VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (9)

.

SINTERKLAAS:

Als bisschop van Myra in Klein-Azië is hij rond 340 na Christus gestorven. Waarschijnljjk op 6 decem­ber. Daarna wordt het stil rond de man.
Pas 200 jaar later duiken de eerste verhalen op en wordt hij opnieuw gebo­ren in een amoureuze affaire tussen fictie  en werkelijkheid.  Sinterklaas wordt legendarisch als een diepgelovig rechtschapen man met een aversie tegen ongeloof en onrecht. Een man die zich het lot van de armen aantrekt. Hij moet zo heilig zijn geweest, dat hij als kind maar één keer de borst zoog.
Een wereldheilige, die door de Noormannen op hun veroveringstocht vanuit Klein-Azië wordt meegenomen.

De Sint verovert Kiev, Moskou waar hij Nikolai Chudovorits wordt genoemd, de Wonderdoener.
Eind 11de eeuw verove­ren de Noormannen ook Zuid-Italië en brengen ze de beenderen van de Sint over naar Bari. De overbrenging heet de Translatio en veel kruisvaarders bidden aan zijn graf. Ze nemen zijn verhaal mee naar Aberdeen en Limerick, waar de Sint patroonheilige is.
Elke eeuw wordt de man belangrijker en aangezien er geen plaatjes van de
bis­schop van Myra bestaan, slaat de fanta­sie aan het schilderen en worden sym­bolen uit de Germaanse cultuur meegemengd.
Symbolen uit de zes woelige weken voor en na Kerstmis, als de overledenen door de donkere luchten jagen en de verbondenheid met de do­den herleeft. Zo staat Wodan model voor de kleding van Sinterklaas en wordt de trouwe schimmel afgeleid van Sleipnir, het achtvoetige monster, dat sneller dan de wind door de wolken (over de da­ken?) kan jagen. De speer van Wodan is de staf en de deur tot de wereld van de doden, de schoorsteen, wordt de voor­deur tot de kinderharten. De Sint met één been in de christelijke en één been in de Germaanse cultuur. Er gaan zoveel verhalen rond de bis­schop, dat er altijd wel een beroeps­groep of gilde een verzoek indient om hem tot patroon te benoemen: schip­pers, handelaren, scheepbouwers, vis­sers, advocaten, deurwaarders, prosti­tuees en smachtende vrjjers. Vooral in Nederland is de Sint een veel gevraagd huwelijksmakelaar, de ‘Hylickmaecker:

„Geeft ons het gout der liefde in ons schoe
Dat wy ontgaan de straffe van Gods roe.”

Dan komen de eerste problemen: in de zeventiende eeuw is het
Sinterklaas­feest uitgegroeid tot een gigantische jaarmarkt voor volwassenen met veel eten, drank en jolijt. Dit zeer tegen de zin van de gegoede, protestantse burge­rij. Het ‘heidense’ feest wordt tjjdens de beeldenstorm van de straat de huiska­mers ingejaagd, waar het tot een fami­liefeest uitgroeit.
In het protestantse Duitsland wordt de Sint helemaal uitgegomd, het Kerstkind neemt de taak over.

Eeuwen heeft het feest in de huiska­mers geleefd en zich ontwikkeld tot een traditionele familiebijeenkomst waar begin december het Sinterklaasgeheim opduikt.
„Sinterklaas geeft de verbon­denheid tussen generaties aan. Het ri­tueel van het vertellen van verhalen, het telkens prikkelen van de kinderfantasie. Elke ouder vertelt zijn eigen Sinter­klaasverhaal aan zijn kinderen en die vertellen het weer verder.
Sinterklaas­verhalen zijn een ontmoetingspunt tus­sen de volwassenen – en de kinderlitera­tuur. Het Sinterklaasfeest geeft de ver­bondenheid aan die je met elkaar in je familie, met je vrienden voelt: “het bij elkaar horen”, aldus prof. dr. Bouckaert, doctor in de Germaanse filologie en buitengewoon docent jeugdliteratuur aan de Universiteit van Leuven. De wederopvoeding is begonnen.

In het Nationaal Schoolmuseum in Rotterdam draait tot 9 januari* volgend jaar de tentoonstelling De Onbekende Sinter­klaas, en de Nederlandse tak van het Sint-Nikolaas Genootschap bewaakt streng de Sinterklaascultuur in Neder­land. Sinterklaas bruist weer. Secretaris Guus Smits uit Veldhoven: „We hebben de brouwerij De Drie Linden in Wageningen honderd liter Nicolaasbier laten brouwen en speciale glazen laten ma­ken en viltjes.” Het bier wordt op de speciale culturele avonden rond Sinter­klaas gedronken.

‘Sint Nicolaas, Goed­heilig man,
die oud is, maar niet sterven kan,
zolang er ergens op aarde
een menskind zijn droom bewaarde’,

is een oud versje.

Zelfs de voormalige Sovjet-Unie kreeg de heilige niet klein. Zo is een Russische uitspraak:
“Als ze ons God afnemen, hebben we altijd Sint-Nicolaas nog”

(Hans Jacobs in De Gelderlander, *20-11-1993)

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

325-305

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (24)

.

SPECULAAS

Nieuwsgierigheid naar het triviale is het begin van alle wijsheid, hield St.-Nicolaas mij in een filosofische bui ooit voor. Ik heb die woorden nooit vergeten. Er zijn in dit seizoen inderdaad tal van zaken waar een mens achteloos aan voorbij gaat. Speculaas bijvoorbeeld. Net als iedereen  graaide ook ik deze dagen in de koekjes­trommel en werkte onnaden­kend speculaasjes naar binnen. Maar die tijd is voorbij (van dat onnadenkende dan). Want ik ben eens gaan uitzoeken wat de oor­sprong is van dit baksel dat ’s win­ters de vaderlandse koektrommels vult. Waar komt bijvoorbeeld de naam vandaan?

Een etymologisch woordenboek geeft als oplossing dat speculaas is afgeleid van ‘speculatie’, wat dan niet voor het onverantwoord goo­chelen met (bij voorkeur) ander­mans geld staat, maar voor ‘plat gebak’. Dat klinkt alvast heel aan­nemelijk.

Speculaas, zo leert verdere studie me, is een tamelijk recente uitvinding van het bakkersgilde. De koek ontstond tegen het einde vorige eeuw uit de aanpassing van taai-­taai op veranderingen in des snoepers smaak. Die kreeg een voor­keur voor de kruidige, harde beet. Taaitaai behoort weer tot de fami­lie van ontbijt-, peper- en kruid­koeken.

In dit gezelschap is speculaas echt een broekie. Maar net als de ande­ren blijkt het winterkoekje, met vorm en smaak, te staan in tradi­ties die terugreiken tot diep in het verleden.

Moesten de goden als tegenpresta­tie niet iets terugkrijgen van wat aan hen te danken was? Dat heb­ben mensen gedacht die goedgun­stig hemels ingrijpen voor het wel­slagen van de oogst verantwoorde­lijk hielden. Dus werd een deel daarvan geofferd: vee, gewassen, wijn. brood, koeken. Arme mensen die een dieroffer niet konden bren­gen mochten vaak volstaan met het aanbieden van een afbeelding van het voorgeschreven beest in brood of koek.

Wilde men er zeker van zijn dat de gaven bij de juiste god terecht kwamen en dat de begunstigde duidelijk werd wie de afzender was (niet onbelangrijk), dan moest het offer iets kenmerkends worden meegegeven. Bij brood en koeken was dat geen probleem. Vóór het bakken kon het deeg in de vorm van de beoogde god worden ge­kneed en/of voorzien van relevante namen. Overal in de antieke we­reld – Egypte, Assyrië, Grieken­land, noem maar op – zijn bewij­zen voor dit gebruik gevonden. Ook de Germanen in onze streken hanteerden deze religieuze uitwis­selingspraktijken. Tijdens de Mid­winterfeesten offerden zij koeken in de vorm van goden, mensen en dieren. Vooral aan Wodan. In ge­zelschap van zijn Wilde Jacht, werd Wodan dan geacht door de lucht te rijden en als windgod de akkers met vruchtbaarheid te ze­genen. Wodan (of Odin) is altijd afgebeeld als oude man met een lange, witte baard, gehuld in een wijde mantel en leunend op een staf.

In een van de sagen aan hem gewijd verrast hij een boer door diens laarzen met goudstukken te vullen. Met man en macht pro­beerde het latere christendom de heidense overtuigingen en gebrui­ken uit te roeien. Of nam ze, als dat niet lukte, aangepast in zich op. Zo werden de Midwinterfees­ten gesplitst in St.-Nicolaas en Kerstmis. Koekfïguren zijn nooit meer uit de decembermaand weg geweest, waarbij de gewoonte om oude goden zoals Frigga, beschermvrouwe van het huwelijk, in de koek af te beelden, erg taai bleek.

Maar heel langzaam kwamen hier­voor christelijke heiligen in de plaats, de latere katholieke san(c)ten en san(c)tinnen. Onder druk van de reformatie werden die veranderd in de bekende, niet weg te denken Vrijers en Vrijsters. In de loop van de eeuwen is het afbeeldingenrepertoire natuurlijk uitgebreid. Er kwamen schepen bij, molens, ruiters, paarden, wa­gens, narren, politieke voorstellin­gen en stichtelijke. En, hoe kan ’t anders, behoorlijk scabreuze tafe­relen. In de regio Nijmegen overi­gens waren zogenoemde Karelprenten geliefd. Koekplanken, de mallen waarin het deeg werd ge­vormd, zijn na het toeslaan van de massaproductie gewilde verzame­laarsobjecten geworden. Hoe de smaak van dit gebak zich ontwikkelde, was een wat moeizamer te reconstrueren verhaal. Als geschreven bronnen ontbreken, mis je ten enen male informatie over de gebruikte ingrediënten. Maar ook uit de nalatenschap van geletterde beschavingen in de Oudheid kwam tot nu toe geen echt kookboek aan het licht.
In andersoortige geschriften staan hier en daar wel wat opmerkingen over eten en drinken. Er bestaat een aantal inventarislijsten van voorraadschuren en van provisie­kasten in paleizen en vestingen en daar zou je ’t mee moeten doen. Als er niet die ene uitzondering was.

Van de smaak in de Romeinse keuken is een heel aardig idee gegroeid door onder meer De re coquinaria, het beroemde kook­boek van de eerste eeuwse lekker­bek Apicius. Dus weten we bijvoor­beeld dat Romeins brood met anijs werd gekruid. En dat de Romeinen speciale offerkoeken (libuma) bakten waarin honing was ver­werkt. Om voor de hand liggende redenen – je zet goden die je iets vraagt geen oud brood voor – moesten die koeken extra lekker worden gemaakt.
De smaak van wat bij de Romeinen en hun goden op tafel kwam, was natuurlijk afhankelijk van de krui­den en specerijen waarover ze konden beschikken. Nu kan uit Apicius’ boek en ander authentiek werk worden afgeleid dat alle van­daag gebruikte smaakmakers (en meer) in de Romeinse keuken aan­wezig waren. Zelfs ‘exoten’ als kruidnagel en peper, al was dat laatste schreeuwend duur. Vanaf de Romeinse Tijd zou de beschikbaarheid in westelijk Europa van specerijen afhankelijk zijn van het functioneren van handels­routes met het Verre Oosten. Toen dus in de vierde en vijfde eeuw het Romeinse Rijk instortte, stokte de aanvoer. Maar in het derde kwart van de zevende eeuw liep de levering weer. Onverhoopt doorgesne­den aanvoerlijnen werden na ver­loop van tijd altijd wel weer her­steld. Karel de Grote deed het op zijn beurt en later zorgden de Kruistochten ervoor. Zo wisselde de aanvoer van eeuw tot eeuw. Totdat, in het tijdperk van de grote ontdekkingsreizen, de specerijenproductie, – handel en handelsroutes vast in handen kwa­men van nieuwe West-Europese machten.

Mateloos populair sinds de twaalf­de, dertiende eeuw was een
spece­rijenmengsel, met de naam gode pouders, goed poeder. Het bestond uit greyne (kardamom). ghimber (gember), caneel, foli (foelie), no­tenmuskaten en groffelsnagelen (kruidnagel), soms aangevuld met galentijn (galanga, nu beter be­kend als laos). Het werd in allerlei gerechten gebruikt, van appeltaar­ten tot Saracenenragoüt, van koek tot konijnepeper. Hiermee, met de gode pouders, komen we tot de kern van de smaak. Want waar men bij taaitaai vasthield aan ho­ning en anijs, werd aan het einde van de vorige eeuw voor de nieuw­lichterij die speculaas was, terug­gegrepen op dit middeleeuwse mengsel. De smaak van speculaas is de smaak van een middeleeuwse Europese ‘kerrie’…

(Theo Holleman, De Gelderlander, 04-12-1993)

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

324-304

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (8)

.

SAINT NICOLAS

Niet per stoomboot, maar op een ezel rijdt Sint-Nicolaas dorpjes in de Elzas binnen. Daar vieren ze op vergelijkbare wijze Sint-Nicolaas. Hij brengt echter geen cadeautjes mee, wel lekkernijen.

Een van de weinige gebieden waar het Sint-Nicolaasfeest op vergelijkbare wijze als in Nederland en België wordt gevierd is Elzas-Lotharingen, een berggebied in het noord­oosten van Frankrijk. Waarschijnlijk doordat de commercie zich daar meer op Kerstmis richt, heeft Saint Nicolas zijn oude waardig­heid wat duidelijker weten te bewaren dan onze Sinterklaas. Op de vooravond van 6 de­cember rijdt Saint Nicolas op een grauwe ezel de dorpjes binnen. Hij is gehuld in een rode mantel en heeft een rode mijter op het hoofd. Achter hem loopt, op handen en voeten, Père Fouettard, een woeste, in het zwart geklede wildeman. Zijn attributen zijn een grote zak, een roe en een zware ketting waarmee hij voortdurend rammelt om de komst van de heiligman aan te kondigen. Saint Nicolas brengt geen cadeautjes, dat doet de Kerstman, maar wel allerlei speciale lekkernijen voor de kinderen die binnen bij de haard wachten.
Volgens de traditie zijn het de peetooms en – tantes die Saint Nicolas behulpzaam zijn met het verstrekken van dit lekkers.
Vooral Lebkuchen, een soort taai­taai wordt in de vorm van een sinterklaas in de wachtende klompjes gestopt.
Oorspronkelijk werden deze koekfiguren met gekleurde glazuur beschilderd, tegenwoordig wordt er een plakplaatje op geplakt. Die Lebkuchen kunnen heel groot zijn tot wel een meter of meer!
Zij worden gevormd in speciale plan­ken die van beuken-, peren- of notenhout gemaakt zijn.

Jan Thjo achterhaalde voor u het recept van deze koeken, die alleen voor dit feest gebak­ken worden. Als u ze op de ouderwetse ma­nier wilt versieren dan kunt u dat doen met een waterglazuur en bakkerskleurstoffen die in elke banketbakkerij te koop zijn.

Elzasser Lebkuchen

250 gram vloeibare honing,
100 gram suiker,
250 gram gemalen amandelen,
50 gram ge­hakte sukade,
rasp van twee citroenen,
1 theelepel kaneel,
1 mespunt gemalen kruid­nagel,
1 mespunt nootmuskaat,
1 mespunt gemalen koriander,
1 ei,
350 gram bloem,
2 theelepels bakpoeder.

