Categorie archief: jaarfeesten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (33)

.

Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld als het schetsen van een sfeer waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.

 

OVER DE VIERLEDIGHEID VAN DE PAASBEREKENING

Hoe wordt de paasdatum berekend.

Stoffelijk

Om een antwoord te vinden dat ook een modern gewoon verstand kan
be­vredigen, moet je de paasregel in zijn vierledigheid zien. Er is bij de berekening van de paasdatum namelijk sprake van vier feiten, die met elkaar samenhangen.
In de eerste plaats wordt Pasen altijd in het voorjaar ge­vierd (dus 1 maal per jaar). Dat is na­dat de zon het zogenaamde lente­punt doorschreden heeft, ofwel pre­cies in het oosten is opgegaan. Je moet je hiertoe even realiseren dat de zon normalerwijze niet in het oosten opgaat, maar elke dag op een andere plaats aan de horizon. ’s Zomers meer naar het noorden toe, ’s winters meer naar het zuiden. Slechts op twee ogen­blikken per jaar komt de zon werke­lijk precies in het oosten op, dat is (doorgaans) op 21 maart en omstreeks 21 of 22 september. Voor de aarde be­gint er op 21 maart een “nieuwjaar”, in die zin dat de dagen na dat ogen­blik langer worden dan de nachten. De mensen tellen hun leeftijd naar dit soort ritme, namelijk naar jaren. (Alleen van zuigelingen zeg je, hoeveel weken of maanden zij oud zijn.) Als je zegt hoeveel jaar oud je bent, bedoel je de leeftijd van je stoffelijke lichaam. Het is dan ook schokkend als je van iemand die vijftig jaar oud is zegt, dat hij eigenlijk nog in de pu­berteit zit — je bedoelt daarmee dat hij innerlijk nog geen vijftig is. Verder is het in onze cultuur een heel opval­lend feit dat we de historie rekenen naar het aantal jaren dat verlopen is sinds de geboorte van Christus. Of, om het preciezer uit te drukken: sinds de geboorte van Jezus van Nazareth, dus de geboorte van zijn stoffelijk lich­aam. (De “Christus” werd volgens de oudste manuscripten van het Lukasevangelie pas bij de doop in de Jordaan geboren, dus toen Jezus bijna 30 jaar oud was).

Hier vindt men de eerste schakel van de berekening van Pasen: het fysieke feit dat er in het jaar op een bepaald ogenblik is te beginnen, namelijk 21 maart, de doorgang van de zon door het lentepunt, een kwestie die zich afspeelt tussen zon en aarde. Ik zou dit even een fysiek feit willen noemen, je kunt het tellen naar het rit­me van ons stoffelijk lichaam. Later blijkt waarom.

Biologisch

De volgende schakel voor de bereke­ning van de paasdatum is de stand van de maan. Deze heeft een heel ei­gen cyclus, die niet naar zonjaren wordt gerekend, maar naar volle ma­nen. Een maancyclus duurt ruim 28 dagen. In de volksmond, in de huise­lijke praktijk van ons leven, bij geeste­lijk gestoorden en in vele andere ge­bieden van ons bestaan, is dit ritme bekend. Slaapwandelaars worden “maanziek” genoemd; gedurende een bepaalde periode van haar leven is de als vrouw geïncarneerde mens met betrekking tot haar vruchtbaarheid aan dit ritme onderhevig. Het ritme van de maan regeert eb en vloed, beïnvloedt de landbouw (doordat de kwaliteit wordt bepaald door de stand van de maan ten tijde van het zaaien). Kort­om: de maan is regent in de levens­sfeer, heeft een diepe invloed op ons biologisch bestaan. Ik zou de maancyclus een biologisch ritme wil­len noemen, omdat er in de fysieke mens een soort biologische mens schuilgaat, een heel samenhangend complex van levensprocessen, die hele­maal niet in een
jaarritme verlopen, maar in een maan(d)ritme. Het ritme van ons zogenaamde levens- of “etherlich­aam” is 28 dagen.

Psychisch

Voor de derde schakel in de paasberekening moet je naar de week kijken. Het is immers de regel, dat de week waarin de paas-volle-maan valt, eerst voorbij moet zijn. Valt volle maan in het voorjaar bijvoorbeeld op een zon­dag of maandag, dan moeten eerst nog alle volgende dagen van de week voor­bijgaan, voordat het Pasen kan worden. Het geldt ook hier, net als bij de twee voorgaande ritmen — jaar en maan(d) – dat zij eerst vervuld of “vol” moeten zijn: het nieuwe voorjaar moet zijn aangebroken, de maan moet vol zijn geweest, de week moet met al zijn zeven dagen voorbij zijn. Is “week” ook een objectief ritme?
Ons gehele openbare en persoonlijke leven verloopt in grote trekken in het week-ritme. Bij een dieper onderzoek blijkt, dat dit met de ziel van de mens samen­hangt. Er zijn ook in het occultisme gegevens te vinden die de samenhang vertonen tussen de menselijke ziele-organen (lotos-bloemen) en de zeven planeten; gerekend van de onderste dezer zeven centra hebben zij de volg­orde maan-mercurius-venus, zon (hart) mars-jupiter-saturnus. Het zielenleven van ons mensen zou naar alle waarschijnlijkheid in een
ver­schrikkelijke chaos raken, als we het zevendaagse leefritme zouden doorbreken. Bij de paasberekening is ook dit ritme betrokken, als het ritme van de zeven-dagen-week van de psyche.

Het Ik

Nu is er nog een vierde element voor Pasen nodig. Het feest wordt name­lijk uitsluitend op zondag gevierd. Wat is dat voor een ritme? Bij enig nadenken ligt dat eigenlijk nog het meest voor de hand: elke dag begint niet alleen met een zonsopgang, maar ook met ons ontwaken. Welk deel van ons mensenwezen heeft de dag als rit­me? Het ik, de onverwisselbare per­soonlijkheid, die een eigen naam draagt en zichzelf met “ik” aanduidt. Het prototype van een echte “dag” is niet zomaar een dag, maar is de zon­dag. Niet opgevat als een gezellige luier-dag of een uitrust-dag, of zelfs als “het eind van de week”.
De opgave van dat “ik” is tweeërlei — aan de ene kant is het nodig om de zielenkrachten ermee te beheersen (of als een kleine koning in dat
konink­rijkje van de ziel te regeren), aan de andere kant de krachten die dat “ik” heeft, niet alleen aan de eigen levens­onderneming (het ego) te wijden, maar er ook zelfoverwinningen mee te behalen en ze van tijd tot tijd aan een goed werelddoel weg te schen­ken. Het beste wordt een “ik” als het zich helemaal aan iets anders wijdt dan zichzelf (bijvoorbeeld mensen uit een brandend huis redden, of je voor een ideaal inzetten).
Het voorbeeld van deze hogere ik-kracht is Christus. Hij wordt het Ik van de gehele mens­heid genoemd, en in het Johannesevangelie is in de hoofstukken 14 tot en met 17 na te lezen waarom dat zo is.

Nu hebben we echter een achtergrond voor de berekening van Pasen
gevon­den, in overeenstemming met vier verschillende ritmen waaraan wij men­sen aandeel hebben: in fysiek opzicht met het jaar – dat moet in het voorjaar nieuw begonnen zijn; in biologisch (of “etherisch”) opzicht met de maan(d) — er moet een volle maan verschenen zijn; in psychisch (of “astraal”) opzicht met de week – er moet een oude week voleindigd zijn; in inividueel opzicht moet er een zondag zijn aangebroken, als im­puls voor ons “ik”.
Dat is de paasregel, die het feest van de opstanding bepaalt.
Opstanding waarvan? Van de mens, en wel van de gehele, vierle­dige mens naar lichaam, leven, ziel en geest.

Is dat alles? Het is heel veel, maar het is niet alles. Want de opstanding geldt ook voor de natuur, de levens-hernieu­wing is ook werkzaam in planten- en dierenrijk, en in de aarde.
Opstanding geldt voor de hele aarde, en ook over de hele aarde; voor de elementen die onze planeet stof, leven, ademen warm­te geven; voor alle landen, gebergten, oceanen.
Als je Pasen viert, kun je niet alleen aan je eigen provincie den­ken – Pasen geldt de hele aarde.

Op zondag 7 april 1974 was het echter nog niet overal op aarde bij het aanbreken van de nieuwe dag “volle maan” geweest. Op ongeveer de helft van de aarde, naar het oosten toe, kwam de volle maan op terwijl het daar al zondag was geworden: Daarom is het in kosmopolitisch op­zicht een goede regel, die Pasen dat jaar op 14 april stelde. En daarmee ook de datum voor Hemelvaart èn voor Pink­steren in een groot verband plaatste, in een ritmisch, micro- én macrokosmisch verband, dat de hele mensheid en de hele aarde omvat.
.

(aantekeningen op basis van een artikel van J.E.Zeylmans van Emmichoven in Jonas 19 april 1974)
.

Palmpasen/Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldpalmpasen

.

515-476

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

­

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (32)

.

Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld als het schetsen van een sfeer waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.


OP ZOEK NAAR DE WARE KONING

 

Een koning
Rood, wit, blauw,

De koning en zijn vrouw,

De koningen zijn dochtertje,

Koffiedik

Af ben ik

Een vader zegt dit rijmpje op voor zijn dochtertje, dat de vorige dag net drie jaar is geworden. Het kind heeft het versje va­ker gehoord en aandachtig in zich opgeno­men. Nu herhaalt ze ineens met iets van blijde verrassing in haar stem het laatste voord: Ik, ikke! Het is voor het eerst dat ze dit woord zo uitspreekt, bewust betrok­ken op zichzelf. Twee maanden later zegt ze over zichzelf: ‘Als Hieke groot is, is Hieke ook een koning!’

Er wordt een kind gedoopt. Ik zit met mijn dochtertje van twee jaar op schoot, nogal vooraan om alles goed te zien. Daar komt de priester binnen, een eerbiedwaardig man met zilverwit haar dat glanst boven het donkerpaarse priestergewaad. Het is ineens heel stil in de kerk, en in die stilte hoor ik mijn dochtertje dromerig fluisteren: ‘De koning!’

Wie van ons ziet nog een koning in deze tijd? Wel spreekt de taal van ‘een koninklij­ke gestalte’. Dat heeft dan niets te maken met de uiterlijke omhulling, maar met de uiterlijke houding die naar buiten toe zichtbaar wordt. Blijkbaar dragen we in ons mee het beeld van een ‘koning’, hoe een koning moet zijn, maar het ligt diep wegge­doken in een niet-bewuste laag van ons be­staan. Het is er wel en het ‘werkt’ ook, want we kunnen er de ‘koning’ in een an­der mens mee herkennen. Hoe moeten we ons dat voorstellen? Wat is eigenlijk een koning?
Nu roepen we de sprookjes te hulp. Dat kunnen we doen, omdat in de echte sprookjes een schat van wijsheid verborgen ligt die de meest funda­mentele waarheden van het mens-zijn in beeldentaal uitspreekt. In gave en goed
af­geronde sprookjes als IJzeren Hans, De trommelslager of De trouwe Johannes wordt het koningschap bereikt via een lange, moeilijke weg vol beproevingen. In het verhaal van IJzeren Hans is het zelfs heel duidelijk dat het gaat om een innerlijk verworven koningschap. De held van het verhaal is immers van geboorte een koningszoon, en heeft als zodanig het recht geërfd om koning te worden. Hij draagt het als een belofte met zich mee, maar of die belofte in vervulling gaat, hangt van hem zelf af. Jarenlang duikt hij onder in een naamloos bestaan als om een rijpingsproces door te maken. Wijsheid, waardigheid, dee­moed, inzicht in zichzelf en in anderen, be­reidheid tot offervaardigheid en dienstbaar­heid, moed, vlijt en tegenwoordigheid van geest: het zijn evenzovele voorwaarden om een waarachtig koningschap te bereiken.

