VRIJESCHOOL – Opspattend grind (23)

.

Frans de Waal heeft veel geschreven over mens- en diergedrag. Zijn boeken zijn bestsellers.

In Trouw van 23-04-2016 staat een interview met hem.

Het blijkt dat hij niet veel op heeft met dieren vergelijken om te zeggen welke het meest bijzonder is. Maar als hij een prijs zou moeten uitreiken voor uniciteit, zou die naar de octopus gaan.

‘Dat is een heel vreemd beest. Hij heeft ongewoon grote centrale hersenen, zeker voor een weekdier. Maar hij heeft ook nog eens zenuwknopen in al zijn acht armen en elk van zijn tweeduizend zuignappen. Die zijn allemaal verbonden, als een soort servers, waardoor hij op het internet lijkt. De octopus denkt met zijn hele lichaam, en dan kan hij ook nog licht waarnemen met zijn huid en communiceren door van kleur te veranderen.’

De mens zou de prijs zeker niet winnen.

‘Wij lijken qua lichaamsbouw en hersenen op een heleboel andere landzoogdieren.’

Steiner over de inktvis:
‘Beschrijft u de inktvis dus zo, dat het kind door de manier waarop u hem beschrijft de sensi­tiviteit van de inktvis voelt, zijn fijne waarnemingsvermogen voor de dingen om hem heen. U zult een kunstzinnige beschrijving van de inktvis moeten ontwikkelen, opdat de kinderen het wezen van de inktvis daarin kunnen herkennen. (  )  De inktvis daarentegen, die in feite geheel en al hoofd is en ver­der niets, beweegt zich vrij in het water. U moet eigenlijk bewerkstel­ligen dat de kinderen het gevoel krijgen dat de lagere dieren hoofden zijn die zich vrij kunnen bewegen, maar nog niet zulke volmaakte hoofden zijn als het menselijk hoofd.

‘(  ) Ons hoofd is het in de hoogste mate gevormde lagere dier. We moeten – als we het menselijk hoofd, met name de ze­nuworganisatie gaan waarnemen – niet naar de zoogdieren kijken, niet naar de apen, maar we moeten teruggaan juist tot de laagste dieren.’

En wat de lichaamsbouw betreft: in de dierkunde wordt de mens o.a. vergeleken met de leeuw, de koe, de muis, het paard.

Uit de uitspraken van de Waal kun je concluderen dat de dierkunde op de vrijeschool gebaseerd is op inzichten, door Steiner verwoord, die zeer van deze tijd zijn.

Rudolf Steiner over dierkunde

Dierkunde: alle artikelen
over inktvis, leeuw, koe enz. En hoe het in de praktijk wordt gegeven

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas – dierkunde

Opspattend grind: alle artikelen

.

1092-1013

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (20)

.

WIJNGAARDEN; OLIJVENPERS

leven O.T. 77 - 00041. Wachthut in de wijngaard
In de vruchttuinen (bijv. in de komkommerhof Jes. 1 : 8) en de wijngaarden heeft men in de tijd van het rijp zijn en de oogst priëelachtige gebouwtjes: een takkendak op palen. Het is de wachthut (b) op de wachttoren (a) die in de wijngaard voorkomt (Jesaja 6 : 2) waar vaak de gehele familie ten tijde van de oogst in de hut woont: het hutje in de wijngaard (Jesaja 1:8). De hut komt in de Bijbel ook voor als zinnebeeld van bescherming (Ps. 27 : 5). Een hut kan instorten en vervallen; daarop doelt de belofte in Amos 9 : 11.

leven O.T. 802. Druivenoogst; druiventreden (Egyptische voorstelling).
Rechts is een priëel van wijngaardranken (a); daaronder staan de plukkers (b) die de druiventrossen (c) afsnijden. Links is de wijnpersbak (d) waarin de mannen staande de druiven treden (e). Beneden loopt de wijn uit de wijnpersbak in een kuip (ƒ); de wijn werd dan later in de kruiken (g) gebotteld.

leven O.T. 813. Treden in de druivenpers.
In de oudheid was bekend „persen treden” (Neh. 13 : 15) en beroemd is de uitdrukking in het sehone visioen van Jesaja: Waarom zijt Gij rood aan Uw gewaad? en Uw klederen als van een, die in de wijnpers treedt? Ik heb de pers alleen getreden (Jes. 63 : 2, 3).
Behalve de wijnpersbak (a) is er ook een wijnbak (b) (Jes. 5 : 2) de trog, waarin de getreden most of wijn vloeit; in de Statenvert. ook wel genoemd kuipen (Jer. 48 : 33). Het druivenpersen kan gebeuren doordat men een zwaar voorwerp door middel van een hefboom op de druiven drukt; of doordat mensen met blote voeten in de wijnpersbak treden (a). Uit de wijnpersbak vloeit de getreden wijn in een lagere trog of kuip, (b) die als een goot hier voor de wijnpersbak loopt.

leven O.T. 824. 5. Olijvenpers
De olijfolie in de dienst Gods werd gebruikt
1. als „olie tot de luchter”;
2. als „olie der heilige zalving”;
3. als onderdeel van het spijsoffer.

De olie tot de luchter en de zalfolie wordt omschreven als „zuivere gestoten olijfolie”;
voor het spijsoffer als „gestoten olie” (Ex. 27 : 20; 29 : 40; Lev. 24 : 2; Num. 28 : 5).
Om deze olie te verkrijgen werden de allerfijnste olijven uitgezocht. Deze werden dan in een stenen mortier gekneusd tot een brijachtige massa en daarna in een korf gedaan. De olie, die dan uit de korf druppelt, en dank zij de voorzichtige bewerking, in het geheel niet vermengd is met bestanddelen van het vruchtvlees of van de pit is de „zuivere gestoten olie”. Deze is blank en walmt bij de verbranding niet. Door nu de inhoud van de korf met stenen te bezwaren of onder de balk te plaatsen, verkrijgt men een tweede, ook nog uitnemende kwaliteit, de „gestoten olie”.
Om olie voor dagelijks gebruik te verkrijgen werd de olijvenbrij verder uitgeperst, waarbij ook de pitten verbrijzeld werden. Zo leverde de olijf al de olie af, die echter nu vermengd was met bestanddelen van vruchtvlees en pitten, dus veel minder zuiver was.
Dit geschiedde in een olijvenpers (a). Een rond zwaar stenen onderstuk was uitgehold, zodat er een cirkelvormige goot in was, waarin een zware ronde steen (b) door middel van een hefboom (c) gewenteld kon worden.
In de Bijbel is over dit olijvenpersen niets te vinden dan een verwiizing in Job 24 : 11 „tusschen hun muren persen zij olie uit”. [Bruijel],

leven O.T. 83

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1091-1012

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament – alle artikelen

.

Leven in het Oude Testament

[13] aardewerk
[45] afgoderij
[29] Assyrische strijders
[35] bomen
[46] borstlap/borstschild van hogepriester Aäron
[5] broodbakken
[10] burchten, torens en huizen
[37] dieren
[43] gebedsriem
[32] gevangenen
[33] gevangenis, Romeins soldaat
[34] graf – graven
[39] grote verzoendag
[15] handwerk
[40] heilige (der heiligen)
[43] heilige personen
[28] herberg
[21] herders, schapen, paardenstal
[42] Herodes’ tempel
[39] hogepriester
[46] hogepriester – borstschild Aäron
[1] houwelen, zagen, spaden
[8] huizen
[9] huis in Ur uit de dagen van Abraham
[6] jacht en visserij
[44] Kapernaüm synagoge
[28] karavanserai
[26] kleding
[2] landbouw
[17] maaltijden
[14] melk en water
[4] meten en malen
[3]  meten, wannen, zeven,
[19] muziekinstrumenten
[20] olijf- en wijnpers
[21] paardenstal, herders, schapen
[36] planten
[43] priesters
[33] Romeins soldaat, gevangenis
[25] schepen
[22] schrift (1)
[23] schrift (2)
[18] sieraden
[33] Romeins soldaat, gevangenis
[1] spaden, houwelen, zagen
[12] de stad en de muren
[11] gezicht op de stad Megiddo
[30] strijdmiddelen
[44] synagoge van Kapernaüm
[38] tabernakel
[42] tempel van Herodes
[41] tempel -voorhof
[16] tent; gebruiksvoorwerpen
[10] torens, burchten en huizen
[24] vaartuigen
[27] vervoermiddelen
[6] visserij en jacht
[41] voorhof van de tempel
[3] wannen, zeven, meten
[31] wapens
[14] water en melk
[7] werktuigen
[20] wijn- en olijfpers
[1] zagen, spaden, houwelen
[3] zeven, meten, wannen,

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1090-1011

.

.

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parcival (2)

.

Het netwerk van Parcival

Het middeleeuwse Parcivalverhaal van Wolfram von Eschenbach kan worden gezien als een spiegel van de mens en een leerschool voor het leven.

Maar: de werkelijkheid van het leven kan nooit een exacte kopie van een middeleeuws lot zijn.

In een Arabisch land zag ik enkele malen een echte ‘graalmaan’. De ragdunne, op deze zuidelijk gelegen breedtegraad horizontaal liggende maansikkel ontving als het ware de ‘hostie’. Met dat laatste wordt de vrijwel ronde schijf van het maanoppervlak vergeleken, die niet is belicht. Je hoeft niet eens zo goed te kijken om te zien dat dat laatste niet helemaal het geval is. Dat donkere maanoppervlak wordt namelijk beschenen door de aarde. Vanaf de maan gezien is het dan vrijwel ‘volle aarde’. Daardoor licht boven de schaalvormige maansikkel de door de aarde verlichte schijf op in een zachtrode gloed. Het lijkt wel alsof de Arabische nachtelijke hemelstreken bij uitstek geschikt zijn om dit occulte teken zo indringend boven de werkelijkheid te plaatsen. In deze landen, onder dit teken, streed ook Parcivals vader, de ridder Gahmuret, vermoedelijk voor de Kalief van Baghdad. En hier werd Parcivals halfbroeder geboren, de ‘als een ekster zwart en wit gevlekte’ Feireftz.

De spil van het verhaal van Parcival wordt gevormd door de Graal. Maar, zoals de maan boven Arabië, is ook de Graal niet in één beeld te vatten. Laat staan dat je zomaar
koning wordt van de Graalburcht, gelegen op een plek, ‘zo ver, dat een vogel moeite zou hebben gehad dat helemaal te vliegen’. Behalve als maansikkel wordt de Graal beschreven als een magische steen, als een kostbare schaal, als de scheppende kracht van het woord en als een ‘zijnstoestand’. De koning van de Graalburcht heerst over ‘al wat binnen de baan der planeten valt en door hun schijnsel wordt bestreken’.

Een eenvoudige karakterisering van het verhaal van Parcival is niet te geven. Om te beginnen bestaan er meer versies. De meest uitgebreide en complete is die van Wolfram von Eschenbach uit het begin van de dertiende eeuw. Wolfram noemt op zijn beurt als bron een zekere meester Kyot, die in Toledo geheime boeken zou hebben gevonden, waarin oude joodse wijsheid te vinden was. Wolfram geeft mogelijk ook een verhulde verwijzing naar een onbekend Arabisch boek – het Felek Thani– dat het ontstaan van de wereld zou beschrijven. Richard Wagner maakte er in de vorige eeuw een bewerking van.

Wolfram formuleert de complexe structuur van zijn versie als volgt: ‘Dit verhaal zal er nimmer voor terugschrikken zowel te vluchten als op te jagen, nu eens te ontwijken en dan weer terug te keren, te honen zowel als te loven. Wie iets aan kan vangen met al deze wisselvalligheden is wel bedeeld door het verstand en zal zijn tijd niet verzitten of laten verlopen, maar zal een en ander goed verstaan.’

Dubbele bodem
Als Parcival voor de eerste maal de wereld intrekt, is hij gekleed als nar en rijdt hij op een scharminkelig muildier. Die uitrusting heeft hij te danken aan zijn moeder Herzeloyde.
Zij had hem het liefst in het stille woud Soltane willen houden, ver van de wereld, ver van de strijd tussen ridders. Haar gemaal Gahmuret was in de Oriënt gevallen. Niet alleen wilde zij haar zoon een dergelijk lot besparen, ook voor haarzelf zou een tweede verlies niet te dragen zijn.

Als Parcival uiteindelijk natuurlijk toch onstuitbaar als ridder de wereld tegemoet wil treden, hoopt Herzeloyde dat hij, aldus uitgedost, zonder zijn potsierlijke staat te beseffen en voorzien van verkeerde raadgevingen, snel op zijn schreden zal terugkeren. Maar dat gebeurt niet. Al sticht hij aanvankelijk het nodige onheil, toch overwint deze nar, geheel onverwacht, de gevreesde Rode Ridder Ither, beklimt diens paard, leert alle gevechtstactieken en ridderdeugden van een zekere slotheer Gurnemanz en maakt schone vrouwen het hof. Vervolgens komt hij op de burcht van Koning Arthur en zijn tafelronde aan.

Wat moeten we beginnen met zo’n ridderverhaal uit de gotiek, waarin de personages weliswaar dramatische belevenissen meemaken, maar toch schematisch blijven in hun hoofse etiquette en gestileerde uitweidingen over details? We kunnen ons verwonderen over de nobele en tegelijkertijd niets verhullende opvattingen over liefde en seksualiteit in de cultuur van de hoofse minne. Met enig heimwee kunnen we dit verhaal bezien als een tijdsbeeld waarin het goede, het schone en het ware nog herkenbaar waren aan fraaie gelaatstrekken, sierlijk gebouwde lichamen en nobele witte paarden. We kunnen ons verbazen over het internationale karakter van deze vertelling, die zich niet alleen over grote delen van Midden- en Zuid-Europa uitstrekt, maar ook vertakkingen heeft tot in Arabië, China en Noorwegen. Maar dan?

Naar aanleiding van enkele concrete aanwijzingen van Rudolf Steiner, heeft de historicus Walter Johannes Stein door middel van een minutieus onderzoek aannemelijk gemaakt, dat dit hoofse ridderverhaal niet op fantasie berust. De historische werkelijkheid van Parcival en de zijnen, situeert zich namelijk in een tijd die zo’n vierhonderd jaar vóór de tijd ligt, waarin het werd opgeschreven. Het betreft bepaalde lotgevallen van vooraanstaande persoonlijkheden uit het Europa van de negende eeuw. Geschiedenissen uit de dagen van Karel de Grote en de tijd daarna zijn dus door Wolfram en anderen naverteld, waarbij zij gebruik hebben gemaakt van andere namen en het verhaal hebben gekleed in de hoofse etiquette van rond het jaar 1200.

Zo’n historische dubbele bodem maakt het verhaal fascinerender, maar je moet wel een uitgesproken interesse voor geschiedenis hebben om aan de complexe netwerken van dit ‘wie-is-wie’ iets te beleven. Er zullen niet veel mensen zijn die bij het horen van namen als Hugo van Tours, Karel de Dikke of Charibert van Laon uit hun stoel opveren. De middeleeuwen zijn voor ons in mist gehuld.

Sinistere zwarte magiër
Parcival zou zonder meer in de kring van Koning Arthur en diens ridders en jonkvrouwen zijn opgenomen, als de vervloeking van een tovenares niet had ingegrepen. Cundrie la Sorcière – ‘haar ruig gelaat was niet zoals de minne het van een geliefde verlangt’ – ontmaskert Parcival in het openbaar. Tijdens zijn omzwervingen was Parcival namelijk, zonder dit ten volle te beseffen, op de Graalburcht ontvangen. Gedurende die ontvangst was hij ooggetuige geweest van een hartverscheurend ritueel. Daarbij werd een processie rond de duidelijk zwaar lijdende Graalkoning Anfortas gevoerd. De Graal zelf werd door een schone jonkvrouw gedragen. Niet alleen de Graal, maar ook een bebloede speer, die temidden van dit zwijgende gezelschap kennelijk de smart nog opvoerde, ging aan zijn oog voorbij.

Parcival, die juist geleerd had van zijn opvoeder Gurnemanz dat het niet netjes was om teveel nieuwsgierige vragen te stellen, hield in dat gezelschap dus zijn mond. En uitgerekend dit zwijgen wordt hem nu voor de voeten geworpen en zal hem met schande overladen, God doen afzweren en tot eindeloos lijkende omzwervingen en beproevingen leiden.
Er komt zelfs een andere ridder aan te pas, Gawan geheten, die zich juist onderscheidt doordat hij voortdurend vragen stelt. Hij zal het fantastische kasteel Schastel marveile verlossen van de toverkracht van Clinschor, de meest sinistere zwarte magiër die de wereld kent.

