VRIJESCHOOL – Natuurkunde – klas 6 – geluid (1-3)

.

De vrijeschoolleraar Herman von Baravalle schreef in 1961 een boekje over het natuurkundeonderwijs in klas 6.

In de titel gaf hij ook meteen mee dat ‘kennis uit het kunstzinnige doen’ moet ontstaan:

Das Hervorgehen des Wissenschaftlichen aus dem Künstlerischen

Einführung der Physik im 6. Schuljahr der Waldorfschulen

Het ontstaan van het wetenschappelijke uit het kunstzinnige

Het begin van de natuurkunde in de 6e klas van de vrijeschool
.

De les kan worden ingeleid door een paar melodieën te spelen op een klokkenspel of xylofoon. Daarna kun je overgaan tot het vergelijken van enkele toonreeksen. Door twee tonen na elkaar of tegelijkertijd aan te slaan, krijg je ofwel een harmonieus geluid, een consonantie, of een disharmonisch geluid, een dissonantie. Als je een toon aanslaat met de corresponderende toon van het eerstvolgende hogere of lagere octaaf, krijg je altijd een consonantie van een heel specifieke muzikale kwaliteit. Op de piano krijg je dezelfde consonantie als je een toon aanslaat met de achtste witte toets erboven of eronder, vandaar de naam van deze consonantie “octaaf”. De leerlingen kennen de octaaf-toonvolgorde uit hun muzieklessen. Als je nu de noten C en G aanslaat, de C met de toon van de 5e witte toets erboven, krijg je weer een samenklank die van een andere muzikale kwaliteit is en de “kwint” wordt genoemd. Een andere samenklank is die van C en F, op de piano van C met de toon van de 4e witte toets erboven. Het is weer een samenklank, die van de “kwart”.
De samenklank van C en A, op de piano van C met de noot van de 6e witte toets erboven, is weer een samenklank. Het wordt de “zesde” genoemd. De C en de E, op de piano de C met de toon van de derde witte toets erboven, levert weer een consonantie op, die van de terts (het verschil tussen grote en kleine tertsen wordt later besproken). Als je dan echter bij de consonantie van de C met de D komt, heb je te maken met een dissonantie, die van de C met de toon van de 2e witte toets erboven, die nu de dissonantie van de “tweede” wordt genoemd. Op dezelfde manier is de consonantie van C en B, van C met de toon van de 7e witte toets erboven, een dissonantie, die van de “septiem”. Dit betekent dat alle intervallen van C met de tonen van de andere witte toetsen van de piano binnen een octaaf zijn gespeeld.

Van het klokkenspel, de xylofoon en de piano met hun volledig gestemde tonen, gaan we nu over naar het monochord, dat al een soort tussenpositie inneemt tussen een muziekinstrument en een fysiek apparaat.

Net als een viool heeft een monochord een klankkast waarop snaren zijn gespannen. De snaren zijn meestal een meter lang. Eronder is op de klankkast een meetlat met centimeters en millimeters is aangebracht.
[je kan er snaren over spannen, maar mono duidt eigenlijk op 1 snaar (chord)]

Voor de volgende experimenten gebruik je twee snaren, die eerst op bepaalde tonen worden gestemd door de stemschroeven aan te draaien, net als bij een viool. Beide snaren worden eerst gestemd op de grondtoon C. Tijdens de experimenten wordt één snaar nu op de grondtoon C gelaten, wat altijd een vergelijking mogelijk maakt met de toon C. De andere snaar blijft gelijk gestemd.  De lengte ervan wordt verkort door de snaar ergens op een plaats vast te drukken, zoals bij een gitaar. (Als de snaar hoog ligt, kan er een soort bruggetje onder – zie link naar filmpje). Hoe korter het deel van de snaar dat wordt aangeslagen, hoe hoger de toon. Leerlingen met een bijzonder goed muzikaal gehoor kun je nu de verschillende onderverdelingen van de snaar laten doorlopen om die te vinden met consonanties op C en andere met dissonanties.

Maar wat met de leerlingen die niet zo’n muzikaal gehoor hebben. Haken die nu af, of hoe betrek je die er juist bij. Je hebt wel een goede gelegenheid om zo het muzikale gehoor van iedere leerlingen te toetsen. En hoe kun je dat, als dat gering is, verbeteren.
Wat ik tijdens deze en andere proeven ging beseffen is, dat de leerkracht toch vaak het middelpunt is. Deze doet de proeven, de leerlingen nemen waar en moeten later terugbeschrijven wat ze dan hebben gezien.
Als je sommige gezichtspunten van Steiner leest over het geheugen, gaat het daarin om de waarneming – maar vooral: een waarneming die indruk moet maken, waarbij je iets beleven moet.
Ik raakte er na de periode en wat ik las of bij anderen zag, er steeds meer van overtuigd dat de leerlingen te weinig DOEN. Eigenlijk zouden ze allemaal, of met 2 of 3 een monochord moeten hebben om er zelf nog een keer achter te komen, wat je dan al gezamenlijk hebt gedaan.
Een monochord bouwen ben ik bijna als een voorwaarde gaan zien om de meeste kinderen vertrouwd te kunnen maken met wat je hier eigenlijk aan wil leren.
Als je dit lang van te voren aankaart bij ouders die hierbij kunnen helpen, kun je zo aan de slag.
Het voordeel is dat er zo meer monochorden in de school aanwezig komen voor de volgende klas(sen).
Von Baravalle gaat nog iets verder: hij wil een aantal monochorden van verschillende lengte hebben om daarmee de wetmatigheid te bewijzen die eerst gevonden is. 

Maar bij dat vinden van die wetmatigheid komt de vraag: geef jij dat al aan bij de proef of laat je het de leerlingen ontdekken? 
Dat laatste is natuurlijk vele malen wezenlijker!!!

De wetmatigheid is: de positie van de brug/kam ligt precies in het midden van de snaar. De toon van de hele snaar en die van de halve snaar vormen samen een octaaf. En met de monochorden van verschillende lengte blijkt dan dat een snaar van een hele lengte en een snaar van halve lengte altijd een octaaf opleveren, ongeacht of het monochord langer of korter is.
Dat laatste zouden de leerlingen dus eigenlijk zelf moeten ontdekken.

Als je voldoende monochorden hebt, kunnen de leerlingen een ontdekking doen bij de kwint. Die ontstaat als je de snaar op precies 2/indrukt. Bij een snaar van een meter is dat op 662/cm.
Voor een kwart is de positie van de brug op het monochord van 1 meter snaarlengte altijd in de snaarlengte bij 75 cm en dat geldt ook voor alle andere monochorden, steeds ¾ van de snaarlengte.

De verhouding voor de sext is 3/5   en voor de terts 4/5. Alle monochorden geven altijd dezelfde breuken.
De dissonanten van de secunde en de septiem kunnen ook op het monochord worden gevonden. De secunde ligt op 8/
en de septiem op  8/15

.

Dus voor de hele rij krijg je dit:

In zijn boekje gaat hij dan verder.
Von Baravalle was wiskundige en dat merk je dus wel aan deze uiteenzetting.
Als leerkracht met minder wiskundige kennis is het wellicht veel lastiger te doorzien en het proberen te snappen kost dan best wel tijd. 
En de voorbereiding voor de natuurkundeperiode vergt veel. 
Ik heb met deze kennis nooit wat gedaan in de klas. Ook omdat het optellen van de breuken zoals von Baravalle dat doet, voor de kinderen onbekend is. Sommige hebben dan nog moeite met het optellen van ongelijknamige breuken en zoals hier gehanteerd, helpt dan aan een beter begrip niet mee.
Voor de periode lijkt het mij dat je dit
 kan overslaan.

Volledigheidshalve geef ik het wel weer, maar niet vertaald:

De experimenten met het monochord worden dan voortgezet met andere proeven.
Neem bijvoorbeeld twee identieke glazen cilinders en begin met lege cilinders. Als je vanaf de zijkant over de opening van een van de cilinders blaast, hoor je een bepaalde toon. Als je nu een van de cilinders vult met water en er steeds weer op blaast bij verschillende waterniveaus, kun je ervaren hoe de toon steeds hoger wordt naarmate je de cilinder vult. Als je deze cilinder vult met water tot de helft van de hoogte, erop blaast en de toon vergelijkt met die van de lege cilinder, herken je weer het tooninterval van het octaaf. De hele en halve snaren van het monochord zijn nu vervangen door de hele en halve cilinders. Vergelijkbare experimenten kunnen ook worden uitgevoerd met de andere intervallen en hun breuken met behulp van de glazen cilinders. Deze experimenten kunnen dan worden uitgebreid naar enerzijds de blokfluit en anderzijds waarnemingen uit het dagelijks leven, bijvoorbeeld de geluiden die worden gemaakt bij het vullen van een drinkglas onder de kraan.

Als je 8 dezelfde flessen hebt, kan het ook. Of dezelfde glazen die dan niet taps moeten toelopen. Dan zou je de leerlingen kunnen stimuleren, zonder te veel te zeggen of ze ‘daar het monochord in terug kunnen vinden’ o.i.d.
Veel flessen maakt mogelijk dat veel leerlingen iets kunnen doen.

Hier zou je ook nog kunnen denken aan het ‘windorgel’ of hetflessen/glazenorgel’. Meer.
Het zou, met de al opgedane kennis, een opdracht kunnen zijn aan meerdere groepjes kinderen – wellicht buiten de lessen om, met een eigen ontwerp te komen. Uitmondend in een eventueel gezamenlijk concert.

Als dat goed begrepen wordt, is het mogelijk van daaruit de blokfluit te ‘verklaren’ of andere muziekinstrumenten, waar bij de ‘lengte’ vaak ‘opgerold’ is, zie bv. een blaascontrabas.

Het kan ook met kartonnen verzendkokers. De maten voor de tonen zijn dan weer belangrijk om bv. bij een panfluit uit te komen.
Zelfs opgerold tekenpapier kan.
Laat de leerlingen op eigen ideeën komen die ze dan kunnen onderzoeken.

Het octaaf kan ook gevonden worden met 1 rol of opgerold blad papier. Als je die met twee handen vastpakt, een hand in het midden en met de andere hand de onderste opening afsluitend en over de bovenste opening van de rol blaast, hoor je een toon. Als je dan de gesloten opening loslaat en weer over de andere opening blaast, hoor je een toon die precies een octaaf hoger ligt.

Een ander middel voor verdere experimenten is een roterende schijf waarin op gelijke afstanden gaatjes zijn gestanst langs concentrische cirkels, waartegen je bijvoorbeeld de hoek van een visitekaartje houdt. Dit produceert geluiden die des te hoger zijn naarmate de schijf sneller draait en ook naarmate er meer gaatjes langs de cirkel in kwestie zitten. In de meeste gevallen is het aantal gaten in de afzonderlijke cirkels 24, 30, 36 en 48.

Von Baravalle geeft daar ook weer rekenuitleg bij, ook wel weer in gewikkeld en voor de leerlingen (nog) niet zo interessant.

Hier volgt weer de Duitse tekst:


Von Baravalle geeft hier ook nog een mogelijkheid om met stroken papier de piano en de verschillende toonladders te begrijpen, maar ik heb dat nooit gedaan: te veel tijd en te moeilijk.
Voor de volledigheid toch weergegeven.


Verder nog op akoestisch gebied het volgende experiment: Twee bekerglazen van dezelfde grootte worden naast elkaar op de proeftafel geplaatst. In een van de twee bekers zit een barstje, een kleine aan de rand van de bodem waar het niet zo opvalt; de tweede is onbeschadigd. Nu sla je bv. met een potlood op de twee bekers na elkaar en luister je naar de geluiden die elk van hen maakt. Dit kan meerdere malen worden herhaald, waarbij de bekers op verschillende plaatsen worden aangeslagen. De intacte beker geeft altijd een zuivere toon en de beker met de barst geeft een blikkerig, onaangenaam, gebroken geluid. De leerlingen zijn verbaasd, gaan op zoek naar de oorzaken en ontdekken al snel de barst. Je kunt dan de opmerking maken: Maar ik heb de beker helemaal niet aangeslagen op de barst, of zelfs maar in de buurt ervan. Dit doet ons eraan denken dat het geluid van de beker verband houdt met de beker als geheel, en niet alleen met het aangeraakte deel.
De toon onthult de staat van de hele beker, en er zijn verschillende voorbeelden te geven waarbij geluiden worden gebruikt om informatie over de staat van voorwerpen over te brengen. Keramische stukken worden voor en na het bakken met de knokkel geslagen om aan de hand van hun toon te bepalen of ze intact zijn, de Italiaanse verkoper werpt een geldstuk op een marmeren tafel om wanneer deze erop valt te luisteren of de munt echt is; bij houten huizen om te ontdekken waar je een schilderij of zelfs een zware spiegel kunt ophangen, zodat de schroef in de balk komt en niet in de tussenruimte
In de akoestiek leidde het luisteren naar verschillende geluiden ook tot praktische toepassingen, en leidde vervolgens tot het begrijpen van muzikale verbanden, ging vervolgens verder dan het muzikale gebied en ging verder naar het algemene gehoor en uiteindelijk naar de praktische toepassingen ervan.

Meer nog in het boek van Von Baravalle: Physik als reine Phänomenologie III Akustik und Optik

Een ander artikel over geluid in de 6e klas

Wanneer je geluiden uit de natuur zoekt

Natuurkunde: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 6e klas: alle beelden

.

3399-3197

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (102)

.

In blauw van mij, zwart: citaat

.

Zet je peuter niet achter een scherm, maar op een evenwichtsbalk

kopte het dagblad Trouw op 18-01-2025.

Wat cijfers:

47 procent van de ouders weet niet hoe ze kinderen tot beweging kunnen stimuleren
.
5,6 procent van de kinderen kampt met ernstig overgewicht
.
De helft van de kinderen haalt de beweegrichtlijn rond bewegen en
schermgebruik niet
.
Op de opvang zitten kinderen de helft van de tijd
.
90 procent speelt op de opvang of in vrije tijd 80 minuten per
week buiten*
.
94 procent van de kinderen wandelt één keer per week een uurtje*
.
 

“Een, twee drie: doe de Flamingo!” Als bij toverslag verstilt de orkaan van geluid in de kleine sporthal in Made. Een groot deel van de vijfentwintig kinderen in de zaal luistert goed en staat stil. Een paar hebben de memo niet door en rennen gewoon verder. Maar de rest tilt een been omhoog en blijft even stokstijf staan. Precies zoals een flamingo altijd doet.’

In Made hebben een paar vaders het initiatief genomen om iedere zondag beweeglessen te geven voor de jongste jeugd. 
De kinderen kunnen de hele gymzaal gebruiken: in en langs langs de klimwand, over de evenwichtsbalk, door het duikelrek en afspringen op de grote blauwe mat. 
Het kindje van een ouderpaar is dol enthousiast en rennen achter hem aan.
De moeder ziet hem motorisch groeien. “Hij doet hier zoveel zelfvertrouwen op.’ De initiatiefvaders zijn blij:  “De kinderen leren hier motoriek, coördinatie en het vertrouwen om later óók te blijven bewegen. Als ze bewegen nu al ontdekken, hebben ze er later profijt van.”

In 2018 ontwierp de WHO een beweegrichtlijn; Nederland heeft vanaf 2022 een beweegadvies.
Dat geeft aan:

-1-jarigen: meerdere keren per dag bewegen

-1-2-jarigen: minimaal 3 uur
-vanaf 3: dagelijks 1 uur met wat inspanning voor ademhaling en bloedsomloop
 Vanaf drie jaar geldt daarnaast minimaal een uurtje dagelijks bewegen met verhoogde ademhaling en hartslag.

Voor schermtijd was er ook een advies: hoe minder hoe beter, en onder de twee jaar eigenlijk niet.

T.o.v. een meting in 2021 is het bewegen van jonge kinderen wel toegenomen.

Amsterdam UMC

Bewegingswetenschapper en epidemioloog professor Mai Chin A Paw, gespecialiseerd in ‘jeugd en gezondheid’, kwam met haar team doordat bijna driehonderd ouders het 24-uursgedrag van hun o- tot 4-jarige kinderen vastlegden monitoren tot de ontdekking dat maar de helft van alle kinderen alle drie de beweegrichtlijnen haalt.

En dat naarmate de kinderen ouder worden, ze steeds meer met het beeldscherm bezig zijn. Bijna de helft van de driejarigen dagelijks meer dan een uur.

En: dat is problematisch

En het CBS vond: de mate van overgewicht voor kinderen tussen de twee en negen jaar in het laatste decennium nooit hoger geweest dan de laatste meting in 2023. Het percentage met ernstig overgewicht (5,6 procent, oftewel een op de twintig kinderen) is voor de gehele jeugd het hoogst in tien jaar. Opvallende trend: een op de tien mei-. den onder de negen jaar is te dik. Onder hen veel peuters.

En: verontrustend

Chin A Paw geeft aan dat de overgewicht en diabetes type 2, de zgn. ouderdomssuiker, nu bij kinderen voorkomt.
Op een jonge leeftijd al zo ongezond levend, maakt dat je langer
blootgesteld bent aan gezondheidsrisico’s en zo ontstaan er eerder complicaties.”

CBS:

Een deel van de oorzaak is (slechte) voeding.  
Een op de vijf kinderen drinkt zo’n een tot drie glazen met suikerhoudende drank per dag.
Bijkomend probleem: te weinig bewegen. Op de kinderopvang wordt wel buiten gespeeld, maar zit een kind nog steeds de helft van de tijd.

Onderzoek onder consultatiebureaus, jeugdgezondheidsmedewerkers naar de manier waarop zij bewegen als thema behandelen, leerde dat bijna de helft van hen aangeeft dat de ouders of verzorgers van jonge kinderen vaak niet weten hoe ze hun kind kunnen stimuleren om te bewegen of zich weinig bewust zijn van het belang van bewegen.

“Hoe dat komt? Er zit een paradoxale gedachte vastgeroest in ons denkpatroon, vermoedt onderzoeker Veldman, ‘’iedereen wil het beste voor zijn of haar kind, maar bewegen staat niet op het netvlies. Men denkt dat bewegen en daarmee de motorische ontwikkeling vanzelf wel komt. Maar dat is niet zo.”

Tot slot Mai Chin A Paw:

Tips om jonge kinderen beter te laten bewegen

• Ga zoveel mogelijk naar buiten. Dat levert bewezen een heel grote bijdrage aan het intensiever bewegen van kinderen.

• Bied spelmaterialen aan die uitdagen om te bewegen. Bijvoorbeeld een bal. Die leidt bijna automatisch tot bewegen.

• Geef iedereen een loopfiets. Dat is iets wat echt uitdaagt. Ga daarmee naar het park of boodschappen doen in plaats van met de kinderwagen.

■ Wees heel streng met beeldschermen. Zo laat mogelijk mee beginnen. En, wellicht logisch, geef zelf het goede voorbeeld.

Er moet dus nog heel wat gebeuren: meer aandacht ervoor op de consultatiebureaus en voorlichting aan de ouders.

Paradox

En de paradox: de scholen zouden die voorlichting kunnen geven, maar in de meeste gevallen wordt daar ook nog nauwelijks bewogen.

Op de vrijescholen is beweging een vast onderdeel van de dagelijkse lestijd.

*Zie het artikel over deze school: hier worden veelvouden van de percentages en tijden gehaald!

.

Bewegen en leren

Zintuigen: bewegingszin

Vrijeschool in beeld: de bewegende klas

Opspattend grind: [19]  [60]  [86]

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3398-3196

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Doorverwijzing: enthousiaste leerkrachten over een prachtig onderwijsconcept

.

Vrijeschoolonderwijs op de Waldorfschool ‘Een evenredige ontwikkeling van denken, voelen en willen’

5/2/2025
.

Algemene menskundealle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-8)

.

Omdat het om nieuwe vormen van samenwerking ging, ontwikkelde het NEDERLANDS PEDAGOGISCH INSTITUUT allerlei gezichtspunten.

Dat deed ze vooral voor het bedrijfsleven, maar ook (vrije)scholen kunnen er allerlei vruchtbare ideeën uithalen om de samenwerking zo ‘sociaal mogelijk’ te laten verlopen.

.
Kenmerk 1387.733
HS/LG
.

VAARDIGHEID IN SAMENWERKEN

.

Samen-werken

In elk bedrijf en in elke maatschappelijke instelling doet zich de noodzaak tot samenwerking voor. In een klein bedrijf, waar iedereen zich nog direct bij de onderneming betrokken voelt, spreekt dit voor de medewerkers nog vanzelf. Naarmate de organisatie groter wordt en de werkzaamheden van de medewerkers onderling meer verschillen gaan vertonen, wordt de behoefte duidelijker gevoeld om tot een meer bewuste samenwerking te komen.

Van samen-werken is sprake, waar een aantal mensen met verschillende inbreng (kennis, kunde) en verschillende taken aan eenzelfde doel werken. Deze taken moeten zo samengevoegd worden, dat een gemeenschappelijk resultaat het gevolg is.

Meer van buiten gezien geschiedt deze samenvoeging door “organisatie”, d.w.z. afgrenzing en onderlinge afstemming van taken, meer van binnen gezien door samenwerking, d.w.z. hetgeen de medewerkers van zich uit moeten doen om het vereiste samenspel in wisselende omstandigheden tot stand te brengen.

Organisatie en samenwerking zijn dus het noodzakelijke complement van de arbeids(ver)deling (splitsing van taken en specialisatie ).

Kunnen samen-werken

Het werken in een organisatie vraagt van elke medewerker:

– bereidheid tot samenwerken
– kunnen samenwerken

Wat houdt dit kunnen eigenlijk in en is het leerbaar?

Om de aard van dit kunnen beter te begrijpen willen wij drie soorten vaardigheden onderscheiden en met elkaar vergelijken. Er is een belangrijk verschil tussen:

– het werken met dingen
– het werken met mensen
– het werken met ideeën.

De daartoe benodigde vaardigheden duiden wij als volgt aan:

– technische vaardigheden
– sociale vaardigheden
– conceptuele vaardigheden.

Technische vaardigheden

Wanneer ik een werk in de wereld van de materie tot stand wil brengen hangt het resultaat af van mijn eigen kundigheid en inspanning.

Immers het materiaal, de middelen en de fysieke omgeving willen niets en doen niets uit zichzelf. Ze wachten om zo te zeggen af, hoe ik hen zal gaan gebruiken. Mijn verhouding tot de dingen is dan een “instrumentele”, ze worden als middelen gezien, om een door mensen gesteld doel te bereiken.
De doelmatigheid van het werk en de waarde van het resultaat hangen af van een reeks van “kundigheden”, die we als technische vaardigheden aanduiden. Het woord “technisch” is hier in de wijdere betekenis gebruikt, ook bv. de boekhouder, de huisvrouw of de kunstenaar heeft technische vaardigheden nodig om het werk te kunnen doen.
Dit houdt in, dat ik over enig “technisch inzicht” moet beschikken, d.w.z. de mogelijkheden en begrenzingen van materialen, gereedschappen, natuurwetten enz. ken, zodat ik weet waarom en hoe ze te gebruiken zijn. Een algemene (theoretische) kennis is echter niet voldoende, de genoemde eigenschappen en mogelijkheden moeten ook in de praktische situatie waargenomen en herkend worden om tot een juiste aanpak te komen. Voorts is nodig een ontwerp en een plan (volgorde van bewerkingen bv,.); dat vereist voorstellingsvermogen en fantasie. Tenslotte moet ik over bepaalde praktische vaardigheden (zoals handigheid) beschikken om het werk goed, eventueel in een zeker tempo, uit te voeren.

Sociale vaardigheden 

Zodra echter een werk tezamen met andere mensen tot stand moet worden gebracht – zodat verschillende, maar met elkaar samenhangende verrichtingen tot één resultaat leiden – wordt nog op een ander vermogen een beroep gedaan.
De andere mensen zijn geen passieve gegevens, maar denken, menen, waarderen, voelen en willen zelf. Om te kunnen samenwerken moeten gemeenschappelijke doelen worden vastgesteld, informatie uitgewisseld en meningen en wensen op elkaar afgestemd. Dit gebeurt door het “gesprek”. De “interactie” van mensen.

Of het nu een simpele mededeling is of een diepgaand overleg, of men om de tafel zit, schriftelijk communiceert of door middel van tekens – er is steeds sprake van een gesprek. De kraanmachinist en de man in het ruim van een schip zijn tijdens het werk ook in gesprek met elkaar.

Voor een vruchtbaar gesprek is nodig:

– bereidheid tot communicatie, d.w.z. uitwisseling van informatie, “openheid” en het elkaar willen verstaan;
– bereidheid tot ontmoeting. Dit veronderstelt aanvaarding van de anderen als medespelers, ook als zij verschillende meningen, geaardheid en behoeften hebben;
– bereidheid tot interactie, d.w.z. om “op elkaar in te gaan”, wederzijdse beïnvloeding mogelijk te maken, nieuwe inzichten op te doen, eigen meningen te wijzigen of niet passende eigen doelen op te geven. Dit berust op het vertrouwen, dat verschillen te overbruggen zijn*.

De resultaten van een samenwerkende groep hangen niet alleen af van de technische vaardigheden van de afzonderlijke leden, maar ook van de mate, waarin een vruchtbaar gesprek tussen hen plaatsvindt. Dat is zelfs bij een autoritair geleide groep het geval, al treedt het daarbij niet zo duidelijk in verschijning.
Een bevredigende en vruchtbare samenwerking berust dus op de bereidheid én het vermogen van de leden om met elkaar in gesprek te treden. Wij spreken i.v.m. dit vermogen van sociale vaardigheden.

Van de sociale vaardigheid willen we een aantal aspecten onderscheiden.

Wanneer ik mijn vaardigheid in het samenwerken op een hoger peil wil brengen zal ik, in de eerste plaats behoefte hebben aan algemene inzichten omtrent verschijnselen van interactie, groepsvorming enz. Een wetenschappelijke benadering daarvan vindt men in de sociale psychologie. Is deze niet alleen als uiterlijke kennis opgenomen, maar door ervaring verdiept, dan ontstaat sociaal inzicht, waardoor ik de mogelijkheden en begrenzingen van sociale situaties kan zien en kan begrijpen waarom bepaalde verschijnselen zich in de samenwerking voordoen.

In de tweede plaats moet men sociale verschijnselen kunnen waarnemen in de concrete situatie. Het opmerken van wat zich nu in de groep afspeelt, berust op een zekere gevoeligheid (sensitiviteit), die kan worden ontwikkeld. Het gaat daarbij bv. om waar te nemen:

– wat de ander eigenlijk bedoelt, uit welke “betekeniswereld”, achtergronden, ervaringen hij spreekt. Op grond daarvan kan men bv. misverstanden in een- gesprek signaleren;
– hoe datgene wat iemand zegt of’ doet (ook ik zelf!) door anderen wordt beleefd en gewaardeerd. Op grond daarvan kan een houding worden herzien of een mening worden gerelativeerd; 
– hoe datgene wat mensen doen  of laten op het groepsproces werkt. 
Een bepaalde opmerking bv. kan het gesprek een geheel ander verloop geven, dan wanneeer dat niet gebeurd was. Niet alleen de inhoud van de opmerking, ook de wijze waarop de persoon de opmerking maakte, kan daartoe aanleiding zijn.

Veel van deze dingen worden in het gewone leven niet of niet tijdig waargenomen.

Waarneming en inzicht tezamen geven de mogelijkheid om gebeurtenissen in de concrete situatie te doorzien, dus te begrijpen wat deze betekenen en hoe ze tot stand kwamen (“diagnostische vaardigheid”).

Het begrip sociale vaardigheid houdt echter ook in dat men – op grond van het bewust worden van het groepsproces – iets doet om de groep verder te helpen.

Wanneer ik als groepslid bepaalde verschijnselen waarneem en begrijp, dan komt de vraag op hoe ik (hetzij als discussieleider of als groepslid) in het proces moet ingrijpen. De op dit moment juiste bijdrage volgt niet alleen uit het inzicht in wat zich heeft voorgedaan, maar vraagt om het vinden van het passende antwoord, dat in deze situatie mogelijk is. Wanneer deze diagnostische vaardigheid niet ontwikkeld is, tracht men met “recepten” te volstaan (zoals men deze in diverse geschriften over discussieleiding ook kan vinden. Bv. “Val niet in de rede!”. Soms zal dat laatste echter de enig juiste handeling kunnen zijn).

