VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/8)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Uit Duitsland
.
.

het kuiltje in het ei
.

Het Kindje Jezus moest vaak wel erg honger lijden en zonder vol buikje in de armen van zijn moeder kruipen. Op hun lange, moeilijke tocht lukte het vader Jozef, ondanks al zijn inspanningen, niet steeds voedsel te bemachtigen dat hij en de zijnen heel erg nodig hadden, ook al maakte hij er lange omwegen voor.

Eens had hij van mensen die medelijden met hem hadden een ei gekregen. Nu kon Maria een beetje pap koken. Eerst nam ze met een lepeltje een klein hapje uit het bovenste stukje en gaf het aan het Kind om te proeven. En het smaakte zo heerlijk lekker dat de moeder voortaan nooit naliet, eerst bovenuit het ei het lekkere hapje te halen.

Sindsdien vind je in elk ei een klein holletje. Het stukje dat weg is, is precies het stukje dat lang geleden Maria het Kindje liet proeven.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit
.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

1790-1678

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 3 (3-4)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

.
Blz. 48 – 51   vert.

Op blz. 47  – vert.  47 -zegt Steiner:

Wenden wir daher zunächst einmal unseren Blick der äußeren
Natur zu.

Laten we eerst een blik werpen op de zintuiglijke waarneembare natuur.

In de paar zinnen die volgen vat hij a.h.w. een groot deel van de 2e voordracht samen. 
Daarin ging het om de grote tegenstelling: voorstelling – wil.

Zie alle artikelen van deze 2e voordracht.

In [2-2] werd de voorstelling beschouwd als een (herinnerings)beeld van iets wat geen realiteit meer heeft/is. Wat, m.a.w. bijv. niet meer aan te raken is; de haring op de poster met de foto van ‘een nieuwe haring =ze zijn er weer=’  vertoont nu een haring die er niet meer is. En zou die er nog zijn, dan zou die er nu heel anders uitzien.

Steiner wijst nu op een m.i. zeer belangrijk verschijnsel: als we van iets ‘uit de natuur’ wat willen weten, of alles willen weten, dan kan dat -, wanneer je tot in de details wil gaan – alleen als het betreffende ‘iets uit de natuur’ dood is. Stil ligt, te ontleden valt. 

Steiner zegt het op blz. 48 – vert. 48 -nog niet zo absoluut:

Wenn wir der Natur so gegenüberstehen, daß wir ihr unsere Denkseite, unsere Vorstellungsseite zuwenden, dann fassen wir eigentlich von der Natur nur das auf, was in der Natur fortwährendes Sterben ist. Es ist dies ein außerordentlich gewichtiges Gesetz. Seien Sie sich ganz klar darüber: Wenn Sie noch so schöne Naturgesetze erfahren, die mit Hilfe des Verstandes, mit Hilfe der vorstellenden Kräfte gefunden sind, so beziehen sich diese Naturgesetze immer auf das, was in der Natur abstirbt.

Wanneer we ons met ons denken, onze voorstelling, richten op de natuur, dan worden we eigenlijk alleen dat van de natuur gewaar wat een voortdurend sterven is. Dit is een buitenge­woon belangrijke wet. Laat dit heel duidelijk zijn: wanneer u natuurwetten – hoe prachtig ook – vindt, die met behulp van het verstand, van de voorstellingskracht zijn gevonden, dan hebben die natuurwetten altijd betrekking op hetgeen in de natuur afsterft.
GA 293/48
Vertaald/48

Er staat ‘afsterft’, ik ben een stapje verder gegaan: (af)gestorven is. In de trant van ‘De anatomische les’ van Rembrandt.

Hoewel Steiner het niet noemt, is het duidelijk – tegen het licht van de 2e voordracht – dat het formuleren van natuurwetten – in hoge mate ‘definiëren’ is. Vastleggen, bepalen tot wat IS.

Hier hebben we m.i. een verband met het waarom Steiner in deze voordracht over Mayers wet spreekt. Die is erop uitgedraaid dat het accent is komen te liggen op BEHOUD, d.w.z. op wat IS.

Maar ‘het leven’ IS nooit. Leven ‘WORDT’, is een wordingsproces. Dit wordingsproces vind je niet wanneer je ontleedt – dat kan alleen als het leven eruit is, verdwenen is, dus bij de dood.

André Gide: Ik ben nooit. Ik word.

Dat is heel duidelijk in te voelen wanneer je bijv. de vier natuurrijken wil onderzoeken.
De stenen laten zich gemakkelijk analyseren. Die zijn (al dood) en bestaan uit materie; die stoffelijkheid kun je volledig beschrijven.

Doe je dat met planten, dieren en mensen, dan kom je alleen iets te weten over hun materie. En daarvoor moeten ze dan ook dood zijn.

Wat een plant nog meer is, behalve materie, kom je alleen te weten, wanneer je deze laat leven en gaat waarnemen. Iedere dag, door de seizoenen heen. En met dit laatste hebben we de tijd erbij betrokken, moeten betrekken. En met de veranderingen die zich gedurende dit tijdsverloop met/in de plant voltrekken, komen we meer over de plant te weten dan het alleen bestuderen van de stoffen waaruit hij is opgebouwd.
Hier komen wij bij Goethe uit, die als geen ander op de metamorfosen wees, die in de plant plaatsvinden.

Wat de leerstof betreft: in de plantkunde in klas 5, krijg je er ook mee te maken.
In dit voorbeeld gaat het over ‘de’ paardenbloem, die nooit op enig ogenblik ‘de’ paardenbloem is, maar die alleen ‘is’ gedurende zijn verschijnen tot aan het verdwijnen. En dit noemen we ‘worden’, ontstaan en vergaan en de weg daartussen. 

Iets dergelijks kan ook voor de andere natuurrijken: die van het dier en de mens, worden opgemerkt.

En met de blik op de pedagogie: op de ontwikkeling van kinderen: hoe verloopt deze door de tijd; welke metamorfosen vinden daar plaats. 

Op diverse plaatsen in de pedagogische voordrachten heeft Steiner het over de gevolgen van ons pedagogisch handelen op jonge(re) leeftijd voor het latere leven. 
Dat wij die zouden moeten kunnen waarnemen.

Op zo’n gedachte kun je niet komen, wanneer ‘krachten’, zoals bij de interpretatie van de wet van Mayer, worden beschouwd in de ‘behoudende’ sfeer: er is geen verandering. 

Iedereen die probeert bij het waarnemen van kinderen bijv. ‘het verloop in de tijd’ te volgen, weet dat hij dan gericht, met aandacht, volhardend, moet zijn. M.a.w. we richten ons dan met onze wil op de buitenwereld. 

Etwas ganz anderes als diese Naturgesetze, die sich auf das Tote beziehen, erfährt der lebendige Wille, der keimhaft vorhanden ist, wenn er sich auf die Natur richtet.

Iets heel anders dan deze natuurwetten die betrekking heb­ben op het dode ervaart de levende wil, die als kiem aanwezig is, wanneer hij zich op de natuur richt.
GA 293/48
Vertaald/48

Onder natuur moet m.i. hier worden verstaan: de levende natuur.

Was uns zunächst in den Sinnen, ganz im Umfange der zwölf Sinne, in Beziehung bringt zur Außenwelt, das ist nicht erkenntnismäßiger, sondern willensmäßiger Natur. 

Wat ons via de zintuigen, en wel het gehele gebied van de twaalf zintuigen,0 verbindt met de buitenwereld is niet een kenproces, maar wilsmatig van aard. Dit inzicht heeft de mens van tegenwoordig eigenlijk geheel verloren.
GA 293/48
Vertaald/48

0twaalf zintuigen: Zie Zintuigen en levensprocessen. Zie ook Albert Soesman, De twaalf zintuigen. Leraren van de mensheid, Zeist 20

Steiner gaat vervolgens in op wat ‘waarnemen’ is. Hij doet dit op vele plaatsen, in zijn boeken (o.a. GA 4   Filosofie van de vrijheid) en in de voordrachten. In het kader van deze besprekingen wordt daaraan een apart artikel besteed (3-4-1, nog niet oproepbaar) 

Eén ding is steeds heel duidelijk: waarnemen vraagt innerlijke activiteit; wakkere activiteit. Het lukt niet als we moe zijn. Het lukt niet als we ‘met onze gedachten elders’ zijn. Het lukt niet als we ‘te veel aan ons hoofd hebben’. Aandacht en volharding, doorzetten en volhouden, zijn o.a. sleutelwoorden. Ofwel: Ik-activiteit, resp. wil(skracht)

Blz. 49  vert. 49

Was für die Sinnesempfindungen am Auge und Ohr überall wichtig ist, das ist nicht so sehr das Passive; es ist das Aktive, das, was wir willentlich den Dingen entgegenbringen. 

Wat voor de zintuiglijke waarnemingen in oog en oor boven­al belangrijk is, dat is niet zozeer het passieve als wel het actieve: dat wat wij vanuit de wil richten op de dingen.
GA 293/49
Vertaald/49

Op blz. 49-50 – vert. 49-50 – vat Steiner, uitgebreider dan op blz. 49, de 2e voordracht nog eens samen, nu vooral met het oog op de natuur:

Der Mensch steht, indem er der Natur gegenübersteht, durch sein Verstandesmäßiges der Natur gegenüber und faßt dadurch alles das von ihr auf, was in ihr tot ist und eignet sich von diesem Toten Gesetze an. Was aber in der Natur aus dem Schoße des Toten sich erhebt, um zur Zukunft der Welt zu werden, das faßt der Mensch auf durch seinen ihm so unbestimmt erscheinenden Willen, der sich bis in die Sinne hinein erstreckt.
Denken Sie sich, wie lebendig Ihnen Ihr Verhältnis zur Natur wird, wenn Sie das eben Gesagte ordentlich ins Auge fassen. Sie werden sich dann sagen: Wenn ich in die Natur hin- ausgehe, so glänzt mir entgegen Licht und Farbe; indem ich das Licht und seine Farben aufnehme, vereinige ich mit mir das von der Natur, was sie in die Zukunft hinübersendet, und indem ich dann in meine Stube zurückkehre und nachdenke über die Natur, Gesetze über sie ausspinne, da beschäftige ich mich mit dem, was in der Natur fortwährend stirbt. In der Natur ist fortwährendes Sterben und Werden miteinander verbunden. Daß wir das Sterben auffassen, rührt davon ber, daß wir in uns tragen das Spiegelbild unseres vorgeburtlichen Lebens, die Verstandeswelt, die Denkwelt, wodurch wir das der Natur zugrunde liegende Tote ins Auge fassen können. Und daß wir dasjenige, was in der Zukunft von der Natur da sein wird, ins Auge fassen können, rührt davon her, daß wir nicht nur unseren Verstand, unser Denkleben der Natur entgegenstellen, sondern daß wir ihr dasjenige entgegenstellen können, was in uns selbst willensartiger Natur ist.

De relatie van de mens tot de natuur is tweeledig. Door zijn verstand staat de mens tegenover de natuur en daardoor neemt hij alles op wat dood is in de natuur en maakt hij zich de wetten van dit dode eigen. Maar wat zich in de natuur uit de schoot van het dode opricht om toekomst van de wereld te worden, dat neemt de mens in zich op via zijn wil, die hem zo onduidelijk voorkomt; en die reikt tot in de zintui­gen.

Denkt u zich eens in hoe levendig uw relatie tot de natuur wordt, wanneer u deze woorden werkelijk tot u laat doordrin­gen. U zult dan zeggen: wanneer ik de natuur inga, word ik omgeven met de glans van licht en kleur; door het licht en de kleuren in mij op te nemen, verenig ik mij met het element van de natuur dat vooruit wijst naar de toekomst. Wanneer ik dan weer naar huis ga en thuis over de natuur nadenk en natuurwet­ten uitdenk, dan houd ik mij bezig met hetgeen er in de natuur voortdurend sterft. In de natuur zijn het sterven en het worden voortdurend met elkaar verbonden. Dat wij het sterven in ons op kunnen nemen, komt doordat wij het spiegelbeeld van ons leven voor de geboorte in ons dragen, de verstandswereld, de denkwereld, waardoor we het dode dat ten grondslag ligt aan de natuur kunnen begrijpen. En dat we kunnen waarnemen wat er van de natuur in de toekomst zal bestaan, komt doordat we niet alleen ons verstand, ons denken op de natuur richten, maar ook datgene wat in onszelf wilsmatig van aard is.
GA 293/49
Vertaald/49

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 3: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

.

0twaalf zintuigen: Zie o.m. Von Seelenrätseln (1917) GA 21, hoofdstuk lV, Soesman, De twaalf zintuigen
.
Zintuigen: alle artikelen 

Over waarnemen: [21-1]   [21-2]
.
Algemene menskunde: voordracht 3 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1789-1677

.