Kook de honing met de suiker op.
Neem de pan van het vuur en voeg de kruiden toe.
Goed mengen en af laten koelen.
Klop ver­volgens het ei en de bakpoeder door het mengsel en voeg met kleine hoeveelheden te­gelijk de bloem en de gemalen amandelen toe.
Kneed alle ingrediënten tot een soepel deeg.
Is het deeg te kleverig voeg dan nog wat bloem toe.
Bestuif het aanrecht met bloem en rol het deeg hierop uit tot een dikte van 1 cm.
Snijd de gewenste figuren uit het deeg.
Er zijn ook metalen vormen te koop.
Beboter deze vormen en druk het deeg stevig er in aan.
Bestuif een bakblik met bloem en klop de deegfiguurtjes uit de vorm.
Leg de zelf gesneden figuurtjes ook hierop.
Bak de Lebkuchen in de oven op 180 graden in 20 minuten af.

Warme Sint-Nicolaasdrank

(15 kopjes)
2 flessen rode bessensap,
1 pijpkaneel,
3 kruidnagelen,
een halve citroen,
een kwart sinaasappel,
3 eetlepels honing.

Prik de kruidnagels in de halve citroen.
Breng de bessensap aan de kook en voeg de andere ingrediënten toe.
Laat circa 1 uur op een laag vuurtje trekken.
Giet deze bessendrank voor het serveren door een zeef.

Voor later op de avond een hartige kaas/ui-taart voor een bakvorm met een omvang van 25 cm:

Quiche Lorraine (8 personen)

Pie deeg: 250 gram bloem,
125 gram boter,
60 gram water,
1 theelepel zout,
1 theelepel
oregano.

Stort de bloem uit op het aanrecht en maak een kuiltje in het midden.
Doe zout, water en kruiden in het kuiltje.
Verdeel de boter in stukjes in de bloemrand.
Werk nu het vocht vanuit het midden, steeds wat bloem en bo­ter meenemend, met de hand tot een soepel deeg.
Kneed niet te lang, vorm er een bal van en laat die 1 uur op een koele plaats rusten.
Vulling:
3 flinke uien,
2 eetlepels zonne­bloemolie,
1 theelepel oregano,
1 bakje volle kwark,
2 deciliter room,
2 eieren,
een halve theelepel nootmuskaat,
1 theelepel zout,
pe­per uit de molen,
150 gram belegen geraspte kaas,
1 dessertlepel arrowroot (of maizena).

Schil de uien en snijd ze in ringen.
Fruit ze in de zonnebloemolie en voeg de oregano toe.
Af laten koelen.
Klop kwark, room, eie­ren, nootmuskaat, zout, peper, een derde van de kaas en de arrowroot in een kom.
Meng de gebakken uien hier doorheen.
Rol vervolgens de deegbal op een met bloem be­stoven aanrecht uit tot een lap met een dikte van circa 3 mm.
Leg het ingevette bakblik op de deeglap en snijd op 1 cm van de rand een cirkel uit.
Bekleed hiermee de vorm.
Prik de bodem in met een vork.
Vul deze vorm met het uienmengsel en strooi de rest van de kaas er over heen.
Snijd van de restanten van het deeg repen en leg die ruitvormig over de taart. Bak de quiche op een rooster in het midden van de oven op een temperatuur van 220 graden in 45 minuten gaar.

(Nicole Karrèr en Jan Thjo,Jonas 7, 29-11-1985)

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

 

.

323-303

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent (6)

.

DRIE AANGEZICHTEN VAN DECEMBER

Bedrijvigheid, verwachting en depressie

Toen Satan ontdekte dat de mensen door het kerstfeest weer aan de hemel begonnen te denken, zon hij op middelen om daar iets tegen te doen. “Als ik Kerstmis niet uitschakel zullen ze elk jaar opnieuw naar een beter leven gaan verlangen, en dan krijg ik het christendom niet uit de wereld.”
Zorgelijk liep hij rond, hij werd er steeds dunner en bleker van. Plotseling een kreet: “Ik heb het! ” — Wat had hij? Hij had de zenuwoorlog van de maand december uitge­vonden……

Sindsdien overvalt de mensheid in december een koortsachtige activiteit en begeerte – om alles te organiseren, om alles te kopen, om alles klaar te krijgen voor Kerstmis. De zakenman moet verdienen, het zijn de gouden weken van het jaar. Als Kerstmis aan­breekt is hij totaal aan zijn eind, hoogstens heeft hij nog de kracht om zijn geld te tellen, – eerst moet hij maar eens een paar dagen flink uitsla­pen.
De huisvrouw moet zich om alle kinderen en familieleden bekommeren, voor honderd boodschappen heen en weer draven, dag en nacht alles voor Kerstmis voorbereiden. En als het dan zover is, zijgt ze op kerstdag gebro­ken op de sofa in elkaar – “laat me met rust, ik kan niet meer! “-
“Met deze beschrijving begint Friedrich Rittelmeyer zijn boek over de feesten van het jaar ( het begint met een hoofdstuk over de adventstijd). Dit is het eerste aangezicht van december.

verwachting of depressie
Als dit nummer van JONAS* verschijnt is het bijna eerste advent, in veel fa­milies wordt van dennentakken een krans gevlochten met vier kaarsen erin. Op elk van de nu volgende vier zondagen voor Kerstmis (op 1, 8, 15 en 22 december) wordt er één kaars méér aangestoken.

“Wat is advent? ” vragen de kinderen. En iemand die ’t niet precies weet kijkt het na in het woordenboek: het is de verwachtingstijd voor Kerstmis. “Advent” komt van adventus (Latijn), dat is “aankomst”. “Aankomst van wat? ” De aankomst van Christus in de kerstnacht. — Na enig nadenken: dus  de verwachtingstijd voordat de Messias kwam? Ja, zoals de oude jo­den de Messias verwachtten, tweedui­zend jaar lang!
Dat is de betekenis van de adventstijd: de verwachting van de geboorte in de kerstnacht. – Het tweede decemberaangezicht.

Het derde aangezicht van december is, dat veel mensen deze maand de donkerste, koudste, akeligste van het jaar vinden, aan depressies lijden, zich eenzaam voelen, er geen gat in zien en tegen alles het liefst een grote schop zouden willen geven. (Dan zou­den zij eigenlijk nog dankbaar moeten zijn, want voor velen was november nog erger.)

Zo heeft de laatste maand van het jaar drie aangezichten: bedrijvigheid, verwachting, depressie. Ze horen bij elkaar. Overdreven uiterlijke activiteit lijkt een beetje op een vlucht, je verstrooit alle kracht naar buiten en mist ( als het eenmaal zo ver is) het doel. Een vlucht voor wat? Voor in­keer… of is het een vlucht uit angst voor een depressie? Het doel was het feest, de rust, de kersttijd… Met het derde “aangezicht” moet je iemand in deze tijd van het jaar niet aankomen. Alleen het idee al dat Kerstmis in aantocht is, is voldoende om depressief te worden. Trouwens, in alles zit een reden voor neerslach­tigheid. Je loopt rond in een wolk van duistere troebele stemmingen, volko­men in overeenstemming met het weer: nat, grauw, guur. Bovendien geeft het wereldgebeuren nou niet be­paald aanleiding tot vreugdekreten – de ene helft van de mensheid is bezig te verhongeren, de andere helft pro­beert elkaar dood te slaan ( en de rest is in staking).
“Eind-tijd-stemming”— alles zit in z’n laatste fase, het loopt af, dat kun je wel merken. Op de wc hangt de kalender er ook al met z’n laatste blaadje bij …zelfs dat loopt af. Een decemberdepressie is eigenlijk po­lair aan de overdreven kerstbedrijvig­heid: een doorgebrand gevoelsleven tegenover een op hol geslagen wil. Geen van beide kan elkaar of zichzelf afremmen of tot bezinning brengen.

tijdsorganisme
De verklaring, dat advent de voorbereidingstijd of de verwachting voor het kerstfeest is, is meer een cliché of een halve waarheid. Advent is het begin van een omvangrijk tijdsorganisme, dat door een groepering van oeroude, zinvolle religieuze feesten een tijdspanne van 10 weken omvat. Een gedeelte hiervan leeft nog tame­lijk sterk in de leefgewoonten, een an­der gedeelte is uit het algemene be­wustzijn verdwenen. Zelfs een van de voornaamste hoeders van deze feesttijden, de roomse kerk, weet er nau­welijks meer raad mee. Religieuze feesten van deze orde zijn geen voor (of door) de mensen uitge­dachte geestelijk-hygiënische maatre­gelen, maar mystieke werkelijkheden die in het leven van de aarde en de natuur, in het astronomisch bestel en in de ontwikkelingswetten van de mens­heid te vinden zijn. Zo tenminste is dat aan Rudolf Steiner bij zijn onder­zoek van de geestwereld gebleken, en zo heeft hij het bij bepaalde gelegen­heden beschreven. Zulke bepaalde ge­legenheden waren bijvoorbeeld de op­richting van de Antroposofische Ver­eniging in de jaren 1912/13; in die tijd heeft hij een “jaarkalender” samenge­steld waaruit sommige van deze dingen blijken; en de stichting van de Chris­tengemeenschap in 1922, waar hij cultische regelingen heeft opgesteld voor de liturgie; daaruit blijken nog verdere aspecten met betrekking tot het tijdsorganisme dat aanstaande zondag* begint.
(Verder is er een grote literatuur op dit gebied in zijn nage­laten werk te vinden.)
En wanneer men al een adventskrans ophangt, een kerstboom versiert, de middernachtsdienst bezoekt of het spel van de Drie Koningen gaat zien, is er ook aanlei­ding om een ogenblik bij dit hele feesttijdenorganisme stil te staan.

Advent is met de vier zondagen vóór Kerstmis het begin van een religieuze feesttijd van tien weken. Na de kerst­nacht van 24 op 25 december volgen er twaalf “heilige dagen en nachten” tot 6 januari. In het midden daarvan ligt “oud en nieuw”. De 6e januari is opnieuw een feestdag: Epifanias, een van de eerste gedenkdagen uit het oer-christendom, het feest van “de ver­schijning Christi”, dat is de doop in de Jordaan.

Aanvankelijk was dit voor de chris­tenen de grote dag van het jaar — Kerstmis kwam pas later op. Tegelijk is Epifanias de feestdag van de “Drie Koningen”, de wijze magiërs uit het oosten, die volgens het Mattheüsevangelie naar Betlehem trekken omdat zij uit de verschijning van de ster de geboorte van Christus hebben afge­lezen. In cultisch verband duurt Epi­fanias van 6 januari tot vier volle we­ken daarna, dat is dit jaar* tot en met zaterdag 8 februari. Op zondag 2 fe­bruari is het 40 dagen na de kerst­nacht; deze dag wordt in het Lukasevangelie (2, 22) beschreven: “En toen de dagen hunner reiniging naar de wet van Mozes vervuld waren, brachten zij Jezus naar de tempel in Jeruzalem.”

SAMENVATTING
De periode van de eerste adventszon­dag tot de laatste dag van de epifanie is als een samenvatting in het klein, elk jaar, van een groot stuk mensheids­geschiedenis. De adventstijd als de verwachting en voorbereiding op de komst van de Messias; Kerstmis de ge­boorte van Jezus, de twaalf heilige nachten als aspecten van het plato­nische wereldjaar; Epifanias: de doop in de Jordaan en de verschijning van het wereldlicht.

Dit jaar* ziet het er met de data zo uit:
1 dec.   de eerste zondag van advent,
8 dec.   de tweede zondag van advent,
15 dec. de derde zondag van advent,
22 dec. de vierde zondag van advent. Deze dag is ook de kortste van het jaar, het is “winter-zonnewende”.
dinsdag 24 dec. volgens oude overle­vering werd deze dag naar Adam en Eva genoemd (uit wie het oude men­sengeslacht is voortgekomen). In de Sabbatnacht van 24 op 25 december van het jaar dat voorafgaat aan het be­gin van onze jaartelling wordt Jezus van Nazareth geboren, zoals dit in het Lukasevangelie is beschreven (hij is de stamvader van het nieuwe mensen­geslacht).

Deze nacht is volgens Steiners “ka­lender” tevens het begin “van de 13 dagen die voor mystieke verdieping bijzonder vruchtbaar zijn, en die op 6 januari eindigen. ”
Dit was in oudere beschavingen al bekend als een bij­zonder heilige tijd, waarin de men­sen openbaringen kunnen krijgen uit een hogere wereld. Een treffend beeld hiervan geeft het oude noorse lied van Olaf Asteson, die in deze tijd zijn in­wijding ontvangt.

woensdag 25 dec. kerstmis, geboorte­feest van Jezus.

woensdag 1 januari 1975, nieuwjaars­dag. Deze dag, een week na Kerstmis, is “de besnijdenis” van Jezus — voor onze huidige begrippen zou men dat nu de doopdag kunnen noemen. De gebeurtenis wordt in het tweede hoofd­stuk van het Lukasevangelie beschre­ven (vers 21): het kind ontvangt de naam Jezus. De eerste januari is dus de naamdag van Jezus.
maandag 6 januari, Driekoningen, Epifanie, eind van de “13 heilige da­gen”. De liturgische feesttijd omvat de daarop volgende vier weken, dus tot en met zaterdag 8 februari.

begin en eind
Zo bezien is december niet alleen de laatste maand van het jaar, en het slot van een steeds donkerder worden­de periode, maar ook een begin. Wie het klaarspeelt de ietwat manische be­drijvigheid van december in toom te houden, en ook de depressies van de “donkere dagen voor Kerstmis” over­wint, zou in de weken van advent een zeer zinnige periode kunnen ont­dekken om op de komende feesttijd toe te leven. De vier zondagen zijn als vier indrukwekkende gongslagen, waar­mee een mysterietijd wordt aangekon­digd. De kerstnacht met de daaropvol­gende twaalf “heilige dagen en nach­ten” kunnen een impuls zijn voor het hele volgende jaar; op epifania en in de vier daarop volgende weken wordt het mysterie openbaar. In vroegere tijden ( dat werkt nog steeds door) was religie een kwestie van stemming. Dat is in de twintigste eeuw niet meer voldoende. Je moet tegenwoordig je gemoedsleven met wilskracht doortrekken, en bovendien denken over wat je viert, wanneer je grote feesttijden van het jaar wilt vie­ren. Echte religie hangt met de grote levensritmen van ons bestaan samen, maar echte religie laat een mens ook volkomen vrij — vrij om het te willen beleven. Zo bezien is het vieren van advent een aangelegenheid van goede wil — en er valt, voor wie wil, in de wereldwijde ritmen van de komende zeventig dagen zeer veel te beleven.

(J.E.Zeylmans van Emmichoven, Jonas 7, 29-11-1974*)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

322-302

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (5)

.

ADVENTSKRANS

Kleine adventskrans voor op tafel of bij een kinderbed

Uit triplex een ring zagen: doorsnee cirkel 24 cm, breedte ring 3 cm. In 4 blokjes komt voor de kaarsen een gat* bovenin, de blokjes op de ring lijmen en eventueel van onderaf met een spijkertje vastzetten. Dennengroen met dun ijzerdraad of rood lint vastbinden.

*om brandgevaar te verminderen – het staat ook mooi! in het gat een stukje koperbuis dat iets boven het blokje uitsteekt. (phaw)

Hangende adventkrans
De hoepel van deze adventkrans is van dik ijzerdraad gemaakt, dat enige malen rond gelegd is, en daarna met dunner IJzerdraad omwonden wordt. Tijdens het omwinden 4 kaarsenhou­ders (uit ijzerdraad gevormd of kant en klaar in de winkel gekocht) stevig vastzetten.
Sparrengroen met dun ijzerdraad of lint vastbinden, de krans aan vier lin­ten ophangen.
Bewaar het geraamte voor volgend jaar!

(Jonas 6, 21 – 11- 1975)

 

adventskrans – grotere uitvoering
Je kunt jezelf ( en de helpende ouders!) veel ongemak ( en onvrede) besparen, wanneer je een ‘eeuwigdurende’ adventskrans maakt. Van ijzerdraad maken – zie boven – vind ik niet zo’n goed idee, omdat de krans nooit echt mooi rond te krijgen is; bovendien is het heel moeilijk de kaarsenhoudertjes precies rechtop te laten staan, wat wel zo mooi is en geen gedrup van kaarsvet geeft.

