Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-2/2)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES 

Vrouw Holle 

Hier in Nederland kennen wij onder de sprookjes van de ge­broeders Grimm bijna allemaal het verhaal van Vrouw Holle. De oude vrouw, die goedheid en deugd beloont met goud, en onwil en luiheid met zwarte pek bestraft.

In het sprookje wordt zij zeer summier aangeduid – zij had zulke grote tanden dat het meisje er bang van werd. Zij is oud en lelijk, maar als het meisje haar vriendelijke stem hoort, is haar angst verdwenen en inderdaad blijkt Vrouw Holle een zeer goed en rechtvaardig wezen te zijn.
Dit sprookje komt uit Hessen, de streek in midden-Duitsland, ongeveer tussen Frankfurt en Kassel en nu blijkt, dat juist in die streek er veel meer dan dit ene sprookje over Vrouw Holle verteld werd en misschien nog verteld wordt.

In al die sprookjes en sagen,  die door Karl Paetow verza­meld zijn en uitgegeven bij de Bärenreiter Verlag in Kassel, komt Vrouw Holles wezen en gestalte duidelijk naar voren. Langzamerhand gaan wij haar voor ons zien,  een hoge lichte vrouw, die telkens weer op een nieuwe wijze (soms inderdaad ook oud en lelijk) aan de mensen verschijnt, hun deugd belo­nend, hun ondeugd bestraffend. Ook is zij Moeder Aarde,  de heerseres over dieren, dwergen en nimfen. Waar haar voet de aarde raakt, wordt de akker gezegend met vruchtbaarheid, waar zij uitrust zullen de mooiste bloemen bloeien. Zij hoedt in haar onderaardse rijk de ongeboren zielen en tot haar komen de gestorvenen.
Ook haar naam is wisselend:  Frau Holle of Holda,  Frau Berchta, Frau Frigg.

De tijd waarin zij vooral het mensenland bezoekt is de tijd van de twaalf heilige nachten; dit zijn de nachten te be­ginnen met de kerstnacht tot aan Driekoningen op 6 januari. Driekoningenavond heette zelfs toendertijd in Hessen Berchtesabend.

In deze stille tijd wanneer het oude jaar door deze heilige nachten heen zich vernieuwt tot het volgende jaar, heeft de natuur zich helemaal teruggetrokken, zich verinnerlijkt en ontvangt nieuwe kiemkracht voor de komende lente.
De grote moeder komt en zegent land, boom en dier en de mensen, die van goede wille zijn.

Hier volgt een kleine sage uit het boek van Paetow: ‘Vrouw Holle en de Vlierboom’. In het Duits heet de vlier Holunder Strauch of Hollerbusch, in het Nederlandse woord gaat de overeenkomst van Frau Holle met Holler of Holunder helaas verloren.

 Vrouw Holle en de Vlier

Lang, lang geleden toen Vrouw Holle zich, zoals ieder jaar, op weg begaf om het land van de mensen te bezoeken, gebeur­de het dat zij over een uitgestrekte met sneeuw bedekte heide kwam.

Het was Kerstmis overal,  de tijd van de twaalf heilige nach­ten en  zij luisterde naar het gezoem van de bijen in de holle boom, naar de rustige ademhaling van de dieren,  die hun winterslaap deden. Zij beluisterde de zachte fluisteringen der stenen en het stromen van de sappen in boom en struik. Al het verlangen van de bloemen, die nog in de donkere aar­de sliepen, naar het komende voorjaar, klonk in haar oor. Op die heide stond ook een kale eenzame struik; zijn twijgen kraakten meelijwekkend in de ijzige wind.
Vrouw Holle gaf gehoor aan zijn treurige bede en zij vroeg de struik: “Waarom weeklaag jij zo?”
“O,  grote moeder”, klonk het, “al uw kinderen hebt ge een zin voor hun bestaan meegegeven. De mensen voeden zich met de noten van de hazelaar, zij gebruiken de taaie wilgentenen en zelfs de ruige brem binden zij  ’s winters tot hun bezem. Het vlas hebt ge zijn sterke vezel gegeven en het kleedje van iedere bloem is een lust voor het oog van elke mens. Alleen mij hebt ge glans noch zin meegegeven en zelfs de armste mensen kunnen mijn dorre hout in hun kachel niet sto­ken.”

Deze klacht beroerde het hart van vrouw Holle en zij ant­woordde glimlachend: “Nu dan, omdat jij de mensen zo goed ge­zind bent, wil ik jou zelf je naam geven,  vlierboom (Hollerbusch)  zul je van nu af aan in de mensenmond heten. Daartoe verleen ik je edele eigenschappen, die jou waardevol maken boven alle andere struiken.”

En zij schonk zijn bast genezende kracht, zij sierde hem met sneeuwwitte bloesem en vulde zijn ontelbare bessen met gezondmakend donkerrood sap.

In moeilijke tijden als de mensen bezocht werden door ziekte en nood ontdekten zij spoedig de genezende kracht van de vlierstruik. De struik,  die eens tot niets diende werd ge­plant in tuin en op erf en zijn witte bloesemtrossen sierden in het voorjaar de dorpen en boerderijen.  In de herfst ver­zamelde men zijn bessen en de gebrekkigen werden verlicht door het gezonde sap.

Dit was Vrouw Holles eerste kerstgeschenk aan alle mensen en spoedig ging het gezegde van mond tot mond:

 “Holunder tut Wunder”

Y. Pronk-Sluyter, vrijeschool Den Haag, nadere gegevens ontbreken
.

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

1260-1176

.

.

VRIJESCHOOL – Schimmenspel

.

SCHIMMENSPEL

Wat voor een stemming roept het in ons op als we met een nevelige herfstdag naar buiten lopen en toeschouwer zijn van de vormen en kleuren om ons heen.

De nevel verstilt de bomen, de huizen, een koe op het.weiland; het is of een onzichtbare sluier iets gevangen houdt van de ware vorm, de ware kleur. Meestal krijgen wij, mensen, ook iets verstilds, gedrukts, tastends, omdat we ons niet uiteen kunnen zetten met de omgeving.

De lijsterbes, de appelboom in de tuin krijgen iets onwezenlijks, het huis aan de overkant vervaagt, was de schoorsteen lang of kort? Alles doet een appèl aan je herinnering – hoe was het ook weer –

Dan komt het moment dat de zon het wint van de grijsheid, er gaat zich iets oplossen, de kracht van het licht breekt door en soms verrassend snel is alles er weer: de rode bessen aan de lijsterbes, de gele appels in de appelboom, de schoorsteen van het huis aan de overkant.

Hoe kunnen we voor onszelf in de duisternis het licht gaan beleven: door de innigheid op te roepen, kleur aan te brengen aan onze belevingswereld, wat alleen kan als het licht eraan meewerkt. Dat is het boeiende, inspirerende van bijv. transparanten maken met zijdevloei, juist in dit jaargetij.

Een vorm die voor het hele gezin en ook voor allen die pedagogisch of kunstzinnig werken in welke zin dan ook, een avontuur kan zijn, is het aloude schimmenspel. Daarin zijn geweldig veel mogelijkheden. Het doek is altijd het uitgangspunt. De zijde waar het spel zich afspeëlt is goed belicht; de toeschouwer zit aan de andere kant in het donker. Als men zoiets gaat ondernemen moet men weten dat de spelers altijd schimmen zullen blijven; het kost het uiterste aan uitbeeldingsvermogen.

Een andere mogelijkheid is op het doek een decor aan te brengen van dun karton, daar bewegen zich uitgeknipte figuurtjes heen en weer langs het doek.

Jaren geleden in de Michaelstijd hebben we met een groep ouders en een kleuterleidster een prachtige Michaelslegende gevonden en getracht dit in een schimmenspel te verwerken.

Het werd een reis langs alle soorten materiaal, en van het schuchtere op weg gaan werd het jaar na jaar anders terwijl het motief hetzelfde bleef. Onze indruk was dat zwart-wit voor de kinderen niet aanvaardbaar is. Tussen het licht en het duister ligt een gebied van de kleur en dat neemt het kind in zich op, daarin beleeft het alle zielestemmingen van het verhaal. We vonden dat het decor levendigheid kreeg door het gebruik van zijdevloei en schapenwol.

Werkwijze:
Het contour wordt geknipt uit niet te dik karton; er blijven grote ruimten over waar we het materiaal gaan inwerken, maar eerst moeten we houvast hebben.

schimmenspel-1

witte lijnen: de uitgeknipte contouren met gekleurde schapenwol

schimmenspel-2

kartonnen groepje kan berg op en af

Structuur:
U werkt aan één motief waar het hele verhaal zich af kan spelen, vooral niet teveel hooi op de vork nemen, want alles wat open is vereist een werkstuk. U kunt dan beter later nog voorzichtig wat wegknippen.

Dan nemen we een oud stuk laken (wel gaaf), leggen het goed plat; de contour wordt er opgelegd; kijkt u goed naar de verhoudingen – onder kunt u een flinke baan karton overhouden, dat valt straks weg als we met gordijnen gaan opbouwen.

We lijmen wet transparante ljjmstift prit of pelistift de contour op het laken, zijkanten en onderkant kunnen zelfs even vastgeniet. Maar het moet niet zichtbaar zijn.

U weet dat wat u rechts uitwerkt – links gezien wordt en andersom!

Nu zoekt u in een of andere kamer of op zolder een werkterrein; het geheel wordt opgehangen, zó hoog, dat u er zelf makkelijk bij kunt en misschien zelfs zó, dat de kinderen eraan mee kunnen gaan helpen. Achter is een bureaulamp opgesteld die uw werkterrein verlicht, voor het doek moet genoeg ruimte overblijven om toeschouwer te kunnen zijn.

Nu gaan we aan het werk en steeds wordt het een kiekeboespel: ‘Achter maak ik iets wat ik voor kan bekijken’, denkt u eraan dat u niet in de lamp kijkt, dat is storend voor het beeld. Het moet alleen licht zijn.

We nemen alle kleuren zijdevloei die er in de handel zijn en gekleurde schapenwol en gaan nu als het ware schilderen, boetseren met dit materiaal.

Met zijdevloei kunt u grillige vormen scheuren, knippen als iets een speciale vorm moet hebben en voorzichtig frommelen, dan krijgt u onverwacht schaduwen en verdiepingen, die u goed kunt gebruiken bij rotspartijen, gebergten, stammen en takken en bladerdak van geboomte, struikgewas. Nooit te precies, iets aan het toeval overlaten en aan de fantasie.

De vaste contourlijnen van het karton gebruikt u om het zjjdevloei vast te plakken, ook weer met stift. Er ontstaat een ondergrond waar we met al de voorgenoemde technieken kunnen verdergaan. Lijmt u nooit grote delen op elkaar, maar hier en daar iets, zodat het net vast zit, dan blijven nog genoeg openingen om een ander kleurtje tussen te schuiven en zelfs bepaalde lijnen die er niet moeten zijn met gekleurde schapenwol weg te werken; gaat u mee met het landschap, gebergte of glooiing, u zult zien, al doende krijgt u het te pakken.

De figuurtjes worden niet te star in de vorm uitgeknipt, zodat het vrolijke, het statige, het sombere, als houding naar voren komt, bedreven mensen kunnen zich wagen aan bijv. beweegbare armpjes. De figuurtjes krijgen een stevig kartonnen voetstuk. In een doe-het-zelfzaak zijn dunnen houten roetjes te krijgen die we van boven iets splijten en met wat bisonkit of iets dergeljjks wordt het kartonnen voetstukje in het spleetje vastgelijmd. Er is nu een goed speelstokje aan het figuur. De haren kunnen weer van schapenwol zijn.

De belichting:
Zijn nieuwsgierige, inventieve vaders en grote zoons al eens komen kijken, dan moeten ze een kriebelgevoel krijgen: hier wil ik wel een belichting bij maken! – Zo niet, gaan we zelf experimenteren, hebben wij ook gedaan.

We zijn begonnen met de bureaulamp en geëindigd met een
dia-projectieapparaat! Goed neergezet krijgen we daarvan een mooi basislicht. Wij kochten verschillende kleuren cellofaan. Het best hanteerbaar zijn stukken van boven en onder vasthechten aan karton en-dan heen on weer bewegen dichtbij de lichtbron. In een later stadium kwamen we op het idee een raamwerk te maken; door lagen op elkaar te leggen van het cellofaan kunnen we kleuren verdiepen en veranderen in de stemmingen die opgeroepen worden. Dit alles in de volgorde van het verhaal.

Dit moet voor ieder een eigen ontdekkingstocht zijn.

Als alles geschapen is, gaan we spelen. Eén leest of vertelt het verhaal maar met een beweeglijkheid, omdat de spelers begeleid moeten worden – ook kun je ineens het idee krijgen: hier hoort wat muziek bij en dan wordt de lier of de fluit bijv. erbij gehaald.