Het vinden van het juiste antwoord veronderstelt ook een zekere gevoeligheid. Doe ik dat meer bewust, dan is er sprake van beoordeling van de situatie i.v.m. het doel van het gesprek.
Men moet zich daarbij voorstellen hoe een bepaalde bijdrage zal gaan werken. In ruimere zin gaat het erom hoe men het gesprek als geheel gestalte moet geven. Daarvoor is dus fantasie nodig, zoals elke opvoeder die ook moet kunnen opbrengen.

Ten slotte is het van belang, dat de actie die ik onderneem in de groep ook de gewenste uitwerking heeft (niet “verkeerd aankomt” e.d.). Het gaat daarbij om tact, kiezen van het juiste tijdstip, zich duidelijk kunnen uitdrukken e.d. In ruimere zin gaat het om methoden (technieken) om een gesprek tot een zo goed mogelijk resultaat te leiden. We kunnen hier spreken van “sociale techniek” of groepshantering.

Sociale vaardigheid is dus een geheel van:

1. sociaal inzicht
2. sociaal waarnemingsvermogen
3. sociale fantasie
4. sociale techniek

Een dergelijke onderscheiding is van belang om sociale vaardigheid leerbaar te maken en tevens om een aantal eenzijdigheden te begrijpen.

Houdt iemand zich bv. alleen bezig met sociaal inzicht, dan zal hij niet veel anders doen dan theoretiseren over samenwerking en gesprek. Inzicht in combinatie met sensitiviteit doet de “psycholoog-toeschouwer” ontstaan, de man die situaties doorziet en beoordeelt, maar er nooit “inspringt” noch verantwoordelijkheid op zich neemt.
Degeen die de sociale fantasie tot op zekere hoogte bezit, zal allerlei op zichzelf zinvolle dingen voorstellen en proberen, maar daarmee in de groep weinig effect hebben.
Tenslotte neigt diegene die vooral sociale technieken heeft geoefend ertoe te menen, dat het volgen van een bepaalde procedure en het toepassen van allerlei “techniekjes” een goed gesprek waarborgt (“zó moet je een discussie leiden; zó moet je met mensen omgaan!”).

Het geheel van de genoemde aspecten maakt pas de sociale vaardigheid uit.
Sociale vaardigheid is echter niet mogelijk zonder een sociale instelling (bereidheid tot samenwerken).

Samen willen werken

De sociale instelling hebben we boven al gekarakteriseerd als bereidheid tot communicatie (openheid), tot ontmoeting (aanvaarding van de ander) en interactie (op grond van vertrouwen) , die een vruchtbaar gesprek mogelijk maken.

Sociale vaardigheid zonder sociale instelling leidt tot het manipuleren van mensen of groepen, om daardoor iets voor zichzelf (of een eigen groepering) te bereiken (gelding, specifiek belang, macht).

Sociale instelling zonder sociale vaardigheid daarentegen leidt ertoe dat men niet verder komt, dan het verkondigen van morele waarden of een sentimentele benadering van sociale verhoudingen.

Veel sociaal werk is ondernomen op grond van een sociale instelling, maar dat in de praktijk is gestrand. Dit gebeurde dan vaak op een “bevaderende” wijze (welwillend autocratisch) of een “bemoederende” wijze (liefdadigheidsstijl). Zolang de mensen afhankelijk zijn, werkt dit schijnbaar, zodra zij zich echter meer onafhankelijk voelen, worden de negatieve reacties tot ontsteltenis der “sociaal voelende” leiders zichtbaar. De beweging tot bevordering der “human relations” is veelal misverstaan en in paternalistische of sentimentele stromingen terecht gekomen. De ontwikkeling van sociaal inzicht en sociale vaardigheid is er echter een wezenlijk aspect van.

Het belang van sociale vaardigheid is dat “het sociale” en “het werk” geïntegreerd worden tot samenwerken. Veelal is het nog zo, dat naast de werkorganisatie “iets voor de mensen gedaan wordt”.

Sociale vaardigheden kan men ook benutten om groepen te manipuleren. Daarmee is bedoeld, dat een groepslid zich gedraagt alsof hij als gelijkwaardige deelnemer aan de oplossing van een probleem meewerkt, maar ongemerkt de groep tracht te sturen in een richting die met zijn belangen overeenkomt.
Degene, die de groep manipuleert, zal in een ‘groep capabele mensen verzet oproepen. In een groep, die dit niet “door heeft” of die het “neemt” ontstaan gewoonlijk achteraf gevoelens van onbehagen, die een verdere positieve samenwerking belemmeren. Om misverstand te voorkomen: manipuleren is niet hetzelfde als directief leiding geven. Dit laatste zal noodzakelijk zijn bij een niet voldoende kundige of rijpe groep en zal, wanneer “sociaal-vaardig” gehanteerd, door de groep ook geaccepteerd worden.

De manipulator echter probeert de groep ongemerkt voor eigen doelen te gebruiken, hij treedt niet werkelijk in gesprek met de anderen.

Door het manipuleren worden de anderen tot object gemaakt, men gaat hen, naar analogie van de technische vaardigheden, instrumenteel behandelen.

Tenslotte nog iets over

Conceptuele vaardigheden

Elk werk is gericht op de bevrediging van bepaalde behoeften door producten of diensten (ook ten behoeve van andere organen in het bedrijf). De behoefte bepaalt hoe het resultaat van het werk eruit moet zien. Om dat resultaat te kunnen bereiken is dus altijd een vooruitzien nodig, een idee wat men zal gaan doen en hoe.

Het stellen van een doel, het vormen van een beleid, het ontwerpen van plannen en het vinden van ideeën om een concreet probleem tot oplossing te brengen – al deze geestelijke activiteiten veronderstellen de aanwezigheid van een conceptuele vaardigheid. Daarbij gaat het dus om het onderkennen van behoeften, mogelijkheden, gelegenheden, aan de gang zijnde ontwikkelingen en het concipiëren van ideeën, die daaraan tegemoet zouden kunnen komen.

Men moet een perspectief zien, een weg voor zich zien, gevolgen van handelingen anticiperen, kortom “omgaan met iets wat er nog niet is”. Dat ligt natuurlijk in de eerste plaats opgesloten in de taak van de leidinggevenden. Naarmate echter bij alle medewerkers iets van de conceptuele vaardigheid tot ontwikkeling is gekomen, wordt het meedenken en intelligent handelen in de zin van het geheel door een brede groep van medewerkers mogelijk.

Voor de uitvoerenden (technische, administratieve werkers, specialisten enz.) zal het accent blijven vallen op de aanwezigheid van technische vaardigheden. Bij de leidinggevenden op de conceptuele vaardigheid – des te meer naarmate zij voor een groter gebied verantwoordelijk zijn – terwijl de sociale vaardigheid eigenlijk bij allen ontwikkeld zou moeten zijn, maar misschien het meest uitgesproken voor het middenkader van belang is.

.
Sociale driegeleding: samenwerking

Sociale driegeleding: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3397-3195

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen – autisme (7-1/5)

.

Waarom ik deze oudere berichten toch nog een plaats geef.

.
Eindhovens Dagblad, 06-12-1997

Autisten werden nog maar een paar jaar geleden automatisch onder de verstandelijk gehandicapten geschaard. De internaten leken een logische plek voor deze in zichzelf gekeerde en contactgestoorde mensen, van wie poorten van hun ziel hermetisch op slot zaten. Tachtig procent van alle autisten blijkt inderdaad verstandelijk gehandicapt te zijn, maar de rest is normaal begaafd tot zeer intelligent en vraagt om een andere benadering van de samenleving, door de hulpverlening. De groep heeft enkele handvatten nodig om in het leven van alledag mee te kunnen doen. Sint Marie*, het orthopedagogisch instituut in Eindhoven dat mensen met taal-, spraak- en hoorstoornissen helpt, probeert (twaalf) kinderen met autisme die handvatten aan te reiken. Sinds kort in een nieuw paviljoen. Een van onze verslaggevers was daar een dag te gast.
.

Een autistisch schiereiland
.

De kring is het begin, het vaste begroetingsritueel in het Mosveldje, de leefgroep van de kleintjes. Vijf vrolijke snoetjes zingen het goedemorgenlied. Elke dag opnieuw. ‘Structuur moet zijn’, zegt de leiding. Zonder die zekerheid zouden de op het eerste oog doodgewone kinderen onhandelbaar worden.

Joop wijst leidster Ilse van de Ven op zijn mond. „Tand is eruit gevallen”, meldt hij droogjes. „Onder uit de tanden komen de grootste tanden, hele grote mensentanden.”

Op een flapover tekent de leidster een gehavend gebit. Ze noteert ‘Joop’ en maakt een tekstballon. Hij mag de groep straks vertellen dat ook het gebit van jonge autisten wisselt. Ilse van de Ven: „Voor ons zijn zij in de eerste plaats kinderen en pas daarna kinderen met autisme. We zien de handicap, maar ook het persoontje’.

Tony mag het grote alfabet vasthouden. „Is de 0 een letter”, wil Jack weten. „Of een getal?” kaatst de leidster de bal terug. Jack met stemverheffing: „Nee, een letter.” Hij gooit van de weeromstuit z’n benen in de lucht. Autisme wil zich nogal eens openbaren in ongecontroleerde motoriek.
Anita Singor, ook groepsleidster, snelt vanuit de achtergrond toe om Jack te corrigeren. Jack moet eerst netjes leren zitten, pas daarna kan hij letters leren. Andersom is niet de bedoeling, zou ook zinloos zijn omdat Jack dan nauwelijks iets oppikt.

Schoolse zaken zijn bij Sint Marie ondergeschikt aan het bijbrengen van sociale vaardigheden en zelfredzaamheid, zonder welke een autist weinig hoop rest op een enigszins normaal bestaan. Over dat toekomstperspectief heeft men bij Sint Marie reële verwachtingen: de meeste autisten zullen nooit zonder bescherming kunnen leven in onze maatschappij. Ze krijgen bagage mee voor een meer zelfstandig en gelukkig bestaan, maar afhankelijk zullen ze blijven.

Ilse van de Ven: „Mensen denken dat autisme overgaat, maar het is een blijvende handicap.”

Gekleurde tekeningen van regen, sneeuw, wind en de jaargetijden sieren de muren van het klasje in het nieuwe paviljoen. Een pijl wijst naar de papieren herfst. ‘Praten is zien’. Op dit autistisch schiereilandje van Sint Marie moeten boodschappen zichtbaar zijn om begrepen te kunnen worden. Dat is de essentie van de gehanteerde Teacch-methode.

Voor de kinderen is een wereld geschapen van pictogrammen, eenvoudige afbeeldingen: een tandenborstel voor tanden poetsen, een lopend poppetje voor wandelingen. Elk kind heeft op de centrale gang een eigen dagschema met picto’s. Die wijzen hem of haar de weg door de dag. De tekeningen maken wat komen gaat voorspelbaar. Alsjeblieft voorspelbaar. Want verrassing is gevaarlijk. Verrassing bedreigt wat vertrouwd is. Dat maakt angstig. En angst lokt autistische stoornissen uit.

Voor kleine Bert, die niet praten kan, duurt De Kring iets te lang. Hij begint aan z’n kleren te trekken. Hij mag naar buiten gaan maar gooit de deur hard achter zich dicht. Joop schrikt en grijpt naar zijn hoofd. „Doet beetje pijn in de oren.” Een paar maanden geleden zou hij nog in grote paniek opgesprongen zijn.

Het voorlezen boeit Jack niet. Die schuift heen en weer op z’n stoel en bromt: „Ik heb hoofdpijn, godverdomme.” Het wordt tijd om De Kring te sluiten. Leidster Ilse deelt daartoe blanco overgangskaarten uit. Die zijn niet onpersoonlijk bedoeld, maar brengen de boodschap ‘einde activiteit, terug naar het dagschema’ beter over. Praten is zien.

De persoonlijke picto’s leiden Joop, Tony en Jack naar het zaaltje ‘Alleen Werken’. Op het bureau van Joop prijken gele kaartjes met cijfers die corresponderen met uit te voeren opdrachten in de werkkast. Tony heeft groene kaartjes met letters. Zijn tandenborstelbakje is ook groen. (Structuur moet zijn!)

De werkopdrachtjes van Jack staan in een rek naast zijn bureautje. Hij moet leren van boven naar onder en van links naar rechts te werken. Zonder die routine zou hij niet weten wat hij moet doen. Zou hij niets doen.

Alle drie zitten met het gezicht naar de muur om onnodige prikkels te vermijden. Als Bert binnenkomt, kijkt niemand op. Bert weet wat hij moet doen, hij sorteert in een noodvaart een bak met bestek. De structuur, de zekerheid geeft hem rust. Langzaamaan krijgt hij handelingen onder de knie die relevant zijn voor een zinvolle dagbesteding in de toekomst, thuis, op school of waar dan ook.

In het zaaltje met het bordje ’Leren’ krijgt Joop een praatpicto en Tony een luisterpicto. Leidster Ilse toont een ’f. ’Ffuhhh’, roept Joop. Van de letters ’i’ en ’k’ moet hij een woord vormen. „Ik”, is Tony hem voor. Wanneer die de praatpicto krijgt en met dezelfde plastic letters een woord moet maken, legt hij ’ki’. Praten is zien. De k-klank hoorde hij het laatst. Een woord als ’kin’ begrijpt het duo alleen als het lichaamsdeel wordt aangewezen.

Het dagelijkse halfuurtje in de speeltuin is vaste prik. Daar, in de zandbak, komt het egocentrisme bovendrijven. De kinderen spelen met verve, maar wel naast elkaar, ieder voor zich. Spelen mét een ander vinden ze leuk noch vervelend, voor hen is het spelen met een instrument. Vriendschap zegt hen weinig, vriendschap is met te veel twijfels omgeven.

Dus staat Bert in z’n uppie op het speelrek, rent Jack met een speelgoedauto heen en weer door de zandbak en fietst Joop alleen rond. Alsof je naar een slecht geregisseerd toneelspel kijkt.

Lunchtijd in de Heuvelakker, het paviljoengedeelte van zeven opgroeiende jongeren (9-14 jaar). Aan een van de tafels zitten Ben, Terry, Peter en leider Toon Meeuwis. Ben heeft een sigarenkistje en een handvol rode, papieren mondjes bij zijn bord liggen. Hij praat en plaagt – met Terry als slachtoffer – te veel tijdens het eten. Telkens als hij de maaltijd verstoort, moet hij een mondje in het kistje doen. Halverwege de lunch zijn de papiertjes op en moet Ben zwijgen. Dat doet hij grijnzend.

Peter hoort te veel. Hij hoort meer dan andere mensen, het ruisen van tl-buizen bij voorbeeld. De binnenkomende prikkels kan hij niet filteren. Speciale oordopjes moeten het volume verminderen. „Anders heb ik pijn en ga ik me vreemd gedragen”, vertelt hij kalm en duidelijk. Met zijn correcte voorkomen zet hij buitenstaanders makkelijk op het verkeerde been. Wat doe jij hier’, zou je hem willen vragen. Maar als hij even later met een elektrospel moet spelen en zich daarbij verveelt, begint hij zonder aanleiding met het spel hard op de tafel te slaan. En hij schreeuwt enigszins paniekerig naar anderen. Plotseling lawaai is olie op het vuur bij autisten. Ben laat Terry weer eens schrikken als deze nietsvermoedend van het toilet komt. Terry herstelt zich en grijpt onmiddellijk de rechterarm van Ben, draait die met een ruk om totdat Ben het uitschreeuwt van de pijn. Eerst zou Terry om hulp geroepen hebben, in paniek geraakt zijn. Nu, dank zij de intensieve, bijna een-op-een begeleiding, geeft hij steeds beter aan wanneer hem iets te veel wordt.
Soms dreigt hij daarbij naar de verkeerde kant door te slaan. Dan moet hij vijf minuten de ‘Time Out’ in, een kale isoleerruimte waar een verscheurd telefoonboek op de vloer de stille getuige is van Terry’s incidentele woede. Via een doorkijkwand houdt de leiding hem nauwlettend in de gaten: hij zou niet de eerste autist zijn die zichzelf verwondt.

Later in de middag zit Terry in de gezamenlijke woonkamer te dammen, tegen z’n alter ego. Wiegen is een andere geliefde, solitaire bezigheid. Als je ’t hem vraagt, dreunt hij woordelijk de Disney-film De Leeuwenkoning uit zijn hoofd op: elke dialoog, ieder stemmetje. Van nut is het niet en lol beleeft Terry er niet aan, maar hij kan het en daarmee basta.

Ook de anderen citeren uit het hoofd delen uit boeken en films. Uitgestelde echolalie heet dat. Soms plaatsen ze, onbedoeld, zinnen in de goede context. Het blijven holle frasen. (Een van de jongens was laatst het paviljoen binnengerend met de mededeling: ’Nu weet ik wat er met mij aan de hand is; ik heb een atypische pervasieve ontwikkelingsstoornis.’ Op de vraag wat dat inhoudt, was een veelzeggend zwijgen gevolgd.)

Picto’s tref je in De Heuvelakker al minder aan. In de hal hangen wel net als bij de kleintjes persoonlijke dagschema’s (structuur moet zijn!), maar dan met hoofdzakelijk geschreven taal. Zes van de zeven jongens blijven de hele week en soms ook in de weekenden intern, ze hebben ieder een eigen slaapkamer. Wanneer ze naar huis gaan, krijgen ze een schema mee dat vooraf doorgesproken wordt met de ouders.

‘Structuur moet zijn’ en ‘Praten is zien’. Daarom loodst een stappenplan sommige jongens door de douche. De lijst vermeldt op welke dagen zij hun haren moeten wassen met shampoo en geeft enkele wenken van logica: bij het wassen met het gezicht beginnen, niet met de piemel.

Op de deur van de woonkamer kleven nog enkele spelregels. Plagen of pesten is goed voor vijf minuten op de kruk op de gang. Weglopen kost tijd: hoe langer je wegblijft, des te eerder moet je naar bed. En iets vernielen kost een kwartje. (De kinderen krijgen per week een gulden zakgeld.) Leerdoelen zijn heel concreet en erop gericht dat de kinderen naar een school kunnen. Ze zijn in staat te leren hoe je veters strikt, maar ‘zelfvertrouwen kweken’ is te abstract voor hen. Ze worden getraind in het maken van keuzes. En ze oefenen in sociale omgang. Wat voor veel mensen iets vanzelfsprekends is, blijkt voor de meeste autisten een pad te zijn vol onvoorspelbare valkuilen en struikelblokken.

Onvoorspelbaarheid! Laat in de middag neemt leider Toon een gok door onderweg naar het bos de bestemming te wijzigen in Eindhoven Airport. Deze onverwachte wending doet de hele bups aanvankelijk gruwen (veel gewiebel en gestotter) totdat hun nieuwsgierigheid het van de angst en de onrust wint. Alleen Harrie draait wild met z’n arm. Hij heeft geen trek in het onbekende en wil naar huis. Structuur moet zijn!

De namen van de kinderen zijn op verzoek van instituut Sint Marie en de ouders gefingeerd

.
*De naam Sint Marie is nu verbonden aan een ander instituut

.

Ontwikkelingsbelemmeringenalle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3396-3194

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Vastenavond (en carnaval)

.
Niet omdat ‘Vastenavond’ een jaarfeest op de vrijescholen zou zijn, volgt er hier een artikel over, maar deze speelt of speelde in onze recente geschiedenis in sommige streken een (grote) rol.
Als het ‘nog leeft’ en je school staat in zo’n streek of je woont er zelf, is het goed om bekend te zijn met de wortels ervan, de oude gebruiken, e.d.
Tevens wordt er nog veel vermeld over carnaval.

.

vastenavond
.

Bernard van Dam vertelt in zijn Oud-Brabants dorpsleven (1972):
‘Voor ons, plattelandskinderen, was er wel een groot verschil tussen de begrippen Vastenavond en carnaval. Terwijl dit laatste woord op ons dorpke in heel slechte reuk stond en ten gevolge daarvan bijna nooit gebruikt werd, oefende het woord Vastenavond reeds vroeg een grote aantrekkingskracht uit. De carnavalswind die vanaf Den Bosch over onze dorpkes kwam gewaaid, zette onze verbeelding wel in werking, maar niet in die zin, dat men behoefte gevoelde de Bosschenaars in hun uitgaan en maskerades na te doen. En als ik dan nog naga dat het vooruitzicht op ‘spekstruif eten’ wel iets aanlokkelijks had, maar toch niet in staat was ons wild en enthousiast te maken, dan blijft er maar één ding over dat een verklaring kan geven van het waarom Vastenavond zo’n aantrekkingskracht op onze jeugdige verbeeldingskracht kon uitoefenen. En dat éne ding was de rommelpot!’ 
“Al deze oude gebruiken zijn zo goed als verdwenen De hoogconjunctuur heeft op ons platteland de Vastenavond verdreven en er carnaval voor in de plaats gebracht.’

Maar er zijn toch ook nu nog kleine dorpen, waar de face-to-face gemeenschap een wezenlijke viering mogelijk maakt. Zo in het Limburgse Steijl onder Tegelen. Men houdt er, zij het niet elk jaar, eenketelgericht’ op Vastenavond. Wie er al zo in de ketel gestopt zijn? Een agent, die een jongen bekeurde, omdat hij zich in verliefde staat op het gras bevond. Een vrouw, die haar man ’s avonds uit de kroeg haalde, waartoe men een jochie als vrouw aankleedde, die ‘Op tied thoes, op tied thoes’ moest roepen. Een voorzitter van een voetbalclub, die graag hogerop wilde en voor de jongens stond te goochelen met vreemde woorden die zij niet snapten. Ziehier een middeleeuws aandoende strafoefening, een ‘volksgericht’, voortlevend als volksvermaak.

Boxmeer houdt elke vastenavondtijd op maandagochtend vóór tien uur een ‘geplogenheid’ in ere, waarbij alles zich afspeelt om het carnavalssymbool bij uitstek: de worst, een pracht exemplaar van zeven ellen lang. Zoals de krab en de zilveren puit (kikvors) prins Nilles I van Krabbegat (Bergen op Zoom) versiert, zo vormt de worst- in zilver geslagen – het palladium van de Boxmeerse worstenkoning, waartoe de winnaar van de unieke metworstrit naar hoeve ‘ De Bruigom’, in het Vortumse veld, wordt verheven. Een jaar lang is hij vrijgesteld van contributie, maar hij moet, volgens artikel 14 van het regiement, de gewonnen worst en de ton bier voor de leden bestemmen.

In het holst van de nacht wordt het feest ingeblazen door gemaskerde lieden, die op koehoorns een luguber getoet voortbrengen: een Boxmeerse pendant van het op koehoorns blazen der Terschellinger en Amelander Sunderklazen. Officieel wordt dit inblazen om halfzeven herhaald door een tweetal als boerse herauten uitgedoste trompetters. Alsof dit kabaal nog niet voldoende is, toetert de bakker uit alle macht op zijn bakkershoorn, daarmee verkondigend dat bij hem ‘de warme mikjes’ bij honderden op de mogenlijke kopers liggen te wachten. Oude Helmondse en Eindhovense bakkers herinneren zich het ‘ werreme wei bloaze’, in Vlaanderen waardeerde de burgerij op Vastenavond het ‘hete-brood-trompen’, in Groenlo toeterden de bakkers daartoe op koehoorns en tot het in werking treden van de nieuwe bakkerswet werden ook de Zaandamse ‘luilakbollen’ onder hoorngeschal verkocht.

Een lang aangehouden bazuinstoot roept de schare naar het Sint-Rochusplein met het beeld van het Heilig Hart. Van alle kanten rijden daarheen de zogenaamde ‘Metworstelaars’ — ongehuwde jongelieden in witte pantalon, blauwe Brabantse kiel, rode zakdoekdas, een slappe vilthoed en met op hun schouders de zwierige rode en witte linten.
Stapvoets vooraan rijdt de standaarddrager rond, die hoog de standaard heft, welke de burgerij in 1890 bij de herdenking van het 150-jarig bestaan aan de vereniging ten geschenke heeft gegeven. Ook de koning van het vorig jaar komt aangereden, gevolgd door zijn beide adjudanten. Op zijn borst draagt hij het  zwart-fluwelen schild met de zilveren metworst en een drietal medailles. ‘In de blauwe schemering van de druilochtend’ -aldus Van der Ven – ‘was het een fantastisch schouwspel, waarin aan de voet van het Christus-Koningbeeld als symbool der kerkelijke religie de dragers der oude volksreligie bijeenkwamen in hun tot vastenavondvermaak gedegradeerde activiteit van oorspronkelijke vruchtbaarheidsruiters.’ Merkwaardig is het feit dat de molenaar van het dorp er destijds op stond, dat de rijders in hun wilde ren door de akkers op ongezadelde paarden langs de molen kwamen om er sterke drank te nuttigen. Op zo’n manier immers verkreeg hij deel aan de zegen, die de jongelingschap met haar rituele paardenrit hoopte op te roepen.
Toen in 1923 de winnaar omhangen zou worden met het zilveren metworstversiersel, tilde men hem eerst op een bierton, waarna men de nieuwe majesteit het metworstlied toezong op de melodie van het Wilhelmus. Terwijl de korting, omhangen met de metworst en met in zijn armen de varkenskop en de beide broden, de hulde in ontvangst nam, constateerde Van der Ven, hoe bij de inzet van het lied hoeden, petten, mutsen en carnavalsbaretten afgingen in een mogelijk nog vaag besef, dat hier iets plechtigs geschiedde:

Vivat de Metworstkonmg op de bierton!
Jan Strube in Het carnavalsboek van Nederland van D. J. van der Ven
.

De overwinningsbuit wordt daarna geladen op de ‘worstenwagen’. Op deze hoogwielige kar bevindt zich in een smoezelig clownspakje een opgeschoten jongen, die gelaat en handen met een gebrande kurk zwart heeft gemaakt. De schilderingen van de zijborden en het achterkrat hebben betrekking op de gebeurtenis uit het voorjaar van 1740, die aanleiding zou hebben gegeven tot het ontstaan van de metworstvereniging en het ‘metworstrennen’. De redding van freule Aleida van Asselt, die met haar koets verongelukt was, door een zevental Boxmeerse jongelingen, moet het jaarlijkse metworstrijden ten gevolge hebben gehad. De freule gaf:

. . . en handvest dat nadien
Op perkament getekend
Mit zeegel en consent voorzien
Vur eeuwen hin berekend . . .

Dit handvest heeft niemand ooit gezien: het moet met het authentieke reglement verloren zijn geraakt. Men mag aannemen dat er nooit zo’n stichtingsoorkonde heeft bestaan, ja zelfs dat er wellicht nooit een freule Aleida met een reiskoets in de Vortumse beek is gevallen. Het volk heeft klaarblijkelijk een historische verklaring toegevoegd aan een overoud vruchtbaarheidsfeest waarin de vrouw, naar internationaal gebruik, de centrale plaats inneemt. Niettemin deelt H. C. A. Grolman mee: ‘Dit servituut is te vinden in de koopacte van de tegenwoordige boerderij en in kopie in het vroegere schepenhoek in het archief te ’s-Hertogenbosch’ (Nederlandsche Volksgebruiken De Kalenderfeesten, blz. 143, Zutphen 1931). Nader onderzoek toonde aan dat ook in Sambeek een soortgelijk servituut op een hoeve lag, terwijl eveneens in Koudewater bij ’s-Hertogenbosch een dergelijk gebruik voorkomt – maar dan opgenomen in een Sint-Anthoniusviering. Men lette op de veelzeggende hoevenaam ‘De Bruigom’ en op het feit dat frieule Aleida, een verkleed manspersoon, bij de Boxmeerse vastenavondviering een hoofdrol vervult. Ook de worst, als fallisch symbool, brengt ons in de sfeer van een vruchtbaarheidsritus.

