Tagarchief: Pasen

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (35)

.
Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld als het schetsen van een sfeer waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.

.

ASTRONOMEN TWISTEN OVER DATUM VAN KRUISIGING

Dat de datum van Pasen iets met sterrenkunde te maken heeft, is vrij algemeen bekend. Volgens eeuwenoude kerkelijke regels wordt Pasen gevierd op de eerste zon­dag na de eerste volle maan na het begin van de lente. De astronomische lente begint op het moment dat de zon van zuid naar noord over de evenaar be­weegt. Dat gebeurde dit jaar* op 21 maart om twee minuten over vier ’s morgens. Vandaag*, op 30 maart, is het volle maan (om precies te zijn: vanmorgen om 8.17 uur), en eerste paasdag valt dus op zondag 31 maart*.

Feestdagen als Hemelvaart en Pink­steren zijn gekoppeld aan de paasdatum, en worden indirect dus ook door de maanstand bepaald. En zelfs de winter­sport wordt op die manier door de ster­ren geregeld: een vroege Pasen bete­kent een vroege voorjaarsvakantie.

Astronomen proberen er nu achter te komen wanneer het ‘eerste’ paasfeest is gevierd, dus wanneer Jezus uit het graf verrees. Omdat wetenschappers niet zo goed raad weten met wonderen, geven ze er de voorkeur aan om niet over de opstandingsdatum te praten, maar over de kruisigingsdatum. Met andere woor­den: wanneer was het voor het eerst Goede Vrijdag?

In wezen is dat natuurlijk voer voor historici, hoewel de grote Engelse
na­tuurkundige Isaac Newton zich er al mee bemoeide: hij was van mening dat de kruisiging zich op 23 april in het jaar 34 voltrok. Het moet in elk geval tussen de jaren 26 en 36 zijn geweest, de perio­de waarin Pontius Pilatus landvoogd van Judea was. En omdat de kruisiging volgens de Bijbel plaatsvond in de mid­dag die voorafging aan de sabbat, moet het een vrijdag zijn geweest.

Bovendien was het de dag van het oude joodse Paschafeest, of misschien de dag daarvoor. Dat feest werd altijd op de 14e en de 15e van de joodse maand Nisan gevierd. Met al die gegevens lijkt het niet zo’n klus om de juiste kruisi­gingsdatum te achterhalen.

Het probleem is echter dat de joodse kalender, net als de huidige islamitische kalender, gebaseerd was op de maan. Een nieuwe maand begon op de dag waarop de jonge maansikkel voor het eerst in de avondschemering gezien kon worden, dus een of hooguit twee dagen na nieuwe maan. Achteraf is voor een bepaald jaar moeilijk precies vast te stel­len op welke dag de maand Nisan begon: op welk moment was de maan voor het eerst zichtbaar?

Historici hadden de hulp van astrono­men nodig. De Amerikaanse sterren­kundige Bradley Schaefer ontwikkelde een computerprogramma waarmee voor elke plaats op aarde en voor elke datum in verleden of toekomst de zicht­baarheid van de maan berekend kan worden. Schaefer hield daarbij reke­ning met de meest uiteenlopende na­tuurkundige, meteorologische en fysio­logische effecten, zoals absorbtie van licht in de dampkring, verstrooiing aan stofdeeltjes, en de contrastgevoeligheid van het menselijk oog.

Op die manier kon hij achteraf bepa­len op welke dagen de joodse maanden moeten zijn begonnen. En daarmee konden ook de twee meest waarschijnlijke kruisigingsdata worden achterhaald: 7 april in het jaar 30 en 3 april in het jaar 33.

De Britse astronomen C. Humphreys en W. Waddington gaan nog een stap verder. Zij zijn ervan overtuigd dat 3 april 33 de gezochte datum is. Op die dag deed zich namelijk een maansverduiste­ring voor die vanuit Jeruzalem zicht­baar was. In de evangeliën van Mattheus, Marcus en Lucas wordt melding gemaakt van „duisternis over het gehele land, van het zesde tot het negende uur”

Lucas spreekt zelfs expliciet van een zonsverduistering, maar dat is onmogelijk**. Een zonsverduistering treedt op wanneer we de maan voor de zon langs zien schuiven. Dat kan alleen bij nieuwe maan gebeuren. De joodse maanden begonnen zoals gezegd altijd rond nieuwe maan, dus op de 14e of de 15e van de maand was het juist volle maan. Volgens Humphreys en Waddington slaan de Bijbelpassages op een maansverduistering. Maansverduisteringen treden op hij volle maan en kunnen inderdaad enkele uren duren.

Schaefer is echter niet onder de indruk van de theorie van de twee Britten. De maansverduistering van 3 april 33 was een gedeeltelijke verduistering, die bovendien bijna afgelopen was toen de maan opkwam, aldus Schaefer. Wie er niet speciaal op lette, zal er niets van gemerkt hebben, zo betoogde hij vorig jaar* in de Ouarterly Journal of the Royal Astronomical Society.

Maar Humphreys en Waddington lie­ten zich niet zo maar uit het veld slaan. Een paar maanden geleden publiceerden zij in het wetenschappelijke tijdschrift Nature een reactie op het artikel van Schaefer. Die zou er bij zijn bereke­ningen van zijn uitgegaan dat Jeruzalem 450 meter boven de zeespiegel ligt. Maar, zo schreven de twee Britten, de oude stad ligt op een gemiddelde hoogte van 775 meter, en dat maakt een flink verschil voor de zichtbaarheid van hemelverschijnselen laag boven de hori­zon.

Bovendien baseerde Schaefer zijn conclusies op eigen waarnemingen van een maansverduistering vanuit de stad Washington. „Wij geloven niet dat de zichtbaarheidscondities in het oude Je­ruzalem en in het moderne Washington met elkaar vergeleken kunnen wor­den”, aldus Humphreys en Wadding­ton.

Dat de verduistering al bijna was afge­lopen toen de maan opkwam, wil er bij hen ook niet in. Om het opkomsttijdstip van de maan in het verre verleden te berekenen, moet je precies weten in welke mate de aardrotatie in de afgelo­pen eeuwen is vertraagd. Op basis van de meest nauwkeurige bepalingen van die vertraging concluderen Humphreys en Waddington dat de maan ongeveer voor de helft was verduisterd toen zij op 3 april in het jaar 33 boven de horizon van Jeruzalem verscheen.

Voorlopig lijkt het laatste woord nog niet gezegd over de kruisigingsdatum. Op zichzelf heeft het vraagstuk natuur­lijk ook weinig wetenschappelijke waarde, evenals de vraag naar de moge­lijke sterrenkundige verklaring voor de Ster van Bethlehem die volgens het Mattheüsevangelie de geboorte van Je­zus aankondigde. Maar het idee dat zo­wel de geboorte als de dood van Jezus door opmerkelijke hemelverschijnselen werd gemarkeerd, spreekt sommige sterrenkundigen kennelijk toch aan, hoe weinig ze ook ophebben met astrologie.
.

(Govert Schilling, nadere gegevens onbekend)

*de datum van dit artikel is onbekend
** zie Pasen (34) waarin Knijpenga ook spreekt over een maansverduistering.

.

Palmpasen/Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldpalmpasen

.

517-478

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (33)

.

Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld als het schetsen van een sfeer waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.

 

OVER DE VIERLEDIGHEID VAN DE PAASBEREKENING

Hoe wordt de paasdatum berekend.

Stoffelijk

Om een antwoord te vinden dat ook een modern gewoon verstand kan
be­vredigen, moet je de paasregel in zijn vierledigheid zien. Er is bij de berekening van de paasdatum namelijk sprake van vier feiten, die met elkaar samenhangen.
In de eerste plaats wordt Pasen altijd in het voorjaar ge­vierd (dus 1 maal per jaar). Dat is na­dat de zon het zogenaamde lente­punt doorschreden heeft, ofwel pre­cies in het oosten is opgegaan. Je moet je hiertoe even realiseren dat de zon normalerwijze niet in het oosten opgaat, maar elke dag op een andere plaats aan de horizon. ’s Zomers meer naar het noorden toe, ’s winters meer naar het zuiden. Slechts op twee ogen­blikken per jaar komt de zon werke­lijk precies in het oosten op, dat is (doorgaans) op 21 maart en omstreeks 21 of 22 september. Voor de aarde be­gint er op 21 maart een “nieuwjaar”, in die zin dat de dagen na dat ogen­blik langer worden dan de nachten. De mensen tellen hun leeftijd naar dit soort ritme, namelijk naar jaren. (Alleen van zuigelingen zeg je, hoeveel weken of maanden zij oud zijn.) Als je zegt hoeveel jaar oud je bent, bedoel je de leeftijd van je stoffelijke lichaam. Het is dan ook schokkend als je van iemand die vijftig jaar oud is zegt, dat hij eigenlijk nog in de pu­berteit zit — je bedoelt daarmee dat hij innerlijk nog geen vijftig is. Verder is het in onze cultuur een heel opval­lend feit dat we de historie rekenen naar het aantal jaren dat verlopen is sinds de geboorte van Christus. Of, om het preciezer uit te drukken: sinds de geboorte van Jezus van Nazareth, dus de geboorte van zijn stoffelijk lich­aam. (De “Christus” werd volgens de oudste manuscripten van het Lukasevangelie pas bij de doop in de Jordaan geboren, dus toen Jezus bijna 30 jaar oud was).

Hier vindt men de eerste schakel van de berekening van Pasen: het fysieke feit dat er in het jaar op een bepaald ogenblik is te beginnen, namelijk 21 maart, de doorgang van de zon door het lentepunt, een kwestie die zich afspeelt tussen zon en aarde. Ik zou dit even een fysiek feit willen noemen, je kunt het tellen naar het rit­me van ons stoffelijk lichaam. Later blijkt waarom.

Biologisch

De volgende schakel voor de bereke­ning van de paasdatum is de stand van de maan. Deze heeft een heel ei­gen cyclus, die niet naar zonjaren wordt gerekend, maar naar volle ma­nen. Een maancyclus duurt ruim 28 dagen. In de volksmond, in de huise­lijke praktijk van ons leven, bij geeste­lijk gestoorden en in vele andere ge­bieden van ons bestaan, is dit ritme bekend. Slaapwandelaars worden “maanziek” genoemd; gedurende een bepaalde periode van haar leven is de als vrouw geïncarneerde mens met betrekking tot haar vruchtbaarheid aan dit ritme onderhevig. Het ritme van de maan regeert eb en vloed, beïnvloedt de landbouw (doordat de kwaliteit wordt bepaald door de stand van de maan ten tijde van het zaaien). Kort­om: de maan is regent in de levens­sfeer, heeft een diepe invloed op ons biologisch bestaan. Ik zou de maancyclus een biologisch ritme wil­len noemen, omdat er in de fysieke mens een soort biologische mens schuilgaat, een heel samenhangend complex van levensprocessen, die hele­maal niet in een
jaarritme verlopen, maar in een maan(d)ritme. Het ritme van ons zogenaamde levens- of “etherlich­aam” is 28 dagen.

Psychisch

Voor de derde schakel in de paasberekening moet je naar de week kijken. Het is immers de regel, dat de week waarin de paas-volle-maan valt, eerst voorbij moet zijn. Valt volle maan in het voorjaar bijvoorbeeld op een zon­dag of maandag, dan moeten eerst nog alle volgende dagen van de week voor­bijgaan, voordat het Pasen kan worden. Het geldt ook hier, net als bij de twee voorgaande ritmen — jaar en maan(d) – dat zij eerst vervuld of “vol” moeten zijn: het nieuwe voorjaar moet zijn aangebroken, de maan moet vol zijn geweest, de week moet met al zijn zeven dagen voorbij zijn. Is “week” ook een objectief ritme?
Ons gehele openbare en persoonlijke leven verloopt in grote trekken in het week-ritme. Bij een dieper onderzoek blijkt, dat dit met de ziel van de mens samen­hangt. Er zijn ook in het occultisme gegevens te vinden die de samenhang vertonen tussen de menselijke ziele-organen (lotos-bloemen) en de zeven planeten; gerekend van de onderste dezer zeven centra hebben zij de volg­orde maan-mercurius-venus, zon (hart) mars-jupiter-saturnus. Het zielenleven van ons mensen zou naar alle waarschijnlijkheid in een
ver­schrikkelijke chaos raken, als we het zevendaagse leefritme zouden doorbreken. Bij de paasberekening is ook dit ritme betrokken, als het ritme van de zeven-dagen-week van de psyche.

Het Ik

Nu is er nog een vierde element voor Pasen nodig. Het feest wordt name­lijk uitsluitend op zondag gevierd. Wat is dat voor een ritme? Bij enig nadenken ligt dat eigenlijk nog het meest voor de hand: elke dag begint niet alleen met een zonsopgang, maar ook met ons ontwaken. Welk deel van ons mensenwezen heeft de dag als rit­me? Het ik, de onverwisselbare per­soonlijkheid, die een eigen naam draagt en zichzelf met “ik” aanduidt. Het prototype van een echte “dag” is niet zomaar een dag, maar is de zon­dag. Niet opgevat als een gezellige luier-dag of een uitrust-dag, of zelfs als “het eind van de week”.
De opgave van dat “ik” is tweeërlei — aan de ene kant is het nodig om de zielenkrachten ermee te beheersen (of als een kleine koning in dat
konink­rijkje van de ziel te regeren), aan de andere kant de krachten die dat “ik” heeft, niet alleen aan de eigen levens­onderneming (het ego) te wijden, maar er ook zelfoverwinningen mee te behalen en ze van tijd tot tijd aan een goed werelddoel weg te schen­ken. Het beste wordt een “ik” als het zich helemaal aan iets anders wijdt dan zichzelf (bijvoorbeeld mensen uit een brandend huis redden, of je voor een ideaal inzetten).
Het voorbeeld van deze hogere ik-kracht is Christus. Hij wordt het Ik van de gehele mens­heid genoemd, en in het Johannesevangelie is in de hoofstukken 14 tot en met 17 na te lezen waarom dat zo is.

Nu hebben we echter een achtergrond voor de berekening van Pasen
gevon­den, in overeenstemming met vier verschillende ritmen waaraan wij men­sen aandeel hebben: in fysiek opzicht met het jaar – dat moet in het voorjaar nieuw begonnen zijn; in biologisch (of “etherisch”) opzicht met de maan(d) — er moet een volle maan verschenen zijn; in psychisch (of “astraal”) opzicht met de week – er moet een oude week voleindigd zijn; in inividueel opzicht moet er een zondag zijn aangebroken, als im­puls voor ons “ik”.
Dat is de paasregel, die het feest van de opstanding bepaalt.
Opstanding waarvan? Van de mens, en wel van de gehele, vierle­dige mens naar lichaam, leven, ziel en geest.

Is dat alles? Het is heel veel, maar het is niet alles. Want de opstanding geldt ook voor de natuur, de levens-hernieu­wing is ook werkzaam in planten- en dierenrijk, en in de aarde.
Opstanding geldt voor de hele aarde, en ook over de hele aarde; voor de elementen die onze planeet stof, leven, ademen warm­te geven; voor alle landen, gebergten, oceanen.
Als je Pasen viert, kun je niet alleen aan je eigen provincie den­ken – Pasen geldt de hele aarde.

Op zondag 7 april 1974 was het echter nog niet overal op aarde bij het aanbreken van de nieuwe dag “volle maan” geweest. Op ongeveer de helft van de aarde, naar het oosten toe, kwam de volle maan op terwijl het daar al zondag was geworden: Daarom is het in kosmopolitisch op­zicht een goede regel, die Pasen dat jaar op 14 april stelde. En daarmee ook de datum voor Hemelvaart èn voor Pink­steren in een groot verband plaatste, in een ritmisch, micro- én macrokosmisch verband, dat de hele mensheid en de hele aarde omvat.
.

(aantekeningen op basis van een artikel van J.E.Zeylmans van Emmichoven in Jonas 19 april 1974)
.

Palmpasen/Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldpalmpasen

.

515-476

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

­

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (32)

.

Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld als het schetsen van een sfeer waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.


OP ZOEK NAAR DE WARE KONING

 

Een koning
Rood, wit, blauw,

De koning en zijn vrouw,

De koningen zijn dochtertje,

Koffiedik

Af ben ik

Een vader zegt dit rijmpje op voor zijn dochtertje, dat de vorige dag net drie jaar is geworden. Het kind heeft het versje va­ker gehoord en aandachtig in zich opgeno­men. Nu herhaalt ze ineens met iets van blijde verrassing in haar stem het laatste voord: Ik, ikke! Het is voor het eerst dat ze dit woord zo uitspreekt, bewust betrok­ken op zichzelf. Twee maanden later zegt ze over zichzelf: ‘Als Hieke groot is, is Hieke ook een koning!’

Er wordt een kind gedoopt. Ik zit met mijn dochtertje van twee jaar op schoot, nogal vooraan om alles goed te zien. Daar komt de priester binnen, een eerbiedwaardig man met zilverwit haar dat glanst boven het donkerpaarse priestergewaad. Het is ineens heel stil in de kerk, en in die stilte hoor ik mijn dochtertje dromerig fluisteren: ‘De koning!’