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/7)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.

.
Apocrief
.

De bron
.

Er was nog een lange, lange weg te gaan met veel moeite en weinig vreugde, alvorens vader Jozef, Moeder en Kind gelukkig in het reddende Egypte aan zouden komen.

Het was een buitengewoon warme dag, zwoel en droog. Boven de woestijn zinderde de lucht en er was geen zuchtje wind ter verkoeling. Maar op de gestage vlucht voor de achtervolgende kindermoordenaars waagde Maria het niet om ook maar één dag ergens te blijven en ze moest ook op deze gloeiend hete dag voort en voortgaan. Haar tong kleefde aan haar gehemelte, haar adem ging zwaar en het Kind kreunde van dorst.

Toen ging de Moeder volkomen uitgeput op een steen zitten die daar eenzaam in het woestijnzand lag, droogde het zweet dat van haar afgutste en wuifde het Kind met haar sluiter wat lucht toe. Een kreun zwol uit haar borst op: ‘Water, water!’ Toen sprong het Jezuskind van haar schoot, bukte zich naar de aarde en boorde met zijn roze vingertje in het zand. En o! – daar spoot plotseling een frisse bron onder de gezegende hand van het kind omhoog en klaterde zilverachtig en vrolijk om de voeten van de Moeder. En ze dronk en vulde ook haar kalebas en aan alle kwellende dorst kwam een eind. Weer gesterkt en welgemoed trokken ze verder, de vallende avond tegemoet. En vader Jozef zong een lied, waarop je goed door kon lopen.
.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit
.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: Kerstmis              jaartafel

.

1788-1676

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin (2-4)

.

de tast

Hoe leert je kind de wereld kennen?

De tastzin zit niet alleen in de toppen van je vingers, maar in de huid van je hele lichaam. Door te leren omgaan met alle sensaties die via zijn huidje binnenkomen, leert een baby langzaam maar zeker ook zijn eigen lijfje kennen. Want dat een voorbijkomend handje bij hemzelf hoort, merkt hij pas als je het aanraakt.

En dat is nog maar het eerste beginnetje van het aftasten van waar zijn eigen lijfje ophoudt en waar de buitenwereld begint. Kindertherapeute Joyce Honing vertelt hoe je als ouder de ontwikkeling van dit unieke zintuig begeleidt.

Joris is net twee jaar geworden. Als je hem ziet, valt vooral zijn tamelijk grote, ongevormde koppie op. Aan dat hoofd bengelt een lijfje, waar hij erg onhandig mee is. Hij struikelt over zijn beentjes en als hij zijn beker melk van de tafel wil pakken, grijpt hij er naast. Kijkt hij je aan, dan zie je een verwonderde maar ook wat wantrouwige blik. Eigenlijk zou je hem het liefst een knuffel geven, maar zodra je naar voren komt, krijg je een krab over je wang. Het is alsof hij zich overbewust is van zijn koppie en het hem pijn doet als je hem daar dreigt aan te raken.

Spelletjes doen

Joris zit veel en is moeilijk in beweging te krijgen. Dat zijn beentjes onderdeel van zijn lichaam zijn waarmee hij van alles kan ondernemen en waarmee hij bijvoorbeeld ook voor zijn eigen veiligheid de grond onder zijn voeten kan aftasten, daarvan is hij zich nog niet bewust. Dat zal pas veranderen wanneer hij zijn lijfje beter heeft leren kennen. Daarvoor moet hij eerst zijn tastzin gaan ontwikkelen; het zintuig waarmee je je eigen lichamelijke grenzen gewaar wordt en dat overal in de huid aanwezig is. Bij Joris lijkt het alsof zijn hele lijfelijke gevoel voor de omgeving zich volledig heeft teruggetrokken in zijn hoofdje, dat overgevoelig is geworden voor iedere aanraking.

Joris draagt mooie, maar meestal te strakke kleren. Zelfs zijn schoenen zijn aan de kleine kant, wat hij zelf niet merkt en dus ook niet aangeeft. Het eerste wat ik de ouders vraag is om wat ruimere kleren voor hem te kopen, zodat hij zich meer uitgenodigd voelt zich te bewegen. Want we gaan met Joris veel spelletjes doen. Spelletjes waarbij vooral zijn voetjes en beentjes worden betrokken. Zo laat ik hem met zijn voetjes lekker in een bak warm en koud water zitten, in een bak met zand en met grind zodat hij al die verschillende gevoelssensaties kan opnemen en kan ervaren dat zijn voetjes bij hem horen en dat hij daarmee van alles kan aftasten.

We kijken ook naar zijn dagritme. Want ritme speelt eveneens een rol in het ontwikkelen van de tastzin. Als er sprake is van een duidelijke dagindeling, kan een kind bij wijze van spreken de vorm van de dag aftasten en zijn biologische klok daarop instellen. Joris’ ouders zijn enthousiast over het effect van deze benadering van hun zoontje. Zijn vader merkt op dat het lijkt alsof Joris veel dingen ineens beter begrijpt. Dat is niet zo verwonderlijk, want een kind dat heel wakker in zijn hoofdje is lijkt wel veel van de wereld om hem heen te begrijpen, maar pas wanneer hij tot in zijn tenen toe goed in zijn lijfje zit, kan hij ook met die wereld omgaan. Je voeten hebben vaste bodem onder zich nodig om de wereld in vertrouwen tegemoet te kunnen treden.

Knuffelen en aanraken

Je baby kon zijn eigen lijfje niet leren kennen zolang hij in de baarmoeder was. Dat proces komt pas op gang als hij door de geboorte vanuit het water de zwaartekracht wordt binnengeleid. Het is aan jou als ouder je baby de beleving van zijn lichaam te schenken en liefst zo dat je kind zich daarin welkom voelt. Het tastzintuig is daarbij je belangrijkste hulpmiddel. Alleen door voortdurend op een prettige manier te worden aangeraakt, krijgt het kind er gevoel voor dat zijn lijfje echt bij hem hoort. Een baby van een paar weken die ineens een handje voorbij ziet fladderen, weet nog niet dat dat handje aan hem vastzit. Pas wanneer jij het aanraakt, of wanneer dat handje toevallig tegen de spijlen van het bedje aankomt, wordt hij zich daarvan bewust.

Die tastzin, die over de huid van zijn hele lijfje is verspreid, wek je wanneer je je  baby verzorgt, liefkoost, knuffelt, aait, hem onder zijn voetjes kriebelt, zijn teentjes pakt en spelletjes met hem doet, zoals ‘daar komt een muisje aangekropen’. Baby’s vinden het heerlijk om zo hun lijfje te voelen. Veel zuigelingen kruipen met hun hoofdje tegen het hoofdeinde van de wieg of liggen er overdwars in zodat hoofd en voetjes de zijkant raken. Het is alsof ze door die tegendruk voortdurend willen voelen waar hun lijfje begint en waar het eindigt.

In de alledaagse verzorging van je baby krijg je – zeker wanneer je daar oog voor hebt gekregen – voldoende gelegenheid hem op een natuurlijke manier met zijn lijfje te laten kennismaken. Met behulp van allerlei liedjes en spelletjes die ertoe uitnodigen beentjes, teentjes, bolletje, vingertjes, neusje en kinnetje van je kind aan te raken, kun je hem bovendien laten voelen dat er aan dat lijfje veel plezier valt te beleven.

Leert je kind door een behoedzaam proces van tasten en voelen zijn lijfje kennen, dan zal hij zich daarin ook geborgen voelen. Dat is geen kwestie van een paar maanden, maar van jaren. Als zo rond de basisschoolleeftijd het bewustzijn voor het lichaam als een veilig huisje is ontstaan, zal je kind daarmee op eigen benen kunnen staan. Dan zal de integriteit van zijn lichaam ook niet meer zo makkelijk kunnen worden verstoord, want een kind dat goed in zijn velletje zit, kan de indrukken die hij opdoet ook verwerken.

Te open en kwetsbaar

Als je kind echter erg gevoelig en open is voor indrukken van buitenaf, zal het hem moeilijk vallen zich goed in zijn lijfje thuis te voelen. Dan is extra aandacht voor de tastzin nodig om je kind te helpen zich beter te leren beschermen tegen die prikkels die door zijn dunne huidje zo direct en krachtig bij hem binnen komen. Zoals bij Boas.

Boas is een snoezig ventje van drie. Hij heeft een teer wit huidje en grote donkerblauwe ogen. Hij hoort, ziet en ruikt alles. Wanneer een nieuw kindje bij me op consult komt, maak ik me altijd even wat kleiner door op mijn hurken te zitten terwijl ik hem begroet. Maar Boas draait meteen zijn schouder weg en wendt zich van mij af. Hij schrikt van een aanraking. Dat is voor mij het signaal dat ik dit kind heel behoedzaam moet benaderen. Ik krijg de indruk dat hij vooral van voren erg open en kwetsbaar is. Ik ga opzij van hem staan. Dat bevalt hem beter. Hij is als een klein krabbetje dat alles liefst behoedzaam zijdelings benadert.

De moeder van Boas is bezorgd omdat haar kind bang is en slecht slaapt. Zelf weet ze heel goed wat angst is en ze is zich ervan bewust dat dat niet de beste basis is om Boas daartegen te beschermen. Juist daarom geeft ze hem nog steeds de extra koestering van borstvoeding. ’s Nachts mag Boas bij zijn ouders in bed liggen en zijn moeder aait hem iedere avond, vaak wel anderhalf uur lang, in slaap. Wat zij zo in al haar zorgzaamheid doet, is hem weer een beetje opnemen in haar eigen lichaam. Maar daarmee ontneemt ze Boas de mogelijkheid de grenzen van zijn eigen lijfje te beleven en te ontdekken dat zijn lichaam een afgesloten geheel is dat alleen bij hem hoort. En dat heeft hij juist zo hard nodig. Want als je je niet durft terug te trekken in je eigen lichaam, omdat dat te open en onveilig is, durf je ook niet in slaap te vallen. Eigenlijk vraagt Boas van zijn ouders het tegenovergestelde van wat ze doen. Hij wil dat ze hem zeggen: daar is jouw bedje, daar is het goed en warm, daar kun jij met jezelf veilig alleen zijn en wij zullen je helpen om je dat te laten voelen.

Inwrijven met huidolie

In een situatie als die van Boas, maar ook wanneer je merkt dat je pasgeboren baby erg schrikachtig reageert op geluiden en bewegingen of wanneer je kleuter snel van de kaart is van verjaardagen of andere veranderingen in het gewone dagritme, kun je je kind helpen door hem iedere ochtend en avond van top tot teen in te wrijven met een verwarmende olie, zoals Calendula Babyolie* of Lavendel Huidolie*. Eigenlijk kun je in alle situaties waarin je kind extra bescherming tegen indrukken nodig heeft hem gedurende korte of wat langere tijd inwrijven.

Je doet daarmee twee heilzame dingen. Door zijn buik, zijn rug, zijn knieholten zijn teentjes, ieder plekje van zijn lijfje ( olie in te wrijven, trek je hem als het ware een precies passend extra jasje aan, waardoor hij ook na de inwrijving nog de periferie van zijn huidje voelt. Door tijd te nemen en aandacht te hebben voor het lichaam van je kind laat je hem bovendien merken: jouw lijfje is het waard door mij lekker warm te worden gemaakt als je dat zelf nog niet zo goed kunt. Want alleen als je lijfje warm is en je voetjes warm zijn kun je je daarin veilig voelen.

Een dagelijkse en vanzelfsprekende confrontatie met zijn lijfje krijgt je kind natuurlijk door knuffelen, koesteren en strelen. Maar een overmaat aan knuffelen, zoals bij Boas, leidt er niet toe dat je kind extra goed in zijn lijfje komt. Bij te veel en te intens knuffelen kun je juist weer voorbij gaan aan het gevoel dat je kind begint op te bouwen voor zijn eigen lichamelijke grenzen. Als het goed is komt je kind als hij wat groter wordt vanzelf zijn knuffeltjes halen op de momenten dat hij dat nodig heeft en springt hij, zodra dat voor hem genoeg is geweest, weer van je schoot af om verder te spelen. Natuurlijk knuffel je je kind omdat het je zo dierbaar is, maar uiteindelijk zal je eigen behoefte daaraan ondergeschikt moeten zijn aan wat je kind op dat gebied nodig heeft. Hetzelfde geldt voor kusjes geven. Als je kind weigert om tante, oma of buurvrouw een kusje te geven, dan verdient hij het daarin gerespecteerd te worden. Een goed ontwikkelde tastzin leidt er ten slotte ook toe dat je een gezond onderscheid gaat maken tussen wat wel en niet bij jou past, kortom dat je je eigen grenzen en die van anderen respecteert.