Bij de beschrijving van het tweede voorbeeld zijn wij tegelijk al bij een veronderstelling over de oorsprong van veel van deze feestelijkheden aangeland: de voor een boerengemeenschap zo beslissende vruchtbaarheid van veld, vee en volk. Bijna alles in het Boxmeerse ritueel wijst in die richting, al zullen de huidige dragers van deze bijna heilige tradities zich deze herkomst niet meer bewust zijn.
Een verwant geval, nog directer, vindt men in Viert vroolijk feest! door Lys Byrdal, voor Nederland bewerkt door R. Lottgering-Hillebrand. Op blz. 115 leest men daar hoe de Deense huisvrouw in het midden van de tafel een klein ‘vastenavondtonnetje’ zet, van binnen met rood crêpepapier gevoerd en van buiten bont geschilderd. In dit tonnetje wordt de ‘vastenavondroede’ geplaatst, nagebootst door kale takken die keurig zijn verguld. Een nadere verklaring van deze man-vrouwsymboliek lijkt overbodig.
Ook de ‘Pritsche’ en de ‘Streckschere’ (de ‘happechar’ van de ‘haguettes’ van het carnaval van Malmédy), de serpentines, de confetti en de Zuidfranse kalkbolletjes kan men met meer of minder recht tot de erotiek rekenen, evenals de carnavalsbegroeting met de lange neus, die een ‘erectio’ kan verbeelden (‘Men groet in Brabant met de duim aan de neus, in Limburg met de rechterhand links van het hoofd’).
Treffend lijkt het feit dat een wat oudere vrouw uit het Salzburgerland de zweep-zwaaiende ‘Percht’ (een stokpaardruiter) afweerde met ‘Bitte, nein, dieses Jahr nicht’.
In een zo verafgelegen gebied als de Kaukasus, vooral bij de Swanen, treedt de erotiek nog onverbloemder aan de dag dan in het gepolitoerde West- en Midden-Europa. Daar trekken ongetrouwde jongeren een man zijn hemd en broek uit, zodat diens geslachtsdelen zichtbaar worden. Een ander pakt deze naaktfiguur aan de rugzijde bij de hand, een derde pakt de tweede, enzovoort, totdat zij samen een keten vormen. De voorste houdt zijn lid in de hand, die er achter komen stoten en roepen. De naakte slaat met een roede de onachtzamen, die niet goed vasthouden. Men vertelt, dat de kinderen in december, negen maanden na dit feest, worden geboren. Ook in het Belgische Tienen en Merchtem wordt daarop gezinspeeld:

Toe, boerinneke,
Koopt een kinneke
Tegen vastelavond;

Toe, boerinneke,
Koopt een kinneke
Tegen carnaval!

Zien wij, hoe in de Middeleeuwen carnaval of liever Vastenavond gevierd werd dan wordt ons dit aspect van de vruchtbaarheid, van het herleven van de natuur – bezwerend opgeroepen in de dorre ledige wintertijd – nog duidelijker. Leerzaam is bijvoorbeeld een boekje van prof. dr. Fritz Brüggemann over het zogenaamde ‘Schembartlaufen’, het met maskers lopen in Neurenberg (1936). Door een gelukkige bestiering is ons een groot aantal fraaie kleurenprenten van ooggetuigen bewaard gebleven, uit de periode 1449-1539. Men ziet er een Schembartlaufer’ bij uit 1451 in het zomerse wit, met een klokkenketen breeduit om de hals en met een visbennetje op de heup. Dergelijke zegevierende gedaanten in het wit zijn de bestrijders van ruige, donkere winterdemonen. De laatsten zijn dermate schrikwekkend, dat men begrijpen kan hoe een jong meisje uit Leipzig anno 1449 zo’n angstaanjagend mombakkes van pure ontsteltenis dood stak en daarna door de rechter vrijgesproken moest worden: zij had gehandeld uit noodweer.
Een meisje van ons eigen Texel werd stom en sprakeloos van schrik, door de vermomming van haar vrijer (Texels Volksleven van Dirk Dekker). Alleen voor de kerk en het kerkhof hield de overmoed stand. Dat had blijkens tal van verhalen zijn goede reden.
Eens vluchtten enkele kinderen voor een gemaskerde in de kerk. Hij echter volgde hen in het Godshuis en heeft zijn leven lang het masker niet meer van zijn gezicht kunnen krijgen. Ook het kerkhof mocht een gemaskerde nimmer betreden, op straffe van plotselinge verandering in stof en as. In dit verband past dat Augustinus het maskeren een sacrament des duivels achtte en dat paus Gelasius in 492 het rondlopen in dierenhuiden verbood, zijnde een heidens gebruik.

Een hoogtepunt vormde in Neurenberg en elders – en thans ook weer in Heerlen, Nijmegen en Bergen op Zoom – het optrekken van een wriemelend narrenschip vol zotte gedrochten en van onderen omkleed, vreemd genoeg, met blauwe golven en voortbewogen op karrenwielen. Een geheimzinnige vertoning, die op de een of andere wijze omgebogen naar het kluchtige — verband kan houden met Oudgermaanse voorstellingen, waarbij dr. D. Th. Enklaar in zijn Varende Luyden (1947) nog voegt de betekenis van het schip als christelijk zinnebeeld.

Het narrenschip ‘De Hel’ in de optocht van het ‘Schembartlaufen’ te Neurenberg (1506).
.

In wezen waren het ernstige, godsdienstige voorstellingen, reeds te vinden op oerhistorische Zweedse rotstekeningen (o.a. schepen met bomen) en beschreven in Tacitus’ Germania. Tacitus vertelt van de godin Nerthus, Moeder Aarde, rondgevoerd op een heilige wagen door koeien getrokken en afkomstig (denk aan de blauwe golven van het Neurenbergse narrenschip!) van een woudrijk eiland in de Oceaan. Tacitus deelt mede hoe alle plaatsen die de Nerthuswagen bezocht, vrolijk feest vierden. ‘Dan begint men geen oorlogen en neemt men geen wapens ter hand; alles wat van staal is, bevindt zich achter slot; dan kent men slechts vrede en rust totdat dezelfde priester de godin, als zij verzadigd is van het verkeer onder de mensen, naar het heilig woud terugbrengt. Tacitus schildert een Germaanse geloofshandeling uit het begin van onze jaartelling.
Tussen Tacitus en Neurenberg in vindt men de singuliere vermelding van een soort van ‘blauwe schuit’, die van Kornelimunster bij Aken westwaarts is getrokken. In 1133 dwong men de wevers, ter bespotting, op zo’n narrenschip plaats te nemen en het voort te trekken. In Maastricht zette men een mast op de wagen en een zeil. Toen ging het, onder uitgelaten vreugdebetoon, langs Tongeren en Borgloon naar Sint-Truiden. In het graafschap Leuven moest de dolle stoet omkeren. In de Latijnse kroniek van abt Rudolf van Sint-Truiden heet dit schip, nogal eigenaardig, ‘terrae navis’ = aarde-schip.
Volgens drs. P. L. M. Tummers echter, in zijn Carnaval en Carrus navalis (Neerlands Volksleven, XXI, blz. 20-27) is dit unieke, voor één bepaald jaar genoemde ‘aardeschip’ niet in verband te brengen met carnaval en het een of ander heidens ritueel – toch zullen er, volgens ons, in spotvorm wel degelijk oude voorstellingen in voortleven, die zowel met het bericht van Tacitus als met de latere ‘blauwe schuiten’ van doen hebben. Drs. Tummers blijft er nuchter bij: men kwam op de schuit, omdat er voor het ’weven een ‘schuitje’ nodig is. Het komt ons voor, dat alleen de associatie met een oud cultuselement de deining rondom het gebeuren afdoende mag verklaren. De reactie van het publiek geeft te denken en doet een terugkeer naar een vruchtbaarheidsritus vermoeden: ‘Terwijl het daglicht afnam en de maan reeds opkwam, sprongen scharen vrouwen te voorschijn uit hun straten, met loshangende haren, sommigen halfnaakt, anderen slechts gehuld in een eenvoudig bovenkleed en zij voegden zich bij hen die reidansen rondom het schip uitvoerden, en zij deden er op schaamteloze wijze aan mee. Gij zoudt hier soms duizend mensen van beiderlei kunne een matrozenzang zien vieren tot middernacht. Soms onderbrak men die dans en dan gaf men zich, onder luid gekrijs, aan orgieën over! En dit duurde meer dan twaalf dagen achtereen . .

Eind-middeleeuwse ‘blauwe schuiten’ worden o.a. vermeld voor Bergen op Zoom, Nijmegen en Utrecht. Ook in de antieke wereld vormden dergelijke wagens een gewichtig onderdeel van de eredienst. Zo werd in Attica Dionysos, gezeten in een schip op wielen, naar de tempel gebracht. Ook uit Voor-Azië zijn parallellen vanouds welbekend.

Is dr. D. Th. Enklaar, in zijn baanbrekende Varende Luyden (1947), overtuigd van een samenhang door de eeuwen heen en van een cultische achtergrond van al dergelijke wagens, skeptisch is H. Levelt in Sinte Geertruydtsbronne 1 (1924), in zijn opstel over de ‘Gesellen der Blauwe Scute te Bergen op Zoom’. Het blauw is zijns inziens – als passieve kleur – zinnebeeld van de onnozelheid en de wagen is een navolging van de Rederijkers, ‘die ook op wagens vertooningen gaven’. Men zij dus enigszins op zijn hoede voor deze ‘carrus navalis , die stellig niet het woord ‘carnaval’ (pas in 1673 in het Nederlands gesignaleerd) teweegbracht. Dit komt ongetwijfeld uit het Italiaans, waar de tweede a steevast een e is, zodat het woord geredelijk past bij ‘carnelevare’ (het vlees opheffen), met vereenvoudiging van het tweede deel, mede door de bijgedachte aan ‘natale’ (kerstmis). De zondag vóór de vasten heette, in het Ambrosiaanse Rituaal, ‘Dominica carnelevalis’! Het mag voor zichzelf spreken dat het Woordenboek der Nederlandse taal kolommen over Vastenavond geeft en slechts luttele regels over het woord carnaval!

De blauwe schuit, naar een tekening van Hub. Schuh (1949), geïnspireerd op ‘Die blau Schuyte’ van Hiëronymus Bosch. Uit D. J. van der Ven, Het carnavalsboek van Nederland (1950).

Een overoud voorstadium van het carnaval vindt men heden ten dage op de Waddeneilanden. Maar dan gebeurt het — dat angstaanjagende rondtrekken van gemaskerden voor wie geen vrouw veilig is – in de decembermaand. Een kundig waarnemer van de volksgeest als wijlen prof. dr. G. S. Overdiep te Groningen werd bij herhaling getroffen door de ernstig-rituele stijl van de Amelander Sunderklaasviering die zijns inziens tot een ver en heidens verleden terugreikt. Men zie hiervoor o.a. S. J. van der Molen, De Friesche Kalenderfeesten, blz. 107 en vooral Ameland, eiland der demonen van J. W. F. Werumeus Buning in Elseviers Weekblad van 18 december 1948:

‘Een meisje rende een huis uit. De vreemden sprongen achter haar aan. Zij sloeg een deur achter zich dicht; een tel later rammelden daar de spoken aan het slot, en sloegen er met de stokken op. Het licht in dat huis ging uit. Wat verder repte zich een jongen over de weg. Maar van de andere kant, als uit het niets gekomen, stonden ook daar drie vreemdelingen, en versperden hem het pad; hij was gevangen. Hij stond in een kring van stokken, spoken, en grommende geluiden, en terwijl hij daar stond naderden er van alle kanten meer, uit de duisternis . . . Hij is het ontsnapt, omdat hij voor zijn moeder nog een zakje griesmeel moest gaan kopen, zei hij. Maar hij liep als een haas zo hard, de schrik zat hem nog in het gebeente. … na daglicht geen jongens beneden de manbare leeftijd van achttien jaar en geen vrouwen van welke leeftijd dan ook bij de weg … op straffe van er af geslagen en door de gierput gehaald te worden. En als het dorp dan schoongeveegd is, gunt men de vrouwen een genadig uur: zij mogen gaan eten en zich verzamelen in de huizen waar een lantaren voor de deur hangt, en in de drie herbergen van het dorp. Zij scharen zich daar op lange banken en stoelen, zo tegen de klok van achten, als het werkelijk duister is. • • • te pronk en te prooi- • • voor de oude Sinterklazen. Als hij met de stok op de grond tikt, voor de voeten van een meisje, moet zij dansen of tenminste een pasje maken; als hij de stok hoger houdt, moet zij er over springen . . . Daar is op donkere achterkamers in wekenlang geknip en genaai, met moeizame mannenhanden zilver- en purper- en goud-papier aan reepjes gestikt – want niemand mag weten hoe gij, mijn vriend, er uit zult zien, ik ben een vermomd persoon, ik ken u niet, gij kent mij niet, ik ben een ander, gekleed in een mantel van blauw zilver, beestachtige geluiden brommend door een koehoorn. . . . Een raar wezen van grauwe meelzakken, met dotjes watten op de buik. Een wintergeest.’

Tot zover Werumeus Buning, dichter en journalist. Wij concluderen dat op de eenzame Waddeneilanden een cultuurfase bewaard bleef even oeroud en van een zelfde karakter als wat wij in het eveneens eenzame Zwarte Woud of in de Alpenlanden met hun ‘Perchten’ kunnen aantreffen, die echter al in 1902 tot een soort van opvoering verbleekt waren, waar het Salzburger Volksblatt toe uitnodigde.
Ook op Texel, waar men het viert op 12 december, heet dit feest Ouwe Sinterklaas – omdat het geschiedt in de oude trant, niet volgens de nieuwe mode van de nu algemene Sinterklaasviering met kinderbisschop.

‘Intusschen wordt de St. Nicolaasavond nergens luidruchtiger en ruwer gevierd, dan op het eiland Texel. Op den avond van den 5 December gaat het aan den Buigt, het oude Schild, te Hoorn, te Oosteinde, enz. schouw toe, zoodat men op dien avond op de straten voor beleediging en zelfs voor mishandeling van baldadige gezellen en halfwassen jongens niet veilig is. Zij hollen gemaskerd en dikwerf in een staat van dronkenschap door de dorpen, hebbende naar oud gebruik het regt, om wie ze ontmoeten met meel te bestrooijen; doch daar blijft het niet bij, en menig een wordt met allerlei vuil begleerd en besmeerd, terwijl er ook niet zelden klappen en stooten uitgedeeld worden. Men viert op Texel dit feest – ‘ zoo als ’ t heeten moet’ – op 5 en 6 December, als ook nog eene week later, en zij, die wat op rekening hebben, doen als dan het voorzigtigst en verstandigst, om dien dollen, woesten pret niet bij te wonen en stil in huis te blijven, ten einde niet door een gemaskerden St. Nicolaas te worden aangevallen en beleedigd.’

Aldus M. D. Teenstra, in zijn merkwaardige De kinderwereld, Groningen 1853, die niets moet hebben van woestheid, onverstand en bijgeloof.

Het primitieve van dit gebruik blijkt ook uit het feit dat geen organisatie plaatsheeft: alles geschiedt vanzelf als een onontkoombare traditie, waartegen geen ‘slachtoffer’ zich met fatsoen verzetten kan. Het gaat, in de kille en duistere decembermaand, buiten alle VVV-bemoeiing of toeristische interessen om. Toch is ook in dit treffende gebruik al enigszins de klad gekomen, bijvoorbeeld doordat er wel eens buffelhorens verhandeld zijn aan begerige zomergasten. Een Amelandse missionaris in Afrika zorgde in 1955 voor een nieuwe zending uit het Zwarte Werelddeel, opdat de Sunderklaasviering weer in alle luister zou kunnen plaats hebben. Tenslotte mag nog worden opgemerkt dat de naam ‘Sinterklazen’ er met de haren is bijgesleept, omdat de viering in dezelfde periode plaatshad als het veel later opgekomen feest van Sint-Nikolaas, dat de oude gestalten meer en meer verdrong en er soms wat van overnam.

Soortgelijke gebruiken als op Ameland treft men bijvoorbeeld aan in de buurt van Bergum (Friesland), op Schiermonnikoog, Terschelling, Vlieland en Texel. Op laatstgenoemd eiland dringen de Sinterklazen de huizen binnen om de bewoners op spottende wijze de les te lezen. Deze kritiek, vanwege de gemeenschap, vindt men terug in het carnaval der zuidelijke provincies. Met name in Sittard, waar tot oude totebellen getransformeerde vrouwspersonen rondwaren als fantas-tisch-sarcastische ‘vamps’ en onbeschroomd, met een rinkelende kwinkslag, de waarheid zeggen. Men zie voor dit overoude ‘Weiberrejfiment’ – behalve Van der Vens Carnavals-boek – Carnaval in Limburg (1951). Al in Wolfram von Eschenbachs Parcival (1206) wordt van een vastenavondspel voor vrouwen gesproken. Ook spotredevoeringen vanuit een ton (of vanaf een stokpaard), aan de gang gebracht door het Rijnlandse voorbeeld zijn dermate geliefd dat er wedstrijden voor ‘buuttereedners’ gehouden worden. Alles in het eigen dialect, net als de meer en meer uitdijende carnavalskranten, waarin ook de advertenties in de lokale taal gesteld zijn.

Dit was dan het een en ander over de oeroude, de heidense ondergrond der vastenavondgebruiken. Ondergrond, meer niet. Het valt te begrijpen, dat de rooms-katholieke kerk – die in veel gevallen niet radicaal ingaat tegen vastgewortelde inzettingen – op deze zuiverings- en vruchtbaarheidsorgie, dit contact (via demonische gestalten) met de in de ‘wendetijd’ wederkerende voorouders, haar eigen christelijk stempel heeft gedrukt. Zij laat het vlees zich uitleven, maar op Aswoensdag haalt men zijn kruisje ten einde zich in de Grote Vastenperiode van veertig dagen te bezinnen op het lijden des Heren. Vlees en Geest worden op zo’n manier tot een synthese gebracht, die de mensheid zozeer behoeft, wil zij niet in ijdelheid verloren lopen. Het zich uitleven, van de éne zondag (aanvankelijk het begin van de vasten) uitgebreid naar de erop volgende maandag en dinsdag, gaat aan de onthouding vooraf. Men zou zeggen: dit is de omgekeerde wereld. Normaal lijkt het werk en de soberheid, waarna komt als schone bekroning de welverdiende feestvreugde. Maar is het toch ook weer niet zo, dat een boetvaardig kind zal menen zich heldhaftiger te gedragen, wanneer het, om zichzelf te straffen, na de eerste chocolaadjes de doos opbergt, dan wanneer het nooit chocolaadjes geproefd heeft? Deze huiselijk-psychologische verklaring leest men in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 5 maart 1935.

De protestantse Kerk stond over het algemeen niet zo rekkelijk tegenover wat zij als heidense en paapse ‘superstitiën’ placht te beschouwen. Niet alleen Holland, ook Brabant en Limburg – tot de Franse overheersing Hollandse wingewesten zonder stem in het kapittel – werden op het stuk van de vastenavondviering stevig geringeloord vanwege het stadsbestuur, al dan niet hiertoe aangespoord door de predikanten. Maar ook de rooms-katholieke overheid, geleid door het normbesef van de burgerij stelde zich te weer. Kende Breda in 1849 een ‘carnavalsoproer’, ook in onze eeuw waren daar moeilijkheden rondom het carnaval. Zo meldde de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 10 februari 1939, dat het symbolisch verbranden van een stropop een bespotting geacht werd van de kerkelijke opvattingen omtrent teraardebestelling en lijkverbranding. De Bredase carnavalsvereniging heeft toen medegedeeld, dat de ‘begrafenis’ van het carnaval (= de winter) – een internationaal, overoud gebruik – niet kon plaatsvinden, daar de autoriteiten geen medewerking wilden verlenen. In Sittard kwam het tot relletjes in 1932. De ruiten van de raadsleden, die soms zelf de ‘drie dolle dagen’ in Keulen hadden bijgewoond!, werden ingegooid. Enkelen werden onthaald op een flink pak ‘preugel’, zelfs bond men een veldwachter aan een boom vast en plantte hem de vastenavondmuts op het hoofd. Het gevolg van een en ander was, dat de ‘ aanhauwetesch’ (aanhouders) het volgend jaar Madame Marks (‘rasmerrie met negen veulens’) in de raad verkozen. Met de hoge hoed op het hoofd en de bezem in de hand sprak zij luidkeels, vanuit een dakvenster, de menigte toe en zwoer de ‘Vastenaovend’ tegen deken en burgemeester, tegen bisschop en koningin te zullen verdedigen.

In Den Bosch was het mis in 1919. ‘ Toen stonden de anders zo goedmoedige Oeteldonkers uit de arbeidersklasse als één man geschaard om hun met veel linten getooide banier en zij wisten zelfs van geen wijken, toen de marechaussee charges uit voerde en er bloed vloeide’ (D. J. van der Ven). In 1936 stond de burgervader voor het eerst weer toe, de ‘Prins’ met muziek in te halen.

Ook in het noorden bleef de vastenavondviering zich tot kort voor onze tijd min of meer handhaven, in het bijzonder in de rommelpotliederen van het volk en de kinderen. Kenschetsend is het onder meer dat op de streng calvinistische Zuidhollandse eilanden, met hun ‘zwartekousenkerkjes’, tot vandaag de dag ‘vastelavonden’ gebruikt wordt in de betekenis van ‘een gezellig avondje houden’ (P. Maaskant, Het volk van ‘Vrederijk’).
Op Dikke Dinsdag verteren de katholieken in De Streek (tussen Hoorn en Enkhuizen) de kaartpot. Men verbrandt het oude en beduimelde stel kaarten, en schaft zich in september – de aanvang van het seizoen – weer een gloednieuw ‘duivels-prentenboek’ aan. Dit is precies zo bij de roomsen in Lisse-Hillegom, waar het werk op maandag ook stil ligt. Voor Haarlem wordt – behalve het noten eten – het vastenavondboerenbal in de ‘ Vauxhal’ gemeld, gevierd door de rooms-katholieke boeren uit de omgeving. Maar dit is al evenzeer verleden tijd geworden als het ‘vastenavond krijgen we bollen met botter’ van Keesje, het diakenhuismannetje uit de Camera Obscura van Nicolaas Beets (1839).

Ziehier hoe een rommelpotspeler te Leiden in het begin van de 17e eeuw op vastenavond de overheid (in casu schout Willem Bont) aan de kaak stelde:

De schout van Leiden heeft een bult;
Ho, mannen, ho!
Die is met ouwe lappen gevuld;
Ho, mannen, ho!
De schout van Leiden heeft een buik;
Ho, mannen, ho!
Daar komt wel tien pond boter uit;
Ho, mannen, ho!
De schout van Leiden heeft een kop;
Ho, mannen ho!
Daar dansen de luizen met klompen op;
Ho, mannen, ho!

Dit ‘ho, man(nen), ho’ komt in veel vastenavondliedjes voor, tot zelfs in Moortje (1617) van Brederode.

In Gouda nam men al evenmin een blad voor de mond. Daar kwamen kinderen met harlekijnen of geknoopte zakdoeken (die harlekijnen moesten voorstellen) aan de deuren der aanzienlijke ingezetenen leuren. Ze noemden dat ‘zotten’ en ze begeleidden hun zang op ‘rommelpotten’.
Vroeger gingen de kinderen zelf als ‘zotten’ gekleed in oude plunje en plunder. Lied nummer één is zeer algemeen:

Vrou ’t is vastelavont
O man o
’t Duurt nie langer as vanavent
O man o
Zus of zo
Vrou verkoop je beddechie
En slaap op stro
’k Hep so lang met de rommelpot gelope
’k Hep geen geld om brood te kope
Rommelpotterij
Wat hangt er an me zij
Wat hangt er an me schoen
Wat hebbik met die rommelpotterij te doen?

Hier ’n stoel en daar ’n stoel
Op iedere stoel ’n kusse
Vroutje, lich je kinnebak is op
En slaat er de koekepan tusse
Hopsa marianse
De gek sal lere danse

Nummer twee lijkt een zeldzaamheid:

Ik hatter ’n kikkertje aan ’n toutjie,
Dat sprong d’r van tjoek-tjoek langs de kant
De eerste boer die wou me niks geve
De tweede boer die gaf me ’n stik (ook: cent)
Jan Juk Jan Jorussie (ook: Jan Jut)
Jan Pieleman is dood (bis)
Jan Juk Jorussie enz.

Nummer drie tenslotte werpt een schril licht op de sociale wantoestanden in het vorige eeuwse Gouda. Het is een spotternij, oorspronkelijk gezongen door de baanders (baander-knechts) en de garenspinners, en terechtgekomen in de kindermond. De achteruitgang van de Goudse nijverheid was van dien aard, dat een groot deel van de Goudse industriebevolking tot bedelarij verviel en bedeeld moest worden. Goudse bedelaars liepen de provincie af en Gouwenaar werd synoniem met bedelaar. Tot vergroting der ellende hielden de bazen er nog een gedwongen winkelnering op na, die ook zo berucht is geworden in de veengraverijen van Drenthe en Friesland. Eén van hen placht zelfs een deel van het loon in gort te betalen. Vandaar bijnamen als De Gort, Arie Vetje, Aai Gruttegat. Een andere patroon, die steeds een cent van het weekloon afhield ten bate van de spaarpot van zijn zoontje, kreeg de bijnaam ‘’n Cent voor ’t jonchie’.

Ik hep ’r zo lang klein gèren esponne
Al bij Van Gelen in de bèen
Ik hèb ’r gesponne van zes en half ponde
Ik hep se nog op m’n espeltje stèn.

(Refrein als boven)

Ik heb ‘r gesponne al bij Van Gèle
Ik heb ’r gesponne al bij De Gort
Een bossie gesneen en twee zestalfonderd
Vijf verrel te licht en twee streentjes te kort.

(Refrein als boven)

Vastenavond – tijd van speelse fantasieën, van zich uitleven in een ware verbroedering van goedmoedige tot bittere spot op eigen volk en overheid – heeft, ondanks de christelijke stempeling, vanaf het begin van de kerstening de bestrijding ondervonden van het wereldlijk en kerkelijk gezag, waarbij men zich in hoofdzaak beriep op de uitspattingen die ermee gepaard gingen. Daarnaast was er de principiële bestrijding, het meest en het sterkst bij de hervormden.

In zijn bloemrijke Verdediging van Carnaval (1928) merkt de goede katholiek Antijn van Duinkerken echter op, dat men een op zichzelf nuttige en fleurige volksuiting niet mag afschaffen of tegengaan, omdat zekere elementen er misbruik van maken. Deze jeugdige proeve van welsprekendheid werd herdrukt als eerste opstel in Waarom ik zo denk. . . in 1948 bij uitgeverij Het Spectrum verschenen.

Voor het grootste deel mag hier overgenomen worden wat Van Duinkerken in 1954 schreef onder de titel ‘Geen Verdediging Meer!’ in de kleurige Vastenavondkrant van Bergen op Zoom, zijn geboortestad.

‘Voor mij zou Carnaval 1953 op zijn manier een jubileum geweest zijn, want het was precies 25 jaar geleden, dat ik op de Carnavalsdagen zelf, of eigenlijk in hetgeen er van de nachten overbleef, Mijn Verdediging van Carnaval schreef. Toentertijd moest je als nette jongen zo iets niet doen! Carnaval stond in een bijzonder kwade reuk onder mensen, die zich bezighielden met de dingen des geestes. Het heette ruw en gemeen en liederlijk, indien al geen misdrijf.

. . . Met mijn domino nog aan zette ik mij in de nacht van vrijdag op zaterdag aan mijn studeertafel en schreef Het Eeuwig Carnaval . . . Het laatste hoofdstuk, de eigenlijke verdediging van het volksfeest, lag juist gereed, toen ik mijn askruis ging halen. Ik was er dinsdag om 12 uur in de nacht aan begonnen.

Het boekje kreeg een slechte ontvangst en een goeddeels vijandige pers. Heel erg kon ik mij daar niet over verwonderen, want toevallig was er in 1928 met carnaval te ’s-Hertogenbosch een moord gebeurd . . . Uit Maastricht zonden katholieke boekhandelaren de pakken met boekjes, die zij bij de uitgever hadden besteld, ongeopend terug, want de kerkelijke overheid had de verkoop verboden. In Sittard, Roermond en Venlo kocht men het werkje clandestien, want het mocht niet in de etalage liggen. Het Dagblad van Noord-Brabant plaatste het bericht: “Naar wij uit de beste bron vernemen, is de schrijver . . . een jongmens, dat notabene zijn opleiding genoten heeft op de seminaries van het Bisdom Breda . . .”