De generale repetitie volgt: op de plaats waar echt het schimmenspel zal uitgevoerd worden, moet het doek voorzichtig overgebracht. Het beste kan boven en onder een lat getimmerd, misschien iets om al bij de eerste bewerkingen stil te staan; anders trilt al uw mooie zijdevloei en schapenwol van de plaats. Een gordijn hangt u aan de onderste lat op, zodat het tot de grond rijkt. De spelers moeten niet zichtbaar zijn. U zult zien: de uitvoering is kostelijk en ik hoop dat het u zo vergaat als bij ons. Het wordt elk jaar weer: ‘uit de mottenballen gehaald’, iets bijgewerkt en weer beleefd: in de duisternis het licht te plaatsen en de innigheid op te roepen, kleur te brengen aan onze belevingswereld.

Heel in het kort volgt hier ‘onze’ Michaelslegende.

Het begint al met een prachtig beeld: Er was eens lang geleden een eiland dat klein en verlaten in de grote wereldzee lag. Machtige golven kwamen aanrollen en spatten in glinsterende druppels waarin de zon duizend keren weerspiegeld werd op de rotsen uiteen. Hier en daar was er tussen de rotswanden een kleine inham. Daar rolden de golven statig naar binnen, hielden hun wildheid in toom en bereikten tenslotte het strand als vriendelijke bezoekers, waar ze met een laatste buiging van het glinsterende water een schat van geschenken achter lieten op het strand.
Dichtbij het strand stonden armelijke vissershutjes. De.kinderen speelden veel op het strand. Eén van hen was Angelina die met een ziek voetje geboren was en hinkend door het leven moest gaan. De kinderen waren altijd blij als ze in de buurt was omdat zo altijd vrolijk was en grapjes maakte. Aan de andere kant van het eiland was het gevaarlijk. Angelina’s vader, de visser, had het zelf gezien en verteld dat diep onder de aarde een draak huisde. Soms zagen ze zelfs de dikke dampen en hoorden ze het gerommel.

Toen dat eens weer zo was in de avond, klommen de vissers met hun vrouwen en kinderen langs het bergpad omhoog naar een kapel waar ze kaarsen ontstaken en een vurig gebed zonden naar de aartsengel Michael. Een van de jongetjes die al gauw genoeg had van het bidden, liep naar buiten om steentjes te rapen en deze met een wijde boog naar beneden te gooien. Eensklaps bleef zijn arm in de lucht hangen, hij merkte het zelf niet eens, rende terug naar de kapel en riep de mensen toch vlug naar buiten te komen, zelf hielp hij Angelina. Toen zagen ze allen dat een lichtende boot zich voortbewoog naar het eiland, met een gouden gestalte, in de hand een opgeheven zwaard. Ze keken toe hoe de gestalte uitsteeg en zich vastberaden naar de plek des onheils richtte. Met angst in het hart zagen ze de gestalte verdwijnen in de dikke vuile dampen en het gerommel zwol aan. Plotseling, na een heldere lichtstraal was er stilte en een weldadige rust kwam in de mensenharten en over het eiland.

De lichtgestalte keerde terug, lang nagekeken door het vissersvolk. De vissers die de volgende dag vroeg op zee waren hadden nog nooit zo’n vangst gehad. Dankbaar waren allen en zo gingen ze op weg naar de plaats waar het wonder was geschied. Op de plaats waar vroeger de dampen en het gerommel opstegen hoorden ze nu het geklater van een bron dië ontsprong uit de rotsen. Angelina zat met haar blote voetjes in het bronwater, maar nauwelijks had ze het aangeraakt of ze voelde dat ze weer krachtig op haar benen kon staan, ze kon weer huppelen en springen net als de andere kinderen. Vele mensen trokken naar de bron, zieken vonden er genezing en in de kapel werden vele kaarsen ontstoken; een dankgebed vervulde de ruimte.

Schoolkrant vrijeschool Den Haag, nadere gegevens onbekend

Je kunt ook eens een keer, bijv. met een 5e klas, een schimmenspel maken van o.a. een sprookje van Grimm.
Als je veel aan de kinderen zelf overlaat, komen je de mooiste vondsten tegemoet. Op allerlei gebied: hoe pas je de tekst aan; wat laat je zien; wat kún je (technisch) laten zien; welke spullen heb je allemaal nodig. Ze zullen veel vragen aan je stellen waarop je ook samen weer antwoorden kan vinden: uiteindelijk moet jij als leerkracht soms besluiten.
Omdat er door de kinderen veel samen moet worden gewerkt bij het ontwerpen en uitvoeren, is het ook zeer werkzaam voor het gevoel van ‘samen’: het sociale.
.

Suggesties: altijd welkom:  vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

handschaduwbeelden

1224-1143

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (45)

.

AFGODERIJ

leven-o-t-203

1. Masseben (opgerichte stenen van Gezer).
„Binnen de stad of althans in haar onmiddellijke nabijheid was voor de KanaÄnieten de plaats, waar de goden worden vereerd (Statenvert. „hoogten”). Zo’n hoogte, die niet minder dan vijftien eeuwen achtereen in hoge eer is geweest, hebben de opgravingen in Gezer ons weer voor ogen gesteld. Daardoor kunnen we ons althans met enige zekerheid een beeld vormen van de bekende „hoogtedienst” waartegen Israëls profeten zo lang hebben gestreden. We vinden hier een aantal „opgerichte stenen”; onder deze trekt de kleine de meeste aandacht: het bovenste deel ervan is gepolijst, zoals dat alleen kan ontstaan door de altijd weer vernieuwde aanraking van devote lippen, die met vuur de steen kussen, of wel van handen, die in bloed of olie gedoopt, daarmee de steen zalven ter ere van de godheid. (A. Noordtzij).

leven-o-t-204

2. Babylonische godheid in de gedaante van een vis. Deze godheid herinnert aan de Filistijnse god Dagon. Men neemt gewoonlijk aan, dat hij een visgod was. Uit 1 Sam. 5 blijkt, dat het Dagonbeeld van Asdod hoofd en armen had. Of het onderstuk in visvorm uitliep, hangt af van de vraag, of we vers 4 aldus moeten lezen: „slechts zijn visvorm was op hem gebleven”, dan wel: „slechts zijn romp was op hem gebleven”. In het eerste geval (dat nog steeds waarschijnlijk is) heeft Dagon het hoofd en het bovenlijf van een mens gehad, waarschijnlijk de romp van een vis.” (Prof. Noordtzij).

leven-o-t-205

3. Vrouwelijke godheid.
De figuur is gehuld in een nauwsluitende kledij, die de lichaamsvormen goed doet uitkomen; de godin draagt halsketting, gordel en enkelring. Op het hoofd heeft zij een kroon naar Hethietisch model. De vrouwelijke godheid van het Kanaänietisch heidendom is de pendant van de mannelijken Baäl, naast wie zij herhaaldelijk wordt genoemd (Richt. 2 : 13; 10 : 6; 1 Sam. 7 : 4; 12 : 10). De naam is: Astarte, in het Hebreeuws As’toreth; meervoudsvorm Astaroth; daarnaast ook Asjerah. De Statenvert. heeft hiervoor „bos” maar het is duidelijk, dat wij b.v. in de „vierhonderd profeten van het bos” (1 Kon. 18 : 19) te doen hebben met dienaren van deze godheid. (Daarnaast komt het woord Asjerah ook nog in een andere zin voor, namelijk als de benaming van een voorwerp, dat tot de Kanaänietische eredienst behoorde; wel heeft de Statenvert. hiervoor ook „bos”, maar dit voorwerp is hoogstens een enkele boom, liever nog een boomstam of paal). Astarte vertegenwoordigt de vrouwelijke natuurkracht en wordt als de bron van alle vruchtbaarheid, als de verwekkende en onderhoudende godin van het leven vereerd” (Prof. G. C. Aalders).

leven-o-t-206

4. Baäl.
De naam van de mannelijke godheid in het Kanaänietisch heidendom. Oorspronkelijk is Baäl geen eigennaam; de goden werden niet bij hun naam genoemd, maar deze vervangen door het vage „baäl” d. i. heer of eigenaar van bepaalde heilige bronnen, bomen, dieren, bergen, stenen of plaatsen. Van deze lokale Baäls, die dus waarschijnlijk slechts beschouwd werden als de verpersoonlijking van de grote mannelijke godheid, smeekte de Kanaäniet de vruchtbaarheid van zijn land en alle goede gaven (Hosea 2:4). — De Baäldienst in de dagen van Achab en Izebel was gewijd aan de god der Feniciërs; deze dienst te bestrijden was dus nationale en godsdienstige plicht.

leven-o-t-207

1. Moloch
(volgens H. Vincent). Moloch is een woord, dat eigenlijk hetzelfde is als „melek”, dat koning betekent; vermoedelijk is Moloch hetzij slechts een andere naam voor Baäl in zijn verderfbrengende gedaante, hetzij een van de verschillende Baäls van Kanaän geweest. In Jer. 32 : 35 worden Moloch en Baäl gelijkgesteld. Moloch is de god van de verterende zon, die door de ritus van het „door het vuur gaan” gediend werd (Lev. 21 : 21; 2 Kon. 23 : 10). — De hier afgebeelde „Moloch” is een „stierenkop”, die ook herinneringen wekt aan de kalverendienst (1 Kon. 12 : 28) en drukt de gedachte aan de zinnelijke dienst uit door het mannelijk lid boven de neus op het voorhoofd. — Maar het is een betwiste kwestie of dit beeld wel „echt” is.

leven-o-t-208

2. Babylonisch levermodel.
Bij de Babyloniërs speelde de waarzegging uit de lever (hepatoscopie) een grote rol. Men beschouwde de lever van het geslachte dier met grote aandacht; „de lever bezien” (Ezech. 21 : 21) was geen uitvinding van mensen maar een gave van de godheid. De zonnegod „bepaalde de juiste stand van de ingewanden in het lijf van het schaap” en „schreef zelf in het lijf van het offerlam het orakel op”. Geen schaapslever is volkomen gelijk aan de andere. Steunende op dit feit, heeft men een geheel stelsel opgebouwd, om uit de lever der offerdieren de toekomst te voorspellen. Zo in het gezicht van Ezechiël 21 : 21. De koning van Babel staat op de kruisweg, aan het begin van de beide wegen om waarzeggerij te plegen: hij schudt de pijlen, ondervraagt de terafim, beziet de lever. — Nu werd ook bij Israël de lever wel beschouwd als de zetel van het leven en van het gevoel (Spr. 7 : 23; Klaagl. 2 : 11). Maar de Israëlietische wet heeft de bijgelovige praktijken onmogelijk gemaakt, door het voorschrift dat de leverkwabben der offerdieren verbrand moesten worden (Ex. 29:13; Lev. 3:4; 4:9).

leven-o-t-2093. „Assyrische” goden.
Relief van Tiglath Pileser III uit Kalach. Assyrische soldaten met spitse krijgshelm dragen godenbeelden; misschien als buit; in dat geval zijn het geen Assyrische goden. De voorste (a, b) schijnen vrouwelijke godheden te zijn; beide zitten. De derde godheid is grotendeels verborgen in een kast (c). De vierde (d) godheid is een bliksemgod met de dubbele bliksem in de linker- en de bijl in de rechterhand. De processie kan een trotse uiting wezen, hoe Assyrië’s macht sterker is dan de goden der volken (Jes. 36 : 19; 2 Kon. 18 : 34).

leven-o-t-210

4.Beeld van de godin Diana in de tempel te Efeze. Diana, de Latijnse naam voor de Grieksche godin Artemis was een godheid, die in de Grieks-Oosterse wereld veel geëerd was. De dienst van Artemis van Efeze, de „Diana der Efeziërs” was wijd verbreid („aan welke gans Azië en de gehele wereld godsdienst bewijst”, Hand. 19 : 27). Oorspronkelijk was de dienst van deze godheid een Oosters getinte natuurdienst; het beeld van Diana had dan ook verschillende zinnebeeldige kentekenen, die wezen op vruchtbaarheid en groeikracht. Afbeeldingen werden als wijgeschenk door vereerders van Diana meegenomen naar huis (Hand. 19 : 24).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: vertelstof

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas Oude Testament

1221-1141

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis – verhaal (14-3)

.
Vanaf 6 jr. Voorleestijd 5 min.

Naar een Duits verhaal van Christel Sprengel
.

De heilige nacht

Het gebeurde eens, lang geleden, dat door een grote stad een vrouw liep. Je kon zien aan haar gang dat ze zó moe was; zij sleepte zich voort, klopte aan iedere deur aan en klaagde:
‘O,  bittere nood, mijn kind klopt aan,
Heeft geen plaats voor een beddeke staan.

Maar de deuren bleven gesloten.
Toen verzuchtte de vrouw: “De mensen horen mij niet, misschien verstaan de dieren mij wel”.

