler daran teilnehmen. Rudolf Steiner hat auch den Lehrplan und alle dessen spätere Ergänzungen innerhalb der allgemeinen Lehrerkonferenz gegeben (vgl. Sachwortverzeichnis), hat auch seine Auswahl der Religionslehrer, die Handhabung der Handlungen, die Ausgestaltung des Handlungsraumes, und was es sonst noch sein mochte (vgl. wiederum Sachwortverzeichnis), fast ausnahmslos dort besprochen. Er hat damit nicht nur die Religionslehrer, sondern die gesamte Lehrerschaft aufgerufen zum Tragen dieses Unterrichts. Und es war keine Äußerlichkeit, wenn er sich dabei immer der Sprachform des „wir” bediente — „unser” Religionsunterricht. Er tat das selbstverständlich nicht, wenn er sich äußerte über den konfessionellen Unterricht, aber auch später nicht in bezug auf den Religionsunterricht der Christengemeinschaft, von dem noch zu reden sein wird.

le onderwijs, maar ook voor het vrije “dat het verschijnt als iets dat in de school is opgenomen” (2/19). Daar tegenover staat het antwoord van Rudolf Steiner aan Emil Molt toen deze zei dat “het niet puur een schoolaangelegenheid moet zijn; het staat los van de school”. Toen zei Rudolf Steiner tegen hem: “De zondagshandeling is iets binnen het kader van de school. Een apart iets binnen de school, . . . dat geen algemene schoolaangelegenheid is” (1/138), omdat niet alle leerlingen eraan deelnemen.
Rudolf Steiner schreef ook het leerplan en alle latere aanvullingen binnen de algemene lerarenvergadering (zie trefwoorden – niet oproepbaar), zijn selectie van de godsdienstleraren, de omgang met de handelingen, de aankleding van de handelingsruimte, en wat er verder nog bij komt kijken (vgl. trefwoordenlijst), werden daar bijna zonder uitzondering besproken. Hij deed dus niet alleen een beroep op de godsdienstleraren, maar op al het onderwijzend personeel om dit onderwijs te ondersteunen.
En het was geen uiterlijkheid dat hij dan steeds over “wij” – ‘ons’ godsdienstonderwijs sprak. Natuurlijk deed hij dit niet toen hij over het confessioneel onderwijs sprak, maar ook later niet met betrekking tot godsdienstonderwijs van de Christengemeenschap waarover later meer.

Ebenso treten in Rudolf Steiners Worten zwei ganz verschiedene Aspekte hervor in bezug auf das Verhältnis zur Anthroposophischen Gesellschaft. So sagte er zu einem der Lehrer: „Als Religionslehrer gehören Sie nicht der Schule an. Den erteilen Sie, wie wenn Sie Pastor in einer anthroposophischen Kirche draußen wären und hereinkommen” (1/286). (Dazu ist die Anmerkung einzuschieben, daß mit der „anthroposophischen Kirche” keineswegs die Christengemeinschaft gemeint ist. Denn die gab es damals noch nicht; der erste, noch vorbereitende Theologenkurs fand erst einen Monat später statt. Eine „anthroposophische Kirche” konnte und kann es selbstverständlich gar nicht geben. Der Ausdruck ist überspitzt gebraucht.)
Und dem steht das gegenüber, was Rudolf Steiner im Hinweis auf die
Weihnachtstagung sagte. Erst wies er darauf hin, daß „die Schule als eine von der Anthroposophischen Gesellschaft unabhängige Institution” geschaffen sei. Dann ging er auf die besondere Lage des Religionsunterrichtes ein. „Damit stimmt logisch ganz gut überein, daß der Religionsunterricht von den Religionsgemeinschaften aus besorgt wird, der freie Religionsunterricht von der Anthroposophi-

Zo komen ook in de woorden van Rudolf Steiner twee heel verschillende aspecten naar voren in de relatie met de Antroposofische Vereniging.
Tegen een van de leraren zei hij: ‘Als godsdienstleraar hoort u niet bij de school. U geeft les alsof u een voorganger in een antroposofische kerk buiten de school bent die hier binnenkomt” (1/286). (Opgemerkt moet worden dat
de “antroposofische kerk” in geen geval verwijst naar de Christengemeenschap. Want die bestond toen nog niet; de eerste, voorbereidende theologische cursus vond pas een maand later plaats. Een ‘antroposofische kerk’ kon of kan helemaal niet.. De uitdrukking is overdreven overdreven gebruikt).
En daar staat tegenover wat Rudolf Steiner zei in zijn verwijzing naar de
Kerstconferentie. Eerst wees hij erop dat ‘de school als instituut is opgericht
onafhankelijk van de Antroposofische Vereniging’. Daarna ging hij in op de bijzondere situatie van het godsdienstonderwijs. “Het is logisch daarmee in overeenstemming, dat het godsdienstonderwijs door de religieuze gemeenschappen wordt verzorgd, terwijl het vrije godsdienstonderwijs door de Antroposofische

Blz. 39

sehen Gesellschaft aus, daß die Anthroposophische Gesellschaft mit dem freien Religionsunterricht darinnensteht wie die anderen religiösen Gemeinschaften. Die Anthroposophische Gesellschaft gibt eigentlich den Religionsunterricht und den Kultus” (3/119).
Das sagte Rudolf Steiner nach der Neubegründung der Anthroposophischen Gesellschaft und nachdem er selbst das Amt des Ersten Vorsitzenden und das des Leiters der Pädagogischen Sektion übernommen hatte. Damit waren auch für den freien Religionsunterricht Aufgaben gestellt, die sich in der kommenden Zeit auswirken sollten. Es kam praktisch nicht dazu, weil Rudolf Steiner starb. Diese Aufgaben aber stehen immer noch da und stehen vor uns.

Als die zuletzt angeführten Worte am 5. Februar 1924 gesprochen wurden, bestand nun aber schon seit fast einundeinhalb Jahren die Christengemeinschaft.
Im Jahre 1921 waren, zuerst unabhängig voneinander, Gruppen von
jungen Theologen, meist Studenten, an Rudolf Steiner herangetreten mit der Frage, ob und wie sie mit Hilfe der anthroposophischen Erkenntnis in der rechten Weise ihren Lebensberuf auf dem religiösen Felde finden könnten. Daraufhin hielt ihnen Rudolf Steiner mehrere „Theologenkurse”, an deren erstem auch die Lehrer des freien Religionsunterrichtes teilnahmen (2/39. Liste Nrn. 105, 126).

Vereniging; dat de Antroposofische Vereniging met het vrije godsdienstonderwijs op dezelfde manier erin staat als andere religieuze gemeenschappen. De Antroposofische Vereniging geeft eigenlijk het godsdienstonderricht en de cultus’ (3/119).
Rudolf Steiner zei dit na de heroprichting van de Antroposofische Vereniging en nadat hij zelf het ambt van Eerste voorzitter op zich had genomen en hoofd van de pedagogische sectie was geworden. Daarmee kwam ook het vrije godsdienstonderwijs voor opgaven te staan die in de komende tijd uitgewerkt zouden moeten worden. Door de dood van Rudolf Steiner is dit niet doorgegaan.
Deze taken zijn er echter nog steeds en liggen voor ons. (geschreven 1975)

Toen de laatst genoemde woorden op 5 februari 1924 werden gesproken, bestond de Christengemeenschap al bijna anderhalf jaar.
In 1921 hadden groepen jonge theologen, aanvankelijk onafhankelijk van elkaar, meestal studenten, Rudolf Steiner benaderd met de vraag of en hoe zij met behulp van antroposofische kennis op de juiste manier hun roeping op religieus gebied konden vinden. Rudolf Steiner gaf hen toen theologiecursussen, aan de eerste daarvan namen ook leraren van het vrije godsdienstonderwijs deel. (2/39. 
GA 343  (niet vertaald)   GA 346   (vertaald)

Auf Grund dieser Kurse schlössen sich die jungen Theologen, in
deren Namen Rudolf Steiner um seinen Rat gefragt worden war, im
September 1922 von sich selbst aus zusammen. Es wurde zuerst der
Name üblich: „Bewegung für religiöse Erneuerung” (2/199). Friedrich Rittelmeyer, der wegen Krankheit an den ersten Kursen nicht hatte teilnehmen können, gab jetzt seine Stellung als Pfarrer in Berlin auf. Er hatte schon seit Jahren aktiv in der anthroposophischen Bewegung gestanden und tat das auch weiterhin; aber er trat nun auch an die Spitze der „Religionserneuerung”, die den Namen „Christengemeinschaft” annahm. Sie war nicht von der Anthroposophischen Gesellschaft aus gegründet und auch nicht von Rudolf Steiner.
Er sprach vielfach von der „auf eigenen Füßen der Anthroposophischen Gesellschaft gegenüberstehenden Christengemeinschaft” (3/123).
Er äußerte, diese Bewegung „hätte den Keim in sich, etwas
sehr Großes zu werden” (2/199). Und fast zwei Jahre später sagte er von den Priestern, daß sie „in kürzester Zeit die größten Fortschritte gemacht hätten” (3/177),
Es ist verständlich, daß nun Fragen heraufkamen, wie das Verhältnis der Anthroposophie zur Christengemeinschaft sei und wie man sich

Op basis van deze cursussen kwamen de jonge theologen namens wie Rudolf Steiner om raad was gevraagd, in september 1922 op eigen initiatief bij elkaar
Aanvankelijk werd de naam  “Beweging voor Religieuze Vernieuwing” gebruikt (2/199). Friedrich Rittelmeyer, die door ziekte de eerste cursussen niet had kunnen bijwonen, gaf nu zijn baan als predikant in Berlijn op. Hij was al jaren actief in de Antroposofische Vereniging en bleef dat ook, maar hij werd nu ook leider van de ‘Godsdienstvernieuwing’, die de naam ‘Christengemeenschap’ aannam. Deze was niet door de Antroposofische Vereniging opgericht en ook niet door Rudolf Steiner.
Hij sprak vaak over de ‘Christengemeenschap die op eigen benen staat wat de Antroposofische Vereniging’ betreft (3/123).
Hij zei dat deze beweging ‘de kiem in zich had om iets heel groots te worden” (2/199). En bijna twee jaar later zei hij over de priesters dat zij “in zeer korte tijd de grootste vooruitgang hadden geboekt” (3/177).
Het is begrijpelijk dat er nu vragen rezen over de verhouding van de antroposofie tot de Christengemeenschap en hoe men

Blz. 40

richtig zu verhalten habe. Für die Mitglieder der Gesellschaft suchte
Rudolf Steiner Klarheit zu schaffen durch seinen Vortrag vom
30. Dezember 1922. Es war der zweitletzte Abendvortrag, ehe das
erste Goetheanum abbrannte (2/226, 227. Liste Nr. 111).
Auch um die Waldorfschule herum entstand Unsicherheit. Sind
jetzt, nachdem das neue Priestertum der Christengemeinschaft da
ist, freier Religionsunterricht und Kulthandlung an der Waldorfschule noch berechtigt?
Als dann bald die Priester anfingen, für die Kinder der Gemeindemitglieder auch Religionsunterricht zu geben, erhob sich die weitere Frage: „Wie ist der freie Religionsunterricht in der Waldorfschule vereinbar mit dem Religionsunterricht der Christengemeinschaft? ” (3/175).
Rudolf Steiner sprach daraufhin in den Konferenzen deutlich aus,
daß jede von diesen beiden Arten von Religionsunterricht eigenen
Charakter, eigene Ziele und volle Berechtigung habe, auch in die
Zukunft hinein. Er gab jetzt für den freien Religionsunterricht nicht
nur, wie schon erwähnt, etwa ein halbes Jahr nach der Entstehung
der Christengemeinschaft, das neue Ritual der Opferfeier, um das die
Schüler der obersten Klassen gebeten hatten (2/222, 241, 305).

en hoe je daar een verhouding mee krijgt. Rudolf Steiner probeerde met zijn voordracht op 30 december 1922 duidelijkheid te scheppen voor de leden van de vereniging. Het was de op een na laatste avondvoordracht voordat het eerste Goetheanum afbrandde (2/226, 227). GA 219/162  (niet vertaald)

Er ontstond ook onzekerheid rond de vrijeschool. Zijn, nu het nieuwe priesterschap van de Christengemeenschap er is, vrij godsdienstonderwijs en handelingen op de vrijeschool nog wel op zijn plaats?
Toen de priesters al snel begonnen met het geven van godsdienstonderwijs aan de kinderen van de gemeenschapsleden, rees de vraag: “Hoe is het vrije godsdienstonderwijs in de vrijeschool verenigbaar met de godsdienstige opvoeding van de Christengemeenschap? ” (3/175).
Rudolf Steiner heeft toen in de vergaderingen duidelijk gezegd dat elk van deze twee soorten godsdienstige opvoeding een eigen karakter had, zijn eigen doelen en volledige rechtvaardiging, ook in de toekomst.
Pas, zoals reeds vermeld, ongeveer een half jaar na de vorming van de
Christengemeenschap, gaf hij de nieuwe offerhandeling, waar de leerlingen
van de hoogste klassen om hadden gevraagd (2/222, 241, 305).

