VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – temperamenten (15-2)

.

De temperamenten

In de Grieks-Romeinse cultuur werden de vier temperamenten bekeken vanuit het vloeistof-element, de sapstromen in het lichaam. Het woord ‘temperament’ betekent ‘menging’.
Volgens Hippocrates en later Galenus waren de belangrijke lichaamssappen: bloed (sanguis), zwarte gal (melanchos), slijm (flegma), en gal (cholos). Temperamentenleer was een medische zaak. De sappenleer is al lang verlaten in de medische wetenschap. De namen sanguinisch, melancholisch, flegmatisch en cholerisch bleven bestaan.
In de psychologie speelden deze temperamenten later een rol o.a. bij Heijmans.

Rudolf Steiner wees opnieuw op de vier temperamenten, maar ditmaal werd hun bruikbaarheid in de pedagogie benadrukt. Hij ging daarbij uit van twee criteria, die in fysiologisch-psychologische zin te gebruiken zijn n.l. de prikkelbaarheid en de activiteit.

Een type met grote prikkelbaarheid en grote activiteit (cholerisch) staat polair tegenover een met geringe prikkelbaarheid en geringe activiteit (flegmatisch).

Een tweede polariteit bestaat tussen een type met grote prikkelbaarheid en een geringe activiteit (melancholisch) en een type met geringe prikkelbaarheid en grote activiteit (sanguinisch).

De oude namen werden behouden, omdat deze vier typen ook bleken te kloppen met de medisch-psychologische onderscheidingen van weleer.

Het temperament van de mens is niet onbelangrijk, want hij behoudt het als mens zijn leven lang.

Men ziet bij de kleuter al een temperament ontstaan. Het wordt manifest in de zich geleidelijk emanciperende levenskrachten. Het temperament is immers bij de kleuters nog zo in het organisme gebonden, dat het niet juist zou zijn om er pedagogisch mee te werken. Dit kan pas met vrucht, wanneer het emancipatieproces van het levenskrachtenorganisme (met de tandenwisseling) voltooid is. Rudolf Steiner noemt de voltooiing van dit proces zelfs een ‘tweede geboorte’ van het kind.

Tot het begin van de puberteit komt het temperament vrij zuiver voor. Men kan er ongeveer zeven jaren pedagogisch mee werken. Daarna is dat niet meer mogelijk. Wel kan de mens later door zelfopvoeding iets aan zijn temperament trachten te veranderen. Geen gemakkelijke zaak overigens.

Eigenlijk draagt de mens alle vier temperamenten in zich. Meestal voert één temperament de boventoon, speelt als het ware de eerste viool.

Hoe zien de temperamentstypen eruit en hoe kan men deze indeling in temperamentsgroepen in een klas pedagogisch gebruiken?

a. Het melancholische kind heeft het moeilijk. Het denkt veel en is bevreesd voor vele dingen die zouden kunnen gebeuren. Het zit vrij stil, ogenschijnlijk rustig, maar innerlijk gespannen. Het heeft grote aandacht voor het kleinste eigen wondje of pijn. Dit beleven van de zwaarte, de moeilijkheid in alles, maakt het kind vrij somber en zwaartillend. Het is egocentrisch en oog voor een ander heeft het niet. Staat het melancholische kind op, dan blijkt het vrij lang en mager te zijn, soms zelfs ietsje schonkig. Hel loopt langzaam, sjokt en sloft, het schijnt of het zijn voetzooltjes aan de grond afsmeert. Het gezichtje is letterlijk en figuurlijk lang. Hel kind is introvert, denkt, en heeft het koud. De belevingen
zijn diep. maar er komt heel weinig van naar buiten. Het wil niet opvallen. Warmte in stemklank en gebaar, rustige benadering, zelf laten merken, dat de narigheid in de wereld (en in eigen leven) niet aan hem voorbij is gegaan, geduld en belangstelling zijn bij de leerkracht nodig om het melancholische kind te winnen en tot leren te brengen.
Melancholische kinderen zet men in een groepje bij elkaar. Zij vinden elkaar soms overdreven. Dit is goed. Het is zeer economisch, zo’n groep: door z’n geringe belangstelling voor anderen denkt elk kind van de groep, dat hij alléén wordt aangesproken. Zo is één melancholisch gesprek of voorbeeld voldoende voor een groep van acht, in plaats van acht gesprekken.
Dit spaart tijd zonder te haasten.