De slimste oplossing die ik ken is een fietswiel zonder spaken. Je hebt ze in verschillende maten en er is allicht wel gratis aan te komen.
De gaatjes van de spaken maken het mogelijk dat je de krans helemaal (waterpas) recht kan laten hangen. Aan de uiteinden van de 2 even lange linten bevestig je haakjes die in de spaakgaatjes passen.

Wanneer je nu 4 blokjes maakt die je aan één kant even rond zaagt als de curve van het wiel, kun je deze met een schroefje door het spaakgat goed vastzetten. Neem het blokje zo groot dat het gat voor de kaars er goed in kan en zet hierin een stukje koperbuis dat er even bovenuit steekt, zodat de brandende kaars nooit bij het blokje kan komen. Wanneer het groen goed om het wiel wordt gewonden, zie je van het ijzeren wiel niets meer.

aansteekstok met dover
Het aansteken van de kaarsen moet een ‘plechtig’ ogenblik zijn. Ik weet niet anders of de kinderen zitten vol aandacht te kijken hoe in de donkere zaal de kaars(en) meer licht brengen.
Het aansteken met lucifers verstoort meestal het beeld. Wanneer je 4 kaarsen moet aansteken, lukt dat met een kleinere lucifer niet, dus moet er nog eens worden aangeschrapt. Vaak gaat het vlammetje ook weer uit, wat meestal tot een zekere hilariteit leidt. Voor dit aandachtsmoment niet zo gunstig.

Neem een rondhout van ongeveer 1 m of iets korter. (doorsnede 12 mm. Zaag met de gatenzaag een rondje van ongeveer 6 cm uit wat dikker triplex. Rasp het middengat iets uit, zodat het rondhout er nauwsluitend inpast, lijm het extra vast op 2 cm van de bovenkant van het rondhout. Maak een koperen buisje (12 mm) en bevestig dit over deze 2 cm heen (lijm) zodat het op het ronde stukje triplex rust. Het kan een cm. of 6 à 7 lang zijn. Neem een kaarsje dat er goed stevig in bevestigd kan worden – meestal door het iets te slijpen. Wind om het stokje een blauw lint, een beetje diagonaal van boven naar onder en bevestig bovenaan, niet zo hoog als het kaarsje, een takje dennengroen.

Hiermee kunnen ook kinderen de kaarsen in de grote krans aansteken – als leerkracht hoef je alleen maar het stokje een beetje te ondersteunen, zodat de vlam het groen niet raak, om de kaars te doen ontsteken.

ZORG DAT JE VAN TE VOREN HET LONTJE VAN DE KAARS GOED RECHTOP HEBT GEZET – niet van te voren aansteken, dat is lelijk.

Met zo ’n stokje voorkom je dat het aansteken op allerlei minder fraaie en heel vaak ingewikkelder manieren moet gebeuren die het beeld niet ten goede komen.

Het doven van de kaarsen vraagt m.i. ook om een mooi gebaar. Dat vind ik het uitblazen ‘van afstand’ allerminst. Nog minder het ‘uitknijpen’.

Met bovengenoemd stokje is het mooier te doen: bevestig onderaan een dovertje.

Met een kleinere uitvoering kan de engel uit het kerstspel bv. de kerstboomkaarsen op het toneel aansteken en na het spel weer één voor één doven.

Wanneer het gewoonte is dat een kind van iedere klas het licht van de grote krans mee mag nemen naar de krans in de klas, bewijst zo’n aansteekstok zijn waarde.
Wanneer je het stokje in een hoek neerzet, breekt meestal het kaarsje. Je kunt het dus het beste ergens voorzichtig neerleggen.

 

(phaw)

 

adventskalender
Het geheel uit stevig goudkarton knip­pen. De zijflappen naar achteren bui­gen. Achter het middenstuk wit tran­sparant papier plakken, de deuren en luikjes — in totaal 28 — daarna voor­zichtig opensnijden. Op het witte tran­sparantpapier achter elk luikje van ge­kleurd zijdevloei of vliegerpapier klei­ne voorstellingen plakken, bijvoor­beeld engeltjes, sterren, sneeuwkristal­len enz. Achter het grote luik in het midden: Maria en Jozef. Als er een kaars achter de kalender staat wordt alles doorlicht.
Het is ook mogelijk be­staande of zelf getekende plaatjes ach­ter de luikjes te plakken. Omdat Kerstmis niet altijd op dezelf­de dag valt, varieert de adventstijd in lengte, zodat af en toe met een luikje ‘gesmokkeld’ moet worden.
advent 2

adventskalender

tekeningetjes voor achter de luikjes

(Jonas 6, 21 – 11- 1975)

 

ADVENTSKALENDER
Vooral voor kleine kinderen kunnen we hiermee de tijd zichtbaar maken, de adventstijd krijgt een tastbare gestalte: nog zoveel trapjes en het is kerstfeest!

Hieronder twee voorbeelden van een kalender.

– Uit een groot vel tekenkarton onderaan een grote poort snijden. Om de deur te kunnen sluiten, op een ervan een reepje met een lipje eraan, op de ander een reepje, aan de uiteinden vastgeplakt, zodat het lipje van de andere deur er­door getrokken kan worden. Achter de deuropening een klein vel te­kennapier plakken, waarop het kerstge­beuren getekend of geschilderd staat (of een transparant ervan!) Boven de poort 28 gleufjes maken of zoveel als er dagen komen tot het kerstfeest is. Een kerstster knippen uit tekenkarton of goudpapier, aan de achterkant een reepje om de ster mee in de gleufjes te steken. Elke dag komt de ster nu een stukje dichter bij de stal. De hele voorkant van de kalender wordt beschilderd met stal of grot, hemel en sterren.

kerst adventskalender

Een andere manier:
Uit een stevig vel karton voorzichtig 28 luikjes opensnijden en openvouwen, zodat ze ook weer dicht kunnen. Een groot luik in het midden maken. Achter het vel karton een vel mooi dun papier plakken van dezelfde grootte. Nu wordt achter elk luikje wat geplakt of getekend:  een ster, een bloemetje, een ijskristal, elke dag wat anders. Als het kerstfeest is, zijn alle kleine luikjes open en gaat de grote open:  daar is het hele kerstgebeuren op te zien.

Hetzelfde idee is ook om 28 lucifersdoosjes op elkaar te plakken, of aan een koord, waarvan er elke dag eentje open mag. Daar komt dan steeds een kleine verrassing uit :  een mooi steentje, een schelp, een knikker, een bolletje bijenwas,  een sterretje, een gedroogd bloemetje enz.

(Bep Kroeze, nadere gegevens onbekend)

 

adventsstok
De engeltjes worden gemaakt van lontwol of kamband (gekaarde strengen schapenwol), goudkleurige raffia en goudfolie.
Voor het lijfje een stukje kamband van ca. 20 cm in het midden afbinden met raffia; dubbelklappen en voor de armen een plukje van ca. 9 cm aan de uiteinden afbinden en tussen de twee lagen van het lijfje leggen. Op ca. 2 cm van bovenaf de hals afbinden.
Vleugeltjes uit goudfolie, vouw het dubbel, teken een vleugel tegen de vouw , zodat de vleugels in het midden met elkaar verbonden zijn en knip het uit. De vleugels aan de rug vastbinden. Hang de engeltjes tegenover elkaar aan een stukje gebogen ijzerdraad. Tussen de engeltjes hangt een halve walnotendop met daarin het kindje, gemaakt van een plukje wol of een stukje bijenwas, in een wollen bedje.
De middenlat van ca. 60 cm lang, is blauw geverfd en heeft 28 gaatjes, schuin naar onder ingeboord. Op ca. 2cm van elkaar. Op ieder gaatje is een sterretje geschilderd. Een haakje van ijzerdraad van ca. 6 cm zorgt ervoor dat de engeltjes vrij van de lat hangen. In het midden van het gebogen stukje ijzerdraad, waaraan de engeltjes hangen, een lusje vastknopen, dat met lijm vastgezet wordt. Dit lusje ook met lijm aan het haakje vastzetten. Een ster van goudfolie, zo groot als de ster boven aan de lat met een paar tipjes lijm tussen de engeltjes bevestigen.

De adventsstok kun je boven het stalletje hangen. Iedere dag komt het kindje een sterretje dichterbij.

advent stok

Madeleine Wulff en Imke Abma, Jonas 7,28-11-1980

 

advent kalender engel

Godelieve van Gemen en Henriëtte Worst, Jonas 7, 1 dec.1978

advent jurk

Jonas 7, 3 de.1976

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

321-301

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (4)

.

ADVENT

Advent: dat wat komt. Er komt je iets tege­moet. Wat doe je dan? Afwachten tot de ontmoeting plaatsvindt? Als we een gast ver­wachten, proberen we hem zo goed moge­lijk te ontvangen. We bereiden ons voor op zijn komst. Zo geeft de adventstijd ons de mogelijkheid ons voor te bereiden op het kerstfeest.

Hoe geven we vorm aan die voorbereidings­tijd? Ja, zoiets krijg je nu eenmaal niet cadeau: je moet er zelf vorm aan geven, een gestalte scheppen, zichtbaar en beleefbaar voor het gezin, voor allen die het meemaken. En als het je lukt om iets van een ceremoniële handeling in te zetten in alle ernst en rust — dan vraagt het kind vanzelf om herhaling, en de traditie is geboren.
Je hebt als moeder de verrukkelijke vrijheid om iets in te zetten, dat kan worden tot een goede en vaste ge­woonte. Het geeft de kinderen en de moeder houvast. Temidden van de sintnicolaasvoorbereidingen proberen we nu met aan­dacht de adventstijd in te zetten. Als er nog geen ‘traditie’ is om op te bouwen, begin dan voorzichtig. Ieder jaar groeit er vanzelf iets bij.

Dit jaar* valt de eerste adventszondag op 30 november. Lukt het niet om dan de advents­krans klaar te krijgen, zet dan in ieder geval vier mooie kaarsen in een kring op tafel met wat sparrengroen ertussen. De eerste adventskaars wordt met aandacht ontstoken. Het stille branden van die ene kaars wil ons een teken zijn, een voorteken van het grote stralende licht, dat geboren wordt in de midwinternacht.
Wat kan je nog meer doen, om de vier ad­ventszondagen een apart karakter te geven? Je kunt een passend verhaal zoeken, je kunt met elkaar zingen of instrumentaal muziek maken. Je kunt gaan knutselen en je kan ’s avonds naar de stand van de sterren gaan kijken. Het kan allemaal, maar ieder moet voor zichzelf aftasten wat binnen de eigen mogelijkheden ligt. Laat je niet ontmoedigen door de vele mogelijkheden. Probeer enkele dingen goed doordacht en voorbereid te han­teren.

Evenals de adventskrans is ook de adventskalender een goede ‘traditie’, als je het met aandacht hanteert. En dat doe je vanzelf als je hem zelf maakt. Kinderen, vooral jonge kinderen, kunnen zich nog niet oriënteren in de tijd. De adventskalender maakt de tijd zichtbaar. De adventstijd krijgt een tastbare gestalte. De kinderen weten nu, wanneer het kerstmis is: ‘als de grote luiken open gaan.’

Zondagmorgen heel vroeg. Stil is het overal nog, als ik naar beneden ga. Het is of het hele huis ademt in een rustige slaap. Ergens kraait een haan. Een tweede geeft antwoord. Buiten hangt een grijze schemer tussen de bomen. Het nachtelijk donker wijkt steeds later voor het licht van de dag. Even de achterdeur open doen en de koele ochtendlucht opsnuiven. Wat ruikt alles heerlijk fris en vol mogelijkheden! Op het bospad staan zwijgend de hoge beukenbo­men. Het is of zij roerloos wachten op iets dat komen gaat.

Ik snuif nog eens. Het tintelt tot in mijn vin­gers, en ik verheug mij op de stralende ogen van de kinderen, die ik een verrassing ga be­reiden.

In de keuken staat een blad klaar met één grote brandende kaars erop; een bordje met beschuiten, waar de honing vanaf druipt en vier notendopjes, vastgezet op een stukje bij­enwas. In iedere notendop staat een kleine mariafiguur, van rode en blauwe bijenwas gevormd. Met het blad in mijn handen loop ik de trap op :

‘Het komt een schip geladen,
tot aan het hoogste boord.
Maria houdt het roeder,
die engel stuurt het voort 

Boven op de slaapkamers zitten de kinderen rechtop in bed, in gespannen verwachting.
Ieder krijgt zijn notendopscheepje en een knapperige beschuit met honing.

“Nu is het Advent, hè mam!’

Hun glanzende ogen kijken mij aan.

(Marieke Anschütz, Jonas 6, *21-11-1975)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: advent spiralen e.d.    jaartafel

.

320-300

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (16)

.

Sint-Marte, Martijn, Sintre-Martre, Sinte- Marteus, Sintermerte, Sint-Maarten, Sint- Martinus

Tja, dat zijn heel wat namen voor één persoon. Sint-Martinus.
Wie is Sint-Martinus? We weten dat hij tussen 316 – 400 leefde. Hij was bisschop van Tours in het rijk der Franken. Zijn vader was officier hij het Romeinse leger.
Het was in de zeer strenge winter van het jaar 332 dat Martinus een
be­langrijke daad verrichtte. Het was aan de stadspoort van Amiens dat Martinus als jong krijgsman, een halfnaakte door de kou bevangen bedelaar trof. Martinus trok zijn zwaard en sneed zijn mantel doormidden, en gaf een helft aan de verkleumde bedelaar. Hij bedekte zichzelf zo goed mogelijk met de andere helft.
Diezelfde nacht zag hij in zijn slaap Christus, bekleed met de ene mantel­helft, die hij aan de bedelaar had gegeven.
Christus sprak: “Zie Martinus, hoewel nog catechumeen (leerling in de catechese) heeft mij met dit kleed bekleed”.

Deze droom veranderde plotsklaps het leven van Martinus. Hij nam ontslag uit het leger om zich volledig aan het christendom te wijden.

Toen de Franken in de 5e eeuw hun bekeringstochten buiten Gallië uitstrekten, verschenen zij ook in ons land, als vreemde veroveraars uit het zuiden.
In Utrecht stichtten zij de eerste Martinuskerk. Later zijn door het hele land kerken aan hem gewijd, tot hier in Friesland, zoals in Dokkum, Sneek en de grote Martinuskerk in Bolsward.

Zowel de grote verering, als ook de oude volksrijmen en gebruiken op Sint-Maarten zijn erg uitgebreid. Het meest karakteristieke van de oude maartensgebruiken zijn het uithollen van koolrapen, suikerbiet of wortel. Hierin wordt een brandend kaarsje geplaatst, en daarmee wordt onder het zingen van liederen een ommegang gehouden.

Bezien we de spirituele kant van dit feest, dan zien we dat nieuwjaarsdag, 1 januari, alleen maar het begin van een nieuwe telling is. Bij de Romeinen ving het jaar op 1 maart aan, bij de Germanen het begin van de jachttijd half november. De katholieke kerk begint het jaar met advent. De kalender en de klok geven niet de werkelijke tijd aan.

Het werkelijke feestjaar dat we innerlijk willen beleven, begint met de
voor­bereiding van het kerstfeest.

De natuur sterft af, de oogst is binnen, de winter nadert voelbaar en zicht­baar. Met de strijd tussen onszelf en onze mislukkingen en tussen Michaël en de draak is het oude feestjaar afgesloten. De strijd wordt beëindigd met een overwinning, behaald door onszelf. De oogst van het leven en de verinnerlijking van onze ziel, waarin Christus steeds opnieuw geboren moet worden. Sint-Maarten hakt zijn krijgsmantel in tweeën, het snijdende zwaard is het flitsende moment. De mantel des tijds wordt gesplitst in verleden en toekomst. Het verleden blijft voor onszelf, dat is alles wat we in onze ziel hebben geschreven.