Het begin

Het inzetten van de Lijdenstijd zoals dit gebeurt in de Christengemeenschap, als voorbereiding op Pasen, doet ons denken aan de vier adventszondagen voor Kerstmis. De heilige nacht van de geboorte van het kind Jezus ligt nu heel ver achter ons. Het licht dat ons toen omstraalde, en de warm­te die toen om ons heen was, zijn we bijna vergeten. Het engelenlied van ‘Vrede op aarde’ klinkt als een zwakke echo in ons hart na. Er was een openheid naar boven toe, een stemming van vanzelfsprekende innigheid die we ons dankbaar herinneren als een geschenk uit de hemel. Iets van die warme innigheid, van die lang vervlogen kerststemming kunnen we nog ervaren iedere keer als we staan bij de wieg van een heel jong mensenkind. Iets van de heiligheid van de plaats waar Maria’s kind geboren werd, hangt in iedere babykamer, als het goed is. Diep-ernstig kunnen de ogen van zo’n jong kind je aankijken. Het is of daarachter een geheim verborgen ligt dat nog ontraadseld moet worden: het ge­heim van zijn toekomstig leven op aarde. Wie ben je? Met welk doel ben je hier geko­men? Ze slapen voornamelijk, deze hele jonge wiegekinderen. Ze zijn nog helemaal verbonden met de wereld waar ze vandaan gekomen zijn. Pas na 6 weken, na ongeveer 40 dagen worden ze langzaam wakker voor onze wereld, en ze doen dat met het eerste teken van menselijk contact: een stralende glimlach.

Deze paradijselijke sfeer kan nog heel lang om een kind heen zijn, als wij volwassenen er maar zuinig op zijn en het behoeden. Want als we dat doen dan is het of er in ons huis een bronnetje opborrelt met helder, fris water. En aan dit levende water kunnen we ons steeds weer laven, als we er rustig de tijd voor nemen, en ons niet laten voort­jagen ‘door de dingen die gedaan moeten worden’. We gaan iets vermoeden van het geheim dat een jong kind in zich draagt, als we in de evangeliën lezen hoe Jezus eens kinderen plaatste in het midden van de twaalf discipelen en tot hen zei: ‘Wie niet het rijk Gods in zich opneemt zoals een kind het in zich draagt, kan er niet binnen­komen’ (Markus 10).

De weg

Na Kerstmis is het of we met reuzenschre­den het groeiproces tot volwassenwording meemaken. In de Driekoningentijd schuift zich een donkere schaduw voor het licht. Koning Herodes staat daar en we kunnen er niet omheen. De drie Wijzen uit het Oosten vinden het Kind in Bethlehem. maar de vierde koning zoekt zijn weg door de we­reld. Hij is een koningszoon met het ge-erfd recht om later koning te worden. Hij doet echter afstand van dit vanzelfspreken­de recht en duikt onder in de anonimiteit, als mens onder de mensen. Aan het eind van zijn leven ontdekt hij dat zijn kiezen voor het
mens-zijn tegelijk het ware koningschap betekent. De Koning die hij zocht, blijkt ook te zijn de ware Mens, als vervulde belofte. Het was het mede-lijden met de mensen die hij ontmoette op zijn lange lijdensweg, dat tenslotte deze ontdek­king, deze ont-hulling mogelijk maakte.
Je kan je op allerlei manieren voorbereiden op Pasen, maar voor ons volwassenen, op­voeders, verzorgers is er geen betere voor­bereiding denkbaar dan het ‘mee-lijden’, het zich verdiepen in de lijdensgeschiedenis zoals deze beschreven wordt door de vier evangelisten. Directconcreet lezen wat er staat, ieder jaar weer, of ernaar luisteren met open oren of erover spreken met ande­ren, zoals de Emmaüsgangers deden, ja zelfs erover zingen is een zinvolle en bevredigen­de voorbereiding.

Hoewel er in historische documenten vrij­wel niets te vinden is over de gebeurtenis­sen in Palestina, zo centraal voor het christendom, is toch één ding duidelijk merkbaar. De personen die betrokken waren bij de veroordeling van Jezus van Nazareth kunnen geen van allen ‘kleine jongens’ geweest zijn. Het is of er een soort samentrekking is, van mensen die elk voor zich ‘groots’ waren op de plaats waar zij stonden, in de functie die zij vervulden.
Door alle evangeliën heen wordt steeds aan­geduid dat alles op een bepaald ‘uur’ moest geschieden, zoals bijvoorbeeld in Johannes 7: ‘Toen zochten ze hem te grij­pen, maar niemand sloeg de hand aan hem; want zijn uur was nog niet gekomen.’
Het is of het hele uitspansel met sterren en andere hemellichamen volgt wat hier gebeurt. Daarom is het ook niet anders denkbaar dan dat de machtige gestalte van de Christus in de mens Jezus ‘weerstanden op hoog niveau’ ontmoette. Het is of een Koning zich met ‘koningen’ moet meten.

Gestalten in de Stille week

Daar is als eerste Judas Iskariot. Als het ge­juich en het rumoer van Palmpasen is ver­stomd, dan komt wat zelfs door de discipelen als een ‘anticlimax’ wordt beleefd: de gebeurtenissen van de Stille week. De te­leurstelling die hen allen beving, culmineerde in het verraad van Judas. Eén moest het verraad plegen, één moest de ‘zondebok’ zijn. Het is of de profetische woorden van de hogepriester ook op Judas van toe­passing zijn: ‘Het is beter voor u dat één mens sterft voor het Godsvolk dan dat ge­heel ons volk ten onder gaat’ (Joh. 11). Wat een ontzagwekkende gestalte moet dit geweest zijn, hij die de Mensenzoon verra­den kon.

Dan is daar de hogepriester. De leiders van het Joodse volk hebben met hun gewapen­de dienaren Jezus gevangen genomen en voor de Hoge Raad gebracht, het hoogste rechtscollege. Er moeten getuigenissen tegen de aangeklaagde gevonden worden, opdat hij veroordeeld kan worden. De veroordeling zelf stond van tevoren vast. Maar zij vinden niets en de getuigenissen blijken niet te klop­pen met elkaar. Tijdens al dat heen en weer praten heeft één persoon zich wat op de ach­tergrond gehouden, lijkt het. Nu treedt hij naar voren: ‘Toen stond de hogepriester op en trad in het midden’ (Mark. 14). Hij ver­baast zich erover dat Jezus geen weerwoord heeft op alle getuigenissen. Maar misschien juist daardoor is hij de enige die er een ver­moeden van heeft wat hier gebeurt en wie hier voor hem staat. De hogepriester stelt de enige vraag ‘op niveau’: ‘Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Geprezene?’ Jezus zeide: ‘Ik Ben. En gij zult de Mensenzoon zien zitten ter rechterhand der Kracht en komen met de wolken des hemels.’ (Mark. 14). Het pleit voor de hogepriester dat er nu wel een antwoord komt. Jezus herkent in hem blijkbaar een waardig vertegenwoordiger van wat de joodse religie inhoudelijk nog bete­kende. Het woord ‘Ik Ben’ komen we ook tegen in het Oude Testament. Het was de heilige naam van de Godheid, die alleen in het allerheiligste van de tempel mocht wor­den uitgesproken. Die naam werd nu in volle openbaarheid uitgesproken en ten overstaan van iedereen. Juist omdat de diepste geloofs­geheimen voor deze hogepriester zo heilig waren, was hij zo diep geschokt dat hij zijn gewaad scheurde en Jezus betichtte van ‘godslastering’. Volgens de joodse wet was de beklaagde nu des doods schuldig.

Wat hier gebeurt, klinkt als een voorspel van wat beschreven wordt als gevolg van de kruisdood op Golgotha: ‘Toen scheurde het voorhangsel van de tempel in tweeën, van boven tot onder.’ (Mark. 15). Het geheim dat eeuwenlang in het verborgene was be­hoed en doorgegeven door ingewijde men­sen, was openbaar geworden en voor de hele wereld zichtbaar. ‘De hoofdman, die tegen­over hem stond en zag dat hij zó stierf, zeide: ‘Waarachtig, deze mens was een Gods-zoon’ (Mark. 15). Dat zegt een Romeinse hoofdman in functie, op wacht bij het kruis. Ook hij was blijkbaar niet ‘zo maar’ iemand, maar een man die meer zag dan anderen. Er is nog een vierde, die tijdens het proces markant gestalte krijgt door de wijze waarop hij Jezus tegemoet treedt. Dat is de land­voogd Pilatus, ook een Romein. De eerste vraag die hij Jezus stelt, is: ‘Zijt gij de Koning der Joden?’ Een merkwaardige vraag, want de Joden kenden geen koning in de ge­wone, bestuurlijke zin van het woord. Uit het antwoord van Jezus blijkt echter, dat Pilatus wat anders bedoelt: ‘Mijn Rijk is niet van deze wereld.’ (Joh. 18). De landvoogd blijft hem verder met deze titel benoemen, en hij schrijft later dezelfde woorden als op­schrift boven het kruis: Koning der Joden. Na het eerste gesprek met Pilatus wordt Jezus overgeleverd aan de soldaten om te worden gegeseld. ‘En de soldaten vlochten een kroon van doornen en zetten die op zijn hoofd. Zij wierpen hem een purperen mantel om en traden op hem toe met de woorden: ‘Gegroet, Koning der Joden! En zij sloegen hem in het gezicht.’ (Joh. 19). Naar aardse maatstaven de karikatuur van een koning. Geen kroon van goud, maar een van doorni­ge takken waaraan in plaats van rozen bloed­druppels bloeiden.

‘En wederom trad Pilatus naar buiten en zei­de tot hen: ‘Ziet, ik breng hem openlijk voor u, opdat gij begrijpt dat ik geen schuld in hem vind.’ Jezus trad naar buiten met de doornenkroon en de purperen mantel. Pilatus sprak tot hen: ‘Ziedaar, de mens!’ (Joh. 19).

Het was dit beeld dat de dichter Chr. Morgenstern inspireerde tot de uitspraak:

Wenn die Rosen um deine Stirn, Mensch
kein Blutstropfen sind,
wirst du nicht wissen warum du lebst,
bleibst du ewig Kind, Mensch!

Op de derde dag

Als een koning werd Jezus van Nazareth in­gehaald op de dag die wij nu Palmzondag noemen. ‘Hozanna de Zoon Davids! Geze­gend die komt in de naam des Heren!’ Gejubel en gejuich begroetten een uiterlijk koningschap, waar het volk eeuwenlang naar had uitgekeken. In de week die daarop volgt, blijkt echter dat het gaat om een ander soort koningschap. Zo rumoerig als de intocht in Jeruzalem verliep, zo stil begint de Paasmorgen, acht dagen later. Zo stil als het ’s mor­gens vroeg kan zijn als de zon opgaat. De Opstanding is een begin, is in kiemtoe­stand. Het is een kiem die veel zorg en aan­dacht nodig heeft.
Pasen is geen “hemels ge­schenk’, maar een belofte: de belofte dat een innerlijk koningschap en een waarachtig mens-zijn mogelijk zijn geworden.
Of deze belofte wordt vervuld, hangt mede van ons af.
.

