Categorie archief: jaarfeesten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (14)

.

MICHAËLSTIJD

De Michaëlstijd is aan de gang. De warme mooie zomer – een echte dit jaar* – gaat over in de herfst. Grilligheid en afwisseling kenmerken deze overgang. Nu een verrukkelijk helder zoel en windstil weer waarin felgekleurde dahlia’s en chrysanten wedijveren met afrikaantjes, petunia’s en late rozen. De hemel is blauwgewassen, maar pas op! Achter je rug stapelen zich loodgrijze wolken op. Pats! een hagelsteen, nog meer hagel, een wolk grijswitte hagelstenen komt op je af, ranselen en tikken, roffelen en rrrrt! ineens is het weer uit. Een venijnige wind steekt op. Maar tegen de vuile lucht is een regenboog zicht­baar. Verderop prijkt nog een stukje prachtig blauwe lucht tussen de gore room­gele kammen van dikke wolkgevaarten.

In de morgen stille, grijze nevelsluiers, een warme zon boort zich erdoorheen. Maar al gauw stortregent het uit effen donkergrauwe lucht, uren lang. In de stille, zeer heldere nacht jagen de vallende sterren langs de hemel als een verstild en vertraagd vuurwerk. En zo gaat het door. De bomen gaan kleuren, blade­ren dwarrelen rood,  geel, bruin. De natuur sterft. Wat een tijd voor overpeinzing, twijfel, angst. Toch ook een tijd om krachtig en met moed aan het werk te gaan. Maar is het niet al jaren en jaren lang in de wereld herfst? Een wereldherfst waarin alle tegenstellingen tussen mensen en volken, tussen religies en wereld­beschouwingen voortdurend scherper schijnen te worden, waarin alles dwingt om al voortrennende partij te kiezen:   vooruit, vooruit, tempo, tempo: Nu, die wereldherfst is dan ook een Michaëlstijd. Michaël? Wat heeft dit wezen ons nog te zeggen? Nog? Of nog niet? Of misschien juist weer?

In de afgelopen zomer door Frankrijk toerend, kwam ik enige malen met Michaël in aanraking. Rijdend naar de Loire, kwamen we langs Angers, een flinke stad, iets groter dan Leiden. Op een hoek van het stadscentrum staat een machtige burcht met zeventien ronde, dikke torens van blauwzwarte leisteen. In dit geduchte bouwwerk bevindt zich een van de grootste en meest interessante wandtapijten van de we­reld .

Op dit wandtapijt – oorspronkelijk waren er 98 tonelen, in 7 groepen van 14, met een totale lengte van 144 meter – is de gehele openbaring of Apokalypse van Johannes in beeld gebracht.

De ontwerper was een Zuidnederlander, Heiniken van Brugge, de wever Nicolas Bataille, die vijf jaar aan dit geweldige kunstwerk besteedde voor het in 1380 klaar was.

Het aangrijpende en boeiende verhaal op de voet volgend, zag ik het tapijt met de vrouw die een kind moet baren. Zij wordt bedreigd door de “grote draak”. Het kind wordt geboren en ook bedreigd door het ondier. En vervolgens kwam het tapijt met Michaël.

Hij duikt op uit een azuurblauwe hemel. Een schare opgewekte engelen heeft onder zijn aanvoering de bewolkte hemelranden opengerold en steekt en prikt naar omlaag, waar de zevenkoppige draak en een brutaal opspringend drakenjong zich bevinden, ter aarde geveld.

Een engel links wijst goedig op een fraai gekronkelde banderol aan, wat er alle­maal gebeurt. Johannes kijkt er peinzend naar. De tekst uit de Openbaring luidt:

“En er ontstond strijd in de hemel. Michaël en zijn engelen streden tegen de draak; en ook de draak streed met zijn engelen tegen hem, maar behaalde de overwinning niet en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden.

Vervolgens werd hij neergeworpen, de grote draak, de oude slang die men Duivel en Satan noemt, hij die de gehele wereld verleidt, neergeworpen op de aarde en zijn engelen met hem”, Op. 12: 7-8. Interessant en veelbetekenend is het dat het beeld van de hemelse strijd waarin Michaël als veldheer optreedt, onmiddellijk volgt op dat van het bedreigde kind en de bedreigde moeder.

Het is dus nog zo gek niet dat de vrijescholen Michaël als hun schutspatroon beschouwen. Het kind wordt steeds bedreigd en zeker in onze tijd. De Openbaring is een toekomstbeeld en wordt dan ook steeds actueler. Het is misschien wel moeilijk om de oude beeldentaal te “lezen” en in verband te brengen met hoogst moderne strevingen en middelen. Want de drakenkrachten kunnen zich heel intelligent vermommen als “algemeen welzijn”, “algemene opinie” of “moderne en progressieve visie”.

Michaël is juist die kracht, die ontmaskeren kan.

Het is niet zo eenvoudig in te zien dat de drakenkrachten zich juist van het zo hoog geschatte en vereerde menselijke verstand hebben meester gemaakt! Wat wil dat verstand allemaal niet voor het kind doen: Het is echter niet terstond duidelijk dat al dit verstand, al deze intelligentie, ontmaskerd kan worden als dienaar van het meest krasse egoïsme, dat zich opsiert en opblaast als “sociale gerechtigheid”, “moderne, wetenschappelijke pedagogie”; dat spot en verachting afroept over “oude, verouderde, slome aanpak”; en dat vooral ieder wil inprenten, dat er zo weinig tijd is dat men vooral moet opschieten, “dat er geen tijd te verliezen is”.
Michaël ontmaskert deze drakenkrachten met een ander soort intelligentie die ook tot de menselijke mogelijkheden behoort.

Krachtig houdt hij de weegschaal vast, waarvan de ene schaal naar boven wil en de andere naar beneden.

Het doorzien van de krachten, die de mensenziel steeds omhoog willen trekken in opgeblazen hoogmoed, leidt tot inkeer, eenvoud en bescheidenheid. Het doorzien van de krachten, die de ziel in tijd en ruimte willen kluisteren, leidt tot warm en­thousiasme, innerlijke rust en moed.

Door zelf naar deze andere intelligentie te zoeken krijgt men deel aan de Michaël-kracht, die de draak verdrijft en het kind behoedt.

(P.C.  Veltman, vrijeschool Leiden, *nadere gegevens onbekend)

Michael 25 uit Angers

Bron: Remi Jouan – Photo taken by Remi Jouan, CC BY-SA 3.0,

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.
261-246

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (13)

.

GRENZEN VAN DE GROEI EN GROEI VAN DE GRENZEN

 De Michaëlgedachte in deze tijd

De vraag naar de zin van het bestaan is voor steeds meer mensen gelijk aan de vraag naar de overlevingskansen van de mensheid, vooral sinds de Club van Rome halverwege de jaren zestig het geruchtmakende rapport ‘Grenzen aan de groei’ publiceerde. Veel mensen be­leefden dit als de zwanenzang van de
in­dustriële maatschappij, als het slotak­koord van het loflied op de ongeremde vooruitgang.

Het ‘doemdenken’ stak de kop op, het spook van het fatalisme, dat Rudolf Steiner het meest bedenkelijke symptoom van deze tijd heeft genoemd [1]. Tegelijk met het fatalisme diende zich een twee­de verschijnsel aan: de angst.

‘Wo Gefahr ist, wächst das Rettende auch’, heeft Hölderlin eens gezegd. (Waar gevaar is, neemt ook ‘het reddende’ toe). Om dit ‘reddende’ te herkennen is echter een innerlijk, grensoverschrijdend ge­baar nodig. Het kan niet onze bestem­ming zijn om eenmaal gegeven grenzen voor lief te nemen. Het gaat erom dat we die grenzen die we graag aan de externe omstandigheden toeschrijven, maar die we onszelf meestal opleggen voort­durend verruimen, dat we werken aan de ‘groei van die grenzen’.

De ‘grenzen van de groei’ wijzen op de bestemming, het wezen, van de mate­rie. De ‘groei van de grenzen’ wijst op de tegenpool daarvan: de werkzaamheid van de geest. Wie zich aan de ene of de andere pool vastklampt, gaat stagnatie en verstarring tegemoet. We moeten juist in en met de tegenstelling van geest en materie leren leven.
In zijn autobiografie zegt Rudolf Steiner dat dit hetzelfde is als ‘begrip voor het leven hebben [2].

Kijken we naar het veranderende beeld van de natuur in de loop van het jaar, dan is de zomer de tijd waarin we sterk in de natuur opgaan, de tijd van ‘natuurbewustzijn’. In de herfst spelen zich in de natuur veranderingen af, waar we al­leen bij aan kunnen sluiten als we ons bewustzijn veranderen. Zelfbewustzijn in plaats van natuurbewustzijn is nu aan de orde, aldus Rudolf Steiner in zijn voordracht van 5 oktober 1923 (de zogenoemde Michaël-imaginatie [3]. Het signaal tot die verandering gaat van de natuur zelf uit. In de nazomer doortrekken de vallende sterren de hemel met meteoorkrachten, met meteoorijzer. Hetzelfde proces dat daar tussen hemel en aarde plaatsvindt, speelt zich ook af in de mens: “wanneer in ieder bloedli­chaampje de ijzerverbinding schiet. Daarbij gebeurt “heel in het klein, minutieus hetzelfde als wanneer de meteoor­steen lichtend, stralend door de lucht naar beneden suist”, heet het in de ge­noemde voordracht.

Zo is het meteoorijzer de bemiddelaar tussen natuurbewustzijn en
zelfbewust­zijn, en het is tegelijkertijd de substantie die in het menselijk organisme de angst te lijf gaat [4]. De dichte materie van het ij­zer roept in de mens namelijk de tegen­beweging op: de beweging naar de geest. Het is het ijzer dat we smeden en aan ons uiterlijke bestaan dienstbaar maken. En het is hetzelfde ijzer dat in ons innerlijk de redding brengt: dat in plaats van angst en fatalisme, onze ini­tiatiefkracht doet groeien.

[1]   ‘Der Fatalismus als Zeitschädling’ in Aufsätze über die Dreigliederung des
sozialen Organismus, GA 24, blz. 163 e.v.
[2]  Mijn levensweg, Zeist 1993, hoofdstuk 22. Nederlandse vertaling
[3]  Das Miterleben des Jahreslaufes in vier kosmischen Imaginationen, GA             229. Nederlandse vertaling
[4] Rudolf Steiner spreekt hier van ‘Entangstigung’ van het bloed.

Michaël illustratie

(Weledaberichten nr.163, sept. 1994, vrij vertaald en bewerkt naar Walter Kugler, Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, Dornach)

Michaël meteoorijzer 2

Meteoorijzer (Ferrum sidereum).
Tot de verschillende vormen van ijzer die in sommige Weleda geneesmiddelen worden verwerkt, behoort ook een zeer bijzondere ijzersoort. Deze is niet op de aarde ontstaan maar heeft een kosmische oorsprong.

IJzer is een zeer verbreid element. De bruine kleur van de grond is bijvoorbeeld hieraan te danken. In de natuur vindt men echter alleen de roestbruine verbindingen en zouten van het ijzer. Het zuivere metaal treft men praktisch nergens aan. Een uitzondering is het meteoorijzer. Er zijn op vele plaatsen kleine en grote, soms vele tonnen zware exemplaren gevonden, die vroeger door de mensen vol eerbied werden bekeken.

In de oudere literatuur wordt dit “uit de hemel gevallen” ijzer zelfs “menslievend” genoemd, omdat er nooit iemand door een vallend stuk meteoorijzer zou zijn gewond.

Meteoorijzer bevat behalve ijzer en nikkel nog een kleine hoeveelheid kobalt. Een kenmerk ervan is zijn grote hardheid en taaiheid, het is moeilijk te bewerken. Vroeger, toen men gelegeerd staal nog niet kon vervaardigen, was meteoorijzer de enige beschikbare grondstof. Het zwaard van Siegfried, de moedige legendarische held die geen vrees kende, was uit dit kosmische metaal gesmeed.

Er bestaat een beproefde methode om zich van de echtheid van meteoorijzer te overtuigen: men slijpt het ijzer ergens een beetje glad, polijst die plek en bedruppelt die met een verdund zuur. Als het echt meteoorijzer is, worden er heel typerende lijnen zichtbaar, de zogenaamde figuren van Widmannstatten.

(Weledaberichten, nr.142, sept. 1987)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

(Meteoor)ijzer

Meteoorijzer: in mineralogie

.

260-245

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (12)

.

IJZER, ZWAVEL EN HET MICHAËLSFEEST

Dit stukje moet u niet alleen met uw intellect willen begrijpen. Probeert u de beelden mee te beleven en u alles levendig voor te stellen, dan kunt u zelf het verband tussen ijzer, zwavel en het Michaëlsfeest aan­voelen.

Het is een zomerdag. De lucht trilt van hitte. Ik lig in het bloedhete zand en voel me volkomen opgenomen in de zomerse warmtesfeer. Bewust denken doe ik niet meer, ik ben één met vurige warmte.
Een ander beeld: ver van de storende stadslichten op een verlaten landweg kijken wij naar de augustushemel. Stille stralende heldere sterren. Opeens schiet daar een lichtende streep door het luchtruim en weer een en weer een. Meteorenregen, een adembenemend gezicht!
Het wordt september. Een krachtig blauwe lucht met scherp afgetekende wolken. Dan weer zien wij donkergrijze, bijna zwarte grillige vormen. Als dreigende duistere monsters bewegen zij langs de hemel. Maar daar breekt weer het licht door en de zon straalt ons weer toe.
Een machtig beeld dat ons doet denken aan draken en Michaël.

Zwavel
Sulpheros in het Grieks, solferus in het Latijn, dat is zonnedrager. Maar u herinnert zich wel uit oude sprookjes: ik loop op een eenzaam heidepad. Daar ontmoet ik een wonderlijk heer. Ik ruik een rare zwavellucht en zie een staart onder zijn jas uitkomen, en zijn voeten zijn eigenlijk hoeven. Gauw sla ik een kruis en zeg een gebed. Met een donderend geweld opent zich de grond en de duivel verdwijnt. – Van oudsher is de zwavel ook in verband gebracht met duivel en hellevuren.

Zwavel vinden wij als mooie gele kristallen of zachtgele stenen in de buurt van vulkanen. Met een geweldige chaos en verzengende hitte breekt het vuur uit de aarde, dood en vernietiging brengend, giftige gassen verspreidend. Maar als alles tot rust is gekomen is er een vruchtbare grond ontstaan. Wij zien hier de zonne- en duivelse kant van de zwavel.

Wanneer wij mooi geel zwavelpoeder verhitten, smelt het eerst, de kleur wordt steeds donkerder en duisterder, dan komt er een geheimzinnige blauw-paarse vlam, en een giftig gas slaat op onze keel. Gieten we deze brandende vloeistof snel uit in water, dan kan daar een luguber monster ontstaan dat onder water nog dreigend beweegt. Eenmaal hadden wij het beeld van een echte draak, met kop en vleugels.
In het menselijk lichaam speelt de zwavel een rol bij de eiwitstofwisseling. Hij activeert de levens­processen, helpt mee zodat het geestelijk mensenwezen kan leven in het fysieke lichaam. Maar wanneer deze zwavelkrachten te sterk worden en ook gaan werken in het gebied van het hoofd, verliest de mens het vermogen, bewust waar te nemen en helder te denken. Het bewustzijn wordt dof. De mens leeft dan teveel in zijn begeerteleven. De zwavel moet in toom gehouden worden.

IJZER
Als kind woonde ik bij een smidse. Dat was een feest! Laaiende loeiende vlammen! En als de smidshamer toesloeg sprongen de vonken alle kanten uit! Wij blazen op school ijzerpoeder in de vlam. Eerst veel. Een fantastische meteoren­regen. Nu wat voorzichtiger. Wat zien we? Oranjegele streep­jes, niet overal even dik, als we goed kijken lijken het zwaardjes. U zou dat zelf kunnen zien wanneer u een beitel slijpt.

IJzer komt in grote hoeveelheden in onze aardkorst voor, bovendien wordt de aarde vooral vanaf half augustus verrijkt door een stroom kosmisch ijzer dat als fijn stof- of ook in grotere stukken als meteorietenregen de aarde be­reikt. Zonder aanwezigheid van ijzer zou de plant geen groene bladkleurstof kunnen vormen. Onder de invloed van het zonlicht maken de groene plantenbladeren voor ons steeds nieuwe zuurstof die wij inademen. In onze rode bloedkleurstof zit ijzer. Dit ijzer brengt de zuurstof naar ons hele lichaam. Wij kunnen slechts enkele minuten zonder zuurstof leven. IJzer maakt dat wij als mens ons bewustzijn niet verliezen. IJzer is direct verbonden met ons Ik. Het ijzer in ons bloed beteugelt de zwavelkrachten.