Er hat auch das Weiterbestehen des freien Religionsunterrichtes teils als
selbstverständlich vorausgesetzt (3/175—179), teils im Gespräch
ausdrücklich ausgesprochen.
Es sollten keineswegs diese beiden Bewegungen ineinanderfließen.
Rudolf Steiner wollte ,,so lange als möglich” vermeiden, ,,bei der
Christengemeinschaft einen Religionslehrer zu suchen für die
Schule”. Aber man solle „nicht so exklusiv sein’ (3/177). Einzelnen
der jungen Priester hätte er, wie er sagte, diesen Unterricht gerne
anvertraut (2/169).
Auf der anderen Seite gestand Rudolf Steiner auch der Christengemeinschaft, die inzwischen schon in ihren eigenen Räumen für die Kinder der Gemeindeglieder einen eigenen Religionsunterricht eingerichtet hatte, ohne weiteres zu, daß sie „wie die anderen Konfessionen” das Recht in Anspruch nehmen könnte, ebenfalls innerhalb der Waldorfschule ihren Religionsunterricht auszuüben. „Dann würden wir also einen Religionsunterricht mehr haben” (3/176). Er fand es aber besser, wenn es dabei bliebe, daß die Kinder der Gemeindemitglieder, soweit sie in die Waldorfschule gingen, auch weiterhin nur am freien Religionsunterricht teilnähmen (3/176).
So ist es denn auch in den weitaus meisten Fällen geschehen, bis 1938 die Schule verboten wurde. Erst nach dem zweiten Weltkrieg

Ook was hij  enerzijds vanzelfsprekend uitgegaan het voortbestaan van het vrije godsdienstonderwijs, (3/175-179), en anderzijds sprak hij dat in sommige gevallen expliciet uit.
Deze twee bewegingen mochten in geen geval samensmelten.
Rudolf Steiner wilde “zo lang mogelijk” vermijden “een godsdienstleraar voor de school bij de Christengemeenschap te zoeken.’ Maar we moeten  “niet al te exclusief zijn” (3/177). Een paar van de jonge priesters zou hij, zoals hij zei, dit onderwijs graag hebben toevertrouwd (2/177).
Aan de andere kant gaf Rudolf Steiner ook toe dat de Christengemeenschap, die intussen al een eigen godsdienstonderwijs voor de kinderen van de gemeenschapsleden in de eigen ruimtes organiseerde., ‘net als de andere kerkgenootschappen’ het recht kon opeisen om ook haar godsdienstonderwijs binnen de vrijeschool aan te bieden. “Dan zouden we er nog een godsdienstonderwijs bij hebben” (3/176). 
Hij vond het echter beter dat de kinderen van de gemeenteleden die naar de vrijeschool gingen, alleen aan het vrije godsdienstonderwijs bleven deelnemen (3/176).
Dit gebeurde in de overgrote meerderheid van de gevallen totdat de school in 1938 werd verboden. Pas na de Tweede Wereldoorlog

Blz. 41

ist auch der Religionsunterricht der Christengemeinschaft, ebenso
wie der bisherige konfessionelle, in den Räumen der Waldorfschule
eingerichtet worden.
Zu Lebzeiten Rudolf Steiners wurde diese Frage nur insoweit praktisch, als Eltern, ausdrücklich wünschten, ihre Kinder sollten an beiden Unterrichten teilnehmen. Rudolf Steiner hielt das für durchaus
möglich. Hindern könnte „höchstens der einzige Punkt der Gesundheit, daß es zuviel wäre” . . . Die Waldorfschule müsse da nicht „dogmatisch entscheiden” (3/176). „Am schönsten würde ich finden,
wenn dann, wenn sie an beiden teilnehmen, von dem Religionslehrer
hier und dem Religionslehrer dort die Stoffe besprochen werden, so
daß Einklang da ist” (3/177).
Ernsthaftere Schwierigkeiten schienen aufzukommen bei der Frage,
wie sich die Jugendfeier der Christengemeinschaft und die des freien
Religionsunterrichtes miteinander vereinigen ließen. Aber auch hier
seien keinerlei Verhandlungen mit der Christengemeinschaft nötig.
Sie sei ja in sich selbständig. „Wir können doch machen, was wir
wollen, und die können machen, was sie wollen” (2/305).

werd ook het godsdienstonderwijs van de Christengemeenschap, evenals de
het confessionele van toen, in de ruimtes van de vrijeschool gegeven.
Tijdens Rudolf Steiners leven werd deze vraag alleen praktisch voor zover ouders uitdrukkelijk wilden dat hun kinderen naar beide lessen gingen. Rudolf Steiner achtte dit mogelijk. Het enige obstakel zou “het punt van gezondheid kunnen zijn, dat het te veel is” . . . De vrijeschool hoefde niet “dogmatisch te beslissen” (3/176). “Ik zou het het mooist vinden als dan, als ze aan beide deelnemen, de godsdienstleraar hier en de godsdienstleraar daar de stof bespreken, zodat er
afstemming is” (3/177).
Ernstiger problemen leken zich voor te doen bij de vraag hoe de jongerenviering van de Christengemeenschap en die van het vrije godsdienstonderwijs samen zouden kunnen gaan. Maar ook hier waren onderhandelingen met de Christengemeenschap niet nodig.
Zij was onafhankelijk op zichzelf. “Wij kunnen doen wat wij willen en zij kunnen doen wat zij willen” (2/305).

Aber dann machte Rudolf Steiner den Weg frei, indem er auf den grundlegenden Unterschied hinwies in der Zielsetzung der beiden Handlungen. „Der innere Sinn unserer Jugendfeier ist, daß der Mensch ganz allgemein in die Menschheit hineingestellt wird . . . Die Christengemeinschaft aber stellt in eine bestimmte Religionsgemeinschaft hinein” (3/178).
Daraus ergeben sich zwanglos alle praktischen Handhabungen, die nötig sind: etwa die, welche der beiden Handlungen vorausgehen müsse, und dergleichen (3/177,178).
Vor allem aber — und das ist das Allerwichtigste — weisen solche  Unterschiede wohl auf Wesensverschiedenheiten hin, aber sie bedeuten keinerlei reale Widersprüche und kein Gegeneinander. „Innerlich ist es durchaus vereinbar” (3/178). Es gilt auch hier, was für das ganze Verhältnis des freien Religionsunterrichtes zur Christengemeinschaft gilt: „Eine Diskrepanz zwischen beiden in inhaltlicher Beziehung kann es eigentlich nicht geben” (3/176).

Maar toen maakte Rudolf Steiner de weg vrij door te wijzen op het fundamentele verschil in het doel van de twee handelingen. “De innerlijke betekenis van onze jeugdhandeling is dat de mens wordt geplaatst in de mensheid in het algemeen . . . De Christengemeenschap plaatst ons echter in een specifieke religieuze gemeenschap” (3/178).
Hieruit volgen alle noodzakelijke praktische regelingen die nodig zijn: bijvoorbeeld welke van de twee handelingen eerst wordt gehouden
en dergelijke (3/177,178).
Maar bovenal – en dat is het belangrijkste – wijzen zulke verschillen op de essentie van beide, maar ze betekenen geen echte tegenstellingen of oppositie. “Innerlijk is het heel verenigbaar” (3/178). Ook hier geldt wat voor de
relatie tussen het vrije godsdienstonderwijs en de Christengemeenschap geldt: “Inhoudelijk kan er geen discrepantie zijn tussen beide” (3/178).

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

.

3321-3125

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 1e, 2e, 3e klas – schilderen (3-4)

.

Onderstaand artikel is een bewerkte vertaling uit:
.
Der künstlerische Unterricht. Mahlen und Zeichnen
Jünemann/Weitmann  (1e druk 1976)
(Inmiddels is er een 5e druk 2007)
.

Zwart = tekst uit het boek
Blauw = mijn eigen woorden over het e.e.a.

N.a.v. blz. 44 – 46

De auteurs wijzen erop dat de kinderen zo rond het 9e jaar een grotere behoefte beginnen te krijgen ook  ‘in de vorm’ te komen. Maar voor het kunstzinnige aspect stellen zij zonder meer vast: geen ‘dingen, voorwerpen’ en niets wat naar tekenen neigt.
Ze noemen Steiner niet, maar hij is er wat 10-jarigen betreft ook duidelijk over:
GA 300C/127-128 hier in vertaling

Zij zeggenDe kleuren zelf bieden een schat aan mogelijkheden om motieven te vinden als ze individueel met gevoelskwaliteiten worden gekarakteriseerd en zo met elkaar in speels contact worden gebracht.’

Ze verwijzen daarbij naar GA 300A/240: hier vertaald.

Steiner spreekt daar over ‘koket’ paars, ‘brutaal’ rood en ‘deemoedig’ blauw waarop ze rusten.

De aanwijzing die Steiner geeft, is zijn antwoord voor een specifieke vraag, tegelijkertijd kun je er wel iets ‘algemeens’ in zien.
De auteurs werken e.e.a. uit.

Ten eerste moet de leerkracht een duidelijk beeld hebben van de afzonderlijke kleuren. Het woord paars wordt zelden geassocieerd met een duidelijk idee van kleur. In zijn kleurencirkel noemt Goethe de eerste fase van de overgang van blauw naar paars rood-blauw. Het blauw behoudt de overhand; als het wordt verdund, krijgen we paars. In de natuur zijn dit de lentekleuren van de klassieke sering, paarse tulpen en heldere krokussen. De “brutale kleine roodachtige kleur” doet onmiddellijk denken aan vermiljoen. Het is de kleur die het meest in het oog springt. Het blauw van deze kleuropdracht – het nederige blauw – mag niet te donker, niet te fel, niet ijzig of groenig zijn als het het gebaar van nederigheid wil uitdrukken. Het moet warmte bevatten, op weg zijn naar rood. Dit kan worden bereikt met ultramarijnblauw, verzacht met een paar druppels vermiljoen. De verhoudingen van deze drie kleuren op het blad zijn al aangegeven door de formulering. Het sierlijke paars wil gezien worden, het breidt zich uit in het vlak, het is rusteloos, wil wegzweven. De leerkracht moet vooraf bij de kinderen een gevoel voor de lichtheid van deze kleur hebben opgeroepen. Het brutale roodje energiek, vurig, levendig, maar klein. Als pure vermiljoenkleur straalt hij al als een klein vlak. De paarse kleur lijkt daarentegen op iemand die zich mooi maakt, die al snel wat van het blauw overneemt, al snel wat van het rood – ook hier moet karmijn worden gebruikt. Van de drie kleuren is blauw het rustigst, het omgeeft de andere twee kleuren en wordt dan onderaan dikker om het geheel houvast te geven.’

Op deze manier zou je je als leerkracht kunnen voorbereiden op de opdracht die je gaat geven. Maar wat hier staat kun je aan de kinderen zo niet geven.
Wél kan je bv. een situatie schetsen van 3 kinderen (3 kleuren) waarvan er een heel overheersend is. ‘Die neemt (in die situatie die je beschrijft of die situatie die de kinderen (uit ervaring!) mede gaan beschrijven), bijna alle speelgoed, de anderen hebben vrijwel niets. 
Dat kan natuurlijk een overheersing van rood worden, t.o.v. geel en blauw, die min of meer in een hoekje worden gedrukt.
Er kan ook zo’n soort opdracht zijn, maar dan spelen de kinderen alle 3 met elkaar en verdelen wat er is. 
Of het droevige blauw is zo bedroefd dat er bijna niets anders is dan zijn verdriet: rood en geel zijn niet in staat hem op te fleuren.
Bij deze voorbeelden grijpen we a.h.w. terug op wat we al eerder hebben geprobeerd door de kleuren bij elkaar te zetten om te ervaren wat voor indruk de verschillen op je maken. 