Er zijn nog vele verwikkelingen nodig voordat Parcival tenslotte, samen met zijn gevlekte halfbroeder Feirefiz, opnieuw de Graalburcht betreedt. Hij komt daar ook ditmaal onverwacht, want de Graal ‘kan men niet najagen’. Maar nu is hij rijp genoeg en voldoende door medelijden met de lijdende koning bewogen om de vraag te stellen die hij eerder verzuimde.

Binnen die hoofse ridderroman met haar historische dubbele bodem, doemt geleidelijk een laag op waarin de werkelijkheid nog een andere dimensie blijkt te bezitten. Het ‘Land Anjou’ is dan niet alleen de geografisch bepaalde streek in Frankrijk waaruit het geslacht van Parcival stamt, maar tevens de aanduiding van een bovenzinnelijk waarnemingsorgaan. Vandaar dat ‘Anjou’ evengoed vertaald kan worden met ‘aanschouwen’. Heel het verhaal wemelt van dit soort symbolieken en getalswetmatigheden. Bovendien blijkt dat diverse lotgevallen in een gemetamorfoseerde herhaling terugkomen. Daarmee worden al die ontmoetingen en beproevingen opeens herkenbaar als ‘opdrachten’. Die opdrachten zijn op hun beurt weer te beschouwen als stadia in een reeks. Wolfram schrijft, ietwat cryptisch: ‘Ook heb ik nooit een man gekend zo wijs dat hij niet gaarne zou vernemen in welke richting dit verhaal streeft en welke goede leer het biedt.’ De ‘goede leer’ die het verhaal wil aanreiken, is een algemene. Daarmee is die derde laag van het Parcivalverhaal de meest interessante en actuele. Die laag onthult iets over de menselijke levensloop en over hoe ver de vermogens van de mens uiteindelijk reiken. De mens ontwikkelt zich van een nar die niet ziet hoe potsierlijk hij is, tot het kosmische koningschap. Hoewel die richting dus is bepaald, is de gewezen weg toch ook een vrije. De werkelijkheid van het leven kan nooit een exacte kopie van een middeleeuws lot zijn en elke gebeurtenis vraagt om een nieuw soort inzicht, een nieuw soort handeling. Medelijden werkt niet, als je dankzij Parcival uit het hoofd hebt geleerd dat dat belangrijk is. Een echte vraag naar een ander die met een probleem worstelt, kan alleen verlossend zijn als die vraag ook uit het hart komt. In die zin kan de ‘goede leer’ van belang zijn als een wonderbaarlijk hulpmiddel, als oriëntatiepunt, al is het alleen maar om te beseffen hoezeer je in je eigen leven nog aan het begin staat.

Mark Mastenbroek, Jonas 1 07-09-1990

L.Beuger ‘Parzival’

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg [1]   [2]   [3]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival: over de 3 bloeddruppels in de sneeuw

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

1089-1011

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie -temperamenten (15-1/3)

.

Werken met temperamenten (3)

Flegmatisch en cholerisch boos worden…

In de serie Werken met temperamenten een derde en laatste artikel over de flegmatische en cholerische mens.

‘Het is opvallend hoe dikwijls iemand met een flegmatisch temperament op grond van de vaak explosieve manier van kwaad worden het etiket cholerisch krijgt opgeplakt.’

In het vorige artikel heb ik aangeduid hoe in de temperamentenleer, zoals die vanuit de antroposofie is ontwikkeld, het melancholische en sanguinische temperament van de mens veroorzaakt worden door de zogenaamde ‘dominantie’ van het fysiek lichaam en van het astraal lichaam.
Thans gaat het om een beschrijving van het flegmatische en het cholerische temperament. Deze treden op wanneer in het samenspel van de vier wezensdelen, die in de antroposofie worden onderkend (het fysieke lichaam, het etherlichaam, het astraallichaam en het ik) met name het etherlichaam en het ik dominant zijn.

Hierbij is in de eerste plaats nodig dat we iets nauwkeuriger nagaan wat onder de term etherlichaam of ik kan worden verstaan. Met het etherlichaam, ook wel levenslichaam of vormkrachtenlichaam genoemd, wordt in de antroposofische geesteswetenschap een bovenzinnelijke werkelijkheid bedoeld. Deze kan door bovenzinnelijke waarneming worden waargenomen als een lichtgestalte, die het fysieke lichaam geheel doordringt en er naar grootte en vorm ongeveer mee samenvalt. De benaming ‘levenslichaam’ duidt er al op, dat het hier gaat om een krachtenstelsel waar door de fysieke materie van het menselijk lichaam zich niet uitsluitend gedraagt naar de wetten van de levenloze materie, maar naar de wetten van levende organismen.

Bij de mens veroorzaakt het etherlichaam onder meer dat de fysieke stoffen in het lichaam zich voegen naar de innerlijke sapstroming en bloedcirculatie, en naar de wetten van voortplanting en groei. Het etherlichaam draagt er zorg voor dat de uiterlijke vorm van de menselijke gestalte gedurende het leven bewaard blijft. Na het intreden van de dood, wanneer het etherlichaam zich van het fysieke lichaam losmaakt, gedraagt de fysieke substantie ervan zich opnieuw naar de wetten van de levenloze fysieke wereld. Een belangrijke eigenschap van het etherlichaam is het element van vormcontinuïteit, niet alleen met betrekking tot de uiterlijke gestalte, maar ook in innerlijk opzicht. Daarnaast wordt het etherlichaam gezien als een
wezensdeel dat de drager is van de lichamelijke vitaliteit en energie, en in verband hiermee als een basis voor de algehele constitutie en de gezondheid.

Ritme en welbehagen
Bij een dominantie van dit etherlichaam, dus in het geval van een overheersend flegmatisch temperament, gaat het om de situatie waarin dit stelsel van levenskrachten, beschikbare vitaliteit en lichamelijke energie de drie andere wezensdelen overheerst.
Een kenmerkend aspect van alle biologische lichamelijke levensprocessen is dat zij altijd een geheel eigen ritmisch verloop in de tijd vertonen, dat bovendien altijd vraagt om gerespecteerd te worden. Dat geldt voor de afwisseling van waken en slapen, voor een zekere regelmaat van de maaltijden, maar uiteraard ook voor de spontane dagelijks terugkerende behoefte aan een koffiepauze of van misschien de eerste sigaret bij het lezen van het ochtendblad.
Dit geheel eigen tijdsverloop van de verschillende levensprocessen is zo kenmerkend, dat een verstoring ervan, zoals bijvoorbeeld een versnelde ademhaling of hartslag, kan wijzen op koorts en een indicatie kan zijn voor een storing van de gezondheid zelf.

Voor het flegmatische temperament betekent dit een directe behoefte aan regelmaat, rust en een geordend, zo mogelijk zelfs routinematig leven en dagindeling. Het emotionele leven wordt daarbij vaak voor een niet onbelangrijk deel bepaald door gevoelens van welbehagen. Dit zijn immers de gevoelens die het dichtste grenzen aan het innerlijk beleven van de levensprocessen.
In eerste instantie gaat het daarbij om welbehagen, dat voortkomt of samenhangt met de eigen lichamelijke situatie, waarbij vooral de primaire levensbehoeften een belangrijke rol spelen. Voldoende rust, voedsel, drinken en een omgeving die niet storend werkt, zijn van veel belang. Maar bovendien is bij alle biologische levensprocessen een evenwichtige balans van het eigen organisme met de omgeving steeds een levensvoorwaarde. Voor het flegmatische temperament kan dan ook in het algemeen worden gezegd dat een zeker harmonisch evenwicht met de omgeving van veel betekenis is.

Psychische doofheid
Zoals het flegmatische temperament wordt veroorzaakt door een dominantie van het etherlichaam, vindt het cholerische temperament zijn oorzaak in een overheersende werking van het ik.

Het ik van de mens wordt in de antroposofie gezien als het wezensdeel, waardoor ieder zich van anderen onderscheidt, als de eigenlijke geestelijke wezenskern waarin de individualiteit zich zowel naar binnen als naar buiten kenbaar maakt.

Met het woord ik kan ieder alleen maar zich zelf en niemand anders bedoelen. Het is het eigenlijke centrum van de ziel, het centrale middelpunt van het innerlijk beleven, de innerlijke ervaringen, en van het zelfbewustzijn. Bij alle bewuste processen, zoals het gevoelsleven, het gewaarworden, het beleven van de wilskrachten en niet het minst bij het denken of bij het tot stand komen van oordelen over de wereld speelt het ik een centrale rol.
Wanneer nu, zoals bij het cholerische temperament, het ik dominant is en daardoor de overige wezensdelen min of meer overheerst, heeft dit bepaalde gevolgen voor de psychische constitutie en voor het temperament. Juist doordat het ik zo centraal staat, treed bij een dergelijke overheersing een sterk zelfbewustzijn op, wat gepaard gaat met een grote innerlijke zekerheid en een besliste en gevormde wilskracht.
De zekerheid in het eigen denken en in het beoordelen van allerlei situaties in het dagelijkse leven kan zo sterk worden, dat een bepaalde ongeïnteresseerdheid of zelfs minachting kan ontstaan voor de opvattingen en mening van anderen. Niet zelden treedt bij het cholerische temperament zelfs een zekere psychische doofheid op.
Bij eigenlijk alle vier de temperamenten zijn in de loop van de geschiedenis allerlei stereotiepe beelden ontstaan.
Van het cholerische temperament wordt in dit verband dikwijls gezegd dat het om mensen zou gaan die om de haverklap boos worden, gemakkelijk in onbeheerste uitbarstingen terecht komen, voortdurend met de vuist op tafel kunnen slaan en door het leven gaan als een vonkensproeiende pot Bengaals vuur.
Als regel is hiervan echter maar weinig te merken. Integendeel: juist door de dikwijls grote wilsbeheersing en door het feit dat meestal een goed ontwikkeld inzicht in het en waarom van allerlei situaties aanwezig is, treedt doorgaans een vrij grote uiterlijke rust op, samen met een zelfverzekerd besef van eigen kunnen, waardoor een adequaat, snel en zakelijk optreden mogelijk wordt, zonder onnodige emoties of uitbarstingen. Hierdoor ontstaan vaak uitgesproken leidinggevende capaciteiten, ook al omdat onder invloed van de ik-dominantie altijd sprake is van een gemotiveerde en energieke aanpak van zaken.
Werkelijk ‘goed kwaad’ worden kan wel optreden, maar als regel alleen wanneer de cholerische mens moeilijkheden ondervindt bij het tot uitdrukking brengen en realiseren van zijn eigen plannen en intenties, of wanneer hij daar op de een of andere manier in wordt gedwarsboomd.
Bijzonder opvallend is de samenhang van het ik tot de bloedcirculatie. Misschien geldt dit laatste wel voor alle temperamenten, maar in het geval van een dominantie van het ik treedt deze relatie altijd duidelijk op. Vooral in situaties waar een overheersend cholerisch iemand zijn wil tot uitdrukking wil brengen en daarbij moeilijkheden ondervindt, of misschien zelfs gedwarsboomd wordt, ontstaat er bewustzijn van de eigen bloedcirculatie. Meestal eerst in de ledematen, vooral handen en voeten, maar tegelijk met toenemende emoties en wilsgerichtheid wordt in toenemende mate het stromen, maar vooral ook het pulseren van het eigen bloed bemerkbaar wordt.
De relatie tot de bloedcirculatie is zo kenmerkend, dat deze in veel gevallen een zeer duidelijke indicatie vormt voor de aanwezigheid van een cholerisch temperament.

De combinatie van het feit, dat duidelijke en krachtige oordelen over mensen en situaties aanwezig zijn, met het gegeven dat een dominantie van het ik bijna altijd een rijkdom oplevert aan motieven en een wilskrachtige georiënteerdheid op de wereld, maakt het cholerische temperament lichtgeraakt, niet zelden snel aangebrand en op z’n minst ongemakkelijk of boos wanneer hindernissen opdoemen bij het ten uitvoer leggen van de gemaakte plannen, waarvan meestal een overvloed aanwezig is.

Soorten boosheid
Als illustratie voor de manier waarop de dominantie van het etherlichaam en van het ik zich kan uiten, wil ik proberen om op een kenmerkend verschil van het flegmatische en het cholerische temperament wat nader in gaan. Op het verschil namelijk in de wijze van boos worden, een interessant aspect van de tegenstelling tussen deze beide temperamenten.

Kenmerkend voor het flegmatische temperament is, zoals gezegd, onder meer de behoefte aan regelmaat, rust en een zeker harmonisch evenwicht met de omgeving. Wanneer eenmaal een evenwichtige verhouding tot de omgeving is gevonden, die in overeenstemming is met het eigen levensgevoel en die de gevoelens van welbehagen kan bevredigen, zullen gevoelens van boosheid niet snel de overhand nemen.
Het gevoelsleven, dat in dit geval dicht grenst aan het lichamelijk welbehagen en aan het ervaren van een kalme, evenwichtige situatie, is van nature weinig heftig, sterk wisselend of zelfs turbulent. Integendeel, wanneer geen verstoringen optreden in de eenmaal gevonden verhouding tot de omgeving, kan zelfs de neiging ontstaan tot een enigszins vegetatieve kalmte en innerlijke voldaanheid. Verstoringen in de toestand, die als innerlijk evenwichtig en bevredigend wordt ervaren, roepen, zoals begrijpelijk, vervolgens dan ook altijd zekere irritaties op.

Bij het flegmatische temperament vindt een eventuele boosheid of kwaadheid vrijwel altijd hierin zijn oorsprong. Vaak wordt in eerste instantie volstaan met een enkele opmerking met de bedoeling om er de aandacht op te vestigen, dat zo’n storing in dit bepaalde geval nu net slecht uitkomt en hinderlijk is. Dikwijls gebeurt dit in de verwachting dat met een en ander in het vervolg wel rekening zal worden gehouden.
Vervolgens, wanneer na enige tijd blijkt, dat dit weinig effect heeft, wordt het verzoek herhaald, vaak nog steeds rustig, zakelijk en met een zekere nuchtere objectiviteit. Een van de belangrijkste kenmerken van het flegmatische temperament is immers dat men niet makkelijk uit zijn evenwicht wordt gebracht.
Wanneer echter, meestal eerst na een betrekkelijk geruime tijd van afwachten, waarbij eventueel nog een aantal keren geprobeerd is de aandacht op de feitelijk hinderlijke gang van zaken te vestigen, geen verbetering optreedt, kan het gevoel van irritatie steeds krachtiger worden.

Zoals de meeste innerlijke processen bij het flegmatische temperament vraagt ook het proces van boos worden zijn eigen tijd, die onder omstandigheden gemakkelijk tot enige maanden kan oplopen. Pas als het gevoel van geïrriteerdheid, eventueel nog versterkt door andere hinderlijke verstoringen van het routinematige levenspatroon of van het geordende verloop van de werkzaamheden nog verder toeneemt, kan het op een gegeven moment tot een uitbarsting komen, die afhankelijk van de omstandigheden soms bijzonder hevig kan zijn. Bijna altijd treedt dit op wanneer de concrete aanleiding zich opnieuw voordoet. Voor anderen kan zo’n uitbarsting volledig onverwacht komen. Zij kennen de betrokkene immers veelal als iemand die eerder geneigd is tot een zeker ontspannen, weliswaar zakelijk, maar dikwijls zelfs vriendelijk overleg, dan als iemand die onophoudelijk tot de aanval over gaat.
Typerend voor het flegmatische temperament is dat dergelijke uitbarstingen vrij schaars zijn maar juist door de tegenstelling met het gangbare gedrag een vrij grote indruk achter kunnen laten en soms zelfs een vrij grote sociale afstand kunnen veroorzaken.
Het is opvallend hoe dikwijls iemand met een flegmatisch temperament op grond van de vaak explosieve manier van kwaad worden het etiket cholerisch opgeplakt krijgt. Niet zelden zijn flegmatici ook ten aanzien van zichzelf deze mening toegedaan. Daarom ook is het van betekenis niet alleen maar stil te blijven staan bij de constatering dat iemand in staat is om in de gegeven situatie behoorlijk boos te worden en op een misschien wat massieve manier voor z’n eigen belangen kan opkomen. Voor een onderzoek naar het aanwezige temperament is het echter vooral van belang om na te gaan, hoe dergelijk gedrag innerlijk wordt ervaren en met name waarin zo’n proces in feite zijn oorsprong heeft.