Michaël wil dat de mens in bewuste vrijheid kiest tussen goed en kwaad. Michaël helpt met zijn kosmisch ijzerzwaard de mens in zijn strijd tegen de draak. En misschien als ver toekomstideaal lukt het niet alleen de draak te temmen, maar zelfs hem te verlossen uit het boze en om te vormen tot het goede, zoals wij ook in de zwavel-ijzer verbinding pyriet zien hoe zwavel en ijzer in volkomen harmonie een goudglanzend prachtig kristal gevormd hebben.         

(Emmy de Groot-Klomp, vrijschool Den Haag, nadere gegevens ontbreken)

zwavel

 

Zwavel (Sulfur)
vertoont in het mineralenrijk een sterke relatie met de zware metalen waarmee hij de belangrijkste, meestal mooi gekleurde, metaalachtig glanzende verbindingen, de sulfieten, vormt. Op enkele plaatsen echter, waar bijzondere omstandigheden dat mogelijk maken, komt de zwavel in gedegen, dat wil zeggen zuivere, door geen andere stoffen beïnvloede vorm voor. Wij zien dan stralend gele kristallen, die doen denken aan bevroren vuur. Door hun eigenschappen passen zij evenwel niet goed in de voorstelling die wij van een stabiel kristal hebben.

Zwavel is een element dat slechts tegenstrevend de vorm van een kristal aanneemt; het lijkt wel of het elke gelegenheid te baat neemt om zich van die meer aardse wetmatigheden ontdoen. Het is bijvoorbeeld heel zacht en bros en men kan het zonder moeite vergruizen. Als men in een stukje zwavel knijpt en het bij zijn oor houdt, hoort men het duidelijk knerpen, waaruit de onstabiele structuur van dit mineraal blijkt. Maar niet alleen voor druk is het gevoelig. Deze “steen” is ook gemakkelijk ontvlambaar. Hij brandt dan met een klein helderblauw vlammetje -bij een mineraal wel een heel ongewone eigenschap! Bij het verwarmen verandert op allerlei manieren de structuur van het kristal. Tijdens dit proces wordt de zwavel eerst heel vloeibaar, daarna stroperig en taai om kort voor het verdampen nog een keer uiterst vloeibaar te worden. Maar ook de kleur verandert: eerst heldergeel, dan honing- tot barnsteenkleurig, vervolgens donkerbruin tot bijna zwart om tenslotte oranje op te lichten.

De mooiste zwavelkristallen worden op Sicilië en op verschillende plaatsen in Spanje gevonden. Louisiana en Texas in de Verenigde Staten hebben de rijkste vindplaatsen.
Therapeutisch heeft de zwavel een duidelijke relatie met alle stofwisselings- en ontstekingspro­cessen. Daardoor is hij een belangrijk medicament in handen van de ervaren arts.

(Ekkehard Wagner, apotheker, Weledaberichten,nr. 147, maart 1989;  nr.158, december 1992,)

Michaël meteoorijzer 1

Meteoorijzer (Ferrum sidereum)
is een materie van kosmische oorsprong die voortdurend als een heel fijne regen op de aarde neerdaalt. De meeste meteorieten verbranden bij het binnentre­den van de aarde-atmosfeer en slechts zelden vindt men op de aarde een groot stuk. In de oudheid werd het zeer harde en bijzonder taaie ijzer hoog gewaardeerd. De grote helden die voor onover­winlijk golden, smeedden hieruit hun zwaarden.

Wanneer men een stuk meteoorijzer slijpt, polijst en etst worden zeldzame structuren zichtbaar die voor dit kosmische ijzer typerend zijn, wat bij andere metalen niet het geval is.

(Weledaberichten, nr.139, sept.1986)

.

Michaël: alle artikelen

.
Jaarfeesten: alle artikelen
.

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

259-244

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (11)

.

HOE SPREEKT MICHAËL NU TOT ONS?

‘En er kwam oorlog in de hemel. Michaël en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen de draak; ook de draak en zijn engelen voerden oorlog, maar hij kon geen stand houden, en hun plaats werd in den hemel niet meer gevonden.’

‘En de grote draak werd op de aarde geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem.’ (Openb. 12:9.)

Gedurende het Michaëlsfeest vieren we de overwinning van de aartsengel Michaël op de draak. Door ons leven te verweven met dit gebeuren, kunnen wij een innerlijke kracht oproepen om het nieuwe jaargetijde met moed en ook met vreugde in te gaan. De uiterlijke warmte van de zomerzon zal ons steeds minder warmen en minder helpen, het gaat om de innerlijke zon.

Hoe moeten we ons echter in deze tijd een beeld van Michaël scheppen? Mogen we ons vastleggen aan de oude voorstellingen en beelden van Michaël zoals die eens in vroegere eeuwen gehanteerd werden? Wanneer wij ons een kant en klaar op een mens gelijkende voorstelling’ van hem maken, die ons met een zwaard de weg vrijmaakt van “ongedierte” dan zitten we mis, dan zal dit ons slechts afleiden van het elementaire van het werken van Michaël.

Op welke manier moeten we naar hem luisteren en hoe spreekt hij tot ons? Michaël zal zeker geen woorden influisteren, die ons uit onze herfstmelancholie zullen moeten halen.

Wie hier ontvankelijk en passief op zal wachten, zal eeuwig moeten wachten. Zijn taal moet onze wilsgezindheid zijn.

Nimmer zal Michaël gebieden. Nimmer zal hij bevelen. Hij laat ons onze eigen meester zijn, zowel ten goede als ten kwade. Als vrije mensen leert hij ons ons eigen lot in handen te nemen. Op onze eigen wens alleen wil hij ons helpen, onze levensgang te vormen en ieder heeft zelf te bepalen of hij al dan niet een dienaar van Michaël wil zijn. Wat men weet of al kan, is dan niet belangrijk. Belangrijk wordt dan wat men van binnen uit wil en wat men met offers, energie en volharding zich nieuw verwerft. Michaëlstijd is het feest van het wordende!

Ook in de ‘KALEWALA’, het Finse heldenepos, komt ditzelfde thema voor over de mens die zijn eigen lot in handen neemt. In de 9e rune wordt verteld hoe een oude man, die toverkracht bezit, de kracht heeft om het bloed te stelpen dat uit een wonde van de held Väinämöinen komt. Doordat Väinämöinen een jonkvrouw begeert, ontstaat er een vertroebe­ling in zijn bewustzijn. Hij ziet het verkeerde ervan niet in als hij werft om de jonkvrouw. Hij misbruikt zijn bijl dan; hij ontwijdt het ijzer om deze voor zijn begeerte te gebruiken, wanneer hij er een boot mee wil maken voor de jonkvrouw.
Als straf raakt de Godenzanger met de bijl zijn eigen scheenbeen en er ontstaat een diepe wond, waaruit het bloed (het IK) wegstroomt. De oude tovenaar kan hem helpen, maar zijn genezing kan slechts door eigen activiteit tot stand worden gebracht. Väinämöinen moet de biografie van het ijzer vertellen, waardoor er weer voor hem een bewustszijnsvorming optreedt. Daarna kan de oude man zalf op de wonde aanbrengen en zal het been weer genezen.

In het verhaal zelf wordt al aangeduid dat goede en kwade krachten hun invloed op het ijzer hebben.

Hetzelfde ijzer waaruit het zwaard van Michael gevormd is, waarmee hij de draak bestrijdt!!!

 

(E.Plessen, Vrijeschool Brabant, 09-1982)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

257-242

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (9)

.

MICHAËL

Aarde en mensheid

Bij engelen denken we in de eerste plaats aan hogere wezens, die in hogere werelden verblij­ven. Engelen zijn in de hemel. De hemel is ver weg en een hemel op aarde is een uitzon­dering voor korte tijd, of een toekomstbeeld. Wat stellen we ons eigenlijk voor als we over de engel Michaël spreken? We vieren zijn feest in de herfst en dus heeft hij misschien iets met de herfst te maken? We zien dat in be­paalde eeuwen hele reeksen Michaëlkerken en – kapellen worden gesticht. Bijzonder zijn daarbij de vele Michaëlkapellen, die altijd in een westelijk deel van de kerk op een balkon zijn gebouwd. Toeval? Of hebben bepaalde historische tijdperken meer met Michaël te maken dan andere? Heeft Michaël iets te ma­ken met het westen? En voor alles denken we aan het bekende beeld van Michaël in de strijd met de draak. Wat is die draak en wie is de prinses die bevrijd moet worden door de ridder Joris, die in dienst van Michaël strijdt? Allemaal vragen die niet gemakkelijk te beantwoorden zijn. Maar we kunnen be­ginnen naar een antwoord toe te werken, om inzicht te krijgen in het wezen van Michaël, de aartsengel. Voor menigeen, die nog wel een algemeen goddelijk wezen kan beleven, begint hier een moeilijkheid: er is dus niet slechts één God; bij hem zijn nog andere wezens, die een goddelijk karakter hebben. Bovendien heerst onder die wezens onder­scheid in rang en status. Beginnen we – om een begrip van engelen te krijgen – bij het enige waar een modern mens beginnen kan, bij ons zelf. We zien vaak dat in de levensloop dingen gebeuren die be­langrijke gevolgen voor het verdere leven hebben en waarvan het ‘waarom’ eerst dui­delijk wordt op latere leeftijd. Deze gebeur­tenissen zijn vaak niet bewust gewild, maar passen toch in een lijn of ritme van de ge­hele biografie. Het kan bijvoorbeeld zo zijn, dat een vader voor zijn zoon een studie of beroepsopleiding wenst, die eigenlijk hele­maal niet bij hem past, maar die later vrucht­baar of noodzakelijk blijkt te zijn voor zijn wordingsgang. Zo besliste een eenvoudig spoorwegbeambte, dat zijn zoon meer moest worden bij het spoor dan hij zelf bereikt had. Hij maakte het mogelijk dat de zoon voor in­genieur werd opgeleid. Zo ging de jongen eerst naar een middelbare school met wiskunde-opleiding en daarna naar de Techni­sche Hogeschool. Daar ontmoette deze jon­geman – zijn naam was Rudolf Steiner – pro­fessor Schröer, die zijn belangstelling voor Goethe wekte. Hoe zou de antroposofie van­daag in de wereld hebben gestaan, wanneer Rudolf Steiner geen natuurwetenschappelij­ke vorming zou hebben gehad?

Een andere jongeman wordt door aanleg en de aandrang van een muziekleraar naar het beroepsmatige uitoefenen van muziek gedreven. Op de och­tend van de dag, waarop hij voorspelen zal op het conservatorium, valt hij op school uit de ringen en krijgt een hersenschudding, die hem verhindert muziek te maken voor een langere tijd. Zijn latere beroepsleven toont duidelijk aan dat hij geen musicus had moe­ten worden.

Zo kan vrijwel iedereen in zijn leven draden vinden, bijvoorbeeld ook in de ontmoetingen met mensen, die duidelijk doorlopen in de biografie, maar waarvan hij niet kan zeggen, dat hij deze ontmoetingen heeft gewild. Het kan bijvoorbeeld zo zijn, dat iemand zó lang zijn hoofd stoot op bepaalde punten tot hij zijn les heeft geleerd en dan houdt dit soort tegenslagen op. ‘Het is alsof de duvel er mee speelt’. Ja, waarschijnlijk speelt er iemand mee, maar is het de duvel of misschien een genadige geest, die ons helpen wil ons leven op de juiste wijze te vormen?  *

Een zeer bijzonder karakter hebben in dit opzicht de gebeurtenissen rondom geboorte en dood. Wanneer men leert erop te letten welke mensen er in het leven van een wor­dende moeder komen gedurende de tijd van verwachting en leert zien hoe dat samen­hangt met het latere leven van het kind dat geboren wordt, kan men vaak zien dat er achter de schermen een duidelijke ‘leiding’ is. Dit gaat vaak nog enkele jaren door in het leven van het kind. Hoeveel ouders hebben beslissende stappen gedaan onder invloed van mensen en gebeurtenissen die in hun le­ven kwamen door hun kinderen? Wanneer we naar de andere pool zien, komt het vaak voor dat een mens kort voor het sterven nog iets beleven moet dat belangrijk is voor zijn verdere ontwikkeling. Een vrouw wordt kunstmatig met zuurstof in het leven
gehou­den. Waarom eigenlijk? Ze was welvarend en had de gewoonte veel geld te geven voor lief­dadige doeleinden. Op zichzelf iets goeds, maar bij haar was het de basis voor haar zelf­bewustzijn. De echtgenoot ging failliet; het geven van geld was niet meer mogelijk. In de laatste twee jaren van haar leven, terwijl ze kunstmatig met zuurstof in het leven werd gehouden, leerde ze op een andere wijze ge­ven en ze leerde te ontvangen, afhankelijk te moeten zijn, dank-je-wel te moeten zeggen. Was daarvoor dat faillissement nodig? Dat is teveel gezegd, maar het was het middel er­toe. – Een ander had een leven lang alles nauwkeurig geregeld en zelf beslist. Het ster­ven kwam en op het moment dat iedereen het verwachtte en ook hijzelf er voor klaar was (‘zo, nu wil ik heengaan’) gebeurde het niet en het leven hield nog enige tijd stand.

Deze mens leerde dat men niet alles kan re­gelen en beslissen.

Deze dingen bewijzen niets, maar de mens die ervoor wakker is kan de vleugelslag voe­len van een wezen dat men als het hogere zelf kan beleven. Men kan dat ook de engel noemen, omdat het niet identiek is met wat we in ons wakker bewustzijn als onszelf be­leven, alhoewel het er wel mee verwant is. Nog een enkel ander gebied kan hier worden aangeduid. Vaak kunnen we in slapeloze nachten iets beleven, dat een oordeel lijkt te zijn over gedachten en daden van onszelf, die we in het morele dagbewustzijn anders be­oordelen. Wanneer we dat oordeel niet uit de weg gaan, maar er van aangezicht tot aan­gezicht tegenover willen staan, slapen we in en na een korte slaap worden we verfrist weer wakker, alsof we een hele nacht gesla­pen hebben. Zo kun je de aanraking van een engel beleven.

Het Oude Testament vertelt het verhaal van Jakob, die op het punt staat zijn broer, die hem wel iets te verwijten heeft, na eenen­twintig jaren opnieuw te ontmoeten. Hij blijft die nacht aan de grens alleen, gescheiden van gezin en bezit. Hij droomt dat een engel met hem strijdt. Als hij ontwaakt is hij een ander geworden en draagt vanaf dat moment een andere naam. Dat wil zeggen dat hij iets meer diegene is geworden, die hij worden moest.

Zo kun je beleven dat het lot van een mens geleid wordt door een hoger wezen, ook al kunnen tegelijkertijd de meeste van deze be­levenissen ‘verklaard’ worden binnen de zintuigelijk waarneembare wereld. Het één sluit het andere niet uit.

Ook groepen van mensen kennen gemeen­schappelijke ervaringen, die de biografie van zo’n groep bepalen, zelfs in wisselende sa­menstelling. De redactie van Jonas is bijvoor­beeld zo’n groep. Wie tien jaar lang de ont­wikkeling van Jonas mocht volgen, ziet dui­delijk de lijn die de redactie zelf aangeeft in haar ‘Concreet’ van het eerste nummer van de elfde jaargang. Het ‘opstaan van de ware Jonas’ is ‘geen eenvoudige klus’. Nee, dat is het werkelijk niet.
De oudtestamentische Jonas beleefde het dan ook niet als een klus, maar als een werk van hogere machten. Wan­neer de redactie van een klus spreekt, drukt ze daarmee uit dat de leiding, die de oude Jonas beleefde, in onze tijd steeds meer be­geleiding wordt van wat we zelf doen. Veel van wat de redactie als ‘per definitie willend orgaan’ tot stand heeft gebracht is bewust gewild en gekund. Maar hoeveel is er achter de schermen gebeurd bijvoorbeeld in de vorm van mensen die ‘toevallig’ de redactie kwamen versterken (of misschien ook wel eens uit de koers brachten)?
Groepen, volken en staten zijn altijd uit mensen samengesteld. In een kleine groep kan men waarnemen hoe de levensloop van een enkeling de biografie van een groep sterk kan bepalen, maar hoe de groep toch ook zijn eigen lot heeft. Dat wordt met name duidelijk wanneer de enkelingen niet steeds dezelfden zijn. In grotere samenhangen lijkt vaak het lot van de groep, van het volk meer bepalend te zijn voor het lot van de enkeling. Maar wanneer men de biografie van een aan­tal enkelingen ziet, kan men vaak zien hoe de wisselwerking is.
Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog werd in Europa het lot van Joodse mensen bepaald door factoren uit het geheel van de Europese situatie, maar het paste bij alle overeenkomstigheid toch individueel in het leven van iedere Joodse mens anders.
Hetzelfde kan men zeggen van de groepen en mensen die in Duitse of in
Ja­panse kampen gezeten hebben. In de biogra­fie van Janus Korczak, die een stralende en zingende kinderschaar naar de gaskamers voerde, liggen heel andere elementen dan in het afgevoerd worden van vele anderen. Een oude Joodse vrouw, die steeds onrustig was, werd rustig op de ochtend dat ze werd opge­haald. Had ze haar bestemming bereikt?
En toch is er tegelijk het lot van de tijd waar­in men leeft, en het volk waarvan men deel uitmaakt. Grote raadsels doen zich daar aan ons voor. Het Duitse volk werd in twee we­reldoorlogen verslagen. Het staat er economisch beter voor dan de overwinnaars! Het is goed zoiets eens onbevooroordeeld te overdenken. Dan kan men zich tevens afvra­gen of dit volk van Goethe en Schiller (en van de antroposofie) niet nog een heel ande­re taak heeft, die het als geheel helemaal niet ziet. In het niet zien van zijn werkelijke taak zou de economie wel eens een belemmeren­de factor kunnen zijn. Toch zijn in Duits­land de meeste mensen te vinden die Rudolf Steiner hebben onderkend. Hier staan we voor het karakter van een volk, waarvan vele individuen een sterke drang ontwikkelen geestelijke realiteiten te zien, en die ook te willen laten doorwerken in het maatschappe­lijke leven. Maar tevens ontwikkelen zich in dit volk het sterkst de krachten, die alle heil van uiterlijke maatregelen verwachten. Be­ginnen we hier iets te vermoeden van Michaël en de draak?