Wie van ons ziet nog een koning in deze tijd? Wel spreekt de taal van ‘een koninklij­ke gestalte’. Dat heeft dan niets te maken met de uiterlijke omhulling, maar met de uiterlijke houding die naar buiten toe zichtbaar wordt. Blijkbaar dragen we in ons mee het beeld van een ‘koning’, hoe een koning moet zijn, maar het ligt diep wegge­doken in een niet-bewuste laag van ons be­staan. Het is er wel en het ‘werkt’ ook, want we kunnen er de ‘koning’ in een an­der mens mee herkennen. Hoe moeten we ons dat voorstellen? Wat is eigenlijk een koning?
Nu roepen we de sprookjes te hulp. Dat kunnen we doen, omdat in de echte sprookjes een schat van wijsheid verborgen ligt die de meest funda­mentele waarheden van het mens-zijn in beeldentaal uitspreekt. In gave en goed
af­geronde sprookjes als IJzeren Hans, De trommelslager of De trouwe Johannes wordt het koningschap bereikt via een lange, moeilijke weg vol beproevingen. In het verhaal van IJzeren Hans is het zelfs heel duidelijk dat het gaat om een innerlijk verworven koningschap. De held van het verhaal is immers van geboorte een koningszoon, en heeft als zodanig het recht geërfd om koning te worden. Hij draagt het als een belofte met zich mee, maar of die belofte in vervulling gaat, hangt van hem zelf af. Jarenlang duikt hij onder in een naamloos bestaan als om een rijpingsproces door te maken. Wijsheid, waardigheid, dee­moed, inzicht in zichzelf en in anderen, be­reidheid tot offervaardigheid en dienstbaar­heid, moed, vlijt en tegenwoordigheid van geest: het zijn evenzovele voorwaarden om een waarachtig koningschap te bereiken.

Het begin

Het inzetten van de Lijdenstijd zoals dit gebeurt in de Christengemeenschap, als voorbereiding op Pasen, doet ons denken aan de vier adventszondagen voor Kerstmis. De heilige nacht van de geboorte van het kind Jezus ligt nu heel ver achter ons. Het licht dat ons toen omstraalde, en de warm­te die toen om ons heen was, zijn we bijna vergeten. Het engelenlied van ‘Vrede op aarde’ klinkt als een zwakke echo in ons hart na. Er was een openheid naar boven toe, een stemming van vanzelfsprekende innigheid die we ons dankbaar herinneren als een geschenk uit de hemel. Iets van die warme innigheid, van die lang vervlogen kerststemming kunnen we nog ervaren iedere keer als we staan bij de wieg van een heel jong mensenkind. Iets van de heiligheid van de plaats waar Maria’s kind geboren werd, hangt in iedere babykamer, als het goed is. Diep-ernstig kunnen de ogen van zo’n jong kind je aankijken. Het is of daarachter een geheim verborgen ligt dat nog ontraadseld moet worden: het ge­heim van zijn toekomstig leven op aarde. Wie ben je? Met welk doel ben je hier geko­men? Ze slapen voornamelijk, deze hele jonge wiegekinderen. Ze zijn nog helemaal verbonden met de wereld waar ze vandaan gekomen zijn. Pas na 6 weken, na ongeveer 40 dagen worden ze langzaam wakker voor onze wereld, en ze doen dat met het eerste teken van menselijk contact: een stralende glimlach.

Deze paradijselijke sfeer kan nog heel lang om een kind heen zijn, als wij volwassenen er maar zuinig op zijn en het behoeden. Want als we dat doen dan is het of er in ons huis een bronnetje opborrelt met helder, fris water. En aan dit levende water kunnen we ons steeds weer laven, als we er rustig de tijd voor nemen, en ons niet laten voort­jagen ‘door de dingen die gedaan moeten worden’. We gaan iets vermoeden van het geheim dat een jong kind in zich draagt, als we in de evangeliën lezen hoe Jezus eens kinderen plaatste in het midden van de twaalf discipelen en tot hen zei: ‘Wie niet het rijk Gods in zich opneemt zoals een kind het in zich draagt, kan er niet binnen­komen’ (Markus 10).

De weg

Na Kerstmis is het of we met reuzenschre­den het groeiproces tot volwassenwording meemaken. In de Driekoningentijd schuift zich een donkere schaduw voor het licht. Koning Herodes staat daar en we kunnen er niet omheen. De drie Wijzen uit het Oosten vinden het Kind in Bethlehem. maar de vierde koning zoekt zijn weg door de we­reld. Hij is een koningszoon met het ge-erfd recht om later koning te worden. Hij doet echter afstand van dit vanzelfspreken­de recht en duikt onder in de anonimiteit, als mens onder de mensen. Aan het eind van zijn leven ontdekt hij dat zijn kiezen voor het
mens-zijn tegelijk het ware koningschap betekent. De Koning die hij zocht, blijkt ook te zijn de ware Mens, als vervulde belofte. Het was het mede-lijden met de mensen die hij ontmoette op zijn lange lijdensweg, dat tenslotte deze ontdek­king, deze ont-hulling mogelijk maakte.
Je kan je op allerlei manieren voorbereiden op Pasen, maar voor ons volwassenen, op­voeders, verzorgers is er geen betere voor­bereiding denkbaar dan het ‘mee-lijden’, het zich verdiepen in de lijdensgeschiedenis zoals deze beschreven wordt door de vier evangelisten. Directconcreet lezen wat er staat, ieder jaar weer, of ernaar luisteren met open oren of erover spreken met ande­ren, zoals de Emmaüsgangers deden, ja zelfs erover zingen is een zinvolle en bevredigen­de voorbereiding.

Hoewel er in historische documenten vrij­wel niets te vinden is over de gebeurtenis­sen in Palestina, zo centraal voor het christendom, is toch één ding duidelijk merkbaar. De personen die betrokken waren bij de veroordeling van Jezus van Nazareth kunnen geen van allen ‘kleine jongens’ geweest zijn. Het is of er een soort samentrekking is, van mensen die elk voor zich ‘groots’ waren op de plaats waar zij stonden, in de functie die zij vervulden.
Door alle evangeliën heen wordt steeds aan­geduid dat alles op een bepaald ‘uur’ moest geschieden, zoals bijvoorbeeld in Johannes 7: ‘Toen zochten ze hem te grij­pen, maar niemand sloeg de hand aan hem; want zijn uur was nog niet gekomen.’
Het is of het hele uitspansel met sterren en andere hemellichamen volgt wat hier gebeurt. Daarom is het ook niet anders denkbaar dan dat de machtige gestalte van de Christus in de mens Jezus ‘weerstanden op hoog niveau’ ontmoette. Het is of een Koning zich met ‘koningen’ moet meten.

Gestalten in de Stille week

Daar is als eerste Judas Iskariot. Als het ge­juich en het rumoer van Palmpasen is ver­stomd, dan komt wat zelfs door de discipelen als een ‘anticlimax’ wordt beleefd: de gebeurtenissen van de Stille week. De te­leurstelling die hen allen beving, culmineerde in het verraad van Judas. Eén moest het verraad plegen, één moest de ‘zondebok’ zijn. Het is of de profetische woorden van de hogepriester ook op Judas van toe­passing zijn: ‘Het is beter voor u dat één mens sterft voor het Godsvolk dan dat ge­heel ons volk ten onder gaat’ (Joh. 11). Wat een ontzagwekkende gestalte moet dit geweest zijn, hij die de Mensenzoon verra­den kon.

Dan is daar de hogepriester. De leiders van het Joodse volk hebben met hun gewapen­de dienaren Jezus gevangen genomen en voor de Hoge Raad gebracht, het hoogste rechtscollege. Er moeten getuigenissen tegen de aangeklaagde gevonden worden, opdat hij veroordeeld kan worden. De veroordeling zelf stond van tevoren vast. Maar zij vinden niets en de getuigenissen blijken niet te klop­pen met elkaar. Tijdens al dat heen en weer praten heeft één persoon zich wat op de ach­tergrond gehouden, lijkt het. Nu treedt hij naar voren: ‘Toen stond de hogepriester op en trad in het midden’ (Mark. 14). Hij ver­baast zich erover dat Jezus geen weerwoord heeft op alle getuigenissen. Maar misschien juist daardoor is hij de enige die er een ver­moeden van heeft wat hier gebeurt en wie hier voor hem staat. De hogepriester stelt de enige vraag ‘op niveau’: ‘Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Geprezene?’ Jezus zeide: ‘Ik Ben. En gij zult de Mensenzoon zien zitten ter rechterhand der Kracht en komen met de wolken des hemels.’ (Mark. 14). Het pleit voor de hogepriester dat er nu wel een antwoord komt. Jezus herkent in hem blijkbaar een waardig vertegenwoordiger van wat de joodse religie inhoudelijk nog bete­kende. Het woord ‘Ik Ben’ komen we ook tegen in het Oude Testament. Het was de heilige naam van de Godheid, die alleen in het allerheiligste van de tempel mocht wor­den uitgesproken. Die naam werd nu in volle openbaarheid uitgesproken en ten overstaan van iedereen. Juist omdat de diepste geloofs­geheimen voor deze hogepriester zo heilig waren, was hij zo diep geschokt dat hij zijn gewaad scheurde en Jezus betichtte van ‘godslastering’. Volgens de joodse wet was de beklaagde nu des doods schuldig.

Wat hier gebeurt, klinkt als een voorspel van wat beschreven wordt als gevolg van de kruisdood op Golgotha: ‘Toen scheurde het voorhangsel van de tempel in tweeën, van boven tot onder.’ (Mark. 15). Het geheim dat eeuwenlang in het verborgene was be­hoed en doorgegeven door ingewijde men­sen, was openbaar geworden en voor de hele wereld zichtbaar. ‘De hoofdman, die tegen­over hem stond en zag dat hij zó stierf, zeide: ‘Waarachtig, deze mens was een Gods-zoon’ (Mark. 15). Dat zegt een Romeinse hoofdman in functie, op wacht bij het kruis. Ook hij was blijkbaar niet ‘zo maar’ iemand, maar een man die meer zag dan anderen. Er is nog een vierde, die tijdens het proces markant gestalte krijgt door de wijze waarop hij Jezus tegemoet treedt. Dat is de land­voogd Pilatus, ook een Romein. De eerste vraag die hij Jezus stelt, is: ‘Zijt gij de Koning der Joden?’ Een merkwaardige vraag, want de Joden kenden geen koning in de ge­wone, bestuurlijke zin van het woord. Uit het antwoord van Jezus blijkt echter, dat Pilatus wat anders bedoelt: ‘Mijn Rijk is niet van deze wereld.’ (Joh. 18). De landvoogd blijft hem verder met deze titel benoemen, en hij schrijft later dezelfde woorden als op­schrift boven het kruis: Koning der Joden. Na het eerste gesprek met Pilatus wordt Jezus overgeleverd aan de soldaten om te worden gegeseld. ‘En de soldaten vlochten een kroon van doornen en zetten die op zijn hoofd. Zij wierpen hem een purperen mantel om en traden op hem toe met de woorden: ‘Gegroet, Koning der Joden! En zij sloegen hem in het gezicht.’ (Joh. 19). Naar aardse maatstaven de karikatuur van een koning. Geen kroon van goud, maar een van doorni­ge takken waaraan in plaats van rozen bloed­druppels bloeiden.

‘En wederom trad Pilatus naar buiten en zei­de tot hen: ‘Ziet, ik breng hem openlijk voor u, opdat gij begrijpt dat ik geen schuld in hem vind.’ Jezus trad naar buiten met de doornenkroon en de purperen mantel. Pilatus sprak tot hen: ‘Ziedaar, de mens!’ (Joh. 19).

Het was dit beeld dat de dichter Chr. Morgenstern inspireerde tot de uitspraak:

Wenn die Rosen um deine Stirn, Mensch
kein Blutstropfen sind,
wirst du nicht wissen warum du lebst,
bleibst du ewig Kind, Mensch!

Op de derde dag

Als een koning werd Jezus van Nazareth in­gehaald op de dag die wij nu Palmzondag noemen. ‘Hozanna de Zoon Davids! Geze­gend die komt in de naam des Heren!’ Gejubel en gejuich begroetten een uiterlijk koningschap, waar het volk eeuwenlang naar had uitgekeken. In de week die daarop volgt, blijkt echter dat het gaat om een ander soort koningschap. Zo rumoerig als de intocht in Jeruzalem verliep, zo stil begint de Paasmorgen, acht dagen later. Zo stil als het ’s mor­gens vroeg kan zijn als de zon opgaat. De Opstanding is een begin, is in kiemtoe­stand. Het is een kiem die veel zorg en aan­dacht nodig heeft.
Pasen is geen “hemels ge­schenk’, maar een belofte: de belofte dat een innerlijk koningschap en een waarachtig mens-zijn mogelijk zijn geworden.
Of deze belofte wordt vervuld, hangt mede van ons af.
.

(Marieke Anschütz, Jonas 16, 6 april 1979)
.

Palmpasen/Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldpalmpasen

.

513-474

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (31)

.

Pasen

Het is echt lenteweer, zonnig, we kunnen niet anders dan naar buiten gaan. De natuur staat op springen,de knoppen aan de bomen worden al dikker en wie onder de bomen onder de humuslaag in de grond krabt, ziet dat aan ei­kels, kastanjes en zaden al de eerste wortelvorming is begonnen, het begin van een nieuwe boom!

Op weg naar huis knip ik in de tuin wat kale, schijnbaar dode takken af. Er is nog niets aan te zien en ik vraag me af of de takken soms ver ingevro­ren zijn? Ik vergeet ze een beetje, ook al staan ze mooi te zijn in de blauwe glazen vaas.
En dan zie ik plotseling op weer zo’n mooie zonnige dag de zon schijnt warm in huis, dat het zwarte hout bezaaid is met prachti­ge piepkleine perzikbloesems. De bloemblaadjes hebben de kleur van een gezonde rozige babyhuid, een boeiend contrast met de doodgewaande takken. Onder een heldere Hollandse wolkenlucht komt de natuur steeds meer tot leven, de vroege bloeiers geven acte de presence.
Al genietend van de lente wordt de mens er zelfs al een beetje luchtig van; het geeft zin in nieuwe dingen, nieuwe plannen.

De spanning die we buiten opdoen is op school in het hele gebouw
tast­baar aanwezig. De jaartafels in de klassen bloeien op. In peuter- en kleuter­klassen zijn we even in de ban van moeder Aarde en de wortelkindertjes: “Onder de grond, zo diep, zo diep. Wie weet er wat daar sliep?”
Dit zijn de eerste zinnen uit het boek van Alfred Listal “Van de Wortelkindertjes”.
In de lente, de paastijd, begint het boek zijn beeldverhaal over de
ont­luikende en weer afstervende natuur.Veel ouders hebben de kunst van de juffies afgekeken en tot grote vreugde van de kinderen de bloemenkindertjes met lapjes en stukjes vilt ook thuis op een jaartafel laten verschij­nen.

In alle klassen staan de houten kruisen klaar om versierd te worden met kleurig crêpepapier, beschilderde eieren, rozijnenslingers, een zelf gebak­ken broodhaantje en buxustakjes.
Met de palmpaasoptocht luiden we de stille week in en bezingen we het komende paasfeest.

De optocht is een herinnering aan de intocht van Jezus in Jeruzalem. De palmpasenstok brengt met zijn symbolische versiering het christelijke paasfeest en de vele voor-christelijke vormen van volksfeesten ter ere van het nieuwe leven in de natuur en de terugkomst van de zon samen. Het beschilder­de ei, de haas, het lam en het paasvuur zijn symbolen die bij oude culturen van Germanen, Grieken, Egyptenaren, Chinezen en vele anderen zijn terug te vinden.
Zelfs nu nog wordt bv. in China een roodgeverfd ei in de wieg gelegd als symbool van geluk bij een nieuw geboren baby.

Het christelijk paasfeest is het feest van Dood en Opstanding.
Vroeger was dat het belangrijkste feest van het jaar.
In het Westen kreeg de mensheid steeds meer moeite met de opstandingsgedachte, het lege graf kon alleen een “wonder” zijn en die bestaan niet in het westerse denken.
Toch toont de natuur ons jaar in jaar uit het wonder van Pasen en kan ons motiveren tot het zoeken naar de moderne waarheid van het wonder. Het lezen over de lijdensweg van Christus, die voerde naar de dood op Golgotha, roept het machteloze gevoel op dat Christus zich niet verweerd heeft, de
krui­siging gewoon heeft laten gebeuren. Tegelijkertijd beleef je dat het aardse leven geen kans meer had en dat er alleen door het sterven heen een mogelijk­heid tot “opstaan” was. Daarmee gaf hij de mensheid de gelegenheid nieuwe we­gen te bewandelen, geïnspireerd door andere dan materiële waarden.
Als volwassene kunnen we ons betrokken voelen bij het lijden op Goede Vrijdag. Het luisteren naar de Matthaus-passion van J.S.Bach, die in deze tijd op vele plaatsen wordt uitgevoerd, brengt ons in de gemoedstoestand die bij de kruisi­ging past.
Jonge kinderen beleven dit nog niet, voor hen is alleen het levende een realiteit.

Bach heeft op geniale wijze gebruik gemaakt in zijn muziek van een jongenskoor. De lichtheid van de kinderzangstemmen tegen de dramatische klank van de twee grote koren, laten je tastbaar voelen dat Pasen, opstanding, onlosmakelijk verbonden is met de dood.

Zo geeft de geschiedenis van het leven van Christus moed om steeds aan iets nieuws te beginnen in het leven en het geeft vertrouwen, dat het goed is als daaraan vooraf in een mensenleven iets moet worden opgegeven.

Het vieren van Pasen in de vrijeschool gebeurt met de jongste kinderen met de beelden vanuit de natuur. De paashaas die zijn gekleurde eieren brengt, is het beeld voor de onzelfzuchtige mens, die zich opoffert voor het voortleven van anderen, overeenkomstig het gedrag van de haas in zijn leger in de vrije natuur.
Door alle klassen spelen de symbolen uit de zich vernieuwende natuur, uit het nieuwe leven in het ei, enz. de belangrijkste rol bij de viering. Vanaf de vierde klas kan ook over het leven van Jezus en het mysterie van Golgotha worden verteld. Duidelijk zal zijn dat daarbij de vernieuwende impulsen die Jezus aan de mensen gaf de boventoon voeren en dat zichtbaar wordt gemaakt dat zijn leven niet eindigde aan het kruis, maar juist voor ons nog begon.