. . . Tienjaar later toen ik redacteur van De Tijd en doctor van Leuven was, kreeg ik te Amsterdam bezoek van een heel ernstig kijkende dagbladschrijver, die mij een interview kwam afnemen over de vraag: “Als gij Verdediging van Carnaval niet geschreven hadt, zoudt gij het dan nu nog willen doen?” … Ik had er moeite mee, hem duidelijk te maken, dat ik zeker opnieuw Carnaval zou verdedigen, indien dit nodig mocht blijken. Doch er was inmiddels in het Zuiden al heel wat veranderd. Het volksfeest ondervond lang niet zoveel bestrijding meer. Men was begonnen, er gemeenschappelijk stijl aan te geven.

Dit kwam zeker voor een goed deel uit het inzicht voort in het stoffelijk belang van een ordelijke en vrolijke carnavalsviering voor de middenstand . . . Ook de mentaliteit werd ruimer en opener, minder levensschuw, minder zelfgenoegzaam in de onthouding van pret of plezier. Het begrip, dat volksvreugde geen doemwaardig verschijnsel is, drong tot de burgerlijke en kerkelijke overheid door. Overal kwamen wilskrachtige comités van voorbereiding, die degelijk werk leverden en die voeling hielden, waar dit nodig was, met gemeentebestuur en parochiebestuur.

Carnavalskrant Venlo

Het Noorden begon belang te stellen in de gemeenschappelijke feestviering van de Zuidelijke steden. Buitengewoon begaafde dagbladschrijvers als J. W. F. Werumeus Buning, Fred Thomas, Godfried Bomans, Bertus Aafjes, trokken de rivieren over om verslag te gaan maken van het Brabantse en Limburgse Carnaval. Zij begrepen de diepe zin van het feest der dwaasheid.

Ook begrepen zij de betekenis van het stedelijk saamhorigheidsbesef in de plaatsen, waar de middeleeuwse manier van versieren en feestvieren niet werd verdrongen door de overheersing van het individualisme. Hun zuiver gevoel voor de werkelijkheid stond hun toe, te beseffen, hoe nodig het is, dat alle mensen-van een betrekkelijk besloten gemeenschap voor korte tijd hun zorg en krakeel opzij zetten en hoe dicht de zotheid bij de wijsheid komt te liggen, wanneer dit spontaan en hartelijk gebeurt.’

Ondanks de tegenwerking van kerk en overheid en misschien nog meer een het-leven-afdempende burgerlijkheid – in 1888 werd met blijkbare instemming voorspeld, dat het Brusselse carnaval de eeuwwisseling wel niet meer beleven zou (Betsy Perk, Kijkjes in België, blz. 43) – spoelt ‘de bonte storm’ (titel van een Maastrichtse carnavalsroman door M. Kemp) kleuriger, heftiger en levendiger dan ooit door steden en dorpen. Zelfs boven de Moerdijk is hij ruimschoots doorgedrongen. Het heeft er veel van, dat het carnaval – in een tijd van welvaart en veel meer vrije tijd – niet alleen omhoog gekomen is met een herstel der oprechte levensvreugde, maar dat er ook een stuk emancipatie van ons zo lang stiefmoederlijk bedeelde zuiden mee gemoeid is. Het is tevens het zoveelste bewijs -samen met de carrière van de ‘patates frites’ en woorden als Teut’, ‘stilaan’, Taweit’, ‘stampei’ en ‘gezapig’ – van een recente zuidelijke expansie.

Het succes van het huidige carnaval is zelfs zo groot en zo massaal dat steeds meer Limburgers en Brabanders het gewoel ontvluchten in Zeeland, in een bungalow aan zee. Aldus meldt ons de directeur van V.V.V.-Zeeland, die het initiatief tot deze ‘ontvluchting’ heeft genomen: ‘Carnaval in Zeeland’ . . .

.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3395-3193

.

.

.

VRIJESCHOOL – Mededeling – boek van Paul v. Meurs

.

Het nieuwe boek van Paul van Meurs is uit!

Tekenen met Stockmarblokjes

Deel 3 uit de serie: Kleur Vorm en Lijn

Dit inspirerende werkboek laat je de veelzijdigheid ontdekken van tekenen met Stockmarblokjes. Paul deelt zijn uitgebreide kennis en visie op dit unieke materiaal.
Wat maakt dit boek zo bijzonder?
  • 18 technieken voor tekenen met Stockmarblokjes, met heldere uitleg.
  • Stapsgewijze oefeningen om direct aan de slag te gaan.
  • YouTube-video’s via QR-codes om technieken te leren.
  • Inspiratie voor tekenen vanuit kleur én zwart-wit voorbeelden om details en vormen te benadrukken.
  • Inclusief twee Stockmarblokjes om meteen te starten!
Paul: “Deze blokjes zijn veel meer dan materiaal – ze brengen ideeën tot leven en maken tekenen een plezier!”
Het boek is te bestellen bij: gestes.kunst @gmail.com
Prijs: 19,95 (exclusief verzendkosten)
Schilderen: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: alle beelden
.
.
.
.

VRIJESCHOOL – Periodeonderwijs [3]

.

In 1960 bundelde de Zwitserse vrijeschoolleerkracht Willi Aeppli zijn ervaringen met de vrijeschoolpedagogie in het boek:

Aus der Unterrichtspraxis an einer Rudolf Steinerschule*

Op deze blog staan er een paar hoofdstukken uit:  schrijven en heemkunde.

Hij schrijft [1950] ook een kort artikel over het periodeonderwijs:

Op Rudolf Steinerscholen worden de belangrijkste lessen in perioden gegeven. Gedurende langere tijd (drie tot zeven weken) wordt hetzelfde onderwerp elke ochtend van 8.00 tot 10.00 uur onderwezen. (Het eerste half uur van elke schooldag is gewijd aan spraakonderwijs en voordracht). Deze volgorde gaat terug op een suggestie van Dr. Steiner en is in de praktijk uitgeprobeerd in alle Rudolf Steinerscholen sinds hun oprichting.

Ten eerste zijn de periodelessen een weldaad voor de leerkracht. Het geeft hem de mogelijkheid om zich gedurende een aantal weken op één hoofdonderwerp te concentreren en zich grondig met de stof vertrouwd te maken. Hij kan de leerstof dan ook levendiger en vrijer dan in andere gevallen aan het kind presenteren.

Vanuit het oogpunt van het kind zijn is het periodeonderwijs bijzonder belangrijk.
Net als de leerkracht, zij het vanuit een heel ander bewustzijn, kan het zich vertrouwd maken met de wereld van een heel specifiek vakgebied zonder elke les en elke dag door een ander hoofdvak uit deze wereld gerukt te worden.
In het geval van lessen die elk uur gegeven worden, doet elke volgende les het effect van de vorige, wat kras gezegd, teniet.

Maar heeft het onderwijzen per periode aan de andere kant geen nadelig effect ? Wanneer een periode af is, duurt het vrij lang voor die opnieuw aan de beurt komt om verder te gaan waar we gebleven waren. Zijn de kinderen in deze lange tussenperiode niet op het onderwerp ingeslapen en zijn ze niet veel vergeten van wat ze eerder hadden opgenomen?
Het antwoord op deze vraag kan gebaseerd zijn op mijn ervaring, zij het een korte, dat het een grote zegen is voor het kind om iets voor langere tijd te mogen “vergeten”. Een weldaad niet alleen in uiterlijke zin bedoeld, want (en Rudolf Steiner wees ons erop dat we op deze verbanden moeten letten), dat wat in de ziels-geestelijke krachten van het kind is ontwikkeld door de lessen die tijdens een periode zijn gegeven, in het kind doorwerkt zonder menselijke tussenkomst, onbewust voor het kind zelf, en nog niet merkbaar voor de leraar. Juist omdat een bepaald vakgebied een langere periode rust krijgt, kan datgene wat in het kind gestimuleerd is door één lesperiode rijpen, getransformeerd worden. Deze stille, onopgemerkte rijping tijdens de rustperiode kan dan naar voren komen als een verdiept begrip wanneer hetzelfde onderwerp in een bepaald ritme terugkeert.
Deze rustperiodes tijdens de lessen hebben dus een soortgelijke betekenis en effect op de lessen zelf als slaap heeft op het dagbewustzijn van een persoon. Het kind is als het ware dankbaar wanneer het niet voortdurend in spanning wordt gehouden door alle onderwerpen die worden onderwezen.
Periodelessen geven ze een reden om minder gespannen te raken.

.

Willi Aeppli ‘Aus der Unterrichtspraxis an einer Rudolf Steiner-Schule


Rudolf Steiner over periodeonderwijs

Periodeonderwijs [1]   [2]

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3394-3192

.

.

.

VRIJESCHOOL – De wereld is waar….(2)

.

Om invulling te kunnen geven aan ‘de wereld is waar..’ moet je goed op de hoogte zijn van de ideeën die tot een veranderend denken kunnen leiden, dan het gangbare dat ons een wereld heeft opgeleverd waarin de waarheid ver weg lijkt.

Een studieartikel voor de leraar economie, maatschappijleer

Hier gaat het over de huidige landbouw(crisis)
.

Meino Smit in Driegonaal jrg.39 nr. 5/6 dec. 2024
.

De ontwikkeling van de landbouw
.

Hoe duurzaam is de landbouw in Nederland? De sector zelf geeft aan dat er steeds duurzamer wordt gewerkt. Is dat werkelijk het geval?
Op basis van welke criteria meent men dit te kunnen beweren?

Niet hernieuwbare energie en niet hernieuwbare grondstoffen zijn niet oneindig beschikbaar. Het gebruik ervan heeft negatieve effecten op de omgeving. Lange tijd is er gehandeld alsof energie en grondstoffen onbeperkt aanwezig zijn en werden de schadelijke gevolgen van hun toepassing veronachtzaamd. Lucht en water werden als ‘vrije goederen’ beschouwd. Zij hadden geen prijs en konden dus onbeperkt en gratis worden gebruikt.

In de periode 1950-2000 is de inzet van menselijke arbeid in de landbouw sterk afgenomen en vervangen door allerlei hulpmiddelen. Vroeger werkten er in Nederland veel meer mensen op het land dan tegenwoordig. Veel werkzaamheden werden uitsluitend met handkracht uitgevoerd, waarbij eenvoudige gereedschappen werden gebruikt. Voor zwaarder werk, bijvoorbeeld het bewerken van de grond, werden paarden ingezet, die ook wel voor transportdoeleinden werden gebruikt. De input voor het uitvoeren van werkzaamheden bestond dus voornamelijk uit menskracht, paardenkracht, eenvoudige machines en (hand)gereedschappen. Die input kwam deels van buiten het bedrijf. De werktuigen en gereedschappen werden door de dorpssmid gemaakt en onderhouden en/of in kleine fabriekjes geproduceerd. De smid en de veearts zorgden voor de instandhouding van de paardenkracht. De dorpstimmerman was behulpzaam bij het bouwen en onderhouden van de bedrijfsgebouwen. Daarbij werden natuurlijke materialen gebruikt: hout, riet, stenen, leem. Deze werden meestal lokaal/regionaal verkregen. De boerenbedrijven produceerden deels voor eigen gebruik en deels voor de markt. Zo leefden toen veel meer mensen dan nu op en van het landbouwbedrijf.

In het verleden waren de meeste bedrijven gemengde bedrijven, waar men zelf voor de mest op het land zorgde! Er was sprake van kringlopen op het bedrijf zelf. Er was ruimte gereserveerd voor het houden van de paarden en het verbouwen van paardenvoer en veevoer. Er was bouwland en grasland voor het melkvee en daarnaast werden kleine aantallen varkens, kippen en schapen gehouden. Daarmee was er sprake van een cascade-gebruik: voer dat niet geschikt was voor de koeien ging naar de varkens en de kippen. Een deel van de landbouwgrond werd van nature bemest met vruchtbaar slib door regelmatige overstromingen. Tot in de tweede helft van de negentiende eeuw werd geen kunstmest gebruikt. Naast de mest van het eigen vee en groenbemesting met vlinderbloemigen, werden meststoffen van buiten aangevoerd: compost gewonnen uit huisvuil, straatmest en diverse soorten slib. Nog een kringloop dus, zij het op een schaal boven die van het landbouwbedrijf. De producten gingen ook naar degenen die het huisvuil produceerden. Het verzorgen van de infrastructuur, het waterbeheer en de wegen, was op kleine schaal geregeld via de toen kleine gemeenten en waterschappen.

Kenmerken van de input in die situatie:

• deels op het eigen landbouwbedrijf geproduceerd;

• deels van buiten het bedrijf betrokken, vaak wel lokaal/regionaal;

• bijna geen gebruik van fossiele brandstoffen, kleine hoeveelheden kolen en turf, die voornamelijk in de huishouding werden gebruikt;

• geen/weinig negatieve effecten op de omgeving;

• instandhouding van de bodemstructuur en de bodemvruchtbaarheid;

• lokale/regionale kringloop;

• veel menskracht op het landbouwbedrijf;

• lokaal/regionaal menskracht betrokken bij het produceren/verzorgen van de input;

• korte transportafstanden;

landgebruik op het landbouwbedrijf zelf voor het leveren van input door het eigen bedrijf en voor het eigen bedrijf;

• weinig landgebruik buiten het landbouwbedrijf voor het leveren van de input.

Tegen het einde van de negentiende eeuw begon de input van buiten het landbouwbedrijf toe te nemen. Bijvoorbeeld de aanvoer van guano (organische meststof) uit Chili en Peru en de aanvoer van terpaarde. Hier begon ook het kunstmesttijdperk en kwam de mechanisatie op.

Bij de landbouw van nu is het beeld ten aanzien van output en input geheel anders:

• de bedrijven zijn ontmengd (plantaardige en dierlijke productie zijn gescheiden, steeds meer specialisatie), waardoor er nauwelijks nog sprake is van een kringloop binnen het bedrijf;

• een deel van de landbouw produceert los van de grond: bijvoorbeeld substraatteelt in de glastuinbouw en veel dieren bij elkaar, die niet meer buiten komen, in de intensieve veehouderij;

• meer specialisatie, waardoor meer leveringen van buiten het bedrijf nodig zijn en dus ook meer transport; de opbrengsten per ha zijn gestegen. Met minder mensen wordt meer geproduceerd. Door de inzet van ‘high tech’ zou de landbouw nog efficiënter kunnen worden.

Deze ontwikkeling heeft zich mede kunnen voltrekken omdat arbeid in Nederland steeds duurder is geworden, terwijl energie en grondstoffen relatief gezien goedkoper zijn geworden. Daardoor werd het economisch aantrekkelijk om dure arbeid te vervangen door machines en andere input. Werd vroeger de input op het eigen bedrijf geproduceerd en/of dicht bij het bedrijf, nu komt de input van over de hele wereld. Daarbij wordt ook gebruik gemaakt van arbeid, maar die is vaak goedkoper dan in ons land. Niet zelden gaat het hierbij om arbeid die wordt verricht onder beroerde arbeidsomstandigheden.

Arbeid, grondstoffen en energie – de input van onze landbouw- komen nu van over de hele wereld. Het toepassen van arbeidsbesparende technieken in de landbouw en het stijgende gebruik van energie en grondstoffen van elders gaan hand in hand. Gelet op de groeiende geopolitieke instabiliteit en het klimaatprobleem, lijkt het meer dan verstandig om stappen te zetten naar een landbouwsysteem dat minder afhankelijk is van de input in de vorm van energie, grondstoffen en arbeid van elders.

In de Nederlandse landbouw is in de periode 1950-2020 veel veranderd. De opbrengsten per hectare, de arbeidsproductiviteit en het gebruik van energie en grondstoffen zijn aanzienlijk gestegen. Een hoge opbrengst per hectare wordt gezien als efficiënt en nuttig; daardoor blijft meer ruimte over voor een ander gebruik van de grond, zoals natuur, recreatie en verstedelijking. Kijken we alleen naar het directe landgebruik van de Nederlandse landbouw dan is er zeker sprake van een hogere opbrengst per hectare. Echter, activiteiten ter ondersteuning van de landbouw vergen ook het nodige landgebruik, denk bijvoorbeeld aan:

het verbouwen van veevoer ten behoeve van de Nederlandse landbouw in andere landen;

• het afgraven van grote gebieden ten behoeve van het winnen van allerlei grondstoffen, met als gevolg diepe kraters en grote bergen afval. Hierbij gaan grote oppervlaktes bos en landbouwgrond verloren en worden boeren van hun grond verdreven;

• de infrastructuur die nodig is voor energiewinning en transport;

• de oppervlaktes benodigd voor fabrieksterreinen, gebouwen, kantoren, silo’s, pakhuizen en opslagterreinen;

• de transportinfrastructuur: wegen, vaarwegen, spoorverbindingen, havens en overslagterreinen.

Dit indirecte landgebruik van de Nederlandse landbouw zou ook in beschouwing moeten worden genomen bij het beoordelen van de productie per hectare in Nederland. Dat het indirecte landgebruik van de Nederlandse landbouw zelfs tot een verlies van landbouwgrond elders op de wereld leidt, moet daarin ook meegenomen worden.

Naast het (vanouds) gebruiken van zonne-energie in de landbouw (ten behoeve van de fotosynthese) is men steeds meer gebruik gaan maken van fossiele brandstoffen. Dit gebeurt zowel direct – in trekkers, machines, verwarmingsinstallaties en verlichting – als indirect, voor het maken van de input. De toepassing van hernieuwbare energie (biomassa, wind, water, zon) is niet gratis. Om deze vormen van energie te kunnen gebruiken zijn er allerlei organisaties, fabrieken en installaties nodig en dat vergt weer energie en grondstoffen.

Wereldwijd neemt het gebruik van energie en grondstoffen toe. Het winnen van energiegrondstoffen kost steeds meer energie. Van de nog resterende voorraden aardolie is een groot deel niet meer zo eenvoudig te winnen als lang het geval is geweest. Er is steeds meer inspanning nodig om de olie te winnen, bijvoorbeeld het injecteren van stoom en het afgraven van teerzanden. Oliemaatschappijen moeten op steeds moeilijker bereikbare plaatsen (bijvoorbeeld de Noordpool) steeds dieper boren (tot kilometers onder de oceaanbodem) en daarbij steeds kostbaarder technieken gebruiken om de olie omhoog te krijgen. Het kost steeds meer energie en grondstoffen om energie uit aardolie te winnen. Dezelfde tendens zien we bij de grondstofwinning. De ertsen met de hoogste gehaltes aan metalen en mineralen zijn al gewonnen. Er moet steeds dieper en steeds meer worden gegraven om nog iets te kunnen winnen. Daarna moeten dan ook nog grotere hoeveelheden materialen worden gesorteerd, gescheiden, behandeld en getransporteerd.

In fabrieken is steeds meer gemechaniseerd. Handkracht is vervangen door machines. Deze machines werden eerst door mensen bediend, nu worden zij vaak via computers aangestuurd. De meeste energie gaat dan niet meer zitten in het hoofdproces (bijvoorbeeld de bewerking van metalen doorsnijden, boren, etc.) maar in de hulpprocessen er omheen, die nodig zijn om het hoofdproces te kunnen aansturen. Verdere automatisering en robotisering zullen de tendens tot een toename van het energiegebruik alleen maar versterken. In gebouwen zijn grote hoeveelheden energie opgeslagen, namelijk de energie die is gebruikt in mijnbouw, bouwstoffenproductie, transport, energie en het bouwproces zelf. De levensduur van gebouwen lijkt steeds korter te worden. De ligboxenstallen uit de jaren 1970 – 1980 worden nu als verouderd beschouwd. Vaak vindt vervangende nieuwbouw plaats en worden deze stallen al weer gesloopt. Ook in de glastuinbouw vindt veel vervangende nieuwbouw plaats. De kassen zijn steeds hoger geworden en het plat glas wordt bijna niet meer bedrijfsmatig toegepast. Dit, gevoegd bij het verwarmen en verlichten van kassen, maakt dat het energiegebruik is gestegen.

In de besluitvorming van overheidswege lijken deze ontwikkelingen geen rol te spelen. Niet alleen in de landbouw is deze tendens naar meer energiegebruik aanwezig. Bij bedrijfsgebouwen, kantoorpanden, sportvoorzieningen, openbare gebouwen en woningen wordt relatief gemakkelijk toestemming verkregen voor het slopen van gebouwen. Dat daarmee grote hoeveelheden energie verloren gaan blijft buiten beschouwing.

De verdergaande toepassing van arbeidsbesparende technieken met behulp van automatiseringen robotisering verhoogt het gebruik van energie en grondstoffen. Bij het toepassen van elektronica lijkt tot nu toe weinig oog te zijn voor deze effecten. Als je de landbouwbladen mag geloven ben je pas een moderne boer als je op een trekker rijdt die vol hangt met beeldschermen, je grond is vol gestopt met sensoren en er de hele tijd een drone boven je land vliegt. Op basis van allerlei gegevens van sensoren in het veld, drones en satellieten worden gegevens over de gewasgroei verkregen. Een koppeling van deze gegevens met die over de bodem, de hoeveelheden regen, de gedane bespuitingen en de gegeven hoeveelheden kunstmest maken dat de boer niet meer in het veld hoeft te kijken, maar op basis van al deze gegevens in staat is het laatste restje biodiversiteit uit zijn akkers te laten verdwijnen. Dit vergt wel heel wat hardware (grondstoffen), software en energie. Gewoon goed naar de bodem en het gewas kijken kan ook. Het toepassen van elektronica begint groteske vormen aan te nemen. Er is nu ook al een robot (op wieltjes) om de koeien op te halen. En een virtuele weide-afrastering door middel van een halsband met zender en een elektronisch signaal. Elektronica wordt overal toegepast: in stallen, op trekkers en machines, in de administratie, iPhones, tablets, laptops, allerlei sensoren, processoren, microchips. Het produceren van al deze spullen kost veel energie. Ook veroudert het snel, zodat het weer vervangen moet worden. Bij een gedeelte van deze toepassingen speelt het in de mode zijn een grote rol, waardoor de levensduur nog korter wordt. Hier is sprake van een levensduurverkorting, niet vanwege slijtage of niet meer functioneren, maar vanwege het op de markt brengen van nieuwe mogelijkheden en van kortstondige modetrends. Hierdoor neemt het energiegebruik nog meer toe. Dit is een bedrieglijke ontwikkeling, omdat de inzet van al deze spullen mede wordt gepropageerd onder het mom dat het de duurzaamheid ten goede zou komen (precisielandbouw). Zou het niet beter zijn deze technieken te reserveren voor toepassingen die echt een meerwaarde opleveren?

In het energieverbruik en het landgebruik van de landbouw zien we een verschuiving van direct naar indirect: de graanoogst duurt maar kort, maar er zijn wel combines geproduceerd, silo’s en fabrieken gebouwd, havens aangelegd, enz.;

• het landgebruik van de trekkracht telde vroeger mee in het directe landgebruik: het paard liep in de eigen weide, het terrein van de machinefabriek is ver weg;

• de ruimte nodig voor het winnen van ijzererts, de hoogovens, de trekkerfabriek, distributie, wegen-, of energie-infrastructuur telt niet mee bij het directe landgebruik, maar het is er wel in de vorm van indirect landgebruik ten behoeve van de landbouw;

• de energie werd vroeger op het eigen bedrijf gewonnen: verbouw van paardenvoer voor de trekkracht; veevoer werd niet van elders aangevoerd en hoorde bij het directe landgebruik van de landbouw;

• de energie die nodig is voor het verbouwen van veevoer in andere landen vergt ruimte voor de verbouw van het veevoer zelf en voor allerlei infrastructuur;

• de landbouw gebruikt naast directe energie ook grote hoeveelheden indirecte energie:

Het huidige westerse landbouwsysteem heeft geleid tot grote negatieve gevolgen voor de omgeving die het gevolg zijn van het toegenomen directe en indirecte energie- en grondstoffengebruik. De maatschappelijke kosten die dit heeft veroorzaakt zijn tot nu toe niet aan de landbouw doorberekend. Na de energiecrises in de jaren zeventig van de twintigste eeuw was er veel belangstelling voor energie en energiebesparing. Het Instituut voor Mechanisatie Arbeid en Gebouwen (IMAG) besteedde er toen veel aandacht aan. In het buitenland werd veel onderzoek gedaan naar het energiegebruik in de landbouw. Het IMAG is inmiddels opgeheven en de aandacht voor het onderwerp energie is in de loop van de tijd weer minder geworden. Hoewel er nu veel aandacht is voor de uitstoot van broeikasgassen en de noodzaak deze te verminderen, lijkt het beeld van de landbouw meer te worden overheerst door andere problemen (mestproblematiek, ziekte-uitbraken, voedselschandalen, fraude met mest en vee, fosfaatproblemen, stikstofproblemen).

De verschuiving van lokaal naar mondiaal heeft ook gezorgd voor grote transportstromen, want alle energie- en overige grondstoffen en alle producten moeten worden vervoerd. De toename van het energie- en grondstoffengebruik heeft geleid tot negatieve effecten op bodem, water, lucht, biodiversiteit, landschap en ecosystemen in het algemeen. Dit is een kostenverhoging voor de samenleving, omdat deze negatieve effecten om compenserende maatregelen vragen. Deze maatregelen worden niet of maar gedeeltelijk door de producenten betaald en worden zo grotendeels op de samenleving of op de toekomst afgewenteld; deze maatschappelijke of externe kosten worden niet geïnternaliseerd.

Tot nu toe is het steeds gelukt om de keuze voor een economisch systeem met een veel lager energie- en grondstoffengebruik te ontlopen. Dit komt omdat er nog een verschuiving mogelijk was naar lagelonenlanden en door de mogelijkheid energie en grondstoffen op grote schaal van elders aan te voeren. Dit is een weg die niet begaanbaar blijft en uiteindelijk tot grote problemen zal leiden. Het zal van cruciaal belang zijn of de politiek in staat zal zijn deze ontwikkeling tijdig en op een vreedzame wijze bij te sturen. Een politieke partij die naar de noodzakelijke maatregelen op de wat langere termijn kijkt en in haar programma opneemt dat onze materiële welvaart drastisch moet afnemen, zal waarschijnlijk niet veel stemmen krijgen. En daarmee houdt dit systeem zichzelf gevangen en kan het niet tot het treffen van de benodigde maatregelen komen. Uitvluchten als “groene groei”, “de technologie zal ons redden”, “ze vinden wel wat uit”, zullen het probleem maskeren, maar niet oplossen. Het feit dat energie en grondstoffen opraken en dat we een klimaatprobleem hebben veroorzaakt, heeft tot nu toe bijna geen rol gespeeld in de besluitvorming over de landbouw. In het kader van het Akkoord van Parijs moet een opwarming van de aarde met meer dan twee graden worden voorkomen. Op basis van deze tweegradendoelstelling dient de emissie van broeikasgassen in 2050 met 90% te zijn verminderd ten opzichte van 1990 (voor Nederland betekent dit een reductie van 50% per 2030). Maar tussen 1990 en 2020 is het energiegebruik nog gestegen, zodat de reductie nog groter moet zijn. Om deze doelstelling te kunnen realiseren is een drastische reductie van het energie- en grondstoffengebruik nodig. Men denkt de gewenste reductie te kunnen bereiken door een energietransitie van fossiele energie naar hernieuwbare energie. Maar dat is op grote schaal niet mogelijk omdat de daarvoor benodigde hoeveelheden materialen immens groot zijn.

De techniek kan niet alles oplossen. Tot nu toe is gebleken dat elke nieuwe techniek ook weer nieuwe nadelig effecten veroorzaakt. In de afgelopen 70 jaar zijn talloze nieuwe zaken bedacht. Organisaties en processen zijn voortdurend verbeterd. Er is veel gedaan aan energiebesparing. Sla een technisch tijdschrift er maar op na: het staat vol met artikelen over zaken die leiden tot efficiencyverbetering en energiebesparing. Men vergeet echter dat elke maatregel die is bedoeld om een bepaald negatief effect op te heffen weer nieuwe voorzieningen vraagt, waarvoor ook weer energie en grondstoffen nodig zijn. Het resultaat van dit alles is dan ook dat het energie- en grondstoffengebruik voortdurend is gestegen.

De voortdurende stijging van het gebruik van energie en grondstoffen is een treffende illustratie van de wet van behoud van ellende. Tot aan het begin van de twintigste eeuw (en ook nog wel enigszins tot 1950) kenden wij een landbouwsysteem dat zich bijna zonder hulpbronnen van elders kon handhaven en dat geen grote nadelige effecten op de omgeving veroorzaakte.