b. De tegenhanger van het melancholische kind is het sanguinische. Dit kind valt dadelijk op en dat vindt het fijn.
Het is harmonisch gebouwd, het heeft een regelmatig gezichtje, een goed gevormd borstkasje, een duidelijk middeltje, goed gevormde kuiten. Vaak heeft het blauwe oogjes en blond haar. Dansende voetjes, dansende lokken, heldere, vrolijke stem, innemend, maar vlug afgeleid, moeilijke concentratie dus, oppervlakkig en gemakkelijk in de omgang, kortom een elfje, huppelend en op de tenen lopend, schelms, slordig maar lieftallig. Een luchtig, extravert gevoelswezentje. Loslippig: een minimum aan indrukken levert een maximum aan uitingen. Het kijkt vaak omhoog. Men kan zo’n groep wezentjes paaien door zelf heel veel veranderingen in de les te laten plaatsvinden. Veel afwisseling, humor, dan begint het sanguinische kind van zijn leerkracht te houden, zodat men het ook tot enige concentratie kan brengen.

c. Zie me daar die cholericus eens aan! Hij stampt bij het lopen energiek met de hakken. De vuisten zwaaien rond en komen als hamertjes neer. Hij is gedrongen van bouw, hij heeft weinig middel en vaak korte ledematen. Zijn nek is kort, zodat het hoofd de indruk maakt in de romp geschroefd te zijn. De stem is dikwijls rauw, het gehoor slecht. Er is een diepe beleving, maar o wee, wat een vulkanische reacties en woeste handelingen! De cholericus is vurig verbonden met het doen en zeer actief. Hij kijkt soms wazig, soms ook met borende blik, recht vooruit. Hij is gauw driftig. Men berge zich dan voor de krachtdadige reactie. De leraar moet vooral kalm blijven. Wat later veel belangstelling tonen en de cholericus voordoen, hoe hij zich gedroeg. Onverzettelijk zijn en niet zwichten voor de woede-aanval. Dat boezemt de driftkop een respect in, dat bij een volgend conflict goed bruikbaar blijkt.

d. De polaire tegenstelling van het cholerische kind is het flegmatische. Het is vaak fors gebouwd en vol ronde vormen. Het beweegt zich langzaam, zelfs traag. De flegmaticus schuwt alle haast en hij is op zijn gemak gesteld. Weinig maakt indruk op hem, weinig komt er uit hem. Zijn zachte zoolgang, als een beertje, verhaast zich iets wanneer hij zich naar een plaats begeeft, waar hij zich zorgvuldig en methodisch kan zitten voeden. Hij maakt een slaperige indruk. De mooiste plaats is voor hem: zijn bed. Hij is vol gevoel, voor zichzelf weliswaar. Het type ‘binnenvetter’ komt ook bij de flegmatici voor: rustig, zeer intelligent, een uiterst koel en nauwkeurig waarnemer, is zo eentje. Dikwijls ook een ijverige en keurige werker, want hij herhaalt graag en vaak, wat hij geleerd heeft. Men kan de flegmaticus slechts benaderen door ook flegmatisch te spreken en te doen. Een flegmatische leraar is een raadsel voor het kind: die begint interesse te wekken bij hem. Innerlijk echter moet de leraar juist vol belangstelling zijn voor het kind.

temperamenten 1

 