Pasen, een tijd van vernieuwing en opbouw, een tijd om mensen enthousiast te maken voor het vrijeschoolonderwijs. Een onderwijs dat niet nieuw is, maar kinderen wellicht leert later een mens te zijn, die los van materiële verlangens vernieuwende impulsen aan de wereld schenkt!

(Annemieke Zwart, nadere gegevens ontbreken)

.

Palmpasen/Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: palmpasen

.

512-473

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent (14)

.

ADVENT, 1 JANUARI, PASEN

Wanneer is het jaar jarig:

Is advent, de eerste januari of Pasen het begin van het jaar?
‘Het jaar is een kringloop, zodat van een begin en einde in absolute zin geen sprake kan zijn.’

Maarten Udo de Haes doet in zijn artikel een poging tot het vinden van een beginpunt.

Wanneer een ring of de schakel van een ket­ting geen zichtbare naad vertoont of kenne­lijk niet gesoldeerd of gelast is, zal het onmo­gelijk, zelfs zinloos zijn een begin en einde aan te wijzen.

Ook bij de kringloop in de levende natuur, kunnen we moeilijk begin en einde bepalen. Wanneer we bijvoorbeeld naar de kringloop in de plantenwereld kijken, dan kunnen we terecht zeggen dat deze begint wanneer het zaad in de aarde valt. Maar is het bestaan van die zaadkorrel niet ondenkbaar zonder de vrucht, die daarvóór is ontstaan, terwijl die vrucht op zijn beurt ook weer het resultaat is van het ontkiemen van een vorige zaadkorrel en de groei en bloei die daar het gevolg van is? Kortom, het proberen te vinden van het begin staat gelijk met het bekende probleem van de kip en het ei. Wanneer ik bij een kringloop toch een begin moet bepalen – bij het natrekken van een cirkel bijvoorbeeld – dan zal ik ‘ergens moeten beginnen’, maar ik zal het zogenaamde beginpunt als absoluut willekeurig beschouwen. Het is namelijk geen objectief begin, maar subjectief door mij als zodanig aangewezen.

Ook het verloop van het jaar is een kring­loop, zodat van begin en einde in absolute zin geen sprake kan zijn. Ieder door ons be­paald ‘begin’ lijkt willekeurig te zijn. Zoals, bijvoorbeeld nu het burgerlijke jaar 1 januari begint, zo viel het begin vroeger kennelijk in maart, hetgeen wij nog uit de maandnamen september tot en met december (zevende tot en met de tiende maand!) kunnen afleiden. De gevolgtrekking ligt dan ook voor de hand dat of het jaar niet op een bepaald tijdstip een vanzelfsprekend begin of einde heeft, met andere woorden dat de jaren letterlijk eindeloos voortcirkelen, of dat het begin dat wij bepalen willekeurig is en dus toch geen echt beginkarakter heeft. Of – en dat is ook wel een mogelijke gevolgtrekking – is een begin wel degelijk als zodanig aanwijsbaar of ervaarbaar, terwijl tevens de mogelijkheid van andere momenten met beginkarakter niet uitgesloten wordt. Dat betekent dat een proces, een ontwikkeling, meerdere ‘begin­nen’ kan hebben. Een voorbeeld hiervan vin­den we in het Nieuwe Testament, wanneer we kijken naar de verschillende beschrijvin­gen van het evangelie.

De eerste woorden van het evangelie volgens Marcus luiden: ‘Begin van het Evangelie van Jezus Christus de Zoon van God,’ waarna de doop in de Jordaan wordt beschreven. Deze gebeurtenis ziet Marcus dus als het begin, en terecht, want daarmee begint inderdaad de werkzaamheid van Christus onder de mensen op aarde.

Lucas daarentegen plaatst aan het begin van het evangelie de geboorten van Johannes de Doper en Jezus. Ook dit is niet willekeurig, maar eveneens als het begin van het evangelie te beschouwen.

Het Johannesevangelie beschrijft nog weer een ander begin, namelijk de wereld van het scheppende woord van waaruit Christus stamt en wat Hij tegelijkertijd zelf ook is: ‘In den beginne was het Woord…’ Afgezien van het feit dat er zo drie ‘begin­nen’ van het evangelie aan te wijzen zijn, kan er zelfs nog een ander begin worden ervaren. Een begin dat weliswaar subjectief, maar daarom niet minder wezenlijk en beslist willekeurig te noemen is, namelijk het ‘begin van het evangelie’ valt op het moment dat ik ermee begin, het moment waarop het tot le­ven wordt gewekt in mijzelf. In dit verband moet ik denken aan het ge­dicht ‘Mein Jahr’ van Conrad Ferdinand Meyer, waarin hij tot uitdrukking brengt dat het tijdstip van zijn verjaardag niet zo zeer van buiten, door de kalender wordt bepaald, maar door het moment van een innerlijk be­gin, een initium. Het zijn die momenten in het leven waarop iets nieuws wordt geboren in de zin van een inspiratie of een besluit, een ontmoeting of een belevenis.

Mein Jahr

Nicht vom letzten Schlittengleise
Bis zum neuen Flockentraum
Zähl’ ich auf der Lebensreise
Den erfüllten Jahresraum.

Nicht vom ersten frischen Singen
Das im Wald geboren ist,
Bis die Zweige wieder klingen,
Dauert mir die Jahresfrist.

Von der Keiter nicht zur Keiter
Dreht sich mir des Jahres Schwung,
Nein, in Flammen werd’ich alter
Und in Flammen wieder jung.

Von dem ersten Blitze heuer,
Der aus dunkler Wolke sprang,
Bis zu neuem Himmelsfeuer
Rechn’ ich meinen Jahresgang.

Conrad Ferdinand Meyer

Drieslag
Misschien heeft de cyclus van het jaar of van de dag ook wel meerdere beginmomenten, ieder met een eigen karakter, met een be­paalde kwaliteit.
Wanneer we bijvoorbeeld naar het dagbegin kijken, zullen we in de eerste plaats aan de morgen denken, wanneer het licht wordt, de zon opgaat en over het algemeen de werk­dag begint. Vooral in het oude Babylonië werd het moment van de zonsopgang als dagbegin beleefd. Maar het begin van de burgerlijke dag valt op een heel ander tijdstip, namelijk te midder­nacht. Volgens de klok 24.00 uur of 0.00 uur, respectievelijk op het moment dat de zon onder de horizon het diepste punt heeft bereikt. Aangezien dit inhoudt dat het ‘grote licht van de dag’ op dat moment weer begint te stijgen, heeft dit tijdstip ook echt beginkarakter en is meer dan slechts een formele, min of meer willekeurige afspraak. (Hier is afgezien van het verschil tussen middernacht in astronomische zin en het tijdstip 24.00, dat voor een gehele tijdzone op aarde geldt.) Zelfs een derde dagbegin kan als zodanig worden beleefd, namelijk wanneer de dag ‘eindigt’ (’s avonds, respectievelijk bij zons­ondergang). Dit moment – dat onder andere in de joodse cultuur als begin van de dag wordt gezien – wordt gekenmerkt door het terugblikken op de dag die achter ons ligt en het vooruitzien, plannen maken of voorbe­reidingen treffen voor de volgende dag, die daarmee in kiem dus inderdaad begint. Ge­bruiken zoals sinterklaasavond op de avond vóór de eigenlijke verjaardag op 6 december of ook kerstavond of bijvoorbeeld het Duitse woord Sonnabend voor zaterdag wijzen nog op de realiteit dat de avond als einde van een dag eveneens de kiem van de nieuwe dag in zich draagt.

De innerlijke of religieuze dag begint ’s avonds en is te beschouwen als de kiemlegging, de astronomische of burgerlijke dag be­gint te middernacht, waar de dag als het ware geboren wordt, terwijl het begin van de werkdag in principe bij zonsopgang begint, waar deze kiemlegging en geboorte ten slotte tot verwerkelijking leidt. Deze drieslag, die in christelijke zin trinitarisch karakter heeft, vinden we eveneens te­rug in de opbouw van het jaar. Met advent, begin van het christelijk-religieuze jaar, wordt een kiem gelegd die ver­zorgd en beschermd wil worden. Met ver­wachting kijken wij uit naar het komende of zelfs naar De Komende. En niet slechts wij alleen leven ‘in verwachting’, maar er wordt ongetwijfeld ook iets van ons verwacht: dat wij innerlijk naar het komende toeleven, het mee-voorbereiden.

Het ‘tweede begin’ van het jaar is het meest exact aanwijsbaar, namelijk 1 januari 0.00 uur, het tijdstip waarop het burgerlijke jaar begint. Zoals advent de avond van het jaar genoemd kan worden, zo valt oudejaarsnacht in de middernachtstijd van het jaar. Daarbij is het opvallend dat dit moment tevens in het midden van de kersttijd valt, zodat in de feesttijd van de Geboorte kennelijk ook het jaar geboren wordt. Het aanvankelijk wille­keurig schijnende moment, blijkt bij nader in­zien diepere zin te hebben. Dit tijdstip geldt dan ook als het ‘officiële’ uitgangspunt voor onze jaartelling: Ab Incarnatione Domini.

Zoals bij de dag, kunnen we ook bij het jaar nog een derde begin aanwijzen of ervaren, namelijk Pasen. De opstanding uit het rijk van de dood is de verwerkelijking van datge­ne wat met kiemlegging en geboorte is voor­bereid. Met Pasen gaat al het voorgaande in vervulling. In die zin staat dit gebeuren on­der het motto: ‘Het is volbracht’. Maar dit draagt tevens een totaal nieuw begin in zich, vergelijkbaar met de schepping. De evangelist Marcus geeft een overduidelijke tijdsbepaling van dit gebeuren:

‘Toen de sabbat was voor­bijgegaan, kochten Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus, en Salóme geurige kruiden om hem te gaan zalven. En zeer vroeg in de morgen van de eerste dag der week, toen de zon opging, kwamen zij aan het graf’.

Aan het begin van de week – dus zondag – bij het aanbreken van de dag, bij zonsopgang, valt dit herscheppingsgebeuren. Hierbij worden we aan de woorden aan het begin van de Genesis herinnerd: ‘Er zij licht’. Naast het ‘Ab Incarnatione Domini’ als begin voor onze jaartelling, vinden we hier een heel ander uitgangspunt, dat we ‘Ab Ressurectione Christi’ kunnen noemen.
Pasen 1983* is dan te beschouwen als het begin van het jaar 1950, namelijk het 1950ste wederkerende jaar na het gebeuren van dood en opstanding van Christus. Op deze wijze is bovengenoem­de tijdsaanduiding ook weergegeven in de jaarlijks uitkomende Sternekalender van de mathematisch-astronomische Sektion aan het Goetheanum te Dornach. (‘Mit Ostern 1983 sind verflossen 1950 Jahre nach des Ich Geburt durch das Mysterium von Golgatha’).We kunnen bij het jaar dus ook drie begin­momenten onderscheiden, die alle als zoda­nig geldigheid hebben en qua karakter weer overeenkomen met de drie beginmomenten van de dag, die we kort kunnen weergeven met: kiemlegging, geboorte en verwerkelij­king.

Paradox
Ten slotte kunnen we ons met C.F. Meyer afvragen of het begin van mijn jaar nóg weer op een ander tijdstip valt, hoewel het onge­twijfeld in relatie staat met de overeenkom­stige momenten van het jaar. Want hoewel ik Pasen kan zien als de voleinding, namelijk de verwerkelijking van het opstandingslichaam van Jezus door Christus, ligt deze verwerke­lijking voor mij nog ver in het verschiet. Wat in Jezus is voltooid, ligt voor mij nog in een verre toekomst, is pas in eerste aanleg op mij van toepassing. Of, om met Christian Mor­genstern te spreken: ‘We staan niet aan het einde, maar aan het begin van het chris­tendom’.
Deze paradoxs dat de opstanding tegelijkertijd zowel een feit als ook nog toe­komst is, komt onder andere tot uitdrukking in de woorden van Jezus: ‘Het uur komt en is er reeds…’De verschillende momenten in het jaar waarop een duidelijk begin valt, kunnen we ook beleven in de innerlijke christelijke ontwikkeling. Pasen kan het adventskarakter van een eerste kiem in de menselijke ziel aannemen of als een volgend begin geboren worden, als het ware Kerstmis doorlopend. In navolging van Christus krijgt het na onzegbaar lijden uiteindelijk zijn eigenlijke paaskarakter. Dit feest, dit gebeuren, deze realiteit van dood en opstanding leeft in Vol’eind’ing in Jezus, is in ‘begin’sel voor ons en uit’einde’-lijk door ons voor de aarde bestemd.

(Maarten Udo de Haes, Jonas *16, 01-04-1983)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

 .

369-348

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – Sprookjes (1-6)

.

DE KIKKER EN DE HELD JOHANNES

‘Zoek mij achter drie maal negen landen’

Er zijn veel sprookjes die iets van de essentie van een jaarfeest weergeven. Else Tideman vond een Russisch sprookje, dst bij het paasfeest past.
Van de Russen wordt gezegd dat zij een sterke verbondenheid beleven met het opstandingsgebeuren. Voor hen is het paasfeest het grootste feest van het jaar.

In een rijk, in een koninkrijk leefde eens een koning die had drie zonen, die alle drie vol­wassen waren. Op een dag riep hij hen bij zich en sprak: ‘Mijn lieve zonen, jullie zijn nu vol­wassen en het is tijd aan een bruid te denken. Neem pijl en boog en maak je gereed om te schieten! Ga naar de koninklijke grensweiden en schiet naar verschillende kanten. Daar, waar de pijl heen vliegt, haal je je bruid’.
De zonen namen ieder een pijl, gingen naar de koninklijke grensweiden en schoten de pijl af. De oudste naar rechts, de middelste naar links en de jongste, Johannes, rechtuit. Hierna ging ieder zijn kant op, om de pijl te zoeken. De oudste broer vond zijn pijl in het huis van een minister, de middelste bij een generaal en zij trouwden met hun wonder­schone dochters.

sprookje

Johannes kon lange tijd zijn pijl niet vinden en was heel bedroefd. Twee dagen liep hij door bossen en over bergen, de derde dag kwam hij bij een moeras en zag daarin een grote kikvors.
De kikvors droeg de afgeschoten pijl in zijn poten. Johannes wilde weglopen, maar de kik­ker riep hem toe: ‘Kwak, kwak, Johannes, kom bij me en neem je pijl. Hij vloog naar mij, nu moet je mij tot vrouw nemen, en als je mij niet neemt, kom je nooit uit dit moeras vandaan’.

sprookje 2

Johannes werd treurig en wist niet wat hij doen zou. Hij dacht lang na, toen nam hij de kikker met zich mee en bracht hem naar zijn rijk. De broers en hun vrouwen lachten over die twee.

De dag naderde dat Johannes zou trouwen. Hij reed in een wagen ter bruiloft, de kikker echter droeg men op een gouden schotel. Toen het nacht werd en de bruidegom en de bruid in het slot in hun kamers gingen, deed de kikker haar kikkerhuid af en veranderde in een wonderschone vrouw. Overdag werd ze weer kikker. Johannes leefde gelukkig en tevreden met haar.

Na enige tijd liet de koning zijn zonen bij zich roepen en sprak tot hen: ‘Mijn lieve zo­nen, jullie zijn nu alle drie getrouwd. Ik wens een hemd te dragen, dat jullie vrouwen, mijn schoondochters, genaaid hebben’. Hij gaf ieder een stuk linnen en verlangde, dat de hemden de volgende dag klaar zouden zijn. De beide oudere broers brachten het linnen aan hun vrouwen. De vrouwen riepen hun voedsters, verzorgsters en mooie dienstmeisjes zodat ze hen bij het naaien van de hemden konden helpen. Johannes echter ging met het linnen naar zijn kikker en legde het treu­rig op tafel. ‘Johannes, waarom ben je zo treurig?’ vroeg de kikker. ‘Waarom zou ik niet treurig zijn,’ antwoordde de koningszoon, ‘mijn vader beveelt, dat je vóór morgen uit dit linnen een hemd moet naaien!’
‘Ween niet, treur niet,’ zei de kikker,’ga sla­pen, de morgen is wijzer dan de avond, het zal in orde komen’. Zij nam een schaar en knipte het linnen in kleine stukjes, opende het raam, wierp ze in de wind en riep: ‘Gij waaiende winden, draag de stukjes linnen mee en maak daaruit voor de koning een hemd’.
De volgende morgen bracht iedere zoon zijn hemd aan de koning. De koning bekeek het hemd van de oudste en zei: ‘Dit hemd is net zo genaaid als gewone hemden genaaid zijn’. Toen nam hij het hemd van de tweede zoon en meende dat ook dit niet beter was. Maar toen de jongste zoon hem het hemd reikte, kon hij zich niet genoeg verwonderen. Geen enkele naad was er aan te zien, het was als uit één stuk, en hij zei: ‘Dit hemd draag ik op de allerhoogste feestdagen’.
Daarna gaf de koning zijn zonen nog twee­maal een opdracht voor hun vrouwen. Zij moesten een tapijt borduren met goud en zil­ver en zij moesten een brood voor hem bak­ken. Beide keren brachten de vrouwen van de twee oudste zoons het er niet zo goed af, maar de kikker deed het als te voren: het materiaal voor het tapijt verdeelde ze in kleine stukjes, wierp die uit het raam en riep daarna de waaiende winden te hulp. Zo ont­stond er een tapijt dat volgens de koning ‘bij feestelijke gelegenheden over de tafel ge­spreid zou worden’. Voor het brood mengde zij zuurdeeg, water en meel tot deeg, schudde het, deed het in een koude oven en sprak: ‘Bak brood, rein, luchtig en wit als sneeuw’. En zo gebeurde het. Dit brood werd door de koning bestemd voor koninklijke gasten, maar dat van de andere zoons zou men alleen in nood kunnen eten.