Het landbouwsysteem dat wij nu kennen is niet toekomstbestendig. De trek naar goedkope energiebronnen en grondstoffen loopt dood omdat deze eindig zijn; de trek naar goedkope arbeid strookt niet met een rechtvaardiger verdeling van de welvaart, en de gedachte dat de technologie met de oplossing komt is illusionair.

Het is noodzakelijk om ons productiesysteem aan te passen aan de draagkracht van de aarde. Dat betekent dat processen van aanpassing van het huidige productiesysteem tijdig op gang gebracht moeten worden. Zijn we hier toe in staat of laten we het er op aan komen en zullen veranderingen worden afgedwongen door de omstandigheden? Voor de landbouw is dit des te dringender, omdat de landbouw een onmisbare bedrijfstak is. Er moet immers altijd voedsel worden geproduceerd. Het is dan temeer van belang om in ieder geval ons landbouwsysteem op tijd aan te passen aan de randvoorwaarden van de toekomst. Wachten we op de klap of gaan we tijdig anticiperen?

Deze tekst is afkomstig uit: Meino Smit Naar een duurzame landbouw in 2040.
Een nieuw perspectief
Nearchus / Kolisko, 2e druk 2024
ISBN 9789o83466644

.

Dit artikel verscheen in ‘Driegonaal
Publicatie op deze blog met toestemming

Voor een abonnement: Sociale driegeleding
.

De wereld is waar: alle artikelen via [9-5]

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeledingalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3393-3191

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen – autisme (7-1/4)

.

Waarom ik deze oudere berichten toch nog een plaats geef.

.
Eindhovens Dagblad, 02-12-1998

.

Opzienbarende resultaten met Amerikaanse therapie

.

x*, een autist die zoent

.

X uit Y is vier jaar oud en lijdt aan een ernstige vorm van autisme. Volgens de klassieke leerboeken de meest onbeïnvloedbare variant van ernstige psychische gestoordheid en psychose. Met kenmerken als asociaal,gedrag, schijnbare doofheid, ontoeschietelijkheid, afkeer van fysiek contact, onvermogen tot mondeling contact of soms tot het maken van gebaren. En, ook karakteristiek voor autisten, het maken van ‘ismes’, steeds herhalende bewegingen, gewiebel of gedraai. A, de moeder: „Hij stond voor de televisie alsmaar met zijn hoofdje te wiebelen. Hartstikke gek werd je ervan.”

Dat wiebelen doet X niet meer en die andere ‘ismes’ van hem heeft hij al grotendeels afgezworen. Maar er is nog meer vooruitgang geboekt sinds hij volgens de Option-methode wordt begeleid.
In tegenstelling tot vroeger kijkt hij nu om als je hem roept. Dat is een klein wonder voor een autistisch kind. A en haar man B dachten zelfs dat hij doof was. Bovendien kregen ze indertijd met X vrijwel geen oogcontact. Nu wil hij communiceren. Een omwenteling: hij pakt je hand beet, trekt je mee en wijst aan wat hij wil. Ik ga naar de zolder, waar A en haar man een prikkelarme oefenruimte hebben ingericht. X roept er hartstochtelijk „bah”. Het plaspotje wordt tevoorschijn gehaald en X kwijt zich braaf van zijn plicht. Praten doet hij nog steeds niet, geluiden produceren wel. Maar nu floepen er soms wel woordjes uit dat roerige mondje van hem, zoals laatst: „Blauw!”

De wereld stortte in voor A en B toen de diagnose van autisme werd gesteld. Net zoals dat lang geleden het echtpaar Barry en Samahria Kaufman overkwam , ‘ en hun zeventien maanden oude zoon Raun als klassiek en diep autistisch werd bestempeld. Uit een van de testen bleek hij een IQ.-score van minder dan dertig te hebben.
‘Autisme is ongeneeslijk, laat hem in een tehuis opnemen: en besteed je tijd aan jullie gezonde kinderen’, waren kort samengevat de reacties van deskundigen en instellingen.

De Kaufmans namen daar geen genoegen mee, verslonden een boekenkast vol wetenschappelijke literatuur en ontwikkelden een volstrekt eigen behandelmethode die ze thuis op Raun toepasten. Een extreem intensieve therapie: acht, negen uur per dag, zeven dagen per week, vele maanden lang. Deze Option-therapie berust niet op traditionele drilmethodes, maar op het binnendringen in die schijnbaar gesloten wereld van het kind, een onvoorwaardelijke liefde voor hem en een volledige acceptatie van zijn afwijking. De Kaufmans hadden succes. Nu, ongeveer een kwart eeuw later is Raun volledig genezen en aan een Amerikaanse universiteit afgestudeerd. „Ik ben mijn ouders diep dankbaar dat ze indertijd tegen de stroom van de heersende deskundige opinies zijn ingeroeid”, zegt hij.

Trefwoorden in de therapie zijn: geen verwachtingen, geen oordeel, wel aanvaarding, erkenning. Bijvoorbeeld de erkenning dat ‘ismes’ oké zijn. Het autistisch kind mag vrijuit wiebelen, draaien of wat dan ook. Sterker, in plaats van de ismes af te keuren, wiebelt of draait de begeleider even heftig mee. Imitatie van zijn gedrag opent de deur van het vreemde universum van de autist, zoals Barry Kaufman in zijn boek ‘Verbroken stilte’ beschrijft.

De therapie vindt plaats in een ‘blanco’ oefenruimte, met zo weinig mogelijk zichtbare of hoorbare prikkels. Geen plaatjes aan de muur, geen uitpuilende dozen speelgoed, geen tv. Bij autisten kan het brein alle binnengekomen prikkels niet goed verwerken. Ze kunnen de belangrijke prikkels niet van de onbelangrijke onderscheiden. Om zich tegen die kakofonie van prikkels te beschermen, sluit het kind zich af.
„Het is een overlevingsstrategie”, zegt de Sittardse ergotherapeute Roelie Harlaar, die zich in de Option-methode heeft verdiept. „De wereld is zo onveilig voor het autistische kind, al die prikkels zijn zo overdonderend. Daarom richten deze kinderen zich eerder op levenloze dingen dan op mensen. Mensen zenden steeds veranderlijke prikkels uit, die ze niet kunnen bevatten.”

De begeleider doet in de prikkelarme ruimte urenlang spelletjes en andere stimulerende activiteiten die gericht zijn op ontwikkeling van (oog-)contact en van vaardigheden.

De methode is ongelooflijk arbeidsintensief. A volgde anderhalf jaar geleden in Amsterdam een korte cursus voor ouders, kwam razend enthousiast terug en stortte zich thuis op de therapie van X: „Dat red je op den duur dus niet. Je leeft alleen nog maar op de zolder.” Vandaar dat ze enkele vrijwilligers is gaan zoeken om een deel van de zware klus over te nemen. Zo ontfermt ergotherapeute Esther van Bool zich twee keer per week over X. „Hij is enorm vooruitgegaan”, bevestigt ze het positieve beeld van de afgelopen tijd.

De Option-methode heeft naam gemaakt. In 1983 richtte Barry Kaufman in Sheffield (Michigan) het gelijknamige instituut op. Ouders reizen, eventueel met hun zorgenkind, uit alle hoeken en gaten van de wereld naar deze afgelegen plaats om cursussen te volgen. Ook Jaap van Zweden, de bekende violist en dirigent, was er samen met zijn vrouw Aaltje en hun autistische zoon Benjamin op cursus. Diens toestand is sindsdien verbeterd. Raun Kaufman, tegenwoordig als docent aan het instituut verbonden: „We zien hier zo veel onmogelijke dingen gebeuren. Kinderen die gaan lopen of praten. Wij bieden dus hoop aan ouders. Valse hoop? Hoe kan hoop nu vals zijn? Wij geven ouders het ‘gereedschap’ waarmee ze een drastische verbetering kunnen bereiken. Ik geloof zeker dat autistische kinderen volledig kunnen herstellen. Of dit voor ieder kind geldt, weet ik niet. Ieder kind is weer anders, we kunnen de toekomst niet voorspellen.”

Het interview met A is afgelopen. Ik heb net mijn boeltje ingepakt, als X olijk lachend op me afkomt. Voordat ik me realiseer wat me overkomt, geeft dit ernstig autistisch kind die vreemde meneer een klinkende zoen op de mond. Er is hoop.

Barry Kaufman – Verbroken stilte. Uitg. Van Holkema & Warendorf.

Over de Option-methode

De namen van de betreffende personen stonden volledig in het artikel en een simpele zoekopdracht op Facebook toonde hun bestaan aan.
Vandaar het gebruik van willekeurige letters.

Ontwikkelingsbelemmeringenalle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3392-3190

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 301)

.

GA=Gesamt Ausgabede genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.
.

Beknopte inhoudsopgave:

Belang van de kennismaking met de wereld tussen het 9e en 12e jaar om geschiedenis te kunnen begrijpen; einde 12e jaar pas oordelen. <1>
Idem: het belang van de plantkunde. <2>
Hoe zit het met causaliteit? <3>
Geschiedenis en wat er aan de wording van de mens ten grondslag ligt <4>
Het ‘vroegere’ is soms in onze tijd nog zichtbaar. De Griekse tijd, over het Griekse drama, Griekse kunst, wat is er bij de Grieken ontstaan wat we nu nog hebben; <5>
Geschiedenis moet op gevoel en wil werken (nog steeds gaat het ook over de Grieken, gevolgd door het christendom) <6>
Het geheel en de delen. <7>
Het niet afkrijgen van de leerstof, met een uitstapje naar het onderwijzersexamen: wanneer ben je een goed leerkracht. <8
Over universele menswaardigheid, Avondmaal van Leonardo <9
Rome, verbreiding christendom; Europa, ontdekkingsreizen. <10>
Causaliteitsgeschiedenis maakt star, belangrijker symptomatologische geschiedenis, van concreet naar abstract, boekdrukkunst, verdieping van geschiedenis naar religie <11>

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 301

Voordracht 8, Bazel 3 mei 1920

Blz. 133

Kann man mit einer lebendigen Charakteristik von Erde, Pflanzen­reich, Tierheit und Menschentum in dem Kinde das, was sonst nur tot empfunden wird, einfach und elementar beleben – und zwar nament­lich in der Zeit vom 9. bis gegen das 12. Jahr hin, wo das Kind beson­ders veranlagt ist, sich nach und nach von der Welt zu unterscheiden und doch begierig ist, im Unbewußten aufzunehmen auf der einen Seite den Zusammenhang des Menschen mit dem Tierreich, auf der andern Seite das, was absondert vom Menschen, was Erde und Erdenleben ist -, dann wächst mit dem Menschen etwas heran, was ihn auch in das richtige Verhältnis zum geschichtlichen Leben der Menschheit auf der Erde bringt. Dann erst entwickeln sich die Empfindungen, die dann in der richtigen Weise die Geschichte aufnehmen. Vor dem 10., 11. Jahr wird man selbstverständlich die Geschichte nur in der Form der Erzählung, des Biographischen getrieben haben. Im 10., 11. Jahr wird man die Geschichte durchaus so zum naturgeschichtlichen Unter­richt hinzunehmen, daß man überall das, was man im Menschen heran­zieht an Empfindungen, die aus dem naturgeschichtlichen Unterricht kommen, gewissermaßen intensiv zusammenhält mit dem, was nun auch die Begriffe, die Ideen, die Empfindungen des geschichtlichen Unterrichts beleben kann. Erst im 12. Jahr ist eigentlich die Möglichkeit gegeben, überzugehen zu dem, was das eigentliche Urteil ist.

<1>Kun je met een levendige karakteristiek van aarde, plant, dier en mens in het kind eenvoudig en elementair tot leven wekken wat anders maar als iets doods beleefd wordt – en met name in de tijd van het 9e tot het 12e jaar waarin het kind de bijzondere aanleg heeft zich van de wereld los te maken en toch verlangt onbewust enerzijds de samenhang tussen de mens en de dieren te leren kennen, anderzijds de afzondering van de mens van de aarde en het aardeleven-, dan ontwikkelt zich met de mens iets wat hem in een goede relatie brengt tot het historische leven van de mens op aarde. Dan pas ontwikkelen zich de gevoelens waarmee op een goede manier geschiedenis wordt begrepen. Vóór het 10e, 11e jaar zal je vanzelfsprekend alleen maar geschiedenis gegeven hebben in de vorm van vertellen, iets biografisch. In het 10e, 11e jaar zal je geschiedenis ook bij plant- en dierkunde betrekken, dat je overal bij wat je in de mens ontwikkelt aan gevoelens die door het biologieonderwijs ontstaan, intensief samenneemt met wat de begrippen, ideeën, ervaringen van de geschiedenisles kan verlevendigen.
Pas aan het einde van het 12e jaar is het in feite  mogelijk over te gaan tot het eigenlijke oordelen.<1>
GA 301/133
Op deze blog vertaald/133
.

Voordracht 12, Bazel 7 mei 1920

Blz. 184

Zum Auffassen des Geschichtlichen der Menschheit ist ja das Kind tatsächlich nicht früher reif als so gegen das 12. Jahr hin. In erzählen­der Form, in umrissenen biographischen Bildern, sogar in einer ge­wissen Art von moralischem Erzählen kann man aber das Geschicht­liche durchaus vorbereiten.
Zum eigentlichen Geschichtlichen aber wird das Kind gerade durch die Art des botanischen, des zoologischen Unter­richtes reif, wie ich es charakterisiert habe. Im Geschichtlichen kann man außerordentlich viel erreichen, wenn man durch das Botanische gewissermaßen die Erde als Einheit dargestellt hat, die über ihre Ober­fläche hin und durch die verschiedenen Jahreszeiten die verschiedenen Pflanzen hervorbringt, und wenn man den Menschen aufgefaßt hat als eine Synthese, wie ich es dargestellt habe, der verschiedenen Tiergruppen, die jeweilen dasjenige, was dann beim Menschen harmonisch vereint ist, als Einseitigkeiten darstellen. Durch das Sich-Bewegen in solchen Vorstellungen wird das Kind für den geschichtlichen Unterricht reif.

Wenn wir mit der Geschichte an das Kind herankommen, handelt es sich nun aber darum, diesen geschichtlichen Unterricht auch dazu zu verwenden, gewisse Kräfte aus der menschlichen Natur herauszuholen, ihnen entgegenzukommen, gewissermaßen das zu erfüllen, was die

<2>Voor het echt begrijpen van de geschiedenis van de mensheid is het kind in feite niet eerder rijp dan zo tegen het 12e jaar. Op een vertellende manier, in concrete biografische beelden, zelfs op een enigszins moralistische verteltrant kun je het geschiedenisonderwijs echter zeker voorbereiden.
Voor de eigenlijke geschiedenis echter wordt het kind rijp door de manier van plant- en dierkundeles zoals ik het gekarakteriseerd heb. Bij geschiedenis kan je buitengewoon veel bereiken, wanneer je door de plantkunde in zekere zin de aarde als een geheel hebt gepresenteerd die over haar oppervlak verspreid door de verschillende jaargetijden de verschillende planten voortbrengt en wanneer je de mens beschouwd hebt als een synthese van de verschillende diergroepen die telkens, wat bij de mens tot harmonie gekomen is, als eenzijdigheid vertegenwoordigen. Door zich in deze voorstellingen te bewegen wordt het kind rijp voor geschiedenisles.<2>
<3> Wanneer we het kind geschiedenis geven, dan gaat het er echter om deze geschiedenis ook te gebruiken om bepaalde krachten uit de menselijke natuur naar boven te halen, die tegemoet te komen door in zekere zin mogelijk te maken, wat

blz. 185

menschliche Natur in dieser Lebensepoche will. Da aber stoßen wir bei dem, was uns gewöhnlich selbst als Geschichte dargeboten wird, auf einen kräftigen Widerstand. Denn was uns heute als Geschichte dar­geboten wird, ist doch eigentlich im Grunde genommen die Erzählung von Ereignissen, oder aber es ist das Zusammenfassen von Ereignissen oder kulturhistorischen Erscheinungen unter einem gewissen kausalen Gesichtspunkt. Es ist dasjenige, was im Grunde genommen doch an der Äußerlichkeit des Geschehens hängenbleibt. Sie werden, wenn Sie un­befangen sind, nicht das Gefühl haben, daß Sie von dem, was eigent­lich dem Menschenwerden zugrunde liegt, durch diese Geschichte eine richtige Vorstellung bekommen können. Wir haben ja in der neueren Zeit viel davon gehört, daß die Geschichte davon absehen soll, Kriege zu erzählen oder sonstige Ereignisse mehr äußerlicher Art zu erzählen, daß sie darauf gehen soll, den Kausalzusammenhang der Kultur-erscheinungen darzustellen. Allein da ist denn doch noch stark die Frage, ob das unbedingt berechtigt ist, einen solchen Kausalzusammen­hang anzunehmen, daß man zum Beispiel das, was in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts geschieht, mehr oder weniger zurückführt auf das, was in der ersten Hälfte des 19. Jahrhunderts geschehen ist, und so weiter zurück.

de menselijke natuur in deze levensfase wil. Daarbij echter stoten we bij wat gewoonlijk zelf als geschiedenis aangeboden wordt, op heftige weerstand. Want wat ons vandaag als geschiedenis aangeboden wordt, is eigenlijk in de grond van de zaak het verhaal van gebeurtenissen of is het samenvatten van gebeurtenissen of cultuurhistorische verschijnselen onder een bepaald causaal gezichtspunt. Het is in de aard der zaak iets wat bij de uiterlijkheden van wat er gebeurt, blijft steken. U zal, als u onbevooroordeeld bent, niet het gevoel hebben dat u door deze geschiedenis een juiste voorstelling kan krijgen van wat eigenlijk ten grondslag ligt aan de wording van de mens. We hebben de laatste tijd veel gehoord dat geschiedenis ervan af moet zien, over oorlogen te vertellen of  te vertellen over andere gebeurtenissen met een meer uiterlijke karakter, dat ze zich moet richten op het geven van causale samenhangen van de cultuurverschijnselen. Maar dan is daar toch nog sterk de vraag aanwezig of het zonder meer te rechtvaardigen valt zo’n causale samenhang aan te nemen, bijv. dat men wat in de tweede helft van de 19e eeuw gebeurt, min of meer terugleidt naar wat in de eerste helft van de 19e eeuw gebeurd is, en dan zo verder terug. <3>

Es könnte ja doch dasjenige, was dem Menschen-werden zugrunde liegt, sich in einer ganz anderen Weise in der Ge­schichte äußern. Und da handelt es sich wirklich beim Geschichtsunter­richt darum, daß wir uns sozusagen nicht gehen lassen, daß wir nicht in irgendeiner Klasse es unternehmen, Geschichtsunterricht etwa so zu erteilen, daß wir selbst nur ein eng begrenztes Pensum zunächst unmit­telbar beherrschen. Selbstverständlich legen wir die seminaristischen Vorbereitungen zugrunde, und das ist ganz richtig, und wir kennen die ganze Geschichte sozusagen, aber das meine ich jetzt nicht, sondern ich meine, wenn wir den Geschichtsunterricht beginnen für irgendeine Klasse, so beginnen wir gewöhnlich irgendwo irgendwomit, und wir überlassen es dann den späteren Zeiten, das Folgende selbst erst in der richtigen Weise aufzunehmen und dergleichen. Das ist dann die Ursache, daß wir den Geschichtsunterricht gewissermaßen bloß in der Zeitenfolge behandeln.
Diese Art, die rechnet eigentlich nicht mit den aus der Menschen-natur heraus uns entgegenkommenden Kräften. Wir müssen da auf anderes Rücksicht nehmen. Wir müssen uns zum Beispiel klar sein dar­über, daß das Wesentliche zunächst das ist, was wir Menschen, die wir 

<4> Wat er aan de wording van de mens ten grondslag ligt, zou toch nog op een heel andere manier uit de geschiedenis kunnen blijken. Het gaat er werkelijk om dat we ons bij geschiedenisonderwijs niet laten gaan, dat we in een of andere klas geschiedenis niet zo gaan geven en dat we zelf rechtstreeks maar een klein deel beheersen. Natuurlijk nemen we de voorbereidingen van onze opleiding ter hand, dat is heel goed en we kennen zogezegd de hele geschiedenis, maar dat bedoel ik nu niet, ik bedoel wanneer we in een klas met geschiedenis beginnen, beginnen we gewoonlijk ergens met iets en we laten wat er nog gaat volgen maar voor later om dat eerst op een goede manier in ons op te nemen en dergelijke. Dat is de oorzaak ervan dat we het geschiedenisonderwijs in zekere zin alleen maar als tijdverloop behandelen.
Die manier houdt eigenlijk geen rekening met de krachten die uit de menselijke natuur op ons af komen. We moeten hier met iets anders rekening houden. We moeten duidelijk weten dat het wezenlijke is, wat wij mensen, in het heden staand,

blz. 186

in der unmittelbaren Gegenwart stehen, als »Geschichte« eigentlich noch erleben. Wenn wir so abstrakt einfach die Kinder zurückführen in die griechische Geschichte, selbst wenn die Kinder schon Gymnasia­sten sind, so ist das eben ein abstraktes Zurückversetzen in einen frü­heren Zeitraum. Man versteht nicht konkret, warum man aus der Gegenwart heraus irgendwie nötig hat, die griechische Zeit zu verstehen. Man begreift aber sofort, um was es sich handelt, wenn man davon ausgeht, daß wir ja in der Gegenwart noch unmittelbare, lebendige Kräfte aus der griechischen Zeit darinnen haben. Davon müssen wir zunächst den Kindern eine Vorstellung geben. Wir können es auf ver­schiedenen Gebieten tun. Wir können es auch schon früher vorbereitet haben, aber wir müssen beim Geschichtsunterricht von dem ausgehen, was wir von einer bestimmten geschichtlichen Epoche noch in der Ge­genwart darinnen haben.
Nun wird Ihnen ja ein unbefangener Überblick über unsere Kultur sehr leicht das Folgende ergeben. Wollte ich es im einzelnen ausführen, was ich skizzenhaft andeuten will, so wären dazu viele Stunden not­wendig; aber das kann ja jeder selbst machen. Ich will nur die Leit­linien hier andeuten. 

eigenlijk nog als ‘geschiedenis’ beleven.<4>
<5> Wanneer we zo abstract de kinderen terugbrengen naar de Griekse geschiedenis, zelfs wanneer de kinderen al gymnasiasten zijn, is het toch een abstract teruggaan naar een vroegere tijdsfase. Men begrijpt niet concreet waarom men vanuit het heden op de een of andere manier iets nodig heeft om de Griekse tijd te begrijpen. Je begrijpt echter meteen waarom het gaat als je ervan uitgaat dat de Griekse tijd in de huidige tijd nog rechtstreeks, actief van invloed is. Daarvan moeten we de kinderen allereerst een voorstelling geven. We kunnen dat op verschillende manieren doen. We kunnen dat al eerder voorbereid hebben, maar we moeten in de geschiedenisles uitgaan van wat wij uit een bepaalde geschiedkundige episode nog hebben in de huidige tijd.
Nu zal voor u wel door een onbevangen blik op onze cultuur makkelijk het volgende blijken. Zou ik het in detail willen uitwerken, wat ik nu schetsmatig wil aanduiden, dan waren daar vele uren voor nodig; maar dat kan ieder voor zich wel doen. Ik wil alleen de grote lijnen aangeven.

Sehen Sie, alles, was wir an umfassenderen uni­versellen Vorstellungen haben, wovon wir eigentlich vorstellungsgemäß als Menschen leben, das haben wir im Grunde genommen als Erbschaft des griechischen Zeitalters angetreten. Wir haben auch gewisse Kunst-empfindungen, mit denen unsere Seele heute noch arbeitet, rein als Erbschaft des griechischen Zeitalters angetreten. Nehmen Sie die ge­wöhnlichsten Begriffe, die uns gang und gäbe sind, wie zum Beispiel der Begriff der Ursache, der Begriff der Wirkung, der Begriff nament­lich des Menschen selber. Alles dasjenige, was unsere universellen Be­griffe sind – die Griechen haben sich zu diesen Begriffen hingearbeitet. Nehmen Sie den Begriff der Geschichte selbst, die Griechen haben zu­erst diesen Begriff der Geschichte aufgestellt. Also unser ganzes Vor­stellungsleben, wir können es überblicken, und wir werden finden, es ist eine Erbschaft des griechischen Zeitalters. So können wir in einer ganz elementaren Weise uns zunächst mit den Schülern unterhalten über unseren universellen Vorstellungsschatz und gar nicht dabei Rücksicht darauf nehmen, daß das in Griechenland entstanden ist. Wir können uns durchaus von der Gegenwart mit unseren Schülern unter­halten und zunächst dabei stehen bleiben; dann versuchen wir irgend­wie etwas Dramatisches, etwas Lyrisches mit den Kindern so durchzunehmen,

Kijk, alles wat wij aan meer omvattende universele voorstellingen hebben, waaruit wij eigenlijk volgens onze voorstellingen als mens leven, hebben we in de grond van de zaak beschouwd, als erfenis van de Griekse tijd overgenomen. Ook hebben we bepaalde kunstervaringen waarmee onze ziel nu nog werkt, puur als erfenis van de Griekse tijd overgenomen. Neem de gewoonste begrippen die voor ons gemeengoed zijn, zoals bijv. het begrip oorzaak, het begrip gevolg, met name het begrip mens zelf. Alles wat universele begrippen zijn – de Grieken hebben naar deze begrippen toegewerkt. Neem het begrip geschiedenis zelf, de Grieken hebben voor het eerst dit begrip omschreven. Dus heel ons voorstellingsleven, we kunnen het overzien en we zullen vinden dat het een erfenis is van de Griekse tijd. Wel kunnen we op een heel elementaire manier met de leerlingen spreken over onze universele begrippenschat en er dan helemaal geen rekening houden dat dat in Griekenland is ontstaan. We kunnen ook met onze leerlingen over de tegenwoordige tijd spreken en daar eerst bij stilstaan; dan proberen we op de een of andere manier iets van drama, iets van lyriek zo met de kinderen door te nemen

blz. 187

daß wir zum Beispiel beim Dramatischen aufmerksam ma­chen, wie ein Drama in Akte eingeteilt ist, wie ein Drama aufgebaut ist, wie es zu einer Verwicklung führt, wie bei ihm eine Lösung herbei­geführt wird. Wir können dabei in ganz elementarer Weise den Begriff der Katharsis entwickeln. Wir brauchen ja wahrhaftig dabei nicht komplizierte philosophische Vorstellungen in den Kindern zu ent­wickeln, aber wir können den Begriff der Katharsis entwickeln, indem wir dem Kinde zeigen, wie im Drama unsere Gefühle angespannt wer­den, wie wir wirklich in eine Art von Mitleid und Furcht versetzt werden, und wie wir dadurch lernen, ein gewisses Gleichmaß des Füh­lens gegenüber Furcht und Mitleid zu bekommen, wie ja das von den Griechen als das Wesentliche der dramatischen Kunst angesehen wor­den ist. Das taugt dann durchaus, wenn wir die Kinder schon für das 11., 12., 13. Lebensjahr ordentlich vorbereitet haben. Wir können dann irgend etwas von einem griechischen Kunstwerke, irgendeine Aphro­dite-Gestalt oder dergleichen vor die Kinder bringen, können ihnen erklären, wie das Schöne in dieser Darstellung sich offenbart und so weiter. Wir können sogar so weit gehen, daß wir den Unterschied er­klären zwischen dem Ruhenden der Kunst in der einzelnen Darstel­lung, zwischen dem Bewegten in der Kunst und so weiter. 

dat we bijv. bij de dramatiek erop wijzen, hoe een drama in akten is verdeeld, hoe een drama opgebouwd is, hoe die leidt naar een verwikkeling, hoe een oplossing gevonden wordt. Daarbij kunnen we op een heel elementaire manier het begrip catharsis ontwikkelen. We hoeven wis en waarachtig zeker geen gecompliceerde filosofische voorstellingen in de kinderen te ontwikkelen, maar we kunnen het begrip catharsis ontwikkelen door het kind te laten zien, hoe in het drama onze gevoelens aangesproken worden, hoe wij werkelijk in een soort medelijden en angst verplaatst worden en hoe we daardoor leren een zeker evenwicht te krijgen tussen ons gevoel en angst en medelijden, hoe dat door de Grieken als het meest wezenlijke van de dramatische kunst gezien werd. Het is het zeer zeker waard als we de kinderen daar al goed op voorbereid hebben als ze zo 11, 12, 13 jaar zijn. Dan kunnen we iets van een Grieks kunstwerk aan de kinderen laten zien, een of andere Afrodite-gestalte o.i.d., we kunnen hun dan uitleggen hoe de schoonheid in de gestalte zich vertoont, enz. We kunnen zelfs zo ver gaan, dat we het verschil uitleggen tussen wat in een individuele gestalte het rustende principe in de kunst is en het bewegende, enz.