Zo wordt kleur een uitdrukking voor gevoel, voor stemming, een situatie wordt in beeld gebracht. Als de opdracht goed aankomt, schilderen de kinderen veel meer van binnenuit dan dat ze iets uiterlijks nabootsen.

Je zou hier mogen zeggen dat ‘hart en hand’ hier op de voorgrond treden.

Intussen moet ook de techniek weer niet vergeten worden.

Bij een opdracht als: geel en rood gaan met elkaar praten. Ze hebben ieder wel hun eigen gedachten, maar ze luisteren goed naar elkaar.
Dan zou er ‘ergens’ op het blad een sterk geel vlak en een sterk rood vlak kunnen staan en dan waar de kleuren elkaar gaan ontmoeten, zouden rood en geel sterk dunner moeten worden. Er hoeft helemaal nog geen oranje te ontstaan.
(Dat zou bij een soortelijke opdracht kunnen komen, wanneer ze samen plannen gaan maken en een gemeenschappelijk plan bedacht is)
En uiteraard kan dit weer met veel meer kleurencombinaties. 
Hier is de techniek vereist om verf met water op het papier te kunnen verdunnen.
Dat hoeft weer niet per se met een opdracht. Gewoon een sterk vlak rood in het midden en naar de randen van het blad, vanuit het midden, steeds dunner worden, zonder dat je echte overgangsgrenzen ziet.

Hier nog een beschreven voorbeeld uit het boek:

‘In een volgende les gaat het verhaal ongeveer zo: Zoals je gemakkelijk kunt raden, ging het niet lang goed met die twee brutale rakkers. Ze begonnen met elkaar te vechten. Uiteindelijk zag je alleen nog maar een vuurrode kleur die alle kanten op spoot. Het “tere paars” kon er niet tegen, bezorgd om zijn schoonheid, vluchtte het weg. Het nederige blauw trok zich vol afschuw terug, er staat: naar de rand van het blad. Ik zou het laten bij ‘vol afschuw terug‘. Waar zouden de kinderen dat blauw schilderen?

Voor de leerkracht is het niet eenvoudig om karakteristieken voor de kleuren te vinden die daadwerkelijk bij de kleur horen en niet bij de willekeur.
Goethe heeft ‘een verrassende rijkdom aan taalkundig geschikte kenmerken gegeven. Daar zou je als leerkracht ook inspiratie uit kunnen halen. Bv.: een gele kleur kan helder, vrolijk, stralend, maar ook prachtig zijn; een blauwe kleur kan verlegen, verlangend, afwerend, teruggetrokken zijn; groen kan vredig, kalm, vrolijk, fris zijn; oranje kan vriendelijk, moedig, krachtig zijn; paarsrood kan koninklijk, waardig, plechtig, majestueus zijn.

Op Pinterest staan veel mooie afbeeldingen – al is ‘niet alles goud wat er blinkt’ – die hier als illustratie kunnen dienen, hoewel ik niet weet door welke opdracht – of misschien helemaal geen opdracht zijn ontstaan. 

.

Goethe: kleurenleer

Steiner: Het wezen van de kleuren

Schilderen: alle artikelen

Rudolf Steiner over schilderen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3320-3124

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (56)

.

kort samengevat door waldorfschool Potsdam
.

waarom vieren wij het feest van Michaël
.

De geschiedenis

Michaëlsdag wordt in het christendom al sinds de 9e eeuw op 29 september gevierd.
Volgens de Apocalyps van Johannes brak er een conflict uit in de hemelse wereld en vocht Sint-Michaël tegen de draak, het kwaad dat de wereld verleidt, en wierp hij hem uit de hemel naar de aarde. Hij is niet dood na deze strijd, maar zijn overweldigende macht is gebroken.

Symboliek

De draak symboliseert de verstoten macht van het kwaad. Hij probeert mensen uit elkaar te spelen, af te leiden van het spirituele en te binden aan de materiële wereld. Het feest van Sint-Michaël is een oproep aan mensen om de krachten die hen naar beneden trekken te herkennen en er grenzen aan te stellen.

Elke dag zijn we getuige van geweld, vernietiging, haat, leugens en nog veel meer. Om de draak te trotseren hebben we grote innerlijke inspanning, kracht, moed en waakzaamheid nodig. Michaëls strijd is een beeld van het feit dat ons bewustzijn wakker moet zijn zodat we het kwaad kunnen doorzien en bestrijden. De lans die Michaël in de voorstellingen draagt, symboliseert de heldere focus op een doel en tegelijkertijd het vermogen om daarmee iemand op afstand te houden.

Het zwaard is een beeld van het vermogen van de mens om in zijn denken afzonderlijke dingen te onderscheiden en te scheiden. Het zwaard wordt ook geassocieerd met ijzer. We hebben ook ijzer nodig in ons lichaam. Zonder ijzer voelen we ons zwak en machteloos.

Sint-Michaël wordt vaak afgebeeld met een weegschaal. Hij is de weger van de zielen. Hij weegt goed en kwaad. Ook wij moeten onze beslissingen afwegen. Onze alerte intelligentie en de krachten van het hart moeten samenwerken. Het sterrenbeeld Weegschaal schittert aan de sterrenhemel op Michaël.

Plaats in de jaarlijkse cyclus

Na Sint-Maarten en Sint-Nicolaas is Michaël een van de drie feesten die ons helpen voor te bereiden op Kerstmis. Alle drie de heiligen weerspiegelen op hun manier het corresponderende seizoen (ze geven een innerlijk aspect van wat er in de uiterlijke natuur gebeurt).

Ze vertegenwoordigen ook de drie krachten: Willen – Voelen – Denken,
en ze staan voor toekomst – heden – verleden

Sint-Joris is de aardse helper van Michaël, de sterke jonge held die met wilskracht, moed en kracht de draak, het symbool van het kwaad, verslaat.

Eind september schijnt de zon hier en daar nog fel, maar de herfststormen komen er al aan en vegen de eerste kleurrijke bladeren van de bomen. De vruchten zijn rijp. De natuur staat tussen groei en verval. In deze tijd zouden de mensen moeten  proberen het zonlicht van de zomer in zich op te nemen en te bewaren.

Sint-Maarten, afgebeeld in het midden van zijn leven, geeft uit barmhartigheid aan de armen. Hij toont mededogen.

In november wordt het buiten steeds grijzer, kouder en natter en keren mensen hun energie naar binnen.

Sint-Nicolaas wordt afgebeeld als een oude, wijze man die van binnenuit handelt.

In december kan er al sneeuw liggen, het is koud en vochtig, ijzig, helder.

Het Michaëlsfeest luidt dus de periode voor Kerstmis of voor de winter in. We willen al deze innerlijke aspecten tot leven brengen door middel van de proeven van moed, waarin je kracht en daadkracht kunt tonen, maar ook afwegingen moet maken. Er is ook moed voor nodig om iets niet te durven wat te roekeloos lijkt.
Het feest is vooral bedoeld om de zintuigen aan te spreken. Het is een krachtige viering die een langdurig effect heeft en ons helpt om het zonlicht en de warmte van de zon in ons hart mee de winter in te dragen.

Het gaat over de krachten die in ieder mens en in de natuur aan het werk zijn en die in beeld worden gebracht.

Bordtekening van 2e-klasjuf, waoldorfschool Potsdam

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michaël

.

3319-3123

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.
IK STOND LAATST VOOR EEN POPPENKRAAM
.

Ook dit spelletje was in mijn jeugd heel bekend. Vooral op de kleuterschool, die toen door oudere inwoners van ons dorp nog ‘bewaarschool’ werd genoemd, deden wij het.

Mellie Uyldert heeft vele van deze kringspelen beschreven met een achtergrond waarvan ik soms ook bij Steiner dingen tegenkom.
Vandaar dat ze in mijn  belangstelling staan, al weet ik ook niet wat ik met sommige verklaring moet.
Misschien iemand anders wel en daarom geef ik hier weer wat Uyldert zegt.

In het midden van de kring staan 1 kind; er wordt gezongen:

Ik stond laatst voor een poppenkraam, o, o, o!
Daar zag ik mooie poppen staan: zó, zó, zó!
De poppenkoopman ging op reis,
de poppen raakten van de wijs,
ze deden allemaal zó!
ze deden allemaal zó!
ze deden allemaal zó!

Lied

Bij: O! o! o! wordt het hoofd geschud en met de rechterhand een gebaar gemaakt van: o zo mooi!

Bij: zó, zó, zó! wordt met de hand een bepaalde grootte, van de grond af gerekend, aangegeven, steeds hoger.

Bij: ze deden allemaal zó! doet het kind midden in de kring een gebaar of beweging voor, die door de kring-kinderen wordt nagevolgd. Na enige tijd mag een ander kind midden in de kring gaan staan.

Verklaring

Uyldert deelt het spel in bijSpelen van geboorte‘.
In dat artikel vind je een verklaring, ook voor de namen die hier worden gebruikt.

Dat de spelers eerst onbeweeglijk staan, zou een uitbeelding zijn van de ongeboren zielen bij Moeder Holda. 
In “Anneke Tanneke Toverheksis er een ‘afwezigheid’ van vrouw Holda die ‘naar de pap gaat kijken’ met het gevolg dat de zielen incarneren.
Hier raken ‘de poppen van de wijs’ wanneer de poppenkoopman weg is. 

Meer zegt ze er niet over. 

Vanuit dezelfde achtergrond wordt nu het spel

POTTENWINKEL – STOELENWINKEL

vermeld.

Een van de kinderen houdt een winkel, de andere kinderen min één zijn de potten of de stoelen die zij verkoopt en zitten gehurkt achter haar. (Zij is weer Holda, de hoedster der zielen.)

Het andere, overgebleven kind komt de winkel binnen en er ontspint zich weer een gesprek:

Heb je stoelen (potten) te koop?

Ja, bekijk ze maar eens!

De klant draait nu de potten om en om, of gaat op de stoelen zitten! Bij het laatste: neiging tot luid gegil van de ’stoelen’, dat zij echter moeten bedwingen! Wie lacht of beweegt, wordt meegenomen.

Deze zal ik maar nemen!

De klant betaalt en verdwijnt met de pot of stoel. Dit herhaalt zich tot alle potten of stoelen verkocht zijn. Daarna worden de rollen omgekeerd.

Bekender voor mij is dit spel, dat ik als kind ook deed:

ALLES IN DE WIND

De kinderen staan weer in een kring en houden elkaar bij de hand. Binnenin de kring staan een paar kinderen, 3, 4, dicht bij de kring. Die begint nu linksom te huppelen, de andere kinderen rechtsom.
Er wordt gezongen:

Alles in de wind, alles in de wind,
’t Is maar een schipperskind!
Alles in de wind, alles in de wind,
’t Is maar een schipperskind!

Hier blijft de kring staan en de  andere kinderen ook, die staan dus vóór een kind van de buitenkring. Daarvan pakken ze de handen kruiselings en dansen in de kring in het rond, waarbij ze zingen:

Rozi, roza,
’k heb een zusje!
’k heb een zusje!
Rozi, roza,
’k Heb een zusje, trala!

Ik herinner me deze tekst:

Kom hier, Roza,
je bent m’n zusje
je bent m’n zusje
Kom hier, Roza,
je bent m’n zusje
ja, ja.

De stilstaande kinderen klappen in hun handen op de maat. Als het liedje uit is, gaan de binnen-kinderen in de kring en de andere waarmee gedanst is, komen ni in de binnenkring en het spel gaat opnieuw.
Het is natuurlijk belangrijk dat alle kinderen een keer aan de beurt komen.

De verklaring zou zijn dat kinderen die binnen in de kring zijn, in een aparte toestand zijn, andere wezens zijn, hier de ongeboren zielen die een plaatsje op aarde zoeken. Misschien zullen die wel Roza heten omdat ze hemelwei met de gouden rozen afkomstig zijn! Ze komen, volgens de overlevering, door ’het land van wind, zon en maan’: de sferen van denken (wind), willen (zon) en voelen (maan), die zij in deze sferen in het stoffelijk lichaampje vastgelegd hebben met het bind-band.

En dan: de ene ziel kómt, de andere gaat!