Bij een dominantie van het ik verloopt het gehele proces inderdaad geheel anders, vooral met betrekking tot het tijdsverloop, dat bijna steeds veel korter is. Zoals ik al heb aangeduid, is door de dominante werking van het ik het eigen oordeel over een situatie snel gevormd, en gaat dit ook gepaard met de zekerheid dat het eigen inzicht zonder meer juist is. Bovendien is blijkbaar dit inzicht voor de overige betrokkenen nog niet of althans onvoldoende aanwezig. Wanneer dit wel het geval zou zijn, zouden een aantal zaken immers niet steeds min of meer gebrekkig en ongeorganiseerd behoeven te verlopen. De behoefte om de noodzakelijke eigen bijdrage te leveren en het inzicht in de gebrekkige manier waarop andere mensen met elkaar omgaan, voert tot de behoefte om in de situatie in te grijpen, de dingen beter te organiseren en hierdoor een aantal moeilijkheden of problemen te voorkomen en uit de weg te ruimen.

De bron van boosheid bij een dominante werking van het ik komt zelden of nooit voort uit zulke gevoelens van geïrriteerdheid, die ik hierboven heb aangeduid, maar uit het feit dat de nagestreefde, en uiteraard als enig juist ervaren oplossing voor bestaande problemen blijkbaar door anderen niet wordt ingezien. Het is een boosheid die onmiddellijk kan opkomen wanneer de eigen inzet om in de situatie verandering te brengen niet wordt erkend, niet wordt gewaardeerd, of zelfs wordt tegengewerkt.

In tegenstelling tot het flegmatische temperament, waar boosheid dikwijls tot onbeweeglijkheid en tot blokkades voert, mondt deze bij het cholerische temperament bijna steeds uit in directe acties, die passen in een grotere strategie en in een direct, intuïtief beleven van de situatie als geheel. Ik heb al beschreven hoe het stromen van het bloed als een kenmerkend aspect daarbij zelfs lichamelijk als een vurige aandrang tot handelen kan worden ervaren.
In samenhang hiermee is het cholerische optreden meestal vervuld van een warm enthousiasme voor de eigen oplossingen en voor een beter functioneren van het geheel. Zelfs wanneer er uitgesproken tegenstanders aanwezig zijn, bij het cholerische temperament overigens geen zeldzaamheid, wordt dikwijls weliswaar gehandeld vanuit een zekere koele berekening, maar nooit zonder een positief bedoelde inzet voor de totaliteit. Zoals het ontstaan van de boosheid vanuit het ik abrupt kan plaatsvinden, gebonden aan bepaalde voorvallen of personen, zo kan ook de boosheid in zeer korte tijd overwonnen worden wanneer het doel is bereikt of wanneer belangrijker zaken de aandacht vragen.

En zoals bij het flegmatische temperament de neiging aanwezig is om zaken te vergeten, hoewel rancunegevoelens dikwijls een lang leven kunnen leiden, is in tegenstelling hiermee het cholerische temperament vaak geneigd te vergeven, echter zonder te vergeten.

Zoals ik al eerder gezegd heb is het in het kader van dit artikel niet mogelijk een enigszins volledige beschrijving van het cholerische en het flegmatische temperament te geven. Het leek mij ook belangrijker om een enkel facet wat zorgvuldiger te onderzoeken, dan een reeks globale kenmerken te geven waardoor alleen maar oppervlakkige oordelen mogelijk worden. Hierdoor zouden we immers in dezelfde situatie vervallen als de traditioneel overgeleverde temperamentenleer. De voor ieder temperament kenmerkende aspecten zijn hier zozeer los komen te staan van de oorspronkelijke Griekse concepties, zoals bijvoorbeeld de vier elementen: aarde, water, lucht en vuur, dat ze door de opkomst van de moderne psychologie inderdaad terecht als abstract en onbruikbaar terzijde werden gesteld.

Al eerder heb ik daarom ook gezegd dat het bij de temperamentenleer naar mijn mening niet kan gaan om een min of meer abstracte indeling in hokjes en een beoordeling van onze medemensen op grond van een aantal abstracte categorieën. Daar komt nog bij dat in verreweg de meeste gevallen de temperamenten niet geïsoleerd voorkomen, maar vrijwel steeds in onderlinge combinatie. Het gaat in feite steeds om mengtypen en bijna nooit om gevallen waarin het ene of het andere temperament in een soort laboratoriumachtige zuivere vorm optreedt. Dat neemt echter niet weg, dat bij een poging tot zorgvuldige toepassing van de temperamentenleer zoals deze vanuit de antroposofische concepties zou kunnen worden vernieuwd, dikwijls opmerkelijk duidelijke en interessante inzichten kunnen ontstaan in de verschillende mensentypen.

Ik hoop dat deze artikelen, hoe beknopt en schetsmatig ze in menig opzicht ook zijn gebleven, een zekere bijdrage kunnen zijn aan een verdere uitbouw en ontwikkeling hiervan.

Dick Crum, Jonas 14, 2 maart 1984

.

deel [1]  en [2]  van deze reeks

menskunde en pedagogie: alle artikelen

1088-1010

.

.

VRIJESCHOOL -Menskunde en pedagogie – temperamenten (15-1/2)

.

Werken met temperamenten (2)

Melancholisch en sanguinisch natafelen

In Jonas nummer 12 schreef Dik Crum een inleiding over de vernieuwingen in de traditionele temperamentenleer.

In onderstaand artikel beschrijft hij het ontstaan van een overheersend melancholisch of sanguinisch temperament en hoe de gevolgen daarvan duidelijk worden in bepaalde karaktereigenschappen.

In het vorige artikel heb ik kort aangegeven hoe aan de vernieuwing van de temperamentenleer vanuit de antroposofie het zogenaamde vierledige mensbeeld ten grondslag ligt. De indeling naar fysiek lichaam, etherlichaam, astraallichaam en ik.

Omdat deze indeling dikwijls voor velen ongewoon is, zal het nodig zijn bij de volgende beschrijving van de verschillende temperamenten wat nauwkeuriger op deze begrippen in te gaan.

Uitgangspunt van de temperamentenleer volgens deze indeling is dat bij iedereen de vier wezensdelen in een bepaalde evenwichtsverhouding aanwezig zijn, maar dat tegelijkertijd altijd een ervan ‘dominant’ werkzaam is. Hierdoor ontstaat een overheersing van dit wezensdeel op de andere drie, die een constitutionele karaktergrondslag met zich meebrengt. Dat laatste kunnen we als iemands temperament beschrijven.

Bij een overheersing van het fysieke lichaam ontstaat op deze wijze het zogenaamde melancholische temperament, bij een dominantie van het etherlichaam het flegmatische temperament, bij een dominantie van het astraallichaam vervolgens het sanguinische temperament en bij een overheersing van het ik het cholerische temperament.

Een groot voordeel van deze indeling, althans voor wie zo’n antroposofisch kader als uitgangspunt wil nemen, is dat we voor een beter inzicht in onze medemens niet langer alleen maar zijn aangewezen op de bonte veelheid van uiterlijke kenmerken en eigenschappen. Die zijn immers altijd zo verschillend, en als regel ook onvergelijkbaar, dat iedere ordening en indeling eigenlijk al vanaf het eerste begin aanvechtbaar wordt.

Met behulp van deze uitgangspunten echter kunnen we proberen om na te gaan hoe de kenmerken van de verschillende wezensdelen zijn terug te vinden in de karaktereigenschappen van de mensen waarmee we te maken hebben.

Hoe moeten we ons de gevolgen van de dominantie van de verschillende wezensdelen nu precies voorstellen? Het zal duidelijk zijn, dat hierin een kernvraag voor de temperamentenleer is gelegen. Natuurlijk zijn steeds alle vier de wezensdelen werkzaam, maar het temperament wordt steeds veroorzaakt doordat een van deze wezensdelen de andere overheerst. In overeenstemming hiermee kunnen we daarom bij iedereen in feite alle vier de temperamenten verwachten, waarbij echter door de dominantie van een van de wezensdelen ook een van de temperamenten zal overheersen.

Maar de centrale vraag blijft hoe we ons de gevolgen van een dergelijke overheersing voor het tot stand komen van het temperament moeten voorstellen. Hiervoor is het nodig de kenmerken van de verschillende wezensdelen na te gaan. Ik zal proberen dit min of meer exemplarisch te doen en daarbij in dit artikel enkele eigenschappen van het melancholische en het sanguinische temperament proberen te beschrijven. Interessant genoeg blijken deze temperamenten min of meer polair tegenover elkaar te staan, evenals overigens het flegmatische en het cholerische, waarover het volgende artikel zal gaan.

Zwaar op de hand

Het fysieke lichaam wordt uiteraard gekenmerkt door het feit dat het uit materiële substantie is opgebouwd. Hierdoor heeft het in vergelijking met de andere wezendelen altijd een relatieve zwaarte en gewicht. Bij een werkelijke dominantie van het fysieke lichaam domineren ook in psychisch opzicht de zwaarte en het gewicht van de dingen. Van oudsher heeft men de melancholische mens al beschreven als zwaar op de hand, zwaarwichtig, zwaarmoedig, enzovoorts. Aan de uiterlijke gestalte is dit dikwijls zelfs af te lezen. Hij lijkt daarbij alsof de zwaartekracht in het eigen lichaam en in de ledematen voortdurend wordt ervaren. Niet zelden wordt de gestalte enigszins gebogen, met ronde schouders en afhangende armen, waarbij het hoofd iets naar voren hangt en de blik op de grond, of in ieder geval naar beneden is gericht. Soms lijkt het alsof deze zwaarte zelfs doordringt tot in de oogleden, die bij uitgesproken melancholici soms half gesloten zijn.
Een belangrijk aspect van het fysieke lichaam is het feit dat we ons met behulp van dat fysieke lichaam in concreto vooral met behulp van onze zintuigen, in de materiële wereld kunnen oriënteren. Dit fysieke lichaam kunnen we, zoals bekend, op een
fysiek-zintuiglijke manier leren kennen. Volgens de antroposofie kan het astraallichaam vervolgens op een geheel andere, namelijk op een bovenzinnelijke wijze worden waargenomen. Het wordt op grond van deze waarneming beschreven als een beweeglijk lichtende gestalte met een langwerpige eivorm die de lichamelijke gestalte geheel doordringt maar die daarbij aan alle zijden enigszins naar buiten uitsteekt.
Dit astraallichaam wordt gezien als de drager van het innerlijk reactievermogen van de mens. Alle uiterlijke prikkels zoals tastgewaarwordingen of gehoorsindrukken roepen in het astraallichaam een reactie, of misschien beter een actie, een beweging op. Hierdoor wordt het astraallichaam de drager van innerlijke ervaringen en belevingen, zoals bijvoorbeeld alle innerlijke aandriften, gewaarwordingen, gevoelens, begeerten, hartstochten, gedachten, enzovoorts.

Alles tegelijk
In tegenstelling tot het fysieke lichaam, waarbij zoals we zagen vooral de zintuigen van grote betekenis zijn, gaat het bij het astraallichaam om het waarnemen van de wereld, om de innerlijke reacties die het gevolg zijn van het gebruik van de zintuigen. Door deze innerlijke reacties is een oriëntering in de omgeving mogelijk waarbij steeds wisselende emoties en wisselende beelden van de omgeving ontstaan, gekenmerkt door een voortdurende dynamiek en beweeglijkheid. Vergelijken we de uitwerking van de overheersing van het astraallichaam, waardoor her sanguinische temperament wordt veroorzaakt met de dominantie van het fysiek lichaam, dan valt in tegenstelling tot de zwaarte juist de lichtheid op. Het lijkt alsof de beweeglijkheid en dynamiek maar ook de snel wisselende oriëntering op de omgeving, de snel wisselende emoties en het besef van de oneindig vele mogelijkheden die het leven hierdoor kan bieden, tot in de gebaren en de oogopslag van de sanguinische mens tot uitdrukking komt. Hierdoor ontstaat een expressieve beweeglijkheid die zich bijvoorbeeld uit in de vaak levendige hand- en armbewegingen gedurende het spreken. Ook het lopen is veelal licht, zonder de bedachtzaamheid die kan optreden bij een dominantie van het fysieke lichaam.
Een zeer kenmerkend verschil tussen de hier besproken twee temperamenten betreft de zintuiglijke waarneming en in samenhang hiermee, het voorstellingsvermogen. Zoals ik al heb aangeduid, zou je kunnen zeggen dat de melancholische mens door de dominantie van het fysieke lichaam in de zintuigen leeft, terwijl sanguinici door de overheersing van het astraallichaam vooral leven in de wereld van de waarnemingen.

Deze tegenstelling lijkt op het eerste gezicht nogal abstract. Toch is dit onderscheid een van de meest kenmerkende verschillen tussen het melancholische en het sanguinische temperament.
Laten we ons eens voorstellen dat een melancholicus en een sanguinicus samen naar een museum gaan. De eerste is er op voorbereid dat er veel te zien zal zijn. Teveel eigenlijk. Vorige ervaringen hebben dikwijls geleerd dat het kijken naar al die kunstwerken buitengewoon vermoeiend is, en dat het opnamevermogen snel zijn natuurlijke grenzen heeft bereikt. Daarom is het van belang om van te voren te weten wat belangrijk is en waaraan de beschikbare waarnemingsenergie eigenlijk moet worden besteed. Kenmerkend voor de zintuigen is immers dat zij op zich zelf leeg zijn. Het zijn lege instrumenten die zelf in feite niets zeggen wanneer ze niet ergens op worden gericht. Even leeg en inhoudsloos als de leesbril wanneer hij is opgeborgen in de brillekoker, of de stethoscoop in de doktersjas aan de kapstok. Juist immers doordat de zintuigen als zodanig, dat wil zeggen als instrument, niets aan onze waarnemingswereld toevoegen, maakt dat wij onze omgeving met een zekere objectiviteit kunnen waarnemen. Juist echter door deze verankering van de ziel in de zintuigen zelf, in het instrumentarium voor de zintuiglijke waarneming, is steeds een zekere inspanning en gerichte aandacht nodig voordat werkelijke waarnemingen mogelijk zijn. Je zou kunnen zeggen, dat voor de melancholische mens deze objectieve leegte van de zintuigen een soort grondslag wordt voor het innerlijk leven en hieraan ook in zekere zin de grondtoon geeft.

Innerlijke beelden, innerlijke kleurrijke voorstellingen, of het nu fantasiebeelden zijn of nabeelden van feitelijke waarnemingen, ontbreken bij de melancholische mens bijna altijd. Wanneer deze de ogen dicht doet is het innerlijk duister. Het kost dikwijls zelfs de grootste moeite om innerlijk iets voor zich te zien. Ook het beeldgeheugen als zodanig ontbreekt hierdoor veelal in hoge mate. En wanneer zo iemand in het museum eindelijk hetgeen gevonden heeft waarvoor hij eigenlijk is gekomen, is hij aangewezen op de zintuigen als zodanig. Meestal is dan ook slechts een vrij selectief, ingespannen waarnemen mogelijk van betrekkelijk korte duur met een duidelijk geconcentreerde innerlijke waarnemingsactiviteit.

Opvallend is echter altijd, wanneer de betrokkene twintig minuten of zelfs langer voor een schilderij heeft staan kijken, dat na afloop vrijwel geen waarnemingsbeeld in de herinnering achterblijft. De verankering in de zintuigen betekent immers dat waargenomen kan worden zolang het object van waarneming aanwezig is. Juist het feit dat er na de waarneming weinig beklijft en dat in de herinnering het beeld van de situatie waarin men verkeerde niet meer kan worden opgeroepen, maakt dat melancholici dikwijls onzeker zijn over wat zij hebben gezien en roept een sterke behoefte op naar werkelijk betrouwbaar feitenmateriaal.

Kaleidoscoop
Voor de sanguinicus die het museum binnen gaat, is de situatie constitutioneel anders. Hier gaat het om een dominantie van het astraallichaam. Een van de meest kenmerkende eigenschappen hiervan is, zoals gezegd, een sterk innerlijk beeldend vermogen. Hierdoor leven sanguinici altijd, bewust of halfbewust, in een soort kaleidoscoopleven van steeds opnieuw opkomende en weer verdwijnende innerlijke beelden, vol kleur en beweging. Op momenten kunnen deze beelden zelfs even sterk of sterker zijn dan de beelden van de op een gegeven moment waargenomen omgeving.
Ook de feitelijke beelden van de waargenomen wereld zelf echter vormen onophoudelijk een hoofdbestanddeel van het bewustzijn. Hier ligt de nadruk niet zozeer op het zintuig’apparaat’, dat vooral in het fysieke lichaam is gelokaliseerd, maar veel meer op de waarnemingen en op de steeds wisselende beelden en indrukken van de situatie.