In elk geval kan ons het volgende duidelijk worden. Zoals er grote verschillen zijn in de biografieën van enkelingen, juist daar waar het gaat om wat men niet zelf bewust gewild heeft, maar waar toch een lijn in zit, zo zijn er eveneens grote verschillen in de biografieën van groepen, volken en opeenvolgende tijd­perken. Je kunt bijvoorbeeld zien dat het vanaf de vijftiende tot de negentiende eeuw van groot belang wordt van wie men afstamt. Het erfelijke koningschap komt op. In de middeleeuwen en in de antieke oudheid speelt dat eigenlijk geen rol. Ook de nationaliteit is in het middeleeuwse Europa niet be­langrijk. Het ‘Heilige Roomse Rijk der Duit­se natie’ was in de eerste plaats Romeins. De keizers werden gekozen. Na de middeleeu­wen valt de nadruk op de nationaliteit. In onze tijd treden heel andere krachten op. Na de blunder van Wilson in 1918 – 1919 om Europa te ordenen naar nationaliteiten, gaat de ontwikkeling gewoon een andere weg. Er ontstaan wereldbeschouwelijke- en belangenblokken, die met de nationaliteit niet veel te maken hebben. Hier werken vooral economische theorieën en maatstaven. Europa wordt geordend naar de maatstaven van uiterlijke bestaansbehoeften en intellectueel uitgedach­te ideologieën die behoren tot de wereld van de draak, die het tere zielenleven van de maagd helemaal verslinden wil. Wat zich
spi­ritueel in de zielen wil ontwikkelen wordt voortdurend bedreigd door de gepantserde machten van economische en politieke noodzakelijkheid.

Maar ook andere krachten worden in onze tijd duidelijk. Uit onbevredigdheid en angst wanneer men vaak alleen de draak nog maar in de verte waarneemt, komt de behoefte naar een spiritueel leven. Dat dit in hoofd­zaak gezocht wordt in stromingen die uit het verleden komen en opgepoetst worden aan­geboden aan zielen die eigenlijk wat anders zoeken, is weer een manoeuvre van de draak die volgens het beeld van de Openbaring van Johannes twee zijden heeft: de verleidende, naar grootheid, glans en macht strevende Diabolos-Lucifer en de verhardende Satan-Ahriman, die op alles een stempel wil druk­ken vóór het mag functioneren. Naast deze behoefte aan het spirituele leven, komt de behoefte mensen te leren kennen. Niet langer is belangrijk wat iemand zegt, maar wie het is die iets zegt. Wie ben jij als mens, zonder je beroep, je afstamming, zon­der je titels? Dit vormt een wonderlijke te­genstelling met de bewondering voor de vele mooie titels van mensen als Bhagwan. Al zulk soort mooie namen zijn eigenlijk titels. Deze zelfde behoefte om als mens de andere mens te ontmoeten, leidt ook tot de vele en verre reizen. Ook hier steekt de draak de kop op in de protserigheid van het steeds verder en steeds duurder, in de verharding van het alleen maar zintuiglijke waarnemen, of in het helemaal niet meer waarnemen door de veel­heid en onbegrijpelijkheid van de indrukken. Maar de impuls zelf is een uiting van een nieuwe tijdgeest: het komt niet meer aan op de natie, maar op de mensheid als geheel en op de enkeling.

Nog een ander kenmerk van onze tijd is de waarde die gehecht wordt aan het eigen oor­deel, de inspraak in de dingen waarin men in­geschakeld is. De voorafgaande eeuwen leef­den uit de autoriteit, eerst die van de kerk, daarna die van de bijbel en weer later die van de wetenschap. Al deze autoriteiten vallen weg, de enkeling wordt op zichzelf teruggestoten. Is hij sterk genoeg om alleen te kun­nen staan of zoekt hij nieuwe autoriteiten in Poona of Dornach? Tot het veertiende jaar heeft een kind autoriteit nodig om later zelf­standig te kunnen zijn. De ene gestalte van de draak heeft bewerkt dat men kinderen au­toriteitsloos ging opvoeden, zodat ze later te zwak waren en autoriteit zochten waar ze zelf moeten oordelen. Daarmee heeft de tweede gestalte van de draak ze in de tang. Maar ook weer hier: de vorming van een zelf­standig Ik, dat zijn eigen autoriteit is, is de ware drang van onze tijdgeest. Een laatste punt: in de middeleeuwen werd de aarde zo gebruikt, dat er een
vanzelfspre­kend evenwicht was. In dezelfde tijd waarin het nationalisme hoogtij gaat vieren, begint steeds sterker de uitbuiting van de aarde. Steeds sterker wordt nu de roep om bescher­ming van het milieu. Ook dat is een kant van de eigen verantwoordelijkheid van de enke­ling. Deze verantwoordelijkheid kan alleen worden uitgeoefend in gemeenschap met an­deren. Deze gemeenschappen zijn enerzijds regionaal, anderzijds naar alle kanten toe grensoverschrijdend. Alleen mensheidsbewustzijn kan hier helpen. Maar niet alleen dat: de enkeling moet bereid zijn offers te brengen. De draak van de techniek maakt ons duidelijk dat zoiets niet eenvoudig is. Valse bescheidenheid zegt: wat ik doe is zo weinig in het geheel, dat het geen rol speelt. Vals ontzag voor de draak zegt: we kunnen de klok niet terugdraaien. En beide hebben nog gelijk ook. Mogelijk is echter individuele inspanning voor gezamenlijk werk; het zien van de eigen bescheiden plaats in het ge­heel en het innemen en vullen ervan. Dit alles is herfststemming: de bloei is voor­bij, een slechte zomer gaf ons vele rotte cul­tuurvruchten. Menselijke krachten zijn nodig. De mens is het enige wezen dat uit slechte vruchten nog een toekomst kan vormen door inventiviteit, geloof in innerlijke kracht en innerlijk licht. Het westen is de richting van de ondergang, van de zon, van de verharding in taal en techniek. Het is ook de richting van het zelfbewustzijn van eigen kunnen. Om dit eigen kunnen in de juiste wijze te ge­bruiken voor de geestelijke groei van de mensheid, hebben we inzicht nodig in ontwikkeling van aarde en mensheid, en goe­de wil om in vrijheid dit inzicht in daden om te zetten.

Dat is onze ware tijdgeest. Die kan men Michaël noemen. Van de dertiende tot de vijftiende eeuw beleefde men hem in beelden, sagen en legenden.

In onze tijd wil hij in ons denken en willen worden opgenomen.

(Jacobus Knijpenga, Jonas, nr.2, 19-09-1980)

.

* wanneer je op zulke verschijnselen let, zul je ze vaak genoeg aantreffen in wat mensen uit hun leven vertellen.
Zo oud-huisarts Hans Moolenburgh: (91)
December 1944 omsingelden de Duitsers Haarlem en pakten tijdens die zogeheten Sinterklaasrazzia honderden jongens en mannen op. Terwijl de Duitsers bij ons op de voordeur bonsden, ontsnapte ik samen met een vriend via de achterdeur. We renden op blote voeten het besneeuwde Naaldenveld in. Ik nam toen ineens een gekke slingerweg. Ik had het idee dat ik werd geleid, alsof ik niet zelf rende. Door die slingerweg ontweken we exact de Duitse wachtposten, bleek later. Een wonder. Ik heb daarna altijd het gevoel gehad dat ik leefde in geleende tijd. Ik moest wat van mijn leven maken. Ik was niet voor niets gespaard.”

“Op 31 augustus 1981 hoorde ik midden in de nacht een stem, die me vertelde: ‘Jij gaat vanaf nu iedere patiënt in je praktijk vragen of die ooit een engel heeft gezien.’ Ik vond het een vreemd voorstel, maar vertrouwde die stem en vroeg de eerstvolgende patiënt die ochtend of zij ooit een engel had gezien. ‘Zeker dokter, gisteren op tv’. Dat was natuurlijk niet wat ik bedoelde. Nadat ik die vraag aan vierhonderd patiënten had gesteld, had ik genoeg stof voor mijn boek ‘Engelen als beschermers en als helpers der mensheid’. Dat boek en ook het vervolg ‘Een engel op je pad’ werden onverwacht internationale bestsellers. Die boeken hebben mij zo veel gebracht. Niet alleen kennis over engelen, maar ook bijzonder veel contacten en correspondentie met mensen van over de hele wereld. Ik ben daardoor zelfs mijn haat tegen Duitsers kwijtgeraakt, omdat ik in die tijd Duitsers ontmoette die mij vertelden hoezeer zij zelf geleden hadden tijdens de oorlog.”
(Trouw, Tijd 27-08-2106)

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

255-240

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (8)

.

LOSMAKINGSPROCES

‘Zal ik er maar twee kilo van maken?’, vraagt de groenteboer, peren afwegend, waar je drie pond van hebt gevraagd. Nou, dat hangt ervan af: voor hoeveel personen koop je, zijn ze erg duur, erg rijp – je kunt zelf nog allerlei factoren verzinnen die je ‘ja’ of ‘nee’ zullen bepalen. Geen mens zal slapeloze nachten hebben over de uiteindelijke beslissing: wordt deze ‘ja’ dan bestaat bijvoorbeeld de kans dat je een te rijpe peer moet weg gooien, je beurs gauwer leeg wordt dan je dacht, of dat je een peer moet delen met een ander als je besluit ‘nee’ wordt en alle denkbare varia­ties op dit geval.

We zijn als moeder toch steeds bezig met het afwegen van voor- en nadelen gedurende de opvoeding van onze kinderen. ‘Zou je je trui niet meenemen? Vanavond zal het koud worden’, vraag je aan je twaalfja­rige zoon of dochter die een hele dag gaat fietsen, “t Is om te stikken, je denkt toch niet dat ik dat ding de hele dag ga meesle­pen?’, zal het antwoord wel luiden. Blijkt je kind de volgende dag kou te hebben gevat, dan was je raad zinvol geweest; voelt het zich lekker fit dan onderschatte je zijn eigen warmte.

‘Kunnen we haar zo maar laten gaan? We kennen die jongen nauwelijks’, verzucht je tegen je man als je zeventienjarige dochter te kennen heeft gegeven een paar dagen met een vriend op stap te gaan.
‘Zou de baby het niet te warm of te koud hebben’, vraagt de bezorgde grootmoeder zich af, die een kleinkind te logeren heeft.
Wat wegen we allemaal af en hoelang moeten en willen we ons eigen oordeel als doorslag­gevend zien? Hoe zijn we in die weegschaal-rol gegroeid?

Het wegen begint al bij de zwangerschap: de aanstaande moeder wordt op haar gewicht gecontroleerd: bij te veel of te weinig zwaar­te moet haar dieet tijdelijk gewijzigd worden. Na de geboorte van het kind wordt het ge­wicht dadelijk genoteerd en de uitslag bepaalt meteen het voorlopige leefpatroon van
moe­der en kind. De schrale vijfponder zal zeven voedingen nodig hebben, ja, ook maar ’s nachts een voeding; terwijl de zeven-en-een-half-ponder best aan z’n trekken komt met zes voedingen. Wat kun je je als moeder ver­slagen voelen als de wekelijkse weegceremo­nie aangeeft: een paar gram afgevallen of je uiterst voldaan voelen als een half pond zwaarte aan ’t gewicht blijkt toegevoegd te zijn! Lengtegroei speelt bij mijn weten geen rol. Die periode van wegen gaat al snel voorbij – heel andere kwaliteiten moeten af­gewogen worden.

Door de loop van de jaren heen – van liever­lee – moet je het gewicht van je eigen beslis­singen in de gaten houden, namelijk het over­wicht van jezelf bij zoveel kleine beslissingen tegenover de gewichtige argumenten van je kind. Hoe ga je zelf om met al die soorten gewichten? Verbindt zich met dat woord ook het begrip ‘binding’ en ‘invloed’ ja zelfs ‘pressie’ en hoort er dan bij dat je moet leren die begrippen steeds wat losser, ruimer en lichter te maken en hoe voelt dat dan voor je zelf?

Misschien is de grootste uitdaging van het moeder-zijn wel de noodzaak om te leren de situatie steeds te her-waarderen. Wat eerst goed en nodig is voor een kind is later slecht en overbodig, ook omgekeerd. Nog een paar voorbeelden. Een kind van an­derhalf jaar wil zelf eten: ’t wordt natuurlijk een hele toestand. De maaltijd eindigt met een volgemorst kind, kinderstoel en vloer. Je zult tot een compromis moeten komen: ’t kind kan wel al zelf stukjes brood of vrucht eten – verder moet je ’t handje toch wat bijsturen. Wil een kind van drie jaar plotseling niet meer zelf eten dan grijp je misschien te gauw in en voert het. Kijk je niet uit, dan voer je zo’n kind nog op z’n vijfde jaar, als de bedtijd nadert en ’t bordje nog halfvol is. Je voelt je handen jeuken, als je peuter zich zelf tracht aan te kleden: hoeveel sneller en handiger kun je het zelf even aankleden. In hoeveel gevallen moet je jezelf niet toeroe­pen: geduld, handen thuis, afblijven, mond houden, wil je het zelfstandig worden van je kind de volle kans geven. In de lange periode van baby tot volwassene blijft de vraag gelden: helpende hand bieden of zelf laten tobben, maar ook van geven of nemen, winnen of onderspit delven. Dat een vierjarig kind onmogelijk alleen de rijweg kan oversteken, is voor iedereen dui­delijk. Maar alleen een hoge trap of ladder opklauteren? Daar sta je dan met kloppend moederhart, terwijl je oogappel halsbreken­de toeren uithaalt. Heb je genoeg vertrouwen in de klimkunst van je kind, sta je dicht ge­noeg in de buurt om hem bij misstap op te vangen? Kan je meegenieten van de overwinningsblik in z’n ogen als de expeditie is ge­slaagd of kun je het niet aanzien en begeleid je hem van sport naar sport? Een stukje ver­antwoordelijkheid overdragen – een beetje loslaten – dat is toch best moeilijk. Heel helder komt in mijn herinnering boven het eerste blokje-om lopen van het kind, helemaal alleen: denk er aan, op de stoep blijven hoor! ’t Lijkt een eeuwigheid voor je je kleuter weer ziet aan komen stappen. ‘Wat een agitatie om niets’, denk je later, over dit tafereel, als je je tienerkind vraagt of het heus z’n pas en het adres van de familie, die het in het buitenland gaat bezoeken, wel bij zich heeft.

Waar klamp je je als moeder aan vast als je je kind niet meer aan de hand, soms niet meer in de hand kunt houden?