Nu zijn er nog een paar coupletten, maar daar zegt Uyldert niets over.
Hier, samen met de melodie, zijn ze afgedrukt, tevens met een andere manier van spelen.

DAAR LIEP EEN OUDE VROUW OP STRAAT

De kinderen vormen een stilstaande kring, handen los. Eén kind is ‘de oude vrouw’. Zij loopt binnen langs de kring, terwijl deze zingt:

Daar liep een oude vrouw op straat,
jutekei, jutekei, jutekei, sa sa,
en waar die oude vrouw ook liep,
vergat ze haar rode mutsje niet!
Jutekei, jutekei, jutekei, sa sa,
Jutekei, sa sa!

Melodie

Op de laatste twee regels keert de oude vrouw haar gezicht naar het kind, waar zij dan juist aan toe is, en maakt danspassen voor dat kind, dat dezelfde passen maakt, beide beginnen tegelijk met het rechterbeen vóór (schrede-sprong). Aan het eind wisselt zij met dat kind van plaats, en laat dat kind nu de oude vrouw zijn. Daarna begint het spel opnieuw. Er moet op gelet worden, dat elk kind een beurt krijgt om de oude vrouw te zijn. Is de kring heel groot, dan kan men beter twee of meer kinderen tegelijk, over de kring verdeeld, oude vrouw laten zijn.

De oude vrouw is geen gewoon mens: daar duidt het rode mutsje op dat vaak een teken is dat het om een etherisch wezen gaat. De kabouters dragen ook een rode puntmuts!
Is deze vrouw een elf, die een elfenkind verwisselt met een mensenkind, dat pas geboren is.? Dan zou het om een ‘wisselkind‘ gaan. Zo’n kind bleek zich anders te gedragen dan de ‘gewone’ kinderen.

’Jutekei’ is wellicht een verbastering van het Duitse Juch-hei!

DAAR ZIT ER EEN IN DE HOGE TOREN

Dit lijkt weer veel op Anneke Tanneke Toverheks, maar met een andere tekst.
Door aftellen wordt een kind gekozen. Dat gaat op de knieën zitten. Behalve één kind, gaan de andere om de geknielde staan en houden de jurk op die de geknielde draagt. 
Dit zittende kind zou weer vrouw Holle, Holda kunnen zijn die de zielen een schuilplaats onder haar rokken aanbiedt.) Het overblijvende kind loopt om de kring heen en vraagt:

Wie zit daar in die hoge toren?

Het knielende kind antwoordt:

Een jonkvrouw, een koningsdochter.

En dan volgt dit gesprek:

Anne, buiten de kring:

Van wie zijn al die kindertjes?

Holda: van mij!

Anne: Mag ik er eentje nemen?

– Nee! –

Mag ik er eentje stelen?

– Nee! –

Ik zal de schoutendiender halen, die zal jou de kop af slaan!

Dit kind zal meegaan!

Anne tikt een van de kinderen in de kring op de schouder, dat dan opstaat en achter Anne aan gaat lopen, haar rok vasthoudend. Nu herhaalt zich het gesprek en dit gaat zo door, tot alle kinderen uit de kring achter Anne aan lopen en Holda geheel alleen gebleven is.

Ook de volgende tekst bestaat:

Daar zit er een in de gouden ketel, die kan naaien, die kan breien, die kan gouden poppetjes maken!

Mag ik er eentje nemen? — enzovoort.

Bij Uyldert doet de gouden ketel aan de baarmoeder denken, de poppetjes zijn de wordende kinderen.

Een andere variant is:

Daar zit er een in de brouwersketel
Die kan naaien
Die kan spinnen
Die kan mooie popjes winnen!
.

Ritme, waaronder ritmen in de natuuralle artikelen

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3318-3122

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schilderen – GA 300C

.

In de pedagogische vergaderingen ging het vaak om specifieke vragen voor bijzondere situaties.
Dat is ook bij onderstaande opmerkingen het geval.

Steiner hecht een grote waarde aan het opspannen van het schilderpapier.

GA 300C

Vergadering van 25 april 1923

Blz. 44

Es wird gefragt nach Malaufgaben für die etwa Vierzehn- bis Fünfzehnjährigen.

Er is een vraag over schilderopdrachten voor veertien- tot vijftienjarigen.

Je moet hier m.i. niet uit opmaken dat de zonsopkomst- en ondergang ‘pas’ op die leeftijd kunnen. Veel leerlingen waren later op school gekomen en hadden nog geen echte ‘schilderervaring’. Op de meeste scholen is dat nu heel anders. In de 6e klas leent zich het onderwerp bv. uitstekend bij natuurkunde als het over de kleuren gaat.

Dr. Steiner: In der Malerei sollte man die Kinder Naturstimmungen machen lassen. Die Fortbildungsschüler in Dornach haben in der Malerei Glänzendes geleistet. Sonnenaufgang und Sonnenuntergang habe ich voneinander unterscheiden lassen. Das haben einzelne glänzend getroffen. Diese Unterschiede sollten sie kennenlernen und darstellen. Diese Sachen könnte man schon pflegen, zum Beispiel Regenstimmung im Walde. Ferner sollten sie auch den Unterschied kennenlernen zwischen Malerischem und Plastischem.

Bij het schilderen zou je de kinderen natuurstemmingen kunnen laten maken. De studenten van de vervolgopleiding in Dornach hebben briljant geschilderd. Ik liet ze onderscheid maken tussen zonsopgang en zonsondergang. Sommigen van hen deden het prachtig. Ze zouden moeten leren deze verschillen te herkennen en weer te geven. Deze dingen zouden gecultiveerd kunnen worden, bijvoorbeeld de sfeer van regen in het bos. Ze zouden ook het verschil moeten leren tussen schilderen en boetseren/beeldhouwen.
GA 300C/44
Niet vertaald    

Vergadering van 3 juli 1923

Blz. 65/66

Die 8. Klasse, da habe ich mal hereingesehen. Da möchte ich sagen, daß die Notwendigkeit vorliegt, daß man die Kinder nicht mit Far­ben malen läßt, wenn sie kein aufgespanntes Zeichenpapier haben. Sonst wird die Schlampigkeit gefördert. Sie müssen lernen, ihr Zei­chenpapier selbst ordentlich aufzuspannen mit Gummi. Nur auf dem bespannten Papier mit Farbe arbeiten! Wenn die Vorbereitungen hierzu auch Zeit in Anspruch nehmen, das schadet nichts. Die Kin­der haben doch viel davon, wenn es ordentlich mit ihnen gemacht wird. Die Kinder in der 8a machen die Dinge viel zu schnell. Sie malen auch viel zu schnell. Die Hefte schauen so aus, daß es im Kind unmöglich Gedanken hervorruft.

Ik heb naar klas 8 gekeken. Ik wil zeggen dat het nodig is om de kinderen niet met kleuren te laten schilderen als ze geen tekenpapier hebben dat is opgespannen. Anders wordt slordigheid aangemoedigd. Ze moeten leren hun eigen tekenpapier goed op te spannen met plakband. Werk alleen met kleur op het opgespannen papier! Ook al kosten de voorbereidingen hiervoor tijd, het kan geen kwaad. De kinderen hebben er veel aan als het goed met ze gedaan wordt. De kinderen in 8a doen het veel te snel. Ze schilderen ook veel te snel. De schriften zien eruit alsof ze onmogelijk gedachten bij het kind kunnen oproepen.

Het is goed te zien dat dit papier niet opgespannen is geweest. En dat ziet er inderdaad slordiger uit dan wanneer de bladen ‘strak’ blijven.

Het heeft ook te maken met de kwaliteit van het papier.
Zie schilderen in klas 1
GA 300C/65-66
Niet vertaald  

Vergadering van 31-07-1923

Blz. 81

Hier komt Steiner nogmaals terug op het opspannen van het schilderpapier.
Een vraag die hem aan het hart ligt:

Die eine Frage ist mir auf dem Herzen liegend. Das ist die Frage,
wie man diese Sache lösen soll mit den Heften, wenn mit Farben gemalt wird, während man mit Farben nur aufgespanntes Zeichenpapier bemalen soll. Es ist schon so, daß eine große Schlamperei entwickelt wird. Zeichenbretter, das ist nicht zu erreichen, weil es viel zu teuer ist. Es kann schon ein glattgehobeltes Brett sein. Könnte das nicht mit dem Handwerksunterricht verbunden werden, daß solche Bretter gemacht werden, auf die man aufspannen kann? Diese Methode, im gewöhnlichen Heft die Kinder malen zu lassen, bewährt sich nicht. Sobald man mit den Farben anfängt, müßte man auch mit dem Aufspannen anfangen.

Die ene vraag ligt mij na aan het hart. Dat is de vraag hoe je dit probleem met de schriften oplost als je met kleuren schildert, terwijl je alleen op langwerpig tekenpapier moet schilderen. Het is nu eenmaal zo dat er veel slordigheid ontwikkeld wordt. Tekenborden zijn niet te krijgen omdat ze veel te duur zijn. Het kan een glad geschaafd bord zijn. Zou dit niet gecombineerd kunnen worden met de handenarbeidlessen, dat er zulke planken gemaakt worden waarop je kan opspannen? Deze methode om de kinderen te laten schilderen in het gewone periodeschrift werkt niet. Zodra je begint met schilderen, moet je ook beginnen met opspannen.
GA 300C/81
Niet vertaald    

Vergadering van 5 februari 1924 

Blz. 127

Ein Handwerkslehrer bedauert, daß der Malunterricht in den oberen Klassen
nicht ebenso regelmäßig und kontinuierlich durchgeführt werden könne wie in
den unteren. Er fragt auch nach dem Technischen des Malens in den unteren
Klassen.

Een leraar handvaardigheid betreurt het dat de schilderlessen in de hogere klassen lessen net zo regelmatig en continu worden gegeven als in de lagere klassen. de lagere. Hij vraagt ook naar de techniek van het schilderen in de lagere klassen.

Dr. Steiner: Es schadet nicht, wenn der Malunterricht ein paar Jahre
unterbrochen und durch Plastizieren ersetzt wird. Es ist das vorliegend, daß der Malunterricht im Unterbewußten nachwirkt, und daß dann ein Zurückkommen auf einen unterbrochenen Malunterricht lebendig und mit großer Geschicklichkeit gemacht wird. Bei allem, was aufs Können geht, ist es doch immer so, wenn etwas zurückgehalten wird, ist bald ein großer Fortschritt da, gerade wenn es unterbrochen worden ist.

Het kan geen kwaad als de schilderlessen een paar jaar onderbroken en vervangen worden door boetseren. Het is namelijk zo dat de schilderlessen doorwerken in het onderbewustzijn, en dat dan een terugkeer naar een onderbroken schilderles levendig en met grote vaardigheid gaat. Met alles,
wat te maken heeft met bekwaamheid, is het altijd zo dat als iets wordt teruggehouden, er snel een grotere vooruitgang wordt geboekt, vooral als het 
onderbroken is geweest.

Ich glaube, daß es in den unteren Klassen noch einer Verbesserung bedarf, was den Malunterricht betrifft. Manche Lehrer haben sich noch zu wenig Mühe gegeben, technisch damit fertig zu werden. Die Verwendung des Materials wird nicht richtig gemacht. Eigentlich sollte man nicht mit Farben auf  Blättern, die sich fortwährend fal­ten, malen lassen, sondern man sollte die Kinder in allen Klassen dazu gewinnen, daß sie auf aufgespannten Blättern die Farben auf­streichen. Und dann sollte man die ganze Sache von Anfang bis zum Ende durchführen, so daß wirklich solch ein Blatt fertig ist. Die meisten von den Blättern sind nur ein Anfang.
Bei jüngeren Kindern ist beim Malen das Schöpfen aus der Seele heraus schon das Richtige, aber bei den älteren Kindern muß man schon von rein malerischen Gesichts­punkten ausgehen; muß zeigen, wie ein Licht, das auffällt, malerisch wirkt und so weiter. Alles praktisch malerisch! Schon vom zehnten Jahr an sollte man gar nicht Gegenstände malen lassen, denn man verdirbt viel.