En zo verliet zij de stad. ’t Werd donker en een voor een pinkten de sterren tevoorschijn. ’t Was koud, ijs en sneeuw lagen over de velden. De vrouw wandelde vermoeid voort tot zij kwam bij een stal, die een­zaam en verlaten stond, geen boerderij was in de omtrek te bekennen.
En toch was er leven in die stal; een os en een ezel woonden daar samen en leefden tevreden met elkaar.
Ook daar klopte de vrouw aan en begon weer:

‘O,  bittere nood, mijn kind klopt aan.
Heeft geen plaats voor een beddeke staan’.

Maar het was of de wind haar woorden meenam. Toch hoorden de dieren haar en de deur werd voor haar geopend, en zij lieten haar binnen en verwarmden haar verstijfde leden met hun warme adem.

Het was in diezelfde tijd dat een broertje en een zusje in een klein kamertje bijeen zaten en wachtten op hun moeder die maar niet thuis kwam. Ze was die morgen al vroeg weggegaan naar haar werk.

’t Werd al donkerder en donkerder en het meisje begon te huilen.
‘Wees nu maar stil,’ troostte het broertje,  ‘als moeder komt zal zij de
kerstkaarsen aansteken’.                                       .

En zo spraken zij erover hoe dat zou zijn als een voor een de lichtjes aan gloeiden en alles in de kamer anders zou worden. Eindelijk kwam de moeder thuis, maar zij stak alleen de lamp aan en deed alsof het een gewone avond was.
Toen vroeg het meisje: “Moeder, steek je de kaarsen niet aan ?” en het jongetje drong aan: “Het is toch kerstnacht”.

Boze, harde woorden kwamen uit de mond van de moeder: “Heilige Nacht ? Dat was eens, lang geleden, als er ooit een heilige nacht geweest is! Er is geen liefde meer op aarde, wij hebben geen geld om kerstfeest te vieren”.

En met deze woorden zette ze het karig maal op tafel. Daarna zijn ze alle drie stilletjes naar bed gegaan.

De moeder sliep al gauw in, maar de twee kinderen bleven wakker. ‘t Was of ze op iets lagen te wachten, zou er dan toch nog iets gebeuren? Luister, daar werd op het raam getikt en toen ze samen naar buiten keken, zagen ze de os en de ezel staan en hoorden hen roepen;
“Er is iets in de stal geschied,
Komt, komt en ziet.”

Toen ze dat hoorden glipten ze stilletjes hun bed uit. In hun haast vergaten zij zich aan te kleden en op hun tenen om hun moeder niet te wekken, slopen ze in hun hemdje de straat op. Os en ezel namen hen op hun warme rug en liepen de slapende stad uit tot ze bij het bos kwamen. Nogmaals riepen os en ezel:

‘Er is iets in de stal geschied
Komt, komt en ziet.”

Daar kwamen uit alle hoeken en gaten alle dieren tevoorschijn, wilde en tamme tezamen.

Wat liep, kroop en vloog kwam achter os en ezel aan die met de kin­deren op de rug de weg wezen.

Eindelijk na een lange tocht door het bos en over het veld stonden ze stil bij de stal waar os en ezel hun woning hadden.

Toen riepen ze voor de laatste maal:

‘Er is iets in de stal geschied
Komt, komt en ziet.’

De sterren glansden nog helderder alsof de hemel zijn ogen opsloeg. Allen verdrongen zich in de stal om te zien wat daar wel gebeurd was. Zij zagen een vrouw met een kindje dat deze nacht geboren was. Lieflijk lag het daar in het hooi, maar het had niets aan, de moeder had geen doeken om het in te winden.

Het broertje en zusje zagen dat en trokken hun hemdjes uit en gaven het aan de moeder voor haar kind.

Zij merkten niet dat zij nu net zo bloot waren als het kindje; ze keken toe hoe licht het werd in de stal en hoe hoog.
Zij zagen engelen afdalen, deze zongen en wiegden het kind. De vrouw zag er in de glans van het licht als een koningin uit. Liefderijk boog zij zich over de kinderen, streelde de dieren en ver­gat er geen een!

Toen brachten os en ezel het broertje en zusje weer naar huis.
Hoe verbaasd was de moeder toen zij haar slapende kinderen de
volgende morgen zag.                                                                                  !,

Ze hadden beiden een nieuw hemdje aan van zijde dat je nergens op
aarde zult vinden.

Kerstverhalen: alle

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Kerstmis                         jaartafel

.
.
1220-1140

..

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (44)

.

SYNAGOGE YAN KAPERNAUM

leven-o-t-201

1. De Synagoge van Kapernaum
zoals die was in de eerste eeuw

leven-o-t-202

2. Doorsnede en gezicht in deze Synagoge (naar Heinrich Kohl en Carl Watzinger, Antike Synagogen in Galilea).
Op een in zee vooruitstekende landberg liggen de oude ruïnes van de Synagoge van Kapernaüm: de benedenstukken van de muren staan nog overeind. Het was tot 1905 een ruïne; daarna hebben in de jaren tussen 1905 en 1921 onderzoekingen plaats gevonden; met grote toewijding is alles minitieus nagegaan; Franciscaner monniken, die met de wacht zijn belast, hebben getracht uit de voorhanden stukken het zó te groeperen, dat men een beeld van de Synagoge kreeg. En de geleerden Kohl en Watzinger hebben in hun boek over oude Synagogen in Galilea enkele tekeningen gegeven, die een reconstructie geven van de oude Synagoge in Kapernaüm. Het is, naar grote waarschijnlijkheid, de in Lukas 7 : 5 vermelde Synagoge, door de Romeinse centurio, de hoofdman over honderd, gebouwd. De Synagoge van Kapernaüm was gebouwd op een terras, iets hoger dan het oeverland: wie binnen wil treden, moet dus eerst dit terras beklimmen, dat 3.30 m. breed is; in het Westen (links) voert een trap van vier treden, in het Oosten een trap van dertien treden (rechts); dat verschil in treden is een gevolg van het feit, dat het terrein in Oostelijke richting daalt. De lengteas van het gebouw is Noord-Zuid; het voorfront is dus Zuid; de richting naar Jeruzalem, naar de Heilige stad, waarheen de Joden bij het gebed hun aangezicht wendden. Van het terras geven drie poorten toegang tot de eigenlijke Synagoge; de vierde deur rechts tot een hof, die aan de westzijde begrensd is door de muur van de Synagoge, aan de drie andere zijden door zuilenhallen. De Synagoges in Galilea hadden in de frontzijde drie deuren. In de hof was vermoedelijk een fontein, waarin men handen en voeten kon wassen.

Van binnen had de Synagoge aan drie zijden een zuilenhal; daarboven waren (wellicht) de plaatsen voor de vrouwen (ƒ). De stenen vloer in het midden (nu nog te zien) is dan de oude plaats van de Synagoge: daar is dus de plaats, waar de voeten van de Heiland  de bodem hebben betreden: hier heeft hij genezen de man wiens rechterhand dor was (Lukas 6 : 6). In deze synagoge heeft hij geleerd en hier heeft de Heiland de bezetene verlost van de onreinen geest (Markus 1 : 21—28). Hier heeft Christus gesproken van het Brood dat uit de hemel gedaald is: deze dingen zeide Hij in de synagoge, lerende te Kapernaüm (Joh. 6 : 59).

Vlak achter de frontzijde was een estrade (verhoogde plaats) met een lessenaar voor de lezing van de wet en met de kast of ark (bij c) voor de wetsrollen en de heilige boeken. Aan weerszijden daarvan staan twee kandelaars.

Links (bij g) is de hof; de lijn boven is een golvende lijn van het heuvellandschap.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: vertelstof

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas Oude Testament

1217-1137

.

VRIJESCHOOL- 3e klas – het leven in het Oude Testament (43)

.

HEILIGE PERSONEN, GEBEDSRIEM

leven-o-t-196

1. Hogepriester.
De Hogepriester droeg over het priesterkleed:
a. Een bovenkleed, geheel geweven, ongenaaid, violetkleurig, met een door boord omgeven halsgat om er het hoofd door te steken, zonder mouwen, dat ongeveer tot even beneden de knieën reikte, zodat de witte linnen priesterrok zichtbaar was. Van onderen was de rand versierd met granaatappelen, gemaakt van dubbeldraadsgaren, afgewisseld met gouden klokjes.
b. De efod, vervaardigd uit violette, purperkleurige, karmozijnkleurige en witte draden, met gouddraad doorweven. Dit was waarschijnlijk een kledingstuk, dat de hogepriester droeg onder de armen over borst en rug. Het was vast om het lichaam gesnoerd; van achteren waren twee schouderstukken, die over de schouders heen, van voren aan de efod verbonden waren. Op de schouders waren twee onyxsteenen bevestigd in gouden rosetten gevat, en waarin de namen der twaalf stammen van Israël, zes op elke steen, gegraveerd waren.
c. Op deze efod bevond zich de borstlap; het was dubbelgevouwen en vormde een soort tas. Aan de buitenzijde bevonden zich twaalf edelstenen, vier rijen van drie, waarin de namen der twaalf stammen van Israël gegraveerd stonden. De borstlap diende tot bewaring van de Urim en Thummim.
d. Tot hoofdbedekking diende de Hogepriester een muts, waaraan door middel van een violetkleurige band bevestigd was een diadeem van zuiver goud, waarop de woorden „den Heere heilig” gegraveerd waren.

leven-o-t-197

2 en 3. Priesters
(naar Prof. de Groot). De priesters hadden voor hun dienst in het heiligdom een ambtskleding:
a. een lange rok met mouwen van wit linnen, geheel geweven, zonder dat eraan genaaid was;
b. een korte witte broek;
c. een muts van wit linnen tot hoofdbedekking, kegelvormig gewonden;
d. een gordel vervaardigd van dezelfde stoffen en in dezelfde kleuren als de voorhang van de Tabernakel (Ex. 39 : 29). „De beide einden van deze gordel konden tot de aarde reiken, doch werden, als de priester dienst had (3) over de linkerschouder geslagen (2). Deze gordel was vele meters lang en werd verscheiden malen van onder de oksels tot de heupen om het lichaam gewonden” (Prof. Dr Joh. de Groot).

leven-o-t-198

leven-o-t-199

4. Een Nazireeër.
Eigenlijk is het een gewezen Nazireeër. Wilde hij zijn gelofte beëindigen, dan nam hij de geschoren haardos in de linkerhand en voordat hij weer in het gewone leven mag terugkeeren, moet hij de offers brengen, die in Num. 6 : 13 v.v. worden opgesomd.

leven-o-t-200

5. Gebedsriemen (tefilliem):
zij bestaan uit een riem, waaraan een, uit zeer sterk perkament vervaardigd, zwart gelakt vierhoekig doosje (a) bevestigd is. In dit doosje bevinden zich vier op perkament geschreven gedeelten der Thora en wel: Ex. 13 : 1 en 11 : 6; verder Deut. 6 : 4—9 en 11 : 13—21. Op grond van Deut. 6 : 4—9 zijn er twee gebedsriemen: een voor het hoofd en een voor de arm. De gebedsriemen worden nu zó bevestigd, dat het ene kastje op het hoofd komt, tussen de ogen (zetel van het verstand) en het andere op de linkerarm, tegenover het hart (zetel van het handelen en van het gevoel, om aan te duiden, dat men met zijn hart de Heer liefheeft). De gebedsriemen heten in de Statenvert. van het Nieuwe Testament gedenkcedels (Matth. 23 : 5).

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1210-1130

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (42)

.