Een sprong terug nu naar het eerste begin – het weten, dat je een kind verwacht. In mijn herinnering was dat een beseffen dat iets heel groots over je kwam, iets dat jouzelf van de kaart veegde. Dan, bij ’t zien van je pas geboren kind de vraag; wie ben je toch, hoe leer ik je kennen? Die indrukken verva­gen later – toch zou je ze steeds in je herinne­ring terug moeten roepen. Dat je de begeleid­ster mag en moet zijn, dat de band moeder­-kind geleidelijk aan anders moet worden, dat ‘wie ben je toch’ zichzelf kenbaar gaat ma­ken en dat je dat wezen moet respecteren in de verschillende vormen waarin het zich openbaart – dat is, in één zin geperst, wellicht de essentie van de moedertaak. Meende ik iets te vermoeden van een groot wezen dat naar mij toekwam, in de hier bo­ven beschreven situatie, kan ik dan ook zeg­gen: ik werd iets gewaar van het engelwezen van het kind; zijn beschermengel? Voor mij­zelf luidt het antwoord: ja. Kan ik mij dan tot dat engelwezen richten en het vragen, te waken over het lot van mijn kind, wélke leef­tijd het ook heeft, wáár op de wereld het ook mag zijn? Natuurlijk zijn daarmee niet alle twijfels, angsten, het verlangen naar be­richt verdwenen – maar soms lukt het om de telefoon te laten liggen en niet te informeren of hij, zij al aan is gekomen op de plaats van bestemming. ’t Is net als bij biljartspelen: je probeert de bal te raken via de band van de biljarttafel – naar gelang je dit spel beheerst, zal je contact lukken. De gedachtesprong naar het beeld van de aartsengel Michaël, die de draak overwint, of Michaël die de weegschaal draagt lijkt me nu niet meer zo groot. Op oude iconen valt op, dat Michaëls zwaard veelal lang, dun en heel spits toelopend wordt afgebeeld, het raakt het monster kennelijk op z’n zwakke plek. Geen bloederige taferelen krijgen we te zien met afgehouwen drakenlijfstukken. Geen woest rondmaaien met het zwaard, maar het feilloos richten van de zwaardpunt op de vitale plek van de vijand. Wordt hiermee aangeduid dat het gevecht Michaël-Draak zich in ons denken afspeelt, dat onze wakkerheid de plek herkent, waar de draak geraakt moet worden en dat ons ge­richte denken de overwinning in zich draagt? Michaël met de weegschaal, een andere ma­nier om uitdrukking te geven aan de grens tussen goed en kwaad. Deze beelden kunnen ons een hulp zijn bij het zoeken van een weg, die je als moeder met je kind schoorvoetend gaat.

(Wendela van Mansvelt, Jonas, 19-09-1980)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

254-239

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (7)

.

In de kring van de jaarfeesten is het Michaëlfeest een heel bijzondere gebeurtenis. Het wordt gevierd op 29 sep­tember en niemand weet eigenlijk hoe het gevierd zou moeten worden.

Dat zou sommigen onzinnig lijken. Anderen weer zullen ge­boeid zijn door de uitdaging. Een feest vieren, waarbij men eigenlijk totaal niet kan rekenen op een traditionele inhoud!
Het kerstfeest, Pasen, Sint – Jan zijn sterk bepaald door de traditie, gebonden als zij zijn aan gebeurtenissen die zich op aarde hebben afgespeeld en waarvan de dragers menselijke wezens waren. Het Jezuskind en Johannes de Doper waren menselijke wezens. En dat geldt tot op zekere hoogte voor de Christus op Golgotha ook.

Goed, drie feesten vóór menselijke wezens en dóór menselijke wezens, kunnen we globaalweg zeggen. In de cirkelgang van het jaar staan Kerstmis en het Sint  – Jansfeest (resp. 25 december en 24 juni) diametraal tegen­over elkaar. Pasen valt in het voorjaar, het is een bewege­lijker feest, afhankelijk als de datum is van de stand van zon en maan. Maar steeds in maart of april. De samenhang van deze feesten met de seizoenen is eveneens duidelijk: winter, lente, zomer.

Het herfstfeest, zo voelt men wel, ontbreekt; er is geen mens die ons dat heeft voorgeleefd. En Michaël dan? Nu, al spreekt men van Sint – Michaël, dat is helemaal geen mens, dus ook geen “heilige”. Michaël is een hoger wezen, een engelwezen.

Sommigen hebben daar moeite mee, anderen juist weer niet en weer anderen hebben vanuit de traditie in het geheel geen moeite.

Voor velen is het duidelijk dat, indien de mens het hoogste (= het meest gecompliceerde) wezen op aarde zou moeten voor­stellen, men in het algemeen zeer veel te kort komt in de menselijke rol en in het menselijke wezen.

Logischer is het eigenlijk, dat de grens van de natuurrijken (mineraal, plantaardig, dierlijk en menselijk) naar boven toe niet door het oog wordt bepaald, maar door het wezen.

En zo is Michaël de aartsengel als patroon van het herfst­feest goed denkbaar.

De herfst is de tijd van de vruchten, van het gerijpte werk van mens en natuur. De zon vertrekt naar de landen ten zuiden van de evenaar; dat mag dan astronomisch niet gezegd worden, maar voor gewone mensen op aarde ziet het er hier zó uit. Er is een kentering van het weer. De oogst moet binnengehaald en heel veel zichtbaars in de natuur sterft af. De mens als landbouwer staat machteloos tegenover het weer. Een paar grillige hagelbuien kunnen een jaar van hard werken teniet doen. Enzovoort: te mooi droog weer is ook niet goed, te nat, vochtig weer helemaal niet.

Goede oogst betekent: vermijden van het “te”. Het evenwicht is eigenlijk een wonder, want het treedt veel vaker op dan de kansrekening zou toestaan!

Géén wonder is het, dat de oude volken, veelal landbouwers en ook de boeren tot op de huidige dag de goede oogst toe­schreven aan de hulp en invloed van een geestelijk wezen. Dat geestelijke wezen – de naam doet er wel wat toe, maar niet alles – wordt vanaf de vroege middeleeuwen in Europa “Michaël” genoemd. En de Israëlieten, oorspronkelijk ook landbouwers, kenden dit wezen heel goed als “aangezicht van God”.
Michaël staat dichter bij de mens dan “God”, Michaël heeft het karakter van een bemiddelaar. Hij beschermt de oogst. Maar ook heeft hij toezicht op een geheel ander soort oogst, een innerlijke oogst. Deze oogst bestaat uit de daden die een mens in de loop van zijn leven volbracht heeft. De Michaëlstijd komt bij het zwaaien van de weegschaal. Michaël houdt de schaal en weegt de daden der mensen. Het is duidelijk, dat het afwegen van goede en kwade daden een nauw­keurig iets is, waarvan ’s mensen verblijf na de dood de gevolgen zal ondervinden.*

Michaël is ook vanouds de hemelse strijder tegen het Kwade. Want, vergis u niet, ook het Kwade heeft zijn oorsprong in de Hemel! Zie de Openbaring van Johannes.

Voor de kinderen is de strijd tegen het kwade die door Michaël geleverd wordt een boeiende zaak. Met speerstoot of zwaardhouw wordt de boze Draak geveld.

Voor de volwassene ziet het er heel wat gecompliceerder uit. Men kan vlug uitvinden, dat Michaël weliswaar de hemelse dreven heeft bevrijd van de Draak, maar het kan ook duidelijk zijn, dat de Draak op aarde is geworpen, dat zijn eerste slachtoffer het echtpaar Adam en Eva was en dat de Draak zich heel gemakkelijk verschuilt en zich thuis voelt in de menselijke ziel.

Het eerste wat de drakenkracht doet, is de ziel infecteren met onwaarachtigheid. We kennen deze leugenkrachten in de huidige tijd heel goed: van de nuchtere, verkeerd interpre­teerbare statistiek tot de mening, dat de verkrachter in actie kwam, omdat de vrouw “het ernaar gemaakt had” en zo voort en zo voort.

Een Michaëlsfeest en het zich bewust maken van Michaëlkrachten in de samenleving als gigantische noodzaak is be­paald geen luxe.

Men leze vooral het sprookje van Plato in dit nummer**, waar Sokrates zijn gesprekspartner vangt op zijn eigen woorden. Iets is waar, omdat het waar is; niet omdat Klaas, Piet of Poesje het gezegd heeft.

Wie daarop gaat letten, wordt een goede bondgenoot van Michaël. Vroeger hielpen de goden de mensen. Nu zijn de mensen zo ver in bewustzijn en inzicht, dat zij de goden moeten helpen. De volgende zet kan dan weer aan de goden zijn. Zo komt de wereld toch verder. Daarom: vier een Michaëlsfeest!

(P.C. Veltman, nadere gegevens ontbreken)
.

•   Een viertal weken na Sint-Michaël is het de Dodenherdenking Allerheiligen (1 nov.) en Allerzielen (2 nov.)
** van de schoolkrant waarin dit stukje stond
.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

253-238

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (6)

.

VIEREN WIJ WERKELIJK EEN MICHAEËLSFEEST?

‘Mens, ken u zelve’, zo klinkt het woord in elk mens, die zijn zielenontwikkeling daadwerkelijk ter hand neemt. Wie zich bewust wordt van zijn zielenroerselen, weet dat het hier niet gaat om een egocen­trisch kennen. Niet is bedoeld de kennis van hoe we door de medemen­sen in uiterlijke zin gezien wor­den. Uit onzekerheid zoeken we soms op gespannen wijze naar ken­nis omtrent onszelf: “Zal die an­der mij wel krachtig vinden, kom ik wel over als een gelovig devoot mens, vindt men mij wel origineel, kortom ben ik een persoonlijkheid?” Deze weg langs de buitenkant is kil en vals. Zo leren wij alleen ons, niet -zelf kennen. Deze kennis helpt ons niet op de weg naar waarachtigheid. Het gaat niet om de hoog vibrerende zintuig-denk-kennis. Hier is het hartekennen bedoeld. Alleen met het hart kan men werkelijk leren kennen.

Een voelend beleven van het jaarverloop door het vieren van de jaarfeesten is een weg door vele jaren heen die voert tot ons eigen mensenzelf. De mensenziel werkt, leeft, ademt in ritmen die we in het jaarverloop in de natuur, de aardeziel zien weerspiegeld. Wie een antroposofische weg wil gaan, of proberen te gaan, kan grote steun vinden bij de zielenkalender, een verzameling weekspreuken die de aardeziel met de mensenziel verbindt. Men kan zich over de hulp daarvan, volgens mijn ervaring, pas na een jaar of drie enigszins uitspreken. Wellicht pas na zeven jaar echt. Een paar keer proberen heeft geen enkele vaste gewaarwording tot gevolg.
Wie herkent niet het zielengebaar van de zomer? Iedereen gaat er (op) uit! We doen in sterke mate wat menigeen ook na de werkweek op vrijdag en zaterdag (en zondag ….) doet: alles loslaten, ontspannen, afleiding zoeken, uitslapen. De mensenziel is uitgeademd, zoals de aardeziel. In de natuur herken­nen we deze staat van uit zijn, in de bloei van bomen, bloemen, insecten, enzovoorts: alles leeft in een overgave aan het zonlicht.
De natuurmens doet eraan mee; ook wij geven ons graag over aan zon en warmte, aan geur en kleur, aan wijde vlakten, aan zang en spel. De weg van het mensenhart is geen weg daartegenin. Motto  van de spreuk is: “Verlies jezelf
om juist jezelf te vinden”.
Daarin schuilt gevaar. We verliezen onszelf in de zomerse rijkdom van kleuren, geuren, klanken, beweging, gesprekken, verliefdheden: alles een
op
gaan in de zintuigindrukken. Dit alles voert naar enerzijds een sterkere verbinding met de zintuigwereld, de aardse materie, in al z’n pracht. Anderzijds is er de mogelijkheid om in deze min of meer dromende toestand (is de zomer niet een roes?) zich te verbinden met de wereldgeest die zich door de aardse stof heen kenbaar maakt.
Het beeld van de zonne
bloem was, voor ons leraren, de ingang in het nieuwe schooljaar. In die machtige bloem, die zich zo hevig overgeeft aan de zon, wordt sterk zichtbaar dat in het hart een nieuw stadium volgt op die overgave. Er worden kiemen, zaden gevormd die leven de toekomst indragen. In het mensenhart wordt ervaren dat er een appèl gedaan wordt aan onze eigen wil: we zullen weer vorm moeten brengen in ons leven. We zullen de vruchten van de vakantie beleven in een nieuw begin van het arbeidsjaar. Een jaar dat met nieuw elan, boordevol beloften begonnen kan worden. Het enthousiasme dat we nodig hebben om er weer tegenaan te gaan, moet echter gewonnen worden. In de natuur heerst ook moeheid; de herfst begint voor velen van ons met bloedarmoede.
Het wereldwoord, dat in de natuur tot ons gesproken heeft, wil in ons naklinken; wie heeft rond Michaël niet dikwijls keelpijn?
Zo werkelijk is dit appèl.
Wie na de zomer blijft hangen in de uiterlijke wereld, zal balen van de herfst. Zal opzien tegen het jaar. Zal verharden in de vormen die hij schept. Zal zich voornemen dit jaar een strak schema te hanteren. Zal tegen zichzelf zeggen: ‘ Dit jaar zullen ze leren lezen, en dit jaar moet ik elke donderdag thuis zijn, en dit jaar moet de ouderoverlegvergadering tot stand komen. Dit jaar zal ik hem de waarheid zeggen.’ Een ver­krampt willen, koud “enthousias­me”, spreekt hierin door. Dit zijn de uiterlijke kiemen, harde noten. Of men verzinkt in moede­loosheid, apathie: “Het leven is leeg, zinloos, weer zo’n jaar voor de boeg. Weer dezelfde fouten maken, weer met dat afgezaagde beeld van mijn ei­gen persoon door de wereld. “Bah!” Dit kunnen we in ons­zelf leren kennen. Hoe voelen we ons nu? “Mens, ken u zelve”  wordt tot “Mens, ken de draak in u”. Ken het vuur dat niet tot leven wekt, maar vernie­tigt. Ken de harde schubben op de opper­vlakte van de ziel waarmee we
ons­zelf van de medemens, van het leven afsluiten. Ken de bloedeloosheid van de apathie. Ken de kilte van de ondankbaarheid jegens de vruchten van de zomer. Het beeld van de draak is niet een uiterlijk beeld.
De draak leeft in ons allen als de zin­tuiggebonden denker, de harteloze doener. De materialist in ons is draak. Vooropgestelde oordelen en denkbeelden, harde eisen die we aan het leven en medemensen stellen, eenzijdige standpunten, afgesloten voor de visie van anderen. En dan komen we in de onwaarheid: in de schijnzekerheden van het bestaan. In de angst om het leven open en vrij tegemoet te treden. Bang voor het levenslot dat als kiem in ons willen leeft.
In de Michaëlstijd wordt niet van ons verlangd de draak te doden, noch de draak die we in anderen menen te zien te bestrijden. “Mens, ken de draak in u”. En daarmee voeren we de Michaëlsstrijd in ons. “Mens, ken de draak in u”. Bestrijdt hem met het lichtend zwaard van het kos­misch bewustzijn, met het ent­housiasme voor de geest der wereld met de kracht van het zoeken naar levende waarheid, met het vaste vertrouwen in de kracht der enge­len. Elke stap op deze weg is een hapje geestesvoedsel voor de aartsengel Michaël; Hij kan schenken wat hij de zoekende mens te bieden heeft: moed om de leugen in de wereld in de ogen te zien en haar kennende te be­strijden. “Mens, ken de draak in u” en gij wordt tot Michaëlsstrijder. Een Michaëlsfeest, dat gevierd wordt vanuit de uiterlijkheid: drakenbroodjes, vruchtentafels, pompoenensoepen, vlier­sappen omdat dat moet en toch zo gezellig is, is een leugen, een misplaatst Johannesfeest, minder nog. Wie de draak niet kent, kan geen Michaëlsfeest vieren. Wie de draak wil zien, en de kracht en moed voelt groeien hem te bestrijden, kan niet anders dan in waar enthousiasme het feest vieren van de opstanding van de mens in zichzelf. Dan is het vuur-geestesvuur, dan is het zwaard de waarheid, dan is de mens mens. En dan zijn voor onze kinderen de broden, tafels, soepen en sappen geestesbroden, dankbaarheidsta­fels, waarheidssoepen en levens­sappen.

(Reijer Ploeg, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël, alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.
VRIJESCHOOL in beeld: Michaël

 

252-237

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (4)

.

MICHAËLVIERING

                                                                                                  

Omwille van enthousiasme en moed

Michaëlsdag op 29 september is als kerkelij­ke feestdag heel oud maar in de meeste stre­ken niet meer dan een van de vele gedenkda­gen van de kalender. Er zijn enkele streken in Europa waar de verering van Michaël meer op de voorgrond getreden is, bijvoor­beeld Bretagne, Normandië en Ierland, maar ook de Monte Gargano in Italië. Daarnaast zijn in grote delen van Europa in vele romaanse kerken Michaëlkapellen geweest. Ze waren in het westelijke deel van de kerk tegenover het altaar.

Het hoogtepunt van alle Michaëlvereringen ligt tussen de dertiende en vijftiende eeuw, dus in de tijd dat in Europa een nieuw be­wustzijn begon te ontstaan, waarin de ridder­cultuur met grote landgoederen plaats maak­te voor de stadscultuur van de burgerij, waarin de theologie het veld begon te ruimen voor de natuurwetenschappen, waarin het innerlijk oog, gericht op het zielenleven en zielenheil zich metamorfoseerde tot het uiter­lijke waarnemen, gericht op de wereld en op de stoffelijke welvaart.
Michaël werd vereerd toen de mens begon te ontwaken tot een zelfstandig wezen met eigen verantwoorde­lijkheid en eigen denken. Michaël is in die tijd vooral de strijder tegen de draak en degene die de zielen weegt na de dood en bij het laatste oordeel. Men kan vermoeden dat de mensenzielen de gevaren van de komende tijd beleefden en die gestal­te gaven in de draak, waarbij de ernst van de strijd met de macht van Het boze zijn uit­drukking vond in de weegschaal. Vaak zien we afbeeldingen waarop de duivel de ene schaal naar beneden trekt.