Ten slotte nodigde de koning zijn zonen met hun vrouwen uit voor een maaltijd.
De volgende morgen maakte Johannes zich klaar en reed naar het slot. De kikker open­de het raam en riep met luide stem: ‘Kom jullie waaiende winden, vlieg naar mijn rijk en zeg dat er een rijkversierde wagen komen moet, met alles wat daarbij hoort, met diena­ren, soldaten, lopers en voorrijders!’ Toen allen in het slot verzameld waren reed plotse­ling een prachtig versierde wagen voor. Daar­uit stapte de vrouw van Johannes, een won­derbare schoonheid, en allen verwonderden zich. Toen zetten ze zich aan tafel. Meteen na de maaltijd ging Johannes naar huis, nam de kikkerhuid en verbrandde hem. Toen zijn vrouw thuis kwam, zocht ze haar huid overal, maar zij vond hem niet. ‘Ach’, zei ze, ‘Johannes, had nog een klein poosje geduld gehad. Omdat je geen geduld had, moet je nu vertrekken, om mij te zoeken. Zoek mij achter drie maal negen landen, in het drie maal tiende rijk, in het koninkrijk onder de zon, en weet, dat ik Wassilissa heet, de Alwijze’.
Ze zei het en verdween. Johannes was ontroostbaar en weende hete tranen, toen maakte hij zich gereed om Wassilissa de Alwijze te zoeken.
Hij kwam bij een hutje, dat op kippenpootjes stond en onafgebroken ronddraaide. ‘Hutje, hutje, draai je met de rug naar het woud, met de voorkant naar mij’. Bij zijn woorden bleef het hutje staan en Johannes ging naar binnen. In de voorste hoek zat de heks Baba Jaga. Met toornige stem riep ze: ‘Tot nu toe heb ik de Russische geest niet met de ogen gezien, niet met de oren gehoord, maar nu verschijnt de Russische geest voor mijn ogen! Hoe is het, held Johannes, kom je vrijwillig of gedwongen?’

‘Ik kom vrijwillig, twee maal zo veel echter onvrijwillig’, antwoordde de held Johannes en vertelde alles, wat gebeurd was. ‘Ik heb met je te doen,’ sprak de Baba Jaga, ‘laat toe, dat ik je dien en je Wassilissa de Al­wijze toon. Iedere dag komt ze naar mij toe­gevlogen, om hier uit te rusten. Als ze aan komt vliegen, probeer haar dan bij het hoofd te pakken. Als je haar vangt, zal zij zich in een kikker veranderen, in een pad, een slang en allerlei kruipend gedierte, en uiteindelijk in een pijl. Neem deze pijl en breek hem middendoor, dan wordt ze voor eeuwig de jouwe. Maar zorg ervoor, dat je je vrouw vast­houdt, als je haar gevangen hebt!’
De eerste maal mislukte het, en in een ogen­blik was Wassilissa verdwenen. ‘Omdat je haar niet kon vasthouden’, zei de Baba Jaga, ‘daarom zul je haar hier nooit weer vinden. Maar ga naar mijn zuster, als je wilt, Wassilissa de Alwijze vliegt daar ook heen om uit te rusten’.

De koningszoon ging naar de andere Baba Jaga. Maar hij was ook daar niet in staat Wassilissa de Alwijze vast te houden. Uiteindelijk kwam hij bij de derde zuster van de Baba Jaga. Zij sprak: ‘Als je nu Wassilissa de Alwijze los laat, zul je haar nooit en nooit meer vinden’.

Toen Wassilissa de Alwijze kwam, trad held Johannes naderbij en greep haar bij het hoofd, en hoe zij zich ook draaide en wendde, Johannes de held liet haar niet meer los. Ein­delijk werd zij een pijl. Hij nam de pijl en brak hem middendoor in twee stukken. Op hetzelfde ogenblik verscheen Wassilissa de Alwijze voor hem en sprak: ‘Held Johannes, nu geef ik mij geheel aan jouw wil over’.

De koning ontving zijn zoon en zijn schoon­dochter met grote vreugde. Hij richtte een groot gastenmaal aan en riep Johannes uit tot koning.

0-0

In Rusland vierde men vroeger uitbundig het paasfeest, na een intens beleefde passietijd. Ook nu nog, voor zover dat mogelijk is.
Herbert Hahn beschrijft zijn herinneringen daaraan in ‘Vom Genius Europas‘. Vanaf de paasnacht worden steden en dorpen urenlang overgoten met vrolijk klokgelui. Hahn be­schrijft hoe men zijn spijzen – gewijd in de kerk – naar huis terug draagt; hoe bij elke ontmoeting klinkt: ‘Christus is opgestaan!’ en het antwoord: ‘Ja, Hij is waarlijk opgestaan!’ Men vindt in Rusland Pasen het grootste feest van het jaar.
Ik heb het gevoel, dat het sprookje ons iets kan vertellen van de weg naar het beleven van Pasen. De twee oudste koningszonen vin­den hun vrouwen dichtbij huis: een minister en een generaal behoren tot de hun bekende wereld. Johannes echter loopt het onbeken­de tegemoet. Hij vindt zijn pijl in een moeras, waar hij alleen uit komt, als hij zich verbindt met iemand, die er als een kikker uitziet. Een kikker….

Dit beeld doet denken aan ‘Doornroosje’. Ook daar speelt de kikker een rol. ‘Toen de koningin eens aan het baden was, kroop er een kikker uit het water aan land, die tot haar sprak: ‘Uw wens zal vervuld worden, eer er een jaar voorbij is, zult gij een dochter ter wereld brengen.’

Een kikker wordt geboren in het water, kruipt als volwassen dier aan land. Een mens komt bij de geboorte óók als het ware ‘aan land’. De ‘kikker’ wéét van die andere, voorgeboortelijke wereld, daarom kan hij de ko­ningin de geboorte van Doornroosje aan­kondigen. Zou de kikker in het Russische sprookje een zelfde soort rol hebben? Wéét de kikker van andere nog niet – of niet méér -stoffelijke werelden?

Johannes moet de stap wagen om zich met dit onbekende te verbinden. Hij waagt het en wordt beloond. ’s Nachts ervaart hij, dat de kikker een omhulsel is voor iets ongekends, dat alles overtreft, wat hij tot nu toe beleefd heeft. Overdag is daar nog niets van te zien, al het kiemen gebeurt in het verborgene. Maar langzamerhand treden de kiemen ook ‘aan de dag’: de kikker kan het schoonste hemd, het schoonste tapijt en het kostelijk­ste brood uit het niets scheppen. Ze knipt immers alle ingrediënten – het stoffelijke – aan stukjes en verstuift het in de wind. En daar, in het rijk van de wind, voltrekt zich de metamorfose tot iets nieuws dat zo gaaf en mooi is dat het voor een feest gebruikt kan worden. Ook de ‘wind’ behoort tot die niet-stoffelijke werelden, waarmee de kikker be­kend is.

Dit sprookje kent verschillende variaties. Zo las ik in een andere versie: De Tsaar sprak: ‘Welaan, dat is een hemd, dat men op paas­zondag aantrekken kan!’ En van het brood: ‘Dit is een brood, dat men op paaszondag eten moet!’

Nu begrijpen we, dat die allerhoogste feest­dagen, waarvan het sprookje spreekt, de paasfeestdagen zijn. En we merken, dat we ons in het verloop van het verhaal aan het voorbereiden waren een waardig paasfeest te vieren.

Toch is nog niet alles gereed. Als de kikker­huid verbrand wordt, verdwijnt Wassilissa de Alwijze in het drie maal tiende rijk. Nu is de beurt aan Johannes. Tot nu toe is alle voorbe­reiding geschonken vanuit die kiemwereld. Nu moet Johannes een verre tocht maken, alle angsten overwinnen en tot drie maal toe opnieuw beginnen, vóór hij van zich uit de verbinding herstelt met Wassilissa de Alwijze. Pas dan – zou men kunnen zeggen – kan men waarlijk Pasen vieren!

Het sprookje van de kikker en de held Johannes is te vinden in ‘Iwan Johannes – Russische Märchen’ Uitg. J.Ch. Mellinger, Stuttgart.

(Else Tideman in ‘Jonas’, nr. 16, 2 april 1982)

 

Sprookjes: alle artikelen

.

228-215

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (2)

.

 Jacobus Knijpenga, ‘Jonas’20 29 mei 1981
.

VAN AANSCHOUWEN TOT INNERLIJK BELEVEN
.

Als men kijkt naar de manier waarop de fees­ten van het christelijk jaar worden gevierd, kan men in de eerste plaats constateren dat ze als ‘christelijke’ feesten door heel weinig mensen worden beleefd. De meerderheid be­leeft primair de vrije dagen. Maar er is bo­vendien in dit beleven een duidelijke lijn te zien die als het ware afloopt van Kerstmis tot Pinksteren. Het kerstfeest spreekt zeer veel mensen aan in het gemoed: een zekere ver­broedering, aardig voor elkaar zijn. Het beeld van het kind in de kribbe spreekt nog sterk menselijk aan.

Dit menselijk aangesproken worden vinden we dan wat spaarzamer terug in de lijdenstijd. Velen, die zich nauwelijks of helemaal niet als christenen beleven, bezoeken beslist een uitvoering van de Mattheüspassion. Of de emoties daar alleen maar muzikaal zijn? Het paasfeest is een feest van de levenshernieuwing in de natuur. De moderne mens weet met ‘opstanding’ geen raad. Men leze daarvoor nog eens de ingezonden brief van Mr. Van Leeuwen in het vorige nummer na. Uit deze brief blijkt dat Mr. Van Leeuwen zich nauwelijks meer interesseert voor het ei­genlijke gebeuren, maar meer voor wat de mensen eraan beleven. Nu is dat een zeer ge­rechtvaardigde instelling. Wat helpt ons alles wat er eventueel is gebeurd, wanneer we er zelf niets aan beleven? Het gaat tenslotte toch om de mens en ik kan mijn voedsel heel goed genieten zonder te weten hoe het is samengesteld. Maar juist dit beeld van het voedsel kan ook duidelijk maken waarom het belangrijk is te weten wat er gebeurt. Onze smaak is namelijk zodanig bedorven dat we gedenatureerd wittebrood lekkerder vinden dan een goed volkorenbrood. En dan kan het weten omtrent de samenstelling van het brood me wel helpen om mijn smaak weer gezond te maken. Juist als we zien dat hetgeen de mens zelf beleeft en doormaakt het belangrijkste is, is het een merkwaardig fenomeen dat het pinksterfeest nauwelijks meer wordt beleefd.
Pinksteren immers is het feest van de mense­lijke individualiteit en het gaat ons toch juist om deze individualiteit. De moderne mens wil heel graag de individu­aliteit beleven en verwerkelijken. Maar daar komt de broodvraag, de vraag naar de kwa­liteit. Wordt de individualiteit beleefd en ver­werkelijkt als bijvoorbeeld de vervulling van persoonlijke wensen of machtsbehoefte? Is verwerkelijking van de mens een aangelegen­heid van wat we bereikt hebben in het maat­schappelijke leven aan zichtbare resultaten, aan erkenning ook? Een duidelijk voorbeeld: wanneer de antroposofische geneeskunst door de universiteiten wordt erkend en wan­neer vele mensen een antroposofische arts bezoeken, zijn daarmee de wezenlijke inten­ties van Rudolf Steiner verwerkelijkt? Hetzelfde kan men voor de vrijescholen vragen. Hebben zichtbare resultaten en erkenning iets te maken met het wezen van een zaak? Hebben ze voor een mens te maken met de werkelijke ontwikkeling van zijn individualiteit? Ze kunnen er een rol in spelen maar zo­wel negatief als positief. Ze kunnen een ge­vaar zijn.
‘Als de wereld u haat, haat ze u omdat ge bij mij behoort. Als ge bij de we­reld zoudt behoren, zou de wereld liefheb­ben wat bij haar behoort’ (Joh 15:18-20).

Succes hangt vaak samen met aanpassing. Oudere generaties noemden dat ‘der wereld gelijkvormig worden’. Wie zich met ‘deze we­reld’ verbindt, zal met deze wereld ten onder gaan.

Is dit wereldvreemd? Is het ascetisme, sektarisme?

Misschien kan een beschouwing van wat er met Pinksteren aan het begin van onze jaar­telling gebeurde ons helpen hier gezichtspun­ten te vinden. Daarvoor willen we eerst te­rugkeren naar Pasen en dat biedt dan tevens de mogelijkheid enkele punten, die Van Leeuwen aanraakt nader te belichten.

De leerlingen van de Christus moesten heel langzaam wennen aan de nieuwe situatie, die was ontstaan door de opstanding. Hun voor­bereiding had daaruit bestaan dat ze drie ja­ren lang steeds sterker hadden beleefd wie hun meester eigenlijk was. Een enkele keer brak dat bewustzijn door. Men kan hier den­ken aan Petrus, die op een vraag antwoordt: ‘Gij zijt de Christus’, maar die onmiddellijk daarop dan helemaal niet begrijpt dat de Christus lijden moet. Zijn voorstelling van de Messias is er meer een van een heerser. Later worden Petrus, Jacobus en Johannes voor een heel korte tijd geconfronteerd met de Christus als lichtgestalte in de zogenaamde verheerlijking op de Berg. Dit is reeds ver­want met de herrezene en laat zien hoe het lichaam van de herrijzenis werd voorbereid tijdens het aardeleven. Het is als het ware on­zichtbaar aanwezig in het stoffelijke lichaam. Zo had er ook voorbereiding plaats gevonden door de vele gesprekken waarbij dan op de wezenlijke momenten wordt gezegd dat de leerlingen het niet begrepen. Daarom konden ze ook niet onder het kruis staan. Dat kon slechts één, namelijk Johannes, degene aan wie Jezus zijn liefde bewees. Deze ene, die rijper was dan de anderen, was als het ware de toegangspoort voor het begrijpen bij de anderen. Hoewel ze dus voorbereid waren hadden ze de voorbereiding niet bewust ver­werkt. Vandaar hun ontsteltenis en aarzeling na de opstanding. Misschien kunnen we ver­gelijkenderwijs er iets van begrijpen als we ons ermee bezig houden hoe het leven na de dood zal zijn. We kunnen daarover lezen, er­over denken, misschien een kleine ervaring hebben. Maar zullen we daarom na de dood direct weten in welke wereld we ons bewe­gen? Ik vrees van niet. Dit kan misschien hel­pen om de gemoedstoestand van de leerlin­gen te begrijpen.

Ze moesten nu leren een toestand te begrij­pen, die tot dan toe op aarde nog nooit aan­wezig was geweest, alleen in oude mysteriën symbolisch was aangeduid. Wie de verhalen na de opstanding onbevangen tracht te lezen kan zien hoe er een zekere groei in het bele­ven is.

Wanneer men zich min of meer kan verbin­den met de voorstelling van een onstoffelijk lichaam, dat wel de vorm heeft van een stof­felijk lichaam en in deze uitzonderingstoe­stand zichtbaar werd voor bepaalde mensen, kan men verder gaan naar de Hemelvaart. Na veertig dagen lost de vorm zich op in de wolken. Wolken hebben een steeds wisselen­de vorm. We hebben hier weer met een
my­thologisch beeld te doen, dat wil zeggen met een beeld dat een werkelijkheid uitdrukt, die eigenlijk niet uit te drukken is. Toch kan men zich in de beweeglijke vormen van de wolken en in hun functie van een mantel om de aarde heen zo trachten in te leven, dat men een verhouding kan krijgen tot het mys­terie van de Hemelvaart. Dit kan nog des te meer als men tracht zich voor te stellen hoe het water, de drager van alle leven, voortdu­rend in beweging is tussen aarde en de wol­ken, de wolken en de sfeer daarboven en dan weer terug. Een eeuwig heen en weer staat ons dan voor ogen: ‘zo als ge Hem hebt zien heengaan, zult ge Hem ook zien wederkeren’. De Christus wordt met de Hemelvaart de Heer van de hemelkrachten op aarde. Dat is dan niet alleen in natuurlijke zin zo maar ook in een meer innerlijke zin, omdat sinds de opstanding alle gebeurtenissen met het doorchristelijkte lichaam van Jezus tegelijk gebeurtenissen zijn met de aarde en met de ziel van de mens.