TEMPEL VAN HERODES (naar Schick).

leven-o-t-195

Op de voorgronde is een brug (a) over de beek Kedroti (2 Sam. 15 : 23; Johannes 18 : 1). Op de berg Moria (2 Kron. 3 : 1) of Zion (1 Maccab. 14 : 26) ligt het wijde grootse tempelplein. Aan de oostzijde van het tempelplein verheft zich in blanke schoonheid een zuilengalerij: dat is (c) de hal van Salomo (of voorhof van Salomo, Joh. 10 : 23; Hand. 3 : 11; 5 :12). Het schoonste is de koninklijke hal van Herodes (b) aan de zuidzijde; in één van die hallen daar heeft de twaalfjarige Jezus gezeten in het midden der leraren (Luk. 2 : 46). Aan de noord-westzijde is de oude burcht Baris, door Herodes de Groote vernieuwd, versterkt en omgedoopt tot Antonia (k); in de statenvert. „legerplaats” genoemd (Hand. 21 : 34); in de vert. van het Bijbelgenootschap „kazerne”. Van het tempelplein leiden trappen (j) opwaarts naar de burcht (Paulus staande op de trappen, Hand. 21 : 40). De grote voorhof (p) aan de zuidzijde is de „voorhof der heidenen”. Midden op het plein verheft zich een platform omgeven door een lage muur (d). Op zuilen zijn opschriften aangebracht, die iedere Jood verbieden niet verder te gaan. Daarom is het een zware beschuldiging tegen Paulus als de Joden van Azië het uitroepen: Deze heeft Grieken in de tempel gebracht en deze heilige plaats ontheiligd (Hand. 21 : 28). — Klimt men omhoog, dan is men op het platform. Negen poorten geven toegang: vier van het noorden, vier aan het zuiden, een aan het oosten. Deze laatste is de voornaamste (bij e); hier is de Schone Poort (Hand. 3 : 2). De Schone Poort geeft toegang tot het Voorhof der Vrouwen (ƒ). Daar waren tijdens het Loofhuttenfeest twee grote standaarden elk met vier lichten; elke avond verzamelde zich de menigte met brandende fakkels en werden de lichten met gejuich ontstoken. Het is naar aanleiding daarvan dat de Heiland spreekt: Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben (Joh. 8 : 12). Daar, op het voorhof der vrouwen was ook „de schatkist” (Mark. 12 : 41—44). Een hoge trap (i) van 15 treden geeft toegang tot het hoger gelegen voorhof der Israëlieten (g). Op die trap bij (i) mogen wij ons denken de plaats, waar Anna de profetes de Heere heeft beleden en waar de oude Simeon jubelde over het „Licht tot verlichting der heidenen” (die daarbuiten op het grote Tempelplein wandelden) en „tot heerlijkheid van het volk Israël” dat mocht naderen tot het heiligdom (Lukas 2 : 25—38). Van het voorhof der Israëlieten scheidt een lage borstwering van het Voorhof der Priesters (h) ; hier zijn Brandofferaltaar en Wasvat. Twaalf trappen ten westen van het altaar voeren naar het voorhuis van de Tempels; op die trappen zegenen de Priesters het volk; hier heeft de stomme Zacharia gewenkt tot de schare (Luk. 1 : 22). Achter het voorhuis zijn het Heilige en het Heilige der Heiligen. Hier is bij de dood van Jezus het voorhangsel gescheurd (Matth. 27 : 51).
Het is niet met zekerheid te zeggen, waar men zich moet denken „de tinnen van de tempels”; wel wordt aangenomen de hoge hoektoren in het zuidoosten, oprijzend boven de Kedronvallei (bij m). Aan de westzijde van het tempelplein was in de oudheid een dal, het dal Tyropeon (thans met puin gevuld); over dat dal leidde een brug (n) naar de Bovenstad, naar de stad Jeruzalem.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1203-1123

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (41)

.

VOORHOF VAN DE TEMPEL

leven-o-t-194


Voorhof in de Tempel
(naar een voorstelling van Ch. Chipiez en G. Perrot). Op de achterzijde van de voorhof, vóór het Tempelgebouw, staan de zuilen Jachin en Boaz (b en c). De hoogte van deze kolossale bronzen zuilen (1 Kon. 7 : 15 w.; 2 Kon. 25 : 13 v.v.; 2 Kron. 3 : 15 v.v.; Jer. 52 : 21 v.v.) was 18 ellen (9 m); „een draad van twaalf ellen omving de pilaar” (1 Kon. 7 : 15) wat dus wijst op een doorsnede van 39/11 el — ongeveer 1.90; de dikte was vier vingers en de pilaar was hol (Jer. 52 : 21). Boven op de schacht was een kapiteel van vijf ellen (21 m. hoog) en omgeven door een bronzen vlechtwerk met twee rijen granaatappelen, elk 100 in getal. Hoe die kapitelen er precies uitzagen, weet men niet (zie 40 no. 3). Vermoedelijk waren zij vóór het tempelgebouw, en hadden zij geen draagfunctie. Tussen de zuilen ziet men (bij h) de ingang tot de voorhal: een dubbele deur van cypressenhout; de deurposten van olijvenhout. Daarboven de tempelmuur van massieve, zeer grote en forse stenen opgebouwd (met volmaakte steen, zodat geen hameren, noch bijl of enig ijzeren gereedschap gehoord werd in het huis, als het gebouwd werd; 1 Kon. 6 : 7). — De Salomonische tempel stond in een groten voorhof (a); men neemt aan, dat de vloer met stenen platen is bedekt. Dit plein heet “In de Bijbel de „binnenste voorhof” (1 Kon. 6 : 36; 1 Kon. 7 : 12). Vóór de ballingschap had het volk vrije toegang tot deze voorhof, waar de feesthoudende menigte dan samenstroomde (Jes. 1 : 12). In deze voorhof stond het grote brandofferaltaar (d, e); de koperen zee (maar zeer gedeeltelijk te zien bij i) en de rijdende ketelwagens (ƒ). Het brandofferaltaar is een statig bouwwerk van steen. Aan de oostzijde van het altaar is (naar de voorstelling in Ezechiël 43 : 17) een trap (in de tempel van Herodes was de opgang aan de zuidzijde en dan zonder trappen naar het oude gebod in Exodus 20 : 26). Rechts en links van het grote brandofferaltaar waren vijf rijdende ketelwagens (ƒ) het zijn in horizontale doorsnede vierhoekige stellages, twee meter in het vierkant, anderhalve meter hoog, van lijstwerk of repen brons gemaakt, waarop een ketel staat met een inhoud van ongeveer 141 hl. (Prof. Dr Joh. de Groot). Immers die „wasvaten” (gelijk de statenvert. 1 Kon. 7 : 38 ze noemt) hielden veertig bath (en 1 bath = 6 hin = 36,44 l, dus 40 bath 40 x  36,44 l = 1457,6 l). Op het lijstwerk van de stelling waren versieringen nl. leeuwen, runderen, cherubs (1 Kon. 7 : 29). De stellages reden op raderen (1 Kon. 7 : 33).

De voorhof was mogelijkerwijze (naar de reconstructie van Chipiez en Perrot) omgeven door een zuilengalerij; het tempelcomplex zelf was omringd door zijgebouwen (g).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1196-1116

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis – verhaal (14-2)

.

V.a. 10 jaar. Voorleestijd 20 min.

.
Ruth Sawyer
.

De herders

U, die Kerstmis houdt, die de heilige tijd viert, hebt u ooit bedacht, waarom het noodzakelijk is, dat er een kind geboren wordt om de wereld te redden? Hier is een kerstverhaal van God, die het Goede is. Het begint ver terug, toen de wereld pas geschapen was.

In den beginne had God twee aartsengelen, op wie Hij bijzonder gesteld was: de ene heette Lucifer, hetgeen Licht betekent, en de andere Michaël, hetgeen Kracht betekent, Zij voerden de hemelse legerscharen aan en stonden, de ene ter linker zijde, de andere ter rechter zijde van Gods troon. Zij waren zijn uitverkoren boodschappers.

Nu diende de aartsengel Michaël God met heel zijn hart en zijn engelenziel. Er was hem geen taak te groot om te volbrengen, geen dienst van duizend jaren was te lang. Maar de aartsengel Lucifer ergerde het een macht te dienen, hoger dan hij zelf. Naarmate het ene duizendtal jaren na het andere verging – en zij waren ieder als één dag ~ verbitterde hij ïn de dienst en werd afgunstig op God. De tijd brak aan, waarop God het heelal zou scheppen. Hij maakte de zon, de maan, de sterren. Hij maakte land en water en scheidde ze. Hij maakte bomen en bloemen, die groeiden, en gras. Hij maakte levende wezens, die de aarde bewandelden en zich daar voedden en Hij maakte vogels in de lucht en vissen in het water. En toen al het andere geschapen was, maakte Hij een man en noemde hem Adam en een vrouw en noemde haar Eva. Het kostte Hem zes hemelse dagen, om dit te scheppen en aan het einde was Hij moe en rustte uit. Terwijl de schepping tot stand kwam en God het allerdrukst bezig was, ging Lucifer heimelijk de hemel rond. Hij sprak met deze engel en met die, fluisterend, steeds fluisterend. Hij sprak met serafijnen en cherubijnen, met iedereen, die naar hem luisteren wilde. En wat hij fluisterde, was dit: ‘Waarom moet God oppermachtig regeren? Waarom moet Hij de enige zijn, die schept en zegt wat er geschapen zal worden? Wij zijn machtig. Wij zijn waard zelf te regeren. Wat zegt gij?’

Hij fluisterde de zes dagen van de schepping lang en toen God uitrustte, voerde Lucifer een schare opstandige engelen tegen God aan. Zij trokken hun vlammende zwaarden en belegerden Gods troon. Maar de aartsengel Michaël trok zijn vurige zwaard. Hij voerde Gods trouwe engelen aan en verdedigde de Hemel. Het leger van Lucifer werd op de vlucht gedreven en zijn veldheren werden gevangen genomen en voor Gods troon geleid. En God sprak: ‘Ik kan u het leven niet ontnemen, want gij zijt hemelse wezens, maar u zult niet langer bekend staan als de legerscharen van het Licht, U zult de legerscharen der duisternis zijn. Gij, Lucifer, zult de naam van Satan dragen. Gij en allen, die met u in opstand zijn gekomen, moeten elders een koninkrijk zoeken. Maar dit gebied ik u: ‘Laat de aarde, die ik zojuist geschapen heb, met rust. Bederf niet het werk Mijner handen.’
Aldus sprak God.
Dus werd Lucifer met zijn volgelingen verbannen en voortaan stond hij bekend als Satan. Hij vestigde een koninkrijk onder de aarde en noemde het de hel. Maar omdat God hem bevolen had de aarde niet te beroeren, begeerde hij de aarde voor zichzelf. Hij zond zijn geesten uit om hen, die op aarde geboren waren, te verleiden en slecht te maken.

Zo kwam het, dat de mensen op aarde tenslotte de macht van het kwaad evengoed kenden als die van het goede. Zij voelden de greep van de duisternis zelfs, wanneer zij hun ogen opsloegen naar het licht.
En nu werden de jaren eeuwigheden. De aarde werd bevolkt, in de vier
windhoeken en God keek erop neer en had verdriet. Hij riep de aartsengel Michaël bij zich en sprak: ‘Het is zover gekomen, dat de macht van Satan over de aarde groot is. Mijn engelen kunnen niet langer heersen. Een rijk van vernieling, hebzucht, haat en valse getuigenis is opgericht onder de mensen op aarde, die Ik heb geschapen. Hun harten zijn donker van het kwaad, hun ogen zien het licht niet meer. Ik moet mijn eigen Geest naar de aarde zenden, opdat het kwaad overwonnen wordt. Deze zal door de hemel verwekt worden en op aardse wijze geboren en niemand minder zijn dan Mijn eigen geliefde Zoon.’

Aldus sprak God.

De aarde was verdeeld in landen, sommige groot en machtig, sommige klein en zwak. En de sterke breidden hun macht steeds uit en overwonnen de zwakke met hun legers.
Een van die zwakke, overwonnen landen heette Judea. Te midden van de golvende heuvels, de olijfbossen de weidegronden, en kronkelende rivieren, hadden de mensen een stadje gebouwd, Bethlehem genaamd, de stad van koning David.
En de overwinnaars, de Romeinen, hadden bevolen, dat allen van de stam Isaï naar deze stad moesten gaan om eer te betonen aan Caesar.

Buiten de stad, op de hooggelegen weidegronden, hoedden vele schaapherders hun schapen. En nu geschiedde het, dat God Bethlehem koos als de geboorteplaats van Zijn Zoon en de tijd waarop dit gebeuren zou, zou de tijd zijn waarop de schattingen betaald moesten worden. En omdat schaapherders een eenvoudig geloof hebben en zuiver van hart zijn, waren zij de uitver­korenen, aan wie Hij de komst openbaarde.
En God zond een ster om hun de weg te wijzen en beval de engelen hun het blijde nieuws, zingend te vertellen.

Het was laat in de avond geworden. Op de hoge weidegronden hadden de herders vuren gebouwd om zich warm te houden, en verdwaalde wolven of rovers af te schrikken. Allen sliepen, behalve Esteban, de jongen. Hij alleen zag de engel en hoorde het nieuws. En dadelijk wekte hij de slapenden: ‘Hoort, er is ons juist een engel verschenen, die zong. Wordt wakker, wordt wakker gij allen! Ik geloof dat deze nacht veel voor ons zal betekenen.’
Nu stond Satan op dit ogenblik aan de ingang van de hel. Hij was de laatste tijd onrustig geweest, een gevoel van dreigend onheil beheerste hem. En toen hij naar de aarde keek, zag hij de engel verschijnen. Toen veranderde zijn onrust in angst. Hij riep zijn helse legerscharen op en beval hun zich gereed te maken: ‘Vanavond, zullen we Gods macht over het heelal weer betwisten. We zullen om de aarde vechten en die de onze maken. Ik ga er nu heen. Kom, als ik op de aarde stamp.