Je zou kunnen zeggen, dat hiermee voor de sanguinicus de waargenomen omgeving en het beleven van de situatie van het moment zijn eigenlijke wereld is. Onze sanguinische museumbezoeker stapt dan ook naar alle waarschijnlijkheid opgewekt en met een nieuwsgierige verwachting het museum binnen, om zich met een snelle blik te oriënteren en met een enkele oogopslag de totaliteit van de entreehal in zich op te nemen. En zo gaat het verder, van zaal tot zaal. De hoeveelheid van verschillende schilderijen en andere voorwerpen is eigenlijk nooit teveel. Integendeel: vol interesse en steeds innerlijk meebewegend en meebelevend, is de sanguinische mens in staat veel van de uitgestalde kunstvoorwerpen te bekijken, de een met een snelle onderzoekende blik, de ander door wat langer stil te staan, of er even naar terug te keren, zonder van dit alles bijzonder moe te worden.

In tegenstelling tot het melancholische temperament kan de sanguinicus na een langdurig museumbezoek juist bijzonder opgefrist en levendig zijn. En wat meer is: na het bezoek aan het museum kost het meestal maar betrekkelijk weinig moeite om meerdere van de kunstvoorwerpen, ook al zijn ze maar kort waargenomen, weer voor de geest te roepen, dikwijls vrij natuurgetrouw en nauwkeurig tot in de kleuren en allerlei waargenomen details. En wanneer onze beide bezoekers na afloop van het museumbezoek een gesprek met elkaar zouden hebben, bijvoorbeeld over een van de schilderijen waarvoor de melancholicus zich lang heeft opgehouden, terwijl zijn vriend er met een korte onderzoekende blik aan is voorbij gelopen, dan zal toch bijna altijd de een in zijn geheugen een vrij duidelijk visueel beeld van het betreffende schilderij kunnen terugvinden, terwijl de ander misschien wel omtrent zijn persoonlijke gedachten en gevoelens die hij bij het kijken heeft gehad het nodige zal kunnen vertellen, maar vrijwel zeker geen duidelijk visueel beeld van het schilderij zal kunnen reproduceren.

Eigen beleven
Uiteraard zijn er meer karakterkenmerken die met de verschillen in dominantie van fysiek lichaam of astraallichaam samenhangen. Zonder volledig te zijn, noem ik een aantal van de meest opvallende. De behoefte aan concrete feiten, aan betrouwbare gegevens gaat bij melancholici vaak gepaard met zorgvuldige aandacht voor het eigen denken. Juist doordat in de voorstellingen vrijwel geen  werkelijke beelden van de wereld of van allerlei situaties aanwezig zijn, wordt het denken dikwijls geleid door eigen gevoelens of voorkeuren, waardoor een vrij sterk zelfbewustzijn en eigenbeleven kan optreden. Door dit alles is er tevens een duidelijke georiënteerdheid op het verleden. Hier immers zijn de dingen meestal nog onderzoekbaar, of kan uit eigen ervaringen worden geput. De toekomst daarentegen is voor het melancholische temperament vaak onzeker, ongewis of bedreigend. Hierdoor ook valt het nemen van besluiten dikwijls zwaar en lukt het moeilijk om tot zakelijke beslissingen te komen, los van de zorgelijke gevoelens omtrent de toekomst en van een te sterke zelfwaarneming.

Bij het sanguinische temperament treden, zoals gezegd, min of meer polair tegengestelde eigenschappen op. Opvallend is hier een duidelijke toekomstgerichtheid, een sterke verbinding met de omgeving (in plaats van een sterke zelfwaarneming), een voortdurende beweeglijkheid, zowel psychisch als lichamelijk en een wijze van besluitvorming die altijd impulsief plaats vindt en aan de situatie van het moment is gebonden. Verandert de situatie, dan kan ook het genomen besluit weer worden bijgesteld of worden herroepen. Het zal duidelijk zijn dat in het kader van dit artikel geen werkelijk omvattende beschrijving van de temperamenten mogelijk is. Daarvoor zou op allerlei karaktereigenschappen veel dieper moeten worden ingegaan. Het risico is immers altijd aanwezig dat door een (te) oppervlakkige beoordeling een soort indeling in vakjes zou ontstaan die alleen maar tot vooroordelen kan leiden.

Ik heb met het bovenstaande vooral willen aanduiden, hoe je methodisch te werk zou kunnen gaan bij het onderzoek van de verschillende temperamenten van de mens. De tegenstelling tussen de innerlijke beeldarmoede van het melancholische temperament en de rijkdom van het sanguinische is in dit verband een voorbeeld van de constitutionele verschillen als gevolg van de dominantie van verschillende wezensdelen.

Voor sanguinici is het dikwijls onbegrijpelijk zich voor te stellen dat er mensen zijn die de voortdurende innerlijke beeldenstroom die zij zo goed kennen niet zouden hebben. Evenzeer als het voor melancholici bijna ondenkbaar is dat er mensen zijn met een dergelijke innerlijke beeldenwereld. Maar, hoewel we hier te maken hebben met een vrij sprekend voorbeeld, gaat het met de hier aangeduide tegenstelling natuurlijk toch wel om een enkel aspect van de temperamentsverschillen. Interessant bij deze gehele nieuwe opzet van de temperamentenleer is niet alleen, dat het mogelijk wordt wat meer inzicht in onze medemensen te krijgen, maar voor mij in ieder geval, vooral ook dat het hierdoor mogelijk wordt een aantal antroposofische concepties in de praktijk van het dagelijks leven te toetsen. Wie op deze wijze enigszins levende, misschien zou je kunnen zeggen archetypische beelden van bijvoorbeeld het fysieke lichaam en het astraallichaam ontwikkelt, zal ten aanzien van de temperamenten steeds nieuwe ontdekkingen kunnen doen.

In het volgende artikel wil ik proberen in dit verband iets meer te zeggen over het etherlichaam en over het ik, waarbij de polariteit van het cholerische en het flegmatische temperament aan de orde kan komen.

Dick Crum, Jonas 13, 17-02-1984
.

deel [1]  en [3]  van deze reeks

menskunde en pedagogie: alle artikelen

1087-1009

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie -temperamenten (15-1/1)

.

Werken met temperamenten

Uitdaging aan een beeldend voorstellingsvermogen

Heeft de temperamentenleer afgedaan door de ontwikkeling van de psychologie, of is de toenemende belangstelling voor de vier karaktertypen terecht? Dik Crum zet, alvorens de vier temperamenten in volgende artikelen nader te belichten, de voors en tegens in de ontwikkeling van de moderne temperamentenleer op een rijtje.

Wie tegenwoordig over temperamenten spreekt, verkeert soms in een enigszins merkwaardige of zelfs wat ongemakkelijke positie.

Door velen – niet in het minst door vertegenwoordigers van de algemeen gangbare psychologische opvattingen – wordt de temperamentenleer immers zonder meer als afgedaan beschouwd. Zoals kortgeleden nog iemand opmerkte: …‘dat je die oude temperamentenleer nog serieus neemt, vind ik onvoorstelbaar naief. De ontwikkeling van de moderne psychologie heeft inmiddels toch wel wat meer opgeleverd’.

Vanuit een bepaald gezichtspunt is zo’n opmerking zonder twijfel juist. Je kunt moeilijk toegeven dat de toepassing van de oude temperamentenleer, zoals deze bij voorbeeld aan het begin van deze eeuw plaatsvond, nog erg zinvol is. Wie de temperamentenleer uit die dagen bestudeert, vindt een beschrijving van vier karaktertypen gebaseerd op historisch overgeleverde eigenschappen, die bij toepassing het risico hebben van een abstracte etikettering.

Dat neemt echter niet weg dat bij veel mensen, die niet gehinderd worden door kennis van de ontwikkelingen van de psychologie in de twintigste eeuw, en daardoor van de vooroordelen tegen de traditionele temperamentenleer, bijna altijd een grote belangstelling bestaat voor de karakterisering en beschrijving van de vier karaktertypen zoals deze in de oude Griekse typologie zijn beschreven. Vooral in een tijd die zich kenmerkt door een toenemende behoefte aan zelfkennis en zelfonderzoek, lijkt de temperamentenleer een hulp te kunnen zijn bij het herkennen van zich zelf en van anderen.

Moderne psychologie
De oorsprong van de temperamentenleer gaat – zoals bekend – terug tot in de Griekse oudheid. In feite is deze typologie, waaraan onder meer de namen van Hypocrates, Aristoteles en Galenus zijn verbonden, meer dan 2000 jaar een grondslag geweest voor de algemene mensenkennis en zelfs voor beroepsuitoefening.

Pas aan het begin van de twintigste eeuw werd de temperamentenleer verdrongen en door de opkomst van de moderne psychologie als verouderd terzijde gesteld. De relatie met de bekende vier elementen aarde, water, lucht en vuur kon geen standhouden tegenover een nieuwe empirische en natuurwetenschappelijke benaderingswijze. De temperamentenleer ontwikkelde zich mede hierdoor tot een uiterlijke opsomming van karaktereigenschappen en tot een etikettering met weinig zeggende namen.

Toepassingen van de temperamententypologie vinden – voorzover mij bekend is – thans eigenlijk daar plaats waar men werkt op basis van antroposofie zoals in de Vrije Scholen, bij antroposofische artsen, paramedische beroepen, bij de antroposofisch georiënteerde psychotherapie enzovoort.

Dat laatste hangt vooral samen met het feit, dat vanuit de antroposofie een vernieuwing van de oude temperamentenleer wordt nagestreefd. De oude Griekse karakterleer heeft hierdoor een metamorfose ondergaan, waardoor de onderscheiding van de vier verschillende karaktertypen op een geheel ander fundament berust dan weleer.

De ontwikkeling, maar vooral de toepassing van deze op antroposofische uitgangspunten gebaseerde temperamentenleer is zeker geen eenvoudige of gemakkelijke zaak. Wel is het zo, dat voor de hantering van de belangrijkste grondbegrippen geen langdurige en gespecialiseerde vooropleiding nodig is. Dit in tegenstelling tot sommige andere typologieën, die soms worden gebruikt.

Onze huidige psychologie is immers steeds meer een zaak geworden van vakspecialisten, van deskundigen die een vaktaal spreken waarin je moet zijn ingewijd. Algemeen toepasbare en inzichtelijke mensenkennis komt hierdoor voor de niet-ingewijden eigenlijk veel minder ter beschikking dan wenselijk zou zijn.

In veel situaties, zoals bij het aannemen van kinderen in een school of bij de beoordeling van sollicitanten, gaan velen dikwijls veel minder af op eigen waarnemingen of oordeelsvermogen dan wel op de uitkomsten van een psychologische test. De ontwikkeling van een karakterkunde die bij toepassing nu niet meteen een uitgebreide en specialistische vakstudie verlangt, zou aan een zekere ‘ontacademisering’ van de psychologie kunnen bijdragen.

Wezensdelen
Alvorens in een volgend artikel een beschrijving te geven van de vier verschillende karaktertypen die in de temperamentenleer een rol spelen, wil ik eerst kort ingaan op de antroposofische uitgangspunten op grond waarvan in verschillende antroposofische werkgebieden aan een vernieuwing van deze typologie wordt gewerkt.

In de eerste plaats is daarbij van belang de vraag hoe en waardoor het temperament van de mens eigenlijk wordt veroorzaakt. De antroposofische visie wijkt hier op een essentieel onderdeel af van de bestaande psychologische uitgangspunten.

Volgens de gangbare opvattingen wordt het menselijke karakter bepaald door twee factoren, enerzijds door de erfelijke aanleg, die men van zijn ouders heeft meegekregen, anderzijds door de omgeving en het milieu waarin men opgroeit.

In de antroposofische beschouwingen wordt aan deze beide factoren, zonder overigens de waarde ervan te ontkennen, nog een derde toegevoegd. Deze derde factor is de geestelijke afstamming van de individuele mens. Men gaat ervanuit dat de geestelijke wezenskern van de mens, waardoor ieder van ons een eigen en individuele persoonlijkheid vormt, berust op een ontwikkelingsproces van het individu, dat teruggaat tot in de periode voor de geboorte en zelfs tot in vorige aardelevens. In de antroposofie erkent men als het ware een dubbele afstamming. Aan de ene kant een erfelijke afstamming – vooral in biologisch en constitutioneel opzicht – van ouders, familie en van vorige generaties, en aan de andere kant een geestelijke afstamming als resultaat van een doorgemaakte ontwikkeling van het individu in een voorgeboortelijk leven en in vroegere aardelevens. Het temperament van de mens, de grondstemming waardoor het karakter wordt bepaald, wordt veroorzaakt door de onderlinge afstemming van de geestelijke afstamming met de lichamelijke. Anders gezegd, in het temperament komt de afstemming van het eeuwige wezensdeel van de mens met zijn tijdelijke lichamelijke verschijningsvorm tot uiting.

Een tweede belangrijk element van de antroposofisch georiënteerde temperamententypologie is gebaseerd op de onderscheiding naar de zogenaamde vier wezensdelen van de mens. Men kent niet alleen het uiterlijk waarneembare fysieke lichaam, maar ook het zogenaamde etherlichaam, een stelsel van levenskrachten waardoor met name de lichamelijke groei, maar ook regeneratie- en voortplantingsprocessen worden bepaald. Vervolgens het astraallichaam, als grondslag van innerlijke aandriften, zoals begeerten, strevingen, emoties en het ik als uitdrukking van de menselijke individualiteit en persoonlijkheid.

Deze vier wezensdelen verkeren in een bepaald onderling evenwicht. Binnen deze evenwichtsverhouding blijkt steeds een van de wezensdelen sterker werkzaam te zijn dan de andere drie, waardoor een zekere overheersing van dat wezensdeel in het geheel van de op elkaar betrokken wezensdelen optreedt.

Deze overheersing is de oorzaak van het totstandkomen van het temperament. Bij volwassenen (bij kinderen ligt de zaak enigszins anders) veroorzaakt een dominantie van het fysieke lichaam het zogenaamde melancholische temperament. Een dominantie van het etherlichaam veroorzaakt het flegmatische, een dominantie van het astraallichaam het sanguinische en een overheersing van het ik het cholerische temperament.

In antroposofische opvattingen wordt ervan uitgegaan dat het juist een dergelijke overheersing is, waardoor de grondstemming van de ziel, maar ook de eigenlijke grondhouding ontstaat, waardoor het karakter wordt bepaald.

Dit alles kan uiteraard niet wegnemen, dat steeds alle vier de wezensdelen werkzaam zullen zijn. Daarom is ook altijd een individuele menging van alle temperamenten aanwezig.

In geval van het melancholische temperament betekent dit bijvoorbeeld dat het melancholische in de vermenging van de vier temperamenten dat de andere temperamenten geheel afwezig zouden zijn. We zullen in de volgende artikelen die op deze inleiding over de temperamenten aansluiten, uitgebreider ingaan op de verschillende kenmerken van de vier typen die op deze wijze ontstaan. Om enigermate zichtbaar te maken, op welke manier zo’n dominantie van één van de wezensdelen een bepaald temperament tot gevolg kan hebben, volgt hieronder een korte aanduiding van de uitwerking die een dergelijke dominantie met zich meebrengt.

Cholerisch temperament
Wanneer van de vier wezensdelen het ik dominant is, ontstaat – zoals gezegd – het cholerische temperament. Een dergelijke overheersing van het ik heeft in de eerste plaats een beheersende, richtinggevende en consoliderende werking op de ziel van de mens. Dit kan zelfs doorwerken in de fysieke gestalte, die daardoor dikwijls een zekere dynamische gedrongenheid vertoont, met snelle en besliste gebaren.

De krachtige werking van het ik in de ziel roept als regel een uitgesproken dynamiek op met sterke emoties en een directe wilsverbondenheid met de omgeving.Vooral wanneer dit gepaard gaat met de behoefte de eigen wil kenbaar te maken, kan een duidelijke waarneming optreden van het stromen en pulseren van het bloed, met name in de ledematen. Deze samenhang is zo opvallend, dat deze bijna steeds een indicatie vormt voor de aanwezigheid van het cholerische temperament.