Op het eerste heeft in dit artikel tot nu toe de nadruk gelegen. De verbinding met de zie­len van de mensen ontstaat ten dele daaruit, voor zover we met onze zielen deel hebben aan het leven van ons lichaam en daardoor aan het leven van de aarde waarmee ons li­chaam samenhangt. Maar er komt nu iets bij. Door zijn daad schept de Christus een nieu­we verbinding tussen hemel en aarde. De geestelijk-goddelijke werelden waren voor de mensheid verloren gegaan en konden alleen nog in moeizame inwijdingsarbeid worden beleefd of als traditioneel geloof. De Chris­tus had goddelijkheid teruggebracht in de aarde en de aardemensen. Zijn terugkeer tot de hemelen is niet een verlaten van de aarde. Hij laat zijn wezen daar achter, in de stoffe­lijkheid die doorchristelijkt was. Dit stoffe­lijk lichaam was door de Christus met geest doordrongen en werkte in de aarde-materie verder, zoals een ferment in hele kleine hoe­veelheden materie kan doordringen. Verder in het sacrament van de heilige maaltijd en tenslotte in de doordringing van de levens­sfeer van de aarde die in de wolken wordt aangeduid. De mens, die zich hiermee inner­lijk verbindt, die ‘gelooft’, kan nu ook een eigen verbinding door de Christuskracht be­leven met de hemelen. Daarmee wordt ook de werking van de geestelijke hemelkrachten weer mogelijk in de aarde en in de mensen­zielen. De hemelkrachten in de mensenzielen zijn die van ons lot, van onze bestemming, ons karma. Christus wordt door Rudolf Steiner de Heer van het karma genoemd. Veertig dagen duurt het proces tussen opstan­ding en Hemelvaart. In de kwalitatieve getal­lenreeks is veertig de tijd waarin een kiem tot geboorte komt. Veertig weken is de zwangerschapstijd van de mens. Veertig maanden is de tijd tussen de doop in de Jordaan en de opstanding. Veertig jaren hadden de joodse stammen nodig om na Egypte tot een volk samen te groeien. De oude traditie spreekt over veertig eeuwen tussen schepping en geboorte van Jezus. Met de Hemelvaart wordt voor de kosmos geboren, dat wil zeg­gen zelfstandig levend, wat met Pasen als kiem werd gelegd. De lichtlichamelijkheid wordt mogelijk voor de gehele stoffelijke we­reld.
Tien dagen duurt het dan nog tot aan het Pinksterfeest. Tien dagen van stille afzonde­ring op de plaats waar de leerlingen het avondmaal hadden beleefd met hun Meester en waarin hen voor het eerst iets was duide­lijk geworden van het feit dat werking van de Christus zich verder uitstrekte dan tot in het lichaam van Jezus.

In deze tien dagen groeide in hun zielen het bewustzijn van wat er gebeurd was en zij za­gen dat in een groots perspectief. Daarom kan Petrus op de pinkstermorgen hun bele­ven plaatsen in de samenhang van de geschie­denis van het joodse volk. Tien is kwalitatief het aardegetal. Onze wil oefenen wij uit met onze ledematen waaraan tien vingers en tien tenen zitten. Aardse economie kan alleen maar werken met een tientallig stelsel. Met Pinksteren komt het gehele gebeuren terecht in de wil van de aardemens en niet alleen in zijn bewustzijn. Bovendien is het zeven maal zeven weken na de opstanding. Zeven is het ritme van de tijd die nodig is om van de ene ontwikkeling naar de andere te komen. Men denke hier aan de betekenis van het zevenja­rig ritme in het mensenleven en ook aan de zeven dagen van de week. Van zondag tot zondag kunnen wij nieuwe impulsen pakken, nieuwe ideeën vormen. Op al deze ritmen kan hier niet worden ingegaan. Daarvoor is de desbetreffende literatuur van Wilhelm Hoerner en Walther Bühler 1). Maar het is duidelijk dat het hier om een ontwikkeling gaat, die een zielenontwikkeling is waarvoor tijd nodig is.

Wanneer we de verschijnselen bezien die het Pinksterfeest brengt, gaat het in hoofdzaak om drie dingen: de hevige wind, het spreken in klanken en de vlammen boven hun hoof­den.

Was er bij de Hemelvaart sprake van het water- ­en luchtelement in de wolken, bij Pasen van het aarde- en lichtelement (en ook van lucht, voor zover de herrezene spreekt), hier gaat het om lucht- en vuurwerking. Het aarde-element is verdwenen ook in de gestal­te van het water. Lucht en vuur zijn de ele­menten, die met ziel en geest te maken heb­ben. Hierin uit zich de verinnerlijking van het gehele gebeuren. Het Griekse woord, dat gebruikt wordt voor wind, ‘pnoè’ is verwant met ‘pneuma’ = geest. Het woord, dat gespro­ken wordt, is een geest-gedragen woord, dat ver uitgaat boven de eigen mogelijkheden van Petrus. De vlammen zweven boven hun hoofden en zijn nog niet ingedaald. Maar het zijn wel individuele vlammen. Wanneer we ons in deze beelden proberen te verdiepen, treedt duidelijk naar voren dat er iets objectiefs werkzaam is. Dat objectieve wordt ook uitgesproken, het is de werking van de herrezen Christus, die nu door de apostelen verder werken wil. Het is nog een werking die sterk van buitenaf komt maar zich toch in het eigen woord verwezenlijkt. Er wordt een taal gesproken, die in het Grieks ‘lallein’ genoemd wordt. We zijn niet ver van de betekenis als we dit door ‘lallen’ vertalen, voor zover het een spreken betreft uitsluitend in klanken. Lallen is een spreken in klanken, oerklanken, die verstaan konden worden buiten het intellectuele begrijpen om. Het is weer Paulus die hier, evenals bij het begrij­pen van de opstanding, vooropgaat als ‘een te vroeg geborene’ (zoals hij het zelf uit­drukt). Paulus zegt dat hij dit lallen ook kan maar dat hij liever enkele woorden zo spreekt dat ze begripsmatig verstaanbaar zijn dan dat hij veel zou zeggen ‘in tongen’. Paulus geeft hiermee aan dat het mysterie, waar het om gaat zich steeds verder verbinden wil met het wakkere denken van de mens. Dat is niet hetzelfde als intellectueel denken. Het is een denken dat zich verbindt met een waarne­mingsvermogen voor het bovenzintuiglijke, zoals het zich in de zintuigelijke wereld openbaart; het is een waarnemen van de idee in de werkelijkheid.

Dit waarnemen van de idee in de werkelijk­heid gebeurt in het sacrament. Het eigenaar­dige van het sacrament is, dat het leidt van een nog tamelijk dromerig waarnemen tot een steeds grotere wakkerheid, het leidt van het oorspronkelijke pinksterbeleven tot dat wat het in onze tijd worden kan. Wat het worden wil, is dat mensen in zichzelf de kracht ontwikkelen het Christus-mysterie te begrijpen. Begrijpen is niet alleen gedachtewerk. Het is ook be-‘grijpen’. Daarmee komt een wilselement in ons denken, dat wil zeg­gen er ontstaat een begin van de ontwikke­ling van de bewustzijnsziel. Niet alleen in het sacrament is dit mogelijk, het sacrament is een hulp. Het kan ook gebeuren door een zuivere kennisweg, waar het denken zichzelf zo versterkt dat het zichzelf waarneemt. Hierover uitweiden is in dit artikel niet moge­lijk. 2)

1)  W. Bühler. leder jaar is anders – Ultg. Christofoor.
W. Hoerner. Zeit und Rhytmus – Uitg. Urach-haus.
R. Frieling – W. Hoerner. Zondag – de eerste dag – Uitg. Christofoor.

2)  R. Steiner – Filosofie der vrijheidFilosofie der vrijheid – uitg. Christofoor
R. Steiner – Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden – Uitg. Christofoor

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

149-142

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (30)

.

TUSSEN PASEN EN PINKSTEREN 

Het is merkwaardig, hoe vreemd die jaarfeesten lopen. De kleuters merken daarvan niet zo veel. Palmpaaasen, Palmpaaasen, versier je groene tak!
En ze zetten het op een zoeken en snoepen van eieren, echte eieren, ge­kleurd en wel,  of eieren die bekleed zijn met stevig zilverpapier in bonte kleuren.

Kortom, alles een prachtig symbool van het jonge leven, het uitbottend gewas, eerst schuchter, daarna overvloedig groeiende en bloeiende in heg en veld, in tuin en gaard. Nu, het was me weer een spannende geschiedenis met vele dagen warm zomerweer,  afgewisseld door hevige lente­stormen, en echt gemene, zure koude.

De jaarfeesten Kerstmis,  Sint-Nicolaas,  Sint-Maarten, Sint-Michaël, zij worden regelmatig gevierd op een vaste datum. Met Pasen begint de onregelmatige viering. Het paasfeest is kosmisch, dat wil zeggen: het hangt van de maanstand af. Pinksteren volgt precies vijftig dagen later en ook dat feest is dus afhankelijk van de maan.

Het vieren van Pasen is een moeilijke zaak. Toch al. Waardoor? Wel, het is een opstandingsfeest. En, hoezeer de natuur ieder jaar weer voor onze neus uit de dood her­rijst, deze opstanding op een menselijk en kosmisch plan levert heel veel moeilijkheden op. Wel is deze opstanding een centraal gegeven in het christendom! Wanneer die niet had plaatsgevonden, dan bestond het christendom slechts uit mooie traditie, uit kleurige middeleeuwse platen, schilderijen en prentjes. Waarschijnlijk was het al afge­schaft of in onbruik geraakt.

In Jerusalem, waar ik enige jaren geleden omstreeks de paastijd mocht verblijven, zijn er nog steeds geleerden die niet precies weten, waar de kruisiging, de graflegging en de opstanding hebben plaatsgevonden! In hoofdzaak zal men moeten kiezen tussen de geweldige, monumentale Heilige Grafkerk, die door Keizerin Helena van Byzantium werd gebouwd op de plaats, waar de heuvel van Golgotha vroeger was gelegen – elke christelijke kerk heeft daar een eigen hoekje, met verering en versieringen – of, het is de rand van de noordelijke heuvel, waarin velen – vooral Engelsen – de plaats van graf en opstanding willen zoeken. Daar is een heel mooie, rustige tuin, heimelijk en ver­heven. Welke plek is het?

Het is namelijk niet zo duidelijk of kruisiging, graf­legging en opstanding zo dicht bij elkaar gelegen waren, dat er niet enige ruimte tussengelegen kon zijn. Het graf is in een tuin ten noorden van Jerusalem, het noordelijkste punt.

In het Johannesevangelie staat, dat Petrus naar het graf holde en dat een jongeling ietsje voor hem uit liep. Deze jongeling zag de doeken, waarin het lichaam gewikkeld was geweest en de zweetdoek. “En hij geloofde,” staat er. Wie was die jongeling? En waarom geloofde hij toen? Hij was de enige apostel die de kruisiging van nabij mee­maakte. Er is er maar één op wie deze beschrijving van toepassing kan zijn. Dat is de jonge Johannes, die de geschiedenis later als evangelist heeft opgetekend. Daar­door is de beschrijving zo, dat hij zichzelf op de achter­grond plaatst, maar uit eigen ervaring spreekt. Hij schrijft in de laatste regels van het Johannesevangelie: “dat hij weet, dat zijn getuigenis waar is.” Waarom? Omdat hij het zelf was, die dit alles lang geleden meemaakte. Lees het er maar over na,  al zullen vele theologen u in de haren vliegen.

Op de helling van de berg die ten zuiden van Ephese loopt (de Ala dagh)  ligt nog steeds het huisje, waarin de oude Johannes en Maria hun laatste levensdagen hebben doorgebracht. Marias huisje is nu een piepklein kerkje. De gehele sfeer is daar bijzonder rustig. Zowel christenen als islamieten houden zich aan de ter plaatse voorgeschreven wijdingsvolle stilte.

Behalve de christelijke aspecten van het paasfeest zijn er nog vele andere, die uit oudere tijden stammen. Een van de bekende sprookjes is dat van Indra en het maanhaasje. Alle hebben deze sprookjes gemeen, dat een opofferende trek het kenmerk is. Het haasje van de maan offerde zich voor Indra. Een andere versie komt in de Egyptische mythologie voor. Een kleine jongen is erg bang van aard. Hij ontdekt een haasje, dat nog banger is. Dit haasje trekt zich terug op de maan en inspireert de jongen tot moedige daden. De kleine held ont­dekt, dat de maan iedere afschrikwekkende gestalte groter maakt naarmate deze verder weg is. Gaat hij er recht op af, dan blijkt ook een monster een klein beestje te zijn. Met deze kennis kan de jongen het schijnkarakter van het monsterlijke doorzien en naar waarde schatten. Hij is niet bang meer en hij kan dus heel veel hulp brengen aan andere wezens.

Vele paasverhalen inspireren dus tot moedig en opofferings­gezind gedrag. Nog altijd onmisbaar in onze dagen!

 P.C. Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens ontbreken

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

145-139

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (29)

.

LENTE: HET VERHAAL VAN TOBIAS EN DE VIS

’t Is lente,  lente !
Het feestgeschal
Van:  lente,  lente
Klinkt overal  !

Het begin van een oud lied. Een jubelkreet ! Daar buiten gaat het weer groeien en bloeien, geuren en kleuren.
Hoe goed is het om samen met de kinderen het lentefeest te vieren. En ze niet alleen de schoonheid van de natuur te laten beleven, maar ook te wijzen op de geneeskracht, die verborgen is in zovele planten, struiken en bomen.
Brandnetel, weegbree, paardenbloem, om maar enkele te noemen. Berkenblad en berkensap kunnen ons weer fris en gezond maken. En dan de kruiden in ons kruidentuintje.
En zoals we in de herfst Michaëlsverhalen vertellen, waarin de moedige Michaël de duistere draak verslaat,  in de winter de vroom­heid en innigheid van de Kerstspelen en kerstverhalen laten beleven, vol vreugde in de zomer om het St.-Jansvuur dansen, zo kunnen we nu in de lentetijd bijv. het prachtige verhaal van Tobias vertellen uit de apocriefe evangeliën. In het kort wil ik het hier weergeven.

ln Nineveh leeft onder de gevangen Israëlieten de oude, vrome Tobias. Hij helpt, verzorgt en troost zijn arme lotgenoten, waar hij maar kan. Maar dan slaat ook bij Tobias het lot hard toe. Zittend voor zijn huis valt er drek van een vogel op zijn ogen en hij wordt blind. Nu zijn ook zijn zorgen groot. Hij roept zijn zoon Tobias en geeft hem de opdracht naar een zekere Gabael te rei­zen, aan wie hij een som geld leende. Maar wie zal de jonge Tobias de weg wijzen? Het is een edele, wijze man, Azarias, die, o wonder, op hem schijnt te wachten en hem begeleiden wil. Zij komen bij de rivier de Tigris en Tobias wil zijn vermoeide voeten wassen. Doch plotseling is daar een grote vis. “O heer, help, hij wil mij verslinden”, roept Tobias vol angst.”Grijp de vis”,  luidt het antwoord; “dood hem en bewaar lever, hart en gal; ze hebben grote geneeskracht en kunnen je vele diensten bewijzen”. Dan komen ze bij Raguel, een oom van Tobias. Azarias vertelt, dat de dochter Sara s nachts bezeten is, van een demon. Vele mannen werden reeds door deze duivel gedood, maar als Tobias lever en hart van de vis offert en op God vertrouwt, zal hij Sara kunnen verlossen. En zo geschiedt het ook. Grote vreugde en dank­baarheid!

Tobias mag Sara als bruid naar zijn ouders brengen. Ondertussen heeft Azarias bij Gabael het geld gehaald en de terugreis wordt aanvaard.

Vol verlangen zien Tobias en zijn vrouw Hanna uit naar de terugkeer van hun zoon.
Hoe groot is hun vreugde en verrassing als dan Tobias met Sara eindelijk thuiskomt. En de dankbaarheid kent geen grenzen als Tobias met de gal van de vis de blindheid van zijn vader genezen kan!

Maar wie is die wonderbaarlijke metgezel, die Azarias, die de ge­neeskracht kende van de vis (het symbool van Christus) en de grote helper werd van de jonge Tobias?

Het is de engel Rafaël, ook wel Mercurius genaamd (de mercuriusstaf hebben immers de artsen als symbool!).

Een schilderij van Rembrandt (die vele malen dit verhaal van Tobias uitbeeldde) laat zien, hoe allen vol ontzag zien, hoe Rafael ten hemel stijgt. Ook uit de school van Botticelli is een prachtig schilderij bekend; Tobias begeleid door Rafael, rechts van Rafaél Michaël en links van Tobias Gabriél!
En in een Tobiasspel klinkt het tot slot:

Ik Rafaël
Werd door God gezonden,
Om te genezen alle wonden.
Tobias zag het licht weer schijnen
De boze demon moest verdwijnen.
En zo kon nu de knecht des Heren,
Het grote leed in vreugd’ verkeren.

.

 Lena Struik, nadere bron onbekend
.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen
.

142-136

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (28)

.

ENKELE ACHTERGRONDEN M.B.T. HET PAASFEEST

In de kleuterklas vieren we Pasen als een lentefeest.
Het feest van de uitlopende natuur.
In ons ochtendspel zingen en spelen we het verhaal van de wortelkindertjes. Zij ontwaken uit hun winterslaap. Moeder aarde zorgt dat ze ijverig hun nieuwe bloemenjurkjes gaan naaien. O, wat zijn ze mooi als ze klaar zijn om in optocht naar boven te vertrekken. Als de lentefee op haar gouden slee met rinkelende belletjes de lente inluidt, komen alle bloemenkindertjes uit de grond naar boven. In de gebaren van het ontwaken wordt de nieuwe geboorte zo ervaren.
Ook het van donker naar licht gaan, wordt ervaren in dit spel. Het ontwaken van de natuur geeft ook de beelden van opstanding en overwinning uit de dood.
De symbolen van de paastijd geven het weergekeerde leven weer.
De palmpaasstok is eigenlijk een persoonlijke levensboom. De haan, bovenop, is de figuur die de dag aankondigt en met Palmpasen de nieuwe dageraad in een mensenleven.
Het groene takje, van de buxus is het symbool van het eeuwige leven. Ook horen er eieren aan de paasstok.
Al het leven komt uit een ei.

Het paasei is een schijnbaar dood ding, dat leven in zich heeft. Ook een beeld voor het wonder van de opstanding.
De krachten van de zon (gele dooier) en de maan (eiwit) zijn in het ei terug te vinden.
Door de Grieken, Germanen en Russen werden de eieren  op graven gelegd als symbool voor onsterfelijkheid.
Dit gebeurt nog steeds in delen van Kroatië. Dit rouw-ei is zwart.
Het nieuwe leven kunnen we in het verborgene vinden.
Vandaar dat de eieren worden verstopt.