Even snel als zijn gedachten gingen, bereikte Satan de aarde. Hij kwam als zwerver, op zijn hoofd een breedgerande hoed, om zijn schouders een mantel, die tot op de grond hing, in zijn hand een staf. Over de aarde reisde hij zoals de bliksem de hemel doorkruist. Nu was hij hier – dan was hij al weer verder. En zo kwam hij aan de hoge weidegronden van Judea en stond aan een van de vuren, waaromheen de schaapherders de wacht hielden. Weer kwam de engel en verkondigde luid Gods nieuws: “Vrees niet, want u is heden in de stad Davids een Messias geboren!’

Satan bedekte zijn gelaat en sprak: ‘Wat betekent die boodschap?’ De schaapherders hurkten neer: ‘Wij weten het niet.’ ‘Wie is die Heiland, die Messias, van wie deze verschijning spreekt?’ ‘Wij weten het niet” Satan liet zijn mantel vallen, opdat ze het vervloekende vuur zouden zien, dat zelfs uit zijn ogen schijnt. ‘Ik gebied u, het te weten!’

Het was Benito, de oudste herder, die vroeg: ‘In de naam van God, wie bent u?’ En Satan antwoordde: ‘In mijn eigen naam, ik ben een zwerver. Eens werd mij een machtig rijk ontnomen. Ik ben hier om dat terug te winnen.’
Zou dit de Heiland zijn, van wie de engelen zongen? De herders kropen dichter en dichter bij elkaar. Zij keken. En zij werden overvallen door angst. Voorwaar, hier was duisternis, geen licht; hier was nameloos kwaad, geen goed. Hier was iemand, die de naam van God had geloochend. En samen riepen zij: ‘Weg van hier, Satan!’ En zij namen brandende takken en legden ze over elkaar, zodat ze kruisen van vuur tussen zichzelf en Satan hadden. Terwijl ze aan het praten waren geweest, was Esteban, de jongen, ver weggegaan om afgedwaalde lammeren te zoeken. Nu ging Satan hem achterna. ‘Jij hoorde de engel zingen. Waar is deze stad Davids?’ ‘Ik weet het niet’. ‘Wie is de Messias?’ ‘Spreekt u over Matthias?’ De jongen was wezenloos van angst. ‘Bedoelt u mijn moeders broeder? Hij is een wijs en trouw herder. Maar hij is ziek. Ik zorg voor zijn schapen.’
‘Idioot! Sukkelt Dwaas!’ De stem van Satan verhief zich als een wervelwind. ‘Door je grote domheid zondig je tégen mij, en dat is verschrikkelijker dan zondigen jegens God. Hiervoor zul je sterven!’
De jongen trachtte zijn mond te openen om genade af te smeken. Maar voordat de woorden konden komen, voordat Satans hand hem kon treffen, werd het onmetelijke hemelruim doorkliefd door een vlammend zwaard, dat tussen de jongen en de duivel gehouden werd en een stem klonk door het grote hemelruim: ‘Gij zult de onnozelen met rust laten!’                                                               [.

Het was de stem van de aartsengel MichaëL Hij stond nu geheel in glanzende wapenrusting naast Esteban en zijn zwaard beschermde hem. En opnieuw sprak hij: ‘Hoe durft gij Gods gebod te overtreden!’

‘Ik durf nog meer te doen dan dat’, sprak Satan spottend. ‘Gods aarde is niet langer van hem, maar van mij. Mijn volgelingen regeren er. Maar vannacht zal ik met u erom vechten. Ik zal hem u ontnemen door het recht van het zwaard en mijn sterkere legerscharen.’

Hij stampte op de grond. Die spleet vaneen en uit het diepste binnenste der aarde kwamen duivels, het ene legioen na het andere, zwaaiend met hun dubbelzijdige zwaarden, gesmeed in de vuren van de hel zelve. Toen stak Michaël zijn zwaard op en zie, een machtige trap, zoals de ladder van Jacob, werd gebouwd tussen hemel en aarde. En langs deze glanzende weg kwamen scharen en nog eens scharen van hemelse legers. En door de hemel weerklonk de kreet: ‘Valt aan!’

Toen werd een slag geleverd tussen de legers der duisternis en van het licht, zoals er sinds het begin aller dingen niet geweest was. En Michaëls zwaard nagelde Satan aan de grond, zodat hij niet op kon staan en Michaëls legerscharen joegen die van Satan op de vlucht, totdat de aardkorst open brak en ze in laaiende vlammen opgeslokt werden.

En toen de aarde van hen bevrijd was, sprak Michaël tot Satan: ‘Gij hebt aan velen vanavond gevraagd, wie de Heiland is, de Messias, Ik zal u antwoorden, verslagene. Hij is de Zoon van God en van de Mens. Hij is de vrede. Hij is de liefde. Hij is iemand, tegen wie uw kwaad geen stand kan houden. Want op God na is hij oppermachtig’.

Het gelaat van de aartsengel Michaël, louter goedheid, louter kracht, straalde van het licht van de alles overwinnende hemel en Satan, die overeind krabbelde, keek er naar op en haatte het. ‘Nu ben ik overwonnen, maar wacht nog duizend jaar, twee duizend!’

Intussen sloeg Esteban, de jongen, alles gade. En toen Satan terugkroop naar de hel, beval Michaël Esteban om de herders naar Bethlehem te leiden, opdat ze hun Heiland zouden kunnen aanschouwen en hem aanbidden.
En toen de jongen zich bij de herders rond het vuur voegde, verscheen de engel weer, ten derde male, en bij hem was een schare van het hemelse heirleger, prijzende God en zingende Halleluja!

En boven hen allen scheen een ster, zo groot als zij nooit tevoren aan de hemel gezien hadden.

Maar van de velen, die die nacht hun kudden hoedden, waren er slechts weinigen, die er acht op sloegen. Dezen hulden zich in hun mantels en volgden Esteban, de jongen. Onder het lopen wees hij hun op de rijen engelen, die in stralende wapenrusting de kanten van de weg bewaakten. Maar niemand dan de jongen zag ze. Toch steeg in ieders hart een grote vreugde op, zodat alle herders zich wel in een lied moesten uitspreken; Benito, de oudste, gaf hun de woorden voor het begin:

Gindse ster
Aan de hemel
Wijst de kribbe
Waar Hij ligt.

Toen nam Andres de wijs over en schonk hun het tweede vers om te zingen:

Vreugde en gelach
Zang en vrolijkheid
Luiden de geboorte
Van onze Heiland in.

Miguel verhief zijn stem, die sterk aanzwol van dankbaarheid:

Nu, is er goede wil
Onder de mensen,
Roept het uit, broeders,
Roept het uit.

Carlos nam het lied van hem over en gaf het vol vreugde aan de anderen door:

Vrede zij er dan
Onder ons allen,
Onder de grote volken
En onder de kleine.

Esteban gaf hun de woorden voor het laatste vers, en hij zong het tot het einde van de weg, en leidde hen naar de stal:

Laat iedere herder
Zijn stem verheffen,
Tot de hele wereld zich verheugt.
Tot allen eenstemmig
Zullen zingen,
Ere zij onze Heiland
En koning!

De ster boven hun hoofd verlichtte de weg, die naar de stal voerde. Binnen vonden zij een zeer schone, jonge vrouw en op het stro naast haar een pasgeboren kind.
Benito uitte de vraag, die op aller lippen lag: ‘Wat is uw naam, o vrouw?’
‘Men noemt mij Maria.’                                                              ‘
‘En die van het Kind?’ ‘Hij heet Jezus.’
Benito knielde. ‘Nene Jesus, kleine Jezus, de engelen hebben ons gezonden om u te aanbidden. Wij brengen u onze schamele gaven. Hier is een jong haantje voor u.’
Benito legde het op het stro naast het kind, stond toen op en riep: ‘Andres, het is uw beurt.’
Andres knielde: ‘Ik breng u een mandje vijgen, klein kind. Carlos, uw beurt’.
Carlos knielde, en hield het Kind een herdersfluit voor. ‘Ik heb hem zelf gemaakt. U zult er op spelen, als u groter bent. Juan, wat heb jij?’
Juan knielde. ‘Hier is wat kaas, goede geitenkaas.’

Om de beurt knielden zij, alle herders, totdat allen, behalve Esteban, de jongen hun gaven gegeven hadden.

‘Helaas, kleine Jezus, ik heb weinig voor U. Maar hier zijn de linten van mijn muts. Vindt U ze mooi? Ja? En nu bid ik: Zegen alle herders. Geef ons de gave anderen de liefde bij te brengen voor alles wat zacht en teer is in ons hart. Geef ons, dat wij altijd Uw ster zien in deze nacht, de nacht van Uw geboorte. En houd onze ogen altijd opgeslagen naar de verre heuvels.’
En toen ze hun gebed uitgesproken hadden en allen hun gaven gegeven hadden, verdwenen de herders zingend in de nacht.

Kerstverhalen: alle

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Kerstmis                         jaartafel

.

1195-1115

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (40)

.

HET HEILIGE

leven-o-t-1931. Het Heilige was van het Heilige der Heiligen
afgescheiden door de Voorhang (F) die daar aan vier pilaren is opgehangen. De wanden rechts en links zijn opgetrokken uit houten berderen.* Aan de zuidzijde (Ex. 40 : 24) staat de Kandelaar (A) beter: luchter (Ex. 25 : 6; 35 : 8) want tot verlichting van het heiligdom diende „reine olie van olijven, gestoten tot de luchter” (Ex. 27 : 20). Het is een kunstwerk van louter goud. Op het voetstuk verheft zich de schacht (de recht opgaande stam): daaruit schieten drie paar rieten uit, die met hun top gelijk in hoogte staan met de top van de schacht. Op die top en op de zes rieten zijn „schaaltjes gelijk als amandelnoten”; daarin werden lampen met olie geplaatst. Onder het schaaltje ziet men een versiering van knopen en bloemen (Ex. 25 : 35). De lichten van de lampen in de amandelnoten op de rieten branden „aan zijn zijden” (Ex. 25 : 3, eigenlijk staat er: naar ‘de kant van zijn aangezicht”, dus aan het voorste deel). Bij de luchter behoorden nog kleinere gereedschappen „snuiters” en „blusvaten” (D links). — Vlak tegenover de gouden luchter stond aan de noordzijde (Exod. 40 : 22) de Tafel der Toonbrooden (bij C). De beschrijving is in Ex. 25 : 23—30 en 37 : 10—16. De tafel was van sittimhout** met goud overtrokken. Aan alle zijden was haar blad omgeven door een gouden krans (c); onder de krans was een lijst van een hand breed en onder die lijst weer een gouden krans; zij stond op vier pooten; verder waren er vier gouden ringen en daardoor werden de handbomen gestoken (bij H). Bij de tafel waren verschillende gereedschappen: schotels, rookschalen, [vermoedelijk kleinere schalen om daarin wierook te doen; die wierook maakte, naar Lev. 24 : 7, 8 het brood ten gedenkoffer] ; platelen (lage bekers) en kroezen (offerkannen). De broden waren twaalf in getal in twee rijen, zes bij zes, op de reine tafel (Lev. 24 : 6; daarbij was dan de wierook). — Het Reukaltaar (B) (Ex. 30 : 1—7; 37 : 25— 28) was van sittimhout overtrokken met louter goud; aan de hoeken zijn hoornen. — In Ex. 30 : 7, 8 wordt van Aaron gezegd, dat hij het gouden Reukaltaar zou aansteken; Aaron deed het bij de inwijding van de Tabernakel, bij de aanvaarding van zijn priesterdom, gelijk hij en de Hogepriesters na hem het deden op de Grote Verzoendag, op de Sabbath, op het feest der nieuwe maan en op de gezette hoge feesten. (Zo’n geval is hier voorgesteld op de tekening, waar de Hogepriester staat bij het Reukaltaar). Het reukwerk bestond uit vier bestanddelen (Ex. 30 : 34—36). – Het is dit reukwerk waarvan David bij vergelijking zegt: Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht (Ps. 141 : 2).

2. De koperen zee (koper is brons). De hoogte van de koperen zee (a), het bekken bedraagt ongeveer 2½ m„ de doorsnede aan de bovenrand ongeveer 4.90 m.; de dikte is één handbreed. Het bekken wordt gedragen door vier groepen van drie runderen (b) alle van brons vervaardigd (1 Kon. 7 : 23 v.v.; 2 Kron. 4 : 2v.v.).

3. Twee vormen, hoe men zich de zuilen Jachin en Boaz voorstelt. De kapitelen zijn omgeven door een bronzen vlechtwerk met twee rijen granaatappelen.

*oud woord voor plank, bord
**sittimhout

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1194-1114

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (39)

.