Ook in sociaal opzicht echter is de dominante werking van het ik te bemerken. De centrale plaats die het ik in de ziel inneemt, manifesteert zich in een grondhouding, waarbij de behoefte bestaat ook in de groep of in een gemeenschap het middelpunt te vormen en de leiding te nemen. Dikwijls treedt bij betrokkene bovendien een gevoel van onmisbaarheid op, waarbij op een energieke manier de eigen ideeën en oplossingen worden nagestreefd. Het ik uit zich steeds in grote werklust en initiatiefkracht, maar niet zelden tegelijk in een overwaardering van eigen inzichten en in een overschatten van het eigen kunnen.
Over de samenhang van het ik met het cholerische temperament valt natuurlijk veel meer te zeggen dan hier schetsmatig is aangeduid. Het gaat hier echter niet om een min of meer volledige opsomming van karaktereigenschappen van de cholerische mens, maar alleen om een zekere indicatie van de mens waarop de relatie van de verschillende dominanties van de wezensdelen tot het temperament kan worden gezien.

Sanguinisch temperament
Bij een overheersing van het astraallichaam treedt het sanguinische temperament naar voren. Ook hier is een duidelijke samenhang met het fysieke lichaam aanwezig. Zoals het ik is verbonden met de bloedcirculatie, hangt het astraallichaam samen met het zenuwstelsel. Hierdoor zijn voor het sanguinische temperament vooral de uiterlijke waarnemingen, maar ook gewaarwordingen, stemmingen en de gehele verhouding tot de omgeving van grote betekenis.

Het astraallichaam is zeer beweeglijk en dynamisch van aard. Deze dynamiek en veranderlijkheid drukt zich uit in een voortdurende wisseling van stemmingen, emoties, voorstellingen of wilsimpulsen, waardoor bovendien de betrokkenheid bij de omgeving snel kan wisselen.

Een zeer opvallende eigenschap van het astraallichaam is de rijkdom aan innerlijke beelden, zowel fantasievoorstellingen als waarnemingsherinneringen. Een dominantie van het astraallichaam brengt daardoor het vermogen met zich mee de dingen innerlijk voor zich te zien, in duidelijke voorstellingsreeksen vol kleur en beweging. De dynamiek en wendbaarheid van het astraallichaam roepen bovendien het vermogen wakker zich eigenlijk overal ‘thuis’ te voelen, waarbij een voortdurende en attente aandacht voor het specifieke van iedere situatie opvalt.

Flegmatisch temperament
Bij een dominantie van het etherlichaam treedt het flegmatische temperament op. In de antroposofie wordt dit etherlichaam gezien als het stelsel van levenskrachten van de mens, als het wezensdeel dat de uiterlijke vorm van het fysieke lichaam opbouwt en in stand houdt. Na de dood, wanneer het etherlichaam het fysieke lichaam heeft verlaten, treden natuurkundige en chemische processen op die de fysieke vorm vernietigen. Gedurende het leven echter veroorzaakt het etherlichaam, dat om deze reden ook wel vormkrachtenlichaam wordt genoemd, de continuïteit van de uiterlijke gestalte.

Dit principe van vormcontinuiteit werkt niet alleen in lichamelijk opzicht, maar het bepaalt ook de grondhouding tegenover allerlei situaties en gebeurtenissen van het dagelijks leven. Het roept bij voorbeeld, wanneer het etherlichaam overheerst, de behoefte wakker werkzaamheden te laten verlopen volgens een vast en beproefd patroon, dat tot een vast schema van handelingen kan uitgroeien. Verstoringen van buitenaf wekken daarbij na enige tijd veelal irritaties of wrevel. De vorming van vaste gewoontes speelt bij dit temperament daardoor een belangrijke rol.

Het feit, dat de levenskrachten in dit geval dominant zijn, roept een waarneming op van het eigen lichamelijke welbehagen, waarbij vaak situaties worden gezocht die dit gevoel kunnen bevorderen. Het stelsel van de levenskrachten komt in fysiek opzicht vooral tot uiting in de werking van de interne secretie en de lichamelijke sapstroming. Deze hebben, zoals bekend, een veel trager tempo dan bij voorbeeld de bloedsomloop.

Bij een overheersing van het etherlichaam over de andere wezensdelen, zijn ook de innerlijke ervaringen en belevenissen als het ware aan dit traagheidseffect onderhevig. De beweeglijkheid en dynamiek, die van nature aan de andere wezensdelen, vooral aan het ik en het astraallichaam eigen zijn, worden hierdoor afgeremd tot de gelijkmatige kalmte en rust van het flegmatische temperament.

Melancholisch temperament
Een overheersing ten slotte van het fysieke lichaam over de andere wezensdelen veroorzaakt het melancholische temperament. Hier zijn het vooral de zintuigen, waarin deze dominantie het duidelijkst tot uitdrukking komt. Het melancholische temperament wordt hierdoor gekenmerkt door een behoefte om de wereld eerst waar te nemen, situaties zelfstandig te onderzoeken en de dingen ‘met eigen ogen’ te zien, voordat men met enige zekerheid een oordeel kan vormen. Hiermee gaat een grondhouding gepaard, die tot uiting komt in een voorzichtige en gereserveerde opstelling tegenover nieuwe ontwikkelingen, met een neiging tot een gedetailleerde en zorgvuldige voorbereiding en dikwijls een zeker wantrouwen tegenover de omgeving. Het beleven van de begrenzing van het fysieke lichaam en het besef van de eigen beperkte fysieke mogelijkheden in vergelijking met de werking van de gevaren van de fysieke omgeving, roepen veelal gevoelens van onmacht wakker, te samen met een bewustzijn van de eigen, veelal veel te gering geachte capaciteiten.

Aan het gebruik van iedere typologie zijn uiteraard ook bepaalde risico’s verbonden. Het zou helemaal niet zo denkbeeldig behoeven te zijn, wanneer door een oppervlakkige toepassing van de typologie voorbarige conclusies – of nog erger – een soort indeling in vakjes van mensen zou ontstaan.

Een onbevangen omgang met zich zelf en met anderen zou hierdoor uiteraard alleen maar worden belemmerd. Dit gevaar is duidelijk groter wanneer de temperamentenleer wordt gebruikt als een soort uiterlijke classificatie naar allerlei abstracte kenmerken. Van grote betekenis is dan ook om bij de toepassing van de temperamentenleer te trachten, innerlijk levende beelden en voorstellingen te
ontwikkelen van de vier wezensdelen van de mens.

Ieder die met de temperamentenleer in de praktijk tracht te werken, zal daarbij
bovendien de ervaring opdoen dat een adequate beoordeling van de vraag welke van de vier wezensdelen in een bepaald geval overheerst, bepaald niet eenvoudig is. Hoe ongewoon dit misschien ook mag klinken voor een typologie, die toch bedoeld is voor de toepassing in de dagelijkse praktijk. Deze ervaring is niettemin van grote betekenis.

Het zal in veel gevallen dikwijls een periode van meerdere maanden tot misschien wel een paar jaar kunnen vragen, voordat een oordeel over iemands temperament kan worden gegeven. Het is dan ook van veel betekenis dat iedere conclusie over het temperament – of dit nu het eigen temperament is of dat van anderen – wordt gezien als een werkhypothese, die zoals iedere hypothese, alleen maar kan gelden, zolang er niets is dat een herziening noodzakelijk maakt.

Alleen bij een dergelijke voorzichtige toepassing en oordeelsvorming kan de temperamentenleer worden tot datgene wat ermee wordt nagestreefd: een uitdaging tot verdere studie en verdieping, zowel ten aanzien van zichzelf als van anderen.

Dick Crum, Jonas 12, 3 febr. 1984

deel [2]  en [3] van deze reeks

menskunde en pedagogie(k): alle artikelen

.

1086-1008

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (19)

.

MUZIEKINSTRUMENTEN

leven O.T.  17

1. Harp uit Ur
Deze harp is een instrument met 11 snaren (a), schuin gespannen boven een rijkversierde klankbodem (b). De harp wordt met de hand bespeeld (1 Sam. 16 : 16, „dat hij met zijn hand spele”). In Israël werd het instrument lopende bespeeld; het werd dus gedragen en kon daarom niet groot zijn (1 Sam. 10 : 5; 2 Sam. 6:5). Het klankwerk is versierd met mozaïek en het einde is versierd met een ramskop.

leven O.T.  18

2. Joodse gevangenen die de lier bespelen
De gevangenen, waarschijnlijk mannen van Juda uit Lachis, trekken door een bergwoud, onder bewaking en toezicht van een soldaat, die een knots (b) in de hand en een boogtas (d) op de rug heeft. De gevangenen dragen een hemdrok en zijn barrevoets; een van hen gaat blootshoofds; de anderen hebben een kap met hoofdband. Typisch voor hen is het Joodse gelaat, de haarlokken, de korte volle baard. Zij moesten op hun tocht op hun lier (c) spelen (als zij, die ons gevangen hielden, de woorden eens lieds van ons begeerden, Ps. 137 : 3). De soldaat draagt laarzen (a); deze Assyrische soldatenlaarzen worden vermeld in Jes. 9 : 4.

leven O.T.  19

3. Assyrische cymbalist
De cymbaal bestond uit twee koperen bekkens (a) („hel klinkende cymbalen”, Ps. 150 : 5) die tegen elkander geslagen werden, en diende niet om de melodie te leiden, maar om de maat te doen uitkomen. Zij werden gebruikt bij de orkesten (1 Kron. 25 : 1; 2 Kron. 5 : 12; Ezra 3 : 10) bij optochten (2 Sam. 6:5).

leven O.T.  20

4. Assyrische pauk
In de tempels speelde men op manshoge pauken of keteltrommels: de doffe toon was ver hoorbaar. Verder had men draagbare exemplaren van cylinder- of kegelvorm. Met de knokkels of de vingers werd de trom geslagen. In Israël werd de handtrommel of tamboerijn vaak door vrouwen bespeeld (Exod. 15 : 20); deze trom was het geliefkoosde instrument bij volksfeesten en optochten, bij vrolijke gelegenheden en gaf bij het gezang, vooral als het met reidansen gepaard ging, de maat aan (Richt. 11 : 34).

leven O.T.  21

5. Assyrische dubbele fluit
De fluit werd oorspronkelijk (en nog wel) uit een riet vervaardigd; later ook uit brons. Veel werd de fluit gebruikt; fluitspel begeleidde de klaagzangen (Jer. 48 : 36; Matth. 9 : 23) en de vreugdeliederen.

leven O.T.  22

6. Egyptisch meisje dat de luit bespeelt
Het meisje heeft om haar haar een haarband (a) met een versiering van bloemen. Zij bespeelt de luit (b) met een plektron of plectrum. De luit is een
tokkelinstrument met peervormig achtervlak; een plectrum is een klein ivoren, houten, schildpadden of metalen plaatje, waarmee de snaarinstrumenten van de ouden bespeeld werden. In Israël lieten de aanzienlijken de luit van tandelhout maken (1 Kon. 10 : 12).

leven O.T.  23

7. Reidans met muziekinstrumenten (Egyptische voorstelling).
De vrouwen met palmtakken (a), handtrommels (b) en lieren (c) begeleiden de dans met muziek, terwijl een naakt kind een tak in de hand houdt. Dansen bij godsdienstige feesten met muziek kwamen ook in Israël voor („de dochters van Silo zullen uitgegaan zijn om met reien te dansen,” Richt. 21 : 21; in het midden de trommelende maagden, Ps. 68 : 26).
.
Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1085-1007

.

.

VRIJESCHOOL – menskunde en pedagogie -autoriteit (16)

.

Navolging

De nabootsingskrachten van het kleine kind nemen geleidelijk af. Naarmate het kind bewuster wordt, hetgeen wil zeggen, dat de geestzielekern zich intensiever met het lichaampje verbindt, is de nabootsingskracht minder sterk. Het kind is niet meer geheel en al ‘in’ en ‘bij’ de omgeving, het is al iets meer ‘in’ en ‘bij’ zichzelf, waardoor zelfstandigheid (en de wil daartoe) groeiende zijn.

Men zou kunnen zeggen, dat het ik-wezen individualiserend werkt. Er is kennelijk een andere levensfase in voorbereiding.

De grotere kleuters bootsen niet meer zo na als de kleinere. Er zijn al aanwijzingen te vinden in welke richting de ontwikkeling zal gaan.

Men ziet in het spel, dat kinderen schipper, soldaatje of huismoeder spelen zonder dat zodanige personen aanwezig zijn, of zonder dat iemand hun activiteiten ‘voorspeelt’. Wat is daar het geval? Het kind volgt na, wat het als herinneringsbeeld in zich draagt van spelen, die het eens leerde (door echte gelijktijdige nabootsing). Het individuele bewustzijn van het kind is zo ver ontwikkeld, dat het herinneringsbeelden gaat hanteren. Overigens zullen andere kindertjes dan weer gaan nabootsen, wat het verder ontwikkelde kind begint, in navolging van zijn herinneringsbeeld. Bij de navolging van een eigen beeld kan het kind nog grotendeels in de half-dromende sfeer van zijn activiteiten blijven. Dit verandert, wanneer een nieuwe ontwikkelingsfase met de tandwisseling begint.

Het kind wordt dan rijp om met zijn veranderd denkvermogen naar willekeur beeld of voorstellingen te hanteren. Hierdoor is een nieuwe fase in het leerproces ingeluid. De volwassene doet niet iets, wat het kind meedoet, maar hij of zij doet iets voor, wat het kind navolgt. Navolgen kost veel meer inspanning dan nabootsen. Steeds navolgen totdat men iets kan, of kent, is lang niet altijd leuk. Een gezond kind ziet in, dat er zeer vele dingen zijn, die het moet kunnen en die het toch niet zo maar kan. Het maakt de volwassene nodig als leermeester.

Dit wordt het belangrijkste gegeven voor de nieuwe levensfase, die een echte leertijd is. Het kind wordt ‘schoolkind’. Het navolgen is wel een zaak, waarbij de wil van het kind betrokken is. Nabootsen kan men niet ‘bevelen’, navolgen wel. Het kind wilde wel eigen voorstellingen navolgen. Maar nu moet het leren ook die van een ander na te volgen. Een belangrijk sociaal moment tevens! Sleutel voor het leren en dus voor een zinvolle verdere ontwikkeling. De tweede levensfase moet niet alleen in het teken van lichamelijke ontwikkeling staan. Er komt iets bij: de psychische ontwikkeling, die geleidelijk steeds meer in de aandacht moet komen.

Het kind zal leren opdrachten uit te voeren, die in woorden worden gegeven.

Aan een kleuter geeft men geen echte opdrachten al zal men al te levendig gedrag op enige wijze moeten besnoeien. Maar dit spreekt allerminst vanzelf. Het wordt steeds gebruikelijker om kleuters wel opdrachten te geven. Dat betekent, dat men krachten aanspreekt die nog behoed zouden moeten worden. Een paard dat te vroeg voor de kar wordt gespannen, wordt nooit een goed trekpaard. ‘Manger son blé en herbe’ geeft het Frans als beeld.

Hoe krijgt men de wil van het jonge schoolkind mee?

Want dat is de belangrijkste vraag voor het leren. Moet men de navolging bevelen? Niet zozeer, al blijkt het weer na vele jaren experimenteren met de ‘permissive society’ dat de z.g. anti-autoritaire pedagogie alleen maar nog moeilijker opvoedbare kinderen heeft geproduceerd.

Rudolf Steiner heeft als allernoodzakelijkste pedagogie voor de lagere schoolleeftijd gepostuleerd, dat het kind verlangt naar autoriteit, dat het nooit goed leert navolgen zonder autoriteit en derhalve een van de belangrijkste vormingsdoelen en ontwikkelingsmogelijkheden voor zijn ziel mist, wanneer het geen autoriteit kent.

Overigens kan het ieder die met groepen 6-12-jarigen moet werken uit ervaring duidelijk zijn, dat er niets tot stand komt in sociaal opzicht, wanneer men het leren aan de z.g. beleefdheid van de kinderen overlaat.

Behoeft een kind alleen te leren, waarin het zin heeft, dan wordt de deur wijd open gezet naar het ontstaan van uiterst verwende en veeleisende jonge mensen, die in het leven zeker een negatieve factor — voor henzelf en voor anderen — zouden worden.

Het schoolkind zal tot navolging moeten worden bewogen door te appelleren aan de belangrijkste krachten van de mensenziel: de sympathie en de liefde.

De positieve houding ten opzichte van het kind en de daarbij gebleken creatieve en intellectuele gaven maakt de opvoeder en leraar geheel vanzelf tot autoriteit. Het kind houdt van deze mens en volgt hem of haar dan graag. Voor deze leeftijdsfase geldt, dat het wilsleven wordt ingeschakeld door middel van het gevoelsleven.