De toekomst is alles wat we in het nieuwe jaar te verwachten hebben. Sint-Maarten is dus het symbool voor ons betere ik, ons eigen zelf. Het zwaard is het heden, dat in onze eigen hand is gelegd, waarin we zelf kunnen handelen en werken.

Sint-Maarten is dus een voorbereiding op het midwinterfeest. Het feest van de geboorte van Christus.

Van oudsher hoort bij iedere voorbereiding voor de zondag of feestdag een ommegang. Zo ook de nieuwjaarsommegang, het lopen met de sintmaartenlicht­jes. De kinderen gaan langs de deuren met hun lampionnen of hun uitgeholde koolraap of wortel. Ze zingen daarbij de sintmaartenversjes. De volwassenen doen niet mee. Als u het weer wilt leren, probeer dan dit lied met de kinderen mee te zingen:

Sint Martinusbisschop,
roem van alle landen enz.

(nadere gegevens onbekend)

.

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten              voorbeelden van lichtjes 

.

319-299

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal

.

‘tips en trucs’

Hier volgen ‘tips en trucs’  Heb je zelf goede: je kunt ze hier plaatsen via pieterhawitvliet -voeg toe-gmail – punt- com

SPATIES
Soms wil het maar niet lukken om bepaalde goede gewoontes aangeleerd te krijgen, bv. om tussen de woorden zo veel ruimte te laten dat vergissing of verwarring bij het lezen is uitgesloten.

Humor – Steiner benadrukte het vaak – kan wonderen doen.

Iets (ver)wonderlijks, iets verrassends, ook.

Er bleven in een 5e klas te veel kinderen de woorden te dicht op elkaar schrijven. Ik had er – misschien wel tè vaak – aandacht aan besteed, maar echt helpen deed dit niet.

Op zekere dag schreef ik dit op het bord:

tomentoatentomatentomatentovrat.

‘Ja, wat staat daar – lees het maar voor.’  Dat lukte niet. ‘Misschien lukt het, als je de juiste spaties aanbrengt.’

Nieuwsgierig en ijverig toog de klas aan het werk.

Toen vonden ze gezamenlijk het antwoord:

tom en to aten tomaten
tom at en to vrat.

Natuurlijk, de hoofdletters nog!

De ‘spatieboodschap’ werd door de meeste kinderen goed begrepen!

0-0-0-0-0-0-0

KOMMA
Interpunctie is lastig en moeilijk aan te leren.
De hoofdletter aan het begin van de zin en de punt als afsluiting lukken nog wel. De komma wordt al moeilijker.

Het belang onderkennen van wat de komma eigenlijk kan doen, helpt vaak.

De plaats van de komma maakt soms een wereld van verschil:

De zon, niet de regen deed het ijs smelten.
De zon niet, de regen deed het ijs smelten.

Wanneer je daar slordig mee omgaat, kan dat tot hilarische situaties leiden:

De politie-agent niet, de dief moest de cel in.
De politie-agent, niet de dief moest de cel in.

Kinderen van klas 5/6 zijn zeer goed in staat zelf leuke voorbeelden te zoeken.

Dat helpt weer om aandacht voor de komma te hebben.

0-0-0

Dictee – oefenen van de tweeklank ui

Onze moeilijke spelling vergt, om ze te leren beheersen, veel oefening. Van oudsher, min of meer, is het ‘dictee’ een middel.

Wie naar de meeste dictees kijkt, ziet daar eigenlijk steeds een opsomming van zinnen die in wezen niets met elkaar te maken hebben. Vaak ook zonder enige fantasie: gewoon mededelingen.

Vanuit menskundig opzicht doen ze een direct appel op de dode intellectkrachten.

Rudolf Steiner die steeds voor ogen had ‘heel de mens’ aan te spreken – dat is in dit concrete geval: meer fantasiekracht bij dit doodse onderwerp – raadde meer humor aan bij het samenstellen van een dictee. Dat is: meer sympathie bij de antipathie van het denkend spiegelen; meer bloedskrachten bij het zenuwenwerk; (Algemene menskunde, 2e voordracht)

Omdat de samenstellers van taalboekjes dit bij mijn weten tot op heden nauwelijks doen, zul je als klassenleraar zelf (opnieuw) creatief moeten worden.

Bij mijn verzamelde artikelen vond ik dit. M.i. een heel redelijk geslaagde poging om de UI te oefenen.

Uiige bui
Uiltje muilpruim
Duizenden guiten kruipen en sluipen.
Niet te stuiten!
Het luimige tuig buitelt en duikelt van kruin tot kruin, van huis tot huis.
Buit voor de snuit!
Kuikens ontluiken onder de kuiven; na luieren kuieren de luibuizen van pruik tot pruik.
Duidelijk besmuikt fluisteren zij:
‘Puik! Een volle buik!
Huiden huiveren.
Duizenden luiden bekruipen de stuipen…
Wat een kruis!|
Luister: niet pruilen of huilen, ruilen noch vervuilen; kuisen, die luizen

                                                                              UIT

 (Vrijeschool Leiden, nadere gegevens onbekend)

.

Nederlands: alle artikelen

.

318-298

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (15)

.

SINT-MAARTEN

Ik loop met mijn lantaarn,
lantaarn loop met mij!
Daarboven stralen de sterren,
beneden stralen wij…”

Zo zingend zullen de kinderen de 11e november weer door de straten trekken, in de vroege duisternis van de avond, om het Sint-Maartensfeest te vieren, terwijl zij hun kaarsvlammetje in het zelfgemaakte lampje proberen te be­schermen tegen de herfstige vlagen van regen en wind.

Na de overvloed van noten en vruchten en de warme kleuren en kruidige
geu­ren die het Michaëlsfeest altijd zo’n glans geven, is het dan kaal geworden buiten en sinds de herfstevening geeft de dag steeds meer van haar licht prijs en de nacht breidt haar donkerte uit. Als iedereen dan thuis is, ach­ter gesloten deuren en vensters, wordt er gezongen buiten in de avond. Hoort u het? Opent u de deur? Wilt u anderen mee laten delen van de door u vergaarde oogst?
De historische ridder Martinus, die eens terugkerend van de strijd,  zijn mantel als laatste bezit deelde met een bedelaar, vernam later in een droom dat het Christus geweest was aan wie hij medelijden had getoond.

Als wij terugdenken aan de tijd dat de heilige Sint-Maarten leefde, weten we dat er zich talloze bedelaars en vagebonden langs de wegen bevonden. Zij groepten samen bij de kerkdeur en wie wat over had, wist zich verzekerd van een goede daad, wanneer hij deze misdeelden iets toeschoof.

Maarten, zelf berooid, was niet genoodzaakt te geven – wat hij geven kon, had hij reeds weggeschonken. Was het niet zinloos meer te blijven geven zonder de bestaande nood te kunnen lenigen?
Hij gaf toch: het kleed dat zijn ge­stalte omhulde, deelde hij met de mens, die hij in het erbarmelijk voorkomen van de bedelaar herkende – daar leefde verlangen, een zelfde zielenglans als in zijn eigen innerlijk. Had hij dan recht op meer? Hij deelde en zo kleed­de hij twee.

In al zijn beelden duidt het Sint-Maartensfeest op het eigen innerlijke licht, dat als afstraling van het kosmische licht, voorzichtig en flakkerend in de mens merkbaar wil worden. Belaagd door vlagen van onrust en gejaagd­heid is het vaak moeilijk herkenbaar door de onvolmaaktheid van het mense­lijk wezen.

Is het niet zo, dat we pas echt de vreugde leren kennen,  die het warme licht­schijnsel geeft door de doffe, massieve wand van de kool heen, wanneer we zelf de moeite en beproevingen hebben doorstaan bij het uithollen van de vrucht tot maartenslampje?
Zo wacht elk van onze medemensen erop dat we zijn eigen zelfveroverde zielenlicht vanuit onze zelfkennis met mildheid kunnen herkennen en met hem de warmte van onze eigen liefde willen delen.

(H.A.L. Matthijsen-Kelder, vrijeschool Zeist, okt. 1974)

.

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten              voorbeelden van lichtjes 

.

317-297

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (14)

.

UIT DE KLEUTERKLASSEN

Toen de herfst begon met bliksem en donder, hadden wij ons Michaëlsfeest. Wij zongen van Michaël, smeedden het ijzer in ons spel, en hadden een gezellige fruitmaaltijd. Verrassend was het voor de kinderen te zien hoe in iedere appel of peer een klein sterretje verborgen zit, het smaakte daardoor veel lekkerder.

Verder gaan we de herfst in; de boer heeft alles geoogst, als laatste nu ook de wortelen, knollen en aardappelen. Bloemen, planten en bomen laten hun kleurige blaad­jes vallen, zo is de aarde bedekt met een warm kleed. Alle kleine diertjes trekken zich in de aarde terug. Het wordt steeds donkerder – de winter nadert.

Dan komt aan het begin van de winter ons  St.-Maartensfeest: knollen en wortelen wor­den uitgehold om er lantarens van te maken. Met een lichtje erin zie je pas goed, hoe ook in deze aardvruchten het zonlicht verborgen zit. Dit is ons eerste kleine lichtje aan het begin van de wintertijd. Met onze lantarens lopen we buiten in regen en storm, zingend van St.-Maarten:

Sint-Martinus Bisschop,
Roem uit alle landen;
Dat vrij hier met lichtjes lopen
Is voor ons geen schande.
Hier woont een rijk man,
Die ons best wat geven kan:
Geef mij  ’n appel of een peer,
Wij komen het hele jaar niet meer.
God zal hem lonen
Met honderdduizend kronen,
Met honderdduizend lichtjes aan:
Hier komt Sint-Martinus aan.

Lang geleden leefde Sint-Maarten. Hij was een weldoener – alles wat hij bezat gaf hij weg aan zieken en armen. Vooral tegen de winter vroeg hij bij de rijken om een aalmoes voor de armen. Op 11 november, de dag dat Sint-Maarten gestorven was en naar zijn graf gedragen werd, bloeiden overal bloemen langs de weg.

Een paar weken na St.-Maarten begint de adventtijd; nog donkerder is het nu geworden; wij zijn dan ook helemaal “ons huisje” binnen gegaan, en bereiden ons voor op Kerstmis met z’n grote licht.
De eerste adventmorgen beginnen wij met een adventtuin, gemaakt van mos en dennengroen; daarin staan de rode appeltjes met één kaarsje erin. In het midden van de tuin staat een grote, kaars. De kinderen steken nu één voor één hun eigen kaarsje bij deze grote kaars aan: hun eerste kaarsje van advent, dat nemen zij mee naar huis. In de klas hangt ook de krans van dennengroen met vier kaarsen, voor iedere adventweek een licht: als de vier kaarsen branden, dan is het Kerstfeest gekomen.

(nadere gegevens niet bekend)

.

Sint-Maarten: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Sint-Maarten

meer liedjes

meer pompoenen e.d.

.

316-296

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (13)

.

SINT-MAARTEN, EEN VOLKSGEBRUIK?

De bevolking van Noord-Europa d.w.z. Duitsland, Engeland, Nederland, België, Frankrijk, Scandinavië zijn afstammelingen van hoofdzakelijk Germaanse stammen. Lange tijd heeft men aangenomen dat in deze streken voor de komst van de Romei­nen hier slechts wilde barbaren woonden, die wars waren van godsdienstvormen, riten, of inwijdingsmysteriën. Langzamerhand be­gint men nu godsdienstvormen te ontdekken die vergeleken kunnen worden met de my­steriën van andere oudere volkeren en hun daarmee verbandhoudende inwijdingsri­ten. De inwijdingsmysteriën hielden met een bepaalde godheid verband, bij de Ger­manen was dat Wodan (of Odin). Voor mensen in deze tijd is het moeilijk zich in te denken in de religieuze gedachtegang van onze voorvaderen, alleen al omdat hun
op­vatting van de wereld een andere was dan de tegenwoordige. Men beleefde de wereld als een grote platte schijf met daaronder de onderwereld, die vrijelijk door levende mensen betreden kon worden.
In de oude mythen uit die tijd wordt Wodan beschre­ven als een grote oude man met een grijze baard. Hij heeft één oog, draagt soms een hoed met een brede rand, gaat barrevoets en draagt een ruwe blauwe mantel. Uit deze mythen blijkt dat Wodan als een ge­woon mens zichtbaar is voor stervelingen. Eén van de bijnamen van Wodan is Man­telman. Uit sproken en legenden weten wij wat voor een belangrijke plaats de mantel inneemt. In de legende van St.-Maarten wordt de aandacht even sterk op de man­tel gericht als in de heidense tijd op die van Wodan. Mogelijkerwijs zijn daardoor vele gebruiken die met Wodan samenhin­gen later samen gevoegd met het verhaal van St.-Maarten.

Iedereen kent natuurlijk de legende van St.-Maarten, van de ridder die op een win­teravond door de stegen van Amiëns rijdt. Hij ontmoet een bedelaar die nauwelijks tegen de kou gekleed is. Met zijn zwaard deelt Maarten zijn mantel in tweeën en geeft de ene helft aan de bedelaar.

’s Nachts heeft hij dan een droom waarin God zijn engelen vertelt dat Maarten Hem gekleed heeft. De gebruiken die later op 11 november in samenhang met St.-Maar­ten gebracht werden, zijn in zoverre merk­waardig dat zij niet direct verband houden met de legende.

Wodan reed vaak op een schimmel en was aanvoerder van het Dodenheer (leger). Het Dodenheer bestond o.a. uit gesneuvelden die zich in hun leven al, uit vrije wil aan Wodan gewijd hadden. Maar ook levende mensen konden een bezoek aan de onder­wereld brengen. Het Dodenheer ging ver­gezeld van geraas en gejoel. Een oude man, de getrouwe Eckhard, ging vooruit om de mensen te waarschuwen, om opzij te gaan en het wilde Heer vrij doorgang te ver­lenen. Het wilde Heer werd volgens me­dedelingen het meest gezien in de tijd van­af ± 11 nov. t/m 6 jan., data die ook samenhangen met twee van de drie grote feesten, die aan Wodan opgedragen waren. Het eerste feest was in het begin van de winter (nu St.-Maarten), het tweede het midwinterfeest (het Julfeest met de 12 hei­lige nachten van 25 dec. tot 6 jan.) en het derde feest in de zomer (nu St. -Jan). Deze feesten waren gelijk ook inwijdingsfeesten, die veelal gepaard gingen met muziek, ge­raas en gezang waardoor men in een gees­tesvervoering kwam en toegang had tot de dodenwereld.

Na de kerstening hielden de Germanen nog vast aan vele oude heidense gebrui­ken. De kerk trachtte hiervoor christelijke denkbeelden in de plaats te stellen en de oude gebruiken om te vormen tot christe­lijke of te verbieden. Hierdoor spelen vele Germaanse gebruiken nu nog door de christelijke heen. Veelal zijn ze in de tijd verschoven naar andere data maar zelfs in deze tijd vindt men de sporen nog terug.

Zo was het in het oude Beierse heuvel­land Stiermarken op één dag (nl. 11 nov.) in het jaar het gebruik de wolf te verdrij­ven. Waarschijnlijk hangt dit samen met het oude gebruik de weerwolven te ver­drijven, die vroeger in de Jultijd optraden en door invloed van de kerk naar St.-Maar­ten is verplaatst. In vele verschillende stre­ken van Noord-Europa waren er verschil­lende gebruiken op St.-Maarten. Zoals in Heiligenstadt, waar op St.-Maarten drie maal de kerkklokken ’s avonds werden ge­luid, waarna men met knallende zwepen door de straten liep.