.

Joyce Honing en Petra Weeda, Weleda Puur Kind, lente 2002 nr.9

*

.

WELEDA

Zintuigen: alle artikelen

Over de baby en het kleinere kind: alle artikelen

.

1787-1675

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/6)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Uit Bohemen
.
.

De morenkleur
.

Maria en Jozef hadden de woestijn bereikt. Ze trokken met het kind verder in het beschermende donker van de nacht en hielden zich als het licht werd, schuil achter rotsen of in het struikgewas.

Daar ze overdag door deze onderbrekingen veel tijd verloren en maar een klein beetje verder kwamen, want ’s nachts kon er door de vele inspanningen maar langzaam worden gereisd, moest Jozef ook de lichte dag gebruiken. Dat bracht de vluchtelingen nieuwe angst en zorgen: in deze streken van de woestijn waar ze doorheen kwamen, woonden mensen die een donkere huidskleur hadden en die de zwarte moren werden genoemd. De moeder en het kind zouden overal aan hun vage, sneeuwblanke huidskleur herkend worden, hoewel Maria haar manteldoek dicht om het kind heenwikkelde en het oplichten van haar eigen gelaat beschermend verborg in de plooien. Ze was heel bang voor haar kind – echte een bange moeder – en ze richtte haar biddende hart tot God, dat Hij hen toch niet zou verlaten, hen voor de vervolging zou beschermen.
De hemel verhoorde het smekende gebed – en zie – toen Jozef de volgende morgen wakker werd en brandhout aansleepte om een vuurtje te maken en de bosjes inliep om Maria met een morgenkus te begroeten, schrok hij zich bijna dood, want hem lachte een gezicht tegen dat bijna zo donker was als ebbenhout en het kind was gedurende de nacht veranderd in een morenkind zo zwart als het kolenzwart van de raaf. De man leidde zijn lieve vrouw naar een bron waarin ze zich kon spiegelen en zou weten hoe ze er uitzag. Maria begreep de goedgunstige almacht die over hen was gekomen en een glimlach krulde om haar lieve lippen.
Zo gelukte het om ondanks de hardnekkige achtervolgingen het verre Egypte te bereiken, waar ze bleven tot de dood van Herodes, de kindermoordenaar.

Op een dag echter, haalde een engel Maria en het kind weer terug naar hun geboorteland. En net zo snel als hun huid zwart was gekleurd, werd die nu weer zo blank als tevoren en bloeide de rozerode appelkleur op de marsepeinwangetjes van het kind.

Maar vrome mensen vereren nog altijd in vele landen en op allerlei plaatsen de zwarte Moeder Gods.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit
.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel
.

1786-1674

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus [14-5/5]

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Apocrief.
.
.

HET EERBETOON VAN DE DIEREN
.

Bij het vertrek uit Bethlehem, zo wordt in de apocriefen verteld, werd de heilige familie in het begin vergezeld door drie jongens die zich eveneens wilden redden door te vluchten en die zich aangesloten hadden bij vader Jozef. Ook Salome, een meisje, begeleidde Maria en diende haar vol verering. Ze hadden een wagen bij zich die door twee ossen werd getrokken en daarop lagen hun spullen en een ezel waarop de moeder Gods reed en een paar lammeren. Zo waren ze in de prille morgen vertrokken.

Ze kwamen in de buurt van een grot; daar gleed Maria gratieus van haar rijdier en ging op een steen zitten die als een soort zitbank langs de weg lag en ze hield het Jezuskind op schoot. Jozef echter, ging de grot binnen om te onderzoeken of deze geschikt was om hen te herbergen. Maar uit de donkere spelonk stormden vier reusachtige draken naar voren, vreselijk om te zien. Uit hun afgrijselijke bekken siste een dampende adem met giftig-rode slierten, zodat de bloemen op het veld levenloos knakten. Ze spreidden dreigend hun enorme, scherp getande vleugels uit boven hun stekelige lijven en staken hun klauwen met de angstaanjagende nagels naar voren.
De jongens gaven een gil van schrik, zelfs Jozef wankelde geschrokken achteruit en Maria en het meisje stonden van schrik aan de grond genageld.
Het kindje Jezus echter gleed van zijn moeders schoot en stond onverhoeds op eigen benen, zonder angst, onbezorgd voor de draken. En deze lieten hun koppen zakken met een vererende deemoedigheid, hielden hun giftige adem in en vouwden de geheven vleugels tegen hun lichaam, trokken de klauwen in en gingen als tamme honden voor het kind liggen. En ze tilden hun koppen driemaal op als wilden ze hun meester erkennen.
Toen slopen ze als getemd weg. Het kind echter ging voor hen staan en gebood hun dat ze geen mens  kwaad zouden doen.
Jozef en Maria waren heel bang dat hun kind door de monsters toch nog pijn gedaan zou worden. Maar het kind troostte hen: ‘Wees niet bang voor mijn schepselen en denk niet dat ik een zwak kind ben! Ik ben de Heer en voor mij zullen alle dieren tam zijn!’

Toen braken er in het bos twijgen, takken bogen, het struikgewas week vaneen en daar kwamen van alle kanten de dieren uit het woud aan. Uit de palmbomen klauterden de apen nieuwsgierig naar beneden. Uit de dichte struiken renden leeuwen en panters en wilde katten slopen uit de bosjes. De olifanten trompetterden luid en uit de waterstroom kwamen de logge nijlpaarden en de krokodillen. En ze kwamen stilletjes aan en begroetten het kind door hun voorpoot op te tillen en in zijn handje te leggen of, zoals deemoedig de leeuw, de koning van de wildernis, door de uitgestoken handjes van het kind te likken. Er kwamen beren en wolven, de hyena en de luipaard. Ook de tamme dieren verschenen, met hun bulten, kameel en dromedaris en de lama, die wel oppaste om niet te gaan spugen, zoals zijn vervelende gewoonte is en ze gingen allemaal rondom het kind staan dat zonder angst en schroom zich tussen hen bewoog en het streelde de dieren, krabde ze achter de oren, wat ze ook nu nog zo fijn vinden. Toen week pas de schrikbarende angst bij de liefste moeder die nog nooit wilde dieren had gezien. Haar hart raakte de vrees kwijt en klopte weer rustig.

Toen Jozef eindelijk aanstalten maakte om weer verder te gaan, gingen alle dieren mee om hen uitgeleide te doen. De leeuwen liepen eendrachtig met de ezel, de panters met de ossen die de kar trokken en de wolven samen met de lammeren op hetzelfde stuk van het veld. Het kindje Jezus echter reed een stuk van de weg op de rug van een hert en hield zich vast aan het gewei. En een grote schare van alle mogelijke vogels vloog boven hen als koor dat een lofzang zingt en ze maakten liefelijke muziek en jubileerden en prezen de heer die onder hen liep.

Maar toen het avond werd nam het Jezuskind afscheid van al zijn brave begeleiders en zei hun goede nacht en vaarwel. Toen verhieven ze luid hun stemmen als een laatste groet en wensten hun een goede reis en trokken als paar of met z’n drieën of alleen het bos in en zochten hun schuilplaatsen op.

.
Zie ook: Immanuël – Jakob Streit
.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel
.

1785-1673

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis- kerstverhalen (14)

.
[14-1] Het vreemde kind
Fr.Pocci: Een verhaal uit Italië
Arm kind klopt aan de deur bij arme mensen. Het krijgt onderdak. Het blijkt het christuskind te zijn. Hij plant een dennentak. Die wordt een boom: de kerstboom. 
V.a. 5 jr.  Voorleestijd: 3 min.

[14-2] De herders
Ruth Sawyer : Over Lucifer en Michaël; Lucifer brengt onrust in de hemel; Lucifer verbannen naar de aarde: Satan; God besluit om Zijn Zoon naar de aarde te zenden; de herders uitverkoren; Michaël komt de herders te hulp; Michaël verslaat de Satan; de herders gaan naar Bethlehem en zingen een lied.
Vanaf 10 jr. Voorleestijd 20 min.

[14-3] De heilige nacht
 Christel Sprengel. Naar een Duits verhaal.
Maria vindt bij de mensen geen onderdak; bij de dieren op een boerderij wel; een broertje en een zusje zijn alleen thuis en wachten op hun moeder; die wil en kan geen Kerstmis vieren; os en ezel brengen de kinderen naar de stal; alle dieren komen; daar vieren de kinderen kerst.
V.a. 6 jr. Voorleestijd 5 min.

[14-4] De belofte van de harpspeler
Het prachtige verhaal van de harpspeler die aan zijn gezin belooft met Kerstmis thuis te zijn.
Alle leeftijden. Voorleestijd 10 min.

                                                                         0-0-0

[14-5] Legenden uit het jonge leven van Jezus

Er bestaan veel verhalen over het kindje Jezus. Ze staan te boek als: ‘Jezuslegenden, christuslegenden, christussprookjes’. Als het alleen om Maria gaat, is er sprake van ‘Marialegende’.

Ze spelen zich af tussen geboorte en de vlucht naar Egypte en gaan soms nog over de latere jaren.
Hier is een selectie gemaakt, waarbij niet de legenden zijn genomen die in ‘Immanuël’ van Jakob Streit verteld worden.

Om het zoeken naar de inhoud iets te vergemakkelijken, heb ik afkortingen gebruikt:
M=Marialegende
G=rondom geboorte
V=vlucht
D=daarna

[14-5/1] Het feestelijke werelduur
Het Kind wordt geboren, de wereld houdt de adem in. (G)

[14-5/2] De nachtegaal
De nachtegaal zingt het Kindje in slaap en mag daardoor voor altijd zijn mooie zang blijven laten klinken. (G)

[14-5/3] Het winterkoninkje
Hij helpt de grote Koning en mag zich nu ‘kleine koning’ noemen(G)

[14-5/4] Over het ezeltje dat Maria en het Kind droeg
Op de vlucht toont de ezel zijn dapperheid. Het kruis op zijn rug is zijn beloning (uitgebreidere versie dan bij Streit) (V)

[14-5/5] Het eerbetoon van de dieren
Vele dieren – wilde, tamme, grote, kleine – brengen het kind een groet.  (V)

[14-5/6] De morenkleur
Waarom er ook een donker getinte moeder Maria wordt aanbeden. (V)

[14-5/7] De bron
Een plotseling aanwezige bron brengt redding. (V)

[14-5/8] Het kuiltje in het ei
Waarom er onder de schil een klein kuiltje zit. (V)

[14-5/9] De leeuwerik
Waarom de leeuwerik altijd zo hoog vliegt(V)

[14-5/10] Het wonder in de mantel
Hoe spelt het Kindje redt. (V)

[14-5/11] De kinderen van Herodes
Jezus redt de kinderen van Herodes en hoe de salie geneeskrachtig werd(V)

[14-5/12] De olijfboom
De olijfboom redt en krijgt daarom de beste olie(V)

[14-5/13] Het duizendvoudige loon
Hoe goedgevendheid wordt beloond en gierigheid gestraft(V)

[14-5/14] De gewijde doorn
Hoe de meidoorn beloond wordt.

[14-5/15] De kerstroos
Onbekend. Niet het verhaal van Selma Lagerlof – [14-2]

[14-5/16De vogelmelk
Hoe de vogelmelk aan zijn sterrenbloempjes komt. 

[14-5/17] De lavendel (M)
Waarom de lavendel zo heerlijk geurt (G/M)

[14-5/18] De herder in het verenbed
Wat er gebeurt als het op kerstdag sneeuwt (G)

[14-5/19] De sprekende dieren
Waarom de dieren elkaar in de kerstnacht kunnen verstaan (G)

[14-5/20] Het glimwormpje
Waarom dit kevertje ‘glimwormpje’ heet. (G)

[14-5/21] De sprinkhaan
Hoe de sprinkhaan er kwam. (G)

[14-5/22] De rozen met kerst
Waarom er met Kerstmis witte en rozerode rozen zijn. (G)

[14-5/23] De herderslegende
Hoe Jozef voor het Kindje vuur haalde in de kap van zijn jas (G)

[14-5/24] De roos van Jericho
Aan het eind van de vlucht dank Maria op haar knie\én de hemel die haar zo had bijgestaan. Op die plaats begon een roos te groeien. (V)

0-0-0

[14-6] De kerstroos
Pieter HA Witvliet: Verhaal van Selma Lagerlof over: waar de kerstroos vandaan komt en hoe hij zijn naam kreeg. Ingekorte versie.
Vanaf 8 jr. Voorleestijd
20 min.