HOGEPRIESTER OP DE GROTE  VERZOENDAG

leven-o-t-192

De Hogepriester op de Groten Verzoendag in het Heilige der Heiligen
(naar Ds L. Schouten Hzn). Het Heilige der Heiligen was de plaats van de (e) Ark (kist) des Verbonds (Num. 10 : 33) of Ark der Getuigenis (Ex. 25 : 22 de Ark van de Heer, de Heer van de ganse aarde, Joz. 3 : 13); de Ark des Verbonds van de Heer der heerscharen, die tussen de cherubim woont (1 Sam. 4 : 4_) de Ark van Gods sterkte (Ps. 132 : 8). De Ark was gemaakt van sittimhout (Ex. 25 : 2), en had een lengte van 2½ el, een breedte en hoogte van 1½ el.* Voorts was de Ark van binnen en van buiten met louter goud overtrokken. De Ark werd gedekt door het Verzoendeksel (Ex. 25 : 21); daaromheen was een gouden krans (ƒ) of kroonlijst. Aan de vier hoeken waren vier gouden ringen: door die ringen staken handbomen van sittimhout met goud overtrokken. Op het verzoendeksel stonden twee cherubs (g) hun vleugelen omhoog uitgebreid; hun aangezichten tegenover elkaar, terwijl tevens hun aangezichten naar het Verzoendeksel gericht waren. Tussen de beide cherubijnen en daarboven (h) ziet men de „Schêchina” het zichtbaar teken van Gods tegenwoordigheid onder Israël, boven de vleugels van de Cherubijnen van de Ark des Verbonds, de letterlijke vervulling, door middel van dat teken, van hetgeen God gezegd had, ‘toen Hij ’t bevel gaf tot de bouw van de Tabernakel: „zij zullen Mij een Heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone” (Ex. 25 : 8).

In het Heilige der Heiligen trad de Hogepriester binnen op de Grote Verzoendag, op de tiende van de maand Tisri (Lev. 16 : 1—39; Lev. 23 : 26—32; Numeri 29 : 7—11). De Hogepriester trad het niet binnen in zijn gewoon hogepriesterlijk ambtsgewaad; hij droeg de heilige klederen (Ex. 39 : 41, de heilige linnen rok (a), de linnen gordel, de linnen hoed (b); Lev. 16 : 4. De Hogepriester was in witte linnen klederen gekleed; dit wit is symbolisch voor het verzoeningswerk (Hebr. 9 : 24; 7 : 26). De eerste maal, dat de Hogepriester binnentrad, wordt beschreven in Lev. 16 : 12, 13: „Hij zal een wierookvat (d) vol vurige kolen nemen van het Altaar, van voor het aangezicht van de Heer, en zijn beide handen vol reukwerk van welriekende specerijen, klein gestoten; en hij zal het binnen de Voorhang dragen. — Terwijl dan het Heilige der Heiligen geheel gevuld werd met de rook van het reukwerk, ging de Hogepriester naar buiten en nam daar van de Priester in de Voorhof, het gouden bekken (c) met het bloed van de var van de zondoffers, om nu met dat bloed het Heilige der Heiligen in te gaan en verzoening te doen voor zich en zijn huis. Hij steekt de wijsvinger van de rechterhand in het bloed van de var, en bespat met dat bloed het middelste gedeelte van het Verzoendeksel, tussen de gouden cherubijnen. — Daarna drukt hij nogmaals de wijsvinger in het zoenbloed, bespat nu de vloer vóór het Verzoendeksel en de Ark, en herhaalt dit tot zevenmalen toe. — Teruggekeerd naar de voorhof werd de éne bok van het offer van het volk geslacht, en met dat bloed ging de Hogepriester nu ten derden male het Allerheiligste binnen, om op gelijke wijze als de vorige maal het bloed te sprengen: nu tot verzoening voor het volk.

*de precieze grootte van deze el is niet bekend, maar wordt geschat tussen 42 en 52 cm.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1189-1109

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (38)

.

leven-o-t-191

De Tabernakel en de Voorhof (naar Ds L. Schouten Hzn).
De Voorhof (Exodus 27 : 9—18; Exodus 38 : 9—20) bestond uit een niet overdekte langwerpig vierkante ruimte. Hij was honderd ellen lang en vijftig ellen breed (dus ongeveer 54 bij 27 m.). De afsluiting werd gevormd door „behangselen van fijn linnen” opgehangen tussen pilaren. Er waren twintig pilaren aan de zuidzijde, evenzoveel aan de noordzijde, tien aan de west- en tien aan de oostkant. Aan elk der vier hoeken stonden twee pilaren (zie bij E). Aan de oost- of voorzijde hing in het midden een voorhangsel „deksel” aan vier pilaren (Ex. 27 : 16). De „behangselen” waren van fijn getweernd linnen, van een helder witte kleur. Zij hingen aan zilveren haken, die in zilveren banden, onder de zilveren hoofden of kapitolen van de pilaren, waren aangebracht, en hadden de hoogte van vijf ellen (Ex. 27 : 18). In het midden aan de oostzijde van de omheining van de voorhof hing een voorhangsel, dat de naam „deksel” draagt (Ex. 27 : 16): dat „deksel” was zoveel als de deur of poort door welke men in de Voorhof kwam en werd gedurende de dienst of opgebonden of ter zijde geschoven.
In de voorhof ziet men allereerst het Brandofferaltaar (B) waarvan de beschrijving gegeven wordt in Ex. 27 : 1—8; 38 : 1—7.
’t Bestond uit een grote vierkante bak of kast van sittimhout, zonder deksel en zonder bodem, van vijf ellen in de lengte, vijf ellen in de breedte en drie ellen in de hoogte. Van binnen en buiten was die bak beslagen met dikke koperen platen. Het altaar had voorts aan de bovenkant, in ’t vierkant, een platte, naar buiten uitstekende lijst of rand, de „omgang”. Uit die lijst kwamen op de vier hoeken, de „hoornen” te voorschijn. Onder de „omgang was een rooster of netwerk; daaraan hingen ringen ; die ringen dienden om daardoor de „handbomen” te steken. „Wij zijn van meening (aldus Ds L. Schouten Hzn) dat de holligheid of ’t inwendige van het altaar gevuld werd met aarde [in overeenstemming met Ex. 20 : 24], Naar Ex. 40 : 6 moest het altaar gezet worden „voor de deur van de Tabernakel” terwijl het Wasvat gezet moest worden „tussen de Tent der samenkomst en tussen het altaar.” Bij het binnentreden zag men dus eerst het Brandofferaltaar (B) dan het Koperen wasvat (C). Symboliek heeft men daarin gezien: eerst’t Altaar, en dan het Wasvat; eerst Christus tot rechtvaardiging, dan Christus tot heiligmaking. Over de vorm van het Wasvat wordt niets in de Bijbel vermeld: slechts dat Bezaleël maakte „het koperen wasvat, met zijn koperen voet (Ex. 38 : 8). — De Tabernakel (D) stond 50 el af van de oostzijde. De Tent bestond uit 48 staande „berderen” of planken van sittimhout. Daaroverheen waren vier soorten van „dekkleden” of tapijten. Het eerste kleed bestond uit „fijn getweernd linnen”; de grondkleur was wit; maar daarin was op een „allerkunstigste” wijze geweven: hemelsblauw, purper en scharlaken. Het tweede kleed was van geitenhaar. Daarover een kleed van „vellen van rammen, die rood geverfd zijn.” Het vierde of buitenste dekkleed, was naar de Statenvertaling van „dassenvellen”; vermoedelijk moeten wij verstaan „vellen van zeehonden of zeekoeien”. Dat werd aan drie kanten, door middel van koorden, en koperen pinnen, welke aan die drie kanten in de grond werden geslagen, vastgemaakt en stevig aangetrokken. — De Tent bevatte twee vertrekken: het Heilige en het Heilige der Heilige.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1184-1104

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – Het leven in het Oude Testament (37)

.

DIEREN

Dromedaris; kameel; gazelle; steenbok; onager; muildier; geit; vetstaartschaap; klipdas; kwartel; treksprinkhaan; mier; gekko (links verwijzen naar Wikipedia)

leven-o-t-177

1. Dromedaris.

leven-o-t-178

2. Kameel
Het Hebr. kent geen onderscheiding tussen „kameel” en „dromedaris”. Ook in later tijd, wanneer in de profetieën van kamelen in Babel (Jes. 21 : 7), in het Zuiderland (Jes. 30 : 6) en, bij de Arabieren (Jer. 49 : 29, 32) sprake is, wordt steeds het woord „gamal” gebruikt. Het verschil tussen de eenbultige en tweebultige kamelen is dus in de ogen van de Israëlieten niet karakteristiek geweest. Dat overigens wel aandacht aan de kamelen besteed werd, blijkt hieruit, dat er verschillende woorden zijn voor het mannelijke en vrouwelijke
kameelveulen. Zo wordt in Jes. 60 : 6a „een stroom van kamelen zal u overdekken” (vertaling Ridderbos) gebruikt het woord „beker” dat mannelijk kameelveulen betekent, en in Jeremia 2 : 33: „gij snelle heen en weder lopende kemelin” (vert. Aalders) het woord voor een vrouwelijk kameelveulen, nl. „bikra” [F. J. Bruijel].

leven-o-t-179

3. De gazelle
komt in Palestina nog voor. Het dier werd bewonderd om de snelheid; 2 Sam. 2 : 18 waar gezegd wordt van Asahel „vlug ter been als een gazel op het veld” (vert. de Groot); 1 Kron. 12 : 8 (Statenvertaling „ree”); Hooglied 2 : 17 (Statenvert. „ree”); .Jesaja 3 : 14 („En het zal geschieden: als een opgejaagde gazelle, als schapen, die niemand bijeenhoudt, zo zullen ze elk naar zijn volk zich keren, en ieder naar zijn land gaan vluchten”, vertaling Ridderbos). In het Hooglied (2 : 7; 4 : 5) is de gazelle beeld van bevalligheid. De eigennaam Zibja (voor een man 1 Kron. 8:9; een vrouw, 2 Kon. 12 : 2) en Dorkas (Hand. 9 : 36) wijst er op, dat men de naam „gazelle” ook aan mensen gaf. Het eten van het vlees was naar de wet geoorloofd (Deut. 14 : 5); daarom werd het wel gejaagd (1 Kon. 4 : 23, Statenvert. „ree”). Het was geen offerdier (Deut. 12 : 15).

leven-o-t-180

4. De steenbok
met zijn machtige horens kwam vroeger veel voor in de bergstreken van Palestina (daarom in 1 Sam. 24 : 3 „de rotsen der steenbokken” bij Engedi; en in Psalm 104 : 18: de hoge bergen zijn voor de steenbokken); nog steeds zijn zij in de rotsgebieden om de Dode Zee, waar het boek Job ook van spreekt (Job 39 : 4, steengeiten). Het wijfje van de steenbok wordt door de Arabieren om snelheid en bevalligheid bewonderd; ook de Spreuken noemen de huisvrouw der jeugd een „aangenaam steengeitje” (Spr. 5 : 19).

leven-o-t-181

5. De onager
wordt in de Statenvertaling „woudezel” genoemd. „Hij is even groot als de tamme ezel; zijn poten zijn echter mooier gevormd. Hij heeft een slanke, ietwat gebogen hals en lange, rechtopstaande oren. De manen zijn donker, terwijl het lichaam lichtgekleurd is. Een bruine, borstelige streep van haren loopt van de manen naar de staart” (F. J. Bruijel). Zij leven ongetemd in de steppe (Job 39 : 8—11); daarom wordt het vrijheidlievende volk van de nazaten van Ismaël ermee vergeleken (Gen. 16 : 12). Zij leven in de steppe en eten gras (Job 6 : 5), de wildernis is tot zijn huis besteld (Job 39 : 8); daarom is het oordeel der verwoesting volkomen als Jesaja profeteert: „Ofel en de wachttoren zullen zijn tot een vreugde der woudezels” (Jes. 32 : 14). De woudezels gewend in de woestijn (Jeremia 2 : 14; Job 24 : 5) komen ook in het boomloze gebergte voor, waar zij water drinken uit de bronnen in de dalen (Psalm 104 : 11).

leven-o-t-182

1. Het muildier
is de bastaard tussen een ezelhengst en een paardenmerrie (Esther 8 : 10). Krachtig en moedig is hij als een paard, terwijl het muildier de voorzichtige gang van een ezel bezit (Esther 8 : 14). In de dagen van David was het muildier het rijdier voor de prinsen (2 Sam. 3 : 29), 2 Sam. 18 : 9). Het is geschikt als lastdier (1 Kron. 12 : 40); Naäman wil aarde uit Israël meenemen „een last aarde van een juk muilen” (2 Kon. 5 : 17); het werd ook in het leger gebruikt (Zach. 14 : 15). De wet verbood de kruising (Leviticus 19 : 19); het is mogelijk, dat men deze dieren van elders kocht; de lieden van Togarma hadden muildierfokkerijen gelijk we lezen in Ezechiël 27 : 14: Die van het huis Togarma betaalden uw waren met paarden, en rossen en muildieren (vertaling Noordtzij).