Een ander eeuwenoud symbool is dat van de paashaas.

In oude tijden vóór Christus was de haas toegewijd aan de godinnen van de vruchtbaarheid (Artemis in Griekenland, Oeroet in Egypte, Ostara in het Noorden),  het Duitse Ostern verwijst nog naar Ostara.
In de tijd na Christus is de haas het symbool geworden van het ‘Ik’ in het fysieke lichaam.
Het ‘Ik’ is onzelfzuchtig, schaadt niemand en komt de ander te hulp.
De haas heeft geen eigen huis, het terrein is zijn woning.
Hij doet geen dier kwaad, is zachtmoedig, maar heeft vele vijanden. Daarom is een snelle vruchtbare voortplanting nodig. Een haas die door een vijand wordt nagejaagd in de achtervolging, wordt vervangen door een soortgenoot. Zo is hij zijn ‘broeders hoeder’.
Zo kan een klein ikje uitgroeien tot Ik. De wereld als ons huis en alle mensen als onze broeders.
Aan kleuters leggen we al deze zaken niet uit. Maar op een diep niveau beleven zij het wonder van de opstanding van de natuur en mens in de kringloop van het jaar door onze feesten, als vanzelfsprekend mee.

Hanneke, maart 1998, vrijeschool Zevenster, Uden

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Peuters en kleuters: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: peuters en kleuters

139-134

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (27)

.

OVERWINNING VAN DE DOOD

Bij de geboorte worden ons meteen de doodskrachten mee gegeven, met andere woorden het sterven is alleen bij het einde van het leven definitief maar het begint me­teen. Het weer uiteenvallen van de vorm, af­sterven van levende cellen, is een proces dat ons hele leven begeleidt. Uitvallende haren reeds bij de baby, tanden die verloren gaan en dan nog één keer vervangen worden, zijn enkele van de symptomen. Maar in het begin van het leven, tot ongeveer 35 jaar toe, mer­ken we van dit sterven niet al te veel omdat er telkens een levenshernieuwing plaats vindt.
Zo omstreeks 40 jaar begint het ernst te worden. Men merkt dan vaak dat de jeugdkrachten op zijn en wie eenmaal de grens van de 60 of 70 levensjaren overschre­den heeft, merkt hoeveel moeilijker ver­moeidheid zich herstelt, hoeveel makkelijker men een been breekt, hoe vatbaar men is voor allerlei kwalen. Toch vindt er nog steeds levenshernieuwing plaats. Het is het­zelfde proces als dat wat we in de natuur waarnemen in het voorjaar. De levensher­nieuwing treedt vaak zelfs tevoorschijn aan de stronken van gevelde bomen. Sommige soorten, zoals de vlier bijvoorbeeld, lijken vrijwel onverwoestbaar. Toch komt er eens een einde aan deze voorjaarsvreugde. Bij de mens is dat duidelijk. Velen worden tegenwoordig 80, maar 90 is al zeldzaam en de 100 levensjaren worden maar door heel en­kelen bereikt.
In de natuur lijkt het anders te zijn, namelijk alsof de cellen zich door deling steeds weer verjongen, maar eens houdt ook dit proces op en treedt geen verdere groei maar teruggang op. Maar hoe dit ook mag zijn, aan alle biologische leven komt een ein­de door de dood.

Er gebeurt echter meer dan levenshernieu­wing, wanneer de mens een ziekte of ander lijden of ouderdomskwalen overwint. We kunnen bijvoorbeeld denken aan mensen, die de Duitse of Japanse concentratiekampen hebben doorgemaakt en er doorheen geko­men zijn. Een mens van Joodse afstamming verliest zijn vrouw en kinderen in de gaska­mer. Hijzelf is zo zwak dat men denkt dat hij vanzelf wel doodgaat. Maar hij haalt het tijd­stip van de bevrijding. Tot een volledige overwinning van het geleden leed komt hij niet. Hij kan ook in zijn verdere leven geen positieve verhouding tot het christendom vinden. Maar in het doormaken van zijn leed maakt hij een stuk mensheidslot door. En daaraan ontwikkelt hij zijn Ik, waardoor de dood hem niet meer raken kan. Wat daar ontwikkeld is, is in de eerste plaats een zielenkwaliteit, mede nog weer door latere smart en teleurstelling geadeld. Maar de ziel van de mens werkt op het lichaam. Ons stoffelijk lichaam is te hard om nog omge­werkt te worden, maar na de dood kan dan op het gelaat iets zichtbaar worden van het verworvene. Is dit een aanduiding van wat als een onstoffelijk ‘lichaam’ is ingebouwd in het stoffelijke?

Een ander voorbeeld, ook uit een concentratiekamp: een gevangene, die evenveel honger heeft als de anderen en geen enkel voorrecht, maar innerlijk minder eronder lijdt, vindt telkens nog de kracht zijn medegevangenen, ten dele zijn vrienden, te troosten. Hij over­leeft, in tegenstelling tot velen aan wie hij nog trachtte moed voor de toekomst te ge­ven. De meeste moed gaf hij door zijn han­delwijze zichzelf. Hij overwint na het kamp op middelbare leeftijd zijn zwakte en heeft in een redelijk goede gezondheid nog heel veel mensen kunnen helpen en bijstaan. De indruk, die van hem uitging, was die van een door en door sterke morele persoonlijkheid. Ook hier vond meer plaats dan biologische levenshernieuwing.

Een oudere man, boven de 70, is zwaar ziek aan kanker. Een bezoeker, die in het zieken­huis bij hem komt, wordt meteen ontvangen met een fundamenteel geestelijk gesprek over iets dat de zieke zo juist gelezen heeft. Het is voor de bezoeker moeilijk zich te rea­liseren dat hij bij een patiënt zit in zijn laat­ste stadium terwijl de patiënt zich dat zelf heel goed bewust is. Hier volgde spoedig de fysieke dood.

Is dit alles alleen verworven zielenkracht? Normalerwijze werkt ons zielenleven op ons lichaam. Een mens, die gewend is in gedach­ten te leven of een kunstenaar, die streeft naar uitdrukking van wat hij beleeft in de stof, in het woord, in muziek, ziet er anders uit dan iemand die gewend is zich aan zijn begeerten over te geven of iedere zondag bij een voetbalwedstrijd te zitten of aan het kijkkastje gebonden is. Stoffelijk zal men in de verschillende lichamen niet veel verschil­len aantreffen, in de vorm soms wel, vooral ook in het gelaat en de handen, maar vaak ook niet. En toch is er iets anders, ook in het eigen lichaamsbewustzijn van de betrokke­nen.

Hoe kunnen we ons hier een weg openen, die tot min of meer begrijpen leidt? Dit is moge­lijk als we ons verdiepen in de betekenis van het paasfeest. Ook het paasfeest is aange­knoopt aan de levenshernieuwing van de na­tuur, zowel historisch gezien als voor het ge­voel van de meeste mensen. Maar ook hier is meer. Ook hier gaat het lijden aan de le­venshernieuwing vooraf. Maar ook de dood gaat eraan vooraf. In het leven van de Christus Jezus werkt een goddelijke geest in een zorgvuldig voorbereid lichaam. Er vol­trekt zich in dit lichaam een proces waar­door het na drie jaren (eerst met de doop in de Jordaan werkt de Christus in het lichaam van Jezus, die dan 30 jaar oud is) zo zwak geworden is, dat aan het kruis reeds na drie uren de dood intreedt (normaal duurde dit vaak een volle dag; de beide medegekruisig­den zijn dan tegen de avond ook nog niet ge­storven, waarom hun beenderen gebroken worden).
Op de zondagmorgen vinden de leerlingen het graf leeg. In de loop van de dag en de volgende weken verschijnt de Christus hun in een nieuw lichaam. Ze her­kennen hem eerst niet; hij komt binnen on­danks gesloten deuren; hij is er plotseling en is even plotseling weer verdwenen. Eenmaal wordt verteld dat hij at, de overige keren is hij alleen bij de maaltijd aanwezig of nodigt hij de anderen tot het maal uit. Dit eten vormt een bijzonder probleem, dat hier te ver zou voeren, maar het kan niet gebruikt worden als bewijs dat Jezus na de opstan­ding een stoffelijk lichaam had. Daarvoor staat er teveel tegenover wat alleen met een onstoffelijk lichaam mogelijk is. Hoe is dit onstoffelijke lichaam?
Rembrandt heeft iets daarvan beleefd toen hij enige keren trachtte de maaltijd in Emmaüs weer te geven en tenslotte het lichaam van Jezus alleen als een lichtglans weergaf.
Rudolf Steiner spreekt over een licht-lichaam en er is niets in de evangeliën dat dat weerspreekt, integendeel. Paulus nam het als zodanig waar en Paulus wordt dan de denker, die tracht te begrijpen wat dit voor de mensen kan bete­kenen, die zich met Christus verbinden. Hij vindt dan de woorden dat er een sterfelijk lichaam gezaaid wordt en een onsterfelijk lichaam wordt opgewekt. Onsterfelijk is een lichaam alleen als het niet stoffelijk is. Maar het moet dan wel door de dood heen. Behoort het niet tot het bereik van het denk­bare dat door de Christuskracht in ons een onsterfelijk, onzichtbaar lichaam groeit in het sterfelijke? Christuskracht is de kracht die door leed te ondergaan en daarin staande te blijven de dood overwint. Zo gezien blijft Pasen het feest van de levens­hernieuwing, ook in tijdelijke zin, maar het krijgt er een dimensie bij, die ook voor alle mensen geldt.
Opstandingskrachten, die het lichaam vergeestelijken, werkten het eerst in Jezus maar werken verder voor alle men­sen die dit in zich beleven als een definitieve levenshernieuwing.

Jacobus Knijpenga, ‘Jonas’16, 6 april 1979

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

138-133

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (26)

.

LIJDENSTIJD: KEN UZELVE 

Vlak voor de ‘helse’ dagen van carnaval zette de dooi in. Sneeuw en ijskorsten op wegen en in tuinen smolten ziender­ogen weg. Hoog boven de bomen vlo­gen troepen wilde ganzen, luid gakkend, in noordelijke richting. Het werd ze hier te warm! De nevelige grijze lucht begon te breken, de zon kwam tevoorschijn en na die vele grauwwitte weken zagen we weer een stralende blauwe hemel. Je hoorde de vinken slaan en de merels fluiten, en de toverhazelaar bloeide.

Zo’n echte winter als nu achter ons ligt, zijn we helemaal niet gewend in het overbeschaafde Nederland met zijn kwakkelwinters. Niets ging ‘vanzelf’, niets verliep ‘normaal’, het kostte extra inspanning om ergens te komen omdat de uiterlijke verbindingen zo slecht wa­ren. Daardoor werden we steeds weer voor de keuze gesteld: wat is echt nodig en wat niet zo direct dat ik het de moeite waard vind om erop uit te gaan met alle risico’s vandien? Waarmee heb ik zo’n innerlijke verbinding, dat het de slechte uiterlijke verbinding overwint? We moesten ons een zekere bezonnenheid eigen maken, een steeds opnieuw bezinnen op onszelf en onze gewoon­ten.

Daarnaast hadden we nog een andere ervaring. Door kou, nattigheid, glad­heid, hagel in je gezicht of zwaar stap­pen door de sneeuw werd je sneller ver­moeid. Je gedachten vlogen als vogels naar het doel, waren er al drie keer ge­weest voordat je ‘onwillige lijf’ er einde­lijk was.

In vroeger tijden noemden de monni­ken hun lichaam een ‘onwillige ezel’. En deze ‘ezel’ werd op allerlei manieren gedwongen zich in dienst te stellen van het streven van de ‘eigenaar’: de wederverbinding van de ziel met het hogere ‘Zelf’, dat deel was van de goddelijke wereld. Wie streeft naar het hogere, wordt nadrukkelijk geconfronteerd met ‘broeder ezel’, die bij de aarde hoort.

In een tijd dat we, zeker na een ‘echte’ winter, verlangend uitzien naar de eerste tekenen van de lente, van nieuwe groei, van nieuw leven in de natuur ­juist in deze tijd worden we wat onszelf betreft, streng en onbarmhartig gewe­zen op de vergankelijkheid van alle le­ven op aarde.
In de derde carnavalsnacht, klokslag 12 uur gaan de maskers af. Iedereen wordt weer ‘zichzelf’. De vastentijd is aangebroken.
Er bestaat een schilderij van Pieter Breughel de Oude, dat de kunsthistori­ci aanduiden met: ‘De strijd tussen car­naval en Vasten.’ Het is geschilderd in 1559 en hangt in Wenen. Als we ervoor staan, zien we links een groep wonder­lijk uitgedoste en gemaskerde figuren aankomen: de carnavalsgasten. Voorop gaat Prins Carnaval, een kerel met een geweldige buik. Hij zit op een grote ton die weer vastligt op een blauwe slee. Die slee heeft dezelfde vorm als ‘de blauwe schuit’ op het uithangbord van de herberg linksachter. Aan touwen wordt de slee met zijn berijder voortge­trokken. Van rechts nadert de stoet van de vasten, in beeld gebracht door een broodmagere figuur op een kerkstoel. Die stoel staat op een rood ‘platform’ op wielen. Het geheel wordt getrokken door een monnik en een non. Deze ‘vastengroep’ komt uit de kerk rechtsach­ter. Langs de weg die de stoet gaat, staan afschuwelijk verminkte bedelaars opgesteld die de aalmoezen van de welgestelden in ontvangst nemen. De linkergroep geeft zich volledig over aan de aardse genoegens; de rechterstoet ont­trekt zich te zeer aan wat de aarde schenkt.
Prins Carnaval is te dik, de ma­gere Vasten is dor en lelijk. Geen van beiden trekt ons aan. Precies middenvoor kruisen de ‘voor­trekkers’ van beide groepen elkaar. Vlak achter die ‘kruising’, in het hart van het schilderij, staat een put waar­naast een vrouw bezig is vissen schoon te maken voor de verkoop. Bij de put staat een andere vrouw met de putem­mer in haar handen. Ze heeft blijkbaar het water opgehaald vanuit de donkere diepte. Ze buigt zich voorover en spie­gelt haar gezicht in het heldere bron­water.

pieterr-brueghel-de-strijd

Wat zich afspeelt op de voorgrond, lijkt het hoofdmotief van het schilderij te zijn. Het is of Breughel ons twee dingen wil zeggen. Het ene is: houd maat in alle dingen, zoek het juiste midden tus­sen carnaval en Vasten. Het andere is: ken u zelve. Je kunt je dorst lessen met het bronwater, maar de weerkaatsing van je spiegelbeeld kan onthullend zijn.

Met Aswoensdag begint dus de vasten­tijd. Deze duurt veertig dagen volgens de traditie van de rooms-katholieke kerk. Veertig jaren zwierf het volk Israels door de woestijn, voordat het ‘volwassen’ was en het beloofde land mocht binnentrekken. In de lijdenstijd zou je die veertig dagen kunnen bele­ven als een periode waarin je het menszijn en de menswording in zijn essentie moet leren doorgronden.

In de Christengemeenschap kent men vier lijdensweken voordat de paaszon­dag aanbreekt. Deze vier ‘zwarte’ we­ken doen denken aan de vier ‘blauwe’ adventszondagen, die vooraf gaan aan het geboortefeest van het kind Jezus: beide zijn een periode van voorberei­ding, echter totaal verschillend van ka­rakter. Op de eerste adventszondag steken we één kaars aan, en met die ene kaarsvlam vieren we een pril begin dat in de weken daarna steeds meer groeit en voller wordt, en tenslotte ge­heel ‘gevuld’ wordt, in ver-vulling gaat.

In de lijdenstijd ligt dat anders, dacht ik. Er vindt geen ver-vulling plaats, maar een ont-hulling. Het begint met het afleggen van de carnavalskledij. En in het zicht van het kruis volgt de ene ‘ont-hulling’ na de andere. Zoals in het middeleeuwse spel van ‘Den Spieghel der Salicheit van Elckerlijc’ alles afgelegd moet worden als God roept. In dit spel van ‘Elckerlijc’ wor­den alle eigenschappen van de mens en ook alles wat uiterlijk bij hem hoort, voorgesteld als levende wezens die spreken en handelen als mensen. Zo verlaten hem Schoonheid, Kracht, Vroedschap en de Vijf zinnen in het zicht van de dood. Het eerst zijn heen gegaan ’t Goed (het aardse bezit) en Gezelschap (familie en vrienden). De enigen die Elckerlijc vergezellen tot het einde zijn Kennisse en Deugd. En van deze twee is het tenslotte alleen Deugd die met Elckerlijc door de don­kere poort gaat. Streng wordt de Dood genoemd, want verbloemen, wegmoffelen, je anders voordoen dan je bent, is niet mogelijk. Je zou kun­nen zeggen: nu wordt pas duidelijk wie je eigenlijk bent. Elckerlijc ontdekt dat zijn Deugd zwak en ongezond is. Hoe kan zij wor­den genezen? In het spel loopt het dan zo, dat Elckerlijc te elfder ure zijn dwalingen inziet. Hij komt bij vrouw Biechte en hij krijgt, zoals te doen ge­bruikelijk, een ‘penitentie’, een boete­doening opgedragen. Hij ontvangt een geselkoord en daarmee moet hij zijn lichaam slaan. Het helpt, want Deugd fleurt helemaal op en is nu krachtig genoeg om voor de rechterstoel van God een ‘goed woordje’ voor hem te doen.

In de middeleeuwen, en nog lange tijd daarna, behoorde het geselkoord tot de uitrusting van iedere kloosterling. De innerlijke oefening ging gepaard met uiterlijke lichamelijke afstraffing, zoals zelfkastijding en vasten. In de tijd waarin we nu leven, zouden we deze extreme vorm van zelfontwik­keling niet meer aanvaarden. Maar als we deze ‘ascese’ niet meer willen, wat dan? Misschien is het mogelijk de oude vormen van zelfkastijding en vas­ten anders te hanteren of op een be­paalde manier te ‘vertalen’, zodat we de oorspronkelijke bedoeling ervan herkennen.