[14-7] De dieren van Bethlehem
Tibor Déry?: Aandoenlijk, humoristisch verhaal over de os en de ezel die op hun manier voor het Kind willen zorgen.                               
Vanaf  7jr. Voorleestijd: 23 min.

[14-8] Lichte sneeuwval, windstil weer
Hans Bütow? Oude schrijver gaat naar kerstdienst in de kerk. Waarom weet hij zelf eigenlijk niet. Bij thuiskomst zit er een vreemdeling in zijn huis. Waarom waarschuwt hij de politie niet?
Vanaf 12 jr. Voorleestijd 20 min.

[14-9] Waar liefde is daar is ook God
Leo Tolstoi: Schoenmaker Awdeitsch wacht op Christus. Die komt ook, maar heel anders dan Awdeitsch zich had voorgesteld.
Vanaf 7 jr. Voorleestijd 35 min

[14-10] De ongelukkige waskaars
D. Udo de Haes: Een waskaars in een la, verguisd en geminacht, helpt het licht onder de mensen te verspreiden.
Vanaf 7 jr. Voorleestijd 28 min.

[14-11] De fluit van de herdersjongen
Een herdersjongen krijgt een fluit om die als geschenk aan het Kindje Jezus te geven. Op weg naar de stal gebeurt er met de fluit van alles, waardoor deze steeds meer tonen verliest. Bij het Kind gekomen…o, wonder!
Vanaf 5 jr. Voorleestijd 9 min.

[14-12] De geluksroebel
Nikolaj Leskov
: Een jongen krijgt een geluksroebel. Je kan er alles voor kopen en je geeft hem toch niet uit. Maar er zijn wel dingen die je niet moet doen, dan raak je hem kwijt. Wat doet deze jongen en wat leert hij?
Vanaf 9 jr. Voorleestijd 25 min.

1784-1672

.

 

 

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/4)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.

Uit Wallonië.                                 *aangepast (phaw)
.
.

OVER HET EZELTJE DAT MARIA EN HET KIND DROEG
.

Koning Herodes, de wrede tiran, had zijn soldaten er met speren en zwaarden op uitgestuurd en daarmee moesten alle jongetjes, niet alleen die pas geboren waren, maar ook die nog geen twee jaar waren, worden omgebracht.
Want de boodschap dat Christus was geboren, had zich als een lopend vuurtje door het land verspreid en was ook koning Herodes ter ore gekomen. In grote paniek riep hij zijn ministers en zijn geleerde raadsheren bijeen en achter gesloten deuren sprak hij met hen. De overbrengers van de boodachap hadden hem gezegd dat men het pasgeboren kind de ‘koning van de koningen’ noemden en als ‘heer van de hemelse engelen’ begroet en dat zelfs uit de uithoeken van de aarde vorsten en wijzen waren gekomen om het koninklijke kind te eren. De koning maakte zich ernstig zorgen om zijn kroon en om zijn geluk en daarom had hij het bevel gegeven voor de verschrikkelijke kindermoord.
Over het land klonk één groot weeklagen van de moeders, zoals dat nog nooit was vernomen en tegen de bergen weerklonk de klagende echo tot in de hemel.

En de heilige drie personen moesten in allerijl de gezegende geboorteplaats verlaten. Een ver land, buiten het machtsgebied van de koning gelegen, zou het doel van hun vlucht zijn. Maar de weg daarheen was vol moeilijkheden. Hij leidde over ruige, torenhoge gebergten en over onstuimig stromende rivieren en door de eindeloze woestijn met alleen maar zand en verlatenheid, hitte en kou tegelijkertijd. Op hun zwakke voeten zouden de vluhtelingen nooit en te nimmer die lange, lange weg kunnen afleggen. Er moest hulp worden gevonden.

Jozef, de vader, ging naar het paard en vroeg met zijn vriendelijkste woorden, of hij de godsmoeder en het kind op zijn rug wilde nemen en snel met hen ervan door te gaan. Maar het paard had er geen oren naar, het deed alsof het de vraag niet hoorde en trok gezapig de halmen uit de voederbak. Toen kwam Maria haar man te huolp en smeekte, zeggend dat ze vervolgd werden en dat alleen het snelste paard hen voor de woede van Herodes zou kunnen redden. Maar het paard draaide nauwelijks zijn kop om, keek een beetje scheel naar de smekende vrouw en ging weer verder met zijn haver en vermaalde die genoeglijk tussen zijn tanden. *
Maria en Jozef keken elkaar in de bedoeffde ogen en dachten erover wat ze zouden kunnen doen. Toen liepen ze naar het ezeltje en vroegen het aan hem. Hij spitste zijn lange oren, zodat hij goed kon luisteren en hoewel hij nog niet veel van rijden wist, zei hij meteen met vreugde ‘j-jah en liet zijn karige maaltijd in de steek, hoewel hij nog helemaal niet genoeg gegeten had; je zag overal zijn ribben door zijn huid, je kon ze wel tellen. Maar hij nam Maria en het kind geduldig op zijn rug en toen ze in het duister van de nacht de stad uitreden, balkte hij van vreugde dat hij nu als een paard een rijdier mocht zijn.

Ze trokken weg: voorop liep vader Jozef, blootshoofds in zijn oude jas met capuchon en hij droeg aan zijn lange stok een zak met gereedschap. In zijn hand hield hij ook nog een oude, bijna kapotte stallantaarn om de weg te vinden en op de maat van zijn vermoeide stappen, prevelde hij een gebed. Het leidsel waar het lastdier aan liep, had hij aan de gordel van zijn mantel geiknoopt.
De moeder in haar wijde blauwe mantel, zat op de ezel, nee als een koningin op een troon zo mooi rechtop zat ze en het kind hield ze in de zachte koestering van haar armen, boog het hoofd naar hem en sprak het liefkozend toe met de liefste woordjes. Zo trokken ze weg.

Op de lange reis echter raakte de rug van de ezel door het slechte zadel gewond. Vliegen kwamen in zwermen op de bloedige wond af. Niemand wist raad of kon helpen. Maar vol geduld droeg de ezel zijn last en verdroeg de pijn en klaagde niet als het voedsel karig was of er niet was. Soms af en toe kreunde hij een beetje voor zich uit: Ach-i-jah!.
Ze kwamen bij een oase en daar stond bij een boom een muildier dat voedsel in overvloed had: een hele zak vol die over zijn halster lag. ‘Geef onze arme ezel een beetje van je overvloed’, kreeg hij als vraag. ‘Heb zelf niet genoeg!’, mompelde het muildier. ‘Ga dan in Gods naam met ons mee en draag deze vrouw en haar kind een poosje tot de wond van de ezel is genezen.’ ‘Om Gods wil, draag jullie last zelf maar. Een ezel is een ezel!’ Ja, dat was het antwoord van het muildier.

God hoorde het echter en zag hoe verlaten de Zijnen waren.  Hij nam hem zijn zegen af. Tot vandaag de dag kan het muildier geen jongen krijgen.

De heilige drie moesten, zoals ze gekomen waren, de harde reis weer aanvaarden.
Maria had het kindje de borst gegeven en een druppeltje van haar moedermelk was naar beneden gedropen, precies op de wond van de ezel die leed, maar niet klaagde. De bloedige wond sloot zich ter plekke en was heel en gezond. Toen dankte vader Jozef  God in de hemel en bad en maakte het teken van het kruis – en zie – het kruisteken viel neer op de rug van de ezel en bleef daar op zijn vel staan als een groot donker teken dat van ezel tot ezel bleef bestaan en dat beschermt tegen gevaar.
De hele tijd door is de ezel geduldig en bescheiden gebleven. Op zijn reis door de woestijn leerde hij genoegen nemen met distels en karige kost en het smaakte hem beter dan het paard de beste haver.

In zijn bescheidenheid is hem het harde leven niet te zwaar geworden en zo heeft hij het in de wereld ver gebracht en is er trots op wanneer men een dom mens ‘ezel’ noemt.
Hij weet wel beter wat een echte ezel is.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

1783-1671

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/3)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Uit Frankrijk,       aangepast (phaw)
.

OVER HET WINTERKONINKJE
.

Het winterkoninkje is een van de schepseltjes die men in het hele land ‘Gods lievelingsdieren’ noemt.
Het winterkoninkje sliep in de kerstnacht in zijn piepkleine nest. Toen hoorde hij van ver weg, zo half in een droom, een stem die vertelde dat deze nacht het Jezuskind op aarde was gekomen en in Bethlehem in de stal in een houten kribje lag.

Toen sprong  de winterkoning met één sprongetje uit de veren, strekte een paar keer zijn vleugels en ging ogenblikkelijk op reis. Snel als de wind kwam hij aangevlogen, vond de stal en het kind, ging op de rand van het kribje zitten, maakte buiginkjes en kwetterde een echt zondagsliedje als welkomsmelodie voor het liefelijke kind.

Nu zag het winterkoninkje echter hoe ellendig en armoedig het harde strobed in de kribbe was en hij zong snel zijn liedje uit, haastte zich de deur uit en was weg. Uit het bos droeg hij in zijn kleine snavel ijverig zacht mos op een hoopje en uit zijn eigen nest haalde hij de mooiste donsveertjes om voor  het pasgeboren kind een zacht bedje te maken.

Toen het kleine vogeltje onderweg was, kroop een dikke spin uit een oude balk, spon een dunne webdraad en maakte een web, vlak boven het gezichtje van het kind. De moeder schrok en veegde de draden weg, want ze was bang dat die in zijn oogjes zouden komen en hem pijn doen. Maar de spin vond dat niet erg en begon meteen opnieuw met het spinnen van haar draden en snel had ze een fijn netwerk klaar dat als een sluier over het gezicht van het kindje lag.

Dat zag het winterkoninkje dat net met een plukje donsveren aangekomen was en dat hij in het kripje wilde stoppen.

==het legende gaat zo verder dat het winterkoninkje de spin opvreet. 
Er zijn meer van dergelijke situaties in deze christus- of jezuslegenden.
Ik heb die stukjes altijd aangepast naar iets positiefs: ik wilde bij de kinderen niet de indruk wekken dat dieren om wat voor reden dan ook, veroordeeld zouden worden of slecht gevonden. (Zodat je ze rustig dood kan maken?).
In deze legende laat ik het zo aflopen:==

De spin was niet bang van het winterkoninkje en maakte haar web af dat nu als een heel teer en zijden weefsel de kou tegenhield, zodat het kind geen bevroren wangetjes zou krijgen. Maria zag het en was blij en zij dankte de beide helpers. Omdat het winterkoninkje de Koning van de wereld zo had geholpen in deze bittere winterkou, mocht hij voortaan ook de naam ‘koning’ dragen. Winterkoning. Maar omdat hij zo klein en lief is, noemen de mensen hem liefkozend ‘winterkoninkje’. De spinnen maken nog altijd de prachtigste kleedjes die van zilver lijken als ze ’s morgens met dauw bedekt door het ochtendzonnelicht worden beschenen.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

1782-1670

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van Jezus (14-5/2)

.
Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Uit Malta.
.

DE NACHTEGAAL
.

Uit de stille hut klonk het lied van Maria. Het was haar nooit teveel om het Jezuskind in slaap te wiegen. Ze zong over de engelen en over de hemel, over God de vader, over de schoonheid van de wereld en over de naderende lente. Zij vertelde hem over de liefde en over het leed. Als een zacht luiden van klokken kwam het over haar lippen en steeds zachter en stiller klonk de melodie, tot het kindje sliep.
Maar op een dag kwamen de klanken nog maar met moeite uit Maria’s keel en klonken gebroken. Ze had nachten lang gezongen, haar keel deed pijn en het lukte haar niet het kind de slaap te brengen, hoeveel moeite ze ook deed en zacht het kribje wiegde, zoals sindsdien alle moeders met een wiegje doen.

Toen klonk er plotseling uit een hoekje waar de grote dakbalken en het dak bij elkaar komen, gezang. Daarboven zat een kleine vogel. Die had heimelijk naar alle liedjes van de moeder Gods geluisterd waarmee zij het kindje in slaap wiegde. Nu fladderde het vogeltje naar beneden en ging op de schouder van Maria zitten en begon te zingen en te jubileren, zo mooi, zo fijn, dat je het eigenlijk niet kan beschrijven. En snel en rustig waren de oogjes van het kind toegevallen, alsof zijn moeder hem in slaap had gezongen.

Nu zweeg het vogeltje en legde zijn kleine snavel achter het roze oor van Maria, alsof hij haar een kus wilde geven. Toen wilde hij opvliegen. Maria streelde hem over zijn bruinige, zijden veertjes: ‘Klein vogelhartje!’ fluisterde ze, ‘vanaf nu draag je mijn stem in je en je kent al mijn liedjes en je zal ze nooit vergeten, zodat je de mensen kan vertellen van verdriet en blijdschap en van het verlangen naar vrede en geluk. Klokjes en zilveren klanken zullen in je kleine keel wonen, jubel en juichen, welluidende trillers. Vlieg en zing!