leven-o-t-183

2. De geit
De oren zijn lang en slap neerhangend; een herder redt bij de strijd met de leeuw wellicht nog een stukje van het oor (Amos 3 : 12). De geiten hebben lang zwart haar (Hoogl. 4 : 1; 6 : 5; vandaar de zwarte tenten van geitenhaar, Hoogl. 1:5; en een geitenvel de nabootsing kon wezen van Davids hoofdhaar, 1 Sam. 19 : 15). Het vlees wordt met graagte als lekkernij gegeten (Gen. 27 : 9; Lukas 15 : 29; Richt. 6 : 19; 13 : 15; 15 : 1; 1 Sam. 16 : 20); genoegzaamheid van geitenmelk als een zegen beschouwd (Spr. 27 : 27). De geitenhuid werd benut als lederen zak; soms zelfs als armelijke kledij (Hebr. 11 : 37). Van het geitenhaar spinnen de vrouwen stoffen (Exodus 35 : 26) voor tentdoek (Exodus 26 : 7). De geitenkudden zijn meest op bergen en heuvels; vandaar de beschrijving in 1 Kon. 20 : 27, van het leger der Israëlieten „als twee blote geitenkudden”.

leven-o-t-185

3. Het vetstaartschaap
is voornamelijk gekenmerkt door de zware vlezige staart; bij het offeren werd voorgeschreven dat de offeraar zal nemen „de gehelen staart, die hij dicht aan de ruggengraat zal afnemen” (Lev. 3 : 9). De kleur van de wol is in de regel wit (Psalm 147 : 16; Jesaja 1 : 18; Dan. 7 : 9; Openb. 1 : 14; Hoogl. 6:6); met bruine of soms zwarte kop en poten; dit verklaart de overeenkomst tussen Jakob en Laban (Gen. 30 : 22). Het karakter van het schaap wordt geschetst als goedmoedig, niet zelfstandig, angstig, weerloos, geduldig in het lijden (Jesaja 53 : 6, 7; Jer. 11 : 19; Psalm 119 : 76). Het schaap was in Israël nuttig door de melk (Deut. 32 : 14; Jes.7 : 21, 22), het vlees (1 Sam. 25 : 18; 2 Sam. 12 : 4; 1 Kon. 4 : 23), en de wol waaruit kleding werd geweven (Job 31 : 19, 20).

leven-o-t-184

4. De klipdas,
een klein dier, leeft in troepen in rotsige streken (de rotsen zijn een schuilplaats voor de klipdassen, Ps. 104 : 18; vert. Noordtzij). In de Statenvert. wordt het Hebr. woord door „konijn” vertaald; in Spr. 30 : 26; Lev. 11 : 5 en Deut. 14 : 7. Wanneer men hier evenwel klipdas leest, dan blijkt de nauwkeurigheid in Lev. 11 : 5, want de klipdas „herkauwt wel, maar verdeelt de klauw niet”.

leven-o-t-186

5. Kwartel
Kwartels (vroeger kwakkel(en) trekken elk jaar in grote massa’s in vluchten voort; als zij dan uitgeput zijn, vallen zij neer en worden door de Arabieren dikwijls met de hand gevangen, omdat zij een begeerd voedsel leveren, gelijk reeds tijdens de woestijnreis: Exodus 16 : 13; Numeri 11 : 31; Psalm 105 : 40.

leven-o-t-187

1. Gevleugelde treksprinkhaan

leven-o-t-188

2. Treksprinkhaan
in het laatste ontwikkelingsstadium. De schade wordt vooral veroorzaakt door de treksprinkhanen, die in geweldige massa’s op bepaalde tijden neerstrijken. Daarom wordt de ontelbaarheid van een leger als van de Midianieten voorgesteld als „de sprinkhanen in menigte” (Richt. 6: 5) of de heerscharen die Egypte overmeesteren als „meerder dan de sprinkhanen, zodat men hen niet tellen kan” (Jer. 46 : 23). Zij trekken in geweldige vluchten, zij hebben geen koning „toch trekken zij gezamenlijk in goede orde op” (Spr. 30 : 27; vertaling Gemser):
=Als helden snellen zij aan, als krijgslieden beklimmen zij de muur, ieder blijft in het gelid, niemand wijkt af van zijn route.
Geen, die zijn nevenman verdringt, elke krijger houdt zijn koers. Door wapens heen stormen zij voort, van afgesneden worden geen sprake, geen bres in hun gelederen.
In de stad dringen zij binnen, de muren bestormen zij, tegen de huizen klimmen zij op; door de vensters sluipen zij binnen als een dief. (Joel 2 : 7—9; vert. Bleeker).

Verchrikkelijk is de verwoesting: als de hof van Eden is het land vóór hen, en achter hen een ledige woestenij, en niets ontkomt aan hen (Joël 2:3; vert. Ridderbos). Daarom zijn de sprinkhanen vaak het beeld van het goddelijke strafgericht (Deut. 28 : 38; Amos 4:9; „al vreet de sprinkhaan vele van uw hoven” vert. Ridderbos; Amos 7 : 1). In Palestina worden zij aangejaagd door de zuidoostenwind (Joël 2 : 20; vgl. Ps. 109 : 23). In Joël 1 : 4 wordt gezegd:

Wat de knager overliet, vrat de sprinkhaan op
en wat de sprinkhaan overliet, vrat de verslinder op
en wat de verslinder overliet, vrat de afvreter op (Vert. Bleeker).

De vier, (in het Hebreeuws gebruikte) namen, geven wellicht de vier op elkander volgende ontwikkelingsstadia weer.

leven-o-t-189

3. Mieren:
mannetje (3a); wijfje (36); werkster (3c); de laatste links vergroot, rechts op natuurlijke grootte. In Palestina leven 31 soorten mieren. De Spreukendichter stelt de mieren als voorbeeld: want de mier bereidt haar brood in de zomer en vergadert haar spijze in de oogst (Spr. 6:8). Zij bereiden in de zomer haar spijs (Spr. 30 : 25); de soorten mieren, die zich met plantenvoedsel voeden, met name plantenzaden, kunnen in de winter niet voldoende vinden en daarom moeten zij voorraad maken in de zomer.

leven-o-t-190

4. Gekko.
De Statenvertaling heeft in Spr. 30 : 28: De spinnekop grijpt met de handen en is in de paleizen der koningen. De vert. van Prof. Gemser luidt echter: „De hagedis laat zich grijpen met de handen; toch dringt zij in des konings paleizen door.” Wij zullen hier bij hagedis moeten denken aan de „gekko”: die komt in de huizen voor. Bruijel meldt hiervan: Aan de onderzijde van de sterk verlengde tenen hebben zij meestal z.g.n. hechtschijfjes, waardoor zij in staat zijn, in alle richtingen langs de muren te lopen. Zo is het dus als Dr Gemser omschrijft: „De hagedis, die zo onhoorbaar tegen de muren oploopt, om zijn voedsel te zoeken, kan zonder gevaar met de hand worden beetgepakt. Hoe gering ook, hij weet zich toegang te verschaffen, waar vele mensen niet kunnen komen.”

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1178-1098

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (35)

.

BOMEN EN STRUIKEN

amandelboom; ceder; dadelpalm; granaatappelboom; Johannesbroodboom; mirre; nardus; olijfboom; terebint; vijgeboom; wilde vijgeboom; 

Grohmann over de dadelpalm
meer over mirre op deze blog
.

leven-o-t-158

1. Vellen van „cederen” op de Libanon.
Farao Sethos I had bevolen op de Libanon bomen om te hakken, om een groot schip (Nijlschip) voor de tempel van Amon te maken. „De grote vorsten van de Libanon” dragen lange mantels met schouderkragen. De bomen moeten cederen voorstellen; zij worden dicht bij de grond met bijlen gekapt en met touwen omgetrokken.

leven-o-t-159

2. Assyrische soldaten vellen bomen.
Toen Salmanassar in de strijd tegen Hazaël wel de Syrische koning tot terugtocht dwong, maar de stad Damaskus niet kon overmeesteren, liet hij in zijn toorn de palmbomen vellen, die de stad, zoals nu nog, omgeven; hij verwoestte de ganse landstreek tot Hauran. Zo ’n beeld geven ook soldaten van Sanherib, die met bijlen (a) de palmen omhakken; onder de bladerenkroon hangen de vruchten (b); langs de palmentuin is een kanaal (c) waarin vissen zwemmen. Het vellen van vruchtbomen bij een belegering was voor Israël in de wet verboden (Deut. 20 : 19). Maar het oude volk heeft wel ervaren, dat vijanden het deden (Jesaja 14 : 8).

leven-o-t-160

3. Terebint.
De terebint of terpentijnboom (in de Statenvertaling „eik” genoemd) is een der mooiste bomen van Palestina. Hij staat gewoonlijk op zichzelf en trekt daardoor altijd de aandacht. Bovendien geeft het dichte gebladerte in de zomer een donkere schaduw. Hosea 4 : 13 noemt als een boom waarvan „de schaduw goed is” de terebint; die schaduw is alleen in de zomer, want de terebint is de boom, waarvan het in Jesaja 1 : 30 heet „welks bladeren afvallen”. De grootse kroon en de dichte schaduw hebben de menschen in de oudheid zeer geboeid. „Niemand kan zeggen hoeveel stemmen een boom heeft, als hij zich niet uit de stilte der grote woestijn daarheen begeven heeft” (G. A. Smith). Tienmaal wordt in het Oude Testament afkeurend gesproken (het eerst in Deut. 12 : 2) van de afgodendienst „onder alle groene boom”. De bekoring heeft ook Israël bevangen: „zij zondigden op iedere hoge heuvel en onder iedere groene boom.” In de schaduw van de terebint werd afgoderij gepleegd; de profeet zegt in de naam Gods: Gij zult ervaren, dat Ik de Heere ben, wanneer hun verslagenen midden onder hun schandgoden liggen rondom hun altaren op iedere hoge heuvel, op al de toppen der bergen en onder iedere groene boom, en onder iedere dichtgebladerde terebint, ter plaatse waar zij aan al hun schandgoden offers brachten (Ezechiël 6 : 13 vertaling Noordtzij). De terebint komt ook onder Israël wel als heilige boom voor: de „eik” bij Sichem (Genesis 35 : 4; Jozua 24 : 26) de „eik die te Ofra is” (Richt. 6 : 11) bij Jabes (1 Kron. 10 : 12) zijn terebinten. In het Eikendal (1 Sam. 17 : 2) zijn nog steeds terebinten.

leven-o-t-161

1. Vijgeboom.
De vijgeboom is een statige boom; onder het dichte loverdak kan men aangenaam rusten (Joh. 1 : 49). In november vallen de bladeren af, doch reeds in januari ziet men knoppen en in het vroege voorjaar zwellen deze aan (Hooglied 2 : 13); in maart gaan de bladeren uitspruiten en weet men, dat de zomer nabij is (Mattheus 24 : 32). Zodra de boom in het blad is, zijn er al vroege vruchten, die onrijp gegeten worden (Jes. 28 : 4); deze werden evenwel gemist aan „de verdorde vijgeboom” (Matth. 21 : 19). Wanneer in mei de jonge zomervruchten gezien worden, vallen de vroege vijgen af (Nahum 3 : 12; Openbaringen 6 : 13).

leven-o-t-162

2. Blad, vrucht en bloemen van de vijg.
De tekening vertoont een takje van de gewone vijgeboom; boven een bebladerd takje met de vrucht de vijg (a); links deze schijnvrucht (b) in overlangse doorsnede daaronder, en rechts een mannelijk (c) en vrouwelijk bloempje (d). Bij deze bomen zijn de éénslachtige bloemen, mannelijke en vrouwelijke bij elkaar, geplaatst aan de binnenzijde van een holle bloembodem, die zijdelings uit een tak ontspringt, zich vergroot eri holler wordt, tot eindelijk de peervorm is aangenomen. Dit vruchtlichaam is de eetbare vijg; de eigenlijke vruchtjes zijn de in het inwendige gelegen korreltjes. De vijgebladeren zijn dik; als men in de dichte bladeren een scheur maakt, loopt er een slijmerig sap uit, zodat de bladeren gemakkelijk aan elkaar kleven en zo voor de eerste voorouders een schort konden vormen (Gen. 3 : 7).