(Marieke Anschütz, Jonas 16, 6 april 1979)
.

Palmpasen/Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldpalmpasen

.

513-474

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (31)

.

Pasen

Het is echt lenteweer, zonnig, we kunnen niet anders dan naar buiten gaan. De natuur staat op springen,de knoppen aan de bomen worden al dikker en wie onder de bomen onder de humuslaag in de grond krabt, ziet dat aan ei­kels, kastanjes en zaden al de eerste wortelvorming is begonnen, het begin van een nieuwe boom!

Op weg naar huis knip ik in de tuin wat kale, schijnbaar dode takken af. Er is nog niets aan te zien en ik vraag me af of de takken soms ver ingevro­ren zijn? Ik vergeet ze een beetje, ook al staan ze mooi te zijn in de blauwe glazen vaas.
En dan zie ik plotseling op weer zo’n mooie zonnige dag de zon schijnt warm in huis, dat het zwarte hout bezaaid is met prachti­ge piepkleine perzikbloesems. De bloemblaadjes hebben de kleur van een gezonde rozige babyhuid, een boeiend contrast met de doodgewaande takken. Onder een heldere Hollandse wolkenlucht komt de natuur steeds meer tot leven, de vroege bloeiers geven acte de presence.
Al genietend van de lente wordt de mens er zelfs al een beetje luchtig van; het geeft zin in nieuwe dingen, nieuwe plannen.

De spanning die we buiten opdoen is op school in het hele gebouw
tast­baar aanwezig. De jaartafels in de klassen bloeien op. In peuter- en kleuter­klassen zijn we even in de ban van moeder Aarde en de wortelkindertjes: “Onder de grond, zo diep, zo diep. Wie weet er wat daar sliep?”
Dit zijn de eerste zinnen uit het boek van Alfred Listal “Van de Wortelkindertjes”.
In de lente, de paastijd, begint het boek zijn beeldverhaal over de
ont­luikende en weer afstervende natuur.Veel ouders hebben de kunst van de juffies afgekeken en tot grote vreugde van de kinderen de bloemenkindertjes met lapjes en stukjes vilt ook thuis op een jaartafel laten verschij­nen.

In alle klassen staan de houten kruisen klaar om versierd te worden met kleurig crêpepapier, beschilderde eieren, rozijnenslingers, een zelf gebak­ken broodhaantje en buxustakjes.
Met de palmpaasoptocht luiden we de stille week in en bezingen we het komende paasfeest.

De optocht is een herinnering aan de intocht van Jezus in Jeruzalem. De palmpasenstok brengt met zijn symbolische versiering het christelijke paasfeest en de vele voor-christelijke vormen van volksfeesten ter ere van het nieuwe leven in de natuur en de terugkomst van de zon samen. Het beschilder­de ei, de haas, het lam en het paasvuur zijn symbolen die bij oude culturen van Germanen, Grieken, Egyptenaren, Chinezen en vele anderen zijn terug te vinden.
Zelfs nu nog wordt bv. in China een roodgeverfd ei in de wieg gelegd als symbool van geluk bij een nieuw geboren baby.

Het christelijk paasfeest is het feest van Dood en Opstanding.
Vroeger was dat het belangrijkste feest van het jaar.
In het Westen kreeg de mensheid steeds meer moeite met de opstandingsgedachte, het lege graf kon alleen een “wonder” zijn en die bestaan niet in het westerse denken.
Toch toont de natuur ons jaar in jaar uit het wonder van Pasen en kan ons motiveren tot het zoeken naar de moderne waarheid van het wonder. Het lezen over de lijdensweg van Christus, die voerde naar de dood op Golgotha, roept het machteloze gevoel op dat Christus zich niet verweerd heeft, de
krui­siging gewoon heeft laten gebeuren. Tegelijkertijd beleef je dat het aardse leven geen kans meer had en dat er alleen door het sterven heen een mogelijk­heid tot “opstaan” was. Daarmee gaf hij de mensheid de gelegenheid nieuwe we­gen te bewandelen, geïnspireerd door andere dan materiële waarden.
Als volwassene kunnen we ons betrokken voelen bij het lijden op Goede Vrijdag. Het luisteren naar de Matthaus-passion van J.S.Bach, die in deze tijd op vele plaatsen wordt uitgevoerd, brengt ons in de gemoedstoestand die bij de kruisi­ging past.
Jonge kinderen beleven dit nog niet, voor hen is alleen het levende een realiteit.

Bach heeft op geniale wijze gebruik gemaakt in zijn muziek van een jongenskoor. De lichtheid van de kinderzangstemmen tegen de dramatische klank van de twee grote koren, laten je tastbaar voelen dat Pasen, opstanding, onlosmakelijk verbonden is met de dood.

Zo geeft de geschiedenis van het leven van Christus moed om steeds aan iets nieuws te beginnen in het leven en het geeft vertrouwen, dat het goed is als daaraan vooraf in een mensenleven iets moet worden opgegeven.

Het vieren van Pasen in de vrijeschool gebeurt met de jongste kinderen met de beelden vanuit de natuur. De paashaas die zijn gekleurde eieren brengt, is het beeld voor de onzelfzuchtige mens, die zich opoffert voor het voortleven van anderen, overeenkomstig het gedrag van de haas in zijn leger in de vrije natuur.
Door alle klassen spelen de symbolen uit de zich vernieuwende natuur, uit het nieuwe leven in het ei, enz. de belangrijkste rol bij de viering. Vanaf de vierde klas kan ook over het leven van Jezus en het mysterie van Golgotha worden verteld. Duidelijk zal zijn dat daarbij de vernieuwende impulsen die Jezus aan de mensen gaf de boventoon voeren en dat zichtbaar wordt gemaakt dat zijn leven niet eindigde aan het kruis, maar juist voor ons nog begon.

Pasen, een tijd van vernieuwing en opbouw, een tijd om mensen enthousiast te maken voor het vrijeschoolonderwijs. Een onderwijs dat niet nieuw is, maar kinderen wellicht leert later een mens te zijn, die los van materiële verlangens vernieuwende impulsen aan de wereld schenkt!

(Annemieke Zwart, nadere gegevens ontbreken)

.

Palmpasen/Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: palmpasen

.

512-473

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval, alle artikelen

.
Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld om de sfeer te schetsen waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.

.

Het woord ‘carnaval’ wordt met een kleine letter geschreven; dus ook alle samenstellingen ermee.
Vastenavond en Aswoensdag, daarentegen, worden met een hoofdletter geschreven.

[1-1] Carnaval ontmaskerd
Marieke Anschütz over: het ontstaan van carnaval en de betekenis van het masker.
Jonge kinderen ook al een masker?

[1-2] Maskers
Peter van der Linden over: maskers bij het toneelspelen; waarom gebruikt; historie; functie.

[2Broertje, neem die wolfskop eens uit de reistas’
Else Tideman over: een sprookje uit de Oekraïne, met ‘maskers’ als motief.

[3Carnaval, drie helse dagen
Mariek Ansdchütz
over: de winter; verinnerlijking; carnaval in de reeks jaarfeesten, onderwereld; sprookje van Sneeuwwit en Rozerood; carnaval en lijdenstijd.

[4Carnaval eeuwenoud?:
Jiska van Rijn over: carnaval in de oude culturen: Mesopotamië; Egypte; Griekenland; Rome; Germanen. Oorsprong voor heden.

[5Carnaval: feest van omgekeerde wereld
Riet Taal over: carnaval in de oude culturen (zie 4) en Kelten, in Friesland; carne vale; carne levare

[6Rudolf Steiner over carnaval
Carnaval in Rome

[7Carnavalskleren
Tineke Geus en Irene Doorn hebben ideeën voor verkleedkleren voor jonge kinderen

[8Carnaval
Ray Kusters over: achtergronden – initiatiefeest; bij de Germanen: Nerthus; Blauwe Schuit[

[9Carnaval
‘V’ over: achtergronden – carnaval als nieuwjaarsfeest; in Mesopotamië; bij de Romeinen; Calvijn, Luther en de kerk

[10Carnaval
E.Eshuis-Schütt over achtergronden, masker, midwinter, Babylonië; vrou Holle; vrouw Ferchta, carrus navalis

(11) Carnaval
‘Onbekend’ over achtergronden; bij de Germanen; Nerthus of Nerval; in dit verband carrus narvalis; over ‘vasten’

(12) Carnaval
P.C.Veltman over achtergronden; vastentijd; incognito/masker; commedia dell’arte; zottenfeest; in Rome

(13) Carnaval
Henk Sweers over ‘Ik’ en ‘zelf’

(14) Carnaval
Onbekend over achtergronden uit vroeger tijden, masker

(15) Carnaval
Hans Jacobs over de maskers en het maskermusuem in Binche

(16) Carnaval
Jan Meulemeester over oorsprong, m.n. Midden-Oosten; toestand in Nederland na het kerstenen

(17) Carnaval
Patricia Wessels over oorsprong, m.n. Germanen; Nerthus; een  verdergaande beschouwelijke benadering over masker en ware zelf

(18) Carnaval
Een Russisch sprookje als ‘knutselmotief’ om thuis verkleed te spelen

[19]
Carnaval
Annemieke Zwart over: na kerst en driekoningen; driekoningen met kinderen; macht en onmacht; maskers; lijdenstijd, vasten;

(20)Wat is carnaval
Een zeer volledig artikel van FED Vlaanderen

[21] Carnaval in de kleuterklas     (Carnaval 21)
Dieuwke Hessels over: herkomst carnaval; maskers; boeken; kledingideeën; knutsels; liedjes; kaarten; handgebarenspel; spelletje.

.

voor meer ideeën en achtergronden: Tinekes Doehoek

.

474-439

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Carnaval (19)

.

CARNAVAL

Eindelijk winter!* Aan de vooravond van deze koude dagen stond er een prach­tige heldere maan aan de hemel. Zelfs overdag scheen hij ijzig mooi boven het naakte hout van de boomkruinen, het leek een voorbode van de strakke gladde ijsvlaktes die zouden komen. Nu zit het ritmische bewegen van het eerder nog golvende water in de benen van alle schaatsers. En na een fijne dag buiten branden we ’s avonds alle kaarsjes op van de kersttijd. Nog een moment genieten van de aanwezige kerstlichtjes, die we verder in onszelf on­zichtbaar brandende moeten houden.

De eerste schooldag na de vakantie hebben alle kinderen op school het Drie Koningenfeest gevierd.
Bij de kleuters en de laagste klassen mochten de drie kinderen die een boon in het feestbrood vonden, de rode, blauwe en groene koning zijn. Getooid met mantel, kroon en staf lopen zij rond en be­groeten Maria en het kindje.
De koningen uit de hogere klassen mogen een wens doen. Voor iedereen, tot en met de zevende klas, is het nog spannend of je dit jaar eindelijk een koning zal zijn.

Vanaf de vierde klas zien de kinderen het Drie Koningenspel, het laatste van de drie kerstspelen.

In dit spel ontmoeten zij het in alles heersende krachtenspel tussen licht en duister. Duister is de boze Koning Herodes, een gekroonde vorst op een troon. Licht is de ware Koning in een schamele stal, die werd geduid door een ster aan de hemel. Hij zal nooit een troon bestijgen, zijn enige kroon is de doornenkroon aan het eind van zijn leven.