In de late middeleeuwen verdwijnt de Michaëlverering, al blijft ze in bepaalde streken fragmentarisch bestaan met behulp van oude legenden. Daar wordt het een traditie waar­aan niets nieuws wordt toegevoegd, maar die wel leeft.

Pas in de twintigste eeuw wordt Michaël weer belangrijk in de antroposofie. Het is eigenlijk pas in de laatste jaren van zijn leven dat Rudolf Steiner uitvoerig over Michaël spreekt. Hij zei daarbij dat wij nog aan het begin staan van de viering van het Michaëlsfeest.

De Christengemeenschap ontvangt in die tijd het Michaëlsepistel (gebeden aan het begin en het einde van de Mensenwijdingsdienst en een invoegsel na het credo). In de Vrije Scholen krijgt het Michaëlsfeest hetzelfde accent als Kerstmis, Pasen en Pinksteren en wordt zelfs vaak als het bijzondere feest van het jaar gevierd.

Wat is er gebeurd? Ik heb het vermoeden dat, wat er eigenlijk gebeurt in de wereld, voor ons bewustzijn slechts langzaam duide­lijk wordt, dat wil zeggen dat we nu pas, na meer dan een halve eeuw beginnen te begrij­pen waarom de verering van Michaël zo centraal kwam te staan bij Steiner. Als men terugblikt kan men tot het volgen­de komen.
In dezelfde tijd dat Steiner uit­voeriger over Michaël en de met hem
ver­bonden mensenzielen gaat spreken, komen vele jonge mensen naar hem toe. Drie ken­merken kon men aan hen waarnemen. Ze werden niet in de eerste plaats gedreven door behoefte aan inzicht, maar ze wilden iets doen. Het waren degenen die later art­sen, priesters, landbouwers, (heil)-pedagogen werden. Alleen wanneer men deze beschrij­ving niet eenzijdig als definitie vastnagelt, kan men het zo uitdrukken. Natuurlijk zochten ze ook inzicht voor hun doen. Hun tweede kenmerk was dat ze tot Steiner en tot elkaar kwamen door een innerlijke drang die uit het voorgeboortelijke leven kwam. Het derde kenmerk was de sterke drang naar eigen bovenzinnelijke ervaring.

De toen oudere generatie zocht boven alles inzicht in wat de meester kon meedelen over de hogere werelden. Bij de jongere generatie ging het om eigen ervaring. Ook dit moet men niet weer eenzijdig in een schema wringen. Het gaat meer om tendenties in een bepaalde richting.

Wanneer we nu onze eigen tijd bezien (meer dan een halve eeuw later), bemerken we dat de behoefte aan daden alleen maar is toege­nomen en vooral aan daden die op de toe­komst zijn gericht. Toegenomen is ook het vertrouwen op de innerlijke drang. Voor veel jonge mensen is het nu vanzelfsprekend dat ze impulsen hebben meegenomen uit het voorgeboortelijke en uit vroegere levens. Ook is de drang naar eigen bovenzinnelijke ervaring niet meer weg te denken uit onze cultuur.

Er komt dus een beeld te voorschijn van dat­gene wat de geestesstroming wilde die omstreeks 1920 opdook. Men kan trachten dat een naam te geven; men kan ook de beschrij­ving als zodanig laten staan. In de beschreven verschijnselen is een duide­lijke lijn zichtbaar, waardoor men zich een beeld kan vormen van de metamorfose die Michaël in zijn werken doormaakt. Aan een duidelijke lijn in een biografie leert men de individualiteit, het Ik van een mens kennen. Aan een duidelijke lijn in een tijdperk kan men de individualiteit leren kennen die in dat tijdperk leeft, de geest van die tijd. Die kan men met de oude naam Michaël aandui­den.

De middeleeuwse legenden geven een be­paald beeld van Michaël. Ze verbinden hem als strijder met de draak, als rechter met de weegschaal. Als we de fenomenen van onze tijd nog wat nader bezien kunnen we mis­schien inzicht krijgen in het wezen van Michaël.

Inzicht is gericht op het verleden. Wat voor­bij is kunnen we overdenken. Maar we kunnen ook zo leren denken dat we ideeën ont­wikkelen voor wat er nog niet geweest is.

Daarvoor is kennis van het gewordene nood­zakelijk. In onze cultuur zijn vooral sinds het einde van de negentiende eeuw enorm veel nieuwe ideeën ontwikkeld. Daaruit is onze industrie ontstaan, ons verkeer, onze productie en onze technische communicatie. Wat verloren ging is ons werk en ons werkelijk communiceren met elkaar. Nu wordt er verlangd naar werk waarmee we ons menselijk kunnen verbinden. Ook het vormen van gemeenschappen, waar de mens de andere mens kan ontmoeten en waarin hij een echte communicatie kan hebben wordt van levensbelang. Het mislukken van vele kleine pogingen tot gemeenschapsvorming en kleinschalig werk heeft een heel tragische kant. Het is daarbij duidelijk dat bewust­zijnsvorming nodig is. Wat hierboven als eerste en tweede kenmerk is genoemd van de jongeren van de jaren twintig vraagt in onze tijd versterking door het denken. Het is waar dat iets goeds in de wereld alleen tot stand kan komen als de drang ertoe uit diepe ondergronden van ons wezen komt en niet uit nuttigheidsoverwegingen van het ver­stand. Maar het is wel nodig dat in een wak­ker bewustzijn overzien wordt wat er diep in ons leeft, opdat we dat die vorm kunnen geven die echt vruchtbaar is. Maar wat is dat anders dan inzicht zoeken in het bovenzinnelijke? De wereld waaruit onze impulsen komen, is die van het onderbewus­te, maar deze uitdrukking zegt alleen iets over ons bewustzijn en niets over die impul­sen zelf. Die impulsen ontstaan in ons leven als individualiteit voor onze geboorte en dat is een hogere wereld, geen lagere.

Hier loeren echter ook de gevaren en wel van twee kanten. We kunnen ons in een verheven stemming heel gemakkelijk illusies maken en voor een hogere wereld houden wat alleen maar in onze wensen leeft. Dat is het gevaar van Lucifer, de verleider. Aan de andere kant ligt de zorg op de loer, in de vorm van de vraag of het wel zal kunnen, of de praktijk van het leven zich niet verzet tegen onze goede impulsen, de vraag of ‘de mensen’ er wel aan toe zijn, enzovoort. Hier horen ook onze eigen egoïsmen thuis, of we onze eigen levensbehoeften of wat we daarvoor houden, wel zullen kunnen vervullen. In de vraag of het wel mogelijk is dat een mens echt toe­gang krijgt tot een geestelijke wereld, ligt Ahriman op de loer.

In de beelden van de middeleeuwen werden deze verleidende machten van Ahriman en Lucifer samengevat als de Draak. Deze draak moet duidelijk gezien worden. Anders jaagt hij ons angst aan. Maar onze tijd vraagt niet alleen duidelijk zien. Ze vraagt voor alles moed, moed om te strijden. Daarom worden de zielen gewogen. Ze kunnen te licht zijn of te zwaar, illusionair of overmoedig zijn, maar ook te zorgelijk en te bang, of te veel aan de welvaart gehecht, aan onze zogenaamde behoeften.

Hoe verkrijgen we de moed? Die is niet altijd aangeboren maar kan wel geoefend worden. De kracht die moed wekt is het enthousias­me. Dit woord betekent: doordrongen zijn van het goddelijke, ook wel het in God zijn. Het is het goddelijke in ons dat de moed te voorschijn roept. Als we ons slechts op de uiterlijkheid van de wereld richten kan deze ons alleen maar verlammen. De blik wil weer gericht worden op een hogere wereld die niet alleen in de geestelijke wereld maar ook op aarde te vinden is. Het is die hogere wereld die Rudolf Steiner bekend maakte in een taal die onze tijd kan verstaan en die gevonden kan worden door mensen die durven te vertrouwen op hun diepere impulsen, die ze willen voeden door inzicht, werkelijke religie en kunst. De naam van Michaël betekent: Wie is als God? Vroeger werd dat vaak beleefd als een waarschuwing tegen hoogmoed. Nu klinkt die naam als een roep: wie durft het aan God in zich te beleven en dienovereenkomstig te leren handelen?

Michael  5

 

(Jacobus Knijpenga, Jonas nr. 2, 18-09-1981)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

250-235

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (5)

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (3)

.

TUSSEN ZWAARD EN WEEGSCHAAL

Op een ochtend hing er mist tussen de bomen. Alle scherpe vormen waren verzacht. De lucht was zuiver en tinte­lend fris. Straks zou de zon komen en de mist verjagen. Hoog boven de bo­men zou de hemel zijn, blauw en hel­der, en later zouden er grote witte wolkenmassa’s langs drijven. Wattige luchtkastelen, steeds wisselend van vorm, voortdurend veranderend, ter­wijl ze statig voorbij zeilen.

Eind augustus, de tijd van de prachtige wolkenluchten en ook van het
plotse­ling opkomende onweer. Dan flitst de bliksem omlaag, een daverende klap, en de donder rommelt over de weilan­den.

Buiten in het veld, in het vlakke wijde land van Holland kan je die hemel­hoog opgestapelde wolkentorens op je af zien komen, donkergrijs of krijtwit van de hagel. Heel klein voel je je dan, een nietig mens tegenover dat enorme brok samengebalde kracht. Dan besef je pas in hoe hoge mate wij onze zekerheid ontlenen aan het feit, dat we stenen omhullingen hebben ge­bouwd met een dak erop. We schuilen weg in onze huizen, en voelen ons vei­lig voor de elementen. Maar zijn we werkelijk innerlijk bestand tegen zulke elementaire krachten? Kunnen we rustig blijven bij het felle licht van de bliksem, bij een knetterende donder­slag?

Vaak zijn de dreigende lucht en de on­heilspellende stilte van te voren
angst­aanjagender dan het onweer zelf. De eigenlijke bevrijding van al deze
ele­mentaire spanningen komt met de neerstromende regen. Iedereen ademt verlicht op en na een uur breekt de zon weer door. De wolken drijven ver­der, de lucht is hoog en blauw. Al gauw zie je tussen de struiken en plan­ten geheimzinnige dampsliertjes om­hoog kringelen: kleine vreugdevuren worden ontstoken, elven dansen in een ringelrei over het gras. En wij, wij doen de deuren van onze huizen open en laten de zon binnen!

Voorboden van de Michaëlstijd, weerspiegeld in de natuur, en ook tussen de mensen onderling.
Na zeven lange weken gaat de school weer be­ginnen. Niet alleen een leerschool voor de kinderen, maar ook voor de ouders, of ze nu willen of niet. Aan de ene kant vinden de kinderen het heerlijk weer hun klasgenootjes te zien; aan de andere kant worden ze in het begin doodmoe van die hernieuwde confrontatie met de klas. Er zijn nogal eens ruzies en vechtpartijen, vriend­schappen verschuiven, de kibbelarijen zijn niet van de lucht. Maar na enige weken wordt dat langzamerhand weer een geheel, een eenheid, een klas. Dan heeft ieder zich min of meer gevoegd. Iedereen is weer gewend aan elkaars hebbelijk- en vooral onhebbelijkheden. En de moeders? Zij moeten zich weer instellen op de ijzeren regelmaat van de klok. Bovendien zijn er altijd wel kinderen die de eerste weken over de schooldrempel geholpen moeten wor­den. En we zien weer zo haarscherp wat ons niet bevalt in de meesters en juffies. Zijn ze wel lief genoeg voor onze kinderen? En die andere ouders – alla, moedig de schouders er onder. We moeten toch weer een jaar met el­kaar optrekken. Laat ik maar even een praatje gaan maken. En bij nader in­zien valt het allemaal best mee. Het is even wennen, maar na enige tijd weet ik weer waarom ik juist die moeder zo waardeerde, en ik zie weer hoe gezel­lig juist die ene vader met zijn kind omspringt.
Woorden gaan over en weer, zoekend en tastend naar die ander. Wie ben jij? Wat zoek je, wat wil je? Hoe was je ook weer? Soms ontdekken we na de vakantieweken ineens bepaalde kwali­teiten in een ander, die je meende goed te kennen. Soms ook vervelende eigenschappen, die je tevoren niet had opgemerkt, en die je nu gaan hinderen. Hoe ga ik daarmee om? Blijkbaar vindt er toch een verschuiving plaats in de samenwerking tussen mensen, als het nieuwe schoolseizoen inzet. Dat gaat overigens niet altijd onge­merkt. Er worden soms harde noten gekraakt, we zeggen elkaar flink de waarheid, we vegen elkaar de mantel uit, en allerlei opgekropte emoties en spanningen botsen op elkaar. Zo moet het misschien ook gaan, overal waar mensen proberen samen te werken, en misschien juist in deze tijd, dat ieder­een weer bij elkaar komt, en alles weer begint en vorm krijgt.

Aan het eind van deze eerste moeilijke maand wordt op de Vrije Scholen het Michaëlsfeest gevierd. Met heilige ernst zingen de kinderen hun liederen ter ere van de strijdende aartsengel. Zij zien het spel van Sint-Joris, de rid­der met de rode mantel op zijn glan­zend witte paard. Met kracht stoot hij zijn lans in de muil van het ondier, dat zich kronkelt aan zijn voeten. Het beest ligt gekromd in een ontzaglijke schaduw, maar achter de gestalte van de ridder straalt een bovenaards licht. Het is vooral dat aspect van het zwaard, waar we veel over horen in de Michaëlstijd. Het is voor de kinderen ook zeer sprekend; de strijd tegen de draak. Het wordt gespeeld en gete­kend en geschilderd. En de moed van dat zwaard te hanteren zullen we ook nodig hebben in allerlei situaties. Maar mij ligt toch meer dat andere werktuig waarmee de aartsengel Michaël vaak staat afgebeeld: de weegschaal. Het af­wegen van de verschillende dingen die op je weg komen, het voortdurend zoeken van het juiste midden: het zijn toch handelingen die voor ons als moeder, als kleuterleidster, voor ieder die in een verzorgend beroep staat, herkenbaar zijn.

Het steeds weer moeten zoeken naar een oplossing die aanvaardbaar is voor allen, dat is: de schalen van de weeg­schaal in evenwicht houden. En die schalen zijn meestal van koper, het metaal dat van oudsher te maken heeft met de hartewarmte, met de liefde tot de medemens. Van koper worden je handen warm als je erover wrijft, en het glanst als goud als je het oppoetst.

Het ijzer heeft andere kwaliteiten. Het heeft meer met kracht te maken. De ridder op zijn paard baant zich een weg door de wereld met zijn ijzeren zwaard. Hij verovert zich daarmee een ruimte waarin hij zich bewegen kan. Ik meen, dat je als moeder en als ieder die op een plaats staat die lijkt op die van de moeder, ook voortdurend bezig bent ruimte te scheppen, maar dan op een manier, die in de eerste plaats op anderen is gericht. Je schept ruimte, zodat anderen kunnen gedijen. Dat hoort vanzelf bij de beweging van de weegschaal: hier een beetje bij, daar een beetje af. Iedereen komt aan de beurt, niemand hoeft zich te kort ge­daan te voelen. Zo blijkt het moeder­zijn een Michaëlische taak bij uitstek te zijn!

De dag is voorbij – lange schaduwen vallen over het gras. De hoge zonnebloemplant vangt met zijn dikke knop de laatste stralen van de ondergaande zon. Een warm oranje licht schijnt tus­sen de bomen door. Daarboven merk­waardig klaar en helder de bijna door­schijnend blauwe lucht. De schemer zet in, dat geheimzinnige halfduister waarin zoveel gebeuren kan. Het roezige van de dag ebt weg. Het is een uur van bezinning en over­peinzing. Wat is de oogst van deze dag? Pijnlijk scherp komen altijd het eerst de dingen naar voren, die niet zijn ge­lukt. We moeten toch meestal een in­nerlijke verlegenheid overwinnen om ook te kijken naar de dingen die goed waren, waar je vrede mee hebt. Ook dat hoort bij het Michaëlsfeest. Daar put je moed uit om te blijven staan op de plaats die je toegemeten is.

(Marieke Anschütz Jonas nr.2, 22-09-1978)

517px-Van_der_weyden_michael

Rogier v.d. Weyden: Michaël

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

249-234

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (1)

.
Maarten Udo de Haes in  Jonas, nr.2, 16-09-*1983
.

ZWAARD EN WEEGSCHAAL
.

Michaëls symbolen voor een innerlijke strijd

Wanneer je na de zomer je werk weer oppakt, kan je de spanning ervaren tussen nieuwe plannen die je op wilt pakken en het besef van de beperking­en en weerstanden waarmee je zal worden geconfronteerd. Michaël toont ons deze twee polen door de ene keer de weegschaal te hanteren voor het zoeken naar even­wicht en de andere keer het zwaard voor de strijd.