Ik denk dat er in de lagere klassen nog ruimte is voor verbetering wat betreft het schilderonderwijs. Sommige leerkrachten hebben te weinig moeite gedaan om het technisch aan te pakken. Het gebruik van het materiaal wordt niet goed gedaan. Eigenlijk zouden kinderen niet mogen schilderen met kleuren op vellen papier die steeds gaan golven, maar zouden ze in alle klassen moeten worden aangemoedigd om te schilderen op vellen papier die zijn opgespannen. En dan moet het geheel van begin tot eind worden gedaan, zodat zo’n vel echt af is. De meeste vellen zijn slechts een begin.
Bij jongere kinderen is schilderen vanuit de ziel het juiste om te doen, maar bij oudere kinderen moet je puur vanuit het schilderende werken; je moet laten zien hoe een lichtval een schilderkunstig effect heeft enzovoort. Alles praktisch schilderkunstig! Vanaf het tiende jaar moeten er helemaal geen objecten meer geschilderd worden, omdat je dan veel verpest.

Blz. 128

Um so mehr sollte man von solchen malerischen Gesichtspunkten ausgehen, je älter die Kinder werden. Man sollte ihnen klarmachen: Dort ist die Sonne. Das Sonnenlicht fällt auf den Baum. Nun sollte man nicht vom Baum ausgehen und zeichnen, sondern man muß ausgehen von den Lichtflächen und den Dunkel­flächen, so daß der Baum herausentsteht aus dem Licht-Dunkel der Farbe, aber der Farbe, die vom Lichte kommt. Nicht daß man von der Abstraktion ausgeht: der Baum ist grün; Nicht die Blätter grün malen lassen; Blätter soll man überhaupt nicht malen, Lichtflächen soll man malen. Das soll man durchführen, das kann man machen.
Dann würde ich, wenn ich genötigt wäre, mit den Dreizehn-, Vierzehnjährigen erst anzufangen, dann würde ich die Dürersche ,,Melan­cholie” vornehmen, würde zur Anschauung bringen, wie wunderbar die Licht- und Schattenverteilung ist. Das Licht am Fenster, die Lichtverteilung am Polyeder und der Kugel, das würde ich umsetzen lassen in Farben. Dann das Licht am Fenster des ,,Hieronymus im Gehäus” und so weiter. Dieses Ausgehen von der ,,Melancholie”, das ist überhaupt etwas sehr Fruchtbares. Man sollte dieses Schwarz-Weiß in Farbenphantasie umsetzen lassen.

Hoe ouder de kinderen worden, hoe meer je moet uitgaan van zulke schilderkunstige gezichtspunten. Je moet ze laten beseffen: De zon is er. Het zonlicht valt op de boom. Nu moet je niet uitgaan van de boom en schilderen, maar je moet uitgaan van de lichte gebieden en de donkere gebieden, zodat de boom uit het licht-donker van de kleur tevoorschijn komt. Niet uitgaan van de abstractie: de boom is groen; niet de bladeren groen laten schilderen; bladeren moeten helemaal niet geschilderd worden, lichte vlakken moeten geschilderd worden. Dat moet je doen, dat kan je doen.
Als ik dan met dertien- of veertienjarigen zou moeten beginnen, zou ik de “melancholie” van Dürer doen, ik zou laten zien hoe prachtig de verdeling van licht en schaduw is. Het licht bij het raam, de lichtverdeling op het veelvlak en de bol, dat zou ik vertalen naar kleuren.
Dan het licht bij het raam van “Hieronymus in zijn studeervertrek” enzovoort. Uitgaan van de “melancholie” is iets heel vruchtbaars. Dit zwart-wit moet worden omgezet in een kleurenfantasie.
GA 300C/127-128
Niet vertaald  

Dürer: Melancholia

Dürer: Hiëronymus

.

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Schilderenalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3317-3121

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – Engels

.

Wanneer de kinderen in de 3e klas van de vrijeschool voor het eerst gymnastiek krijgen, is dat op veel scholen de ‘vrijeschoolgymnastiek’ – de zgn. bothmer-gymnastiek.

Een aantal oefeningen zou je ook in de Engelse les kunnen doen. Juist omdat je er ook nog op bewegen kan.

De Engelse leerkracht Roy Wilkinson deed het volgende:

The class stands in a ring and the teacher speaks the words and joins in with the exercise. The movements are obvious from the text.
.

Here on the earth I stand upright,

I turn my head left, I turn it to right,

I look up to the sky, then down to the ground,

But to look behind, I must turn right round.
.

Repeat

.

I can raise my heels and stand on tip-toe.

Then bend my knees and down I go.

The earth would like to keep me there

But I can push myself up in the air.

Straight up again on my toes I am.

Heels down, feet firm, the way I began.
.

Repeat, but the fourth line is

.

But I can shoot myself up in the air. (jumping)

.

With my feet quite firm I can stand upright.

Then bend to the left and then to the right.

Forwards I can bend quite low

But backwards it’s not so easy to go.

.

I can roll myself up like a snail in its shell;

I can unroll and stand like a post just as well.

Arms apart, and the form of a cross I take;

Arms down, feet apart, a triangle I make.

With my head stretching upwards, my arms flung afar,

I take the shape of a five pointed star.

.

One step to the left I readily take

And one to the right I can also make.

A step to the front I take with speed;

To step to the back more courage I need.

.

Repeat with “spring” (from one foot to the other)

.

Repeat with “jump” (feet together)

.

My arms I stretch forward parallel to the ground

And make a half circle by swinging them round.

A straight line I make from hand to hand.

Still parallel to the ground where I stand.

My hands reach out to horizons wide

But if I let go, they drop to my side.

.

I lean to the left and should drop to one side

But a foot stops my fall and my arms are flung wide.

With a push I can stand straight again on my feet.

Head up and arms down, tidy and neat.

.

Repeat with “right” and “forward”

.

My arms straight up to the sky extend

And keeping them stretched my body I bend.

Down go my hands, down my head goes

Until my fingers touch my toes.

.

Upwards I stretch to the sky once more.

As far as I can away from the floor.

My descending hands feel the circle around

And my heels sink slowly down to the ground.

I can lie horizontally on the ground;

.

I can raise my legs slowly then cycle around.

I can cycle and cycle with all my might.

Then down with the left leg and down with the right.

.

Gymnastiek: alle artikelen

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen (waaronder voor klas 3)

3e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 3e klas

.

3316-3120

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (96)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

DE LEEUW EN DE MUIS

Deze overbekende fabel van La Fontaine is door Brian Wildsmith simpel naverteld en bijzonder geïllustreerd.
Wanneer kinderen op de vrijeschool in klas 2 fabels verteld worden, zal deze zeker niet ontbreken. 
Je kan – vóór je de fabel vertelt – met de 8-jarigen al goed spreken over ‘kracht en zwakte’, ‘grote monden’, ‘dat ieder ertoe doet’ enz. Geen moraal, maar karakteriseren en signaleren. Geen opgeheven vingertje en geen ‘dus kinderen…’, nee, zonder de fabel te noemen dergelijke gesprekjes en dan zeg je: nu zal ik jullie een klein verhaal vertellen, en begin je met de fabel. Daarna geen conclusies meer. Klaar! Het beeld heeft het laatste woord!
Later in het jaar zouden de kinderen, mits in de klas aanwezig, dit boek zelf kunnen lezen of met wat hulp, misschien vooraf eerst klassikaal.
Helaas is het nauwelijks meer te vinden.
Maar voor de geïnteresseerde heb ik een (gratis) scan.
Mail naar vspedagogie  apenstaartje gmail punt com, o.v.v. leeuw en muis.
Suggestie.

Brian Wildsmith

Uitgeverij: Lemniscaat

8 jr.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

3315-3119

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 9 juni 1920

.

Ziehet woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven.
Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan.

De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

iedere leerkracht eigen klas [1]
temperamentsherkenning [1]
hoe moet een prospectus c.q. jaarverslag eruit zien [2]
niet-Nederlands taalonderwijs [3]
vuil in school [4]
het verzamelen van psychologische gegevens van de leerlingen [5]
een soort ‘terugblikoefening’ voor klas die slecht onthoudt [6]
een boek met waarnemingen over de kinderen [7]
spelfouten – zakenbrieven – algebra (6e klas) [8]
Allah – mohammedanisme [9]
Tempelieren – Bafomet [10]

 

RUDOLF STEINER
.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart
1919 bis 1924

Erster Band
Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1
Het eerste en tweede schooljaar
.

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A

Blz. 127

Konferenz vom Mittwoch 9 Juni, 16 – 19u

Vergadering woensdag 9 juni 1920, 16 – 19u

Dr. Steiner: Dadurch daß jeder Lehrer seine Klasse behält, wird eine intimere Kenntnis der Schüler errungen. Man muß versuchen, nach dieser Richtung weiter zu streben und die Dinge anzuwenden, die im Lehrerkurs besprochen wurden. Sobald man das Temperament eines Kindes richtig beurteilen kann, kommt alles andere von selbst. Man müßte sich den Blick aneignen, daß man, wenn man den Namen aufruft, das Temperament im Klang der Stimme schon darin hat.

<1>Het feit dat elke leraar zijn of haar eigen klas heeft, zorgt voor een meer intiem kennen van de leerlingen. Je moet in deze richting blijven streven en de dingen toe passen die zijn besproken in de lerarencursus (GA 293, 294, 295) [1] . Als je eenmaal het temperament van een kind kan beoordelen, komt al het andere vanzelf. Je moet zo leren kijken dat als je de naam roept, je het temperament al in de klank van je stem hebt.

Het lijkt erop alsof Steiner hier wijst op wat hij in GA 295 heeft gezegd over het aanspreken van de verschillende temperamenten. (Bv. 2e en 4e werkbespreking)

Es wird über einen Jahresbericht und einen Prospekt gesprochen.

Er wordt over een jaarverslag en een prospectus gesproken.

Dr. Steiner: Im Jahresbericht müßte etwas stehen über Grundriß und Plan der Schule und über den Lehrplan. Dann über die Schüler, aus welchen Schulen sie gekommen sind: 161 aus Volksschulen, 50 aus Mittelschulen, 64 aus höheren Schulen, 12 Schulneulinge; zusammen 287. Dann über die Konfessionen der Schüler.
Weiter über die Lehrerbibliothek, viele Bände. Die Sammlungen und Kabinette; dabei sollte das Inventar der einzelnen Sammlungen nur summarisch angegeben werden. Die Schülerbibliothek.
Dann die Eurythmie als eine neue Sache. Darüber wird Herr Baumann gebeten, einen eigenen Bericht zu machen. Auch über Handfertigkeit und Handarbeit könnte etwas darinstehen, vielleicht auch mit Bemerkungen über die Mängel der Leistungen. Vor allem aber sollte immer das Dauernde berücksichtigt werden.
Abgesondert davon wäre die Geschichte des ersten Schuljahres darzustellen. Man beginnt mit dem Prospekt. Später würde man anstelle dieses Prospektes eine Abhandlung von einer Lehrkraft haben; dieses Jahr kann dafür der Prospekt darinstehen.
Im Jahresbericht soll sich jeder, so wie er es will, seine Autobiographie schreiben. Auch Charakteristisches über die Lehrer kann im Bericht stehen; man kann da zum Beispiel sagen, im allgemeinen gehalten, was er vorher war, ehe er Lehrer wurde. Nachrufe über Verstorbene können auch darinnenstehen.
Es werden oft zu stark Dinge herausgestellt, die hinter die Kulissen gehören.

<2>Het jaarverslag moet iets bevatten over de opzet en wat de school van plan is en over het leerplan.
Dan over de leerlingen, van welke scholen ze kwamen: 161 van basisscholen, 50 van middelbare scholen, 64 van middelbare scholen, 12 nieuwkomers; in totaal 287. Dan over de religieuze achtergrond van de leerlingen.
Dan over de bibliotheek van de leraren, de vele boeken. Collecties en bijzondere verzamelingen; de inventaris van de afzonderlijke collecties alleen maar summier. De bibliotheek van de leerlingen.
Dan de euritmie als iets nieuws. De heer Baumann wordt gevraagd hierover een apart verslag te maken. Er zou ook iets in kunnen komen over handvaardigheid en handenarbeid, misschien ook met opmerkingen over de tekortkomingen van de prestaties. Maar vooral moet altijd rekening worden gehouden met wat blijvend is.
De geschiedenis van het eerste schooljaar moet apart worden gepresenteerd. Begin met de prospectus. Later kan, in plaats van deze prospectus, een verhandeling van een leraar  komen. Dit jaar kan dat de prospectus zijn.
In het jaarverslag zou iedereen die dat wil, zijn autobiografie schrijven. Karakteristieke informatie over de docenten kan ook in het verslag worden opgenomen; je kan bijvoorbeeld in algemene termen zeggen wat deze deed voordat hij leraar werd.
Er kunnen ook overlijdensberichten in worden opgenomen.
Vaak wordt er te veel aandacht besteed aan dingen die achter de schermen horen.