Op het eiland Rüno (Zweden) trokken jonge mannen de meest angstaanjagende kleren aan, waarmee ze door de straten en langs de boerderijen liepen, voorafgegaan door een oude man, die met zijn vioolspel de mensen waarschuwde. In Goten, Wörgel en het beneden-Inndal in Tirol werd met St.-Maarten met koeien- en geiten­bellen geraas gemaakt. De mensen liepen met zwarte gezichten, horens op het hoofd en met bellen behangen de stad rond en men probeerde iedereen die men te pakken kon krijgen zwart te maken. Mogelijk hangt het zwart samen met de onderwereld en het geraas met bellen met Wodan’s heer. In ons eigen land is het gebruik om St.-Maarten te vieren niet overal bekend.
In Ootmarsum werd op St.-Maarten met knot­sen op de luiken geslagen. Op Terschel­ling kleedde men zich in het wit met een krans van late herfstbloemen in het haar, soms droeg men een masker en werden er liederen gezongen terwijl men rondtrok.
In Oost-Friesland gingen de meisjes met de lantaren en de jongens met de rommel­pot rond. In de Zaanstreek en in de omge­ving van Hilversum gingen de meisjes en jongens rond en zongen liedjes en vroegen kleine gaven.

De achtergronden van de gebruiken zijn vaak verloren gegaan. Vaak zakten zij af tot kindergebruiken die alleen in stand ge­houden werden door de vaak aan de ge­bruiken verbonden bedelpartijen.
Op 11 november lopen in grote delen van ons land de kinderen met lantarens, rommel­potten en liedjes langs de deuren, wat sa­men met het verhaal van de heilige bis­schop St.-Maarten een merkwaardig volks­gebruik is geworden.

(Marijke Roetemeijer, Jonas 07-11-1970)

.

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten              voorbeelden van lichtjes 

.

315-295

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (12)

.

HET SINT-MAARTENSFEEST

Het Sint-Maartensfeest vind ik altijd een ‘toegiftje’ in de jaarfeestenrij. En niet alleen om zijn plaats, zo vlak voor de eerste adventszondag die het begin van het kerkelijk jaar inluidt: het Sint-Maartensfeest heeft iets eenvoudigs – de traditie ervan is waardevast en vraagt van mij niet veel meer dan er bij stilstaan en ervan te genieten (als je tenminste geen stukje voor Jonas hoeft te schrijven).

Aan een lampion kan je net zo veel of weinig tijd besteden als je zelf wilt.

Een jampotje met stukjes zijdevloei­papier beplakken, dat kunnen de
aller­kleinsten al.
De wat groteren vinden het prachtig met hamer en spijker in een blikje, pa­tronen van gaatjes te slaan. De avond te voren het blikje met water gevuld in het vriesvak zetten, zodat het door het ijs bij het beslaan niet indeukt.
Vanaf de derde klas kunnen de kin­deren zelf het zware werk doen van knollen en wortels uithollen. Erg han­dig hierbij is zo’n  scherp lepeltje voor het maken van pommes parisiennes, en een aardappelmesje om de figuren in de schil uit te snijden.
En ten slotte: middelbare scholieren vinden het leuk hun meetkundekennis in praktijk te brengen bij het ma­ken van de prachtigste lampionnen van gekleurd fotokarton en doorzich­tig boterhampapier. Een precies werk­je, waarbij de passer, lineaal en kartonsnijmesje goed van pas komen.

En dan gaat in al die lantarens het waxinelichtje aan en maakt ze allemaal even mooi.

Een ander leuk idee dat ik van iemand hoorde, was dat elk kind iets lekkers klaarmaakte, al dan niet met moeders hulp. Aan het avondeten had ieder zijn eigen schaal voor zich – toegedekt, want niemand mocht weten wat je ge­maakt had! In het midden stonden de lampionnen, de Sint-Maartenslegende was nog eens overgelezen om bij het eten verteld te kunnen worden. En om de beurt mocht dan ieder het zijne (uit)delen. Een goed en zinvol idee, en ook best uitvoerbaar, leek me.

Een eenvoudig schimmenspel is mis­schien ook te realiseren. Ik heb dat nog nooit gedaan en ervaring ermee ontbreekt me dus. In de poppenkast – open boekenkast of doorgeefluik – moet daartoe uit doorschijnend papier (hier ontbreekt een stukje – de link hierboven verwijst) opgehangen worden. Erachter een sterke lamp. Terwijl je de zelf geteken­de figuurtjes van St.-Maarten op zijn paard met zijn zwaard en de bedelaar vlak tegen het papier laat bewegen (zonder zelf voor de lamp te zitten), vertel je het verhaal. In al zijn kortheid zal het toch grote indruk maken op deze manier en be­halve het kopen van het papier behoeft het geen uitgebreide voorbereiding: terwijl je de zaak klaarzet, tekenen de kinderen de figuren.

Dit zijn wat mogelijkheden om het St.-Maartensfeest praktisch gestalte te ge­ven en het zo daadwerkelijk te vieren. De liederen mogen daarbij niet verge­ten worden-

‘Sint-Maarten bisschop Roem van alle landen Dat wij hier met lichtjes lopen Is voor ons geen schande...

(Lili Chavannes, Jonas nr.5, 02-11-1979)
.

Sint-Maarten: alle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Sint- Maarten              voorbeelden van lichtjes 

.

314-294

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – algemeen (2)

.

DE WERELDVERHALEN IN DE VRIJESCHOOL ALS SPIEGELING VAN HET LEVEN TUSSEN DOOD EN NIEUWE GEBOORTE

De vertelstof en het leven tussen dood en nieuwe geboorte

De werking van het vertellen in de onderbouw

Als klein kind verschijnt de mens op aarde. In de eerste zeven jaar van het nieuwe aardeleven staan groei en ontwikkeling, op basis van de lichamelijkheid, in de kinderbiografie centraal. De goedheid van ouders, peuter- en kleuterjuf werken mee om de baby, peuter en kleuter een gezonde ­lichamelijkheid te geven, die basis en uitgangspunt vormt voor het verdere leven.

Dan is het zover dat het kind schoolrijp wordt, het wisselt de tanden en gaat naar de eerste klas. Het kind wil en kan nu gaan leren. Het is leren mogelijk op basis van levenskrachten die in de eerste zeven jaar van het leven nog vormend aan de lichamelijkheid werkten en nu gedeeltelijk, en wel in eerste instantie in het gebied van het hoofd, vrij komen en als wil en vermogen tot leren in de kinderziel werkzaam worden. Dit proces noemen we op algemene wijze ook wel de geboorte van het levenslichaam.

In de loop van de onderbouwtijd, de tweede zevenjaarsperiode tussen zeven en veertien jaar, zet dit vrij worden van de levenskrachten zich voort, die zich ten dienste stellen van het lerende, wereldontdekkende zieleleven van het kind.

Hoe werken we nu als leerkracht zo dat we de vrije levenskrachten zo opti­maal mogelijk maar ook zo gezond mogelijk aanspreken?

De sleutel is hier het beeldend werken met de kinderen. In onze verhalen, in de perioden die we geven, scheppen we steeds weer beelden die de kinderen kunnen op­nemen, maar waaraan ze ook nog iets te ‘kluiven’ hebben. Dit laatste gebeurt in de mate waarin het ons als leraar lukt om de vertelde verhalen of periode-inhoud zo levend mogelijk in de ziel te dragen. Dit vergt veel werk, oefening en voorbereiding.

Wat doen we als we een verhaal voorbereiden, bijvoorbeeld een sprookje in de eerste klas? We lezen het sprookje enkele malen en dan proberen we het opnieuw tot leven te wekken door het los te maken van ‘de dode letter’; het sprookje wordt dan tot een levende beeldenwereld in de ziel van de leraar. Als je dan het sprookje opnieuw aan de kinderen vertelt, vertel je vanuit een levende beeldenwereld (en niet vanuit een uit het hoofd geleerde letterwereld).

Dit proces, deze wijze van vertellen werkt gezondmakend, harmoniserend op het kind en spreekt de vrijgekomen levenskrachten aan, die ter beschikking van het zieleleven zijn gekomen.

Een algemene pedagogische wetmatigheid ligt aan dit gebeuren ten grondslag. In de heilpedagogische cursus spreekt Rudolf Steiner in alle duidelijkheid uit dat het ‘hogere’ wezensdeel van de opvoeder inwerkt op het ‘lagere’ wezensdeel van het kind. Zo werkt het Ik van de opvoeder op het astraal­lichaam( de ziel) van het kind en het astraallichaam van de opvoeder op het levenslichaam van het kind en de levenskrachten van de opvoeder op het fysieke lichaam van het kind.

In de onderbouw is, zoals we zagen, de werking van de leerkracht op de vrij wordende levenskrachten een uitgangspunt voor het pedagogische handelen. Als leraren werken we dus sterk vanuit ons astraallichaam( de ziel) in op de lerende kinderen. Het astraallichaam, de drager de gevoelens, schenkt de mens bewustzijn. De naam ‘astraal’ duidt op ‘astér’, op de sterren, en wel om het nog duidelijker te stellen: op de bewegende sterren, die wij als de planeten kennen.

We kunnen vanuit de antroposofische geesteswetenschap tot het inzicht komen dat de planeten en ook Zon en Maan, aan de hemel enkel de aanduidingsplaatsen zijn voor een zich rondom de aarde uitbreidende zielewereld die alleen voor het helderziende bewustzijn of in het leven na de dood en voor de geboorte bewust te aanschouwen is.

De beroemde Italiaanse dichter Dante kende deze sferen uit eigen ervaring en beschreef de reis van de mensenziel door deze sferen in het leven na de dood, in zijn Goddelijke Komedie.

In het leven na de dood maakt de mens zich vrij van de fysieke lichamelijkheid en treedt een bovenzinnelijke wereld binnen die door vele mensen is beschreven die een bijna doodervaring hebben meegemaakt..

Evenals de ziel van de mens, is deze ervaringswereld na de dood in zeven fasen te onderscheiden, met  zeven verschillende werkingsgebieden aangeduidt met Maan, Mercurius, Venus, Zon, Mars, Jupiter en Saturnus.

In zijn tocht door de geestelijke wereld krijgt de mens te maken met zeven werkingsgebieden. We spreken over de zeven planetenkwaliteiten, die ook werkzaam zijn in het astraallichaam. De aanleg van het nieuwe astraallichaam vindt plaats op de tocht die het geest-zielewezen van de mens maakt tussen het moment van sterven en de nieuwe geboorte.

Het geest-zielewezen maakt dan een tocht door de planetensferen beginnend bij de Maansfeer. Het breidt zich steeds verder uit en verwerkt het afge­lopen aardeleven tot het de Saturnussfeer bereikt en de daaraan grenzende sfeer der vaste sterren.

Hier vindt de mensengeest zijn eigen oorsprongswereld – de wereld van het Ik, gedragen en behoedt door machtige geestelijke wezens. Deze wezens kennen we uit de schilderkunst en verhalen als de Cherubijnen en Serafijnen.

Dit moment wordt door Rudolf Steiner het middernachtelijk uur genoemd, daarna begint het geest-zielewezen  aan de afdaling en aan de voorbereiding op het komende aardeleven. Tijdens deze afdalende weg wordt het astraallichaam en ook het levenslichaam, gaande door de planetensferen, opnieuw opgebouwd als uitgangspunt voor een vruchtbare werkzaamheid in de nieuwe incarnatie. Ook de geestkiem voor het nieuwe fysieke lichaam wordt op deze wijze aangelegd.

In iedere planetensfeer worden weer andere aspecten van het astraal- en levenslichaam opnieuw aangelegd met behulp van vele geestelijke wezens.

Bij deze aanleg speelt de verwerking van het vorige leven een grote rol,  maar ten dele kan, op basis van voorbije daden in vorige levens, een harmonisch uitgangspunt voor het nieuwe leven, gerealiseerd worden. Dit feit kunnen we aan onze kinderen in de klas en natuurlijk ook aan ons zelf waarnemen. We worden immers niet als volmaakte mensen geboren en ook later zijn we verre van volmaakt, maar we kunnen ons wel ontwikkelen.

Gelukkig hebben we in de kindertijd de mogelijkheid om door een levende opvoedkunst helend op de wezensdelen van het kind in te werken.

De helende en opvoe­dende werking in de periode van 7 tot 14 jaar, kan bijvoorbeeld van de vertelstof uitgaan.

In de volgorde van de verhalen die achtereenvolgens op de vrijeschool aan bod komen kunnen de kinderen nogmaals de krachten doorleven en verder ontwikkelen die zij in het voorgeboortelijk bestaan hebben ontmoet.

De vertelstof en de planetensferen

 I De Maansfeer en de sprookjes in de eerste klas.

Als de mens sterft neemt hij ongeveer drie dagen lang in beelden zijn eigen leven waar. In beelden staat zijn leven rondom hem. Deze beelden, van vroegste kindertijd tot sterven, lagen verborgen in de ‘herinnering’ in het etherlichaam. Doordat het fysieke lichaam, dat deze beelden normalerwijze in zich sluit, is weggevallen, wordt de hele levensherinnering tot een tableau. In de loop van de drie dagen worden deze beelden groter en groter, tot ze uiteindelijk oplossen. Op dit moment is ook het ether­lichaam van de gestorvene opgelost in de wereldether.

Het beeldentableau heeft een grote verwantschap met de sprookjes zoals we die in de eerste klas vertellen. Beeld na beeld in grote levendigheid is aaneengeregen. Een hele levensontwikkeling is zichtbaar.

Ook op het laatste moment voor de geboorte heeft het geest-zielewezen een levenspanorama. De ziel ziet in vogelvlucht het hele leven vooruit. Het is het moment waarop het werkelijke samentrekken van het nieuw gevormde levens­lichaam inzet.

In de sprookjes herhalen we nogmaals deze belevenissen. De verbinding met de Maansfeer is juist in de sprookjes te zoeken. In de sfeer van de Maan wordt het  eigen levenssprookje als in een notendop geschonken. Er was eens…

II De Mercuriussfeer en de fabels en legenden in de tweede klas.

Nadat de mens, na de dood zijn leven in beelden heeft waargenomen, legt de mens zijn ‘levenskleed’ af, om dan een volgende stap te maken in zijn hemelreis tussen dood en nieuwe geboorte.

In de Mercurius- en Venussfeer, die de ziel betreedt als deel van de astrale wereld, ligt de nadruk op de verwerking van het voorafgaande leven.

Dit verwerken van het voorbije leven gebeurt in omge­keerde volgorde en heeft in de Mercuriussfeer, die tevens dat deel van het zieleland is waar de aartsengelen op intensieve wijze behulpzaam zijn, de nadruk op de verwerking van de morele of a-morele zielehouding uit het voorafgaande aardeleven. In de mate waarin we morele mensen waren, voelen we ons in de Mercuriussfeer verbonden met de werkzaamheid van de aartsengelen.

In de heiligenlegenden en fabels die we de kinderen in de tweede klas vertellen wordt de moraliteit en ook de a-moraliteit beleefbaar. De fabels tonen de dierlijke neigingen en driften die doorspelen tot in het kinderlijke ziele­leven. Het etherlichaam is bij uitstek het driftenlichaam wanneer het nog niet als gewoontedragend lichaam door de ziel gecultiveerd, getemd of in harmonie gebracht is. Aan de andere kant zijn het juist de heiligen die het zieleleven zo zonnekrachtig werkzaam maken dat zij in de dierenwereld van driften en neigingen rust en samenwerking tot stand brengen.

Het zijn juist de aartsengelen met wie de heiligen zich vaak als volks­heiligen verbonden weten. Mogen we niet vermoeden dat een mens als Francesco van Assisi met een sterke moraliteit, ook een sterke en tevens vrije verbinding had met de werkzaam­heid van de aartsengelen in de Mercuriussfeer?