Wir können dann gewisse Vorstellungen über das öffentliche Leben, sagen wir, anknüpfend an dasjenige, was jetzt noch im öffentlichen Leben ist, und was schon in der griechischen Zeit da war als politische Grundbegriffe, mit den Kindern besprechen. Und dann, wenn wir uns über so etwas unterhalten haben, dann versuchen wir, dasjenige, was der Grund-charakter der ganzen griechischen Geschichte ist, vor die Kinder wie einen großen Kreis zunächst hinzustellen, klarzumachen den Kindern, wie in Griechenland Menschen von einem gewissen Charakter gelebt haben, wie die Städte-Einrichtungen bei den Griechen waren. Dann aber haben wir hauptsächlich darauf hinzuweisen, wie dasjenige, wor­über wir uns zuerst unterhalten haben, was heute noch lebendig ist, bei den Griechen entstanden ist; wie, sagen wir, bei den Griechen ent­standen ist so etwas, wie eben die plastische Kunst, wie bei den Grie­chen entstanden ist die Einrichtung der Städte und so weiter. Also aus­gehen von dem, was heute noch lebt, müssen wir und übergehen dazu, den Kindern zu zeigen, wie dies in dem griechischen Zeitalter zuerst in der Menschheitsentwickelung Fuß gefaßt hat, so daß das Kind einen ganz bestimmten Begriff erhält von dem Beitrag, den das griechische

We kunnen dan bepaalde voorstellingen met de kinderen bespreken over het openbare leven – laten we zeggen – aanknopend bij wat er nu nog in het openbare leven aanwezig is, van wat er ten tijde van de Grieken al was aan politieke grondbegrippen. En dan, wanneer we daarover hebben gesproken, proberen we voor de kinderen eerst als een grote cirkel neer te zetten wat het grondkarakter van de hele Griekse geschiedenis is, de kinderen duidelijk te maken hoe er in Griekenland mensen geleefd hebben met een bepaald karakter; hoe de steden bij de Grieken waren georganiseerd. Dan hoeven we er echter hoofdzakelijk op te wijzen hoe hetgeen waarover we eerst hebben gesproken, wat nu nog leeft, bij de Grieken is ontstaan; zoals – laten we zeggen – bij de Grieken de beeldhouwkunst is ontstaan, de inrichting van de steden enz. Dus we moeten uitgaan van wat we er tegenwoordig nog van hebben en ertoe overgaan de kinderen te laten zien hoe dit voor het eerst in de mensheidsgeschiedenis in de Griekse tijd is begonnen, zodat het kind een heel bepaald begrip krijgt van de bijdrage die de Griekse

blz. 188

Zeitalter als einen ewigen Beitrag für die Menschheitsentwickelung ge­leistet hat.
Das Kind muß durch eine solche Darstellung eine Idee davon be­kommen, daß das geschichtliche Leben nicht eine ewige Wiederholung ist, sondern daß etwas ganz Bestimmtes in einem bestimmten Zeitalter für die Menschheit geleistet wird, was dann bleibt; wie spätere Zeit­alter etwas anderes leisten, was dann wiederum bleibt. Dann bekommt das Kind auch eine gewisse feste Stellung in der Gegenwart. Es sagt sich: Unser Zeitalter hat auch etwas ganz Bestimmtes für die Ewigkeit zu leisten. Solch eine Geschichtsdarstellung, die wirkt dann wirklich auf das Gemüt, die wirkt dann begeisternd auch auf den Willen; und auf das Wie einer solchen Darstellung kommt eben außerordentlich viel an. Wir werden dabei Gelegenheit haben, an das Kind eine ganze Summe von Vorstellungen, eine ganze Summe von Eindrücken heran-zubringen, von denen wir ihm dann zeigen: die Griechen waren es, die das eingeführt haben in den Schatz des Menschenlebens. Und wir haben Gelegenheit, eine längere Zeit aus jetzt noch Lebendigem heraus mit den Kindern zu sprechen so, daß in all dem, was wir darstellen, nichts Christliches noch liegt.

tijd als een eeuwige bijdrage voor de ontwikkeling van de mensheid heeft geleverd.
Het kind moet er door een dergelijke schets een idee van krijgen dat het geschiedkundige leven niet een eeuwige herhaling is, maar dat iets heel speciaals in een bepaalde tijd voor de mensheid tot stand wordt gebracht, wat dan blijvend is; hoe andere tijdperken weer iets anders tot stand brengen, wat dan ook blijft. Dan krijgt het kind ook een bepaalde vaste positie in het heden. Het zegt: ook onze tijd moet iets heel bijzonders voor de eeuwigheid presteren. <5>
<6>Een dergelijke voorstelling van geschiedenis werkt dan echt op het gevoel, werkt ook enthousiasmerend op de wil; en op het ‘hoe’ van zo’n voorstelling komt buitengewoon veel aan. Daarbij zullen we de gelegenheid hebben het kind heel wat voorstellingen, heel wat indrukken te geven, waarvan we hem dan laten zien: het waren de Grieken die dit ingebracht hebben als iets kostbaars in het mensenleven. En we hebben de gelegenheid wat langer met de kinderen te spreken over wat nu nog leeft, zodanig dat daar nog niets christelijks in voorkomt.

Denn indem wir über das Griechentum so sprechen, und so sprechen, daß das Griechentum als lebendig emp­funden wird, ergehen wir uns in einer Materie, in der noch nichts Christliches drinnen liegt. Aber gerade dadurch, daß wir längere Zeit in dem Kinde Vorstellungen lebendig erhalten, die dem Christentum gegenüber noch ganz neutral sind, dadurch erringen wir uns die Mög­lichkeit, den Einschlag des Ereignisses von Golgatha, den Einschlag der Entstehung des Christentums mit aller Schärfe dann vor die Kin­der hinzustellen. Und wir werden, wenn wir auf eine solche Art die griechische Geschichte geben, von einer Art Charakteristik des ganzen Griechentums dann übergehen zu den Einzelheiten. Wenn wir in dieser Weise die griechische Geschichte durchnehmen, werden wir gerade die richtige Vorbereitung für eine Empfindung des Christentums in den Kindern hervorrufen.
Nun wird ja mancher von Ihnen mit einem gewissen Recht zunächst das Folgende sagen: Ja, aber da regst du uns ja an, über die Einzel­heiten der Geschichte zunächst zu schweigen und in Bausch und Bogen, im Großen das ganze Griechentum zu charakterisieren, das ist doch nicht eine richtige Methode, denn da geht man nicht aus von den ein­zelnen konkreten Ereignissen, um dann zusammenzusetzen die griechische

Want wanneer we over het Griekendom zo spreken dat dit levendig wordt ervaren, begeven we ons in een materie waarin nog niets christelijks aanwezig is. Maar juist omdat we een langere tijd in het kind de voorstellingen levend houden die t.o.v. het christendom nog heel neutraal zijn, maken we het mogelijk de impuls van de gebeurtenis op Golgotha, de impuls van het ontstaan van het christendom in alle scherpte voor het kind neer te zetten. En we zullen, wanneer we op een dergelijke manier de Griekse geschiedenis geven vanuit een soort karakteristiek van het hele Griekendom, overgaan tot de details. Wanneer we op deze manier de Griekse geschiedenis doornemen, zullen we bij de kinderen juist een goede voorbereiding voor het invoelen van het christendom oproepen. <6>
<7> Nu zullen sommigen van u zeggen: ‘Ja, maar nu spoor je ons aan eerst het niet te hebben over de details van de geschiedenis, en in grote trekken het hele Griekendom in het groot te karakteriseren, dan is dat toch geen goede methode, want daarbij ga je niet uit van aparte concrete gebeurtenissen om dan de Griekse

blz. 189

Geschichte in ihrer Ganzheit aus den einzelnen Ereignissen und so weiter.
Ja, da berühren wir eine bedeutsame methodische Frage, die nicht aus Eigensinn und Vorurteil heraus beantwortet werden sollte, son­dern die beantwortet werden sollte aus einer vollen unbefangenen Er­fassung des Lebens. Ich frage Sie: Ist denn das Leben so, daß es immer das Ganze aus dem Einzelnen zusammensetzt? Bedenken Sie einmal, wenn Sie diese Anforderung an das gewöhnliche Wahrnehmungsleben stellen wollten, so müßten Sie den Menschen anleiten, einen mensch­lichen Kopf, ein menschliches Haupt aus den einzelnen Teilen des Ge­hirns und so weiter, zusammenzusetzen. Wir schauen ja im Leben Ganzheiten unmittelbar an. Wir gewinnen nur dadurch ein lebendiges Verhältnis zum Leben, daß wir Ganzheiten unmittelbar anschauen, und es handelt sich niemals darum, daß wir in willkürlicher Weise von dem Teile zu den Ganzheiten übergehen, sondern daß man dasjenige, was im Leben als eine Ganzheit auftritt, auch als eine Ganzheit charak­terisiert. Ja, für den Griechen selber, da war es so, daß er in irgend­einem Jahrzehnt lebte, und daß er die Eindrücke, die dieses Jahrzehnt geben konnte, als einzelner Mensch erlebte.

in totaliteit uit de aparte gebeurtenissen samen te stellen enz.
Ja, hier raken we een belangrijke methodische vraag die niet eigenzinnig en bevooroordeeld beantwoord moet worden, maar vanuit een volledig onbevangen opvatting over het leven. Ik vraag u: is het dan zo in het leven dat het geheel altijd vanuit de delen gevormd wordt? Denk eens wanneer u deze eis aan het gewone waarnemingsleven zou willen stellen, dan zou je de mens aansporen een menselijk hoofd uit de losse delen van de hersenen enz. samen te stellen. In het leven zien we direct het geheel. We krijgen alleen een levende verhouding tot het leven doordat we meteen totaliteiten waarnemen en het gaat er nooit om op een willekeurige manier van de delen naar het geheel te gaan, maar om wat er in het leven zich als totaliteit voordoet, ook als totaliteit te karakteriseren. Ja, voor de Griek zelf was het zo, dat hij in een of ander decennium leefde en dat hij de indrukken die dit op hem maakte, meebeleefde.

Dasjenige aber, was heute noch lebendig ist vom Griechentum, das hat sich zusammengefaßt, das bildet ein Ganzes, und über das schauen wir hinweg, wenn wir nicht, ausgehend von diesem Lebendigen, den ganzen Kreis des Griechentums vor das Kind charakterisierend hinstellen.
Und noch eine mehr praktische Frage erledigt sich dadurch. Ich habe es immer wieder und wiederum erleben müssen, was es wirklich im einzelnen heißt: der Lehrer wird mit seinem Unterrichtsstoff im Jahre nicht fertig. Das ist eigentlich etwas, was in doppelter Hinsicht zu einem Unfug führt, denn erstens wird man eben nicht fertig, das ist der eine Unfug; zweitens aber wird oftmals, damit man fertig wird, in den letzten Wochen so überhudelt, daß das ganz vergebliche Arbeit ist, daß das überhaupt gar nichts heißt, was man in den letzten Wochen macht. Hat man aber zuerst einen großen Kreis umfaßt, hat man den Zeitraum, den man für die betreffende Klasse nehmen will – die Klassenabteilungen, den Lehrplan und die Lehrziele werden wir noch besprechen -, vor die Kinder hingestellt, dann schadet es gar nicht so viel, wenn man in der Betrachtung der Einzelheiten da oder dort über manches hinweggehen muß und dergleichen. Denn wie leicht ist es dem Menschen im Leben, wenn er einen Überblick über eine Sache

Maar wat tegenwoordig nog van het Griekendom leeft, is één geheel geworden, het vormt een totaliteit en daar kijken we overheen wanneer we niet uitgaand van dit levende, het hele domein van het Griekendom, karakteriserend voor het kind neerzetten. <7>
<8> En daardoor wordt nog een meer praktische vraag beantwoord. Ik heb het steeds weer meegemaakt, wat het concreet betekent: de leraar komt met de onderwijsstof in het jaar niet klaar. Dat is eigenlijk iets wat in dubbel opzicht tot iets onbehoorlijks leidt, ten eerste krijg je de lesstof niet af, dat deugt niet; ten tweede echter wordt er om het wél af te krijgen, de laatste weken zo afgeraffeld, dat dat werk voor niks is, dat het geen naam mag hebben, wat daar de laatste weken gebeurt. Heb je echter eerst het grote overzicht in de gaten, heb je de tijdsduur voor de betreffende klas bepaald – de klassen, het leerplan en de leerdoelen zullen we nog bespreken – en dat de kinderen meegedeeld, dan is het niet zo erg wanneer je bij het beschouwen van de details hier of daar eens iets moet weglaten en dergelijke. Want hoe gemakkelijk is het niet voor de mens, wanneer hij overzicht over een zaak

blz. 190

hat, sich besonders in unserer Zeit in den Konversationslexika das ein­zelne nachzusehen. Keinen Überblick bekommen zu haben, das ist unter Umständen ein bleibender Verlust für das Leben. Denn einen rechten Überblick bekommt man nur unter der Anleitung einer leben­digen Persönlichkeit. Einzelheiten aufnehmen kann man auch aus einem Buche.
Dies muß man doch als ein sehr Wichtiges in der pädagogischen Kunst berücksichtigen. Das ist sogar etwas, was bei den Lehrerprüfun­gen im ausgesprochensten Maße berücksichtigt werden sollte. Würde mit Bezug auf die Lehrerprüfungen dasjenige durchgeführt, was ich versuchte – es ist ja natürlich das im Anfange – für die Waldorfschule in Stuttgart geltend sein zu lassen, so würde man eben sagen: Bei der Lehrerprüfung sollte es eben darauf ankommen, sich von der Gesamt-verfassung des Lehrers in bezug auf ein Weltbild zu überzeugen und im übrigen die einzelnen Kenntnisse dem überlassen, was er für nötig findet für den einzelnen Unterricht von Stunde zu Stunde, von Tag zu Tag vorbereitend durchzunehmen. Daß man bei Lehrerprüfungen Ein­zelheiten verlangt, das ist überhaupt ein Unfug. Es kommt darauf an, den Gesamteindruck zu bekommen, ob irgend jemand als Lehrer ge­eignet ist oder nicht.

heeft, speciaal wanneer hij in deze tijd in de encyclopedie de details wil zien. Wanneer je geen overzicht hebt gekregen, is dat onder bepaalde omstandigheden een blijvend manco in het leven. Want een goed overzicht krijg je alleen onder leiding van een levendige persoonlijkheid. Details kun je ook uit een boek halen.
Dat moet je toch als een heel belangrijk punt in de pedagogische kunst beschouwen. Het is zelfs iets, wat bij de lerarenexamens zeer uitgesproken in acht zou moeten worden genomen. Zou wat betreft die lerarenexamens doorgevoerd zijn wat ik probeerde – het staat nog maar aan het begin – voor de vrijeschool in Stuttgart te laten gelden, dan zou men zeggen: ‘Bij het lerarenexamen komt het erop aan zich ervan te overtuigen wat de totale grondhouding van de leraar is m.b.t. een wereldbeeld en voor de rest de feitenkennis over te laten aan wat hij nodig vindt om voor iedere les, van uur tot uur, van dag tot dag, als voorbereiding door te werken.’  Dat men bij lerarenexamens feiten wil, is zeer zeker iets wat niet klopt. Het komt erop aan een totaalindruk te krijgen of iemand als leerkracht geschikt is of niet.

Natürlich darf man diese Dinge auch nicht pres­sen. Man darf selbstverständlich nicht glauben, daß man alle diese Dinge bis ins Extreme treiben darf. Aber im wesentlichen gilt das, was ich gesagt habe.
Nun wird man all das, was ich charakterisiert habe, als heute noch lebendig, gewissermaßen als einen Übergangsimpuls zum Griechentum betrachten können. Dann aber wird man übergehen können zu dem, was auch heute lebendig ist, was aber im Griechentum noch nicht lebendig war. Man wird vor allen Dingen nun sich lebendig unter­halten können mit dem Schüler über einen solchen Begriff wie all­gemeine Menschenwürde. Man wird sich unterhalten können über einen solchen Begriff wie individuelles Bewußtsein des Menschen, na­türlich alles in elementarer Weise. Den Begriff der allgemeinen Men­schenwürde, den hatten die Griechen nicht. Sie hatten den Begriff der Polis, den Begriff einer Gemeinschaft, der der Einzelne angehörte. Darnach waren die einzelnen eingeteilt: Herren, Sklaven. Den eigent­lichen Fundamentalbegriff des Menschen hatten sie nicht. Darüber unterhält man sich nun mit den Schülern. Man unterhält sich ferner mit den Schülern über den Begriff des allgemein Menschlichen, de

Natuurlijk moet je deze dingen niet dwingen. Je moet vanzelfsprekend ook niet geloven dat je al deze dingen tot in het extreme moet doen. Maar in wezen geldt, wat ik heb gezegd.
Alles wat ik nu gekarakteriseerd heb, moet je als iets wat tegenwoordig nog levend, in zekere zin als een overgangsimpuls naar het Griekendom, kunnen beschouwen.<8>
<9> Dan zou je over kunnen stappen naar iets wat tegenwoordig ook nog leeft, maar wat bij de Grieken nog niet leefde. Je zou vooral op een levendige manier met de leerlingen kunnen spreken over zo’n begrip als universele menswaardigheid. Je kunt over zo’n begrip als individueel bewustzijn van de mens spreken, natuurlijk allemaal op een elementaire manier. Het begrip van de universele menswaardigheid kenden de Grieken niet. Ze hadden het begrip van de polis, het begrip van de gemeenschap waartoe de enkeling behoorde. Daar waren de enkelingen bij ingedeeld: meesters, slaven. Het eigenlijke fundamentele mensbegrip hadden ze niet. Daarover praat je nu met de leerlingen. Verder ook met het algemeen menselijke, dat

blz. 191

weil wir wirklich in der heutigen Zeit nicht genug christlich sind, gar nicht so sehr in dem Menschen lebendig ist, aber, ich möchte sagen, durch die Naturgeschichte, die Geschichte sehr wohl in den Kindern lebendig werden kann. Dieser Begriff des allgemein Menschlichen kann etwa so erweckt werden: Man stellt vor die Kinder hin das Abendmahl des Leonardo – es ist ja eigentlich nur noch seinem Sinne nach da, es sind einige Farbflächen noch vorhanden in Mailand davon -, dasje­nige, was Leonardo mit diesem Bilde einmal gewollt hat, davon kann man sich heute, ich möchte sagen, nur hellsichtig noch einen Begriff machen, aber der Gedanke des Bildes, er ist noch da. Er ist lebendig zu machen, indem man das Bild vor die Kinder hinstellt. Hat man da diese zwölf Apostel mit dem Herrn in der Mitte, dann ist man in der Lage, tatsächlich an diesem Bilde klarzumachen, daß zwölf Menschen da sind, zwölf Menschen, die vom Künstler selbst schon in ihren Stel­lungen mit den verschiedensten Gesinnungen dargestellt worden sind, vom hingebungsvollen Johannes bis zum verräterischen Judas. Man kann gewissermaßen alle menschlichen Charaktere an diesen zwölf Bildern entwickeln.

omdat we tegenwoordig niet christelijk genoeg meer zijn, helemaal niet zo in de mens leeft, maar door de biologie, de geschiedenis wel levend kan worden in de kinderen. Het begrip voor het algemeen menselijke kan bijv. zo gewekt worden: je laat de kinderen Het Avondmaal van Leonardo zien – het is er eigenlijk alleen nog maar als idee, er zijn nog wat schildervlakken van in Milaan* – van wat Leonardo eens met dit beeld wilde, kun je je alleen tegenwoordig maar helderziend een begrip vormen, maar de idee van het beeld is er nog. Je kunt het levend maken als je de kinderen het beeld laat zien. Wanneer je de twaalf apostelen hebt, met de Heer in het midden, dan ben je in staat, aan dit beeld daadwerkelijk duidelijk te maken dat er twaalf mensen zijn, twaalf mensen die door de kunstenaar zelf al in hun houdingen en met de meest verschillende stemmingen afgebeeld zijn, van Johannes, vol overgave tot de verraderlijke Judas. Je kan in zekere zin alle menselijke karaktertrekken aan deze twaalf beelden ontwikkelen.

Man kann den Kindern zeigen, wie die Menschen-charaktere verschieden sind, und man weist dann darauf hin, wie in der Mitte der Herr sich verhält zu jedem einzelnen, und man wird den Kindern sagen können: Nehmt meinetwillen irgend jemanden, der aus einem fremden Himmelskörper herunterkommt – man braucht es nicht in der Weise zu sagen, aber man kann es so klarmachen -, nehmt irgend jemanden, der von einem fremden Himmelskörper herunterkommt und alle Bilder auf der Erde sieht – ein solches Wesen braucht nur die zwölf Menschen anzuschauen, und dann das verklärte Antlitz in der Mitte, und es weiß als ein ganz erdenfremdes Wesen: Das hat etwas zu tun mit dem, was der Erde Sinn gibt. Daß einmal eine Zeit da war in der Erdentwickelung, die Vorbereitung war, daß dann eine andere Zeit kam, auf die gewartet wurde, und die gegenüber der Vorbereitung eine Art Erfüllung gibt, daß mit der ganzen irdischen Menschheits­entwickelung dieses Ereignis von Golgatha zusammenhängt, daß die Erde keinen Sinn hätte in ihrer Entwickelung, wenn dieses Ereignis nicht eingetreten wäre, das ist etwas, was man klarmachen kann. Das ist also, was auch heute noch lebendig ist, was sehr leicht belebt werden kann, insofern es in unserer halb heidnischen Zeit wiederum erstorben ist. Kurz, darum handelt es sich, daß man jetzt gewissermaßen das zweite Zeitalter des Menschen klarmacht. Das ist das Zeitalter, das im

Je kan de kinderen laten zien, hoe verschillend mensen in hun karakter zijn en dan wijs je erop hoe de Heer in het midden t.o.v. ieder individu staat en je kan tegen de kinderen zeggen: ‘Neem wat mij betreft een of ander persoon die vanaf een vreemd hemellichaam naar beneden komt – je hoeft het niet zo te zeggen, maar zo kun je het duidelijk maken – neem iemand die van een andere planeet komt en alle beelden van de aarde ziet – zo’n wezen hoeft maar naar die twaalf mensen te kijken en dan naar het bezielde gezicht in het midden en als wezen dat niet thuis is op aarde, weet het: dat heeft te maken met wat zin aan de aarde geeft. Dat er eens een tijd was in de aardeontwikkeling als voorbereidingstijd, dat er dan een andere tijd kwam waarop werd gewacht en die t.o.v. de voorbereiding een soort vervulling gaf, die met de hele aardse mensheidsontwikkeling van deze gebeurtenis op Golgotha samenhangt, dat het voor de aarde in haar ontwikkeling geen zin zou hebben gehad als deze gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden, dat is iets wat je duidelijk kunt maken. Dat leeft ook nu nog, dat kan heel makkelijk weer gaan leven, voor zoverre het in onze halve heidense tijd niet gestorven is. Kortom, het gaat erom dat je in zekere zin het tweede tijdperk van de mens duidelijk maakt. Dat is het tijdperk dat in

blz. 192

Gegensatz zu dem Schaffen von Begriffen, von künstlerischem Emp­finden zu alle dem, was eigentlich nur entstehen konnte, indem eine Aristokratie der Menschheit es ausbrütete, das im Gegensatze zu dem, was eben als Erbschaft geblieben ist, auftrat mit der Entstehung des Christentums: das allgemein Menschliche.
Nun kann man zeigen, indem man jetzt erst die römische Geschichte nachholt, wie die römische Geschichte nach irgend etwas hin tendiert, was eigentlich in sich selbst kaum eine Bedeutung hat; denn es wird dem unbefangenen Betrachter der römischen Geschichte klarwerden, wie groß eigentlich der Abstand dieses römischen Volkes von dem griechischen Volke ist. Das griechische Volk hat uns und den Römern
– denn die Römer waren die Schüler der Griechen in wirklich allem bedeutenden Menschlichen -, das Griechentum hat uns und den Rö­mern dasjenige gegeben, was geblieben ist. Die Römer für sich, sie waren ein phantasieloses Volk, ein Volk, welches eigentlich nur sich vorbereitet hat durch den Bürgerbegriff zum christlichen Menschen-begriff. Den Einschlag des Christentums in das Römertum kann man dem Kind in diesem Lebensalter durchaus schon beibringen und damit auch zeigen, wie die alte Welt Stück für Stück zugrunde geht und das Christentum Stück für Stück sich im Abendlande verbreitet.

tegenstelling tot het creëren van begrippen, van kunstzinnig gevoel voor alles wat eigenlijk alleen maar kon ontstaan wanneer een aristocratie van de mensheid het uitdacht, dat in tegenstelling tot wat als erfenis gebleven is, optrad met het ontstaan van het christendom: het algemeen menselijke. <9>
<10>Nu kun je laten zien, wanneer je nu de Romeinse geschiedenis er nog bijhaalt, hoe deze naar iets neigt wat eigenlijk op zich nauwelijks betekenis heeft; want het zal de onbevangen onderzoeker van de Romeinse geschiedenis duidelijk worden, hoe groot eigenlijk de afstand van dit Romeinse volk tot het Griekse volk is. Het Griekse volk heeft ons en de Romeinen – want de Romeinen waren de leerlingen van de Grieken van werkelijk alles wat voor de mens van betekenis is – het Griekendom heeft ons en de Romeinen datgene gegeven wat gebleven is. De Romeinen op zich, het was een fantasieloos volk, een volk dat zich eigenlijk slechts voorbereid had door het begrip van burger tot het christelijke begrip van mens. De impuls van het christendom bij de Romeinen kan je een kind op deze leeftijd al wel bijbrengen en daarmee ook laten zien, hoe de oude wereld geleidelijk ten onder gaat en het christendom zich geleidelijk in het Avondland verbreidt.