X.: Die Tätigkeit Dr. Steiners in der Leitung der Schule muß herausgehoben
werden.

X.: Het werk van Dr. Steiner bij de leiding van de school moet benadrukt worden.

Dr. Steiner: Meine Kurse können erwähnt werden und ebenso die
Vorträge, die die Lehrer gehalten haben. Dann sollte etwas darinnenstehen über das Vortragswesen der Waldorf-Astoria, das ja weniger

Mijn cursussen kunnen genoemd worden net zoals de lezingen van de leraren.
De lezingen van de leraren. Dan moet er iets in staan over het Waldorf-Astoria lezingenprogramma, dat minder

Blz. 128

an die Schule angeschlossen ist, also über die Arbeiterbildungsschule; die Geschichte dieser Schule mit einer Liste der Vorträge, die die Lehrer dort gehalten haben. Überhaupt über das Bildungswesen der Fabrik. Auch über die Tätigkeit und die Vorträge der Lehrer in der freien Fortbildungsschule für Lehrlinge und über den Jugendkurs für soziale Erkenntnis. Auch über das Archiv.
Ebenso über den Vorbereitungs-Unterricht für die Jugendfeier in einem eigenen Abschnitt. Überhaupt über die Angelegenheiten des evangelischen, katholischen und freien Religionsunterrichts. Wenn man für die einzelnen Religionen kein besonderes Kapitel machen will, müßte man es auslassen.

is verbonden met de school, d.w.z. over de school voor arbeidersonderwijs;
de geschiedenis van deze school met een lijst van de lezingen die de leraren daar hebben gegeven. In het algemeen over de vorming op de fabriek. Ook over de activiteiten en lezingen van de leraren in de
vrije voortgezette school voor leerlingen en over de jongerencursus voor sociale kennis.
Ook over het archief.
Ook over de voorbereidende lessen voor de jongerenviering in een apart gedeelte.
Algemeen over de gang van zaken in het protestants, katholiek en vrij godsdienstonderwijs. Als we geen speciaal hoofdstuk willen maken voor de afzonderlijke godsdiensten, moeten we het weggelaten.

Es werden nun alle Klassen der Reihe nach durchgesprochen. Jeder Lehrer gibt einen genauen Bericht, was er in diesem Schuljahr behandelt hat, wie weit er gekommen ist, wie der Stand der Klasse ist und so weiter.
Zuerst berichten X. und Y. über den Hauptunterricht in der 1. und 2. Klasse.
X. berichtet über den Hauptunterricht und auch über den Sprachunterricht in der 3. Klasse.

Alle klassen worden nu om de beurt besproken. Elke leraar geeft een gedetailleerd verslag van wat hij dit schooljaar heeft behandeld, hoe ver hij gekomen is, hoe de klas ervoor staat, enzovoort.
Eerst doen X. en Y. verslag hoofdonderwijs in leerjaar 1 en leerjaar 2.
X. doet verslag van het hoofdonderwijs en ook van de taallessen in leerjaar 3.

Dr. Steiner: Im Sprachunterricht sollte man nicht lexikalisch vorgehen und nicht übersetzen. Man sollte auch möglichst vermeiden, den deutschen Text vorzusagen. Am besten ist es, den fremdsprachlichen Text erst zu lesen und dann den Inhalt mit eigenen Worten wiederzugeben.

<3>Taallessen moeten niet lexicaal zijn en mogen niet vertaald worden. Je moet ook vermijden de Duitse tekst voor te zeggen. Je kunt het beste eerst de tekst in de vreemde taal lezen en dan de inhoud in je eigen woorden weergeven.

Es ist so viel Staub auf den Bänken, so viel Dreck in den Klassen!

<4>Er ligt zoveel stof op de banken, er is zoveel vuil in de klassen!

Die Lehrer sollten Psychologika sammeln! Das könnte gewissermaßen eine Art Goldenes Buch der psychologischen Merkwürdigkeiten sein, ein Goldenes Buch Psychologika im weitesten Sinne.
Geisteswissenschaftlich sind die Sachen selbstverständlich. Man kann sie auch sagen. Manches ist auch schon vorgekommen.
Es war mir heute interessant in der 8. Klasse. Wie heißt der Junge? Er schreibt genau wie Sie, Dr. Stein. Der O. N., er ahmt Ihre Schrift nach. Das ist eine interessante Tatsache. Wenn jemand liegende Haare hat, wird er sich die Schrift vom Lehrer aneignen. Ein Kind mit struppigen Haaren würde so etwas nicht getan haben.

<5>Leraren zouden psychologica moeten verzamelen! Dit zou een soort gouden boek van psychologische bijzonderheden kunnen zijn, een gouden boek van psychologica in de ruimste zin van het woord.
In termen van de geesteswetenschappen zijn deze dingen vanzelfsprekend.
Je kan ze ook zeggen. Sommige dingen zijn al gebeurd.
Het was interessant voor mij vandaag in klas 8. Hoe heet die jongen?
Hij schrijft net als u, Dr. Stein. O.N., hij imiteert uw handschrift.
Dat is een interessant feit. Als iemand plat liggend haar heeft, zal hij het handschrift van de leraar overnemen. Een kind met ruig haar zou dat niet hebben gedaan.

X. berichtet über die 4. Klasse. Von deutscher Grammatik haben die Kinder
gar nichts gewußt. Sie fragten, was das sei.

X. doet verslag van jaar 4. De kinderen wisten niets van Duitse grammatica.
wisten niets van Duitse grammatica. Ze vroegen wat het was.

Dr.Steiner: Sehr gut ist es, wenn man die Kinder veranlaßt, sich am Ende der 4. Stunde rückwärts zu erinnern an das, was sie am ganzen Morgen gemacht und durchgenommen haben.

<6>Het is heel goed als je de kinderen aan het einde van het 4e lesuur zich in omgekeerde volgorde terug te laten halen, wat ze de hele morgen gedaan hebben het einde van de 4e les achterom te kijken om zich te herinneren wat ze hebben gedaan en wat er is behandeld.

Frage: Wie soll so ein Goldenes Buch gedacht sein?

Vraag: Hoe moet zo’n Gouden Boek georganiseerd worden?

Blz. 129

Dr. Steiner: Als Sammlung der Lehrerschaft. Das kann eine große Bedeutung haben. Allerlei interessante Dinge wären darin zu vermerken. Jeder wird, wenn er nachdenkt, gleich einen ganzen Schippel solcher Sachen finden. Jeder Lehrer bespricht in einer Anzahl prägnanter Bemerkungen, was er beobachtet. In den höheren Klassen sollte angegeben werden, was den Kindern an Wissensstoff gefehlt hat, als sie zu uns kamen. Man sollte solche Dinge charakterisieren, was den Kindern fehlte. Wenn man das im ersten Jahresbericht zusammengestellt hätte, da würde ich sehr dankbar sein.
Daß die Kinder zum Beispiel fragten: Was ist das, „deutsche Grammatik”? — das ist kulturhistorisch bedeutsam. Also Observationen bei den in die Waldorfschule eingetretenen Kindern. Was man bemerkt, was die Kinder vergessen, was sie für Ungezogenheiten hatten. Dann auch mehr das Unterrichtliche. Am Schluß der Sammlung können wir sagen, es ist selbstverständlich, daß unsere Intentionen mit jeder einzelnen Klasse in diesem Jahr noch nicht voll erreicht werden, sondern nur pauschaliter.

<7>Als een verzameling door de leraren. Dat kan een grote betekenis hebben. Er kunnen allerlei interessante dingen in genoteerd worden. Wie erover nadenkt, vindt meteen een heleboel van zulke dingen. Elke leraar bespreekt in een aantal beknopte opmerkingen over wat hij waarneemt.
In de hogere klassen moet worden aangegeven wat de kinderen aan kennis misten toen ze bij ons kwamen. Wat de kinderen misten, moet worden gekarakteriseerd. Als dit in het eerste jaarverslag was opgenomen, zou ik erg dankbaar zijn geweest.
Bijvoorbeeld het feit dat de kinderen vroegen: Wat is “Duitse grammatica”? –  is cultureel en historisch belangrijk. Dus observaties van de kinderen die de vrijeschool binnenkomen. Wat je opvalt, wat de kinderen vergeten, wat voor ondeugden ze hadden.

Dan meer over de lessen. Aan het eind van de verzamelde feiten kunnen we zeggen dat het vanzelfsprekend is dat onze doelen met elke individuele klas dit jaar nog niet volledig zijn gehaald, maar alleen in algemene termen.

X. berichtet über die 5. und Y. über die 6. Klasse.

X. doet verslag over leerjaar 5 en Y. over leerjaar 6.

Dr. Steiner: Unglaublich unorthographisch schreiben die Kinder in der 6. Klasse. Wenn sie glücklich mit zwei k schreiben, sind sie überglücklich*. Es ist viel wichtiger, daß sie Geschäftsbriefe schreiben und Buchstabenrechnung lernen, als daß sie glücklich mit zwei k schreiben.

<8>De kinderen in klas 6 maken ongelofelijk veel spelfouten.
Als ze ‘gelukkig’ met twee k’s schrijven, zijn ze dolgelukkig. Het is veel belangrijker dat ze zakenbrieven schrijven en algebra leren, dan dat ze ‘gelukkig’ met twee k’s schrijven.

X. über die humanistischen Fächer in der 7. und 8. Klasse. In der Geschichte
macht die Stoffbewältigung Schwierigkeiten. Die Kinder wissen nichts, als
was sie aus dem Religionsunterricht kennen.

X. over de humanistische vakken in klas 7 en 8. Bij geschiedenis
is het beheersen van de stof moeilijk. De kinderen weten niets anders dan
wat ze weten van godsdienstlessen.

Dr. Steiner: 1890 kam ich nach Weimar ans Goethe-Archiv. Dessen Direktor war Suphan, der zwei Buben hatte. Mir ist die Aufgabe zugefallen, diese Buben zu unterrichten. Ich bekam dadurch einen Einblick in die Berliner Schulen. Ich muß sagen, während man in Österreich einen ordentlichen Geschichtsunterricht bekam, war in Deutschland nichts davon zu bemerken, daß die Kinder einen Geschichtsunterricht hatten. In den Büchern war nichts davon zu bemerken. Da gab es dreißig Seiten Vorbereitung von Adam bis zu den Hohenzollern, dann geht die Geschichte der Hohenzollern los.
Das ist in ganz Deutschland so, daß in den Mittelschulen nichts Ordentliches über Geschichte vorkommt.

Ik kwam in 1890 naar Weimar om in het Goethe-archief te werken. De directeur daar was Suphan, die twee jongens had. Ik kreeg de opdracht deze jongens te onderwijzen. Zo kreeg ik inzicht in de Berlijnse scholen. Ik moet zeggen dat terwijl ze in Oostenrijk behoorlijk geschiedenisles kregen, daar in Duitsland niets van te merken was.. Er was niets van te merken in de boeken.
Er waren dertig pagina’s voorbereiding van Adam tot de Hohenzollerns, dan begint de geschiedenis van de Hohenzollerns.
Het geval in heel Duitsland is, dat er op middelbare scholen niets over geschiedenis bestaat waar je wat aan hebt.

X. fragt nach der Wesenheit Allahs.

X. vraagt naar de aard van Allah.

Blz. 130

Dr. Steiner: Es ist schwer, die übersinnlichen Wesen zu charakterisieren, indem man sie einregistriert.
Der Mohammedanismus ist die erste ahrimanische Manifestation, die erste ahrimanische Offenbarung nach dem Mysterium von Golgatha.
Der Gott Mohammeds, Allah, Eloha, ist ein ahrimanischer Abklatsch
oder Abglanz der elohistischen Wesenheiten, der Elohim, aber
monotheistisch erfaßt. Er bezeichnet sie immer in einer Einheit. Die
mohammedanische Kultur ist ahrimanisch, aber die Gemütsverfassung der Islamiten ist luziferisch.