Zulk een verbinding heeft als gevolg dat, bij de afdalende weg die het mensenwezen opnieuw naar de aarde toe maakt, de Mercuriussfeer – waar de keuze voor het volk waarin de menselijke individualiteit werkzaam wil worden – krachtig benut wordt.

In het geval van Francesco is het dui­delijk dat hij Italië weloverwogen kiest. Hij brengt in het land van het zich verhardende Romeinse christendom een nieuwe impuls van christelijke liefde en medelijden.

III De Venussfeer en het Oude Testament in de derde klas.

Na al deze ervaringen betreedt de mens in het leven na de dood de Venussfeer. Hier is de verwerking niet enkel meer gericht op de moraliteit, maar op de samenhang die men had met een bepaalde religie. Of het nu een christelijke, islamitische of hindoeïstische geloofsbekentenis is, doet in eerste instan­tie niet ter zake. De verbinding met een bepaalde religie brengt in het leven na de dood de verbinding met de tijdgeesten, die in het Grieks archai (let. Oerbeginnen) worden genoemd, tot stand die vanuit deze sfeer de mens in zijn verwerking van het voorbije leven en voorbereiding voor het nieuwe leven steunen..

Aan de hand van het Joodse volk, geleid door de aartsvaderen en profeten, kan het kind opnieuw doorleven hoe de omgang met religie vormend op de mens werkt. Hoe sterk wist Mozes zich niet met Jahwe, zijn God, verbonden toen hij zijn volk de Tien Geboden bracht. Mozes trad in de voetsporen van Jacob, die worstelend met de engel bewerkstelligde dat Michaël de volksgeest van het Joodse volk werd. In onze tijd is Michaël als tijdgeest ten volle in de sfeer van de archai opgegaan. De verbinding van het Joodse volk met de Venussfeer, en daarmee met de werkzaamheid van de Archai of Geesten van de Persoonlijkheid, zal dan ook uitermate sterk zijn.

Bij de afdaling naar de aarde, als het geest-zielewezen van de mens ten tweeden male de Venussfeer doorschrijdt, richt het zich juist op de stroom der generaties en maakt het de keuze voor het ouderpaar bij wie het gebo­ren zal worden.

Weer is het het Joodse volk bij wie we deze houding en de eerbied voor de generatiestroom ten volle kunnen herkennen. De generaties vanaf de aartsvader Abraham worden steeds in ere gehouden. Ook hier volgt het leerplan voor de vertelstof in de vrijeschool de gang door de planetensfeer in het leven tussen dood en nieuwe geboorte.

Doordat de kinderen deze gang in de verhalen nogmaals mogen beleven door de levende beelden die hun toestromen vanuit de ziel van de leraar, werkt het nogmaals gezondmakend op de levenskracht van het kind.

Ook daar waar het kind hindernissen in de ontwikkeling heeft, kan door het enthousiasme waarmee de verhalen verteld en beleefd worden een helende werking ontstaan die wonderen doet. We spreken als opvoeders dan krachten aan die in het voorgeboortelijke bestaan van de mens hun bron hebben. Dit is een geheel nieuwe bron voor pedagogie, want sinds Aristoteles spreken we in de Westerse cultuur niet meer over het voorgeboortelijk bestaan van de mens.

Het vergt dan ook de nodige moed om dit ‘vergeten continent’ bewust in het pedagogisch-didactische handelen te betrekken.

 IV De zonnesfeer en de Edda en tevens de Griekse mythologie in de vierde en vijfde klas.

Nu is het grote moment aangebroken waarop het de mens tijdens het leven tussen dood en nieuwe geboorte, de Zonnesfeer betreedt. Op dit moment zijn niet alleen fysiek lichaam en etherlichaam afgelegd. In de Zonnesfeer bouwt en werkt de mens samen met lotgenoten aan zijn toekomstige levensgestalte. Dit werk zal ook in de Mars-, Jupiter- en Saturnussfeer worden voortgezet, en vindt zijn afsluiting met de vorming van het basispatroon van het levenslichaam voor de komende incarnatie.

In de Zonnesfeer is het van belang hoe men zich in het voorafgaande leven met het mensheidsstreven als geheel verbonden heeft gevoeld. Dit over­stijgt alle specifieke religieuze interesses en geeft het geest-zielewezen de kracht om in de Zonnesfeer de Christuswerkzaamheid te vinden, waardoor hij bij de afdaling door de Zonnesfeer een op harmonische wijze doorchriste­lijkt grondpatroon van het etherlichaam kan opbouwen.

Daarnaast aanschouwt het geest-zielewezen een door Lucifer bezette troon. Lucifer spreekt met verleidende stem: ‘Je kunt worden als God.’ Terwijl het beeld van Christus de volgende woorden spreekt: ‘Gij zijt Goden, allen.’ Lucifer spreekt hier als Loki in de verzameling der Asen zoals we die uit de Edda kennen. Steeds weer verleidend en onruststokend, maar zelfs voor Odin is het niet mogelijk om hem buiten de muren van Asgaard te sluiten.

Meer dan wie ook maakt Loki indruk op de vierdeklassers. Hij is immers de veroorzaker van de dood van Baldur. Baldur, de lichte, vrede brengende Zonnegod, sterft binnen de muren van Asgaard. Loki werkt met list en sluwheid en spreekt: ‘Je kunt worden als God, als Odin.’ In de vertelstof van de vierde en vijfde klas beleven de kinderen in de vertelde beelden nogmaals de dramatiek in de Zonnesfeer zoals ze die tussen dood en nieuwe geboorte hebben doorgemaakt.

Terwijl de vierde-klaswereld aan de listen en het geweld van Loki en zijn kinderen ten ondergaat, brengt de vertelstof van de vijfde klas genezing­.

In de Griekse mythologie treedt zowel de reine zonnewereld alsook de Luciferisch beïnvloede zonnewereld op aarde in verschijning, en wel in de werkzaamheid der helden.

Twee soorten helden ontmoeten de kinderen. Jason en Herakles zijn hier bruikbare voorbeelden. Jason valt na de goed volbrachte tocht – waarbij hij het gulden vlies uit Colchis haalt – ten prooi aan eigenmachtig handelen en vermoordt de broer van Medea, zijn geliefde. Hiermee roept hij over Medea en zichzelf het noodlot af. Het lijkt alsof de verleidende stem van Lucifer in de Zonnesfeer hier werkzaam wordt: ‘Jullie kunnen worden als Goden.’ Herakles daarentegen volbrengt edel en rechtvaardig de twaalf werken. Hiermee volbrengt bij een mensheidstaak. Hier leeft de zonnewerking als Christuskracht. Het kan ook de vijfdeklassers bewust maken van de in het voorgeboortelijke gehoorde stem: ‘Jullie zijn Goden, allen.’

In de vierde klas ligt de nadruk op het verval en de tragiek van de zonne­wereld, in de vijfde klas wordt met de Griekse mythologie genezing gebracht doordat het Luciferische noodlot en het doorchristelijkte lot aan de levenslopen der helden ervaren worden.

Het als een eenheid behandelen van de vertelstof van de vierde en vijfde klas vindt ook zijn rechtvaardiging in het feit dat Griekse en Noors-Germaanse goden een directe verwantschap met elkaar hebben. Het zijn de geestelijke wezens voor wie het nog mogelijk was om zich in de Atlantische tijd als mensen te incarneren en op aarde werkzaam te zijn.

V De marssfeer en de Romeinse sagen in de zesde klas.

In de zesde klas vertellen we hoofdzakelijk over de Romeinen. Kracht en rechtvaardigheid tellen hier. Deze vermogens uiten zich tot in de scheppende vermogens in de materiële wereld. De stad wordt gebouwd, wetten uitgevaardigd, strijd gevoerd, maar niet zonder dat er eerst in de senaat krachtig over wordt gesproken. Ook hier is de samenhang met de weg die het geest-ziele­wezen van de mens na de dood door de planetensferen doormaakt treffend.

In de Marssfeer doorschrijdt de ziel de sfeer van het wereldwoord en tevens is het een van de gebieden van de werkelijke geesteswereld (in de Venus- en Mercuriussfeer bevond het mens zich nog in de zielewereld, de astrale wereld). In dit gebied van de geestelijke wereld vinden de materiële verschijnselen op aarde hun oerbeelden. Hoe sterk zijn niet de Romeinen verwant met deze planetensfeer. Als het geest-zielewezen van de mens opnieuw afdaalt naar de aarde, neemt het in de Marssfeer woordkracht op. Het waren de Romeinen die bij uitstek de retorica beoefenden. Zoeken naar verwerking tot in het materiële en de woordkracht zijn zowel de zesdeklasser als de Romeinen eigen.

VI De Jupitersfeer en de volksvertellingen alsook de ontdekkingsreizen

In de zevende klas staan de vertellingen van de verschillende volkeren centraal. Een veelheid van mogelijkheden duikt hier op. Van de Kalevala tot aan Tijl Uilenspiegel. Maar het gaat er juist om meerdere volkeren, dus ook meerdere volksverhalen te leren kennen. Op deze wijze worden de kinderen losgemaakt van de verbinding met een bepaald volk. Ditzelfde gebeurt in de Jupitersfeer tijdens het leven tussen dood en nieuwe geboorte. Zoals in de Venussfeer de verbinding met een bepaalde volksreligie van belang was, zo is het hier van belang om de specifieke volksverbindingen te verliezen. Dan ontmoet de mens in deze sfeer de wereldgedachten, die bij de afdaling naar de nieuwe incarnatie, als het geestwezen ten tweeden male de Jupitersfeer doorschrijdt, tot eigen mensengedachten worden.

Wereldgedachten die tot mensengedachten zijn geworden liggen ook ten grond­slag aan de daden van Hendrik de Zeevaarder, Columbus, Leonardo da Vinci, Luther, en anderen. Wereldgedachten lagen ten grondslag aan de ontdekkingsreizen.

Hoge geestelijke wezens, de Cheru­bijnen, werken hier samen met de Jupiterwezens, die ook in de nacht de mens ­bijstaan om raadselvragen op te lossen.

De zevendeklasser wil, net als de ontdekkingsreiziger, zich losmaken uit de volksbindingen. De vertellingen over de volkeren helpen hierbij, om dan vanuit de wereldgedachten de mensengedachten te vinden die de raadsels waarvoor de zevendeklasser zich gesteld ziet kunnen oplossen en werkzaam maken.

VII De Saturnussfeer en de verhalen der cultuurvolkeren en tevens de uitvindingen in de achtste klas.

In de achtste klas zijn het dan niet meer de verhalen der Europese volkeren die verteld worden, maar de wereldverhalen die beleefd worden. De verhalen uit de verschillende werelddelen der aarde, bevolkt met de verschillende rassen maken de achtsteklasser tot wereldburger. Het lot en streven en ook de wording van de gehele mensheid wordt zijn aangelegenheid. Nadat het geestelijke wezen van de mens de Jupitersfeer verlaten heeft, betreedt het uiteindelijk de Saturnussfeer. Hier, in het gebied waar de Serafijnen hun werking ontplooien, is ook het gebied van de wereldherinnering. In onze tijd zijn zowel Jupiter- als Saturnussfeer moeilijk te betreden. Toch zijn de im­pulsen die uit deze hoogste sferen in het leven tussen dood en nieuwe geboorte komen, noodzakelijk voor de voortgang der mensheidscultuur.

In de Saturnussfeer maakt het geestwezen zich los van iedere rassenbinding en heeft als lid van de gehele mensheid de mogelijkheid om uit het gebied van de vaste sterren, het gebied waaraan de Saturnussfeer raakt, nieuwe impulsen tot voortgang van cultuur en mensheid op te nemen.

In de achtste klas gaat het om uitvindingen, nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen, technische ontwikkelingen, die ook in de Saturnussfeer hun oorsprong hebben. In de werking van de Saturnussfeer vinden we ook het thema van de technische uitvindingen terug. Op dit moment zijn we aan­gekomen in het middernachtelijk uur tussen dood en nieuwe geboorte. Hier vindt het geestwezen zijn oereigen impulsen. In dit gebied van de wereld­herinnering voelt hij zich staan, is hij zich bewust van zijn gang door vele levens. Daaruit wordt de wil geboren tot nieuwe daden in het nieuwe leven op aarde. Deze wil kan ook geboren worden bij de achtsteklasser. Er vindt een ontwaken aan de oereigen impulsen plaats. Dan is het moment gekomen waarop de leerling ook afscheid kan nemen van de middenbouw en de jongeling in de boven­bouw vaardigheden gaat ontwikkelen waardoor hij zijn oereigen impulsen, in dienst van de mensheid kan stellen.

Uit dit artikel mag duidelijk worden met welk een wijsheid het leerplan voor de vrijeschool door Rudolf Steiner is opgebouwd. Nogmaals doorlopen we in de vertelstof van klas één tot en met klas acht het voorgeboortelijke leven. Al vertellend wordt vanuit het door het Ik doorwerkte zieleleven van de leraar een genezende, harmoniserende en uiteindelijk wekkende kracht werk­zaam op het vrij wordende levenslichaam van het kind.

De wereldverhalen in klas 1 t/m 8 in de Vrijeschool zijn vanuit een bewust inzicht in het voorgeboortelijk bestaan van het kind vorm gegeven, als handreiking voor een gezondmakende pedagogie die verder wil reiken dan de grenzen van geboorte en dood.

lutters

Frans J. Lutters, nadere gegevens onbekend.

Vertelstofalle artikelen

Artikelen over de verschillende klassen: via ‘wat staat op deze blog’ onder klassen

.

313-293

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – algemeen (1-1)

.

NIKS GEEN MAATSCHAPPELIJKE PROBLEMEN

Op de vrijescholen wor­den nog gewoon sprook­jes en legendes verteld. Waarom eigenlijk?
Ruud Gersons, over het wat en hoe van een ogenschijn­lijk ouderwets gebruik.

Op veel basisscholen worden maatschappe­lijke onderwerpen als discriminatie, werk­loosheid, reclame, alcohol en verdovende middelen behandeld, dikwijls in de vorm van projecten, met de bedoeling de kinderen zo vroeg mogelijk hiermee vertrouwd te ma­ken.
De gedachtegang hierachter is dat ze daardoor later als volwassene ‘weerbaarder’ zullen zijn, beter gewapend de maatschap­pelijke problematiek tegemoet zullen tre­den, wellicht ook niet in dezelfde fouten zul­len vervallen als de volwassenen van nu.
De vraag is of dit inderdaad zo werkt.
Het kind op de basisschool is nog lang geen vol­wassene, het heeft nog niet de vermogens ontwikkeld om denkmatig en emotioneel de volwassenenproblematiek op te nemen en te verwerken en zo kan het tegendeel ontstaan van wat wordt beoogd.
Het kind wordt belast met voor hem onverteerbare kost, de volwas­senenwereld krijgt een bedreigend en be­denkelijk karakter en begint hem te bedruk­ken. Het is een wereld die weinig aantrekke­lijk is, geen motiverende perspectieven biedt en waarvoor je liefst op de vlucht zou gaan. Blijkbaar slagen de volwassenen met al hun kennis en intellect er niet in er iets leefbaars van te maken, wat moet je dan nog? Waar haal je de innerlijke kracht, de moed, het in­zicht en het vertrouwen vandaan om in deze maatschappij te gaan werken en verant­woordelijkheden te dragen?
In het vrijeschoolonderwijs staan nog altijd de zoge­naamde jaarthema’s centraal, die allereerst als ‘vertelstof’ worden gebracht, voor elk jaar passend bij de ontwikkelingsfase van de leer­lingen en die verder geïntegreerd zijn in de lessen en leerstof van elke klas.

Een actieve stilte ont­staat. Vele oortjes wor­den gespitst, de ogen worden groter. Hier en daar gaat de duim in de mond.