Het begint al met het woord ‘ascese’, dat in de loop der tijden de betekenis kreeg van ‘onthouding’. Oorspronke­lijk betekent dit Griekse woord echter ‘oefening’. En wellicht blijkt dat de opgave te zijn in de lijdenstijd: de ‘as­cese’ een nieuwe inhoud te geven als we uitgaan van de grondbetekenis van het vasten en de zelfkastijding. Daar­voor moeten we echter eerst wat beter leren kijken, naar de wereld om ons heen, naar onze medemensen en ten­slotte naar onszelf.

Er staan twee schoteltjes met water in de vensterbank. Op ieder bordje ligt een oranje schijf in het nat, de afge­sneden bovenkant van een winterwor­tel. Iedere morgen komt een kleine jongen kijken of het water bijgevuld moet worden en of de geelgroene bob­beltjes op de schijven al wat groter zijn geworden. En waarachtig, op een goede dag hebben zich heel kleine geveerde blaadjes uit de knobbels om­hoog gevouwen. In de dagen daarna groeien er stengels op en de blaadjes worden groter. Dit zorgvuldig volgen van een kiemproces kun je nog op vele andere manieren doen: met witte en bruine bonen, met erwten, met zon­nebloempitten en met alles wat maar ontkiemen wil in een potje of bakje binnenshuis. Het is heerlijk om dit met kinderen te doen in de lentetijd, want het blijkt dat het ze geweldig boeit.

Dit scherpe, zuivere waarnemen, dit on-sentimentele kijken naar de natuur­verschijnselen kun je ook op jezelf toepassen. Is er dan iets in mij dat ‘mijzelf’ kan waarnemen? We weten dat het er is; het is immers de kern van ons mens-zijn. Maar het ligt erg ver­stopt onder allerlei lagen die voortko­men uit het aardse bestaan met zijn beslommeringen. Het ligt diep verbor­gen, zoals het allerheiligste in de tem­pel der Israëlieten verborgen lag in het binnenste vertrek. We noemen het meestal ons ‘betere ik’. Als ik door al die lagen heen ga en al die omhullin­gen die ik voor mezelf heb ‘geweven’, afleg, dan pas kan ik zien wat daar ge­beurt in het binnenste vertrek.
In het allerheiligste van de tempel der Joden was het de verbinding met de Godheid die zich daar voltrok, afgeschermd voor de menselijke blik. In mijn eigen ‘allerheiligste’ ontstaat de ‘re-ligio’, de wederverbinding met de wereld van de geest. En van daaruit kun je begin­nen de ‘ascese’ een nieuwe inhoud te geven. Vanaf dat punt wordt het ook mogelijk je eigen ‘ezel’ beter waar te nemen.

Er speelt een kind op straat. De zon schijnt. Ik zie het kind springen, tel­kens achterom kijken, dan even weg­hollen en weer terug komen. Wat doet het toch? En dan zie ik, dat het speelt met zijn schaduw. Het probeert er op te trappen, en het tracht die malle, bewegende donkere vlek te ontlopen. Maar dat lukt niet, want het kind weet nog niet dat ieder mens zijn schaduw heeft en dat niemand die kan ontlo­pen. Die schaduw is als een scheefge­trokken beeld van jezelf, een karikatuur. Soms denk je vertwijfeld dat de mensen om je heen alleen maar je schaduw zien en niet je werkelijke ge­stalte, zoals je werkelijk bent. Maar na enige tijd merk je, dat het jezelf ook moeite kost om duidelijk te zien wie jezelf bent en waar je schaduw begint. Die schaduw is onze ‘boezemvijand’ zoals het lichaam dat was voor de monniken in de kloosters. Daarop was hun ascese, hun ‘oefening’ gericht met vasten en zelfkastijding. Het wakker waarnemen van deze ‘boezemvijand’, het ‘ken uzelve’, geeft ons ‘vanzelf’ mogelijkheden aan waar we de ‘zelf­kastijding’ ter hand kunnen nemen. En wat het vasten betreft: niet alleen op het gebied van voedsel kun je ‘ont­houding’ oefenen. Het ‘maat-houden’ in het spreken doet je beter luisteren. Als je met werkelijke aandacht naar een ander luistert, dan schep je een ruimte in jezelf waar die ander kan binnengaan. Dan hoor je wat er ligt achter de woorden van die ander. De wijze waarop het wordt gezegd, is dan minder belangrijk geworden. Door iets van jezelf terug te houden, iets van je­zelf te ‘offeren’ ontmoet je de ander op een hoger plan. De vrijdag is van oudsher de dag van het vasten, en ie­dere vrijdag ontvangt zijn glans van Goede Vrijdag, de dag van het offer. In deze weken voor Pasen, als in alle kerken het zwarte doek over het altaar ligt gespreid, worden we opgeroepen ons te bezinnen op onze ‘zwarte kant’, en om ons zo nu en dan terug te trek­ken in ons ‘binnenste vertrek’. Daar kunnen we tot ‘onszelf’ komen en tot Hem die gezegd heeft: ‘Wie zichzelf bemint, zal zijn ziel verliezen. Maar wie in deze wereld tegen zichzelf strijdt, waakt over zijn ziel in het tijd­loze leven.’ (Joh. 12)

Marieke Anschütz,  ‘Jonas’  14, 9 maart 1979

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

137-132

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (25)

.

OUDE HEIDENSE GEBRUIKEN EN HET CHRISTENDOM

In de ‘heidensetijd was het lentefeest één van de belangrijkste feesten. Het tijdstip van dit feest werd naar de paastijd verschoven met de bedoeling het door het paasfeest te laten verdringen. Voorafgaande aan Pasen werden de oeroude veldommegangen door de palmpaasoptochten vervangen.

De 25e maart was volgens de Juliaanse kalender de dag van de lente-evening. Op die dag viel oorspronkelijk het paasfeest (tot in de 6e eeuw). Een duidelijke binding met de lentefeesten.

Het joodse Passahfeest had geen vaste datum. Het werd vastgesteld aan de hand van de zon- en maanstanden. De christelijke kerk nam behalve de naam ook de datum van dit joodse feest over. Tenminste ongeveer, want er was enig verschil in de datum van het christelijke en het joodse paasfeest.

De lentemaand heette in Duitsland östarmanoth  (nu Ostern). In Engeland Eosturmannöth  (nu Eastern). In de meeste andere landen werd de Joods-Christelijke naam overgenomen. Ostarstuopha was de naam van een soort belasting die in de 9e eeuw in de lentetijd werd geheven.

De lentefeesten leefden zeer sterk in de harten van de Germaanse mens. Het begrip paasgelach stamt uit de tijd dat de priesters in de kerk verplicht waren om tijdens de kerkdienst in lachen uit te barsten in een poging de vrolijke lentefeesten te doen vergeten  (Middeleeuwen). Het ontsteken van de paaskaars in de kerk moest de lentevuren overstemmen. Toen dit tot mislukken gedoemd bleek, moest de priester de vuren maar zelf ontsteken (nu paasvuren genoemd). Dit gebeurde dan op het terrein van de kerk. De kerken waren vaak op oude heidense heilige plaatsen gebouwd en daar moest dan maar het vuur branden.

Tenslotte moet nog even vermeld worden dat nog in 1870/1875 de burgemeester van Ootmarsum probeerde het vlöggelen onmogelijk te maken. Hij  gebood dat de niendeuren van de huizen gesloten moesten blijven. Het resultaat was dat de deuren met geweld opengebroken werden en er meer dan ooit werd gevlöggeld.
In 1215 probeerde magister Olivarius Canonicus vanuit Enschede al het vlöggelen te verstoren. Hij wilde de kruistochten prediken. Niemand luisterde naar hem. De reidansen waren voor de bevolking veel belangrijker.

 uit: Noord-Europese Mysteriën, Farwerck uitg.: Ankh Hermes
Gert Stegeman, nadere gegevens ontbreken

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

136-131

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (24)

.

PASSIETIJD EN PASEN

Het paasfeest zal bij verschillende mensen verschillende gevoelens oproepen. Sommigen zullen het vieren in de kerk als christelijk feest. Voor anderen is het een lentefeest – in de klassen zijn de wortelkindjes en lentefeetjes weer tevoorschijn gekomen. En in de derde klas vieren we een variatie op het oude joodse paasfeest, de uittocht uit Egypte op weg naar het beloofde land.

Op welke wijze je het ook viert, steeds blijkt dat het leven de dood overwint. Dat blijft de centrale gedachteof je nu gelooft in de (herrezen) Christus – of in het opnieuw opleven van de natuur – of de bevrijding uit dood en slavernij naar een vruchtbaar, levend land van belofte.

De redactie heeft dit jaar gekozen om in deze en volgende school­kranten de gedachten van ir. F. de Fremery over de jaarfeesten te volgen, zoals hij die neerschreef in ‘Van Kerstmis tot Kerstmis’. Voor de duidelijkheid eerst zijn

VOORWOORD

Aan mijn gezin in oorlogstijd:

“Nichts hat der Gegenwartsmensch
nötiger, als das er lernt, sich
wieder über den Alltag zu erheben,
dass er lernt, Feste zu feiern und
wirkliche Sonnentage in sein schweres
Leben einzuflechten ”                                                                                                •

Friedrich Rittelmeier

De christelijke feestdagen liggen in het jaar verspreid op een wijze, die wel met het gevoel overeenkomt – niemand zou Kerstmis in de zomer of Paschen in het najaar willen of kunnen vieren – maar waarvan de zin toch niet duidelijk voor de  hand ligt. De Bijbel geeft maar wei­nig opheldering hieromtrent. De viering dezer feesten houdt nog steeds velerlei in, dat verband houdt met de oude heidense betekenis-, die juist geheel samenhing met het punt van de jaarkringloop waarop de viering plaatshad.

In deze cyclus wordt uit het natuurleven de stemming afgeleid, waaruit het christelijke feest op natuurlijke wijze voortkomt, zodat de zin van de verdeling der feesten over de loop van het jaar weer duidelijk wordt. De feesten krijgen daardoor een nieuw, intenser leven en de gebruiken die daarbij gevolgd worden, zijn dan niet meer uitsluitend traditie, maar herkrijgen weer hun volle zin.
Waar de Bijbel voor het moderne denken vaak zo moeilijk te begrijpen is, brengt deze afleiding uit de natuurstemming een nieuw beleven dezer hoofdpunten van het Evangelie en kan daardoor een beter en meer levend begrip daarvoor gewekt worden.

De geestelijke achtergrondf waarvan werd uitgegaan, is te vinden in Der Jahreskreislauf und die vier grossen Festeszeiten des Jahres” door Rudolf Steirner en andere werken  van deze schrijver en zijn geestverwanten.
F. de Fremery.

Twee beschouwingen van Ir.F. de Fremery, uit: ‘Van Kerstmis tot Kerstmis’.

De passietijd omvat 40 dagen voor Pasen, beginnende met Aswoensdag. De laatste week hiervan, de Stille Week, begint met palmzondag, herdenking van de intocht in Jeruzalem, (palmtakken, ezelprocessie, Joh.12-13) en omvat de Witte Donderdag, waarop het avondmaal herdacht wordt en de Goede Vrijdag. De laatste 40 uren van deze tijd vormen het hoogtepunt. De kerkklokken zwijgen van vrijdag tot zondag.

1.PASSIETIJD
Het voorjaar is in het land. De weiden glanzen in fris jong groen, doorspikkeld met het felle geel en wit der eerste voorjaarsbloemen. Wilgen, elzen en hazelaars tooien zich met hun fijne katjes zonder zich de tijd te gunnen het blad te ontplooien. De vogels prijken met nieuw gevederte en vullen de lucht met beweging en nieuw geluid. De dieren stoten hun wintervachten af en vertonen zich in nieuwe glanzende huiden. Het vee komt naar buiten met kalveren en lammeren. Zo is alom de werking van de nieuwe sappenstroom merkbaar, die gestuwd wordt door de wederkeer van het licht.
De mens aanschouwt dit nieuwe leven, hij geniet van de terugkerende kleuren, geluiden en beweging na de somberheid, de stilte en de rust van de winter, maar hij beleeft het voorjaar niet in zich zelf. In zijn bloed is geen nieuwe stuwkracht merkbaar, hij wisselt niet van vacht of gevederte, aan hem ontluikt geen bloeiHij heeft niet de ontberingen van de winter gekend, hij leed geen koude, want hij maakte zich huizen en kleding en verschafte zich brandstof, hij leed niet van het duister, want hij maakte zich licht, hij leed geen honger, want hij zorgde voor voorraad en voor aanvoer uit verre landen   Door zijn eigen kunde wist hij zorg en nood te vermijden, hij nam zijn leven in eigen hand en maakte  zich afhankelijk van de ontberingen die de natuur hem anders zou hebben laten ondergaan. Maar nu heeft hij ook geen deel aan de ge­weldige stuwing die de natuur wekt in het voorjaar. Hij overwon de nood, maar hij verloor het leven, het kosmische leven. Hij kent het leven, maar niet het leven op aarde als uiting van het leven van de wereldgeest.
Vervreemd staat de mens tegenover de natuur in het voorjaar. Door zijn  kennis heeft hij zich boven de natuur verheven, nu voelt hij zich vereenzaamd. Als een kind zou hij weer moeten worden om het voorjaar te kunnen beleven; slechts voor zover hij kind is kunnen blijven, kan hij het nog meemaken. Maar door zijn intellect heeft hij zich buiten de natuur gesteld en zich van het leven afgewend.
Het onderzoek, de analyse, heeft onze kennis enorm vermeerderd, maar de wereld, de natuur, hebben wij erdoor verbrokkeld en het leven, het wezen  van hetgeen wij in onderzoek namen, hebben wij niet gevonden.

Dit besef van zich zelf vervreemd te hebben, van zich een kruis opgelegd te hebben, is wat in de passietijd gevoeld wordt. Dan dringt het door tot de mens, welke schuld hij op zich geladen heeft door zijn eigendunk, die hem tegenover het leven stelt, in plaats van de overgave, die hem het contact met de geestelijke-goddelijke grond der dingen en van zich zelf zou doen hervinden. Hij voelt dan, dat hij het hoge standpunt waarop hij zich door zijn kennis meende te moeten plaatsen, moet verlaten, om zich dankend neer te buigen tot het eenvoudige waarboven hij dacht zich verheven te mogen voelen, want in dat eenvoudige oorspronkelijke ligt ook de grond van zijn bestaan.
De mens voelt dan dat hij tot ootmoed moet komen tegenover de werken der natuur, die zich in het voorjaar openbaren. De Christus-Jesus toonde deze dank en ootmoed ten opzichte van de discipelen, in wie zijn werk op aarde moest wortelen, door de Voetwassing voor het Avondmaal.
De mens neigt in het voorjaar tot de voetwassing.
Door deze vrijwillige erkenning van schuld is weliswaar de waan der
kennis verbroken (de sluier van Maya opgeheven), maar daarmee komt de
mens dan ook in zijn volle naaktheid te staan en is dan blootgesteld aan de ongebreidelde werking van spijt en wroeging, die hem in het vlees dringt; hij ondergaat de geseling. Dit is de consequentie van de begane fouten, maar tevens is het de correctie waarvan de impuls tot het betere willen uit moet gaan.
Daarmede is de mens in zijn trots en hoogmoed geknakt. Waar hij zich heer en meester dacht, blijkt hij zich door de schijn te hebben laten verleiden. Ogenschijnlijk heeft hij zich door zijn eigen­ werken verrijkt, maar in werkelijkheid zijn hem de goddelijke gaven daardoor ontvallen. Zo wordt hem de bekroning van zijn werk tot Doornenkroon en de Purpermantel van zijn eigenwaan wordt hem tot hoon.
Zo leidt het inzicht de mens over de lijdensweg.

De Christus-Jesus ging deze weg vrijwillig, de mensen ten voorbeeld, nadat hij hen bij het Avondmaal, de Vader dankende, met het Brood zijn Lichaam en met de Wijn zijn Bloed had geschonken, zich daarmede als Geest der Aarde; openbarende.
Want het geheim van het Brood is de gelukschenkende zonnekracht, die zich met de aarde verbindt bij het schrijden van de zaaier over de opengelegde voren der paarsbruine akkers, in het lichte groen van het ontspruitende koren, in het goud der rijpende velden, bij de oogstvreugde, bij het ritme der dorsvlegels, bij het malen in de molen en in de geur van het gebakken brood. Het brood is zowel voedsel voor ons lichaam als de bestaansgrond van ons geestelijk wezen op aarde.
En in de wijn zijn te vinden de zegen van de uit de hemel neerdalende regen en de gloed van de zonnewarmte, die door de rots teruggestraald werd. De krachten die in de wijn fonkelen, doorgloeien eveneens ons bloed, wanneer wij de Christus in ons beleven.