In ieder mensenleven is het moeilijk om geen “tronen” te bestijgen, die macht geven om onmacht te verbergen. Afstand doen geeft helderheid van Geest en maakt ruimte voor vrede en rust. Alleen dan kunnen alle mensen elkaars ongelijke gelijke zijn.

Op weg naar het feest van carnaval, als inleiding van de veertig dagen du­rende lijdenstijd, hoopt ieder toch dat deze beelden uit de kerstspelen gestalte kunnen krijgen, niet alleen in onze kinderen als ze volwassen zijn, maar ook in ons en in allen die op dit moment in de gelegenheid zijn of zullen komen iets bij te dragen aan de “VREDE” op aarde.

Op de laatste dag voor de krokusvakantie vieren we carnaval. Alle leerling­en komen verkleed op school, de oudsten natuurlijk compleet met maskers. In vele culturen en ook bij de voor-Christelijke volksfeesten gaf het dragen van een masker de gelegenheid iets te laten doorklinken vanuit de wereld van het bovenaardse. Deze jaarlijks terugkerende gemaskerde volksfeesten zijn de bakermat van het hedendaagse toneel.

Aan kinderen beleven we dat het ‘verkleden’, het steeds weer veranderen van persoon, het mogelijk maakt de wereld vanuit allerlei posities en
ge­zichtspunten te bekijken en te leren kennen. Een masker hebben kleine
kin­deren nog niet nodig, hun eigen identiteit zit ze nog niet in de weg.
Bij de opvoering van de kerstspelletjes van de laagste klassen voor de kerstvakantie werd duidelijk zichtbaar dat zij het ‘heilige’ van de kerst­figuren konden doorgeven slechts omhuld door eenvoudige ‘verkleedkleren’.

Heel anders is het in de hogere klassen, zij komen verkleed en gemaskerd om zichzelf te verbergen. Los van zichzelf, losbandig!,  kunnen ze opgaan in het feestgewoel, omhuld door de identiteit van een onbekende ander, zonder valse schaamte, verlegenheid en zonder de als vreselijk ervaren eigen
ver­antwoordelijkheid voor al het kattenkwaad dat uitgehaald wordt in het leven van alle dag. Als aan het eind van de dag iedereen weer ontmaskerd is, is de feestroes voorbij en voor sommige kinderen is het net of ze er niet bij zijn geweest.

In de wereld van de volwassenen treedt na de ontmaskering bewust de
lijdenstijd in. Van oudsher een tijd van inkeer en onthouding, een oefenweg tot religie. Religie in de betekenis van weer verbonden raken, verbonden met de oorspronkelijke krachten van het leven (verbonden met de Geest). Losbandigheid en verbondenheid horen bij elkaar, maar het streven is toch verbondenheid in de ruimste zin van het woord te bereiken zonder masker!

Buiten in de natuur wordt het nu lichter en tegelijk ook warmer, de dagen worden langer en de zon komt iedere dag hoger aan de hemel. De polariteit in de jaarfeesten ondergaat een ommekeer, na de ‘licht’-feesten in de donkere wintertijd komen nu de ‘donkere’-feesten in de lichte zomertijd.
In het leven van de jongste schoolkinderen is nog geen duisternis, de volle omvang van de duisternis begint in de pubertijd binnen te treden. Daarom zal het vieren van de komende jaarfeesten verschillend zijn voor de ver­schillende leeftijdsgroepen.

Belangrijk is daarbij dat met de kinderen op school alle jaarfeesten inten­sief vanuit de ‘licht’krachten in mens en wereld gevierd worden. Want wie de macht van het licht, van het nieuwe in het leven, kent, zal het duister altijd ontmaskeren.

(Annemieke Zwart, vrijeschool Ede, nadere gegevens ontbreken)

.

Carnavalalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: jaarfeesten

.

455-423

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Maria-Lichtmis (1)

.
bron onkekend
.

MARIA-LICHTMIS
.

Achtergronden
De meeste bijzonderheden omtrent Maria worden ons aangereikt in het Lucasevangelie. Daarin wordt verhaald hoe de engel Gabriël haar van Godswege begroet als de begenadigde en haar boodschapt dat zij op maagdelijke wijze moeder zal worden van de Messias, de zoon van de Allerhoogste en de Verlosser van het mensdom. Wanneer Maria de 40ste dag na de geboorte van haar zoon het kind Jezus opdraagt in de tempel, voorspelt Simeon haar dat een zwaard haar ziel zal doorboren. Jozef moet vervolgens met moeder en kind vluchten naar Egypte en vestigt zich nadien weer in Nazareth. Maria vindt haar 12-jarige zoon, die zij verloren had, in de tempel terug.

Tijdens het openbare leven van Jezus verschijnt Maria zelden ten tonele, maar zij staat bij het kruis op Golgotha, waar de stervende Jezus haar aan Johannes toevertrouwt, die haar bij zich opneemt. Zij is bij de apostelen aanwezig wanneer de Heilige Geest over hen neerdaalt.

Beeldende kunst
.
De oudste voorstelling van Maria is te vinden in de catacombe van Priscilla in Rome (2de eeuw). De profeet Jesaja staat voor haar en wijst op een ster. Van de 6de eeuw af wordt Maria steeds met een nimbus (wolkje) afgebeeld. In de romaanse en vroeg-gotische periode wordt Maria voorgesteld als Zetel der Wijsheid. In de latere middeleeuwen overheerst het menselijke beeld van Moeder en Kind. In de late 13de en de hele 14de eeuw heerst een voorkeur voor de kroning van Maria door Christus: de hereniging van de mystieke bruidegom Christus met zijn bruid de Kerk.

7b catacombs nursing

Jonger is het motief van de Piëta of Nood Gods, waarbij Maria het lichaam van de van het kruis afgenomen Christus op haar schoot draagt. Tijdens de contra-reformatie gaat men Maria steeds meer zien als de Vrouw uit de Openbaring, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en met sterren gekroond, die de helse draak, voorgesteld als slang, vertreedt.

Maria wordt in verband gebracht met het Oude Verbond als zij wordt aangeduid als de nieuwe Eva, naast Christus als de nieuwe Adam. Het brandende braambos, Gideons vacht, de gesloten poort, waardoor geen man naar binnen gaat en de bloeiende staf van Aäron gelden als typologieën van haar vrijdom van de erfzonde en haar goddelijke moederschap.

De eenhoorn die zijn toevlucht zoekt in de schoot van een maagd is het beeld van de menswording van Christus in Maria. In samenhang met de rozenkransdevotie ontstaat ook de viering van de zeven vreugden en de zeven smarten van Maria, een motief dat door de kunst wordt overgenomen. Maria is ook de omhullende figuur, bij wie de ongelukkigen troost vinden en beschutting onder haar opengespreide mantel.

Maria-Lichtmis

Maria-Lichtmis wordt gevierd op 2 februari en heet ook wel Opdracht van de Heer in de tempel en ook wel Hypapante: de ontmoeting van Maria en Jezus met Simeon in de tempel.

De naam Lichtmis heeft betrekking op de processie met brandende kaarsen die op die dag gehouden wordt.

Legenden

Over de figuur Maria gaan vele legenden en veel wonderlijke gebeurtenissen worden aan haar voorspraak toegeschreven. De meeste verhalen dateren uit de middeleeuwen. Overbekend is de Beatrijslegende en de legende van Theophilus, die een verbond met de duivel had, maar door Maria werd gered.
Jacob van Maerlant heeft een serie Mariamirakelen gebundeld en zo ook de Fransman Gautier de Coinci in de middeleeuwen en in de 20ste eeuw Gabriël Smit, die zeven Marialegenden publiceerde in versvorm.

Maria-Lichtmis en de vrijeschool

Volgens de Joodse wet moest een vrouw die gebaard had, 40 dagen na de bevalling een reinigingsoffer brengen in de tempel. Ook Jozef en Maria deden dat op 2 februari, 40 dagen na Kerstmis.

Tijdens de plechtigheid in de kerk dragen priester en gelovigen een brandende kaars. In de kringloop gaat de aarde weer ontwaken. Het licht laat zich weer zien, De dagen worden langer en de eerste lenteboden kondigen zich aan. Na een tijd van bezinning en naar binnen gekeerd zijn breekt de tijd aan dat we weer langzaam naar buiten komen. Gereinigd en vol licht gaan we weer op weg. De kersttijd is afgesloten.

Bij de Grieken werd omstreeks dezelfde tijd het feest gevierd van de Aardemoeder: Demeter (Grieks: Godsmoeder).
De Romeinen kenden daar de naam Ceres aan toe. Ceres was de godin van de vruchtbaarheid.
De Germanen noemden deze godin Freia. Het is de Vrouw Holle uit de sprookjes, een van de drie moeder-godheden der Kelten. Soms een lichte, hoge gestalte, dan weer een oude vrouw, is zij de verbinding tussen aarde en hemel. Veel sprookjes, verhalen en sagen zijn over haar bewaard gebleven. Zij is Moeder Aarde en verschijnt in verschillende vormen aan de mensen. Zij heerst over dieren, dwergen en nimfen. Waar haar voet de aarde raakt wordt de akker gezegend met vruchtbaarheid. Waar zij uitrust, ontbloeien de mooiste bloemen. Zij behoedt in haar onderaardse rijk de nog ongeboren zielen.

Het is begrijpelijk dat Maria, de moeder van Jezus, bij de Christenen de plaats gaat innemen van deze grote Moeder-Maagd.

De gehele, intense Mariaverering is een verinnerlijking en een realisatie van de verering van deze moeder van God en de moeder van het aardeleven, de draagster van levenskrachten.

Een liedje
De vlokken dwarrelen zachtjes neer,
En buiten bloeit de kerstbloem teer,
Vrouw Holle gaat daar heen en weer,
Snorre wieltje, snorre.

De maan gluurt over de wolkenrand,
Wijst haar de weg in het witte land,
Zij kijkt waar nog een lichtje brandt,
Snorre wieltje, snorre.

.

Maria-Lichtmis: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle jaarfeesten

.

443-412

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Maria-Lichtmis (2)

.