En vanaf dit uur zingt de nachtegaal met de goddelijke stem van Maria. ’s Avonds, als de tijd aangebroken is waarop men de kinderen in een zachte sluimer wiegt, zit hij in de struiken en kwinkeleert, jubelt, zingt, lacht en huilt. Dan vallen bij de kleine kinderen de oogjes dicht, bij de grotere kinderen komen de mooie gedachten en de verliefden kussen elkaar als ze de liederen van de mariavogel horen. En het water stroomt kalmer, vogels en dieren luisteren en zelfs de bomen houden hun geritsel in. En alles en iedereen wiegt het vogellied in slaap en brengt de droom. Ja, zelfs die stervende zijn gaan gemakkelijker naar hemelse huis, zo prachtig kan de nachtegaal zingen.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit, waarin deze legende in kortere vorm is opgenomen.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

1781-1669

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (13)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Pieter HA Witvliet

NIKKIE EN SANNE GAAN NAAR DE MARKT

Satomi Ichikawa laat broer en zus Nikkie en Sanne kennis maken met de wereld om hen heen. In hun kielzog hun kleine broertje Ta-taj. Nikkie en Sanne mogen voor het eerst, alleen, naar de markt om inkopen te doen. Uiteraard valt er veel te leren: hoe alles heet: bij de groentenkraam, bij de visboer, bij de fruitkoopman, bij de mandenmaker die ook speelgoed verkoopt.
De mooi verzorgde, kleurrijke tekeningen van Harriet Laurey laten niet alleen zien wat er te koop is, maar op de bladzijde ernaast, waar alles vandaan komt.

‘Sanne mag de bloemen voor mama uitkiezen. Ze moeten een goudgeel hartje hebben, vindt Sanne. En een kransje van blaadjes eromheen. Net als de bloemen die ze zelf altijd tekent. Ze kijkt en kijkt, en kiest een grote bos margrieten. En dan vraagt ze aan de bloemenvrouw: ‘Vertel nog eens van toen u klein was?’

Opnieuw van de schrijfster een boek dat je vele fijne uren! zal geven met het kind aan wie je voorleest of vertelt.

3-8 jr

Boek: Bij de uitgever uitverkocht, maar de moeite waard om er de 2e-hands markt voor af te struinen. Soms, zoals nu: 26-12-18, staat het te koop.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1780-1668

.

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/1)

.
Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Uit de apocriefen
.

Het feestelijke werelduur
.

Tegen het uur dat Jezus, het christuskind, in een grot het licht van de wereld zou aanschouwen, ging de heilige Jozef, de aardse metgezel van de goddelijke moeder, op pad om een barmhartig mens te zoeken die in deze nacht de moeder Gods met zijn hulp zou kunnen bijstaan. Jozef haastte zich over de heide en toen hij daar zo liep, viel er plotseling een onverklaarbare stilte over de wereld.
Hij bleef staan en keek omhoog naar de verre hemel en zag boven zich dat het gesternte opeens stilstond. De voortgaande sterren en planeten hielden hun gang in op hun weg die door God was voorbestemd, de vallende sterren vielen niet naar de aarde en de maan bleef zilverwit bewegingsloos hangen op zijn plaats aan het firmament. De vleugels van de vliegende vogels bleven als verlamd in één houding en zij zweefden – alsof Gods hand ze vasthield – op één plaats.

Toen Jozef vol verbazing weer voor zich keek, ontwaardde hij een groep herders die op de grond rond een etensschotel lagen om te eten. Maar hun handen bewogen niet en hielden de rand van de schotel vast: wie zijn voedsel aan het kauwen was, kauwde niet meer, wie iets wilde pakken, pakte niet meer en wie een stukje in zijn mond wilde stoppen, deed dat niet, maar allen blikten ze naar de hemel.
Er werden schapen opgedreven en ze bleven zomaar, zonder bevel, staan en de herder hief zijn stok op om ze verder te laten gaan, maar zijn arm werd stijf en de stok raakte de schapen niet aan en bij de honden stokte hun geblaf in de keel.

Aan de oever van de stroom stonden dieren om te drinken. Maar het stromende water stroomde plotseling niet meer en lag er als bevroren bij en de bekken van de bokken bogen wel naar omlaag, maar dronken niet. De ruisende wind die met de bladeren speelde, ging liggen en waaide niet meer en de fluisterende wouden werden heel stil. Grassen en halmen, gestreeld door een windzucht, bleven in een deemoedige buiging staan en de vallende blaadjes bereikten de aarde niet.

De stenen die eens klein en nietig waren, maar in de loop van de tijden groot en groter waren geworden en rotsen en bergen vormden, bijna hemelhoge bergen, groeiden niet meer en bleven voor altijd zo groot als ze op dit uur waren.

Het was alsof de hele wereld zijn adem inhield.

En opeens nam alles weer zijn loop. Want op dit ogenblik was de vreugde van God voor de mensen op aarde gekomen en alles wat leefde, vierde dit feestelijke ogenblik.
De sterren hernamen hun loop langs de eeuwige baan en het water kabbelde weer verder en je hoorde het heldere klateren bij de bron. Waar de aarde met sneeuw bedekt was, smolt die en verdween plotsklaps en het gras kwam op en blaadjes ontvouwden zich en in een oogwenk tooide de aarde zich met een groen kleed. Bloemen gingen open en toonden hun verborgen kleurige kelken en stonden daar met verbaasde gezichtjes. Een onvruchtbare appelboom die nog nooit had gebloeid, werd op dit ogenblik gewekt en ontbotte en ontvouwde haar wit-roze bloesem; nog diezelfde nacht droeg ze rijpe vruchten, net als de gezegende wijnranken van Engaddi die op dit geboorte-uur tegelijk bloeiden en rijp werden.

De vogels begonnen te zingen en te kwinkeleren alsof het lente ging worden. Vlinders werden wakker, spanden hun bont besprenkelde vleugels en de hommels en bijen zoemden en de ijverige mieren waren druk in de weer. Gejubel en gejuich verspreidde zich als het zonlicht over de aarde zo snel als gedachten gaan. In de Spaanse landen verschenen tegelijkertijd drie zonnen aan de hemel, ze naderden elkaar en werden één in een groot licht en bewezen daarmee tegelijkertijd dat het drievuldige tot eenheid wordt. 

Aan de overkant van de Tiber, zo vermeldden de documenten, ontsprong in Rome een bron die geen water, maar olie voortbracht, dat als een symbool voor de volheid van de genade de hele geboortedag lang vanaf de oever de rivier in stroomde.

In de heidense landen weken de standbeelden van de vreemde goden van hun sokkel en bogen.

Een groot meer ging wild tekeer in het Hongarenland en veroorzaakte uit vreugde een grote branding.

Zo gebeurde op dit uur overal op aarde wonder boven wonder. De nacht was in alle landen ter wereld licht als een dag vol zonneschijn. Een ongekende glans welfde over de aarde als om te laten zien dat ook de zielen die in duisternis leven deel kunnen hebben aan het licht van het heil en de vreugde en dat de echo van de jubel tot hoog in de hemel kan doordringen.

En er was niets wat levend of dood was, dat niet deelnam aan het heiligste ogenblik waarop gevierd werd dat het goddelijk kind op aarde was gekomen.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmis: alle verhalen

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Kerstmis              jaartafel

1779-1667

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie GA 308

.

In 2016 vertaalde ik voor deze blog Steiners GA 308.

Uitgeverij Pentagon heeft in overleg gebruik gemaakt van die vertaling voor de uitgave van deze GA.:

Prijs: € 25,–

Uitgeverij Pentagon

Rudolf Steiner op deze blog: alle artikelen

.

1778-1666

.

.

VRIJESCHOOL – Driekoningenspel- regie-aanwijzingen (5)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in Dornach.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. De schetsen zijn ook ‘Haags’. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET DRIEKONINGENSPEL UIT OBERUFER

Het vorige artikel eindigde met het lied van Maria: ‘Ade, ade, nu…..
DH: page brengt krukje en geschenken rechts in de coulissen en neemt zijn plaats weer in. Dan wordt het donker. 

De duivel schuift de Herodestroon het toneel op, legt er een verhoging achter voor de engel en in de troon een buidel geld. Extra: de duivel springt naar voren en komt terug met de troon die hij met tumult en veel gedoe op het voorste midden neerzet. Achter de troon een verhoging. Dan een geldbuidel, rinkelt met de munten en legt die in een hoekje van de troon. Hij buigt listig naar Herodes en gaat terug naar zijn plaats, linksachter.

Koning Herodes komt met lakei op. Extra: koning Herodes komt naar voren en gaat op de troon zitten, de lakei brengt het grote zwaard en zet het ertegen. 

GT: Duivel brengt de zetel van Herodes. Herodes treedt op met lakei en hoofdman.

Oudere tekst: duivel brengt de zetel van Herodes en wist die af met zijn staart. Herodes treedt op met lakei en hoofdman, die aan weerskanten van zijn troon blijven staan.

DH: duivel brengt troon, bankje, mandaat, zwaard en geldzakje.

Coningh Herodes spreeckt: 

Schoon ic met sorghen deet bedencken
hoe dat ic rycklic sou beschencken
de wysen uytet oostenlant
mit sluwheyt en mit rapper hant
als oock den nieuen coninck goet,
so speur ic doch in mynen moet
dattic van haorlie ben bedroghen
en sy my hebben veur geloghen.
In anghsten leef ic gruwbaorlyck
dat also dra myn coninckryck
gering wort en heyt ofgedaan.
Nu ist van node ras beraen
hoe offic deuse saeken wend
dat ic behouden mgh myn regiment,

mgh=tikfout=magh

ick sin het eene en voort het aer,
’ck wick ende weegh hoe ic dien coninck daer
mogt vatten, en gestaegh bedenck
wat ic hem bieden sal veur een geschenck.
’ck wilt soetjens an ende oock mit loosheyt doen
gelyck de vos besluyt een malsch kapoen,

besluyt=tikfout=besluypt

dan dryft hy listighlic syn spel
en doet het vanghen alte wel;
gelyck de kat de muys verslindt,
soo willic om gaon mittet kint.

Hij steunt met zijn hoofd op zijn handen en denkt na. Staat op.
GT: duivel fluistert hem iets in het oor. DH: duivel komt tevoorschijn, blaast hem iets in’t oor, zichtbaar boven hem. Duivel af.

Seer plotslyc staot my nu veurt oogh
hoe of ict kinde vatten moogh:
met myn krygsvolck willick gezwind
om brenghen so menich cleyne kint,

Oudere tekst: het toneel wordt donker, Herodes blijft sterk belicht.

in gantse Judea brengh ic voorwaer
de knegtkens om ’t leven alle te gaor;
wat deert my of int gantse lant
de moeders kryten moord ende brand,

Maria is gaan staan en loopt langzaam op de achtergrond links over het toneel, komt dan naar voren, zodat ze bij het begin van het lied iets links van Herodes aangekomen 

soo ick myn ryck slechts cost beerven
niet en geraecke int verderven.

Maria is tijdens het spreken van Herodes gaan staan, loopt langzaam achter op het toneel, komt dan naar voren, loopt langs Herodes voorbij en gaat weer zitten. Extra: de hoofdman loopt dicht naar Herodes toe. Maria begint te zingen en loopt dwars over het toneel om Herodes heen en gaat weer zitten.

Maria gaet tot Herodes en singht: (No. 11)
Oudere tekst: zij is van den achtergrond gekomen, zingt links van Herodes staande en gaat voor hem heen in een boog naar haar plaats terug.
DH: Maria staat op na ‘brand’ en loopt om Herodes heen. Frontaal. Herodes kijkt haar niet aan, =visioen=schermt wel gezicht wat af, wegdraaiend voor het volle licht dat op Maria staat. Passeert hem eerst links. Lakei en hoofdman wijken opzij, wanneer akkoord van lied klinkt.

Maghtighe coningh, gedenckt aan barmherticheyt,
dat ghyt eenmaal niet rouigh en syt
so ghy vergiet der onschuldighen bloet,
bedenkt, maghtighe coninck, wat ghy doet.

Hoofdman en lakei zijn gekomen. De lakei houdt het mandaat vast.