Het algemene kindertemperament is sanguinisch
Tot het begin van de puberteit kan men de vier temperamenten behandelen. Steeds zal men moeten bedenken, dat een temperament wel kan ontaarden (waanzin, dwaasheid, razernij, botheid), maar op zichzelf geen ziekte is. Temperamenten zijn aangeboren hebbelijkheden met positieve en negatieve kanten. Zij moeten niet bestreden of afgeleerd worden. Het zou niet gelukken en uiterst onpedagogisch werken.
Harmonisering is wel mogelijk en ook nodig. Temperamenten zet men soortsgewijs bij elkaar, zo mogelijk ook nog naar jongens en meisjes gerangschikt.
Er zijn vele sociale mogelijkheden. De leerkracht kan zijn temperamentsgroepen ‘bespelen’, als een dirigent zijn strijkers, blazers en slagwerkers. Hij kan alle kinderen wijzen op elkaars ‘anders zijn’ en de acceptering ervan in de hand werken, daarbij elk waarde-oordeel vermijdend. Positieve benaderingen, homeopathische behandeling geeft de beste resultaten (d.w.z. het gelijke met het gelijke behandelen).

Zijn vier wezensdelen (lichaam-, leven-, ziel en geest) hangen evenzeer met de temperamenten samen als de vier elementen, waaruit de wereld is opgebouwd.

Voor de volwassen mens geeft Rudolf Steiner de volgende samenhang aan:

Er zijn vele sociale mogelijkheden. De leerkracht kan zijn temperamentsgroepen ‘bespelen’, als een dirigent zijn strijkers, blazers en slagwerkers. Hij kan alle kinderen wijzen op eikaars ‘anders zijn’ en de acceptering ervan in de hand werken, daarbij elk waarde-oordeel vermijdend. Positieve benaderingen homeopathische behandeling geeft de beste resultaten (d.w.z. het gelijke met het gelijke behandelen).

Zijn vier wezensdelen (lichaam-, leven-, ziel en geest) hangen evenzeer met de temperamenten samen als de vier elementen, waaruit de wereld is opgebouwd.

Voor de volwassen mens geeft Rudolf Steiner de volgende samenhang aan:

melancholisch           -aarde, het vaste –        fysiek lichaam
flegmatisch                -water, vloeistof’ –        levenslichaam
sanguinisch                -lucht, gas –                   ziele-organisme
cholerisch                   -vuur, warmte –            ik (geest)

Voor de schoolkinderen ligt dat nog anders, omdat hun ‘ik’ nog niet voldoende met de andere drie wezensdelen verbonden is. Dan is er het navolgende verband:

flegmatisch                 -water                          -fysiek lichaam      -voelen
sanguinisch                 -lucht                          -levenslichaam      -voelen
cholerisch                    -vuur                           -ziele-organisme    -willen
melancholisch            -aarde                          -(ik)                          -denken

 

Hoofdstuk V, waarvan 5.5, uit ‘Het binnenste buiten’ – eindrapportage project traditionele vernieuwingsscholen – Driebergen 1985, VPC

 

Rudolf Steiner als pedagoog (1)

Hoe om te gaan met de driftbuien van een cholericus
Rudolf Steiner als pedagoog (2)
Wat kan er gebeuren als 2 kinderen met eenzelfde temperament naast elkaar zitten
Rudolf Steiner als pedagoog ( 3)
Een aanwijzing voor het melancholische temperament
Rudolf Steiner als pedagoog (4)
Hoe bij een (cholerisch) kind een verhaal werkte

(1)  Temperament en rekenen (1)
optellen “flegmatisch en cholerisch”
(2)  Temperament en rekenen (2)
vermenigvuldigen “sanguinisch en melancholisch”
(3) Temperament en rekenen (3)
delen “cholerisch en flegmatisch”
(4) Temperament en rekenen (4)
aftrekken “melancholisch en sanguinisch”

 

werken met temperamenten [1]    [2]    [3]

 

1019

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – temperamenten (15-2)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.