MARIA-LICHTMIS

Alle grote feesten van het jaar hebben een voorbereidingstijd. Zij duren ook na hun hoogtepunt nog voort en klinken nog lang na. De dag waarop de kersttijd definitief wordt afgesloten is van oudsher een feestdag. Het is Maria-Lichtmis, 2 februari.
Zoals bij zeer veel feesten is dit een oud feest, dat verchristelijkt is. Paus Innocentius III (paus van 1198-1216) zegt in een preek: ‘De heidenen hadden de maand februari toegewijd aan de goden der onderwereld, omdat, naar zij ten onrechte meenden, in het begin van deze maand Proserpina door Pluto geroofd was. Men geloofde, dat haar moeder Ceres haar heel de nacht had gezocht met brandende fakkels. Ter nagedachtenis hieraan hielden zij in het begin dezer maand een ommegang door de stad met brandende fakkels. Daarom werd het feest Amburbate (Stadsrondgang) genoemd. Maar omdat onze heilige voorouders deze gewoonte niet helemaal konden uitroeien, hebben zij bepaald, dat men ter ere van de H.Maagd brandende kaar­sen dragen zou…’
Februari was oorspronke­lijk de laatste maand van het jaar. De naam komt van het Latijnse Februa, dat ‘reinigingsfeest’ betekent. Het was tevens een
verzoeningsfeest.
Lang vóór Christus’ geboorte werd omstreeks deze tijd het feest gevierd van de Aarde-Moeder. Bij de Grieken was dit Dè-Mèter (God-Moeder). Haar functie werd bij de Romeinen overgenomen door Ceres, wier dienst een van de oudste erediensten was die in Rome werden ingevoerd. Ceres was de Italische, vóór-romeinse godin van land- en graanbouw, van beschaving en vruchtbaarheid en van het huwelijk. Zij werd aanbeden als de Moeder der goden, de Magna Mater (Grote Moeder). Zij was de Moeder Aarde, moeder en maagd tegelijk, die zelf geen moeder had gehad en die naast Zeus (Jupiter, God-Vader) zetelde op zijn troon. Vesta (Grieks: Hestia), de godin van de hui­selijke haard, was een van haar aspecten. Haar ronde tempel, waarin door de Vestaalse Maagden het vuur altijd brandend werd gehouden, staat nog aan de voet van de Palatijnse heuvel in Rome. Na de laatste februa­ridag, op 1 maart, mocht het vuur even uit­gaan en vernieuwd worden. De Grote Moeder droeg ook de erenaam Libera (Vrije). En deze naam is identiek aan die van de Germaanse godin van aardekracht en vruchtbaarheid: Freia – het is Vrouw Holle uit de sprookjes. Het is een der drie Moedergodheden der Kelten. Soms een hoge, lichte gestalte, dan weer een oude vrouw, is zij de verbinding tussen aarde en hemel. In het land Hessen zijn zeer veel verhalen, sprookjes en sagen over haar bewaard ge­bleven. Zij is Moeder Aarde. Zij verschijnt in verschillende gedaanten aan de mensen. Zij heerst over dieren, dwergen en nimfen. Waar haar voet de aarde raakt, wordt de akker gezegend met vruchtbaarheid. Waar zij uitrust, ontbloeien de mooiste bloemen. Zij behoedt in haar onderaardse rijk de nog on­geboren zielen. Zij geleidt de gestorvenen vlak na de dood. Zij beloont op strikt recht­vaardige wijze het goede en straft het kwaad.
Het is begrijpelijk, dat Maria, de moeder van Jezus, bij de Christenen de plaats ging inne­men van deze Grote Moeder-Maagd. De gehe­le intense Mariaverering is een verinner­lijking en een realisatie van de verering van deze Moeder van God en Moeder van het Aardeleven, deze Draagster van de Levens­krachten. Sprak niet Christus op het kruis tot haar: ‘Vrouw, ziedaar Uw zoon’? Daarbij duidend op de eerste ingewijde Christen, door Christus zelf ingewijd: de apostel Joannes. En tot Joannes: ‘Ziedaar Uw Moeder’. Vanaf dat ogenblik neemt de wetende Chris­ten Maria als Moeder bij zich op. (Joh. 19:26-27).

Volgens de joodse wet moest een vrouw die gebaard had, 40 dagen na de bevalling een reinigingsoffer brengen in de tempel. Een mannelijke eerstgeborene moest dan aan God worden aangeboden. Dit deden ook, zoals Lukas ons verhaalt (Luk. 2:22-39), Josef en Maria. Zij ontmoetten in de tempel de heilige grijsaard Simeon en de profetes Anna, die spraken en profeteerden over het kind. Nu is 40 dagen na Jezus’ geboorte (25 dec.) de 2de februari, de Amburbate-dag, het begin der reinigingsmaand bij de Romeinen. Zo was deze dag reeds door het lot aangewe­zen om de feestdag van ‘Maria-Zuivering’ te worden.

Op deze dag worden, vóór de Mis, de kaarsen gewijd. Dan volgt een processie (omme­gang), waarbij allen, priesters en gelovigen, een brandende kaars in de hand dragen en ook gedurende de Mis in de hand blijven houden. Vandaar de naam lichtmis. Tijdens de ommegang wordt een prachtig, zeer oud lied gezongen, waarschijnlijk afkomstig uit de oosterse kerk: ‘Adorna…’
De woorden zijn: ‘Versier Uw bruidsvertrek, Sion, en ont­vang Koning Christus. Omvat Maria, die de Deur des Hemels is. Want zij draagt de Koning der openbaring van het Nieuwe Licht. Zij blijft Maagd, aanbrengend met haar handen de Zoon, verwekt vóór Lucifer, waarvan Simeon, Hem ontvangend in zijn ar­men, predikte tot de volkeren, dat Hij de Heer is van leven en dood en de Redder der wereld.’

Een passender metamorfose van een vóór­christelijk feest is nauwelijks denkbaar. En als wij nu weten, dat ook het Germaanse Joelfeest in het begin van februari werd afge­sloten met een feest ter ere van Freia, dan beseffen wij, hoe dit Maria-Lichtfeest zowel de gehele westerse en noordse cultuur­kring als ook de christelijke eredienst omvat.
In vele streken (o.a. Oostenrijk en Noorwe­gen) blijft de kerstboom, de Levensboom, de Lichtboom, volgens traditie tot 2 februari staan. Deze dag heette in onze streken (b.v. in Amsterdam) ‘Vrouwendag’. Op die dag verlieten of wisselden de dienstboden haar dienst. Dit was een der oorzaken van de losbandigheden en verkwistingen, die dan plaats vonden. Daardoor kreeg het werk­woord ‘lichtmissen’ (eig. Lichtmis vieren) de betekenis van uitspatten, losbandig zijn en zo kon een nieuw woord ‘lichtmis’ ontstaan in de betekenis van ‘losbol’. Hierop wijst misschien ook de West-Vlaamse benaming: ‘O.L.Vrouwe-Schud-de-panne.’ Of is dat Vrouw Holle, die de donsdeken uitschudt?
Nu begon ook de tijd van volksspelen en -vermaak. En ook in de volksweerkunde is dit feest vermaard. ‘Op Lichtmis, kun je het licht (kunstlicht) missen.’ ‘Lichtmis donker: de boer een jonker. Lichtmis helder: de boer naar de kelder.’ enz. enz. De dagen zijn merkbaar aan het lengen. De eerste lenteboden kondigen het naderend voorjaar aan. De aarde ontwaakt. Het licht komt terug. Met St.-Maarten, het begin van de voorbereiding op het Kerstfeest, droegen wij ons hartelicht in een knolraap of wortel. In de kerstboom, de Mensen-levens-boom, schitterden al onze lichtjes als één groot Christuslicht te samen. Nu dragen wij de kaars van ons leven, dat zich verteert in de lichtende vlam van ons hart weer opnieuw de wereld in.
Een oud gebruik is het ook, om op deze dag alle kaarsresten brandend op een grote, platte schaal met water te laten drijven. Het water is het symbool van de aardse levenskracht. In de tempel van ons lichaam wordt Christus, het Licht der wereld, binnengedra­gen door de Moeder-Maagd, die de levensziel der aarde is. De aarde is voor ons de Poort des Hemels. Moeder Aarde, die het Nieuwe Licht draagt, het aanbiedt aan God en er door gereinigd wordt, ons lichaam als drager van onze geest, onze ziel als drager van de Christus, de Verlosser der wereld, dat zijn de motieven van dit oeroude feest. Het is de moeite waard, om te midden van alle leugen en bedrog, geweld en losbandigheid in deze schijnbaar tot zinloosheid gedoemde wereld, deze beelden van Moeder Maria, van ver­zoening, reiniging en Licht ons opnieuw voor ogen te stellen en nu, wetend en bewust, aan het eind van de kersttijd te trachten dit feest te vieren. Het zou voor ons en voor onze kinderen een weldaad zijn.

(Henk Sweers, Jonas 11, 28-01-1977)
.

Maria-Lichtmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: alle jaarfeesten

 

.
444-413

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Maria-Lichtmis (3)

.

MARIA-LICHTMIS

Na de kerstvakantie zie je op de seizoentafel de Drie Koningen op weg gaan naar de stal om bet Kindje hun geschenken te geven. Het Kerstspel heeft plaats gemaakt voor het driekoningenspelletje.

Zo gaan we de driekoningentijd door tot 2 februari – Maria-Lichtmis.

De intensieve voorbereiding en beleving van de advent en kerst wordt in deze periode verwerkt en nogmaals beleefd.
Op Maria-Lichtmis branden we alle kaarsstompjes op die we vanaf de 1e advent hebben opgespaard. We gieten kaarsvet in walnotendopjes met een lontje erin en laten ze drijven op een platte schaal met water. Ook kun je kaarsvet gieten in borstplaatvormpjes.

Het water is het symbool van de aardse levenskracht. Met St.-Maarten droegen we het lichtje in een koolraap als voorbe­reiding op het kerstfeest.

In de kersttijd hebben we zoveel licht verzameld, dat we het nu naar buiten kunnen dragen. Daarom leggen we het open en bloot op een schaal.  – ‘Een zee van licht’.  We zijn nu zelf het licht. Nadat we zoveel licht/kracht hebben ontvangen zijn we sterk geworden.
De dagen worden langer en de donkerste winter­tijd is voorbij. Het licht komt langzaamaan weer van buiten. De aarde ontwaakt en kondigt de lente aan.  Sneeuwklokjes en krokusjes komen hier en daar al naar boven. Zeker als Koning Winter zolang op zich laat wachten.

Maar eerste vieren we met de kinderen het Maria-Lichtmisfeest. In de kleuterklas begin je met het aansteken van alle kaarsjes op het water. De kleuters gaan helemaal mee in de sfeer en beleven intensief het gebeuren.

Uit volle borst met glinsterende ogen en blijde gezichtjes zingen we alle advents~ en kerstliedjes. Het is een heel repertoire, maar het is een vreugde om mee te beleven. Ook spelen we voor de laatste keer het driekoningenspelletje nog eens en zo sluiten we op Maria-Lichtmis het hele advents-kerst- en driekoningengebeuren af.

Als de kinderen de volgende dag op school komen, is de ver­duistering weggehaald. De seizoentafel zonder kerstgebeuren en de lichtjes worden niet meer aangestoken. Want het licht komt nu weer van buiten.
.

(Geri Arentsan kleuterleidster Steinerschool, nadere gegevens niet bekend)

.

Maria-Lichtmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

peuters en kleuters: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters jaartafel

.

440-409

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschoolpedagogie.com

.

DÉ SITE MET DE MEESTE ACHTERGRONDINFORMATIE OVER HET VRIJESCHOOLONDERWIJS

.

U vindt via onderstaande rubrieken de weg naar meer dan 2400 artikelen.
.

In het zoekblokje (op deze pagina rechtsboven) een trefwoord ingeven, leidt ook vaak tot artikelen waar het betreffende woord in voorkomt.
Wanneer er meerdere koppen van artikelen worden getoond, is het raadzaam ieder artikel open te maken en onder aan het artikel bij de tag-woorden te kijken of het gezochte woord daar staat.
Wanneer het artikel is geopend, kan je Ctr + F klikken. Er verschijnt dan een zoekvenstertje waarin je het gezochte woord kan intikken. Als dit woord in het artikel aanwezig is, kleurt het op.
.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen;

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3klas 4klas 5klas 6klas 7;  klas 8         (rest volgt – via zoekbalk vind je ook de andere klassen: 9 t/m 11)   klas 11

KERSTSPELEN
Alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogmet vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2]

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
Alle artikelen


VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

de vrijeschool: breinvriendelijk onderwijs

Vrijeschool in beeld: illustraties van het vrijeschoolonderwijs

EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets


karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein

.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

.

434-404

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (17)

.