Dit moet de leerkracht als inzicht verwerven en dan is het ook geen probleem, dat het kind bemerkt, dat er één de dienst uitmaakt.

Leren is ook wel eens niet leuk. En toch moet het gebeuren. Ondanks tegenzin doet het kind de taak toch, uit sympathie voor zijn autoriteit, een woord dat oorspronkelijk ‘auctoritas’ luidde en niet alleen ‘gezagsdrager’, maar ook ‘welzijnsbevorderaar’ betekende.

Hoofdstuk V, waarvan 5.2, uit ‘Het binnenste buiten’ – eindrapportage project traditionele vernieuwingsscholen – Driebergen 1985, VPC\

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

1084-1006

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Filips de Goede

.

Filips de Goede

Filips de Goede, hertog van Bourgondië  1396-1467

De kern van het tegenwoordige België en Nedeeland vindt zijn oorsprong in het bewind van Filips de Goede, de hertog van Bourgondië. Voor hem hadden gebieden als Holland, Zeeland, Brabant en Vlaanderen gemeenschappelijke belangen. Maar die gebieden waren verdeeld onder een groot aantal heersers, die elkaar bestreden. Filips verenigde hen door een volhardende politiek van huwelijken, veroveringen en aankopen. Het leek mogelijk, dat er tussen de Rijn, de Seine en de Rhône een nieuwe staat zou ontstaan. Dit vooruitzicht stierf met Karel de Stoute, de zoon van Filips, tijdens de Slag om Nancy in 1476. Maar de Bourgondische gebieden in de Lage Landen, die werden geërfd door Filips’ dochter Maria van Bourgondië, waren van groot belang voor de daarna volgende Europese geschiedenis.

De Bourgondische staat en de bemoeienis in de Lage Landen, waren begonnen met de grootvader van Filips, hertog Filips de Stoute (1404), uit de Franse koninklijke familie Valois, hertog van Bourgondië en door zijn huwelijk graaf van Vlaanderen. Hij was een van de toonaangevende figuren in de Franse politiek. Zijn zoon, hertog Jan zonder Vrees, zette die traditie voort. Hij betwistte de volgelingen van de dauphin (kroonprins) de macht over de krankzinnige koning Karel VI. Door de grote overwinning van de Engelse koning Hendrik V bij Agincourt in 1415, was Noord-Frankrijk blootgelegd voor verovering door de Britten. Uiteindelijk werd er een ontmoeting gearrangeerd tussen de aanhangers van de dauphin en de Bourgondiërs. Dat was in Montreux op 10 september 1419.

Maar er kwam geen verzoening. In plaats daarvan werd Jan zonder Vrees op verraderlijke wijze vermoord. Filips sloot een bondgenootschap met de Engelsen en erkende het recht van de Engelse koning Hendrik V op de troon van Frankrijk. De Engelsen betaalden Filips jaarlijks een groot bedrag en ‘schonken’ hem verscheidene Franse gebieden, zoals Macon en Ponthieu. Zijn zuster Anne trouwde met hertog Jan van Bedford, de Engelse regent in Normandië. Het was een Bourgondisch garnizoen, dat Jeanne d’Arc tot overgave aan de Engelsen dwong. Maar Jeanne had de Fransen weer tot vaderlandsliefde geïnspireerd. Frankrijk knoopte ook banden aan met Duitse heersers aan de oostgrens van Bourgondië. Een tijdgenoot schreef: ‘Naarmate de tijd verstreek, kreeg hertog Filips steeds meer de behoefte zijn Franse hart te tonen’. In 1435 vergaderde het Congres van Arras (Atrecht) om Frankrijk en Engeland met elkaar te verzoenen. Daar ruilde Filips de Goede op dramatische wijze zijn bondgenootschap met Engeland voor een hernieuwde band met Frankrijk. Niettemin behield hij de landen die hem door de Engelsen waren geschonken, en uitgebreide grensgebieden langs de rivier de Somme.

De Bourgondische banden in het zuiden steunden op een overeenkomst van Filips de Goede met hertog Amadeus VII van Savoye en de hertog van Bourbon. Hij zocht in de moeizame politiek van Karel VII van Frankrijk naar voordelen voor Bourgondië. Hij steunde de oppositie van de edelen, de Praguerie, en bood asiel aan de opstandige Franse koningszoon, de toekomstige Lodewijk XI. Maar zijn belangrijkste wapenfeit was het behouden van de Bourgondische macht in de Lage Landen.

In het Verdrag van Delft van 1428 werd het recht van Filips de Goede op de troonsopvolging in Holland erkend. Dit gold ook voor Zeeland en Henegouwen. In 1430 werd hij in Brabant als hertog aanvaard. Namen werd aangekocht en Luxemburg veroverd. Hij verwierf Friesland, Limburg en Kamerijk en breidde de invloed van zijn familie uit in de bisdommen van Luik en Utrecht. Ondanks deze aanzienlijke gebiedsuitbreidingen slaagde Filips de Goede er niet in, de politieke problemen die werden veroorzaakt door de rijke en machtige steden, op te lossen. En op die rijke steden steunde de Bourgondische macht. Er kwamen opstanden in Brugge, Amsterdam, Rotterdam en Leiden. Toen, in 1447, kondigde de regering aan dat er een belasting op zout geheven zou worden. Dit betekende het begin van een langdurige strijd tegen de stad Gent. Deze stad was ‘de machtigste stad in de gebiedsdelen van de hertog’. Gent had een leidende rol gespeeld in het Vlaamse verzet tegen de grootvader van Filips de Goede. Dat verzet werd neergeslagen in de Slag bij Roosebeeck in 1382. De stad en de gemeenteraad van Gent hadden veel macht op het omringende platteland. Hun greep werd versterkt door de niet in de stad wonende burgers, de zogenoemde ‘hagepoorters’. Maar tijdens het conflict met de regering van de hertog werd het bestuur in de stad uitgeoefend door een revolutionaire raad. Het leger van de stad Gent werd in juli 1453 in de Slag bij Gavere verslagen. Daaraan was een strijd voorafgegaan, die de Bourgondische staat bedreigde en die de economie van Vlaanderen veel schade berokkende.

De tradities van de gebieden van de hertog werden weerspiegeld in het regeringssysteem. Het innen van de belastingen gebeurde plaatselijk, bijvoorbeeld in Den Haag, Brussel, Lille en Dijon. De stadhouders (provinciale bestuurders) werden de permanente bestuurders.

Het hof van Filips de Goede was het schitterendste van zijn tijdperk. Het werd gefinancierd door de schatrijke Nederlandse en Vlaamse steden. De schilders Jan van Eyck en Rogier van der Weyden en de musici Guillaume Dufay, Gilles Binchois en Johannes Ockeghem behoorden tot de grootste kunstenaars van de Lage Landen tijdens de regeringsperiode van Filips de Goede. Het was een ‘gouden eeuw’ voor de Europese cultuur.

alle biografieën

1083-1005

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (18)

SIERAAD

leven O.T. 1

1. Snoer uit Ras Sjamra
Bij de opgravingen van Oegarit (Ras Sjamra) werd o. m. dit snoer gevonden, dat blijkens de ligging dateert uit de 14e eeuw vóór Christus. Het snoer bestaat uit kralen van goud en zilver, kornalijn en barnsteen en parelen; buitendien is het versierd met enkele hangertjes (a).
Zulke snoeren waren in de oudheid zeer geliefd; men droeg ze in Oud-Israël („spanselen” Ex. 35 : 22; ketenen aan uwe hals; Spr. 1:9; halssieraad van het fijnste goud; Spr. 25 : 12; parelsnoeren; Hoogl. 1 : 10). Als hangertjes dienden halve maantjes en reukflesjes (Jes. 3 : 18 en 19).

leven O.T. 2

2. Spiegel (Egyptische zilverspiegel uit Byblos in Syrië).
De handspiegel bestond uit gegoten, convex geslepen metaal, vaak van zilver (daarom spreekt Elihu van de hemelen, die vast zijn als een gegoten spiegel, Job 37 : 18). Soms ook van andere metalen („hij maakte het koperen wasvat met zijn koperen voet van de spiegels der te hoop komende vrouwen, Exodus 38 : 8).

leven O.T. 3

3. Egyptische vrouw,
bezig zich te schminken, en een spiegel (a) in de linkerhand. „Zo blankette zij haar aangezicht en versierde haar hoofd” (2 Kon. 9 : 30).
Bij voorkeur werd gebruikt loodglans of stibium; het werd met een stift gesmeerd op de wenkbrauwen en wimpers om het oogwit sterker te doen uitkomen en de ogen groter te doen schijnen („al schuurdet gij uw ogen met blanketsel, Jer. 4 : 30; uw ogen beschilderd, Ezech. 23 : 40).

leven O.T. 4

4. Instrument voor het fijnwrijven van schminkpoeder
(Teleitat Ghas-soel). Het stibium werd met olie of zalf uitgewreven om als schminkpoeder gebruikt te worden. Het werd dan bewaard in schminkpaletten (als bij de opgraving van Sichem zijn gevonden); de naam van de jongste dochter van Job, Keren happûch kan betekenen: schminkhorentje of schminkdoosje (Job 42 : 14).

leven O.T. 5

5. Oorring uit Megiddo,
Oorringen („oorsierselen”, Statenvert. Gen. 35 : 4, oorring Num. 31 : 50) werden door vrouwen gedragen en door kinderen (de gouden oorsierselen, die in de oren uwer vrouwen, en uwer zonen, en uwer dochteren zijn; Ex. 32 : 2).

leven O.T. 6

6. Zegelring uit Jericho
Reeds in de tijd der aartsvaders was de zegelring bekend (Gen. 38 : 18): de zegelring dient als „ondertekening”.
De zegelring werd door de Israëlieten wel aan een snoer om de hals gedragen (Gen. 38 : 18), door de Egyptenaren aan de vinger (Gen. 41 : 42); later door de Israëlieten eveneens (zegelring aan Mijne rechterhand”; Jer. 22 : 24).

leven O.T. 7

7. Zegel van „Sjema,
dienaar van Jerobeam” uit Megiddo.
In het midden van het zegel is een brullende leeuw afgebeeld; er is op te lezen: „Sjema dienaar van Jerobeam”.
Met Jerobeam kan bedoeld zijn de tweede koning van die naam, die in Samaria regeerde van 783—743 voor Christus, terwijl Sjema dan zijn beambte was.
Het zegel is van jaspis en doet duidelijk uitkomen, hoe hoog de graveerkunst stond.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1082-1004

.

.

VRIJESCHOOL – Spel (15)

.

Spel

Het spel, tegenhanger in het menselijk leven van ernst en beroepsmatige bezigheid, is een oeroud verschijnsel. Zo normaal en veelvuldig voorkomend in de samenleving, dat een benadering vanuit het wetenschappelijke niet voorkwam, en ook niet nodig was.

Archeologische opgravingen toonden aan, dat kinderspeelgoed al in zeer oude tijden voorkwam. Poppetjes, beestjes, huisjes, ballen en trekwagentjes worden al op Egyptische reliëfs aangetroffen.

In de Griekse cultuur wordt het spel beschouwd als iets. dat bij het kind behoort: ‘Paidzo’, in het Grieks oorspronkelijk ‘handelen als een pais (kind)’, ging al spoedig betekenen: spelen, lachen, schertsen en van allerlei vermakelijke bedrijven tot en met het liefdesspel.

Het begrip ‘spelen’ werd steeds meer uitgebreid. Religieuze plechtigheden en andere feesten omvatten ook sportieve en kunstzinnige manifestaties: Toneelspel, treurspel, blijspel, sportief spel, fluitspel, vioolspel enzovoort. Al dit spelen heeft iets gemeenschappelijks: er wordt een activiteit ontwikkeld, het verschaft daarbij genoegen en het is strikt genomen niet zo nodig. De mens kan tot zijn laatste snik spelen.
Molière speelde ‘de ingebeelde zieke’ en overleed tijdens het spel.
Wie in de Provence een ‘ jeu de boules’ op een door oude platanen omzoomd pleintje door stokoude mannetjes heeft zien spelen, beseft duidelijk de grote band tussen mens en spel.
Maar, ook al ontdekte onze grote historicus Huizinga ludieke elementen in onze ernstige civilisatie, alleen bij de volwassenen wordt de grens tussen spel en het ernstige, noodzakelijke werk voor het dagelijks brood scherp getrokken. Daarom is de Griekse definitie zoals in het woord ‘paidzo’ besloten ligt een redelijk goed uitgangspunt.
Want het kleine kind wordt nog niet bezwaard door de tegenstelling tussen ‘spel’ en ‘ernst’. Wanneer het kind handelt, een activiteit ontplooit, is het aan het spelen. Althans voor het overgrootste deel.

Wanneer de echte leertijd voor het kind is aangebroken, krijgen we te maken met allerlei overgangsvormen tussen spel en ernst.

Steeds meer wordt de ernst hoofdzaak en het spel bijzaak, een goede vulling van de vrije tijd.

In de huidige tijd komt een vrij dwingende voorstelling in ons bewustzijn: het zou steeds nodiger worden de grenzen van de ernst naar jeugdiger leeftijden te verleggen. Het spel zou ondergeschikt moeten worden gemaakt aan het leerproces en de onbezorgde kleuterleeftijd zou aan een uitbreiding van het leergebied ten offer moeten worden gebracht. Daarvoor zou de lagere school de vroegere kleutergroepen moeten omvatten. De vragen komen als vanzelf op: is dit werkelijk gewenst? Is het gezond voor het kind? Wat is de ware definitieve betekenis van het spel?

Kan spelen en leren op een juiste wijze worden vermengd, ol zijn er ernstige bezwaren, die nog niet voldoende onderkend worden? Wat betekent ‘integratie’ in de regel? Wat is de verhouding tussen spelen en leren? Wanneer het kinderspel niet alleen iets leuks is, maar bovendien een levensnoodzaak voor het kleine kind om als zodanig goed en bovenal gezond te kunnen functioneren: Ja, dan is het zeer belangrijk om grondig na te gaan in welk opzicht het spel blijkbaar niet voldoende gewaardeerd wordt. Bovendien is een onderzoek gewettigd om na te gaan, wat het spel met het kind en wat het kind met het spel doet.

De eerste die tot een zeer algemene beschouwing over het spel in het menselijk leven kwam, was de dichter-filosoof Fr. Schiller.
In zijn ‘Briefe über die ästhetische Erziehung’ kwalificeert hij de aandrift om te spelen als een zeer hoge menselijke kwaliteit. Als uitgangspunt nam hij de menselijke vrijheid. Zijn invalshoek was niet alleen die van de psycholoog, maar ook die van de bioloog. Een korte samenvatting van zijn nog steeds voor de pedagogie uiterst belangrijke beschouwing volgt hier.

Schiller beschreef eerstens de onvrijheid van de ‘natuurdwang’, de biologische driftensfeer, waarin het levens- en lustprincipe wordt gedreven door het verlangen naar de stoffelijke wereld, die hem door zijn zintuigen wordt geopenbaard. Schiller noemt deze ‘benedenpool’, waarin de vitale krachten oppermachtig zijn, het gebied van de ‘Stofftrieb’. Het mensentype, dat zich voornamelijk laat beïnvloeden door de bevrediging van deze Stofftrieb, noemt Schiller ‘de wilde’.

Polair tegenover deze wereld van de ‘wilde’ en de onvrijheid van de natuurlijke dwang ligt de wereld van de ‘ratio’, het redenerende deel van de mens. De logische en abstracte ratio, het intellect, wordt door Schiller ook als een ‘drift’ gezien, die naar ordening, vorm en structuur streeft. Geen drift in biologische, maar in psychologische zin. Wel kan deze verstandsdrift een corrigerende rem op de Stofftrieb zijn, maar ook daar heerst onvrijheid. Men kan niet het gehele leven — en ook niet zichzelf — met het zuiver verstandelijke omvatten. Het is geniaal van Schiller, dat hij in de tijd van de ‘Verlichting’ het dwingende en onmenselijke van de Ratio heeft ontmaskerd. De verstandsdwang is zo mogelijk nog tirannieker dan de natuurdwang, want deze heeft alle eerbied en respect van de cultuurmens. De Ratio is geen godin, maar een ‘drift’, die toch niet echt menselijk is volgens Schiller. De vormprincipes, de ‘Formtrieb’, doet de natuur geweld aan. De mens, die vorm en orde over de natuur wil laten zegevieren, noemt Schiller de ‘barbaar’. De ‘barbaar’ als dictator is erger dan de ‘wilde’ struikrover, want hij ziet niet tegen het doden van honderdduizenden op, indien die het niet eens zijn met zijn eigen abstracte levensprincipes.