Herodes spreeckt:

Herodes leunt alsof hij verstard is, als zag hij een visioen- op de leuning van zijn troon, starend voor zich heen. Wanneer Maria klaar is met zingen, valt de verstarring en spanning weg en knikt hij ineen. Hoofdman en lakei die achter hem staan, hebben steeds gespannen naar hem gekeken en schrikken nu zeer, omdat ze niet weten wat ze van de gebaren van Herodes moeten denken, wanneer hij losbarst: 

Packt u gezwind van hier, dwazin!
wat laot ghe u mit mynen saeken in?
benomen wort my ’t regiment
sooc niet en spoede dit onheyl wend.
Wout ghy my dan verordineren?
een coninck en salmen niet regeren!

Variant: de hoofdman komt op. Kleine pauze. 
Met gewone stem verder.

Ghy knegten hebt vernomen wel
uws heren ghebieden ende beveel:

Herodes gaat staan.

siet hier het conincklyc mandaat
soo’ck opterstont uytveerdighen laet;
tot alle landpaelen condighet af,
elk hem er nae righte op swaerste straf.

Oudere tekst: condightet, elck

Oudere tekst: hij geeft den hoofdman een rol met een groot zegel eraan bengelend. Hoofdman rolt het stuk uit en leest. DH: als dorpsomroeper, objectief.

Hoofdman neemt mandaat over, rolt het uit, kijkt erin, gaat een paar passen opzij en leest krachtig aan het publiek voor. Tijdens het lezen begint hij te stotteren bij de gruwelijkheden en hij komt bijna niet meer uit zijn woorden.

Hooftman spreeckt mandaat:

Haor conincklycke majesteyt
deur een gestrengh mandaat bevelen heyt
dat men om brenghe alle knegtkens cleyn

Oudere tekst. DH: Jonas komt naar voren en luistert angstig, op hielen lopend.

Oudere tekst: knegtjens

so twoujaerigh en daor onder syn.

twou=tikfout=tweu=

Hier en sal niet baeten goet noch geldt,
also heytet onsen heer coninck bestelt.
Een yeder die het ghebot sal weerstreven
salt boeten mit haaf, goet ende leven.

Judas komt naar Herodes; spreekt zeer karikaturaal Joods: Extra: hij schudt het hoofd, alsof hij de inhoud niet begrijpt. Terwijl de hoofdman het mandaat voorleest, is de Jood Judas langzaam achter zijn rug naderbij geslopen en heeft hem met ontzetting op zijn gezicht aangehoord. DH: leest mee. Nu schreeuwt hij:.

Oudere tekst: Jonas. GT: Judas comt tot Herodes en spreeckt:

DH: klsgend

O, wee o, wee het felle mandaat!
des coninghs magt over ons leven gaet,
onse kinderkens moetens worren gedoot?

worrden=tikfout=worren

ach, wat salt gheven smert, pyn ende noot I

Herodes spreeckt:

Bevelend de arm uitstrekkend:

Dit woort sy aestonts mitter doot bekocht,

aestonts=tikfout=aenstonts

grypt hem, hy worde int prisoen gebrogt.

Hooftman spreeckt tot Judas:

DH: hoofdman pakt hem beet.

Ghy booswicht, wildy den coningh weerstreven,
tsal u costen haaf goet ende leven,
ist niet beter de kinderkens sturven alleene,
als dat wy algaeder verdurven mit eenen?

De hoofdman legt zijn zwaard met de punt in de nek van Judas en brengt hem zo weg. Het toneel wordt donker. Je hoort de Jood jammerlijk schreeuwen. Het toneel wordt weer licht. Extra: hij houdt zijn zwaard met de punt in de rug van Judas en stoot hem voor zich uit dwars over het toneel naar rechts, waarbij de Jood jammerlijk schreeuwt. Als hij ‘af’ is, wordt het even donker. Wanneer het weer licht wordt, zit Herodes en de lakei staat achter hem. Hoofdman en soldaat zijn vanuit de achtergrond weer op het toneel, op hun zitplaatsen.

GT: Hij legt de punt van het zwaard tegen de hals van de jammerende Judas en brengt hem weg. Oudere tekst: Hij legt de punt van het zwaard tegen den hals van den jammerenden  Jonas en voert hem van het toneel.
DH: idem, naar links achter. Hoofdman gaat zitten.

P a u s e
In boek en oudere tekst staat ‘pauze’ niet; het is niet anders dan het ogenblijk waarop het donker wordt en weer licht.

Herodes spreeckt:

Loopt lackey, bringht my opt termyn
den also getrouen hooftman myn.

De hoofdman komt met de soldaat: Extra: Lakei springt weg en haalt de hoofdman en de soldaat.

GT en oudere tekst: Lakei haalt den hooftman. DH: soldaat komt ook mee.

Herodes tot hoofdman. Extra: Herodes staat op, laat zich door de lakei een groot zwaard geven.

Herod.es spreeckt:

Siet hier, hooftman, neemter dit sweert

DH: Herodes geeft hem zwaard.

ende vier dusend manschap mit haor test gheweer
ende gaot heen overt geberregt mit spoet

Hij gaat vlakbij de hoofdman staan en spreekt hem bezwerend toe.

end’ alle knegtkens cleyn ombringhen doet!
Neemt, segghic u, geenderlei steeckpenninck an,
want op straffe des levens comtet u staen:
doodt ghy de kinderkens alle ghelyck,
meughense erm syn, jonc ofte ryck;
soldye schenck ic u tweevoud,
lonen salc u mittet rode gout.

De laatste twee zinnen moeten zeer indringend worden gesproken!

Hooftman spreeckt:

Zwaait bloederig met het zwaard:

Dat conincklycke majesteyt
te deuser uer bevolen heyt
hebbic mit vreuchden ane geheurt,
oock wel vernomen weurt veur weurt:
Ic doent u sweren by hoochste trou, volgaeren sulcx volbrenghen sou
want myn gantse sin ende moet
rigtig hier nae haeken doet.
Ic wilde ic hadse veur my staen.
‘ck en soude wis niet ledich staen
doch met dit sweert soudic gezwind
ombrenghen so menigh cleyne kint!

wild met het zwaard slaand

het hert int lyf my laghen doet

Oudere tekst: lagchen

als ic sien druypen ’t rode bloet;
dan lykentet een brulochte
daorse veul kalvers en koebeesten slogten.

kleine pauze

Wel an, mit haesten ic my bereyt
te doen dat my conincklycke majesteyt
ernstlyc gheboden heyt. Lackey, comt ras,

DH: loopt naar lakei

slaot ghy mit myn er oock op los:

Lackeye spreeckt:

Ja heer, van stond aen willic houen ende steken
so veul ic can; ‘ck laot my niet besteken.

DH= steekpenningen aannemen, boektekst: ka mensch sull mi derstecha=lijkt mij toch ‘neersteken’ te betekenen.

Hooftman spreeckt:

Ic sien een drom knegten ende trawant,
Ic meen tsy een colfjen nae haorlie hant:
wel nu, heer coninck, hebt goeden moet,
wy sellen vergieten het kinde syn bloet.

Pauze. Duister. De kompany staat op en kijkt gespannen naar de soldaten. Wanneer deze terugkomen, gaat de kompany geschrokken zitten. De soldaat en de lakei hebben een zwarte kinderpop in hun hand. Extra: ze gaan -er staat: vooraan links weg. Als aanduiding van links en rechts staat aan het begin van de aanwijzingen, dat er vanuit de positie van de acteur gesproken wordt. Dat zou hier betekenen, dat ze vanuit de toeschouwer, van wie uit ik steeds de richtingen heb benoemd, nu rechts vooraan afgaan.
Het toneel wordt donker. De hele kompany staat op, kijkt, wat voorover gebogen van hun plaats naar de ingang op de achtergrond links – zie boven – en wanneer het toneel weer verlicht wordt, ziet men ze zo staan. De soldaten stormen van links – zie boven – achter het toneel op, hebben kleine poppenrompjes bij zich, zwaaien met hun zwaarden. En bij de aanblik daarvan laat de kompany zich dodelijk geschrokken op hun plaatsen terugvallen. Hoofdman en soldaat lopen voorop, gaan rechts en links staan van de troon. Koning Herodes zit in peinzende houding.

GT: De kompany staat op en staart hen na. Oudere tekst: zij gaan stampend achter het tooneel. Herodes blijft in gepeins verzonken. De kompany staat op van de banken’allen staren naar denzelfden kant. DH: hoofdman, soldaat en lakei marcherend af. Hun stampen moet versterven. Zodra ze weg zijn, staat kompany op en staart naar links (vanuit toeschouwer). Stappen zwellen weer aan, kompany wendt hoofd af en gaat zitten.

Hooftman gaet binnen ende spreekt:

Conincklyc majesteyt, nu gheeft wel agt;
een maol hondert dusend vier en veertigh en acht
heb ic mit eyger hand omt lyf gebrogt,
wel nu, heer coninck hebt goeden moet,
wy deden vergieten het kinde syn bloet.

Herodes maakt afwerend gebaar

GT en oudere tekst: werpt een pop voor ’s Konings voeten. DH: idem

Krygsknecht somt en spreeckt:

somt-tikfout=comt

Tagentig dusend is myn getal
die ic bragt om tleven over al,
den deusen deet ic ’t losten packen  hij zwaait met de poppenromp zonder hoofd

losten=tikfout-lesten

en deet hem wip! synen kop af hacken.

Werpt Herodes de pop voor de voeten. GT en oudere tekst en DH: idem.
In DH. heeft alleen deze pop geen hoofd.

Lackeye spreeckt:

conincklyc majesteyt, merckt an dit wigt
hoe ic desselfs mandaat hebt uyt gerigt:
twee dusend heb ic er gebragt omt leven
en deusen an syns moeders borst gegrepen.

De lakei werpt ook zijn pop voor de voeten van Herodes. GT en oudere tekst DH: idem.

Coningh Herodes spreeckt:

Maakt een afwimpelend gebaar.

Hebt danck ghy knegten al drieën ghelyck,
ic wil u schencken myn halleve ryck!

Alle drie af. GT: Hoofdman, krijgsknecht en lakei af De duivel komt en brengt een zwarte duivelspop met rode tong mee. Extra: alle drie naar hun plaats. Herodes zit in zichzelf verzonken op zijn troon. De duivel springt tevoorschijn, hij heeft in zijn arm een klein, zwart duivelskind met rode tong en lange staart, gaar links van Herodes staan.

Duyvel spreeckt: GT: draagt een kleine duivel. Oudere tekst: draagt een kleine duivel met staart en rode tong. DH: idem.

Ghenadighe coninck, bin oock weerom gecomen
en heb myn kinders oock mit genomen,
die hebben haorselfs dorren vermeten
uut minen sack de braetworst te eten;
eer dat ics gonne een bete brood,
eer slanic ’t neer en ’t leyt morsdood.

slanic=slaenic

Hij legt het duivelskind op de grond, slaat er stevig met zijn vuisten op. Dan pakt hij het bij een oor, zwaait het boven Herodes en springt weer weg.

GT: werpt hem neer en gaat af. Oudere tekst: Hij schudt de zemelen eruit en laat het vallen. DH: iets dergelijks waarbij er een soort stof uit de duivelspop om het hoofd van Herodes dwarrelt. Herodes went zich af.

Hoofdman, soldaat en lakei komen terug. GT: Hoofdman, krijgsknecht en lakei komen op. Oudere tekst: Hoofdman, krijgsknecht en lakei komen op. en gaan weer bij Herodes staan.

Hooftman spreeckt:

Coninclyc majesteit, ic bid om verschoningh:
wy en vonden niet den nieu geboren coningh,

Herodes richt zich met een ruk op en staart de hoofdman aan. Zijn spanning loopt op, gedurende de tekst.

of wy oock sochten naer ende veur,
van den coninck en hebben me niet geheurt;
alevel alle knegtkens cleyn
so tweujaorigh en daor onder syn
bragtenme om nae ’s heren woorden;
ic meene ’t is volbragt geworden.

Springt op, loopt woedend heen en weer voor zijn troon.

Herodes spreeckt:

Daor ghy hem niet en hebt gedood
staet vast dat hy uytet ryck ontvlood.
Nu is myn leven schier verloren        houdt zijn hoofd in beide handen
mids dat een nieuen Got hier is geboren!

DH: op ‘selfs’ staat hij op.

selfs willic sien waorc hem can vinden,
ay, costic hem in Betlem in den stalle vinden!

Hij schudt de gebalde vuisten. Dan valt hij terug in zijn troon en zinkt ineen. Kleine pauze.

GT: oudere tekst en DH: Hoofdman en krijgsknecht af.

P a u s e:

O smart, o bittere smart
hoe is my bangh omt hart.

Hij slaat zijn kroon af. Hoofdman en soldaat hebben met met verbazing aangekeken.

Lackeye spreeckt:

Een appel end een mes bringht haestiglyc
dattic myn here laefenis reick.