EEN DRIEKONINGENSPELLETJE VOOR KLAS 1

De groep spelers bestaat uit:

Engel, Melchior, Balthasar, Kaspar, Maria en Jozef, Herodes en de duivel.

Het is ook mogelijk dat de koningen en Herodes een lakei hebben. In dit spelletje kunnen zij dingen aangeven, maar hebben geen tekst.

De kinderen die niet spelen hebben de taak te zingen.

Op het lied ‘Er kwamen drie koningen met ene ster’ , 1e couplet, komen de spelers in bovengenoemde volgorde op.

De spelers gaan naast elkaar op een rij stoeltjes zitten.

Op het toneel staat een troon.

De lakei gaat staan en buigt voor Melchior. Deze staat op en loopt naar zijn troon. De lakei volgt met een kijker in de hand.

Melchior tuurt door deze kijker naar de hemel:

‘Een ster zie ik zo hel en klaar.
En zij beweegt zich wonderbaar.
Christus geboren, zegt zij mij aan.
Ik wil zelf nu naar Bethlehem gaan.
Ik hoef er niet lang te denken:
het rode goud zal ik hem schenken.’

Hij geeft de kijker aan de lakei, staat op en loopt terug naar zijn plaats. De lakei volgt. Die buigt nu voor Balthasar.
Balthasar gaat naar de troon. Lakei geeft hem de kijker.

‘Een ster zie ik zo hel en klaar.
En zij beweegt zich wonderbaar.
Christus geboren, zegt zij mij aan.
Ik wil zelf nu naar Bethlehem aan.
Geven wil ik het kindje klein
De wierook fijn.’

Hetzelfde ritueel met de lakei en Kaspar.

‘Een ster zie ik zo hel en klaar.
En zij beweegt zich wonderbaar.
Christus geboren, zegt zij mij aan.
Ik wil zelf nu naar Bethlehem aan.
Hij is de koning van het gans heelal.
Dat ik hem mirre geven zal.

Nu kan de duivel komen om de koningstroon weg te brengen. Als dat is gebeurd en de duivel is weer terug op zijn plaats, staan de spelers op. De klas zingt weer het 1e couplet en de engel, koningen en lakei lopen een rondje of een lemniscaat over het toneel. De engel en de koningen blijven aan de zijkant achter; Balthasar alleen aan de ene kant; Melchior en Kaspar samen aan de andere kant.

De engel komt als eerste op, ongeveer gelijktijdig lopen de koningen naar het midden. De lakei is er ook bij, want deze moet later de geschenken aangeven. De lakei houdt zich wat op de achtergrond.

Balthasar:
‘Gij edele heren, weest gegroet en ook die U terzijde staan (dit naar de lakei)
Zegt mij aan,
Waar wilt u henen gaan.’

Melchior en Kaspar:
‘Wij volgen saam de ster.
Zij brengt ons naar Bethlehem zo ver.’

Balthasar:
‘Ik volg haar naar de nieuwe koning.
Nu gaan wij samen naar zijn woning.’

De klas begint het 2e couplet te zingen. Engel, koningen en lakei maken een ommegang en verdwijnen weer even.

De duivel komt nu met de troon van Herodes. Wanneer deze klaar staat, staat de lakei van Herodes op en buigt voor hem, waarop hij naar zijn troon loopt en gaat zitten; de lakei ernaast.

De klas zingt weer het 2e couplet en de engel, koningen en lakei komen weer op. Er moet wat afstand komen tussen de engel en de koningen. De engel loopt achter de troon van Herodes langs en blijft even verderop staan. De koningen gaan niet voorbij de troon van Herodes.

Melchior:
‘We zullen nu zonder dralen,
De landvorst van het kind verhalen.

Kaspar tikt met zijn staf op de grond. Herodes maakt een armgebaar naar de lakei van ‘ga kijken’ en deze ziet de koningen. Hij buigt en neemt de koningen mee tot vlakbij de troon van Herodes.

Herodes:
‘Gij edele heren,
Hoe moet ik het verstaan,
Dat u tot mij komt gegaan?’

Kaspar:
‘Het is te lezen duidelijker dan te voren,
Dat in Bethlehem is geboren,
De grote koning uitverkoren.’

Herodes:
‘Als er een nieuwe koning is geboren,
Dan is mijn macht en roem verloren.
Nu moet ik mij snel bedenken.
Heren, ik wil het kindje ook iets schenken.
Kom straks terug en zeg mij aan,
Hoe ik naar het kind moet gaan.

De koningen buigen en vervolgen hun weg achter Herodes langs als de klas het 3e couplet zingt. (Gij sterre, gij moet er zo stille niet staan)

Terwijl de engel en de koningen achter de coulissen of achter in de klas lopen, gaat Herodes bij de spelers zitten en haalt de duivel de troon van Herodes weg.

Jozef zet een krukje voor Maria klaar.

Jozef en Maria komen op. Zij heeft het kind in de armen. Jozef haalt het kribje en Maria legt het kind daarin.

De klas zingt: 4e couplet: ‘Naar Bethlehem binnen die schone stad..’

De engel komt weer eerder op en blijft achter Jozef en Maria staan.

De koningen en de lakei komen op. De lakei heeft de geschenken  op een klein dienblad.

Balthasar:
‘De ster brengt ons voor deze stal,
Ik denk dat het kind hier liggen zal.

De lakei blijft een beetje opzij staan terwijl de koningen in een halve boog om het kribje staan.
Melchior doet een stap naar voren – de lakei houdt hem het blad met de geschenken voor en pakt met de andere hand de staf. Melchior pakt zijn geschenk en knielt voor het kribje.

Melchior:
‘Ach, kindje, wat ligt ge hier koud,
Ik schenk u het rode goud.’

De lakei geeft de staf aan de geknielde Melchior. Kaspar treedt iets naar het kribje toe en de lakei pakt zijn staf aan terwijl Kaspar zijn geschenkje pakt en eveneens knielt.

Kaspar:
‘Ik breng u de mirre goed,
Ik vraag u dat u mij behoedt’.

De lakei geeft Kaspar zijn staf. Balthasar komt enz.

Balthasar:
‘Ik wil u de wierook geven
Wil toch altijd voor ons leven.’

Jozef:
‘God zal u lonen zo goed,
Voor de gaven aan ons kindeke zoet.’

Maria:
‘God zal u bedenken,
Voor wat u het kinde deed schenken.’

De koningen staan op en buigen een paar keer en verlaten de stal.

Jozef en Maria blijven op hun plaats.

Na een kleine ommegang komen de koningen, voorafgegaan door de ster, die zich meer naar de kant opstelt, weer wat naar voren.

Balthasar:
‘Vóór we ’t aan Herodes zeggen,
willen we ons eerst ter ruste leggen’.

De koningen knielen en slapen in.
De engel gaat nu achter hen staan.

Engel:
‘Heilige drie koningen van oriënt,
God mij tot u zendt.
Ga niet naar Herodes’ woning,
Want hij wil doden de nieuwe koning.’

De koningen worden wakker en staan op.

Melchior:
‘Een engel sprak mij wonderlijk aan,
Wij moeten niet naar Herodes gaan.
In het hart van Herodes is de duivel gaan wonen.
De plaats van het kind
Zullen wij hem niet tonen.’

De koningen lopen met de engel en lakei nog een ommegang als de klas het 1e couplet zingt. Dan gaan ze bij de spelers zitten. De duivel zet de troon van Herodes weer klaar. De Herodeslakei buigt voor de koning en deze gaat naar zijn troon.

Herodes:
‘Waar blijven die koningen zo lang.
O, wat is het om mijn harte bang.
Neen, ik wil mijn kroon niet kwijt!
Wat moet ik doen in deze tijd.’

Duivel komt achter Herodes geslopen en blaast hem iets in het oor.
Herodes veert op:
‘Een plan komt mij nu in gedachten.
Ik wil met het uitvoeren niet wachten.
De kinderen onder de twee jaren,
Zal ik het leven niet sparen.’

De engel staat op en loopt achter Jozef en Maria.

Engel:
‘Jozef, slaap niet langer voort
En luister naar het goddelijk woord.
Vlucht met Maria en het kind,
Dat Herodes u hier niet vindt.’

Engel terug naar de spelerss

Jozef:
‘Wij moeten van hier een verre reis,
Naar Egypte, door sneeuw en ijs.
De wilde dieren zullen ons nog verscheuren.
Ach, dat dit ons nu moet gebeuren.’

Maria:
‘Wij gaan naar het ver Egyptenland,
Wij worden behoed door Godes hand.’

Zij staat op en neemt het kind uit de kribbe. Jozef doet de geschenken in zijn mantel.

Nogmaals kan het 1e couplet worden gezongen. De engel loopt met de andere spelers in volgorde en als ze langs Herodes en de lakei komen sluiten deze aan. De duivel sluit de rij, maar zet snel nog de troon terug. Het kribje blijft staan.

Alle spelers af.

Je kunt het spelletje eigenlijk pas gaan spelen na de kerstvakantie. Dan kun je het niet opvoeren op 6 januari, de driekoningendag. Ik heb dat nooit een bezwaar gevonden. Ik oefende heel de maand januari.
Veel klassikaal opzeggen, zodat ieder kind elke rol kan spelen.

Het is fijn als je voor deze spelen eigen kleren hebt. Soms moet je ze delen met een parallelklas – dat is goed plannen, dus.

Engel kroon met vijfster; staf met vijfster. Een goud geverfd rondhoutje van een meter met een ster van triplex of karton.
Kronen van de koningen van goudkarton – 3 verschillende. Als je met een paprclip werkt, kun je ze op grootte verstellen, zodat ze geschikt zijn voor ieder kind.
De staven van de koningen: dikker rondhout, goud geverfd met een vorm bovenop, van goudkarton. Er zijn ook mooie gordijnroedenvormen die geschikt zijn.
De troon maakte ik van een klassenstoeltje. Tegen de rugleuning een troonruglening van multiplex met ijzerdraad vastgemaakt. Mooie lap erover.
De kijker bestond uit een dikke en dunnere koker van karton, in elkaar geschoven, beplakt met goudpapier. (Al waren er in de tijd nog geen kijkers!)
De lakeien kunnen een zilveren haarband – karton – dragen.
De geschenken niet al te groot maken. Kleine vergulde doosjes van verschillende vorm.
Jozef en Maria dragen de kleren uit het kerstspelletje.
Herodes draagt ook een gouden kroon, maar met hoekige vormen. Zijn kleding is grijzer of zwarter; laarzen. Zijn troon heeft een rechthoekige vorm, met bv een rode of zwarte lap.

Ik heb vaak het liedje ‘Daar kwamen drie koningen met ene ster’ gebruikt; er zijn natuurlijk nog meer liedjes geschikt.

Wanneer je bv. eind januari de 3-koningentijd wil afsluiten, kun je, na het eten van de 3-koningenkoek/taart het spelletje laten spelen met de koningen die dit zijn geworden door de gevonden bonen.
Je kunt het ook opvoeren voor de ouders, een parallelklas of een 2e klas, enz.

Pieter HA Witvliet

.

Driekoningenalle artikelen

Kerstspelenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

430-401

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (16)

.