De kringloop van het jaar is op natuurlijke wijze in vier gedeelten in te delen door daar­in de seizoenen lente, zomer, herfst en win­ter te onderscheiden. In oeroude symbolen als de swastika (hakenkruis), het zonnerad of ook het Ierse zonnekruis komt deze viergeleding tot uitdrukking. Het is dan ook niet ver­wonderlijk dat deze natuurlijke vierheid de mensheid steeds weer heeft geïnspireerd om ook het spirituele leven en de religieuze praktijk daarop af te stemmen. Of anders uitgedrukt, dat de twee markante momenten in het jaar waarop de zon haar hoogste en laagste punt heeft bereikt en de tussenliggen­de tijdstippen waarop zij in het midden staat (dag- en nachtevening) de vier ankerplaatsen vormen waaromheen de religieuze feesten ge­ordend zijn.

Hoewel wij ons (zeker in de westerse bescha­ving) in hoge mate hebben geëmancipeerd van de invloeden van zon, maan en sterren en ons daar niet zo vanzelfsprekend meer naar richten, behoeft dit niet tot gevolg te hebben dat wij er ons geheel voor afsluiten (zo dat al zou kunnen). Het kan integendeel ook aanleiding zijn om er bewust en her­nieuwd weer toegang toe te vinden. De fees­ten zijn dan niet – zoals in vroeger tijden – in­gegeven aan de mensen, maar weergegeven door de mensen. In deze zin willen de chris­telijke jaarfeesten niet slechts een ‘verleng­de’ zijn van de taal die zon, maan en sterren spreken, maar een antwoord daarop. Dit antwoord kan des te krachtiger en vreug­devoller klinken naarmate wij ons ieder jaar opnieuw meer verdiepen in het karakter en de waarden van de feesten; er regelmatig oe­fenend in en mee leven, zoals dit bijvoor­beeld in de godsdienstoefening in praktijk kan worden gebracht.

Evenwicht in uitersten

Wanneer na de zomertijd de dagen steeds sneller korter worden, bereiken we het ogenblik (dit jaar – 1983 – op 23 september) waarop dag en nacht even lang zijn. De plaatsen van zonsopgang en -ondergang staan dan precies lijnrecht tegenover elkaar. Het zichtbare ge­deelte van de zonnebaan overdag is dan nauwkeurig even lang als de onzichtbare nachtelijke helft, terwijl – wat hier dan ook mee samenhangt – het hoogste punt van die baan even hoog boven de horizon ligt als het laagste punt eronder. We kunnen daar nog aan toevoegen, dat deze beide punten op hun beurt weer nauwkeurig in het midden liggen tussen de uiterste standen die beide in­nemen in zomer en winter. Kortom, alles spreekt een taal van evenwicht, van afgewogenheid, van het midden. Opvallend in overeenkomst daarmee is het feit dat de aartsengel Michael, die sinds ouds­her als genius van de herfsttijd van het jaar wordt gezien (29 september is ‘zijn dag’) vaak wordt afgebeeld met een weegschaal in de hand. Het goed en het kwaad, het licht en de duisternis in de menselijke ziel worden afgewogen; tenminste dat deel dat we zelf niet hebben kunnen of willen afwegen. Wanneer wij na de zomer het nieuwe ‘sei­zoen’ beginnen en het werk weer aanpakken of oppakken, gaat dit vaak gepaard met een bewust of onbewust afwegen van de moge­lijkheden. We staan in het spanningsveld tus­sen twee polen. De idealen en verplichtingen aan de ene kant die we – na wat afstand ge­nomen te hebben – weer helderder en duide­lijker voor ogen zien; aan de andere kant de beperkingen, innerlijke en uiterlijke weer­standen, waarmee we hernieuwd – ondanks opgedane krachten – worden geconfronteerd. We staan weliswaar altijd min of meer in dit spanningsveld tussen nieuwe impulsen en de opgelegde beperkingen, tussen vertrouwen en zorg, tussen het opnieuw met iemand pro­beren in een vruchtbare, harmonische relatie te komen en de zwakheden en onhebbelijk­heden die ik bij mijzelf en de ander ontmoet.
Maar de beide uitersten lijken in deze tijd van het jaar nog verder uit elkaar te liggen dan anders het geval is. Het spanningsveld is daardoor des te groter. En voordat ik het goed besef heeft de weegschaal, die dient om de uitersten harmonisch tegen elkaar af te wegen, plaats gemaakt voor het andere ‘attri­buut’ waarmee Michaël veelvuldig wordt uit­gebeeld, namelijk het zwaard waarmee uitersten elkaar bestrijden of – en daar komen we straks op terug – dat dient om zelf uitersten te bestrijden.

Er bestaan ook afbeeldingen van Michaël waarbij hij zowel de weegschaal als het zwaard draagt, een combinatie die aanvanke­lijk verwondering wekt omdat het tegelijker­tijd hanteren van een precisie-instrument dat een stille en rustige hand vraagt en van een zwaard dat met grote krachtige bewegingen wordt gezwaaid tegenstrijdig lijkt te zijn. Toch kunnen we uit waarnemingen die in het voorgaande zijn beschreven wel degelijk ervaren dat weegschaal en zwaard heel dicht bij elkaar kunnen staan; dat ze beide te ma­ken hebben met uitersten, die tegen elkaar worden afgewogen ofwel tegen elkaar strij­den.

Vechten op twee fronten

Dat zwaard en weegschaal inderdaad samen kunnen worden gehanteerd, hoewel dat op het eerste gezicht niet verenigbaar lijkt, kan misschien ook nog duidelijk worden vanuit een heel ander gezichtspunt.
Veel wordt tegenwoordig gesproken over vrede. Velen zetten zich actief in voor de vrede. De toenemende oorlogsdreiging, de harder wordende agressie, de criminaliteit brengen velen ertoe om hetzij individueel of in vredesbewegingen zich tegen dit toene­mende geweld te verzetten of om er de waar­de van de vrede of van de geweldloosheid te­genover te plaatsen. Daarbij wordt meestal uitgegaan van de overtuiging dat vrede het tegenovergestelde is van oorlog; dat vrede staat tegenover strijd en confrontatie. Vanuit die overtuiging is het dan ook geheel onbe­grijpelijk waarom nu juist Jezus, die – zoals in het evangelie wordt beschreven – de disci­pelen uitzendt om de vrede die hij aan hen geeft verder uit te dragen tot de uitspraak komt: ‘Ik ben niet gekomen om de vrede te brengen, maar het zwaard’.
Dit lijkt in scherpe tegenstelling te staan tot de uitspraak zoals deze ons is overgeleverd door het Johannesevangelie: ‘Vrede schenk ik u; de vrede die in mij is geef ik aan u’. Wat is dit voor een soort vrede, of wat betekent dit zwaard?

Wanneer ik geconfronteerd word met ander­mans mening is het gevaar groot, dat ik óf deze tracht te onderdrukken en mijn mening aan de ander opdring, óf integendeel, dat ik niet eens naar de ander luister, zijn of haar mening volledig negeer en de betreffende daarbij in de kou zet.

Al naar gelang het onderwerp of de persoon of mijn gesteldheid kan een van beide tegen­gestelde neigingen bij mij opkomen. Wanneer in het eerste geval de ‘zwakkere’ zich gewon­nen geeft is de strijd ten einde, er wordt vre­de gesloten. In het tweede geval is er niet eens sprake van strijd, want deze wordt ver­meden, zodat die situatie een ‘vredige’ ge­noemd kan worden. In beide gevallen is er geen strijd (meer) en kan dus vanuit de be­schreven overtuiging in zekere zin van ‘vrede’ worden gesproken. Toch voelt dit onbevredi­gend of zelfs onbehagelijk aan, omdat we bij vrede toch nog een andere kwaliteit vermoe­den of verwachten dan alleen maar een soort wapenstilstand of ‘koude vrede’. Misschien moet ik wel degelijk het zwaard voeren en ten strijde trekken. Maar dan niet tegen de ander of diens mening, maar tegen die beide neigingen die ik bij mijzelf kan ont­dekken en steeds weer voel opkomen. Ik moet in mijzelf als het ware aan twee fron­ten tegelijkertijd vechten, namelijk tegen de heetgebakerdheid, tegen de neiging om het mij bedreigende te willen onderdrukken, en aan de andere kant tegen de onderkoeling, te­gen de neiging de ander te negeren en zo bui­ten spel te zetten.
In het laatste boek van het Nieuwe Testament, de Apocalypse, wordt gesproken van een tweesnijdend zwaard, het­geen misschien ook in de richting wijst, dat ik niet zo zeer moet strijden tegen een macht buiten mij, maar tegen twee machten in mij.

En ik merk dat, hoe meer het gelukt deze twee machten meester te worden, hoe vrijer en opener ik tegenover de medemens kom te staan, ook al vertegenwoordigt hij een ande­re mening of reageert hij anders in een be­paalde situatie dan dat ik zou doen. Ik merk dat ik mijn eigen standpunt veel minder ab­soluut als het enig juiste beschouw, maar dat mijn zienswijze wellicht aanvulling behoeft, die een ander mij kan geven. Ik ben dan be­reid innerlijk meer te omvatten. En dat is vrede.

De strijd buiten mij aangaan blijkt tot twist, ruzie, oorlog of in het beste geval tot wapen­stilstand of schijnvrede te leiden. Het strijd­toneel in mijzelf te zoeken blijkt tot opener, evenwichtiger relaties te leiden, waarbij ruim­te is voor meerdere standpunten. Zo blijkt het zwaard niet in tegenspraak te zijn met vrede, maar integendeel strijd met het tweesnijdend zwaard zelfs voorwaarde is tot vrede, hoe gevaarlijk deze uitspraak uit het verband genomen ook is. Ik zou ook kunnen zeggen: strijd buiten mij leidt tot oorlog; strijd in mij tot vrede.

Actief antwoorden

De aartsengel Michaël kan ons – vooral juist in de herfsttijd – inspireren en helpen bij de­ze innerlijke strijd. De strijd voor meer ruim­te en openheid in de ziel, voor de bereidheid meer te willen omvatten dan tot nu toe in mij leefde, dus ook voor innerlijke groei bo­ven de mens uit die ik nu ben. Wanneer wij van onszelf zeggen dat we tot grote, misschien wel goddelijke hoogten kun­nen groeien, kan dit door hoogmoed worden ingegeven. De verleidende macht, zoals deze in het begin van het Oude Testament in het beeld van de slang wordt beschreven, zet de mens tot die hoogmoed aan door uit te spre­ken: ‘Gij zult als God zijn’. Hoewel deze uit­spraak – wanneer deze op onwaardige wijze of op een onjuist tijdstip klinkt – tot hoog­moed leidt, is de inhoud van die woorden niet in tegenspraak met de feiten zoals deze in de Genesis worden beschreven, namelijk dat de mens inderdaad geschapen is ‘naar Gods beeld en gelijkenis’.
Wij dragen als mens het goddelijke in ons. Jezus herinnert de mensen op radicale wijze aan deze godde­lijke oorsprong, of aan de goddelijke kern die zij in zich dragen, met de woorden: ‘Gij zijt Goden’.

De genius, de engel van de herfsttijd, herin­nert ons ook aan deze oorsprong door de betekenis van zijn naam Michaël: Wie is als God? Van alle met name genoemde engelwe­zens is hij de enige wiens naam een vraag in­houdt. En zoals iedere vraag, zo zet ook deze tot innerlijke activiteit aan. Een vraag vraagt namelijk om beantwoording. En wanneer wij aannemen of beleven dat deze vraag aan de mensen, aan ons gesteld is, dan zal toch ook van ons het antwoord verwacht worden. Wie is als God? Aan de ene kant kunnen we hoogmoedig zeggen, het antwoord is al lang gegeven, namelijk de mens, zodat de vraag niet eens meer gesteld behoeft te worden. Aan de andere kant kunnen we onszelf (en vooral de ander!) wel degelijk beleven als een onaf, zwak, soms zelfs nietig en in ieder geval een onvolmaakt wezen, kortom, zeker niet in aanmerking komend om met God vergele­ken te worden!

Het antwoord vinden we misschien juist dan, wanneer we het midden vinden (evenwich­tig!) tussen deze uitersten van hoogmoed en ‘laagmoed’. Wanneer wij namelijk de moed vinden om weliswaar onder ogen te zien dat er een brede, diepe kloof ligt tussen menszijn en godszijn, maar anderzijds dat deze afgrond overbrugd en de beide werelden met elkaar verbonden kunnen worden. In deze zin staat Michaël bij uitstek in dienst van Diegene die, zelf God zijnde, mens is ge­worden, daarmede de mogelijkheid schep­pend dat de mens tot God wordt. ‘Gij zijt Goden’ houdt dan een belofte, een verwach­ting in die in de toekomst – mede door ons actieve antwoorden op de vraag: Michaël -verwerkelijkt kan worden. Behalve de eigen, unieke waarde van de Michaëlstijd heeft deze kennelijk ook een
voor­bereidend karakter voor de advent- en kerst­tijd: de geboorte van God in de mens.

Michaël 1

Hans Holbein, Michaël met zwaard en weegschaal
.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

247-233

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – Sprookjes (1-6)

.

DE KIKKER EN DE HELD JOHANNES

‘Zoek mij achter drie maal negen landen’

Er zijn veel sprookjes die iets van de essentie van een jaarfeest weergeven. Else Tideman vond een Russisch sprookje, dst bij het paasfeest past.
Van de Russen wordt gezegd dat zij een sterke verbondenheid beleven met het opstandingsgebeuren. Voor hen is het paasfeest het grootste feest van het jaar.

In een rijk, in een koninkrijk leefde eens een koning die had drie zonen, die alle drie vol­wassen waren. Op een dag riep hij hen bij zich en sprak: ‘Mijn lieve zonen, jullie zijn nu vol­wassen en het is tijd aan een bruid te denken. Neem pijl en boog en maak je gereed om te schieten! Ga naar de koninklijke grensweiden en schiet naar verschillende kanten. Daar, waar de pijl heen vliegt, haal je je bruid’.
De zonen namen ieder een pijl, gingen naar de koninklijke grensweiden en schoten de pijl af. De oudste naar rechts, de middelste naar links en de jongste, Johannes, rechtuit. Hierna ging ieder zijn kant op, om de pijl te zoeken. De oudste broer vond zijn pijl in het huis van een minister, de middelste bij een generaal en zij trouwden met hun wonder­schone dochters.

sprookje

Johannes kon lange tijd zijn pijl niet vinden en was heel bedroefd. Twee dagen liep hij door bossen en over bergen, de derde dag kwam hij bij een moeras en zag daarin een grote kikvors.
De kikvors droeg de afgeschoten pijl in zijn poten. Johannes wilde weglopen, maar de kik­ker riep hem toe: ‘Kwak, kwak, Johannes, kom bij me en neem je pijl. Hij vloog naar mij, nu moet je mij tot vrouw nemen, en als je mij niet neemt, kom je nooit uit dit moeras vandaan’.

sprookje 2

Johannes werd treurig en wist niet wat hij doen zou. Hij dacht lang na, toen nam hij de kikker met zich mee en bracht hem naar zijn rijk. De broers en hun vrouwen lachten over die twee.

De dag naderde dat Johannes zou trouwen. Hij reed in een wagen ter bruiloft, de kikker echter droeg men op een gouden schotel. Toen het nacht werd en de bruidegom en de bruid in het slot in hun kamers gingen, deed de kikker haar kikkerhuid af en veranderde in een wonderschone vrouw. Overdag werd ze weer kikker. Johannes leefde gelukkig en tevreden met haar.

Na enige tijd liet de koning zijn zonen bij zich roepen en sprak tot hen: ‘Mijn lieve zo­nen, jullie zijn nu alle drie getrouwd. Ik wens een hemd te dragen, dat jullie vrouwen, mijn schoondochters, genaaid hebben’. Hij gaf ieder een stuk linnen en verlangde, dat de hemden de volgende dag klaar zouden zijn. De beide oudere broers brachten het linnen aan hun vrouwen. De vrouwen riepen hun voedsters, verzorgsters en mooie dienstmeisjes zodat ze hen bij het naaien van de hemden konden helpen. Johannes echter ging met het linnen naar zijn kikker en legde het treu­rig op tafel. ‘Johannes, waarom ben je zo treurig?’ vroeg de kikker. ‘Waarom zou ik niet treurig zijn,’ antwoordde de koningszoon, ‘mijn vader beveelt, dat je vóór morgen uit dit linnen een hemd moet naaien!’
‘Ween niet, treur niet,’ zei de kikker,’ga sla­pen, de morgen is wijzer dan de avond, het zal in orde komen’. Zij nam een schaar en knipte het linnen in kleine stukjes, opende het raam, wierp ze in de wind en riep: ‘Gij waaiende winden, draag de stukjes linnen mee en maak daaruit voor de koning een hemd’.
De volgende morgen bracht iedere zoon zijn hemd aan de koning. De koning bekeek het hemd van de oudste en zei: ‘Dit hemd is net zo genaaid als gewone hemden genaaid zijn’. Toen nam hij het hemd van de tweede zoon en meende dat ook dit niet beter was. Maar toen de jongste zoon hem het hemd reikte, kon hij zich niet genoeg verwonderen. Geen enkele naad was er aan te zien, het was als uit één stuk, en hij zei: ‘Dit hemd draag ik op de allerhoogste feestdagen’.
Daarna gaf de koning zijn zonen nog twee­maal een opdracht voor hun vrouwen. Zij moesten een tapijt borduren met goud en zil­ver en zij moesten een brood voor hem bak­ken. Beide keren brachten de vrouwen van de twee oudste zoons het er niet zo goed af, maar de kikker deed het als te voren: het materiaal voor het tapijt verdeelde ze in kleine stukjes, wierp die uit het raam en riep daarna de waaiende winden te hulp. Zo ont­stond er een tapijt dat volgens de koning ‘bij feestelijke gelegenheden over de tafel ge­spreid zou worden’. Voor het brood mengde zij zuurdeeg, water en meel tot deeg, schudde het, deed het in een koude oven en sprak: ‘Bak brood, rein, luchtig en wit als sneeuw’. En zo gebeurde het. Dit brood werd door de koning bestemd voor koninklijke gasten, maar dat van de andere zoons zou men alleen in nood kunnen eten.