De duivel brengt het. Hoofdman en soldaat af. Extra: de duivel springt naar de lakei en reikt hem een mes met op de punt een appel. Die brengt de lakei naar de koning, die het echter meteen weer laat vallen. Hoofdman en soldaat af.

De engel gaat op de verhoging achter de troon staan. De ster gaat naar beneden. In de andere hand heeft hij een vlammenkroon. Extra: intussen is de engel gaan staan, loopt tot achter de troon, gaat op de verhoging staan. Hij laat de ster dalen, zodat die links van Herodes komt.

GT: Duivel brengt een appel, die de Lakei aan Herodes geeft. Oudere tekst: duivel brengt een appel op de punt van een mes en geeft ze aan de lakei, deze aan Herodes. De engel komt tot achter den zetel op een kleine verhoging staande. DH: idem, met hellekroon in de hand. Lakei loopt weg.

Enghel singht, aghter Herodes staande (No. 12)

Herodes zit star, met visionaire blik.

Herodes, Herodes, ghy snoode tyran,
wat deden d’onnoosle kindjens u an,
dat ghy so deet verderven ?

so=tikfout=se

wagt, nu coomt ghy de doot te sterven.  DH: bij ‘wacht’ de ster naar beneden, naast Herodes. De Mariafiguur is onzichtbaar. De hellekroon ia nog ongezien.

Herodes spreeckt:

Met afnemende kracht in zijn stem.

Wat helle glans heeft my omvaen,
ach, ach, myn leven heyt gedaen,

Weer gewonere stem:

loopt, lackey, bringht my opt termyn
den also getrouen hooftman myn.

Hoofdman en soldaat komen.

Herodes spreeckt:

Siet aan hooftman, neemt dit present

Hij neemt de buidel met geld. DH: geeft hem aan de hoofdman.

wilt u vereren al veur myn end
het tydlic goet hebbic te seer geagt
dies heeft den duyvel my ten val gebragt:

DH: hoofdman werpt buidel weg

nu vaer ic henen in abrahams hof.

GT: Hij zinkt ineen, zijn kroon valt af. OT: idem; hij leunt in zijn zetel achterover. DH: lt hoofd naar rechts vallen, kroon valt af.

Enghel spreeckt:

Ghy hellegheesten wagt hem of,
en voert hem ’t uwaert, tot u nest,
die staeg u diener is gheweest
en kleedt hem als een coninck schoon
en set hem op de hellecroon.

Herodes blijft in deze houding. Zet hem de kroon op en gaat terug. Extra: de engel zet Herodes die intussen zijn gouden kroon kwijt is, een vlammenkroon op het hoofd. Herodes zinkt voor dood in zijn troon terug. De engel gaat naar zijn plaats.

GT: de engel zet hem een kroon met vlammen op.

Hooftnan, Lakeye en Krygsknecht spreecken:

Hoofdman, lakei en soldaat hebben van de engel niets gemerkt en alleen maar vol verbazing naar Herodes gekeken. Als ze hem zien instorten, zeggen ze alle drie tegelijk:

Wat baet de hoghe troon
wat schepter ende croon
schepter en regiment
tgaet alles ras ten end.

Ze gaan naar hun plaats. GT: af, Engel eveneens. OT: De engel gaat langzaam naar zijn bank. DH: idem, maar de knechten gaan eerst weg. 

De duivel komt en spreekt. Extra: de duivel heeft intussen grote zwarte vleugels omgehangen; in de pauze die nu ontstaat, hoor je hem roepen: bix-bax, ruach-raps, hi-hi. Ook hoor je vreselijk gerammel met een ketting. Dan springt hij tevoorschijn, gaat links van Herodes staan, raakt hem tweemaal aan met zijn vinger op de schouder op het woord ‘bukt u’. Herodes gaat steeds verder naar links in zijn troon, starend naar de duivel.

DH: geen vleugels en ketting. Komt op verhoging achter hem staan en raakt hem aan op:

Duyvel comt ende spreeckt:

Buckt u Joostjen, buckt u,
Doet u an suere melleck versaeden
en hebtet vet in de kan gelaten.

OT: gelaeten

Beide handen afwerend naar de duivel:

Herodes spreeckt:

O duyvel, laet my langher leven,
een juck swart ossen sallic u gheven!

Duyvel spreeckt:

Neen ic, neen u wilc alleen.  Op ‘u’ tikt de duivel Herodes met de vinger

Herodes spreeckt:

0 duyvel, laet my langher leven,   Smekender
een span swart rossen sallic u gheven!

Duyvel spreeckt:

Neen ic, neen, u wilc alleen.

Herodes spreeckt:

In vertwijfeling vooroverzinkend

0 duyvel, laet my langher leven,
myn halve coninckryck salllc u gheven!

Duyvel spreeckt:

Ei, wat sullenme stryen gins en weer,
onser syt ghe maor alte seer!
daor comen er meerdere nogh by myn in de hellepyn,
ghy en sultet alleenlich niet syn!
Wagt, efkens sien of ghe oock swaor syt.

De duivel springt rond de troon, pakt Herodes bij de kraag en sleurt hem bij de laatste woorden van de troon. Extra: hij gaat achter de troon langs naar de andere kant en pakt Herodes bij de kraag. DH: achter de troon op verhoging, bij katten en ratten tilt hij H als een marionet van de een naar de andere kant. Op ‘rits, rats’ sleurt hij hem van de troon en neemt hem mee naar linksachter.

Span ic an een paor katten    DH: ruk naar rechts

krachtige ruk – Herodes klampt zich vast aan de troon

Span ic an een paor ratten      idem, krachtiger DH: ruk naar links

Span ic an een muysenpaar: Hier is herodes bijna opgetild uit zijn troon. DH: rechts en weg.

rits, rats, mit hem ter helle vaor.

Af met de kermende Herodes, terwijl het toneel donker wordt. Extra: Bij de laatste ‘rats’ trekt hij hem met een grote zwaai naar achter, waarbij Herodes een vertwijfelende kreet uitstoot. Het toneel wordt donker. Als het weer licht wordt, komt de hoofdman naar voren, staart even naar de lege troon.

GT: en OT: af met Herodes.

Hooftnan spreeckt:

OT: ziende dat de troon leeg is. DH: heel andere stemming dan eerst.

Ach, wat heeft myn heer coninck bedreven,
dat hy de kinderkens stond nae ’t leven,
hadde ic het, lacie, eer bedacht,
ic en hadde se wis niet om gebragt,
ach cost icx nogh erlanghen,
an den hoochsten boom mogt ic wel hanghen!

Hij maakt het gebaar van opgehangen

OT: maakt een gebaar van worging

ach cost icx nogh bedencken,
in de diepste see mogt ic wel sincken!

Maakt het gebaar van verdrinken. OT: idem.

Doch wil ict op myn heer coninck wreken
en met dit sweert my selven deursteken.

De hoofdman zinkt neer op de troon. Donker, pauze. Extra: hij staat voor de troon en terwijl hij zich doorsteekt, zinkt hij in de troon. Donker, pauze. De kompany staat op, de hoofdman sluit zich aan, allen door de zaal en zingen. Grote ommegang.

GT: hy doorsteekt zich. OT: hij valt neer op den zetel van Herodes. Het wordt helder licht. De kompany staat op en gaat door de zaal. Hoofdman sluit zich aan. DH: idem

Kompany singht, ommegaende (No. 13)

DH: duivel houdt Herodes vast.

Wilt singhen end jubileren
Jesu den massiae,

massiae=tikfout=messiae

die de wereldt doet regeren,
is een soon Mariae
en leyt in het krebbeken
by ’t osjen end eselken.
Suja, suja, suja, suja, kindekyn,
ick ben u, ghy syt myn.
Jubelt springhend, jubelt singhend
hodie, hodie, hodie
is geboorn Christus sone Mariae, Mariae
en heeft van ons of genomen alle leed, alle leed, alle wee.
Helpt ons spoede tot u comen
Helpt ons spoede tot u comen
O Christe
O Christe.

De kompany staat weer in een kring achter de engel. Wanneer de engel uitgesproken is, komen allen naar voren en buigen. Extra: bij het slot van het gezang zijn allen weer op het toneel achter de engel. Deze komt naar voren in het midden.

OT: de kompany stelt zich op het toneel in een halve kring op. De engel staat vooraan in het midden.

De engel spreekt tot slot:

Aghtbaere, seer vroede, goetgonstighe heeren, 3x buigen l, m, r
oock deugtsaeme vrouen ende jockvrouen in alle ere,  idem
Wilt altegaer niet euvel duyden
dat wy ons spel vertoonden voor uluyden,
’ck bid so wy quamen veuls te cort,
’t ons niet en aengerekend wort
maer alles wat wy schuldich bleven,
onse onkunde mach syn toegeschreven:
Hiermet elckeen het allerbest betracht,
so wenschenme van Got almachtig een goede nagt.

Nu lopen allen in een rechte lijn naar voren, naar het voetlicht, staan op een rij en buigen naar het publiek. De engel is naar rechts gegaan en leidt ze dan achter op het toneel af.

DH: ‘een goede nacht’ wordt door de spelers herhaald, tijdens het buigen. Men ging door de zaal en de hoofddeur naar de gang.

.

vorige delen:

Deel 1 – GT blz. 1 t/m 4: Kaspar: ‘En hope voor het kind..”

Deel 2 – GT blz. 4 beginnend met lied nr. 1 en ommegang t/m ‘daor bleve de starre stil staen, blz. 6

Deel 3 – GT blz. 6 beginnend met ‘Ter tyt Herodis regiment’ t/m ‘met onsen vreuchdensanck’ blz. 13

Deel 4 –  GT blz. 13 beginnend met ‘Verlaet o heer’ t/m blz. 17 Maria: ‘van hier en tot het veer Egyptenlant’

.

Kerstspelenalle artikelen

.

1777-1666

.

VRIJESCHOOL – Driekoningenspel- regie-aanwijzingen (4)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in Dornach.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. De schetsen zijn ook ‘Haags’. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET DRIEKONINGENSPEL UIT OBERUFER

Het vorige artikel eindigde met de ommegang (nr.5) van de hele kompany door de zaal. De spelers zijn weer op hun toneelplaats aangekomen. De duivel geeft het teken tot zitten. 

Boek: De duivel schuift de Herodestroon weg en gaat naar zijn plaats. De page zet een bankje voor Maria neer,  iets links van het midden, Jozef en Maria gaan naar hun toneelplaats. Nu gaan de engel en de koningen staan. De engel loopt over het toneel en staat weer links vooraan. Dan gaan de koningen lopen. Extra: Na deze ommegang is de kompany weer op het toneel gekomen bij hun plaatsen, De duivel springt naar voren en draagt de troon van Herodes weg. Nu gaat de page staan, neemt een klein bankje en zet dat op de rechterhelft van het toneel, dan gaat hij weer zitten. Maria gaat staan, gaat naar het bankje en gaat zitten. Jozef staat, leunend op zijn stok, achter haar. De engel gaat langzaam naar voren, blijft iets over het midden van het toneel staan, alsof ze verder wil gaan. De drie koningen gaan staan en stellen zich links op het toneel op.

GT: Duivel verwijdert den zetel van Herodes. Pagie brengt een krukje voor Maria. Engel, Maria, Josef en de drie Koningen op.

Boek en GT: Kaspar spreekt; DH: alle 3 koningen

C. Kaspar spreeckt:

Verlaet o heer
ons nemmermeer !
verlight onse oghen inder noot
dat wy niet en eynden in de doot,
geley ons, heer op regte baen
dat wy alhier niet en dwaligh gaen
en leert ons de gheboden dyn.            kleine pauze

Oudere tekst: de engel heeft zijn plaats, links vooraan, weer ingenomen.

C. Melchior spreeckt:                     om zich heen kijkend

Welc deuser twee paden macht regte syn ?

De engel is tijdens deze woorden van Melchior naar Maria en Jozef gegaan  Extra: de engel loopt verder en gaat achter Jozef en Maria staan.

C. Balthasar spreeckt:

Siet, hier de star doet stille staen,
laet ons inden stal tottet kinde gaen,

Buigingen

Got moet u groeten, lief maegdelyn,
is hier dien wy soecken, het kindekyn?

Maria singht (No. 6)

Hier leyt dien ghy soeckt, goe heren myn,
in doecken gewonnen het kindekyn.

De koningen gaan weer naar voren, rechts. Extra: de koningen buigen, richten zich weer op elkaar, gaan iets meer zijwaarts staan.

C. Melchior spreeckt:

Nu welaen!
opgedaan ons geschenck ende offer
wieroock, mirre endet rode gout.