KNUTSELS

drie koningen, kaars, ster

(voor meer knutsels: Tineke’s doehoek)

1) KAARS(EN) VERSIEREN

Met Stockmar versierwas kun je kaarsen heel mooi versieren.
Met een speld kun je de vormen uitprikken en op de kaars plakken.

driekoningen tekening 3

2) STER
Van de was kun je  een klein balletje kneden waardoorheen je drie spelden prikt, met gouddraad omwinden, zoals de ‘spin’, knoopje om een speldenknop en je hebt een mooie ster.

driekoningen tekening 4

3) DRIE KONINGEN VAN BLOEMPOTJES

Elk jaar als de kerstdoos weer tevoorschijn komt, is er wel weer een wollen figuur het slachtoffer van vraatzuchtige mottenlarven geworden. Deze keer waren het Jozef en de drie koningen. Jozef heb ik opgeknapt en omdat de koningen nog wel even met hun optreden konden wachten, gooide ik die maar weg. Er zat in een van de baarden een heel mottennest en herstellen had geen zin meer. Zo ontstond het idee om de koningen van ander materiaal te maken en al klinkt het zeer profaan: we kozen daarvoor rood­stenen bloempotjes. En er ontstonden wer­kelijk statige figuren, die een kaars droegen en zo het kerstlicht nog een tijd in de donke­re januaritijd over ons lieten schijnen.

Per figuur heb je twee bloempotjes nodig met aan de open zijde een diameter van ze­ven centimeter en één grotere met een diameter van negen centimeter. Verder een pakje ‘Dasklei’, een soort kant en klaar papiermachéprodukt (verkrijgbaar bij hob­by-, boek- of speelgoedwinkels) en plakkaat­verf.

Zet de grote pot op zijn kop. Plaats een van de kleine potjes ondersteboven over de grote pot heen, doe er wat velpon tussen, zodat de potjes niet meer verschuiven kun­nen. Zet het tweede kleine potje met de open kant naar boven op de twee anderen, plak deze ook vast (dit potje vormt het hoofd).

driekoningen bloempot 1

Rol nu van de ‘Dasklei’ slangetjes (dit is een mooi werkje voor de kleine kinderen, dus iedereen kan meedoen!) en bevestig die als op de tekening aangegeven als halskragen en de omzoming van de mantels. De handen worden van een bolletje klei gemaakt en kun je mooi tussen de randen van de mantels wegmoffelen alsof ze daaronder vandaan komen. Maak een kuiltje in de handen zodat de koningen hun goud, wierook en mirre kunnen dragen.

driekoningen bloempot 2

De klei moet nu eerst drogen en daarna kun je zien of alles nog goed vastzit. Is dit niet het geval dan nog een druppeltje velpon tus­sen de naden smeren. Hierna kan het beschil­deren beginnen: je kunt plakkaatverf gebrui­ken en als alles droog is, kun je erover heen gaan met blanke lak. Er zijn ook kleine pot­jes hobbyverf te koop (ook in goud en zil­ver!), je hoeft dan geen lak meer te gebrui­ken, maar het resultaat is wel strakker. Een baard kun je later van schapenwol in de natte lak drukken, maar je kunt hem ook schilde­ren.
Goud, wierook en mirre van kleine stuk­jes bijenwas maken en in de handen stevig aandrukken.

driekoningen bloempot 3

(Tineke Geus, Jonas 8/9, 17-12-1982)

4) DE VERLICHTE WEG VAN DE DRIE KONINGEN

Aan het einde van de kersttijd, zes januari, vieren we Driekoningen. Het feest van de wijzen uit het oosten die de ster volgen om het Kerstkind te vin­den.

Hieronder de werkbeschrijving van een driekoningenmolen, waar kinderen eindeloos naar kunnen kijken. ‘De rode, de groene en de blauwe koning, ge­duldig voortreizend.’

Van deze draaiende driekoningenmolen heb ik het principe gevonden in het boek ‘Maak er een feest van‘ onder redactie van Lou Hoefnagels, uitgegeven bij De Arbeiderspers, Amsterdam 1961.

Daarin wordt een dergelijke molen beschreven als
verjaardagsverrassing. Door twee tot vier waxinelichtjes onder de kap van de molen te plaatsen, zetten we Caspar, Melchior en Balthasar in beweging, alsmaar rond en rond en rond….

Nodig:
goudkarton
stevig donkerblauw papier
zijdevloeipapier
een stukje grenenhout van 2 cm dik,
een dunne breinaald,
behangerslijm
contactlijm,
een liniaals
een passer,
een scherp puntig mesje
een paar waxinelichtjes

Teken met de passer op het goudkarton een  cirkel af met een straal van 9,5 cm. Verander niets aan de stand van de passerbenen en zet de straal zes keer uit op de omtrek van de cirkel. Verdeel vanaf deze punten, met be­hulp van de liniaal, de cirkel in zes stukken. Deel deze weer door midden. Trek nu rond hetzelfde middelpunt de volgende cirkels: een met een straal van 1,5 cm, een met een straal van 10,5 cm en een met een straal van 12 cm.

De twaalf segmenten van de breedste ring moeten nu uitgesneden worden volgens de aanwijzingen op de tekening. Vouw de ver­kregen raderen voorzichtig naar boven. De molen draait in dezelfde richting als de rade­ren gevouwen worden. Let daarop bij het be­palen van de voorstelling op de molenwand, anders bewegen de koningen zich misschien achterstevoren.** De buitenste ring moet ingeknipt en naar beneden omgevouwen worden. Dit is de plakstrook waaraan de wand van de molen komt te hangen. Maak het puntje dat de passer in het karton heeft gemaakt groter met de breinaald, plak het aan de goede kant af met een cirkeltje of sterretje van goudkarton. Zo is er een putje gevormd waarin de molen draaien kan.
Neem nu een strook blauw papier van 15 cm breed en 66,5 en 1,5 (plakstrook) cm lang. (Voor wie een grotere of juist kleinere molen wil maken: de omtrek van de molen bepaalt de lengte van de strook, straal =x 3,14(Pi) = de omtrek van de cirkel. Dus 10,5 cm: 10,5 x 3, 14 = 32,97* cm (33) + 1,5 cm plakrand.

Snijd met het mesje een voorstelling van de drie koningen met de ster uit het blauwe papier. Maak niet te grote open stukken, zorg voor verbindingslijntjes (als bij glas-in- lood) anders vervormt de molenwand wel erg. Beplak de voorstelling aan de achterzijde met zijdevloeipapier; gebruik de behangerslijm hiervoor.
Als de voorstelling op deze manier is ‘ingekleurd’ kan het beste de hele achterzijde van de strook nog eens met wit of lichtgeel zijdevloei verstevigd worden.
Leg het geheel plat te drogen.

Zaag het stukje hout intussen tot een cirkel met een straal van circa 8 cm. Sla een dunne spijker in het midden en trek hem er weer uit. Kort de breinaald in tot 26 cm en zet hem klem in het gaatje in het hout. Als de blauwe strook goed droog is vouwen we hem rond en plakken hem vast op de plakstrook. Als we zorgvuldig hebben ge­werkt past het gouden molendak precies in de blauwe wand. Zelf heb ik door noncha­lant te werken de omtrek van het dak met één millimeter verbreed door de plakrand niet goed om te vouwen. Het resultaat was dat de molenwand vijf millimeter te krap was. Lijm wand en dak zorgvuldig op elkaar. Ter versteviging wordt er onderaan de wand, aan de binnenkant, nog een strook papier ge­plakt zodat die mooi rond loopt. Wanneer er nog deuken in de wand zitten dan kunnen die ook weggewerkt worden door er stevig papier van achter tegenaan te plakken. Zet de molen nu op de naald. Waarschijnlijk moet ze nog in evenwicht worden gebracht, wat weer met stukjes papier kan worden ge­daan. Als alles recht hangt is het moment van inwijding daar. Dat gaat als volgt: maak de kamer donker en plaats het werk­stuk op tafel. Zet een paar waxinelichtjes onder de kap, vlak tegen de naald en steek ze aan. Op het plafond van de kamer verschijnt een stralende, draaiende ster en op de molen zien we de drie koningen – de rode, de groe­ne en de blauwe – geduldig voortreizend, als maar rond, op weg naar het Kind.

driekoningen lampje 1

driekoningen lampje 2

 

(Nicole Karrèr, Jonas 10, 04-01-1985)

*in het artikel stond: 10,5 x 3, 14 = 66,5
**op de afbeelding lijken de koningen niet de aangegeven draairichting te volgen!)

.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

429-400

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen – alle artikelen

.

[1] Tussen kerstfeest en driekoningen
Jacobus Knijpenga
over: de tijd staat even stil; winter: donker en koud – (kosmisch) licht en warmte; goud, wierook, mirre.

[2] Van kerst tot driekoningen
Rinke Visser over: 12 Heilige Nachten; kosmische constellaties van zon en maan; oude Germaanse gebruiken, winter, Wodan, Julfeest; Jultijd, maan-maanden en zonnemaanden.

[3] Tevergeefs de blik omhoog
Rinke Visser over: wie waren de Koningen; de ster toen, de ster nu, geboren vanuit de geest.

[4] Epifanie: een waakzaam wachten
Marieke Anschütz over: (de namen van) de 3 koningen; Stefanus; 6 januari.

Drie koningen
Magchiel Mathijsen over: jaarfeesten als ordening; de 3 koningen in het driekoningenspel; geschenken van de herders en goud, wierook, mirre; denken, voelen willen; oordelen, besluiten.

[5] De planetenstand van Bethlehem
Piet Smolders over: wat was ‘de ster’: komeet, supernova, bijzondere samenstand van planeten? Giotto schildere ‘staartster’.

[6] Van kind tot koning
Marieke Anschütz over: van geschonken worden naar zelf kunnen schenken.

[7] De vierde koning
Marieke Anschütz over: winter, kersttijd, drie koningen. Wie is de vierde.

[8-1] Driekoningen in de kleuterklas
Bakker, Koopman, Vonk over: uit de praktijk – wat kun je doen in de klas tussen Kerst en Maria Lichtmis

[8-2] Het driekoningenspel in de kleuterklas
Isabel Bruggeman over: een driekoningenspel spelen in de kleuterklas.

[9] Drie koningen
Over: historie; Germanen; driekoningenbrood; 4e wijze uit het oosten.

Goud
Joop van Dam over: geen metaal tegenover zich: tegenstellingen in zichzelf; de cultisch-religieuze functie; hart en geneeskunde;
Eckehard Wagner over: van cultus naar macht; vindplaatsen; hart en geneeskunde;
Over: goud en zon; cultische waarde; hart en geneesmiddel.

[10] Mirre
Flora’s kus over: karakteristiek van de plant die de mirre voortbrengt, hoe ze aan haar naam komt: de mythe van Myrrha; mirre en het lijden; het geschenk van koning Kaspar; geneeskrachtige werking;
Rainer Muller over: kostbaar, niet voor profane doeleinden; karakteristiek van de plant; geneeskrachtige werking.

[11] Over de gaven van de drie wijzen uit het oosten
Ruth Kaeselitz over: de koningen; januari – Epifanie; goud; wierook;

[12] Hoe de drie koningen hun naam kregen
Paul Sapens over: ooit heetten ze anders; de Engelse heilige Beda geeft ze hun naam; kleur van mantels; hun leeftijd; hun geschenken.

[13] Driekoningen
Rudolf Steiner over: wie waren deze Magiërs; hun geschenken: goud, wierook, mirre; de ster; de grot

[14] Driekoningen
Melly Uyldert over: 12 heilige nachten; winterzonnewende; Nieuwjaar

[15] Recepten
Driekoningenbrood (2x)

[16] Knutsels
1) kaars versieren; 2) ster; 3) Tineke Geus: driekoningen van bloempotjes; 4) Nicole Karrèr: lampje met rondreizende koningen;

[17] Driekoningenspelletje voor klas 1
Pieter Witvliet schreef een eenvoudig spelletje voor klas 1/groep 3

[18] De kunst van het schenken
Hella Krause-Zimmer
over het schenken van de herders en de koningen; over de geschenken

[19] Over de drie geschenken
Gerard Reyngoud over goud, wierook en mirre en de samenhang met denken, voelen en willen.