Ich möchte sagen: Das erste Jahrtausend des Christentums gewinnt dadurch einen gewissen einheitlichen Charakter. Es ist die Verbreitung des allgemei­nen Menschenbegriffes. Und wenn man einen so lebendigen, einen so intensiven Begriff von dem Einschlag des Christentums in die Mensch­heitsentwickelung an die Kinder heranbringt, dann bekommt man auch die Möglichkeit, das ganze neue Zeitalter nun für die Menschen­kinder zu charakterisieren.
Nachdem das erste Jahrtausend christlicher europäischer Entwicke­lung vorüber ist, beginnt doch wiederum etwas ganzNeues. Dieses ganz Neue bereitet sich langsam vor. Dasjenige tritt klar in die Menschheits­entwickelung ein, was, ich möchte sagen, das Allerprosaischste ist für uns. Für unsere Nachkommen in Jahrtausenden wird die Sache anders liegen, aber wir müssen selbstverständlich heute »Geschichte« für unsere Zeit lehren. Wir blicken also zurück ins Griechentum, in dasjenige, was heidnisch sein darf, künstlerisches Leben, Vorstellungsleben und so weiter, wir blicken zurück in das erste Jahrtausend christlicher Ent­wickelung und finden das europäische Gefühlsleben gerade darin ent­wickelt; und wir finden dann in dem, was nach dem ersten Jahrtausend

Het eerste millennium van het christendom krijgt daardoor het karakter van een zekere eenheid. Het is de verbreiding van het algemene begrip mens. En wanneer je een zo levend, een zo intensief begrip van de impuls van het christendom in de ontwikkeling van de mensheid aan de kinderen leert, krijg je ook de mogelijkheid het geheel nieuwe tijdperk voor de kinderen te karakteriseren.
Nadat het eerste millennium van de christelijke Europese ontwikkeling voorbij is, begint totaal weer iets heel nieuws. Dit bereidt zich langzaam voor. Het verschijnt duidelijk in de mensheidsontwikkeling als het meest prozaïsche voor ons. Voor onze nakomelingen in duizenden jaren zullen de zaken anders liggen, maar wij moeten vanzelfsprekend vandaag ‘geschiedenis’ voor onze tijd leren. Wij kijken dus terug naar de Grieken, naar wat niet-christelijk mag zijn, kunstzinnig leven, voorstellingsleven enz., we blikken terug naar  het eerste millennium van christelijke ontwikkeling en vinden de ontwikkeling van het Europese gevoelsleven juist daar; en we vinden dan in wat na het eerste millennium

blz. 193

christlicher Entwickelung eintritt, das europäische Willensleben, vor allen Dingen zunächst dadurch herankommend, daß die wirtschaft­lichen Angelegenheiten für die Menschen Gegenstand eines ausgebilde­ten Nachdenkens werden, Gegenstand von Schwierigkeiten werden. Sie wurden früher in viel naiverer Weise besorgt, als sie nachher be­sorgt werden. Und mit dem zusammenhängend dann versucht man gerade zu schildern, wie die Erde ein einheitlicher Schauplatz wird für die Menschen, wie sie es wird durch die Entdeckungsfahrten, wie sie es wird durch die Buchdruckerkunst, und man versucht, diesen letzten Zeitraum als denjenigen zu erfassen, in dem wir eben noch drinnen-stehen. Da wird man nicht mehr in einer solchen Weise große Gesichts­punkte, wie für die griechische Zeit und für die christlich-römische Zeit mit einer Nachwirkung in das mitteleuropäische Leben herein darstel­len können; da wird man dann mehr oder weniger zerfallen lassen müssen dasjenige, was vom 11., 12., 13.Jahrhundert an und so weiter geschehen ist, in Einzelheiten. Aber gerade dadurch wird man von dem in dieser Zeit in die Geschichte eintretenden Völkerwillensleben die richtige Empfindung in dem Kinde erwecken.

van christelijke ontwikkeling optreedt, het Europese wilsleven, vooral eerst opkomend doordat de handelszaken voor de mensen onderwerp worden om uitgebreid over na te denken, onderwerp worden van problemen. Die werden vroeger op een veel naïevere manier afgehandeld dan later. En daarmee samenhangend probeer je dan te schetsen hoe de wereld een meer eenheid vertonend toneel wordt voor de mensen, hoe dat komt door de ontdekkingsreizen, door de boekdrukkunst en je probeert dit laatste tijdperk op te vatten als het tijdperk waar we nu nog in zitten. Dan zal je niet meer op zo’n manier grote gezichtspunten neer kunnen zetten zoals je kon doen voor de Griekse tijd, voor de christelijk-Romeinse tijd met de nawerking in het Midden-Europese leven; dan zal je daar min of meer, wat er vanaf de 11e, 12e, 13e eeuw enz. gebeurd is, dat in details moeten opsplitsen. Maar juist daardoor zal je voor wat er vanaf deze tijd in de geschiedenis als verschijnend wilsleven van de volkeren begint te leven, bij het kind het juiste gevoel wekken.<10>

Was erreicht man dadurch, daß man dieses tut? Sehen Sie, dadurch treibt man nicht Kausalgeschichte und auch nicht pragmatische Ge­schichte, all die schönen Dinge, die zeitweilig so bewundert worden sind. Was heißt denn Kausalgeschichte? Ich sagte es schon, es setzt vor­aus, daß immer das Folgende als die Wirkung des Vorhergehenden entstanden ist. Aber wenn man eine Wasseroberfläche hat, und man sieht aufeinanderfolgende Wellen – wird man denn jede folgende Welle als die Wirkung der vorhergehenden ansehen dürfen? Wird man denn da nicht in den Tiefen des Wassers die Ursache suchen müssen, die gemeinsame Ursache für die Folgen der Wellen? In der Geschichte ist es nicht anders. Man übersieht das Wichtigste, wenn man nur nach dem Zusammenhange von Ursache und Wirkung sieht. Man übersieht dasjenige, was in den Tiefen der Menschheitswerdenskräfte waltet, welche die einzelnen Erscheinungen im Laufe der Zeit an die Ober­fläche bringen, so daß sie sich nicht bloß darstellen unter dem Gesichts­punkt von Ursache und Wirkung. Dasjenige, was in einem Jahrhun­dert geschieht, ist nicht bloß die Wirkung desjenigen, was im früheren Jahrhunderte geschehen ist, sondern es ist selbständig – nebenbei, daß es Wirkung ist -, es ist selbständig, ich möchte sagen, aus den Tiefen des Menschenwerdestromes an die Oberfläche getragen.

<11> Wat bereik je ermee dit zo te doen? Kijk, daardoor geef je geen causaliteitsgeschiedenis en ook geen pragmatische geschiedenis, al dat moois, wat tijdelijk zo werd bewonderd. Wat is dan causaliteitsgeschiedenis? Ik zei al, het gaat ervan uit, dat steeds het volgende als de werking van het voorafgaande ontstaan is. Maar wanneer je een wateroppervlak hebt en je ziet de na elkaar aankomende golven, mag je dan iedere volgende golf als de werking van de voorafgaande beschouwen? Moet je de oorzaak dan niet in de diepte van het water zoeken, de gemeenschappelijke oorzaak voor de golven die volgen? In de geschiedenis is het niet anders. Je kijkt over het belangrijkste heen, wanneer je alleen kijkt naar de samenhang van oorzaak en gevolg. Je kijkt over datgene heen wat in de diepte van de krachten bij het worden van de mensheid gaande is, die de afzonderlijke verschijnselen in de loop van de tijd aan de oppervlakte brengen, zodat die zich niet alleen maar vertonen onder het gezichtspunt van oorzaak en gevolg. Wat in de ene eeuw gebeurt, is niet alleen maar het gevolg van wat in een eerdere eeuw gebeurd is, maar staat op zich, laat staan dat het een gevolg is – , het staat op zich en is op zich staand, uit de diepten van de stroom van de menswording aan de oppervlakte gebracht.

blz. 194

Davon kann man im kindlichen Lebensalter einen Eindruck hervor­rufen. Und man muß ihn in dieser Zeit hervorrufen. Denn wenn man Lhn nicht in diesem Alter hervorruft, dann bleibt der Mensch eigen­sinnig, bleibt bei seiner pragmatischen oder kausalen Geschichte. Er er­starrt dann in seiner Auffassung des geschichtlichen Werdens und ist später eigentlich wenig mehr geneigt, etwas aufzunehmen von dem, was eigentlich Zukunft hat, und was ich im Gegensatz zu aller übri­gen Geschichtsdarstellung nennen möchte die symptomatologische Ge­schichte. Wer symptomatologische Geschichtsbetrachtungen treibt, wird nicht glauben, man müsse an die geschichtlichen Ereignisse unmittelbar herangehen und sie schildern um ihrer selbst willen, sondern er wird sie als Symptome eines tieferen Werdens betrachten und sich sagen:
Wenn in einem bestimmten Zeitalter, sagen wir, der Gutenberg auf-tritt und die Buchdruckerkunst findet, so hängt das zusammen mit etwas, was in den Tiefen der Menschheit geschieht. Und die Auf­findung der Buchdruckerkunst ist nur ein Symptom dafür, daß die Menschheit in dieser Zeit reif geworden ist, von gewissen bloß kon­kreten Vorstellungen zu abstrakten überzugehen. 

Daarvan kun je in de kinderleeftijd een indruk oproepen. En die moet je in deze tijd oproepen. Want doe je dat op deze leeftijd niet, dan blijft de mens eigenzinnig, blijft bij zijn pragmatische of causale geschiedenis. Hij wordt dan star in zijn opvattingen over de geschiedkundige wording en is later eigenlijk weinig meer genegen iets op te nemen van iets wat eigenlijk toekomst heeft en wat ik in tegenstelling tot alle andere geschiedschrijving de symptomatologische geschiedenis noem. Wie geschiedenis symptomatologisch bekijkt, zal niet geloven dat je meteen de geschiedkundige gebeurtenissen moet nemen en die schetsten om ze te schetsen, maar die zal ze als symptomen van een dieper worden bekijken en zeggen: wanneer er in een bepaalde tijd – laten we zeggen – sprake is van Gutenberg die de boekdrukkunst ontdekt, dan hangt dat samen met iets wat in een diepere laag van de mensheid gebeurt. En de uitvinding van de boekdrukkunst is er maar een symptoom van, dat de mensheid in deze tijd rijp geworden is van bepaalde enkel concrete voorstellingen over te gaan tot abstracte.

 Indem man dasjenige Leben antritt im Laufe der Zeit, das zusammengehalten wird mehr durch den Druck, als durch die unmittelbar gründlichen Inhalte, wird das Leben wesentlich verabstrahiert oder ins Abstrakte getrieben.
Wie im Verlaufe des geschichtlichen Werdens das Leben verabstra­hiert, ins Abstrakte getrieben wird, davon machen wir uns in der Regel überhaupt keine Vorstellung. Denken Sie doch nur einmal, um ein kleines zu sagen, ich kann sagen: Mein Rock ist schäbig. Darüber hat heute jeder eine Vorstellung, wenn ich sage: Mein Rock ist schäbig. Aber er wird nicht sich klarwerden darüber, was das eigentlich heißt. Es heißt, daß das, was ich da meine, ursprünglich etwas mit den Scha­ben, mit den kleinen Insekten zu tun hat. Röcke hat man hängen-lassen in Schränken, hat sie nicht ordentlich gebürstet, und da sind diese kleinen Insekten, diese Schaben, gekommen und haben den Rock zerfressen. Man hat Löcher. Und aus dem Zerstören von Röcken durch Schaben ist das Wort »schäbig« entstanden. Das ist der Übergang vom Konkreten zum Abstrakten. Dieser Übergang vom Konkreten zum Abstrakten vollzieht sich in der Menschheit immerfort, und auf den sollten wir eigentlich aufmerksam sein. Sehen Sie, in meiner Gegend, wo ich aufgewachsen bin, in dieser österreichischen Gegend, da redeten die Bauern sehr konkret vom Nachtschlaf. Der Nachtschlaf war für sie

Wanneer men in de loop van de tijd het leven binnenstapt waarin er meer verband is door de drukpers dan door zonder omwegen iets zeer inhoudelijks, dan wordt het leven in belangrijke mate abstracter of tot abstracties geforceerd.
Hoe in de loop van de geschiedkundige wording het leven geabstraheerd is, tot abstracties geforceerd is, daarvan maken wij ons in de regel helemaal geen voorstelling. Bedenk eens, om een klein voorbeeld te geven: mijn jas is mottig. Als ik dat zeg, heeft iedereen daar wel een voorstelling van. Maar het wordt hem niet duidelijk, wat dat eigenlijk betekent. Het betekent dat wat ik daar zeg, oorspronkelijk met motten, met die kleine insecten te maken heeft. Jassen heeft men in kasten laten hangen, ze niet naar behoren geborsteld en toen zijn deze kleine insecten, de motten, gekomen en hebben de jas aangevreten. Er zitten gaatjes in. En door het beschadigen van jassen door motten is het woord ‘mottig’ ontstaan. Dat is de overgang van concreet naar abstract. Deze overgang voltrekt zich in de mensheid steeds weer en daar moeten we eigenlijk op letten. In de omgeving waarin ik ben opgegroeid, in deze Oostenrijkse omgeving, spraken de boeren zeer concreet over de “nachtslaap”. De nachtslaap was voor hen

blz. 195

nicht jenes Abstraktum, an das wir heute denken, wenn wir sagen: der Nachtschlaf; sondern der Bauer rieb sich die Augen aus und das, was da in den Augenecken am Morgen drinnen war, was er herausrieb, diese konkrete Absonderung, die nennt er den Nachtschlaf, und einen anderen Begriff von dem Nachtschlaf hat er nicht, er muß erst auf den abstrakten Begriff des Nachtschlafes gebracht werden. Allerdings, diese Dinge sterben aus. Wir Älteren erinnern uns, wenn wir gerade unsere Jugend nicht in der Stadt zugebracht haben, sondern auf dem Lande, wie alles konkret war. Aber es ist sozusagen mit dem 19. Jahrhundert mehr oder weniger ausgestorben. Ich könnte Ihnen eine ganze Anzahl solcher Beispiele vorbringen, und Sie wirden kaum glauben, daß in solch konkreter Weise auf dem Lande gedacht wird. Man kann sehr Merkwürdiges erleben. Es gibt einen österreichischen Dialektdichter, der sehr schöne Dinge gemacht hat, die die Stadtleute alle bewundert haben, aber eben nur die Stadtleute, denn die Landleute verstehen sie nicht, weil er alle Worte so gebraucht, wie sie die abstrakten Stadtleute gebrauchen. Das versteht der auf dem Lande aber gar nicht, weil der konkrete Dinge im Auge hat, so daß alles für ihn etwas ganz, ganz anderes bedeutet.

niet zo’n abstractie waaraan wij nu denken als we zeggen: de nachtslaap; maar de boer wreef in zijn ogen en wat er ’s morgens in zijn ooghoeken zat, wat hij eruit wreef, wat daar concreet uitgescheiden was, noemde hij nachtslaap en een ander begrip van nachtslaap had hij niet, tot het abstracte begrip nachtslaap moest hij eerst gebracht worden. Maar ja, deze dingen sterven uit. Wij ouderen weten het nog, als we dus niet onze jeugd in de stad hebben doorgebracht, maar op het platteland, waar alles concreter was. Maar dat is met de 19e eeuw min of meer uitgestorven. Ik zou u heel wat van dergelijke voorbeelden kunnen geven en u zou het nauwelijks geloven dat er op zo’n concrete manier op het platteland gedacht werd. Je kunt er veel opmerkelijks aan beleven. Er is een Oostenrijkse dialectdichter, die veel mooie dingen heeft gemaakt, die de mensen uit de stad alle bewonderden, maar alleen de mensen uit de stad, want de mensen van het land begrijpen ze niet, omdat hij alle woorden zo gebruikt als de abstracte stadsmens doet. Die van het boerenland begrijpt dat helemaal niet, omdat hij concrete dingen voor ogen heeft, zodat voor hem alles iets heel, heel anders betekent.

Ich will nur daran erinnern, daß zum Beispiel, wenn dieser österreichische Dialektdichter in seinem Gedichte von der Natur spricht, er für den Bauern ganz unverständlich ist, weil der Bauer die­sen Begriff der Natur, den der gebildete Mensch hat, überhaupt nicht hat, sondern unter Natur etwas sehr, sehr Konkretes versteht. So könnte man überall Beispiele anführen, welche zeigen würden, wie der Übergang vom Konkreten zum Abstrakten im ganzen Werdegang der Menschheit bedingt ist, und wie über die ganze Menschheit eine Welle von Abstraktionsneigung sich ergießt mit der Buchdruckerkunst. Die Menschen filtrieren gewissermaßen unter demEinfluß der Buchdrucker-kunst ihre Begriffe.
Dann wäre es nicht schlecht, wenn man den Kindern aus der neueren Geschichte heraus gewisse Begriffe beibringen würde, die eigentlich dem Leben gegenüber objektiv machen. Es würde zum Beispiel viel weniger deklamiert werden von Bekämpfung des Kapitalismus und so weiter, wenn nicht die Menschen, die heute diese Dinge reden, so redeten, als wenn sie über diese Dinge gar nichts gehört hätten und gar keine Vor­stellung davon hätten, daß es eigentlich gar nichts heißt, wenn man einfach wütend loszieht über den Kapitalismus; denn es hat gar nichts zu tun mit dem, was die Leute eigentlich wollen. Es beruht bloß darauf

Ik wil er alleen maar aan herinneren, dat bijv. wanneer deze dichter over de natuur spreekt, hij voor de boeren totaal niet te begrijpen is, omdat de boer dit begrip van de natuur die de geschoolde mens heeft, echt niet heeft, maar onder natuur iets heel, heel concreets verstaat. Zo zou je overal voorbeelden kunnen aangeven die zouden laten zien hoe de overgang van het concrete naar het abstracte in de gehele wording van de mensheid veroorzaakt is en hoe de hele mensheid door de boekdrukkunst overspoeld wordt met een golf van een hang naar abstractie. De mensen filteren in zekere zin onder invloed van de boekdrukkunst hun begrippen.
Dan zou het niet verkeerd zijn, wanneer je aan de kinderen over de nieuwere geschiedenis bepaalde begrippen leert die eigenlijk wat het leven betreft, objectief maken. Er zou bijv. veel minder pathetisch over de bestrijding van het kapitalisme gepraat worden enz., wanneer de mensen die tegenwoordig over deze dingen spreken, dat zo zouden doen, alsof zij van deze dingen helemaal niets hadden gehoord en er helemaal geen voorstelling van hadden, dat het eigenlijk helemaal niets betekent wanneer je woedend tegen het kapitalisme tekeergaat, want het heeft helemaal niets van doen met wat men eigenlijk wil. Het berust alleen maar

blz. 196

daß die Leute über die Bedeutung von Kapitalismus und so weiter bloß keine ordentliche Vorstellung bekommen haben. Daher werden auch meine Bücher, wie »Die Kernpunkte der sozialen Frage«, so un­verständlich gefunden, weil die aus dem Leben heraus geschrieben sind, nicht aus den phantastischen Einbildungen der heutigen Agitatoren.
Für eine lebensvolle Betrachtung des Geschichtlichen ist es so not­wendig, daß man wirklich die äußeren Ereignisse so faßt, daß sie Sym­ptome für ein verborgenes Inneres sind, auf das man aber ahnend immer niehr und mehr kommt, wenn man diese Symptome betrachtet. Betrachtet man die Geschichte einmal symptomatologisch, dann kommt man schon nach und nach darauf, daß zuerst ein Aufstieg, dann ein höchster Gipfel mit Bezug auf gewisse Ereignisse erreicht wird, dann wiederum ein Abstieg. Und hier ist das Ereignis von Golgatha. Wenn man die Geschichte so betrachtet, daß die äußeren Ereignisse Zeugen sind für innere Vorgänge, dann steigt man aus dem Geschichtlichen nach und nach in das Religiöse hinein, dann vertieft sich in der Tat die Geschichte von selbst in das Religiöse hinein. 

op het feit dat de mensen over de betekenis van het kapitalisme enz. helemaal geen juiste voorstelling hebben gekregen. Daarom worden ook mijn boeken ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk’ [1] zo onbegrijpelijk gevonden, omdat die vanuit het leven geschreven zijn, niet vanuit de onwerkelijke hersenschimmen van de tegenwoordige opruiers.
Voor een levensecht beschouwen van de geschiedenis is het zo nodig, dat je werkelijk de uiterlijke gebeurtenissen zo opvat, dat ze symptomen zijn voor iets wat innerlijk verborgen aanwezig is, waarop je echter voorvoelend steeds meer komt, als je naar deze symptomen kijkt. Als je eenmaal de geschiedenis symptomatologisch beschouwt, kom je er langzamerhand achter dat er eerst een toenemende ontwikkeling is, dan wordt m.b.t. verschillende gebeurtenissen een hoogtepunt bereikt, dan loopt het weer af. En neem de gebeurtenis op Golgotha. Wanneer je de geschiedenis zo beschouwt, dat de uiterlijke gebeurtenissen getuigen zijn van innerlijke processen, kom je vanuit het historische langzamerhand tot het religieuze, dan vindt er inderdaad vanzelf een verdieping plaats van geschiedenis naar religie.

Und dann bekommt man schon einen Weg, der gefühlsmäßig zum Verständnisse führt desjeni­gen, was man ja schon früher an das Kind heranbringen kann, sagen wir die Evangelien oder das Alte Testament. Aber man kann es nicht früher zum inneren Verständnis bringen. Das ist auch gar nicht nötig. Man bringt es in erzählender Form vor das Kind, und wenn das Kind dann den lebendigen Geschichtsbegriff erhält, dann bekommt auch wiederum der biblische Stoff ein neues Leben. Und das ist gut, daß die Dinge in Etappen ihr volles Leben erst erreichen. Aber vor allen Dingen wird der religiöse Trieb, das religiöse Empfinden vertieft durch Geschichtsbetrachtung in Symptomen.

En dan vind je al een weg die gevoelsmatig tot het begrijpen leidt van wat je al eerder aan het kind kan leren – de evangeliën of het Oude Testament. Maar eerder kun je het kind niet tot een innerlijk begrip brengen. Dat is ook helemaal niet nodig. Je geeft het aan het kind in de vertelvorm en wanneer het kind dan het levende geschiedenisbegrip krijgt, dan krijgt ook de Bijbelse stof weer nieuw leven ingeblazen. En het is goed dat de dingen in fasen pas hun volle leven bereiken. Met name wordt de hang naar het religieuze, het religieuze gevoel verdiept door geschiedenisbeschouwing in symptomen. <11>
GA 301/184-196  
Op deze blog vertaald/184-196

.

Rudolf Steiner over geschiedenisalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3391-3189

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen – autisme (7-1/3)

.
Waarom ik deze oudere berichten toch nog een plaats geef.
.

Maria Hendriks, 01-1985

VOOR- EN TEGENSTANDERS TWISTEN OVER VRAAG OF AFWIJKING TE GENEZEN IS

Autisme vraagt om een serieuze benadering

Opnieuw is de strijd opgelaaid over de vraag of autisme te genezen is en wat de oorzaak ervan is. Is het een hersenafwijking of een afwijking in de relatie tussen moeder en kind? Veertig jaar geleden werd aangenomen dat autisme het gevolg was van een kille houding van de moeder. Nu wordt veelal gedacht aan een hersenbeschadiging. Voor beide theorieën is nog onvoldoende bewijs. Nu een nieuwe behandelmethode is overgewaaid uit Amerika, staan voor- en tegenstanders weer lijnrecht tegenover elkaar.

Autisme is een ernstige stoornis van het vermogen contact te leggen. Een autistisch kind kijkt je niet aan, wil niet aangeraakt worden, lacht niet naar mensen (wel naar lantaarnpalen), luistert ogenschijnlijk niet en leert vaak niet of met zeer grote moeite praten. Autisten doen vreemd. Ze hebben vaak monomane gewoonten: eindeloos schommelen in een stoel of langdurig in een brandende lamp staren. Ze zijn vaak angstig, vooral als de dingen anders gaan dan ze gewend zijn. Tegelijkertijd lijken ze vaak geen angst of gevoel te kennen; branden hun vingers, maar trekken hun hand niet terug.

Autisme is pas als een op zichzelf staande handicap herkend toen Leo Kanner het in 1943 voor het eerst omschreef. Er zijn niet zo veel autistische kinderen, naar schatting vier of vijf op elke tienduizend, [de cijfers kloppen voor 2025 niet meer: het aantal is toegenomen] ongeveer net zoveel als het aantal dove en blinde kinderen. 

De opwinding die nu is ontstaan, is veroorzaakt door de New Yorkse kinderpsychiater Martha Welch, die begin deze maand in Utrecht was om haar ideeën over de behandeling nader toe te lichten.

Welch heeft in Amerika naar eigen zeggen veel succes met de holding-therapie (vasthouden, koesteren). Het contact-onwillige kind wordt net zo lang door de moeder vastgehouden totdat het uit zichzelf toenadering zoekt. De eerste keer zal het zich hevig verzetten en kan het een paar uur duren voordat het kind z’n moeder aankijkt of aanraakt. Het vasthouden moet net zo lang worden herhaald totdat het autistische gedrag is verdwenen.

Verzet

Welch was in Utrecht op uitnodiging van de afdeling stem- en spraakstoornissen van de universeit. De afdeling kinderpsychiatrie van diezelfde universiteit verzette zich echter zodanig tegen haar ideeën dat de lezingen van Welch in een ander gebouw moesten worden gehouden. Ook de Nederlandse Vereniging van Autisme, de vereniging van ouders van autistische kinderen wil niets met de praktijken van Welch te maken hebben.

Dat verzet van Nederlandse deskundigen tegen anderen die beweren dat autisme te genezen is, duikt steeds weer op. De bioloog Nico Tinbergen en zijn vrouw pleiten — als vervolg op zijn studies naar het gedrag van angstige dieren waarvoor hij de Nobelprijs kreeg— al jaren voor koestering van autistische kinderen. Maar Tinbergen en zijn vrouw zijn in Nederland altijd min of meer weggehoond met de mededeling dat hij zich maar bij z’n meeuwen moet houden.

De Tinbergens zijn niet de enigen die ervan uitgaan dat autisme te genezen moet zijn. Ook de Haagse kinderpsychiater Jo Stades-Veth gaat daarvan uit, getuige haar zojuist verschenen boek Autisme/verbroken symbiose. (Uitgegeven bjj Swets & Zeitlinger bv). Stades heeft al meer gepubliceerd over het verbroken contact tussen moeder en kind in het algemeen. In dit boek concentreert ze zich op het eerste begin van autisme: het ontbreken van oogcontact tussen moeder en baby.

De ogen van de moeder, zo verklaart Stades het ontstaan van autisme, zijn voor de baby de sleutel naar de wereld. De eerste weken heeft een baby een slecht geheugen. Het kan wel onderscheiden, maar het kan zich niets herinneren. Pas in de tweede maand gaat het kind voor korte tijd dingen onthouden. Als in die periode de vertrouwde ogen van de moeder een tijdje vervangen worden door steeds weer andere, vreemde ogen, wordt het kind angstig.

Het kind waant zich onbeschermd, in gevaar. Het is bang geworden voor het belangrijkste contact met de buitenwereld, de ogen, en durft niet meer te kjjken. Ook als de moeder daarna de verzorging weer overneemt zal die angst blijven, omdat het kind met zijn kortlopende geheugen zich de ogen van zijn moeder niet meer kan herinneren. Zij is dan net zo goed vreemd en gevaarlijk voor het kind.

Dit begin van autisme moet volgens Stades direct worden aangepakt. Daarbij moet de moeder het kind wel koesteren, maar vooral niet aankijken, want dat maakt het alleen maar angstiger. Het kind moet wel de kans krijgen de ogen van de moeder te bekijken. Pas als de baby niet meer schrikt als de moeder snel even kijkt, mag ze het kind langer aankijken.

Stades noemt een aantal kinderen waarbij op deze manier het contact tussen moeder en kind weer werd hersteld. Haar theorie sluit naar haar zeggen aan bij soortgelijke methoden van anderen: ‘Welch, Jirina Prekop die in Stuttgart met de Holding-methode werkt en waar volgens Stades al vijftien van de 57 behandelde autisten zijn genezen en de Nederlanders Van Rees en Biemans die met „lichaamstaal” contact proberen te krijgen met autisten (zonder overigens te spreken van genezing).

Zoals in zoveel boeken over het genezen van autisme (de Kaufmans met hun Option-methode; de harde-handmethode van de ouders van het Engelse meisje Ann) zijn de bewijzen van Stades weinig hard. Haar beschrijvingen klinken heel aannemelijk, want van autistische kinderen wordt altijd gemeld dat ze wegkijken, maar wetenschappelijk zijn ze nauwelijks getoetst.

Stades meldt niet bij hoeveel kinderen op deze manier het begin van autisme is vastgesteld en hoeveel kinderen met haar methode geholpen zijn. Bij de meeste kinderen wordt pas tussen het tweede en derde jaar vastgesteld dat ze autistisch zijn. Dat heeft ook te maken met de onbekendheid van artsen met de symptomen van deze handicap. Maar zijn ze dan nog te genezen volgens de methode-Stades? Heeft haar aanpak ook wel eens niet gewerkt? Kan het wegkijken niet gewoon overgaan?

Alles wat haar theorie een beetje aan het wankelen zou kunnen brengen, vermijd Stades te noemen. Alleen als ze schrijft over de aanpak van Welch zegt Stades dat het resultaat „uiteraard” afhankelijk is van het IQ van het kind en de al opgelopen ontwikkelingsachterstand. Tussen neus en lippen door wordt daar ineens een nogal belangrijke beperking genoemd, want uit andere gegevens blijkt dat tachtig percent van de autisten zwakzinnig is of is geworden.

Risico

Stades roept ouders op uitspraken over onherstelbaarheid van autisme niet meer te accepteren, zolang de moeder zelf nog niet al het mogelijke geprobeerd heeft. Dat bergt het risico in zich dat mensen jaren in de weer gaan en veel tijd, energie en emoties stoppen in een behandeling die niets oplevert. De psychologe Nan Snijders-Oomen, gespecialiseerd in dove en autistische kinderen en ook overtuigd van het feit dat autisme niet te genezen is, waarschuwde in 1978 al tegen „populaire artikelen” over autisme die een verwarrend effect zouden hebben op ouders. Al die valse hoop werkt hun ontevredenheid maar in de hand.