<9>Het is lastig om de bovenzinnelijke wezens te karakteriseren door ze encyclopedisch weer te geven.
Mohammedanisme is de eerste ahrimanische manifestatie, de eerste ahrimanische vertoning na het Mysterie van Golgotha.
De God van Mohammed, Allah, Eloha, is een ahrimanische imitatie of weerspiegeling van de elohistische entiteiten, de Elohim, maar monotheïstisch opgevat. Ze worden altijd als eenheid beschreven.
De mohammedaanse cultuur is ahrimanisch, maar de geestestoestand van de Islamieten is luciferisch.

X.: In den Templerprozessen wird oft ein Wesen namens Bafomet genannt.
Was ist das?

X.: In de Tempeliersprocessen wordt vaak een wezen genoemd dat Bafomet heet.
Wat is dat?

Dr. Steiner: Bafomet, das ist ein Wesen der ahrimanischen Welt, welches den Leuten erschien, wenn sie gefoltert wurden. Das ist raffiniert gemacht worden. Dann haben sie eine Menge von Visionärem mitgenommen, als sie ins Bewußtsein zurückgekommen sind.
869 nach Christus ist der Filioquestreit. Die Sache wird in den
Geschichtsbüchern verschwiegen. Darüber ist nachzulesen in Harnacks Dogmengeschichte.

<10>Bafomet is een wezen uit de ahrimanische wereld, dat aan mensen verscheen als ze gemarteld werden. Dit is op een geraffineerde manier gedaan. Dan namen ze veel visionaire dingen met zich mee als ze weer tot bewustzijn kwamen.

869 AD is de Filioque-strijd. Dat wordt de geschiedenisboeken verzwegen. Je kan erover lezen in Harnacks ‘Geschiedenis van de dogma’s’.

X……..

Dr. Steiner: Der katholische Religionsunterricht ist weit voraus; der
evangelische ist der allerbeschränkteste.
Die Goethe-Biographie des Jesuiten Baumgartner ist genial geschrieben gegenüber den anderen Biographien, obwohl er schimpft. Das andere ist Mist. Die Goethe-Biographie von dem Engländer Lewes ist schlecht.
Schweizerischer Volkskalender.

X…….
Het Katholiek godsdienstonderwijs is ver vooruit; protestants onderwijs is het meest beperkt.
De biografie van Goethe door de jezuïet Baumgartner is briljant geschreven in vergelijking met de andere biografieën, hoewel hij fulmineert. Het andere is onzin.
De biografie van Goethe door de Engelsman Lewes is slecht.
Zwitserse Volkskalender.

X. berichtet über den naturwissenschaftlichen Unterricht in der 7. und
8. Klasse.

X. doet verslag over natuurkunde in klas 7 en 8.

Dr. Steiner: Naturgeschichtlicher Unterricht, den kann man jederzeit unterbrechen.

Natuurkunde kun je op elk moment onderbreken.

Fortsetzung Samstag 15 Uhr.

Vervolg op zaterdag 15.00 uur.
GA 300A/127-130 

.  

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3314-3118

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 1e, 2e klas – schilderen (3-3)

.

Onderstaand artikel is een bewerkte vertaling uit:
.
Der künstlerische Unterricht. Mahlen und Zeichnen
Jünemann/Weitmann  (1e druk 1976)
(Inmiddels is er een 5e druk 2007)
.

Zwart = tekst uit het boek
Blauw = mijn eigen woorden over het e.e.a.

N.a.v. blz. 41- 44
.
Na de onderwerpen die in het vorige artikelen aan bod kwamen, gaan de auteurs in op een opmerking van Steiner over het schilderen op gekleurd papier:

‘We beginnen er zo vroeg mogelijk mee het kind met kleuren te laten kennismaken – waarbij het goed is om op een gekleurd vlak andere kleuren aan te brengen dan op een wit vlak’ (  )

De beleving van het schilderen op gekleurd papier, zou daardoor versterkt worden.
Iedere kleur verandert dan meteen. 
Wanneer je met geel op een rode ondergrond schildert, verliest het geel zijn glans en wordt oranje-rood.
Met blauw op rood: het blauw wordt warmer, wordt violet.
Zouden de kleintjes aanvankelijk nog wat tekenend werken en tekenvormen maken, dan gebeurt dit hier niet zo, omdat hun aandacht vanaf het begin naar het kleurenproces wordt getrokken.

Er kunnen zich echter wel technische problemen voordoen. Hoe kom je aan geschikt gekleurd papier waarop je kan schilderen. Met vastere verfsoorten kan je wel, met waterverf niet beschilderen. 
Je kan het de kinderen wel zelf laten doen: eerst het witte papier met kleur beschilderen. De verf moet wel goed intrekken (‘enige minuten’).

Zelf heb ik het nooit gedaan. Toen ik op school begon, zag ik het nergens en het kwam ook op mijn opleidingscursus niet ter sprake. Ik heb het nooit ergens gezien. 

====

Na de geel-blauw-oefeningen kunnen ook geel-rood oefenen en rood-blauw. Het zijn beide karakteristieke klankkleuren. De schrijvers noemen de eerste: lichter, sprankelend, de andere ingetogen en feestelijk.
Ga je weer verder, dan kom je bij geel-oranje of blauw-violet, karakterloze samenstellingen.

Het is goed om – altijd – zegt het boek, ook een vel papier op de plank te hebben als leerkracht. Zodat je daarop iets voor kan doen, of een kind even iets extra’s kan geven om te oefenen. 
Maar voor een klassikale uitleg is een groot papier nodig dat aan het bord hangt.
Daar wordt nu een groot rood vlak op geschilderd. Dan komt de vraag: wat nu met geel en blauw? Dat mogen een paar kinderen doen.
Dan zet je er nog een even groot tweede en derde vlak bij en de kinderen mogen dat weer met geel en blauw afmaken.
Zo ontstaan er drieklanken.

De schrijvers hebben het er niet over, maar op een verticaal vlak schilderen met waterverf is zo makkelijk nog niet, omdat de verf snel gaat ‘lopen’. Het moet dus allemaal niet te vochtig zijn. Eventueel haal je de ‘druipers’ snel met een sponsje weg.

Als alle kinderen dat daarna mogen doen, zetten ze vrijwel allemaal hun rood ook in het midden en worden geel en blauw ‘ergens’ toegevoegd.
Toch zijn er – letterlijk – wezenlijke verschillen: de kinderen laten hierbij altijd iets van zichzelf zien: voorkeur voor een kleur; lang bij de ene stilstaan, de andere bijna vergetend of snel ze alle drie opgebracht, enz.
Dat kan in de nabespreking natuurlijk tot allerlei leiden waarvan ieder weer leren kan. 

Nu heb je weer allerlei variatiemogelijkheden. Geel in het midden; blauw in het midden; (in GA 300B bevindt zich ook nog een aanwijzing)
De werking die ervan uitgaat, is telkens weer anders. 

Je kan dan als volgende stap i.p.v. blauw, violet nemen. 
De schrijvers zeggen hier niet hoe ze violet aanbieden. Maar omdat het nog niet gaat om zelf kleuren op het papier te laten ontstaan, ligt het voor de hand dat je dat van te voren zelf hebt gemaakt. (en daar moet je dan weer voldoende potjes voor hebben!) (Uit de tekst blijkt later dat dit zo is)
Nu kun je al iets maken met geel, rood en violet. Rood in het midden, geel en violet eromheen (nog steeds als vlakken!). 
Geel-rood is karakteristiek; rood naast violet wat eentoniger. Maar in een drieklank heeft ook geel/violet zijn werking en ontstaat er toch weer harmonie.

Omgekeerd kan het dan ook weer. Geel in het midden, violet ernaast, rood aan de andere kant: geel-rood is weer karakteristiek.
Het is goed om bij je zelf na te gaan wat er harmonisch(er) op je over komt.
Violet in het midden en geel ernaast, doet harmonisch aan, maar rood-violet brengt er weer iets monotoons in.
Wanneer je alle variaties hebt geoefend en besproken, kan er bij de kinderen het gevoel zijn ontstaan dat het uitmaakt hoe je kleur bij elkaar brengt.

Nu gaan we verder met drie nieuwe mengkleuren.
En daarmee wordt ook weer zo geoefend als is beschreven voor de andere kleuren.
Nu gaat het om rood en groen. En ook weer groen in  het midden.
Als de leerkracht de mengverf klaarmaakt, moet deze er dus rekening mee houden dat er mooie contrasten kunnen ontstaan, dus geen te ‘dunne’ verf.
Groen bv. niet te licht, rood niet te donker.
Dat geldt ook voor geel-violet en oranje-blauw.

Het kunnen beleven van schoonheid kan door deze oefeningen worden opgeroepen, er kan harmonie worden ervaren.
Het belang daarvan besprak Steiner in GA 303 [in de artikelenreeks Rudolf Steiner over schilderen nog niet oproepbaar]

Om de tegenstelling te laten ervaren, kun je ook uitgaan van monotonere kleurstellingen: groen-blauw, bv. En dan groen-violet, dan weer groen en dan rood.
De ‘andere’ kant op: groen-geel gaat naar groen-oranje, dan weer naar groen-rood.

Je kan ook nog bewegingen die ‘bij de kleur passen’, invoeren: bv. geel in stralenvorm. Als je daar blauw of violet omheen zet, doet dat denken aan de ster van een bloem. 
Zet je echter blauw of violet in het midden met geel eromheen, wordt de ster afgezwakt tot een ronde vorm.

Tenslotte vatten de auteurs de methodische stappen samen:

Eerst schildert het kind vanuit een soort instinctief kleurgevoel.

Dan wordt het erop attent gemaakt hoe de kleuren bij wat hij maakt op elkaar afgestemd zijn.

Daarna worden de mengkleuren uitgewisseld en de kleuren van de omgeving veranderd.

Zo ‘spelen’ de kinderen met kleur. De leerkracht kent de kleuren door de kleurenleer.

De auteurs gaan nog even in op bepaalde kritiek:

Er wordt vaak beweerd dat de methodische begeleiding de eigen creatieve kracht van de kinderen remt. Men vergeet echter hoeveel activiteit en persoonlijke besluitvorming er komt kijken bij het zetten van kleurvlakken op papier met een penseel. Als een klas alleen met geel en blauw heeft geschilderd, zullen alle vellen er anders uitzien, zelfs als de oefening op grote schaal wordt gedaan. Als ze te eenvormig worden, moet de klassenleraar proberen het innerlijke kleurleven van de kinderen sterker te stimuleren, dan zullen ze weer vrijer creëren.

Het is van groot belang dat de aandacht van het kind, dat voor zijn zevende meer instinctief en dromerig in de wereld van kleuren leefde, nu gericht wordt op de kwalitatieve verschillen.

.

De vorige artikelen die met bovenstaand een bepaald geheel vormen:

schilderen [3-1]    schilderen [3-2]

Schilderen: alle artikelen

Rudolf Steiner over schilderen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3313-3117

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.

Als klein kind op de – toen nog – lagere school speelden de leerkrachten met ons kringspelen. Vooral als het regende en we niet naar het plein konden. Dan diende de hal als speelzaal en daar ‘deden’ we o.a. ‘De boom die wordt hoe langer hoe dikker’; ‘Jan Huygen in de ton’; ‘Ik stond laatst voor een poppenkraam’, enz.

Op vrijescholen worden ze nog wel gespeeld, maar in hoeverre ze ook hier verdwijnen, weet ik niet.

Mellie Uyldert beschreef ze en op deze blog heb ik e.e.a. van haar in eigen woorden weergegeven.
Zij roert zaken aan die ik ook bij Steiner tegenkwam.
Zie bv. dit artikel, waarvan het lezen ook nodig is om het volgende spel ‘te begrijpen’.

ANNEKE TANNEKE TOVERHEKS
.

Er is een kind dat ‘de moeder’ is. De andere kinderen die meespelen zitten achter haar. Zij mogen niets zeggen en moeten heel stil zitten.
Wanneer het vroeger op straat werd gespeeld en er was een huis met drie (of meer) stoeptreden, dan werd het daarop gespeeld.

Een ander kind speelt een kreupel oud vrouwtje: Anneke Tanneke Toverheks.
Die klopt op de deur en dan volgt een gesprek:

Wie is daar?
Anneke Tanneke Toverheks!
Wat moet je?
Een kooltje vuur!
Ik héb geen vuur!
Ik heb je schoorsteen zien roken!
Dat is allemaal hete as!
Hete as kan niet smoken! ,
Daar heb je vuur!