[20] De drie koningen
Johanna Knottenbelt over een esoterische benadering van de drie koningen op basis van aanwijzingen van Rudolf Steiner.

[21] Driekoningen
Rudolf Steine
r over: goud, wierook en mirre

[22] Driekoningen
Melly Uyldert over driekoningen; winter; Jan Huygen in de ton; vinger in de roet; goud, wierook, mirre; de boon; stof en geest.

[23-1] Driekoningen
Driekoningen in het verleden in Nederland – folklore.
[23-2] Driekoningen
Driekoningen in het verleden in Nederland – folklore.

[24] Driekoningen in de kleuterklas    (Driekoningen 24)
Dieuwke Hessels over: Caspar, Melchior en Balthasar; over driekoningendag; driekoningentaart; driekoningenspelletje; liedjes; transparanten; jaartafel; boeken. 

.

Kerstspelenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

428-399

.

..

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (15)

.

RECEPTEN

1) DRIEKONINGENBROOD

voor ongeveer 30 stukjes

600 gr bloem
250 gr boter
2,5 dl melk
3 eieren
200 gr suiker
40 gr gist
1 theelepel zout

hiervan deeg maken, goed kneden, 1 uur laten rijzen

dan toevoegen:
100 gr gemalen amandelen
geraspte schil van 1 cirroen
100 gr rozijnen

weer kneden

dan: 2 witte bonen, 1 bruine boon in het deeg verstoppen

nog een half uur laten rijzen
bakken in matig verwarmde oven, ongeveer 1 uur.

Het mooiste is het brood een ronde* vorm te geven en het te bestrooien met poedersuiker waarin een stervorm is uitgespaard.

3 kaarsjes kunnen erop gezet worden: rood, blauw, groen

wie de boon heeft is koning!

(bron onbekend)

*het gaat hier overduidelijk om een brood voor een klas. Dan is een ronde vorm minder geschikt, want dan zijn de middenstukken bij het snijden groter dan de kapjes. Dat vinden kinderen niet leuk, Bovendien hebben de grootste stukken een grotere kans de boon te bevatten en dat is niet eerlijk.

Dus een ‘gewone’ broodvorm.

0-0-0

2) DRIEKONINGENBROOD.

Er bestaan erg veel recepten voor deze koningskoeken, erg lekker en gemakkelijk is het volgende:

Benodigdheden:
250 gr boter
200 gr. suiker
300 gr. bloem
5 eieren
100 gr gepelde en fijngemalen amandelen
1 mespunt geraspte citroenschil,
100 gr. blanke pitloze rozijnen,
zout
poedersuiker

Roer de boter met de suiker zacht en romig.
Roer er dan één voor een de eidooiers door en daarna een snufje zout,
de citroenschil
en de gemalen amandelen.
Meng er vervolgens beetje bij beetje de gezeefde bloem door
en de rozijnen.
Klop de eiwitten heel stijf en schep ze voorzichtig door het deeg.
Doe het deeg over in een ronde vorm of in een vuurvaste ronde schaal, (vorm of schaal met boter insmeren en dun met bloem bestrooien),
stop een bruine boon in het deeg
en bak de koek in een matig warme oven bruin en gaar.
Laat de koek in de vorm iets afkoelen en breng hem dan over op een schaal.
Bestrooi de bovenkant van de koek met poedersuiker in de vorm van een ster en zet in het midden van de ster een kroontje van goud papier.

Wie de boon heeft is de KONING.

(bron onbekend)

wat de vorm betreft: zie opmerking boven.
één boon kan natuurlijk ook, maar is voor een klas niet logisch

.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

427-399

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (8-2)

.

HET DRIEKONINGENSPEL IN DE KLEUTERKLAS

Hoe heerlijk is het om met kleuters de hele maand januari het driekoningenspel te mogen spelen. Vorig jaar heb ik hetzelfde spel gespeeld als dit jaar. De oudste kinderen wisten zodoende nog precies hoe alles hoort. Hoewel de stoel van Herodes al bijna een jaar niet meer in de klas staat, moet hij voor het driekoningenspel weer uit het derde lokaal worden gehaald. Iedere dag wordt na het eten het spel gespeeld. De kinderen die het eerst hun tas wegbrengen beginnen al zonder dat ik iets hoef te zeg­gen het spel voor te bereiden. De stal  (schommelboot) wordt klaargezet en er wordt gevraagd:  “Juffie, mag ik de stoel van Herodes halen?”  “Juffie,  mag ik het krukje klaar zetten?” Als ik “ja” zeg,  komt er vaak meteen een ander kind op het idee om maar vast een kleedje te halen voor op het krukje. Daarna komen daar de gaven,  de kaars en de kurk op voor het zwart maken van koning Kaspar. Als alles klaar staat – de grootste kunst is om het vertelhuis groot genoeg te krijgen – worden de spelers gekozen. Wie zou er Maria mogen zijn? Ja, het is wel moeilijk om te kiezen,  want er zijn zoveel kinderen die graag willen. Na Jozef wordt de engel gekozen; die mag als hij of zij dat wil de sluier voor de ogen, want: “dan zie je allemaal kleuren in de kaars.” Herodes wordt ook gekozen, die hoeft alleen maar op zijn troon te zitten, maar het is toch een heel gewichtige rol. Er zijn kinderen, die zo’n boze rol beslist niet willen spelen!
Heel spannend is wie er koning Kaspar mag zijn, want die wordt echt zwart gemaakt. Na deze voorbereidingen, die misschien wel net zo lang duren als de vertoning zelf, begint het spel. We beginnen te zingen en de drie wijzen    schrijden plechtig voort. Ze komen bij Herodes die waardig op zijn troon zit. Daarna volgen zij de ster tot de stal in Bethlehem. Maria wiegt daar het kindeke. De koningen knielen voor de kribbe. Als Balthasar de regels van het spel nog niet zo goed kent en tegelijk met Melchior wil knielen, wordt daar door de andere kinderen commentaar op gegeven, want hij hoort immers op zijn beurt te wachten!
Jozef neemt de geschenken in ontvangst en de wijzen nemen afscheid van de goddelijke familie. Zij keren terug naar hun land. Onderweg waarschuwt de engel hen tegen Herodes en zo gaan zij rechtstreeks terug naar het oosten. Hiermee is het spel afgelopen. Ik heb de melodie en de tekst hieronder genoteerd, zoals ik het in mijn klas speel:


driekoningen lied

 

2)
De gouden ster (2x),  verdween hen plotseling uit het oog.

Al keken zij nog steeds naar omhoog
Zij stonden nu, zij stonden nu,
al voor een mooi paleis
En rusten daar van de reis.

3)
De koning ja (2x) die daar woonde was Herodes.
Hij vroeg hen waar zij kwamen vandaan.
Zij zeiden toen (2x) één uit het morenland.
En twee uit Sheba met elkand.

4.
Wij zoeken saam (2x) een kinde dat in doeken is gehuld,
Misschien dat gij dat weten zult?
D’ster wees de weg (2x)  tot wij kwamen hier aan,
En hier bleef hij toen stille staan.

5)
Herodes zei  (2x) als gij dit kinde vinden zal,
Kom dan weer met U drie in getal,
En zeg mij dan (2x) waar U dit kinde zag
Zodat ik ook ’t aanbidden mag.

6)
als 1.

7)
De ster stond stil (2x) al boov’n een arme boerenstal
Het kinde ik hier, vinden zal
Nu mogen wij (2x)  het kind aanbidden gaan
Al  waar de sterre stil bleef staan.

8)
Maria, o Maria rein,.
zij wiegde daar haar kindelijn
0 Jezus, o mijn kindje rein
drie wijzen ons bezoeken,
Ach Jezus ligt in arme doeken.
0 Jozef, mijn (2x),

driekoningen lied 2

(melodie 9)

10)
Balthasar knielt neer al voor het kinde teer,
Hij schenkt het nu de wierook.

11)
Kaspar knielt nu neer, al voor het kinde teer,
Hij schenkt het nu de mirre.

12.(melodie 1)
Maria en ook Jozef rein, voor deze gaven dankten zij,
Zij waren ermee reuze blij,
Drie koningen (2x) zij zeiden toen gedag
Tot ’t kind dat in de kribbe lag.

13)als 1.

14)

driekoningen lied 3

15) als 1
In de eerste twee weken is het spel hiermee afgelopen. Daarna volgt nog de vlucht naar Egypte.*
.
(Isabel Brugman, Zeister vrijeschool, nadere gegevens niet bekend)  Zie onder, bij reactie.

.

 *in deze schoolkrant stond nog dit liedje, maar of het bij het spel gebruikt werd, is me niet duidelijk.

driekoningen lied 4

.

Voor meer driekoningenliedjes: Tineke’s doehoek

Vrijeschoolliederen

.

Driekoningenalle artikelen

Kerstspelenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: Driekoningen

 

Kleuters: alle artikelen

 

426-398

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (12)

.

HOE DE DRIEKONINGEN HUN NAAM KREGEN

Net als met het bepalen van het aantal driekoningen, heeft het geven van een naam veel gesteggel opgeleverd. In de loop der tijden hebben ze onder anderen Magala, Galgalat en Sarachim geheten en Apellinus, Amerus en Damasus. De namen waaronder ze nu optreden aan het slot van het kerstverhaal zijn voor het eerst genoemd eind vijfde eeuw.

De evangelist Mattheüs is de enige die ooit in sobere be­woordingen over het illustere gezelschap heeft geschreven. Maar hij heeft het nooit over koningen gehad, laat staan over een aantal, over kame­len, over grote aantallen hel­pers en noem maar op.
‘In die dagen’, staat in het Nieuwe Testament, ‘kwamen er wij­zen uit het oosten.’ Ondanks deze vaagheid wist de Engelse heilige Beda in de zevende eeuw als eerste enke­le biografische gegevens op te lepelen. Aan de hand daarvan kan worden gecontroleerd of de Driekoningen in het thuisstalleke wel goed van kleur zijn.

‘De eerste moet Melchior zijn geweest’, aldus de benedictijn Beda. ‘Een oude man met grijs haar, lange baard en hoofdharen. Met purperrode tunica, korte groene mantel. De tweede was Caspar, een baardeloze jongeling met roodachtig haar, groene tuni­ca, rode korte mantel en pur­perrode schoenen. De derde met donkere tint en haren en volle baard, Balthasar gehe­ten, had een rode tunica, wit­te korte mantel en groene schoenen.’

Een legende uit de twaalfde eeuw gaf ze een leeftijd: Caspar 20, Balthasar 40 en Melchior 60. Vanaf het einde van de dertiende eeuw werd een vast schema gehanteerd voor de opstelling: grijsaard Melchior voorop, Balthasar als deugd in het midden en daarachter benjamin Caspar.

(Paul Sapens, nadere gegevens onbekend)

Beda laat Melchior  goud geven, Balthasar mirre en Caspar wierook.

In het Oberuferer Driekoningenspel geeft Balthasar wierook, en Caspar mirre. De kleuren van de koningen zijn daarin: Melchior: rood; Balthasar: blauw; Caspar: groen.

.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

425-397

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.