Op een bepaald moment van de ochtend in de eerste klas neuriet een leerkracht een voor de klas bekend deuntje: dat is altijd het teken dat het ‘verhaal’ komt. Snel ruimen de kin­deren al hun spulletjes op en komen in de kring zitten. Een actieve stilte ontstaat. Vele oortjes worden gespitst, de ogen worden gro­ter. Hier en daar gaat de duim in de mond. Achterin is er nog steeds eentje bezig zijn potloden in het etui te krijgen. Dat lukt ein­delijk en de leerkracht begint:
‘Er was eens een meisje dat Roodkapje heette. Ze zou voor haar moeder een mandje met koek en wijn naar haar zieke grootmoeder brengen
Wij weten hoe het verder gaat: als Roodkap­je in het bos prachtige bloemen ziet, kan ze de verleiding niet weerstaan er een boeket voor grootmoeder van te plukken en… dan is daar de ‘boze wolf.

Nu kun je vanuit vele ‘lagen’ naar sprookjes kijken en over de betekenis van sprookjesbeelden zijn al heel wat boeken geschreven.
Eén ‘laag’ die je in ogenschouw zou kunnen nemen, is die, waarbij je in het sprookje een fantasierijk beeld kunt waarnemen van iets dat aan de werkelijkheid is ontleend. Bijvoorbeeld de prachtige bloemen als een ‘verlokking’, waaraan Roodkapje zich overgeeft; de wolf als ‘het boze” dat de mens belaagt op momenten van innerlijke zwakte.
Natuur
lijk zijn ook nog vele andere gezichtspunten mogelijk. Toch zou je in het verhaal van Roodkapje hetzelfde kunnen zien als wat in onderwerpen als ‘de verleiding door reclame, alcohol, verdovende middelen’ enzovoorts op een ‘rechtstreekse’ wijze elders wordt onderwezen.

Er zijn nogal wat verschillen tussen de ‘recht­streekse’ benadering en het sprookje. Wat zal het kind in beide gevallen na afloop van het verhaal zeggen? Bij het sprookje hoort men steevast: ‘En vertel het nu nog eens een keer!’
Of dat bij de rechtstreekse benadering ook zo zal zijn? Een tweede verschil is, dat de rechtstreekse benadering altijd een ‘open eind’ heeft, omdat de werkelijke confronta­tie in het leven immers nog niet heeft plaats gehad. Bij het sprookje komt alles altijd op z’n pootjes terecht.
Bij Roodkapje verschijnt immers op het cruciale moment de ‘jager’. Hij snijdt de buik van de wolf open.
De vol­wassene betrapt zich erop dat hij hier een bloederig tafereel voor zich ziet. Is dat nu iets om aan jonge kinderen te vertellen? In de belevingswereld van een zes- of zeven­jarige wordt echter ervaren, dat Roodkapje en de grootmoeder vanuit de wereld van de duisternis, waarin zij gekerkerd waren, weer in de wereld van het licht komen. Aan het bloedige wordt helemaal niet gedacht, of misschien alleen als de verteller het zo letter­lijk neemt.

Na het happy end herademen de kinderen. Natuurlijk zijn ze opgelucht, maar er is meer: een stemming van dankbaarheid is waar te nemen, dat het zo goed is afgelopen. Het vertrouwen in het goede wordt niet beschaamd. Dat geeft positiviteitskrachten in het innerlijk van het kind. Even kan het nog heel stil blijven, alsof het sprookjesbeeld een na-echo heeft in de ziel. Dan begint het ge­roezemoes en wordt de pauzeboterham te voorschijn gehaald.

Twee kinderen hebben ontdekt hoever het water uit de kraan bij de wc’s kan spuiten als je met je vinger er vanonder tegenaan drukt.

Menselijke trekjes

Na de zomervakantie kent juf of meester de kinderen nauwelijks terug. Ze zijn aanmer­kelijk minder volgzaam, heel plagerig, ook naar elkaar, en nogal ongehoorzaam. En ze vechten bij het leven. Twee kinderen (ze zijn nu zeven jaar) hebben juist ontdekt hoe ver het water uit de kraan bij de wc’s kan spuiten als je met je vinger er vanonder tegenaan drukt. Het is er nu een waterballet. Het voor straf opdweilen is grote pret! Zo’n plaaglust is voor kinderen heel herkenbaar in de fa­bels.

Op een keer nodigt de slimme vos de ooie­vaar uit te eten. Hij serveert de heerlijkste lekkernijen op een plat bord. Daarvan kan de ooievaar niet eten. De vos eet alles alleen op en is reuze in zijn schik. Maar is dat gast­vrijheid? Kort daarop is het de beurt van de ooievaar om de vos uit te nodigen. Hij heeft een geurige soep gemaakt, maar hij serveert uit een lange, smalle vaas. Dit keer heeft het vosje het nakijken. (Eén voorbeeld uit vele dierenverhalen.)

In de fabels worden menselijke trekjes aan de kaak gesteld: hebzucht, luiheid.
ijdel­heid, jaloezie, ontrouw. Alles gaat met veel humor gepaard. Naast wat de kinderen over de dieren leren (want dat hoort er natuurlijk ook bij), leren ze nog meer over de mens. Een melancholisch Jantje voelt toch wel medelij­den met het vosje dat nu niets te eten krijgt. ‘Eigen schuld!’, roept een ander van de voor­ste rij. Ja, zo leren ze ook zichzelf kennen. Maar hoe leuk en leerzaam fabels ook kun­nen zijn, ze tonen maar één kant van mense­lijke eigenschappen. Daar moet iets anders tegenover komen te staan.

De stemming verandert in de klas, als de le­genden van grote heiligen aan de orde ko­men. Behandeld wordt bijvoorbeeld het le­ven van Franciscus van Assisi. Uit zijn bio­grafie leren de kinderen hoe iemand niet als heilige wordt geboren, maar hoe het kan ge­beuren, dat hij na een aantal ruige en onstuimige jaren, waarin veel kwaads werd aange­richt, door een ongeluk, een ziekte of andere ingrijpende gebeurtenis, tot inkeer komt en vanaf dat moment bewust richting gaat ge­ven aan de stem uit het diepste innerlijk. Zo kwam Franciscus er toe de armen en melaat­sen te verzorgen en te leven in kuisheid en ar­moede, hoewel hij als zoon van een rijk koopman het ook heel makkelijk had kun­nen hebben. Daarvan keerde hij zich bewust af.

Andere legenden geven soortgelijke beel­den.

‘Kan ik ook zo worden als Elizabeth von Thüringen?’, vroeg een tweede klasser aan haar leerkracht na afloop van deze levensbe­schrijving. Een onbewust verlangen naar het morele in de wereld kan door deze legenden tot rijping komen. ‘Bestaat er ook een heilige Katrien?’. vroeg Katrientje na zo’n verhaal. Zo kwam de leraar erop iets te vertellen uit het leven van de heilige Catharina.

Paradijs verlaten

Vaak lijkt het alsof er bin­nen in het kind iets geknapt is. De fantasie­krachten nemen af, de beleving wordt kaler.

Met het negende levensjaar (eind derde, be­gin vierde klas) komen de kinderen op een leeftijd waarop zich een, soms heftige, crisis in het gevoelsleven voordoet. In de vierde klas hoort dit echt bij hun ontwikkeling. De volwassene die tot aan die leeftijd nog zijn vanzelfsprekende en natuurlijke autoriteit in opvoeding en leerproces is, zal dat daarna veel minder zijn. Hij zal een behoorlijk stuk van zijn voetstuk vallen. Vaak lijkt het alsof er binnen in het kind iets geknapt is. De fanta­siekrachten nemen af, de beleving wordt ka­ler.

Wat vóór het negende à tiende jaar nog ‘pa­radijselijk’ was, wordt nu ‘woestijn’. Met het verlaten van iets paradijselijks en het betre­den van een woestijn is wel aangeduid wat het kind nu ervaart en wat ook voor volwasse­nen zichtbaar is. Vooral kan opvallen hoe het kind zich minder ingebed en beschut voelt door zijn omgeving en er afstandelijker en kritischer tegenover komt te staan. Het omgaan met de dood kan nu tot een pro­bleem worden. Vóór de crisis was dood ge­woon ‘bij de engelen’, na de crisis is dood ‘niet meer op aarde …. maar waar dan?’. Dit alles voltrekt zich in zijn volle omvang in de vierde klas, naar het eind van deze klas toe komen de kinderen daar dan weer overheen.

Om de kinderen voor te bereiden op de tocht door deze innerlijke woestijn van de vierde klas, wordt in de derde aandacht besteed aan verhalen uit het Oude Testament, dat begint met Adam en Eva die het ‘paradijs’moeten verlaten om op aarde te leven. Er zijn vele verhalen te vinden in het Oude Testament, die het beschreven psychische spannings­veld in beeldvorm naar het kind toe spiege­len. Heel duidelijk zijn de volgende beelden, die hier alleen heel kort aangeduid kunnen worden.

Zoals de opvoeder nog vóór de genoemde crisis, zo was eens Mozes de natuurlijke lei­der en geaccepteerde autoriteit voor het Joodse volk. De stem van Javeh klinkt tot Mozes door het natuurgeweld van de bran­dende braambos tot hem, dus nog van bui­ten af. De nieuwe naam die Javeh zichzelf geeft) en dit moet Mozes aan het volk vertel­len — is: ik ben. Voor het eerst hoort het volk van het ik. Is het dan verwonderlijk, dat zij eenmaal in de woestijn, als Mozes op de berg is, hem als autoriteit afzweren? Het volk wordt ontrouw aan Mozes en aan hun God, want het eigen ik ontwaakt voor het eerst. Het is echter nog te zwak en grijpt naar het afgodsbeeld van het Gouden Kalf, terwijl het volk juist als opdracht had ‘zich geen beeld meer te vormen’, met andere woorden gelei­delijk het abstracte denken te gaan voorbe­reiden. Dit is exact wat zich in het klein na de crisis in het gevoelsleven bij het kind straks in de vierde zal gaan afspelen. Het beelddenken is dan aan vervanging toe.
In het verhaal van David en Goliath kan als aanzet hiertoe beleefd worden, hoe het scherpe verstand zijn gedachten weg kan slingeren, zo gericht en gedreven, dat het in staat is Goliath te overwinnen. Goliath, de onbesuisde kracht, de vitaliteit, zijn tijd is voorbij, zoals het kind ook niet eindeloos kan blijven groeien en sterker worden, zoals het in de voorafgaande jaren deed. Ten koste van die levenskrachten (die opstijgen uit de onderpool van de mens), groeien nu denk- en bewustzijnkrachten. Daarom blijft David klein, tegenover de machtig grote Goliath.
Ten slotte het beeld van Elia die in de grot wacht tot hij de stem van Javeh zal horen, maar: ‘(…) de Heer was niet in de storm. De Here was niet in de aardbeving. De Here was niet in het vuur (…).’ Als tenslotte Javehs stem tot Elia spreekt, dan klinkt het niet uit het natuurgeweld van buiten, zoals bij Mo­zes en de brandende braamstruik. Elia hoort echter de stem wanneer een ‘stil suizen van een zachte koelte’ merkbaar wordt in de grot zelf; het is de God die nu vanuit zijn binnenste tot hem spreekt, zoals ook de kinderen van nu af aan, veel meer vanuit hun eigen binnenwereld hun belevingen zullen heb­ben en van daaruit zullen opereren.

Listen en lagen

Wat het slimme verstand allemaal kan bedenken, kan de kinderen einde­loos bezighouden.

Als alle harmonie van de eerste drie schoolja­ren voorgoed voorbij is. kan het behoorlijk ‘spannen’, tussen kind en volwassene. Toch worden ook weer hele nieuwe dingen moge­lijk. Wat het slimme verstand allemaal kan bedenken (niet alleen in positieve, maar evenzo negatieve zin), kan de kinderen ein­deloos bezighouden. De god Loki uit de Noors-Germaanse mythologie is wat dit be­treft de kampioen! Met eindeloze listen en lagen, weet hij zich telkens uit de meest on­mogelijke situaties te redden en is hij de go­den van de lichtwereld te slim af. Het kan dan ook niet uitblijven, dat die gedoemd zijn ten onder te gaan in de grote Godenscheme­ring, door Loki zelf in gang gezet. Hoe het lichtende verduisterd wordt, is trou­wens in deze verhalen, die opgetekend staan in de ‘Edda’ een steeds weerkerend motief: de godin Sif verliest (weer door toedoen van de sluwe Loki) haar glanzend gouden haren; de oppergod Odin verliest een van zijn hel­der stralende ogen. Ten slotte wordt de zon­negod Baldur door toedoen van Loki ge­dood, wat het begin is van de ondergang van deze godenwereld.

In machtige beelden krijgt de vierdeklasser (9-10e jaar) nog eens van een heel andere kant te beleven wat zich in het klein in hemzelf voltrekt.

Wereldschepping en wereld­ondergang

Na de crisis in het gevoelsleven, is in de vijfde klas weer een betrekkelijke harmonie

Nu gaat het niet meer alleen om beelden die het kind in zichzelf kan beleven, hij heeft nu de mogelijkheid om een wijder perspectief te overzien. Als in een machtig tableau wordt de hele cultuurgeschiedenis geschetst. Elke cultuurperiode had zijn eigen specifieke op­gave te volbrengen. Door de verhalen van de­ze oude culturen is dat goed mee te beleven. Aan bod komen in dit jaar fragmenten uit het Mahabaratha en Ramajana der oude In­diërs, de wijze Zarathoestra. die de oude Perzen leerde uit grassen de granen te veredelen en wilde dieren te temmen en de mens leer­de van de zonnegod Ahura Mazdao (de gro­te zonne-aura). Deze zou eens op aarde ko­men om zich met het lot der mensen te ver­binden.

Verder het Gilgamesj Epos der Babyloniërs. mythen der Egyptenaren en als hoofd­schotel de verhalen der Oude Grieken. Na de crisis in het gevoelsleven, zoals eerder be­schreven, is in de vijfde klas (de kinderen zijn nu 10 of 11 jaar) weer een betrekkelijke har­monie teruggekeerd. De schoonheid van de Griekse cultuur en de beeldenrijkdom van de Griekse mythen spiegelen dat. Elke cul­tuur beleeft zijn opkomst, bloei en tenslotte ook ondergang. De verhalen strekken zich uit van de wereldschepping, over goden en heldenverhalen tot aan de wereldonder­gang. Veel mythologieën eindigen met een verwijzing naar een nieuwe, lichtende toe­komst, die uit de as van het oude moet herrij­zen.

Aardse geneugten

Voor een zesdeklasser komt wetgeving niet meer van de ‘goden’

Niet meer de tempel, maar het badhuis, de markt en de Senaat, zijn de gebouwen waar de Romein graag verblijft. De wetgeving komt niet langer van de goden. Die zijn verbleekt, haast niet meer beleefbaar voor de Romein. Om ze niet helemaal te vergeten, bouwt men het Pantheon, als een soort mu­seum voor goden, waar je naar ze kunt kijken als je dat nodig vindt. De Romeinen maak­ten hun eigen wetten voor het leven op aarde, dat zo prettig mogelijk moest worden ge­leefd.

Aan het einde van de Romeinse cultuur is in de zesde klas (11 -12 jaar) iets te vertellen over het leven van Jezus van Nazareth. Van hier­uit wordt de gedachtewereld van de midde­leeuwer en de renaissancemens ook veel be-grijpelijker.

Was het leven van de Romein gericht op de aardse geneugten, heel anders is de stem­ming van het ‘miserere’ in de middeleeu­wen. De beweging schijnt nu weer — in te­genstelling tot bij de Romeinen — naar bin­nen gekeerd. In het wereldbeeld van de mid­deleeuwen staat de aarde nog centraal, en zij is plat. De andere hemellichamen bewegen om haar heen. Doch het duurt niet lang meer of de eerste pioniers van het nieuwe denken verkondigen dat de aarde bol is en met andere hemellichamen om de zon draait: we zijn aangekomen in de zevende klas!