Het kan duidelijk zijn dat deze twee polaire driften, de ‘Formtrieb’ in de bovenpool van de mensen de ‘Stofftrieb’ in de onderpool beide voor de mens onmisbaar zijn. Schiller waarschuwt dan ook voor de eenzijdigheden (hij heeft het voorbeeld van de Franse Revolutie voor ogen gehad) en hij wijst op een middengebied, waar de beide uitersten in gemitigeerde (gematigde) vorm worden verenigd in een hogere ‘drift’. Waar kan men de logica en de ordening ondergeschikt maken aan de Stofftrieb? Waar wordt de Stofftrieb gediend door logica en ordening? Waar worden de uitersten verzoend en in een hogere werksfeer opgenomen? Wel, zegt Schiller, kijk dan naar het spelende kind! Het kleine kind, souverein logisch-onlogisch scheppend, de wereld van dc stof in de fantasie omvormend, metamorfoserend. Daar is pas vrijheid mogelijk. In de ‘Spieltrieb’.

De volwassene, die de ‘Spieltrieb’ ontwikkelt, kan ‘vorm’ en ‘stof tot evenwicht brengen en de tegengestelde krachten hanterend, van het leven een waarlijk creatief en menswaardig kunstwerk maken.

Het kleine kind doet dat vanzelf, de volwassene moet weer leren spelen en de uitersten in harmonie brengen. Het middengebied van de ‘Spieltrieb’ is dan ook geen passief gebied, waar vorm en stof binnenvallen om elkaar te overtroeven, maar een gebied, waar de hoogste, geestelijke activiteit van de mens wordt opgeroepen.

Schiller heeft met deze beschouwing van de drieledige ‘driftenmens’ een ongemeen groots perspectief geopend. Velen zijn erdoor aan het denken gegaan, omdat de opgave die Schiller in zijn werk aanduidt, een wezenlijk Christelijke is; en het woord van de Christus ‘als gij niet wordt gelijk de kinderkens’ heeft door Schillers werk een nieuw reliëf en een moderne benadering gekregen.

Hoewel Schillers impuls grotendeels vergeten werd, heeft het kinderspel als zodanig de mens niet meer losgelaten. In de 19e en 20e eeuw hebben vele wetenschappers wegen gezocht om het kinderspel te benaderen. Zij namen vele verschillende uitgangspunten.

Er is een uitgebreide literatuur gekomen over dit onderwerp. In het moderne wetenschappelijke onderzoek van het spel is een grote differentiatie ontstaan. Alles zeer belangwekkend. Maar één ding is nog niet voldoende duidelijk geworden: de eminente betekenis en de noodzaak van het spel in de gehele ontwikkelingsgang van elke mens. Verkeerde voorstellingen over deze ontwikkelingsgang vormen een voortdurende hinderpaal om de dingen in juiste proporties te zien. Men zou ervan af moeten om het spel van de kleuter alleen als voorbereiding voor hogere vormen van leren, of zelfs van mens-zijn te zien. Het kind in zijn ontwikkeling wordt daardoor niet naar de juiste waarde geschat.

In iedere levensfase is het mensenkind ‘jong’, ‘adolescent’, ‘volwassen’ en ‘oud’ te noemen. Al het levende heeft beginfase, volwassen-, bloeiende fase en eindfase.*

Een kleuter die tot bloei is gekomen, is volwassen als kleuter. Alle leeftijdsfasen zijn evenzeer van waarde. Ook de volwassene is jong, bloeiend, oud in successie, maar de bloeiende kleuter en de bloeiende volwassene zijn als wezen-in-ontwikkeling gelijk. De bloeiende kleuter is door zijn grote ontvankelijkheid eigenlijk nog belangrijker omdat hij kwetsbaarder is en er dus meer aan hem te bederven is.

Creatieve pedagogen hebben in de scheppende kracht, die zich manifesteert bij spelende kleuters, een centraal vermogen gezien. Het was hun immers gebleken, dat kinderen na twee jaar gangbare lagere school iets verloren hadden: niet alleen de uitdrukkingsmogelijkheden waren verdwenen, maar ook het plezier om iets uit te drukken was verloren gegaan. Men heeft dit wel ingezien, maar thans dreigt het gewone kinderspel weer onder te gaan in een menigte intellectuele foefjes, die postuleren om het spelelement van de cognitieve ontwikkeling dienstbaar te maken.

Wij richten ons thans tot Rudolf Steiners ‘speltheorie’. Hoe eenvoudig is deze, maar buitengewoon veel omvattend en tegelijkertijd volledig op de praktijk gericht.

(Zijn opmerkingen over het spel zijn niet alleen gebaseerd op de waarneming van spelende kinderen, maar ook op waarneming van datgene, wat er met het kind innerlijk gebeurt tijdens het spel. En zulks gevoegd bij de waarneming van de gehele mens als wezen, die slechts door zelfscholing en innerlijke verdieping tot die liefdevolle inzichten kan komen.
Zo ontstaat ook het werkelijke inzicht, wat een kind is, was en worden zal.)

Waarom is het spel van de kleuter van levensbelang voor zijn ontwikkeling? Steiner beantwoordt deze vraag met een vergelijking tussen volwassene en kleuter..

Bij de volwassene bestaat de z.g. ‘ernst des levens’, een tegenwoordig ietwat aangetast, maar toch zeker nog bruikbaar criterium. ‘Ernst des levens’ bij de volwassene betekent zinvol werk doen, arbeid verrichten, die basis voor levensonderhoud vormt. Er is eigenlijk een hoogtepunt in het leven van de volwassene, wanneer hij het door hem geleerde bij de arbeid steeds beter kan toepassen en bovendien maatschappelijke erkenning voor deze arbeid ontvangt.

Bij de kleuter ligt dit heel anders, maar er is iets vergelijkbaars. Het hoogtepunt van het kleuterleven is het spel, waaraan het kind zijn krachten wijdt. Het spel is namelijk volle ernst voor het kind. Het spelen te doen en te kunnen is de levensvervulling in zijn levensfase.
Het verschil tussen het spel van het kind en de arbeid van de volwassene bestaat o.m. hierin, dat de arbeid ingevoegd moet worden in de uiterlijke doelmatigheid van het maatschappelijk leven.
Het kind echter wil de activiteit en de bezigheid van het spel uit zijn eigen natuur ontwikkelen.
Het spel werkt van binnen naar buiten. De arbeid daarentegen werkt van buiten naar binnen.

Zoals reeds werd aangeduid, dienen we het kleine kind extra belangrijk te vinden. Wanneer het hoogtepunt van de kleuterontwikkeling vergelijkbaar is met het hoogtepunt van de volwassen levensvervulling, dan komt de belangrijkheid van het spel in een veel groter dimensie te voorschijn dan vroeger het geval was.
En zo is zeker het spel als bruikbaar en noodzakelijk criterium gerechtvaardigd om tot invalshoek voor een integratie-school-werkplan te dienen.

In het algemeen mag nog opgemerkt worden, dat de eerste leeftijdsfase van het kind in het teken staat van het wilsleven, eerst als ‘gebonden warmte’ in de fysica werkend in de fysieke op- en uitbouw van het organisme, daarna zich geleidelijk emanciperend tot psychische kracht in de kinderziel. Groeikrachten emanciperen zich tot bewustzijnskrachten in die fase, worden tot beeldkracht en fantasiekracht (zie hoofdstuk 3 onderwijsfilosofie).

Dit behoort tot de zeer belangrijke ontdekkingen van Rudolf Steiner. Hierdoor wordt duidelijk, dat het gezond spelende kleine kind in die eerste levensfase een basis legt voor latere gezondheid, werklust en wilskrachtig (en bedachtzaam) handelen. In die levensfase ontstaat de mogelijkheid in de fase tussen 21 en 28 jaar individueel en sociaal tot een waardevol lid van enige samenleving uit te groeien.

Het is zonder meer zorgelijk, dat vele kinderen niet meer blijken te kunnen spelen. Daardoor komt hun latere levensgeluk en maatschappelijke ontwikkeling in gevaar. En hoe meer intellect deze kinderen hebben, hoe bedreigender zij zullen worden.

De volwassene zal zelf weer moeten leren spelen, om te weten, hoe een kind speelt en hoe men te handelen heeft om het kind te laten en te leren spelen.

Rudolf Steiner geeft ook voor deze praktische kant van de zaak waardevolle aanwijzingen. Het advies is eenvoudig: de arbeid van de volwassene moet geïntegreerd worden in de kleuterschool.
Het is een zeer belangrijke pedagogische activiteit om deze arbeid der volwassenen in kinderspel om te zetten. Doordat het kind nabootsingskrachten in zich heelt, gaat het activiteit ontwikkelen, spelen, wanneer het zinvolle arbeid van de volwassenen ziet of heeft beleefd.
En een stroom van fantasiekrachten begint te vloeien naarmate er meer groei- en levenskrachten in het psychische worden getransformeerd.

Overigens zijn er nog andere, hoogst belangrijke aspecten. In het laten spelen naar aanleiding van zinvolle bezigheden steekt bovendien het morele en spirituele, dat spelend wordt opgenomen.

Rudolf Steiner wijst op de gevaren van het laten spelen met ‘uitgedachte’ activiteiten en met ‘uitgedacht’ materiaal. Deze dingen zijn juist in het praktische leven niet te vinden. Geen volwassene doet aan matje-vlechten, blokje-leggen, lapje-dichtknopen. Het intellect is daar aan het werk geweest, zodat deze spelactiviteiten zonder meer on-kinderlijk moeten worden genoemd.
Eigenlijk vinden de kleuters deze uitgekiende spelletjes ook niet leuk. In het intellectuele spelmateriaal is noch geest noch moraal aanwezig. Het is onkinderlijk niet alleen, maar ook schadelijk.
Het kind mist iets, maar kan natuurlijk niet uitleggen wat het is. Een voorbeeld moge dit verduidelijken.
Een eenvoudige, zachte lappenpop brengt het kind tot een psychische activiteit. Al spelend vult het met de fantasie aan wat niet ‘af’ is, het voltooit een beeld van de mens, waarbij het eenvoudige popje als aanknopingspunt dient.
Het spelen met iets, dat niet af is, mag dan ook heel belangrijk genoemd worden.
Wanneer men het kind nu een zogenaamde ‘mooie pop’ geeft, brengt men het niet alleen in aanraking met een ijdel, opgetut mormeltje met namaak-haar, namaak-Iievigheid (soms zelfs met namaak-klets), een soort afgelikte volmaaktheid, maar men verhindert de psychische activiteit, de fantasie-ontplooing, men scheidt het kind af van het echte leven en verstoort het zachte, creatieve zoeken naar schoonheid.

Het kind, dat leeft, leert en creatief werkt in de nabootsing is aan het spelen. De kleuter bereikt een hoogtepunt, dat zeker niet minder, eerder meer belangrijk is dan het zogenaamde echte leren later.
Het spelen is geen voorbereiding voor dit ‘later’, maar het ‘later’ mislukt (met het leerproces) zonder de hoogtepunten van het kleuterspel.

Het is duidelijk, dat de slimme bedenksels om de kleuter alvast aan hel ‘leren’ te krijgen, niet alleen onnodig, maar ronduit schadelijk zijn. Er wordt zo veel bedorven voor het latere leven van de volwassene.

In de lagere schooltijd behoort het spel geleidelijk in arbeid te worden omgezet. De grote hulp daarbij is het spelelement, waarbij alles ‘voorgesteld wordt’, in beeld gebracht als een klein drama in reken-, taal- of geschiedenisles. Dan moet de fantasie van de leerkracht in actie komen, die daartoe ‘alles tot beeld verwerkt en dit beeld laat “uitbeelden”, of het nu letters, getallen of leestekens zijn.’

Daarnaast blijven de sociale spelen (kringspelen, behendigheidsspelen) in gebruik op de lagere school (tot in de gymnastieklessen). Door het spelelement der verbeelding wordt een mogelijkheid gegeven op het juiste ogenblik tot het abstracte denken te komen omstreeks het twaalfde jaar.

*Deze beschouwing van de leeftijdsfasen begint aarzelend ingang te vinden:
Guardini (niet in literatuurlijst)
Lievegoed: Ontwikkelingsfasen van het kind, Zeist 1968

Hoofdstuk V, waarvan 5.3, uit ‘Het binnenste buiten’ – eindrapportage project traditionele vernieuwingsscholen – Driebergen 1985, VPC

Spel: alle artikelen

1081-1003

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – temperamenten (15-2)

.

De temperamenten

In de Grieks-Romeinse cultuur werden de vier temperamenten bekeken vanuit het vloeistof-element, de sapstromen in het lichaam. Het woord ‘temperament’ betekent ‘menging’.
Volgens Hippocrates en later Galenus waren de belangrijke lichaamssappen: bloed (sanguis), zwarte gal (melanchos), slijm (flegma), en gal (cholos). Temperamentenleer was een medische zaak. De sappenleer is al lang verlaten in de medische wetenschap. De namen sanguinisch, melancholisch, flegmatisch en cholerisch bleven bestaan.
In de psychologie speelden deze temperamenten later een rol o.a. bij Heijmans.

Rudolf Steiner wees opnieuw op de vier temperamenten, maar ditmaal werd hun bruikbaarheid in de pedagogie benadrukt. Hij ging daarbij uit van twee criteria, die in fysiologisch-psychologische zin te gebruiken zijn n.l. de prikkelbaarheid en de activiteit.

Een type met grote prikkelbaarheid en grote activiteit (cholerisch) staat polair tegenover een met geringe prikkelbaarheid en geringe activiteit (flegmatisch).

Een tweede polariteit bestaat tussen een type met grote prikkelbaarheid en een geringe activiteit (melancholisch) en een type met geringe prikkelbaarheid en grote activiteit (sanguinisch).

De oude namen werden behouden, omdat deze vier typen ook bleken te kloppen met de medisch-psychologische onderscheidingen van weleer.

Het temperament van de mens is niet onbelangrijk, want hij behoudt het als mens zijn leven lang.

Men ziet bij de kleuter al een temperament ontstaan. Het wordt manifest in de zich geleidelijk emanciperende levenskrachten. Het temperament is immers bij de kleuters nog zo in het organisme gebonden, dat het niet juist zou zijn om er pedagogisch mee te werken. Dit kan pas met vrucht, wanneer het emancipatieproces van het levenskrachtenorganisme (met de tandenwisseling) voltooid is. Rudolf Steiner noemt de voltooiing van dit proces zelfs een ‘tweede geboorte’ van het kind.

Tot het begin van de puberteit komt het temperament vrij zuiver voor. Men kan er ongeveer zeven jaren pedagogisch mee werken. Daarna is dat niet meer mogelijk. Wel kan de mens later door zelfopvoeding iets aan zijn temperament trachten te veranderen. Geen gemakkelijke zaak overigens.

Eigenlijk draagt de mens alle vier temperamenten in zich. Meestal voert één temperament de boventoon, speelt als het ware de eerste viool.