leven-o-t-163

3. Zeer oude olijfboom.

leven-o-t-164

4. Bloeiende olijftak.

Evenals vele andere bomen uit het Middellandse Zeegebied is hij altijd groen. In de winter vallen dus de bladeren niet af; wel worden in de loop van ongeveer drie jaren alle bladeren geleidelijk door nieuwe vervangen. Het altijd groen zijn van de olijfboom is dan ook het mooie beeld van Psalm 52 : 10. „Maar ik ben als een groenende olijfboom in Gods huis” (vertaling Noordtzij). De bladeren lijken veel op wilgenbladeren (a). Aan de bovenzijde zijn ze matgroen, met een dikke, lederachtige opperhuid bedekt, waardoor de verdamping beperkt wordt. Aan de onderzijde zijn ze om dezelfde reden met fraaie stervormige haren (vervormde opperhuidscellen) bedekt, zodat deze kant witachtig ziet. —
Begin mei is in Palestina de bloeitijd van de olijfboom. Dan komen in de bladoksels en aan de uiteinden der jonge takjes korte trossen met kleine witte bloempjes (b) te voorschijn, die nagenoeg geen geur verspreiden. Na de bestuiving door insecten zetten ze spoedig vrucht. In sommige jaren komt er in het geheel niets van terecht en worden alle bloemen afgeworpen, eer van vruchtvorming sprake is (Job 15 : 33). De vruchten zijn steenvruchten en hebben de vorm en bouw van een spitse pruim. In september hebben de olijven ongeveer hun volle grootte bereikt; ook het oliegehalte is in de laatste maand sterk toegenomen. Omstreeks begin oktober kan de eigenlijke oogst beginnen. Dan is de boom op zijn mooist en zo beschrijft Jeremia hem dan ook als beeld van het uitverkoren volk: Een groene olijfboom, schoon door welgevormde vrucht, noemde de Heere uw naam” (Jeremia 11 : 16a; vertaling Aalders). Zelfs op schrale, rotsachtige bodem wil de olijf groeien en verwerkelijkt zo de toezegging „Olie uit de kei der rots” (Deut. 32 : 136). [F. J. Bruijel, Bijbel en Natuur].

leven-o-t-165

1.De dadelpalm
is een 10—20, soms zelfs tot 50 m. hoge boom. Aan de top van de stam bevindt zich een kroon van 40—60 donkergroene bladeren, die geveerd zijn, tot 3 m. lang worden en dus „palmtakken” (a) genoemd mogen worden. Een dadelpalm begint gewoonlijk na ongeveer 10 jaar vrucht te dragen en heeft dan elk jaar 6 a 10 vruchttrossen, die elk honderden dadels tellen. In vroeger tijd droeg Jericho met recht de naam van de Palmstad (Deut. 34 : 3). Palmen vond men ook in de oase van Engedi aan de westkust van de Dode Zee. Engedi droeg ook de naam Hazezon-Thamar (Gen. 14 : 7) d. w. z. „de plaats van het palmensnijden”.
De boom is het beeld van de rechtvaardige (Ps. 92 : 13). Bij de instelling van het Loofhuttenfeest (Lev. 23 : 40) wordt het palmblad genoemd als een der bestanddelen van de „feestruiker” waarmee men vol blijdschap voor het aangezicht des Heeren verscheen en blijkbaar is het palmblad (palmtak) een zeer belangrijk bestanddeel ervan geweest, daar de feestruiker, de loelaab in het Hebreeuws ernaar genoemd werd. De palmtakken golden als symbool voor de overwinnaar (Openb. 7 : 9); en toen de Heere Jezus Zijn intocht hield in Jeruzalem namen de scharen takken van palmboomen en gingen uit Hem tegemoet (Joh. 12 : 13).

leven-o-t-166

2. Granaatappelboom.

leven-o-t-167

3. Tak, bloem, vrucht van de granaatappel.
Wanneer in de Bijbel wordt gesproken van de belangrijkste bomen en vruchten, wordt de granaatappel daarbij genoemd (Deut. 8:8; Haggai 2 : 20; Joel 1 : 12). De boom geeft geen schaduw; als van Saul wordt vermeld dat hij onder een granaatboom zit (1 Sam. 14 : 2), is hij daar niet om de schaduw, maar omdat het een „heilige boom” is. In het voorjaar hult de boom zfch in bladerentooi, als de voorjaarsregens eindigen. Het is in de lentetijd, dat de bruidegom uitgaat in de notenhof om te zien, of de granaatbomen uitbotten (Hoogl. 6 : 11).
De granaatappel is een donkerrode vrucht (uw wangen zijn als een stuk van een granaatappel tussen uwe vlechten, Hooglied 6 : 7); de bruid stelt als iets heerlijks voor „het sap van mijn granaatappelen” (Hooglied8 : 2).
De „granaatappel” is een rode appelvormige vrucht; eigenlijk is het een bes, die na rijping openspringt en dan zijn vruchtvlees toont, waarin donkerrode sappige kernen zijn (Hoogl. 4 : 3). Uit het sap van de vrucht wordt granaatappelwijn gemaakt (vgl. Hoogl. 8:2). Om de mooie vorm dienden de granaatappelen als model voor de versiering der koperen zuilen in Salomo’s tempel (1 Kon. 7 : 18, 42; Jer. 52 : 22, 23) en aan de zomen van de mantel van de hogepriester (Exodus 28 : 33, 34).

leven-o-t-168

4. Wilde vijgeboom of sycomore.
Dit is een boom, die zich reeds dicht bij de grond vertakt, in horizontale takken: daardoor kon men er gemakkelijk in klimmen (Lukas 19 : 4); het mooie bladerdak geeft veel schaduw. De boom groeit in een warm klimaat, dus niet in het bergland, maar in de laagvlakte („wilde vijgebomen die in de laagte zijn”: 1 Kon. 10 : 27; 1 Kron. 27 : 28), in de warme Jordaanvallei (Lukas 19 : 4) en in Egypte (Ps. 78 : 47). De kleine vruchten worden gegeten (Amos 7 : 14).

leven-o-t-169

1. De Johannesbroodboom
(zo genoemd, omdat men wel heeft gedacht, maar zonder bewijs, dat Johannes de Doper de vruchten at) is een boom, die het midden houdt tusschen een groote bremstruik en een forse acacia. De boom ontleent zijn Latijnse naam (Ceratonia) aan de vorm van de peulen, die wat hoornig zijn. De boontjes uit de zwarte peulen, werden voorheen gebezigd als gewichten. Zo’n gewicht heette naar keration, karaat. Nog gebruikt de juwelier dit woord bij goud en diamanten. Zo schreef eens Prof. van Veldhuizen en hij vervolgde: Nu denk ik aan de verloren zoon. Volgens Lukas 15 : 16 begeert deze zijn buik te vullen met de draf der zwijnen, maar niemand gaf hem die. Men vraagt: Kon hij er dan niet van nemen? Er was hongersnood. De zwijnen moesten zoveel mogelijk hun eigen kost opzoeken onder zijn leiding. ’s Avonds werden ze bijgevoederd. Dan kon hij toezien. Het was voor de eigenaars van meer gewicht, dat de zwijnen doorvoed waren, dan of hij ondervoed was. Wat door draf werd vertaald, waren die keration in het Grieks, de vruchten van de Johannesbroodboom.”

leven-o-t-174

2. Tak van de amandelboom.
Vrucht (a), bloemen (b). De amandelboom is reeds zeer vroeg in het jaar aan het bloeien; in Januari begint het uitbotten, in februari ziet men de bloemen: een prachtig gezicht in een tijd, dat er nog sneeuw kan vallen. Jeremia (1 : 11) zag eens een amandelroede (maqqêl saqëd) een amandeltak en moest hieruit leren, dat God wakker (soqëd) is over Zijn Woord. Inderdaad: de amandelboom schijnt niet te slapen; de boom is wakker — en daarom past de boom goed voor dit beeld. Dat de staf van Aaron in één nacht bloemen had, (Numeri 17 : 8) hangt met het feit, dat deze een amandeltak was, samen. De bloemen zijn eerst blozend-rood, dan wit: daarom is de bloem ook een beeld van de grijsheid (Pred. 12 : 5). De amandel werd geteld onder het loffelijkste van het land (Gen. 43 : 11). De amandelnoten dienden als voorbeeld voor de versiering van de gouden kandelaar (Exodus 25 : 33, 34; 37 : 19, 20).

leven-o-t-175

3. Mirre. Het hars van deze plant werd op hoge prijs gesteld; deze mirre was een bestanddeel van de heilige zalfolie (de zuiverste mirre, specerijkaneel, specerijkalmus, kassie, olie; Exodus 30 : 23) om de liefelijke geur (mijn vingers drupten van vloeiende mirre; Hoogl. 5 : 5). De mirre vormde een parfum of reukwerk voor kleren (al uwe klederen zijn mirre, en aloë en kassie; Psalm 45 : 9; vgl. Hoogl. 3 : 6) en bedden (Spr. 7 : 17). „Mirre-olie” was een schoonheidsmiddel (Esther 2 : 12). De mirre werd wel meegedragen in reukflesjes (Jes. 3 : 20) of in een bundeltje op de borst gedragen (Hoogl. 1 : 13). Mirre vormde met goud en wierook het geschenk der wijzen uit het oosten (Matth. 2 : 11). Nicodemus bracht een mengsel van mirre en aloë voor de begrafenis van Jezus (Joh. 19 : 39). Ook was mirre gemengd in de wijn bij het Kruis (Markus 15 : 23).

leven-o-t-1764.Nardus
De plant levert uit de wortel de in een albasten fles bewaarde nardus (Markus 14 : 3; Joh. 12 : 3). Wanneer uit Hoogl. 1 : 12; 4 : 13, 14 wordt afgeleid, dat nardus ook in tuinen van Palestina gekweekt werd, moet men wellicht aan een valeriaangewas denken. Het is dikwijls moeilijk te weten, welke planten in de Bijbel bedoeld worden.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1164-1085

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament ( 34)

.

GRAVEN

leven O.T. 153

1. 2. 3. Graven. De Israëlieten achtten het een eer in een familiegraf te worden bijgezet (Gen. 49 : 31, 1 Kon. 13 : 22). De graven werden uitgehouwen in grafkamers. Er waren drieërlei graven. 1. Boog-bankgraf, waarbij onder een boogvormige nis (a) zich een bank (b) in de rotswand bevindt; aan het ene einde is een schuin oplopende verhoging (c) welke als hoofdkussen voor de dode bedoeld is. Een lijk ligt op de bank dan open en bloot, en wordt minder goed bewaard dan in het troggraf.

leven O.T. 154

2. Troggraf.
Dan maakte men een nis in de rotswand en daaronder een horizontale schacht (a), ongeveer ter grootte van het lijk; zo’n troggraf had dan de vorm van een steenkist. Wanneer men dan bovendien nog boven dit graf een ronde nis maakt (als bij het boogbankgraf) heeft men het trogbooggraf of arcosolium (wat vaak voorkomt in catacomben).

leven O.T. 155

3. Schuifgraf.
Er worden in de wand dan gangen gemaakt, waarvan de lengteas loodrecht staat op de rotsmuur. Men schoof er de lijken in, zodat de voeten naar voren lagen. De geringe breedte maakt het mogelijk het graf door een platte steen af te sluiten. Alle deze drie soorten graven komen voor in grafkamers. In zo’n grafkamer kwam men door eerst te treden in

leven O.T. 156

4. een voorhal
van het grafvertrek; een kleine deur (a), geeft de toegang. Deze voorhal is even breed als de grafkamer (wat ook in nummer 5 goed te zien is). De ingang is zeer klein, men zal zich moeten bukken om in de grafkamer te komen (Lukas 24 : 12; Joh. 20 : 11). Vaak is voor de ingang een gleuf of goot; daarin past een steen; deze steen wordt voor het graf gewenteld (Markus 16 : 3); soms is deze steen rond (tekening 5c).

leven O.T. 157

5. Het model van een grafkamer met voorhal toont duidelijk de voorhal (a) de „deur” van de grafkamer (b) en de steen (c). Leerrijk is het hierbij na te gaan, wat de Evangeliën zeggen over het graf van Jezus. Men kwam van de voorhal in de grafkamer (Joh. 20 : 1, 3, 5, 6, 8). Het graf had vermoedelijk een open voorhal. Dan moest men zich bukken om door de ingang van het graf iets te zien (Luk. 24 : 12; Joh. 20 : 11), de ingang was dus laag. Men zag dan direct in de grafkamer; er was dus geen voorhof tussen voorhal en grafkamer. Aan de rechterzijde was een zitplaats (Mark. 16 : 5, en de Engelen zitten aan het hoofd en het voeteneinde van de plaats, waar het lichaam van Jezus gelegen had (Joh. 20 : 12); het kan dus geen schuifgraf geweest zijn. Als de discipelen naar binnen kijken, wordt niet gezegd dat zij het graf leeg zien (wat bij een bankgraf direct in het oog zou vallen) maar dat zij de doeken ontdekken (Lukas 24 : 12, Joh. 20 : 7); dus zal het een troggraf zijn geweest. Nu zijn er in de nabijheid van Jeruzalem de z.g. graven der koningen van de koninklijke familie van Adiabene uit de eerste eeuw; daaruit kan men zien hoe de graven der rijken (vgl. Jes. 53 : 9) waren; men mag eruit afleiden, dat het bankbooggraf en het trogbooggraf in die tijd in Jeruzalem gebruikelijk zijn. Het is aan te nemen, dat de rijke Jozef van Arimathea (Matth. 27 : 57) die een raadsheer was (Markus 15 : 43) het graf zo goed mogelijk gemaakt heeft naar de beste van die tijd; dan zou hij een trogbooggraf of arcosolium hebben laten maken.

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1160-1081

.