Logisch denken

De kinderen bewegen zich tussen onstuimig optreden naar buiten toe, of trekken zich in overge­voelige stemmingen terug in hun middel­eeuwse burchten.

De overgang naar het nieuwe wereldbeeld, dat zo rond 1500 ontstond, kan de leerlingen in de zevende klas (ze zijn nu 12-13 jaar) een nieuw houvast geven, want veel is onzeker geworden. Zij bewegen zich tussen onstui­mig en brutaal optreden naar buiten toe, of trekken zich in overgevoelige stemmingen terug in hun middeleeuwse burchten of kloosters. Ze worden soms moeilijk
bena­derbaar. Dat kan tot spanningen in de klas leiden.

Om in te zien, dat de aarde bol is en om de zon draait, moet je van je eigen standpunt af­stand nemen en objectief gaan denken. De pioniers van dit denken liepen de kans op de brandstapel terecht te komen. De zevende klasser verovert zich het nieuwe, logische denken in een betrekkelijk korte periode (vergeleken met de periode die de mensheid er voor nodig had althans) en met tamelijk gemak. Wat moet in de mensen die leefden van het begin van de renaissance zijn omgegaan?

Terwijl Galilei, Copernicus en Kepler het nieuwe wereldbeeld verkondigden, werd de aarde onttroond tot een nietig onbeteke­nend stofje in het heelal. Nauwelijks is de mensheid van de eerste schrik bekomen, of door de ontdekkingsreizen van Vasco Da Gama, Columbus en Magelhaes wordt dui­delijk, dat dat nietige stofje, dat aarde heet, vele malen groter is dan men voor mogelijk hield en ook nog een bol blijkt te zijn. Om zich dit nieuwe wereldbeeld eigen te maken, moest de mensheid zich ruimtelijk volkomen heroriënteren. Dat heeft de hele renaissanceperiode geduurd. Grote
kunste­naars als Leonardo, Raphael en Michelangelo, wier biografieën ook weer aan de orde kunnen komen in de zevende klas, gaven de klaroenstoot tot de nieuwe tijd. De vernieu­wing van de schilderkunst wordt gevolgd door een stroom van wetenschappelijke uit­vindingen.

Zo onstuimig als de mens in de renaissance zijn nieuwe wereldbeeld veroverde, zo gretig neemt de zevende klasser de beelden op uit die tijd. De biografieën van grote ontdek­kingsreizigers en uitvinders, het is hem als op het lijf geschreven. Ook de zevende klas­ser moet zich door zijn snel groeiende lede­maten enerzijds en door de onzekerheden van binnen, volkomen heroriënteren. Ik her­inner mij een leerling die in de zevende klas eens vol schrammen op school kwam. Hij was in een bocht van z’n fiets gevallen, om­dat z’n knieën tegen het stuur kwamen. Toen wij stuur en zadel hoger hadden ge­steld, aangepast aan de nieuwe lengte van zijn ledematen, was het euvel verholpen. Zou men niet kunnen zeggen, dat ook de mens in de renaissanceperiode in figuurlij­ke zin z’n ‘zadel’ en ‘stuur’ heeft moeten bij­stellen. De fiets was te krap geworden: niets klopte meer met het oude vertrouwde. Is dit niet wat de zevende klasser in het kort her­haalt?

In eerste instantie mogen deze thema’s be­vreemding oproepen: sprookjes en fabels, mythen en legenden, wat heeft dat voor zin? Staan die inhouden niet ver van de werkelijk­heid af? Maar hoe meer je ernaar kijkt, hoe meer je gaat beseffen dat de dramatiek die in deze vertelstof is vervat, niet onderdoet voor wat zich concreet dagelijks om ons heen vol­trekt. Een dramatiek die zich in de loop van de mensheidsgeschiedenis heeft ontrold tot datgene wat nu aan de orde is. Bij nadere beschouwing valt er in de thema’s van de vertelstof een lijn te ontdekken, een rode draad: het gaat om inhouden die niet alleen op een bepaalde leeftijd invoelbaar zijn, maar die ook ergens toe leiden, naar iets waar je in een volgende fase op terug kunt kijken en je kunt dan constateren: ja, dat punt hebben we gehad, nu kunnen we weer verder.

In een diepere levenslaag wordt bij de kinde­ren iets ingebouwd, dat consistentie geeft, een innerlijke zekerheid, misschien niet eens bewust, wel dragend tot in lengte van dagen.

(Ruud Gersons, Jonas 11, 22-01-1988)

.

Vertelstof: alle artikelen

Artikelen over de verschillende klassen: via ‘wat staat op deze blog’ onder klassen

.

312-292

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (6)

.

SINT-NICOLAAS BESTAAT ZOWAAR ALS U ADEMHAALT

‘Ah, vous dirai-je, Maman,
Ce qui cause mon tourment?
Papa veut que je raisonne
Comme une grande personne,
Moi je dis que les bonbons
Valent mieux que la raison.’

(Ah, zal ik u zeggen, mama
Wat mijn kwelling is?
Papa wil, dat ik redeneer
Als een volwassene,
Maar ik beweer, dat de bonbons
Meer waard zijn dan de rede.’)

Dit oude ‘kinderliedje’ uit de tijd van de verlichting, waarin een kind
rede­neert, dat het aan snoepgoed meer waarde toekent dan aan redenaties, was toen een grapje, nu begint het bit­tere werkelijkheid te worden.
De kleu­ter moet gaan leren, dat hij inzicht moet krijgen in rekenen, lezen en schrijven. Binnenkort zullen daar nog wel beginnende kennis der natuur, grondbegrippen der aardrijkskunde en grondvertelsels over koningshuis en vaderland bijkomen. Natuurlijk, slechts voorbereidend, dit wil zeggen met stomme, kinderachtige prietpraat en oervervelende, door domme geleer­den uitgedachte kijk-grijp-spelletjes.
De vriend van de gehele mensheid, Sint-Nicolaas, is van dit kortzichtige intellect reeds lang het slachtoffer ge­worden. Niet alleen commercieel winstbejag heeft hem dood vermoord, maar ook intellectueel waarheidsfanatisme heeft het heilige kapot verbrij­zeld.

. . . Dertig kleuters hebben ademloos naar een spannend sprookje over de wind geluisterd. Dan vraagt er één: ‘Is dat nou echt waar gebeurd?’ Als juf antwoordt: ‘Ja, dat is echt waar ge­beurd,’ dan gaat er een zucht van op­luchting en blijdschap door de klas. En dat is niet, omdat ze weer op adem komen, maar omdat het sprookje ze weer heeft verbonden met de werke­lijkheid.

Het angstwekkende is, dat de meeste volwassenen niet meer weten wat de werkelijkheid is. En hoe kan zo’n moeder of vader of kleuterleidster dan nog een echt waar verhaal vertellen, nadat hij of zij eerst heeft getracht de kleuter de werkelijkheid in het begrip ‘waar’ bij te brengen? Moeder, vader, juf, weet ü werkelijk wat een springbalsamien is? Bent u met de balsamienknop wel eens opengebloeid voor het zonnelicht? Bent u met het zaadje wel eens uit de vrucht gesprongen? Heeft u met de herfst­wind de zaden der planten wel eens uitgestrooid, de dorre bladeren van de bomen gerukt en daarmee de dolste spelletjes gespeeld? En wou u mij nou wijs maken, dat Sint-Nicolaas niet bestaat? — Hij be­staat zo waar als u ademhaalt.

Men gaf de naam ‘Sint-Nicolaas’ aan een machtig wezen, dat nu wordt
op­geslokt door een enorm monster, dat in de Noord-Germaanse mythologie ‘Poelspleet’ wordt genoemd. De wereldwolf. De wolf is, evenals in de sprookjes, het beeld van het valse, on­harmonische, van het kwaad. Deze al­les verslindende Spleet leeft in de bo­dem waar men niet op staan kan, waar men niet op kan vertrouwen. Het is de ‘Leugenwolf. Hij werkt samen met een ander verschrikkelijk ondier. ‘Nijdhouwer’, de wurgslang, die de he­le wereld in zijn greep heeft: de ‘Heb­zucht’.

Vroeger hadden alle mensen dit beel­dende denken, dat nu de kleuter nog heeft. De ‘grote mensen’ denken nu abstract. Ze hebben het voorstelbare er afgetrokken. Daar zijn ze erg door vooringenomen. Ze zijn er eeuwen lang blij mee geweest. Nu komen er steeds meer ‘volwassenen’, die gaan merken, dat ze door deze eenzijdig­heid van de wereldgrond zijn afgeraakt en in een moeras zijn terecht geko­men. Zij hebben de taak, om de Heili­ge Sint weer in de harten van kinderen én grote mensen te doen herleven. Wie beeldend kan denken, dit wil zeg­gen levend, scheppend kan denken, beleeft, nu de zomer voorbij is en de oogst is binnengehaald, nu de bladeren neerdwarrelen en de kou z’n intree doet, intensiever dan ooit, de wind.
De wind, die ‘luchtverplaatsing’ is voor de puur intellectuelen, is voor hen een wezen, dat onzichtbaar, maar wel goed voelbaar is. Het is een goddelijk wezen, dat de hele aardbol om­hult, dat de wolken draagt en trekken doet of als vruchtbare regendruppels laat neervallen. Het is ook het wezen, dat planten, dieren en mensen laat ademhalen en daardoor in het leven houdt. Aan dit wezen dankt de mens ook de spraak, de taal. En dus ook uiteindelijk het inzicht en de wijsheid, die de mens, dank zij de taal zich ver­overen kan. Via de taal kunnen wij, mensen, elkaar weer tot inzicht, tot ‘leven’ brengen. De taal is een ge­schenk van dezelfde god, die wij allen zo’n achttien keer per minuut, inade­men en, omgevormd, uitademen, die wij aan elkaar, ademend, doorgeven. Het is precies dezelfde god, die aan ons venster rukt en over onze huizen rijdt in de wind.
Dit wezen konden de Noord-Germaanse volkeren nog wer­kelijk beleven in de tijd rondom Christus’ geboorte. Zij noemden dit godde­lijk wezen ‘Odin’ of ‘Wodan’. Dat is ‘Adem’ of ‘Waden’ of ‘Woeden’. Wodan reed voor hen op een schim­mel, die ‘Sluipsnel’ heette. Het ‘Paard is het ‘Verstand’, Het ‘Witte paard’ is het verstand dat zich op het bovenzinnelijke richt. Wodan droeg een grote ‘Hoed’, het breedgerande hoofddeksel van het hersendenken, dat naar boventoe afsluit van de
 algemene geestelij­ke wereld. Hij had een wijde ‘Mantel’ om. Het symbool van de alles omvat­tende, actieve Ik-kracht. De grauwe ‘baard’ van Wodan was een teken voor macht. Een macht die niet meer zo rein en zuiver is als de sneeuwwitte baard van God-van-het-heelal. In zijn hand hield hij de speer ‘Ga-snel’, de trefzekere gedachte. Heeft u wel eens door een echte schoorsteen van een ‘los hoes’ of van een oude berghut gekeken naar de lucht? Misschien kunt u zich dan nog enigszins voorstellen, hoe men in die vroegere tijden de sterren beleefde en de hemelse gaven verwachtte. Wodan, die vele namen had, (Grauwbaard, Breedhoed, Keurvader, Alvader enz.) is ook de bode van het licht, dat ons nadert in de Midwinternacht. Toen de mensheid, ook in het noor­den, deze realiteit minder ‘helder’ ging ‘zien’, toen de goden verduisterd wer­den in de schemering van hebzucht en behagen, bleef het beeld van de Wind­-en Ademgod onuitroeibaar. De chris­telijke kerk gaf aan de mensen een hemelse ingewijde, een heilige priester-bisschop, een bemiddelaar tussen God en wereld ervoor in de plaats. Dat was een wijze daad van grote be­tekenis, die door het volk zowel uiter­lijk als innerlijk dankbaar kon worden aanvaard.

Aan het uiterlijke beeld is niet veel veranderd. Het over velden en huizen rijdende paard, de eerbiedwaardige baard, de wijde mantel zijn gebleven. De snelle speer werd een waardige staf, de hoed werd een mijter die van boven open is, om de geestelijke we­reld binnen te laten.

Sint-Nicolaas is ons de goede hemelga­ven blijven brengen. Nooit kan een mens innerlijk vrij worden, als hij in de ketens der wet van oorzaak en ge­volg geboeid blijft. Maar nu kan hij vol-bewust de goddelijke geschenken van de natuur, van zon en water en wind, van adem en leven gaan waarde­ren. Dat is het voornaamste geschenk van Sint-Nicolaas.
Ons Sint-Nicolaasfeest laat ook een keerzijde zien van deze gave.
Het wil­de heir van Groete-Grauwbaard werd het span zwarte Pieten, die de straffende roede en zak dragen, maar die door de Sint in toom worden
gehou­den. De ‘zak’ en ‘slaag’, dat krijgen we, als we blijven leven zonder het licht van de hemelwereld.

En zo zetten we dan onze schoenen, waarmee we de verbinding met de aardse werkelijkheid onderhouden, bij de haard, en verwachten liefdegaven. En op de avond zelf zitten zelfs de grote mensen rondom deze haard, het ‘hart’ van ons huis. Want de haard is de warmtebron in het Huis-van-de-liefde. De hemelbode, die natuurlijk evenzeer op aarde als in de hemel kan zijn en die nu tijdelijk uit dat verre land is gevaren om ons weer de gaven van hemellicht en -liefde te brengen, klopt bij ons aan . . . Aan het werkelijke kwaad is de kleu­ter nog niet toe. We moeten bij hem met Zwarte Piet erg voorzichtig zijn. Moraliseren is een bezigheid van het starre intellect. Dat doen de heilige Man en zelfs zijn knecht nimmer. Wij, volwassenen echter, die de enorme reclamestunts en de geldzucht doorzien, laten ons en onze kinderen door Poel­spleet en Nijdhouwer de werkelijkheid van Sint-Nicolaas niet ontnemen! En dan is de Heilige weer vertrokken, naar andere mensen. Een zwarte hand heeft voor het laatst nog rijkelijk zijn gaven gestrooid. Een kleintje zegt: ‘Sint- Nicolaas leek sprekend op Oom Henk . . .’ Moeder antwoordt: ‘Wa­rempel, je hebt gelijk! – Wat een eer voor Oom Henk, dat Sint-Nicolaas sprekend op hem lijkt!’ Zo is het ook! Sint-Nicolaas komt uit de hemel, noem het ‘Span’-je of ‘Engel’—land, maar hij neemt de ge­daante aan van een mens. Deze abstracte woorden, hoe waar ze ook mogen zijn, en hoe nodig of het ook is dat wij, als wordende mensen en als opvoeders, tot in onze levens­houding toe ons de werkelijke beteke­nis ervan bewust maken, voor het kind zijn als ze zodanig voor zijn bewuste denkvermogen nog ontoegankelijk. Het kind denkt concreet. Het kind denkt beeldend. Het feest in de tijd­krans, dat het sterkst ons allen op­roept tot rekenschap van wat we zijn en wat we kunnen, het feest van de innerlijke gaven, dat brengt logischerwijs een nog sterkere concretisering met zich mee. Hier verschijnen dus Sint-Nicolaas en Pietermanknecht in levende persoonlijkheid om reken­schap te vragen en te lezen in het gou­den boek van oorzaak en gevolg. Maar ook, — en dat is voor de kleuter alleen van belang—, om te schenken nieuwe, ware levensmoed en echte, innerlijke blijdschap.

Henk Sweers, Jonas 6, 21-11-1975)

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

311-291

 

 

 

 

 

 

 

 

.