Ten slotte nodigde de koning zijn zonen met hun vrouwen uit voor een maaltijd.
De volgende morgen maakte Johannes zich klaar en reed naar het slot. De kikker open­de het raam en riep met luide stem: ‘Kom jullie waaiende winden, vlieg naar mijn rijk en zeg dat er een rijkversierde wagen komen moet, met alles wat daarbij hoort, met diena­ren, soldaten, lopers en voorrijders!’ Toen allen in het slot verzameld waren reed plotse­ling een prachtig versierde wagen voor. Daar­uit stapte de vrouw van Johannes, een won­derbare schoonheid, en allen verwonderden zich. Toen zetten ze zich aan tafel. Meteen na de maaltijd ging Johannes naar huis, nam de kikkerhuid en verbrandde hem. Toen zijn vrouw thuis kwam, zocht ze haar huid overal, maar zij vond hem niet. ‘Ach’, zei ze, ‘Johannes, had nog een klein poosje geduld gehad. Omdat je geen geduld had, moet je nu vertrekken, om mij te zoeken. Zoek mij achter drie maal negen landen, in het drie maal tiende rijk, in het koninkrijk onder de zon, en weet, dat ik Wassilissa heet, de Alwijze’.
Ze zei het en verdween. Johannes was ontroostbaar en weende hete tranen, toen maakte hij zich gereed om Wassilissa de Alwijze te zoeken.
Hij kwam bij een hutje, dat op kippenpootjes stond en onafgebroken ronddraaide. ‘Hutje, hutje, draai je met de rug naar het woud, met de voorkant naar mij’. Bij zijn woorden bleef het hutje staan en Johannes ging naar binnen. In de voorste hoek zat de heks Baba Jaga. Met toornige stem riep ze: ‘Tot nu toe heb ik de Russische geest niet met de ogen gezien, niet met de oren gehoord, maar nu verschijnt de Russische geest voor mijn ogen! Hoe is het, held Johannes, kom je vrijwillig of gedwongen?’

‘Ik kom vrijwillig, twee maal zo veel echter onvrijwillig’, antwoordde de held Johannes en vertelde alles, wat gebeurd was. ‘Ik heb met je te doen,’ sprak de Baba Jaga, ‘laat toe, dat ik je dien en je Wassilissa de Al­wijze toon. Iedere dag komt ze naar mij toe­gevlogen, om hier uit te rusten. Als ze aan komt vliegen, probeer haar dan bij het hoofd te pakken. Als je haar vangt, zal zij zich in een kikker veranderen, in een pad, een slang en allerlei kruipend gedierte, en uiteindelijk in een pijl. Neem deze pijl en breek hem middendoor, dan wordt ze voor eeuwig de jouwe. Maar zorg ervoor, dat je je vrouw vast­houdt, als je haar gevangen hebt!’
De eerste maal mislukte het, en in een ogen­blik was Wassilissa verdwenen. ‘Omdat je haar niet kon vasthouden’, zei de Baba Jaga, ‘daarom zul je haar hier nooit weer vinden. Maar ga naar mijn zuster, als je wilt, Wassilissa de Alwijze vliegt daar ook heen om uit te rusten’.

De koningszoon ging naar de andere Baba Jaga. Maar hij was ook daar niet in staat Wassilissa de Alwijze vast te houden. Uiteindelijk kwam hij bij de derde zuster van de Baba Jaga. Zij sprak: ‘Als je nu Wassilissa de Alwijze los laat, zul je haar nooit en nooit meer vinden’.

Toen Wassilissa de Alwijze kwam, trad held Johannes naderbij en greep haar bij het hoofd, en hoe zij zich ook draaide en wendde, Johannes de held liet haar niet meer los. Ein­delijk werd zij een pijl. Hij nam de pijl en brak hem middendoor in twee stukken. Op hetzelfde ogenblik verscheen Wassilissa de Alwijze voor hem en sprak: ‘Held Johannes, nu geef ik mij geheel aan jouw wil over’.

De koning ontving zijn zoon en zijn schoon­dochter met grote vreugde. Hij richtte een groot gastenmaal aan en riep Johannes uit tot koning.

0-0

In Rusland vierde men vroeger uitbundig het paasfeest, na een intens beleefde passietijd. Ook nu nog, voor zover dat mogelijk is.
Herbert Hahn beschrijft zijn herinneringen daaraan in ‘Vom Genius Europas‘. Vanaf de paasnacht worden steden en dorpen urenlang overgoten met vrolijk klokgelui. Hahn be­schrijft hoe men zijn spijzen – gewijd in de kerk – naar huis terug draagt; hoe bij elke ontmoeting klinkt: ‘Christus is opgestaan!’ en het antwoord: ‘Ja, Hij is waarlijk opgestaan!’ Men vindt in Rusland Pasen het grootste feest van het jaar.
Ik heb het gevoel, dat het sprookje ons iets kan vertellen van de weg naar het beleven van Pasen. De twee oudste koningszonen vin­den hun vrouwen dichtbij huis: een minister en een generaal behoren tot de hun bekende wereld. Johannes echter loopt het onbeken­de tegemoet. Hij vindt zijn pijl in een moeras, waar hij alleen uit komt, als hij zich verbindt met iemand, die er als een kikker uitziet. Een kikker….

Dit beeld doet denken aan ‘Doornroosje’. Ook daar speelt de kikker een rol. ‘Toen de koningin eens aan het baden was, kroop er een kikker uit het water aan land, die tot haar sprak: ‘Uw wens zal vervuld worden, eer er een jaar voorbij is, zult gij een dochter ter wereld brengen.’

Een kikker wordt geboren in het water, kruipt als volwassen dier aan land. Een mens komt bij de geboorte óók als het ware ‘aan land’. De ‘kikker’ wéét van die andere, voorgeboortelijke wereld, daarom kan hij de ko­ningin de geboorte van Doornroosje aan­kondigen. Zou de kikker in het Russische sprookje een zelfde soort rol hebben? Wéét de kikker van andere nog niet – of niet méér -stoffelijke werelden?

Johannes moet de stap wagen om zich met dit onbekende te verbinden. Hij waagt het en wordt beloond. ’s Nachts ervaart hij, dat de kikker een omhulsel is voor iets ongekends, dat alles overtreft, wat hij tot nu toe beleefd heeft. Overdag is daar nog niets van te zien, al het kiemen gebeurt in het verborgene. Maar langzamerhand treden de kiemen ook ‘aan de dag’: de kikker kan het schoonste hemd, het schoonste tapijt en het kostelijk­ste brood uit het niets scheppen. Ze knipt immers alle ingrediënten – het stoffelijke – aan stukjes en verstuift het in de wind. En daar, in het rijk van de wind, voltrekt zich de metamorfose tot iets nieuws dat zo gaaf en mooi is dat het voor een feest gebruikt kan worden. Ook de ‘wind’ behoort tot die niet-stoffelijke werelden, waarmee de kikker be­kend is.

Dit sprookje kent verschillende variaties. Zo las ik in een andere versie: De Tsaar sprak: ‘Welaan, dat is een hemd, dat men op paas­zondag aantrekken kan!’ En van het brood: ‘Dit is een brood, dat men op paaszondag eten moet!’

Nu begrijpen we, dat die allerhoogste feest­dagen, waarvan het sprookje spreekt, de paasfeestdagen zijn. En we merken, dat we ons in het verloop van het verhaal aan het voorbereiden waren een waardig paasfeest te vieren.

Toch is nog niet alles gereed. Als de kikker­huid verbrand wordt, verdwijnt Wassilissa de Alwijze in het drie maal tiende rijk. Nu is de beurt aan Johannes. Tot nu toe is alle voorbe­reiding geschonken vanuit die kiemwereld. Nu moet Johannes een verre tocht maken, alle angsten overwinnen en tot drie maal toe opnieuw beginnen, vóór hij van zich uit de verbinding herstelt met Wassilissa de Alwijze. Pas dan – zou men kunnen zeggen – kan men waarlijk Pasen vieren!

Het sprookje van de kikker en de held Johannes is te vinden in ‘Iwan Johannes – Russische Märchen’ Uitg. J.Ch. Mellinger, Stuttgart.

(Else Tideman in ‘Jonas’, nr. 16, 2 april 1982)

 

Sprookjes: alle artikelen

.

228-215

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Jan (29)


JOHANNES, PROFEET VAN DE INKEER

Sint- Jan betekent buiten feest vieren, rondom een Sint- Jansvuur. Het zou kunnen voldoen aan het droombeeld dat velen hebben van Het Feest: een glooiend grasveld aan een bosrand, een stralend blauwe hemel, mensen en kinderen met lichte kleren, met bloemen getooid en dansend in wijde kringen. In de praktijk blijkt het vieren van een speels buitenfeest niet altijd gemakkelijk. De magische toverkrachten die van oudsher aan de Sint-Jansnacht worden toegeschreven, worden niet meer als spannende realiteiten ervaren. Het is deze kloof tussen mens en natuur, die – aldus Henk Sweers – zijn afspiegeling vindt in de kloof tussen de aardse mens en zijn geestelijke identiteit.

Wat maakt de mens tot mens en onder­scheidt hem van andere levende we­zens? Dat hij bewustzijn heeft van zichzelf. Ik ben mij bewust, dat ik hier op dit moment naar een groot Sint-Jansvuur sta te kijken. In deze laatste zin is tweemaal sprake van ‘ik’. Het ene ik is zich van het andere ik bewust. Dat kan niet een en hetzelfde ‘ik’ zijn, want om je van iets bewust te kunnen worden moet je er afstand van nemen, moet je er als het ware buiten staan. Het eerste ik is niet aan mijn persoontje gebonden, dat ergens op aarde is geboren en opgegroeid en hier nu staat te kijken naar een vuur. Het tweede ik is identiek met mijn persoon, die een naam heeft en die tegen zichzelf ‘ik’ zegt. Wanneer bedoel ik met ‘ik’ het eerste ik en wanneer het andere? Laten we het tweede mijn per­soon en het eerste mijn persoonlijkheid noe­men. Is die buiten mijn persoon staande persoonlijkheid een abstractie of is zij een reali­teit? Voor mijn persoonlijkheid hangt van het antwoord op deze vraag de zin van haar bestaan af. Mijn persoon bestaat zolang mijn lichaam leeft. Maar in hoeverre is dat wat mij tot mens maakt, mijn persoonlijkheid dus, of althans het reflexievermogen op mijzelf, af­hankelijk van mijn persoon. Het omgekeerde is zeker het geval, maar kan mijn persoonlijk­heid ook los van mijn persoon bestaan?

Wat is de vraag die het sterkst opkomt in de hoogzomertijd, nu mijn bewustzijn wordt verdoezeld door zon en zomer, nu ik mij graag overgeef aan de wereld buiten mij en nu mijn persoon genieten wil van natuur en levenslust. Dat was de vraag die Sint-Jan opriep in zijn tijd, toen de aandacht voorna­melijk gericht bleef op het aardse leven en het voortbestaan na de dood ontkend werd of als een diepe, duistere slaap werd be­schouwd. Sint-Jan riep de mensen toe: ‘Be­keert u! Verandert uw gezindheid! Verandert de richting van uw blik! Spoel uw verganke­lijk wezen van u af!’ En hij dompelde het li­chaam van de duizenden, die hem begrepen, onder in het water van de Jordaan, waaruit zij weer oprezen als mensen, die bevrijd wa­ren van de stroom der wereldse beslomme­ringen die de mens benauwt en benart. Mijn mensenwezen beschikt, zolang het op aarde wandelt, in zekere zin over drie werktuigen. Een zintuiglijk waarneembaar lichaam, een geheel van voor mij specifieke, mij opbouwende en in stand houdende le­venskrachten en een iets, dat gevoelens, be­geerten, wensen en verlangens heeft. Dus: een mineraalachtig, fysiek werktuig, een ve­getatief levens-werktuig en een animaal gevoels-werktuig. Die drie zijn één in zoverre zij elkaar doordringen, beïnvloeden en zelfs bewerken. Maar wie hanteert ze? Dat is de persoonlijkheid. Deze is er slechts van afhan­kelijk in zoverre een kunstenaar van zijn ma­teriaal afhankelijk is. Zijn materiaal is tevens zijn beperking. Zolang de persoonlijkheid aan het werk is, identificeert zij zich met haar werktuigen en vormt daarmee een per­soon, waar zij zich achter verbergt en waar­doorheen zij spreekt. Deze persoon is haar werkstuk, haar kunstwerk. Iets wat in de ma­teriële wereld onmogelijk is doet zich hier voor: kunstenaar, werktuigen, materiaal en kunstwerk vormen in zeker opzicht een een­heid. Maar wanneer de persoonlijkheid het werk beschouwt, dan is zij een kunstenaar, die zich van zijn werk tracht te distantiëren en het kritisch probeert te bekijken. Een kunstenaar zonder zelfkritiek is beklagens­waardig, want hij is afhankelijk van het oor­deel van anderen.
Dit moment van kritiek zou je een rustpunt kunnen noemen in de ontwikkelingsstroom van het leven. Zonder zulke momenten is er geen sprake van echt menselijk leven. Zonder zelfbewustzijn en zelfbezinning blijft het le­ven louter zintuiglijk, vegetatief en animaal. Niet het doek, niet de verf maakt het kunst­werk, maar de kunstenaar. Zoals de schilder of de beeldhouwer zich af en toe terug moet trekken om zijn werk in ogenschouw te ne­men, zo moeten er in het mensenleven mo­menten zijn van ommekeer. Bijvoorbeeld ’s avonds voor het inslapen, iedere week op zondag, ieder jaar met Sint-Jan.

Ritme beheerst ons leven, het hele leven van de kosmos. Ritmisch gaat de zon ieder jaar door de zodiak, ritmisch beschrij­ven de planeten en de aarde hun baan, rit­misch wisselen dag en nacht elkaar af. Maar ritmisch klopt ook ons hart en ritmisch ade­men wij in en uit. De klok en het horloge kennen alleen maar maat, een altijd starre herhaling van hetzelfde. Dat noemen wij ‘de tijd’. Maar de werkelijke tijd is het niet. De ware tijd danst! Hij gaat op en neer, hij gaat nu eens sneller, dan weer langzamer. Hij schept de harmonie in alle ontwikkeling. Bij dansen en springen, in iedere ritmische bewe­ging komt steeds een moment van rust, bij­voorbeeld wanneer de voeten weer op de aar­de komen of tijdens de rust tussen uit- en in­ademen in.

Ritme ontstaat daar waar de constante bewe­ging wordt tegengehouden. De aarde ademt in en uit, ieder jaar. Zij ademt uit van Kerst­mis tot Sin- Jan, zij ademt in van Sint-Jan tot Kerstmis. Kerstmis is het ogenblik van rust tussen in- en uitademen, Sint- Jan is dat tussen uit- en inademen. De tijd van uitade­men is min of meer de tijd van zichzelf-verliezen, van opgaan-in-het-werk, van persoons­ontplooiing. De tijd van inademen is de tijd van in-zichzelf-keren, van bezinning op het werk, van het ontwaken van de persoonlijk­heid. Het hoogtepunt van levensactiviteit is de mid-zomerwende. Beide vormen een soort moment van rust. Zoals Kerstmis drie dagen na midwinter komt, zo komt Sint-Jan drie dagen na midzomer. De aarde is opgegaan in een laaiend feest van leven en vruchtbaarheid. Ook de mensen hebben zich overgegeven aan de extase van de zomer, aan de warmte van de zon en het juichen van de natuur. Vlier, rozen en ontel­bare andere bloemen bedwelmen ons met hun geuren. Nu is het toppunt bereikt. Van­af dit hoogtepunt echter beginnen meteen de dagen korter te worden en de nachten te len­gen. Het duister begint zich meester te ma­ken van het licht.