Hoe zien de temperamentstypen eruit en hoe kan men deze indeling in temperamentsgroepen in een klas pedagogisch gebruiken?

a. Het melancholische kind heeft het moeilijk. Het denkt veel en is bevreesd voor vele dingen die zouden kunnen gebeuren. Het zit vrij stil, ogenschijnlijk rustig, maar innerlijk gespannen. Het heeft grote aandacht voor het kleinste eigen wondje of pijn. Dit beleven van de zwaarte, de moeilijkheid in alles, maakt het kind vrij somber en zwaartillend. Het is egocentrisch en oog voor een ander heeft het niet. Staat het melancholische kind op, dan blijkt het vrij lang en mager te zijn, soms zelfs ietsje schonkig. Hel loopt langzaam, sjokt en sloft, het schijnt of het zijn voetzooltjes aan de grond afsmeert. Het gezichtje is letterlijk en figuurlijk lang. Hel kind is introvert, denkt, en heeft het koud. De belevingen
zijn diep. maar er komt heel weinig van naar buiten. Het wil niet opvallen. Warmte in stemklank en gebaar, rustige benadering, zelf laten merken, dat de narigheid in de wereld (en in eigen leven) niet aan hem voorbij is gegaan, geduld en belangstelling zijn bij de leerkracht nodig om het melancholische kind te winnen en tot leren te brengen.
Melancholische kinderen zet men in een groepje bij elkaar. Zij vinden elkaar soms overdreven. Dit is goed. Het is zeer economisch, zo’n groep: door z’n geringe belangstelling voor anderen denkt elk kind van de groep, dat hij alléén wordt aangesproken. Zo is één melancholisch gesprek of voorbeeld voldoende voor een groep van acht, in plaats van acht gesprekken.
Dit spaart tijd zonder te haasten.

b. De tegenhanger van het melancholische kind is het sanguinische. Dit kind valt dadelijk op en dat vindt het fijn.
Het is harmonisch gebouwd, het heeft een regelmatig gezichtje, een goed gevormd borstkasje, een duidelijk middeltje, goed gevormde kuiten. Vaak heeft het blauwe oogjes en blond haar. Dansende voetjes, dansende lokken, heldere, vrolijke stem, innemend, maar vlug afgeleid, moeilijke concentratie dus, oppervlakkig en gemakkelijk in de omgang, kortom een elfje, huppelend en op de tenen lopend, schelms, slordig maar lieftallig. Een luchtig, extravert gevoelswezentje. Loslippig: een minimum aan indrukken levert een maximum aan uitingen. Het kijkt vaak omhoog. Men kan zo’n groep wezentjes paaien door zelf heel veel veranderingen in de les te laten plaatsvinden. Veel afwisseling, humor, dan begint het sanguinische kind van zijn leerkracht te houden, zodat men het ook tot enige concentratie kan brengen.

c. Zie me daar die cholericus eens aan! Hij stampt bij het lopen energiek met de hakken. De vuisten zwaaien rond en komen als hamertjes neer. Hij is gedrongen van bouw, hij heeft weinig middel en vaak korte ledematen. Zijn nek is kort, zodat het hoofd de indruk maakt in de romp geschroefd te zijn. De stem is dikwijls rauw, het gehoor slecht. Er is een diepe beleving, maar o wee, wat een vulkanische reacties en woeste handelingen! De cholericus is vurig verbonden met het doen en zeer actief. Hij kijkt soms wazig, soms ook met borende blik, recht vooruit. Hij is gauw driftig. Men berge zich dan voor de krachtdadige reactie. De leraar moet vooral kalm blijven. Wat later veel belangstelling tonen en de cholericus voordoen, hoe hij zich gedroeg. Onverzettelijk zijn en niet zwichten voor de woede-aanval. Dat boezemt de driftkop een respect in, dat bij een volgend conflict goed bruikbaar blijkt.

d. De polaire tegenstelling van het cholerische kind is het flegmatische. Het is vaak fors gebouwd en vol ronde vormen. Het beweegt zich langzaam, zelfs traag. De flegmaticus schuwt alle haast en hij is op zijn gemak gesteld. Weinig maakt indruk op hem, weinig komt er uit hem. Zijn zachte zoolgang, als een beertje, verhaast zich iets wanneer hij zich naar een plaats begeeft, waar hij zich zorgvuldig en methodisch kan zitten voeden. Hij maakt een slaperige indruk. De mooiste plaats is voor hem: zijn bed. Hij is vol gevoel, voor zichzelf weliswaar. Het type ‘binnenvetter’ komt ook bij de flegmatici voor: rustig, zeer intelligent, een uiterst koel en nauwkeurig waarnemer, is zo eentje. Dikwijls ook een ijverige en keurige werker, want hij herhaalt graag en vaak, wat hij geleerd heeft. Men kan de flegmaticus slechts benaderen door ook flegmatisch te spreken en te doen. Een flegmatische leraar is een raadsel voor het kind: die begint interesse te wekken bij hem. Innerlijk echter moet de leraar juist vol belangstelling zijn voor het kind.

temperamenten 1

Het algemene kindertemperament is sanguinisch
Tot het begin van de puberteit kan men de vier temperamenten behandelen. Steeds zal men moeten bedenken, dat een temperament wel kan ontaarden (waanzin, dwaasheid, razernij, botheid), maar op zichzelf geen ziekte is. Temperamenten zijn aangeboren hebbelijkheden met positieve en negatieve kanten. Zij moeten niet bestreden of afgeleerd worden. Het zou niet gelukken en uiterst onpedagogisch werken.
Harmonisering is wel mogelijk en ook nodig. Temperamenten zet men soortsgewijs bij elkaar, zo mogelijk ook nog naar jongens en meisjes gerangschikt.
Er zijn vele sociale mogelijkheden. De leerkracht kan zijn temperamentsgroepen ‘bespelen’, als een dirigent zijn strijkers, blazers en slagwerkers. Hij kan alle kinderen wijzen op elkaars ‘anders zijn’ en de acceptering ervan in de hand werken, daarbij elk waarde-oordeel vermijdend. Positieve benaderingen, homeopathische behandeling geeft de beste resultaten (d.w.z. het gelijke met het gelijke behandelen).

Zijn vier wezensdelen (lichaam-, leven-, ziel en geest) hangen evenzeer met de temperamenten samen als de vier elementen, waaruit de wereld is opgebouwd.

Voor de volwassen mens geeft Rudolf Steiner de volgende samenhang aan:

Er zijn vele sociale mogelijkheden. De leerkracht kan zijn temperamentsgroepen ‘bespelen’, als een dirigent zijn strijkers, blazers en slagwerkers. Hij kan alle kinderen wijzen op eikaars ‘anders zijn’ en de acceptering ervan in de hand werken, daarbij elk waarde-oordeel vermijdend. Positieve benaderingen homeopathische behandeling geeft de beste resultaten (d.w.z. het gelijke met het gelijke behandelen).

Zijn vier wezensdelen (lichaam-, leven-, ziel en geest) hangen evenzeer met de temperamenten samen als de vier elementen, waaruit de wereld is opgebouwd.

Voor de volwassen mens geeft Rudolf Steiner de volgende samenhang aan:

melancholisch           -aarde, het vaste –        fysiek lichaam
flegmatisch                -water, vloeistof’ –        levenslichaam
sanguinisch                -lucht, gas –                   ziele-organisme
cholerisch                   -vuur, warmte –            ik (geest)

Voor de schoolkinderen ligt dat nog anders, omdat hun ‘ik’ nog niet voldoende met de andere drie wezensdelen verbonden is. Dan is er het navolgende verband:

flegmatisch                 -water                          -fysiek lichaam      -voelen
sanguinisch                 -lucht                          -levenslichaam      -voelen
cholerisch                    -vuur                           -ziele-organisme    -willen
melancholisch            -aarde                          -(ik)                          -denken

Hoofdstuk V, waarvan 5.5, uit ‘Het binnenste buiten’ – eindrapportage project traditionele vernieuwingsscholen – Driebergen 1985, VPC

Rudolf Steiner als pedagoog (1)

Hoe om te gaan met de driftbuien van een cholericus
Rudolf Steiner als pedagoog (2)
Wat kan er gebeuren als 2 kinderen met eenzelfde temperament naast elkaar zitten
Rudolf Steiner als pedagoog ( 3)
Een aanwijzing voor het melancholische temperament
Rudolf Steiner als pedagoog (4)
Hoe bij een (cholerisch) kind een verhaal werkte

(1)  Temperament en rekenen (1)
optellen “flegmatisch en cholerisch”
(2)  Temperament en rekenen (2)
vermenigvuldigen “sanguinisch en melancholisch”
(3) Temperament en rekenen (3)
delen “cholerisch en flegmatisch”
(4) Temperament en rekenen (4)
aftrekken “melancholisch en sanguinisch”

werken met temperamenten [1]    [2]    [3]

.

1080-1002

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (17)

.

MAALTIJDEN
.
leven O.T. 45
1. Assyrische maaltijd
Enkele mannen zitten om de grote pot (a); één daarvan rechts, schept met een nap (c) het vleesnat, de bouillon, op: zo’n nap ging dan de kring rond. Voor de vaste spijzen gebruikte men, gelijk nog heden in het oosten, de vingers. •— De hoofdmaaltijden bij de Assyriërs waren ’s morgens en ’s avonds. — In de huizen der welgestelden riep de heer des huizes de dienaren toe: Brengt mij water (b); giet het op mijn handen; ik wil eten. — De hongerige eters smakten met de tong om hun begeerte tot uitdrukking te brengen en grepen met ijver naar de spijzen, die de dienaars brachten. – Na het eten waste men het gezicht met een handdoek af; daarna goot een dienstknecht water over de handen. Kleine honden, die veel in huis gehouden werden, liepen in de kamer rond en aten van „de kruimkens hunner heren.”
.

leven O.T. 46
2. Egyptische maaltijd
Bij a is een gedekte tafel; de man links houdt een blad met vijgen in de hand. De derde man is bezig een gans te verwerken (b); de andere rechts houdt een stuk vlees in de hand. De Egyptenaar bij c links gaat de vis, die hij in de hand heeft, eten; de man rechts drinkt uit een kruik. Ook de man links bij d eet vis. Onder die tafel bij d en die bij a zijn mandjes met druiven. De tafels tonen een volheid van spijs; merkwaardig is de afwezigheid van vorken; maar de handen en vingers doen dienst. Men zit op de grond; stoelen worden bij deze maaltijden niet benut.
.
leven O.T. 473. Gastmaal (naar een Fenicische uitbeelding,
gevonden op het eiland Cyprus). Een drietal volwassen personen ligt aan tafel; bij dit aanliggen aan tafel steunt ieder met de linkerhand op de hogere leuning van de divan. Twee ervan zijn mannen: zij dragen een puntige kegelvormige muts (a, b); zij hebben een puntbaard maar hebben een gladgeschoren bovenlip. De mannen zijn verder gekleed in een lange mantel. De derde figuur (c), is een vrouw; zij draagt een hoofddoek, die ook de wangen en de kin bedekt. De man rechts (a) draagt een kind op de knie, gehuld in een lange mantel; de ronde muts wijst erop, dat het een meisje is.

Dat men in de oudheid aan een tafel zat, leert men ook uit Richt. 19 : 6; 1 Sam. 20 : 5; en met name 1 Kon. 13 : 20. Wil iemand zijn gasten bijzonder eren, dan eet hij niet mee, maar staat er bij om te bedienen (Gen. 18 : 8). Het aanliggen wordt wellicht reeds genoemd in Amos 6 : 4; in de vert. van het Bijbelgenootschap leest men in Matth. 9 : 10 dat de tollenaars en zondaars mede aanlagen; eveneens Matth. 26 : 7; Marcus 6 : 22; 14 : 3, 18; Joh. 13 : 23; 21 : 20.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1079-1001

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Diocletianus

.

Diocletianus 243-305

Diocletianus

Een borstbeeld van de keizer Diocletianus, dat tijdens zijn regering werd gebeeldhouwd.

In de tijd dat Diocletianus opgroeide in een dorpje in wat nu Joegoslavië is, raakte het eeuwenoude Romeinse Rijk in verval. De noordelijke provincies werden bedreigd door Barbaren, die in Europa woonden en in het oosten groeide de macht van Perzië. Generaals die geacht werden de provincies aan de grenzen te verdedigen, grepen vaak zelf de macht en riepen zich tot plaatselijk heerser uit. Velen, voornamelijk militairen, streden om de troon van de keizer.

In het begin leek het alsof Diocletianus niet veel anders was. Hij maakte carrière in het leger. Door zijn troepen werd hij tot keizer uitgeroepen, waarop hij de strijd aanbond met de regerende keizer, Carinus. Niet lang daarna werd Carinus vermoord. Diocletianus werd toen tot keizer gekroond. Maar hij wilde meer dan alleen de macht. Hij wilde het keizerrijk in zijn vroegere glorie herstellen. Tegen de tijd dat hij, in 305, afstand deed van de troon, had hij bij alle grenzen vrede gesticht en het leger een nieuw aanzien gegeven. Het leger had echter geen macht meer. Ook had Diocletianus de binnenlandse politieke structuur van het rijk gereorganiseerd. Hij was begonnen met de laatste totale vervolging van de christenen in het Romeinse Rijk. Zijn grote fout was waarschijnlijk het invoeren van een nieuw regeringssysteem, waardoor het rijk uiteindelijk in twee delen uiteenviel.

Naar de mening van Diocletianus was het rijk te groot om door één man geregeerd en bij elkaar gehouden te worden. Volgens hem moest de keizer, vanuit Rome, naar de verafgelegen provincies reizen om zich daar te verzekeren van de trouw van zijn troepen. En hij moest die troepen indien nodig aanvoeren in de strijd. Ook moest hij de doeltreffendheid van de plaatselijke besturen kunnen controleren. Eén man kon niet gelijktijdig in alle provincies zijn of ze zelfs maar regelmatig bezoeken. Daarom koos Diocletianus een medekeizer, Maximianus, om hem te helpen in het westen de orde te handhaven, terwijl hij dat zelf in het oosten zou doen. Net als Diocletianus droeg Maximianus, een vroegere militaire collega, de titel Augustus (mede-keizer). Om de macht zo goed mogelijk te handhaven, koos Diocletianus nog twee assistenten. Die droegen de titel Caesar (mede-bestuurder). Het waren Galerius voor het oosten en Constantius voor het westen. Door middel van het huwelijk werden de twee caesares aan hun augusti (keizers) gebonden. Galerius trouwde met Valeria, de dochter van Diocletianus en Constantius met Theodora, de stiefdochter van Maximianus. Op die manier werd het keizerrijk in vier gebieden verdeeld. Elk deel had een eigen hoofdstad en een eigen keizer.

Het systeem werkte goed. Na verloop van tijd waren de vier keizerlijke leiders in staat de indringers te verdrijven en in het hele rijk de orde te herstellen. In de tussentijd concentreerde Diocletianus zich op de binnenlandse problemen van het rijk. Hij begon de structuur van de centrale regering te veranderen. Hij deed dit op een manier, die waarborgde dat hij alle touwtjes in handen hield. Wanneer dat nodig was, kon hij onmiddellijk tot actie overgaan. Veel van de instellingen van de oude Romeinse regering bleven bestaan, maar sommige kregen een andere functie.

Net als het politieke bestuur was ook de economische situatie in het rijk, na jaren van oorlog, niet al te rooskleurig. Diocletianus probeerde dit te herstellen door de landbouw te stimuleren en een bouwprogramma te laten uitvoeren. Om de handel te bevorderen, gaf hij een betrouwbare munt uit. Er kwamen nieuwe gouden en zilveren munten in omloop. Ook kwamen er kleinere munten om de alledaagse aankopen te vergemakkelijken. Er werden nieuwe wetten afgekondigd die het bezit van eigenaren beschermden, alsmede het recht van schuldeisers en de geldigheid van contracten. Er waren ook minder populaire economische hervormingen, zoals de belastingen op bebouwbaar land en op personen en het beroemde Edict van Diocletianus. Hiermee controleerde hij vanaf 301 de lonen en de prijzen. De bedoeling van het Edict was, de inflatie af te remmen en de uitbuiting van de consumenten te voorkomen. Maar voor de boeren en de handelaren bleek het rampzalig te zijn. Overal werd het Edict genegeerd en ten slotte schafte men het af.

Tegen het einde van zijn regering, in de jaren 303 en 304, liet Diocletianus vier Edicten afkondigen, die waren ontworpen om het christendom te onderdrukken. Maar de vervolging maakte geen einde aan het christendom. Integendeel, het geloof werd enorm versterkt doordat vele martelaren als heiligen werden aanbeden.

In het jaar 305 besloot de oude en zieke Diocletianus afstand te doen van zijn keizerschap. Hij haalde zijn mede-keizer Maximianus over om samen met hem af te treden. Ze wezen hun twee caesares (mede-bestuurders) als hun opvolgers aan. Deze werden toen de augusti (keizers). Op hun beurt benoemden ze twee caesares. Diocletianus trok zich terug op zijn schitterende kasteel bij Salona (in het huidige Split in Joegoslavië). Daar hield hij zich bezig met tuinieren totdat hij acht jaar later stierf.

Door zijn hervormingen en reorganisatie hield Diocletianus het Romeinse Rijk nog zo’n honderd jaar in stand. Maar door het in een westelijk en oostelijk rijk te verdelen, veroorzaakte hij een scheuring, waardoor het rijk later in tweeën zou splitsen. Dit leidde tot de vernietiging van het westelijk deel, waaronder de Eeuwige Stad, Rome.

6e klas Diocletianus rijkHet verdeelde rijk van Diocletianus. Hij regeerde vanuit Byzantium, terwijl Maximianus Rome als hoofstad had.

alle biografieën

6e klas geschiedenis: alle biografieën

1078-1000

.