(De moeder geeft iets aan Anneke)

En mag ik wat water hebben?
Ik heb geen water.
Ik heb je pomp horen gaan!
Dat is die van mijn buurvrouw!
Dat jok je!

Daar heb je water! (Zij geeft iets)

Wat heb je daar mooie beeldjes staan!

(Zij wijst op een van de kinderen en vraagt:) Hoeveel kost die?
Ze zijn niet te koop!
Vrouw! Je pap brandt aan!

Nu rent de moeder naar de keuken en Anneke pakt nu een van de beeldjes, d.w.z. een van de kinderen. Die moet zich verstoppen in haar rokken. Samen gaan ze haastig weg en Anneke brengt het kind naar een afgesproken hoekje. Anneke fluistert haar daar een nieuwe naam in.
Daarna gaan ze samen weer naar moeder en nu herhaalt zich het vorige, behalve ‘de pap’, want moeder trapt niet twee keer in die val. Dus Anneke moet iets anders bedenken.
Uiteindelijk neemt Anneke alle kinderen mee.
De kinderloze moeder gaat nu naar Anneke toe en probeert de nieuwe namen te raden.
Als ze alle kinderen zo weer terug heeft, is het spel uit.

Uyldert komt tot de volgende verklaring:

De moeder is Vrouw Holle of Holda. Zij heerst over onder- en bovenwereld. Deze is gescheiden van de aarde door drie sferen: die van wind, maan en zon. (De drie stoeptreden?)
Zij behoedt de zielen van de ongeborenen.
Anneke Tanneke zou dan de maangodin Anne zijn. Zij ‘bemiddelt’ bij de incarnatie.
Zij wil een kindje naar de aarde brengen naar een ouderpaar dat ernaar verlangt.
Zij is kreupel. Dat zijn in wezen alle hemelwezens, die immers nog in de
e e n-h e i d leven!
Zou je dit met Steiners aanwijzingen willen duiden, zou je m.i. moeten zeggen dat hier ‘kreupel’ staat voor ‘geen fysiek lichaam hebbend’.

Uyldert wijst nog op een variant: daar zou de plaats waar het gespeeld wordt, het hemelgewelf zijn, het rijk van Holda. ‘Een glazen berg die met glazen muiltjes betreden moet worden (Assepoester!)’
De tekst is dan anders:

Vrouwtje, mag ik op je bergje?
Mijn bergje is geschrobd.
Maar doe je glazen muiltjes aan,

en treedt er dan maar op!

Bij de incarnatie krijgen de ‘gestolen’ zielen van Anne een aardse naam.
Die verbindt hen met de aarde.
In verschillende verhalen, m.n. sprookjes, komen we tegen dat er in bepaalde gevallen haast wordt gemaakt bij de doop: geen naam: dan kun je nog teruggehaald worden.
Zie bv. Rapunsel. ‘Holda verschijnt ook als Vrouw Rosé of Vrouw Gotel.’

Dat de zielen stil zitten als beeldjes, verklaart Uyldert uit het feit dat het nog etherische wezens zijn en nog niet zelfstandig zijn.
Steiner zou hier het feit gebruiken dat ze nog geen fysiek lichaam hebben, a.h.w. nog omhuld zijn door de geestelijke wereld. 
Dat lijkt Uyldert hier te noemen ‘het lopen achter Annes rokken aan, zoals zij zich verschuilen in Vrouw Luna’s (Maria’s) blauwe mantel, om naar de aarde gedragen te worden en ontvangen van Vrouw Luna hun aardse naam. Dat is niet zozeer de doopnaam, die de ouders het kind geven als veronderstelde reïncarnatie van de voorouder, wiens naam zij ontvangen, als wel ‘de naam, die volgens de getal- en letterwaarde van de horoscoop bij het kind past. Bij de dood roept Holda de ziel bij de hemelse naam terug, dan onttrekt de ziel zich immers aan de horoscoop, die slechts het aardse lot aangeeft.’

De potten of stoelen mogen evenmin als de beeldjes enige menselijke reactie vertonen. De ’winkel’ bevindt zich uiteraard ook op het punt waar geestelijke (zonne-),en ziele- (maan-) sfeer elkaar ontmoeten, op de stijgende maanknoop. Onder Vrouw Luna’s hoede begint de ziel haar incarnatie.’

Dan is het nog opvallend dat Anneke Tanneke, maar ook bij de Hoge Toren of de Gouden Ketel, het kind met list of dreigementen aan de hoede van Holda moet worden ontfutseld.

.

Ritme, waaronder ritmen in de natuuralle artikelen

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3312-3116

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schilderen – alle artikelen

.

RUDOLF STEINER OVER SCHILDEREN
.

Een kleine inhoudsopgave bij de opmerkingen die Rudolf Steiner in de pedagogische voordrachten maakte over schilderen. 

GA 294
Vroeg beginnen met schilderen; kleur verbinden met een gevoel; op wit papier, maar ook op gekleurd; verschil tekenen-schilderen; geel en blauw mooier dan geel en groen; schilderend tekenen en tekenend schilderen stimuleren de wil.

GA 300A
Potloden, krijtjes en waterverf; in kleuterklas: waterverf; innerlijk gevoel wekken voor kleuren; vormen vanuit de kleur; 

GA 300B
Kleuren onderling.

GA 300C
Papier opspannen; jonge kinderen schilderen: vanuit de ziel, later vanuit de kleur; niet in het periodeschrift; vanaf 10e jaar geen objecten; 13-14-jarigen bv. werk van Dürer om laten zetten in kleur.

GA 305
Schilderen vanuit de kleur, pas later komt het vormelement erbij. 

GA 306
Wat betekent met kleur omgaan voor de vormkrachten; de werking van kleur; kleurperspectief.

GA 307
Het gaat om het werkelijk kunstzinnige; het naast elkaar zetten van kleuren voor kleurbeleving; (geel-blauw/blauw-geel).

GA 311
Ontwikkeling beleven kleurharmonie (groen-rood/rood-groen).

Schilderenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vormtekenen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3311-3115

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schilderen – GA 300A en GA 300B

.

In de pedagogische vergaderingen ging het vaak om specifieke vragen voor bijzondere situaties.
Opmerkingen als ‘tekenen met potloden is niet goed’ moeten hier m.i. tegen die achtergrond worden bezien. En vooral niet tot een algemene uitspraak worden verheven. 

GA 300A

Vergadering van 22 december 1919 

Blz. 112

X. gibt einen Bericht über ihren Unterricht in der 1. Klasse.

X doet verslag over haar lessen in de 1e klas.

Dr. Steiner: Mit Stiften zu zeichnen, ist nicht gut. Man sollte lieber
Aquarellfarben nehmen zum Malen. Ölkreiden sind benutzbar.

Tekenen met potloden is niet goed. Je kan beter aquarelkleuren nemen. Je kan ook oliekrijtjes gebruiken. 
GA 300A/112
Op deze blog vertaald/112

Vergadering van 12 juni 1920

Blz. 133 

Iemand stelt een vraag over de kleuterklas, er volgt e.e.a., maar voor het schilderen staat er:

Beim Malen sollte man mit Wasserfarben anfangen.

Bij het schilderen moet je met aquarelkleuren beginnen.
GA 300A/133
Niet vertaald     

Vergadering van 15 november 1920

Blz. 240

X.: Ich habe gefunden, daß die Kinder bei den Wasserfarben sehr schwer zu
Formen kommen.

X: Ik heb gemerkt dat de kinderen bij de waterverfkleuren heel moeilijk tot vormen komen.

Dr. Steiner: Die Kreidestifte sollte man nicht kultivieren.
[ ] Die Hauptsache liegt jetzt schon darin, daß ein innerliches
Gefühl vom Farbaufbau in den Kindern erweckt wird, ein Erleben
der Farbenwelt, daß die Kinder ein Gefühl bekommen vom Leben
der Farbenwelt im Erleben der Märchen.

Je moet de krijtjes niet cultiveren. [ ]
Het belangrijkste is nu dat 
in de kinderen een innerlijk gevoel van de kleurenstructuur gewekt wordt, een beleven van de wereld van de kleur, dat de kinderen een gevoel krijgen van wat er in de wereld van kleur leeft in de sprookjes.

Dr. Steiner: Die Kinder kriegen schon Formen, wenn Sie die Phan­tasie wirken lassen. Sie müssen die Formen aus der Farbe heraus wachsen lassen. Sie können in der Farbenwelt mit den Kindern reden. Denken Sie nur, wie anregend es ist, wenn Sie mit den Kin­dern bis zum Verständnis dessen es brächten: Da ist dieses kokette Lila, und im Nacken sitzt ihm ein freches Rötchen. Das ganze steht auf einem demütigen Blau.
Sie müssen es gegenständlich kriegen – das wirkt seelenbildend -, so daß die Farben auch etwas tun. Das, was aus der Farbe heraus gedacht ist, das kann man auf fünfzigerlei Weise machen. Man muß das Kind zum Darinnenleben in der Farbe bringen, indem man sagt:
,,Wenn das Rot durch das Blau hindurchguckt”, und das wirklich schaffen läßt vom Kinde. Ich würde versuchen, viel Leben gerade in dies hineinzubringen. Sie müssen sie etwas aus dem Klotzigen (Klätzigen?), aus dem Lässigen herausbringen. Es muß Feuer hinein!

De kinderen krijgen al vormen als je de verbeelding laat werken. Zij moeten de vormen uit de kleur laten ontstaan. Je kunt met de kinderen praten in de wereld van kleur. Bedenk eens hoe stimulerend het zou zijn als je de kinderen zou kunnen laten begrijpen: Hier hebben we het kokette paars, met een brutaal roodje achter in zijn nek. Het geheel staat op een bescheiden blauwe kleur.
Je moet het figuratief maken – dat werkt zielsvormend – zodat de kleuren ook iets doen. Wat vanuit de kleur wordt gedacht kan op vijftig verschillende manieren. Je moet het kind zover zien te brengen dat het opgaat in de kleur door te zeggen:
“Als het rood door het blauw kijkt”, en dat echt laten ontstaan. Ik zou vooral proberen om hier veel leven in te brengen. Je moet het uit het weinig genuanceerde halen, uit het ‘laat maar gaan’. Er moet vuur in zitten!

Blz. 241

Es ist im allgemeinen notwendig, daß in derjetzigen Zeit dieses Farbengefühl, das nicht so korrumpiert ist wie das Musikalische, entwickelt wird. Es wird auf das Musikalische günstig zurückwirken, wenn das Farbenleben entwickelt wird.

Het is over het algemeen noodzakelijk dat dit gevoel voor kleur, dat niet zo beschadigd is als het muzikale, op dit moment ontwikkeld wordt. Het zal een gunstig effect hebben op het muzikale wanneer het leven van kleur wordt ontwikkeld.
GA 300A/240
Niet vertaald

GA 300B

Vergadering van 16 november 1921

Blz. 51

Es wird gesprochen über den Kunstunterricht in den oberen Klassen und über
kunstgewerbliche Entwürfe.

Er wordt gesproken over lessen over kunst en over artistieke ontwerpen.

Dr. Steiner: Wir lassen sie Farben auftragen, so daß das Kind nur in der elementaren Farbenphantasie aufträgt. Man sagt zum Beispiel dem Kinde: Du hast hier in der Mitte deines bemalten Blattes einen gel­ben Fleck. Mach ihn blau. Mach das ganze Bild so, daß alle anderen Farben auch danach geändert sind.
Ein gründliches Farbenvertie­fen kommt dann heraus, wenn das Kind eine Farbe verändern muß und alles andere danach richten muß, zum Beispiel auf einer Tasche oder irgend etwas anderem, dieses dann ausnäht und ausstickt, so daß das Betreffende gerade am rechten Fleck sitzt.

We laten ze kleuren gebruiken, zo dat het kind die alleen in de elementaire kleurverbeelding toepast. Je zegt bijvoorbeeld tegen het kind: “Je hebt hier een geel vlak in het midden van je beschilderde blad. Maak het blauw. Maak het hele schilderwerk zo dat alle andere kleuren daarna ook veranderen.
Een grondige verdieping van de kleur komt tot stand wanneer het kind één kleur moet veranderen en alle andere kleuren daarop moet afstemmen, bijvoorbeeld op een tas of iets anders, om het vervolgens te naaien en te borduren zodat het precies op de juiste plaats zit.
GA 300B/51
Niet vertaald

.

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3310-3115

.

.

.

.