Is dat voor de mens niet een aansporing om tot zichzelf te komen, om zijn leven op aarde eens onder de loep te gaan nemen? Nu begint de tijd van inkeer. Kerstmis en Sint-Jan verdelen de kring van het jaar in twee helften. In de opstijgende lentehelft vieren wij de Christusfeesten en herdenken wij Christus’ geboorte op aarde, zijn openba­re leven onder de mensen, zijn lijden, zijn kruisdood, zijn opstanding, zijn hemelvaart en de uitstorting van zijn Heilige Geest, de trooster en de leider van ’s mensen aardeleven. Het is het geboortefeest van Jezus van Nazareth, dat de reeks van deze opstijgende feesten inleidt. Wij weten uit het Lucasevangelie dat Johannes, de zoon van Maria’s nicht Elisabeth, zes maanden vóór Jezus werd ge­boren. Hij was Christus’ voorloper en wegbe­reider. Hij predikte ommekeer der zeden. Is Jezus de brenger van liefde en blijvende vreugde, Johannes is de profeet van de
in­keer. Zijn geboortefeest leidt de tijd in van bezinning. Het afdalen na het opstijgen, het inademen na het uitademen. In de eerste helft van het jaar moeten wij en­thousiast werken aan ons aardse wezen. Dat moeten wij altijd, maar dan vooral. Dat kun­nen wij alleen goed en harmonisch en kunst­zinnig doen dankzij Christus’ komst op aarde. Op het hoogtepunt van het zonnejaar bieden wij onze persoon aan Hem aan.

Met het Sint-Jansfeest vindt er een om­mekeer plaats. Wij beschouwen ons eigen leven en dat van de wereld en gaan de vele tekortkomingen ervan zien. Naarmate onze geest wakkerder wordt en ons inzicht groeit kunnen wij als mens onze medemens­en en heel de aarde meer steunen en helpen. Maar naar diezelfde mate gaat onze persoon­lijkheid niet alleen haar eigen tekortkomin­gen bemerken, maar gaat zij ook steeds meer de talloze fouten zien in de wereld om haar heen: milieuverwoesting, economische crises, gevaren der derde wereld, falen van de demo­cratie, verval van cultuur, heerschappij van goddeloosheid en ongeloof, oorlog en geweld. Waar komt dit alles uit voort? De bovenzin­nelijke wereld wordt ontkend of genegeerd. Planmatig worden de instinctieve, onderbe­wuste, animale driften losgegooid. Zinnelo­ze behoeften worden gekweekt en ‘geïdoliseerd’. De drugs worden een cultus. Terro­risme viert hoogtij. Het besturen van een staat of een gemeenschap wordt steeds moei­lijker. Allemaal de gevolgen van een onver­zadigbare hebzucht en een ongebreideld egoïsme. Immers onze vergankelijke persoon is altijd gericht op zelfbehoud en eigenbelang. Waar het onvergankelijke wezen van onze persoonlijkheid, die ons bewustzijn en gees­telijk inzicht geeft, niet in staat is om de lei­ding te nemen, daar neemt iets anders bezit van onze persoon. Het ‘metanoëite’, dat Jo­hannes de omstanders toeroept (Mat. 3:1) en dat meestal wordt vertaald met ‘bekeert u’ of ‘verandert uw gezindheid’, betekent letter­lijk: ‘Ziet in. Komt tot inzicht’. En dat is het nu precies wat in onze tijd meer dan ooit noodzakelijk wordt: tot inzicht komen.

Laten wij ons na zo’n warme stralende zo­merdag eens bezinnen op die heerlijke natuur om ons heen. De vanzelfsprekende verbinding, die de mens vroeger had met de natuur, die hem de geheimen influisterde van wezens die in zijn omgeving leven, is heden ten dage verdwenen. De kabouters, de elven, de waterwezens, de vuurwezens uit de sprookjes worden niet meer als realiteiten aanvaard. Er is een enorme kloof ontstaan tussen de mens en de natuur. Deze kloof is in zekere zin een afspiegeling van de kloof die er gaapt tussen de persoonlijkheid en haar aardse persoon. Het wordt hoog tijd, dat de mens tot inzicht komt en deze kloof tracht te overbruggen. Denken wij ons deze gedach­te goed in, dan moeten wij tegen onszelf zeg­gen: de mens is niet het enige geestelijke we­zen dat op aarde bestaat. Wij zijn geheel en al omgeven door geestelijke wezens. De vast­heid die de aarde ons biedt om te kunnen gaan en te kunnen staan is niet een dode ma­terieklomp. Ons lichaam bestaat voor het al­lergrootste deel uit water. Water is het ele­ment dat voor ons het leven mogelijk maakt. Het is veel meer dan een chemische vloeistof. Wij bewegen ons door de lucht, wij ademen haar in en uit. Zij is niet slechts een chemisch gas, maar ieder zuchtje, iedere wind­vlaag is de openbaring van geestelijke wezens. En waar komt de energie vandaan die het vuur ons geeft?
Wat is dat alles, als wij verder willen kijken dan onze beperkte zintuigen? Wil de mens niet een zeer treurig lot tegemoet gaan, dat zijn leven verdort en vernietigt, dan zal hij bewust inzicht moeten krijgen van dat wat hem in werkelijkheid omgeeft. Zonder dit inzicht zal de mens niet meer verder kun­nen komen en blijven alle maatregelen tot verbetering van het milieu en van de maat­schappij vruchteloze verplaatsingen van symptomen. ‘Komt tot inzicht!’

Waarom bemerken wij die geestelijke wezens niet? Zij trachten in de ele­menten hun werking uit te oefenen, maar zijn afhankelijk van het werk van hogere we­zens en ook van óns werk. Richten wij ons niet tot hen, negeren wij hen, verwerpen en bespotten wij hen zelfs, dan kunnen zij zich niet wenden tot ons, dan bemerken wij hen niet.
Zoals Sint-Jan ons oproept, zo moeten wij hen oproepen. Hoe doen wij dat? Wij moeten leren, om – zoals Gandhi – de goede aarde te danken, dat zij toch steun geeft aan onze onheilige voeten. Wij moeten niet meer gedachteloos omgaan met ons belangrijkst levensmiddel, het alles verfrissende water. Wij moeten met een zekere vroomheid de weldaden indachtig worden van de lucht, die ons doet leven en spreken en ons de relatie met onze medemensen mogelijk maakt. Wij moeten eerbiedig leren omgaan met het vuur, dat ons de kracht en de moed geeft om ons als mens op aarde te ontwikkelen. Aan onze huidige cultuur mogen en kunnen wij ons niet onttrekken. Het is onze persoonlijke plicht om er met nuchter begrip, bezadigd en zonder vals sentiment mee om te gaan, maar dan wel met een nieuwe wilsinzet, met nieuwe gewaarwordingen, met nieuwe, levende gedachten, wetend dat wij leven om een nieuwe cultuur voor te bereiden. Ons waar­nemen van de natuur kan tot inzicht worden in geestelijke gebieden, als het gedragen wordt door morele gevoelens van eerbied, liefde en dankbaarheid.

Het zijn hoog ontwikkelde geestelijke wezens die werken dóór de natuurwe­zens en die ook de beschermers en helpers zijn van ons, mensen. Zonder geestelijke hulp zouden wij niets goed kunnen verrich­ten, want wij zijn vervreemd van de godde­lijke wereldorde en uitgestoten uit de natuur. Voor onze persoon blijft de geestelijke wereld ver weg en onze persoonlijkheid verlangt er voortdurend naar. De oplossing van dit raad­sel ligt in het feit, dat deze gespletenheid juist de voorwaarde is voor onze vrijheid. De godsvervreemding van ons mens-zijn op aarde is de geboortewee van ons eigen, ware, persoon­lijke mensenwezen. De natuur kan niet an­ders dan handelen volgens de natuurwetten. Het water kan niet bij 37° C bevriezen en de lucht kan niet bij die temperatuur vloeibaar worden. Wij vinden het vanzelfsprekend dat het allemaal zo gaat en beseffen niet, dat wij ons juist daardoor als mens kunnen gedragen. Als mens gedragen wil zeggen tegen de wet in kunnen gaan, om zélf de waarheid te ont­dekken, om zélf te gaan inzien wat goed en wat verkeerd is en zélf in vrijheid te kunnen handelen. Aan de onvrije, nooit ophoudende dienstbaarheid der natuurwezens danken wij onze vrijheid.

Dat de mensheid niet te pletter valt in deze kloof tussen haar en de natuur, tussen per­soonlijkheid en persoon, danken wij aan Christus. Hij sprak tot degenen die in Hem geloofden: ‘Indien gij blijft in mijn Woord, dan zijt gij waarlijk mijn leerlingen en gij zult de waarheid inzien en de waarheid zal u vrij maken’ (Joh. 8:31-32). Daarom voegt Sint-Jan aan zijn oproep: ‘Komt tot inzicht!’ ook de woorden toe: ‘Want het rijk der hemelen (dat wil zeggen: de geestelijke wereld) is dichtbij gekomen’. Want nu is Christus ge­worden de Heer der wereld, ‘waarin de ste­nen rusten, de planten levend groeien, de dieren voelend leven’ binnen de wezens der vier elementen. Nu kan in mijn drievoudige persoon, waarin ik leef en nu voor het Sint-Jansvuur sta, ook steeds meer bevrijdende waarheid worden Paulus’ woord: ‘Ik leef, doch niet ik, maar Christus leeft in mij’.

Henk Sweers, ‘Jonas’ nr. 22, 21 juni 1985

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

207-196

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

Wat maakt de mens tot mens en onder­scheidt hem van andere levende we­zens? Dat hij bewustzijn heeft van zichzelf. Ik ben mij bewust, dat ik hier op dit moment naar een groot Sint Jansvuur sta te kijken. In deze laatste zin is tweemaal sprake van ‘ik’. Het ene ik is zich van het andere ik bewust. Dat kan niet een en hetzelfde ‘ik’ zijn, want om je van iets bewust te kunnen worden moet je er afstand van nemen, moet je er als het ware buiten staan. Het eerste ik is niet aan mijn persoontje gebonden, dat ergens op aarde is geboren en opgegroeid en hier nu staat te kijken naar een vuur. Het tweede ik is identiek met mijn persoon, die een naam heeft en die tegen zichzelf ‘ik’ zegt. Wanneer bedoel ik met ‘ik’ het eerste ik en wanneer

hem van andere levende we­zens? Dat hij bewustzijn heeft van zichzelf. Ik ben mij bewust, dat ik hier op dit moment naar een groot Sint Jansvuur sta te kijken. In deze laatste zin is tweemaal sprake van ‘ik’. Het ene ik is zich van het andere ik bewust. Dat kan niet een en hetzelfde ‘ik’ zijn, want om je van iets bewust te kunnen worden moet je er afstand van nemen, moet je er als het ware buiten staan. Het eerste ik is niet aan mijn persoontje gebonden, dat ergens op aarde is geboren en opgegroeid en hier nu staat te kijken naar een vuur. Het tweede ik is identiek met mijn persoon, die een naam heeft en die tegen zichzelf ‘ik’ zegt. Wanneer bedoel ik met ‘ik’ het eerste ik en wanneer
 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St- Jan (28)

.

TROMMELTJES VOL KRUIDEN EN BLOEMEN

Ik vind het moeilijk om iets over Sint-Jan te schrijven. De reden daarvan is, dat Sint- Jan bij uitstek een féést is. Daar bedoel ik het volgende mee: als kind vond ik feesten een verschrikking, verplicht gezellig doen tussen rokende en drinkende mensen en gro­te kinderen, met op de achtergrond aanhou­dend vlotte muziek. Een feestdag was nog weer anders; dat waren de meer traditioneel bepaalde dagen zoals Kerstmis en Pasen die eigenlijk geen andere aanleiding tot vieren hadden dan dat je dat nu eenmaal deed als je kinderen had. Is het een wonder dat ik me als kind voornamelijk interesseerde voor wat er te eten was en voor eventuele cadeaus? Iemand die in de sociale omgang onhandig is, gaat als vanzelf een droomwereldje opbou­wen en daarin had ik wel degelijk een beeld van Het Feest: een glooiend grasveld aan een bosrand, een stralend blauwe hemel. Mensen en kinderen in lichte kleren met bloemen
ge­tooid dansend in wijde kringen. Een pick­nick met brood en vruchten bij een kamp­vuur. Wat is dit beeld anders dan Sint-Jans­dag?

De traditie van het feestvieren, met Kerstmis als innerlijk en Sint-Jan als uiterlijk hoogte­punt, is een van mijn blije ontdekkingen ge­weest van het vrijeschoolonderwijs. Mijn kinderen vieren feesten zoals ik daar als kind naar verlangd heb. Maar op dit punt doemen mijn problemen met het schrijven van dit stukje op en ik zie het ook bij anderen: wat is het moeilijk om zelf écht feest te vieren! Heerlijk is het om toe te kijken hoe de kin­deren zich vermaken onder leiding van een juffie of meneer die gezegend is met dat zeld­zame gevoel voor feestvieren. De meeste ou­ders blijven op afstand en zie je zelden echt meedoen. Ernstige feesten zijn makkelijker om te vieren, lijkt het. Komt het doordat met name bij Sint-Jan het feesten zo dicht bij spelen komt? Ik beken dat dat voor mij waarschijnlijk zo is, spelen en vooral meespe­len vind ik moeilijk en tot voor kort uitge­sproken vervelend. Laat mij maar rustig in een hoekje zitten toekijken, eventueel hier en daar een pleister plakken en een sapje aan­reiken, ik geniet wel van de anderen.
En toch. ‘Komt en laat ons dansen zingen, komt en laat ons vrolijk zijn.’                  

Met Kerstmis hebben we geprobeerd onze ziel af te stemmen op het ontvangen van het midwinter wonder. Dat riep een stille dank­bare blijdschap op. Nu, midzomer is het tijd voor een uitbundige, niet minder dankbare blijdschap.

De natuur schenkt zich ’s zomers aan ons; met Sint-Jan kunnen wij onszelf aan elkaar schenken in het samenspelen. Niet zo over­vloedig als de aarde dat kan. Wij moeten voorzichtig omspringen met het beetje levensvreugde dat we hebben. Levensernst lijken we makkelijker te kunnen delen.
Met Pasen schonken we elkaar eieren en wensten elkaar daarmee de zegen van de goeden toe. Zijn zij ons niet gunstig geweest? Het is weer goed toeven buiten. We hoeven geen boom de kamer in te slepen om Sint-Jan te vieren, we kunnen nu bij de natuur op bezoek! In noordelijke landen als Rusland en Scandi­navië deed men dat vroeger letterlijk. De Sint-Jansvuren werden om een versierde pijn­boom aangelegd en men danste rondom dit Johannismanneke tot de vlammen zo laag werden dat erover gesprongen kon worden. Meestal was het dan al zo laat geworden dat het tijd werd op huis aan te gaan. Net als de Heilige Nacht is de nacht van Sint-Jan vol wonderen, maar alleen voor de sterken! Wie geen zuivere ziel heeft loopt een grote kans door heksen en boze geesten van het rechte pad gelokt te worden. Wie echter moed én geloof bezit kan in de Sint-Jansnacht kruiden plukken die wonderlijke krachten bezitten en lang verborgen schatten opgraven. Als re­gen en onweer hem tenminste niet vroegtijdig naar huis hebben doen vluchten, want onweer hoort net zo bij Sint-Jan als sneeuw bij Kerstmis. De Sint-Jansfeesten die ik heb meegemaakt vielen er niet echt door in het water. Wie niet ‘gedoopt’ wilde worden, vluchtte even onder een afdakje met een mandje kersen om even later weer dapper mee te doen. Zomers onweer is heel indruk­wekkend maar trekt snel voorbij. Wie zich wel had laten natregenen (vooral de kinde­ren) droogde snel op bij het bakken van de stokbroden in het vuur.

Ik kan het gewoon niet laten om de kinderen bij een feest een passend kleinigheidje te ge­ven. Iets wat weinig werk geeft, een écht va­kantiecadeautje, is een botaniseertrommel­tje. Wij brachten er vroeger bloemetjes in thuis. Mijn zoon stopt enge torren, waar hij een voorliefde voor heeft, in zijn blik. Hij kreeg een echte voor zijn verjaardag. Voor mijn dochtertje maakte ik een botaniseer­trommel van een oude voorraadbus. Neem een bus met een goed sluitende deksel en boor in de bodem wat ventilatiegaten, eventueel langs de lijnen van de voorletter van uw kind. Boor er vervolgens één in de deksel en twee in de lange zijden van de bus. Schuur de bramen weg. Trek een lang koord door de deksel door de twee gaten en leg knopen in de uiteinden. Zo kan de deksel niet wegraken en kan het trommeltje om de nek gedragen worden.

Nicole karrèr, ‘Jonas’ nr.22, 21 juni 1985)
.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

206-195

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.