Waarschuwen tegen overdreven verwachtingen is niet slecht, maar zolang in het verlengde daarvan allerlei deskundigen blijven roepen dat er aan autisme niets te doen is en zich afsluiten voor andersluidende informatie, doen ze de zaak geen goed. Wie weet hebben Welch en Stades en de Tinbergens gelijk. Het minste dat van de critici-deskundigen mag worden verwacht is dat zij de methoden serieus bekijken en de resultaten wetenschappelijk onderzoeken. Oogkleppen opzetten is minstens zo erg als van de daken schreeuwen dat je het Ei van Columbus hebt gevonden.

.

Ontwikkelingsbelemmeringenalle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3390-3188

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen – ADHD (5-2)

.

Suzanne Boomans,Trouw 02-06-2022
.

Etiket ‘ADHD’ is een teken van onmacht
.

Hoe kwalijk is het om kinderen een ‘etiket’ als ADHD op te plakken? Kan dat begrip ople­veren van ‘problematisch’ gedrag, vooral in het onderwijs, en de moge­lijkheid bieden van extra ondersteu­ning? Volgens Sofïe van de Waart* wel. In haar column van 18 mei hield ze een pleidooi vóór ‘etiketjes in het onderwijs’. Ze verwees naar haar ei­gen ADHD-diagnose: ‘Had ik het maar eerder geweten’.

Maar wat begrijp je eigenlijk als een kind het etiket ADHD heeft? En waarom moet er eerst een psychia­trische (medische) diagnose gesteld worden voordat een onderwijzer ex­tra ondersteuning geeft?

Leest verder in Trouw
(Alleen te lezen met gratis account)

*Daar is ook een link naar dit artikel.


Er werd op gereageerd:

Met het label ADHD problematiseren we ten onrechte het gedrag van leerlingen, schrijft Suzanne Booms­ma (Opinie, 2 juni). Ooit kreeg ik aan het begin van groep 7 een leerling met deze diagnose. Hij slikte op advies van de psycholoog medicijnen. Na een week of zes belde de moeder van de jongen mij op en vroeg of ik iets bijzonders aan het gedrag van haar zoon had gemerkt. Ik zei dat ik niets had gemerkt en dat was ook zo. Het antwoord van de moeder was kort maar krachtig: “Dan hou ik op met die medicijnen”. Mijn advies: hou eens op met die etikettenplakkerij, doe normaal. Ieder mens is anders en dat geldt ook voor kinderen. Boomsma adviseert nog meer onderwijsassistenten in de klas te zetten. Dat geeft alleen maar meer drukte. Vraag maar eens aan de kinderen.

Wichert Groothuis, oud-onderwijzer, ’t Harde

.
Zie ook: Labels als molenstenen

Ontwikkelingsbelemmeringen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3389-3187

.

.

.

VRIJESCHOOL – De wereld is waar…..

.

Hoe WAAR is de wereld voor de opgroeiende mens vanaf 12 jaar?
Zie de inleidende gezichtspunten.

Waar kun je als leerkracht enthousiast over worden en als ideaal aan je leerlingen laten zien?

De serie ‘de wereld is waar…'[Algemene menskunde [9-5was tot nog toe vooral op de 7e, 8e klas gericht.

Maar wat kun je doen in bv. klas 11 of 12.

Ik ga even terug naar de jaren 1970 toen ik in Den Haag op de vrijeschool begon.
Het was toen de gewoonte dat er in de paasvakantie met de 12e klas een studiereis naar Stuttgart werd gemaakt. Ik werd een aantal keren meegevraagd.
In een kleine week maakten de leerlingen (en ik!) kennis met antroposofische werkgebieden: we brachten een bezoek aan de Weleda- en Walafabrieken; bezochten een biologisch-dynamische boerderij; een heilpedagogisch instituut en er kwamen mensen over hun werk vertellen, waaronder, herinner ik me de artsen Walther Bühler en Leen Mees.

De achterliggende gedachte was te laten zien dat er mooi werk was te doen in het zgn. ‘alternatieve circuit’, zoals dat toen nog heette.

Door hoe de wereld nu is, komen we er steeds meer achter dat het alternatieve van toen, eigenlijk de normale norm zou moeten zijn. Dat zou op het gebied van de landbouw m.n. Nederland een totaal ander aanzien hebben gegeven: geen stikstofcrisis, niet het verdwijnen van biodiversiteit, achteruitgang van waterkwaliteit enz.

Het zal nog wel even duren – de meeste mensen volharden liever in het oude dan radicaal, nu de nood aan de mens is, anders te gaan denken – voordat de gangbare methodes als een slecht alternatief worden beschouwd.

Je hoeft nu met een 11e, 12e klas niet meer naar Duitsland. Nederland heeft prachtige voorbeelden van wat als gevolg van anders-denken is ontstaan: de landbouwschool Warmonderhof, de Weledafabriek in Zoetermeer, diverse zorgboerderijen, akkerbouwbedrijven enz.

Ik weet niet hoe de praktijk op de bovenbouwen is. Bezoeken de leerlingen deze initiatieven, horen zij over de idealen die de wereld ‘meer waar maken’.
Zijn er leraren die deze idealen in het hart dragen en ze vandaar uitstralen naar de bijna volwassen mens?
Verlaat deze de school met ook andere inzichten?….

Hoe kom je aan die idealen als je ‘via, via’ eens op de vrijeschool aan het werk bent gegaan en ook in die hogere klassen les moet geven (onder examendruk?)

In de reeks ‘De wereld is waar…’ vind je al veel waar je enthousiast over kan worden.

In dit (studie)artikel vind je voor de landbouw ideeën uitgewerkt waarvan we nu – tegen de achtergrond van de huidige crisis – kunnen zeggen dat ‘de waarheid’ wel dichterbij is gekomen. 

Ik beschik helaas over te weinig in formatie om voorbeelden te kunnen geven van hoe bovenbouwleraren, bv. zij die economie of maatschappijleer geven, hun idealen behorend bij ‘de wereld is waar..’ in de lessen en gesprekken met de leerlingen kunnen verwoorden. 

.

De wereld is waar: alle artikelen via [9-5]

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3388-3186

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De wereld is waar…en de landbouwcrisis (1)

.

Om invulling te kunnen geven aan ‘de wereld is waar..’ moet je goed op de hoogte zijn van de ideeën die tot een veranderend denken kunnen leiden, dan het gangbare dat ons een wereld heeft opgeleverd waarin de waarheid ver weg lijkt.

Een studieartikel voor de leraar economie, maatschappijleer

Hier gaat het over de huidige landbouw(crisis)
.

Manfred Klett in Driegonaal*

.

De productieomstandigheden in industrie en landbouw
.


Aan het begin van het proces waardoor in de industrie toegevoegde waarde wordt gecreëerd, staat de inventieve geest van de mens. Natuurwetten, stoffen en krachten van de levenloze natuur worden losgemaakt uit hun natuurlijk verband en door menselijke werkzaamheid met elkaar in wisselwerking gebracht. Dit resulteert in producten die in de geschapen natuur niet voorkomen, zoals machines, kunstmest of bestrijdingsmiddelen.

Deze producten vinden vervolgens als koopwaar ingang in de economische kringloop. De verwachting dat een uitvinding een succes wordt, geeft een bank aanleiding een krediet beschikbaar te stellen voor de inrichting van een fabriek. Dat wil zeggen, de geest van de mens – de idee – creëert kapitaal, en dit stolt door arbeid tot gebouwen, productiemiddelen, grondstoffen, energie enzovoorts. Max Weber – Duitse econoom en socioloog (1864-1920) – stelde vast: “Een levenloze machine is gestolde geest.”[1]

1 Max Weber: Wirtschaft und Gesellschaft, Tübingen 1980, p. 834.

De geest nu streeft verder naar de verwezenlijking van de uitvinding; hij zet aan tot arbeid. Pas door arbeid ontstaat de fabrieksinstallatie en daarin, in verschillende werkfasen, het uiteindelijke product. Kenmerk van het industriële productieproces is het creëren van waarde enkel doordat de inventieve geest het verloop van de menselijke arbeid bepaalt en deze op allerlei manieren modificeert. De uitwendige uitdrukking van deze geest moet in de gevarieerde constellaties van het kapitaal worden gezocht.[2]

2.Rudolf Steiner: Nationalökonomischer Kurs, GA 340, Dornach 2002, voordracht van 25 juli 1922, p. 33; in het Nederlands: Economie. De wereld als één economie, Nearchus 2016.

De natuur in de vorm van grondstoffen en energie verschuift daarbij verder naar de achtergrond naarmate meer menselijke intelligentie aan het productieproces te pas komt, dus naarmate een grotere arbeidsdeling optreedt. Door arbeidsdeling wordt bovendien de productie goedkoper, wat de expansiedrift van industrie en nijverheid verder in de hand werkt, totdat ook de laatste dienst gecommercialiseerd is. Kapitaal heeft enerzijds zijn ontstaan te danken aan de vindingrijkheid van de mens en aan de arbeidsdeling, anderzijds zorgt het ervoor dat de arbeidsdeling mateloos wordt doorgedreven. Hierdoor dreigt het industriële productieproces volledig van de natuur en, via de digitalisering, van de werkende mens losgekoppeld te worden. De industrie wordt zo tot oppermachtige tegenpool van de landbouw en dreigt de perken te buiten te gaan die het industriële proces van twee kanten zouden moeten beteugelen: de natuur en de rechtsorde.

Het productieproces eindigt met de voortbrenging van waren waar het basisidee van de uitvinder en de kennis en vaardigheden van een groot aantal mensen in een tegenwoordig wereldwijde arbeidsdeling aan hebben bijgedragen. De door het kapitaal, dat wil zeggen, de gestolde idee, aangestuurde arbeid heeft zich in het eindproduct gematerialiseerd en daar een waarde aan verleend. Bij de ruil van waarden op de markt wordt hier vervolgens een prijs op geplakt. Als je naar de waardescheppende factoren kijkt – uiteindelijk is dat de geestgeleide arbeid – valt de prijs niet te berekenen. Bij zijn totstandkoming spelen onweegbare factoren en drogbeelden mee die met name het gevolg zijn van het feit dat grond, kapitaal en menselijke arbeid als verhandelbare waar worden beschouwd en zodoende als kostenfactor in de prijsvorming worden opgenomen. Het lijkt echter alsof de prijzen – volledig afwijkend van de werkelijke waarde van de producten – berekend kunnen worden doordat alles wat betrokken is bij de productie, als koopwaar wordt voorgesteld en daarmee tot een kostenfactor wordt gemaakt die in geldwaarde uitgedrukt kan worden. Zo zijn in de prijs van een industrieel product alle productiekosten opgenomen, inclusief de arbeidskosten en een reserve, het afschrijvingspercentage, waardoor de verbruikte productiemiddelen (slijtage van machines en dergelijke) geherfinancierd en gemoderniseerd kunnen worden.

Voor de industrie geldt dat een productiemiddel zichzelf niet vernieuwt. De plaats waar het gemaakt wordt, is gescheiden van de plaats waar het wordt ingezet. In het industriële productieproces worden eindige hulpbronnen verbruikt in de vorm van grondstoffen en energie. Er wordt afval geproduceerd, en de productiemiddelen zelf zijn onderhevig aan slijtage en verval. Hierdoor ontstaat vuil dat zich als hypotheek op een verre toekomst op de aarde ophoopt, bijvoorbeeld kernafval. Dit vormt een belasting voor water en lucht en verstoort de warmtehuishouding, voor zover het niet tegen hoge kosten opnieuw in de energie- en grondstofkringloop opgenomen kan worden. De groei van de industriële productie heeft zijn grenzen; de energie- en grondstofbalans ervan is negatief. Hoe kleiner het aandeel van de natuur aan de industriële productie is, dus hoe sterker menselijke intelligentie het productieproces domineert, bijvoorbeeld in het geval van de productie van computerchips, des te verder gaat de arbeidsdeling en des te minder plaatsgebonden wordt de productie. Hoogtechnologische producten kunnen op een willekeurige plaats op aarde geproduceerd worden om van hieruit aan de wereldwijde vraag naar deze producten te voldoen.

De landbouw is, in tegenstelling tot de industrie, ingebed in de hele huishouding van de natuur, de oikos. De toegevoegde waarde wordt tot stand gebracht door de natuur. Uit de wederzijdse relatie tussen levenloze (fysische), levende en bezielde natuur en onder de invloed die de kosmos heeft op alle ritmische processen, ontstaat als voortbrengsel van de natuur de graankorrel, de wortel, de melk enzovoorts. Dat gebeurt strikt plaatsgebonden. De natuur is degene die produceert; de mens komt erbij en stuurt door zijn werk haar scheppende kracht. De productiemiddelen zijn niet de machines, de tractor, de maaidorser enzovoorts – deze vervangen en verhogen alleen de prestaties van de menselijke hand en de dierlijke trekkracht – maar de vruchtbare bodem, de vruchtvormende, voedsel voortbrengende planten en de huisdieren, die elk hun eigen bijdrage tot de productie leveren. In figuurlijke zin vormen deze het productie-kapitaal in de landbouw. Ze zijn productiever, kwantitatief en kwalitatief, naarmate ze op iedere bedrijfslocatie in een inniger, elkaar wederzijds versterkende relatie staan. Ze verenigen zich op natuurlijke wijze tot levensgemeenschappen, tot kleinere en grotere biotopen.

Het is aan de arbeid en aan de geestelijke inspanning van de mens voorbehouden om hetgeen door de natuur is aangelegd, tot een hoger geheel, tot een zo mogelijk in zich gesloten organisme te vormen – het landbouwbedrijf. Gezien de kosmisch-aardse productieomstandigheden in de landbouw kan het vormgevend principe alleen een veelzijdig gestructureerd organisme zijn. Dit vormt in zijn geheel het productiemiddel van de landbouw en staat daarmee lijnrecht tegenover het productiemiddel van de industrie, het mechanisme. Het mechanisme is op eenzijdigheid gebaseerd, het organisme op alzijdigheid.

Onderken je en erken je ten volle de betekenis van de polariteit van de productieomstandigheden in de industrie, die uit de geest van de mens voortkomen, en die in de landbouw, die door de natuur gegeven zijn, dan kan in de landbouw strikt genomen geen kapitaal worden gevormd. Want de arbeid die door de geestelijke kracht van de mens aan de natuur besteed wordt, stolt niet tot een productiemiddel dat zich zoals de machine naast de natuur plaatst; er worden geen grondstoffen, energieën en natuurwetten uit hun natuurlijk verband geïsoleerd en nieuw gecombineerd. Integendeel, het geestelijke werk bestaat erin het begrip van de geslotenheid van het organisme als geheel te doordenken, en het fysieke werk is erop gericht de in de natuur werkzame productieve krachten daarin hun plaats te geven en ze met elkaar in wisselwerking te brengen. Als een landbouwbedrijf vorm krijgt overeenkomstig zijn productieomstandigheden, is het een totaliteit die continu in wording is, die de handelende mens insluit en die zich in het productieproces zelf reproduceert. De kapitaalvorming in de landbouw, in figuurlijke zin gesproken, moeten we derhalve vooral zoeken in een proces in de tijd, namelijk in de instandhouding en ontwikkeling van de productiemiddelen – de cultuurbodems, de gewassen en de huisdieren – in de context van het hoger geheel van het bedrijfsorganisme.

Industrie en landbouw verhouden zich tot elkaar zoals technologie tot kunst. De puur technologische aanpak streeft naar regeltechniek, naar automatisering. De mens staat buiten het productieproces of maakt zichzelf helemaal overbodig. De landbouw is, naar zijn diepste wezen, een kunst juist doordat de werkende mens zichzelf als hele mens met al de kracht van zijn geestelijke ziel in dienst stelt van de productieve krachten van de natuur. De landbouw heeft de werkende hand nodig, vele handen zelfs. De industrie heeft de inventieve geest en het kapitaal nodig dat de menselijke werkkracht tot een arbeidsdeling dwingt of geheel overbodig maakt.

De landbouw brengt producten voort, met name levensmiddelen, waar iedere mens dagelijks behoefte aan heeft. Deze treden op de markt met de industrieproducten, dus onder arbeidsdeling geproduceerde waren, in een waardeverhouding die haar neerslag vindt in de prijzen. De prijs van het industrieproduct wordt door verdergaande arbeidsdeling steeds lager. De prijs van een landbouwproduct is alleen al door de wisselende milieuomstandigheden, het optreden van plagen enzovoorts niet te berekenen. Het proces van prijsvorming bij landbouwproducten blijft volledig in het duister. De voortbrengingskracht van elk agrarisch bedrijfsorganisme is immers verschillend. Zonder een prijscompensatie in het kader van economische samenwerkingsverbanden waarin “de waarde van de waren door hun wederzijdse verhouding wordt bepaald”, [3] zou dan elk bedrijf zijn eigen marktprijzen moeten hebben.

3 Zo liet Rudolf Steiner zich uit in de zogenaamde eerste Hochschulkurs op 10 oktober 1920. Geciteerd naar Roman Boos: Landwirtschaft und Industrie, Darmstadt 1957, p. 110-111.

In de CSA-beweging wordt dit inderdaad bij benadering in praktijk gebracht. [4]

4 CSA: community-supported agriculture, ook gemeenschapslandbouw of pergola-landbouw genoemd. Zie hierover onder andere: Trauger Groh, Steven Mc Fadden: Höfe der Zukunft, gemeinschaftsgetragene/solidarische Landwirtschaft (CSA), Darmstadt 2013,276 pp.

In beginsel geldt dat de landbouw vergeleken met een industrieel bedrijf noodzakelijkerwijs duurder produceert omdat het prijsdrukkende principe van de arbeidsdeling onverenigbaar is met de productieomstandigheden in de landbouw, die je zou kunnen omschrijven als ‘diversiteit in een totaliteit’. Men probeert de productiekosten te verlagen door over te gaan op een meer industriële manier van produceren. De heelheid van het bedrijfsorganisme wordt hiervoor verbroken, de onderdelen worden uit elkaar gehaald. Elk afzonderlijk deel wordt door een aanzienlijke inzet van kapitaal tot een eigen agro-industriële onderneming, die onder schijnbaar calculeerbare randvoorwaarden met een hooggespecialiseerde massaproductie zonder concurrentie op goedkope wijze de markt beheerst. Deze prijsverlaging is echter een illusie omdat de rekening voor de hieruit voortvloeiende kosten buiten de markt om bij de gemeenschap wordt gelegd. Hierbij gaat het om kosten die ontstaan door de vernieling van het milieu en door de vermindering van de voedingswaarde van de producten, en de kosten van de subsidies – het gesubsidieerde onbenul. Als deze verborgen kosten bij de producentenprijs van de industriële landbouw opgeteld zouden worden, zou deze zijn hegemonie op de markt verliezen. Het zou duidelijk worden dat de geproduceerde waarde slechts schijn is.

Hoe een prijs in de landbouw tot stand komt, is een enigszins verborgen verschijnsel. [er stond hier ‘occult’, maar dat lijkt me te zwaar aangezet]. Door initiatieven zoals fair trade of producenten- en consumentengemeenschappen begint er een beetje licht in te komen. Berekenen kun je de prijs van de primaire landbouwproductie als zodanig niet. De waardebepalende factoren voor deze prijzen zijn:

• de natuurgegeven mogelijkheden met betrekking tot de wisselwerkingen tussen de lokale factoren aarde, water, lucht en warmte en de geomorfologische landschapsvorm

• de natuurgegeven mogelijkheden met betrekking tot de scheppende krachten van de levende wezens in de natuur (planten, dieren enzovoorts) en hun activiteiten in de ritmes van het jaarverloop

• de door ideeën geleide arbeid van de mens

• de harmonische afstemming van alle organen van het bedrijf tot het geheel van het bedrijfsorganisme.

Door het samenwerken van deze factoren ontstaat, tegengesteld aan de waardevorming in de industrie, een objectieve waarde van de producten, zoals die van tarwe, melk, brood, kaas enzovoorts. De prijs zou rechtvaardig zijn als hij met deze objectieve waarde zou overeenkomen of er tenminste in de buurt zou komen. Maar hoe kun je deze prijs bepalen?

Daarnaast wordt de waardevorming van de primaire landbouwproductie door twee kenmerken bepaald: ten eerste, het vermogen om in het productieproces zichzelf te reproduceren, en ten tweede, de mogelijkheid om tot voedingsmiddel voor mens en dier te worden. De tarwekorrel bijvoorbeeld is samen met de bodem waarin hij gezaaid wordt, productiemiddel voor de volgende oogst, maar hij is ook broodgraan. De koe reproduceert zichzelf in het kalf, en verbonden met dit proces heef ze het vermogen om meer melk te geven dan voor het grootbrengen van het kalf nodig is. De productiemiddelen in de landbouw hebben de eigenschap dat ze in het productieproces zichzelf kunnen voortbrengen en tegelijk tot voedingsmiddel voor mens en dier kunnen worden. De taak van de boer bestaat erin de omstandigheden van plantenteelt en veehouderij zodanig vorm te geven dat beide vermogens in het productieproces op een hoog niveau duurzaam met elkaar in evenwicht zijn. Dat wil zeggen, hij moet hier en nu de tarwe zo verbouwen, de koe zo houden, voeren, verzorgen en fokken dat deze levende productiemiddelen tot in de verre toekomst hun bijzondere eigenschappen kunnen behouden of zelfs nieuwe eigenschappen kunnen verkrijgen naarmate de voedingsbehoeften van de mens veranderen.

Het is met name dit feit dat ten grondslag ligt aan de principiële tegenstelling in de manier van produceren tussen industrie en landbouw. Deze komt ook tot uitdrukking in het gegeven dat de agrarische productiemiddelen – bodem, planten, dieren – dankzij hun vermogen tot zelfvernieuwing niet afgeschreven hoeven te worden. Wat de afschrijving als kapitaalreserve in de industrie is, is in de landbouw de waarde-behoudende en -ontwikkelende kracht van het bedrijfsorganisme als geheel. De vervanging van menselijke werkkracht en dierlijke trekkracht door machines heeft voor de landbouw evenwel hoge afschrijvingen met zich meegebracht, die echter geen betrekking hebben op het productiemiddel als zodanig. Het is niet de maaidorser die het graan voortbrengt, en niet de melkmachine die de melk produceert, maar het leven, de verbanden scheppende krachtenwereld die in plant en dier werkzaam is. De prijs van landbouwproducten zou dan ook pas redelijk zijn als hij overeen zou komen met hun objectieve waarde. Een criterium hiervoor zou kunnen zijn of de prijsstructuur van de primaire productie van het agrarisch bedrijfsorganisme – dus zonder verdere verwerking – de bedrijfskosten en het levensonderhoud van alle medewerkers en hun families van een oogstperiode tot de volgende dekt. [5]

5 Rudolf Steiner formuleerde voor deze prijsbepaling de volgende gedachte: de prijsstelling moet zodanig zijn “Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter naarmate het individu minder aanspraak maakt op het resultaat van zijn prestaties, dat wil zeggen naarmate hij deze opbrengsten meer aan zijn collega’s laat en naarmate zijn eigen behoeften niet vanuit zijn eigen prestaties maar vanuit de prestaties van de anderen bevredigd worden.” (Kernpunkte der sozialen Frage, GA 23, Dornach 1976, p. 132; in het Nederlands: De kernpunten van het sociale vraagstuk, Steinervertalingen 2004, p. 107).

Hiervoor zijn marktstructuren vereist waarbij landbouwers, verwerkers, groot- en detailhandelaren en ook consumenten die hier mee gestalte aan willen geven, in een regionale kring bij elkaar komen. In tegenstelling tot de industrie is de landbouw op een regionale economie georiënteerd. Afhankelijk van de productieomstandigheden vindt landbouwproductie in alle verscheidenheid overal plaats waar mensen leven en waar de vereiste omstandigheden gegeven zijn. Het is alleen maar logisch dat de kortste weg van de producent naar de consument de goedkoopste is, waarbij tegelijkertijd de kwaliteit het beste behouden blijft.

Ook de landbouw produceert in de loop van het kosmisch-aardse productieproces afval, maar geen vuil. Het afval is afkomstig uit de levende en bezielde natuur. Het zijn plantaardige en dierlijke resten die in de schoot van de natuur terugkeren en zich omvormen tot humus, de vruchtbaarheidsdrager van de bodem. In een bedrijf dat beheerd wordt in overeenstemming met het organisme-principe, regenereert de stof- en krachtenhuishouding zich grotendeels zelf. Tegenover het verbruik van energie en grondstoffen in de industrie staat de opbouw door de zelf geproduceerde mest en de nieuwvorming van humus. De zuivere primaire landbouwproductie heeft, als je rekening houdt met alle bodemopbouwende maatregelen (bemesting, vruchtwisseling, grondbewerking), een positieve energiebalans. Dit gegeven wordt tegenwoordig door het hoge kapitaalgebruik in de vorm van stikstofmeststoffen, bestrijdingsmiddelen, van buiten aangevoerde voedermiddelen en energie in zijn tegendeel veranderd. Ook het verlies van bodem door erosie moet hier worden genoemd, dat in de industriële landbouw al op licht hellende terreinen optreedt, met name bij verbouw van maïs. Met het oog op de gehele economie en op de toekomst van de aarde heeft de landbouw echter de taak om de negatieve energiebalans van de industrie te compenseren.

Het is duidelijk dat we de polariteit van industrie en landbouw radicaal moeten doordenken en de consequenties hiervan voor onze hele cultuur rigoureus moeten overwegen. Zonder een overbrugging van dit geweldige spanningsveld kunnen we niet tot een gezond economisch leven komen. Eerst moeten de prijzen van de agrarische producten worden vastgesteld, en wel in het regionale kader van de markt en van de samenwerkingsverbanden met verwerking en handel. Deze kunnen vervolgens als oriëntatie dienen voor de prijsvorming in de op arbeidsdeling gebaseerde economie. De proportionaliteit van de prijzen in industrie en nijverheid moet in de toekomst worden bepaald aan de hand van de primaire landbouwproductie.

Je hoeft alleen maar naar de ongelijkheid in productieomstandigheden in industrie en landbouw te kijken om te beseffen dat het vormgevende principe voor het creëren van toegevoegde waarde dat bij het wezen van de landbouw past, in eerste instantie het organisme is. Het organismeprincipe behoorde altijd onlosmakelijk bij de ontwikkeling van de landbouw, zij het onder steeds wisselende culturele omstandigheden. Wat nu een wetenschappelijk gefundeerd, bewust inzicht moet worden, was in vroegere tijden het resultaat van een uit het volksinstinct voortkomende, wijsheidsvolle handelwijze. De bewustzijnsontwikkeling van de mensheid en daarmee de geschiedenis van de landbouw weerspiegelen zich in grote lijnen in de manier waarop de mensen  vanuit een steeds bewustere beleving van hun eigen fysiek organisme het in de natuur werkzame organismeprincipe geleidelijk aan tot het fundament van een ware landbouwkunst hebben gemaakt.

De biologisch-dynamische landbouw wordt toegepast in 58 landen, op 268.000 hectare.
In Nederland zijn er 50 gecertificeerde BD-boeren die samen 10.000 hectare bewerken (dat is 0,4% van het landbouwareaal).

Uit langlopend onderzoek blijkt dat biologische en biologische landlandbouw in verhouding tot de gangbare landbouw enerzijds minder opbrengst per hectare realiseren (85% maar anderzijds aanmerkelijk minder kosten met zich meebrengen: 8% van de kosten van gewasbescherming; 57% van de kosten van bemesting; 62% van de kosten van energie.

Uit hetzelfde onderzoek blijkt: ten opzichte van de gangbare landbouw scoort de BD-landbouw beter op verschillende landbouwkundige aspecten, zoals de bodemvruchtbaarheid, gemeten in humus (+18%); bodemactiviteit (+83%); mineralendynamiek (+37%). Het onderzoek toont ook aan dat het gebruik van BD-preparaten een positief effect heeft op de bodem en op de voedingswaarde van de gewassen.

Deze tekst is afkomstig uit:

Manfred Klett: Van agro-industrie naar landbouwkunst.
Karaktertrekken van de biologisch-dynamische landbouw. Een landbouw voor de toekomst.
Nearchus / Kolisko ISBN 9789492326935

Dit artikel verscheen in ‘Driegonaal
Publicatie op deze blog met toestemming

Voor een abonnement: Sociale driegeleding

De wereld is waar: alle artikelen via [9-5]

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeledingalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3387-3185

.

.

.

.