De page komt en pakt de staven aan; daarna brengt hij de koningen hun geschenken. Dan blijft hij opzij, rechts, staan en houdt de staven vast. Extra: de page komt, buigt diep voor de koningen, eerst voor de rode koning (Melchior), pakt van hen plechtig de staven over, gaat terzijde staan, dan geeft hij hen de geschenken, Melchior het eerst, dan de twee anderen, voor ieder maakt hij een buiging en treedt terug. Hij neemt de staven en blijft terzijde staan. De koningen staan met hun geschenken in hun handen.

GT: Pagie op. Hij neemt van elken koning den staf en reikt hem een offerschaal.
Oudere tekst: pagie neemt de staf van de drie koningen, reikt hun elk een tinnen schaal, (die vanaf het begin van het spel vóór op het toneel hebben gestaan) en blijft in de nabijheid, terzijde.

DH: Page komt. Buigt met gekruiste armen voor Melchior. Melchior reikt hem zijn staf aan. Page pakt deze aan en brengt hem weg, tussen de coulissen. Komt terug met het goud. Neigt licht en overhandigt. Koning Melchior neigt, page buigt. Dit zo bij de andere twee ook

C. Melchior singht: (nr.6)  DH: alle drie

Psallite unigenito
Christo, dei fillio
psallite redemptori,
domino puerulo,
jacenti in praesepio.

De coninghen singhen:

Wie onser sal den eersten syn ?

C. Kaspar spreeckt:

Als oudsten sy aan U die ere;
treet toe wy volleghen u gheren.

C. Balthasar spreeckt:

U coomt sy toe, gae ghy te veuren.

C. Melchior spreeckt:

An ere en is my niet geleghen;
ic gae mit Got, niet langh gewagt
en ’t kinde nieue jaer gebragt.

Boek: Koning Melchior knielt voor Maria, offert. Extra: zij richten zicht tot Maria en Jozef. Koning Melchior komt iets naar voren, knielt.

GT: C. Melchior knielt, doet offeren:

Gegroet syt ghy o heiligh kint,
geloeft sy Got dattic u vindt,

geloeft=tikfout=gelooft

van verre reyse comen wy
u ane treffen te regter ty,

Ic wil u offeren ’t rode gout,  zet het geschenk vóór Maria neer; DH: idem

ic bid my in genae behout.         buiging
Brenght troulyck groot het kinde teer
en hebt het oudren hooch in eer.
Voorwaer, gh’en sultet niet beclaghen
en neemt voor lief myn luttel gave.

Buigt nogmaals diep, gaat staan, doet een stap terug.
Oudere tekst en DH: blijft geknield zitten

C. Kaspar’s offeringhe:   knielt 

O edel coningh, o edel heldt,
hoe is u woningh so arrem bestelt,
wie mogt u soecken in den stal,
is dit u conincklycke sael ?

Oudere tekst: coninclycke

een star heeft my tot u geleyt
dien lof on ere moet eyn geseyt.
Veel edel coningh t’aller stond
sallic u prysen mit mijnen mond
en roemen wyt ende breit u name;

oudere tekst: naem

so wilt veel edel heldt ontvaen
de vrugt myns lands, de mirre goet

oudere tekst: lants

Hij zet zijn geschenk voor Maria neer, kruist zijn armen over de borst. DH: zet geschenk neer

nu bidde ic dat ghy my behoet
bewaert int regte Betlem my,
in uwen naeme ic henen ty.

Staat op, een beetje achteruit. 

Oudere tekst: blijft knielend. DH: ook

Coningh Balthasar’s offeringhe:  knielt. DH: idem

O coningh teer aensiet oock my,
daor en is geen hoghe heldt als ghy,
u begere ic uyt ’s herten gront,
een star ginck veur tottic u vont;
neemt aan het offer, de wieroock goet,
daormot men coninghen eren moet,

Zet zijn geschenk neer. DH: idem.

heer, wen ic dickmaels coma na deusen
wilt myns oock immer ghenadich wesen.

Buigt en staat op. DH: staan alle drie op.

Joscf spreeckt:

Myn goede heren, vergelde Got
dat ghy tot ons quaamt in onse noot
en mit u giften hebt bedaght,
Got hebbe u in syne wagt,
ons kindeken van gaven ryc
sallet u lonen mildelyck.

Maria staat op. DH: blijfrt zitten.

Maria singht: (No . 7)

Goe heren, van herten danck geseyt
van gaven end offerveerdicheyt,
spoet ende jonst mocgh’t u verlenen
op uwen verd’ren wegh van henen.

Zij strekt de handen zegenend naar de koningen uit. Dan gaat ze weer zitten.

C. Kaspar spreeckt:

Nu welaan, goe Josef myn
bevolen sy u het kindekyn,
geen vlyt noch sorghen niet en schoont,
van Got de heer worde u gheloont.

C. Balthasar spreeckt : Heft zegenend zijn handen. GT: zegenend, oudere tekst en DH: met de armen zegenend vooruitgestrekt, iets naar voren lopend.

DH: naar kind kijkend

Nu bewaere u den almaghtigen Got
van kommer, anghst end aller noot,
u eeuwighen vader doe u bewaeren

Hij wendt zich tot de andere koningen

mit Got so moetenme henen vaeren.

DH: achteruit lopend, 3 x buigen.

De koningen gaan weer naar voren. De page brengt de staven. Dan neemt hij de geschenken en zet ze onder de bank van Maria en Jozef. Extra: de koningen buigen en lopen zijwaarts naar voren weg. De page komt en reikt aan ieder met een diepe buiging de staf aan. Hij neemt de geschenken en zet ze onder de zitbank van Jozef. Dan gaat hij op zijn eigen plaats zitten. 

GT: Pagie brengt de offerschalen weg en geen elke koning zijn staf weer.

geen=tikfout=geeft

Oudere tekst: Zij gaan ter zijde. Pagie geeft elke koning zijn staf terug en brengt de offerschalen een voor een naar de vroegere plaats.

DH: staven terug: idem. De geschenken blijven staan!

C. Melchior spreeckt:

Nu willenme weerom tot Herodes reysen
ende plaats van het kinde ane wysen,

oudere tekst: âne

doch willenme hier wylen over nagt
want alree heyt den avent het duyster gebragt.

De drie koningen knielen en zingen in hun slaap. Extra: het toneel is vanaf ‘âne wysen’ langzaam donker geworden. De koningen knielen en steunen voorzichtig op hun staf en slapen met gebogen hoofd tegen de staf geleund. Er klinkt muziek. Tijdens deze muziek loopt de engel langzaam een rondje over het toneel, zodat hij aan het slot van de muziek zijwaarts van de koningen is aangekomen. Op de aangeduide plaats in de muziek hebben de koningen zacht gezongen.

GT: De koningen knielen, leunend op hun staf.

Oudere tekst: De koningen knielen rechts op het toneel, leunend op hun staf. Het is donker, alleen de engel verlicht.

DH: wanneer de muziek gaat spelen, komt de engel van links voor naar de koningen. Jozef gaat in een slaaphouding zitten.

De drie coninghen singhen inslaepende (No. 8)

Ic laghe in eene nagt en sliep.

De engel staat achter de koningen en spreekt:

GT: De Enghel treet voor de coninghen ende spreeckt:
Oudere tekst: idem + van links, en profiel, buigt zich over de slapenden.

DH: staat achter de koningen

Ghy heylghe coninghen van orient,

DH: koningen heffen hoofd iets omhoog, ogen neergeslagen, alsof je het hoort, maar niet wakker.

Got den almaghtighen my tot u sent,
dat u door myn wiert openbaer
dat ghy vermyden mooght alsulck gevaer,
dat ghy niet en wederkeert de baen
tot coningh Herodes den tyran.
Want Herodes toornt heimelick sonder maeten,
Got leyde u huyswaert op anderen straeten.

De engel gaat langzaam voor de koningen voorbij en blijft rechts staan. De koningen ontwaken en spreken. Extra: de koningen beginnen langzaam wakker te worden, wrijven zich de slaap uit de ogen, staan op. Het toneel is inmiddels weer verlicht.

GT:De coninghen ontwaeken.
Oudere tekst: De engel gaat achter de koningen naar zijn plaats linksachter op het toneel. De koningen ontwaken en staan op.

C. Melchior spreeckt:

Een sonderlicken droom ic horen waende,
als of een inghel my vermaende
dat wy souden myden Herodes huys

oudere tekst: Herodis, het is een 2e naamval, zoals we al tegenkwamen bij: ‘ter tyt Herodis regiment’

en deur andere weghen volbrenghen de reys;
want Herodes draegt in synen moet
hoe hy soude vergieten het kinde syn bloet.

C. Balthasar spreeckt:

Desgelyek heb oock ic vernomen
van den inghel, in onse slaepstee gecomen,
dat Herodes gerigt heeft synen sin ende moet
op dat hy vergiete het kinde syn bloet.

Hij schudt in de richting van Herodes zijn vuist. DH: stap naar voren.

Herodes, is sulcx u beus begeren
so wagten wy ons tot u weder keeren.

De koningen gaan achter elkaar staan, de engel leidt ze, zij zingen:

De coninghen singhen heengaande (No. 9)
Oudere tekst: vóór Maria langs.

Balthasar, coninck, daelt van den berrigh neder
daer hy dat kindeken vinden dede,
ja also vinden dede, ja dede, ja dede.

De koningen gaan naar hun plaats. De engel gaat naar Maria en Jozef. Jozef  steunt slapend op zijn stok. DH: Engel achter Jozef. Jozef blijft geknield.

De enghel treet op ende spreeckt tot Josef :

Josef, Josef, gotvruchtig man
merckt wattic u wil segghen aen
van Gode die my tuwaert sont:
Maria neemt tot u terstont
metgaoder ’t kinde hooch van naem,

oudere tekst: mitgaoder

vliedt naet Egyptelant te saem
en weest aldaor tot op de tyt
dat ic ’t sal hebben aen geseyt.

Pauze. De engel gaat terug naar zijn plaats. Oudere tekst: idem
DH: ik heb nog een aantekening dat de engel blijft staan als Jozef spreekt en als Maria gaat zingen en zij en Jozef naar hun plaats lopen, dat de engel dan meeloopt en doorloopt naar zijn plaats op de bank naast Melchior.

Josef spreeckt:   zeer in twijfel

O waor sullemne henen inder nagt

sullemne=tikfout=sullenme

wie hadde oyt sulck ellend gedagt,
wy en kennen nae dit ofgelegnen

ofgelegnen=tikfout=ofgeleghen

Egyptenland geen straet noch weghen,
daor ons belaghen boven dien
gedierte wildt ende roverslien
’t Is vol perycklen, oock maghtigh veer.

Maria singht (No. 10)

Ons sal geleyden Got den heer
voert de synen veylighe straeten,
salse nimmermeer verlaeten,
sal syn enghel mit ons senden,
ons regeren sonder ende.      Jozef knikt instemmend
Hier om staet op, syt wel gemeyt
en maektet eselken bereyt.

Jozef staat op en spreekt. Extra: Jozef kijkt om zich heen.

Josef staet op ende spreeckt:

O heemstee goet, dat Got u hoet
nu het eenmaal so wesen moet;
in Godes wil sallic my gheven
om nae syn eerst ghebot te leven.

oudere tekst heeft naer

Maria singht:

Ade, ade, nu leyt ons Godes hant
van hier en tot het veer Egyptenlant.

Maria en Jozef nemen hun gewone zitplaats weer in. De page brengt het krukje weg. Extra: ze gaan langzaam af naar hun plaats. De page brengt het krukje terug naar de coulissen. Er is een kleine pauze

GT: Josef en Maria af. Pagie haalt het krukje weg. Duivel brengt de zetel van Herodes. Herodes treedt op met lakei en hoofdman.
Oudere tekst: Jozef en Maria gaan, het ezeltje drijvend, naar hun bank. Page haalt het krukje weg. DH: page brengt de geschenken (die steeds nog vóór Maria stonden) een voor een weg, Dan het krukje.

vervolg deel 5 – GT blz. 17: Herodes: ‘Schoon ic met sorghen’ t/m einde, blz. 25

Vervolg Deel 5 – GT blz. 17 beginnend met het opruimen van krukje en geschenken door page, het plaatsen van de troon van Herodes door duivel t/m einde.

vorige delen:

Deel 1 – GT blz. 1 t/m 4: Kaspar: ‘En hope voor het kind..”

Deel 2 – GT blz. 4 beginnend met lied nr. 1 en ommegang t/m ‘daor bleve de starre stil staen, blz. 6

Deel 3 – GT blz. 6 beginnend met ‘Ter tyt Herodis regiment’ t/m ‘met onsen vreuchdensanck’ blz. 13

.

Kerstspelenalle artikelen

.

1776-1665

.