De Christus-Jesus onderging de geseling en de Doornenkroon onschuldig, onder de druk van het door de Farizeërs opgezweepte volk, om daardoor de valsheid van de farizese opvattingen kenbaar te maken en door deze tot hun uiterste consequenties te laten komen, dat is de kruisiging, het volk tot inkeer te brengen.
Zelden komt de mens ertoe deze weg der dankbare verootmoediging
vrijwillig in te slaan, bittere ervaring, zorg en nood, moeten hem er meestal toe dwingen het kruis op te nemen. Maar kan hij tot overgave komen en zijn kruis aanvaarden, dan staat ook de Verlossing voor hem open. Dan leert de mens zijn hogere innerlijk kennen, dat hem zich weer één doet voelen met de geestelijke grond van alles wat leeft en gevormd is in de natuur, want dan staat hij niet in de wereld als de egoïstische beheerser en gebruiker, die de natuur ten eigen bate zoekt te benutten, maar voelt hij zich staan, in dankbare ootmoed en eerbied voor de scheppingen, die voortgevloeid zijn uit dezelfde geestelijke oergrond waarin hijzelf zijn oorsprong heeft en waaruit ook hij zijn kracht put en dan mag hij die scheppingen dankend als gaven aanvaarden. Dan kan hij het ritme van de natuur, waarin het leven van het Christuswezen, dat zich met de aarde verbond, zich uit, meevoelen.
Hij kan het voorjaar, de lente weer beleven en het Paasfeest tegemoet gaan.

2.PASEN
Na de donkere wintermaanden is de zon weer in opgang. Het licht heeft nu de overhand gekregen, de dag- en nachtevening is gepasseerd. De aarde ondergaat weer in sterkere mate de invloed van de kosmische zonnekrachten, de maan speelt een mindere rol.
In de kerken worden de lampen met nieuwe olie gevuld en nieuwe kaarsen worden ontstoken op de altaren.
Pasen is het feest van het weergekeerde licht.

Door het licht dat de aarde van de zon ontvangt, zijn de levenskrach­ten, die ’s winters in het verborgene werkten, gewekt en het jonge leven komt overal tevoorschijn. De jonge planten steken hun frisse groene scheuten uit de grauwe aarde, de knoppen zwellen en tussen de dorre schubben begint het jonge blad tevoorschijn te komen. De vogels keren terug en beginnen hun nieuwe lied.
In de lucht drijven de zware voorjaarswolken, soms fel wit in het diepe blauw, soms zwaar en zwart van regen en hagel, brengende het levenssterkende water.
De winterse dood is ten einde; het licht dat de aarde bestraalt, brengt de krachten van de stof tot nieuwe vormgeving, tot groei. Het oude afgestorvene wordt opzij gedrongen, of voor nieuwe vorming gebruikt, ofwel het draagt het jonge leven. De lente trekt door het land. Overal brengt de lentegodin Ostara, vergezeld door haar trouwe, vrolijke trawant, de haas, die zelf grote vreugde beleeft door het uitbottende groen, aan de planten bloem en blad, aan de vogels eieren, aan de dieren jongen.
Het ei is het symbool van het nieuwe leven. In die eenvoudige vorm ligt de kiem van een jong leven en de bestanddelen waaruit een jong lichaam zich kan vormen, wanneer de levenskrachten er in gewekt worden. Die bestanddelen zijn door het moederdier geschonken, geofferd om de ontwikkeling van het jonge leven mogelijk te maken.
Pasen is het feest van het leven. 

Voor de mens is nu ook de tijd van inkeer voorbij en moet overgegaan worden tot het nieuwe scheppen en handelen, tot de arbeid in het besef van de invloed der hogere krachten, het besef dat de geest de mense­lijke handelingen moet leiden, dat de mensheid zich niet alleen door stoffelijke behoeften mag laten dwingen.
Pasen is het feest van de ziel.                                            –

De levenskracht heeft op aarde de vormen van de natuur, van mineraal, plant en dier geschapen. Het leven bond zich daarin met de stof en daardoor met de dood. Slechts door zich telkens te vernieuwen kan het leven zich handhaven. De planten vernieuwen zich in hun zaden, de dieren in hun jongen, de mensen in hun kinderen.
In de mens bond zich ook de geest aan de stof. De mensenziel, van goddelijke oorsprong, voelde zich in de oudheid nog sterk verwant met de geestelijke wereld. Maar naarmate de mens meer kennis vergaarde van de dingen der aarde, verloor hij de band met de geestelijke wereld. Zo dreigde voor hem de geestelijke dood.
De Christus gaf de mens de weg om in deze stoffelijke wereld de geestelijke krachten terug te vinden, om zich geestelijk te vernieuwen, tot opstanding te komen. Zijn lijdensweg leidde tot het Kruis en het Graf, maar wekte daardoor de mensheid op tot een opheffing van het bewuste geestelijke leven. Zijn wezen is, na zijn overwinning van de dood overgegaan in de zielen der mensen, om in de mensen wederom op te staan.
Pasen is het feest der Opstanding.

In het nieuwe jonge leven komen de goddelijke vormingskrachten zuiver tot uiting, nog onbevlekt door ziekte en strijd.
In heel de natuur brengt de lente een zucht tot vernieuwing, tot het afgedaan maken van het oude dat verging. Daarom verzamelen de mensen het oude hout om het paasvuur te stoken, waar het oude verdorde vernietigd wordt door het vuur om plaats te maken voor het nieuwe en daarbij de in het oude gebonden krachten vrij te geven en uit te  stralen.  
Pasen is het feest van de loutering.

De mens is nauw verbonden met het leven der aarde. Zijn lichaam is opgebouwd uit bestanddelen, die van de aarde afkomstig zijn. Voor de instandhouding van het lichaam is geregelde voeding nodig en daardoor blijft de mens steeds het verband met de aarde houden, want met het brood dat hij eet en het sap der vruchten dat hij gebruikt, krijgt hij tevens deel aan de levenskracht der aarde. Voor het in standhouden van het leven moet veel gebruikt worden van wat reeds bestond. Planten gebruiken stof van mineralen en van vergane planten en verdringen andere om voor zichzelf een plaats te veroveren. Dieren leven van planten en van de stof van andere dieren. De mens gebruikt mineraal, plant en dier.
Vele moeten geofferd worden voor het in standhouden van anderen.
Dit offeren geschiedt meestal als overgave na strijd, door wie weerloos is en het onderspit delft in de strijd om het bestaan.
Bij de mens gaat het daarbij niet alleen om de strijd op het stoffelijk gebied, maar wordt ook veel gestreden met geestelijke krachten. Veel van die strijd is zinloos en nutteloos en beter is het strijd te vermijden door het brengen van een offer op het juiste ogenblik.

Het is Christus, die ons door het vrijwillige opnemen van het kruis  en het aanvaarden van de kruisiging tot de dood, toen het volk daar toe drong, gewezen heeft op het belang van het offer, dat de mens kan brengen door het inzicht, dat hij door de bewustwording verkrijgen kan.   |
Pasen is het feest van het Offer (van het Lam) van het Kruis.

Om te komen tot het brengen van een offer, tot het opnemen van het kruis, is voorbereiding nodig, want uit zich zelf is de mens weinig daartoe bereid, hij is van aard een egoïstisch wezen. De wijze waarop het egoïsme kan worden overwonnen, is door de Christus aangegeven in Zijn Lijdensweg, in zijn Passie. Door zijn levensweg daarnaar te richten, kan de mens tot hoger leven komen. Deze weg leidt langs opeenvolgende trappen.
Eerst dient begrepen te worden, dat in het leven al het hogere op het lagere steunt, en aan het lagere dank en hulde verschuldigd is voor de levensmogelijkheid die het lagere aan het hogere biedt.
Planten danken hun leven aan het minerale rijk, dieren leven van planten; ieder mens dankt zijn bestaan aan hen die op lagere trappen staande, zijn werk en leven mogelijk maken.
Zo wortelt het leven en werken van de Christus in de twaalf apostelen en daarom buigt de Christus tot hen neder in de Voetwassing.
Tot deze erkennmg en dankbaahneid moet ook de mens komen.

Dan moet de mens in zich de kracht ontwikkelen om rechtop te blijven staan en door te gaan volgens zijn innerlijke overtuiging, ook al ondervindt hij daardoor allerlei leed en smart en treft hem slag op slag. De Christus onderging dit en verdroeg dit in de Geseling.

Ook moet de mens volharden wanneer hij opkomende voor wat hem heilig is, overgoten wordt met hoon en spot, waardoor zijn innerlijk doorpriemd en zijn trots neergehaald wordt.
De Christus droeg dit met lijdzaamheid in de Doornenkroning.

Door de krachten van voetwassing, geseling en doornenkroning in zijn
ziel te ontwikkelen, wijdt de mens zijn leven aan Christus, volgt hij
de passieweg? die voert tot de inwijding, tot het opengaan van het volle bewustzijn, dat met Pasen beleefd kan worden.

Pasen is het feest der Inwijding

 

bron onbekend

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

135-130

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (23)

.

PASEN IN DE DERDE KLAS
Viering op joodse wijze

Op de dag van het vorige jaar dat we in de verschillende klassen de paasvieringen hadden, heb ik* met mijn derde klas (Parcivalschool/Amstelveen) het Sederavondfeest gevierd; het was die dag ook volgens de Joodse kalender Pasen, Pesach. Het lag voor de hand: het Oude Testament als vertelstof en een Joods meisje in de klas.
Al gauw bleek overigens, dat er ook nog vijf kinderen in de klas waren met een Joodse vader of grootmoeder.
Pesach wordt gevierd aan de hand van een boek, de Haggada (letterlijk: het Verhaal), waarin alle rituelen en gebeden keurig op een rij beschreven staan. In het door mij gebruikte boek (volgens kenners de mooiste Nederlandse vertaling) is dit geheel zo geordend, dat er zelfs een nummering bij staat. Het feest wordt gevierd op Sederavond; seder betekent ordening.

Iedere Joodse familie bezit minstens één Haggada. Volgens gebruik is het een zeer ‘belezen’ en met wijn- en voedselvlekken besmeurd boek. Op de avond, dat ik het feest met een drietal ouders voorbesprak, lagen er ook al meteen vijf verschillende uitgaven op tafel. En verschillende met vlekken!

DE VOORBEREIDING
De ruimte waarin Pesach wordt gevierd, eigenlijk het hele huis, wordt in de dagen voorafgaand aan het feest zeer grondig gereinigd, omdat ieder kruimeltje gegist of gezuurd brood verwijderd dient te zijn. De kinderen en ik hebben op de dag voorafgaand aan het feest de hele klas geveegd, geboend en gezogen. Alles uit de kast gehaald, uitgeslagen en gestoft. Dit gebeuren was een feest op zich en wat je noemt: de klas werd op zijn paasbest.

Voorafgaand aan het feest, op de dag zelf, wordt met een lantaarn of kaars in alle hoekjes en gaatjes naar mogelijke laatste kruimeltjes gespeurd, die, als ze er niet zijn, symbolisch met een vogelveer bijeengeveegd en verwijderd.

Noodzakelijk is natuurlijk ook, dat alle jongens en mannen een keppeltje dragen. Wij konden ze lenen; wie er niet op die wijze over beschikken kan, zal ze moeten maken (als variatie of aanvulling op de te breien muts in de derde). Ook lange, witte gewaden behoren tot de traditie: die hadden wij niet, want daar­van hoorde ik pas op de ochtend van het feest.
Voor ieder die aan de maaltijd deelneemt moet er uiteraard een plaats aan tafel en een bord, bestek en een wijnglas zijn, maar ook voor Elia, die altijd als plotselinge gast op kan komen dagen, moet er (en liefst extra mooi) serviesgoed zijn en uiteraard de mooiste stoel klaar staan.
Voor de traditionele gerechten, die niet alle genuttigd worden, zou er een uit drie verdiepingen bestaand Sederbord moeten zijn; maar kom daar maar
eens aan …….
Wij hadden gewoon een groot, mooi bord.

LIEDEREN
De liederen die op Sederavond gezongen worden, moeten natuurlijk tevoren worden geleerd. Allereerst is er het ‘Manisjtana’. Dit lied en de andere Sederliederen zijn op de plaat gezet door Hans en Asher Bloe­mendal. Ik heb nog niet kunnen ontdekken, of er ook een CD van is gemaakt.

Overigens heb ik een aantal van de liederen vervangen door andere met dezelfde strekking: ‘Dajenoe’ door ‘Laten wij zingen voor de Here Jahweh’; ‘M’kiemie’ door ‘Halleluja – looft de Heer in zijn Heiligdom’; ‘Echad mie jodea’ door ‘Wie kan me zeggen wat één betekent?’; alles uit ‘De wereld klinkt’ van Elisabeth Lebret.

DE GERECHTEN
Wij hadden de traditionele gerechten, zoals ze op de Sederavond niet mogen ontbreken: het hardgekookt ei, het lamsbotje, de peterselie, de radijsjes en het zoute water, de geraspte mierikswortel en de charoset (een mengsel van geraspte appel, noten, honing en bruine suiker en zoete wijn). De vier glazen wijn die geduren­de de viering gedronken worden (met de elleboog op tafel geleund als extra teken van vrijheid), waren bij ons glazen druivensap, gemengd met wat zoete wijn. Daarnaast hadden wij als feestmaaltijd een eiersalade, matzeballensoep, een matzecake en matzes met divers beleg (waarbij niet vergeten mag worden, dat wanneer melkproducten zijn gebruikt in gerechten, er geen vlees op tafel mag komen of andersom). We hadden gekoch­te matzes, maar we hadden er ook zelfgebakken: een paar dagen voor het feest op een houtvuurtje op het plein.
Voordat de viering begint, is de tafel gedekt en de eerste beker wijn ingeschonken. De kinderen moeten weten, dat vóór de maaltijd begint, er niets op eigen initiatief mag worden gegeten en gedronken. Aan de hand van de vertelde of voorgelezen verhalen is ze dit gemakkelijk bij te brengen.

DE VERHALEN
De Sederavondviering is in eerste instantie een herden­king van de Uittocht uit Egypte; aan de andere kant ook een feest van de vrijheid in meer algemene zin. Wat de deelnemers aan de viering dus minstens moeten kennen is het verhaal van de Uittocht. Tegen Pasen in de derde klas is dit verhaal ongetwijfeld al aan bod geweest.

Maar de Sederavondviering is ook een traditie, met andere woorden, het herdenkt in zekere zin de vorige vieringen. Wie met een groep mensen of kinderen die het feest niet kennen, het feest gaat vieren, moet dit extra voorbereiden. Bruikbaar zijn de twee Pesachverhalen uit het boek ‘Als een lamp voor onze voeten’, die ik in de klas heb voorgelezen op de twee dagen voorafgaande aan de viering. Het ene verhaal vertelt vooral over de voorbereidingen en iets over het feest zelf; het andere verhaal maakt vooral duidelijk, dat er weliswaar een heerlijke maaltijd voor je neus staat, maar dat het wel even kan duren, voordat je daaraan beginnen mag. Wie de hele ‘Haggada’ volgt, heeft daar zeker een uur of vier voor nodig. In de klas heb ik het een en ander ingekort, zodat we al na ruim een uur aan de maaltijd konden beginnen. Ook hebben we de voorgeschreven discussie maar overgeslagen, hoe­wel dat een wezenlijk deel van de viering uitmaakt. Wie durft?

DE VIERING ZELF
In de Haggada staat precies beschreven, hoe de Seder­avondviering hoort te verlopen. Aan de hand van de tekst heb ik dus een ingekorte en soms vereenvoudigde tekst uitgeschreven. Met die tekst in de hand heb ik de viering kunnen leiden. Dat is ook het gebruik: degene die de viering leidt, leest de Haggada. Vandaar dan ook die vlekken op het boek. Er zijn een aantal ceremonieën, die de kinderen bijzon­der aanspreken. Bijvoorbeeld, als de tien plagen ter sprake komen, doopt iedereen de pink in de wijn en schudt de wijn met een min of meer achteloos gebaar van de pink. Lik de wijn vooral niet van je pink: de kikvorsen, de sprinkhanen of het bloed komen in je mond!

GAST          (het lijkt erop of hier een stuk van het artikel ontbreekt)
We waren nieuwsgierig: zou er iemand binnen komen? In ons geval
stond er inderdaad iemand voor de deur………
En komt Elia niet, dan blijft in ieder geval zijn glas wijn staan (op de seizoenentafel bijvoorbeeld) voor het geval hij verlaat is en in de nacht of op een van de volgende dagen mocht verschijnen…….

Tijdens de viering wordt twee maal de handen gewas­sen. Drie mensen gaan rond met kan, schaal en hand­doek, zodat de anderen aan tafel kunnen blijven zitten. De kinderen van mijn klas en de ouders die erbij waren, hebben het als een zeer bijzondere viering ervaren. De hoop, dat ook anderen de stap durven wagen, een traditionele Pesachviering in hun derde klas te houden. Mocht iemand enthousiast zijn geworden, dan horen de kinderen en ik graag eens hoe het geweest is.

“Volgend jaar in Jeruzalem!’

Literatuuropgave:
*    ‘Haggada, Het PaasverhaaP, R.C. Musaph-Andriesse en E. van Voolen, uitgeverij Ten Have/Baarn 2e druk 1995;
*    ‘De wereld klinkt*, Elisabeth Lebret, uitgave Verenging voor Vrije Opvoedkunst 1970.
Abusievelijk gefotokopieerd in omloop zonder titelblad; het heet dan ‘Muziekboek voor de drie laagste klassen van de Vrije Scholen’;
*    ‘Als een lamp voor onze voeten’, H. van Dorssen, uitgave Ne­derlandse Zondagschool Vereniging/Amsterdam 1992;
*    ‘Recepten uit de Joodse keuken’, Bea Polak, uitgeverij Amphora books/Amstelveen 1986. Het laatste hoofdstuk handelt speciaal over de Pesachgerechten;
*    ‘Mijn enige jaarfeest: Pesach’, Paul Gabriner, Vrije Opvoedkunst 59e jaargang, nr 3, april 1996;
*    ‘Sederavond, Hans en Asher Bloemendal zingen oude en nieuwe sedermelodieën’, uitgave Joods Nationaal Fond, stereo 6810 939.

 *Rimbert Moeskops, Parcivalschool Amstelveen, naderre gegevens ontbreken

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

134-129

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.